[Inhoud]X.Antekirrta.Vijftien uren nadat zij de kust van Tripoli verlaten had, werd deElektriek 2door den uitkijk van Antekirrta geseind. Het vaartuig was toen nog maar ter nauwernood zichtbaar, maar in den namiddag lag het in de binnenhaven van het eiland ten anker. Dokter Antekirrt was tevreden, en moest erkennen, dat die overtocht binnen den kortst mogelijken tijd volvoerd was.De lezer zal gemakkelijk kunnen gissen, welke ontvangst het geachte hoofd van het eiland en zijne wakkere tochtgenoten ten deel viel.Hoewel Sava zich nu geheel en al buiten gevaar bevond, werd er toch besloten, dat de banden, die haar aan dokter Antekirrt verbonden, stipt geheim zouden gehouden worden. Daar bestonden redenen voor, en ieder die met de ware toedracht bekend was, verbond er zich toe. Die waren trouwens niet veel, namelijk: Piet Bathory, zijne moeder, Luigi en Maria Ferrato, Kaap Matifou en Pescadospunt.Graaf Mathias Sandorf wilde onbekend blijven, totdat hij volledig de taak zou vervuld hebben, die hij op zich genomen had. Maar het was voldoende, dat Piet Bathory, die voor hem een zoon was,—zoo veel hield hij van hem,—verloofd was met Sava Sandorf, om overal en van alle kanten de vreugde te ontwaren, die dan ook door allen, op werkelijk aandoenlijke wijze aan den dag gelegd werd, zoowel op het stadhuis als in Artenak, de kleine hoofdplaats van het eiland Antekirrta.De lezer zal zich gewis ook kunnen voorstellen, wat mevrouw Bathory moest ondervinden, toen Sava na zooveel beproevingen teruggevonden en haar weergegeven was! Die goede vrouw gevoelde zich inderdaad zoo gelukkig mogelijk.Het jonge meisje herstelde spoedig. Weinige dagen van geluk waren voldoende, om haar de volle gezondheid weer te geven.Wat Pescadospunt betreft, die brave kerel had zijn leven gewaagd; dat was ontwijfelbaar en dat viel niet te ontkennen, maar volgens hem was dat zeer natuurlijk, en er bestond geen mogelijkheid om hem daarover althans in woorden erkentelijkheid te betuigen. Piet Bathory had hem zoo innig aan zijn hart gedrukt en dokter Antekirrt had hem met zulk een goedaardigen blik aangekeken, dat hij verder niets[198]hooren wilde. Volgens zijne gewoonte daarenboven, kende hij de geheele verdienste van de redding aan Kaap Matifou toe. Ja, aan Kaap Matifou, zijn tweeling-broeder als het ware.„Ziet ge,” herhaalde hij telkens, „dat is de man, dien gij moet bedanken. Niet mij!…”„Loop heen,” sprak de reus, half lachende, half gebelgd. „Loop heen met je praatjes!”„Hij heeft alles gedaan,” ging Pescadospunt voort. „Hij alleen, die sterke vent.”„Ik? Neen, hij!”„Ja, hij, die Kaap van mijn hart! Als hij er niet geweest was, dan waarachtig …”„Nogmaals, loop heen! Je brengt mij waarlijk uit mijn humeur!” zei de Hercules blozend.„Als die goede Kaap niet zooveel behendigheid bij de oefening met dien staak aan den dag had gelegd, dan zou ik niet met een sprong binnen het huis van dien akeligen Moquaddem Sidi Hassan hebben kunnen dringen.…”„Schei uit! Je maakt mij inderdaad zeeziek! Je bent een nare kerel! Hoor je?”„En Sava Sandorf”, ging Pescadospunt voort, zonder op de onderbreking van Kaap Matifou te letten, „zou den dood gevonden hebben, wanneer mijn dierbare Kaap niet daar geweest was, om haar in zijn armen op te vangen!”„Dat is waar,” sprak het jonge meisje met een schalkschen glimlach. „Dat is ontwijfelbaar waar, mijnheer Matifou!”„Zal je nu eindigen!” sprak Kaap Matifou half gebelgd tot Pescadospunt.„Waarom? Waarom zou ik eindigen? Ik spreek slechts de waarheid, dat kan niemand ontkennen.”„Gij gaat te ver, want het denkbeeld, om …”„Zwijg, Kaaplief!” viel hem Pescadospunt in de rede.„Waarom zou ik nu moeten zwijgen? Ik wil en zal thans spreken! Hoort ge? Niemand zal mij dat beletten.”„Drommels, ik ben niet sterk genoeg, om complimenten van dat gehalte in ontvangst te nemen, terwijl gij …”„Nu terwijl ik?” vroeg Kaap Matifou, terwijl hij zijne mouwen opstroopte en zijne Hercules-armen met welgevallen beschouwde. „Nu, ga voort, terwijl ik?…”„Kom, laten wij onzen tuin gaan bebouwen en verzorgen”, zei Pescadospunt lachende. „Daar zullen die cyclopen-armen te pas komen. Wij hebben onze plantage te lang verwaarloosd.”De kustbatterijen waren in goeden staat gebracht. (Bladz. 202.)De kustbatterijen waren in goeden staat gebracht. (Bladz.202.)„Cyclopen-armen!…” pruttelde Kaap Matifou, terwijl hij zijn vriend volgde. „Gij zoudt willen, dat gij uwe magere asperges tegen[199][200]die cyclopen-armen kondet verruilen. Wacht maar … die cyclopen-armen zullen je die plagerijen wel betaald zetten!…”Pescadospunt schaterde het uit, maar antwoordde niet en trok zijn vriend met zich voort.Kaap Matifou zweeg verder; maar eindigde met zich alle gelukwenschen te laten aanleunen, alleen „om zijn kleinen Pescadospunt niet te ontstemmen.” Dat duidde op een goedig karakter. Maar ieder was dat van den zachtaardigen reus gewoon.Er werd besloten, dat het huwelijk van Piet Bathory met Sava Sandorf al zeer spoedig, namelijk op den 9denNovember zoude voltrokken worden. Wanneer onze jonge vriend de echtgenoot van Sava geworden zou zijn, zou hij dadelijk beginnen, om de rechten zijner vrouw op de erfenis van graaf Mathias Sandorf te doen erkennen. De brief van mevrouw Toronthal liet omtrent de geboorte en de afkomst van het jonge meisje geen twijfel bestaan. Wanneer het daarenboven noodig zoude zijn, dan zou men wel eene gelijkluidende verklaring van den bankier verwerven. Het behoeft niet verzekerd te worden, dat de noodige formaliteiten daarbij betracht werden, vooral omdat Sava Sandorf nog niet meerderjarig was en derhalve den leeftijd nog niet bereikt had, om hare rechten te doen eerbiedigen. Inderdaad, zij zou haar achttiende jaar eerst over zes weken bereiken.Er moet bovendien bij verteld worden, dat in dat verloopen tijdvak van vijftien jaren, een wijziging in de staatkunde plaats had gegrepen, geheel ten voordeele van de Hongaarsche kwestie, en waaruit een betere toestand geboren was, vooral ten opzichte van de herinnering, die de zoo plotseling bedwongen onderneming van graaf Mathias Sandorf bij eenige staatslieden achtergelaten had. Mildere gevoelens zaten bij hen voor en zouden hunnen invloed niet missen.Wat den Spanjaard Carpena en den bankier Silas Toronthal betreft, omtrent hun lot zou later afdoend beslist worden, evenwel niet vóórdat Sarcany op zijne beurt een plaatsje in de kasematten van Antekirrta zoude erlangd hebben. Eerst dan zou de taak van gerechtigheid, die dokterAntekirrtondernomen had, volvoerd mogen heeten. Ja, eerst dan zou de deugd beloond en de misdaad gestraft mogen heeten.Maar terzelfdertijd, dat de dokter de middelen beraamde, om zijn doel te bereiken, gebood de noodzakelijkheid ernstig om maatregelen van voorzorg voor de veiligheid der kolonie te treffen. Zijne agenten in de Cyrenaïsche streken en in het Tripolitaansche Regentschap meldden hem toch, dat de Senousistische beweging in belangrijkheid buitengewoon toenam, vooral in het villayetschap van Ben Ghazi, dat zich het meest in de nabijheid van het eiland Antekirrta[201]bevond. Speciale loopers stelden zich onafgebroken in betrekking tot Jerhboub, dat nieuwe brandpunt van de Islamitische beweging, zooals de heer Duveyrier dat tweede metropolitaansche Mekka noemde, waar toen Sidi Mohammed El Mahedi tegenwoordige Grootmeester der Broederschap met zijne hem ondergeschikte hoofden van de geheele provincie resideerde. Daar nu die Senousisten de waardige nakomelingen zijn van de oude Barbarijsche zeeschuimers, dragen zij derhalve een ingekankerden en doodelijken haat toe aan een ieder, die tot het Europeesche ras behoort. Dokter Antekirrt begreep dan ook, dat hij zeer op zijne hoede moest zijn en dat voor het eiland Antekirrta inderdaad zeer gevaarvolle dagen aanbreken konden.En werkelijk, moeten niet aan de Senousisten toegeschreven worden de veelvuldige moorden, die sedert twintig jaren op de Afrikaansche sterftelijst hebben moeten ingeschreven worden? Als wij Beurman in 1863 te Kanem hebben zien omkomen, Van der Decken met zijne makkers in 1865 op de rivier Djouba, mejuffrouw Alexina Tinne en hare volgelingen in 1865 in de Ouadj Abedjouch, Dournaux Duperré en Joubert in 1874 bij den waterput van In Azhar, de paters Paulmier, Bouchard en Menored in 1876 in de omstreken van In Calah, de paters Richard Morat en Pouplard van den zendingspost Ghadames in het noorden van de Azdjer-streek, den kolonel Flatters, de kapiteins Masson en De Dianous, den dokter Guiard, de ingenieurs Beringer en Roche in 1881 op den openbaren weg naar Warglâ, dan moeten alle die moorden toegeschreven worden aan die bloeddorstige geaffilieerden, die er toe gedwongen worden de Senousistische leer ten opzichte van stoutmoedige landonderzoekers ten uitvoer te leggen. Onbedwingbare dweepzucht komt daarbij voornamelijk in het spel. Dat is niet te betwisten.Omtrent dit onderwerp onderhield dokterAntekirrtzich zeer dikwijls met Piet Bathory, met Luigi Ferrato, met de gezagvoerders zijner flottilje, met de hoofden zijner militie en met de voornaamste notabelen van zijn klein eiland.Zou Antekirrta een aanval van die schrikkelijke zeeschuimers kunnen weerstaan?Ja, ongetwijfeld, hoewel het geheele versterkingsplan nog niet geheel ontworpen, en sommige vestingwerken nog niet voltooid waren, zeker zou Antekirrta zich kunnen verdedigen, evenwel in het geval dat de aanvallers niet te talrijk zouden zijn.Van eene andere zijde beschouwd, zouden de Senousisten er eenig belang bij hebben, het eiland te bemachtigen?Voorzeker, daar het de geheele Sidragolf beheerschte, die door de kusten van de Cyrenaïsche en Tripolitaansche streken omzoomd en gevormd werd. Voor hen vormde dat eiland als het ware een strategische knoop en was dus zeer belangrijk.[202]De lezer zal wel niet vergeten hebben, dat ten zuidwesten van Antekirrta het eilandje Kenkrof op een afstand van ongeveer twee mijlen gelegen was. Nu had men den tijd niet gehad, om dat eilandje te versterken, en dat dreigde gevaarlijk te worden, in het waarschijnlijk geval, dat eene vloot daarvan hare operatiebasis wilde maken. Dokter Antekirrt had het dan ook, zooals wij weten, bij wijze van voorzorgsmaatregel laten ondermijnen, en thans werd eene schrikkelijke ontplofbare stof, de penkrastiet, in de mijngangen, die te midden van de rotsachtige massa aangelegd waren, geladen. Verdere voorzorgen waren voorloopig niet te nemen.Er was maar eene electrische vonk noodig, die langs een onderzeeschen metaaldraad, die het eilandje met Antekirrta verbond, afgezonden kon worden, om Kenkrof, met alles wat zich op zijne oppervlakte bevond, in de lucht te doen vliegen en te vernietigen.Ziehier, wat omtrent de andere verdedigingswerken van het eiland verricht was.De kustbatterijen waren in goeden staat gebracht en wachtten slechts dat de aangewezen bedieningsmanschappen der militie hunne posten kwamen innemen. Het centraal conisch fortje was gereed om vuur te kunnen geven met zijne stukken, die zeer ver droegen. Talrijke torpedo’s, die in het vaarwater gezonken lagen, verdedigden den toegang der haven. Ook deFerratoen de beideElektriekswaren tot handelen gereed, hetzij om den aanval verdedigenderwijze tegen te gaan, hetzij om bij den uitval op de aanvallende vloot in te loopen. Inderdaad, de verdedigingsmiddelen van het kleine eiland Antekirrta waren niet gering te schatten.Toch had het eiland eene kwetsbare plaats, namelijk de zuidwestelijke kust. Daar was eene strook, die niet door het vuur der strandbatterijen en door dat van het fortje bestreken werd, en waar dus gemakkelijk troepen konden ontscheept worden. Men had nog geen tijd gehad, om daar het versterkingsplan te voltooien. Dat was wel te betreuren.Daar bestond het gevaar, en misschien was het reeds te laat, om afdoende verdedigingswerken te ontwerpen en daar te stellen. Maar daaraan was nu in de gegeven omstandigheden niets meer te doen. Maar was het, alles wel beschouwd, onwraakbaar zeker, dat de Senousisten plan hadden, om het eiland Antekirrta aan te tasten?Dat was toch, bij eenig nadenken, eene zaak van belang, ja eene gevaarlijke onderneming, die daarenboven een belangrijk materiëel vorderde. Luigi Ferrato kon aan dat plan niet gelooven en twijfelde nog. Dat gaf hij eens te kennen bij gelegenheid dat dokter Antekirrt, Piet Bathory en hij de versterkingswerken van het eiland in oogenschouw namen.„Wat zouden zij hier komen doen?” vroeg hij. „Neen, op Antekirrta hebben zij het oog niet gevestigd.”[203]„Dat ’s mijne meening niet,” antwoordde dokter Antekirrt. „Het eiland is rijk, het beheerscht de streken, die aan de Syrtische Zee gelegen zijn. Al bestonden ook slechts die redenen, geloof mij, dan zou het eiland toch vroeg of laat aangevallen worden; want de Senousisten hebben er zeer groot belang bij, er zich van te bemachtigen!”„Meent gij?” vroeg Luigi Ferrato hoofdschuddende en nog steeds ongeloovig.„Niets is zekerder dan dat,” vulde Piet Bathory aan. „En mij dunkt, dat dit eene gebeurlijkheid is, die ons zeer op onze hoede moet doen zijn!”„Nu, dat zullen wij!… Maar, intusschen wil het bij mij er nog maar niet in …”„Wat mij vooral aan een aanstaanden aanval doet gelooven,” hernam dokter Antekirrt, „dat is, dat Sarcany tot de geaffilieerden van de Khouâns behoort, en het is mij bekend, dat hij vroeger steeds voor hen als agent in het buitenland werkzaam is geweest … Hij was het, die wapens, kruit en lood voor hen opkocht.”„Dat is zoo, maar …”„Herinnert u nu, mijne vrienden, dat Pescadospunt in het huis van den Moquaddem een onderhoud tusschen Sarcany en Sidi Hassan afgeluisterd heeft. In dat onderhoud werd de naam van het eiland Antekirrta herhaaldelijk uitgesproken … Mij dunkt, dat dit zijne beteekenis moet hebben. Zijt gij ook niet van die meening?”„Ja, maar …”„Sarcany weet,” ging de dokter onverstoorbaar voort, „dat het eiland mij toebehoort, dat wil zeggen aan den man, die een schrik voor hem is, aan den man die Zirone op de hellingen van den Etna deed aanvallen …”„Jawel, maar welke …”„Dus, omdat hij daarginds op het eiland Sicilië niet geslaagd is, zal hij ongetwijfeld hier trachten te slagen en dat met veel meer kansen in zijn voordeel. Mij dunkt toch, Luigi, dat die redeneering steek houdt.”„Heeft hij een persoonlijken haat jegens u, heer dokter?” vroeg Luigi Ferrato.Antekirrt trok onverschillig de schouders op. De haat van zoo’n aterling scheen hem niet te deeren.„Kent hij u ten minste?” vroeg de jonge zeeman, die zich zoo gauw niet gewonnen gaf, met aandrang.„Het is mogelijk, dat hij mij te Ragusa gezien heeft,” antwoordde dokter Antekirrt.„Maar dat is niet voldoende om …”„In ieder geval,” ging de dokter voort, „kan het hem niet onbekend gebleven zijn, dat ik in die stad in aanraking gekomen ben met de familie Bathory …”[204]„Dat is te zeggen.…”„Daarenboven moet hem op het oogenblik, toen Pescadospunt Sava uit het huis van den Moquaddem Sidi Hassan ontvoerde, bekend geworden zijn, dat Piet Bathory nog leefde. Dat alles moet in zijn geest eenig verband gezocht hebben, en hij kan er niet aan twijfelen, dat èn Piet èn Sava eene schuilplaats op het eiland Antekirrta gevonden hebben. Die gedachte alleen is meer dan genoeg, om er hem toe te brengen, het geheele Senousistische hondenpak tegen ons aan te voeren. En van die hebben wij geene genade te verwachten, wanneer zij er in slaagden, ons eiland te overweldigen.”Die redeneering was volstrekt niet zonder grond. Het was meer dan zeker, dat Sarcany nog niet wist, dat dokter Antekirrt en Graaf Mathias Sandorf slechts één persoon uitmaakten. Hij wist evenwel genoeg, om alles in het werk te stellen, ten einde de erfgename van het domein Artenak weer in handen te krijgen. Niemand zal er zich dus over verwonderen, dat hij den Kalief aangezet had, om een krijgstocht tegen de Antekirrtsche volksplanting uit te rusten! Hij had zelfs aangeboden, den aanval te besturen en te geleiden. Een lafaard was Sarcany niet.Men bereikte evenwel eindelijk den 3enDecember, zonder dat iets geschied was, hetgeen op een aanstaanden aanval kon duiden. Het was tot dien datum in den omtrek van het eiland Antekirrta volkomen rustig gebleven.Er mag niet uit het oog verloren worden, dat de vreugde over het weerzien en het geluk, om zich eindelijk allen te zamen vereenigd te vinden, allen, behalve den dokter, als in eene betoovering besloot, die voor de gedachten aan eene ernstige toekomst weinig, zeer weinig overliet. Het aanstaande huwelijk van Piet Bathory met Sava Sandorf vervulde aller harten en aller hoofden. Iedereen trachtte zich zelven de overtuiging op te dringen, dat de ongeluksdagen voorbij waren en dat zij niet meer wederkeeren zouden. Hoe zou men zich intusschen daarin vergissen!Het moet ten volle erkend worden, dat Pescadospunt en Kaap Matifou de algemeene gerustheid volmaakt deelden. Zij gevoelden zich zoo overgelukkig over het geluk der anderen, dat zij als het ware in een voortdurenden staat van verrukking verkeerden. Zij betrachtten dat geluk, hetwelk zij toch teweeg gebracht hadden, voortaan als onverstoorbaar.„Het is om, bij mijn ziel, niet aan te gelooven,” herhaalde Pescadospunt voortdurend.Waarop Kaap Matifou, steeds onbevattelijk, onveranderlijk antwoordde met de vraag:„Waaraan valt niet te gelooven? Op het vraagstuk omtrent geloof ben ik nog al gemakkelijk.”[205]Tweehonderd vaartuigen, op zijn minst gerekend, naderden in breede linie het eiland. (Bladz. 208.)Tweehonderd vaartuigen, op zijn minst gerekend,naderden in breede linie het eiland. (Bladz.208.)[206]„Wel,” antwoordde Pescadospunt dan lachende, „dat gij een dikke, vette rentenier gaat worden, en dat.…”„En dat?” vroeg Kaap Matifou dan ongeduldig. „Waarom gaat gij niet voort? Zeg?”„En, dat ik er aan denk, om je te laten trouwen!”„Mij?” riep de reus verbouwereerd uit. „Kom, ge houdt mij voor den gek!”„Ja, gij trouwen! Gij in eigen persoon!”„Ik, trouwen?… Het is inderdaad, om het uit te gieren van lachen,” hernam Kaap Matifou, die inderdaad zijn buik vasthield.„Ja,… en met een lief klein vrouwtje!” ging Pescadospunt met een onverstoorbaar ernstig gelaat voort.„Houdt ge me voor den gek! Zeg het dan bijtijds, dan kan ik de plaat poetsen.”„Komaan, komaan, een lief klein vrouwtje … Is je dat nu voor den gek houden?”„Waarom moet ze klein zijn?” vroeg Kaap Matifou plotseling nurksch geworden. „Mij dunkt, dat ik niet zoo heel klein ben.”„Verduiveld, ja … Je bemerking is juist … Een klein vrouwtje zou niet bij je passen!…”„Welnu?”„Ge moet eene mooie vrouw hebben, maar onmetelijk van omvang … Mevrouw Kaap Matifou moet iets kolossaals zijn, niet waar?… Zoo iets als een klokketoren! Wat denkt ge er van?”„Dat ge andermaal spot!”„Neen, Kaap van mijn hart, wij zullen je zoo’n vrouw bij de Patagoniers gaan zoeken!”„Loop naar den duivel! Dan ben je met je plagerijen een eind uit de buurt! Goede reis!”Maar in afwachting, dat men voor Kaap Matifou eene wederhelft zou vinden, die hem en ook zijner gestalte waardig zoude zijn, hield Pescadospunt zich voornamelijk met het huwelijk van Piet Bathory en Sava Sandorf bezig. Hij beraamde en overwoog, natuurlijk met toestemming van dokter Antekirrt, de openbare feestelijkheden, welke bij die gelegenheid, waarbij kermisspelen toegelaten, waarbij gezangen voorgedragen en danspartijen georganiseerd zouden worden, plaats zouden hebben. Dat daarbij saluutschoten uit alle stukken geschut van het eiland niet zouden vergeten worden, alsook niet een monsterachtig feestmaal in de open lucht, met eene serenade aan de jonggehuwden, waarna een solemneele taptoe met fakkellicht, bekroond door een prachtig vuurwerk, zal wel niet behoeven vermeld te worden. Hij, hij Pescadospunt, zou voor dat alles zorgen. Bij zoo iets was hij in zijn waar element. Het feest zou prachtig, zou schitterend wezen! Men zou er lang, zeer lang over praten! Het zou eeuwig in de[207]herinnering der bewoners blijven! Leve! Leve de jonggehuwden!De vreugde zou echter van korten duur zijn. Een flikkervlam, niets anders. Een waar stroovuur!Al die plannen zouden door de gebeurtenissen in hunne geboorte verstikt, althans uitgesteld worden.In den nacht van den 3denop den 4denDecember,—een uiterst kalme nacht, die evenwel door een dik wolkendak verduisterd werd—weerklonk plotseling een electrische schel op het Stadhuis in het vertrek van dokter Antekirrt. Dat was een afgesproken alarmsignaal.Het was toen ongeveer tien uur in den avond. De bewoners van het Stadhuis zaten gezellig bij elkander.De dokter en Piet verlieten op dat sein het salon, waarin zij den avond met mevrouw Bathory en met Sava Sandorf doorgebracht hadden. De dames bleven, door een soort van voorgevoel vervoerd, wel eenigermate ongerust achter.Toen de heeren in het kabinet gekomen waren, ontwaarden zij dat het signaal kwam van den observatie-post, die op den top van den centraalheuvel van het eiland Antekirrta geplaatst was. Vandaar had men een ruim uitzicht.Vragen en antwoorden werden natuurlijk onmiddellijk gewisseld. Men zou niet lang in twijfel verkeeren.De strandwachters en uitkijkers seinden de nadering eener flottilje aan den zuidwestkant van het eiland. Het aantal en de aard van de vaartuigen, waaruit die flottilje bestond, was door de heerschende duisternis nog niet aan te geven. Maar dat zij talrijk waren, werd door alle waarnemers op het nadrukkelijkst bevestigd.„Wat denkt gij er van?” vroeg Piet Bathory aan dokter Antekirrt, die als in gedachten verzonken stond.„Wij moeten den Raad bij elkander roepen,” antwoordde deze, na een oogenblik peinzen.„Juist!” zeide Piet; „maar mij dunkt, dat er haast bij is.”In minder dan tien minuten waren, behalve de dokter en Piet, ook Luigi Ferrato en de gezagvoerders Narsos enKödriken de hoofden van de militie op het Stadhuis vergaderd.Onmiddellijk werd hen mededeeling gedaan van de waarschuwingen, die van de kustwachters en uitkijkers ingekomen waren. Een kwartier later waren allen, na een bezoek aan de haven gebracht te hebben, op het uiteinde van de lange pier, waarboven het kustlicht helder brandde, vergaderd.Van dit punt, dat slechts zeer weinig boven de oppervlakte der zee verheven was, was het onmogelijk de flottilje te ontwaren, die door de kustwachters, op den top van den centraalheuvel geplaatst, ontdekt was. Maar wanneer men den gezichteinder[208]schel verlichtte, zou het ongetwijfeld mogelijk zijn het aantal dier vaartuigen te weten te komen, alsook waar en onder welke omstandigheden zij de kusten meenden te kunnen naderen en bereiken. De meeste stemmen waren voor die verkenning.De vraag werd evenwel door eenigen geopperd, of het niet onvoorzichtig was zoo de ware ligging van het eiland te kennen te geven? De dokter meende van neen. Als het de lang verwachte vijand was, dan kwam die niet blindelings. Die kende de ligging van het eiland Antekirrta zeer goed, en dan zou niets hem kunnen beletten het te bereiken.De galvanische stroom werd dus in werking gesteld en weldra, dank zij der kracht van tweeelectrischestralenbundels, die de zee verlichtten, lag een breede sector van den gezichteinder bloot voor het onderzoekende oog van de bewoners van Antekirrta, die den gezichteinder angstvallig en zorgvuldig peilden.De kustwachters hadden zich helaas! niet vergist. Dat bleek al heel spoedig.Tweehonderd vaartuigen, op zijn minst gerekend, naderden in breede linie het eiland. Het waren voornamelijk chebekken, polacres, trabacolos, sacolieven, en eene menigte anderen van minder gehalte. Dat was zonder eenigen twijfel de flottilje der Senousisten, die deze zeeschuimers van uit alle havens der Afrikaansche kuststreek van heinde en verre hadden bij elkander gehaald, en die thans herwaarts stevende.Daar er volkomen windstilte heerschte en geen briesje de zeilen deed zwellen, moesten de opvarenden noodzakelijk roeien. Dat had te minder bezwaar, daar de kustbewoners aan zulk werk gewoon waren, en de afstand tusschen de Cyrenaïsche kust en het eiland betrekkelijk kort was, zoodat de overtocht gevoegelijk zonder wind kon geschieden. De kalmte der zee begunstigde zelfs hunne plannen, daar de verscheping nu niet door eene altijd gevaarlijke brandingbemoeilijktzou worden. Daarenboven, een zeilend vaartuig is nimmer zoo van zijne bewegingen zeker, als een vaartuig dat geroeid wordt.De flottilje bevond zich in dat oogenblik nog op een afstand van ruim vier of vijf mijlen ten zuidwesten van het eiland. Zij zoude dus niet voor zonsopgang den oever kunnen bereiken. Dat scheen in de plannen der opvarenden te liggen; want het zou zeer onvoorzichtig te noemen zijn, voordat het dag was, hetzij den aanval te ondernemen, hetzij om te pogen om gewelddadig den ingang van de haven binnen te dringen, hetzij om eene ontscheping op het zuidelijk gedeelte der kust van Antekirrta te bewerkstelligen, hetwelk, zooals wij weten, in onvoldoend verdedigbaren toestand verkeerde. Het was dan ook voor een ieder duidelijk, dat de opvarenden geen haast maakten en den dag wilden afwachten.Stormden de Elektrieks op de flottilje los. (Bladz. 