Chapter 23

Om den hoek van Wiereland, waar dorp Duinkijk begon, poortte, recht voor landgoed van jonkheer van Ouwenaar, ’n beukenlaan, prachtig in bloei. Rondom stonden de lommerende moestuinen, groenende boomgaarden, innig-zonnige, klooster-stille hofjes en wilde boschplekken, woest opgroeiend hakhout vóór en tusschen weibrokken, in heidergroene, wondre glorie te gouddampen in ’t licht.In den Mei-ochtend straalde wonderteer, goudglanzing door de beukenlaan, schaduwkoel en omboogd in gothischen takgroei. En diep, diep, aan laan-end, naar het voortuinbrok van den jonkheer, schitterde op lichtrookenden achtergrond van goudgroen, zondoordoopte bladerenpracht, vonkerend in zonnegoud.Diep-poortig neigde ’t siergroen van beukenlaan in takkenpracht, naar elkaar toe, en daaronder bloeiden jonge meidoornhagen, als lichtgroene betrofeede wanden van glans, doorrookt van sappige bloesemgeuren, waarachter weer ooft- en moestuinen aroomden, met hun zwaàr beladen vruchtboomen. Als àfglanzend fijn goudwaas, lichtten de hagen zàchter glans terug, op ’t donkere beschaduwde boomgroen van beukenlaan, er boven dichtgegroeid in geheim-stille pracht. En hoog, van af Duinkijk-weg, tot diep in de laan naàr ’t landgoed, stond tusschen elken boom, in goud-groene vochtsfeer van zoelende zoete Mei gedoopt, ’n rooie beuk, geweldig hoog opschietend, met brons-goud van blaren, hooger, al hooger, vergloeiend in bloedrooden tooi, met suizelende toppen, doorvlamd van zon; diep prachtvuur van wijnrooden gloed, wuivend ’t zalige wije,[285]trillende luchtblauw in. Zoo, hoog geheven, boven gothische laan, die donkergroende in koelend lommer, uit de aarde òpgoudde met wazende wanden van zacht licht,—zoo bloedde in karmijnen zang, om tooversfeer van getemperden gouden poortschemer, de rooie beukenbrand in luchtegloed.—En ver, perspektivisch verkleind, ’t vóórbosch van Van Ouwenaar’s landgoed, met z’n hooge, goud-groene grot, oplichtend uit ’t laanlommer, door de zon erin gegraven. Langzaam nu en dan, schommelden in de beukenlaan, uit dwarspaden en wegkrommingen, boerenkarren en wagens áán, langzaam, onder de koele schaduwgroene poort, tot ze op ’t eind inplasten, paardpooten, schommelkar en al, in de dicht rookende zonnegrot; plasten daar, in zuiver dampend goud, met ’n warreling nog van takkenschaduw, splinterend fijne silhouetjes, op karkrat en achterbinten, van vèr, vlietend te zien.Gouïg-licht tentwagentje reed luchtig door laandiepe poort, en plots aan ’t eind, ook dàt plaste weg in lichtgrot, als verdrinkend in zonnedamp, dook weer òp in nauwen wegkronkel, met stille vaste naschittering van z’n hoogen, gouen rug en verpaarste kap.Gloed-teer straalde Meizon, in trillende glorie op ’t witte pleister van tuinmanshuis, van de laan uit te zien als fellichtende reuzige krijtvlek, schitter-ver, blauwig afdampend waasglans, bijzij uithoekend naast de goudgroene grot, zonneplas van vóórbosch. Over grondje van beukenlaan, éven zonnend paars-rood beschemerd, sprankelden en flonkerden grillige zonspatten, door bladerengaatjes neergepijld in gebroken glans, verdampend als fijn paars-blank licht. En tusschen de verdonkerende beukenstammen aan weerszij, zweefde fijn schaduwleven, zacht violet-teer, verkoelde de lichtnevel, waar insekten in zoemden en slierten, sòms met glans-strependen dwarrel, dàn drijvend in stilstaande vleugeltrilling op goud uitpoeierende lucht.Heel de laan, met haar beuken-rood voorspel van hooge karmijnen sier, rood, smachtend roode regen van ruischend licht, naast goud-doorkoortsten groenen bladerentooi, door elkaar[286]heengeslingerd in takkenpracht, goud-poortte daar, in wondre luistering naar Meigroene lied, naar streel-lichte, lokkende vogelen; minne-gevloei van zilveren zangetjes overal uit de lucht, de zoet-geurende, zalige lucht. En rondomme, ’t zoet-zachte gekwinkeleer uit de zilveren gorgeltjes van zanglijsters en leeuw’rik de lokkende zangaanloopjes van parelende minneliedjes, eindloos zoet, wiegend gestreel van fijne vlei-fluitjes.Zoo, in Mei-droom vloeide koele, groene schemer uit en in de beukenpoort, als voorhof van ’t landgoed, met z’n grot van fonteinende, opspritsende zonnevlammen aan ’t eind, heet vloeiend goud, waar alles naar toe dreef, alles in verdronk en verdampte.Langs Wiereland en Duinkijk, overal uit de tuinderijen, op vervlakten duingrond, tusschen bedden groenten en aardbeien in, harpten in wonderteere standen de vruchtboompjes, bebloesemd, rose sneeuwig en purperend blank, zoet bruidswit, doorvlekt van scheutjes rose, maagdelijk teer. Stil harpten hun takken en stil, de knoestig dikke, fijn-groen bemoste stammetjes stonden daar, omjoeld van lichtend groen, in hun broos bloesemleven, in roerloos gepeins, over eigen vruchtbare schoonheid. Overal, rond de vruchtboompjes, uit de tuinen, wasemde òp, kruiig kittelend aroma van versche groenten, sappige gistigheid, zoete seringen, verwaaiende in koelen windwuif, geurgevloei langs akkers en wegjes. En van overal, kastanjebloesem en jasmijnen zongen méé in den zoeten wellustzang van zacht-rookige geuren uit tulpen en hyacinten-akkers.De tulpen stonden er met hun vlam-kelken open, te duizelen, diep in het licht. Eén felle duizel van kleuren, tulpenbrand, die het land te schroeien lei in laaiende kleuren. Langs de akkers, op weg naar Zeekijk, waar de duinen eerst heel aan ’t eind, vaag opgolfden in violet waas, aan twee kanten, schoten telkens vooruit, tulpenvelden en hyacint-akkers. Maar ’t dichtst om Wiereland, ver van hoogduin, tusschen de bewerkte, vlakke tuinderijteelt, rijden ààn, nuancen van paars kleurleven, en witte, zacht golvende hyacinten-zee.