Zenuwachtiger jacht van werkdrift steeg, stéég. Ploetering waanzinde rond onder de tuinders. Alles moest geplukt, stond in vollen bloei.—Koortsend duivelde rond de pluk van aardbeien, doppers, kapucijners, tuinboonen, peulen, wortelen, postelijn.Ouë Gerrit stond van drie uur met de jongens en twee helpers op ’t Beekbrok, naast Oom Hassel. Guurt kwam elken ochtend later, zorgde eerst nog voor de bedden en vaten, ging tegen elf uur weer weg om aardappels op te zetten en groenten te stoven.—Dirk stond nog vòòr het eerste schoft, doppers te plukken, tusschen de hoog-uitgegroeide rijze-paden, waar, tegen den middag, groen schemerlicht waasde, maar ’s morgens de zon op neerschroeide. Hij blies van puffe benauwing. Rond ’m rankten de doppers uit, de teere, dof-groene vruchtjes, mollig-zacht. Snel woelden z’n armen door de ranken, knakte ie vlug de schepseltjes eraf, z’n handen vol heet-zachte, week-geurende groentjes. Bij elken vollen haal smeet ie ’n vracht neer in z’n mandje naast z’n beenen, dat meeschoof bij elken stap dien hij deed, tusschen goud-groen zonnig padje. Guurt hielp mee, in ’n ander laantje, met ’n groot blauw boezelaar om ’r lijf gespannen, waarin ze vlùg de geplukte doppers oppropte. Dirk hoorde ’t trillend geritsel van ’r handen tusschen de ranken, ’t knak-geluid van ’r pluk achter ’t dichtgegroeide doorzonde groen, zonder dat ie ’r zien kon. Op goed geluk af schreeuwde ie maar achter zich uit:—Guurt, denk ’r ’an, allainig de dikste, en dà je skòòn plukt,.… gister he’k nog ’n mandje vòl hoâlt, woar jai al weust wàa’s![76]—Daa’s net! most t’r ook vaif moal of.… heè?.… ’k hep nog boone sneeë, oarebaie plukt!.… sloà stoke.… wortel skoomoakt.… f’skeur dan je pampiere moar hee?.…Dirk gromde maar wat achter z’n groenen erwtenwand, loerde tusschen de dichtbebladerde rijzen uit, of ie t’met ’n puntje van d’r jak kon zien doorschemeren; knakrukte, zacht rondvingerend, toch sekuur, z’n doppers van de fijn-groene steeltjes, dat z’n handen kleefden van vocht. Guurt vlak achter ’m, ook zonder Dirk te zien, stapelde òp, in ’r boezelaar, knielde in moeilijken hurk, laag-zoekend, de vruchtjes tusschen het bladerenkroes en de ranke kronkels in, verwrongen bukkend en tastend onder dicht inééngegroeiden warrel van groen. Haar schoot zwol en ’r paf dik lijf zweette onder de zwaar-afhangende doppervracht, eng bewegend op ’t gloeiheete zandpaadje, waar onkruid bij boschjes tusschen prikte.—Ouë Gerrit plukte met Piet, zacht-zoete fransjes voor de markt, die Dirk den volgenden dag mee zou nemen naar de stad. Twee kerels achter hen áán, wroetten en poerden van de aardbeien naar de kapucijners, wortelen en sla. Stapels kisten purperden en vlamden half uit en in de zon, telkens endjes verder versjouwd in zuchtenden til-zwoeg, naar de luwte.—Stom en geweldig in gesmoorde jacht ging de kniel en hurk van de werkers weer over de akkers en overal vlamde en purperde ’t vuur van de aardbei, in slangekronkels langs ’t lichtstuivende bladgroen van bedjes, heet rood en wond’re brandende kleuren in zonnigen mist, broeierig gouden warmtenevel.Bij Oom Hassel, vlak langs Kees, kroop kindergoedje van zes en zeven, pas aangekomen van verren aardappelenhoek in ’t duin. Hun smoezelige rokjes en broekjes schooierden dof en goor in den kleurdaver en dampende hitte, tegen den fellen schitter van de frisch-dauwvonkende groente ààn.—Aardappelenhoeken stonden in prachtigen òpgroei met d’r rose en witte bloeseming. ’t Zilver-zijïge bladfluweel van tuinboonen, lag blank stroomend tusschen ’t groen, in lange kronkellijn, aan één kant donzig bezilverd. En ’t loof, ruischte en wiegde daar heel zacht, telkens donkergroen en zilver, als regenden[77]’r, in zwierigen val, zwermen duiveveertjes door de lucht. Aan de dikke, schuin-hellende stengels zwollen de vruchten. Zwaar donkergroen, met donzige deukjes en lichtglansjes op wat plekken, builde de tuinboonen-vracht in zacht-donzen vacht.Hier en daar, tusschen zwaar-bevruchten in, stonden groepjes nog in bloeseming als zilverend witte kapelletjes, met git-zwarte zijïge vleugelvlekjes, waar ’t licht òp zoende, stoeide en vrijde.—Roode koolen, slecht opschietend in den zandgrond, stonden prachtig, toch in bladwrong, bij Oom Hassel. Dofpaars-roode dauw, waasde in teerste druivendons over de koolbollen, die òpkropten uit geweldigen bladerenkring. Forsch, in rood, zacht-rozerood, tusschen teerst-groene nerven, vlerkten de bladerenschalen uit.—In wondre lichtglansen wasemden de roode kolen, naast elkaar over de akkers. Heele rijen slangden in bloedroode schijnsels, nevelig doorzond, in paars en groene wazen, gekronkeld in schelpschalen van dof-rood kristal, geweldig uitschulpend rond de kroppen.—Zwart-roode dauw, verpaarste er smeltende glansen in; glansen van blauwig dons naar violetrood, dof satijn, als er opgeademd rag, met tintfijnste kleurpoeier.—Daartusschen, op de pastel-schoone, kleurtintige dauwbladeren, fonkten fèl als brandende parels, vurig gloei-groen en gloei-rood, wat druppels trillend kristal, zwemmend in weerschijnen, rondgestrooid grillig, op dons-doffe, fluweel-vertemperde bladerenwaas van de goddelijke vruchten.In lange rijen, tusschen het fel-lichte groen van losgeplooide kroppen sla, waaronder enkele al, torentjes-spitsig doorschoten, glansde in heerlijken kleurzang ’t krotenloof, stalig rood, violet-licht, weerlichtend in tintdamp van mahonias, dwars door zonschijn omgloeid, als brandde er langs den zandgrond rood-paars fosfor, speelsch àfbliksemend, zonnesprankels; direkt weer omsluierd in waas van èigen kleurfelheid.Tusschen de selderie en peterselie, zoet geurend verwaarloosd nu met aardbeihaal, pluimde onkruid, fijn-blommig en stekelig-wild.Jong groenden spersie- en snijboonenblad, om stokken en[78]latten gerankt, donker-groen, tusschen de fijne, licht smaragden kleur van doppers en kapucijners. Als vastgegroeide reuzespinnen, kroop ’t loof van de sjalotjes de aarde uit, tusschen wat snijboonpaden. En jonge savooie- en spruitkool stond in weelde-groei, doorvreten van rupsen, in angstige wacht op uitdunning, heet-droog in de akkergloeiing.Hier en daar, hoekten heele plekken vervreten als zeeftige bladeren, in citroen-gouden wond’re pracht, sterfzang van loof, bloedrood bevlekt op stengels. In breeden kring reuzigde de rhabarber, zondoortinteld, om zich zelf ’n vleermuizigen schaduwmantel trekkend met ’t groen van z’n schulpend blad. Om vruchtboompjes heen, die stil-bloeiden in langzamen zwel van vruchtjes, bronzige peertjes, groenige appels en pruimen, kringden de bladzware rhabarbers.—Tusschen de rhabarberhoeken in, rankte òp, in rag-krulligen cier, als groene ruche de boerenkool, prachtig-donkere nuance van smaragd, tusschen het zeegroen van kroppen en doppers; tusschen de lichte kleuringen van savooie planten, gelig-groen, late victorias, spruitkool en zomer-kropandijvie in.—De kleurige zomerprei stond uitgeplant, zuiver om de lange schorseneeren, fel-groene sprieten glanzend in ’t licht. In kleine zonnige hoekjes groende de fijn-wolkige fenkel, naast selderie en pieterselie, met z’n pijpige krulblaadjes als gefriseerd in ’t zonnevuur. En scherp kruidde fenkelgeur uit, tusschen den lagen groei van vruchtboompjes, lommerige plekjes, waar dicht opéén, in warmen zonnekoester bloeiden al soorten gewassen. Zoo, in heeten broei, stoofden de aanééngehaagde tuinderijen, warme lichtdampende glanzen uit, als kleur-klatering in diep-lanige oranjerie, waar de zon in rooden brandwalm doorheen vlamt.Van alle kanten droegen de werkers wortelenbossen áán, oranje gloed op ’t fijne loofgroen, natgespoeld in de tobben en kuipen, en zilverparelend bij bergen op de bakken aardbei gesmakt. Tusschen wellustbloei van ’t gewas, groei en heete rijping, holden de werkers heen en weer, in angstige jacht.—Achter ’t groen verdoken, soms plots in ’t warme zonlicht uitschietend[79]op open plek, kleurden hoeien en beenbrokken òp, gekromde ruggetjes van kinders, als zwerm ijverige bijtjes purend over de akkers.Net barstte Willem Hassel uit tegen ’n zusje, woedend dat ie ’r had zien aardbeien snoepen, ’t ruggetje gekromd, argeloos en droomrig starend op de vruchtjes.——Is da’ wond’r da’ die soo moager kaikt aa’s s’n tang, schreeuwde ie naar z’n broer,—die frait te veul oarbaie, sai kraig t’met veul te veul nuwt bloed hee?.… sloàn d’r de dinge uit t’r poote.…—Krik f’rdorie, loâ hullie moar fraite, aa’s hullie d’r senie in hebbe, komp bai de huur t’regt.… wa’ jou?… goeiïgde Jan, de dikbullige jonge broer.—Nee.… die bai joù doàr, daa’s main ’n lekkere.… ’n happie.… da’ he’k f’murge van lust!…—Wa’ noù dan! vroeg nieuwsgierig Willem.—Nou, stootte Jan er stem-dof uit, handen vol roodvochtige aarbeien wegkogelend in de slofjes,—dâ baist is soo sels, hee?… Wâ he’k roepe om half vier!… krik f’rdorie! die was d’r mi’ de mestvork nie uit te staike.… en Trien òòk nie.…—Há’ je moar ’n emmer woàter over d’r kop uitsmaite motte! saine sullie t’met wassche ook, grinnikte Willem venijnig.—Krik f’rdorie.… jai kookt ook nie goar!… je skraiuwt van kruis en munt, wà’ jou?.. da sullie d’r t’met ’n stuip bai oploope hee?.… mó’ je màin juùstig veur hebbe!… Nee, moeder hep hullie ’t netjes lapt.… krik f’rdori!… se hep sullie mit d’r sloapkoppe en d’r ooge puur toe, hep sai d’r éen veur één op de natte stroatsteene set.… krik f’rdorie.… je ha’ hullie ’n smoel motte sien sette.… aa’s ’n kikker op ’n kluitje! se woàre wakker hoor!.… p’rdoes! en Trien.… die aêre.… nee.… die ha’ d’r slinger!…Toos en Trien, twee meisjes, van tien en negen, gebogen over hun bedjes in jachtigen pluk, luisterden, deden toch net of ze niet verstonden. Elken ochtend had moeder verschrikkelijk met ze te doen. Ze konden maar niet uit hun zwaren slaap wakker. Als ze geroepen, met porren opgeschreeuwd werden, grienden ze van slaap en vermoeienis. Soms half gekleed, met[80]de kousen in de hand, vielen ze weer loom terug in de peluw, snurkten ze weer dóór, om in angstbui op te schrikken als plots stem van moeder of broer bulderde achter bedsteegordijntje. Van morgen was ’t bar geweest. Toos en Trien hadden er niet uit gekund. Moeder had ze geranseld, gevloekt, gebonkerd met ’r knuisten tegen beddeplank, ’t gaf niets.—Telkens weer waren ze ingesnurkt. Toen plots had moeder, éen voor éen, woest-nijdig in den nek gepakt en slapend, met de bloote voetjes op de koue stoep van de straat gezet, in d’r ponnetjes, dat ze huiverend grienden, niet wisten waar ze plots stonden.Nou had Jan ’t verteld aan Willem, en Toos had willen antwoorden dat de meisjes van Straik en Toomaas òòk eerst om vijf uur opstonden en dat ’t bij die lui, niet eens tien uur wier, eer ze naar bed gingen. Maar ze durfde niets zeggen, bang dat Willem ’r nog ’n pak slaag zou geven. Toch schuchterde talmend, Trien uit, met ’n zenuwachtig huilgilletje in ’r stem.—Nou.… bai Hulse en Toomaas magge de maissies.… magge sullie tut vaif uur.… vaif uur sloape!… enne wai binne doodmoei.… wai kanne nie woàkker om bai hallef vier.… ikke hep sukke bloare àn.…—Hou je bek, hufter! snauwde Willem, ’n mand aardbeien achter z’n hielen zettend,—’t is altait vet in ’n aeremans pot hee? Morge pirsint, of jullie sel ’t weute.… snurkers!—Krik f’rdorie!.. je sel veul van hullie hoale hee?.. Trek jai d’rais faire van ’n kikkerbil! lachte Jan, z’n dikke lijf goeiig schuddelachend en z’n kop inwrijvend met zweet van z’n hand.—D’r sel t’met ’n onwairtje rolle, stootte zwaar-gapend ’n plukker naast Jan uit,—’t is broeis hai?… saa’k f’rbrande aas’k ’t ooit soo hait had hep.… ikke leg te swemme puur in main swait hee?—Nou, onwair da’ sî nog.… bromde Jan, naar de lucht kijkend waar wolken paarsig samendrongen,—ik voel niks, heulegoar niks an main groote toon.—Jou toon deug nie.… laa’k je nie in je nek naime.…—Sou ’k je ook puur nie roàje hee! ikke waig t’met tweehonderd vaiftig pond!…[81]Tweede schoft was snel afgejakkerd in hagenluwte.—Ouë Gerrit had loenscherig rondgekeken, wou niet dat de plukkers en de kerels lang kauwen bleven. Naast ’m, bij z’n broer, kropen ze al weer in de paadjes. Nou moesten de werkers wat opgepord. Hij joeg.—Er zat onrust in z’n handen, onrust in z’n lijf, omdat ie werking voelde in de lucht, waar zwaar gewolk doorheen grauwde.—Tot vier uur bleef er stomme stilte onder de zwoegers. Plots van allen kant kwam er windwarrel opzetten, die gloeikolkerig zand over de akkers heenhoosde. Duisterende groening, angstig geel-donker wolkgestapel, stond rond den horizon gebouwd als grauwe vestingen en forten. Stug vreemd licht, met paarsgeligen glans in zonkant, kwam de akkers grillig beschijnselen, heele brokken in fellen valschen zilverbrand verfonkelend. In regenhel licht, groenden boomen, hagen en gewas rondom. Er zat benauwing, droog nog, en angstige werking in de lucht, en snik-heet doorstoofd, verstoft, slapte ’t lage gras en wild gestruik aan de akkerpaden.De werkers, plots onder geweldig gelige wolk-zwavel verkleurd, tusschen het demonische fel-zilverend groen, voelden prangenden druk en smoorhitte in ’t hemelruim, woeste werking vlak bòven hun koppen en velen van hen, angstigden en beefden in de handen en beenen, als ging er ontlading en uitbarsting van onweer, kramperig en gejaagd, éérst door hùn lijven.Ouë Gerrit vooral had zich den heelen dag al onrustig opgejaagd gevoeld. Onweer woelde in hèm uren vooruit. Angstig was ie van z’n plukbed versprongen naar Dirk toe. En aldoor keek ie òp naar de paarsgele luchtdreiging, ver uitgewelfd, geweldig boven de akkers, die heel ’t diepe luchtblauw weggeslurpt had. Heftige warrelwind, droog en stuivend in wilden loei, ging telkens door de boomen, uitgolvend zeegedruisch dat aanzwellen kwam sterker, al sterker over de akkers, ziedend uit ’t bange geel-groenige laantjesduister.Al benauwder voelde Gerrit zich worden, banger, in wurgenden angst, als droeg ie boomen en luchtzwaarte op z’n hoofd;[82]als stortte straks ’t heele uitspansel boven ’m in, op zìjn kop neerdonderend, hem alléén verpletterend. Hij telde maar, z’n handen tot vuisten in z’n zakken gekneld: een-twéé, drie-víér, vaif-zès, tot tien, rhytmisch maniakaal, telkens heen en terug, van tien weer naar één, uit zenuwbange gejaagdheid, om ièts toch te doen, te doèn.… dat ’t onweer afleiden kon, die bange, nare, donkere lucht.—’t Verveelde ’m, maakte ’m benauwder, dat tellen, en toch bleef ie ’t doen … Hij moèst ’t doen heen en terug,inde benauwing. Plots voelde Gerrit,—bij dreigender hemeldonker, dat de akkers angstiger vergrauwden,—alsof ie in ’n wolkzee moest stappen en drinken, drinken, water, niets dan water. Hij lustte ’t niet en toch moest ie drinken, drinken, tot ie z’n buik voelde zwellen, z’n darmen rammelen, z’n adem weghokken en warmtewaas voor z’n oogen nevelen. Dan inéén weer, telde ie van één tot tien—heen en terug, rhytmisch uitstootend: een-twéé, zooals ie ’t eens een paar polderkerels had hooren uitzingen bij ophijschen van palen. En telkens voelde ie andere, angstige dingen. Nou weer alsof ze stroomen ijskoud water over ’m uitstortten. Hij rilde, snikte, z’n adem brak ’m in z’n keel, z’n rug verstijfde, net of z’n hart even bleef stilstaan, en hij stikken moest.—Hij voèlde zich bleek zijn, akelig naar bleek, en telkens dacht ie ’r aan, of de regen, die ’r nou kwam, wel ooit zou ophouen. Of niet alles verstroomen ging, de heele wereld wegregende, dooreenspoelde, de lucht, de aarde, ’t groen, ’t land in de wolken en z’n huisje, z’n spullen, alles wèg, alles door elkaar, één eeuwige, natte vuile warrel van verstroomende dingen.