214.)Stormden deElektrieksop de flottilje los. (Bladz.214.)Toen de naderende flottilje behoorlijk verkend was, werden de[209][210]electrische lichtbronnen uitgedoofd, waardoor de gezichteinder weer in het duister gehuld werd. Dit geschieddebij wijzevan voorzichtigheidsmaatregel. Men wilde zien, zonder gezien te worden.Er bleef dus niets anders over, dan het aanbreken van den dag af te wachten.Inmiddels evenwel betrokken alle manschappen der militie, op bevel van dokter Antekirrt, de hun reeds vroeger aangewezen posten. Het kon toch zijn, dat de flottilje niet vereenigd was, en een afgezonderd gedeelte elders trachtte te landen.Men moest gereed zijn, om eerste slagen toe te brengen. Daarvan hangt veelal de uitslag van eene krijgsonderneming af. Hij die den eersten slag toebrengt, heeft in den regel veel, zeer veel voor.Het was thans zoo goed als zeker, dat de aanvallers er niet meer aan konden denken, het eiland te overvallen, daar de bundels lichtstralen, die de waakzaamheid der opgezetenen wel is waar verraden hadden, dezen tevens gelegenheid gegeven hadden, om het aantal der aanvallers en de algemeene richting, welke zij namen, waar te nemen.Men waakte gedurende de laatste nachtelijke uren met de grootste zorgvuldigheid en nauwgezetheid. Herhaaldelijk verlichtte men nog den gezichteinder, hetgeen voornamelijk ten doel had, om het punt, waar de flottilje zich bevond, meer nauwkeurig waar te nemen, en zoo haren voortgang en de richting, die zij nam, oplettend te volgen. Men bleef in de overtuiging, dat men, alvorens het dag was, voor geene vijandelijkheden te vreezen had.Dat de aanvallers talrijk waren, daaromtrent kon hoegenaamd geen twijfel bestaan.Of zij voldoend materiëel met zich voerden, om opgewassen te zijn tegen debatterijenvan Antekirrta, en dezen tot zwijgen te kunnen brengen, was minder zeker en natuurlijk niet uit te maken. Misschien ontbrak het hun wel geheel en al aan vesting- of positie-geschut. Maar al kon zoo iets aangenomen worden, zoo waren toch de Senousisten door hunne overgroote getalsterkte, waardoor de hoofden zich in staat gesteld zagen, het eiland op verschillende punten tegelijk te laten aantasten, zeer gevaarlijk en zeer te vreezen. Daarenboven, dokter Antekirrt was van meening, dat men zijn vijand nimmer te licht moet achten.Eindelijk brak de dag aan, en de eerste zonnestralen verdreven in weinige oogenblikken de laatste nevelbanken, die bij den horizon op de oppervlakte der zee waren blijven hangen.Aller blikken wendden zich toen met eene zekere spanning naar de zee ten oosten en ten zuiden van het eiland Antekirrta. Wat men toen ontwaarde, was verre van geruststellend.De vaartuigen der flottilje ontwikkelden zich toen in eene lange[211]linie, die zich bij hare uiteinden eenigermate omboog, om zoo het eiland te omsluiten. En dat was eene uiterst gevaarlijke beweging, dat moesten de bewoners van Antekirrta erkennen.Inderdaad, daar waren meer dan tweehonderd vaartuigen in het gezicht, waaronder er waren van een laadvermogen van dertig tot veertig tonnen. Ongetwijfeld konden die te zamen eene macht van vijftienhonderd tot tweeduizend gewapenden aan boord hebben. Met een weinig goeden wil, waren er veel meer te bergen.Het was ongeveer vijf uren in den morgen, toen de flottilje ter hoogte van het eiland Kenkrof aangekomen was.Zouden de aanvallers dat eilandje aandoen en daarop post vatten, alvorens het hoofdeiland direct aan te tasten? Als ze dat deden, zou dat een zeer gelukkige omstandigheid zijn; want dan zouden de mijnwerken, door dokter Antekirrt aangelegd, al dadelijk in werking kunnen komen en, zoo niet de oplossing en het einde van het vraagstuk daarstellen, dan toch reeds bij het begin van den aanval den uitslag voor de aanvallende Senousisten hachelijk maken. Hunne gelederen zouden dan zoo gedund kunnen worden, dat verslagenheid niet zoude uitblijven.Een half uur kroop in de grootste spanning voorbij. Het was, alsof de minuten uren waren.Een oogenblik kon de meening gelden, dat de vaartuigen, die het eilandje langzamerhand genaderd waren, zouden landen en daar eene ontscheping bewerkstelligen … Men tuurde … men wachtte …Daar kwam evenwel niets van. Het was, alsof de aanvallers het gevaarlijke dier plek roken.Geen enkele sloep legde daar aan, en de vijandelijke aanvals-linie boog meer zuidwaarts af, terwijl zij het eilandje rechts liet liggen. De opvarenden maakten daarbij alle haast, en repten hunne roeiriemen zoo krachtig zij maar konden.De uitgevoerd wordende beweging was duidelijk. Het was nu voor allen begrijpelijk, dat het eiland Antekirrta direct aangevallen, of beter gezegd, door de Senousisten overstroomd zoude worden. Overstroomd is het ware woord, want nu de flottilje naderbij kwam, ontwaarde men, dat zij zeer sterk bemand was.„Thans blijft ons niets anders over, dan ons te verdedigen!” zei dokter Antekirrt tot de hoofden der militie. „Is dat ook niet uw oordeel? Spreek onbewimpeld!”„Ja! ja!” riepen allen. „En wij zullen ons verdedigen! Als het moet, tot den laatsten man!”Een sein werd oogenblikkelijk gegeven. Het geheele personeel, dat buiten verspreid was, spoedde zich in allerijl naar de stad, waar iedereen den post innam, die hem bij voorbaat aangewezen was. Dat was in[212]weinige minuten geschied. De versterkte punten waren nu behoorlijk bezet en de omstreken geheel verlaten. Vrouwen en kinderen hadden zich in de hoofdplaats teruggetrokken.Op bevel van dokter Antekirrt, nam Piet Bathory het commando op zich over het zuidelijk gedeelte van de vestingwerken. Luigi Ferrato kreeg het bevel over het oostelijk gedeelte. Zoo konden zij behoorlijk hunne manschappen overzien.De verdedigers van het eiland—bestaande uit hoogstens vijf honderd militieplichtigen—werden zoodanig verdeeld, dat zij overal tegen den vijand konden optreden, waar deze pogen mocht den walgang der stad aan te tasten. Wat den dokter betrof, die bleef het opperbevel voeren, en hield zich gereed daar op te treden, waar hij meenen mocht, dat zijne tegenwoordigheid het meest vereischt werd. Dat was niet de gemakkelijkste betrekking, die hij voor zich behouden had.Mevrouw Bathory en Sava Sandorf moesten in de middenzaal van het Stadhuis verblijven. Wat de andere vrouwen betrof, die moesten, in het geval de stad bestormd zoude worden, volgens de getroffen beschikkingen met hare kinderen een toevlucht in de bomvrije kazematten zoeken, waar zij niets te vreezen hadden, zelfs wanneer de belegeraars eenige stukken, ter ontscheping geschikt, ter hunner beschikking hadden.Nu het vraagstuk omtrent het eilandje Kenkrof ongelukkiglijk ten nadeele van het hoofdeiland beslist was, moest de aandacht aan de haven gewijd worden. Wanneer de flottilje daarin gewelddadig zoude pogen binnen te dringen, dan zouden de fortjes op de beide pieren, welker vuurmonden een kruisvuur op den ingang daarstelden, en de kanonnen van deFerrato, met deElektrieks, die als torpedo-dragers dienst deden, alsook de slapende torpedo’s in de geul een overkomelijke hinderpaal daarstellen, die niet gering te achten was. Het zou zelfs een voordeeligen kans opleveren, wanneer de aanval aan dien kant ondernomen mocht worden. De deskundigen hoopten dan ook, dat zulks geschieden mocht. Evenwel,—en dat was voor een ieder maar al te duidelijk,—het opperhoofd der Senousisten scheen maar al te wel de verdedigings-middelen van het eiland Antekirrta te kennen; ook scheen hij niet onbekend gebleven te zijn omtrent de kwetsbaarheid van het zuidelijk gedeelte van het eiland en de gemakkelijkheid eener landing aldaar. Eene poging, om een onvoorbereiden aanval op de haven te bewerkstelligen, zou blootstellen aan een onmiddellijke en volkomen vernietiging. Daarentegen leende zich eene ontscheping in het zuidelijk gedeelte van het eiland veel beter tot het bereiken van het beoogde doel. Tot dat plan werd dan ook besloten. Na dus zorgvuldig vermeden te hebben, om in de toegangswateren van de haven te geraken, zooals ook[213]vermeden was geworden, vasten voet op het eilandje Kenkrof te nemen, wendde de vijand, met de meeste inspanning voortroeiende, zijne talrijke flottilje naar de zwakke punten, die de zuidelijke kust van het eiland Antekirrta aanbood. Had men hem nu nog maar met de strandbatterijen kunnen teisteren!… Maar neen, de flottilje bleef op een eerbiedigen afstand buiten het werkzame vuur der kanonnen en der mortieren.In weerwil, dat de afstand geschat werd te groot te zijn, werden toch eenige schoten van de forten gelost. Onder den grootsten elevatiehoek bereikten de kanonkogels bij den eersten boogaanslag niet eens het derde gedeelte van den afstand, terwijl de projectielen, na hare verdere aanslagen volbracht te hebben, de meest naastbijzijnde vaartuigen niet eens bereikten, maar in de diepte verdwenen.Met de bommen en granaten was het niet beter gesteld. Hoewel de blokken dermortierenaan het achtereinde omhoog getild waren, om zoo minder valhoogte, maar meer afstand te verkrijgen, werd ter nauwernood de helft van den af te leggen afstand bereikt, waar evenwel de projectielen in zee ploften, zonder aanslagen op de wateroppervlakte te maken.Het leverde evenwel een prachtig tafereel op, die volkogels op de oppervlakte der zee te zien aanslaan, hen onder het opwerpen van eene hooge waterzuil, die zich als een onmetelijke Geyzer sneeuwwit in het zonlicht voordeed, te zien opspringen, een boog vormen, andermaal aanslaan, opspringen en een waterstraal opwerpen, en zoo voortgaande, terwijl de bogen en de waterzuilen allengskens kleiner en kleiner werden, totdat het projectiel over de watervlakte een eind weegs scheen te rollen, en daarbij eene diepe vore te ploegen, die evenwel langzamerhand vervloot, totdat de aanleidende oorzaak in de diepte verdween.Het was ook een trotsch gezicht, een bom of granaat van eene betrekkelijk aanmerkelijke valhoogte plomp verloren in zee te zien storten, waarbij het water met geweld omhoog spatte, en de oppervlakte door tallooze kringen bewogen werd, die zich tot aan den horizon uitstrekten. Het geluid van zulk een plomp werd in een ruimen kring vernomen. Soms sprong zoo’n hol projectiel juist bij de aanraking van de wateroppervlakte. Dan waren het wilde waterstralen, die in alle richtingen voortgeschoten werden, dan waren het schuimmassa’s en fijne, waterstofdeeltjes, die met woest geweld opgeslingerd werden, niet op eene eenige plaats, maar rondom het centraalpunt op ontelbare plekken, alwaar de scherven van de uiteengesprongen ijzermassa het water onder de meest verschillende hoeken scheerden.Maar de bewoners van het eiland hadden voor die tafereelen in die oogenblikken weinig aandacht. Zij staakten weldra hun nutteloos vuur[214]en volgden met angstige oogen de richting der vijandelijke flottilje, die al meer naar de zuidelijke kust van het eiland afhield.Zoodra deze beweging onmiskenbaar gebleken was, meende dokter Antekirrt de maatregelen te moeten nemen, die door de omstandigheden geboden werden. Men mocht den vijand daar niet ongehinderd laten landen.De gezagvoerdersKödriken Narsos bestegen met eenige kloekmoedige zeelieden ieder een der torpedobooten en verlieten in allerijl de haven door een der toegangen, die geen gevaar van wege de slapende watermijnen opleverden.Een kwartier later stormden de beideElektrieksals het ware op de flottilje los; zij verbraken er de linie van, deden met hunne torpedo’s vijf of zes vaartuigen in de lucht vliegen en ramden een dozijn anderen zoodanig, dat zij in zinkenden toestand verkeerden.Dat was een schoon succes! Had dat maar vervolgd kunnen worden, dan ware de aanval bij zijn begin gestuit geworden!Evenwel was de overmacht der aanvallende Senousisten zoo groot, dat de beide gezagvoerders er op bedacht moesten zijn en ook inderdaad bedreigd werden, om geënterd te worden. Zij waren derhalve genoodzaakt om hunne schuilplaats achter de havendammen met den meesten spoed op te zoeken. Een derElektriekshad door den schok ernstige schade aan den boeg bekomen, zoodat hij in allerijl op het strand gezet moest worden, om hem voor zinken te behoeden.Intusschen was deFerratoniet werkeloos gebleven, maar had stelling genomen en begon de flottilje met haar geschut te beschieten. Maar hoewel de kustbatterijen haar vuur aan dat van het kloeke vaartuig paarden, was men toch onmachtig, om te beletten, dat de groote massa der zeeschuimers hunne ontscheping volbrachten. Hoewel een groot getal der aanvallers gesneuveld was, en hoewel een twintigtal vaartuigen reeds in den grond geschoten of in de lucht gesprongen waren, gelukte het toch aan meer dan duizend Senousisten, om voet aan wal te zetten op de rotsen van den zuidelijken oever, waarvan de nadering door de te kalme zee in geenendeele bemoeilijkt werd.Toen kon men zien, dat de kanonstukken aan de dwepende aanvallers niet ontbraken. De grootste Chebekken voerden eenige veldstukken, die op veldaffuiten, behoorlijk van raderen voorzien, lagen. De aanvallers konden hen ontschepen op dat gedeelte der kust, hetwelk buiten het bereik van het vuur der stadgelegen was,en zelfs buiten dat der kanonnen, waarmede het fortje op den centraalheuvel bewapend was.Van den post, dien dokter Antekirrt op den naastbijzijnden uitspringenden hoek der versterkingen ingenomen had, had hij een volledig overzicht, en kon hij de operatiën der ontscheping volkomen volgen. Het was hem onmogelijk geweest, zich er tegen te verzetten.[215][216]Dat liet hem de geringe sterkte van zijn personeel niet toe.Het schot ging af. (Bladz. 219.)Het schot ging af. (Bladz.219.)Maar daar hij achter zijne muren betrekkelijk veel sterker was, zou de taak der belegeraars, hoe talrijk zij ook waren, uiterst moeielijk worden. Dat zouden zij al dadelijk ondervinden.Dezen hadden zich, terwijl zij hunne lichte artillerie voortsleepten, in twee kolonnes verdeeld. Zij marcheerden voorwaarts, zonder eenige dekking te zoeken, en met die zorgelooze koelbloedige dapperheid, den Arabier zoo eigen, met die stoutmoedigheid der dweepziekte, die bij hen door de hoop op buit en den haat tegen de Christenen en Europeanen, eene ware doodsverachting doet geboren worden.Toen zij goed en wel onder schot gekomen waren, braakten debatterijenmet hunne kogels, granaten en kartetsen, dood en verderf uit. Dat weerhield hen niet. Integendeel, zij beijverden zich al meer en meer op te dringen, al meer en meer veld te winnen.Hunne veldstukken namen stelling en begonnen bres te schieten in een muurvak, dat den hoek uitmaakte van de onvoltooide courtine van het zuider-vestingfront. Die muur kon niet veel weerstand bieden en was dan ook spoedig in puin gelegd.Het opperhoofd der aanvallers stond steeds kalm en moedig te midden van hen, die onder het moorddadig geschut der belegerden aan zijne zijde vielen, en bestuurde met beleid den aanval.Sarcany bevond zich bij hem en hitste hem voortdurend op, om storm te doen loopen, door eenige honderd strijders op de gevormde bres te werpen.Dokter Antekirrt en ook Piet Bathory herkenden hem zeer goed. Meermalen gaven zij een schot op hem af, zonder hem evenwel te raken. De afstand daartoe was te groot.Hij van zijn kant had hen ook herkend en hield hen goed in het oog, maar beantwoordde hun vuur met een uittartend gebaar.De groote massa der belegeraars begon zich middelerwijl in de richting van den muur in beweging te stellen, die ingestort was en thans doorgang kon verleenen. Wanneer zij er in slaagden, die bres te bekronen, te overschrijden, en wanneer zij zich in de stad konden verspreiden, dan waren de belegerden te zwak om krachtigen wederstand te kunnen bieden. Dan waren dezen genoodzaakt, om de plaats te ontruimen. En met de bloeddorstige geaardheid van die zeeschuimers, zou de overwinning dadelijk door een algemeenen moord gevolgd worden. Wee dan, de arme vrouwen en kinderen!Er moest dus op leven en dood gevochten worden! Hier zou dus het pleit beslecht worden!De strijd, die hier man tegen man gevoerd werd, was dan ook schrikkelijk te noemen. Gelukkig, dat om de bres te kunnen beklimmen, de aanvallers zich slechts over een smal punt konden uitbreiden.[217]Onder de bevelen van den dokter, die kalm en bedaard in het grootste gevaar, en als onkwetsbaar te midden van den kogelregen pal stond, verrichtte Piet Bathory en zijne makkers wonderen van dapperheid. Pescadospunt en Kaap Matifou sprongen hen bij met eene stoutmoedigheid, die zijne weerga niet had, en alleen geëvenaard werd door hunne behendigheid, om de gevaarlijke slagen te ontwijken.De stevige Hercules had in de eene hand een mes en in de andere eene bijl, waarmede hij op verwonderlijke wijze ruimbaan rondom zich maakte. Ware er tijd toe geweest, dan zou zich een kring toeschouwers rondom hem gevormd hebben, en die zouden zeker in de handen geklapt hebben.„En hier!”„En daar!” riep de reus, terwijl hij met de eene hand zijn wapen in eene borst stiet, en met de andere een schedel kloofde. Hij miste nooit! De heuvel gesneuvelden hoopte zich rondom hem op.„Flink zoo, dierbare Kaap!” riep Pescadospunt, die zich ook repte. „Stoot toe! Sla toe!”„Wat willen ze?” schreeuwde Kaap Matifou woedend. „Laat ze maar opkomen!”„Sla ze dood!” antwoordde zijn makker, wiens revolver, voortdurend herladen en afgeschoten, het geknetter van een vuurwerk liet hooren.Maar de vijand week niet. Hij hield met een bewonderenswaardigen moed stand.Na herhaaldelijk uit de bres verdreven te zijn, hervatten nieuwe drommen telkens en telkens de bestorming en waren eindelijk op het punt, om haar te beklimmen en de stad in te snellen, toen er eindelijk van achteren eene afleiding uitgevoerd werd.Wat was er gebeurd? Vanwaar kwam die onverwachte hulp? O, wij zullen het dadelijk vernemen.DeFerratohad op minder dan drie kabellengten afstand van den oever postgevat, alwaar hij, met zijne schepraderen voor en achterwaarts slaande, onder stoom bleef. Van dat punt begon hij met zijne kanonnaden, die allen langs stuurboord gehaald waren, met zijn lang jaagstuk, met zijne Hotchkiss-revolverkanons, met zijne Gattling mitrailleuses te vuren, en maaide de aanvallers als het koren onder de zeis weg. Het vaartuig viel hen in den rug aan, het beschoot ze op het strand, terwijl het terzelfder tijd de vaartuigen vernielde, die aan den voet der rotsen vastgemaakt lagen.Dat was een schrikkelijke en onverwachte slag voor de Senousisten. Niet alleen werden zij in den rug beschoten, maar ieder middel ter ontvluchting werd hen ontnomen, wanneer, wel te verstaan, hunne vaartuigen door de projectielen van deFerratoverbrijzeld werden. En dat lag bij den gang van het gevecht voor de hand.[218]Voor Oostersche volkeren bestaat er—hoe moedig ze ook zijn—niets verschrikkelijkers, dan wanneer hunne terugtochtslijn bedreigd wordt.De aanvallers hielden toen halt voor de bres, die door de militieplichtigen hardnekkig verdedigd werd. Reeds meer dan vijfhonderd Senousisten hadden den dood op het strand gevonden, terwijl het getal der belegerden niet merkbaar geslonken was. Er ontstond aarzeling en weifeling. Een achterwaartsche beweging werd weldra merkbaar.De aanvoerder van de Senousistische benden begreep, dat hij zoo spoedig mogelijk zee moest kiezen, wanneer hij ten minste zijne makkers niet aan een onvermijdelijken ondergang wilde blootstellen. Te vergeefs wilde Sarcany de dwepers aansporen, zich andermaal op de bres te werpen. Het mocht niet baten. De poging mislukte, toen zij zonder geestdrift volvoerd werd. De aanvallers werden met bebloede koppen teruggeslagen.Eindelijk werd bevel gegeven, om naar het strand terug te trekken, en—het moet erkend worden—de Senousisten volvoerden hunne terugtochts-beweging even gehoorzaam als zij zich tot den laatsten man zouden hebben laten neerhouwen, wanneer zij het bevel hadden gekregen, om te sterven.Maar het was noodzakelijk die zeeschuimers eene les toe te dienen, die hun onuitwischbaar in het geheugen zoude blijven. De lust om terug te keeren, moest hen voor goed ontnomen worden.„Vooruit!… vrienden!… Voorwaarts!” riep dokter Antekirrt „Er op in!… En geen genade of medelijden!”En onder aanvoering van Piet Bathory en van Luigi Ferrato stormden een honderdtal militieplichtigen naar buiten, ter vervolging der vluchtelingen, die het strand met den meesten spoed trachtten te bereiken. Maar dezen bevonden zich daar tusschen twee vuren, dat van deFerratoen dat van de stad, zoodat van standhouden geen sprake kon zijn. Toen begon er wanorde in hunne gelederen te heerschen, en weldra zag men hen in woeste vaart naar de zeven of acht inschepings-vaartuigen stormen, die door de losbrandingen van deFerratomin of meer onbeschadigd gelaten waren. Toen ontspon zich een vreeselijke strijd, waarbij mededoogen onbekend was.Piet Bathory en Luigi Ferrato trachtten, bij het handgemeen worden, vooral één man te kunnen vatten. Behoeft het nog gezegd te worden: die man was Sarcany. Maar zij wilden hem levend in handen krijgen, hoewel hij hen niet ontzag, en het waarlijk een wonder te noemen was, dat zij telkens aan zijne revolverschoten ontkwamen.En toch, in weerwil van hunne inspanning, scheen het noodlot zich tot taak te stellen, dien man nogmaals aan hunne gerechtigheid te onttrekken. Waarlijk, het had er veel van, of de hel tusschenbeiden trad.[219]Sarcany en het opperhoofd der Senousisten, omgeven door een tiental hunner meest dappere en meest te vertrouwen strijdmakkers, waren er in geslaagd, om een kleine polacre te bereiken, waarvan de meertouwen reeds losgegooid waren, en die reeds manoeuvreerde om zee te kiezen. DeFerratowas van dat punt te ver verwijderd, om haar sein te kunnen geven, ten einde dat vaartuig, hetwelk zou ontsnappen, te vervolgen en in den grond te boren.In dat oogenblik ontwaarde Kaap Matifou een veldstuk, dat in de hitte van den strijd van zijn affuit afgerold was, en op het zand in de nabijheid der zee lag.Naar dat stuk, hetwelk nog geladen was, heenvliegen, het met bovenmenschelijke kracht op een der rondomliggende rotsen optillen, zich schrap zetten, om het met de tappen in den noodigen stand en de vereischte richting te houden, dat alles was voor den reus het werk van een oogenblik. Daarop riep hij met hijgende, maar toch krachtvolle stem:„Hierheen, Pescadospunt, hierheen!… Gauw! Gauw toch!… Hierheen! Er is geen minuut te verliezen!”Pescadospunt hoorde dien kreet van Kaap Matifou. Hij ijlde toe en begreep met een oogopslag, wat er gaande was. Hij verbeterde de richting van het kanonstuk, gelegen op zijn levend affuit, en mikte nauwkeurig op de polacre. Daarop bracht hij de brandende lont bij het zundgat.Het schot ging af. De kogel trof den romp van het vaartuig en verbrijzelde dien … maar de reus trilde zelfs niet onder den terugstoot van het stuk geschut.Het Senousisten-hoofd geraakte met zijne makkers te water. Het meerendeel hunner verdronk en kwam in de golven om. Zij, die zich uit het water redden, werden aan wal onbarmhartig doodgeslagen.Wat Sarcany betrof, deze spartelde in de branding. Toen Luigi Ferrato dat zag, sprong hij onmiddellijk in zee. En een oogenblik later was de fielt overgeleverd in de handen van Kaap Matifou, die hem als in eene schroef omklemden en hem door middel van een sterk touw armen en beenen stevig knevelde.De zegepraal was zoo volkomen mogelijk. Op een zoodanige had men niet durven hopen.Van de twee duizend aanvallers, die op het eiland ontscheept waren, ontsnapten ter nauwernood eenige honderden aan de algemeene ramp. Zij konden de tijding van hun bloedig wedervaren op de Cyrenaïsche kust gaan mededeelen.In langen tijd, zoo hoopte men althans, zou het eiland Antekirrta geen overlast meer ondervinden van die zeeschuimers. De indruk van de ontvangen les zoude onuitwischbaar zijn.[220]