[287]Het licht stond er voor te beven, te sidderen, kroop en boorde driftig in de kelken, als hommeltong in honingmerk, bruiste er rond, dronken-zwaar van geuren, smolt er in het bloemaroom. Heele zeebrokken paars, op licht groen bladerloof, golfden áán, zangerige symfonie van licht, naar àl dieper blauwpaars, tot plots in anderen akker, de vloed terugsprong in donkere deining van rood, tusschen schuimenden sneeuwval van witte hyacinten, midden in. En rond die blanke lawine, op doorschijnend loofgroen, dat te flitsen zilverde in zon, bronzen, kaneel-doorpoeierde kleuringen, wulpsch-roze, zoete brand van roodbruin en lila. Stoetjes van uitrookende geur-klokken, legende-doorwaasde feeërie, kleurfestijn in ’t sprokenland.…Rondom, één wijde aanspoeling, aangolving van kleur-klokjes, die sidderden, zwollen in ’t zonnegoud, brand van bloemen, in al gamma’s; kleurwemel die koortsend te zingen, te ijlen lag onder azuren lichtteeren Meihemel.—Maar feller nog, rond half-verdorde hyacinten, festijnden met hun rook-rooden adem, de grootere, fellere kleurenbrand van tulpen, die lichtfeest vierden pas. Als een orgie van vlammen, kroop, sloeg, rilde, leefde, ijlde ’t licht dáár op de aarde.Héél-stille groene hoeken, stil van sappige moestuinteelt, in Meizoeten toon, aan greppels en beekoevertjes, in lentepraal volgestrooid met druipglanzende boterbloempjes, omzoend van onschuld-madeliefjes met d’r gele koontjes, naïeve kijkertjes, halsjes-rekkend uit ’t malsche grasgroen, tusschen de fijn geschulpte akkerhoorn,—heel die stille hoekjes, teer wit, broos wit, sneeuwspatjes rond gouên vonken in ’t klare groen,—lagen plots verdrongen door vlammenbrand van tulpen, helsch-hevig en schroeiblakerend, als levende kleurkreet; vermiljoen, daar aangeblazen tot hellevuur in kelken, vlammen die in wondren brand, zichzelf styleerden in levend spel van vonklijnen, uitlekten en rank weer òpgroeiden tot flonkerende wijnschalen, op blauw-waas van loof, grijs-zacht bedauwd. Heel de bosschage, duin-woest, op hooge glooiingen uitgegroeid boomgroen, wild hakhout, met z’n sier van roze en witte koekoek, z’n blanke lafenis van vloeiend vogelenmelk, z’n slanke waterster,—lag[288]daar, als weggeslagen en verdoft achter de kleurkreten der tulpen. Tulpen van spattend vuur, kelken wijd-open, waar invloeide schuimende zomer-wijn, borrelde bruisend in de roemers, boordevol geschonken, dat de zonnedrank als lichtvocht er droop over de kelkranden.En vlak daarnaast, erover, ertusschen, duizelden kleurgamma’s van hoog goudgeel, en goud-gloeiende honigkelken, die bruisten en vonkten, vlak tegen het rooie tulpenvuur, in rondsidderenden, zengenden gang langs den grond. En verder, weer akkers, vol donkerend tulpenpurper, als in verdoofden zwijmel uitgedroesemd, met enkele schalen slank er boven uit, stengelende, lichtende kelken, er nog tusschen, als schitterende roemers, hoog geheven in het laaiende licht, dat er bruisend in vervonkte en spatte als schuimende zonnewijn. En rond daarom weer, als nooit eindigende zee, aangolving van nog donkerder kelken, rood doordauwde tulpen, wazig geplooid in half uitknoppende bloem, waar al driftig het zonnegoud tegen opspatte, de beschulpte randjes verterend in gloed.—Daarachter weer koraal-rood gevlam, met ertegen opgedrongen, diep gele en witte lawines van lichtende, luiende kleurklokken.… En heel apart, als vreemde, zoetste, tooverende akkersier, in geheim-zachten geur, die er boven bleef drijven als nevel, tulpen van teederst zangerig lila. Kelken, uitgeschulpt in ’t fijnste rose, blankig doorroomd. Kelken, hoog en groot, als omblazen in waas van venetiaansch glas, met rond-dwalende weerschijnen, besluierd teer-blauw, en roze-rood hier, wazig en blank purper daàr, fijn gebogen in stengelsier. Ver van het helsche demonenrood, het gillende vuur, waarin het licht gepijnigd bruiste, dìe akkers met hun teeren kelkenbouw, uitgegroeid als glanzig uitwaaierend spel van venetiaansche roemers, doorwaasd in kleurmist. Koel en toch vonkend, broos, teeder en toch rank-sterk, zonder brio-brand, doorgeurd en zwemmend onder den nevel van hun eigen zoetsten gouden honinggeur, als temperend de ijlende lichtkoorts van de rondomme vlammen-akkers.—En vreemd, in ’t lage land, met z’n vochtdamp en prachtig[289]mistend lichtzilver, gloeide daar overal van tulpen, rooie, gele, paarse brand; kleuraangolving van narcissen en hyacinten, zònder oplossing in ’t lichtende, heldere schitter-innige weigroen, en de goud doordampte stille achtergronden van vervlakt duin, zònder rust in ’t avondnevelige waterland, met z’n goudvocht en trillende vloersen.—Als was daverende stoet Oosterlingen neergestort en verpulverd op de lage landen, als had titanische vulkaan-ruk één heet kleur-doordoopt brok zuideraarde uitgeslingerd en weggespoten, midden in den verbluften Hollandschen Mei, met z’n malsche wei-groening en grazige zoetheid, zoo onopgelost bleven daar gloeien de bollenakkers, helsch opengebarsten brand, uit eerst koesterend groen van prachtig sierloof.

