[Inhoud]II.’t Was Vrijdagmarkt, tegen half vijf. Van enkele zijwegen en uit smalle, door zon verblakerde steegjes kwam áánrateling van karren; tuinders die hun waar vroeg opgeladen hadden. De havengrond bij brokken bekeid, lag vol koolstronken, aardbeirotte plasjes en groentenvuil. Eén brok weg, zwart, gruizig besinteld, rond rood-wit bemeniede lantaarns, frisch zomers opgekwast, lag bezaaid met kisten. De huizenkant van haven, met z’n gevel-trappige woningen van dominee, dokter en wat winkeliers, tot meer naar achter, waar ’n woelige oppropping van kroegen en pakhuizen samendrong,—koelden donker in zwaar uitgegroeid lommer van hooge kastanjeboomen, wonder-groene laan, ingeplant tusschen wal en stoepen. Het ruiten-licht van de oud-gevel-typische huizen in wazig-groene glanzingen, verschemerde ’r geheimzinnig ’n eigen bestaan; bestaan van diepe halfschaduwen, dwars door het aandroesemende lawaai en geraas van havengescharrel, geheim stil verwisselend achter zwaar lommer.—In ’t walletje kleurden achter elkaar, pas aangekomen booten, waarop dekknechten met oorverdoovende herrie kisten van ’n plank lieten glijen òp de steenen, langs de reeling, door ’n anderen kerel weer vèrder rondgeslingerd tusschen vuile stronken en groentenafval, sintel en kei.—Zoet-zwoele, tot stank verbroeide geur van aardbei vloeide wèg in vunzige lucht van duffe groenten. Heel de Haven zoog in, àl luchten en reuken, ademde weer uit, bedorven saamgebroeid zoet van aardbei, aardappels, sla en penen.[86]Telkens achter groene kroeg-gordijntjes spuiden de herbergen jeneverstank uit, scherpen prikkelgeur doòr den warrelenden damp en de stank-zwangere atmosfeer van verbroeid zonnig havenleven.—Geweldig in wijdheid, doorwolkt van onweersgedreig en half in zonnigheid weer, welfde de polderhemel met ’t weiland eronder, afgelijnd door spoordijk; ’n hemel niet te zien, maar ijl te voelen toch in verte en diepte ònder de àlmachtige luchtruimte. Groen-prachtig, in fel-grilligen zonneschijn, lichtte de lange dijk òp, waarover lawaai herriede van aamborstige lokomotieven, hijgend en puffend, heen en weer, als in zweetbenauwing, drentelend en geduwd voor- en achteruit.—Vastgehaakt en voortgebufferd in stooten en dreunige stampen, donkerden vrachtwagens dwars door den uitkoepelenden polderhemel.Onder kastanjelaan, vóór huizenkant van Haven, het doorrijpad van karren en paarden, kermisten zuurkraampjes en betentdoekte vischstalletjes met poonen en scharren, die walglijke stanken rondbroeiden in de hittesfeer van sjachering en half afgedreven zomermiddag-onweer.—Stijgender geratel en gerammel van karren en wagens, dooreen-klakkerende hoefslag van zwoegpaarden op keien, kwam dreunend òprumoeren uit steegjes en zijwegen, naàr en vàn de groentenvervoer-booten.Heel de aardbeistuip van ’t land, de koorts van wroet en pluk, pakte zich daar saâm, in één woesten drang van laden en lossen, één jagende scharrel onder de ventende afbeuling van ’t landvolk. Al tweemaal op één dag was er door de booten in den drukken broeihaal van aardbei nù, op de groote stad afgevaren; al tweemaal geladen en gelost. Om vier uur in den ochtend, de heele week, waren er zes groote vrachtbooten, tot hoog boven de verschansing opgestapeld, weggestoomd, met allerlei groentegewas, stikvol van aardbeien, aàrdbeien. Om twaalf uur ’s middags, léég, heelemaal uitgeput teruggeboegd, weer gevuld, alléén met aardbei en weer leeg naar huis gestevend. Alles had de groote stad opgeslokt, gretig en woest; en nu wéér werd ingeladen voor den marktdag.[87]De Haven lag gerammeid, begraven onder leege kisten met mandjes, en overal dreef rood sap, donker bloedend door ’t zwarte kolengruis, verkrinkeld in sporen en plasjes.—Dirk had z’n zware kar met voorzichtige zwenkingen tusschen stilstaande paardjes ingewerkt, zoo dicht mogelijk bij de boot, waar ie z’n goed op te laden had. Telkens schokkerde ie ’n eindje verder, meer naar den wal, tusschen de dooreengezwaaide kistenruzie en manden, tonnen en planken.Sterker kwam áánwemeling van groenboeren, vrouwen en kinderen, en oorverdoovend raasden de blaffen van karhonden, die daar woelden, rukten en huilden onder de donkere assen, jammerend tusschen hun bemodderden engen knel van spanriemen en treksels.—Vervuilde, langharige kerels, met dronken-lacherige tronies stonden in overhemd, àchter d’r poon- en scharrestalletjes, hun eigen waar op te eten, schor futloos roepend: fèrsche poone.. fersche skàrre.… In kringetjes rond en onder ’t tentdoek, lolden wat venters en tuinders, poonen etend en uitzuigend, met hun handen de visch losbrokkelend. In nek-achter-over-zwaai, kwakten ze zich telkens stukken vettig vleesch ’t mondgat in.—Zuigsmakkend en belekkend de goud-donkere poonvellen, plezierden ze, waggelend op de beenen. Stil stopte verkooper ze schar na poon in de handen, terwijl hij zelf smakkerend vrat, z’n mesje tusschen ’t scharrenvleesch peuterde, fijn reepje na reepje, achter de tanden vergoochelde.—Zon, uitgloeiend achter weggedreven onweergewolk, brandde weer fel op tentdoekjes, die lichtstreepten rood-geel, onder boomlaan door, de smoezelige linnen kleuringen, warm-dampig verzonnigend.In één uur tijd was de geweldige marktdrukte komen áándonderen in furiënd gescharrel en gesjouw, geraas, getier en roezemoezende stemmenbotsing. Paarden met karren, al méér, al méér, klakkerden en bonkerden onder de belommerde kastanjelaan, schurend langs de huisstoepen, zwenkend, tegen elkaar òp. Vrachtrijders verkrijschten: ho!.… ho!… hai!-daar!-geroep,[88]tusschen kerels, vrouwen en kinderen; tusschen ladende en lossende werkers, of dwars door rumoerige groepen, opgepropt òm groote groenteuitstalling van afslag, waar koopgierige schobbejakkige venters rond-kankaneerden in schor opbied-geschreeuw, als dronken duivels.Van zijstraatjes uit, dobberde zwaar-stootend gedrang van karren, de eene al hooger achter de andere òpbergend, met kisten- en zakkenlading.Tegen half zeven daagde van allen kant ’t landvolk òp, voortstuwend pyramiden van kleurdruipende groenten, als was aan akkerzij van Wiereland overstrooming losgebroken, de zee over de duinen heengegolfd. Als was daardoor ’n chaotische beroering, ’n opstand, dwars door paniekheen gescheurd; had zich ’n drom angstigen aanééngestoet, verschrompelde bemodderde kerels, reddend van hun zwaren ploeter àl wàt ’r op ’t land nog te halen viel. Eén wilde, woeste samenstrompeling van mannen, vrouwen, kinders, met kisten en manden en zenuwbevende handen, die meehielpen aansjouwen en wegduwen van kar naar boot.Aardbeigloei, rood-fel en purperdiep, brandde weer in zonnelaai. Honderden en duizenden bakken met de roode pracht-furie der vruchtjes gingen van hand tot hand op de booten, van de karren naar de dekplaatsen, en van alle kanten losten de wagens uit, stortten een groentezee neer, in branding van kleuren, aanklotsend tegen zonnegolven; tegen broklijven van schuiten, kerels, karren, paarden en honden, één woeste uitgolving, òpzieding van groen, groèn, van zeng-rood, vuur, donkerend purper en hel prachtig wortelen-oranje.—Hemel was blauw-diep weer uitgetinteld, tusschen zilverende wolktochten en in de koelender zilverglanzen van gloedroode, stillere zon, lag de kastanjelaan doorzeefd in wondren glansnevel, doorvlàmd en zonnemistig tegelijk. En de groenbemoste boomstammen, in flitsen grillig beserpentiend, kromden gevangen in gouden kronkels van glans-slangen.Dampig gezeef van goudschemer, gloedrood, vloeide over de bronzen en roode kielen der woelende kerels, werkersstoeten[89]in sfeer van gouden lichtdamp en roode toortsentooverij bewegend.—Midden in zonnetoover daverde ’t haventje van helsche donderbonkerende rumoering. Telkens ratelden van de zijwegen, uit smal-doffige broei-steegjes, nieuwe karren áán, waarachter angstig-verwrongen gezichten èven uithoekten, tusschen bakken en manden; monsterlijk gerammeide zweetkoppen, doodòp van zwoeg, benauwing en snikhitte.—Hun bakken overstroomden de markt, verzwolgen ’t licht. Uit àl andere weggetjes en spleetstraatjes, van rechts, van links, dwars, opzij, uit nog fel-bezonde achteraffe gaatjes en steegjes, flonkerend en dampend in verblindend schellen lichtgloei, bonkerden en schokkerden ààn, al meer paardwagens en handkarren, aardbeien en groentevrachten, rood en groen; felle uitbarstende gamma’s van purper naar papaver-vuùr, en al soorten smaragd, tusschen gelige goud-gloeiende kolen, al méér, al méér, als moest ’t haventje begraven, verzwolgen onder de bakken, manden, vrachten en vaten. Overal, de heete hartstocht van ’t gloeikleurig rood en oranje, de felle klater van ’t schelle en zingende groen, dook òp van alle zij, uit zon-overstorte zijweggetjes, blakerend, smal en vunzig verstoft in de Julihitte, met hun ordelooze wemeling van krijtwitte, bruine, fel-groene bekalkte geveltjes en rooddakig brio.—Overal doken òp, geweldig in drommen tusschen ’t kleurheete, zengende geveltjes-koloriet,—ònder de roodgoud doordampte boomenlaan uit,—al nader, àl nader, de wagens met hun lichtend groen en vruchtenpurper, tègen de hemelblauwing in; de huisjes al kleiner, verder wèg, de karren àl grooter en massaler, aanbonkerend op de Haven.Later nog, de kastanjeboomen zeefden in zonnemist en de kruinen stonden weer uitgegloeid als was ’t goud er tusschen vervloeid.—Hier en daar nog van boven schampte ’n flits, ’n gloeiende kronkel, ’n trillende spiraalglans; was lichtweb uitgescheurd en blijven hangen wat bevend spinsel van goud-gloed.—Links van de karren zwenkten de tuinders hun paardwagens àchter paaltjes áán, op stiller gedeelte, ’n end van d’r[90]boot af.—Stil, tusschen rumoering, suften de paardkoppen, de voorste vastgetouwd aan paaltjes. Maar ook dààr, heel gauw, dromde ’t stikvol, schoven al meer karren in, stonden de beesten met de lijven op elkaar ingedrongen, koppen, droefmelankoliek naar beneden, in zorgelijke bepeinzing over ’t oorlogend havenrumoer, geraas en gekrijsch. Te wachten, roerloos stonden de beesten, d’r half-leeggeladen karren kleure-jolend in zinkenden zonnedoop, kermisjubel van helblauw, groen, hard-geel, bruin en menie-roode beschildering. Zacht zwiepten de staarten, knokelden schimmel-blanke, goudbruine en donker-bronzen ruggen, gloed-laag beschenen. Van alle kanten manoeuvreerden, tusschen ’t geraas van weggeslingerde kisten, de karren zoo dicht mogelijk bij boot waarop geladen moest worden, voor vertrek van den volgenden ochtend. Hoog bestapeld, van achter tot voordek, krioelden de booten in rij vóór den wal. Geen plekje kon onbezet blijven. Dekknechten en kapteins sjouwden gelijkelijk mee met de tuinders, droegen de bakken met vruchten en groenten ààn, in zwaren zwoeg, over keiweg en loopplanken. Handiger dan de tuinders wrongen zij zich tusschen de kisten, mand- en zakvrachten door, opstapelend in zwaren smak van uitputting, de nieuwe vrachten. Dwars door elkaar, bouwden ze òp, monumentaal, dat de groentebakken vèr boven verschansing, als ’n kleurig fort van ruw hout, neergeblokt stonden. En overal bij spleetjes, gloeiflitste ’t vruchtenrood tusschen het monsterbouwsel van kisten, levend monument van vruchten, gesmoord tegen orànjebrand van wortelen en groen.—Op alle booten tegelijk, bleef de laatste stapeling aardbeibakken, langs heel den havenwal neergewolkt in vuur, en de gemeen-beschilderde kisten in ruig koloriet, dansten een kankan van helsche kleuren in ’t doorzonde, heete havenrumoer. Zwoele stanken drassigden in de lucht ’t zoet uit van de vruchtjes, zwoel-vochtig tusschen de groenten, die opeengebroeid, voozer verstonken. Over den drogen gloeiend-stoffigen sintelgrond verwàlmden geuren, dwarrelde rond, draaikolk van stanken, zoetige en ransige, kanteloeplucht en citroenen, sinaasappels[91]en bedorven uitwasemende poonen, scharren, zuur en eieren; gotenlucht tusschen ’t aardbeizoet, dòòrwaaid weer van kroegstank en spiritus. Alsof zieke reuzen ergens heeten stankadem uitbliezen over de Haven, zóó van alle zij wasemden de dingen hun luchten uit, vermengd en verbroeid in de hitte. En telkens gulpte van spoordijk, rook-roetige wolk-smoezel, in woeste vegen donker heendampend over ’t havengewoel, òver karren, vruchten en menschenoppropping, doorzond en verstoofd in kleuren en licht. Zóó, fel omklaterd en verbrand van kleuren, in de hartstochthitte der zwoegers, verdampten de geuren bevend licht bòven de karren, de mensch-koppen, kisten en manden dompelend in zichtbare sfeer, stralend-fijn van ijl stofgoud.—Sfeer van trillend licht, als neergestroomd uit reuzige zonnelantaarns, in banen van damp en warrel. En tusschen de menschkoppen en koopwaar, grillig-verspatte nog zonnevuur kleurfelle vlakken, gooide vlammig spel op bevende kaken, òp handen, in oogen. Telkens nieuwe kisten sjouwden dekknechten met tuinders áán, in hijg-zwoeg, dood-af gewerkt van den ganschen dag landwerk; telkens in hun gang gestuit, teruggestooten, weggeduwd en verkneld, door andere werkers met vrachten op nek, hoofd en schouders, ingebukt en woest in d’r moeheid, terugsjokkend van de loopplank, achter elkaar, met de doffe, of kleur-felle kisten op de schonken, wat ruzie-schor verschreeuwend tegen de kerels die opdrongen of worstelden om plaats. Dan hier, dan daar holden en kankaneerden de sjouwers op zij, vòòr paardkoppen of langs geweldige vrachtwagens, die tusschen hen indrongen. Overal was gestruikel, gestrompel; dof-klankten smakkingen, daverde gebonker van verslingerde kisten en manden, gloei-stroom van jachting, verkronkelend in dol-botsende drukte. De kleurige booten, achter elkaar langs den wal, sloegen ’n branding in ’t hart van ’t levende haventje. Eén vloed en eb deinde er van duizenden verlompte werkgangers die òp en af, dwars en tusschen elkaar’s groen-waar heensjouwden en reden.—Zoo golfde bij den wal ’t sterkst, woeste stroom en tegenstroom, zich vertakkend en[92]verbrokkelend in zijwegjes, weer aanspoelend in kleinere hurrie-golfjes van andere kanten. Drang tot afdoen vloeide samen op één punt, bij al de booten, drang en jacht, die angst-steigerend, al hooger àànstortte tegen ’t forthooge bouwsel, kleur-heet monument van bakken en manden; stroom die plots weer àfrazernijde naar kroegen, dat er spuiing kwam en luchtiger rammeling van karren tòt in de afgelegenste, koel-uitgezonde hoeken, bij pakhuizen naar polderkant.Langs de havenvaart, achter kastanjelaan, lag de kei- en sintelweg hooger met leege kisten bestapeld, teruggestrooide vracht van ’n boot, die al twee maal aardbei naar de groote stad had vervoerd. Nu ook van polderkant donderden en bonkerden paardkarren en ezelwagentjes ààn, met ’n geraas of ’r mijlen in ’t rond muren van glaswerk instortten, telkens één op den ander vergletscherend. Tusschen ’t lawaai van lossers en laders, gilden en joelden kinderen aan karkrukken, klauterend in stemmenschater over wagens, kisten, manden; hingen en wipten ze aan karhoeken, elkaar bejoedelend òprukkend of terugsmakkend. Beestig woelden ze rond, furiënd in de herrie, stremmend ’t gedrang en gesjouw, tot plots in woedevlaag van werkers, ze verjaagd werden naar andere hoeken. Maar ook daar woelden en klauterden ze weer als losgebroken apen uit dierentuin, òphitsend de honden die basten en jammerden gelijk schreiende gekken.