[Inhoud]X.Antekirrta.Vijftien uren nadat zij de kust van Tripoli verlaten had, werd deElektriek 2door den uitkijk van Antekirrta geseind. Het vaartuig was toen nog maar ter nauwernood zichtbaar, maar in den namiddag lag het in de binnenhaven van het eiland ten anker. Dokter Antekirrt was tevreden, en moest erkennen, dat die overtocht binnen den kortst mogelijken tijd volvoerd was.De lezer zal gemakkelijk kunnen gissen, welke ontvangst het geachte hoofd van het eiland en zijne wakkere tochtgenoten ten deel viel.Hoewel Sava zich nu geheel en al buiten gevaar bevond, werd er toch besloten, dat de banden, die haar aan dokter Antekirrt verbonden, stipt geheim zouden gehouden worden. Daar bestonden redenen voor, en ieder die met de ware toedracht bekend was, verbond er zich toe. Die waren trouwens niet veel, namelijk: Piet Bathory, zijne moeder, Luigi en Maria Ferrato, Kaap Matifou en Pescadospunt.Graaf Mathias Sandorf wilde onbekend blijven, totdat hij volledig de taak zou vervuld hebben, die hij op zich genomen had. Maar het was voldoende, dat Piet Bathory, die voor hem een zoon was,—zoo veel hield hij van hem,—verloofd was met Sava Sandorf, om overal en van alle kanten de vreugde te ontwaren, die dan ook door allen, op werkelijk aandoenlijke wijze aan den dag gelegd werd, zoowel op het stadhuis als in Artenak, de kleine hoofdplaats van het eiland Antekirrta.De lezer zal zich gewis ook kunnen voorstellen, wat mevrouw Bathory moest ondervinden, toen Sava na zooveel beproevingen teruggevonden en haar weergegeven was! Die goede vrouw gevoelde zich inderdaad zoo gelukkig mogelijk.Het jonge meisje herstelde spoedig. Weinige dagen van geluk waren voldoende, om haar de volle gezondheid weer te geven.Wat Pescadospunt betreft, die brave kerel had zijn leven gewaagd; dat was ontwijfelbaar en dat viel niet te ontkennen, maar volgens hem was dat zeer natuurlijk, en er bestond geen mogelijkheid om hem daarover althans in woorden erkentelijkheid te betuigen. Piet Bathory had hem zoo innig aan zijn hart gedrukt en dokter Antekirrt had hem met zulk een goedaardigen blik aangekeken, dat hij verder niets[198]hooren wilde. Volgens zijne gewoonte daarenboven, kende hij de geheele verdienste van de redding aan Kaap Matifou toe. Ja, aan Kaap Matifou, zijn tweeling-broeder als het ware.„Ziet ge,” herhaalde hij telkens, „dat is de man, dien gij moet bedanken. Niet mij!…”„Loop heen,” sprak de reus, half lachende, half gebelgd. „Loop heen met je praatjes!”„Hij heeft alles gedaan,” ging Pescadospunt voort. „Hij alleen, die sterke vent.”„Ik? Neen, hij!”„Ja, hij, die Kaap van mijn hart! Als hij er niet geweest was, dan waarachtig …”„Nogmaals, loop heen! Je brengt mij waarlijk uit mijn humeur!” zei de Hercules blozend.„Als die goede Kaap niet zooveel behendigheid bij de oefening met dien staak aan den dag had gelegd, dan zou ik niet met een sprong binnen het huis van dien akeligen Moquaddem Sidi Hassan hebben kunnen dringen.…”„Schei uit! Je maakt mij inderdaad zeeziek! Je bent een nare kerel! Hoor je?”„En Sava Sandorf”, ging Pescadospunt voort, zonder op de onderbreking van Kaap Matifou te letten, „zou den dood gevonden hebben, wanneer mijn dierbare Kaap niet daar geweest was, om haar in zijn armen op te vangen!”„Dat is waar,” sprak het jonge meisje met een schalkschen glimlach. „Dat is ontwijfelbaar waar, mijnheer Matifou!”„Zal je nu eindigen!” sprak Kaap Matifou half gebelgd tot Pescadospunt.„Waarom? Waarom zou ik eindigen? Ik spreek slechts de waarheid, dat kan niemand ontkennen.”„Gij gaat te ver, want het denkbeeld, om …”„Zwijg, Kaaplief!” viel hem Pescadospunt in de rede.„Waarom zou ik nu moeten zwijgen? Ik wil en zal thans spreken! Hoort ge? Niemand zal mij dat beletten.”„Drommels, ik ben niet sterk genoeg, om complimenten van dat gehalte in ontvangst te nemen, terwijl gij …”„Nu terwijl ik?” vroeg Kaap Matifou, terwijl hij zijne mouwen opstroopte en zijne Hercules-armen met welgevallen beschouwde. „Nu, ga voort, terwijl ik?…”„Kom, laten wij onzen tuin gaan bebouwen en verzorgen”, zei Pescadospunt lachende. „Daar zullen die cyclopen-armen te pas komen. Wij hebben onze plantage te lang verwaarloosd.”De kustbatterijen waren in goeden staat gebracht. (Bladz. 202.)De kustbatterijen waren in goeden staat gebracht. (Bladz.202.)„Cyclopen-armen!…” pruttelde Kaap Matifou, terwijl hij zijn vriend volgde. „Gij zoudt willen, dat gij uwe magere asperges tegen[199][200]die cyclopen-armen kondet verruilen. Wacht maar … die cyclopen-armen zullen je die plagerijen wel betaald zetten!…”Pescadospunt schaterde het uit, maar antwoordde niet en trok zijn vriend met zich voort.Kaap Matifou zweeg verder; maar eindigde met zich alle gelukwenschen te laten aanleunen, alleen „om zijn kleinen Pescadospunt niet te ontstemmen.” Dat duidde op een goedig karakter. Maar ieder was dat van den zachtaardigen reus gewoon.Er werd besloten, dat het huwelijk van Piet Bathory met Sava Sandorf al zeer spoedig, namelijk op den 9denNovember zoude voltrokken worden. Wanneer onze jonge vriend de echtgenoot van Sava geworden zou zijn, zou hij dadelijk beginnen, om de rechten zijner vrouw op de erfenis van graaf Mathias Sandorf te doen erkennen. De brief van mevrouw Toronthal liet omtrent de geboorte en de afkomst van het jonge meisje geen twijfel bestaan. Wanneer het daarenboven noodig zoude zijn, dan zou men wel eene gelijkluidende verklaring van den bankier verwerven. Het behoeft niet verzekerd te worden, dat de noodige formaliteiten daarbij betracht werden, vooral omdat Sava Sandorf nog niet meerderjarig was en derhalve den leeftijd nog niet bereikt had, om hare rechten te doen eerbiedigen. Inderdaad, zij zou haar achttiende jaar eerst over zes weken bereiken.Er moet bovendien bij verteld worden, dat in dat verloopen tijdvak van vijftien jaren, een wijziging in de staatkunde plaats had gegrepen, geheel ten voordeele van de Hongaarsche kwestie, en waaruit een betere toestand geboren was, vooral ten opzichte van de herinnering, die de zoo plotseling bedwongen onderneming van graaf Mathias Sandorf bij eenige staatslieden achtergelaten had. Mildere gevoelens zaten bij hen voor en zouden hunnen invloed niet missen.Wat den Spanjaard Carpena en den bankier Silas Toronthal betreft, omtrent hun lot zou later afdoend beslist worden, evenwel niet vóórdat Sarcany op zijne beurt een plaatsje in de kasematten van Antekirrta zoude erlangd hebben. Eerst dan zou de taak van gerechtigheid, die dokterAntekirrtondernomen had, volvoerd mogen heeten. Ja, eerst dan zou de deugd beloond en de misdaad gestraft mogen heeten.Maar terzelfdertijd, dat de dokter de middelen beraamde, om zijn doel te bereiken, gebood de noodzakelijkheid ernstig om maatregelen van voorzorg voor de veiligheid der kolonie te treffen. Zijne agenten in de Cyrenaïsche streken en in het Tripolitaansche Regentschap meldden hem toch, dat de Senousistische beweging in belangrijkheid buitengewoon toenam, vooral in het villayetschap van Ben Ghazi, dat zich het meest in de nabijheid van het eiland Antekirrta[201]bevond. Speciale loopers stelden zich onafgebroken in betrekking tot Jerhboub, dat nieuwe brandpunt van de Islamitische beweging, zooals de heer Duveyrier dat tweede metropolitaansche Mekka noemde, waar toen Sidi Mohammed El Mahedi tegenwoordige Grootmeester der Broederschap met zijne hem ondergeschikte hoofden van de geheele provincie resideerde. Daar nu die Senousisten de waardige nakomelingen zijn van de oude Barbarijsche zeeschuimers, dragen zij derhalve een ingekankerden en doodelijken haat toe aan een ieder, die tot het Europeesche ras behoort. Dokter Antekirrt begreep dan ook, dat hij zeer op zijne hoede moest zijn en dat voor het eiland Antekirrta inderdaad zeer gevaarvolle dagen aanbreken konden.En werkelijk, moeten niet aan de Senousisten toegeschreven worden de veelvuldige moorden, die sedert twintig jaren op de Afrikaansche sterftelijst hebben moeten ingeschreven worden? Als wij Beurman in 1863 te Kanem hebben zien omkomen, Van der Decken met zijne makkers in 1865 op de rivier Djouba, mejuffrouw Alexina Tinne en hare volgelingen in 1865 in de Ouadj Abedjouch, Dournaux Duperré en Joubert in 1874 bij den waterput van In Azhar, de paters Paulmier, Bouchard en Menored in 1876 in de omstreken van In Calah, de paters Richard Morat en Pouplard van den zendingspost Ghadames in het noorden van de Azdjer-streek, den kolonel Flatters, de kapiteins Masson en De Dianous, den dokter Guiard, de ingenieurs Beringer en Roche in 1881 op den openbaren weg naar Warglâ, dan moeten alle die moorden toegeschreven worden aan die bloeddorstige geaffilieerden, die er toe gedwongen worden de Senousistische leer ten opzichte van stoutmoedige landonderzoekers ten uitvoer te leggen. Onbedwingbare dweepzucht komt daarbij voornamelijk in het spel. Dat is niet te betwisten.Omtrent dit onderwerp onderhield dokterAntekirrtzich zeer dikwijls met Piet Bathory, met Luigi Ferrato, met de gezagvoerders zijner flottilje, met de hoofden zijner militie en met de voornaamste notabelen van zijn klein eiland.Zou Antekirrta een aanval van die schrikkelijke zeeschuimers kunnen weerstaan?Ja, ongetwijfeld, hoewel het geheele versterkingsplan nog niet geheel ontworpen, en sommige vestingwerken nog niet voltooid waren, zeker zou Antekirrta zich kunnen verdedigen, evenwel in het geval dat de aanvallers niet te talrijk zouden zijn.Van eene andere zijde beschouwd, zouden de Senousisten er eenig belang bij hebben, het eiland te bemachtigen?Voorzeker, daar het de geheele Sidragolf beheerschte, die door de kusten van de Cyrenaïsche en Tripolitaansche streken omzoomd en gevormd werd. Voor hen vormde dat eiland als het ware een strategische knoop en was dus zeer belangrijk.[202]De lezer zal wel niet vergeten hebben, dat ten zuidwesten van Antekirrta het eilandje Kenkrof op een afstand van ongeveer twee mijlen gelegen was. Nu had men den tijd niet gehad, om dat eilandje te versterken, en dat dreigde gevaarlijk te worden, in het waarschijnlijk geval, dat eene vloot daarvan hare operatiebasis wilde maken. Dokter Antekirrt had het dan ook, zooals wij weten, bij wijze van voorzorgsmaatregel laten ondermijnen, en thans werd eene schrikkelijke ontplofbare stof, de penkrastiet, in de mijngangen, die te midden van de rotsachtige massa aangelegd waren, geladen. Verdere voorzorgen waren voorloopig niet te nemen.Er was maar eene electrische vonk noodig, die langs een onderzeeschen metaaldraad, die het eilandje met Antekirrta verbond, afgezonden kon worden, om Kenkrof, met alles wat zich op zijne oppervlakte bevond, in de lucht te doen vliegen en te vernietigen.Ziehier, wat omtrent de andere verdedigingswerken van het eiland verricht was.De kustbatterijen waren in goeden staat gebracht en wachtten slechts dat de aangewezen bedieningsmanschappen der militie hunne posten kwamen innemen. Het centraal conisch fortje was gereed om vuur te kunnen geven met zijne stukken, die zeer ver droegen. Talrijke torpedo’s, die in het vaarwater gezonken lagen, verdedigden den toegang der haven. Ook deFerratoen de beideElektriekswaren tot handelen gereed, hetzij om den aanval verdedigenderwijze tegen te gaan, hetzij om bij den uitval op de aanvallende vloot in te loopen. Inderdaad, de verdedigingsmiddelen van het kleine eiland Antekirrta waren niet gering te schatten.Toch had het eiland eene kwetsbare plaats, namelijk de zuidwestelijke kust. Daar was eene strook, die niet door het vuur der strandbatterijen en door dat van het fortje bestreken werd, en waar dus gemakkelijk troepen konden ontscheept worden. Men had nog geen tijd gehad, om daar het versterkingsplan te voltooien. Dat was wel te betreuren.Daar bestond het gevaar, en misschien was het reeds te laat, om afdoende verdedigingswerken te ontwerpen en daar te stellen. Maar daaraan was nu in de gegeven omstandigheden niets meer te doen. Maar was het, alles wel beschouwd, onwraakbaar zeker, dat de Senousisten plan hadden, om het eiland Antekirrta aan te tasten?Dat was toch, bij eenig nadenken, eene zaak van belang, ja eene gevaarlijke onderneming, die daarenboven een belangrijk materiëel vorderde. Luigi Ferrato kon aan dat plan niet gelooven en twijfelde nog. Dat gaf hij eens te kennen bij gelegenheid dat dokter Antekirrt, Piet Bathory en hij de versterkingswerken van het eiland in oogenschouw namen.„Wat zouden zij hier komen doen?” vroeg hij. „Neen, op Antekirrta hebben zij het oog niet gevestigd.”[203]„Dat ’s mijne meening niet,” antwoordde dokter Antekirrt. „Het eiland is rijk, het beheerscht de streken, die aan de Syrtische Zee gelegen zijn. Al bestonden ook slechts die redenen, geloof mij, dan zou het eiland toch vroeg of laat aangevallen worden; want de Senousisten hebben er zeer groot belang bij, er zich van te bemachtigen!”„Meent gij?” vroeg Luigi Ferrato hoofdschuddende en nog steeds ongeloovig.„Niets is zekerder dan dat,” vulde Piet Bathory aan. „En mij dunkt, dat dit eene gebeurlijkheid is, die ons zeer op onze hoede moet doen zijn!”„Nu, dat zullen wij!… Maar, intusschen wil het bij mij er nog maar niet in …”„Wat mij vooral aan een aanstaanden aanval doet gelooven,” hernam dokter Antekirrt, „dat is, dat Sarcany tot de geaffilieerden van de Khouâns behoort, en het is mij bekend, dat hij vroeger steeds voor hen als agent in het buitenland werkzaam is geweest … Hij was het, die wapens, kruit en lood voor hen opkocht.”„Dat is zoo, maar …”„Herinnert u nu, mijne vrienden, dat Pescadospunt in het huis van den Moquaddem een onderhoud tusschen Sarcany en Sidi Hassan afgeluisterd heeft. In dat onderhoud werd de naam van het eiland Antekirrta herhaaldelijk uitgesproken … Mij dunkt, dat dit zijne beteekenis moet hebben. Zijt gij ook niet van die meening?”„Ja, maar …”„Sarcany weet,” ging de dokter onverstoorbaar voort, „dat het eiland mij toebehoort, dat wil zeggen aan den man, die een schrik voor hem is, aan den man die Zirone op de hellingen van den Etna deed aanvallen …”„Jawel, maar welke …”„Dus, omdat hij daarginds op het eiland Sicilië niet geslaagd is, zal hij ongetwijfeld hier trachten te slagen en dat met veel meer kansen in zijn voordeel. Mij dunkt toch, Luigi, dat die redeneering steek houdt.”„Heeft hij een persoonlijken haat jegens u, heer dokter?” vroeg Luigi Ferrato.Antekirrt trok onverschillig de schouders op. De haat van zoo’n aterling scheen hem niet te deeren.„Kent hij u ten minste?” vroeg de jonge zeeman, die zich zoo gauw niet gewonnen gaf, met aandrang.„Het is mogelijk, dat hij mij te Ragusa gezien heeft,” antwoordde dokter Antekirrt.„Maar dat is niet voldoende om …”„In ieder geval,” ging de dokter voort, „kan het hem niet onbekend gebleven zijn, dat ik in die stad in aanraking gekomen ben met de familie Bathory …”[204]„Dat is te zeggen.…”„Daarenboven moet hem op het oogenblik, toen Pescadospunt Sava uit het huis van den Moquaddem Sidi Hassan ontvoerde, bekend geworden zijn, dat Piet Bathory nog leefde. Dat alles moet in zijn geest eenig verband gezocht hebben, en hij kan er niet aan twijfelen, dat èn Piet èn Sava eene schuilplaats op het eiland Antekirrta gevonden hebben. Die gedachte alleen is meer dan genoeg, om er hem toe te brengen, het geheele Senousistische hondenpak tegen ons aan te voeren. En van die hebben wij geene genade te verwachten, wanneer zij er in slaagden, ons eiland te overweldigen.”Die redeneering was volstrekt niet zonder grond. Het was meer dan zeker, dat Sarcany nog niet wist, dat dokter Antekirrt en Graaf Mathias Sandorf slechts één persoon uitmaakten. Hij wist evenwel genoeg, om alles in het werk te stellen, ten einde de erfgename van het domein Artenak weer in handen te krijgen. Niemand zal er zich dus over verwonderen, dat hij den Kalief aangezet had, om een krijgstocht tegen de Antekirrtsche volksplanting uit te rusten! Hij had zelfs aangeboden, den aanval te besturen en te geleiden. Een lafaard was Sarcany niet.Men bereikte evenwel eindelijk den 3enDecember, zonder dat iets geschied was, hetgeen op een aanstaanden aanval kon duiden. Het was tot dien datum in den omtrek van het eiland Antekirrta volkomen rustig gebleven.Er mag niet uit het oog verloren worden, dat de vreugde over het weerzien en het geluk, om zich eindelijk allen te zamen vereenigd te vinden, allen, behalve den dokter, als in eene betoovering besloot, die voor de gedachten aan eene ernstige toekomst weinig, zeer weinig overliet. Het aanstaande huwelijk van Piet Bathory met Sava Sandorf vervulde aller harten en aller hoofden. Iedereen trachtte zich zelven de overtuiging op te dringen, dat de ongeluksdagen voorbij waren en dat zij niet meer wederkeeren zouden. Hoe zou men zich intusschen daarin vergissen!Het moet ten volle erkend worden, dat Pescadospunt en Kaap Matifou de algemeene gerustheid volmaakt deelden. Zij gevoelden zich zoo overgelukkig over het geluk der anderen, dat zij als het ware in een voortdurenden staat van verrukking verkeerden. Zij betrachtten dat geluk, hetwelk zij toch teweeg gebracht hadden, voortaan als onverstoorbaar.„Het is om, bij mijn ziel, niet aan te gelooven,” herhaalde Pescadospunt voortdurend.Waarop Kaap Matifou, steeds onbevattelijk, onveranderlijk antwoordde met de vraag:„Waaraan valt niet te gelooven? Op het vraagstuk omtrent geloof ben ik nog al gemakkelijk.”[205]Tweehonderd vaartuigen, op zijn minst gerekend, naderden in breede linie het eiland. (Bladz. 208.)Tweehonderd vaartuigen, op zijn minst gerekend,naderden in breede linie het eiland. (Bladz.208.)[206]„Wel,” antwoordde Pescadospunt dan lachende, „dat gij een dikke, vette rentenier gaat worden, en dat.…”„En dat?” vroeg Kaap Matifou dan ongeduldig. „Waarom gaat gij niet voort? Zeg?”„En, dat ik er aan denk, om je te laten trouwen!”„Mij?” riep de reus verbouwereerd uit. „Kom, ge houdt mij voor den gek!”„Ja, gij trouwen! Gij in eigen persoon!”„Ik, trouwen?… Het is inderdaad, om het uit te gieren van lachen,” hernam Kaap Matifou, die inderdaad zijn buik vasthield.„Ja,… en met een lief klein vrouwtje!” ging Pescadospunt met een onverstoorbaar ernstig gelaat voort.„Houdt ge me voor den gek! Zeg het dan bijtijds, dan kan ik de plaat poetsen.”„Komaan, komaan, een lief klein vrouwtje … Is je dat nu voor den gek houden?”„Waarom moet ze klein zijn?” vroeg Kaap Matifou plotseling nurksch geworden. „Mij dunkt, dat ik niet zoo heel klein ben.”„Verduiveld, ja … Je bemerking is juist … Een klein vrouwtje zou niet bij je passen!…”„Welnu?”„Ge moet eene mooie vrouw hebben, maar onmetelijk van omvang … Mevrouw Kaap Matifou moet iets kolossaals zijn, niet waar?… Zoo iets als een klokketoren! Wat denkt ge er van?”„Dat ge andermaal spot!”„Neen, Kaap van mijn hart, wij zullen je zoo’n vrouw bij de Patagoniers gaan zoeken!”„Loop naar den duivel! Dan ben je met je plagerijen een eind uit de buurt! Goede reis!”Maar in afwachting, dat men voor Kaap Matifou eene wederhelft zou vinden, die hem en ook zijner gestalte waardig zoude zijn, hield Pescadospunt zich voornamelijk met het huwelijk van Piet Bathory en Sava Sandorf bezig. Hij beraamde en overwoog, natuurlijk met toestemming van dokter Antekirrt, de openbare feestelijkheden, welke bij die gelegenheid, waarbij kermisspelen toegelaten, waarbij gezangen voorgedragen en danspartijen georganiseerd zouden worden, plaats zouden hebben. Dat daarbij saluutschoten uit alle stukken geschut van het eiland niet zouden vergeten worden, alsook niet een monsterachtig feestmaal in de open lucht, met eene serenade aan de jonggehuwden, waarna een solemneele taptoe met fakkellicht, bekroond door een prachtig vuurwerk, zal wel niet behoeven vermeld te worden. Hij, hij Pescadospunt, zou voor dat alles zorgen. Bij zoo iets was hij in zijn waar element. Het feest zou prachtig, zou schitterend wezen! Men zou er lang, zeer lang over praten! Het zou eeuwig in de[207]herinnering der bewoners blijven! Leve! Leve de jonggehuwden!De vreugde zou echter van korten duur zijn. Een flikkervlam, niets anders. Een waar stroovuur!Al die plannen zouden door de gebeurtenissen in hunne geboorte verstikt, althans uitgesteld worden.In den nacht van den 3denop den 4denDecember,—een uiterst kalme nacht, die evenwel door een dik wolkendak verduisterd werd—weerklonk plotseling een electrische schel op het Stadhuis in het vertrek van dokter Antekirrt. Dat was een afgesproken alarmsignaal.Het was toen ongeveer tien uur in den avond. De bewoners van het Stadhuis zaten gezellig bij elkander.De dokter en Piet verlieten op dat sein het salon, waarin zij den avond met mevrouw Bathory en met Sava Sandorf doorgebracht hadden. De dames bleven, door een soort van voorgevoel vervoerd, wel eenigermate ongerust achter.Toen de heeren in het kabinet gekomen waren, ontwaarden zij dat het signaal kwam van den observatie-post, die op den top van den centraalheuvel van het eiland Antekirrta geplaatst was. Vandaar had men een ruim uitzicht.Vragen en antwoorden werden natuurlijk onmiddellijk gewisseld. Men zou niet lang in twijfel verkeeren.De strandwachters en uitkijkers seinden de nadering eener flottilje aan den zuidwestkant van het eiland. Het aantal en de aard van de vaartuigen, waaruit die flottilje bestond, was door de heerschende duisternis nog niet aan te geven. Maar dat zij talrijk waren, werd door alle waarnemers op het nadrukkelijkst bevestigd.„Wat denkt gij er van?” vroeg Piet Bathory aan dokter Antekirrt, die als in gedachten verzonken stond.„Wij moeten den Raad bij elkander roepen,” antwoordde deze, na een oogenblik peinzen.„Juist!” zeide Piet; „maar mij dunkt, dat er haast bij is.”In minder dan tien minuten waren, behalve de dokter en Piet, ook Luigi Ferrato en de gezagvoerders Narsos enKödriken de hoofden van de militie op het Stadhuis vergaderd.Onmiddellijk werd hen mededeeling gedaan van de waarschuwingen, die van de kustwachters en uitkijkers ingekomen waren. Een kwartier later waren allen, na een bezoek aan de haven gebracht te hebben, op het uiteinde van de lange pier, waarboven het kustlicht helder brandde, vergaderd.Van dit punt, dat slechts zeer weinig boven de oppervlakte der zee verheven was, was het onmogelijk de flottilje te ontwaren, die door de kustwachters, op den top van den centraalheuvel geplaatst, ontdekt was. Maar wanneer men den gezichteinder[208]schel verlichtte, zou het ongetwijfeld mogelijk zijn het aantal dier vaartuigen te weten te komen, alsook waar en onder welke omstandigheden zij de kusten meenden te kunnen naderen en bereiken. De meeste stemmen waren voor die verkenning.De vraag werd evenwel door eenigen geopperd, of het niet onvoorzichtig was zoo de ware ligging van het eiland te kennen te geven? De dokter meende van neen. Als het de lang verwachte vijand was, dan kwam die niet blindelings. Die kende de ligging van het eiland Antekirrta zeer goed, en dan zou niets hem kunnen beletten het te bereiken.De galvanische stroom werd dus in werking gesteld en weldra, dank zij der kracht van tweeelectrischestralenbundels, die de zee verlichtten, lag een breede sector van den gezichteinder bloot voor het onderzoekende oog van de bewoners van Antekirrta, die den gezichteinder angstvallig en zorgvuldig peilden.De kustwachters hadden zich helaas! niet vergist. Dat bleek al heel spoedig.Tweehonderd vaartuigen, op zijn minst gerekend, naderden in breede linie het eiland. Het waren voornamelijk chebekken, polacres, trabacolos, sacolieven, en eene menigte anderen van minder gehalte. Dat was zonder eenigen twijfel de flottilje der Senousisten, die deze zeeschuimers van uit alle havens der Afrikaansche kuststreek van heinde en verre hadden bij elkander gehaald, en die thans herwaarts stevende.Daar er volkomen windstilte heerschte en geen briesje de zeilen deed zwellen, moesten de opvarenden noodzakelijk roeien. Dat had te minder bezwaar, daar de kustbewoners aan zulk werk gewoon waren, en de afstand tusschen de Cyrenaïsche kust en het eiland betrekkelijk kort was, zoodat de overtocht gevoegelijk zonder wind kon geschieden. De kalmte der zee begunstigde zelfs hunne plannen, daar de verscheping nu niet door eene altijd gevaarlijke brandingbemoeilijktzou worden. Daarenboven, een zeilend vaartuig is nimmer zoo van zijne bewegingen zeker, als een vaartuig dat geroeid wordt.De flottilje bevond zich in dat oogenblik nog op een afstand van ruim vier of vijf mijlen ten zuidwesten van het eiland. Zij zoude dus niet voor zonsopgang den oever kunnen bereiken. Dat scheen in de plannen der opvarenden te liggen; want het zou zeer onvoorzichtig te noemen zijn, voordat het dag was, hetzij den aanval te ondernemen, hetzij om te pogen om gewelddadig den ingang van de haven binnen te dringen, hetzij om eene ontscheping op het zuidelijk gedeelte der kust van Antekirrta te bewerkstelligen, hetwelk, zooals wij weten, in onvoldoend verdedigbaren toestand verkeerde. Het was dan ook voor een ieder duidelijk, dat de opvarenden geen haast maakten en den dag wilden afwachten.Stormden de Elektrieks op de flottilje los. (Bladz. 