—Heen en weer liep ie, dol-angstig als plots zoo vreemd z’n hart stil bleef staan. De kerels keken naar hem; dat voelde ie wel. Toch wou ie zich goed houên, zorgen dat ze niet te veel van z’n angsten zien konden. Dat kwam nou altijd weer terug bij onweer, dat jaag-angstige, wurgend-angstige gevoel, dat onbestemd bange, alsof ie ’n moord had gedaan.—Hoe donkerder de lucht werd, hoe langer regen en bliksem wegbleven tusschen den droog-donkeren woesten windwarrel en het waai-bange boomgedruisch, dat golfde, gòlfde door de duistere[83]middaglucht om ’m heen,—hoe benauwder ie werd. Nou wilde hij zich verschuilen, de luchtdreiging niet meer zien, die donkere wolkenforten niet. Nou wilde hij zich wel ergens ingraven, in z’n kelder met ’t luikje dicht, dathijden bliksem niet zag en de bliksem hèm niet kon pakken! O! als de dood was ie ’r voor, als de dood! Te sidderen stond ie en ’t akelig-valsche licht maakte ’m bijna misselijk. Guurt was ook bang, heel bang voor onweer, en telkens keek ze naar den hemel, of er niet wat wegdreef van ’t donkere gewolk, er niet wat blauw òpklaarde.—Kees bleef strak, in werkrust, als gebeurde er niets in lucht en aarde om ’m. Bak voor bak sjouwde ie met Dirk áán, naar ’t pad.—Aa’s dur moar eerst op de boot is maane, veùr de bui, vibreerde angstig-klam stem van ouë Gerrit, goeiig tegen Kees, dien hij anders nooit aansprak.—Seur nie, snauwde Dirk, komp’r aa’s aêrs, hee?—Wee’k soo net nie.… wee’k soo net nie.… kaik de lucht hee?.. hoho! die is t’met vuil!.…—Loop rond mi’ je lucht.… wa’ ken main je lucht skele, woedde Dirk achteruitgeduwd door Kees, met aardbeibak tusschen ze in, in sjouw naar ’t pad.—Hier, neenet Kees, hier!.… soo … daa’s weer ’n aêre … boofe die bak.… Net soo!… ik mo’ nog main boome ansette!Veertien bakken aardbei waren aangesjouwd. Breed raam van platte boomen, bonkte Dirk in hurriënden til op z’n kar. Al meer moest ie opladen, van vòòr, ver buiten de wielen, van achter, tot aan de kruk. Toen ie z’n raam op de kar geslagen had sjouwden Kees en Dirk bak voor bak aardbei òp, dof-angstig rood nu in ’t luchtdonker, sla-stapels en zakken met doppers op elkaar, en hoog boven de kisten weer wortelenbossen, nat nog, oranje bergjes op ’t groen van loof en kroppen.—Vreemd schril, in woest-valsche lichtglanzing, fel goud-dampig, was zon achter paarse wolkbreuk plots doorgeschuimd. Blauwige gaten spoelden weer tusschen het dreigduister open. Ouë Gerrit luchtte òp. Er gebeurde iets in de lucht, waarop[84]ie niet meer gerekend had. Net of ’t onweer ging wegdrijven. Om de kerels had ie rondgedrenteld, ze in z’n tel-rhytme: een-twéé, drie-víér, precies afmetend toegesproken, loopend en bewegend op maat, en hun allerlei kleinigheidjes aangereikt. Als ’t niet uitkwam met z’n tel, had ie ’t precies weer overgedaan nòg eens en nòg eens, tot ie ’r zelf misselijk van werd. Toen plots de lucht inkijkend, zag ie ’t opklaren, ’n blauw plekje hier en daar. O! wat voelde ie zich lekker opluchten.—Z’n borst weer loosde ademen. Ongevraagd, uit blijigheid, hielp ie goed mee, sprak ie druk, maakte grapjes uit zenuwachtige volheid, zonder dat de kerels ’r iets van begrepen.—Tellen deéd ie niet meer, voelde ie niet meer te moèten, nou ’r niks af te leiden was, weg te duwen viel uit z’n wurg-angst.—Hoog stond de kar opgeladen, met z’n druipend groen en wortelenrood op ’t weer eronder uitvonkend aardbeivuur, in valsch-fel lichtgoud en duister-dreigende wolkenhallen. De wind was gaan liggen. Dòf nog ruischten de kruinen.—Met stootduwen in geweldige spierspanning, schoften krommig ingedrukt, lijf schuin vóór bakkenvracht, hand om karkruk geklauwd, zuchtend en ademuitpersend, ’t hoofd rood gezwollen, z’n beenpezen in strammen span, scheef-jukkig de schouders naar achter gerukt,—zette Dirk de zware kar in beweging, bonkerde ie, ’t heele lichaam kreupel, ineengekrampt, kracht uitstootend vóórt, over ’t zandpad naar den weg, ’n jochie vooròp dat met z’n rug naar de kisten aan de verleng-boomen meetrok. Aan de krukhaak sleepte Dirk nog mee, mandjes met selderie en pieterselie, geurend rond ’t schokkerig wielgeraas.—Vóór de kar uit, zwiepten lichtelijk de boomen, wiegden de aardbeibakken en telkens moest Dirk z’n kop bijzij de kistuitstapeling buigen, om te zien waar ie reed. Guurt wou ’t helpertje, dat even de kar zandpad had uitgetrokken, niet missen met den pluk, zoodat hij dubbel uit moest zien achter z’n berg-zware stapeling. Bij helling van den weg, leunde ie met gestrekte armen en kin, bloedloos uitgedrukt, òp de kisten, zwaar persend en hangend aan z’n kruk, loerend bijzij telkens, of ie nergens tegen opbonkte. Dàn weer kromde ie z’n lijf in,[85]stootte z’n klauwen òp, stond ie met één gestrekt achterbeen hoogten op te rijden, de heele karrevracht tegen z’n buik, borst en schoften gestut, in hevigen span van pezen, de nijdige chineesch-jukkige kaken beverig van krachtspanning, z’n tronie rood aangezwollen, langzaam duwend, dùwend.…Dood van zweet en gebroken van hitte bonkerde en ratelde eindelijk z’n kar de Haven òp.—
Zenuwachtiger jacht van werkdrift steeg, stéég. Ploetering waanzinde rond onder de tuinders. Alles moest geplukt, stond in vollen bloei.—Koortsend duivelde rond de pluk van aardbeien, doppers, kapucijners, tuinboonen, peulen, wortelen, postelijn.Ouë Gerrit stond van drie uur met de jongens en twee helpers op ’t Beekbrok, naast Oom Hassel. Guurt kwam elken ochtend later, zorgde eerst nog voor de bedden en vaten, ging tegen elf uur weer weg om aardappels op te zetten en groenten te stoven.—Dirk stond nog vòòr het eerste schoft, doppers te plukken, tusschen de hoog-uitgegroeide rijze-paden, waar, tegen den middag, groen schemerlicht waasde, maar ’s morgens de zon op neerschroeide. Hij blies van puffe benauwing. Rond ’m rankten de doppers uit, de teere, dof-groene vruchtjes, mollig-zacht. Snel woelden z’n armen door de ranken, knakte ie vlug de schepseltjes eraf, z’n handen vol heet-zachte, week-geurende groentjes. Bij elken vollen haal smeet ie ’n vracht neer in z’n mandje naast z’n beenen, dat meeschoof bij elken stap dien hij deed, tusschen goud-groen zonnig padje. Guurt hielp mee, in ’n ander laantje, met ’n groot blauw boezelaar om ’r lijf gespannen, waarin ze vlùg de geplukte doppers oppropte. Dirk hoorde ’t trillend geritsel van ’r handen tusschen de ranken, ’t knak-geluid van ’r pluk achter ’t dichtgegroeide doorzonde groen, zonder dat ie ’r zien kon. Op goed geluk af schreeuwde ie maar achter zich uit:—Guurt, denk ’r ’an, allainig de dikste, en dà je skòòn plukt,.… gister he’k nog ’n mandje vòl hoâlt, woar jai al weust wàa’s![76]—Daa’s net! most t’r ook vaif moal of.… heè?.… ’k hep nog boone sneeë, oarebaie plukt!.… sloà stoke.… wortel skoomoakt.… f’skeur dan je pampiere moar hee?.…Dirk gromde maar wat achter z’n groenen erwtenwand, loerde tusschen de dichtbebladerde rijzen uit, of ie t’met ’n puntje van d’r jak kon zien doorschemeren; knakrukte, zacht rondvingerend, toch sekuur, z’n doppers van de fijn-groene steeltjes, dat z’n handen kleefden van vocht. Guurt vlak achter ’m, ook zonder Dirk te zien, stapelde òp, in ’r boezelaar, knielde in moeilijken hurk, laag-zoekend, de vruchtjes tusschen het bladerenkroes en de ranke kronkels in, verwrongen bukkend en tastend onder dicht inééngegroeiden warrel van groen. Haar schoot zwol en ’r paf dik lijf zweette onder de zwaar-afhangende doppervracht, eng bewegend op ’t gloeiheete zandpaadje, waar onkruid bij boschjes tusschen prikte.—Ouë Gerrit plukte met Piet, zacht-zoete fransjes voor de markt, die Dirk den volgenden dag mee zou nemen naar de stad. Twee kerels achter hen áán, wroetten en poerden van de aardbeien naar de kapucijners, wortelen en sla. Stapels kisten purperden en vlamden half uit en in de zon, telkens endjes verder versjouwd in zuchtenden til-zwoeg, naar de luwte.—Stom en geweldig in gesmoorde jacht ging de kniel en hurk van de werkers weer over de akkers en overal vlamde en purperde ’t vuur van de aardbei, in slangekronkels langs ’t lichtstuivende bladgroen van bedjes, heet rood en wond’re brandende kleuren in zonnigen mist, broeierig gouden warmtenevel.Bij Oom Hassel, vlak langs Kees, kroop kindergoedje van zes en zeven, pas aangekomen van verren aardappelenhoek in ’t duin. Hun smoezelige rokjes en broekjes schooierden dof en goor in den kleurdaver en dampende hitte, tegen den fellen schitter van de frisch-dauwvonkende groente ààn.—Aardappelenhoeken stonden in prachtigen òpgroei met d’r rose en witte bloeseming. ’t Zilver-zijïge bladfluweel van tuinboonen, lag blank stroomend tusschen ’t groen, in lange kronkellijn, aan één kant donzig bezilverd. En ’t loof, ruischte en wiegde daar heel zacht, telkens donkergroen en zilver, als regenden[77]’r, in zwierigen val, zwermen duiveveertjes door de lucht. Aan de dikke, schuin-hellende stengels zwollen de vruchten. Zwaar donkergroen, met donzige deukjes en lichtglansjes op wat plekken, builde de tuinboonen-vracht in zacht-donzen vacht.Hier en daar, tusschen zwaar-bevruchten in, stonden groepjes nog in bloeseming als zilverend witte kapelletjes, met git-zwarte zijïge vleugelvlekjes, waar ’t licht òp zoende, stoeide en vrijde.—Roode koolen, slecht opschietend in den zandgrond, stonden prachtig, toch in bladwrong, bij Oom Hassel. Dofpaars-roode dauw, waasde in teerste druivendons over de koolbollen, die òpkropten uit geweldigen bladerenkring. Forsch, in rood, zacht-rozerood, tusschen teerst-groene nerven, vlerkten de bladerenschalen uit.—In wondre lichtglansen wasemden de roode kolen, naast elkaar over de akkers. Heele rijen slangden in bloedroode schijnsels, nevelig doorzond, in paars en groene wazen, gekronkeld in schelpschalen van dof-rood kristal, geweldig uitschulpend rond de kroppen.—Zwart-roode dauw, verpaarste er smeltende glansen in; glansen van blauwig dons naar violetrood, dof satijn, als er opgeademd rag, met tintfijnste kleurpoeier.—Daartusschen, op de pastel-schoone, kleurtintige dauwbladeren, fonkten fèl als brandende parels, vurig gloei-groen en gloei-rood, wat druppels trillend kristal, zwemmend in weerschijnen, rondgestrooid grillig, op dons-doffe, fluweel-vertemperde bladerenwaas van de goddelijke vruchten.In lange rijen, tusschen het fel-lichte groen van losgeplooide kroppen sla, waaronder enkele al, torentjes-spitsig doorschoten, glansde in heerlijken kleurzang ’t krotenloof, stalig rood, violet-licht, weerlichtend in tintdamp van mahonias, dwars door zonschijn omgloeid, als brandde er langs den zandgrond rood-paars fosfor, speelsch àfbliksemend, zonnesprankels; direkt weer omsluierd in waas van èigen kleurfelheid.Tusschen de selderie en peterselie, zoet geurend verwaarloosd nu met aardbeihaal, pluimde onkruid, fijn-blommig en stekelig-wild.Jong groenden spersie- en snijboonenblad, om stokken en[78]latten gerankt, donker-groen, tusschen de fijne, licht smaragden kleur van doppers en kapucijners. Als vastgegroeide reuzespinnen, kroop ’t loof van de sjalotjes de aarde uit, tusschen wat snijboonpaden. En jonge savooie- en spruitkool stond in weelde-groei, doorvreten van rupsen, in angstige wacht op uitdunning, heet-droog in de akkergloeiing.Hier en daar, hoekten heele plekken vervreten als zeeftige bladeren, in citroen-gouden wond’re pracht, sterfzang van loof, bloedrood bevlekt op stengels. In breeden kring reuzigde de rhabarber, zondoortinteld, om zich zelf ’n vleermuizigen schaduwmantel trekkend met ’t groen van z’n schulpend blad. Om vruchtboompjes heen, die stil-bloeiden in langzamen zwel van vruchtjes, bronzige peertjes, groenige appels en pruimen, kringden de bladzware rhabarbers.—Tusschen de rhabarberhoeken in, rankte òp, in rag-krulligen cier, als groene ruche de boerenkool, prachtig-donkere nuance van smaragd, tusschen het zeegroen van kroppen en doppers; tusschen de lichte kleuringen van savooie planten, gelig-groen, late victorias, spruitkool en zomer-kropandijvie in.—De kleurige zomerprei stond uitgeplant, zuiver om de lange schorseneeren, fel-groene sprieten glanzend in ’t licht. In kleine zonnige hoekjes groende de fijn-wolkige fenkel, naast selderie en pieterselie, met z’n pijpige krulblaadjes als gefriseerd in ’t zonnevuur. En scherp kruidde fenkelgeur uit, tusschen den lagen groei van vruchtboompjes, lommerige plekjes, waar dicht opéén, in warmen zonnekoester bloeiden al soorten gewassen. Zoo, in heeten broei, stoofden de aanééngehaagde tuinderijen, warme lichtdampende glanzen uit, als kleur-klatering in diep-lanige oranjerie, waar de zon in rooden brandwalm doorheen vlamt.Van alle kanten droegen de werkers wortelenbossen áán, oranje gloed op ’t fijne loofgroen, natgespoeld in de tobben en kuipen, en zilverparelend bij bergen op de bakken aardbei gesmakt. Tusschen wellustbloei van ’t gewas, groei en heete rijping, holden de werkers heen en weer, in angstige jacht.—Achter ’t groen verdoken, soms plots in ’t warme zonlicht uitschietend[79]op open plek, kleurden hoeien en beenbrokken òp, gekromde ruggetjes van kinders, als zwerm ijverige bijtjes purend over de akkers.Net barstte Willem Hassel uit tegen ’n zusje, woedend dat ie ’r had zien aardbeien snoepen, ’t ruggetje gekromd, argeloos en droomrig starend op de vruchtjes.——Is da’ wond’r da’ die soo moager kaikt aa’s s’n tang, schreeuwde ie naar z’n broer,—die frait te veul oarbaie, sai kraig t’met veul te veul nuwt bloed hee?.… sloàn d’r de dinge uit t’r poote.…—Krik f’rdorie, loâ hullie moar fraite, aa’s hullie d’r senie in hebbe, komp bai de huur t’regt.… wa’ jou?… goeiïgde Jan, de dikbullige jonge broer.—Nee.… die bai joù doàr, daa’s main ’n lekkere.… ’n happie.… da’ he’k f’murge van lust!…—Wa’ noù dan! vroeg nieuwsgierig Willem.—Nou, stootte Jan er stem-dof uit, handen vol roodvochtige aarbeien wegkogelend in de slofjes,—dâ baist is soo sels, hee?… Wâ he’k roepe om half vier!… krik f’rdorie! die was d’r mi’ de mestvork nie uit te staike.… en Trien òòk nie.…—Há’ je moar ’n emmer woàter over d’r kop uitsmaite motte! saine sullie t’met wassche ook, grinnikte Willem venijnig.—Krik f’rdorie.… jai kookt ook nie goar!… je skraiuwt van kruis en munt, wà’ jou?.. da sullie d’r t’met ’n stuip bai oploope hee?.… mó’ je màin juùstig veur hebbe!… Nee, moeder hep hullie ’t netjes lapt.… krik f’rdori!… se hep sullie mit d’r sloapkoppe en d’r ooge puur toe, hep sai d’r éen veur één op de natte stroatsteene set.… krik f’rdorie.… je ha’ hullie ’n smoel motte sien sette.… aa’s ’n kikker op ’n kluitje! se woàre wakker hoor!.… p’rdoes! en Trien.… die aêre.… nee.… die ha’ d’r slinger!…Toos en Trien, twee meisjes, van tien en negen, gebogen over hun bedjes in jachtigen pluk, luisterden, deden toch net of ze niet verstonden. Elken ochtend had moeder verschrikkelijk met ze te doen. Ze konden maar niet uit hun zwaren slaap wakker. Als ze geroepen, met porren opgeschreeuwd werden, grienden ze van slaap en vermoeienis. Soms half gekleed, met[80]de kousen in de hand, vielen ze weer loom terug in de peluw, snurkten ze weer dóór, om in angstbui op te schrikken als plots stem van moeder of broer bulderde achter bedsteegordijntje. Van morgen was ’t bar geweest. Toos en Trien hadden er niet uit gekund. Moeder had ze geranseld, gevloekt, gebonkerd met ’r knuisten tegen beddeplank, ’t gaf niets.