—Als wegratelde, met kar en hond, één tuindersgroepje, stortten nieuwe wagens rumoer uit, was ’r in enkele minuten weer kargedrang en gestoot op-elkaar-in. Achter boomgroen, waar goud-rooden gloed dampte, en scheemrig de laan lommer-glansde, keken vreemd de geheim-stille ruiten, nù onder half bladerduister, in haven-zonnerood vertooverd; bij brokken weerkaatsend ’t belichte gewoel, worstelzwoeg van tuinders, die er vóór sprongen en holden, tierden en hotsten als gestrafte misdadigers, kankaneerend op heete platen, met hun verweerde tronies tusschen eigen walmende reukwaar in. Geen sterveling in ’t stroomrumoer, die stààn kon blijven. Van alle kanten stootten de vrachten òp, mannen, vrouwen, kinders,[93]vloekend, scheldend tegen elkaar in. Méér dragers balanceerden bakkenstapels boven ’t hoofd, waar ze in angst naar grepen, als ze zich teruggebonkt voelden, in den karren-kronkel. Minuten lang werden lijven geblokkeerd, ingesloten, door dwarrelgang van andere sjouwers vòòr de booten, en eindelijk haastig strompelde ’n troep vooruit, als er spuiing kwam aan den walkant. Snel warrelden ze dooréén, aanschuivend en verglibberend op stronken en groenteafval, met één voet soms tusschen ’n opening ingekneld, de andere op bakken en manden neergetrapt. Elk bloot keiplekje lag dadelijk dichtgesmakt, als ’n werker z’n voet wegtrok, opschoof of weer naar z’n kar terugdrong om nieuwe waar af te laden. Angstig geroep en gekrijsch van ho!.. ho!.. hai-je-hee!.… verklonk opjagend de werkgangers.—Kaik veur je!.… paa’s d’r-op-bout!.… hee doar je kop!—màin snuit ook nie!.… kruiste en spatte tegen elkaar òp, in rauwe ironie en spot. Bij de minuten nu, zwol áán de razernij, ’t gewoel, gedrom, gekrioel op havenengte, en wilder ging werkjacht onder de menschoppropping, de samengeknelde worstelende zwoegers, teelders van Wiereland, Duinkijk, Kerkervaart, Lemperweg, Lemper en van al de dorpjes rondom; moeë kerels, afgejakkerd door dàglangen landarbeid, met heeten wrevel in d’r lijven, tot laat in den avond opsjouwend naar marktwemel.—Van de kroegen uit, tierde, raasde, ziedde rumoer. Als dampige holen, volgerookt met smook-blauwigen nevel, donkerde daar roezemoes van zuipende kerels, uitspattende drinkers en pijprookers, klodderend en spuwend op zandgrond. Flikkering en lichtflitsjes gloei-speelden ijl over karaffen en glaasjes bij buffet, onderschepte vonkjes en glansjes van verdwaald rood en groen-goud licht. Van alle herbergen stonden de deuren wagenwijd open, en achter de boomenlom’ring uit, verdrongen de werkers elkaar rumoerend, om eerder in haastigen slok ’t brandvocht, droge, moeë keelen in te gieten.—Benauwend sloeg de stank van groenten, visch en aardbei de kroegen door. In woelige, opgedrukte kringetjes zaten groepjes[94]bijeen onder schor dronkenmanslawaai, en telkens schoot geschater uit, dat als jammerhuilen verklonk. Jovialig beklopten ze elkaar op de petten, schouers, of stond ’n troepje, bij ’n hoek opgedrongen, met de jeneverkelken in de hand, morsend en plassend over kleeren enpolsen, d’r groen-waar te versjacheren, klakkend in handslag.Vlak langs de huizen en stoepen schuurden de paardwagens, uitwijkend als ’t kon, voor groenteuitstallingen om boomstammen; ging rond, ’n gang van slenterende meiden en moeders met kinderwagens, zuigelingen, angstig verschrikt kermend en krijschend tusschen den jachtarbeid in. Telkens uit zijwegjes en onder boomlaan uit, doken de paardkoppen vlak tusschen de verweerde menschtronies in, joelde de havelooze kinderbent, onder paardenpooten, achter karwielen, vaten, zakken en bakken uitklauterend. En heviger, boven alles uit, furiede hondgeblaf, angstige huilgamma’s van verhongerde kreupel-getrokken beesten, dorstig, geranseld, in woeste razernij van klachten, òver heet werkersrumoer heen, met ’n ontroerend-menschelijken jammerhuil in d’r blaf, als verschreiden ze hun ellende, hun dorstgemartel in hitte; verklaagden ze elkaar hun slaag en driftschoppen van d’r bazen, waarvoor ze zwoegden, den heelen zomerdag door.Tusschen het ketsende paardgetrappel en kargeratel, door dwarsweggetjes uitgestort en neergeworpen in den woelstroom van ’t donderbonkerend marktgeraas, bleven de honden blàffen. Eén jammerkoncert van droeve klaagklanken, van nijdig gekef, van gekerm, gejank; schor en dreigend gebrul van door kinderen gesarde dieren, tegen de wielbanden getrapt, aan de spanriemen vermarteld, met steenen besmakt, dat de schrei-blaffende koppen verkrampten tegen de assen òp. En àl meer karren ratelden ààn, met span van drie en vier beesten vóór en ònder de wielen, die dadelijk meeblaften in oorscheurend geweld.Plots braakten twee hoekkroegen ’n stoet uit van krijsch-jolende kerels, in malle sprongen, hals-bloot, met slappe handjes naar elkaar toe kankaneerend. Dronken verzwollen koppen,[95]roode stropdoeken, losgescheurd op bloote borst, joolden ze èng en opgestooten onder paardkoppen door, waggelend tusschen kar-honden, die nijdig aanbasten, en in dol geterg, met hun woeste, kwijlige schuimbekken dreigden te happen. Voor de zuur- en vischstalletjes bleven de kerels staan, gretig grabbelend in de zon-bebronsde poonen, waarvan de vellen glansden als gloeiend ceramiek. En schor joegen ventersstemmen de kerels òp.—Fersche poòne.… mooie poòne? faine skarre!.… fersche skarre!Verhitte relletjeskring van arme tuindersventers, die onder elkaar wat bakken groenten hadden verkocht, niet op bootveiling en afslag hoefden te wachten, zongen rauw, in dronken joel:—Oooaaw.… waa’t ’n skà-ànde!..Hun vervuilde kleeren stonken en drank-asem walmden ze elkaar in de roode bakkesen.—Van rechts golfde ’n nieuwe zwoegstroom áán, die den lolkring terugdrong weer, in de smookige donkere kroegen, waar de zweetwasem verbroeide als zure vleeschstank, tusschen de scherpe prikkellucht van tabak en jenever.Oorverdoovender buiten, brulde, loeide, raasde en kermde de hondenbent onder de karren; duizenden woedende en schreiende dieren tusschen ’t menschgekrioel in.—Ze huilden als uit dwangbuizen losworstelende gekken, door brandangst, in ruimte zonder uitgangen, opgejaagd. Tegen elkaar in blaften de beesten onder assen, wielen of krukken, met bassende, dreigende, hakkende, schorre hoog klank-martelende razernij, onvermoeibaar in één krisis van kretensmart. En vonkwild, bloedbeloopen, gloeiden hun oogen zonder dat ’t landvolk omkeek naar de dieren, die ze verhongeren lieten, en versmoren van dorst.—Aan linkerkant van Haven, waar menschen, paarden, karren, ezels en honden in één oppropping, ’t sterkst dooreenkrioelden, daverde zwaaibreed ’t kistengesmak; keilden tuinders, manden en bakken rond, klonk rauw gekrijsch, barstten vloeken uit,[96]giftig en grof, in heete stemme-botsingen.—’n Politieman, tusschen geraas en gedrang, verkrompen tot mager angst-gestaltetje, keek rond, hand op de sabel, dan hier, dan daar geschouerbonkt, tegen z’n rug, getràpt tegen z’ beenen, z’n kop, geen raad wetend soms, waar zich te bergen.—Aldoor sprong ie opzij tusschen karrenknel en hondgedreig, maar dadelijk weer ver-bonkten ze’m naar andere plekken.—En overal om ’m, zwol ’t daverend marktgeraas, ontkraterde het heete onweer van zwoeg, de sjouwende kleurige opstand van marktkerels; deinde de zee van druischend woelgeweld, in d’r licht en kleur-golvend beweeg, geraakt nog door laten zonnebrand; in d’r klotsende schuiming overstroomend, vèr, al verder, de Haven, de booten, den polder, met daverend rhytmus van treinengang, dreunend in den lagen, snikheeten zonneval.—Tusschen het geraas en de blaffurie klonk als ’n demonische hooge stemmenspot, plots bel van den afslag, uitrammelend z’n schellen schater boven de kleurig-opgepropte menschenmassa. Daad’lijk trok ’n bronskleerige tuindersstoet met straat-groente-venters, zonder eigen grond, rond den afslager, die bengelen bleef; tusschen de helle klank-strooiing dóórkrijschend, dat nieuwe omgang van afslag beginnen zou. ’n Helper riep naast den verkooper, met twee handen aan den mond als toeter gebogen, heftig dat ’t bloed ’m naar de wangen schroeide, ’t zweet glimmig van z’n slapen druppelde, den druischdonderenden warrel van ’t marktgeraas pogend te overschreeuwen. De schelle klankenrammel bleef luiend lawaaien en daaràchter de schor-verkrijschte afslagers-stem, onverstaanbare radde handelstermen uitbrabbelend. Op ’n hooge stapeling van kisten stond ie naast z’n helper, en rond ’m, de stom toekijkende beweeglooze, ingedrukte klomp brons-kleerige tuinders, loerend naar de uitgestalde groentewaar, den geweldigen kring van sla, groen-doorzond, als smagarden kwallen, geplooid en bekerfd; douwig-doffe doppers, platte peulen, rhabarberbossen, rooiig-groen, en korrelig blanke boeketjes bloemkool, op stapels dooreengesjouwd, in kisten en bakken. Eindelijk stopte afslager, satanischen klankstrot van bel dicht, kringden de koopers[97]nauwer op en achter elkaar. Kleine baasjes-pachtertjes stonden in den koopkrans gedrongen, met d’r sluwe kaal-geschoren tronies, loenscherig berekenend in klankloos lipbeweeg, wat ze voor de waar geven konden. Anderen, in gedachten, staarden als gekataleptizeerden naar de nu stille bel op kistenhoogte, die flonkerde bronzerig in zongloed, tusschen ’t groen. Lager gloei-glansde zon rond de kijkkoppen, rood-gouden toover sprankelend op tronies-brokken, de kerels vervlammend in toortsigen brand van d’r pracht-bronzende kleeren. Demonisch vlàmde er gloed, inbijtend op den kring, hier fel-licht verblindend op wit gekiel, daar goud-wolkerig verzevend op fronskoppen, bronzen ooren en handen, kleurige kielen en schonken.—Venters die Wiereland doorsjacherden met wat groenteafval in hun verrotte schrompeling van kleeren, beloerden elkaar woest-nijdig, vooruit al bang, dat een den ander zou opjagen. Onstuimiger drong de stoet bijéén, scharrelkring van schorre kerels, in naakten drang elkaar met oogentaal vermoordend van afgunst. Snel, in woordratel van z’n kisthoogen stapel àf, had afslager z’n waren geprijsd.——Veur tachtig de duuzend,.… veur dertig.… die.… veur vaiftig die.…—Main.… gilde één uit den kring, angst-ontzet als zouden ze ’m slaan.Daar weerklankte helsche stemmestrot, van bel tingelingelinge! lingg!.… tin.… gelinge.… lingg-ling! ling! schel neerziedend in verdoovende vaart, in ’t rondomme geraas van karren, honden en menschen. Achter den afslager en kijkkring, was weer ’n ontzaglijke, aaneengekettingde rij aardbeikarren aangerateld, helrood tusschen de losgestapelde peenbossen. Als ’n geweldig fantomige opstand van plukkers en rooiers, was er ’n nieuwe stroom reuzige werkers en sjouwers uit den stationskant aangedrongen, dwars door de paardjes en ezeltjes, in ’n davering van ho!.. ho!.. hei daàr!!’s. Opstanding van titanische plukkers uit ’n heel anderen landhoek, tegen de paarden ingaand, die verhit, in pracht van trek-gang, trappelden en vernielden wat onder den hoef kwam.—[98]Rond handen en lijven, rond oogen van dieren en menschen bleef razen een heet gewoel, een druisch-hevige energie van demonische jacht, één krioelende gang van leven, tusschen boomen, tenten, stalletjes indringend en weer uitgulpend met overstroomenden golfslag van rondfuriënden ploeter.Pal in den zinkenden zonnedamp, làger verglanzend in sfeer van goudrooden brand, doken de woeste zwoegkoppen òp, uit al meer verdonkerd boomlommer. Dààr, onder ’t verduisterd bladergroen sjacherden de kerels, met d’r tronies in geheim-fijnen schemer van half-licht, groen-goud en bleekblond omzeefd, soms plots uitgesmakt naar walkant, in ’t roodgoud gewolk, tot de voeten begloeid in fanatieken worstel van glansen.—Van alle kanten in de avondzon, duwden ze òp de kerels, pracht-gespannen de spieren van stuw, al mèèr groenten, heele steden overrompelend met hun monumentale warenmassa. Inééngedrongen dààr, op karren bij elkaar, geplukt en gerooid, lag de éérst mijlen verspreide zwoeg van hun land, om straks te zien verdwijnen hun waar, hun voedsel en zoete spijs, als offerden ze, in angstige, stomme biecht van arbeid, aan den donkeren grom-muil van groote geweldige stad, verslindende metropool, die maar slikte, slikte, elken dag meer van wat er brandend en zweetend uit hùn gloeihanden zich opstapelen kwam.—Van heinde en ver trokken ze op, van de stilste afgelegenste akkerhoekjes, waar eerst hun waar in zonnebrand had te gloeien gestaan. Van heinde en ver de kerelsstoeten trokken òp in orgieënden zwoeg, omjoeld van laat hemellicht, dat schaduwde en zacht vervlamde in beev’rige, goud-roode vegen, aarzelend purper en nevelig hitte-brio, verdonkerd onder lommerlaan in zeegroenige zweefglanzen. De kerelsstoeten er in, tusschen hun nog half levend goed, met den sappenden streng uit den grond gerukt, in den zwijmel van landgeur, den frisschen zwelg van aarde-lucht, verbrandend, verstovend in de havenstanken. Kerels-stoeten als ’n leger van werkers, met hun kleurfelle, gloei-dronken schitter-spijzen van overal, worstelend en optrekkend[99]naar den grooten verren donder der stad, toestoppend den grommenden lekkenden reuzigen muil van het zwelgend, vraat-dolle, hongerige massa-monster, waar zij nu voor saamstroomden, met hun lèvende waar, doorzogen van hùn zweet; kerelsstoeten, onbewust van hun demonischen aanvoer, hun luidruchtige geweldigheid, en heet-koortsend kleurenbrio, hoorend in ’t kraterend marktgeraas, echo van den ontzettenden honger-grom van stads-strot.—Al maar, achter de kastanjelaan uit, van steegjes en weegjes, doken de karren òp, nu drukker in bedrijvig gedrang bij den molenkant van station. Ze waggelden de wagens, zwanger van hun vrachten, ratelden, hotsten heviger, alle door ’n blondroode baan van licht heenwadend, doortrilden gouddamp, die àchter hun koppen, hun waar, bleef hangen als ’n bevende nevel, laat zonnevuur waaruit ontzag’lijk, reuzige menschen groeiden. Eindelijk, hun lijven en karren, dromden buiten de lichtbaan, die zich achter hun koppen weer sloot als ’n wolkerig wonder van goud-roode glansen.… Al lager sloeg ’t zonnevuur de haven in tooverroes van kleur-vlammige schijnsels, als gebroken licht-vitrails, in scherven en brokken rondgestrooid over keien, sintelgrond, karren en vruchten, hout en steen; vlammige brandingen van ’n Juli-avond, waarin ’t marktgedruisch ziedde, kookte, in helle-sfeer van broeiing.—De booten stonden al hooger opgestapeld, achter en òm de donkere pijpen en koelkast, bòven machinekamer. Gedraaf, hijgend òp en af de plankieren daverde en krioelde langs den wal. Te zinken dreigden de schepen van overvolle angstig-dicht opgepakte vracht. Burchten van ruw hout, in al woester koloriet, waar de late zon op neerlekte lichtvlammen. ’t Hoogst, bòven de bakkleuren uit, roest-rood, brons, groen, hel-blauw, goud-geel, bleven de aardbeien gloeien in hun ijl-zang van hel inkarnaat, purperend zonnegoud òpzuigend; de bakken volgedaverd van lichtende vruchtjes.—Daartusschen pyramidaalden bergen doppers, selderie, sla, postelein, wortelen, tuinboonen, bergen groen en oranje.—De bloemkoolen schaars aangevoerd van polder, stonken tegen de aardbei-zwoelte in,[100]en telkens, uit den kroeg-smokigen mist, doken kerels òp, doodaf, in zweetvet verglommen, den heeten asem van hun drank in sjacher verhijgend over hun vruchten.Midden in het oorsuizend donder-dof gesmak van bakken, in jagender tempo, stond plots ’n Jood, moorsch-zwart, op ’n kruk, voor ’n hoog standaard-tafeltje, waarop wat vuile tangen met kromme snavels, dooréén lagen; grimmig roodroestig gereedschap als martelwerktuigen van middeleeuwschen kerker.—Midden tusschen ’t gekrioel en den furiënden aanstroom van lossing en lading, was de Jood tweemaal tusschen karren en boot doorgedrongen, maar weer teruggesmakt van z’n standplaats. Eindelijk had ie z’n tafeltje bij ’n wat uitgedaverd walhoekje vastgemoerd, was ie spraakloos in de giftige woeling rondom, blijven staan. Vòòr ’m dromden handkarren, volgestort met felgele komkommers, goud-glanzend, bij punten gepolijst, en telkens daverden kerels met groentebakken voorbij, die licht rondsloegen tusschen ’t overal wolkende aardbeirood.Moorsch-zwarte Jood, met vonk-donkere oogen, stond hoog en rustig eindelijk op z’n smalle kruk, boven z’n tafeltje uit. Onder z’n tasch, tusschen de tangen, greep ie naar ’n trompet, tamboer-gebarig voor z’n mond drukkend. Valsch geschal toeterde en stootte ie uit, ééntonig als bazuindreun op grooten verzoendag in synagogen, kreten van vermoeienis en uitputting verjammerend.—Telkens bonkten, in ruwen daver kisten en manden tegen z’n kruk op, dat ie waggelde, zich vastgreep aan z’n vastgesnoerd tafeltje. Maar onvermoeid, toeterde ie door, energisch fel klankgescheur, dat de karhonden rondom nog ellendiger uitraasden, grienden en blaften, en telkens stortte ie ’n heet stjing! stjing! van bekkenslag er tusschen in.