Om den hoek van Wiereland, waar dorp Duinkijk begon, poortte, recht voor landgoed van jonkheer van Ouwenaar, ’n beukenlaan, prachtig in bloei. Rondom stonden de lommerende moestuinen, groenende boomgaarden, innig-zonnige, klooster-stille hofjes en wilde boschplekken, woest opgroeiend hakhout vóór en tusschen weibrokken, in heidergroene, wondre glorie te gouddampen in ’t licht.In den Mei-ochtend straalde wonderteer, goudglanzing door de beukenlaan, schaduwkoel en omboogd in gothischen takgroei. En diep, diep, aan laan-end, naar het voortuinbrok van den jonkheer, schitterde op lichtrookenden achtergrond van goudgroen, zondoordoopte bladerenpracht, vonkerend in zonnegoud.Diep-poortig neigde ’t siergroen van beukenlaan in takkenpracht, naar elkaar toe, en daaronder bloeiden jonge meidoornhagen, als lichtgroene betrofeede wanden van glans, doorrookt van sappige bloesemgeuren, waarachter weer ooft- en moestuinen aroomden, met hun zwaàr beladen vruchtboomen. Als àfglanzend fijn goudwaas, lichtten de hagen zàchter glans terug, op ’t donkere beschaduwde boomgroen van beukenlaan, er boven dichtgegroeid in geheim-stille pracht. En hoog, van af Duinkijk-weg, tot diep in de laan naàr ’t landgoed, stond tusschen elken boom, in goud-groene vochtsfeer van zoelende zoete Mei gedoopt, ’n rooie beuk, geweldig hoog opschietend, met brons-goud van blaren, hooger, al hooger, vergloeiend in bloedrooden tooi, met suizelende toppen, doorvlamd van zon; diep prachtvuur van wijnrooden gloed, wuivend ’t zalige wije,[285]trillende luchtblauw in. Zoo, hoog geheven, boven gothische laan, die donkergroende in koelend lommer, uit de aarde òpgoudde met wazende wanden van zacht licht,—zoo bloedde in karmijnen zang, om tooversfeer van getemperden gouden poortschemer, de rooie beukenbrand in luchtegloed.—En ver, perspektivisch verkleind, ’t vóórbosch van Van Ouwenaar’s landgoed, met z’n hooge, goud-groene grot, oplichtend uit ’t laanlommer, door de zon erin gegraven. Langzaam nu en dan, schommelden in de beukenlaan, uit dwarspaden en wegkrommingen, boerenkarren en wagens áán, langzaam, onder de koele schaduwgroene poort, tot ze op ’t eind inplasten, paardpooten, schommelkar en al, in de dicht rookende zonnegrot; plasten daar, in zuiver dampend goud, met ’n warreling nog van takkenschaduw, splinterend fijne silhouetjes, op karkrat en achterbinten, van vèr, vlietend te zien.Gouïg-licht tentwagentje reed luchtig door laandiepe poort, en plots aan ’t eind, ook dàt plaste weg in lichtgrot, als verdrinkend in zonnedamp, dook weer òp in nauwen wegkronkel, met stille vaste naschittering van z’n hoogen, gouen rug en verpaarste kap.Gloed-teer straalde Meizon, in trillende glorie op ’t witte pleister van tuinmanshuis, van de laan uit te zien als fellichtende reuzige krijtvlek, schitter-ver, blauwig afdampend waasglans, bijzij uithoekend naast de goudgroene grot, zonneplas van vóórbosch. Over grondje van beukenlaan, éven zonnend paars-rood beschemerd, sprankelden en flonkerden grillige zonspatten, door bladerengaatjes neergepijld in gebroken glans, verdampend als fijn paars-blank licht. En tusschen de verdonkerende beukenstammen aan weerszij, zweefde fijn schaduwleven, zacht violet-teer, verkoelde de lichtnevel, waar insekten in zoemden en slierten, sòms met glans-strependen dwarrel, dàn drijvend in stilstaande vleugeltrilling op goud uitpoeierende lucht.Heel de laan, met haar beuken-rood voorspel van hooge karmijnen sier, rood, smachtend roode regen van ruischend licht, naast goud-doorkoortsten groenen bladerentooi, door elkaar[286]heengeslingerd in takkenpracht, goud-poortte daar, in wondre luistering naar Meigroene lied, naar streel-lichte, lokkende vogelen; minne-gevloei van zilveren zangetjes overal uit de lucht, de zoet-geurende, zalige lucht. En rondomme, ’t zoet-zachte gekwinkeleer uit de zilveren gorgeltjes van zanglijsters en leeuw’rik de lokkende zangaanloopjes van parelende minneliedjes, eindloos zoet, wiegend gestreel van fijne vlei-fluitjes.Zoo, in Mei-droom vloeide koele, groene schemer uit en in de beukenpoort, als voorhof van ’t landgoed, met z’n grot van fonteinende, opspritsende zonnevlammen aan ’t eind, heet vloeiend goud, waar alles naar toe dreef, alles in verdronk en verdampte.Langs Wiereland en Duinkijk, overal uit de tuinderijen, op vervlakten duingrond, tusschen bedden groenten en aardbeien in, harpten in wonderteere standen de vruchtboompjes, bebloesemd, rose sneeuwig en purperend blank, zoet bruidswit, doorvlekt van scheutjes rose, maagdelijk teer. Stil harpten hun takken en stil, de knoestig dikke, fijn-groen bemoste stammetjes stonden daar, omjoeld van lichtend groen, in hun broos bloesemleven, in roerloos gepeins, over eigen vruchtbare schoonheid. Overal, rond de vruchtboompjes, uit de tuinen, wasemde òp, kruiig kittelend aroma van versche groenten, sappige gistigheid, zoete seringen, verwaaiende in koelen windwuif, geurgevloei langs akkers en wegjes. En van overal, kastanjebloesem en jasmijnen zongen méé in den zoeten wellustzang van zacht-rookige geuren uit tulpen en hyacinten-akkers.De tulpen stonden er met hun vlam-kelken open, te duizelen, diep in het licht. Eén felle duizel van kleuren, tulpenbrand, die het land te schroeien lei in laaiende kleuren. Langs de akkers, op weg naar Zeekijk, waar de duinen eerst heel aan ’t eind, vaag opgolfden in violet waas, aan twee kanten, schoten telkens vooruit, tulpenvelden en hyacint-akkers. Maar ’t dichtst om Wiereland, ver van hoogduin, tusschen de bewerkte, vlakke tuinderijteelt, rijden ààn, nuancen van paars kleurleven, en witte, zacht golvende hyacinten-zee.[287]Het licht stond er voor te beven, te sidderen, kroop en boorde driftig in de kelken, als hommeltong in honingmerk, bruiste er rond, dronken-zwaar van geuren, smolt er in het bloemaroom. Heele zeebrokken paars, op licht groen bladerloof, golfden áán, zangerige symfonie van licht, naar àl dieper blauwpaars, tot plots in anderen akker, de vloed terugsprong in donkere deining van rood, tusschen schuimenden sneeuwval van witte hyacinten, midden in. En rond die blanke lawine, op doorschijnend loofgroen, dat te flitsen zilverde in zon, bronzen, kaneel-doorpoeierde kleuringen, wulpsch-roze, zoete brand van roodbruin en lila. Stoetjes van uitrookende geur-klokken, legende-doorwaasde feeërie, kleurfestijn in ’t sprokenland.…Rondom, één wijde aanspoeling, aangolving van kleur-klokjes, die sidderden, zwollen in ’t zonnegoud, brand van bloemen, in al gamma’s; kleurwemel die koortsend te zingen, te ijlen lag onder azuren lichtteeren Meihemel.—Maar feller nog, rond half-verdorde hyacinten, festijnden met hun rook-rooden adem, de grootere, fellere kleurenbrand van tulpen, die lichtfeest vierden pas. Als een orgie van vlammen, kroop, sloeg, rilde, leefde, ijlde ’t licht dáár op de aarde.Héél-stille groene hoeken, stil van sappige moestuinteelt, in Meizoeten toon, aan greppels en beekoevertjes, in lentepraal volgestrooid met druipglanzende boterbloempjes, omzoend van onschuld-madeliefjes met d’r gele koontjes, naïeve kijkertjes, halsjes-rekkend uit ’t malsche grasgroen, tusschen de fijn geschulpte akkerhoorn,—heel die stille hoekjes, teer wit, broos wit, sneeuwspatjes rond gouên vonken in ’t klare groen,—lagen plots verdrongen door vlammenbrand van tulpen, helsch-hevig en schroeiblakerend, als levende kleurkreet; vermiljoen, daar aangeblazen tot hellevuur in kelken, vlammen die in wondren brand, zichzelf styleerden in levend spel van vonklijnen, uitlekten en rank weer òpgroeiden tot flonkerende wijnschalen, op blauw-waas van loof, grijs-zacht bedauwd. Heel de bosschage, duin-woest, op hooge glooiingen uitgegroeid boomgroen, wild hakhout, met z’n sier van roze en witte koekoek, z’n blanke lafenis van vloeiend vogelenmelk, z’n slanke waterster,—lag[288]daar, als weggeslagen en verdoft achter de kleurkreten der tulpen. Tulpen van spattend vuur, kelken wijd-open, waar invloeide schuimende zomer-wijn, borrelde bruisend in de roemers, boordevol geschonken, dat de zonnedrank als lichtvocht er droop over de kelkranden.En vlak daarnaast, erover, ertusschen, duizelden kleurgamma’s van hoog goudgeel, en goud-gloeiende honigkelken, die bruisten en vonkten, vlak tegen het rooie tulpenvuur, in rondsidderenden, zengenden gang langs den grond. En verder, weer akkers, vol donkerend tulpenpurper, als in verdoofden zwijmel uitgedroesemd, met enkele schalen slank er boven uit, stengelende, lichtende kelken, er nog tusschen, als schitterende roemers, hoog geheven in het laaiende licht, dat er bruisend in vervonkte en spatte als schuimende zonnewijn. En rond daarom weer, als nooit eindigende zee, aangolving van nog donkerder kelken, rood doordauwde tulpen, wazig geplooid in half uitknoppende bloem, waar al driftig het zonnegoud tegen opspatte, de beschulpte randjes verterend in gloed.—Daarachter weer koraal-rood gevlam, met ertegen opgedrongen, diep gele en witte lawines van lichtende, luiende kleurklokken.… En heel apart, als vreemde, zoetste, tooverende akkersier, in geheim-zachten geur, die er boven bleef drijven als nevel, tulpen van teederst zangerig lila. Kelken, uitgeschulpt in ’t fijnste rose, blankig doorroomd. Kelken, hoog en groot, als omblazen in waas van venetiaansch glas, met rond-dwalende weerschijnen, besluierd teer-blauw, en roze-rood hier, wazig en blank purper daàr, fijn gebogen in stengelsier. Ver van het helsche demonenrood, het gillende vuur, waarin het licht gepijnigd bruiste, dìe akkers met hun teeren kelkenbouw, uitgegroeid als glanzig uitwaaierend spel van venetiaansche roemers, doorwaasd in kleurmist. Koel en toch vonkend, broos, teeder en toch rank-sterk, zonder brio-brand, doorgeurd en zwemmend onder den nevel van hun eigen zoetsten gouden honinggeur, als temperend de ijlende lichtkoorts van de rondomme vlammen-akkers.—En vreemd, in ’t lage land, met z’n vochtdamp en prachtig[289]mistend lichtzilver, gloeide daar overal van tulpen, rooie, gele, paarse brand; kleuraangolving van narcissen en hyacinten, zònder oplossing in ’t lichtende, heldere schitter-innige weigroen, en de goud doordampte stille achtergronden van vervlakt duin, zònder rust in ’t avondnevelige waterland, met z’n goudvocht en trillende vloersen.—Als was daverende stoet Oosterlingen neergestort en verpulverd op de lage landen, als had titanische vulkaan-ruk één heet kleur-doordoopt brok zuideraarde uitgeslingerd en weggespoten, midden in den verbluften Hollandschen Mei, met z’n malsche wei-groening en grazige zoetheid, zoo onopgelost bleven daar gloeien de bollenakkers, helsch opengebarsten brand, uit eerst koesterend groen van prachtig sierloof.