214.)Stormden deElektrieksop de flottilje los. (Bladz.214.)Toen de naderende flottilje behoorlijk verkend was, werden de[209][210]electrische lichtbronnen uitgedoofd, waardoor de gezichteinder weer in het duister gehuld werd. Dit geschieddebij wijzevan voorzichtigheidsmaatregel. Men wilde zien, zonder gezien te worden.Er bleef dus niets anders over, dan het aanbreken van den dag af te wachten.Inmiddels evenwel betrokken alle manschappen der militie, op bevel van dokter Antekirrt, de hun reeds vroeger aangewezen posten. Het kon toch zijn, dat de flottilje niet vereenigd was, en een afgezonderd gedeelte elders trachtte te landen.Men moest gereed zijn, om eerste slagen toe te brengen. Daarvan hangt veelal de uitslag van eene krijgsonderneming af. Hij die den eersten slag toebrengt, heeft in den regel veel, zeer veel voor.Het was thans zoo goed als zeker, dat de aanvallers er niet meer aan konden denken, het eiland te overvallen, daar de bundels lichtstralen, die de waakzaamheid der opgezetenen wel is waar verraden hadden, dezen tevens gelegenheid gegeven hadden, om het aantal der aanvallers en de algemeene richting, welke zij namen, waar te nemen.Men waakte gedurende de laatste nachtelijke uren met de grootste zorgvuldigheid en nauwgezetheid. Herhaaldelijk verlichtte men nog den gezichteinder, hetgeen voornamelijk ten doel had, om het punt, waar de flottilje zich bevond, meer nauwkeurig waar te nemen, en zoo haren voortgang en de richting, die zij nam, oplettend te volgen. Men bleef in de overtuiging, dat men, alvorens het dag was, voor geene vijandelijkheden te vreezen had.Dat de aanvallers talrijk waren, daaromtrent kon hoegenaamd geen twijfel bestaan.Of zij voldoend materiëel met zich voerden, om opgewassen te zijn tegen debatterijenvan Antekirrta, en dezen tot zwijgen te kunnen brengen, was minder zeker en natuurlijk niet uit te maken. Misschien ontbrak het hun wel geheel en al aan vesting- of positie-geschut. Maar al kon zoo iets aangenomen worden, zoo waren toch de Senousisten door hunne overgroote getalsterkte, waardoor de hoofden zich in staat gesteld zagen, het eiland op verschillende punten tegelijk te laten aantasten, zeer gevaarlijk en zeer te vreezen. Daarenboven, dokter Antekirrt was van meening, dat men zijn vijand nimmer te licht moet achten.Eindelijk brak de dag aan, en de eerste zonnestralen verdreven in weinige oogenblikken de laatste nevelbanken, die bij den horizon op de oppervlakte der zee waren blijven hangen.Aller blikken wendden zich toen met eene zekere spanning naar de zee ten oosten en ten zuiden van het eiland Antekirrta. Wat men toen ontwaarde, was verre van geruststellend.De vaartuigen der flottilje ontwikkelden zich toen in eene lange[211]linie, die zich bij hare uiteinden eenigermate omboog, om zoo het eiland te omsluiten. En dat was eene uiterst gevaarlijke beweging, dat moesten de bewoners van Antekirrta erkennen.Inderdaad, daar waren meer dan tweehonderd vaartuigen in het gezicht, waaronder er waren van een laadvermogen van dertig tot veertig tonnen. Ongetwijfeld konden die te zamen eene macht van vijftienhonderd tot tweeduizend gewapenden aan boord hebben. Met een weinig goeden wil, waren er veel meer te bergen.Het was ongeveer vijf uren in den morgen, toen de flottilje ter hoogte van het eiland Kenkrof aangekomen was.Zouden de aanvallers dat eilandje aandoen en daarop post vatten, alvorens het hoofdeiland direct aan te tasten? Als ze dat deden, zou dat een zeer gelukkige omstandigheid zijn; want dan zouden de mijnwerken, door dokter Antekirrt aangelegd, al dadelijk in werking kunnen komen en, zoo niet de oplossing en het einde van het vraagstuk daarstellen, dan toch reeds bij het begin van den aanval den uitslag voor de aanvallende Senousisten hachelijk maken. Hunne gelederen zouden dan zoo gedund kunnen worden, dat verslagenheid niet zoude uitblijven.Een half uur kroop in de grootste spanning voorbij. Het was, alsof de minuten uren waren.Een oogenblik kon de meening gelden, dat de vaartuigen, die het eilandje langzamerhand genaderd waren, zouden landen en daar eene ontscheping bewerkstelligen … Men tuurde … men wachtte …Daar kwam evenwel niets van. Het was, alsof de aanvallers het gevaarlijke dier plek roken.Geen enkele sloep legde daar aan, en de vijandelijke aanvals-linie boog meer zuidwaarts af, terwijl zij het eilandje rechts liet liggen. De opvarenden maakten daarbij alle haast, en repten hunne roeiriemen zoo krachtig zij maar konden.De uitgevoerd wordende beweging was duidelijk. Het was nu voor allen begrijpelijk, dat het eiland Antekirrta direct aangevallen, of beter gezegd, door de Senousisten overstroomd zoude worden. Overstroomd is het ware woord, want nu de flottilje naderbij kwam, ontwaarde men, dat zij zeer sterk bemand was.„Thans blijft ons niets anders over, dan ons te verdedigen!” zei dokter Antekirrt tot de hoofden der militie. „Is dat ook niet uw oordeel? Spreek onbewimpeld!”„Ja! ja!” riepen allen. „En wij zullen ons verdedigen! Als het moet, tot den laatsten man!”Een sein werd oogenblikkelijk gegeven. Het geheele personeel, dat buiten verspreid was, spoedde zich in allerijl naar de stad, waar iedereen den post innam, die hem bij voorbaat aangewezen was. Dat was in[212]weinige minuten geschied. De versterkte punten waren nu behoorlijk bezet en de omstreken geheel verlaten. Vrouwen en kinderen hadden zich in de hoofdplaats teruggetrokken.Op bevel van dokter Antekirrt, nam Piet Bathory het commando op zich over het zuidelijk gedeelte van de vestingwerken. Luigi Ferrato kreeg het bevel over het oostelijk gedeelte. Zoo konden zij behoorlijk hunne manschappen overzien.De verdedigers van het eiland—bestaande uit hoogstens vijf honderd militieplichtigen—werden zoodanig verdeeld, dat zij overal tegen den vijand konden optreden, waar deze pogen mocht den walgang der stad aan te tasten. Wat den dokter betrof, die bleef het opperbevel voeren, en hield zich gereed daar op te treden, waar hij meenen mocht, dat zijne tegenwoordigheid het meest vereischt werd. Dat was niet de gemakkelijkste betrekking, die hij voor zich behouden had.Mevrouw Bathory en Sava Sandorf moesten in de middenzaal van het Stadhuis verblijven. Wat de andere vrouwen betrof, die moesten, in het geval de stad bestormd zoude worden, volgens de getroffen beschikkingen met hare kinderen een toevlucht in de bomvrije kazematten zoeken, waar zij niets te vreezen hadden, zelfs wanneer de belegeraars eenige stukken, ter ontscheping geschikt, ter hunner beschikking hadden.Nu het vraagstuk omtrent het eilandje Kenkrof ongelukkiglijk ten nadeele van het hoofdeiland beslist was, moest de aandacht aan de haven gewijd worden. Wanneer de flottilje daarin gewelddadig zoude pogen binnen te dringen, dan zouden de fortjes op de beide pieren, welker vuurmonden een kruisvuur op den ingang daarstelden, en de kanonnen van deFerrato, met deElektrieks, die als torpedo-dragers dienst deden, alsook de slapende torpedo’s in de geul een overkomelijke hinderpaal daarstellen, die niet gering te achten was. Het zou zelfs een voordeeligen kans opleveren, wanneer de aanval aan dien kant ondernomen mocht worden. De deskundigen hoopten dan ook, dat zulks geschieden mocht. Evenwel,—en dat was voor een ieder maar al te duidelijk,—het opperhoofd der Senousisten scheen maar al te wel de verdedigings-middelen van het eiland Antekirrta te kennen; ook scheen hij niet onbekend gebleven te zijn omtrent de kwetsbaarheid van het zuidelijk gedeelte van het eiland en de gemakkelijkheid eener landing aldaar. Eene poging, om een onvoorbereiden aanval op de haven te bewerkstelligen, zou blootstellen aan een onmiddellijke en volkomen vernietiging. Daarentegen leende zich eene ontscheping in het zuidelijk gedeelte van het eiland veel beter tot het bereiken van het beoogde doel. Tot dat plan werd dan ook besloten. Na dus zorgvuldig vermeden te hebben, om in de toegangswateren van de haven te geraken, zooals ook[213]vermeden was geworden, vasten voet op het eilandje Kenkrof te nemen, wendde de vijand, met de meeste inspanning voortroeiende, zijne talrijke flottilje naar de zwakke punten, die de zuidelijke kust van het eiland Antekirrta aanbood. Had men hem nu nog maar met de strandbatterijen kunnen teisteren!… Maar neen, de flottilje bleef op een eerbiedigen afstand buiten het werkzame vuur der kanonnen en der mortieren.In weerwil, dat de afstand geschat werd te groot te zijn, werden toch eenige schoten van de forten gelost. Onder den grootsten elevatiehoek bereikten de kanonkogels bij den eersten boogaanslag niet eens het derde gedeelte van den afstand, terwijl de projectielen, na hare verdere aanslagen volbracht te hebben, de meest naastbijzijnde vaartuigen niet eens bereikten, maar in de diepte verdwenen.Met de bommen en granaten was het niet beter gesteld. Hoewel de blokken dermortierenaan het achtereinde omhoog getild waren, om zoo minder valhoogte, maar meer afstand te verkrijgen, werd ter nauwernood de helft van den af te leggen afstand bereikt, waar evenwel de projectielen in zee ploften, zonder aanslagen op de wateroppervlakte te maken.Het leverde evenwel een prachtig tafereel op, die volkogels op de oppervlakte der zee te zien aanslaan, hen onder het opwerpen van eene hooge waterzuil, die zich als een onmetelijke Geyzer sneeuwwit in het zonlicht voordeed, te zien opspringen, een boog vormen, andermaal aanslaan, opspringen en een waterstraal opwerpen, en zoo voortgaande, terwijl de bogen en de waterzuilen allengskens kleiner en kleiner werden, totdat het projectiel over de watervlakte een eind weegs scheen te rollen, en daarbij eene diepe vore te ploegen, die evenwel langzamerhand vervloot, totdat de aanleidende oorzaak in de diepte verdween.Het was ook een trotsch gezicht, een bom of granaat van eene betrekkelijk aanmerkelijke valhoogte plomp verloren in zee te zien storten, waarbij het water met geweld omhoog spatte, en de oppervlakte door tallooze kringen bewogen werd, die zich tot aan den horizon uitstrekten. Het geluid van zulk een plomp werd in een ruimen kring vernomen. Soms sprong zoo’n hol projectiel juist bij de aanraking van de wateroppervlakte. Dan waren het wilde waterstralen, die in alle richtingen voortgeschoten werden, dan waren het schuimmassa’s en fijne, waterstofdeeltjes, die met woest geweld opgeslingerd werden, niet op eene eenige plaats, maar rondom het centraalpunt op ontelbare plekken, alwaar de scherven van de uiteengesprongen ijzermassa het water onder de meest verschillende hoeken scheerden.Maar de bewoners van het eiland hadden voor die tafereelen in die oogenblikken weinig aandacht. Zij staakten weldra hun nutteloos vuur[214]en volgden met angstige oogen de richting der vijandelijke flottilje, die al meer naar de zuidelijke kust van het eiland afhield.Zoodra deze beweging onmiskenbaar gebleken was, meende dokter Antekirrt de maatregelen te moeten nemen, die door de omstandigheden geboden werden. Men mocht den vijand daar niet ongehinderd laten landen.De gezagvoerdersKödriken Narsos bestegen met eenige kloekmoedige zeelieden ieder een der torpedobooten en verlieten in allerijl de haven door een der toegangen, die geen gevaar van wege de slapende watermijnen opleverden.Een kwartier later stormden de beideElektrieksals het ware op de flottilje los; zij verbraken er de linie van, deden met hunne torpedo’s vijf of zes vaartuigen in de lucht vliegen en ramden een dozijn anderen zoodanig, dat zij in zinkenden toestand verkeerden.Dat was een schoon succes! Had dat maar vervolgd kunnen worden, dan ware de aanval bij zijn begin gestuit geworden!Evenwel was de overmacht der aanvallende Senousisten zoo groot, dat de beide gezagvoerders er op bedacht moesten zijn en ook inderdaad bedreigd werden, om geënterd te worden. Zij waren derhalve genoodzaakt om hunne schuilplaats achter de havendammen met den meesten spoed op te zoeken. Een derElektriekshad door den schok ernstige schade aan den boeg bekomen, zoodat hij in allerijl op het strand gezet moest worden, om hem voor zinken te behoeden.Intusschen was deFerratoniet werkeloos gebleven, maar had stelling genomen en begon de flottilje met haar geschut te beschieten. Maar hoewel de kustbatterijen haar vuur aan dat van het kloeke vaartuig paarden, was men toch onmachtig, om te beletten, dat de groote massa der zeeschuimers hunne ontscheping volbrachten. Hoewel een groot getal der aanvallers gesneuveld was, en hoewel een twintigtal vaartuigen reeds in den grond geschoten of in de lucht gesprongen waren, gelukte het toch aan meer dan duizend Senousisten, om voet aan wal te zetten op de rotsen van den zuidelijken oever, waarvan de nadering door de te kalme zee in geenendeele bemoeilijkt werd.Toen kon men zien, dat de kanonstukken aan de dwepende aanvallers niet ontbraken. De grootste Chebekken voerden eenige veldstukken, die op veldaffuiten, behoorlijk van raderen voorzien, lagen. De aanvallers konden hen ontschepen op dat gedeelte der kust, hetwelk buiten het bereik van het vuur der stadgelegen was,en zelfs buiten dat der kanonnen, waarmede het fortje op den centraalheuvel bewapend was.Van den post, dien dokter Antekirrt op den naastbijzijnden uitspringenden hoek der versterkingen ingenomen had, had hij een volledig overzicht, en kon hij de operatiën der ontscheping volkomen volgen. Het was hem onmogelijk geweest, zich er tegen te verzetten.[215][216]Dat liet hem de geringe sterkte van zijn personeel niet toe.Het schot ging af. (Bladz. 219.)Het schot ging af. (Bladz.219.)Maar daar hij achter zijne muren betrekkelijk veel sterker was, zou de taak der belegeraars, hoe talrijk zij ook waren, uiterst moeielijk worden. Dat zouden zij al dadelijk ondervinden.Dezen hadden zich, terwijl zij hunne lichte artillerie voortsleepten, in twee kolonnes verdeeld. Zij marcheerden voorwaarts, zonder eenige dekking te zoeken, en met die zorgelooze koelbloedige dapperheid, den Arabier zoo eigen, met die stoutmoedigheid der dweepziekte, die bij hen door de hoop op buit en den haat tegen de Christenen en Europeanen, eene ware doodsverachting doet geboren worden.Toen zij goed en wel onder schot gekomen waren, braakten debatterijenmet hunne kogels, granaten en kartetsen, dood en verderf uit. Dat weerhield hen niet. Integendeel, zij beijverden zich al meer en meer op te dringen, al meer en meer veld te winnen.Hunne veldstukken namen stelling en begonnen bres te schieten in een muurvak, dat den hoek uitmaakte van de onvoltooide courtine van het zuider-vestingfront. Die muur kon niet veel weerstand bieden en was dan ook spoedig in puin gelegd.Het opperhoofd der aanvallers stond steeds kalm en moedig te midden van hen, die onder het moorddadig geschut der belegerden aan zijne zijde vielen, en bestuurde met beleid den aanval.Sarcany bevond zich bij hem en hitste hem voortdurend op, om storm te doen loopen, door eenige honderd strijders op de gevormde bres te werpen.Dokter Antekirrt en ook Piet Bathory herkenden hem zeer goed. Meermalen gaven zij een schot op hem af, zonder hem evenwel te raken. De afstand daartoe was te groot.Hij van zijn kant had hen ook herkend en hield hen goed in het oog, maar beantwoordde hun vuur met een uittartend gebaar.De groote massa der belegeraars begon zich middelerwijl in de richting van den muur in beweging te stellen, die ingestort was en thans doorgang kon verleenen. Wanneer zij er in slaagden, die bres te bekronen, te overschrijden, en wanneer zij zich in de stad konden verspreiden, dan waren de belegerden te zwak om krachtigen wederstand te kunnen bieden. Dan waren dezen genoodzaakt, om de plaats te ontruimen. En met de bloeddorstige geaardheid van die zeeschuimers, zou de overwinning dadelijk door een algemeenen moord gevolgd worden. Wee dan, de arme vrouwen en kinderen!Er moest dus op leven en dood gevochten worden! Hier zou dus het pleit beslecht worden!De strijd, die hier man tegen man gevoerd werd, was dan ook schrikkelijk te noemen. Gelukkig, dat om de bres te kunnen beklimmen, de aanvallers zich slechts over een smal punt konden uitbreiden.[217]Onder de bevelen van den dokter, die kalm en bedaard in het grootste gevaar, en als onkwetsbaar te midden van den kogelregen pal stond, verrichtte Piet Bathory en zijne makkers wonderen van dapperheid. Pescadospunt en Kaap Matifou sprongen hen bij met eene stoutmoedigheid, die zijne weerga niet had, en alleen geëvenaard werd door hunne behendigheid, om de gevaarlijke slagen te ontwijken.De stevige Hercules had in de eene hand een mes en in de andere eene bijl, waarmede hij op verwonderlijke wijze ruimbaan rondom zich maakte. Ware er tijd toe geweest, dan zou zich een kring toeschouwers rondom hem gevormd hebben, en die zouden zeker in de handen geklapt hebben.„En hier!”„En daar!” riep de reus, terwijl hij met de eene hand zijn wapen in eene borst stiet, en met de andere een schedel kloofde. Hij miste nooit! De heuvel gesneuvelden hoopte zich rondom hem op.„Flink zoo, dierbare Kaap!” riep Pescadospunt, die zich ook repte. „Stoot toe! Sla toe!”„Wat willen ze?” schreeuwde Kaap Matifou woedend. „Laat ze maar opkomen!”„Sla ze dood!” antwoordde zijn makker, wiens revolver, voortdurend herladen en afgeschoten, het geknetter van een vuurwerk liet hooren.Maar de vijand week niet. Hij hield met een bewonderenswaardigen moed stand.Na herhaaldelijk uit de bres verdreven te zijn, hervatten nieuwe drommen telkens en telkens de bestorming en waren eindelijk op het punt, om haar te beklimmen en de stad in te snellen, toen er eindelijk van achteren eene afleiding uitgevoerd werd.Wat was er gebeurd? Vanwaar kwam die onverwachte hulp? O, wij zullen het dadelijk vernemen.DeFerratohad op minder dan drie kabellengten afstand van den oever postgevat, alwaar hij, met zijne schepraderen voor en achterwaarts slaande, onder stoom bleef. Van dat punt begon hij met zijne kanonnaden, die allen langs stuurboord gehaald waren, met zijn lang jaagstuk, met zijne Hotchkiss-revolverkanons, met zijne Gattling mitrailleuses te vuren, en maaide de aanvallers als het koren onder de zeis weg. Het vaartuig viel hen in den rug aan, het beschoot ze op het strand, terwijl het terzelfder tijd de vaartuigen vernielde, die aan den voet der rotsen vastgemaakt lagen.Dat was een schrikkelijke en onverwachte slag voor de Senousisten. Niet alleen werden zij in den rug beschoten, maar ieder middel ter ontvluchting werd hen ontnomen, wanneer, wel te verstaan, hunne vaartuigen door de projectielen van deFerratoverbrijzeld werden. En dat lag bij den gang van het gevecht voor de hand.[218]Voor Oostersche volkeren bestaat er—hoe moedig ze ook zijn—niets verschrikkelijkers, dan wanneer hunne terugtochtslijn bedreigd wordt.De aanvallers hielden toen halt voor de bres, die door de militieplichtigen hardnekkig verdedigd werd. Reeds meer dan vijfhonderd Senousisten hadden den dood op het strand gevonden, terwijl het getal der belegerden niet merkbaar geslonken was. Er ontstond aarzeling en weifeling. Een achterwaartsche beweging werd weldra merkbaar.De aanvoerder van de Senousistische benden begreep, dat hij zoo spoedig mogelijk zee moest kiezen, wanneer hij ten minste zijne makkers niet aan een onvermijdelijken ondergang wilde blootstellen. Te vergeefs wilde Sarcany de dwepers aansporen, zich andermaal op de bres te werpen. Het mocht niet baten. De poging mislukte, toen zij zonder geestdrift volvoerd werd. De aanvallers werden met bebloede koppen teruggeslagen.Eindelijk werd bevel gegeven, om naar het strand terug te trekken, en—het moet erkend worden—de Senousisten volvoerden hunne terugtochts-beweging even gehoorzaam als zij zich tot den laatsten man zouden hebben laten neerhouwen, wanneer zij het bevel hadden gekregen, om te sterven.Maar het was noodzakelijk die zeeschuimers eene les toe te dienen, die hun onuitwischbaar in het geheugen zoude blijven. De lust om terug te keeren, moest hen voor goed ontnomen worden.„Vooruit!… vrienden!… Voorwaarts!” riep dokter Antekirrt „Er op in!… En geen genade of medelijden!”En onder aanvoering van Piet Bathory en van Luigi Ferrato stormden een honderdtal militieplichtigen naar buiten, ter vervolging der vluchtelingen, die het strand met den meesten spoed trachtten te bereiken. Maar dezen bevonden zich daar tusschen twee vuren, dat van deFerratoen dat van de stad, zoodat van standhouden geen sprake kon zijn. Toen begon er wanorde in hunne gelederen te heerschen, en weldra zag men hen in woeste vaart naar de zeven of acht inschepings-vaartuigen stormen, die door de losbrandingen van deFerratomin of meer onbeschadigd gelaten waren. Toen ontspon zich een vreeselijke strijd, waarbij mededoogen onbekend was.Piet Bathory en Luigi Ferrato trachtten, bij het handgemeen worden, vooral één man te kunnen vatten. Behoeft het nog gezegd te worden: die man was Sarcany. Maar zij wilden hem levend in handen krijgen, hoewel hij hen niet ontzag, en het waarlijk een wonder te noemen was, dat zij telkens aan zijne revolverschoten ontkwamen.En toch, in weerwil van hunne inspanning, scheen het noodlot zich tot taak te stellen, dien man nogmaals aan hunne gerechtigheid te onttrekken. Waarlijk, het had er veel van, of de hel tusschenbeiden trad.[219]Sarcany en het opperhoofd der Senousisten, omgeven door een tiental hunner meest dappere en meest te vertrouwen strijdmakkers, waren er in geslaagd, om een kleine polacre te bereiken, waarvan de meertouwen reeds losgegooid waren, en die reeds manoeuvreerde om zee te kiezen. DeFerratowas van dat punt te ver verwijderd, om haar sein te kunnen geven, ten einde dat vaartuig, hetwelk zou ontsnappen, te vervolgen en in den grond te boren.In dat oogenblik ontwaarde Kaap Matifou een veldstuk, dat in de hitte van den strijd van zijn affuit afgerold was, en op het zand in de nabijheid der zee lag.Naar dat stuk, hetwelk nog geladen was, heenvliegen, het met bovenmenschelijke kracht op een der rondomliggende rotsen optillen, zich schrap zetten, om het met de tappen in den noodigen stand en de vereischte richting te houden, dat alles was voor den reus het werk van een oogenblik. Daarop riep hij met hijgende, maar toch krachtvolle stem:„Hierheen, Pescadospunt, hierheen!… Gauw! Gauw toch!… Hierheen! Er is geen minuut te verliezen!”Pescadospunt hoorde dien kreet van Kaap Matifou. Hij ijlde toe en begreep met een oogopslag, wat er gaande was. Hij verbeterde de richting van het kanonstuk, gelegen op zijn levend affuit, en mikte nauwkeurig op de polacre. Daarop bracht hij de brandende lont bij het zundgat.Het schot ging af. De kogel trof den romp van het vaartuig en verbrijzelde dien … maar de reus trilde zelfs niet onder den terugstoot van het stuk geschut.Het Senousisten-hoofd geraakte met zijne makkers te water. Het meerendeel hunner verdronk en kwam in de golven om. Zij, die zich uit het water redden, werden aan wal onbarmhartig doodgeslagen.Wat Sarcany betrof, deze spartelde in de branding. Toen Luigi Ferrato dat zag, sprong hij onmiddellijk in zee. En een oogenblik later was de fielt overgeleverd in de handen van Kaap Matifou, die hem als in eene schroef omklemden en hem door middel van een sterk touw armen en beenen stevig knevelde.De zegepraal was zoo volkomen mogelijk. Op een zoodanige had men niet durven hopen.Van de twee duizend aanvallers, die op het eiland ontscheept waren, ontsnapten ter nauwernood eenige honderden aan de algemeene ramp. Zij konden de tijding van hun bloedig wedervaren op de Cyrenaïsche kust gaan mededeelen.In langen tijd, zoo hoopte men althans, zou het eiland Antekirrta geen overlast meer ondervinden van die zeeschuimers. De indruk van de ontvangen les zoude onuitwischbaar zijn.[220]
X.Antekirrta.