—Achter den Jood, op z’n kruk, koepelde ’t geweldig polderluchtruim, doorgloeid van glansen, waartegen donkerhoog z’n gestalte oproer herautte, in ’t rondomme gebarrikadeer van manden, kisten en karren. Donker vonkten z’n oogen, en strak, taai-energisch, bleef ie toeteren en heete tjings van bekkenslagen[101]afpauken in ’t geraas. Hem voorbij, in nijdige onverschilligheid, donderde ’t gewoel en gedraaf, gebroei en geschroei der zweetzwoegende kerels. Geweldige lasten voortzwoegende paarden zwenkten schurend langs z’n hoog standaardtafeltje. Ezeltjes huilbalkten achter z’n rug, en in loomen luister naar z’n getoeter en getjing-sjing stonden paardkoppen rondom, vlak tusschen het tuinders-gewoel, met heftigen tril van hun oortjes.—Wèg bleef ’t luistervolk, nog gebukt in sjouw, en sterker toeterden en dreunden de moorjood trompetscheuren, heet als schuimflitsen van golflicht, hooggoud en brandend rood, òver ’t woeste hurrie-rondkolkend marktgetier.—Eindelijk wat jongens en kerels, gedaan met sjouw, bleven hangerig en landerig staan voor z’n tafel, lacherig of in stompen staar bot òpkijkend naar den trompettenden Jood.—Grinnekend scholden ze ’m uit, krijschte een roomsch-nijdige kop, fel-spottend en dik-tongig.—Enne.… ààpramm.… gewòn Isaak!… enne Issaakh!.. gewon Sjàkop enne.… Sjàkop ’r.. gewon.. heè! rot-smaus, appie!.… d’ur is d’r ’n goàtje in je trepetter!—Maar Jood bleef star-kalm in z’n donkere figuring op de kruk, z’n vonk-zwarte oogen, hevig suggereerend in z’n hoofd. Stil had ie op z’n tafeltje de trompet en tsjing neergelegd, groote toortsen papier gerold en in brand gestoken, dat ze rookvlamden in z’n handen. Zachte kringen van vlammenlicht, zwierden hoog om z’n zwart hoofd, donkerend tegen den laag-stralenden zonschijn in. Walm-rook dampte blauwige mist rond z’n hoog-staand lijf, dat reuzigde tegen de polderlucht. Telkens als toortsen bijna uitgebrand waren, rolde ie met linkerhand nieuwe, zwaaide ze in kringen, dan één, dan twee, geheimzinnig om z’n gelaat; stak weer andere áán, wierp wèg de uitgebrande.—Nu en dan bazuinde ie tusschen het smokige, roetige gloed-rood gewalm, in den mist van z’n mysterieuze goochelsfeer trompetklanken uit, dat angstiger, burlesker, z’n omdampt-moorsche kop scheen te zwellen tegen ’t hemel-rood in.—De jongens schaterden om mallen Jood, maar kerels nu bleven[102]lijzerig staan kijken, bot, den mond van loome verbazing opengegaapt.—Dirk was uit de kroeg, op ’t walmgerook toegesprongen in den kring, verbluft òpstarend naar den kwakzalver, als zag ie ’n wonder uit den hemel tusschen ’t havengewoel neergestort.Onder de kastanjelaan woelde marktgescharrel, ’t drukst nu, rond de kleine tentjes en groenteuitstallingen.—De groote huisramen gloeiden rood in ’t zonnezinken, vreemd flonkerend, fel in gouden mist, onder den zwoel-duisteren bladerenschemer uit, rooden gloed, die diep, dièp, ’t marktkrioelen in bloedende gamma’s òverleefde, àchter de trillende boomschaduwen. In den geheimvol verwaasden ruitenbrand, mysterische vensterstaar, onder ’t scheemrige perspectief van havenlaan, stak zonnezink telkens andere ruiten ààn, die vlamden in lichter en donkerder gloei, tusschen het lommerig duistergroen dóór. Daar onder, en vòòr, joeg wilder gedrang en gedraaf òp en neer van kerels en vrouwen, in gekrijsch, geslikkerbik en ruwen klinkklank, òm de poonen- en stinkende scharstalletjes. Meisjesgegil joolde, tuinders lolden, dronken, in woesten stoei. En dwars door den brandgloed van ruiten, titaanden ze òp, naar ’t vlammegekring en getoeter van den Jood, met z’n makaber trompetgekrijsch en rossig-rookige toortskringen. Onder ’n oppropping van goud-gele, bronzen en bruine tentwagens, vóór kroegen en huizen uitgespannen, wiel- en rug-beflitst, holde ’t landvolk naar den trompetter, in gejaagder tempo.—Nieuwsgierig, verhit en afgebeuld, trok ènger en meer rijend achter elkaar, ’n kijkkring om den Jood. Telkens kwam karrendrom dwars door achterste loerders heendringen, in gesnauw, gevloek, geraas, verbrokkelend den stoet, maar aldoor vulden de gaten, propte zich voller de kijkkring.—Jood had goed rondgekeken, sluwigjes zich neergezet op plek waar de booten ’t hoogstmurend al volgestapeld stonden, de sjouw aan ’t afloopen was. ’n Tuinder had ’m gezeid dat ie doodgegooid zou worden met bakken en manden, als ie eerder begon. En stil, taai-rustig had ie gewacht, rondloerend met den heeten gitglans van z’n oogen, berekenend wanneer ie z’n slag moest slaan.[103]Grooter werd koppengedrang om ’m heen, en telkens nog scheurde ie trompetgalmen de lucht in, tusschen het marktgewoel, dat soms plots woester langs ’m raasde en tierde; ontstak ie rustiger, z’n groote grauw-papieren toortsen, vlam-kringen boven z’n hoofd zwierend, als derwisch in godsdienstextaze, vreemd-woest in z’n moorsche, dreigend-suggestieve donkerheid. Nu en dan galmde ie wat woorden uit, die wègkreunden in ’t helle-geraas. In aandacht gespannen, verkuchten de kerels papierstank, brandlucht en rook; stonden ze op elkaar gewurmd en verdeukt van lijf, als menschenpròp vastgeslibd, saâmgeklonterd in de woelende aderen van dóórstroomend marktlawaai.Eindelijk had Jood genoeg van z’n toortsen en toetering, lei ie z’n trompet neer, verschoof ie z’n papier, rammelend tusschen z’n trektangen en groote zwart-verlakte tasch. Stil-donker stond z’n lijf, hóóg op de kruk tegen ’t late zonlicht in, rug-beglansd, en schouers èven geveegd van goud-rooden glans.—Stil-donker, verduisterde z’n gezicht al meer. Z’n zwàrte flambard, breed model, dofte op z’n zwàrten kop, even boven z’n zwàrt-moorsche brauwen, als met kool-stift in z’n rimpel-hard voorhoofd geëtst. En z’n oogen, diep vergroefd in zwarte wallen, gloeiden vonkig, fosforig tegen ’t licht, als van ’n hond. Z’n snor, zwàrt en breed uitgekruld, en z’n baard, koolzwàrt, verdonkerd, vrat weg z’n smal geel-bleek gezicht, dat alléén oog en háár leek.Sultan-achtig, èven ingebogen met rug en schouers, verdraaide ie hoofdsche gebaren, gratieus overdreven, met potsierlijk eigen-waarde-gevoel van hoffelijk markt-kunstenaar. Zwaar kuchte ie, èven beleefdelijk hand voor den mond, zette eindelijk in.—Als hèt.… hooggewaardèèrdèn.… pùbliek.… eens èènèn.… oogènblik.… nààr mij.… luistèrèn wil.… zou ik mij.… bèkend willèn.… makèn.…—Elk woord stootte ie uit, in breede sperring van den mond, optrekking van wang en lip, dat z’n prachttanden, hagelwit, òpblankten tusschen z’n donkeren snorbaard. Door vreemd-trillenden òphaal van z’n mond onder ’t spreken, leek ’t of ie[104]bij elk woord dat ie uitstootte, duivelsch grinnikte, in samenfrons van roet-zwarte brauwen, boven satanisch-gele groeven van z’n voorkop.—Z’n stem klonk schor-vermoeid, als van iemand die walgt van eigen praat. Smart lag er in, schorre, angstige, stil weenende misère. Soms onder ’t stoot-fel spreken, verdofte de vonk uit z’n oogen, stààrde ie over de luister-koppen, kwam er lusteloosheid in het donkere rumoer van z’n anders felle kijkers. En dóór bleef iets weenen in z’n schorre, àffe stem. Geen van de drieste, in zweet afgebeulde werkers, in de havenhitte, broeiig opééngepropt als groote verbaasde kinderen, loerend, loerend,—die iets merkte van Jood’s vermoeienis. Z’n handgebaren gingen mee, moè, afgetobd, met z’n stem, elk woord afhakkend, om duidelijk te zijn, verstaan te worden, vreemd-zangerigen, verkeerden klemtoon-druk op èlk woord neerdreunend.—Boertjes, tuinders en meiden stonden te dringen, te zweeten, te blazen in de hitte, maar al meer landvolk propte zich dichter, vaster om z’n tafeltje, gevangen door z’n schijn-gratie, z’n zeg-vuur en opgewektheid.Van alle kanten begluurden ze den Jood, klaar om ’m te steenigen als ie hen bedroog. ’n Paar jochies zwierden òver koppenkring heen, palraak, hem vuile groentenstronken in ’t gezicht, en kinders gilden plots, boven ’t marktgeroes uit: smaus! dief!.… rotte joòd!Even keek ie naar de kereltjes, gooide de koolstronken, die smoezelig op z’n tafel neervlerkten, achter z’n kruk, lachte stil, ironisch-droevig.—Plots lichtte ie z’n grooten donkeren hoed, beleefd van zwartkrulligen kop, groette in tooneelbreed gebaar, schreeuwde uit, woord-afstootend in zangrigen dreun vervolgend.—Hooggè.… wààrdeerd pùbliek.. Ik heb.… den bijzonderèn èèren mij-zelffers ààn Uw.… voor tè stellèn.… Ik ben.… tandhéélkundigèn … mijn naam is … Jaack Ròzel … woonàchtig.… sedèrt.… drie-en veertig jàren.… te Rottèrdam.… nùummééroo zès-en-zèstig.… alwàar ik.… prakkiseer.… sedert veertig.… jarèn.—Ik ben.… dèn zoon[105]van dèn.… èx-èx-professor.… te Montabilie, gènaamd.… Jaack Ròzel, seni-or.… waarvàn ik.… den eer heb.… den èchten, den eenigèn afstammèlingg.… tè-zijn.… Ik represènteer.. zijnen.… nagedàchtenis.… en verkondig den volken.. zijn sàluut!Even rustte z’n stem, doodop, als stervend in z’n schorre keel. Rond z’n luisterkring lawaaide herriestroom van karren, kisten, kerels, gierden honden.—’n Paar boeren met goudrooiige kaasjes op grooten wagen, duwden tegen den kring in, schreeuwend en roepend, òp van inspannenden sjouw. Gevloek en getier sloeg terug, over kerels en meiden heen, opzij gedrongen uit kijkkring. Duw-kerels raasden en spogen naar den Jood, die deed alsof ie niet hoorde. Even zacht, sloot ie de oogen, mijmerend in zichzelf. Plots sperde z’n mond weer, ging uitgekrulde zwarte knevel in lippendans heen en weer, op den burlesken donkeren kop; stootten z’n woorden weer in zangdreun, met den angstig-schorren klank-moeën stemmebeef:—Mijn bèroep, geàcht pùbliek is te zijn tandheelkùndigèn.. Ik.… genees.… àllen tant-, àllen mond-, àllen kies-, àllen keel-, àllen verhemelten-, àllen reumatièken pijnen.… Ik.. gènees àllen zinkes.… àllen koòrtsèn, àllen aandoèningèn.… en … stòringèn.… gèlijk gij dat.… ondèrvindt.… van profèssèuren.… gèlijk gij mààr.… wilt.… luistèrèn!—Plots daalde z’n stem tot zacht-vibreerend gespreek, doordringend, duidelijk te verstaan toch, in den doodstillen kring, waarachter de markt raasde, tierde, smakte en donderde, àl verder, met heet geluid van duizenden mokerslagen op aambeeldstaal.——Noemt mìj.… éénen.… leugènààr.… noemt mìj.… éénen.… bedrièger.… éénen galèiboef.… indien ik.… ù niet … den geëèrden argumènten … toon … Maaààrrrr!!.… stootte in één, ùit de zacht-vibreerende spreektoon z’n stem plots hevig òp,—àllen profèssèuren.… àllen doktòren.… àllen tandheelkundigen, àllen verlòs-, àllen heèl-, àllen gèneeskundigen.… kènnen.… Jaack Ròzel, Jaack Ròzel, den éénigen.… en èchten.… afstammèlingg vàn.… Profèsseur.…[106]Jaack Ròzel.… Senì-or.… zijnèn vàder.. te Montabilie.… begràven.… mèt mùziek.… en militairen eèren.. Allen kennèn.… Jaack Ròzel.… Juni-or!.… wien ik.… dèn eèren heb.… hièr tè zijn.… Voor wièn ik.… Hedèn.. mijn beproèvingen.… zal amploi-jèèren!.…In kring van luisteraars en loenschige kijkers, bot en verbaasd òpstarend naar den kwakzalver, was groote stilte-spanning gezakt. En achter den aangroeienden menschprop, in kring vastzuigend een aan den ander, zwol het hondengeraas als hellegekerm; ratelden en hotsten de karren, rauwden in krijsch en hurrie kroeggangers en sjouwers. Vreemd in bleeker goud, stonden huisruiten achter boomlommer uitgebrànd. Er vòòr krioelden nog tentwagens, karren, paarden, ezeltjes, vrouwen en kinders, scharrelaars met kippenmanden en lichtbekleurde vogelenkooitjes. Aardbeizoet bleef zwoelen, overal rond. Telkens uit de kroegen doken koppen òp, onder ’t lommergroen uit,—waar ’t nu dampte van stanken en broeinevel—opdringend in woesten stoei naar den Jood.—In strammen staar bleef kring om ’m heengepropt, loerig wachtend op z’n proeven, maar voortschorde, scherp, droog, z’n stem, gemarteld van moeheid.——Ik.… Jaack Ròzel, woonàchtig te Rottèrdam, gènees U.… van àllen pijnèn, àllen wervèl-, àllen gezichtspijnèn, van kràmpèn.… zoòwel àls van kolièkèn.… van klièrèen.… zoòwel.. als.. vàn verzwèeringèn.… van spierpijnèn, van pèèspijnèn, van likdoòrnpijnen.… van gezwelpijnen, zòòwel als van abscespijnèn.… En ziet toe!.. Hooggèwààrdeerd.. pùbliek.… zièt toe!.. Ik gènees allès met hèt.… kostbàren vocht vàn.… Valura.… in dezèn fleschjès.. saamgèperst.—In groote omzichtigheid tastte ie met één hand in z’n tasch, haalde er flakons, in vloeipapier uit. Hoffelijk buigend weer voor z’n gehoor, ironietrek verborgen om z’n breeën donkeren mond, nam ie gratielijk z’n hoed af, stootte schor-rauw uit:—Mijn gè-acht.. en hoog-gè.. waàrdeerd.… pùbliek.… met dit.… vocht.… van Valura.… geneès ik.… wondèren!.… Met dit vocht.… hebikreeds.. genèzen.… dèn[107]kòning van Itali-en.… dèn koningin van Spanje.… dèn oud-kroonprins van Groenland.… den princes van Montàbilie.… den èrfgraaf van Havana.… dèn rèsident van Djòkjo.. kàrta.… dèn dekens.. èn dèn.… bisschoppen van Ròmana.. Mèt dit.… duurzàmen.… vocht.… mijnèn.… geëerden hoordèrs.… verricht ik.… geneesingen.… dien gèèn.… doktèr.… gèèn tàndheelkùndigen, gèèn chirùrgein.… gèèn àrts.… gèèn profèsseur, gèèn spiritist,gèènhypnotiseur, gèèn fàkir, gèèn Bedouien, gèèn Arabier, gèèn Israelièt.… gèèn Christèn.… gèèn Moor, gèèn Zweed, gèèn Spanjool, gèèn Fransch-, gèèn Duitsch-, gèèn Engelschmàn mijn kunnèn.… na-verrichten!.… Maaààrrrr!.… mijnèn vrienden.… Eenigèn.… druppèls, van dit.… duurzàmen vòcht.… in dèn mond.… eenigen roersèlen in dèn gehemèlten gehoudèn.… daarnà hèt vocht.… uitgespògen.… dèn mond.… nagèspoeld met koud water.… èn wèg.… èènsklaps zijn àllen pijnen, àllen koortsen, àllen zinkèns.… Maaààrrrr! aanstonds mijnen heèren!.. en mijnèn damès.… aanstònds.. zàl ik.. onder.. uwèn.… geëerden.… aanwezigheid.… dien er.… mààr wil.… den proef laten nèmen.… Ik bèn.… Jaack Ròzel.… Juni-or.… woonàchtig te Rottèr-dam.… Reeds sedert.… veertig jàren.… trek ik.. zònder pijnèn.. en zonder geldèn!.… graties!.… voor-niets-niemèndal!.… Alleen vòòr dit.… flèschje.… betaalt gij.…—Dat-wil-zeggen.… Ik ben.… hier niet.… gekomèn.… om wat.… te verdiènen.… maar.. òm dèn.. menschèn.. te bewijzen.… een weldààd.… Maarrr!!.… al zoudt.. gij mij.… vijfèn.… twintig guldèn.… willen gevèn.… ik zou dezèn.… niet akcepteeren.… Ik bèn hier.… òm ù.… van dienst tè zijn.. Alleenig daarom!—Dit vocht.… van Valura.… spéciaal.. bèreid van gè.. heime sappèn.… òntdekt.… ten tijdèn.… vàn het.… middernachtelijk uur.… door mijnèn.… vader.. profèsseur te Montabilie.… door zijnèn.… handèn.… den handèn.… van Jaack Ròzel.… Seni-or.… dit vocht.… met zijn.…. geheimen sàppen.… kùnt gij.… krijgèn.… Maaààrrrr! nièt voor.. dèn prijs.… van vijf-en.… twintig..[108]gulden.… Voorgèèntwintig.… gèèn vijftien.… gèèn tien.. gèèn negèn.… gèèn acht.… gèèn zevèn, gèèn zes.… gèèn vijf.… gèèn vier.… gèèn drie.… gèèn twee.… gèèn één gulden.… Maaààrrrr! dit vocht.… waarmeè ik.… genees.. àllen zinkèns.… àllen koòrtsen.… àllen keèl, àllen tant.. àllen maàg, àllen ingèwandspijnen, dit vocht.… kost slèchts.. dèn prijs vàn.… vijf-èn-twintigcenten.… En al.… woudt gij.… mij nu gèven.… na te hebben.… gèzien.… den wondèren van mijn wèrken.… op hèt lijf en den ledèn.… den pezèn en den spierèn van iederèn persoonaadjen.… al woudt gìj.… mij betalèn den blootèn sommà van vijf-èn-twintig.. guldèn.…ikzou.… hèt.… niet.… aanvaardèn.… omdat ik.… een weldààd.… voor den armen bèdoel.…—Even hijgde ie uit. Ronddaverend geratel was achter z’n kring heengedonderd, dat ie sterker z’n stem moest uitzetten.—Z’n gezicht glom van zweet, stond grauw van vermoeienis. Toch probeerde ie door te spreken met cier, hoogdravend in zinwending, langzaam, als uitrustend bij elk woord, overdreven in hoflijke geaffekteerdheid, alle woorden afstootend met zware „’n”. Weer had ie deftig z’n hoed van ’t hoofd gelicht, sprak ie ’t landvolk toe, meiden gapend van verbazing, kerels loenschend en heet op proeven.