—Telkens weer waren ze ingesnurkt. Toen plots had moeder, éen voor éen, woest-nijdig in den nek gepakt en slapend, met de bloote voetjes op de koue stoep van de straat gezet, in d’r ponnetjes, dat ze huiverend grienden, niet wisten waar ze plots stonden.Nou had Jan ’t verteld aan Willem, en Toos had willen antwoorden dat de meisjes van Straik en Toomaas òòk eerst om vijf uur opstonden en dat ’t bij die lui, niet eens tien uur wier, eer ze naar bed gingen. Maar ze durfde niets zeggen, bang dat Willem ’r nog ’n pak slaag zou geven. Toch schuchterde talmend, Trien uit, met ’n zenuwachtig huilgilletje in ’r stem.—Nou.… bai Hulse en Toomaas magge de maissies.… magge sullie tut vaif uur.… vaif uur sloape!… enne wai binne doodmoei.… wai kanne nie woàkker om bai hallef vier.… ikke hep sukke bloare àn.…—Hou je bek, hufter! snauwde Willem, ’n mand aardbeien achter z’n hielen zettend,—’t is altait vet in ’n aeremans pot hee? Morge pirsint, of jullie sel ’t weute.… snurkers!—Krik f’rdorie!.. je sel veul van hullie hoale hee?.. Trek jai d’rais faire van ’n kikkerbil! lachte Jan, z’n dikke lijf goeiig schuddelachend en z’n kop inwrijvend met zweet van z’n hand.—D’r sel t’met ’n onwairtje rolle, stootte zwaar-gapend ’n plukker naast Jan uit,—’t is broeis hai?… saa’k f’rbrande aas’k ’t ooit soo hait had hep.… ikke leg te swemme puur in main swait hee?—Nou, onwair da’ sî nog.… bromde Jan, naar de lucht kijkend waar wolken paarsig samendrongen,—ik voel niks, heulegoar niks an main groote toon.—Jou toon deug nie.… laa’k je nie in je nek naime.…—Sou ’k je ook puur nie roàje hee! ikke waig t’met tweehonderd vaiftig pond!…[81]Tweede schoft was snel afgejakkerd in hagenluwte.—Ouë Gerrit had loenscherig rondgekeken, wou niet dat de plukkers en de kerels lang kauwen bleven. Naast ’m, bij z’n broer, kropen ze al weer in de paadjes. Nou moesten de werkers wat opgepord. Hij joeg.—Er zat onrust in z’n handen, onrust in z’n lijf, omdat ie werking voelde in de lucht, waar zwaar gewolk doorheen grauwde.—Tot vier uur bleef er stomme stilte onder de zwoegers. Plots van allen kant kwam er windwarrel opzetten, die gloeikolkerig zand over de akkers heenhoosde. Duisterende groening, angstig geel-donker wolkgestapel, stond rond den horizon gebouwd als grauwe vestingen en forten. Stug vreemd licht, met paarsgeligen glans in zonkant, kwam de akkers grillig beschijnselen, heele brokken in fellen valschen zilverbrand verfonkelend. In regenhel licht, groenden boomen, hagen en gewas rondom. Er zat benauwing, droog nog, en angstige werking in de lucht, en snik-heet doorstoofd, verstoft, slapte ’t lage gras en wild gestruik aan de akkerpaden.De werkers, plots onder geweldig gelige wolk-zwavel verkleurd, tusschen het demonische fel-zilverend groen, voelden prangenden druk en smoorhitte in ’t hemelruim, woeste werking vlak bòven hun koppen en velen van hen, angstigden en beefden in de handen en beenen, als ging er ontlading en uitbarsting van onweer, kramperig en gejaagd, éérst door hùn lijven.Ouë Gerrit vooral had zich den heelen dag al onrustig opgejaagd gevoeld. Onweer woelde in hèm uren vooruit. Angstig was ie van z’n plukbed versprongen naar Dirk toe. En aldoor keek ie òp naar de paarsgele luchtdreiging, ver uitgewelfd, geweldig boven de akkers, die heel ’t diepe luchtblauw weggeslurpt had. Heftige warrelwind, droog en stuivend in wilden loei, ging telkens door de boomen, uitgolvend zeegedruisch dat aanzwellen kwam sterker, al sterker over de akkers, ziedend uit ’t bange geel-groenige laantjesduister.Al benauwder voelde Gerrit zich worden, banger, in wurgenden angst, als droeg ie boomen en luchtzwaarte op z’n hoofd;[82]als stortte straks ’t heele uitspansel boven ’m in, op zìjn kop neerdonderend, hem alléén verpletterend. Hij telde maar, z’n handen tot vuisten in z’n zakken gekneld: een-twéé, drie-víér, vaif-zès, tot tien, rhytmisch maniakaal, telkens heen en terug, van tien weer naar één, uit zenuwbange gejaagdheid, om ièts toch te doen, te doèn.… dat ’t onweer afleiden kon, die bange, nare, donkere lucht.—’t Verveelde ’m, maakte ’m benauwder, dat tellen, en toch bleef ie ’t doen … Hij moèst ’t doen heen en terug,inde benauwing. Plots voelde Gerrit,—bij dreigender hemeldonker, dat de akkers angstiger vergrauwden,—alsof ie in ’n wolkzee moest stappen en drinken, drinken, water, niets dan water. Hij lustte ’t niet en toch moest ie drinken, drinken, tot ie z’n buik voelde zwellen, z’n darmen rammelen, z’n adem weghokken en warmtewaas voor z’n oogen nevelen. Dan inéén weer, telde ie van één tot tien—heen en terug, rhytmisch uitstootend: een-twéé, zooals ie ’t eens een paar polderkerels had hooren uitzingen bij ophijschen van palen. En telkens voelde ie andere, angstige dingen. Nou weer alsof ze stroomen ijskoud water over ’m uitstortten. Hij rilde, snikte, z’n adem brak ’m in z’n keel, z’n rug verstijfde, net of z’n hart even bleef stilstaan, en hij stikken moest.—Hij voèlde zich bleek zijn, akelig naar bleek, en telkens dacht ie ’r aan, of de regen, die ’r nou kwam, wel ooit zou ophouen. Of niet alles verstroomen ging, de heele wereld wegregende, dooreenspoelde, de lucht, de aarde, ’t groen, ’t land in de wolken en z’n huisje, z’n spullen, alles wèg, alles door elkaar, één eeuwige, natte vuile warrel van verstroomende dingen.—Heen en weer liep ie, dol-angstig als plots zoo vreemd z’n hart stil bleef staan. De kerels keken naar hem; dat voelde ie wel. Toch wou ie zich goed houên, zorgen dat ze niet te veel van z’n angsten zien konden. Dat kwam nou altijd weer terug bij onweer, dat jaag-angstige, wurgend-angstige gevoel, dat onbestemd bange, alsof ie ’n moord had gedaan.—Hoe donkerder de lucht werd, hoe langer regen en bliksem wegbleven tusschen den droog-donkeren woesten windwarrel en het waai-bange boomgedruisch, dat golfde, gòlfde door de duistere[83]middaglucht om ’m heen,—hoe benauwder ie werd. Nou wilde hij zich verschuilen, de luchtdreiging niet meer zien, die donkere wolkenforten niet. Nou wilde hij zich wel ergens ingraven, in z’n kelder met ’t luikje dicht, dathijden bliksem niet zag en de bliksem hèm niet kon pakken! O! als de dood was ie ’r voor, als de dood! Te sidderen stond ie en ’t akelig-valsche licht maakte ’m bijna misselijk. Guurt was ook bang, heel bang voor onweer, en telkens keek ze naar den hemel, of er niet wat wegdreef van ’t donkere gewolk, er niet wat blauw òpklaarde.—Kees bleef strak, in werkrust, als gebeurde er niets in lucht en aarde om ’m. Bak voor bak sjouwde ie met Dirk áán, naar ’t pad.—Aa’s dur moar eerst op de boot is maane, veùr de bui, vibreerde angstig-klam stem van ouë Gerrit, goeiig tegen Kees, dien hij anders nooit aansprak.—Seur nie, snauwde Dirk, komp’r aa’s aêrs, hee?—Wee’k soo net nie.… wee’k soo net nie.… kaik de lucht hee?.. hoho! die is t’met vuil!.…—Loop rond mi’ je lucht.… wa’ ken main je lucht skele, woedde Dirk achteruitgeduwd door Kees, met aardbeibak tusschen ze in, in sjouw naar ’t pad.—Hier, neenet Kees, hier!.… soo … daa’s weer ’n aêre … boofe die bak.… Net soo!… ik mo’ nog main boome ansette!Veertien bakken aardbei waren aangesjouwd. Breed raam van platte boomen, bonkte Dirk in hurriënden til op z’n kar. Al meer moest ie opladen, van vòòr, ver buiten de wielen, van achter, tot aan de kruk. Toen ie z’n raam op de kar geslagen had sjouwden Kees en Dirk bak voor bak aardbei òp, dof-angstig rood nu in ’t luchtdonker, sla-stapels en zakken met doppers op elkaar, en hoog boven de kisten weer wortelenbossen, nat nog, oranje bergjes op ’t groen van loof en kroppen.—Vreemd schril, in woest-valsche lichtglanzing, fel goud-dampig, was zon achter paarse wolkbreuk plots doorgeschuimd. Blauwige gaten spoelden weer tusschen het dreigduister open. Ouë Gerrit luchtte òp. Er gebeurde iets in de lucht, waarop[84]ie niet meer gerekend had. Net of ’t onweer ging wegdrijven. Om de kerels had ie rondgedrenteld, ze in z’n tel-rhytme: een-twéé, drie-víér, precies afmetend toegesproken, loopend en bewegend op maat, en hun allerlei kleinigheidjes aangereikt. Als ’t niet uitkwam met z’n tel, had ie ’t precies weer overgedaan nòg eens en nòg eens, tot ie ’r zelf misselijk van werd. Toen plots de lucht inkijkend, zag ie ’t opklaren, ’n blauw plekje hier en daar. O! wat voelde ie zich lekker opluchten.—Z’n borst weer loosde ademen. Ongevraagd, uit blijigheid, hielp ie goed mee, sprak ie druk, maakte grapjes uit zenuwachtige volheid, zonder dat de kerels ’r iets van begrepen.—Tellen deéd ie niet meer, voelde ie niet meer te moèten, nou ’r niks af te leiden was, weg te duwen viel uit z’n wurg-angst.—Hoog stond de kar opgeladen, met z’n druipend groen en wortelenrood op ’t weer eronder uitvonkend aardbeivuur, in valsch-fel lichtgoud en duister-dreigende wolkenhallen. De wind was gaan liggen. Dòf nog ruischten de kruinen.—Met stootduwen in geweldige spierspanning, schoften krommig ingedrukt, lijf schuin vóór bakkenvracht, hand om karkruk geklauwd, zuchtend en ademuitpersend, ’t hoofd rood gezwollen, z’n beenpezen in strammen span, scheef-jukkig de schouders naar achter gerukt,—zette Dirk de zware kar in beweging, bonkerde ie, ’t heele lichaam kreupel, ineengekrampt, kracht uitstootend vóórt, over ’t zandpad naar den weg, ’n jochie vooròp dat met z’n rug naar de kisten aan de verleng-boomen meetrok. Aan de krukhaak sleepte Dirk nog mee, mandjes met selderie en pieterselie, geurend rond ’t schokkerig wielgeraas.—Vóór de kar uit, zwiepten lichtelijk de boomen, wiegden de aardbeibakken en telkens moest Dirk z’n kop bijzij de kistuitstapeling buigen, om te zien waar ie reed. Guurt wou ’t helpertje, dat even de kar zandpad had uitgetrokken, niet missen met den pluk, zoodat hij dubbel uit moest zien achter z’n berg-zware stapeling. Bij helling van den weg, leunde ie met gestrekte armen en kin, bloedloos uitgedrukt, òp de kisten, zwaar persend en hangend aan z’n kruk, loerend bijzij telkens, of ie nergens tegen opbonkte. Dàn weer kromde ie z’n lijf in,[85]stootte z’n klauwen òp, stond ie met één gestrekt achterbeen hoogten op te rijden, de heele karrevracht tegen z’n buik, borst en schoften gestut, in hevigen span van pezen, de nijdige chineesch-jukkige kaken beverig van krachtspanning, z’n tronie rood aangezwollen, langzaam duwend, dùwend.…Dood van zweet en gebroken van hitte bonkerde en ratelde eindelijk z’n kar de Haven òp.—
Zenuwachtiger jacht van werkdrift steeg, stéég. Ploetering waanzinde rond onder de tuinders. Alles moest geplukt, stond in vollen bloei.—Koortsend duivelde rond de pluk van aardbeien, doppers, kapucijners, tuinboonen, peulen, wortelen, postelijn.Ouë Gerrit stond van drie uur met de jongens en twee helpers op ’t Beekbrok, naast Oom Hassel. Guurt kwam elken ochtend later, zorgde eerst nog voor de bedden en vaten, ging tegen elf uur weer weg om aardappels op te zetten en groenten te stoven.—Dirk stond nog vòòr het eerste schoft, doppers te plukken, tusschen de hoog-uitgegroeide rijze-paden, waar, tegen den middag, groen schemerlicht waasde, maar ’s morgens de zon op neerschroeide. Hij blies van puffe benauwing. Rond ’m rankten de doppers uit, de teere, dof-groene vruchtjes, mollig-zacht. Snel woelden z’n armen door de ranken, knakte ie vlug de schepseltjes eraf, z’n handen vol heet-zachte, week-geurende groentjes. Bij elken vollen haal smeet ie ’n vracht neer in z’n mandje naast z’n beenen, dat meeschoof bij elken stap dien hij deed, tusschen goud-groen zonnig padje. Guurt hielp mee, in ’n ander laantje, met ’n groot blauw boezelaar om ’r lijf gespannen, waarin ze vlùg de geplukte doppers oppropte. Dirk hoorde ’t trillend geritsel van ’r handen tusschen de ranken, ’t knak-geluid van ’r pluk achter ’t dichtgegroeide doorzonde groen, zonder dat ie ’r zien kon. Op goed geluk af schreeuwde ie maar achter zich uit:—Guurt, denk ’r ’an, allainig de dikste, en dà je skòòn plukt,.… gister he’k nog ’n mandje vòl hoâlt, woar jai al weust wàa’s![76]—Daa’s net! most t’r ook vaif moal of.… heè?.… ’k hep nog boone sneeë, oarebaie plukt!.… sloà stoke.… wortel skoomoakt.… f’skeur dan je pampiere moar hee?.…Dirk gromde maar wat achter z’n groenen erwtenwand, loerde tusschen de dichtbebladerde rijzen uit, of ie t’met ’n puntje van d’r jak kon zien doorschemeren; knakrukte, zacht rondvingerend, toch sekuur, z’n doppers van de fijn-groene steeltjes, dat z’n handen kleefden van vocht. Guurt vlak achter ’m, ook zonder Dirk te zien, stapelde òp, in ’r boezelaar, knielde in moeilijken hurk, laag-zoekend, de vruchtjes tusschen het bladerenkroes en de ranke kronkels in, verwrongen bukkend en tastend onder dicht inééngegroeiden warrel van groen. Haar schoot zwol en ’r paf dik lijf zweette onder de zwaar-afhangende doppervracht, eng bewegend op ’t gloeiheete zandpaadje, waar onkruid bij boschjes tusschen prikte.—Ouë Gerrit plukte met Piet, zacht-zoete fransjes voor de markt, die Dirk den volgenden dag mee zou nemen naar de stad. Twee kerels achter hen áán, wroetten en poerden van de aardbeien naar de kapucijners, wortelen en sla. Stapels kisten purperden en vlamden half uit en in de zon, telkens endjes verder versjouwd in zuchtenden til-zwoeg, naar de luwte.—Stom en geweldig in gesmoorde jacht ging de kniel en hurk van de werkers weer over de akkers en overal vlamde en purperde ’t vuur van de aardbei, in slangekronkels langs ’t lichtstuivende bladgroen van bedjes, heet rood en wond’re brandende kleuren in zonnigen mist, broeierig gouden warmtenevel.Bij Oom Hassel, vlak langs Kees, kroop kindergoedje van zes en zeven, pas aangekomen van verren aardappelenhoek in ’t duin. Hun smoezelige rokjes en broekjes schooierden dof en goor in den kleurdaver en dampende hitte, tegen den fellen schitter van de frisch-dauwvonkende groente ààn.—Aardappelenhoeken stonden in prachtigen òpgroei met d’r rose en witte bloeseming. ’t Zilver-zijïge bladfluweel van tuinboonen, lag blank stroomend tusschen ’t groen, in lange kronkellijn, aan één kant donzig bezilverd. En ’t loof, ruischte en wiegde daar heel zacht, telkens donkergroen en zilver, als regenden[77]’r, in zwierigen val, zwermen duiveveertjes door de lucht. Aan de dikke, schuin-hellende stengels zwollen de vruchten. Zwaar donkergroen, met donzige deukjes en lichtglansjes op wat plekken, builde de tuinboonen-vracht in zacht-donzen vacht.Hier en daar, tusschen zwaar-bevruchten in, stonden groepjes nog in bloeseming als zilverend witte kapelletjes, met git-zwarte zijïge vleugelvlekjes, waar ’t licht òp zoende, stoeide en vrijde.—Roode koolen, slecht opschietend in den zandgrond, stonden prachtig, toch in bladwrong, bij Oom Hassel. Dofpaars-roode dauw, waasde in teerste druivendons over de koolbollen, die òpkropten uit geweldigen bladerenkring. Forsch, in rood, zacht-rozerood, tusschen teerst-groene nerven, vlerkten de bladerenschalen uit.—In wondre lichtglansen wasemden de roode kolen, naast elkaar over de akkers. Heele rijen slangden in bloedroode schijnsels, nevelig doorzond, in paars en groene wazen, gekronkeld in schelpschalen van dof-rood kristal, geweldig uitschulpend rond de kroppen.—Zwart-roode dauw, verpaarste er smeltende glansen in; glansen van blauwig dons naar violetrood, dof satijn, als er opgeademd rag, met tintfijnste kleurpoeier.