Vijftien uren nadat zij de kust van Tripoli verlaten had, werd deElektriek 2door den uitkijk van Antekirrta geseind. Het vaartuig was toen nog maar ter nauwernood zichtbaar, maar in den namiddag lag het in de binnenhaven van het eiland ten anker. Dokter Antekirrt was tevreden, en moest erkennen, dat die overtocht binnen den kortst mogelijken tijd volvoerd was.De lezer zal gemakkelijk kunnen gissen, welke ontvangst het geachte hoofd van het eiland en zijne wakkere tochtgenoten ten deel viel.Hoewel Sava zich nu geheel en al buiten gevaar bevond, werd er toch besloten, dat de banden, die haar aan dokter Antekirrt verbonden, stipt geheim zouden gehouden worden. Daar bestonden redenen voor, en ieder die met de ware toedracht bekend was, verbond er zich toe. Die waren trouwens niet veel, namelijk: Piet Bathory, zijne moeder, Luigi en Maria Ferrato, Kaap Matifou en Pescadospunt.Graaf Mathias Sandorf wilde onbekend blijven, totdat hij volledig de taak zou vervuld hebben, die hij op zich genomen had. Maar het was voldoende, dat Piet Bathory, die voor hem een zoon was,—zoo veel hield hij van hem,—verloofd was met Sava Sandorf, om overal en van alle kanten de vreugde te ontwaren, die dan ook door allen, op werkelijk aandoenlijke wijze aan den dag gelegd werd, zoowel op het stadhuis als in Artenak, de kleine hoofdplaats van het eiland Antekirrta.De lezer zal zich gewis ook kunnen voorstellen, wat mevrouw Bathory moest ondervinden, toen Sava na zooveel beproevingen teruggevonden en haar weergegeven was! Die goede vrouw gevoelde zich inderdaad zoo gelukkig mogelijk.Het jonge meisje herstelde spoedig. Weinige dagen van geluk waren voldoende, om haar de volle gezondheid weer te geven.Wat Pescadospunt betreft, die brave kerel had zijn leven gewaagd; dat was ontwijfelbaar en dat viel niet te ontkennen, maar volgens hem was dat zeer natuurlijk, en er bestond geen mogelijkheid om hem daarover althans in woorden erkentelijkheid te betuigen. Piet Bathory had hem zoo innig aan zijn hart gedrukt en dokter Antekirrt had hem met zulk een goedaardigen blik aangekeken, dat hij verder niets[198]hooren wilde. Volgens zijne gewoonte daarenboven, kende hij de geheele verdienste van de redding aan Kaap Matifou toe. Ja, aan Kaap Matifou, zijn tweeling-broeder als het ware.„Ziet ge,” herhaalde hij telkens, „dat is de man, dien gij moet bedanken. Niet mij!…”„Loop heen,” sprak de reus, half lachende, half gebelgd. „Loop heen met je praatjes!”„Hij heeft alles gedaan,” ging Pescadospunt voort. „Hij alleen, die sterke vent.”„Ik? Neen, hij!”„Ja, hij, die Kaap van mijn hart! Als hij er niet geweest was, dan waarachtig …”„Nogmaals, loop heen! Je brengt mij waarlijk uit mijn humeur!” zei de Hercules blozend.„Als die goede Kaap niet zooveel behendigheid bij de oefening met dien staak aan den dag had gelegd, dan zou ik niet met een sprong binnen het huis van dien akeligen Moquaddem Sidi Hassan hebben kunnen dringen.…”„Schei uit! Je maakt mij inderdaad zeeziek! Je bent een nare kerel! Hoor je?”„En Sava Sandorf”, ging Pescadospunt voort, zonder op de onderbreking van Kaap Matifou te letten, „zou den dood gevonden hebben, wanneer mijn dierbare Kaap niet daar geweest was, om haar in zijn armen op te vangen!”„Dat is waar,” sprak het jonge meisje met een schalkschen glimlach. „Dat is ontwijfelbaar waar, mijnheer Matifou!”„Zal je nu eindigen!” sprak Kaap Matifou half gebelgd tot Pescadospunt.„Waarom? Waarom zou ik eindigen? Ik spreek slechts de waarheid, dat kan niemand ontkennen.”„Gij gaat te ver, want het denkbeeld, om …”„Zwijg, Kaaplief!” viel hem Pescadospunt in de rede.„Waarom zou ik nu moeten zwijgen? Ik wil en zal thans spreken! Hoort ge? Niemand zal mij dat beletten.”„Drommels, ik ben niet sterk genoeg, om complimenten van dat gehalte in ontvangst te nemen, terwijl gij …”„Nu terwijl ik?” vroeg Kaap Matifou, terwijl hij zijne mouwen opstroopte en zijne Hercules-armen met welgevallen beschouwde. „Nu, ga voort, terwijl ik?…”„Kom, laten wij onzen tuin gaan bebouwen en verzorgen”, zei Pescadospunt lachende. „Daar zullen die cyclopen-armen te pas komen. Wij hebben onze plantage te lang verwaarloosd.”De kustbatterijen waren in goeden staat gebracht. (Bladz. 202.)De kustbatterijen waren in goeden staat gebracht. (Bladz.202.)„Cyclopen-armen!…” pruttelde Kaap Matifou, terwijl hij zijn vriend volgde. „Gij zoudt willen, dat gij uwe magere asperges tegen[199][200]die cyclopen-armen kondet verruilen. Wacht maar … die cyclopen-armen zullen je die plagerijen wel betaald zetten!…”Pescadospunt schaterde het uit, maar antwoordde niet en trok zijn vriend met zich voort.Kaap Matifou zweeg verder; maar eindigde met zich alle gelukwenschen te laten aanleunen, alleen „om zijn kleinen Pescadospunt niet te ontstemmen.” Dat duidde op een goedig karakter. Maar ieder was dat van den zachtaardigen reus gewoon.Er werd besloten, dat het huwelijk van Piet Bathory met Sava Sandorf al zeer spoedig, namelijk op den 9denNovember zoude voltrokken worden. Wanneer onze jonge vriend de echtgenoot van Sava geworden zou zijn, zou hij dadelijk beginnen, om de rechten zijner vrouw op de erfenis van graaf Mathias Sandorf te doen erkennen. De brief van mevrouw Toronthal liet omtrent de geboorte en de afkomst van het jonge meisje geen twijfel bestaan. Wanneer het daarenboven noodig zoude zijn, dan zou men wel eene gelijkluidende verklaring van den bankier verwerven. Het behoeft niet verzekerd te worden, dat de noodige formaliteiten daarbij betracht werden, vooral omdat Sava Sandorf nog niet meerderjarig was en derhalve den leeftijd nog niet bereikt had, om hare rechten te doen eerbiedigen. Inderdaad, zij zou haar achttiende jaar eerst over zes weken bereiken.Er moet bovendien bij verteld worden, dat in dat verloopen tijdvak van vijftien jaren, een wijziging in de staatkunde plaats had gegrepen, geheel ten voordeele van de Hongaarsche kwestie, en waaruit een betere toestand geboren was, vooral ten opzichte van de herinnering, die de zoo plotseling bedwongen onderneming van graaf Mathias Sandorf bij eenige staatslieden achtergelaten had. Mildere gevoelens zaten bij hen voor en zouden hunnen invloed niet missen.Wat den Spanjaard Carpena en den bankier Silas Toronthal betreft, omtrent hun lot zou later afdoend beslist worden, evenwel niet vóórdat Sarcany op zijne beurt een plaatsje in de kasematten van Antekirrta zoude erlangd hebben. Eerst dan zou de taak van gerechtigheid, die dokterAntekirrtondernomen had, volvoerd mogen heeten. Ja, eerst dan zou de deugd beloond en de misdaad gestraft mogen heeten.Maar terzelfdertijd, dat de dokter de middelen beraamde, om zijn doel te bereiken, gebood de noodzakelijkheid ernstig om maatregelen van voorzorg voor de veiligheid der kolonie te treffen. Zijne agenten in de Cyrenaïsche streken en in het Tripolitaansche Regentschap meldden hem toch, dat de Senousistische beweging in belangrijkheid buitengewoon toenam, vooral in het villayetschap van Ben Ghazi, dat zich het meest in de nabijheid van het eiland Antekirrta[201]bevond. Speciale loopers stelden zich onafgebroken in betrekking tot Jerhboub, dat nieuwe brandpunt van de Islamitische beweging, zooals de heer Duveyrier dat tweede metropolitaansche Mekka noemde, waar toen Sidi Mohammed El Mahedi tegenwoordige Grootmeester der Broederschap met zijne hem ondergeschikte hoofden van de geheele provincie resideerde. Daar nu die Senousisten de waardige nakomelingen zijn van de oude Barbarijsche zeeschuimers, dragen zij derhalve een ingekankerden en doodelijken haat toe aan een ieder, die tot het Europeesche ras behoort. Dokter Antekirrt begreep dan ook, dat hij zeer op zijne hoede moest zijn en dat voor het eiland Antekirrta inderdaad zeer gevaarvolle dagen aanbreken konden.En werkelijk, moeten niet aan de Senousisten toegeschreven worden de veelvuldige moorden, die sedert twintig jaren op de Afrikaansche sterftelijst hebben moeten ingeschreven worden? Als wij Beurman in 1863 te Kanem hebben zien omkomen, Van der Decken met zijne makkers in 1865 op de rivier Djouba, mejuffrouw Alexina Tinne en hare volgelingen in 1865 in de Ouadj Abedjouch, Dournaux Duperré en Joubert in 1874 bij den waterput van In Azhar, de paters Paulmier, Bouchard en Menored in 1876 in de omstreken van In Calah, de paters Richard Morat en Pouplard van den zendingspost Ghadames in het noorden van de Azdjer-streek, den kolonel Flatters, de kapiteins Masson en De Dianous, den dokter Guiard, de ingenieurs Beringer en Roche in 1881 op den openbaren weg naar Warglâ, dan moeten alle die moorden toegeschreven worden aan die bloeddorstige geaffilieerden, die er toe gedwongen worden de Senousistische leer ten opzichte van stoutmoedige landonderzoekers ten uitvoer te leggen. Onbedwingbare dweepzucht komt daarbij voornamelijk in het spel. Dat is niet te betwisten.Omtrent dit onderwerp onderhield dokterAntekirrtzich zeer dikwijls met Piet Bathory, met Luigi Ferrato, met de gezagvoerders zijner flottilje, met de hoofden zijner militie en met de voornaamste notabelen van zijn klein eiland.Zou Antekirrta een aanval van die schrikkelijke zeeschuimers kunnen weerstaan?Ja, ongetwijfeld, hoewel het geheele versterkingsplan nog niet geheel ontworpen, en sommige vestingwerken nog niet voltooid waren, zeker zou Antekirrta zich kunnen verdedigen, evenwel in het geval dat de aanvallers niet te talrijk zouden zijn.Van eene andere zijde beschouwd, zouden de Senousisten er eenig belang bij hebben, het eiland te bemachtigen?Voorzeker, daar het de geheele Sidragolf beheerschte, die door de kusten van de Cyrenaïsche en Tripolitaansche streken omzoomd en gevormd werd. Voor hen vormde dat eiland als het ware een strategische knoop en was dus zeer belangrijk.[202]De lezer zal wel niet vergeten hebben, dat ten zuidwesten van Antekirrta het eilandje Kenkrof op een afstand van ongeveer twee mijlen gelegen was. Nu had men den tijd niet gehad, om dat eilandje te versterken, en dat dreigde gevaarlijk te worden, in het waarschijnlijk geval, dat eene vloot daarvan hare operatiebasis wilde maken. Dokter Antekirrt had het dan ook, zooals wij weten, bij wijze van voorzorgsmaatregel laten ondermijnen, en thans werd eene schrikkelijke ontplofbare stof, de penkrastiet, in de mijngangen, die te midden van de rotsachtige massa aangelegd waren, geladen. Verdere voorzorgen waren voorloopig niet te nemen.Er was maar eene electrische vonk noodig, die langs een onderzeeschen metaaldraad, die het eilandje met Antekirrta verbond, afgezonden kon worden, om Kenkrof, met alles wat zich op zijne oppervlakte bevond, in de lucht te doen vliegen en te vernietigen.Ziehier, wat omtrent de andere verdedigingswerken van het eiland verricht was.De kustbatterijen waren in goeden staat gebracht en wachtten slechts dat de aangewezen bedieningsmanschappen der militie hunne posten kwamen innemen. Het centraal conisch fortje was gereed om vuur te kunnen geven met zijne stukken, die zeer ver droegen. Talrijke torpedo’s, die in het vaarwater gezonken lagen, verdedigden den toegang der haven. Ook deFerratoen de beideElektriekswaren tot handelen gereed, hetzij om den aanval verdedigenderwijze tegen te gaan, hetzij om bij den uitval op de aanvallende vloot in te loopen. Inderdaad, de verdedigingsmiddelen van het kleine eiland Antekirrta waren niet gering te schatten.Toch had het eiland eene kwetsbare plaats, namelijk de zuidwestelijke kust. Daar was eene strook, die niet door het vuur der strandbatterijen en door dat van het fortje bestreken werd, en waar dus gemakkelijk troepen konden ontscheept worden. Men had nog geen tijd gehad, om daar het versterkingsplan te voltooien. Dat was wel te betreuren.Daar bestond het gevaar, en misschien was het reeds te laat, om afdoende verdedigingswerken te ontwerpen en daar te stellen. Maar daaraan was nu in de gegeven omstandigheden niets meer te doen. Maar was het, alles wel beschouwd, onwraakbaar zeker, dat de Senousisten plan hadden, om het eiland Antekirrta aan te tasten?Dat was toch, bij eenig nadenken, eene zaak van belang, ja eene gevaarlijke onderneming, die daarenboven een belangrijk materiëel vorderde. Luigi Ferrato kon aan dat plan niet gelooven en twijfelde nog. Dat gaf hij eens te kennen bij gelegenheid dat dokter Antekirrt, Piet Bathory en hij de versterkingswerken van het eiland in oogenschouw namen.„Wat zouden zij hier komen doen?” vroeg hij. „Neen, op Antekirrta hebben zij het oog niet gevestigd.”[203]„Dat ’s mijne meening niet,” antwoordde dokter Antekirrt. „Het eiland is rijk, het beheerscht de streken, die aan de Syrtische Zee gelegen zijn. Al bestonden ook slechts die redenen, geloof mij, dan zou het eiland toch vroeg of laat aangevallen worden; want de Senousisten hebben er zeer groot belang bij, er zich van te bemachtigen!”„Meent gij?” vroeg Luigi Ferrato hoofdschuddende en nog steeds ongeloovig.„Niets is zekerder dan dat,” vulde Piet Bathory aan. „En mij dunkt, dat dit eene gebeurlijkheid is, die ons zeer op onze hoede moet doen zijn!”„Nu, dat zullen wij!… Maar, intusschen wil het bij mij er nog maar niet in …”„Wat mij vooral aan een aanstaanden aanval doet gelooven,” hernam dokter Antekirrt, „dat is, dat Sarcany tot de geaffilieerden van de Khouâns behoort, en het is mij bekend, dat hij vroeger steeds voor hen als agent in het buitenland werkzaam is geweest … Hij was het, die wapens, kruit en lood voor hen opkocht.”„Dat is zoo, maar …”„Herinnert u nu, mijne vrienden, dat Pescadospunt in het huis van den Moquaddem een onderhoud tusschen Sarcany en Sidi Hassan afgeluisterd heeft. In dat onderhoud werd de naam van het eiland Antekirrta herhaaldelijk uitgesproken … Mij dunkt, dat dit zijne beteekenis moet hebben. Zijt gij ook niet van die meening?”„Ja, maar …”„Sarcany weet,” ging de dokter onverstoorbaar voort, „dat het eiland mij toebehoort, dat wil zeggen aan den man, die een schrik voor hem is, aan den man die Zirone op de hellingen van den Etna deed aanvallen …”„Jawel, maar welke …”„Dus, omdat hij daarginds op het eiland Sicilië niet geslaagd is, zal hij ongetwijfeld hier trachten te slagen en dat met veel meer kansen in zijn voordeel. Mij dunkt toch, Luigi, dat die redeneering steek houdt.”„Heeft hij een persoonlijken haat jegens u, heer dokter?” vroeg Luigi Ferrato.Antekirrt trok onverschillig de schouders op. De haat van zoo’n aterling scheen hem niet te deeren.„Kent hij u ten minste?” vroeg de jonge zeeman, die zich zoo gauw niet gewonnen gaf, met aandrang.„Het is mogelijk, dat hij mij te Ragusa gezien heeft,” antwoordde dokter Antekirrt.„Maar dat is niet voldoende om …”„In ieder geval,” ging de dokter voort, „kan het hem niet onbekend gebleven zijn, dat ik in die stad in aanraking gekomen ben met de familie Bathory …”[204]„Dat is te zeggen.…”„Daarenboven moet hem op het oogenblik, toen Pescadospunt Sava uit het huis van den Moquaddem Sidi Hassan ontvoerde, bekend geworden zijn, dat Piet Bathory nog leefde. Dat alles moet in zijn geest eenig verband gezocht hebben, en hij kan er niet aan twijfelen, dat èn Piet èn Sava eene schuilplaats op het eiland Antekirrta gevonden hebben. Die gedachte alleen is meer dan genoeg, om er hem toe te brengen, het geheele Senousistische hondenpak tegen ons aan te voeren. En van die hebben wij geene genade te verwachten, wanneer zij er in slaagden, ons eiland te overweldigen.”Die redeneering was volstrekt niet zonder grond. Het was meer dan zeker, dat Sarcany nog niet wist, dat dokter Antekirrt en Graaf Mathias Sandorf slechts één persoon uitmaakten. Hij wist evenwel genoeg, om alles in het werk te stellen, ten einde de erfgename van het domein Artenak weer in handen te krijgen. Niemand zal er zich dus over verwonderen, dat hij den Kalief aangezet had, om een krijgstocht tegen de Antekirrtsche volksplanting uit te rusten! Hij had zelfs aangeboden, den aanval te besturen en te geleiden. Een lafaard was Sarcany niet.Men bereikte evenwel eindelijk den 3enDecember, zonder dat iets geschied was, hetgeen op een aanstaanden aanval kon duiden. Het was tot dien datum in den omtrek van het eiland Antekirrta volkomen rustig gebleven.Er mag niet uit het oog verloren worden, dat de vreugde over het weerzien en het geluk, om zich eindelijk allen te zamen vereenigd te vinden, allen, behalve den dokter, als in eene betoovering besloot, die voor de gedachten aan eene ernstige toekomst weinig, zeer weinig overliet. Het aanstaande huwelijk van Piet Bathory met Sava Sandorf vervulde aller harten en aller hoofden. Iedereen trachtte zich zelven de overtuiging op te dringen, dat de ongeluksdagen voorbij waren en dat zij niet meer wederkeeren zouden. Hoe zou men zich intusschen daarin vergissen!Het moet ten volle erkend worden, dat Pescadospunt en Kaap Matifou de algemeene gerustheid volmaakt deelden. Zij gevoelden zich zoo overgelukkig over het geluk der anderen, dat zij als het ware in een voortdurenden staat van verrukking verkeerden. Zij betrachtten dat geluk, hetwelk zij toch teweeg gebracht hadden, voortaan als onverstoorbaar.„Het is om, bij mijn ziel, niet aan te gelooven,” herhaalde Pescadospunt voortdurend.Waarop Kaap Matifou, steeds onbevattelijk, onveranderlijk antwoordde met de vraag:„Waaraan valt niet te gelooven? Op het vraagstuk omtrent geloof ben ik nog al gemakkelijk.”[205]Tweehonderd vaartuigen, op zijn minst gerekend, naderden in breede linie het eiland. (Bladz. 208.)Tweehonderd vaartuigen, op zijn minst gerekend,naderden in breede linie het eiland. (Bladz.208.)[206]„Wel,” antwoordde Pescadospunt dan lachende, „dat gij een dikke, vette rentenier gaat worden, en dat.…”„En dat?” vroeg Kaap Matifou dan ongeduldig. „Waarom gaat gij niet voort? Zeg?”„En, dat ik er aan denk, om je te laten trouwen!”„Mij?” riep de reus verbouwereerd uit. „Kom, ge houdt mij voor den gek!”„Ja, gij trouwen! Gij in eigen persoon!”„Ik, trouwen?… Het is inderdaad, om het uit te gieren van lachen,” hernam Kaap Matifou, die inderdaad zijn buik vasthield.„Ja,… en met een lief klein vrouwtje!” ging Pescadospunt met een onverstoorbaar ernstig gelaat voort.„Houdt ge me voor den gek! Zeg het dan bijtijds, dan kan ik de plaat poetsen.”„Komaan, komaan, een lief klein vrouwtje … Is je dat nu voor den gek houden?”„Waarom moet ze klein zijn?” vroeg Kaap Matifou plotseling nurksch geworden. „Mij dunkt, dat ik niet zoo heel klein ben.”„Verduiveld, ja … Je bemerking is juist … Een klein vrouwtje zou niet bij je passen!…”„Welnu?”„Ge moet eene mooie vrouw hebben, maar onmetelijk van omvang … Mevrouw Kaap Matifou moet iets kolossaals zijn, niet waar?… Zoo iets als een klokketoren! Wat denkt ge er van?”„Dat ge andermaal spot!”„Neen, Kaap van mijn hart, wij zullen je zoo’n vrouw bij de Patagoniers gaan zoeken!”„Loop naar den duivel! Dan ben je met je plagerijen een eind uit de buurt! Goede reis!”Maar in afwachting, dat men voor Kaap Matifou eene wederhelft zou vinden, die hem en ook zijner gestalte waardig zoude zijn, hield Pescadospunt zich voornamelijk met het huwelijk van Piet Bathory en Sava Sandorf bezig. Hij beraamde en overwoog, natuurlijk met toestemming van dokter Antekirrt, de openbare feestelijkheden, welke bij die gelegenheid, waarbij kermisspelen toegelaten, waarbij gezangen voorgedragen en danspartijen georganiseerd zouden worden, plaats zouden hebben. Dat daarbij saluutschoten uit alle stukken geschut van het eiland niet zouden vergeten worden, alsook niet een monsterachtig feestmaal in de open lucht, met eene serenade aan de jonggehuwden, waarna een solemneele taptoe met fakkellicht, bekroond door een prachtig vuurwerk, zal wel niet behoeven vermeld te worden. Hij, hij Pescadospunt, zou voor dat alles zorgen. Bij zoo iets was hij in zijn waar element. Het feest zou prachtig, zou schitterend wezen! Men zou er lang, zeer lang over praten! Het zou eeuwig in de[207]herinnering der bewoners blijven! Leve! Leve de jonggehuwden!De vreugde zou echter van korten duur zijn. Een flikkervlam, niets anders. Een waar stroovuur!Al die plannen zouden door de gebeurtenissen in hunne geboorte verstikt, althans uitgesteld worden.In den nacht van den 3denop den 4denDecember,—een uiterst kalme nacht, die evenwel door een dik wolkendak verduisterd werd—weerklonk plotseling een electrische schel op het Stadhuis in het vertrek van dokter Antekirrt. Dat was een afgesproken alarmsignaal.Het was toen ongeveer tien uur in den avond. De bewoners van het Stadhuis zaten gezellig bij elkander.De dokter en Piet verlieten op dat sein het salon, waarin zij den avond met mevrouw Bathory en met Sava Sandorf doorgebracht hadden. De dames bleven, door een soort van voorgevoel vervoerd, wel eenigermate ongerust achter.Toen de heeren in het kabinet gekomen waren, ontwaarden zij dat het signaal kwam van den observatie-post, die op den top van den centraalheuvel van het eiland Antekirrta geplaatst was. Vandaar had men een ruim uitzicht.Vragen en antwoorden werden natuurlijk onmiddellijk gewisseld. Men zou niet lang in twijfel verkeeren.De strandwachters en uitkijkers seinden de nadering eener flottilje aan den zuidwestkant van het eiland. Het aantal en de aard van de vaartuigen, waaruit die flottilje bestond, was door de heerschende duisternis nog niet aan te geven. Maar dat zij talrijk waren, werd door alle waarnemers op het nadrukkelijkst bevestigd.„Wat denkt gij er van?” vroeg Piet Bathory aan dokter Antekirrt, die als in gedachten verzonken stond.„Wij moeten den Raad bij elkander roepen,” antwoordde deze, na een oogenblik peinzen.„Juist!” zeide Piet; „maar mij dunkt, dat er haast bij is.”In minder dan tien minuten waren, behalve de dokter en Piet, ook Luigi Ferrato en de gezagvoerders Narsos enKödriken de hoofden van de militie op het Stadhuis vergaderd.Onmiddellijk werd hen mededeeling gedaan van de waarschuwingen, die van de kustwachters en uitkijkers ingekomen waren. Een kwartier later waren allen, na een bezoek aan de haven gebracht te hebben, op het uiteinde van de lange pier, waarboven het kustlicht helder brandde, vergaderd.Van dit punt, dat slechts zeer weinig boven de oppervlakte der zee verheven was, was het onmogelijk de flottilje te ontwaren, die door de kustwachters, op den top van den centraalheuvel geplaatst, ontdekt was. Maar wanneer men den gezichteinder[208]schel verlichtte, zou het ongetwijfeld mogelijk zijn het aantal dier vaartuigen te weten te komen, alsook waar en onder welke omstandigheden zij de kusten meenden te kunnen naderen en bereiken. De meeste stemmen waren voor die verkenning.De vraag werd evenwel door eenigen geopperd, of het niet onvoorzichtig was zoo de ware ligging van het eiland te kennen te geven? De dokter meende van neen. Als het de lang verwachte vijand was, dan kwam die niet blindelings. Die kende de ligging van het eiland Antekirrta zeer goed, en dan zou niets hem kunnen beletten het te bereiken.De galvanische stroom werd dus in werking gesteld en weldra, dank zij der kracht van tweeelectrischestralenbundels, die de zee verlichtten, lag een breede sector van den gezichteinder bloot voor het onderzoekende oog van de bewoners van Antekirrta, die den gezichteinder angstvallig en zorgvuldig peilden.De kustwachters hadden zich helaas! niet vergist. Dat bleek al heel spoedig.Tweehonderd vaartuigen, op zijn minst gerekend, naderden in breede linie het eiland. Het waren voornamelijk chebekken, polacres, trabacolos, sacolieven, en eene menigte anderen van minder gehalte. Dat was zonder eenigen twijfel de flottilje der Senousisten, die deze zeeschuimers van uit alle havens der Afrikaansche kuststreek van heinde en verre hadden bij elkander gehaald, en die thans herwaarts stevende.Daar er volkomen windstilte heerschte en geen briesje de zeilen deed zwellen, moesten de opvarenden noodzakelijk roeien. Dat had te minder bezwaar, daar de kustbewoners aan zulk werk gewoon waren, en de afstand tusschen de Cyrenaïsche kust en het eiland betrekkelijk kort was, zoodat de overtocht gevoegelijk zonder wind kon geschieden. De kalmte der zee begunstigde zelfs hunne plannen, daar de verscheping nu niet door eene altijd gevaarlijke brandingbemoeilijktzou worden. Daarenboven, een zeilend vaartuig is nimmer zoo van zijne bewegingen zeker, als een vaartuig dat geroeid wordt.De flottilje bevond zich in dat oogenblik nog op een afstand van ruim vier of vijf mijlen ten zuidwesten van het eiland. Zij zoude dus niet voor zonsopgang den oever kunnen bereiken. Dat scheen in de plannen der opvarenden te liggen; want het zou zeer onvoorzichtig te noemen zijn, voordat het dag was, hetzij den aanval te ondernemen, hetzij om te pogen om gewelddadig den ingang van de haven binnen te dringen, hetzij om eene ontscheping op het zuidelijk gedeelte der kust van Antekirrta te bewerkstelligen, hetwelk, zooals wij weten, in onvoldoend verdedigbaren toestand verkeerde. Het was dan ook voor een ieder duidelijk, dat de opvarenden geen haast maakten en den dag wilden afwachten.Stormden de Elektrieks op de flottilje los. (Bladz. 