—Hier en daar, midden in en vooraan in den kring, stonden jongens en kerels met hand aan den mond gedrukt, zacht-kermend van pijn, gloeiend in hoop nu, van hun smart verlost te worden. Er begon wat bangelijk geloof en verschrikte suggestie in den menschklont rond te gaan. Dat voelde de Jood, zacht-triomfeerend met ingehouen ironielach.Zon, al lager, verfde gouïge glanzen nu op de luisterkoppen, en tèlkens drong nauwer òp de groep, om tandentrekker.—Zachte, plechtige verschuivingen van lijven en gezichten, armen en rompen, wurmden paffend in den kring, waar tusschen snikhitte dampte. Gezichten stramden strak, van vrouwen en kerels, nek-achterover, in òpstaar naar den al sterker suggereerenden Jood, in luisterspanning; koppen staarden, van jongens en kinders, waarop ’t late licht wondere schijnsels weefde in legendarischen gloed.[109]Karren ratelbonkten nu al verder van den kwakzalver af, die al breeder omsloten stond in kring, en sterker stootten z’n woorden òp, schorde z’n moe geluid, afgetobd en bevend:—Maaààrrrr! nu.. Hoogè-eerd.. pùbliek.… Is er.… een-ònder u.… die soùffreert.… aan pijnèn.… ’t zij zinkens, ’t zij koòrtsen, ’t zij rheumà-tiek in dèn mond.… het strottenhoofd.… hij komèn.… tot mij.… opdat.… ik hèm.… òp slag gènees.… onmiddèlijk.… Ik ben.… Jaack Ròzel.. Juni-or.… heeren en dames!.… zoon vàn.… profèsseur.. Ròzel.… Seni-or.… woonàchtig tè.… Montàbilie.… Maaààrrrr!.. ieder.. dien nù.… lijdendèn is ààn pijnèn.… ’t zij oòrpijn, ’t zij.. wàng- ’t zij keèlpijn.… hij komèn.… tot mij!.… Mijnèn.… vriendèn.… en ik.… zal hèm.… dadèlijk.… genè-zen.… zonder smàrten.… met dit.… geheimen.… wondèr vocht.… van Valura!.… Laàt u.… hèden.. niet terughoùden, door.… àngsten of.… valschèn.. schaamtèn’s.… Want ìk trek.… zònder pijnèn.… en zònder àngsten.…Twee opgeschoten slungels en ’n knecht-tuinder wrongen zich uit den knellenden prop los, gingen bleuerig en gemaakt-lacherig voor de tafel staan. Een blondharige jongen had onder elken arm ’n dik kaasje gekneld.—Uit z’n jekkerzakken bochelden goud-glanzende punten van komkommers. Met suggestieve kracht keek de Jood van z’n kruk op hen neer, door-oreerend toch tot publiek, zonder de patiënten iets te zeggen, manouvreerend den kring rond met z’n fleschjes. En donkerder figuurde z’n mager lang lijf tegen het late luchtruim, hoog-eenzaam op z’n kruk, in de afzakkende havenherrie, in den zwoeg van karren naar booten.—Hei Jansse, hai hep ’t op sain ruijker!.… t’met stol ie.. je koàsies.… kaik de fint se klietere onder sain oàrreme!.. schreeuwde Dirk, telkens aan z’n wang voelend of ie ook t’met geen kiespijn voelde. Dan kon ’t nou toch beure feur niks.—Maar de Jood zangdreunde voort.—Nièmand.. mijnèn vriendèn.… behoeft dit.. te koopèn.. àls hij.… niet dèn.. proevèn.… heeft gèzien.… gelukkèn..[110]Komt ééns hier.… gij vriend.. ja!.. lèg u.. kaasjès.. mààr neder!—Komp nou op de koffie hee?.… die bi’-je t’met kwait, schreeuwde één heesch, uit de menschenprop.—Leg.. uw.… kaasjès.… maar hier.… nèder!.. mijn vriend.… Hun zal.. gèèn leed u geschiedèn.… Neen! kom niet.… àllen drie!.… tegèlijk.. Gij àlleen.. ja.. laat ùw kazèn.. mààr los!.. weès niet.. zoo bèvreesd.… Gij.… àlzoo!.. juist.. hier!.. maar.. op dèn straat.. jongèn vriend.Wat schèèlt u?… en waar mààkt gij.… u bezòrgd ovèr? Zeg hèt mij gerust.—Nou?.… joa kaik.… doàr.… achteràn.… in main bek hee?.… aarzelde bleekig van angst en verlegenheid de slungel, die bangelijk z’n kazen op de straat had gezet, er telkens naar glunderend, of iemand in den kring ze ook vergoochelde.—Hoe is ùw.. naam.… jòngèn.. vriend?.. èn waar.. woònt gij?.…Van z’n stoelhoogte had tandentrekker zich voorover gebukt naar den beschroomden slungel, die met open mond, wijd gesperd, wat terug stamelde op z’n vragen, terwijl de Jood, ingezakt, beenen gekromd, ’n vies tangetje tegen de rottig-groene tanden van den jongen aantikkerde.—Hier zit hij.. niet waar vriènd?.. juist.. dèzen.. juist dèzen.… dien doet u.. pijn? niet jongèling?.…Harder tikte ie tegen ’n bovenkies áán, en de jongen, beverig van pijn en benauwing, met z’n kop in den nek gedrukt, z’n schonkige schouders van angstigheid hoog-scheef opgetrokken, oogen duizelig hemelruim instarend, schokkerde, kwijlde op Jood’s hand, stotterde wat woorden, achter gerommel van vuilroestige tangetje, dat z’n mond inwoelde.——Hier hèbt gij.… pijn nièt?.…—Nou.… nou.… auw!.… ik f’rek puur fé’ pain!.…—Zekèr.. vriend!.. stil moàr! Houd ùw hoofd.. wat hoogèr!.…De twee andere patiënten, bleven gejaagd kijken, van den[111]jood naar den slungel. Spannende angststilte hijgde door heel de menschenprop.—Geef dit, tangètje ééns aan, gij vriend!—Hoekke motte ’t weuse?.… stamelde de gevraagde verlegen.—Dutte! dutte!—krijschte ’n andere er zenuwachtig schreeuwerig doorheen. Maar de Jood had zich, ongeduldig, zelf teruggebukt achter de tasch, z’n halven vuist in den gaapmond van den slungel stekend. Handig, uit z’n vuile rommel greep ie ’n kort-dikke tang, met roestige snavelkromming.——Kaik.. dat is weer ’n aêre!.. schreeuwde bang één uit den kring.—Wá’ he’k main slinger!.… dá’ kost ’m sain heule stal!.. lolde zenuwachtig ’n ander.…—F’rskeur nou je pampiere moar.. Joap Jansse!.. gilde ’n meid.—Kom bai màin op de koffie Joàp!.…Maar Jood bleef kalm, hield z’n tang op de tong van z’n patient gedrukt, keerde zich deftig naar het publiek, dopte weer hoofsch, met sierlijk groetgebaar, liet den slungel gapend, den kop diep den nek ingekrampt en sprak:—Hooggè-waàrdeerd pùbliek.… gèachten.… vriendèn.. Ziet toè! gètroost uwèn.… geëerden oogèn.… den kòst.… te gevèn.… ziet toè … hoe mijn … vocht vàn … Valura.… wondèren.… uitrichten.… zal.… Dezen jongen vriend.… ùwen vriend, heeft.. hevigèn kièspijn.… koortsèn.… en zinkès.… van wegèn.… den verròtting.… èèns kies.… nièt waàr vriend? Gij lijdt.… gij hebt.… duldeloòzèn.. smarten.… in dèn ochtend.… wanneer gij.. u ten rùsten bègeeft, òp ùwen.. legerstedèn.…—Nou furt dan.… furt!.. furt!!.. ik f’rek fè pain.… stamelde woedend de slungel, ’t hoofd nog achterover gebukt, klein gesuggereerd in houding, roerloos, als zou ’m de Jood, bij kleinste beweging, begoochelen. Maar kalm weer, boorde blik van den kwakzalver op z’n angst-slachtoffer neer, en dòòr stootten z’n afgebroken woorden:[112]—Gij hoort hèt.… gèacht pùbliek.… ùw vriend lijdt.. pijnèn … smàrtèn … zièt toe … hoe ik … dezen.. jonggèling.. éénigen.… dròppels.… van dìt.… gèheimèn.… vocht toèdien.… zièdaar!.. mijn jeugdigèn vriend! neemt èèns, een slòkje en spoelt u, op dèn plek.. ùws pijns.… Maar houdt hèt.… geheimèn sap over.. uwen gànschen.. tong vèrspreid. Zoò juist! En nu.… ter exploiteering der kràchten.… vàn mijn … geheimen Valurasavochten … blijkt dit … koelen vocht saamgèsteld.… uit bestanddeèlen van wònderen.… dien ik niet.. zeggèn mag!.… Maaààrrrr! waarmeden.… ik allen.. pijnen.… gènees.. bij koningen en princen.… gravèn.. en baronnen.… tot bij den vòlken.… van dèn.. laagsten ràng..Ik zeg nù.… tòt u.… gij jòngen vriend! neemt dit.… koelen vòcht van Valura.. en laat hèt één oogènblik liggèn.. in den hoèken uws gebeentens, op dèn plek.. ùws pijns.. en gij zult nièts meer.… voelen. Dèn pijn.. zàl zijn.. verdwènen.… en nooit wèder.. kèèrèn.… Alzóó.… spuw nù uit.. mijn jeugdìgèn.… vriend.… het speeksel.. ùws monds.… Schaamt ù niet.… voor ùws.. gelijkèn.. èn uwèn mindèren.. Zòò juist.… Drink nù eens.… één slok.… vàn dit.… ijskoud heràldisch wàter.… dat is heraldischen spijzèn.… vàn oòrsprong. Egyptisch.… zòò juist!.… spoel daarmèden uit.… den ònreinhèden.… uws lichaams.… spoelt dàt.… àlles, dat meèleed aan uwen.… spieren.… en pezen.… gewrichten.… en gebeènten.… laat uwèn … mond verkoelen.… èn wèg.… wèg.… èènsklaps.… zijn àllen pijnèn!Spreektvriend.…spreekt.… hoe.… voelt gij.… u? Waar is ùw.… pijn?… Waar?… zoo éénsklaps verdwènèn?.… Sprèèk!.… sprèèk!.…Slungel, met uitgespoelden, smakkenden mond, stond beteuterd, keek sip rond, als zocht ie naar de pijn, verbluft … Angstig ’t eerst, greep ie naar de kaasjes op de straat, voelde in z’n zak naar z’n komkommers.—Welnu.… jeugdigèn vriend.. sprèèkt—bid ìk u.… spreekt tòt u.… gèlijken.… tòt uw naasten.… vriendèn en maagdèn.… en zèg hèn.. dat Jaack Ròzel Juni-òr.. woonachtig..[113]te Rottèrdam.. Wagestraat zes en zestìg.… uw eensklàps.. heeft genezèn.… van àllen pijnen.… àllen smarten.… àllen zinkens.… àllen rheumatismen.… waarmedèn.… uw aangèzicht.… bezwangèrd wàs.… Spréékt!… Hebt gij pijn? nù nog?—Nou f’vloekt.… nou hè’k puur main droai … dut is d’r tùg ’n meroàkel!.. ikke voel puur niks meer.. niks!..Verbaasd drukte ie z’n hand op z’n kies, om te voelen of ie ’r nog zat. Triomf vonkte er in oogendonker van zwarten Jood. Deftig z’n hoed lichtend van den kop, met ciergebaar, vèr groetend en buigend lichtelijk voor den kring, krijschte plots z’n stem, heftig:—Maaààrrrr!!.… nu zièt gij.… dat hèt wònder.. heeft plaats.. gègrepén.… Dezèn jeugdigèn vriend.… door mij àànschouwt.… begeeft zich tòt mij.… zoekend.… naar genèzing.… van dèn martelingèn.… des kiespijns.… Hij komt tòt mij.… uw allèr vriend.… met dèn hand.. aan dèn mond.. een gèzicht.… vertròkken vàn smart.. En ik.. naar gij zaagt.… geeft hèm.… eenìgen druppèllèn.… van mijn vocht … En éénen.… minuut.… staat hij hier.… hij drinkt vàn dit.… ijskoud heraldisch wàter.… en spoelt zich.… ònder … mijn toezicht.… En eensklaps … weg … is àllen … pijnen.… àllen koortsen.… Onthoudt nù.… geëerden menschen.… dàt hij èènen.… mìnuut.… voor hij.… hier kwaamt.… voòr mijnèn tafel.… nog hinkten.… nog jammerden en weènden.… van smàrten.…En spreekt nù.… weer jonggèlingg!… En zeg.… niets.. dàn dèn.. waàrheid.… àlleen en uitsluitend den wààrheid!..Moor-Jood keek doordringend den slungel aan, die maar knikte van ja, ja, verlegen, sip, met z’n kaasjes weer stevig onder de armen gekneld. Uit z’n twee logge jekkerzakken, onder z’n ellebogen, drongen hooger z’n geel-glanzende komkommerpunten. Komisch verbluft, draaide ie om de kruk rond, staarde ie òp naar den Jood, knikte en stamelde tegen de menschen, dat ie heelemaal niks meer voelde..—Debies, dutte is d’r puur ’n meroakel, riep Dirk Hassel[114]extatisch, spijtig dat ie geen pijn had, om ook ereis te probeeren of ’t echt was.—Nou.. die hep ’r ook ’n knikker, wees een, met ontzaggebaar naar ’t hoofd van den Jood.—Aa’s ’t gain mesièk is!.…—Mesiek! mesiek! onderbrak een giftig.… en je sien ’t puur veur je aige lampies.… die vent hep rekloàme neùdig!.. mô joù hebbe.—Tu tu tu.… sou d’r rais kaike.… mi’ de aêre hee!..Verblufte aanhangers had Jood al en woest werd ongeloovige twijfelaar naar achter geduwd, met voettrappen en elleboog-stooten. Er ging gestommel en geschreeuw; kerels en meiden bliezen van de hitte.. krijschten ruig en paf-moe: daa’s puur ’n stookie hier!.… wa’ hitte!.… Maar Jood lachte stil, deftig doorgebarend, hoed in de hand. Verbluft verstierven de stemmen uit den kring, rumoerloos in luister.—Al dichter kringde menschenprop om kwakzalver heen en verder af daverde ’t kargebonk, gehots en geratel, om z’n kruk.——En nu gij.. mijn vriend.. wat dèèrt u?..’n Woeste kerel, ruw uit verlegenheid strompelde vóór, met z’n pet in de hand, zweetharen over voorhoofd plat-verkruld, nattig glanzend. Wijd sperde ie z’n mond open, spoog ’n pruim voor de kruk, in klownig gebaar, dat ze schaterden in den kring. Z’n lippen, nog bruinend van pruimsap, smeerde ie woest af met handrug. Wild z’n hoofd achteruit, strammend den nek in, gaapte ie als ’n nijlpaard, zonder ’n woord te zeggen, z’n handen mèt pet, nù in z’n broekzakken saâm-gevuist.—Jood keek, streng, donker, met één hand nog lager achterhoofd van kerel den nek indrukkend.—Hoe heet gij.. vriend? wat dèèrt u?.. waar woònt gij?—Da’ flop niks!.. waa’k hiet hee?.. aa’s jai main d’r moàr vèn furt holp, hee?.… barstte de vent woest-lachend uit, main heule bek is t’met rot.… de heule femielje sit dur in te kniese hee? en nou ke’k dur nie eens main flees an toàfel vèn baite.… hee?..Schatergelach uit den kring barstte los om den brutalen[115]schooier, van wien ieder wist dat ie noòit vleesch zag.—Kerel, aangestooten door ’t lachen, lolde zenuwachtig-schel door, om zich van z’n eigen verlegenheid en benauwing af te helpen. Door de menschenprop joeg weer drift. Nauwer drongen kerels en meiden naar ’t tafeltje òp.—Brallend gekrijsch uit den troep gierde uit:—La’ jai je nie naime Piet!.… aa’s t’r pain is mo je.… f’rdomd,.… mo’ je ’t uitskraife.… aa’s ’n kerel!—Nou.… da’ kaa’n je op toetere!.… riep ie driftig, op en neer wippend z’n kaken, terwijl tandentrekker telkens een tangsnavel z’n mond induwde, scherp loerend den beweeglijken donkeren gaapmond in.—Ja vriend.… indièn gij.… ù niet rustig houdèn kùnt, gedurèndèn een kortèn poosèn zal ìk u.… moetèn opgèvèn.—Nou seg … hep gain loàrie … ik stoan t’met aa’s ’n poal! furt! furt nou.… debies!.…Wijder sperde tuindersknecht z’n mond en strenger, in tanggerammel, keek kwakzalver er in. Sierlijker en geaffekteerder wellustte z’n schorre stem hoogdravend gepraat uit.——Ja vriènd.… in dit gèval, bij dèn staat ùws monds.. zal één kies.… verwijdèrd.… moetèn worden.—Wil èvèn.. uw geëerden nek achtèruit dringen,… Zòò.. juist zòò!.… Ik zal u.. trekkèn geheel zonder pijnèn.… zoòals.. Jaack Ròzel altijd trekt.… zondèr.… schokkèn.… zonder stòòten.… zonder smartèn.… zondèr soufrànsèn.…Doodstil loerde de kijkkring op z’n handen. Achterstaanders rekten zich op teenen, om beter te kunnen zien. Kalm draaide de Jood van z’n verroest grimmig stelletje, beplast met water uit ’n glas, een grooter snaveltang los, rood van roest.—Even boog ie in, z’n lichaam, sperde met één hand den mond, drukte plots haastig, de tang in donker gaapgat vóór ’m, verplaatste andere hand in bliksemsnel beweeg, achter den nek van den kerel, die òpstaarde hemelwijdte in, met gespannen kop, woest-verwrongen, donker-harig.—In één draairuk trok Jood de kies er uit, terwijl de kerel nog z’n kop naar achter hield gekrampt, niet beseffend dat ie al geholpen was. Zonder den[116]patient tijd te gunnen tot spreken, zeide jood kort en suggereerend:—En nu.… drink! dit ijskoud heràldisch watèr.… vèrmengd.… met vocht.… van Valura.… En wèg is.. àllen pijn.… èènsklàps! En nu.… spréékt ook gij vriend!.… Hèbt gij wat gèvoeld?.… bij hèt trekkèn? Sprèèk?.… zeg slechts.… den vollèn wààrheid!Woest-harige kop, ook van dèzen patient stond gebluft naar den Jood op te staren. Niets, niets had ie gevoeld, geen sikkepit.Toen ie dacht dat ’t nog beginnen moest, was ie al klaar.…En nou stond de trekker daar voor ’m, met z’n eigen bebloede kies in de tang..—Gô sa’ main kroàke!.… daa’s puur ’n meroakel.… viel ie uit, in kringetjes bloedspuwend rond z’n beenen.… f’rduufeld.… hai jai sàin doàr te pakke hee?… Heerekristis waa’n kanjer hee?.… dut is dur puur ’n meroakel!—Spuug slèchts.. in dezèn bèkèr.… èn drink.. nog één slok … van Valura.… àlles gratiès.… Dit vocht.… dit ijskoud watèr.… het trekkèn!.… Houdt dit vocht.. éénen mìnuut in ùws mond.… op dén plek ùws pijns.… zonder.. te sprekèn.… zondèr.… ù te … bewègèn … laat koelen.… ùwes mond.… uws zenùwen.… uwen verhemèlten, uwèn spierèn, uwèn pezèn, uwén gebèèntèn.… en weg is uwèn smart.… weg uwèn lijdèn!.…Twee minuten lang oreerde de kwakzalver weer door, al deftiger, hoogdravender, voelend z’n stijgender invloed op ’t bokkige, eerst scheldende publiek. De woeste kerel, stond onder ’m, met opgeblazen wangen, ’t vocht speelsch rond te spoelen in z’n mond, doodstil in één houding, bestaard, met ontzag, door heel den kijkkring.——Spuug nù uit, vriend, èn spreek!.… tot ùw maagden.. en makkèrs.… spreekt.. en zèg.. niets dàn den.. wààrheid.. Spréékt.. Drink nog éénen keer.. vàn dit.… ijskoùd wàter.. En zeg dàn.… of gij pijn hèbt … Zeg dèn … vollèn wààrheid aan uws gelijkèn.… aan uwèn meerdèren.… en mindèren.. spreekt.. hebt gij pijn?.…[117]—Gain spier! f’rdomd.… of ’k mot ’t liege hee? Jeesekrim! meroakel.… daa’s òplucht!.…—Hai jai gain spier pain Piet? schreeuwde een.——Gain spier!—En hep ie je nie van mékoàr hoald?—Saa’k f’rbrande.… aa’s ’k wâ voelt hep hee? snó’f’rjenne moat.… daa’s de weg noà de haimel hoor!.