Om den hoek van Wiereland, waar dorp Duinkijk begon, poortte, recht voor landgoed van jonkheer van Ouwenaar, ’n beukenlaan, prachtig in bloei. Rondom stonden de lommerende moestuinen, groenende boomgaarden, innig-zonnige, klooster-stille hofjes en wilde boschplekken, woest opgroeiend hakhout vóór en tusschen weibrokken, in heidergroene, wondre glorie te gouddampen in ’t licht.In den Mei-ochtend straalde wonderteer, goudglanzing door de beukenlaan, schaduwkoel en omboogd in gothischen takgroei. En diep, diep, aan laan-end, naar het voortuinbrok van den jonkheer, schitterde op lichtrookenden achtergrond van goudgroen, zondoordoopte bladerenpracht, vonkerend in zonnegoud.Diep-poortig neigde ’t siergroen van beukenlaan in takkenpracht, naar elkaar toe, en daaronder bloeiden jonge meidoornhagen, als lichtgroene betrofeede wanden van glans, doorrookt van sappige bloesemgeuren, waarachter weer ooft- en moestuinen aroomden, met hun zwaàr beladen vruchtboomen. Als àfglanzend fijn goudwaas, lichtten de hagen zàchter glans terug, op ’t donkere beschaduwde boomgroen van beukenlaan, er boven dichtgegroeid in geheim-stille pracht. En hoog, van af Duinkijk-weg, tot diep in de laan naàr ’t landgoed, stond tusschen elken boom, in goud-groene vochtsfeer van zoelende zoete Mei gedoopt, ’n rooie beuk, geweldig hoog opschietend, met brons-goud van blaren, hooger, al hooger, vergloeiend in bloedrooden tooi, met suizelende toppen, doorvlamd van zon; diep prachtvuur van wijnrooden gloed, wuivend ’t zalige wije,[285]trillende luchtblauw in. Zoo, hoog geheven, boven gothische laan, die donkergroende in koelend lommer, uit de aarde òpgoudde met wazende wanden van zacht licht,—zoo bloedde in karmijnen zang, om tooversfeer van getemperden gouden poortschemer, de rooie beukenbrand in luchtegloed.—En ver, perspektivisch verkleind, ’t vóórbosch van Van Ouwenaar’s landgoed, met z’n hooge, goud-groene grot, oplichtend uit ’t laanlommer, door de zon erin gegraven. Langzaam nu en dan, schommelden in de beukenlaan, uit dwarspaden en wegkrommingen, boerenkarren en wagens áán, langzaam, onder de koele schaduwgroene poort, tot ze op ’t eind inplasten, paardpooten, schommelkar en al, in de dicht rookende zonnegrot; plasten daar, in zuiver dampend goud, met ’n warreling nog van takkenschaduw, splinterend fijne silhouetjes, op karkrat en achterbinten, van vèr, vlietend te zien.Gouïg-licht tentwagentje reed luchtig door laandiepe poort, en plots aan ’t eind, ook dàt plaste weg in lichtgrot, als verdrinkend in zonnedamp, dook weer òp in nauwen wegkronkel, met stille vaste naschittering van z’n hoogen, gouen rug en verpaarste kap.Gloed-teer straalde Meizon, in trillende glorie op ’t witte pleister van tuinmanshuis, van de laan uit te zien als fellichtende reuzige krijtvlek, schitter-ver, blauwig afdampend waasglans, bijzij uithoekend naast de goudgroene grot, zonneplas van vóórbosch. Over grondje van beukenlaan, éven zonnend paars-rood beschemerd, sprankelden en flonkerden grillige zonspatten, door bladerengaatjes neergepijld in gebroken glans, verdampend als fijn paars-blank licht. En tusschen de verdonkerende beukenstammen aan weerszij, zweefde fijn schaduwleven, zacht violet-teer, verkoelde de lichtnevel, waar insekten in zoemden en slierten, sòms met glans-strependen dwarrel, dàn drijvend in stilstaande vleugeltrilling op goud uitpoeierende lucht.Heel de laan, met haar beuken-rood voorspel van hooge karmijnen sier, rood, smachtend roode regen van ruischend licht, naast goud-doorkoortsten groenen bladerentooi, door elkaar[286]heengeslingerd in takkenpracht, goud-poortte daar, in wondre luistering naar Meigroene lied, naar streel-lichte, lokkende vogelen; minne-gevloei van zilveren zangetjes overal uit de lucht, de zoet-geurende, zalige lucht. En rondomme, ’t zoet-zachte gekwinkeleer uit de zilveren gorgeltjes van zanglijsters en leeuw’rik de lokkende zangaanloopjes van parelende minneliedjes, eindloos zoet, wiegend gestreel van fijne vlei-fluitjes.Zoo, in Mei-droom vloeide koele, groene schemer uit en in de beukenpoort, als voorhof van ’t landgoed, met z’n grot van fonteinende, opspritsende zonnevlammen aan ’t eind, heet vloeiend goud, waar alles naar toe dreef, alles in verdronk en verdampte.Langs Wiereland en Duinkijk, overal uit de tuinderijen, op vervlakten duingrond, tusschen bedden groenten en aardbeien in, harpten in wonderteere standen de vruchtboompjes, bebloesemd, rose sneeuwig en purperend blank, zoet bruidswit, doorvlekt van scheutjes rose, maagdelijk teer. Stil harpten hun takken en stil, de knoestig dikke, fijn-groen bemoste stammetjes stonden daar, omjoeld van lichtend groen, in hun broos bloesemleven, in roerloos gepeins, over eigen vruchtbare schoonheid. Overal, rond de vruchtboompjes, uit de tuinen, wasemde òp, kruiig kittelend aroma van versche groenten, sappige gistigheid, zoete seringen, verwaaiende in koelen windwuif, geurgevloei langs akkers en wegjes. En van overal, kastanjebloesem en jasmijnen zongen méé in den zoeten wellustzang van zacht-rookige geuren uit tulpen en hyacinten-akkers.De tulpen stonden er met hun vlam-kelken open, te duizelen, diep in het licht. Eén felle duizel van kleuren, tulpenbrand, die het land te schroeien lei in laaiende kleuren. Langs de akkers, op weg naar Zeekijk, waar de duinen eerst heel aan ’t eind, vaag opgolfden in violet waas, aan twee kanten, schoten telkens vooruit, tulpenvelden en hyacint-akkers. Maar ’t dichtst om Wiereland, ver van hoogduin, tusschen de bewerkte, vlakke tuinderijteelt, rijden ààn, nuancen van paars kleurleven, en witte, zacht golvende hyacinten-zee.[287]Het licht stond er voor te beven, te sidderen, kroop en boorde driftig in de kelken, als hommeltong in honingmerk, bruiste er rond, dronken-zwaar van geuren, smolt er in het bloemaroom. Heele zeebrokken paars, op licht groen bladerloof, golfden áán, zangerige symfonie van licht, naar àl dieper blauwpaars, tot plots in anderen akker, de vloed terugsprong in donkere deining van rood, tusschen schuimenden sneeuwval van witte hyacinten, midden in. En rond die blanke lawine, op doorschijnend loofgroen, dat te flitsen zilverde in zon, bronzen, kaneel-doorpoeierde kleuringen, wulpsch-roze, zoete brand van roodbruin en lila. Stoetjes van uitrookende geur-klokken, legende-doorwaasde feeërie, kleurfestijn in ’t sprokenland.…Rondom, één wijde aanspoeling, aangolving van kleur-klokjes, die sidderden, zwollen in ’t zonnegoud, brand van bloemen, in al gamma’s; kleurwemel die koortsend te zingen, te ijlen lag onder azuren lichtteeren Meihemel.—Maar feller nog, rond half-verdorde hyacinten, festijnden met hun rook-rooden adem, de grootere, fellere kleurenbrand van tulpen, die lichtfeest vierden pas. Als een orgie van vlammen, kroop, sloeg, rilde, leefde, ijlde ’t licht dáár op de aarde.Héél-stille groene hoeken, stil van sappige moestuinteelt, in Meizoeten toon, aan greppels en beekoevertjes, in lentepraal volgestrooid met druipglanzende boterbloempjes, omzoend van onschuld-madeliefjes met d’r gele koontjes, naïeve kijkertjes, halsjes-rekkend uit ’t malsche grasgroen, tusschen de fijn geschulpte akkerhoorn,—heel die stille hoekjes, teer wit, broos wit, sneeuwspatjes rond gouên vonken in ’t klare groen,—lagen plots verdrongen door vlammenbrand van tulpen, helsch-hevig en schroeiblakerend, als levende kleurkreet; vermiljoen, daar aangeblazen tot hellevuur in kelken, vlammen die in wondren brand, zichzelf styleerden in levend spel van vonklijnen, uitlekten en rank weer òpgroeiden tot flonkerende wijnschalen, op blauw-waas van loof, grijs-zacht bedauwd. Heel de bosschage, duin-woest, op hooge glooiingen uitgegroeid boomgroen, wild hakhout, met z’n sier van roze en witte koekoek, z’n blanke lafenis van vloeiend vogelenmelk, z’n slanke waterster,—lag[288]daar, als weggeslagen en verdoft achter de kleurkreten der tulpen. Tulpen van spattend vuur, kelken wijd-open, waar invloeide schuimende zomer-wijn, borrelde bruisend in de roemers, boordevol geschonken, dat de zonnedrank als lichtvocht er droop over de kelkranden.En vlak daarnaast, erover, ertusschen, duizelden kleurgamma’s van hoog goudgeel, en goud-gloeiende honigkelken, die bruisten en vonkten, vlak tegen het rooie tulpenvuur, in rondsidderenden, zengenden gang langs den grond. En verder, weer akkers, vol donkerend tulpenpurper, als in verdoofden zwijmel uitgedroesemd, met enkele schalen slank er boven uit, stengelende, lichtende kelken, er nog tusschen, als schitterende roemers, hoog geheven in het laaiende licht, dat er bruisend in vervonkte en spatte als schuimende zonnewijn. En rond daarom weer, als nooit eindigende zee, aangolving van nog donkerder kelken, rood doordauwde tulpen, wazig geplooid in half uitknoppende bloem, waar al driftig het zonnegoud tegen opspatte, de beschulpte randjes verterend in gloed.—Daarachter weer koraal-rood gevlam, met ertegen opgedrongen, diep gele en witte lawines van lichtende, luiende kleurklokken.… En heel apart, als vreemde, zoetste, tooverende akkersier, in geheim-zachten geur, die er boven bleef drijven als nevel, tulpen van teederst zangerig lila. Kelken, uitgeschulpt in ’t fijnste rose, blankig doorroomd. Kelken, hoog en groot, als omblazen in waas van venetiaansch glas, met rond-dwalende weerschijnen, besluierd teer-blauw, en roze-rood hier, wazig en blank purper daàr, fijn gebogen in stengelsier. Ver van het helsche demonenrood, het gillende vuur, waarin het licht gepijnigd bruiste, dìe akkers met hun teeren kelkenbouw, uitgegroeid als glanzig uitwaaierend spel van venetiaansche roemers, doorwaasd in kleurmist. Koel en toch vonkend, broos, teeder en toch rank-sterk, zonder brio-brand, doorgeurd en zwemmend onder den nevel van hun eigen zoetsten gouden honinggeur, als temperend de ijlende lichtkoorts van de rondomme vlammen-akkers.—En vreemd, in ’t lage land, met z’n vochtdamp en prachtig[289]mistend lichtzilver, gloeide daar overal van tulpen, rooie, gele, paarse brand; kleuraangolving van narcissen en hyacinten, zònder oplossing in ’t lichtende, heldere schitter-innige weigroen, en de goud doordampte stille achtergronden van vervlakt duin, zònder rust in ’t avondnevelige waterland, met z’n goudvocht en trillende vloersen.—Als was daverende stoet Oosterlingen neergestort en verpulverd op de lage landen, als had titanische vulkaan-ruk één heet kleur-doordoopt brok zuideraarde uitgeslingerd en weggespoten, midden in den verbluften Hollandschen Mei, met z’n malsche wei-groening en grazige zoetheid, zoo onopgelost bleven daar gloeien de bollenakkers, helsch opengebarsten brand, uit eerst koesterend groen van prachtig sierloof.