214.)Stormden deElektrieksop de flottilje los. (Bladz.214.)Toen de naderende flottilje behoorlijk verkend was, werden de[209][210]electrische lichtbronnen uitgedoofd, waardoor de gezichteinder weer in het duister gehuld werd. Dit geschieddebij wijzevan voorzichtigheidsmaatregel. Men wilde zien, zonder gezien te worden.Er bleef dus niets anders over, dan het aanbreken van den dag af te wachten.Inmiddels evenwel betrokken alle manschappen der militie, op bevel van dokter Antekirrt, de hun reeds vroeger aangewezen posten. Het kon toch zijn, dat de flottilje niet vereenigd was, en een afgezonderd gedeelte elders trachtte te landen.Men moest gereed zijn, om eerste slagen toe te brengen. Daarvan hangt veelal de uitslag van eene krijgsonderneming af. Hij die den eersten slag toebrengt, heeft in den regel veel, zeer veel voor.Het was thans zoo goed als zeker, dat de aanvallers er niet meer aan konden denken, het eiland te overvallen, daar de bundels lichtstralen, die de waakzaamheid der opgezetenen wel is waar verraden hadden, dezen tevens gelegenheid gegeven hadden, om het aantal der aanvallers en de algemeene richting, welke zij namen, waar te nemen.Men waakte gedurende de laatste nachtelijke uren met de grootste zorgvuldigheid en nauwgezetheid. Herhaaldelijk verlichtte men nog den gezichteinder, hetgeen voornamelijk ten doel had, om het punt, waar de flottilje zich bevond, meer nauwkeurig waar te nemen, en zoo haren voortgang en de richting, die zij nam, oplettend te volgen. Men bleef in de overtuiging, dat men, alvorens het dag was, voor geene vijandelijkheden te vreezen had.Dat de aanvallers talrijk waren, daaromtrent kon hoegenaamd geen twijfel bestaan.Of zij voldoend materiëel met zich voerden, om opgewassen te zijn tegen debatterijenvan Antekirrta, en dezen tot zwijgen te kunnen brengen, was minder zeker en natuurlijk niet uit te maken. Misschien ontbrak het hun wel geheel en al aan vesting- of positie-geschut. Maar al kon zoo iets aangenomen worden, zoo waren toch de Senousisten door hunne overgroote getalsterkte, waardoor de hoofden zich in staat gesteld zagen, het eiland op verschillende punten tegelijk te laten aantasten, zeer gevaarlijk en zeer te vreezen. Daarenboven, dokter Antekirrt was van meening, dat men zijn vijand nimmer te licht moet achten.Eindelijk brak de dag aan, en de eerste zonnestralen verdreven in weinige oogenblikken de laatste nevelbanken, die bij den horizon op de oppervlakte der zee waren blijven hangen.Aller blikken wendden zich toen met eene zekere spanning naar de zee ten oosten en ten zuiden van het eiland Antekirrta. Wat men toen ontwaarde, was verre van geruststellend.De vaartuigen der flottilje ontwikkelden zich toen in eene lange[211]linie, die zich bij hare uiteinden eenigermate omboog, om zoo het eiland te omsluiten. En dat was eene uiterst gevaarlijke beweging, dat moesten de bewoners van Antekirrta erkennen.Inderdaad, daar waren meer dan tweehonderd vaartuigen in het gezicht, waaronder er waren van een laadvermogen van dertig tot veertig tonnen. Ongetwijfeld konden die te zamen eene macht van vijftienhonderd tot tweeduizend gewapenden aan boord hebben. Met een weinig goeden wil, waren er veel meer te bergen.Het was ongeveer vijf uren in den morgen, toen de flottilje ter hoogte van het eiland Kenkrof aangekomen was.Zouden de aanvallers dat eilandje aandoen en daarop post vatten, alvorens het hoofdeiland direct aan te tasten? Als ze dat deden, zou dat een zeer gelukkige omstandigheid zijn; want dan zouden de mijnwerken, door dokter Antekirrt aangelegd, al dadelijk in werking kunnen komen en, zoo niet de oplossing en het einde van het vraagstuk daarstellen, dan toch reeds bij het begin van den aanval den uitslag voor de aanvallende Senousisten hachelijk maken. Hunne gelederen zouden dan zoo gedund kunnen worden, dat verslagenheid niet zoude uitblijven.Een half uur kroop in de grootste spanning voorbij. Het was, alsof de minuten uren waren.Een oogenblik kon de meening gelden, dat de vaartuigen, die het eilandje langzamerhand genaderd waren, zouden landen en daar eene ontscheping bewerkstelligen … Men tuurde … men wachtte …Daar kwam evenwel niets van. Het was, alsof de aanvallers het gevaarlijke dier plek roken.Geen enkele sloep legde daar aan, en de vijandelijke aanvals-linie boog meer zuidwaarts af, terwijl zij het eilandje rechts liet liggen. De opvarenden maakten daarbij alle haast, en repten hunne roeiriemen zoo krachtig zij maar konden.De uitgevoerd wordende beweging was duidelijk. Het was nu voor allen begrijpelijk, dat het eiland Antekirrta direct aangevallen, of beter gezegd, door de Senousisten overstroomd zoude worden. Overstroomd is het ware woord, want nu de flottilje naderbij kwam, ontwaarde men, dat zij zeer sterk bemand was.„Thans blijft ons niets anders over, dan ons te verdedigen!” zei dokter Antekirrt tot de hoofden der militie. „Is dat ook niet uw oordeel? Spreek onbewimpeld!”„Ja! ja!” riepen allen. „En wij zullen ons verdedigen! Als het moet, tot den laatsten man!”Een sein werd oogenblikkelijk gegeven. Het geheele personeel, dat buiten verspreid was, spoedde zich in allerijl naar de stad, waar iedereen den post innam, die hem bij voorbaat aangewezen was. Dat was in[212]weinige minuten geschied. De versterkte punten waren nu behoorlijk bezet en de omstreken geheel verlaten. Vrouwen en kinderen hadden zich in de hoofdplaats teruggetrokken.Op bevel van dokter Antekirrt, nam Piet Bathory het commando op zich over het zuidelijk gedeelte van de vestingwerken. Luigi Ferrato kreeg het bevel over het oostelijk gedeelte. Zoo konden zij behoorlijk hunne manschappen overzien.De verdedigers van het eiland—bestaande uit hoogstens vijf honderd militieplichtigen—werden zoodanig verdeeld, dat zij overal tegen den vijand konden optreden, waar deze pogen mocht den walgang der stad aan te tasten. Wat den dokter betrof, die bleef het opperbevel voeren, en hield zich gereed daar op te treden, waar hij meenen mocht, dat zijne tegenwoordigheid het meest vereischt werd. Dat was niet de gemakkelijkste betrekking, die hij voor zich behouden had.Mevrouw Bathory en Sava Sandorf moesten in de middenzaal van het Stadhuis verblijven. Wat de andere vrouwen betrof, die moesten, in het geval de stad bestormd zoude worden, volgens de getroffen beschikkingen met hare kinderen een toevlucht in de bomvrije kazematten zoeken, waar zij niets te vreezen hadden, zelfs wanneer de belegeraars eenige stukken, ter ontscheping geschikt, ter hunner beschikking hadden.Nu het vraagstuk omtrent het eilandje Kenkrof ongelukkiglijk ten nadeele van het hoofdeiland beslist was, moest de aandacht aan de haven gewijd worden. Wanneer de flottilje daarin gewelddadig zoude pogen binnen te dringen, dan zouden de fortjes op de beide pieren, welker vuurmonden een kruisvuur op den ingang daarstelden, en de kanonnen van deFerrato, met deElektrieks, die als torpedo-dragers dienst deden, alsook de slapende torpedo’s in de geul een overkomelijke hinderpaal daarstellen, die niet gering te achten was. Het zou zelfs een voordeeligen kans opleveren, wanneer de aanval aan dien kant ondernomen mocht worden. De deskundigen hoopten dan ook, dat zulks geschieden mocht. Evenwel,—en dat was voor een ieder maar al te duidelijk,—het opperhoofd der Senousisten scheen maar al te wel de verdedigings-middelen van het eiland Antekirrta te kennen; ook scheen hij niet onbekend gebleven te zijn omtrent de kwetsbaarheid van het zuidelijk gedeelte van het eiland en de gemakkelijkheid eener landing aldaar. Eene poging, om een onvoorbereiden aanval op de haven te bewerkstelligen, zou blootstellen aan een onmiddellijke en volkomen vernietiging. Daarentegen leende zich eene ontscheping in het zuidelijk gedeelte van het eiland veel beter tot het bereiken van het beoogde doel. Tot dat plan werd dan ook besloten. Na dus zorgvuldig vermeden te hebben, om in de toegangswateren van de haven te geraken, zooals ook[213]vermeden was geworden, vasten voet op het eilandje Kenkrof te nemen, wendde de vijand, met de meeste inspanning voortroeiende, zijne talrijke flottilje naar de zwakke punten, die de zuidelijke kust van het eiland Antekirrta aanbood. Had men hem nu nog maar met de strandbatterijen kunnen teisteren!… Maar neen, de flottilje bleef op een eerbiedigen afstand buiten het werkzame vuur der kanonnen en der mortieren.In weerwil, dat de afstand geschat werd te groot te zijn, werden toch eenige schoten van de forten gelost. Onder den grootsten elevatiehoek bereikten de kanonkogels bij den eersten boogaanslag niet eens het derde gedeelte van den afstand, terwijl de projectielen, na hare verdere aanslagen volbracht te hebben, de meest naastbijzijnde vaartuigen niet eens bereikten, maar in de diepte verdwenen.Met de bommen en granaten was het niet beter gesteld. Hoewel de blokken dermortierenaan het achtereinde omhoog getild waren, om zoo minder valhoogte, maar meer afstand te verkrijgen, werd ter nauwernood de helft van den af te leggen afstand bereikt, waar evenwel de projectielen in zee ploften, zonder aanslagen op de wateroppervlakte te maken.Het leverde evenwel een prachtig tafereel op, die volkogels op de oppervlakte der zee te zien aanslaan, hen onder het opwerpen van eene hooge waterzuil, die zich als een onmetelijke Geyzer sneeuwwit in het zonlicht voordeed, te zien opspringen, een boog vormen, andermaal aanslaan, opspringen en een waterstraal opwerpen, en zoo voortgaande, terwijl de bogen en de waterzuilen allengskens kleiner en kleiner werden, totdat het projectiel over de watervlakte een eind weegs scheen te rollen, en daarbij eene diepe vore te ploegen, die evenwel langzamerhand vervloot, totdat de aanleidende oorzaak in de diepte verdween.Het was ook een trotsch gezicht, een bom of granaat van eene betrekkelijk aanmerkelijke valhoogte plomp verloren in zee te zien storten, waarbij het water met geweld omhoog spatte, en de oppervlakte door tallooze kringen bewogen werd, die zich tot aan den horizon uitstrekten. Het geluid van zulk een plomp werd in een ruimen kring vernomen. Soms sprong zoo’n hol projectiel juist bij de aanraking van de wateroppervlakte. Dan waren het wilde waterstralen, die in alle richtingen voortgeschoten werden, dan waren het schuimmassa’s en fijne, waterstofdeeltjes, die met woest geweld opgeslingerd werden, niet op eene eenige plaats, maar rondom het centraalpunt op ontelbare plekken, alwaar de scherven van de uiteengesprongen ijzermassa het water onder de meest verschillende hoeken scheerden.Maar de bewoners van het eiland hadden voor die tafereelen in die oogenblikken weinig aandacht. Zij staakten weldra hun nutteloos vuur[214]en volgden met angstige oogen de richting der vijandelijke flottilje, die al meer naar de zuidelijke kust van het eiland afhield.Zoodra deze beweging onmiskenbaar gebleken was, meende dokter Antekirrt de maatregelen te moeten nemen, die door de omstandigheden geboden werden. Men mocht den vijand daar niet ongehinderd laten landen.De gezagvoerdersKödriken Narsos bestegen met eenige kloekmoedige zeelieden ieder een der torpedobooten en verlieten in allerijl de haven door een der toegangen, die geen gevaar van wege de slapende watermijnen opleverden.Een kwartier later stormden de beideElektrieksals het ware op de flottilje los; zij verbraken er de linie van, deden met hunne torpedo’s vijf of zes vaartuigen in de lucht vliegen en ramden een dozijn anderen zoodanig, dat zij in zinkenden toestand verkeerden.Dat was een schoon succes! Had dat maar vervolgd kunnen worden, dan ware de aanval bij zijn begin gestuit geworden!Evenwel was de overmacht der aanvallende Senousisten zoo groot, dat de beide gezagvoerders er op bedacht moesten zijn en ook inderdaad bedreigd werden, om geënterd te worden. Zij waren derhalve genoodzaakt om hunne schuilplaats achter de havendammen met den meesten spoed op te zoeken. Een derElektriekshad door den schok ernstige schade aan den boeg bekomen, zoodat hij in allerijl op het strand gezet moest worden, om hem voor zinken te behoeden.Intusschen was deFerratoniet werkeloos gebleven, maar had stelling genomen en begon de flottilje met haar geschut te beschieten. Maar hoewel de kustbatterijen haar vuur aan dat van het kloeke vaartuig paarden, was men toch onmachtig, om te beletten, dat de groote massa der zeeschuimers hunne ontscheping volbrachten. Hoewel een groot getal der aanvallers gesneuveld was, en hoewel een twintigtal vaartuigen reeds in den grond geschoten of in de lucht gesprongen waren, gelukte het toch aan meer dan duizend Senousisten, om voet aan wal te zetten op de rotsen van den zuidelijken oever, waarvan de nadering door de te kalme zee in geenendeele bemoeilijkt werd.Toen kon men zien, dat de kanonstukken aan de dwepende aanvallers niet ontbraken. De grootste Chebekken voerden eenige veldstukken, die op veldaffuiten, behoorlijk van raderen voorzien, lagen. De aanvallers konden hen ontschepen op dat gedeelte der kust, hetwelk buiten het bereik van het vuur der stadgelegen was,en zelfs buiten dat der kanonnen, waarmede het fortje op den centraalheuvel bewapend was.Van den post, dien dokter Antekirrt op den naastbijzijnden uitspringenden hoek der versterkingen ingenomen had, had hij een volledig overzicht, en kon hij de operatiën der ontscheping volkomen volgen. Het was hem onmogelijk geweest, zich er tegen te verzetten.[215][216]Dat liet hem de geringe sterkte van zijn personeel niet toe.Het schot ging af. (Bladz. 219.)Het schot ging af. (Bladz.219.)Maar daar hij achter zijne muren betrekkelijk veel sterker was, zou de taak der belegeraars, hoe talrijk zij ook waren, uiterst moeielijk worden. Dat zouden zij al dadelijk ondervinden.Dezen hadden zich, terwijl zij hunne lichte artillerie voortsleepten, in twee kolonnes verdeeld. Zij marcheerden voorwaarts, zonder eenige dekking te zoeken, en met die zorgelooze koelbloedige dapperheid, den Arabier zoo eigen, met die stoutmoedigheid der dweepziekte, die bij hen door de hoop op buit en den haat tegen de Christenen en Europeanen, eene ware doodsverachting doet geboren worden.Toen zij goed en wel onder schot gekomen waren, braakten debatterijenmet hunne kogels, granaten en kartetsen, dood en verderf uit. Dat weerhield hen niet. Integendeel, zij beijverden zich al meer en meer op te dringen, al meer en meer veld te winnen.Hunne veldstukken namen stelling en begonnen bres te schieten in een muurvak, dat den hoek uitmaakte van de onvoltooide courtine van het zuider-vestingfront. Die muur kon niet veel weerstand bieden en was dan ook spoedig in puin gelegd.Het opperhoofd der aanvallers stond steeds kalm en moedig te midden van hen, die onder het moorddadig geschut der belegerden aan zijne zijde vielen, en bestuurde met beleid den aanval.Sarcany bevond zich bij hem en hitste hem voortdurend op, om storm te doen loopen, door eenige honderd strijders op de gevormde bres te werpen.Dokter Antekirrt en ook Piet Bathory herkenden hem zeer goed. Meermalen gaven zij een schot op hem af, zonder hem evenwel te raken. De afstand daartoe was te groot.Hij van zijn kant had hen ook herkend en hield hen goed in het oog, maar beantwoordde hun vuur met een uittartend gebaar.De groote massa der belegeraars begon zich middelerwijl in de richting van den muur in beweging te stellen, die ingestort was en thans doorgang kon verleenen. Wanneer zij er in slaagden, die bres te bekronen, te overschrijden, en wanneer zij zich in de stad konden verspreiden, dan waren de belegerden te zwak om krachtigen wederstand te kunnen bieden. Dan waren dezen genoodzaakt, om de plaats te ontruimen. En met de bloeddorstige geaardheid van die zeeschuimers, zou de overwinning dadelijk door een algemeenen moord gevolgd worden. Wee dan, de arme vrouwen en kinderen!Er moest dus op leven en dood gevochten worden! Hier zou dus het pleit beslecht worden!De strijd, die hier man tegen man gevoerd werd, was dan ook schrikkelijk te noemen. Gelukkig, dat om de bres te kunnen beklimmen, de aanvallers zich slechts over een smal punt konden uitbreiden.[217]Onder de bevelen van den dokter, die kalm en bedaard in het grootste gevaar, en als onkwetsbaar te midden van den kogelregen pal stond, verrichtte Piet Bathory en zijne makkers wonderen van dapperheid. Pescadospunt en Kaap Matifou sprongen hen bij met eene stoutmoedigheid, die zijne weerga niet had, en alleen geëvenaard werd door hunne behendigheid, om de gevaarlijke slagen te ontwijken.De stevige Hercules had in de eene hand een mes en in de andere eene bijl, waarmede hij op verwonderlijke wijze ruimbaan rondom zich maakte. Ware er tijd toe geweest, dan zou zich een kring toeschouwers rondom hem gevormd hebben, en die zouden zeker in de handen geklapt hebben.„En hier!”„En daar!” riep de reus, terwijl hij met de eene hand zijn wapen in eene borst stiet, en met de andere een schedel kloofde. Hij miste nooit! De heuvel gesneuvelden hoopte zich rondom hem op.„Flink zoo, dierbare Kaap!” riep Pescadospunt, die zich ook repte. „Stoot toe! Sla toe!”„Wat willen ze?” schreeuwde Kaap Matifou woedend. „Laat ze maar opkomen!”„Sla ze dood!” antwoordde zijn makker, wiens revolver, voortdurend herladen en afgeschoten, het geknetter van een vuurwerk liet hooren.Maar de vijand week niet. Hij hield met een bewonderenswaardigen moed stand.Na herhaaldelijk uit de bres verdreven te zijn, hervatten nieuwe drommen telkens en telkens de bestorming en waren eindelijk op het punt, om haar te beklimmen en de stad in te snellen, toen er eindelijk van achteren eene afleiding uitgevoerd werd.Wat was er gebeurd? Vanwaar kwam die onverwachte hulp? O, wij zullen het dadelijk vernemen.DeFerratohad op minder dan drie kabellengten afstand van den oever postgevat, alwaar hij, met zijne schepraderen voor en achterwaarts slaande, onder stoom bleef. Van dat punt begon hij met zijne kanonnaden, die allen langs stuurboord gehaald waren, met zijn lang jaagstuk, met zijne Hotchkiss-revolverkanons, met zijne Gattling mitrailleuses te vuren, en maaide de aanvallers als het koren onder de zeis weg. Het vaartuig viel hen in den rug aan, het beschoot ze op het strand, terwijl het terzelfder tijd de vaartuigen vernielde, die aan den voet der rotsen vastgemaakt lagen.Dat was een schrikkelijke en onverwachte slag voor de Senousisten. Niet alleen werden zij in den rug beschoten, maar ieder middel ter ontvluchting werd hen ontnomen, wanneer, wel te verstaan, hunne vaartuigen door de projectielen van deFerratoverbrijzeld werden. En dat lag bij den gang van het gevecht voor de hand.[218]Voor Oostersche volkeren bestaat er—hoe moedig ze ook zijn—niets verschrikkelijkers, dan wanneer hunne terugtochtslijn bedreigd wordt.De aanvallers hielden toen halt voor de bres, die door de militieplichtigen hardnekkig verdedigd werd. Reeds meer dan vijfhonderd Senousisten hadden den dood op het strand gevonden, terwijl het getal der belegerden niet merkbaar geslonken was. Er ontstond aarzeling en weifeling. Een achterwaartsche beweging werd weldra merkbaar.De aanvoerder van de Senousistische benden begreep, dat hij zoo spoedig mogelijk zee moest kiezen, wanneer hij ten minste zijne makkers niet aan een onvermijdelijken ondergang wilde blootstellen. Te vergeefs wilde Sarcany de dwepers aansporen, zich andermaal op de bres te werpen. Het mocht niet baten. De poging mislukte, toen zij zonder geestdrift volvoerd werd. De aanvallers werden met bebloede koppen teruggeslagen.Eindelijk werd bevel gegeven, om naar het strand terug te trekken, en—het moet erkend worden—de Senousisten volvoerden hunne terugtochts-beweging even gehoorzaam als zij zich tot den laatsten man zouden hebben laten neerhouwen, wanneer zij het bevel hadden gekregen, om te sterven.Maar het was noodzakelijk die zeeschuimers eene les toe te dienen, die hun onuitwischbaar in het geheugen zoude blijven. De lust om terug te keeren, moest hen voor goed ontnomen worden.„Vooruit!… vrienden!… Voorwaarts!” riep dokter Antekirrt „Er op in!… En geen genade of medelijden!”En onder aanvoering van Piet Bathory en van Luigi Ferrato stormden een honderdtal militieplichtigen naar buiten, ter vervolging der vluchtelingen, die het strand met den meesten spoed trachtten te bereiken. Maar dezen bevonden zich daar tusschen twee vuren, dat van deFerratoen dat van de stad, zoodat van standhouden geen sprake kon zijn. Toen begon er wanorde in hunne gelederen te heerschen, en weldra zag men hen in woeste vaart naar de zeven of acht inschepings-vaartuigen stormen, die door de losbrandingen van deFerratomin of meer onbeschadigd gelaten waren. Toen ontspon zich een vreeselijke strijd, waarbij mededoogen onbekend was.Piet Bathory en Luigi Ferrato trachtten, bij het handgemeen worden, vooral één man te kunnen vatten. Behoeft het nog gezegd te worden: die man was Sarcany. Maar zij wilden hem levend in handen krijgen, hoewel hij hen niet ontzag, en het waarlijk een wonder te noemen was, dat zij telkens aan zijne revolverschoten ontkwamen.En toch, in weerwil van hunne inspanning, scheen het noodlot zich tot taak te stellen, dien man nogmaals aan hunne gerechtigheid te onttrekken. Waarlijk, het had er veel van, of de hel tusschenbeiden trad.[219]Sarcany en het opperhoofd der Senousisten, omgeven door een tiental hunner meest dappere en meest te vertrouwen strijdmakkers, waren er in geslaagd, om een kleine polacre te bereiken, waarvan de meertouwen reeds losgegooid waren, en die reeds manoeuvreerde om zee te kiezen. DeFerratowas van dat punt te ver verwijderd, om haar sein te kunnen geven, ten einde dat vaartuig, hetwelk zou ontsnappen, te vervolgen en in den grond te boren.In dat oogenblik ontwaarde Kaap Matifou een veldstuk, dat in de hitte van den strijd van zijn affuit afgerold was, en op het zand in de nabijheid der zee lag.Naar dat stuk, hetwelk nog geladen was, heenvliegen, het met bovenmenschelijke kracht op een der rondomliggende rotsen optillen, zich schrap zetten, om het met de tappen in den noodigen stand en de vereischte richting te houden, dat alles was voor den reus het werk van een oogenblik. Daarop riep hij met hijgende, maar toch krachtvolle stem:„Hierheen, Pescadospunt, hierheen!… Gauw! Gauw toch!… Hierheen! Er is geen minuut te verliezen!”Pescadospunt hoorde dien kreet van Kaap Matifou. Hij ijlde toe en begreep met een oogopslag, wat er gaande was. Hij verbeterde de richting van het kanonstuk, gelegen op zijn levend affuit, en mikte nauwkeurig op de polacre. Daarop bracht hij de brandende lont bij het zundgat.Het schot ging af. De kogel trof den romp van het vaartuig en verbrijzelde dien … maar de reus trilde zelfs niet onder den terugstoot van het stuk geschut.Het Senousisten-hoofd geraakte met zijne makkers te water. Het meerendeel hunner verdronk en kwam in de golven om. Zij, die zich uit het water redden, werden aan wal onbarmhartig doodgeslagen.Wat Sarcany betrof, deze spartelde in de branding. Toen Luigi Ferrato dat zag, sprong hij onmiddellijk in zee. En een oogenblik later was de fielt overgeleverd in de handen van Kaap Matifou, die hem als in eene schroef omklemden en hem door middel van een sterk touw armen en beenen stevig knevelde.De zegepraal was zoo volkomen mogelijk. Op een zoodanige had men niet durven hopen.Van de twee duizend aanvallers, die op het eiland ontscheept waren, ontsnapten ter nauwernood eenige honderden aan de algemeene ramp. Zij konden de tijding van hun bloedig wedervaren op de Cyrenaïsche kust gaan mededeelen.In langen tijd, zoo hoopte men althans, zou het eiland Antekirrta geen overlast meer ondervinden van die zeeschuimers. De indruk van de ontvangen les zoude onuitwischbaar zijn.[220]
Vijftien uren nadat zij de kust van Tripoli verlaten had, werd deElektriek 2door den uitkijk van Antekirrta geseind. Het vaartuig was toen nog maar ter nauwernood zichtbaar, maar in den namiddag lag het in de binnenhaven van het eiland ten anker. Dokter Antekirrt was tevreden, en moest erkennen, dat die overtocht binnen den kortst mogelijken tijd volvoerd was.
De lezer zal gemakkelijk kunnen gissen, welke ontvangst het geachte hoofd van het eiland en zijne wakkere tochtgenoten ten deel viel.