… Jemikremi!Maar Jood bleef stil even van z’n hoogte loeren met z’n gitpupillen op Piet gestard, en toen juichend den kring rond, hoed in den hand, schorde en stootte z’n stem weer:—Gij àllen.. ziet hèt.… hooggè.. eerd pùbliek.… Ik ben gèèn.… leugènaar.. ik ben gèèn.… bedrièger.… ik ben.… gèèn.… galeiboef.… gèèn Chamberlain.. gèèn Rhodes!.… Hier vòòr u.… staat dèn.. èchtèn den èenigèn.. afstammèling van Profèsseur.… Jaack Ròzel.… Seni-òr.. woònachtig te Montabilie.… in zijn leven.. en strevèn.… op het rotsgebergte van Zuid-Amerika, alwààr hij.… de Sioux’s de Panie-ews!.. de Irokeèzèn, gràties hielp.… gèlijk ik.… dat ù doe.… Hier staat hij dan, in dèn.. levendèn lijven.. Gij ziet hèt.. gij hoort.. hèt.. gij rùikt het.. gij vernèèmt het.. gij beproèft het.… Hij gèneest.… ùwen maagden.… uwen vrièndèn.… uwèn kindèrèn.… Hij is.. den èenigèn.. Jaack Ròzel òp den ganschen wèèreld.. die hier komt om u.. te bewijzèn.. een weldààd.. Hij is.. tèr naam en tèr faam.… bèkend en spèciaal bè-vriend met àllen doktorèn.. professeùren, met àllen genèès-, hèèl-, verloskundigèn des heelen ààrdkloot.… En hij rèist den wèreld door mèt hèt vocht.… van Valura.… en den.… profesòren àchter hèm áán! En hij trekt.… gansch zondèr pijnen.… Hebt gij niet.… gèzien.. dat ik.… hier stàànden.… voor drie màànden.… twee lammen, van wien ik den krukken.… over dèn.… knieën, stuk bràk.… ter aarden.… wièrp,.… hen bèstreek … met hèt vocht.… van Valura.… èn zij.. van mijn tafél, weer loopènden vertrokken,.… rècht op!.… slank en elègant.… gelijk chiraffen.… En hebt gij niet-gezien.… dàt ik.… ùw vriend.… hiernèvens … trok-zòndèr … dàt één … spier vàn[118]zijn.… gèlaat vèrtrok.… en dàt hij.. nu zelf.. bèweert en bèvestigt gèèn pijn te hebbèn.… gèvoeld? Zoo genees ik lammèn.… blinddèn.… doovèn.… rheumatieken.… met mijnèn wonderdruppels.. mijn vocht.. van Valura … Nu zal ik nog dezen.… vriend helpen.… en dan zal ik vertrekkèn.. uit hoofden en onherroepelijk.. zonder àànziens des persònen, na te hebben.… aangebodèn.. laatsten vòòrraad.…Weer bedremmeld stond een derde kerel voor ’m, mond wijd open. Zacht beduidde hij den jongen, dat ie niet noodig had getrokken te worden. Ook hém liet ie spoelen met zijn Valura, en onderhands haalde ie flakons uit z’n tasch in vloeipapiertjes verpakt.—Weer aarzelde verbluffing rond, in den verhitten kijkprop van tuinderskerels en meiden, sjouwers en vrouwen, want weer stamelde de kerel, na twee minuten ’t vocht in z’n kies te hebben gezogen, dat ie geen pijn meer voelde.—Naar alle kanten werd ie getrokken en verbluft knikte, stamelde ie uit, nergens pijn meer te voelen.——Dat wondèr voor dén prijs.. van vijf èn twintig cènt!Geen woord kon Moor-Jood meer uitbrengen van vermoeienis. Het zweet drupte als stijfselkorrels vettig op z’n donker hoofd. Van drie kanten uit den kring, drongen lijven òp, grijp-armen vooruit, hoog naar ’t tafeltje. Meer niet. Gezicht van den Moor-Jood betrok, zenuwachtig, spijtig, alsof ’r ’n huil draaide rond z’n mond. Maar toch beheerschte ie zich, sprak ie weer met afgetobder, heescher geluid.Eindelijk, de geholpen kerels, waren weer den kring ingesjokkerd, schouerbonkend, getrokken en gesleurd, babbelden en schreeuwden ze met ondervragers mee. Wantrouwig landvolkje, beduusd en vergaapt, kwam in beweging. Weer had de Jood getoeterd, schel en hoornhoog den hemel in, spattend z’n klanken, schuimend tegen opsteigerend gewoel, en weer zwaaide ie z’n brandende toortsen tegen al donkerder luchtgoud. Er kwam beweging, woeling in den menschprop, uit elkaar brokkeling van broeierige kluiten. Telkens, slechts twee, drie tegelijk, drongen naar de kruk, met ’t kwartje klaar in de hoog gerekte hand. En drukker stalde ie z’n flakons uit, zalig-wachtend[119]op uitwerking van z’n wond’re woorden en proeven.—Sneller drongen de lijven en armen òp, dat ie nieuwe voorraad uit z’n tasch moest halen. Rapper z’n handen graaiden in den tasch-muil, z’n donkere kop lachte, tegen ’t licht in, burlesk, ironisch, onmerkbaar bijna.—Nu zòng z’n stem met klank van zalvende zekerheid:—Een iedèr.. dièn lijdt.… ’t zij aan zinkèns.. ’t zij aan koortsèn.… ’t zij aan wondèn, blindheid.. doòfheid.. làmheid.… ik help hèm.… ook zondèr gèl-den.…Trager trok kring om ’m los. Meer en méér handen grepen, naar z’n hooge tafel, dat ’n stapel kwartjes tusschen z’n tangen ophoopte.—Z’n oogen git-glanzigden, lachten, vonkten.—Eindelijk stopte ie. Zwaar gedaver en laatst gewoel dromde langs z’n tafel achter z’n kruk. Nou wou ie ook een ’n glas bier gaan drinken. Z’n keel brandde van rauwen krijsch en pijn. Eerbiedig weken de kerels voor den lang-mageren Moor-Jood, met z’n angst donkeren kop, z’n streng borenden blik, z’n kalmte. Even z’n schouders, in krommige lijn opgehaald, ging z’n lang lichaam tusschen de sjofele sjouwers en tuinders, z’n zwart-bleeke kop, prachtig beglansd in lichtwaas. Geheimzinnig in donkeren staar, schoof ie voort tusschen de botte kerels, zich-zelf voelend als ’n Cagliostro in zuidelijke gratie en suggestie.—In eindloozen koepel, blauw-bleek glanzend, rondgestold in ontzaglijken hemelkring boven havenbrok en polder, wuifden struisveerige wolken, zilverzij-licht, en ver, heel naar den horizon, tusschen violette neveling van spitsjes en daakjes, bouwde de lucht porceleinen torens van lichtwolken, slank, met fonkelende tinnen.Menschenprop was weggebrokkeld, nu kwakzalver bier dronk in rookige walmkroeg.—Daverend roezemoes ratelhotste in ’t zonnezinken als ging er hellevaart rond in Wiereland; begloeid en beglansd stedeke, met z’n hel-rood en zilver leigedak in vervloeienden goud-roes van eindloos polderruim.—Op en af de booten ging ’t weer in laatsten ploetersjouw en[120]afhitsende werkkoorts als hadden de kerels zich verzuimd met luistering naar den Jood.Woester stormden de kroegen leeg en vol.—Verhitte zuipdrift stramde de koppen, en zwaarder, paffender in ’t zomerbrio, doorregenden geuren en stanken de haven; verklonk in rommelende donkerte ’t lawaai der zwoegers tegen al stillere rood-verre oneindigheid van polder-avondlucht; hemelkoepel, doorzeild van laatsten klankenjubel en verren vogelenkweel, leeuwerikkenvlucht, donker verstippend de luchtzee door.—Sneller, àl lager sloeg de blink-glanzende gang van ’t licht over de haven, als kon de dag niet sterven dààr, vloedgolfde ’t over de kerels, roodgebrande tronies, nimbus van avondzon, gloedkoppen, verwaasd en verheiligd.—Dwars door den rauwrumoerenden gruwel van krijschende, furiënde sjacher en zwoeg, over pijpen, masten, zeilbrokken, pramen en sloepen, stroomde avondtooverige gloed, vreemd zilverrood, blond en telkens wisselend in gamma’s. Van de porceleinen wolk-torens, gloei-purperden de tinnen, vonkten hun gouden ommegangen.—Al lager de lichttoover doezelde over heete havenjoel, gedaver en gezwoeg; al wijêr glansde stralende purpering, verstillend de luchten, bedampend in wond’ren zonnemist, keien, sintels, en werkers. Paardkoppen droomden in stille, verglijdende glanzen en karren met aardbei en groen, doofden langzaam, bij stukken uit, in doffe zonloosheid.—Zonnedroom, die uitdoezelde, wegnevelde, in violet gedamp en paarse vlekken, schaduw-fantomen wierp aan walkant, goudteer vergloorde, tusschen rag touwwerk en masten.Over bootsrompen, en boegrondingen, waar kleurkopering van roeren en luikjes verbleekte; over heel het havengeraas, waar werkersopstand in drommen dooreen krioelde, starde al meer de vlam van den hitte-dag, de felle daverende blinkgang van licht, verdampend in wazige tonaliteit, in zilverige schemer-vegen en aarzelend blondrossig-goud.Tusschen het al donkerder kastanje-geboomte, waar de schemer ’t eerst in duisternis verweefde, keken de kerels onder ’t lommer nog òp tegen den kleurzang van zonnedag, die lang, heel lang,[121]tooverig begloeid, in polderhemel bleef nazingen z’n wond’re tinten. Menschen, paarden, honden en karren in opgepropte kronkel en warrel, onder ’t duisterende lommer kleurden nà, in de ver-affe roezemoes van ’t stervende licht.—Allen dáár, wriemelden dooréén in schemer-avondgoud.—Petten kleurden vaal, in al gamma’s; kielen, jassen, schorten, donkere sjouwers en tuinders-venters, boeren en kijkers, in één warreldrom, loom langs elkaar verkleurend en verkronkelend, als drasten ze voet-zwaar aan vastzuigende havenkeien, moeras van rottend groentenafval.—Dirk Hassel was met Klaas Grint, z’n zoon Jan, en Rink van den polder, tusschen ’n groep tuinders de kroeg ingeschoffeld.—Voor hun beenen buldogde ’n ton-buikige boer, met ’n korf kleine varkentjes onder z’n arm gekneld, waar hooilucht uitrotte, urineachtig-vuns. Krijschend en ronkend woelden de dieren, scheefhangend tegen de korfbiezen op, en telkens bonkte bullige boer, met z’n worstige handen, ’n driftstoot op de krijscherige diersnuiten.—Achter kroeggangers ratel-rolden, dwars door de woelende menschenmassa, groote gele tabaksvaten, door troepje kerels met trappen tusschen de karren en dieren voortgebonkerd naar ’t spoor.Dirk was blij dat ie eindelijk zat. Al twee maal van de haven naar de akkers geweest, extra-oplading, en nou zou ie ’t d’r eens lekkertjes van nemen. Hij grinnekte tegen z’n brandewijntje met suiker, dat op z’n schor-korten roep, dadelijk gebracht was. Om ’m krioelde ’t van klomp-klossende kerels, in stampigen gang op knarsenden zandgrond. Lekker en poeteloerig-duizelig snoof Dirk de jenever en bierlucht, zoetig en scherp, en stil tegen den muur ingedrukt, ’n pijp den mond ingebeten, sloeg ie, brandewijntje na brandewijntje klein, mummelde wat woorden uit, tegen groenboeren die naast ’m neersmakten, aemechtig hijgend van zwoeg.—Zwaar-laag dampte de kroegrook, nevelig, en rood misterig toen gasvlam bij ’t buffet en boven biljart àànplofte. Stil bleef Dirk zitten, roerloos in z’n hoekje, uitspuitend pruimsop en pijpnikotine in de spuwbakken, doodop, lekker duizelig, in de[122]wemeling van al meer aanstommelend landvolk en roezemoes van stemmen, achter hitterook uitkrauwelend, tot ie doorzopen, landerig en woedend, tegen tien uur naar huis waggelde.
[Inhoud]II.’t Was Vrijdagmarkt, tegen half vijf. Van enkele zijwegen en uit smalle, door zon verblakerde steegjes kwam áánrateling van karren; tuinders die hun waar vroeg opgeladen hadden. De havengrond bij brokken bekeid, lag vol koolstronken, aardbeirotte plasjes en groentenvuil. Eén brok weg, zwart, gruizig besinteld, rond rood-wit bemeniede lantaarns, frisch zomers opgekwast, lag bezaaid met kisten. De huizenkant van haven, met z’n gevel-trappige woningen van dominee, dokter en wat winkeliers, tot meer naar achter, waar ’n woelige oppropping van kroegen en pakhuizen samendrong,—koelden donker in zwaar uitgegroeid lommer van hooge kastanjeboomen, wonder-groene laan, ingeplant tusschen wal en stoepen. Het ruiten-licht van de oud-gevel-typische huizen in wazig-groene glanzingen, verschemerde ’r geheimzinnig ’n eigen bestaan; bestaan van diepe halfschaduwen, dwars door het aandroesemende lawaai en geraas van havengescharrel, geheim stil verwisselend achter zwaar lommer.—In ’t walletje kleurden achter elkaar, pas aangekomen booten, waarop dekknechten met oorverdoovende herrie kisten van ’n plank lieten glijen òp de steenen, langs de reeling, door ’n anderen kerel weer vèrder rondgeslingerd tusschen vuile stronken en groentenafval, sintel en kei.—Zoet-zwoele, tot stank verbroeide geur van aardbei vloeide wèg in vunzige lucht van duffe groenten. Heel de Haven zoog in, àl luchten en reuken, ademde weer uit, bedorven saamgebroeid zoet van aardbei, aardappels, sla en penen.[86]Telkens achter groene kroeg-gordijntjes spuiden de herbergen jeneverstank uit, scherpen prikkelgeur doòr den warrelenden damp en de stank-zwangere atmosfeer van verbroeid zonnig havenleven.—Geweldig in wijdheid, doorwolkt van onweersgedreig en half in zonnigheid weer, welfde de polderhemel met ’t weiland eronder, afgelijnd door spoordijk; ’n hemel niet te zien, maar ijl te voelen toch in verte en diepte ònder de àlmachtige luchtruimte. Groen-prachtig, in fel-grilligen zonneschijn, lichtte de lange dijk òp, waarover lawaai herriede van aamborstige lokomotieven, hijgend en puffend, heen en weer, als in zweetbenauwing, drentelend en geduwd voor- en achteruit.—Vastgehaakt en voortgebufferd in stooten en dreunige stampen, donkerden vrachtwagens dwars door den uitkoepelenden polderhemel.Onder kastanjelaan, vóór huizenkant van Haven, het doorrijpad van karren en paarden, kermisten zuurkraampjes en betentdoekte vischstalletjes met poonen en scharren, die walglijke stanken rondbroeiden in de hittesfeer van sjachering en half afgedreven zomermiddag-onweer.—Stijgender geratel en gerammel van karren en wagens, dooreen-klakkerende hoefslag van zwoegpaarden op keien, kwam dreunend òprumoeren uit steegjes en zijwegen, naàr en vàn de groentenvervoer-booten.Heel de aardbeistuip van ’t land, de koorts van wroet en pluk, pakte zich daar saâm, in één woesten drang van laden en lossen, één jagende scharrel onder de ventende afbeuling van ’t landvolk. Al tweemaal op één dag was er door de booten in den drukken broeihaal van aardbei nù, op de groote stad afgevaren; al tweemaal geladen en gelost. Om vier uur in den ochtend, de heele week, waren er zes groote vrachtbooten, tot hoog boven de verschansing opgestapeld, weggestoomd, met allerlei groentegewas, stikvol van aardbeien, aàrdbeien. Om twaalf uur ’s middags, léég, heelemaal uitgeput teruggeboegd, weer gevuld, alléén met aardbei en weer leeg naar huis gestevend. Alles had de groote stad opgeslokt, gretig en woest; en nu wéér werd ingeladen voor den marktdag.[87]De Haven lag gerammeid, begraven onder leege kisten met mandjes, en overal dreef rood sap, donker bloedend door ’t zwarte kolengruis, verkrinkeld in sporen en plasjes.—Dirk had z’n zware kar met voorzichtige zwenkingen tusschen stilstaande paardjes ingewerkt, zoo dicht mogelijk bij de boot, waar ie z’n goed op te laden had. Telkens schokkerde ie ’n eindje verder, meer naar den wal, tusschen de dooreengezwaaide kistenruzie en manden, tonnen en planken.Sterker kwam áánwemeling van groenboeren, vrouwen en kinderen, en oorverdoovend raasden de blaffen van karhonden, die daar woelden, rukten en huilden onder de donkere assen, jammerend tusschen hun bemodderden engen knel van spanriemen en treksels.—Vervuilde, langharige kerels, met dronken-lacherige tronies stonden in overhemd, àchter d’r poon- en scharrestalletjes, hun eigen waar op te eten, schor futloos roepend: fèrsche poone.. fersche skàrre.… In kringetjes rond en onder ’t tentdoek, lolden wat venters en tuinders, poonen etend en uitzuigend, met hun handen de visch losbrokkelend. In nek-achter-over-zwaai, kwakten ze zich telkens stukken vettig vleesch ’t mondgat in.—Zuigsmakkend en belekkend de goud-donkere poonvellen, plezierden ze, waggelend op de beenen. Stil stopte verkooper ze schar na poon in de handen, terwijl hij zelf smakkerend vrat, z’n mesje tusschen ’t scharrenvleesch peuterde, fijn reepje na reepje, achter de tanden vergoochelde.—Zon, uitgloeiend achter weggedreven onweergewolk, brandde weer fel op tentdoekjes, die lichtstreepten rood-geel, onder boomlaan door, de smoezelige linnen kleuringen, warm-dampig verzonnigend.In één uur tijd was de geweldige marktdrukte komen áándonderen in furiënd gescharrel en gesjouw, geraas, getier en roezemoezende stemmenbotsing. Paarden met karren, al méér, al méér, klakkerden en bonkerden onder de belommerde kastanjelaan, schurend langs de huisstoepen, zwenkend, tegen elkaar òp. Vrachtrijders verkrijschten: ho!.… ho!… hai!-daar!