—Daartusschen, op de pastel-schoone, kleurtintige dauwbladeren, fonkten fèl als brandende parels, vurig gloei-groen en gloei-rood, wat druppels trillend kristal, zwemmend in weerschijnen, rondgestrooid grillig, op dons-doffe, fluweel-vertemperde bladerenwaas van de goddelijke vruchten.In lange rijen, tusschen het fel-lichte groen van losgeplooide kroppen sla, waaronder enkele al, torentjes-spitsig doorschoten, glansde in heerlijken kleurzang ’t krotenloof, stalig rood, violet-licht, weerlichtend in tintdamp van mahonias, dwars door zonschijn omgloeid, als brandde er langs den zandgrond rood-paars fosfor, speelsch àfbliksemend, zonnesprankels; direkt weer omsluierd in waas van èigen kleurfelheid.Tusschen de selderie en peterselie, zoet geurend verwaarloosd nu met aardbeihaal, pluimde onkruid, fijn-blommig en stekelig-wild.Jong groenden spersie- en snijboonenblad, om stokken en[78]latten gerankt, donker-groen, tusschen de fijne, licht smaragden kleur van doppers en kapucijners. Als vastgegroeide reuzespinnen, kroop ’t loof van de sjalotjes de aarde uit, tusschen wat snijboonpaden. En jonge savooie- en spruitkool stond in weelde-groei, doorvreten van rupsen, in angstige wacht op uitdunning, heet-droog in de akkergloeiing.Hier en daar, hoekten heele plekken vervreten als zeeftige bladeren, in citroen-gouden wond’re pracht, sterfzang van loof, bloedrood bevlekt op stengels. In breeden kring reuzigde de rhabarber, zondoortinteld, om zich zelf ’n vleermuizigen schaduwmantel trekkend met ’t groen van z’n schulpend blad. Om vruchtboompjes heen, die stil-bloeiden in langzamen zwel van vruchtjes, bronzige peertjes, groenige appels en pruimen, kringden de bladzware rhabarbers.—Tusschen de rhabarberhoeken in, rankte òp, in rag-krulligen cier, als groene ruche de boerenkool, prachtig-donkere nuance van smaragd, tusschen het zeegroen van kroppen en doppers; tusschen de lichte kleuringen van savooie planten, gelig-groen, late victorias, spruitkool en zomer-kropandijvie in.—De kleurige zomerprei stond uitgeplant, zuiver om de lange schorseneeren, fel-groene sprieten glanzend in ’t licht. In kleine zonnige hoekjes groende de fijn-wolkige fenkel, naast selderie en pieterselie, met z’n pijpige krulblaadjes als gefriseerd in ’t zonnevuur. En scherp kruidde fenkelgeur uit, tusschen den lagen groei van vruchtboompjes, lommerige plekjes, waar dicht opéén, in warmen zonnekoester bloeiden al soorten gewassen. Zoo, in heeten broei, stoofden de aanééngehaagde tuinderijen, warme lichtdampende glanzen uit, als kleur-klatering in diep-lanige oranjerie, waar de zon in rooden brandwalm doorheen vlamt.Van alle kanten droegen de werkers wortelenbossen áán, oranje gloed op ’t fijne loofgroen, natgespoeld in de tobben en kuipen, en zilverparelend bij bergen op de bakken aardbei gesmakt. Tusschen wellustbloei van ’t gewas, groei en heete rijping, holden de werkers heen en weer, in angstige jacht.—Achter ’t groen verdoken, soms plots in ’t warme zonlicht uitschietend[79]op open plek, kleurden hoeien en beenbrokken òp, gekromde ruggetjes van kinders, als zwerm ijverige bijtjes purend over de akkers.Net barstte Willem Hassel uit tegen ’n zusje, woedend dat ie ’r had zien aardbeien snoepen, ’t ruggetje gekromd, argeloos en droomrig starend op de vruchtjes.——Is da’ wond’r da’ die soo moager kaikt aa’s s’n tang, schreeuwde ie naar z’n broer,—die frait te veul oarbaie, sai kraig t’met veul te veul nuwt bloed hee?.… sloàn d’r de dinge uit t’r poote.…—Krik f’rdorie, loâ hullie moar fraite, aa’s hullie d’r senie in hebbe, komp bai de huur t’regt.… wa’ jou?… goeiïgde Jan, de dikbullige jonge broer.—Nee.… die bai joù doàr, daa’s main ’n lekkere.… ’n happie.… da’ he’k f’murge van lust!…—Wa’ noù dan! vroeg nieuwsgierig Willem.—Nou, stootte Jan er stem-dof uit, handen vol roodvochtige aarbeien wegkogelend in de slofjes,—dâ baist is soo sels, hee?… Wâ he’k roepe om half vier!… krik f’rdorie! die was d’r mi’ de mestvork nie uit te staike.… en Trien òòk nie.…—Há’ je moar ’n emmer woàter over d’r kop uitsmaite motte! saine sullie t’met wassche ook, grinnikte Willem venijnig.—Krik f’rdorie.… jai kookt ook nie goar!… je skraiuwt van kruis en munt, wà’ jou?.. da sullie d’r t’met ’n stuip bai oploope hee?.… mó’ je màin juùstig veur hebbe!… Nee, moeder hep hullie ’t netjes lapt.… krik f’rdori!… se hep sullie mit d’r sloapkoppe en d’r ooge puur toe, hep sai d’r éen veur één op de natte stroatsteene set.… krik f’rdorie.… je ha’ hullie ’n smoel motte sien sette.… aa’s ’n kikker op ’n kluitje! se woàre wakker hoor!.… p’rdoes! en Trien.… die aêre.… nee.… die ha’ d’r slinger!…Toos en Trien, twee meisjes, van tien en negen, gebogen over hun bedjes in jachtigen pluk, luisterden, deden toch net of ze niet verstonden. Elken ochtend had moeder verschrikkelijk met ze te doen. Ze konden maar niet uit hun zwaren slaap wakker. Als ze geroepen, met porren opgeschreeuwd werden, grienden ze van slaap en vermoeienis. Soms half gekleed, met[80]de kousen in de hand, vielen ze weer loom terug in de peluw, snurkten ze weer dóór, om in angstbui op te schrikken als plots stem van moeder of broer bulderde achter bedsteegordijntje. Van morgen was ’t bar geweest. Toos en Trien hadden er niet uit gekund. Moeder had ze geranseld, gevloekt, gebonkerd met ’r knuisten tegen beddeplank, ’t gaf niets.—Telkens weer waren ze ingesnurkt. Toen plots had moeder, éen voor éen, woest-nijdig in den nek gepakt en slapend, met de bloote voetjes op de koue stoep van de straat gezet, in d’r ponnetjes, dat ze huiverend grienden, niet wisten waar ze plots stonden.Nou had Jan ’t verteld aan Willem, en Toos had willen antwoorden dat de meisjes van Straik en Toomaas òòk eerst om vijf uur opstonden en dat ’t bij die lui, niet eens tien uur wier, eer ze naar bed gingen. Maar ze durfde niets zeggen, bang dat Willem ’r nog ’n pak slaag zou geven. Toch schuchterde talmend, Trien uit, met ’n zenuwachtig huilgilletje in ’r stem.—Nou.… bai Hulse en Toomaas magge de maissies.… magge sullie tut vaif uur.… vaif uur sloape!… enne wai binne doodmoei.… wai kanne nie woàkker om bai hallef vier.… ikke hep sukke bloare àn.…—Hou je bek, hufter! snauwde Willem, ’n mand aardbeien achter z’n hielen zettend,—’t is altait vet in ’n aeremans pot hee? Morge pirsint, of jullie sel ’t weute.… snurkers!—Krik f’rdorie!.. je sel veul van hullie hoale hee?.. Trek jai d’rais faire van ’n kikkerbil! lachte Jan, z’n dikke lijf goeiig schuddelachend en z’n kop inwrijvend met zweet van z’n hand.—D’r sel t’met ’n onwairtje rolle, stootte zwaar-gapend ’n plukker naast Jan uit,—’t is broeis hai?… saa’k f’rbrande aas’k ’t ooit soo hait had hep.… ikke leg te swemme puur in main swait hee?—Nou, onwair da’ sî nog.… bromde Jan, naar de lucht kijkend waar wolken paarsig samendrongen,—ik voel niks, heulegoar niks an main groote toon.—Jou toon deug nie.… laa’k je nie in je nek naime.…—Sou ’k je ook puur nie roàje hee! ikke waig t’met tweehonderd vaiftig pond!…[81]Tweede schoft was snel afgejakkerd in hagenluwte.—Ouë Gerrit had loenscherig rondgekeken, wou niet dat de plukkers en de kerels lang kauwen bleven. Naast ’m, bij z’n broer, kropen ze al weer in de paadjes. Nou moesten de werkers wat opgepord. Hij joeg.—Er zat onrust in z’n handen, onrust in z’n lijf, omdat ie werking voelde in de lucht, waar zwaar gewolk doorheen grauwde.—Tot vier uur bleef er stomme stilte onder de zwoegers. Plots van allen kant kwam er windwarrel opzetten, die gloeikolkerig zand over de akkers heenhoosde. Duisterende groening, angstig geel-donker wolkgestapel, stond rond den horizon gebouwd als grauwe vestingen en forten. Stug vreemd licht, met paarsgeligen glans in zonkant, kwam de akkers grillig beschijnselen, heele brokken in fellen valschen zilverbrand verfonkelend. In regenhel licht, groenden boomen, hagen en gewas rondom. Er zat benauwing, droog nog, en angstige werking in de lucht, en snik-heet doorstoofd, verstoft, slapte ’t lage gras en wild gestruik aan de akkerpaden.De werkers, plots onder geweldig gelige wolk-zwavel verkleurd, tusschen het demonische fel-zilverend groen, voelden prangenden druk en smoorhitte in ’t hemelruim, woeste werking vlak bòven hun koppen en velen van hen, angstigden en beefden in de handen en beenen, als ging er ontlading en uitbarsting van onweer, kramperig en gejaagd, éérst door hùn lijven.Ouë Gerrit vooral had zich den heelen dag al onrustig opgejaagd gevoeld. Onweer woelde in hèm uren vooruit. Angstig was ie van z’n plukbed versprongen naar Dirk toe. En aldoor keek ie òp naar de paarsgele luchtdreiging, ver uitgewelfd, geweldig boven de akkers, die heel ’t diepe luchtblauw weggeslurpt had. Heftige warrelwind, droog en stuivend in wilden loei, ging telkens door de boomen, uitgolvend zeegedruisch dat aanzwellen kwam sterker, al sterker over de akkers, ziedend uit ’t bange geel-groenige laantjesduister.Al benauwder voelde Gerrit zich worden, banger, in wurgenden angst, als droeg ie boomen en luchtzwaarte op z’n hoofd;[82]als stortte straks ’t heele uitspansel boven ’m in, op zìjn kop neerdonderend, hem alléén verpletterend. Hij telde maar, z’n handen tot vuisten in z’n zakken gekneld: een-twéé, drie-víér, vaif-zès, tot tien, rhytmisch maniakaal, telkens heen en terug, van tien weer naar één, uit zenuwbange gejaagdheid, om ièts toch te doen, te doèn.… dat ’t onweer afleiden kon, die bange, nare, donkere lucht.—’t Verveelde ’m, maakte ’m benauwder, dat tellen, en toch bleef ie ’t doen … Hij moèst ’t doen heen en terug,inde benauwing. Plots voelde Gerrit,—bij dreigender hemeldonker, dat de akkers angstiger vergrauwden,—alsof ie in ’n wolkzee moest stappen en drinken, drinken, water, niets dan water. Hij lustte ’t niet en toch moest ie drinken, drinken, tot ie z’n buik voelde zwellen, z’n darmen rammelen, z’n adem weghokken en warmtewaas voor z’n oogen nevelen. Dan inéén weer, telde ie van één tot tien—heen en terug, rhytmisch uitstootend: een-twéé, zooals ie ’t eens een paar polderkerels had hooren uitzingen bij ophijschen van palen. En telkens voelde ie andere, angstige dingen. Nou weer alsof ze stroomen ijskoud water over ’m uitstortten. Hij rilde, snikte, z’n adem brak ’m in z’n keel, z’n rug verstijfde, net of z’n hart even bleef stilstaan, en hij stikken moest.—Hij voèlde zich bleek zijn, akelig naar bleek, en telkens dacht ie ’r aan, of de regen, die ’r nou kwam, wel ooit zou ophouen. Of niet alles verstroomen ging, de heele wereld wegregende, dooreenspoelde, de lucht, de aarde, ’t groen, ’t land in de wolken en z’n huisje, z’n spullen, alles wèg, alles door elkaar, één eeuwige, natte vuile warrel van verstroomende dingen.—Heen en weer liep ie, dol-angstig als plots zoo vreemd z’n hart stil bleef staan. De kerels keken naar hem; dat voelde ie wel. Toch wou ie zich goed houên, zorgen dat ze niet te veel van z’n angsten zien konden. Dat kwam nou altijd weer terug bij onweer, dat jaag-angstige, wurgend-angstige gevoel, dat onbestemd bange, alsof ie ’n moord had gedaan.—Hoe donkerder de lucht werd, hoe langer regen en bliksem wegbleven tusschen den droog-donkeren woesten windwarrel en het waai-bange boomgedruisch, dat golfde, gòlfde door de duistere[83]middaglucht om ’m heen,—hoe benauwder ie werd. Nou wilde hij zich verschuilen, de luchtdreiging niet meer zien, die donkere wolkenforten niet. Nou wilde hij zich wel ergens ingraven, in z’n kelder met ’t luikje dicht, dathijden bliksem niet zag en de bliksem hèm niet kon pakken! O! als de dood was ie ’r voor, als de dood! Te sidderen stond ie en ’t akelig-valsche licht maakte ’m bijna misselijk. Guurt was ook bang, heel bang voor onweer, en telkens keek ze naar den hemel, of er niet wat wegdreef van ’t donkere gewolk, er niet wat blauw òpklaarde.—Kees bleef strak, in werkrust, als gebeurde er niets in lucht en aarde om ’m. Bak voor bak sjouwde ie met Dirk áán, naar ’t pad.—Aa’s dur moar eerst op de boot is maane, veùr de bui, vibreerde angstig-klam stem van ouë Gerrit, goeiig tegen Kees, dien hij anders nooit aansprak.—Seur nie, snauwde Dirk, komp’r aa’s aêrs, hee?—Wee’k soo net nie.… wee’k soo net nie.… kaik de lucht hee?.. hoho! die is t’met vuil!.…—Loop rond mi’ je lucht.… wa’ ken main je lucht skele, woedde Dirk achteruitgeduwd door Kees, met aardbeibak tusschen ze in, in sjouw naar ’t pad.—Hier, neenet Kees, hier!.… soo … daa’s weer ’n aêre … boofe die bak.… Net soo!… ik mo’ nog main boome ansette!Veertien bakken aardbei waren aangesjouwd. Breed raam van platte boomen, bonkte Dirk in hurriënden til op z’n kar. Al meer moest ie opladen, van vòòr, ver buiten de wielen, van achter, tot aan de kruk. Toen ie z’n raam op de kar geslagen had sjouwden Kees en Dirk bak voor bak aardbei òp, dof-angstig rood nu in ’t luchtdonker, sla-stapels en zakken met doppers op elkaar, en hoog boven de kisten weer wortelenbossen, nat nog, oranje bergjes op ’t groen van loof en kroppen.—Vreemd schril, in woest-valsche lichtglanzing, fel goud-dampig, was zon achter paarse wolkbreuk plots doorgeschuimd. Blauwige gaten spoelden weer tusschen het dreigduister open. Ouë Gerrit luchtte òp. Er gebeurde iets in de lucht, waarop[84]ie niet meer gerekend had. Net of ’t onweer ging wegdrijven. Om de kerels had ie rondgedrenteld, ze in z’n tel-rhytme: een-twéé, drie-víér, precies afmetend toegesproken, loopend en bewegend op maat, en hun allerlei kleinigheidjes aangereikt. Als ’t niet uitkwam met z’n tel, had ie ’t precies weer overgedaan nòg eens en nòg eens, tot ie ’r zelf misselijk van werd. Toen plots de lucht inkijkend, zag ie ’t opklaren, ’n blauw plekje hier en daar. O! wat voelde ie zich lekker opluchten.—Z’n borst weer loosde ademen. Ongevraagd, uit blijigheid, hielp ie goed mee, sprak ie druk, maakte grapjes uit zenuwachtige volheid, zonder dat de kerels ’r iets van begrepen.—Tellen deéd ie niet meer, voelde ie niet meer te moèten, nou ’r niks af te leiden was, weg te duwen viel uit z’n wurg-angst.—Hoog stond de kar opgeladen, met z’n druipend groen en wortelenrood op ’t weer eronder uitvonkend aardbeivuur, in valsch-fel lichtgoud en duister-dreigende wolkenhallen. De wind was gaan liggen. Dòf nog ruischten de kruinen.—Met stootduwen in geweldige spierspanning, schoften krommig ingedrukt, lijf schuin vóór bakkenvracht, hand om karkruk geklauwd, zuchtend en ademuitpersend, ’t hoofd rood gezwollen, z’n beenpezen in strammen span, scheef-jukkig de schouders naar achter gerukt,—zette Dirk de zware kar in beweging, bonkerde ie, ’t heele lichaam kreupel, ineengekrampt, kracht uitstootend vóórt, over ’t zandpad naar den weg, ’n jochie vooròp dat met z’n rug naar de kisten aan de verleng-boomen meetrok. Aan de krukhaak sleepte Dirk nog mee, mandjes met selderie en pieterselie, geurend rond ’t schokkerig wielgeraas.—Vóór de kar uit, zwiepten lichtelijk de boomen, wiegden de aardbeibakken en telkens moest Dirk z’n kop bijzij de kistuitstapeling buigen, om te zien waar ie reed. Guurt wou ’t helpertje, dat even de kar zandpad had uitgetrokken, niet missen met den pluk, zoodat hij dubbel uit moest zien achter z’n berg-zware stapeling. Bij helling van den weg, leunde ie met gestrekte armen en kin, bloedloos uitgedrukt, òp de kisten, zwaar persend en hangend aan z’n kruk, loerend bijzij telkens, of ie nergens tegen opbonkte. Dàn weer kromde ie z’n lijf in,[85]stootte z’n klauwen òp, stond ie met één gestrekt achterbeen hoogten op te rijden, de heele karrevracht tegen z’n buik, borst en schoften gestut, in hevigen span van pezen, de nijdige chineesch-jukkige kaken beverig van krachtspanning, z’n tronie rood aangezwollen, langzaam duwend, dùwend.…Dood van zweet en gebroken van hitte bonkerde en ratelde eindelijk z’n kar de Haven òp.—