Hoewel Sava zich nu geheel en al buiten gevaar bevond, werd er toch besloten, dat de banden, die haar aan dokter Antekirrt verbonden, stipt geheim zouden gehouden worden. Daar bestonden redenen voor, en ieder die met de ware toedracht bekend was, verbond er zich toe. Die waren trouwens niet veel, namelijk: Piet Bathory, zijne moeder, Luigi en Maria Ferrato, Kaap Matifou en Pescadospunt.
Graaf Mathias Sandorf wilde onbekend blijven, totdat hij volledig de taak zou vervuld hebben, die hij op zich genomen had. Maar het was voldoende, dat Piet Bathory, die voor hem een zoon was,—zoo veel hield hij van hem,—verloofd was met Sava Sandorf, om overal en van alle kanten de vreugde te ontwaren, die dan ook door allen, op werkelijk aandoenlijke wijze aan den dag gelegd werd, zoowel op het stadhuis als in Artenak, de kleine hoofdplaats van het eiland Antekirrta.
De lezer zal zich gewis ook kunnen voorstellen, wat mevrouw Bathory moest ondervinden, toen Sava na zooveel beproevingen teruggevonden en haar weergegeven was! Die goede vrouw gevoelde zich inderdaad zoo gelukkig mogelijk.
Het jonge meisje herstelde spoedig. Weinige dagen van geluk waren voldoende, om haar de volle gezondheid weer te geven.
Wat Pescadospunt betreft, die brave kerel had zijn leven gewaagd; dat was ontwijfelbaar en dat viel niet te ontkennen, maar volgens hem was dat zeer natuurlijk, en er bestond geen mogelijkheid om hem daarover althans in woorden erkentelijkheid te betuigen. Piet Bathory had hem zoo innig aan zijn hart gedrukt en dokter Antekirrt had hem met zulk een goedaardigen blik aangekeken, dat hij verder niets[198]hooren wilde. Volgens zijne gewoonte daarenboven, kende hij de geheele verdienste van de redding aan Kaap Matifou toe. Ja, aan Kaap Matifou, zijn tweeling-broeder als het ware.
„Ziet ge,” herhaalde hij telkens, „dat is de man, dien gij moet bedanken. Niet mij!…”
„Loop heen,” sprak de reus, half lachende, half gebelgd. „Loop heen met je praatjes!”
„Hij heeft alles gedaan,” ging Pescadospunt voort. „Hij alleen, die sterke vent.”
„Ik? Neen, hij!”
„Ja, hij, die Kaap van mijn hart! Als hij er niet geweest was, dan waarachtig …”
„Nogmaals, loop heen! Je brengt mij waarlijk uit mijn humeur!” zei de Hercules blozend.
„Als die goede Kaap niet zooveel behendigheid bij de oefening met dien staak aan den dag had gelegd, dan zou ik niet met een sprong binnen het huis van dien akeligen Moquaddem Sidi Hassan hebben kunnen dringen.…”
„Schei uit! Je maakt mij inderdaad zeeziek! Je bent een nare kerel! Hoor je?”
„En Sava Sandorf”, ging Pescadospunt voort, zonder op de onderbreking van Kaap Matifou te letten, „zou den dood gevonden hebben, wanneer mijn dierbare Kaap niet daar geweest was, om haar in zijn armen op te vangen!”
„Dat is waar,” sprak het jonge meisje met een schalkschen glimlach. „Dat is ontwijfelbaar waar, mijnheer Matifou!”
„Zal je nu eindigen!” sprak Kaap Matifou half gebelgd tot Pescadospunt.
„Waarom? Waarom zou ik eindigen? Ik spreek slechts de waarheid, dat kan niemand ontkennen.”
„Gij gaat te ver, want het denkbeeld, om …”
„Zwijg, Kaaplief!” viel hem Pescadospunt in de rede.
„Waarom zou ik nu moeten zwijgen? Ik wil en zal thans spreken! Hoort ge? Niemand zal mij dat beletten.”
„Drommels, ik ben niet sterk genoeg, om complimenten van dat gehalte in ontvangst te nemen, terwijl gij …”
„Nu terwijl ik?” vroeg Kaap Matifou, terwijl hij zijne mouwen opstroopte en zijne Hercules-armen met welgevallen beschouwde. „Nu, ga voort, terwijl ik?…”
„Kom, laten wij onzen tuin gaan bebouwen en verzorgen”, zei Pescadospunt lachende. „Daar zullen die cyclopen-armen te pas komen. Wij hebben onze plantage te lang verwaarloosd.”
De kustbatterijen waren in goeden staat gebracht. (Bladz. 202.)De kustbatterijen waren in goeden staat gebracht. (Bladz.202.)
De kustbatterijen waren in goeden staat gebracht. (Bladz.202.)
„Cyclopen-armen!…” pruttelde Kaap Matifou, terwijl hij zijn vriend volgde. „Gij zoudt willen, dat gij uwe magere asperges tegen[199][200]die cyclopen-armen kondet verruilen. Wacht maar … die cyclopen-armen zullen je die plagerijen wel betaald zetten!…”
Pescadospunt schaterde het uit, maar antwoordde niet en trok zijn vriend met zich voort.
Kaap Matifou zweeg verder; maar eindigde met zich alle gelukwenschen te laten aanleunen, alleen „om zijn kleinen Pescadospunt niet te ontstemmen.” Dat duidde op een goedig karakter. Maar ieder was dat van den zachtaardigen reus gewoon.
Er werd besloten, dat het huwelijk van Piet Bathory met Sava Sandorf al zeer spoedig, namelijk op den 9denNovember zoude voltrokken worden. Wanneer onze jonge vriend de echtgenoot van Sava geworden zou zijn, zou hij dadelijk beginnen, om de rechten zijner vrouw op de erfenis van graaf Mathias Sandorf te doen erkennen. De brief van mevrouw Toronthal liet omtrent de geboorte en de afkomst van het jonge meisje geen twijfel bestaan. Wanneer het daarenboven noodig zoude zijn, dan zou men wel eene gelijkluidende verklaring van den bankier verwerven. Het behoeft niet verzekerd te worden, dat de noodige formaliteiten daarbij betracht werden, vooral omdat Sava Sandorf nog niet meerderjarig was en derhalve den leeftijd nog niet bereikt had, om hare rechten te doen eerbiedigen. Inderdaad, zij zou haar achttiende jaar eerst over zes weken bereiken.
Er moet bovendien bij verteld worden, dat in dat verloopen tijdvak van vijftien jaren, een wijziging in de staatkunde plaats had gegrepen, geheel ten voordeele van de Hongaarsche kwestie, en waaruit een betere toestand geboren was, vooral ten opzichte van de herinnering, die de zoo plotseling bedwongen onderneming van graaf Mathias Sandorf bij eenige staatslieden achtergelaten had. Mildere gevoelens zaten bij hen voor en zouden hunnen invloed niet missen.
Wat den Spanjaard Carpena en den bankier Silas Toronthal betreft, omtrent hun lot zou later afdoend beslist worden, evenwel niet vóórdat Sarcany op zijne beurt een plaatsje in de kasematten van Antekirrta zoude erlangd hebben. Eerst dan zou de taak van gerechtigheid, die dokterAntekirrtondernomen had, volvoerd mogen heeten. Ja, eerst dan zou de deugd beloond en de misdaad gestraft mogen heeten.
Maar terzelfdertijd, dat de dokter de middelen beraamde, om zijn doel te bereiken, gebood de noodzakelijkheid ernstig om maatregelen van voorzorg voor de veiligheid der kolonie te treffen. Zijne agenten in de Cyrenaïsche streken en in het Tripolitaansche Regentschap meldden hem toch, dat de Senousistische beweging in belangrijkheid buitengewoon toenam, vooral in het villayetschap van Ben Ghazi, dat zich het meest in de nabijheid van het eiland Antekirrta[201]bevond. Speciale loopers stelden zich onafgebroken in betrekking tot Jerhboub, dat nieuwe brandpunt van de Islamitische beweging, zooals de heer Duveyrier dat tweede metropolitaansche Mekka noemde, waar toen Sidi Mohammed El Mahedi tegenwoordige Grootmeester der Broederschap met zijne hem ondergeschikte hoofden van de geheele provincie resideerde. Daar nu die Senousisten de waardige nakomelingen zijn van de oude Barbarijsche zeeschuimers, dragen zij derhalve een ingekankerden en doodelijken haat toe aan een ieder, die tot het Europeesche ras behoort. Dokter Antekirrt begreep dan ook, dat hij zeer op zijne hoede moest zijn en dat voor het eiland Antekirrta inderdaad zeer gevaarvolle dagen aanbreken konden.
En werkelijk, moeten niet aan de Senousisten toegeschreven worden de veelvuldige moorden, die sedert twintig jaren op de Afrikaansche sterftelijst hebben moeten ingeschreven worden? Als wij Beurman in 1863 te Kanem hebben zien omkomen, Van der Decken met zijne makkers in 1865 op de rivier Djouba, mejuffrouw Alexina Tinne en hare volgelingen in 1865 in de Ouadj Abedjouch, Dournaux Duperré en Joubert in 1874 bij den waterput van In Azhar, de paters Paulmier, Bouchard en Menored in 1876 in de omstreken van In Calah, de paters Richard Morat en Pouplard van den zendingspost Ghadames in het noorden van de Azdjer-streek, den kolonel Flatters, de kapiteins Masson en De Dianous, den dokter Guiard, de ingenieurs Beringer en Roche in 1881 op den openbaren weg naar Warglâ, dan moeten alle die moorden toegeschreven worden aan die bloeddorstige geaffilieerden, die er toe gedwongen worden de Senousistische leer ten opzichte van stoutmoedige landonderzoekers ten uitvoer te leggen. Onbedwingbare dweepzucht komt daarbij voornamelijk in het spel. Dat is niet te betwisten.
Omtrent dit onderwerp onderhield dokterAntekirrtzich zeer dikwijls met Piet Bathory, met Luigi Ferrato, met de gezagvoerders zijner flottilje, met de hoofden zijner militie en met de voornaamste notabelen van zijn klein eiland.
Zou Antekirrta een aanval van die schrikkelijke zeeschuimers kunnen weerstaan?
Ja, ongetwijfeld, hoewel het geheele versterkingsplan nog niet geheel ontworpen, en sommige vestingwerken nog niet voltooid waren, zeker zou Antekirrta zich kunnen verdedigen, evenwel in het geval dat de aanvallers niet te talrijk zouden zijn.
Van eene andere zijde beschouwd, zouden de Senousisten er eenig belang bij hebben, het eiland te bemachtigen?
Voorzeker, daar het de geheele Sidragolf beheerschte, die door de kusten van de Cyrenaïsche en Tripolitaansche streken omzoomd en gevormd werd. Voor hen vormde dat eiland als het ware een strategische knoop en was dus zeer belangrijk.[202]
De lezer zal wel niet vergeten hebben, dat ten zuidwesten van Antekirrta het eilandje Kenkrof op een afstand van ongeveer twee mijlen gelegen was. Nu had men den tijd niet gehad, om dat eilandje te versterken, en dat dreigde gevaarlijk te worden, in het waarschijnlijk geval, dat eene vloot daarvan hare operatiebasis wilde maken. Dokter Antekirrt had het dan ook, zooals wij weten, bij wijze van voorzorgsmaatregel laten ondermijnen, en thans werd eene schrikkelijke ontplofbare stof, de penkrastiet, in de mijngangen, die te midden van de rotsachtige massa aangelegd waren, geladen. Verdere voorzorgen waren voorloopig niet te nemen.
Er was maar eene electrische vonk noodig, die langs een onderzeeschen metaaldraad, die het eilandje met Antekirrta verbond, afgezonden kon worden, om Kenkrof, met alles wat zich op zijne oppervlakte bevond, in de lucht te doen vliegen en te vernietigen.
Ziehier, wat omtrent de andere verdedigingswerken van het eiland verricht was.
De kustbatterijen waren in goeden staat gebracht en wachtten slechts dat de aangewezen bedieningsmanschappen der militie hunne posten kwamen innemen. Het centraal conisch fortje was gereed om vuur te kunnen geven met zijne stukken, die zeer ver droegen. Talrijke torpedo’s, die in het vaarwater gezonken lagen, verdedigden den toegang der haven. Ook deFerratoen de beideElektriekswaren tot handelen gereed, hetzij om den aanval verdedigenderwijze tegen te gaan, hetzij om bij den uitval op de aanvallende vloot in te loopen. Inderdaad, de verdedigingsmiddelen van het kleine eiland Antekirrta waren niet gering te schatten.
Toch had het eiland eene kwetsbare plaats, namelijk de zuidwestelijke kust. Daar was eene strook, die niet door het vuur der strandbatterijen en door dat van het fortje bestreken werd, en waar dus gemakkelijk troepen konden ontscheept worden. Men had nog geen tijd gehad, om daar het versterkingsplan te voltooien. Dat was wel te betreuren.
Daar bestond het gevaar, en misschien was het reeds te laat, om afdoende verdedigingswerken te ontwerpen en daar te stellen. Maar daaraan was nu in de gegeven omstandigheden niets meer te doen. Maar was het, alles wel beschouwd, onwraakbaar zeker, dat de Senousisten plan hadden, om het eiland Antekirrta aan te tasten?
Dat was toch, bij eenig nadenken, eene zaak van belang, ja eene gevaarlijke onderneming, die daarenboven een belangrijk materiëel vorderde. Luigi Ferrato kon aan dat plan niet gelooven en twijfelde nog. Dat gaf hij eens te kennen bij gelegenheid dat dokter Antekirrt, Piet Bathory en hij de versterkingswerken van het eiland in oogenschouw namen.
„Wat zouden zij hier komen doen?” vroeg hij. „Neen, op Antekirrta hebben zij het oog niet gevestigd.”[203]
„Dat ’s mijne meening niet,” antwoordde dokter Antekirrt. „Het eiland is rijk, het beheerscht de streken, die aan de Syrtische Zee gelegen zijn. Al bestonden ook slechts die redenen, geloof mij, dan zou het eiland toch vroeg of laat aangevallen worden; want de Senousisten hebben er zeer groot belang bij, er zich van te bemachtigen!”
„Meent gij?” vroeg Luigi Ferrato hoofdschuddende en nog steeds ongeloovig.
„Niets is zekerder dan dat,” vulde Piet Bathory aan. „En mij dunkt, dat dit eene gebeurlijkheid is, die ons zeer op onze hoede moet doen zijn!”
„Nu, dat zullen wij!… Maar, intusschen wil het bij mij er nog maar niet in …”
„Wat mij vooral aan een aanstaanden aanval doet gelooven,” hernam dokter Antekirrt, „dat is, dat Sarcany tot de geaffilieerden van de Khouâns behoort, en het is mij bekend, dat hij vroeger steeds voor hen als agent in het buitenland werkzaam is geweest … Hij was het, die wapens, kruit en lood voor hen opkocht.”
„Dat is zoo, maar …”
„Herinnert u nu, mijne vrienden, dat Pescadospunt in het huis van den Moquaddem een onderhoud tusschen Sarcany en Sidi Hassan afgeluisterd heeft. In dat onderhoud werd de naam van het eiland Antekirrta herhaaldelijk uitgesproken … Mij dunkt, dat dit zijne beteekenis moet hebben. Zijt gij ook niet van die meening?”
„Ja, maar …”
„Sarcany weet,” ging de dokter onverstoorbaar voort, „dat het eiland mij toebehoort, dat wil zeggen aan den man, die een schrik voor hem is, aan den man die Zirone op de hellingen van den Etna deed aanvallen …”
„Jawel, maar welke …”
„Dus, omdat hij daarginds op het eiland Sicilië niet geslaagd is, zal hij ongetwijfeld hier trachten te slagen en dat met veel meer kansen in zijn voordeel. Mij dunkt toch, Luigi, dat die redeneering steek houdt.”
„Heeft hij een persoonlijken haat jegens u, heer dokter?” vroeg Luigi Ferrato.
Antekirrt trok onverschillig de schouders op. De haat van zoo’n aterling scheen hem niet te deeren.
„Kent hij u ten minste?” vroeg de jonge zeeman, die zich zoo gauw niet gewonnen gaf, met aandrang.
„Het is mogelijk, dat hij mij te Ragusa gezien heeft,” antwoordde dokter Antekirrt.
„Maar dat is niet voldoende om …”
„In ieder geval,” ging de dokter voort, „kan het hem niet onbekend gebleven zijn, dat ik in die stad in aanraking gekomen ben met de familie Bathory …”[204]
„Dat is te zeggen.…”
„Daarenboven moet hem op het oogenblik, toen Pescadospunt Sava uit het huis van den Moquaddem Sidi Hassan ontvoerde, bekend geworden zijn, dat Piet Bathory nog leefde. Dat alles moet in zijn geest eenig verband gezocht hebben, en hij kan er niet aan twijfelen, dat èn Piet èn Sava eene schuilplaats op het eiland Antekirrta gevonden hebben. Die gedachte alleen is meer dan genoeg, om er hem toe te brengen, het geheele Senousistische hondenpak tegen ons aan te voeren. En van die hebben wij geene genade te verwachten, wanneer zij er in slaagden, ons eiland te overweldigen.”
Die redeneering was volstrekt niet zonder grond. Het was meer dan zeker, dat Sarcany nog niet wist, dat dokter Antekirrt en Graaf Mathias Sandorf slechts één persoon uitmaakten. Hij wist evenwel genoeg, om alles in het werk te stellen, ten einde de erfgename van het domein Artenak weer in handen te krijgen. Niemand zal er zich dus over verwonderen, dat hij den Kalief aangezet had, om een krijgstocht tegen de Antekirrtsche volksplanting uit te rusten! Hij had zelfs aangeboden, den aanval te besturen en te geleiden. Een lafaard was Sarcany niet.
Men bereikte evenwel eindelijk den 3enDecember, zonder dat iets geschied was, hetgeen op een aanstaanden aanval kon duiden. Het was tot dien datum in den omtrek van het eiland Antekirrta volkomen rustig gebleven.
Er mag niet uit het oog verloren worden, dat de vreugde over het weerzien en het geluk, om zich eindelijk allen te zamen vereenigd te vinden, allen, behalve den dokter, als in eene betoovering besloot, die voor de gedachten aan eene ernstige toekomst weinig, zeer weinig overliet. Het aanstaande huwelijk van Piet Bathory met Sava Sandorf vervulde aller harten en aller hoofden. Iedereen trachtte zich zelven de overtuiging op te dringen, dat de ongeluksdagen voorbij waren en dat zij niet meer wederkeeren zouden. Hoe zou men zich intusschen daarin vergissen!
Het moet ten volle erkend worden, dat Pescadospunt en Kaap Matifou de algemeene gerustheid volmaakt deelden. Zij gevoelden zich zoo overgelukkig over het geluk der anderen, dat zij als het ware in een voortdurenden staat van verrukking verkeerden. Zij betrachtten dat geluk, hetwelk zij toch teweeg gebracht hadden, voortaan als onverstoorbaar.
„Het is om, bij mijn ziel, niet aan te gelooven,” herhaalde Pescadospunt voortdurend.
Waarop Kaap Matifou, steeds onbevattelijk, onveranderlijk antwoordde met de vraag:
„Waaraan valt niet te gelooven? Op het vraagstuk omtrent geloof ben ik nog al gemakkelijk.”[205]
Tweehonderd vaartuigen, op zijn minst gerekend, naderden in breede linie het eiland. (Bladz. 208.)Tweehonderd vaartuigen, op zijn minst gerekend,naderden in breede linie het eiland. (Bladz.208.)
Tweehonderd vaartuigen, op zijn minst gerekend,naderden in breede linie het eiland. (Bladz.208.)
[206]
„Wel,” antwoordde Pescadospunt dan lachende, „dat gij een dikke, vette rentenier gaat worden, en dat.…”
„En dat?” vroeg Kaap Matifou dan ongeduldig. „Waarom gaat gij niet voort? Zeg?”
„En, dat ik er aan denk, om je te laten trouwen!”
„Mij?” riep de reus verbouwereerd uit. „Kom, ge houdt mij voor den gek!”
„Ja, gij trouwen! Gij in eigen persoon!”
„Ik, trouwen?… Het is inderdaad, om het uit te gieren van lachen,” hernam Kaap Matifou, die inderdaad zijn buik vasthield.
„Ja,… en met een lief klein vrouwtje!” ging Pescadospunt met een onverstoorbaar ernstig gelaat voort.
„Houdt ge me voor den gek! Zeg het dan bijtijds, dan kan ik de plaat poetsen.”
„Komaan, komaan, een lief klein vrouwtje … Is je dat nu voor den gek houden?”
„Waarom moet ze klein zijn?” vroeg Kaap Matifou plotseling nurksch geworden. „Mij dunkt, dat ik niet zoo heel klein ben.”
„Verduiveld, ja … Je bemerking is juist … Een klein vrouwtje zou niet bij je passen!…”
„Welnu?”
„Ge moet eene mooie vrouw hebben, maar onmetelijk van omvang … Mevrouw Kaap Matifou moet iets kolossaals zijn, niet waar?… Zoo iets als een klokketoren! Wat denkt ge er van?”
„Dat ge andermaal spot!”
„Neen, Kaap van mijn hart, wij zullen je zoo’n vrouw bij de Patagoniers gaan zoeken!”
„Loop naar den duivel! Dan ben je met je plagerijen een eind uit de buurt! Goede reis!”
Maar in afwachting, dat men voor Kaap Matifou eene wederhelft zou vinden, die hem en ook zijner gestalte waardig zoude zijn, hield Pescadospunt zich voornamelijk met het huwelijk van Piet Bathory en Sava Sandorf bezig. Hij beraamde en overwoog, natuurlijk met toestemming van dokter Antekirrt, de openbare feestelijkheden, welke bij die gelegenheid, waarbij kermisspelen toegelaten, waarbij gezangen voorgedragen en danspartijen georganiseerd zouden worden, plaats zouden hebben. Dat daarbij saluutschoten uit alle stukken geschut van het eiland niet zouden vergeten worden, alsook niet een monsterachtig feestmaal in de open lucht, met eene serenade aan de jonggehuwden, waarna een solemneele taptoe met fakkellicht, bekroond door een prachtig vuurwerk, zal wel niet behoeven vermeld te worden. Hij, hij Pescadospunt, zou voor dat alles zorgen. Bij zoo iets was hij in zijn waar element. Het feest zou prachtig, zou schitterend wezen! Men zou er lang, zeer lang over praten! Het zou eeuwig in de[207]herinnering der bewoners blijven! Leve! Leve de jonggehuwden!
De vreugde zou echter van korten duur zijn. Een flikkervlam, niets anders. Een waar stroovuur!
Al die plannen zouden door de gebeurtenissen in hunne geboorte verstikt, althans uitgesteld worden.
In den nacht van den 3denop den 4denDecember,—een uiterst kalme nacht, die evenwel door een dik wolkendak verduisterd werd—weerklonk plotseling een electrische schel op het Stadhuis in het vertrek van dokter Antekirrt. Dat was een afgesproken alarmsignaal.
Het was toen ongeveer tien uur in den avond. De bewoners van het Stadhuis zaten gezellig bij elkander.
De dokter en Piet verlieten op dat sein het salon, waarin zij den avond met mevrouw Bathory en met Sava Sandorf doorgebracht hadden. De dames bleven, door een soort van voorgevoel vervoerd, wel eenigermate ongerust achter.
Toen de heeren in het kabinet gekomen waren, ontwaarden zij dat het signaal kwam van den observatie-post, die op den top van den centraalheuvel van het eiland Antekirrta geplaatst was. Vandaar had men een ruim uitzicht.
Vragen en antwoorden werden natuurlijk onmiddellijk gewisseld. Men zou niet lang in twijfel verkeeren.
De strandwachters en uitkijkers seinden de nadering eener flottilje aan den zuidwestkant van het eiland. Het aantal en de aard van de vaartuigen, waaruit die flottilje bestond, was door de heerschende duisternis nog niet aan te geven. Maar dat zij talrijk waren, werd door alle waarnemers op het nadrukkelijkst bevestigd.
„Wat denkt gij er van?” vroeg Piet Bathory aan dokter Antekirrt, die als in gedachten verzonken stond.
„Wij moeten den Raad bij elkander roepen,” antwoordde deze, na een oogenblik peinzen.
„Juist!” zeide Piet; „maar mij dunkt, dat er haast bij is.”
In minder dan tien minuten waren, behalve de dokter en Piet, ook Luigi Ferrato en de gezagvoerders Narsos enKödriken de hoofden van de militie op het Stadhuis vergaderd.
Onmiddellijk werd hen mededeeling gedaan van de waarschuwingen, die van de kustwachters en uitkijkers ingekomen waren. Een kwartier later waren allen, na een bezoek aan de haven gebracht te hebben, op het uiteinde van de lange pier, waarboven het kustlicht helder brandde, vergaderd.
Van dit punt, dat slechts zeer weinig boven de oppervlakte der zee verheven was, was het onmogelijk de flottilje te ontwaren, die door de kustwachters, op den top van den centraalheuvel geplaatst, ontdekt was. Maar wanneer men den gezichteinder[208]schel verlichtte, zou het ongetwijfeld mogelijk zijn het aantal dier vaartuigen te weten te komen, alsook waar en onder welke omstandigheden zij de kusten meenden te kunnen naderen en bereiken. De meeste stemmen waren voor die verkenning.
De vraag werd evenwel door eenigen geopperd, of het niet onvoorzichtig was zoo de ware ligging van het eiland te kennen te geven? De dokter meende van neen. Als het de lang verwachte vijand was, dan kwam die niet blindelings. Die kende de ligging van het eiland Antekirrta zeer goed, en dan zou niets hem kunnen beletten het te bereiken.
De galvanische stroom werd dus in werking gesteld en weldra, dank zij der kracht van tweeelectrischestralenbundels, die de zee verlichtten, lag een breede sector van den gezichteinder bloot voor het onderzoekende oog van de bewoners van Antekirrta, die den gezichteinder angstvallig en zorgvuldig peilden.
De kustwachters hadden zich helaas! niet vergist. Dat bleek al heel spoedig.
Tweehonderd vaartuigen, op zijn minst gerekend, naderden in breede linie het eiland. Het waren voornamelijk chebekken, polacres, trabacolos, sacolieven, en eene menigte anderen van minder gehalte. Dat was zonder eenigen twijfel de flottilje der Senousisten, die deze zeeschuimers van uit alle havens der Afrikaansche kuststreek van heinde en verre hadden bij elkander gehaald, en die thans herwaarts stevende.
Daar er volkomen windstilte heerschte en geen briesje de zeilen deed zwellen, moesten de opvarenden noodzakelijk roeien. Dat had te minder bezwaar, daar de kustbewoners aan zulk werk gewoon waren, en de afstand tusschen de Cyrenaïsche kust en het eiland betrekkelijk kort was, zoodat de overtocht gevoegelijk zonder wind kon geschieden. De kalmte der zee begunstigde zelfs hunne plannen, daar de verscheping nu niet door eene altijd gevaarlijke brandingbemoeilijktzou worden. Daarenboven, een zeilend vaartuig is nimmer zoo van zijne bewegingen zeker, als een vaartuig dat geroeid wordt.