-geroep,[88]tusschen kerels, vrouwen en kinderen; tusschen ladende en lossende werkers, of dwars door rumoerige groepen, opgepropt òm groote groenteuitstalling van afslag, waar koopgierige schobbejakkige venters rond-kankaneerden in schor opbied-geschreeuw, als dronken duivels.Van zijstraatjes uit, dobberde zwaar-stootend gedrang van karren, de eene al hooger achter de andere òpbergend, met kisten- en zakkenlading.Tegen half zeven daagde van allen kant ’t landvolk òp, voortstuwend pyramiden van kleurdruipende groenten, als was aan akkerzij van Wiereland overstrooming losgebroken, de zee over de duinen heengegolfd. Als was daardoor ’n chaotische beroering, ’n opstand, dwars door paniekheen gescheurd; had zich ’n drom angstigen aanééngestoet, verschrompelde bemodderde kerels, reddend van hun zwaren ploeter àl wàt ’r op ’t land nog te halen viel. Eén wilde, woeste samenstrompeling van mannen, vrouwen, kinders, met kisten en manden en zenuwbevende handen, die meehielpen aansjouwen en wegduwen van kar naar boot.Aardbeigloei, rood-fel en purperdiep, brandde weer in zonnelaai. Honderden en duizenden bakken met de roode pracht-furie der vruchtjes gingen van hand tot hand op de booten, van de karren naar de dekplaatsen, en van alle kanten losten de wagens uit, stortten een groentezee neer, in branding van kleuren, aanklotsend tegen zonnegolven; tegen broklijven van schuiten, kerels, karren, paarden en honden, één woeste uitgolving, òpzieding van groen, groèn, van zeng-rood, vuur, donkerend purper en hel prachtig wortelen-oranje.—Hemel was blauw-diep weer uitgetinteld, tusschen zilverende wolktochten en in de koelender zilverglanzen van gloedroode, stillere zon, lag de kastanjelaan doorzeefd in wondren glansnevel, doorvlàmd en zonnemistig tegelijk. En de groenbemoste boomstammen, in flitsen grillig beserpentiend, kromden gevangen in gouden kronkels van glans-slangen.Dampig gezeef van goudschemer, gloedrood, vloeide over de bronzen en roode kielen der woelende kerels, werkersstoeten[89]in sfeer van gouden lichtdamp en roode toortsentooverij bewegend.—Midden in zonnetoover daverde ’t haventje van helsche donderbonkerende rumoering. Telkens ratelden van de zijwegen, uit smal-doffige broei-steegjes, nieuwe karren áán, waarachter angstig-verwrongen gezichten èven uithoekten, tusschen bakken en manden; monsterlijk gerammeide zweetkoppen, doodòp van zwoeg, benauwing en snikhitte.—Hun bakken overstroomden de markt, verzwolgen ’t licht. Uit àl andere weggetjes en spleetstraatjes, van rechts, van links, dwars, opzij, uit nog fel-bezonde achteraffe gaatjes en steegjes, flonkerend en dampend in verblindend schellen lichtgloei, bonkerden en schokkerden ààn, al meer paardwagens en handkarren, aardbeien en groentevrachten, rood en groen; felle uitbarstende gamma’s van purper naar papaver-vuùr, en al soorten smaragd, tusschen gelige goud-gloeiende kolen, al méér, al méér, als moest ’t haventje begraven, verzwolgen onder de bakken, manden, vrachten en vaten. Overal, de heete hartstocht van ’t gloeikleurig rood en oranje, de felle klater van ’t schelle en zingende groen, dook òp van alle zij, uit zon-overstorte zijweggetjes, blakerend, smal en vunzig verstoft in de Julihitte, met hun ordelooze wemeling van krijtwitte, bruine, fel-groene bekalkte geveltjes en rooddakig brio.—Overal doken òp, geweldig in drommen tusschen ’t kleurheete, zengende geveltjes-koloriet,—ònder de roodgoud doordampte boomenlaan uit,—al nader, àl nader, de wagens met hun lichtend groen en vruchtenpurper, tègen de hemelblauwing in; de huisjes al kleiner, verder wèg, de karren àl grooter en massaler, aanbonkerend op de Haven.Later nog, de kastanjeboomen zeefden in zonnemist en de kruinen stonden weer uitgegloeid als was ’t goud er tusschen vervloeid.—Hier en daar nog van boven schampte ’n flits, ’n gloeiende kronkel, ’n trillende spiraalglans; was lichtweb uitgescheurd en blijven hangen wat bevend spinsel van goud-gloed.—Links van de karren zwenkten de tuinders hun paardwagens àchter paaltjes áán, op stiller gedeelte, ’n end van d’r[90]boot af.—Stil, tusschen rumoering, suften de paardkoppen, de voorste vastgetouwd aan paaltjes. Maar ook dààr, heel gauw, dromde ’t stikvol, schoven al meer karren in, stonden de beesten met de lijven op elkaar ingedrongen, koppen, droefmelankoliek naar beneden, in zorgelijke bepeinzing over ’t oorlogend havenrumoer, geraas en gekrijsch. Te wachten, roerloos stonden de beesten, d’r half-leeggeladen karren kleure-jolend in zinkenden zonnedoop, kermisjubel van helblauw, groen, hard-geel, bruin en menie-roode beschildering. Zacht zwiepten de staarten, knokelden schimmel-blanke, goudbruine en donker-bronzen ruggen, gloed-laag beschenen. Van alle kanten manoeuvreerden, tusschen ’t geraas van weggeslingerde kisten, de karren zoo dicht mogelijk bij boot waarop geladen moest worden, voor vertrek van den volgenden ochtend. Hoog bestapeld, van achter tot voordek, krioelden de booten in rij vóór den wal. Geen plekje kon onbezet blijven. Dekknechten en kapteins sjouwden gelijkelijk mee met de tuinders, droegen de bakken met vruchten en groenten ààn, in zwaren zwoeg, over keiweg en loopplanken. Handiger dan de tuinders wrongen zij zich tusschen de kisten, mand- en zakvrachten door, opstapelend in zwaren smak van uitputting, de nieuwe vrachten. Dwars door elkaar, bouwden ze òp, monumentaal, dat de groentebakken vèr boven verschansing, als ’n kleurig fort van ruw hout, neergeblokt stonden. En overal bij spleetjes, gloeiflitste ’t vruchtenrood tusschen het monsterbouwsel van kisten, levend monument van vruchten, gesmoord tegen orànjebrand van wortelen en groen.—Op alle booten tegelijk, bleef de laatste stapeling aardbeibakken, langs heel den havenwal neergewolkt in vuur, en de gemeen-beschilderde kisten in ruig koloriet, dansten een kankan van helsche kleuren in ’t doorzonde, heete havenrumoer. Zwoele stanken drassigden in de lucht ’t zoet uit van de vruchtjes, zwoel-vochtig tusschen de groenten, die opeengebroeid, voozer verstonken. Over den drogen gloeiend-stoffigen sintelgrond verwàlmden geuren, dwarrelde rond, draaikolk van stanken, zoetige en ransige, kanteloeplucht en citroenen, sinaasappels[91]en bedorven uitwasemende poonen, scharren, zuur en eieren; gotenlucht tusschen ’t aardbeizoet, dòòrwaaid weer van kroegstank en spiritus. Alsof zieke reuzen ergens heeten stankadem uitbliezen over de Haven, zóó van alle zij wasemden de dingen hun luchten uit, vermengd en verbroeid in de hitte. En telkens gulpte van spoordijk, rook-roetige wolk-smoezel, in woeste vegen donker heendampend over ’t havengewoel, òver karren, vruchten en menschenoppropping, doorzond en verstoofd in kleuren en licht. Zóó, fel omklaterd en verbrand van kleuren, in de hartstochthitte der zwoegers, verdampten de geuren bevend licht bòven de karren, de mensch-koppen, kisten en manden dompelend in zichtbare sfeer, stralend-fijn van ijl stofgoud.—Sfeer van trillend licht, als neergestroomd uit reuzige zonnelantaarns, in banen van damp en warrel. En tusschen de menschkoppen en koopwaar, grillig-verspatte nog zonnevuur kleurfelle vlakken, gooide vlammig spel op bevende kaken, òp handen, in oogen. Telkens nieuwe kisten sjouwden dekknechten met tuinders áán, in hijg-zwoeg, dood-af gewerkt van den ganschen dag landwerk; telkens in hun gang gestuit, teruggestooten, weggeduwd en verkneld, door andere werkers met vrachten op nek, hoofd en schouders, ingebukt en woest in d’r moeheid, terugsjokkend van de loopplank, achter elkaar, met de doffe, of kleur-felle kisten op de schonken, wat ruzie-schor verschreeuwend tegen de kerels die opdrongen of worstelden om plaats. Dan hier, dan daar holden en kankaneerden de sjouwers op zij, vòòr paardkoppen of langs geweldige vrachtwagens, die tusschen hen indrongen. Overal was gestruikel, gestrompel; dof-klankten smakkingen, daverde gebonker van verslingerde kisten en manden, gloei-stroom van jachting, verkronkelend in dol-botsende drukte. De kleurige booten, achter elkaar langs den wal, sloegen ’n branding in ’t hart van ’t levende haventje. Eén vloed en eb deinde er van duizenden verlompte werkgangers die òp en af, dwars en tusschen elkaar’s groen-waar heensjouwden en reden.—Zoo golfde bij den wal ’t sterkst, woeste stroom en tegenstroom, zich vertakkend en[92]verbrokkelend in zijwegjes, weer aanspoelend in kleinere hurrie-golfjes van andere kanten. Drang tot afdoen vloeide samen op één punt, bij al de booten, drang en jacht, die angst-steigerend, al hooger àànstortte tegen ’t forthooge bouwsel, kleur-heet monument van bakken en manden; stroom die plots weer àfrazernijde naar kroegen, dat er spuiing kwam en luchtiger rammeling van karren tòt in de afgelegenste, koel-uitgezonde hoeken, bij pakhuizen naar polderkant.Langs de havenvaart, achter kastanjelaan, lag de kei- en sintelweg hooger met leege kisten bestapeld, teruggestrooide vracht van ’n boot, die al twee maal aardbei naar de groote stad had vervoerd. Nu ook van polderkant donderden en bonkerden paardkarren en ezelwagentjes ààn, met ’n geraas of ’r mijlen in ’t rond muren van glaswerk instortten, telkens één op den ander vergletscherend. Tusschen ’t lawaai van lossers en laders, gilden en joelden kinderen aan karkrukken, klauterend in stemmenschater over wagens, kisten, manden; hingen en wipten ze aan karhoeken, elkaar bejoedelend òprukkend of terugsmakkend. Beestig woelden ze rond, furiënd in de herrie, stremmend ’t gedrang en gesjouw, tot plots in woedevlaag van werkers, ze verjaagd werden naar andere hoeken. Maar ook daar woelden en klauterden ze weer als losgebroken apen uit dierentuin, òphitsend de honden die basten en jammerden gelijk schreiende gekken.—Als wegratelde, met kar en hond, één tuindersgroepje, stortten nieuwe wagens rumoer uit, was ’r in enkele minuten weer kargedrang en gestoot op-elkaar-in. Achter boomgroen, waar goud-rooden gloed dampte, en scheemrig de laan lommer-glansde, keken vreemd de geheim-stille ruiten, nù onder half bladerduister, in haven-zonnerood vertooverd; bij brokken weerkaatsend ’t belichte gewoel, worstelzwoeg van tuinders, die er vóór sprongen en holden, tierden en hotsten als gestrafte misdadigers, kankaneerend op heete platen, met hun verweerde tronies tusschen eigen walmende reukwaar in. Geen sterveling in ’t stroomrumoer, die stààn kon blijven. Van alle kanten stootten de vrachten òp, mannen, vrouwen, kinders,[93]vloekend, scheldend tegen elkaar in. Méér dragers balanceerden bakkenstapels boven ’t hoofd, waar ze in angst naar grepen, als ze zich teruggebonkt voelden, in den karren-kronkel. Minuten lang werden lijven geblokkeerd, ingesloten, door dwarrelgang van andere sjouwers vòòr de booten, en eindelijk haastig strompelde ’n troep vooruit, als er spuiing kwam aan den walkant. Snel warrelden ze dooréén, aanschuivend en verglibberend op stronken en groenteafval, met één voet soms tusschen ’n opening ingekneld, de andere op bakken en manden neergetrapt. Elk bloot keiplekje lag dadelijk dichtgesmakt, als ’n werker z’n voet wegtrok, opschoof of weer naar z’n kar terugdrong om nieuwe waar af te laden. Angstig geroep en gekrijsch van ho!.. ho!.. hai-je-hee!.… verklonk opjagend de werkgangers.—Kaik veur je!.… paa’s d’r-op-bout!.… hee doar je kop!—màin snuit ook nie!.… kruiste en spatte tegen elkaar òp, in rauwe ironie en spot. Bij de minuten nu, zwol áán de razernij, ’t gewoel, gedrom, gekrioel op havenengte, en wilder ging werkjacht onder de menschoppropping, de samengeknelde worstelende zwoegers, teelders van Wiereland, Duinkijk, Kerkervaart, Lemperweg, Lemper en van al de dorpjes rondom; moeë kerels, afgejakkerd door dàglangen landarbeid, met heeten wrevel in d’r lijven, tot laat in den avond opsjouwend naar marktwemel.—Van de kroegen uit, tierde, raasde, ziedde rumoer. Als dampige holen, volgerookt met smook-blauwigen nevel, donkerde daar roezemoes van zuipende kerels, uitspattende drinkers en pijprookers, klodderend en spuwend op zandgrond. Flikkering en lichtflitsjes gloei-speelden ijl over karaffen en glaasjes bij buffet, onderschepte vonkjes en glansjes van verdwaald rood en groen-goud licht. Van alle herbergen stonden de deuren wagenwijd open, en achter de boomenlom’ring uit, verdrongen de werkers elkaar rumoerend, om eerder in haastigen slok ’t brandvocht, droge, moeë keelen in te gieten.—Benauwend sloeg de stank van groenten, visch en aardbei de kroegen door. In woelige, opgedrukte kringetjes zaten groepjes[94]bijeen onder schor dronkenmanslawaai, en telkens schoot geschater uit, dat als jammerhuilen verklonk. Jovialig beklopten ze elkaar op de petten, schouers, of stond ’n troepje, bij ’n hoek opgedrongen, met de jeneverkelken in de hand, morsend en plassend over kleeren enpolsen, d’r groen-waar te versjacheren, klakkend in handslag.Vlak langs de huizen en stoepen schuurden de paardwagens, uitwijkend als ’t kon, voor groenteuitstallingen om boomstammen; ging rond, ’n gang van slenterende meiden en moeders met kinderwagens, zuigelingen, angstig verschrikt kermend en krijschend tusschen den jachtarbeid in. Telkens uit zijwegjes en onder boomlaan uit, doken de paardkoppen vlak tusschen de verweerde menschtronies in, joelde de havelooze kinderbent, onder paardenpooten, achter karwielen, vaten, zakken en bakken uitklauterend. En heviger, boven alles uit, furiede hondgeblaf, angstige huilgamma’s van verhongerde kreupel-getrokken beesten, dorstig, geranseld, in woeste razernij van klachten, òver heet werkersrumoer heen, met ’n ontroerend-menschelijken jammerhuil in d’r blaf, als verschreiden ze hun ellende, hun dorstgemartel in hitte; verklaagden ze elkaar hun slaag en driftschoppen van d’r bazen, waarvoor ze zwoegden, den heelen zomerdag door.Tusschen het ketsende paardgetrappel en kargeratel, door dwarsweggetjes uitgestort en neergeworpen in den woelstroom van ’t donderbonkerend marktgeraas, bleven de honden blàffen. Eén jammerkoncert van droeve klaagklanken, van nijdig gekef, van gekerm, gejank; schor en dreigend gebrul van door kinderen gesarde dieren, tegen de wielbanden getrapt, aan de spanriemen vermarteld, met steenen besmakt, dat de schrei-blaffende koppen verkrampten tegen de assen òp. En àl meer karren ratelden ààn, met span van drie en vier beesten vóór en ònder de wielen, die dadelijk meeblaften in oorscheurend geweld.Plots braakten twee hoekkroegen ’n stoet uit van krijsch-jolende kerels, in malle sprongen, hals-bloot, met slappe handjes naar elkaar toe kankaneerend. Dronken verzwollen koppen,[95]roode stropdoeken, losgescheurd op bloote borst, joolden ze èng en opgestooten onder paardkoppen door, waggelend tusschen kar-honden, die nijdig aanbasten, en in dol geterg, met hun woeste, kwijlige schuimbekken dreigden te happen. Voor de zuur- en vischstalletjes bleven de kerels staan, gretig grabbelend in de zon-bebronsde poonen, waarvan de vellen glansden als gloeiend ceramiek. En schor joegen ventersstemmen de kerels òp.—Fersche poòne.… mooie poòne? faine skarre!.… fersche skarre!Verhitte relletjeskring van arme tuindersventers, die onder elkaar wat bakken groenten hadden verkocht, niet op bootveiling en afslag hoefden te wachten, zongen rauw, in dronken joel:—Oooaaw.… waa’t ’n skà-ànde!..Hun vervuilde kleeren stonken en drank-asem walmden ze elkaar in de roode bakkesen.—Van rechts golfde ’n nieuwe zwoegstroom áán, die den lolkring terugdrong weer, in de smookige donkere kroegen, waar de zweetwasem verbroeide als zure vleeschstank, tusschen de scherpe prikkellucht van tabak en jenever.Oorverdoovender buiten, brulde, loeide, raasde en kermde de hondenbent onder de karren; duizenden woedende en schreiende dieren tusschen ’t menschgekrioel in.—Ze huilden als uit dwangbuizen losworstelende gekken, door brandangst, in ruimte zonder uitgangen, opgejaagd. Tegen elkaar in blaften de beesten onder assen, wielen of krukken, met bassende, dreigende, hakkende, schorre hoog klank-martelende razernij, onvermoeibaar in één krisis van kretensmart. En vonkwild, bloedbeloopen, gloeiden hun oogen zonder dat ’t landvolk omkeek naar de dieren, die ze verhongeren lieten, en versmoren van dorst.—Aan linkerkant van Haven, waar menschen, paarden, karren, ezels en honden in één oppropping, ’t sterkst dooreenkrioelden, daverde zwaaibreed ’t kistengesmak; keilden tuinders, manden en bakken rond, klonk rauw gekrijsch, barstten vloeken uit,[96]giftig en grof, in heete stemme-botsingen.