Zenuwachtiger jacht van werkdrift steeg, stéég. Ploetering waanzinde rond onder de tuinders. Alles moest geplukt, stond in vollen bloei.—Koortsend duivelde rond de pluk van aardbeien, doppers, kapucijners, tuinboonen, peulen, wortelen, postelijn.Ouë Gerrit stond van drie uur met de jongens en twee helpers op ’t Beekbrok, naast Oom Hassel. Guurt kwam elken ochtend later, zorgde eerst nog voor de bedden en vaten, ging tegen elf uur weer weg om aardappels op te zetten en groenten te stoven.—Dirk stond nog vòòr het eerste schoft, doppers te plukken, tusschen de hoog-uitgegroeide rijze-paden, waar, tegen den middag, groen schemerlicht waasde, maar ’s morgens de zon op neerschroeide. Hij blies van puffe benauwing. Rond ’m rankten de doppers uit, de teere, dof-groene vruchtjes, mollig-zacht. Snel woelden z’n armen door de ranken, knakte ie vlug de schepseltjes eraf, z’n handen vol heet-zachte, week-geurende groentjes. Bij elken vollen haal smeet ie ’n vracht neer in z’n mandje naast z’n beenen, dat meeschoof bij elken stap dien hij deed, tusschen goud-groen zonnig padje. Guurt hielp mee, in ’n ander laantje, met ’n groot blauw boezelaar om ’r lijf gespannen, waarin ze vlùg de geplukte doppers oppropte. Dirk hoorde ’t trillend geritsel van ’r handen tusschen de ranken, ’t knak-geluid van ’r pluk achter ’t dichtgegroeide doorzonde groen, zonder dat ie ’r zien kon. Op goed geluk af schreeuwde ie maar achter zich uit:—Guurt, denk ’r ’an, allainig de dikste, en dà je skòòn plukt,.… gister he’k nog ’n mandje vòl hoâlt, woar jai al weust wàa’s![76]—Daa’s net! most t’r ook vaif moal of.… heè?.… ’k hep nog boone sneeë, oarebaie plukt!.… sloà stoke.… wortel skoomoakt.… f’skeur dan je pampiere moar hee?.…Dirk gromde maar wat achter z’n groenen erwtenwand, loerde tusschen de dichtbebladerde rijzen uit, of ie t’met ’n puntje van d’r jak kon zien doorschemeren; knakrukte, zacht rondvingerend, toch sekuur, z’n doppers van de fijn-groene steeltjes, dat z’n handen kleefden van vocht. Guurt vlak achter ’m, ook zonder Dirk te zien, stapelde òp, in ’r boezelaar, knielde in moeilijken hurk, laag-zoekend, de vruchtjes tusschen het bladerenkroes en de ranke kronkels in, verwrongen bukkend en tastend onder dicht inééngegroeiden warrel van groen. Haar schoot zwol en ’r paf dik lijf zweette onder de zwaar-afhangende doppervracht, eng bewegend op ’t gloeiheete zandpaadje, waar onkruid bij boschjes tusschen prikte.—Ouë Gerrit plukte met Piet, zacht-zoete fransjes voor de markt, die Dirk den volgenden dag mee zou nemen naar de stad. Twee kerels achter hen áán, wroetten en poerden van de aardbeien naar de kapucijners, wortelen en sla. Stapels kisten purperden en vlamden half uit en in de zon, telkens endjes verder versjouwd in zuchtenden til-zwoeg, naar de luwte.—Stom en geweldig in gesmoorde jacht ging de kniel en hurk van de werkers weer over de akkers en overal vlamde en purperde ’t vuur van de aardbei, in slangekronkels langs ’t lichtstuivende bladgroen van bedjes, heet rood en wond’re brandende kleuren in zonnigen mist, broeierig gouden warmtenevel.Bij Oom Hassel, vlak langs Kees, kroop kindergoedje van zes en zeven, pas aangekomen van verren aardappelenhoek in ’t duin. Hun smoezelige rokjes en broekjes schooierden dof en goor in den kleurdaver en dampende hitte, tegen den fellen schitter van de frisch-dauwvonkende groente ààn.—Aardappelenhoeken stonden in prachtigen òpgroei met d’r rose en witte bloeseming. ’t Zilver-zijïge bladfluweel van tuinboonen, lag blank stroomend tusschen ’t groen, in lange kronkellijn, aan één kant donzig bezilverd. En ’t loof, ruischte en wiegde daar heel zacht, telkens donkergroen en zilver, als regenden[77]’r, in zwierigen val, zwermen duiveveertjes door de lucht. Aan de dikke, schuin-hellende stengels zwollen de vruchten. Zwaar donkergroen, met donzige deukjes en lichtglansjes op wat plekken, builde de tuinboonen-vracht in zacht-donzen vacht.Hier en daar, tusschen zwaar-bevruchten in, stonden groepjes nog in bloeseming als zilverend witte kapelletjes, met git-zwarte zijïge vleugelvlekjes, waar ’t licht òp zoende, stoeide en vrijde.—Roode koolen, slecht opschietend in den zandgrond, stonden prachtig, toch in bladwrong, bij Oom Hassel. Dofpaars-roode dauw, waasde in teerste druivendons over de koolbollen, die òpkropten uit geweldigen bladerenkring. Forsch, in rood, zacht-rozerood, tusschen teerst-groene nerven, vlerkten de bladerenschalen uit.—In wondre lichtglansen wasemden de roode kolen, naast elkaar over de akkers. Heele rijen slangden in bloedroode schijnsels, nevelig doorzond, in paars en groene wazen, gekronkeld in schelpschalen van dof-rood kristal, geweldig uitschulpend rond de kroppen.—Zwart-roode dauw, verpaarste er smeltende glansen in; glansen van blauwig dons naar violetrood, dof satijn, als er opgeademd rag, met tintfijnste kleurpoeier.—Daartusschen, op de pastel-schoone, kleurtintige dauwbladeren, fonkten fèl als brandende parels, vurig gloei-groen en gloei-rood, wat druppels trillend kristal, zwemmend in weerschijnen, rondgestrooid grillig, op dons-doffe, fluweel-vertemperde bladerenwaas van de goddelijke vruchten.In lange rijen, tusschen het fel-lichte groen van losgeplooide kroppen sla, waaronder enkele al, torentjes-spitsig doorschoten, glansde in heerlijken kleurzang ’t krotenloof, stalig rood, violet-licht, weerlichtend in tintdamp van mahonias, dwars door zonschijn omgloeid, als brandde er langs den zandgrond rood-paars fosfor, speelsch àfbliksemend, zonnesprankels; direkt weer omsluierd in waas van èigen kleurfelheid.Tusschen de selderie en peterselie, zoet geurend verwaarloosd nu met aardbeihaal, pluimde onkruid, fijn-blommig en stekelig-wild.Jong groenden spersie- en snijboonenblad, om stokken en[78]latten gerankt, donker-groen, tusschen de fijne, licht smaragden kleur van doppers en kapucijners. Als vastgegroeide reuzespinnen, kroop ’t loof van de sjalotjes de aarde uit, tusschen wat snijboonpaden. En jonge savooie- en spruitkool stond in weelde-groei, doorvreten van rupsen, in angstige wacht op uitdunning, heet-droog in de akkergloeiing.Hier en daar, hoekten heele plekken vervreten als zeeftige bladeren, in citroen-gouden wond’re pracht, sterfzang van loof, bloedrood bevlekt op stengels. In breeden kring reuzigde de rhabarber, zondoortinteld, om zich zelf ’n vleermuizigen schaduwmantel trekkend met ’t groen van z’n schulpend blad. Om vruchtboompjes heen, die stil-bloeiden in langzamen zwel van vruchtjes, bronzige peertjes, groenige appels en pruimen, kringden de bladzware rhabarbers.—Tusschen de rhabarberhoeken in, rankte òp, in rag-krulligen cier, als groene ruche de boerenkool, prachtig-donkere nuance van smaragd, tusschen het zeegroen van kroppen en doppers; tusschen de lichte kleuringen van savooie planten, gelig-groen, late victorias, spruitkool en zomer-kropandijvie in.—De kleurige zomerprei stond uitgeplant, zuiver om de lange schorseneeren, fel-groene sprieten glanzend in ’t licht. In kleine zonnige hoekjes groende de fijn-wolkige fenkel, naast selderie en pieterselie, met z’n pijpige krulblaadjes als gefriseerd in ’t zonnevuur. En scherp kruidde fenkelgeur uit, tusschen den lagen groei van vruchtboompjes, lommerige plekjes, waar dicht opéén, in warmen zonnekoester bloeiden al soorten gewassen. Zoo, in heeten broei, stoofden de aanééngehaagde tuinderijen, warme lichtdampende glanzen uit, als kleur-klatering in diep-lanige oranjerie, waar de zon in rooden brandwalm doorheen vlamt.Van alle kanten droegen de werkers wortelenbossen áán, oranje gloed op ’t fijne loofgroen, natgespoeld in de tobben en kuipen, en zilverparelend bij bergen op de bakken aardbei gesmakt. Tusschen wellustbloei van ’t gewas, groei en heete rijping, holden de werkers heen en weer, in angstige jacht.—Achter ’t groen verdoken, soms plots in ’t warme zonlicht uitschietend[79]op open plek, kleurden hoeien en beenbrokken òp, gekromde ruggetjes van kinders, als zwerm ijverige bijtjes purend over de akkers.Net barstte Willem Hassel uit tegen ’n zusje, woedend dat ie ’r had zien aardbeien snoepen, ’t ruggetje gekromd, argeloos en droomrig starend op de vruchtjes.——Is da’ wond’r da’ die soo moager kaikt aa’s s’n tang, schreeuwde ie naar z’n broer,—die frait te veul oarbaie, sai kraig t’met veul te veul nuwt bloed hee?.… sloàn d’r de dinge uit t’r poote.…—Krik f’rdorie, loâ hullie moar fraite, aa’s hullie d’r senie in hebbe, komp bai de huur t’regt.… wa’ jou?… goeiïgde Jan, de dikbullige jonge broer.—Nee.… die bai joù doàr, daa’s main ’n lekkere.… ’n happie.… da’ he’k f’murge van lust!…—Wa’ noù dan! vroeg nieuwsgierig Willem.—Nou, stootte Jan er stem-dof uit, handen vol roodvochtige aarbeien wegkogelend in de slofjes,—dâ baist is soo sels, hee?… Wâ he’k roepe om half vier!… krik f’rdorie! die was d’r mi’ de mestvork nie uit te staike.… en Trien òòk nie.…—Há’ je moar ’n emmer woàter over d’r kop uitsmaite motte! saine sullie t’met wassche ook, grinnikte Willem venijnig.—Krik f’rdorie.… jai kookt ook nie goar!… je skraiuwt van kruis en munt, wà’ jou?.. da sullie d’r t’met ’n stuip bai oploope hee?.… mó’ je màin juùstig veur hebbe!… Nee, moeder hep hullie ’t netjes lapt.… krik f’rdori!… se hep sullie mit d’r sloapkoppe en d’r ooge puur toe, hep sai d’r éen veur één op de natte stroatsteene set.… krik f’rdorie.… je ha’ hullie ’n smoel motte sien sette.… aa’s ’n kikker op ’n kluitje! se woàre wakker hoor!.… p’rdoes! en Trien.… die aêre.… nee.… die ha’ d’r slinger!…Toos en Trien, twee meisjes, van tien en negen, gebogen over hun bedjes in jachtigen pluk, luisterden, deden toch net of ze niet verstonden. Elken ochtend had moeder verschrikkelijk met ze te doen. Ze konden maar niet uit hun zwaren slaap wakker. Als ze geroepen, met porren opgeschreeuwd werden, grienden ze van slaap en vermoeienis. Soms half gekleed, met[80]de kousen in de hand, vielen ze weer loom terug in de peluw, snurkten ze weer dóór, om in angstbui op te schrikken als plots stem van moeder of broer bulderde achter bedsteegordijntje. Van morgen was ’t bar geweest. Toos en Trien hadden er niet uit gekund. Moeder had ze geranseld, gevloekt, gebonkerd met ’r knuisten tegen beddeplank, ’t gaf niets.—Telkens weer waren ze ingesnurkt. Toen plots had moeder, éen voor éen, woest-nijdig in den nek gepakt en slapend, met de bloote voetjes op de koue stoep van de straat gezet, in d’r ponnetjes, dat ze huiverend grienden, niet wisten waar ze plots stonden.Nou had Jan ’t verteld aan Willem, en Toos had willen antwoorden dat de meisjes van Straik en Toomaas òòk eerst om vijf uur opstonden en dat ’t bij die lui, niet eens tien uur wier, eer ze naar bed gingen. Maar ze durfde niets zeggen, bang dat Willem ’r nog ’n pak slaag zou geven. Toch schuchterde talmend, Trien uit, met ’n zenuwachtig huilgilletje in ’r stem.—Nou.… bai Hulse en Toomaas magge de maissies.… magge sullie tut vaif uur.… vaif uur sloape!… enne wai binne doodmoei.… wai kanne nie woàkker om bai hallef vier.… ikke hep sukke bloare àn.…—Hou je bek, hufter! snauwde Willem, ’n mand aardbeien achter z’n hielen zettend,—’t is altait vet in ’n aeremans pot hee? Morge pirsint, of jullie sel ’t weute.… snurkers!—Krik f’rdorie!.. je sel veul van hullie hoale hee?.. Trek jai d’rais faire van ’n kikkerbil! lachte Jan, z’n dikke lijf goeiig schuddelachend en z’n kop inwrijvend met zweet van z’n hand.—D’r sel t’met ’n onwairtje rolle, stootte zwaar-gapend ’n plukker naast Jan uit,—’t is broeis hai?… saa’k f’rbrande aas’k ’t ooit soo hait had hep.… ikke leg te swemme puur in main swait hee?—Nou, onwair da’ sî nog.… bromde Jan, naar de lucht kijkend waar wolken paarsig samendrongen,—ik voel niks, heulegoar niks an main groote toon.—Jou toon deug nie.… laa’k je nie in je nek naime.…—Sou ’k je ook puur nie roàje hee! ikke waig t’met tweehonderd vaiftig pond!…[81]Tweede schoft was snel afgejakkerd in hagenluwte.—Ouë Gerrit had loenscherig rondgekeken, wou niet dat de plukkers en de kerels lang kauwen bleven. Naast ’m, bij z’n broer, kropen ze al weer in de paadjes. Nou moesten de werkers wat opgepord. Hij joeg.—Er zat onrust in z’n handen, onrust in z’n lijf, omdat ie werking voelde in de lucht, waar zwaar gewolk doorheen grauwde.—Tot vier uur bleef er stomme stilte onder de zwoegers. Plots van allen kant kwam er windwarrel opzetten, die gloeikolkerig zand over de akkers heenhoosde. Duisterende groening, angstig geel-donker wolkgestapel, stond rond den horizon gebouwd als grauwe vestingen en forten. Stug vreemd licht, met paarsgeligen glans in zonkant, kwam de akkers grillig beschijnselen, heele brokken in fellen valschen zilverbrand verfonkelend. In regenhel licht, groenden boomen, hagen en gewas rondom. Er zat benauwing, droog nog, en angstige werking in de lucht, en snik-heet doorstoofd, verstoft, slapte ’t lage gras en wild gestruik aan de akkerpaden.De werkers, plots onder geweldig gelige wolk-zwavel verkleurd, tusschen het demonische fel-zilverend groen, voelden prangenden druk en smoorhitte in ’t hemelruim, woeste werking vlak bòven hun koppen en velen van hen, angstigden en beefden in de handen en beenen, als ging er ontlading en uitbarsting van onweer, kramperig en gejaagd, éérst door hùn lijven.Ouë Gerrit vooral had zich den heelen dag al onrustig opgejaagd gevoeld. Onweer woelde in hèm uren vooruit. Angstig was ie van z’n plukbed versprongen naar Dirk toe. En aldoor keek ie òp naar de paarsgele luchtdreiging, ver uitgewelfd, geweldig boven de akkers, die heel ’t diepe luchtblauw weggeslurpt had. Heftige warrelwind, droog en stuivend in wilden loei, ging telkens door de boomen, uitgolvend zeegedruisch dat aanzwellen kwam sterker, al sterker over de akkers, ziedend uit ’t bange geel-groenige laantjesduister.Al benauwder voelde Gerrit zich worden, banger, in wurgenden angst, als droeg ie boomen en luchtzwaarte op z’n hoofd;[82]als stortte straks ’t heele uitspansel boven ’m in, op zìjn kop neerdonderend, hem alléén verpletterend. Hij telde maar, z’n handen tot vuisten in z’n zakken gekneld: een-twéé, drie-víér, vaif-zès, tot tien, rhytmisch maniakaal, telkens heen en terug, van tien weer naar één, uit zenuwbange gejaagdheid, om ièts toch te doen, te doèn.… dat ’t onweer afleiden kon, die bange, nare, donkere lucht.—’t Verveelde ’m, maakte ’m benauwder, dat tellen, en toch bleef ie ’t doen … Hij moèst ’t doen heen en terug,inde benauwing. Plots voelde Gerrit,—bij dreigender hemeldonker, dat de akkers angstiger vergrauwden,—alsof ie in ’n wolkzee moest stappen en drinken, drinken, water, niets dan water. Hij lustte ’t niet en toch moest ie drinken, drinken, tot ie z’n buik voelde zwellen, z’n darmen rammelen, z’n adem weghokken en warmtewaas voor z’n oogen nevelen. Dan inéén weer, telde ie van één tot tien—heen en terug, rhytmisch uitstootend: een-twéé, zooals ie ’t eens een paar polderkerels had hooren uitzingen bij ophijschen van palen. En telkens voelde ie andere, angstige dingen. Nou weer alsof ze stroomen ijskoud water over ’m uitstortten. Hij rilde, snikte, z’n adem brak ’m in z’n keel, z’n rug verstijfde, net of z’n hart even bleef stilstaan, en hij stikken moest.—Hij voèlde zich bleek zijn, akelig naar bleek, en telkens dacht ie ’r aan, of de regen, die ’r nou kwam, wel ooit zou ophouen. Of niet alles verstroomen ging, de heele wereld wegregende, dooreenspoelde, de lucht, de aarde, ’t groen, ’t land in de wolken en z’n huisje, z’n spullen, alles wèg, alles door elkaar, één eeuwige, natte vuile warrel van verstroomende dingen.