De flottilje bevond zich in dat oogenblik nog op een afstand van ruim vier of vijf mijlen ten zuidwesten van het eiland. Zij zoude dus niet voor zonsopgang den oever kunnen bereiken. Dat scheen in de plannen der opvarenden te liggen; want het zou zeer onvoorzichtig te noemen zijn, voordat het dag was, hetzij den aanval te ondernemen, hetzij om te pogen om gewelddadig den ingang van de haven binnen te dringen, hetzij om eene ontscheping op het zuidelijk gedeelte der kust van Antekirrta te bewerkstelligen, hetwelk, zooals wij weten, in onvoldoend verdedigbaren toestand verkeerde. Het was dan ook voor een ieder duidelijk, dat de opvarenden geen haast maakten en den dag wilden afwachten.
Stormden de Elektrieks op de flottilje los. (Bladz. 214.)Stormden deElektrieksop de flottilje los. (Bladz.214.)
Stormden deElektrieksop de flottilje los. (Bladz.214.)
Toen de naderende flottilje behoorlijk verkend was, werden de[209][210]electrische lichtbronnen uitgedoofd, waardoor de gezichteinder weer in het duister gehuld werd. Dit geschieddebij wijzevan voorzichtigheidsmaatregel. Men wilde zien, zonder gezien te worden.
Er bleef dus niets anders over, dan het aanbreken van den dag af te wachten.
Inmiddels evenwel betrokken alle manschappen der militie, op bevel van dokter Antekirrt, de hun reeds vroeger aangewezen posten. Het kon toch zijn, dat de flottilje niet vereenigd was, en een afgezonderd gedeelte elders trachtte te landen.
Men moest gereed zijn, om eerste slagen toe te brengen. Daarvan hangt veelal de uitslag van eene krijgsonderneming af. Hij die den eersten slag toebrengt, heeft in den regel veel, zeer veel voor.
Het was thans zoo goed als zeker, dat de aanvallers er niet meer aan konden denken, het eiland te overvallen, daar de bundels lichtstralen, die de waakzaamheid der opgezetenen wel is waar verraden hadden, dezen tevens gelegenheid gegeven hadden, om het aantal der aanvallers en de algemeene richting, welke zij namen, waar te nemen.
Men waakte gedurende de laatste nachtelijke uren met de grootste zorgvuldigheid en nauwgezetheid. Herhaaldelijk verlichtte men nog den gezichteinder, hetgeen voornamelijk ten doel had, om het punt, waar de flottilje zich bevond, meer nauwkeurig waar te nemen, en zoo haren voortgang en de richting, die zij nam, oplettend te volgen. Men bleef in de overtuiging, dat men, alvorens het dag was, voor geene vijandelijkheden te vreezen had.
Dat de aanvallers talrijk waren, daaromtrent kon hoegenaamd geen twijfel bestaan.
Of zij voldoend materiëel met zich voerden, om opgewassen te zijn tegen debatterijenvan Antekirrta, en dezen tot zwijgen te kunnen brengen, was minder zeker en natuurlijk niet uit te maken. Misschien ontbrak het hun wel geheel en al aan vesting- of positie-geschut. Maar al kon zoo iets aangenomen worden, zoo waren toch de Senousisten door hunne overgroote getalsterkte, waardoor de hoofden zich in staat gesteld zagen, het eiland op verschillende punten tegelijk te laten aantasten, zeer gevaarlijk en zeer te vreezen. Daarenboven, dokter Antekirrt was van meening, dat men zijn vijand nimmer te licht moet achten.
Eindelijk brak de dag aan, en de eerste zonnestralen verdreven in weinige oogenblikken de laatste nevelbanken, die bij den horizon op de oppervlakte der zee waren blijven hangen.
Aller blikken wendden zich toen met eene zekere spanning naar de zee ten oosten en ten zuiden van het eiland Antekirrta. Wat men toen ontwaarde, was verre van geruststellend.
De vaartuigen der flottilje ontwikkelden zich toen in eene lange[211]linie, die zich bij hare uiteinden eenigermate omboog, om zoo het eiland te omsluiten. En dat was eene uiterst gevaarlijke beweging, dat moesten de bewoners van Antekirrta erkennen.
Inderdaad, daar waren meer dan tweehonderd vaartuigen in het gezicht, waaronder er waren van een laadvermogen van dertig tot veertig tonnen. Ongetwijfeld konden die te zamen eene macht van vijftienhonderd tot tweeduizend gewapenden aan boord hebben. Met een weinig goeden wil, waren er veel meer te bergen.
Het was ongeveer vijf uren in den morgen, toen de flottilje ter hoogte van het eiland Kenkrof aangekomen was.
Zouden de aanvallers dat eilandje aandoen en daarop post vatten, alvorens het hoofdeiland direct aan te tasten? Als ze dat deden, zou dat een zeer gelukkige omstandigheid zijn; want dan zouden de mijnwerken, door dokter Antekirrt aangelegd, al dadelijk in werking kunnen komen en, zoo niet de oplossing en het einde van het vraagstuk daarstellen, dan toch reeds bij het begin van den aanval den uitslag voor de aanvallende Senousisten hachelijk maken. Hunne gelederen zouden dan zoo gedund kunnen worden, dat verslagenheid niet zoude uitblijven.
Een half uur kroop in de grootste spanning voorbij. Het was, alsof de minuten uren waren.
Een oogenblik kon de meening gelden, dat de vaartuigen, die het eilandje langzamerhand genaderd waren, zouden landen en daar eene ontscheping bewerkstelligen … Men tuurde … men wachtte …
Daar kwam evenwel niets van. Het was, alsof de aanvallers het gevaarlijke dier plek roken.
Geen enkele sloep legde daar aan, en de vijandelijke aanvals-linie boog meer zuidwaarts af, terwijl zij het eilandje rechts liet liggen. De opvarenden maakten daarbij alle haast, en repten hunne roeiriemen zoo krachtig zij maar konden.
De uitgevoerd wordende beweging was duidelijk. Het was nu voor allen begrijpelijk, dat het eiland Antekirrta direct aangevallen, of beter gezegd, door de Senousisten overstroomd zoude worden. Overstroomd is het ware woord, want nu de flottilje naderbij kwam, ontwaarde men, dat zij zeer sterk bemand was.
„Thans blijft ons niets anders over, dan ons te verdedigen!” zei dokter Antekirrt tot de hoofden der militie. „Is dat ook niet uw oordeel? Spreek onbewimpeld!”
„Ja! ja!” riepen allen. „En wij zullen ons verdedigen! Als het moet, tot den laatsten man!”
Een sein werd oogenblikkelijk gegeven. Het geheele personeel, dat buiten verspreid was, spoedde zich in allerijl naar de stad, waar iedereen den post innam, die hem bij voorbaat aangewezen was. Dat was in[212]weinige minuten geschied. De versterkte punten waren nu behoorlijk bezet en de omstreken geheel verlaten. Vrouwen en kinderen hadden zich in de hoofdplaats teruggetrokken.
Op bevel van dokter Antekirrt, nam Piet Bathory het commando op zich over het zuidelijk gedeelte van de vestingwerken. Luigi Ferrato kreeg het bevel over het oostelijk gedeelte. Zoo konden zij behoorlijk hunne manschappen overzien.
De verdedigers van het eiland—bestaande uit hoogstens vijf honderd militieplichtigen—werden zoodanig verdeeld, dat zij overal tegen den vijand konden optreden, waar deze pogen mocht den walgang der stad aan te tasten. Wat den dokter betrof, die bleef het opperbevel voeren, en hield zich gereed daar op te treden, waar hij meenen mocht, dat zijne tegenwoordigheid het meest vereischt werd. Dat was niet de gemakkelijkste betrekking, die hij voor zich behouden had.
Mevrouw Bathory en Sava Sandorf moesten in de middenzaal van het Stadhuis verblijven. Wat de andere vrouwen betrof, die moesten, in het geval de stad bestormd zoude worden, volgens de getroffen beschikkingen met hare kinderen een toevlucht in de bomvrije kazematten zoeken, waar zij niets te vreezen hadden, zelfs wanneer de belegeraars eenige stukken, ter ontscheping geschikt, ter hunner beschikking hadden.
Nu het vraagstuk omtrent het eilandje Kenkrof ongelukkiglijk ten nadeele van het hoofdeiland beslist was, moest de aandacht aan de haven gewijd worden. Wanneer de flottilje daarin gewelddadig zoude pogen binnen te dringen, dan zouden de fortjes op de beide pieren, welker vuurmonden een kruisvuur op den ingang daarstelden, en de kanonnen van deFerrato, met deElektrieks, die als torpedo-dragers dienst deden, alsook de slapende torpedo’s in de geul een overkomelijke hinderpaal daarstellen, die niet gering te achten was. Het zou zelfs een voordeeligen kans opleveren, wanneer de aanval aan dien kant ondernomen mocht worden. De deskundigen hoopten dan ook, dat zulks geschieden mocht. Evenwel,—en dat was voor een ieder maar al te duidelijk,—het opperhoofd der Senousisten scheen maar al te wel de verdedigings-middelen van het eiland Antekirrta te kennen; ook scheen hij niet onbekend gebleven te zijn omtrent de kwetsbaarheid van het zuidelijk gedeelte van het eiland en de gemakkelijkheid eener landing aldaar. Eene poging, om een onvoorbereiden aanval op de haven te bewerkstelligen, zou blootstellen aan een onmiddellijke en volkomen vernietiging. Daarentegen leende zich eene ontscheping in het zuidelijk gedeelte van het eiland veel beter tot het bereiken van het beoogde doel. Tot dat plan werd dan ook besloten. Na dus zorgvuldig vermeden te hebben, om in de toegangswateren van de haven te geraken, zooals ook[213]vermeden was geworden, vasten voet op het eilandje Kenkrof te nemen, wendde de vijand, met de meeste inspanning voortroeiende, zijne talrijke flottilje naar de zwakke punten, die de zuidelijke kust van het eiland Antekirrta aanbood. Had men hem nu nog maar met de strandbatterijen kunnen teisteren!… Maar neen, de flottilje bleef op een eerbiedigen afstand buiten het werkzame vuur der kanonnen en der mortieren.
In weerwil, dat de afstand geschat werd te groot te zijn, werden toch eenige schoten van de forten gelost. Onder den grootsten elevatiehoek bereikten de kanonkogels bij den eersten boogaanslag niet eens het derde gedeelte van den afstand, terwijl de projectielen, na hare verdere aanslagen volbracht te hebben, de meest naastbijzijnde vaartuigen niet eens bereikten, maar in de diepte verdwenen.
Met de bommen en granaten was het niet beter gesteld. Hoewel de blokken dermortierenaan het achtereinde omhoog getild waren, om zoo minder valhoogte, maar meer afstand te verkrijgen, werd ter nauwernood de helft van den af te leggen afstand bereikt, waar evenwel de projectielen in zee ploften, zonder aanslagen op de wateroppervlakte te maken.
Het leverde evenwel een prachtig tafereel op, die volkogels op de oppervlakte der zee te zien aanslaan, hen onder het opwerpen van eene hooge waterzuil, die zich als een onmetelijke Geyzer sneeuwwit in het zonlicht voordeed, te zien opspringen, een boog vormen, andermaal aanslaan, opspringen en een waterstraal opwerpen, en zoo voortgaande, terwijl de bogen en de waterzuilen allengskens kleiner en kleiner werden, totdat het projectiel over de watervlakte een eind weegs scheen te rollen, en daarbij eene diepe vore te ploegen, die evenwel langzamerhand vervloot, totdat de aanleidende oorzaak in de diepte verdween.
Het was ook een trotsch gezicht, een bom of granaat van eene betrekkelijk aanmerkelijke valhoogte plomp verloren in zee te zien storten, waarbij het water met geweld omhoog spatte, en de oppervlakte door tallooze kringen bewogen werd, die zich tot aan den horizon uitstrekten. Het geluid van zulk een plomp werd in een ruimen kring vernomen. Soms sprong zoo’n hol projectiel juist bij de aanraking van de wateroppervlakte. Dan waren het wilde waterstralen, die in alle richtingen voortgeschoten werden, dan waren het schuimmassa’s en fijne, waterstofdeeltjes, die met woest geweld opgeslingerd werden, niet op eene eenige plaats, maar rondom het centraalpunt op ontelbare plekken, alwaar de scherven van de uiteengesprongen ijzermassa het water onder de meest verschillende hoeken scheerden.
Maar de bewoners van het eiland hadden voor die tafereelen in die oogenblikken weinig aandacht. Zij staakten weldra hun nutteloos vuur[214]en volgden met angstige oogen de richting der vijandelijke flottilje, die al meer naar de zuidelijke kust van het eiland afhield.
Zoodra deze beweging onmiskenbaar gebleken was, meende dokter Antekirrt de maatregelen te moeten nemen, die door de omstandigheden geboden werden. Men mocht den vijand daar niet ongehinderd laten landen.
De gezagvoerdersKödriken Narsos bestegen met eenige kloekmoedige zeelieden ieder een der torpedobooten en verlieten in allerijl de haven door een der toegangen, die geen gevaar van wege de slapende watermijnen opleverden.
Een kwartier later stormden de beideElektrieksals het ware op de flottilje los; zij verbraken er de linie van, deden met hunne torpedo’s vijf of zes vaartuigen in de lucht vliegen en ramden een dozijn anderen zoodanig, dat zij in zinkenden toestand verkeerden.
Dat was een schoon succes! Had dat maar vervolgd kunnen worden, dan ware de aanval bij zijn begin gestuit geworden!
Evenwel was de overmacht der aanvallende Senousisten zoo groot, dat de beide gezagvoerders er op bedacht moesten zijn en ook inderdaad bedreigd werden, om geënterd te worden. Zij waren derhalve genoodzaakt om hunne schuilplaats achter de havendammen met den meesten spoed op te zoeken. Een derElektriekshad door den schok ernstige schade aan den boeg bekomen, zoodat hij in allerijl op het strand gezet moest worden, om hem voor zinken te behoeden.
Intusschen was deFerratoniet werkeloos gebleven, maar had stelling genomen en begon de flottilje met haar geschut te beschieten. Maar hoewel de kustbatterijen haar vuur aan dat van het kloeke vaartuig paarden, was men toch onmachtig, om te beletten, dat de groote massa der zeeschuimers hunne ontscheping volbrachten. Hoewel een groot getal der aanvallers gesneuveld was, en hoewel een twintigtal vaartuigen reeds in den grond geschoten of in de lucht gesprongen waren, gelukte het toch aan meer dan duizend Senousisten, om voet aan wal te zetten op de rotsen van den zuidelijken oever, waarvan de nadering door de te kalme zee in geenendeele bemoeilijkt werd.
Toen kon men zien, dat de kanonstukken aan de dwepende aanvallers niet ontbraken. De grootste Chebekken voerden eenige veldstukken, die op veldaffuiten, behoorlijk van raderen voorzien, lagen. De aanvallers konden hen ontschepen op dat gedeelte der kust, hetwelk buiten het bereik van het vuur der stadgelegen was,en zelfs buiten dat der kanonnen, waarmede het fortje op den centraalheuvel bewapend was.
Van den post, dien dokter Antekirrt op den naastbijzijnden uitspringenden hoek der versterkingen ingenomen had, had hij een volledig overzicht, en kon hij de operatiën der ontscheping volkomen volgen. Het was hem onmogelijk geweest, zich er tegen te verzetten.[215][216]Dat liet hem de geringe sterkte van zijn personeel niet toe.
Het schot ging af. (Bladz. 219.)Het schot ging af. (Bladz.219.)
Het schot ging af. (Bladz.219.)
Maar daar hij achter zijne muren betrekkelijk veel sterker was, zou de taak der belegeraars, hoe talrijk zij ook waren, uiterst moeielijk worden. Dat zouden zij al dadelijk ondervinden.
Dezen hadden zich, terwijl zij hunne lichte artillerie voortsleepten, in twee kolonnes verdeeld. Zij marcheerden voorwaarts, zonder eenige dekking te zoeken, en met die zorgelooze koelbloedige dapperheid, den Arabier zoo eigen, met die stoutmoedigheid der dweepziekte, die bij hen door de hoop op buit en den haat tegen de Christenen en Europeanen, eene ware doodsverachting doet geboren worden.
Toen zij goed en wel onder schot gekomen waren, braakten debatterijenmet hunne kogels, granaten en kartetsen, dood en verderf uit. Dat weerhield hen niet. Integendeel, zij beijverden zich al meer en meer op te dringen, al meer en meer veld te winnen.
Hunne veldstukken namen stelling en begonnen bres te schieten in een muurvak, dat den hoek uitmaakte van de onvoltooide courtine van het zuider-vestingfront. Die muur kon niet veel weerstand bieden en was dan ook spoedig in puin gelegd.
Het opperhoofd der aanvallers stond steeds kalm en moedig te midden van hen, die onder het moorddadig geschut der belegerden aan zijne zijde vielen, en bestuurde met beleid den aanval.Sarcany bevond zich bij hem en hitste hem voortdurend op, om storm te doen loopen, door eenige honderd strijders op de gevormde bres te werpen.
Dokter Antekirrt en ook Piet Bathory herkenden hem zeer goed. Meermalen gaven zij een schot op hem af, zonder hem evenwel te raken. De afstand daartoe was te groot.
Hij van zijn kant had hen ook herkend en hield hen goed in het oog, maar beantwoordde hun vuur met een uittartend gebaar.
De groote massa der belegeraars begon zich middelerwijl in de richting van den muur in beweging te stellen, die ingestort was en thans doorgang kon verleenen. Wanneer zij er in slaagden, die bres te bekronen, te overschrijden, en wanneer zij zich in de stad konden verspreiden, dan waren de belegerden te zwak om krachtigen wederstand te kunnen bieden. Dan waren dezen genoodzaakt, om de plaats te ontruimen. En met de bloeddorstige geaardheid van die zeeschuimers, zou de overwinning dadelijk door een algemeenen moord gevolgd worden. Wee dan, de arme vrouwen en kinderen!
Er moest dus op leven en dood gevochten worden! Hier zou dus het pleit beslecht worden!
De strijd, die hier man tegen man gevoerd werd, was dan ook schrikkelijk te noemen. Gelukkig, dat om de bres te kunnen beklimmen, de aanvallers zich slechts over een smal punt konden uitbreiden.[217]
Onder de bevelen van den dokter, die kalm en bedaard in het grootste gevaar, en als onkwetsbaar te midden van den kogelregen pal stond, verrichtte Piet Bathory en zijne makkers wonderen van dapperheid. Pescadospunt en Kaap Matifou sprongen hen bij met eene stoutmoedigheid, die zijne weerga niet had, en alleen geëvenaard werd door hunne behendigheid, om de gevaarlijke slagen te ontwijken.
De stevige Hercules had in de eene hand een mes en in de andere eene bijl, waarmede hij op verwonderlijke wijze ruimbaan rondom zich maakte. Ware er tijd toe geweest, dan zou zich een kring toeschouwers rondom hem gevormd hebben, en die zouden zeker in de handen geklapt hebben.
„En hier!”
„En daar!” riep de reus, terwijl hij met de eene hand zijn wapen in eene borst stiet, en met de andere een schedel kloofde. Hij miste nooit! De heuvel gesneuvelden hoopte zich rondom hem op.
„Flink zoo, dierbare Kaap!” riep Pescadospunt, die zich ook repte. „Stoot toe! Sla toe!”
„Wat willen ze?” schreeuwde Kaap Matifou woedend. „Laat ze maar opkomen!”
„Sla ze dood!” antwoordde zijn makker, wiens revolver, voortdurend herladen en afgeschoten, het geknetter van een vuurwerk liet hooren.
Maar de vijand week niet. Hij hield met een bewonderenswaardigen moed stand.
Na herhaaldelijk uit de bres verdreven te zijn, hervatten nieuwe drommen telkens en telkens de bestorming en waren eindelijk op het punt, om haar te beklimmen en de stad in te snellen, toen er eindelijk van achteren eene afleiding uitgevoerd werd.
Wat was er gebeurd? Vanwaar kwam die onverwachte hulp? O, wij zullen het dadelijk vernemen.
DeFerratohad op minder dan drie kabellengten afstand van den oever postgevat, alwaar hij, met zijne schepraderen voor en achterwaarts slaande, onder stoom bleef. Van dat punt begon hij met zijne kanonnaden, die allen langs stuurboord gehaald waren, met zijn lang jaagstuk, met zijne Hotchkiss-revolverkanons, met zijne Gattling mitrailleuses te vuren, en maaide de aanvallers als het koren onder de zeis weg. Het vaartuig viel hen in den rug aan, het beschoot ze op het strand, terwijl het terzelfder tijd de vaartuigen vernielde, die aan den voet der rotsen vastgemaakt lagen.
Dat was een schrikkelijke en onverwachte slag voor de Senousisten. Niet alleen werden zij in den rug beschoten, maar ieder middel ter ontvluchting werd hen ontnomen, wanneer, wel te verstaan, hunne vaartuigen door de projectielen van deFerratoverbrijzeld werden. En dat lag bij den gang van het gevecht voor de hand.[218]
Voor Oostersche volkeren bestaat er—hoe moedig ze ook zijn—niets verschrikkelijkers, dan wanneer hunne terugtochtslijn bedreigd wordt.
De aanvallers hielden toen halt voor de bres, die door de militieplichtigen hardnekkig verdedigd werd. Reeds meer dan vijfhonderd Senousisten hadden den dood op het strand gevonden, terwijl het getal der belegerden niet merkbaar geslonken was. Er ontstond aarzeling en weifeling. Een achterwaartsche beweging werd weldra merkbaar.
De aanvoerder van de Senousistische benden begreep, dat hij zoo spoedig mogelijk zee moest kiezen, wanneer hij ten minste zijne makkers niet aan een onvermijdelijken ondergang wilde blootstellen. Te vergeefs wilde Sarcany de dwepers aansporen, zich andermaal op de bres te werpen. Het mocht niet baten. De poging mislukte, toen zij zonder geestdrift volvoerd werd. De aanvallers werden met bebloede koppen teruggeslagen.
Eindelijk werd bevel gegeven, om naar het strand terug te trekken, en—het moet erkend worden—de Senousisten volvoerden hunne terugtochts-beweging even gehoorzaam als zij zich tot den laatsten man zouden hebben laten neerhouwen, wanneer zij het bevel hadden gekregen, om te sterven.
Maar het was noodzakelijk die zeeschuimers eene les toe te dienen, die hun onuitwischbaar in het geheugen zoude blijven. De lust om terug te keeren, moest hen voor goed ontnomen worden.
„Vooruit!… vrienden!… Voorwaarts!” riep dokter Antekirrt „Er op in!… En geen genade of medelijden!”
En onder aanvoering van Piet Bathory en van Luigi Ferrato stormden een honderdtal militieplichtigen naar buiten, ter vervolging der vluchtelingen, die het strand met den meesten spoed trachtten te bereiken. Maar dezen bevonden zich daar tusschen twee vuren, dat van deFerratoen dat van de stad, zoodat van standhouden geen sprake kon zijn. Toen begon er wanorde in hunne gelederen te heerschen, en weldra zag men hen in woeste vaart naar de zeven of acht inschepings-vaartuigen stormen, die door de losbrandingen van deFerratomin of meer onbeschadigd gelaten waren. Toen ontspon zich een vreeselijke strijd, waarbij mededoogen onbekend was.
Piet Bathory en Luigi Ferrato trachtten, bij het handgemeen worden, vooral één man te kunnen vatten. Behoeft het nog gezegd te worden: die man was Sarcany. Maar zij wilden hem levend in handen krijgen, hoewel hij hen niet ontzag, en het waarlijk een wonder te noemen was, dat zij telkens aan zijne revolverschoten ontkwamen.
En toch, in weerwil van hunne inspanning, scheen het noodlot zich tot taak te stellen, dien man nogmaals aan hunne gerechtigheid te onttrekken. Waarlijk, het had er veel van, of de hel tusschenbeiden trad.[219]
Sarcany en het opperhoofd der Senousisten, omgeven door een tiental hunner meest dappere en meest te vertrouwen strijdmakkers, waren er in geslaagd, om een kleine polacre te bereiken, waarvan de meertouwen reeds losgegooid waren, en die reeds manoeuvreerde om zee te kiezen. DeFerratowas van dat punt te ver verwijderd, om haar sein te kunnen geven, ten einde dat vaartuig, hetwelk zou ontsnappen, te vervolgen en in den grond te boren.
In dat oogenblik ontwaarde Kaap Matifou een veldstuk, dat in de hitte van den strijd van zijn affuit afgerold was, en op het zand in de nabijheid der zee lag.
Naar dat stuk, hetwelk nog geladen was, heenvliegen, het met bovenmenschelijke kracht op een der rondomliggende rotsen optillen, zich schrap zetten, om het met de tappen in den noodigen stand en de vereischte richting te houden, dat alles was voor den reus het werk van een oogenblik. Daarop riep hij met hijgende, maar toch krachtvolle stem:
„Hierheen, Pescadospunt, hierheen!… Gauw! Gauw toch!… Hierheen! Er is geen minuut te verliezen!”
Pescadospunt hoorde dien kreet van Kaap Matifou. Hij ijlde toe en begreep met een oogopslag, wat er gaande was. Hij verbeterde de richting van het kanonstuk, gelegen op zijn levend affuit, en mikte nauwkeurig op de polacre. Daarop bracht hij de brandende lont bij het zundgat.
Het schot ging af. De kogel trof den romp van het vaartuig en verbrijzelde dien … maar de reus trilde zelfs niet onder den terugstoot van het stuk geschut.
Het Senousisten-hoofd geraakte met zijne makkers te water. Het meerendeel hunner verdronk en kwam in de golven om. Zij, die zich uit het water redden, werden aan wal onbarmhartig doodgeslagen.
Wat Sarcany betrof, deze spartelde in de branding. Toen Luigi Ferrato dat zag, sprong hij onmiddellijk in zee. En een oogenblik later was de fielt overgeleverd in de handen van Kaap Matifou, die hem als in eene schroef omklemden en hem door middel van een sterk touw armen en beenen stevig knevelde.
De zegepraal was zoo volkomen mogelijk. Op een zoodanige had men niet durven hopen.
Van de twee duizend aanvallers, die op het eiland ontscheept waren, ontsnapten ter nauwernood eenige honderden aan de algemeene ramp. Zij konden de tijding van hun bloedig wedervaren op de Cyrenaïsche kust gaan mededeelen.
In langen tijd, zoo hoopte men althans, zou het eiland Antekirrta geen overlast meer ondervinden van die zeeschuimers. De indruk van de ontvangen les zoude onuitwischbaar zijn.[220]