—’n Politieman, tusschen geraas en gedrang, verkrompen tot mager angst-gestaltetje, keek rond, hand op de sabel, dan hier, dan daar geschouerbonkt, tegen z’n rug, getràpt tegen z’ beenen, z’n kop, geen raad wetend soms, waar zich te bergen.—Aldoor sprong ie opzij tusschen karrenknel en hondgedreig, maar dadelijk weer ver-bonkten ze’m naar andere plekken.—En overal om ’m, zwol ’t daverend marktgeraas, ontkraterde het heete onweer van zwoeg, de sjouwende kleurige opstand van marktkerels; deinde de zee van druischend woelgeweld, in d’r licht en kleur-golvend beweeg, geraakt nog door laten zonnebrand; in d’r klotsende schuiming overstroomend, vèr, al verder, de Haven, de booten, den polder, met daverend rhytmus van treinengang, dreunend in den lagen, snikheeten zonneval.—Tusschen het geraas en de blaffurie klonk als ’n demonische hooge stemmenspot, plots bel van den afslag, uitrammelend z’n schellen schater boven de kleurig-opgepropte menschenmassa. Daad’lijk trok ’n bronskleerige tuindersstoet met straat-groente-venters, zonder eigen grond, rond den afslager, die bengelen bleef; tusschen de helle klank-strooiing dóórkrijschend, dat nieuwe omgang van afslag beginnen zou. ’n Helper riep naast den verkooper, met twee handen aan den mond als toeter gebogen, heftig dat ’t bloed ’m naar de wangen schroeide, ’t zweet glimmig van z’n slapen druppelde, den druischdonderenden warrel van ’t marktgeraas pogend te overschreeuwen. De schelle klankenrammel bleef luiend lawaaien en daaràchter de schor-verkrijschte afslagers-stem, onverstaanbare radde handelstermen uitbrabbelend. Op ’n hooge stapeling van kisten stond ie naast z’n helper, en rond ’m, de stom toekijkende beweeglooze, ingedrukte klomp brons-kleerige tuinders, loerend naar de uitgestalde groentewaar, den geweldigen kring van sla, groen-doorzond, als smagarden kwallen, geplooid en bekerfd; douwig-doffe doppers, platte peulen, rhabarberbossen, rooiig-groen, en korrelig blanke boeketjes bloemkool, op stapels dooreengesjouwd, in kisten en bakken. Eindelijk stopte afslager, satanischen klankstrot van bel dicht, kringden de koopers[97]nauwer op en achter elkaar. Kleine baasjes-pachtertjes stonden in den koopkrans gedrongen, met d’r sluwe kaal-geschoren tronies, loenscherig berekenend in klankloos lipbeweeg, wat ze voor de waar geven konden. Anderen, in gedachten, staarden als gekataleptizeerden naar de nu stille bel op kistenhoogte, die flonkerde bronzerig in zongloed, tusschen ’t groen. Lager gloei-glansde zon rond de kijkkoppen, rood-gouden toover sprankelend op tronies-brokken, de kerels vervlammend in toortsigen brand van d’r pracht-bronzende kleeren. Demonisch vlàmde er gloed, inbijtend op den kring, hier fel-licht verblindend op wit gekiel, daar goud-wolkerig verzevend op fronskoppen, bronzen ooren en handen, kleurige kielen en schonken.—Venters die Wiereland doorsjacherden met wat groenteafval in hun verrotte schrompeling van kleeren, beloerden elkaar woest-nijdig, vooruit al bang, dat een den ander zou opjagen. Onstuimiger drong de stoet bijéén, scharrelkring van schorre kerels, in naakten drang elkaar met oogentaal vermoordend van afgunst. Snel, in woordratel van z’n kisthoogen stapel àf, had afslager z’n waren geprijsd.——Veur tachtig de duuzend,.… veur dertig.… die.… veur vaiftig die.…—Main.… gilde één uit den kring, angst-ontzet als zouden ze ’m slaan.Daar weerklankte helsche stemmestrot, van bel tingelingelinge! lingg!.… tin.… gelinge.… lingg-ling! ling! schel neerziedend in verdoovende vaart, in ’t rondomme geraas van karren, honden en menschen. Achter den afslager en kijkkring, was weer ’n ontzaglijke, aaneengekettingde rij aardbeikarren aangerateld, helrood tusschen de losgestapelde peenbossen. Als ’n geweldig fantomige opstand van plukkers en rooiers, was er ’n nieuwe stroom reuzige werkers en sjouwers uit den stationskant aangedrongen, dwars door de paardjes en ezeltjes, in ’n davering van ho!.. ho!.. hei daàr!!’s. Opstanding van titanische plukkers uit ’n heel anderen landhoek, tegen de paarden ingaand, die verhit, in pracht van trek-gang, trappelden en vernielden wat onder den hoef kwam.—[98]Rond handen en lijven, rond oogen van dieren en menschen bleef razen een heet gewoel, een druisch-hevige energie van demonische jacht, één krioelende gang van leven, tusschen boomen, tenten, stalletjes indringend en weer uitgulpend met overstroomenden golfslag van rondfuriënden ploeter.Pal in den zinkenden zonnedamp, làger verglanzend in sfeer van goudrooden brand, doken de woeste zwoegkoppen òp, uit al meer verdonkerd boomlommer. Dààr, onder ’t verduisterd bladergroen sjacherden de kerels, met d’r tronies in geheim-fijnen schemer van half-licht, groen-goud en bleekblond omzeefd, soms plots uitgesmakt naar walkant, in ’t roodgoud gewolk, tot de voeten begloeid in fanatieken worstel van glansen.—Van alle kanten in de avondzon, duwden ze òp de kerels, pracht-gespannen de spieren van stuw, al mèèr groenten, heele steden overrompelend met hun monumentale warenmassa. Inééngedrongen dààr, op karren bij elkaar, geplukt en gerooid, lag de éérst mijlen verspreide zwoeg van hun land, om straks te zien verdwijnen hun waar, hun voedsel en zoete spijs, als offerden ze, in angstige, stomme biecht van arbeid, aan den donkeren grom-muil van groote geweldige stad, verslindende metropool, die maar slikte, slikte, elken dag meer van wat er brandend en zweetend uit hùn gloeihanden zich opstapelen kwam.—Van heinde en ver trokken ze op, van de stilste afgelegenste akkerhoekjes, waar eerst hun waar in zonnebrand had te gloeien gestaan. Van heinde en ver de kerelsstoeten trokken òp in orgieënden zwoeg, omjoeld van laat hemellicht, dat schaduwde en zacht vervlamde in beev’rige, goud-roode vegen, aarzelend purper en nevelig hitte-brio, verdonkerd onder lommerlaan in zeegroenige zweefglanzen. De kerelsstoeten er in, tusschen hun nog half levend goed, met den sappenden streng uit den grond gerukt, in den zwijmel van landgeur, den frisschen zwelg van aarde-lucht, verbrandend, verstovend in de havenstanken. Kerels-stoeten als ’n leger van werkers, met hun kleurfelle, gloei-dronken schitter-spijzen van overal, worstelend en optrekkend[99]naar den grooten verren donder der stad, toestoppend den grommenden lekkenden reuzigen muil van het zwelgend, vraat-dolle, hongerige massa-monster, waar zij nu voor saamstroomden, met hun lèvende waar, doorzogen van hùn zweet; kerelsstoeten, onbewust van hun demonischen aanvoer, hun luidruchtige geweldigheid, en heet-koortsend kleurenbrio, hoorend in ’t kraterend marktgeraas, echo van den ontzettenden honger-grom van stads-strot.—Al maar, achter de kastanjelaan uit, van steegjes en weegjes, doken de karren òp, nu drukker in bedrijvig gedrang bij den molenkant van station. Ze waggelden de wagens, zwanger van hun vrachten, ratelden, hotsten heviger, alle door ’n blondroode baan van licht heenwadend, doortrilden gouddamp, die àchter hun koppen, hun waar, bleef hangen als ’n bevende nevel, laat zonnevuur waaruit ontzag’lijk, reuzige menschen groeiden. Eindelijk, hun lijven en karren, dromden buiten de lichtbaan, die zich achter hun koppen weer sloot als ’n wolkerig wonder van goud-roode glansen.… Al lager sloeg ’t zonnevuur de haven in tooverroes van kleur-vlammige schijnsels, als gebroken licht-vitrails, in scherven en brokken rondgestrooid over keien, sintelgrond, karren en vruchten, hout en steen; vlammige brandingen van ’n Juli-avond, waarin ’t marktgedruisch ziedde, kookte, in helle-sfeer van broeiing.—De booten stonden al hooger opgestapeld, achter en òm de donkere pijpen en koelkast, bòven machinekamer. Gedraaf, hijgend òp en af de plankieren daverde en krioelde langs den wal. Te zinken dreigden de schepen van overvolle angstig-dicht opgepakte vracht. Burchten van ruw hout, in al woester koloriet, waar de late zon op neerlekte lichtvlammen. ’t Hoogst, bòven de bakkleuren uit, roest-rood, brons, groen, hel-blauw, goud-geel, bleven de aardbeien gloeien in hun ijl-zang van hel inkarnaat, purperend zonnegoud òpzuigend; de bakken volgedaverd van lichtende vruchtjes.—Daartusschen pyramidaalden bergen doppers, selderie, sla, postelein, wortelen, tuinboonen, bergen groen en oranje.—De bloemkoolen schaars aangevoerd van polder, stonken tegen de aardbei-zwoelte in,[100]en telkens, uit den kroeg-smokigen mist, doken kerels òp, doodaf, in zweetvet verglommen, den heeten asem van hun drank in sjacher verhijgend over hun vruchten.Midden in het oorsuizend donder-dof gesmak van bakken, in jagender tempo, stond plots ’n Jood, moorsch-zwart, op ’n kruk, voor ’n hoog standaard-tafeltje, waarop wat vuile tangen met kromme snavels, dooréén lagen; grimmig roodroestig gereedschap als martelwerktuigen van middeleeuwschen kerker.—Midden tusschen ’t gekrioel en den furiënden aanstroom van lossing en lading, was de Jood tweemaal tusschen karren en boot doorgedrongen, maar weer teruggesmakt van z’n standplaats. Eindelijk had ie z’n tafeltje bij ’n wat uitgedaverd walhoekje vastgemoerd, was ie spraakloos in de giftige woeling rondom, blijven staan. Vòòr ’m dromden handkarren, volgestort met felgele komkommers, goud-glanzend, bij punten gepolijst, en telkens daverden kerels met groentebakken voorbij, die licht rondsloegen tusschen ’t overal wolkende aardbeirood.Moorsch-zwarte Jood, met vonk-donkere oogen, stond hoog en rustig eindelijk op z’n smalle kruk, boven z’n tafeltje uit. Onder z’n tasch, tusschen de tangen, greep ie naar ’n trompet, tamboer-gebarig voor z’n mond drukkend. Valsch geschal toeterde en stootte ie uit, ééntonig als bazuindreun op grooten verzoendag in synagogen, kreten van vermoeienis en uitputting verjammerend.—Telkens bonkten, in ruwen daver kisten en manden tegen z’n kruk op, dat ie waggelde, zich vastgreep aan z’n vastgesnoerd tafeltje. Maar onvermoeid, toeterde ie door, energisch fel klankgescheur, dat de karhonden rondom nog ellendiger uitraasden, grienden en blaften, en telkens stortte ie ’n heet stjing! stjing! van bekkenslag er tusschen in.—Achter den Jood, op z’n kruk, koepelde ’t geweldig polderluchtruim, doorgloeid van glansen, waartegen donkerhoog z’n gestalte oproer herautte, in ’t rondomme gebarrikadeer van manden, kisten en karren. Donker vonkten z’n oogen, en strak, taai-energisch, bleef ie toeteren en heete tjings van bekkenslagen[101]afpauken in ’t geraas. Hem voorbij, in nijdige onverschilligheid, donderde ’t gewoel en gedraaf, gebroei en geschroei der zweetzwoegende kerels. Geweldige lasten voortzwoegende paarden zwenkten schurend langs z’n hoog standaardtafeltje. Ezeltjes huilbalkten achter z’n rug, en in loomen luister naar z’n getoeter en getjing-sjing stonden paardkoppen rondom, vlak tusschen het tuinders-gewoel, met heftigen tril van hun oortjes.—Wèg bleef ’t luistervolk, nog gebukt in sjouw, en sterker toeterden en dreunden de moorjood trompetscheuren, heet als schuimflitsen van golflicht, hooggoud en brandend rood, òver ’t woeste hurrie-rondkolkend marktgetier.—Eindelijk wat jongens en kerels, gedaan met sjouw, bleven hangerig en landerig staan voor z’n tafel, lacherig of in stompen staar bot òpkijkend naar den trompettenden Jood.—Grinnekend scholden ze ’m uit, krijschte een roomsch-nijdige kop, fel-spottend en dik-tongig.—Enne.… ààpramm.… gewòn Isaak!… enne Issaakh!.. gewon Sjàkop enne.… Sjàkop ’r.. gewon.. heè! rot-smaus, appie!.… d’ur is d’r ’n goàtje in je trepetter!—Maar Jood bleef star-kalm in z’n donkere figuring op de kruk, z’n vonk-zwarte oogen, hevig suggereerend in z’n hoofd. Stil had ie op z’n tafeltje de trompet en tsjing neergelegd, groote toortsen papier gerold en in brand gestoken, dat ze rookvlamden in z’n handen. Zachte kringen van vlammenlicht, zwierden hoog om z’n zwart hoofd, donkerend tegen den laag-stralenden zonschijn in. Walm-rook dampte blauwige mist rond z’n hoog-staand lijf, dat reuzigde tegen de polderlucht. Telkens als toortsen bijna uitgebrand waren, rolde ie met linkerhand nieuwe, zwaaide ze in kringen, dan één, dan twee, geheimzinnig om z’n gelaat; stak weer andere áán, wierp wèg de uitgebrande.—Nu en dan bazuinde ie tusschen het smokige, roetige gloed-rood gewalm, in den mist van z’n mysterieuze goochelsfeer trompetklanken uit, dat angstiger, burlesker, z’n omdampt-moorsche kop scheen te zwellen tegen ’t hemel-rood in.—De jongens schaterden om mallen Jood, maar kerels nu bleven[102]lijzerig staan kijken, bot, den mond van loome verbazing opengegaapt.—Dirk was uit de kroeg, op ’t walmgerook toegesprongen in den kring, verbluft òpstarend naar den kwakzalver, als zag ie ’n wonder uit den hemel tusschen ’t havengewoel neergestort.Onder de kastanjelaan woelde marktgescharrel, ’t drukst nu, rond de kleine tentjes en groenteuitstallingen.—De groote huisramen gloeiden rood in ’t zonnezinken, vreemd flonkerend, fel in gouden mist, onder den zwoel-duisteren bladerenschemer uit, rooden gloed, die diep, dièp, ’t marktkrioelen in bloedende gamma’s òverleefde, àchter de trillende boomschaduwen. In den geheimvol verwaasden ruitenbrand, mysterische vensterstaar, onder ’t scheemrige perspectief van havenlaan, stak zonnezink telkens andere ruiten ààn, die vlamden in lichter en donkerder gloei, tusschen het lommerig duistergroen dóór. Daar onder, en vòòr, joeg wilder gedrang en gedraaf òp en neer van kerels en vrouwen, in gekrijsch, geslikkerbik en ruwen klinkklank, òm de poonen- en stinkende scharstalletjes. Meisjesgegil joolde, tuinders lolden, dronken, in woesten stoei. En dwars door den brandgloed van ruiten, titaanden ze òp, naar ’t vlammegekring en getoeter van den Jood, met z’n makaber trompetgekrijsch en rossig-rookige toortskringen. Onder ’n oppropping van goud-gele, bronzen en bruine tentwagens, vóór kroegen en huizen uitgespannen, wiel- en rug-beflitst, holde ’t landvolk naar den trompetter, in gejaagder tempo.—Nieuwsgierig, verhit en afgebeuld, trok ènger en meer rijend achter elkaar, ’n kijkkring om den Jood. Telkens kwam karrendrom dwars door achterste loerders heendringen, in gesnauw, gevloek, geraas, verbrokkelend den stoet, maar aldoor vulden de gaten, propte zich voller de kijkkring.—Jood had goed rondgekeken, sluwigjes zich neergezet op plek waar de booten ’t hoogstmurend al volgestapeld stonden, de sjouw aan ’t afloopen was. ’n Tuinder had ’m gezeid dat ie doodgegooid zou worden met bakken en manden, als ie eerder begon. En stil, taai-rustig had ie gewacht, rondloerend met den heeten gitglans van z’n oogen, berekenend wanneer ie z’n slag moest slaan.[103]Grooter werd koppengedrang om ’m heen, en telkens nog scheurde ie trompetgalmen de lucht in, tusschen het marktgewoel, dat soms plots woester langs ’m raasde en tierde; ontstak ie rustiger, z’n groote grauw-papieren toortsen, vlam-kringen boven z’n hoofd zwierend, als derwisch in godsdienstextaze, vreemd-woest in z’n moorsche, dreigend-suggestieve donkerheid. Nu en dan galmde ie wat woorden uit, die wègkreunden in ’t helle-geraas. In aandacht gespannen, verkuchten de kerels papierstank, brandlucht en rook; stonden ze op elkaar gewurmd en verdeukt van lijf, als menschenpròp vastgeslibd, saâmgeklonterd in de woelende aderen van dóórstroomend marktlawaai.Eindelijk had Jood genoeg van z’n toortsen en toetering, lei ie z’n trompet neer, verschoof ie z’n papier, rammelend tusschen z’n trektangen en groote zwart-verlakte tasch. Stil-donker stond z’n lijf, hóóg op de kruk tegen ’t late zonlicht in, rug-beglansd, en schouers èven geveegd van goud-rooden glans.—Stil-donker, verduisterde z’n gezicht al meer. Z’n zwàrte flambard, breed model, dofte op z’n zwàrten kop, even boven z’n zwàrt-moorsche brauwen, als met kool-stift in z’n rimpel-hard voorhoofd geëtst. En z’n oogen, diep vergroefd in zwarte wallen, gloeiden vonkig, fosforig tegen ’t licht, als van ’n hond. Z’n snor, zwàrt en breed uitgekruld, en z’n baard, koolzwàrt, verdonkerd, vrat weg z’n smal geel-bleek gezicht, dat alléén oog en háár leek.Sultan-achtig, èven ingebogen met rug en schouers, verdraaide ie hoofdsche gebaren, gratieus overdreven, met potsierlijk eigen-waarde-gevoel van hoffelijk markt-kunstenaar. Zwaar kuchte ie, èven beleefdelijk hand voor den mond, zette eindelijk in.