—Heen en weer liep ie, dol-angstig als plots zoo vreemd z’n hart stil bleef staan. De kerels keken naar hem; dat voelde ie wel. Toch wou ie zich goed houên, zorgen dat ze niet te veel van z’n angsten zien konden. Dat kwam nou altijd weer terug bij onweer, dat jaag-angstige, wurgend-angstige gevoel, dat onbestemd bange, alsof ie ’n moord had gedaan.—Hoe donkerder de lucht werd, hoe langer regen en bliksem wegbleven tusschen den droog-donkeren woesten windwarrel en het waai-bange boomgedruisch, dat golfde, gòlfde door de duistere[83]middaglucht om ’m heen,—hoe benauwder ie werd. Nou wilde hij zich verschuilen, de luchtdreiging niet meer zien, die donkere wolkenforten niet. Nou wilde hij zich wel ergens ingraven, in z’n kelder met ’t luikje dicht, dathijden bliksem niet zag en de bliksem hèm niet kon pakken! O! als de dood was ie ’r voor, als de dood! Te sidderen stond ie en ’t akelig-valsche licht maakte ’m bijna misselijk. Guurt was ook bang, heel bang voor onweer, en telkens keek ze naar den hemel, of er niet wat wegdreef van ’t donkere gewolk, er niet wat blauw òpklaarde.—Kees bleef strak, in werkrust, als gebeurde er niets in lucht en aarde om ’m. Bak voor bak sjouwde ie met Dirk áán, naar ’t pad.—Aa’s dur moar eerst op de boot is maane, veùr de bui, vibreerde angstig-klam stem van ouë Gerrit, goeiig tegen Kees, dien hij anders nooit aansprak.—Seur nie, snauwde Dirk, komp’r aa’s aêrs, hee?—Wee’k soo net nie.… wee’k soo net nie.… kaik de lucht hee?.. hoho! die is t’met vuil!.…—Loop rond mi’ je lucht.… wa’ ken main je lucht skele, woedde Dirk achteruitgeduwd door Kees, met aardbeibak tusschen ze in, in sjouw naar ’t pad.—Hier, neenet Kees, hier!.… soo … daa’s weer ’n aêre … boofe die bak.… Net soo!… ik mo’ nog main boome ansette!Veertien bakken aardbei waren aangesjouwd. Breed raam van platte boomen, bonkte Dirk in hurriënden til op z’n kar. Al meer moest ie opladen, van vòòr, ver buiten de wielen, van achter, tot aan de kruk. Toen ie z’n raam op de kar geslagen had sjouwden Kees en Dirk bak voor bak aardbei òp, dof-angstig rood nu in ’t luchtdonker, sla-stapels en zakken met doppers op elkaar, en hoog boven de kisten weer wortelenbossen, nat nog, oranje bergjes op ’t groen van loof en kroppen.—Vreemd schril, in woest-valsche lichtglanzing, fel goud-dampig, was zon achter paarse wolkbreuk plots doorgeschuimd. Blauwige gaten spoelden weer tusschen het dreigduister open. Ouë Gerrit luchtte òp. Er gebeurde iets in de lucht, waarop[84]ie niet meer gerekend had. Net of ’t onweer ging wegdrijven. Om de kerels had ie rondgedrenteld, ze in z’n tel-rhytme: een-twéé, drie-víér, precies afmetend toegesproken, loopend en bewegend op maat, en hun allerlei kleinigheidjes aangereikt. Als ’t niet uitkwam met z’n tel, had ie ’t precies weer overgedaan nòg eens en nòg eens, tot ie ’r zelf misselijk van werd. Toen plots de lucht inkijkend, zag ie ’t opklaren, ’n blauw plekje hier en daar. O! wat voelde ie zich lekker opluchten.—Z’n borst weer loosde ademen. Ongevraagd, uit blijigheid, hielp ie goed mee, sprak ie druk, maakte grapjes uit zenuwachtige volheid, zonder dat de kerels ’r iets van begrepen.—Tellen deéd ie niet meer, voelde ie niet meer te moèten, nou ’r niks af te leiden was, weg te duwen viel uit z’n wurg-angst.—Hoog stond de kar opgeladen, met z’n druipend groen en wortelenrood op ’t weer eronder uitvonkend aardbeivuur, in valsch-fel lichtgoud en duister-dreigende wolkenhallen. De wind was gaan liggen. Dòf nog ruischten de kruinen.—Met stootduwen in geweldige spierspanning, schoften krommig ingedrukt, lijf schuin vóór bakkenvracht, hand om karkruk geklauwd, zuchtend en ademuitpersend, ’t hoofd rood gezwollen, z’n beenpezen in strammen span, scheef-jukkig de schouders naar achter gerukt,—zette Dirk de zware kar in beweging, bonkerde ie, ’t heele lichaam kreupel, ineengekrampt, kracht uitstootend vóórt, over ’t zandpad naar den weg, ’n jochie vooròp dat met z’n rug naar de kisten aan de verleng-boomen meetrok. Aan de krukhaak sleepte Dirk nog mee, mandjes met selderie en pieterselie, geurend rond ’t schokkerig wielgeraas.—Vóór de kar uit, zwiepten lichtelijk de boomen, wiegden de aardbeibakken en telkens moest Dirk z’n kop bijzij de kistuitstapeling buigen, om te zien waar ie reed. Guurt wou ’t helpertje, dat even de kar zandpad had uitgetrokken, niet missen met den pluk, zoodat hij dubbel uit moest zien achter z’n berg-zware stapeling. Bij helling van den weg, leunde ie met gestrekte armen en kin, bloedloos uitgedrukt, òp de kisten, zwaar persend en hangend aan z’n kruk, loerend bijzij telkens, of ie nergens tegen opbonkte. Dàn weer kromde ie z’n lijf in,[85]stootte z’n klauwen òp, stond ie met één gestrekt achterbeen hoogten op te rijden, de heele karrevracht tegen z’n buik, borst en schoften gestut, in hevigen span van pezen, de nijdige chineesch-jukkige kaken beverig van krachtspanning, z’n tronie rood aangezwollen, langzaam duwend, dùwend.…Dood van zweet en gebroken van hitte bonkerde en ratelde eindelijk z’n kar de Haven òp.—
Zenuwachtiger jacht van werkdrift steeg, stéég. Ploetering waanzinde rond onder de tuinders. Alles moest geplukt, stond in vollen bloei.—Koortsend duivelde rond de pluk van aardbeien, doppers, kapucijners, tuinboonen, peulen, wortelen, postelijn.Ouë Gerrit stond van drie uur met de jongens en twee helpers op ’t Beekbrok, naast Oom Hassel. Guurt kwam elken ochtend later, zorgde eerst nog voor de bedden en vaten, ging tegen elf uur weer weg om aardappels op te zetten en groenten te stoven.—Dirk stond nog vòòr het eerste schoft, doppers te plukken, tusschen de hoog-uitgegroeide rijze-paden, waar, tegen den middag, groen schemerlicht waasde, maar ’s morgens de zon op neerschroeide. Hij blies van puffe benauwing. Rond ’m rankten de doppers uit, de teere, dof-groene vruchtjes, mollig-zacht. Snel woelden z’n armen door de ranken, knakte ie vlug de schepseltjes eraf, z’n handen vol heet-zachte, week-geurende groentjes. Bij elken vollen haal smeet ie ’n vracht neer in z’n mandje naast z’n beenen, dat meeschoof bij elken stap dien hij deed, tusschen goud-groen zonnig padje. Guurt hielp mee, in ’n ander laantje, met ’n groot blauw boezelaar om ’r lijf gespannen, waarin ze vlùg de geplukte doppers oppropte. Dirk hoorde ’t trillend geritsel van ’r handen tusschen de ranken, ’t knak-geluid van ’r pluk achter ’t dichtgegroeide doorzonde groen, zonder dat ie ’r zien kon. Op goed geluk af schreeuwde ie maar achter zich uit:—Guurt, denk ’r ’an, allainig de dikste, en dà je skòòn plukt,.… gister he’k nog ’n mandje vòl hoâlt, woar jai al weust wàa’s![76]—Daa’s net! most t’r ook vaif moal of.… heè?.… ’k hep nog boone sneeë, oarebaie plukt!.… sloà stoke.… wortel skoomoakt.… f’skeur dan je pampiere moar hee?.…Dirk gromde maar wat achter z’n groenen erwtenwand, loerde tusschen de dichtbebladerde rijzen uit, of ie t’met ’n puntje van d’r jak kon zien doorschemeren; knakrukte, zacht rondvingerend, toch sekuur, z’n doppers van de fijn-groene steeltjes, dat z’n handen kleefden van vocht. Guurt vlak achter ’m, ook zonder Dirk te zien, stapelde òp, in ’r boezelaar, knielde in moeilijken hurk, laag-zoekend, de vruchtjes tusschen het bladerenkroes en de ranke kronkels in, verwrongen bukkend en tastend onder dicht inééngegroeiden warrel van groen. Haar schoot zwol en ’r paf dik lijf zweette onder de zwaar-afhangende doppervracht, eng bewegend op ’t gloeiheete zandpaadje, waar onkruid bij boschjes tusschen prikte.—Ouë Gerrit plukte met Piet, zacht-zoete fransjes voor de markt, die Dirk den volgenden dag mee zou nemen naar de stad. Twee kerels achter hen áán, wroetten en poerden van de aardbeien naar de kapucijners, wortelen en sla. Stapels kisten purperden en vlamden half uit en in de zon, telkens endjes verder versjouwd in zuchtenden til-zwoeg, naar de luwte.—Stom en geweldig in gesmoorde jacht ging de kniel en hurk van de werkers weer over de akkers en overal vlamde en purperde ’t vuur van de aardbei, in slangekronkels langs ’t lichtstuivende bladgroen van bedjes, heet rood en wond’re brandende kleuren in zonnigen mist, broeierig gouden warmtenevel.Bij Oom Hassel, vlak langs Kees, kroop kindergoedje van zes en zeven, pas aangekomen van verren aardappelenhoek in ’t duin. Hun smoezelige rokjes en broekjes schooierden dof en goor in den kleurdaver en dampende hitte, tegen den fellen schitter van de frisch-dauwvonkende groente ààn.—Aardappelenhoeken stonden in prachtigen òpgroei met d’r rose en witte bloeseming. ’t Zilver-zijïge bladfluweel van tuinboonen, lag blank stroomend tusschen ’t groen, in lange kronkellijn, aan één kant donzig bezilverd. En ’t loof, ruischte en wiegde daar heel zacht, telkens donkergroen en zilver, als regenden[77]’r, in zwierigen val, zwermen duiveveertjes door de lucht. Aan de dikke, schuin-hellende stengels zwollen de vruchten. Zwaar donkergroen, met donzige deukjes en lichtglansjes op wat plekken, builde de tuinboonen-vracht in zacht-donzen vacht.Hier en daar, tusschen zwaar-bevruchten in, stonden groepjes nog in bloeseming als zilverend witte kapelletjes, met git-zwarte zijïge vleugelvlekjes, waar ’t licht òp zoende, stoeide en vrijde.—Roode koolen, slecht opschietend in den zandgrond, stonden prachtig, toch in bladwrong, bij Oom Hassel. Dofpaars-roode dauw, waasde in teerste druivendons over de koolbollen, die òpkropten uit geweldigen bladerenkring. Forsch, in rood, zacht-rozerood, tusschen teerst-groene nerven, vlerkten de bladerenschalen uit.—In wondre lichtglansen wasemden de roode kolen, naast elkaar over de akkers. Heele rijen slangden in bloedroode schijnsels, nevelig doorzond, in paars en groene wazen, gekronkeld in schelpschalen van dof-rood kristal, geweldig uitschulpend rond de kroppen.—Zwart-roode dauw, verpaarste er smeltende glansen in; glansen van blauwig dons naar violetrood, dof satijn, als er opgeademd rag, met tintfijnste kleurpoeier.—Daartusschen, op de pastel-schoone, kleurtintige dauwbladeren, fonkten fèl als brandende parels, vurig gloei-groen en gloei-rood, wat druppels trillend kristal, zwemmend in weerschijnen, rondgestrooid grillig, op dons-doffe, fluweel-vertemperde bladerenwaas van de goddelijke vruchten.In lange rijen, tusschen het fel-lichte groen van losgeplooide kroppen sla, waaronder enkele al, torentjes-spitsig doorschoten, glansde in heerlijken kleurzang ’t krotenloof, stalig rood, violet-licht, weerlichtend in tintdamp van mahonias, dwars door zonschijn omgloeid, als brandde er langs den zandgrond rood-paars fosfor, speelsch àfbliksemend, zonnesprankels; direkt weer omsluierd in waas van èigen kleurfelheid.Tusschen de selderie en peterselie, zoet geurend verwaarloosd nu met aardbeihaal, pluimde onkruid, fijn-blommig en stekelig-wild.Jong groenden spersie- en snijboonenblad, om stokken en[78]latten gerankt, donker-groen, tusschen de fijne, licht smaragden kleur van doppers en kapucijners. Als vastgegroeide reuzespinnen, kroop ’t loof van de sjalotjes de aarde uit, tusschen wat snijboonpaden. En jonge savooie- en spruitkool stond in weelde-groei, doorvreten van rupsen, in angstige wacht op uitdunning, heet-droog in de akkergloeiing.Hier en daar, hoekten heele plekken vervreten als zeeftige bladeren, in citroen-gouden wond’re pracht, sterfzang van loof, bloedrood bevlekt op stengels. In breeden kring reuzigde de rhabarber, zondoortinteld, om zich zelf ’n vleermuizigen schaduwmantel trekkend met ’t groen van z’n schulpend blad. Om vruchtboompjes heen, die stil-bloeiden in langzamen zwel van vruchtjes, bronzige peertjes, groenige appels en pruimen, kringden de bladzware rhabarbers.—Tusschen de rhabarberhoeken in, rankte òp, in rag-krulligen cier, als groene ruche de boerenkool, prachtig-donkere nuance van smaragd, tusschen het zeegroen van kroppen en doppers; tusschen de lichte kleuringen van savooie planten, gelig-groen, late victorias, spruitkool en zomer-kropandijvie in.—De kleurige zomerprei stond uitgeplant, zuiver om de lange schorseneeren, fel-groene sprieten glanzend in ’t licht. In kleine zonnige hoekjes groende de fijn-wolkige fenkel, naast selderie en pieterselie, met z’n pijpige krulblaadjes als gefriseerd in ’t zonnevuur. En scherp kruidde fenkelgeur uit, tusschen den lagen groei van vruchtboompjes, lommerige plekjes, waar dicht opéén, in warmen zonnekoester bloeiden al soorten gewassen. Zoo, in heeten broei, stoofden de aanééngehaagde tuinderijen, warme lichtdampende glanzen uit, als kleur-klatering in diep-lanige oranjerie, waar de zon in rooden brandwalm doorheen vlamt.Van alle kanten droegen de werkers wortelenbossen áán, oranje gloed op ’t fijne loofgroen, natgespoeld in de tobben en kuipen, en zilverparelend bij bergen op de bakken aardbei gesmakt. Tusschen wellustbloei van ’t gewas, groei en heete rijping, holden de werkers heen en weer, in angstige jacht.—Achter ’t groen verdoken, soms plots in ’t warme zonlicht uitschietend[79]op open plek, kleurden hoeien en beenbrokken òp, gekromde ruggetjes van kinders, als zwerm ijverige bijtjes purend over de akkers.Net barstte Willem Hassel uit tegen ’n zusje, woedend dat ie ’r had zien aardbeien snoepen, ’t ruggetje gekromd, argeloos en droomrig starend op de vruchtjes.——Is da’ wond’r da’ die soo moager kaikt aa’s s’n tang, schreeuwde ie naar z’n broer,—die frait te veul oarbaie, sai kraig t’met veul te veul nuwt bloed hee?.… sloàn d’r de dinge uit t’r poote.…—Krik f’rdorie, loâ hullie moar fraite, aa’s hullie d’r senie in hebbe, komp bai de huur t’regt.… wa’ jou?… goeiïgde Jan, de dikbullige jonge broer.—Nee.… die bai joù doàr, daa’s main ’n lekkere.… ’n happie.… da’ he’k f’murge van lust!…—Wa’ noù dan! vroeg nieuwsgierig Willem.—Nou, stootte Jan er stem-dof uit, handen vol roodvochtige aarbeien wegkogelend in de slofjes,—dâ baist is soo sels, hee?… Wâ he’k roepe om half vier!… krik f’rdorie! die was d’r mi’ de mestvork nie uit te staike.… en Trien òòk nie.…—Há’ je moar ’n emmer woàter over d’r kop uitsmaite motte! saine sullie t’met wassche ook, grinnikte Willem venijnig.—Krik f’rdorie.… jai kookt ook nie goar!… je skraiuwt van kruis en munt, wà’ jou?.. da sullie d’r t’met ’n stuip bai oploope hee?.… mó’ je màin juùstig veur hebbe!… Nee, moeder hep hullie ’t netjes lapt.… krik f’rdori!… se hep sullie mit d’r sloapkoppe en d’r ooge puur toe, hep sai d’r éen veur één op de natte stroatsteene set.… krik f’rdorie.… je ha’ hullie ’n smoel motte sien sette.… aa’s ’n kikker op ’n kluitje! se woàre wakker hoor!.… p’rdoes! en Trien.… die aêre.… nee.… die ha’ d’r slinger!…Toos en Trien, twee meisjes, van tien en negen, gebogen over hun bedjes in jachtigen pluk, luisterden, deden toch net of ze niet verstonden. Elken ochtend had moeder verschrikkelijk met ze te doen. Ze konden maar niet uit hun zwaren slaap wakker. Als ze geroepen, met porren opgeschreeuwd werden, grienden ze van slaap en vermoeienis. Soms half gekleed, met[80]de kousen in de hand, vielen ze weer loom terug in de peluw, snurkten ze weer dóór, om in angstbui op te schrikken als plots stem van moeder of broer bulderde achter bedsteegordijntje. Van morgen was ’t bar geweest. Toos en Trien hadden er niet uit gekund. Moeder had ze geranseld, gevloekt, gebonkerd met ’r knuisten tegen beddeplank, ’t gaf niets.