Om den hoek van Wiereland, waar dorp Duinkijk begon, poortte, recht voor landgoed van jonkheer van Ouwenaar, ’n beukenlaan, prachtig in bloei. Rondom stonden de lommerende moestuinen, groenende boomgaarden, innig-zonnige, klooster-stille hofjes en wilde boschplekken, woest opgroeiend hakhout vóór en tusschen weibrokken, in heidergroene, wondre glorie te gouddampen in ’t licht.In den Mei-ochtend straalde wonderteer, goudglanzing door de beukenlaan, schaduwkoel en omboogd in gothischen takgroei. En diep, diep, aan laan-end, naar het voortuinbrok van den jonkheer, schitterde op lichtrookenden achtergrond van goudgroen, zondoordoopte bladerenpracht, vonkerend in zonnegoud.Diep-poortig neigde ’t siergroen van beukenlaan in takkenpracht, naar elkaar toe, en daaronder bloeiden jonge meidoornhagen, als lichtgroene betrofeede wanden van glans, doorrookt van sappige bloesemgeuren, waarachter weer ooft- en moestuinen aroomden, met hun zwaàr beladen vruchtboomen. Als àfglanzend fijn goudwaas, lichtten de hagen zàchter glans terug, op ’t donkere beschaduwde boomgroen van beukenlaan, er boven dichtgegroeid in geheim-stille pracht. En hoog, van af Duinkijk-weg, tot diep in de laan naàr ’t landgoed, stond tusschen elken boom, in goud-groene vochtsfeer van zoelende zoete Mei gedoopt, ’n rooie beuk, geweldig hoog opschietend, met brons-goud van blaren, hooger, al hooger, vergloeiend in bloedrooden tooi, met suizelende toppen, doorvlamd van zon; diep prachtvuur van wijnrooden gloed, wuivend ’t zalige wije,[285]trillende luchtblauw in. Zoo, hoog geheven, boven gothische laan, die donkergroende in koelend lommer, uit de aarde òpgoudde met wazende wanden van zacht licht,—zoo bloedde in karmijnen zang, om tooversfeer van getemperden gouden poortschemer, de rooie beukenbrand in luchtegloed.—En ver, perspektivisch verkleind, ’t vóórbosch van Van Ouwenaar’s landgoed, met z’n hooge, goud-groene grot, oplichtend uit ’t laanlommer, door de zon erin gegraven. Langzaam nu en dan, schommelden in de beukenlaan, uit dwarspaden en wegkrommingen, boerenkarren en wagens áán, langzaam, onder de koele schaduwgroene poort, tot ze op ’t eind inplasten, paardpooten, schommelkar en al, in de dicht rookende zonnegrot; plasten daar, in zuiver dampend goud, met ’n warreling nog van takkenschaduw, splinterend fijne silhouetjes, op karkrat en achterbinten, van vèr, vlietend te zien.Gouïg-licht tentwagentje reed luchtig door laandiepe poort, en plots aan ’t eind, ook dàt plaste weg in lichtgrot, als verdrinkend in zonnedamp, dook weer òp in nauwen wegkronkel, met stille vaste naschittering van z’n hoogen, gouen rug en verpaarste kap.Gloed-teer straalde Meizon, in trillende glorie op ’t witte pleister van tuinmanshuis, van de laan uit te zien als fellichtende reuzige krijtvlek, schitter-ver, blauwig afdampend waasglans, bijzij uithoekend naast de goudgroene grot, zonneplas van vóórbosch. Over grondje van beukenlaan, éven zonnend paars-rood beschemerd, sprankelden en flonkerden grillige zonspatten, door bladerengaatjes neergepijld in gebroken glans, verdampend als fijn paars-blank licht. En tusschen de verdonkerende beukenstammen aan weerszij, zweefde fijn schaduwleven, zacht violet-teer, verkoelde de lichtnevel, waar insekten in zoemden en slierten, sòms met glans-strependen dwarrel, dàn drijvend in stilstaande vleugeltrilling op goud uitpoeierende lucht.Heel de laan, met haar beuken-rood voorspel van hooge karmijnen sier, rood, smachtend roode regen van ruischend licht, naast goud-doorkoortsten groenen bladerentooi, door elkaar[286]heengeslingerd in takkenpracht, goud-poortte daar, in wondre luistering naar Meigroene lied, naar streel-lichte, lokkende vogelen; minne-gevloei van zilveren zangetjes overal uit de lucht, de zoet-geurende, zalige lucht. En rondomme, ’t zoet-zachte gekwinkeleer uit de zilveren gorgeltjes van zanglijsters en leeuw’rik de lokkende zangaanloopjes van parelende minneliedjes, eindloos zoet, wiegend gestreel van fijne vlei-fluitjes.Zoo, in Mei-droom vloeide koele, groene schemer uit en in de beukenpoort, als voorhof van ’t landgoed, met z’n grot van fonteinende, opspritsende zonnevlammen aan ’t eind, heet vloeiend goud, waar alles naar toe dreef, alles in verdronk en verdampte.Langs Wiereland en Duinkijk, overal uit de tuinderijen, op vervlakten duingrond, tusschen bedden groenten en aardbeien in, harpten in wonderteere standen de vruchtboompjes, bebloesemd, rose sneeuwig en purperend blank, zoet bruidswit, doorvlekt van scheutjes rose, maagdelijk teer. Stil harpten hun takken en stil, de knoestig dikke, fijn-groen bemoste stammetjes stonden daar, omjoeld van lichtend groen, in hun broos bloesemleven, in roerloos gepeins, over eigen vruchtbare schoonheid. Overal, rond de vruchtboompjes, uit de tuinen, wasemde òp, kruiig kittelend aroma van versche groenten, sappige gistigheid, zoete seringen, verwaaiende in koelen windwuif, geurgevloei langs akkers en wegjes. En van overal, kastanjebloesem en jasmijnen zongen méé in den zoeten wellustzang van zacht-rookige geuren uit tulpen en hyacinten-akkers.De tulpen stonden er met hun vlam-kelken open, te duizelen, diep in het licht. Eén felle duizel van kleuren, tulpenbrand, die het land te schroeien lei in laaiende kleuren. Langs de akkers, op weg naar Zeekijk, waar de duinen eerst heel aan ’t eind, vaag opgolfden in violet waas, aan twee kanten, schoten telkens vooruit, tulpenvelden en hyacint-akkers. Maar ’t dichtst om Wiereland, ver van hoogduin, tusschen de bewerkte, vlakke tuinderijteelt, rijden ààn, nuancen van paars kleurleven, en witte, zacht golvende hyacinten-zee.[287]Het licht stond er voor te beven, te sidderen, kroop en boorde driftig in de kelken, als hommeltong in honingmerk, bruiste er rond, dronken-zwaar van geuren, smolt er in het bloemaroom. Heele zeebrokken paars, op licht groen bladerloof, golfden áán, zangerige symfonie van licht, naar àl dieper blauwpaars, tot plots in anderen akker, de vloed terugsprong in donkere deining van rood, tusschen schuimenden sneeuwval van witte hyacinten, midden in. En rond die blanke lawine, op doorschijnend loofgroen, dat te flitsen zilverde in zon, bronzen, kaneel-doorpoeierde kleuringen, wulpsch-roze, zoete brand van roodbruin en lila. Stoetjes van uitrookende geur-klokken, legende-doorwaasde feeërie, kleurfestijn in ’t sprokenland.…Rondom, één wijde aanspoeling, aangolving van kleur-klokjes, die sidderden, zwollen in ’t zonnegoud, brand van bloemen, in al gamma’s; kleurwemel die koortsend te zingen, te ijlen lag onder azuren lichtteeren Meihemel.—Maar feller nog, rond half-verdorde hyacinten, festijnden met hun rook-rooden adem, de grootere, fellere kleurenbrand van tulpen, die lichtfeest vierden pas. Als een orgie van vlammen, kroop, sloeg, rilde, leefde, ijlde ’t licht dáár op de aarde.Héél-stille groene hoeken, stil van sappige moestuinteelt, in Meizoeten toon, aan greppels en beekoevertjes, in lentepraal volgestrooid met druipglanzende boterbloempjes, omzoend van onschuld-madeliefjes met d’r gele koontjes, naïeve kijkertjes, halsjes-rekkend uit ’t malsche grasgroen, tusschen de fijn geschulpte akkerhoorn,—heel die stille hoekjes, teer wit, broos wit, sneeuwspatjes rond gouên vonken in ’t klare groen,—lagen plots verdrongen door vlammenbrand van tulpen, helsch-hevig en schroeiblakerend, als levende kleurkreet; vermiljoen, daar aangeblazen tot hellevuur in kelken, vlammen die in wondren brand, zichzelf styleerden in levend spel van vonklijnen, uitlekten en rank weer òpgroeiden tot flonkerende wijnschalen, op blauw-waas van loof, grijs-zacht bedauwd. Heel de bosschage, duin-woest, op hooge glooiingen uitgegroeid boomgroen, wild hakhout, met z’n sier van roze en witte koekoek, z’n blanke lafenis van vloeiend vogelenmelk, z’n slanke waterster,—lag[288]daar, als weggeslagen en verdoft achter de kleurkreten der tulpen. Tulpen van spattend vuur, kelken wijd-open, waar invloeide schuimende zomer-wijn, borrelde bruisend in de roemers, boordevol geschonken, dat de zonnedrank als lichtvocht er droop over de kelkranden.En vlak daarnaast, erover, ertusschen, duizelden kleurgamma’s van hoog goudgeel, en goud-gloeiende honigkelken, die bruisten en vonkten, vlak tegen het rooie tulpenvuur, in rondsidderenden, zengenden gang langs den grond. En verder, weer akkers, vol donkerend tulpenpurper, als in verdoofden zwijmel uitgedroesemd, met enkele schalen slank er boven uit, stengelende, lichtende kelken, er nog tusschen, als schitterende roemers, hoog geheven in het laaiende licht, dat er bruisend in vervonkte en spatte als schuimende zonnewijn. En rond daarom weer, als nooit eindigende zee, aangolving van nog donkerder kelken, rood doordauwde tulpen, wazig geplooid in half uitknoppende bloem, waar al driftig het zonnegoud tegen opspatte, de beschulpte randjes verterend in gloed.—Daarachter weer koraal-rood gevlam, met ertegen opgedrongen, diep gele en witte lawines van lichtende, luiende kleurklokken.… En heel apart, als vreemde, zoetste, tooverende akkersier, in geheim-zachten geur, die er boven bleef drijven als nevel, tulpen van teederst zangerig lila. Kelken, uitgeschulpt in ’t fijnste rose, blankig doorroomd. Kelken, hoog en groot, als omblazen in waas van venetiaansch glas, met rond-dwalende weerschijnen, besluierd teer-blauw, en roze-rood hier, wazig en blank purper daàr, fijn gebogen in stengelsier. Ver van het helsche demonenrood, het gillende vuur, waarin het licht gepijnigd bruiste, dìe akkers met hun teeren kelkenbouw, uitgegroeid als glanzig uitwaaierend spel van venetiaansche roemers, doorwaasd in kleurmist. Koel en toch vonkend, broos, teeder en toch rank-sterk, zonder brio-brand, doorgeurd en zwemmend onder den nevel van hun eigen zoetsten gouden honinggeur, als temperend de ijlende lichtkoorts van de rondomme vlammen-akkers.—En vreemd, in ’t lage land, met z’n vochtdamp en prachtig[289]mistend lichtzilver, gloeide daar overal van tulpen, rooie, gele, paarse brand; kleuraangolving van narcissen en hyacinten, zònder oplossing in ’t lichtende, heldere schitter-innige weigroen, en de goud doordampte stille achtergronden van vervlakt duin, zònder rust in ’t avondnevelige waterland, met z’n goudvocht en trillende vloersen.—Als was daverende stoet Oosterlingen neergestort en verpulverd op de lage landen, als had titanische vulkaan-ruk één heet kleur-doordoopt brok zuideraarde uitgeslingerd en weggespoten, midden in den verbluften Hollandschen Mei, met z’n malsche wei-groening en grazige zoetheid, zoo onopgelost bleven daar gloeien de bollenakkers, helsch opengebarsten brand, uit eerst koesterend groen van prachtig sierloof.

Om den hoek van Wiereland, waar dorp Duinkijk begon, poortte, recht voor landgoed van jonkheer van Ouwenaar, ’n beukenlaan, prachtig in bloei. Rondom stonden de lommerende moestuinen, groenende boomgaarden, innig-zonnige, klooster-stille hofjes en wilde boschplekken, woest opgroeiend hakhout vóór en tusschen weibrokken, in heidergroene, wondre glorie te gouddampen in ’t licht.In den Mei-ochtend straalde wonderteer, goudglanzing door de beukenlaan, schaduwkoel en omboogd in gothischen takgroei. En diep, diep, aan laan-end, naar het voortuinbrok van den jonkheer, schitterde op lichtrookenden achtergrond van goudgroen, zondoordoopte bladerenpracht, vonkerend in zonnegoud.Diep-poortig neigde ’t siergroen van beukenlaan in takkenpracht, naar elkaar toe, en daaronder bloeiden jonge meidoornhagen, als lichtgroene betrofeede wanden van glans, doorrookt van sappige bloesemgeuren, waarachter weer ooft- en moestuinen aroomden, met hun zwaàr beladen vruchtboomen. Als àfglanzend fijn goudwaas, lichtten de hagen zàchter glans terug, op ’t donkere beschaduwde boomgroen van beukenlaan, er boven dichtgegroeid in geheim-stille pracht. En hoog, van af Duinkijk-weg, tot diep in de laan naàr ’t landgoed, stond tusschen elken boom, in goud-groene vochtsfeer van zoelende zoete Mei gedoopt, ’n rooie beuk, geweldig hoog opschietend, met brons-goud van blaren, hooger, al hooger, vergloeiend in bloedrooden tooi, met suizelende toppen, doorvlamd van zon; diep prachtvuur van wijnrooden gloed, wuivend ’t zalige wije,[285]trillende luchtblauw in. Zoo, hoog geheven, boven gothische laan, die donkergroende in koelend lommer, uit de aarde òpgoudde met wazende wanden van zacht licht,—zoo bloedde in karmijnen zang, om tooversfeer van getemperden gouden poortschemer, de rooie beukenbrand in luchtegloed.—En ver, perspektivisch verkleind, ’t vóórbosch van Van Ouwenaar’s landgoed, met z’n hooge, goud-groene grot, oplichtend uit ’t laanlommer, door de zon erin gegraven. Langzaam nu en dan, schommelden in de beukenlaan, uit dwarspaden en wegkrommingen, boerenkarren en wagens áán, langzaam, onder de koele schaduwgroene poort, tot ze op ’t eind inplasten, paardpooten, schommelkar en al, in de dicht rookende zonnegrot; plasten daar, in zuiver dampend goud, met ’n warreling nog van takkenschaduw, splinterend fijne silhouetjes, op karkrat en achterbinten, van vèr, vlietend te zien.Gouïg-licht tentwagentje reed luchtig door laandiepe poort, en plots aan ’t eind, ook dàt plaste weg in lichtgrot, als verdrinkend in zonnedamp, dook weer òp in nauwen wegkronkel, met stille vaste naschittering van z’n hoogen, gouen rug en verpaarste kap.Gloed-teer straalde Meizon, in trillende glorie op ’t witte pleister van tuinmanshuis, van de laan uit te zien als fellichtende reuzige krijtvlek, schitter-ver, blauwig afdampend waasglans, bijzij uithoekend naast de goudgroene grot, zonneplas van vóórbosch. Over grondje van beukenlaan, éven zonnend paars-rood beschemerd, sprankelden en flonkerden grillige zonspatten, door bladerengaatjes neergepijld in gebroken glans, verdampend als fijn paars-blank licht. En tusschen de verdonkerende beukenstammen aan weerszij, zweefde fijn schaduwleven, zacht violet-teer, verkoelde de lichtnevel, waar insekten in zoemden en slierten, sòms met glans-strependen dwarrel, dàn drijvend in stilstaande vleugeltrilling op goud uitpoeierende lucht.Heel de laan, met haar beuken-rood voorspel van hooge karmijnen sier, rood, smachtend roode regen van ruischend licht, naast goud-doorkoortsten groenen bladerentooi, door elkaar[286]heengeslingerd in takkenpracht, goud-poortte daar, in wondre luistering naar Meigroene lied, naar streel-lichte, lokkende vogelen; minne-gevloei van zilveren zangetjes overal uit de lucht, de zoet-geurende, zalige lucht. En rondomme, ’t zoet-zachte gekwinkeleer uit de zilveren gorgeltjes van zanglijsters en leeuw’rik de lokkende zangaanloopjes van parelende minneliedjes, eindloos zoet, wiegend gestreel van fijne vlei-fluitjes.Zoo, in Mei-droom vloeide koele, groene schemer uit en in de beukenpoort, als voorhof van ’t landgoed, met z’n grot van fonteinende, opspritsende zonnevlammen aan ’t eind, heet vloeiend goud, waar alles naar toe dreef, alles in verdronk en verdampte.Langs Wiereland en Duinkijk, overal uit de tuinderijen, op vervlakten duingrond, tusschen bedden groenten en aardbeien in, harpten in wonderteere standen de vruchtboompjes, bebloesemd, rose sneeuwig en purperend blank, zoet bruidswit, doorvlekt van scheutjes rose, maagdelijk teer. Stil harpten hun takken en stil, de knoestig dikke, fijn-groen bemoste stammetjes stonden daar, omjoeld van lichtend groen, in hun broos bloesemleven, in roerloos gepeins, over eigen vruchtbare schoonheid. Overal, rond de vruchtboompjes, uit de tuinen, wasemde òp, kruiig kittelend aroma van versche groenten, sappige gistigheid, zoete seringen, verwaaiende in koelen windwuif, geurgevloei langs akkers en wegjes. En van overal, kastanjebloesem en jasmijnen zongen méé in den zoeten wellustzang van zacht-rookige geuren uit tulpen en hyacinten-akkers.De tulpen stonden er met hun vlam-kelken open, te duizelen, diep in het licht. Eén felle duizel van kleuren, tulpenbrand, die het land te schroeien lei in laaiende kleuren. Langs de akkers, op weg naar Zeekijk, waar de duinen eerst heel aan ’t eind, vaag opgolfden in violet waas, aan twee kanten, schoten telkens vooruit, tulpenvelden en hyacint-akkers. Maar ’t dichtst om Wiereland, ver van hoogduin, tusschen de bewerkte, vlakke tuinderijteelt, rijden ààn, nuancen van paars kleurleven, en witte, zacht golvende hyacinten-zee.[287]Het licht stond er voor te beven, te sidderen, kroop en boorde driftig in de kelken, als hommeltong in honingmerk, bruiste er rond, dronken-zwaar van geuren, smolt er in het bloemaroom. Heele zeebrokken paars, op licht groen bladerloof, golfden áán, zangerige symfonie van licht, naar àl dieper blauwpaars, tot plots in anderen akker, de vloed terugsprong in donkere deining van rood, tusschen schuimenden sneeuwval van witte hyacinten, midden in. En rond die blanke lawine, op doorschijnend loofgroen, dat te flitsen zilverde in zon, bronzen, kaneel-doorpoeierde kleuringen, wulpsch-roze, zoete brand van roodbruin en lila. Stoetjes van uitrookende geur-klokken, legende-doorwaasde feeërie, kleurfestijn in ’t sprokenland.…Rondom, één wijde aanspoeling, aangolving van kleur-klokjes, die sidderden, zwollen in ’t zonnegoud, brand van bloemen, in al gamma’s; kleurwemel die koortsend te zingen, te ijlen lag onder azuren lichtteeren Meihemel.—Maar feller nog, rond half-verdorde hyacinten, festijnden met hun rook-rooden adem, de grootere, fellere kleurenbrand van tulpen, die lichtfeest vierden pas. Als een orgie van vlammen, kroop, sloeg, rilde, leefde, ijlde ’t licht dáár op de aarde.Héél-stille groene hoeken, stil van sappige moestuinteelt, in Meizoeten toon, aan greppels en beekoevertjes, in lentepraal volgestrooid met druipglanzende boterbloempjes, omzoend van onschuld-madeliefjes met d’r gele koontjes, naïeve kijkertjes, halsjes-rekkend uit ’t malsche grasgroen, tusschen de fijn geschulpte akkerhoorn,—heel die stille hoekjes, teer wit, broos wit, sneeuwspatjes rond gouên vonken in ’t klare groen,—lagen plots verdrongen door vlammenbrand van tulpen, helsch-hevig en schroeiblakerend, als levende kleurkreet; vermiljoen, daar aangeblazen tot hellevuur in kelken, vlammen die in wondren brand, zichzelf styleerden in levend spel van vonklijnen, uitlekten en rank weer òpgroeiden tot flonkerende wijnschalen, op blauw-waas van loof, grijs-zacht bedauwd. Heel de bosschage, duin-woest, op hooge glooiingen uitgegroeid boomgroen, wild hakhout, met z’n sier van roze en witte koekoek, z’n blanke lafenis van vloeiend vogelenmelk, z’n slanke waterster,—lag[288]daar, als weggeslagen en verdoft achter de kleurkreten der tulpen. Tulpen van spattend vuur, kelken wijd-open, waar invloeide schuimende zomer-wijn, borrelde bruisend in de roemers, boordevol geschonken, dat de zonnedrank als lichtvocht er droop over de kelkranden.En vlak daarnaast, erover, ertusschen, duizelden kleurgamma’s van hoog goudgeel, en goud-gloeiende honigkelken, die bruisten en vonkten, vlak tegen het rooie tulpenvuur, in rondsidderenden, zengenden gang langs den grond. En verder, weer akkers, vol donkerend tulpenpurper, als in verdoofden zwijmel uitgedroesemd, met enkele schalen slank er boven uit, stengelende, lichtende kelken, er nog tusschen, als schitterende roemers, hoog geheven in het laaiende licht, dat er bruisend in vervonkte en spatte als schuimende zonnewijn. En rond daarom weer, als nooit eindigende zee, aangolving van nog donkerder kelken, rood doordauwde tulpen, wazig geplooid in half uitknoppende bloem, waar al driftig het zonnegoud tegen opspatte, de beschulpte randjes verterend in gloed.—Daarachter weer koraal-rood gevlam, met ertegen opgedrongen, diep gele en witte lawines van lichtende, luiende kleurklokken.… En heel apart, als vreemde, zoetste, tooverende akkersier, in geheim-zachten geur, die er boven bleef drijven als nevel, tulpen van teederst zangerig lila. Kelken, uitgeschulpt in ’t fijnste rose, blankig doorroomd. Kelken, hoog en groot, als omblazen in waas van venetiaansch glas, met rond-dwalende weerschijnen, besluierd teer-blauw, en roze-rood hier, wazig en blank purper daàr, fijn gebogen in stengelsier. Ver van het helsche demonenrood, het gillende vuur, waarin het licht gepijnigd bruiste, dìe akkers met hun teeren kelkenbouw, uitgegroeid als glanzig uitwaaierend spel van venetiaansche roemers, doorwaasd in kleurmist. Koel en toch vonkend, broos, teeder en toch rank-sterk, zonder brio-brand, doorgeurd en zwemmend onder den nevel van hun eigen zoetsten gouden honinggeur, als temperend de ijlende lichtkoorts van de rondomme vlammen-akkers.—En vreemd, in ’t lage land, met z’n vochtdamp en prachtig[289]mistend lichtzilver, gloeide daar overal van tulpen, rooie, gele, paarse brand; kleuraangolving van narcissen en hyacinten, zònder oplossing in ’t lichtende, heldere schitter-innige weigroen, en de goud doordampte stille achtergronden van vervlakt duin, zònder rust in ’t avondnevelige waterland, met z’n goudvocht en trillende vloersen.—Als was daverende stoet Oosterlingen neergestort en verpulverd op de lage landen, als had titanische vulkaan-ruk één heet kleur-doordoopt brok zuideraarde uitgeslingerd en weggespoten, midden in den verbluften Hollandschen Mei, met z’n malsche wei-groening en grazige zoetheid, zoo onopgelost bleven daar gloeien de bollenakkers, helsch opengebarsten brand, uit eerst koesterend groen van prachtig sierloof.