—Telkens weer waren ze ingesnurkt. Toen plots had moeder, éen voor éen, woest-nijdig in den nek gepakt en slapend, met de bloote voetjes op de koue stoep van de straat gezet, in d’r ponnetjes, dat ze huiverend grienden, niet wisten waar ze plots stonden.Nou had Jan ’t verteld aan Willem, en Toos had willen antwoorden dat de meisjes van Straik en Toomaas òòk eerst om vijf uur opstonden en dat ’t bij die lui, niet eens tien uur wier, eer ze naar bed gingen. Maar ze durfde niets zeggen, bang dat Willem ’r nog ’n pak slaag zou geven. Toch schuchterde talmend, Trien uit, met ’n zenuwachtig huilgilletje in ’r stem.—Nou.… bai Hulse en Toomaas magge de maissies.… magge sullie tut vaif uur.… vaif uur sloape!… enne wai binne doodmoei.… wai kanne nie woàkker om bai hallef vier.… ikke hep sukke bloare àn.…—Hou je bek, hufter! snauwde Willem, ’n mand aardbeien achter z’n hielen zettend,—’t is altait vet in ’n aeremans pot hee? Morge pirsint, of jullie sel ’t weute.… snurkers!—Krik f’rdorie!.. je sel veul van hullie hoale hee?.. Trek jai d’rais faire van ’n kikkerbil! lachte Jan, z’n dikke lijf goeiig schuddelachend en z’n kop inwrijvend met zweet van z’n hand.—D’r sel t’met ’n onwairtje rolle, stootte zwaar-gapend ’n plukker naast Jan uit,—’t is broeis hai?… saa’k f’rbrande aas’k ’t ooit soo hait had hep.… ikke leg te swemme puur in main swait hee?—Nou, onwair da’ sî nog.… bromde Jan, naar de lucht kijkend waar wolken paarsig samendrongen,—ik voel niks, heulegoar niks an main groote toon.—Jou toon deug nie.… laa’k je nie in je nek naime.…—Sou ’k je ook puur nie roàje hee! ikke waig t’met tweehonderd vaiftig pond!…[81]Tweede schoft was snel afgejakkerd in hagenluwte.—Ouë Gerrit had loenscherig rondgekeken, wou niet dat de plukkers en de kerels lang kauwen bleven. Naast ’m, bij z’n broer, kropen ze al weer in de paadjes. Nou moesten de werkers wat opgepord. Hij joeg.—Er zat onrust in z’n handen, onrust in z’n lijf, omdat ie werking voelde in de lucht, waar zwaar gewolk doorheen grauwde.—Tot vier uur bleef er stomme stilte onder de zwoegers. Plots van allen kant kwam er windwarrel opzetten, die gloeikolkerig zand over de akkers heenhoosde. Duisterende groening, angstig geel-donker wolkgestapel, stond rond den horizon gebouwd als grauwe vestingen en forten. Stug vreemd licht, met paarsgeligen glans in zonkant, kwam de akkers grillig beschijnselen, heele brokken in fellen valschen zilverbrand verfonkelend. In regenhel licht, groenden boomen, hagen en gewas rondom. Er zat benauwing, droog nog, en angstige werking in de lucht, en snik-heet doorstoofd, verstoft, slapte ’t lage gras en wild gestruik aan de akkerpaden.De werkers, plots onder geweldig gelige wolk-zwavel verkleurd, tusschen het demonische fel-zilverend groen, voelden prangenden druk en smoorhitte in ’t hemelruim, woeste werking vlak bòven hun koppen en velen van hen, angstigden en beefden in de handen en beenen, als ging er ontlading en uitbarsting van onweer, kramperig en gejaagd, éérst door hùn lijven.Ouë Gerrit vooral had zich den heelen dag al onrustig opgejaagd gevoeld. Onweer woelde in hèm uren vooruit. Angstig was ie van z’n plukbed versprongen naar Dirk toe. En aldoor keek ie òp naar de paarsgele luchtdreiging, ver uitgewelfd, geweldig boven de akkers, die heel ’t diepe luchtblauw weggeslurpt had. Heftige warrelwind, droog en stuivend in wilden loei, ging telkens door de boomen, uitgolvend zeegedruisch dat aanzwellen kwam sterker, al sterker over de akkers, ziedend uit ’t bange geel-groenige laantjesduister.Al benauwder voelde Gerrit zich worden, banger, in wurgenden angst, als droeg ie boomen en luchtzwaarte op z’n hoofd;[82]als stortte straks ’t heele uitspansel boven ’m in, op zìjn kop neerdonderend, hem alléén verpletterend. Hij telde maar, z’n handen tot vuisten in z’n zakken gekneld: een-twéé, drie-víér, vaif-zès, tot tien, rhytmisch maniakaal, telkens heen en terug, van tien weer naar één, uit zenuwbange gejaagdheid, om ièts toch te doen, te doèn.… dat ’t onweer afleiden kon, die bange, nare, donkere lucht.—’t Verveelde ’m, maakte ’m benauwder, dat tellen, en toch bleef ie ’t doen … Hij moèst ’t doen heen en terug,inde benauwing. Plots voelde Gerrit,—bij dreigender hemeldonker, dat de akkers angstiger vergrauwden,—alsof ie in ’n wolkzee moest stappen en drinken, drinken, water, niets dan water. Hij lustte ’t niet en toch moest ie drinken, drinken, tot ie z’n buik voelde zwellen, z’n darmen rammelen, z’n adem weghokken en warmtewaas voor z’n oogen nevelen. Dan inéén weer, telde ie van één tot tien—heen en terug, rhytmisch uitstootend: een-twéé, zooals ie ’t eens een paar polderkerels had hooren uitzingen bij ophijschen van palen. En telkens voelde ie andere, angstige dingen. Nou weer alsof ze stroomen ijskoud water over ’m uitstortten. Hij rilde, snikte, z’n adem brak ’m in z’n keel, z’n rug verstijfde, net of z’n hart even bleef stilstaan, en hij stikken moest.—Hij voèlde zich bleek zijn, akelig naar bleek, en telkens dacht ie ’r aan, of de regen, die ’r nou kwam, wel ooit zou ophouen. Of niet alles verstroomen ging, de heele wereld wegregende, dooreenspoelde, de lucht, de aarde, ’t groen, ’t land in de wolken en z’n huisje, z’n spullen, alles wèg, alles door elkaar, één eeuwige, natte vuile warrel van verstroomende dingen.—Heen en weer liep ie, dol-angstig als plots zoo vreemd z’n hart stil bleef staan. De kerels keken naar hem; dat voelde ie wel. Toch wou ie zich goed houên, zorgen dat ze niet te veel van z’n angsten zien konden. Dat kwam nou altijd weer terug bij onweer, dat jaag-angstige, wurgend-angstige gevoel, dat onbestemd bange, alsof ie ’n moord had gedaan.—Hoe donkerder de lucht werd, hoe langer regen en bliksem wegbleven tusschen den droog-donkeren woesten windwarrel en het waai-bange boomgedruisch, dat golfde, gòlfde door de duistere[83]middaglucht om ’m heen,—hoe benauwder ie werd. Nou wilde hij zich verschuilen, de luchtdreiging niet meer zien, die donkere wolkenforten niet. Nou wilde hij zich wel ergens ingraven, in z’n kelder met ’t luikje dicht, dathijden bliksem niet zag en de bliksem hèm niet kon pakken! O! als de dood was ie ’r voor, als de dood! Te sidderen stond ie en ’t akelig-valsche licht maakte ’m bijna misselijk. Guurt was ook bang, heel bang voor onweer, en telkens keek ze naar den hemel, of er niet wat wegdreef van ’t donkere gewolk, er niet wat blauw òpklaarde.—Kees bleef strak, in werkrust, als gebeurde er niets in lucht en aarde om ’m. Bak voor bak sjouwde ie met Dirk áán, naar ’t pad.—Aa’s dur moar eerst op de boot is maane, veùr de bui, vibreerde angstig-klam stem van ouë Gerrit, goeiig tegen Kees, dien hij anders nooit aansprak.—Seur nie, snauwde Dirk, komp’r aa’s aêrs, hee?—Wee’k soo net nie.… wee’k soo net nie.… kaik de lucht hee?.. hoho! die is t’met vuil!.…—Loop rond mi’ je lucht.… wa’ ken main je lucht skele, woedde Dirk achteruitgeduwd door Kees, met aardbeibak tusschen ze in, in sjouw naar ’t pad.—Hier, neenet Kees, hier!.… soo … daa’s weer ’n aêre … boofe die bak.… Net soo!… ik mo’ nog main boome ansette!Veertien bakken aardbei waren aangesjouwd. Breed raam van platte boomen, bonkte Dirk in hurriënden til op z’n kar. Al meer moest ie opladen, van vòòr, ver buiten de wielen, van achter, tot aan de kruk. Toen ie z’n raam op de kar geslagen had sjouwden Kees en Dirk bak voor bak aardbei òp, dof-angstig rood nu in ’t luchtdonker, sla-stapels en zakken met doppers op elkaar, en hoog boven de kisten weer wortelenbossen, nat nog, oranje bergjes op ’t groen van loof en kroppen.—Vreemd schril, in woest-valsche lichtglanzing, fel goud-dampig, was zon achter paarse wolkbreuk plots doorgeschuimd. Blauwige gaten spoelden weer tusschen het dreigduister open. Ouë Gerrit luchtte òp. Er gebeurde iets in de lucht, waarop[84]ie niet meer gerekend had. Net of ’t onweer ging wegdrijven. Om de kerels had ie rondgedrenteld, ze in z’n tel-rhytme: een-twéé, drie-víér, precies afmetend toegesproken, loopend en bewegend op maat, en hun allerlei kleinigheidjes aangereikt. Als ’t niet uitkwam met z’n tel, had ie ’t precies weer overgedaan nòg eens en nòg eens, tot ie ’r zelf misselijk van werd. Toen plots de lucht inkijkend, zag ie ’t opklaren, ’n blauw plekje hier en daar. O! wat voelde ie zich lekker opluchten.—Z’n borst weer loosde ademen. Ongevraagd, uit blijigheid, hielp ie goed mee, sprak ie druk, maakte grapjes uit zenuwachtige volheid, zonder dat de kerels ’r iets van begrepen.—Tellen deéd ie niet meer, voelde ie niet meer te moèten, nou ’r niks af te leiden was, weg te duwen viel uit z’n wurg-angst.—Hoog stond de kar opgeladen, met z’n druipend groen en wortelenrood op ’t weer eronder uitvonkend aardbeivuur, in valsch-fel lichtgoud en duister-dreigende wolkenhallen. De wind was gaan liggen. Dòf nog ruischten de kruinen.—Met stootduwen in geweldige spierspanning, schoften krommig ingedrukt, lijf schuin vóór bakkenvracht, hand om karkruk geklauwd, zuchtend en ademuitpersend, ’t hoofd rood gezwollen, z’n beenpezen in strammen span, scheef-jukkig de schouders naar achter gerukt,—zette Dirk de zware kar in beweging, bonkerde ie, ’t heele lichaam kreupel, ineengekrampt, kracht uitstootend vóórt, over ’t zandpad naar den weg, ’n jochie vooròp dat met z’n rug naar de kisten aan de verleng-boomen meetrok. Aan de krukhaak sleepte Dirk nog mee, mandjes met selderie en pieterselie, geurend rond ’t schokkerig wielgeraas.—Vóór de kar uit, zwiepten lichtelijk de boomen, wiegden de aardbeibakken en telkens moest Dirk z’n kop bijzij de kistuitstapeling buigen, om te zien waar ie reed. Guurt wou ’t helpertje, dat even de kar zandpad had uitgetrokken, niet missen met den pluk, zoodat hij dubbel uit moest zien achter z’n berg-zware stapeling. Bij helling van den weg, leunde ie met gestrekte armen en kin, bloedloos uitgedrukt, òp de kisten, zwaar persend en hangend aan z’n kruk, loerend bijzij telkens, of ie nergens tegen opbonkte. Dàn weer kromde ie z’n lijf in,[85]stootte z’n klauwen òp, stond ie met één gestrekt achterbeen hoogten op te rijden, de heele karrevracht tegen z’n buik, borst en schoften gestut, in hevigen span van pezen, de nijdige chineesch-jukkige kaken beverig van krachtspanning, z’n tronie rood aangezwollen, langzaam duwend, dùwend.…Dood van zweet en gebroken van hitte bonkerde en ratelde eindelijk z’n kar de Haven òp.—
Zenuwachtiger jacht van werkdrift steeg, stéég. Ploetering waanzinde rond onder de tuinders. Alles moest geplukt, stond in vollen bloei.—Koortsend duivelde rond de pluk van aardbeien, doppers, kapucijners, tuinboonen, peulen, wortelen, postelijn.
Ouë Gerrit stond van drie uur met de jongens en twee helpers op ’t Beekbrok, naast Oom Hassel. Guurt kwam elken ochtend later, zorgde eerst nog voor de bedden en vaten, ging tegen elf uur weer weg om aardappels op te zetten en groenten te stoven.—Dirk stond nog vòòr het eerste schoft, doppers te plukken, tusschen de hoog-uitgegroeide rijze-paden, waar, tegen den middag, groen schemerlicht waasde, maar ’s morgens de zon op neerschroeide. Hij blies van puffe benauwing. Rond ’m rankten de doppers uit, de teere, dof-groene vruchtjes, mollig-zacht. Snel woelden z’n armen door de ranken, knakte ie vlug de schepseltjes eraf, z’n handen vol heet-zachte, week-geurende groentjes. Bij elken vollen haal smeet ie ’n vracht neer in z’n mandje naast z’n beenen, dat meeschoof bij elken stap dien hij deed, tusschen goud-groen zonnig padje. Guurt hielp mee, in ’n ander laantje, met ’n groot blauw boezelaar om ’r lijf gespannen, waarin ze vlùg de geplukte doppers oppropte. Dirk hoorde ’t trillend geritsel van ’r handen tusschen de ranken, ’t knak-geluid van ’r pluk achter ’t dichtgegroeide doorzonde groen, zonder dat ie ’r zien kon. Op goed geluk af schreeuwde ie maar achter zich uit:
—Guurt, denk ’r ’an, allainig de dikste, en dà je skòòn plukt,.… gister he’k nog ’n mandje vòl hoâlt, woar jai al weust wàa’s![76]
—Daa’s net! most t’r ook vaif moal of.… heè?.… ’k hep nog boone sneeë, oarebaie plukt!.… sloà stoke.… wortel skoomoakt.… f’skeur dan je pampiere moar hee?.…
Dirk gromde maar wat achter z’n groenen erwtenwand, loerde tusschen de dichtbebladerde rijzen uit, of ie t’met ’n puntje van d’r jak kon zien doorschemeren; knakrukte, zacht rondvingerend, toch sekuur, z’n doppers van de fijn-groene steeltjes, dat z’n handen kleefden van vocht. Guurt vlak achter ’m, ook zonder Dirk te zien, stapelde òp, in ’r boezelaar, knielde in moeilijken hurk, laag-zoekend, de vruchtjes tusschen het bladerenkroes en de ranke kronkels in, verwrongen bukkend en tastend onder dicht inééngegroeiden warrel van groen. Haar schoot zwol en ’r paf dik lijf zweette onder de zwaar-afhangende doppervracht, eng bewegend op ’t gloeiheete zandpaadje, waar onkruid bij boschjes tusschen prikte.—Ouë Gerrit plukte met Piet, zacht-zoete fransjes voor de markt, die Dirk den volgenden dag mee zou nemen naar de stad. Twee kerels achter hen áán, wroetten en poerden van de aardbeien naar de kapucijners, wortelen en sla. Stapels kisten purperden en vlamden half uit en in de zon, telkens endjes verder versjouwd in zuchtenden til-zwoeg, naar de luwte.—Stom en geweldig in gesmoorde jacht ging de kniel en hurk van de werkers weer over de akkers en overal vlamde en purperde ’t vuur van de aardbei, in slangekronkels langs ’t lichtstuivende bladgroen van bedjes, heet rood en wond’re brandende kleuren in zonnigen mist, broeierig gouden warmtenevel.
Bij Oom Hassel, vlak langs Kees, kroop kindergoedje van zes en zeven, pas aangekomen van verren aardappelenhoek in ’t duin. Hun smoezelige rokjes en broekjes schooierden dof en goor in den kleurdaver en dampende hitte, tegen den fellen schitter van de frisch-dauwvonkende groente ààn.—
Aardappelenhoeken stonden in prachtigen òpgroei met d’r rose en witte bloeseming. ’t Zilver-zijïge bladfluweel van tuinboonen, lag blank stroomend tusschen ’t groen, in lange kronkellijn, aan één kant donzig bezilverd. En ’t loof, ruischte en wiegde daar heel zacht, telkens donkergroen en zilver, als regenden[77]’r, in zwierigen val, zwermen duiveveertjes door de lucht. Aan de dikke, schuin-hellende stengels zwollen de vruchten. Zwaar donkergroen, met donzige deukjes en lichtglansjes op wat plekken, builde de tuinboonen-vracht in zacht-donzen vacht.
Hier en daar, tusschen zwaar-bevruchten in, stonden groepjes nog in bloeseming als zilverend witte kapelletjes, met git-zwarte zijïge vleugelvlekjes, waar ’t licht òp zoende, stoeide en vrijde.—Roode koolen, slecht opschietend in den zandgrond, stonden prachtig, toch in bladwrong, bij Oom Hassel. Dofpaars-roode dauw, waasde in teerste druivendons over de koolbollen, die òpkropten uit geweldigen bladerenkring. Forsch, in rood, zacht-rozerood, tusschen teerst-groene nerven, vlerkten de bladerenschalen uit.—
In wondre lichtglansen wasemden de roode kolen, naast elkaar over de akkers. Heele rijen slangden in bloedroode schijnsels, nevelig doorzond, in paars en groene wazen, gekronkeld in schelpschalen van dof-rood kristal, geweldig uitschulpend rond de kroppen.—Zwart-roode dauw, verpaarste er smeltende glansen in; glansen van blauwig dons naar violetrood, dof satijn, als er opgeademd rag, met tintfijnste kleurpoeier.—
Daartusschen, op de pastel-schoone, kleurtintige dauwbladeren, fonkten fèl als brandende parels, vurig gloei-groen en gloei-rood, wat druppels trillend kristal, zwemmend in weerschijnen, rondgestrooid grillig, op dons-doffe, fluweel-vertemperde bladerenwaas van de goddelijke vruchten.