Om den hoek van Wiereland, waar dorp Duinkijk begon, poortte, recht voor landgoed van jonkheer van Ouwenaar, ’n beukenlaan, prachtig in bloei. Rondom stonden de lommerende moestuinen, groenende boomgaarden, innig-zonnige, klooster-stille hofjes en wilde boschplekken, woest opgroeiend hakhout vóór en tusschen weibrokken, in heidergroene, wondre glorie te gouddampen in ’t licht.

In den Mei-ochtend straalde wonderteer, goudglanzing door de beukenlaan, schaduwkoel en omboogd in gothischen takgroei. En diep, diep, aan laan-end, naar het voortuinbrok van den jonkheer, schitterde op lichtrookenden achtergrond van goudgroen, zondoordoopte bladerenpracht, vonkerend in zonnegoud.

Diep-poortig neigde ’t siergroen van beukenlaan in takkenpracht, naar elkaar toe, en daaronder bloeiden jonge meidoornhagen, als lichtgroene betrofeede wanden van glans, doorrookt van sappige bloesemgeuren, waarachter weer ooft- en moestuinen aroomden, met hun zwaàr beladen vruchtboomen. Als àfglanzend fijn goudwaas, lichtten de hagen zàchter glans terug, op ’t donkere beschaduwde boomgroen van beukenlaan, er boven dichtgegroeid in geheim-stille pracht. En hoog, van af Duinkijk-weg, tot diep in de laan naàr ’t landgoed, stond tusschen elken boom, in goud-groene vochtsfeer van zoelende zoete Mei gedoopt, ’n rooie beuk, geweldig hoog opschietend, met brons-goud van blaren, hooger, al hooger, vergloeiend in bloedrooden tooi, met suizelende toppen, doorvlamd van zon; diep prachtvuur van wijnrooden gloed, wuivend ’t zalige wije,[285]trillende luchtblauw in. Zoo, hoog geheven, boven gothische laan, die donkergroende in koelend lommer, uit de aarde òpgoudde met wazende wanden van zacht licht,—zoo bloedde in karmijnen zang, om tooversfeer van getemperden gouden poortschemer, de rooie beukenbrand in luchtegloed.—

En ver, perspektivisch verkleind, ’t vóórbosch van Van Ouwenaar’s landgoed, met z’n hooge, goud-groene grot, oplichtend uit ’t laanlommer, door de zon erin gegraven. Langzaam nu en dan, schommelden in de beukenlaan, uit dwarspaden en wegkrommingen, boerenkarren en wagens áán, langzaam, onder de koele schaduwgroene poort, tot ze op ’t eind inplasten, paardpooten, schommelkar en al, in de dicht rookende zonnegrot; plasten daar, in zuiver dampend goud, met ’n warreling nog van takkenschaduw, splinterend fijne silhouetjes, op karkrat en achterbinten, van vèr, vlietend te zien.

Gouïg-licht tentwagentje reed luchtig door laandiepe poort, en plots aan ’t eind, ook dàt plaste weg in lichtgrot, als verdrinkend in zonnedamp, dook weer òp in nauwen wegkronkel, met stille vaste naschittering van z’n hoogen, gouen rug en verpaarste kap.