In lange rijen, tusschen het fel-lichte groen van losgeplooide kroppen sla, waaronder enkele al, torentjes-spitsig doorschoten, glansde in heerlijken kleurzang ’t krotenloof, stalig rood, violet-licht, weerlichtend in tintdamp van mahonias, dwars door zonschijn omgloeid, als brandde er langs den zandgrond rood-paars fosfor, speelsch àfbliksemend, zonnesprankels; direkt weer omsluierd in waas van èigen kleurfelheid.
Tusschen de selderie en peterselie, zoet geurend verwaarloosd nu met aardbeihaal, pluimde onkruid, fijn-blommig en stekelig-wild.
Jong groenden spersie- en snijboonenblad, om stokken en[78]latten gerankt, donker-groen, tusschen de fijne, licht smaragden kleur van doppers en kapucijners. Als vastgegroeide reuzespinnen, kroop ’t loof van de sjalotjes de aarde uit, tusschen wat snijboonpaden. En jonge savooie- en spruitkool stond in weelde-groei, doorvreten van rupsen, in angstige wacht op uitdunning, heet-droog in de akkergloeiing.
Hier en daar, hoekten heele plekken vervreten als zeeftige bladeren, in citroen-gouden wond’re pracht, sterfzang van loof, bloedrood bevlekt op stengels. In breeden kring reuzigde de rhabarber, zondoortinteld, om zich zelf ’n vleermuizigen schaduwmantel trekkend met ’t groen van z’n schulpend blad. Om vruchtboompjes heen, die stil-bloeiden in langzamen zwel van vruchtjes, bronzige peertjes, groenige appels en pruimen, kringden de bladzware rhabarbers.—Tusschen de rhabarberhoeken in, rankte òp, in rag-krulligen cier, als groene ruche de boerenkool, prachtig-donkere nuance van smaragd, tusschen het zeegroen van kroppen en doppers; tusschen de lichte kleuringen van savooie planten, gelig-groen, late victorias, spruitkool en zomer-kropandijvie in.—
De kleurige zomerprei stond uitgeplant, zuiver om de lange schorseneeren, fel-groene sprieten glanzend in ’t licht. In kleine zonnige hoekjes groende de fijn-wolkige fenkel, naast selderie en pieterselie, met z’n pijpige krulblaadjes als gefriseerd in ’t zonnevuur. En scherp kruidde fenkelgeur uit, tusschen den lagen groei van vruchtboompjes, lommerige plekjes, waar dicht opéén, in warmen zonnekoester bloeiden al soorten gewassen. Zoo, in heeten broei, stoofden de aanééngehaagde tuinderijen, warme lichtdampende glanzen uit, als kleur-klatering in diep-lanige oranjerie, waar de zon in rooden brandwalm doorheen vlamt.
Van alle kanten droegen de werkers wortelenbossen áán, oranje gloed op ’t fijne loofgroen, natgespoeld in de tobben en kuipen, en zilverparelend bij bergen op de bakken aardbei gesmakt. Tusschen wellustbloei van ’t gewas, groei en heete rijping, holden de werkers heen en weer, in angstige jacht.—Achter ’t groen verdoken, soms plots in ’t warme zonlicht uitschietend[79]op open plek, kleurden hoeien en beenbrokken òp, gekromde ruggetjes van kinders, als zwerm ijverige bijtjes purend over de akkers.
Net barstte Willem Hassel uit tegen ’n zusje, woedend dat ie ’r had zien aardbeien snoepen, ’t ruggetje gekromd, argeloos en droomrig starend op de vruchtjes.—
—Is da’ wond’r da’ die soo moager kaikt aa’s s’n tang, schreeuwde ie naar z’n broer,—die frait te veul oarbaie, sai kraig t’met veul te veul nuwt bloed hee?.… sloàn d’r de dinge uit t’r poote.…
—Krik f’rdorie, loâ hullie moar fraite, aa’s hullie d’r senie in hebbe, komp bai de huur t’regt.… wa’ jou?… goeiïgde Jan, de dikbullige jonge broer.—Nee.… die bai joù doàr, daa’s main ’n lekkere.… ’n happie.… da’ he’k f’murge van lust!…
—Wa’ noù dan! vroeg nieuwsgierig Willem.
—Nou, stootte Jan er stem-dof uit, handen vol roodvochtige aarbeien wegkogelend in de slofjes,—dâ baist is soo sels, hee?… Wâ he’k roepe om half vier!… krik f’rdorie! die was d’r mi’ de mestvork nie uit te staike.… en Trien òòk nie.…
—Há’ je moar ’n emmer woàter over d’r kop uitsmaite motte! saine sullie t’met wassche ook, grinnikte Willem venijnig.
—Krik f’rdorie.… jai kookt ook nie goar!… je skraiuwt van kruis en munt, wà’ jou?.. da sullie d’r t’met ’n stuip bai oploope hee?.… mó’ je màin juùstig veur hebbe!… Nee, moeder hep hullie ’t netjes lapt.… krik f’rdori!… se hep sullie mit d’r sloapkoppe en d’r ooge puur toe, hep sai d’r éen veur één op de natte stroatsteene set.… krik f’rdorie.… je ha’ hullie ’n smoel motte sien sette.… aa’s ’n kikker op ’n kluitje! se woàre wakker hoor!.… p’rdoes! en Trien.… die aêre.… nee.… die ha’ d’r slinger!…
Toos en Trien, twee meisjes, van tien en negen, gebogen over hun bedjes in jachtigen pluk, luisterden, deden toch net of ze niet verstonden. Elken ochtend had moeder verschrikkelijk met ze te doen. Ze konden maar niet uit hun zwaren slaap wakker. Als ze geroepen, met porren opgeschreeuwd werden, grienden ze van slaap en vermoeienis. Soms half gekleed, met[80]de kousen in de hand, vielen ze weer loom terug in de peluw, snurkten ze weer dóór, om in angstbui op te schrikken als plots stem van moeder of broer bulderde achter bedsteegordijntje. Van morgen was ’t bar geweest. Toos en Trien hadden er niet uit gekund. Moeder had ze geranseld, gevloekt, gebonkerd met ’r knuisten tegen beddeplank, ’t gaf niets.—Telkens weer waren ze ingesnurkt. Toen plots had moeder, éen voor éen, woest-nijdig in den nek gepakt en slapend, met de bloote voetjes op de koue stoep van de straat gezet, in d’r ponnetjes, dat ze huiverend grienden, niet wisten waar ze plots stonden.
Nou had Jan ’t verteld aan Willem, en Toos had willen antwoorden dat de meisjes van Straik en Toomaas òòk eerst om vijf uur opstonden en dat ’t bij die lui, niet eens tien uur wier, eer ze naar bed gingen. Maar ze durfde niets zeggen, bang dat Willem ’r nog ’n pak slaag zou geven. Toch schuchterde talmend, Trien uit, met ’n zenuwachtig huilgilletje in ’r stem.
—Nou.… bai Hulse en Toomaas magge de maissies.… magge sullie tut vaif uur.… vaif uur sloape!… enne wai binne doodmoei.… wai kanne nie woàkker om bai hallef vier.… ikke hep sukke bloare àn.…
—Hou je bek, hufter! snauwde Willem, ’n mand aardbeien achter z’n hielen zettend,—’t is altait vet in ’n aeremans pot hee? Morge pirsint, of jullie sel ’t weute.… snurkers!
—Krik f’rdorie!.. je sel veul van hullie hoale hee?.. Trek jai d’rais faire van ’n kikkerbil! lachte Jan, z’n dikke lijf goeiig schuddelachend en z’n kop inwrijvend met zweet van z’n hand.
—D’r sel t’met ’n onwairtje rolle, stootte zwaar-gapend ’n plukker naast Jan uit,—’t is broeis hai?… saa’k f’rbrande aas’k ’t ooit soo hait had hep.… ikke leg te swemme puur in main swait hee?
—Nou, onwair da’ sî nog.… bromde Jan, naar de lucht kijkend waar wolken paarsig samendrongen,—ik voel niks, heulegoar niks an main groote toon.
—Jou toon deug nie.… laa’k je nie in je nek naime.…
—Sou ’k je ook puur nie roàje hee! ikke waig t’met tweehonderd vaiftig pond!…[81]
Tweede schoft was snel afgejakkerd in hagenluwte.—Ouë Gerrit had loenscherig rondgekeken, wou niet dat de plukkers en de kerels lang kauwen bleven. Naast ’m, bij z’n broer, kropen ze al weer in de paadjes. Nou moesten de werkers wat opgepord. Hij joeg.—Er zat onrust in z’n handen, onrust in z’n lijf, omdat ie werking voelde in de lucht, waar zwaar gewolk doorheen grauwde.—
Tot vier uur bleef er stomme stilte onder de zwoegers. Plots van allen kant kwam er windwarrel opzetten, die gloeikolkerig zand over de akkers heenhoosde. Duisterende groening, angstig geel-donker wolkgestapel, stond rond den horizon gebouwd als grauwe vestingen en forten. Stug vreemd licht, met paarsgeligen glans in zonkant, kwam de akkers grillig beschijnselen, heele brokken in fellen valschen zilverbrand verfonkelend. In regenhel licht, groenden boomen, hagen en gewas rondom. Er zat benauwing, droog nog, en angstige werking in de lucht, en snik-heet doorstoofd, verstoft, slapte ’t lage gras en wild gestruik aan de akkerpaden.
De werkers, plots onder geweldig gelige wolk-zwavel verkleurd, tusschen het demonische fel-zilverend groen, voelden prangenden druk en smoorhitte in ’t hemelruim, woeste werking vlak bòven hun koppen en velen van hen, angstigden en beefden in de handen en beenen, als ging er ontlading en uitbarsting van onweer, kramperig en gejaagd, éérst door hùn lijven.
Ouë Gerrit vooral had zich den heelen dag al onrustig opgejaagd gevoeld. Onweer woelde in hèm uren vooruit. Angstig was ie van z’n plukbed versprongen naar Dirk toe. En aldoor keek ie òp naar de paarsgele luchtdreiging, ver uitgewelfd, geweldig boven de akkers, die heel ’t diepe luchtblauw weggeslurpt had. Heftige warrelwind, droog en stuivend in wilden loei, ging telkens door de boomen, uitgolvend zeegedruisch dat aanzwellen kwam sterker, al sterker over de akkers, ziedend uit ’t bange geel-groenige laantjesduister.
Al benauwder voelde Gerrit zich worden, banger, in wurgenden angst, als droeg ie boomen en luchtzwaarte op z’n hoofd;[82]als stortte straks ’t heele uitspansel boven ’m in, op zìjn kop neerdonderend, hem alléén verpletterend. Hij telde maar, z’n handen tot vuisten in z’n zakken gekneld: een-twéé, drie-víér, vaif-zès, tot tien, rhytmisch maniakaal, telkens heen en terug, van tien weer naar één, uit zenuwbange gejaagdheid, om ièts toch te doen, te doèn.… dat ’t onweer afleiden kon, die bange, nare, donkere lucht.—’t Verveelde ’m, maakte ’m benauwder, dat tellen, en toch bleef ie ’t doen … Hij moèst ’t doen heen en terug,inde benauwing. Plots voelde Gerrit,—bij dreigender hemeldonker, dat de akkers angstiger vergrauwden,—alsof ie in ’n wolkzee moest stappen en drinken, drinken, water, niets dan water. Hij lustte ’t niet en toch moest ie drinken, drinken, tot ie z’n buik voelde zwellen, z’n darmen rammelen, z’n adem weghokken en warmtewaas voor z’n oogen nevelen. Dan inéén weer, telde ie van één tot tien—heen en terug, rhytmisch uitstootend: een-twéé, zooals ie ’t eens een paar polderkerels had hooren uitzingen bij ophijschen van palen. En telkens voelde ie andere, angstige dingen. Nou weer alsof ze stroomen ijskoud water over ’m uitstortten. Hij rilde, snikte, z’n adem brak ’m in z’n keel, z’n rug verstijfde, net of z’n hart even bleef stilstaan, en hij stikken moest.—Hij voèlde zich bleek zijn, akelig naar bleek, en telkens dacht ie ’r aan, of de regen, die ’r nou kwam, wel ooit zou ophouen. Of niet alles verstroomen ging, de heele wereld wegregende, dooreenspoelde, de lucht, de aarde, ’t groen, ’t land in de wolken en z’n huisje, z’n spullen, alles wèg, alles door elkaar, één eeuwige, natte vuile warrel van verstroomende dingen.—
Heen en weer liep ie, dol-angstig als plots zoo vreemd z’n hart stil bleef staan. De kerels keken naar hem; dat voelde ie wel. Toch wou ie zich goed houên, zorgen dat ze niet te veel van z’n angsten zien konden. Dat kwam nou altijd weer terug bij onweer, dat jaag-angstige, wurgend-angstige gevoel, dat onbestemd bange, alsof ie ’n moord had gedaan.—Hoe donkerder de lucht werd, hoe langer regen en bliksem wegbleven tusschen den droog-donkeren woesten windwarrel en het waai-bange boomgedruisch, dat golfde, gòlfde door de duistere[83]middaglucht om ’m heen,—hoe benauwder ie werd. Nou wilde hij zich verschuilen, de luchtdreiging niet meer zien, die donkere wolkenforten niet. Nou wilde hij zich wel ergens ingraven, in z’n kelder met ’t luikje dicht, dathijden bliksem niet zag en de bliksem hèm niet kon pakken! O! als de dood was ie ’r voor, als de dood! Te sidderen stond ie en ’t akelig-valsche licht maakte ’m bijna misselijk. Guurt was ook bang, heel bang voor onweer, en telkens keek ze naar den hemel, of er niet wat wegdreef van ’t donkere gewolk, er niet wat blauw òpklaarde.—
Kees bleef strak, in werkrust, als gebeurde er niets in lucht en aarde om ’m. Bak voor bak sjouwde ie met Dirk áán, naar ’t pad.
—Aa’s dur moar eerst op de boot is maane, veùr de bui, vibreerde angstig-klam stem van ouë Gerrit, goeiig tegen Kees, dien hij anders nooit aansprak.
—Seur nie, snauwde Dirk, komp’r aa’s aêrs, hee?
—Wee’k soo net nie.… wee’k soo net nie.… kaik de lucht hee?.. hoho! die is t’met vuil!.…
—Loop rond mi’ je lucht.… wa’ ken main je lucht skele, woedde Dirk achteruitgeduwd door Kees, met aardbeibak tusschen ze in, in sjouw naar ’t pad.
—Hier, neenet Kees, hier!.… soo … daa’s weer ’n aêre … boofe die bak.… Net soo!… ik mo’ nog main boome ansette!
Veertien bakken aardbei waren aangesjouwd. Breed raam van platte boomen, bonkte Dirk in hurriënden til op z’n kar. Al meer moest ie opladen, van vòòr, ver buiten de wielen, van achter, tot aan de kruk. Toen ie z’n raam op de kar geslagen had sjouwden Kees en Dirk bak voor bak aardbei òp, dof-angstig rood nu in ’t luchtdonker, sla-stapels en zakken met doppers op elkaar, en hoog boven de kisten weer wortelenbossen, nat nog, oranje bergjes op ’t groen van loof en kroppen.—
Vreemd schril, in woest-valsche lichtglanzing, fel goud-dampig, was zon achter paarse wolkbreuk plots doorgeschuimd. Blauwige gaten spoelden weer tusschen het dreigduister open. Ouë Gerrit luchtte òp. Er gebeurde iets in de lucht, waarop[84]ie niet meer gerekend had. Net of ’t onweer ging wegdrijven. Om de kerels had ie rondgedrenteld, ze in z’n tel-rhytme: een-twéé, drie-víér, precies afmetend toegesproken, loopend en bewegend op maat, en hun allerlei kleinigheidjes aangereikt. Als ’t niet uitkwam met z’n tel, had ie ’t precies weer overgedaan nòg eens en nòg eens, tot ie ’r zelf misselijk van werd. Toen plots de lucht inkijkend, zag ie ’t opklaren, ’n blauw plekje hier en daar. O! wat voelde ie zich lekker opluchten.—Z’n borst weer loosde ademen. Ongevraagd, uit blijigheid, hielp ie goed mee, sprak ie druk, maakte grapjes uit zenuwachtige volheid, zonder dat de kerels ’r iets van begrepen.—Tellen deéd ie niet meer, voelde ie niet meer te moèten, nou ’r niks af te leiden was, weg te duwen viel uit z’n wurg-angst.—
Hoog stond de kar opgeladen, met z’n druipend groen en wortelenrood op ’t weer eronder uitvonkend aardbeivuur, in valsch-fel lichtgoud en duister-dreigende wolkenhallen. De wind was gaan liggen. Dòf nog ruischten de kruinen.—Met stootduwen in geweldige spierspanning, schoften krommig ingedrukt, lijf schuin vóór bakkenvracht, hand om karkruk geklauwd, zuchtend en ademuitpersend, ’t hoofd rood gezwollen, z’n beenpezen in strammen span, scheef-jukkig de schouders naar achter gerukt,—zette Dirk de zware kar in beweging, bonkerde ie, ’t heele lichaam kreupel, ineengekrampt, kracht uitstootend vóórt, over ’t zandpad naar den weg, ’n jochie vooròp dat met z’n rug naar de kisten aan de verleng-boomen meetrok. Aan de krukhaak sleepte Dirk nog mee, mandjes met selderie en pieterselie, geurend rond ’t schokkerig wielgeraas.—
Vóór de kar uit, zwiepten lichtelijk de boomen, wiegden de aardbeibakken en telkens moest Dirk z’n kop bijzij de kistuitstapeling buigen, om te zien waar ie reed. Guurt wou ’t helpertje, dat even de kar zandpad had uitgetrokken, niet missen met den pluk, zoodat hij dubbel uit moest zien achter z’n berg-zware stapeling. Bij helling van den weg, leunde ie met gestrekte armen en kin, bloedloos uitgedrukt, òp de kisten, zwaar persend en hangend aan z’n kruk, loerend bijzij telkens, of ie nergens tegen opbonkte. Dàn weer kromde ie z’n lijf in,[85]stootte z’n klauwen òp, stond ie met één gestrekt achterbeen hoogten op te rijden, de heele karrevracht tegen z’n buik, borst en schoften gestut, in hevigen span van pezen, de nijdige chineesch-jukkige kaken beverig van krachtspanning, z’n tronie rood aangezwollen, langzaam duwend, dùwend.…
Dood van zweet en gebroken van hitte bonkerde en ratelde eindelijk z’n kar de Haven òp.—