Gloed-teer straalde Meizon, in trillende glorie op ’t witte pleister van tuinmanshuis, van de laan uit te zien als fellichtende reuzige krijtvlek, schitter-ver, blauwig afdampend waasglans, bijzij uithoekend naast de goudgroene grot, zonneplas van vóórbosch. Over grondje van beukenlaan, éven zonnend paars-rood beschemerd, sprankelden en flonkerden grillige zonspatten, door bladerengaatjes neergepijld in gebroken glans, verdampend als fijn paars-blank licht. En tusschen de verdonkerende beukenstammen aan weerszij, zweefde fijn schaduwleven, zacht violet-teer, verkoelde de lichtnevel, waar insekten in zoemden en slierten, sòms met glans-strependen dwarrel, dàn drijvend in stilstaande vleugeltrilling op goud uitpoeierende lucht.

Heel de laan, met haar beuken-rood voorspel van hooge karmijnen sier, rood, smachtend roode regen van ruischend licht, naast goud-doorkoortsten groenen bladerentooi, door elkaar[286]heengeslingerd in takkenpracht, goud-poortte daar, in wondre luistering naar Meigroene lied, naar streel-lichte, lokkende vogelen; minne-gevloei van zilveren zangetjes overal uit de lucht, de zoet-geurende, zalige lucht. En rondomme, ’t zoet-zachte gekwinkeleer uit de zilveren gorgeltjes van zanglijsters en leeuw’rik de lokkende zangaanloopjes van parelende minneliedjes, eindloos zoet, wiegend gestreel van fijne vlei-fluitjes.

Zoo, in Mei-droom vloeide koele, groene schemer uit en in de beukenpoort, als voorhof van ’t landgoed, met z’n grot van fonteinende, opspritsende zonnevlammen aan ’t eind, heet vloeiend goud, waar alles naar toe dreef, alles in verdronk en verdampte.

Langs Wiereland en Duinkijk, overal uit de tuinderijen, op vervlakten duingrond, tusschen bedden groenten en aardbeien in, harpten in wonderteere standen de vruchtboompjes, bebloesemd, rose sneeuwig en purperend blank, zoet bruidswit, doorvlekt van scheutjes rose, maagdelijk teer. Stil harpten hun takken en stil, de knoestig dikke, fijn-groen bemoste stammetjes stonden daar, omjoeld van lichtend groen, in hun broos bloesemleven, in roerloos gepeins, over eigen vruchtbare schoonheid. Overal, rond de vruchtboompjes, uit de tuinen, wasemde òp, kruiig kittelend aroma van versche groenten, sappige gistigheid, zoete seringen, verwaaiende in koelen windwuif, geurgevloei langs akkers en wegjes. En van overal, kastanjebloesem en jasmijnen zongen méé in den zoeten wellustzang van zacht-rookige geuren uit tulpen en hyacinten-akkers.

De tulpen stonden er met hun vlam-kelken open, te duizelen, diep in het licht. Eén felle duizel van kleuren, tulpenbrand, die het land te schroeien lei in laaiende kleuren. Langs de akkers, op weg naar Zeekijk, waar de duinen eerst heel aan ’t eind, vaag opgolfden in violet waas, aan twee kanten, schoten telkens vooruit, tulpenvelden en hyacint-akkers. Maar ’t dichtst om Wiereland, ver van hoogduin, tusschen de bewerkte, vlakke tuinderijteelt, rijden ààn, nuancen van paars kleurleven, en witte, zacht golvende hyacinten-zee.[287]Het licht stond er voor te beven, te sidderen, kroop en boorde driftig in de kelken, als hommeltong in honingmerk, bruiste er rond, dronken-zwaar van geuren, smolt er in het bloemaroom. Heele zeebrokken paars, op licht groen bladerloof, golfden áán, zangerige symfonie van licht, naar àl dieper blauwpaars, tot plots in anderen akker, de vloed terugsprong in donkere deining van rood, tusschen schuimenden sneeuwval van witte hyacinten, midden in. En rond die blanke lawine, op doorschijnend loofgroen, dat te flitsen zilverde in zon, bronzen, kaneel-doorpoeierde kleuringen, wulpsch-roze, zoete brand van roodbruin en lila. Stoetjes van uitrookende geur-klokken, legende-doorwaasde feeërie, kleurfestijn in ’t sprokenland.…

Rondom, één wijde aanspoeling, aangolving van kleur-klokjes, die sidderden, zwollen in ’t zonnegoud, brand van bloemen, in al gamma’s; kleurwemel die koortsend te zingen, te ijlen lag onder azuren lichtteeren Meihemel.—

Maar feller nog, rond half-verdorde hyacinten, festijnden met hun rook-rooden adem, de grootere, fellere kleurenbrand van tulpen, die lichtfeest vierden pas. Als een orgie van vlammen, kroop, sloeg, rilde, leefde, ijlde ’t licht dáár op de aarde.

Héél-stille groene hoeken, stil van sappige moestuinteelt, in Meizoeten toon, aan greppels en beekoevertjes, in lentepraal volgestrooid met druipglanzende boterbloempjes, omzoend van onschuld-madeliefjes met d’r gele koontjes, naïeve kijkertjes, halsjes-rekkend uit ’t malsche grasgroen, tusschen de fijn geschulpte akkerhoorn,—heel die stille hoekjes, teer wit, broos wit, sneeuwspatjes rond gouên vonken in ’t klare groen,—lagen plots verdrongen door vlammenbrand van tulpen, helsch-hevig en schroeiblakerend, als levende kleurkreet; vermiljoen, daar aangeblazen tot hellevuur in kelken, vlammen die in wondren brand, zichzelf styleerden in levend spel van vonklijnen, uitlekten en rank weer òpgroeiden tot flonkerende wijnschalen, op blauw-waas van loof, grijs-zacht bedauwd. Heel de bosschage, duin-woest, op hooge glooiingen uitgegroeid boomgroen, wild hakhout, met z’n sier van roze en witte koekoek, z’n blanke lafenis van vloeiend vogelenmelk, z’n slanke waterster,—lag[288]daar, als weggeslagen en verdoft achter de kleurkreten der tulpen. Tulpen van spattend vuur, kelken wijd-open, waar invloeide schuimende zomer-wijn, borrelde bruisend in de roemers, boordevol geschonken, dat de zonnedrank als lichtvocht er droop over de kelkranden.

En vlak daarnaast, erover, ertusschen, duizelden kleurgamma’s van hoog goudgeel, en goud-gloeiende honigkelken, die bruisten en vonkten, vlak tegen het rooie tulpenvuur, in rondsidderenden, zengenden gang langs den grond. En verder, weer akkers, vol donkerend tulpenpurper, als in verdoofden zwijmel uitgedroesemd, met enkele schalen slank er boven uit, stengelende, lichtende kelken, er nog tusschen, als schitterende roemers, hoog geheven in het laaiende licht, dat er bruisend in vervonkte en spatte als schuimende zonnewijn. En rond daarom weer, als nooit eindigende zee, aangolving van nog donkerder kelken, rood doordauwde tulpen, wazig geplooid in half uitknoppende bloem, waar al driftig het zonnegoud tegen opspatte, de beschulpte randjes verterend in gloed.—Daarachter weer koraal-rood gevlam, met ertegen opgedrongen, diep gele en witte lawines van lichtende, luiende kleurklokken.… En heel apart, als vreemde, zoetste, tooverende akkersier, in geheim-zachten geur, die er boven bleef drijven als nevel, tulpen van teederst zangerig lila. Kelken, uitgeschulpt in ’t fijnste rose, blankig doorroomd. Kelken, hoog en groot, als omblazen in waas van venetiaansch glas, met rond-dwalende weerschijnen, besluierd teer-blauw, en roze-rood hier, wazig en blank purper daàr, fijn gebogen in stengelsier. Ver van het helsche demonenrood, het gillende vuur, waarin het licht gepijnigd bruiste, dìe akkers met hun teeren kelkenbouw, uitgegroeid als glanzig uitwaaierend spel van venetiaansche roemers, doorwaasd in kleurmist. Koel en toch vonkend, broos, teeder en toch rank-sterk, zonder brio-brand, doorgeurd en zwemmend onder den nevel van hun eigen zoetsten gouden honinggeur, als temperend de ijlende lichtkoorts van de rondomme vlammen-akkers.—

En vreemd, in ’t lage land, met z’n vochtdamp en prachtig[289]mistend lichtzilver, gloeide daar overal van tulpen, rooie, gele, paarse brand; kleuraangolving van narcissen en hyacinten, zònder oplossing in ’t lichtende, heldere schitter-innige weigroen, en de goud doordampte stille achtergronden van vervlakt duin, zònder rust in ’t avondnevelige waterland, met z’n goudvocht en trillende vloersen.—

Als was daverende stoet Oosterlingen neergestort en verpulverd op de lage landen, als had titanische vulkaan-ruk één heet kleur-doordoopt brok zuideraarde uitgeslingerd en weggespoten, midden in den verbluften Hollandschen Mei, met z’n malsche wei-groening en grazige zoetheid, zoo onopgelost bleven daar gloeien de bollenakkers, helsch opengebarsten brand, uit eerst koesterend groen van prachtig sierloof.


Back to IndexNext