—Als hèt.… hooggewaardèèrdèn.… pùbliek.… eens èènèn.… oogènblik.… nààr mij.… luistèrèn wil.… zou ik mij.… bèkend willèn.… makèn.…—Elk woord stootte ie uit, in breede sperring van den mond, optrekking van wang en lip, dat z’n prachttanden, hagelwit, òpblankten tusschen z’n donkeren snorbaard. Door vreemd-trillenden òphaal van z’n mond onder ’t spreken, leek ’t of ie[104]bij elk woord dat ie uitstootte, duivelsch grinnikte, in samenfrons van roet-zwarte brauwen, boven satanisch-gele groeven van z’n voorkop.—Z’n stem klonk schor-vermoeid, als van iemand die walgt van eigen praat. Smart lag er in, schorre, angstige, stil weenende misère. Soms onder ’t stoot-fel spreken, verdofte de vonk uit z’n oogen, stààrde ie over de luister-koppen, kwam er lusteloosheid in het donkere rumoer van z’n anders felle kijkers. En dóór bleef iets weenen in z’n schorre, àffe stem. Geen van de drieste, in zweet afgebeulde werkers, in de havenhitte, broeiig opééngepropt als groote verbaasde kinderen, loerend, loerend,—die iets merkte van Jood’s vermoeienis. Z’n handgebaren gingen mee, moè, afgetobd, met z’n stem, elk woord afhakkend, om duidelijk te zijn, verstaan te worden, vreemd-zangerigen, verkeerden klemtoon-druk op èlk woord neerdreunend.—Boertjes, tuinders en meiden stonden te dringen, te zweeten, te blazen in de hitte, maar al meer landvolk propte zich dichter, vaster om z’n tafeltje, gevangen door z’n schijn-gratie, z’n zeg-vuur en opgewektheid.Van alle kanten begluurden ze den Jood, klaar om ’m te steenigen als ie hen bedroog. ’n Paar jochies zwierden òver koppenkring heen, palraak, hem vuile groentenstronken in ’t gezicht, en kinders gilden plots, boven ’t marktgeroes uit: smaus! dief!.… rotte joòd!Even keek ie naar de kereltjes, gooide de koolstronken, die smoezelig op z’n tafel neervlerkten, achter z’n kruk, lachte stil, ironisch-droevig.—Plots lichtte ie z’n grooten donkeren hoed, beleefd van zwartkrulligen kop, groette in tooneelbreed gebaar, schreeuwde uit, woord-afstootend in zangrigen dreun vervolgend.—Hooggè.… wààrdeerd pùbliek.. Ik heb.… den bijzonderèn èèren mij-zelffers ààn Uw.… voor tè stellèn.… Ik ben.… tandhéélkundigèn … mijn naam is … Jaack Ròzel … woonàchtig.… sedèrt.… drie-en veertig jàren.… te Rottèrdam.… nùummééroo zès-en-zèstig.… alwàar ik.… prakkiseer.… sedert veertig.… jarèn.—Ik ben.… dèn zoon[105]van dèn.… èx-èx-professor.… te Montabilie, gènaamd.… Jaack Ròzel, seni-or.… waarvàn ik.… den eer heb.… den èchten, den eenigèn afstammèlingg.… tè-zijn.… Ik represènteer.. zijnen.… nagedàchtenis.… en verkondig den volken.. zijn sàluut!Even rustte z’n stem, doodop, als stervend in z’n schorre keel. Rond z’n luisterkring lawaaide herriestroom van karren, kisten, kerels, gierden honden.—’n Paar boeren met goudrooiige kaasjes op grooten wagen, duwden tegen den kring in, schreeuwend en roepend, òp van inspannenden sjouw. Gevloek en getier sloeg terug, over kerels en meiden heen, opzij gedrongen uit kijkkring. Duw-kerels raasden en spogen naar den Jood, die deed alsof ie niet hoorde. Even zacht, sloot ie de oogen, mijmerend in zichzelf. Plots sperde z’n mond weer, ging uitgekrulde zwarte knevel in lippendans heen en weer, op den burlesken donkeren kop; stootten z’n woorden weer in zangdreun, met den angstig-schorren klank-moeën stemmebeef:—Mijn bèroep, geàcht pùbliek is te zijn tandheelkùndigèn.. Ik.… genees.… àllen tant-, àllen mond-, àllen kies-, àllen keel-, àllen verhemelten-, àllen reumatièken pijnen.… Ik.. gènees àllen zinkes.… àllen koòrtsèn, àllen aandoèningèn.… en … stòringèn.… gèlijk gij dat.… ondèrvindt.… van profèssèuren.… gèlijk gij mààr.… wilt.… luistèrèn!—Plots daalde z’n stem tot zacht-vibreerend gespreek, doordringend, duidelijk te verstaan toch, in den doodstillen kring, waarachter de markt raasde, tierde, smakte en donderde, àl verder, met heet geluid van duizenden mokerslagen op aambeeldstaal.——Noemt mìj.… éénen.… leugènààr.… noemt mìj.… éénen.… bedrièger.… éénen galèiboef.… indien ik.… ù niet … den geëèrden argumènten … toon … Maaààrrrr!!.… stootte in één, ùit de zacht-vibreerende spreektoon z’n stem plots hevig òp,—àllen profèssèuren.… àllen doktòren.… àllen tandheelkundigen, àllen verlòs-, àllen heèl-, àllen gèneeskundigen.… kènnen.… Jaack Ròzel, Jaack Ròzel, den éénigen.… en èchten.… afstammèlingg vàn.… Profèsseur.…[106]Jaack Ròzel.… Senì-or.… zijnèn vàder.. te Montabilie.… begràven.… mèt mùziek.… en militairen eèren.. Allen kennèn.… Jaack Ròzel.… Juni-or!.… wien ik.… dèn eèren heb.… hièr tè zijn.… Voor wièn ik.… Hedèn.. mijn beproèvingen.… zal amploi-jèèren!.…In kring van luisteraars en loenschige kijkers, bot en verbaasd òpstarend naar den kwakzalver, was groote stilte-spanning gezakt. En achter den aangroeienden menschprop, in kring vastzuigend een aan den ander, zwol het hondengeraas als hellegekerm; ratelden en hotsten de karren, rauwden in krijsch en hurrie kroeggangers en sjouwers. Vreemd in bleeker goud, stonden huisruiten achter boomlommer uitgebrànd. Er vòòr krioelden nog tentwagens, karren, paarden, ezeltjes, vrouwen en kinders, scharrelaars met kippenmanden en lichtbekleurde vogelenkooitjes. Aardbeizoet bleef zwoelen, overal rond. Telkens uit de kroegen doken koppen òp, onder ’t lommergroen uit,—waar ’t nu dampte van stanken en broeinevel—opdringend in woesten stoei naar den Jood.—In strammen staar bleef kring om ’m heengepropt, loerig wachtend op z’n proeven, maar voortschorde, scherp, droog, z’n stem, gemarteld van moeheid.——Ik.… Jaack Ròzel, woonàchtig te Rottèrdam, gènees U.… van àllen pijnèn, àllen wervèl-, àllen gezichtspijnèn, van kràmpèn.… zoòwel àls van kolièkèn.… van klièrèen.… zoòwel.. als.. vàn verzwèeringèn.… van spierpijnèn, van pèèspijnèn, van likdoòrnpijnen.… van gezwelpijnen, zòòwel als van abscespijnèn.… En ziet toe!.. Hooggèwààrdeerd.. pùbliek.… zièt toe!.. Ik gènees allès met hèt.… kostbàren vocht vàn.… Valura.… in dezèn fleschjès.. saamgèperst.—In groote omzichtigheid tastte ie met één hand in z’n tasch, haalde er flakons, in vloeipapier uit. Hoffelijk buigend weer voor z’n gehoor, ironietrek verborgen om z’n breeën donkeren mond, nam ie gratielijk z’n hoed af, stootte schor-rauw uit:—Mijn gè-acht.. en hoog-gè.. waàrdeerd.… pùbliek.… met dit.… vocht.… van Valura.… geneès ik.… wondèren!.… Met dit vocht.… hebikreeds.. genèzen.… dèn[107]kòning van Itali-en.… dèn koningin van Spanje.… dèn oud-kroonprins van Groenland.… den princes van Montàbilie.… den èrfgraaf van Havana.… dèn rèsident van Djòkjo.. kàrta.… dèn dekens.. èn dèn.… bisschoppen van Ròmana.. Mèt dit.… duurzàmen.… vocht.… mijnèn.… geëerden hoordèrs.… verricht ik.… geneesingen.… dien gèèn.… doktèr.… gèèn tàndheelkùndigen, gèèn chirùrgein.… gèèn àrts.… gèèn profèsseur, gèèn spiritist,gèènhypnotiseur, gèèn fàkir, gèèn Bedouien, gèèn Arabier, gèèn Israelièt.… gèèn Christèn.… gèèn Moor, gèèn Zweed, gèèn Spanjool, gèèn Fransch-, gèèn Duitsch-, gèèn Engelschmàn mijn kunnèn.… na-verrichten!.… Maaààrrrr!.… mijnèn vrienden.… Eenigèn.… druppèls, van dit.… duurzàmen vòcht.… in dèn mond.… eenigen roersèlen in dèn gehemèlten gehoudèn.… daarnà hèt vocht.… uitgespògen.… dèn mond.… nagèspoeld met koud water.… èn wèg.… èènsklaps zijn àllen pijnen, àllen koortsen, àllen zinkèns.… Maaààrrrr! aanstonds mijnen heèren!.. en mijnèn damès.… aanstònds.. zàl ik.. onder.. uwèn.… geëerden.… aanwezigheid.… dien er.… mààr wil.… den proef laten nèmen.… Ik bèn.… Jaack Ròzel.… Juni-or.… woonàchtig te Rottèr-dam.… Reeds sedert.… veertig jàren.… trek ik.. zònder pijnèn.. en zonder geldèn!.… graties!.… voor-niets-niemèndal!.… Alleen vòòr dit.… flèschje.… betaalt gij.…—Dat-wil-zeggen.… Ik ben.… hier niet.… gekomèn.… om wat.… te verdiènen.… maar.. òm dèn.. menschèn.. te bewijzen.… een weldààd.… Maarrr!!.… al zoudt.. gij mij.… vijfèn.… twintig guldèn.… willen gevèn.… ik zou dezèn.… niet akcepteeren.… Ik bèn hier.… òm ù.… van dienst tè zijn.. Alleenig daarom!—Dit vocht.… van Valura.… spéciaal.. bèreid van gè.. heime sappèn.… òntdekt.… ten tijdèn.… vàn het.… middernachtelijk uur.… door mijnèn.… vader.. profèsseur te Montabilie.… door zijnèn.… handèn.… den handèn.… van Jaack Ròzel.… Seni-or.… dit vocht.… met zijn.…. geheimen sàppen.… kùnt gij.… krijgèn.… Maaààrrrr! nièt voor.. dèn prijs.… van vijf-en.… twintig..[108]gulden.… Voorgèèntwintig.… gèèn vijftien.… gèèn tien.. gèèn negèn.… gèèn acht.… gèèn zevèn, gèèn zes.… gèèn vijf.… gèèn vier.… gèèn drie.… gèèn twee.… gèèn één gulden.… Maaààrrrr! dit vocht.… waarmeè ik.… genees.. àllen zinkèns.… àllen koòrtsen.… àllen keèl, àllen tant.. àllen maàg, àllen ingèwandspijnen, dit vocht.… kost slèchts.. dèn prijs vàn.… vijf-èn-twintigcenten.… En al.… woudt gij.… mij nu gèven.… na te hebben.… gèzien.… den wondèren van mijn wèrken.… op hèt lijf en den ledèn.… den pezèn en den spierèn van iederèn persoonaadjen.… al woudt gìj.… mij betalèn den blootèn sommà van vijf-èn-twintig.. guldèn.…ikzou.… hèt.… niet.… aanvaardèn.… omdat ik.… een weldààd.… voor den armen bèdoel.…—Even hijgde ie uit. Ronddaverend geratel was achter z’n kring heengedonderd, dat ie sterker z’n stem moest uitzetten.—Z’n gezicht glom van zweet, stond grauw van vermoeienis. Toch probeerde ie door te spreken met cier, hoogdravend in zinwending, langzaam, als uitrustend bij elk woord, overdreven in hoflijke geaffekteerdheid, alle woorden afstootend met zware „’n”. Weer had ie deftig z’n hoed van ’t hoofd gelicht, sprak ie ’t landvolk toe, meiden gapend van verbazing, kerels loenschend en heet op proeven.—Hier en daar, midden in en vooraan in den kring, stonden jongens en kerels met hand aan den mond gedrukt, zacht-kermend van pijn, gloeiend in hoop nu, van hun smart verlost te worden. Er begon wat bangelijk geloof en verschrikte suggestie in den menschklont rond te gaan. Dat voelde de Jood, zacht-triomfeerend met ingehouen ironielach.Zon, al lager, verfde gouïge glanzen nu op de luisterkoppen, en tèlkens drong nauwer òp de groep, om tandentrekker.—Zachte, plechtige verschuivingen van lijven en gezichten, armen en rompen, wurmden paffend in den kring, waar tusschen snikhitte dampte. Gezichten stramden strak, van vrouwen en kerels, nek-achterover, in òpstaar naar den al sterker suggereerenden Jood, in luisterspanning; koppen staarden, van jongens en kinders, waarop ’t late licht wondere schijnsels weefde in legendarischen gloed.[109]Karren ratelbonkten nu al verder van den kwakzalver af, die al breeder omsloten stond in kring, en sterker stootten z’n woorden òp, schorde z’n moe geluid, afgetobd en bevend:—Maaààrrrr! nu.. Hoogè-eerd.. pùbliek.… Is er.… een-ònder u.… die soùffreert.… aan pijnèn.… ’t zij zinkens, ’t zij koòrtsen, ’t zij rheumà-tiek in dèn mond.… het strottenhoofd.… hij komèn.… tot mij.… opdat.… ik hèm.… òp slag gènees.… onmiddèlijk.… Ik ben.… Jaack Ròzel.. Juni-or.… heeren en dames!.… zoon vàn.… profèsseur.. Ròzel.… Seni-or.… woonàchtig tè.… Montàbilie.… Maaààrrrr!.. ieder.. dien nù.… lijdendèn is ààn pijnèn.… ’t zij oòrpijn, ’t zij.. wàng- ’t zij keèlpijn.… hij komèn.… tot mij!.… Mijnèn.… vriendèn.… en ik.… zal hèm.… dadèlijk.… genè-zen.… zonder smàrten.… met dit.… geheimen.… wondèr vocht.… van Valura!.… Laàt u.… hèden.. niet terughoùden, door.… àngsten of.… valschèn.. schaamtèn’s.… Want ìk trek.… zònder pijnèn.… en zònder àngsten.…Twee opgeschoten slungels en ’n knecht-tuinder wrongen zich uit den knellenden prop los, gingen bleuerig en gemaakt-lacherig voor de tafel staan. Een blondharige jongen had onder elken arm ’n dik kaasje gekneld.—Uit z’n jekkerzakken bochelden goud-glanzende punten van komkommers. Met suggestieve kracht keek de Jood van z’n kruk op hen neer, door-oreerend toch tot publiek, zonder de patiënten iets te zeggen, manouvreerend den kring rond met z’n fleschjes. En donkerder figuurde z’n mager lang lijf tegen het late luchtruim, hoog-eenzaam op z’n kruk, in de afzakkende havenherrie, in den zwoeg van karren naar booten.—Hei Jansse, hai hep ’t op sain ruijker!.… t’met stol ie.. je koàsies.… kaik de fint se klietere onder sain oàrreme!.. schreeuwde Dirk, telkens aan z’n wang voelend of ie ook t’met geen kiespijn voelde. Dan kon ’t nou toch beure feur niks.—Maar de Jood zangdreunde voort.—Nièmand.. mijnèn vriendèn.… behoeft dit.. te koopèn.. àls hij.… niet dèn.. proevèn.… heeft gèzien.… gelukkèn..[110]Komt ééns hier.… gij vriend.. ja!.. lèg u.. kaasjès.. mààr neder!—Komp nou op de koffie hee?.… die bi’-je t’met kwait, schreeuwde één heesch, uit de menschenprop.—Leg.. uw.… kaasjès.… maar hier.… nèder!.. mijn vriend.… Hun zal.. gèèn leed u geschiedèn.… Neen! kom niet.… àllen drie!.… tegèlijk.. Gij àlleen.. ja.. laat ùw kazèn.. mààr los!.. weès niet.. zoo bèvreesd.… Gij.… àlzoo!.. juist.. hier!.. maar.. op dèn straat.. jongèn vriend.Wat schèèlt u?… en waar mààkt gij.… u bezòrgd ovèr? Zeg hèt mij gerust.—Nou?.… joa kaik.… doàr.… achteràn.… in main bek hee?.… aarzelde bleekig van angst en verlegenheid de slungel, die bangelijk z’n kazen op de straat had gezet, er telkens naar glunderend, of iemand in den kring ze ook vergoochelde.—Hoe is ùw.. naam.… jòngèn.. vriend?.. èn waar.. woònt gij?.…Van z’n stoelhoogte had tandentrekker zich voorover gebukt naar den beschroomden slungel, die met open mond, wijd gesperd, wat terug stamelde op z’n vragen, terwijl de Jood, ingezakt, beenen gekromd, ’n vies tangetje tegen de rottig-groene tanden van den jongen aantikkerde.—Hier zit hij.. niet waar vriènd?.. juist.. dèzen.. juist dèzen.… dien doet u.. pijn? niet jongèling?.…Harder tikte ie tegen ’n bovenkies áán, en de jongen, beverig van pijn en benauwing, met z’n kop in den nek gedrukt, z’n schonkige schouders van angstigheid hoog-scheef opgetrokken, oogen duizelig hemelruim instarend, schokkerde, kwijlde op Jood’s hand, stotterde wat woorden, achter gerommel van vuilroestige tangetje, dat z’n mond inwoelde.——Hier hèbt gij.… pijn nièt?.…—Nou.… nou.… auw!.… ik f’rek puur fé’ pain!.…—Zekèr.. vriend!.. stil moàr! Houd ùw hoofd.. wat hoogèr!.…De twee andere patiënten, bleven gejaagd kijken, van den[111]jood naar den slungel. Spannende angststilte hijgde door heel de menschenprop.—Geef dit, tangètje ééns aan, gij vriend!—Hoekke motte ’t weuse?.… stamelde de gevraagde verlegen.—Dutte! dutte!—krijschte ’n andere er zenuwachtig schreeuwerig doorheen. Maar de Jood had zich, ongeduldig, zelf teruggebukt achter de tasch, z’n halven vuist in den gaapmond van den slungel stekend. Handig, uit z’n vuile rommel greep ie ’n kort-dikke tang, met roestige snavelkromming.——Kaik.. dat is weer ’n aêre!.. schreeuwde bang één uit den kring.—Wá’ he’k main slinger!.… dá’ kost ’m sain heule stal!.. lolde zenuwachtig ’n ander.…—F’rskeur nou je pampiere moar.. Joap Jansse!.. gilde ’n meid.—Kom bai màin op de koffie Joàp!.…Maar Jood bleef kalm, hield z’n tang op de tong van z’n patient gedrukt, keerde zich deftig naar het publiek, dopte weer hoofsch, met sierlijk groetgebaar, liet den slungel gapend, den kop diep den nek ingekrampt en sprak:—Hooggè-waàrdeerd pùbliek.… gèachten.… vriendèn.. Ziet toè! gètroost uwèn.… geëerden oogèn.… den kòst.… te gevèn.… ziet toè … hoe mijn … vocht vàn … Valura.… wondèren.… uitrichten.… zal.… Dezen jongen vriend.… ùwen vriend, heeft.. hevigèn kièspijn.… koortsèn.… en zinkès.… van wegèn.… den verròtting.… èèns kies.… nièt waàr vriend? Gij lijdt.… gij hebt.… duldeloòzèn.. smarten.… in dèn ochtend.… wanneer gij.. u ten rùsten bègeeft, òp ùwen.. legerstedèn.…—Nou furt dan.… furt!.. furt!!.. ik f’rek fè pain.… stamelde woedend de slungel, ’t hoofd nog achterover gebukt, klein gesuggereerd in houding, roerloos, als zou ’m de Jood, bij kleinste beweging, begoochelen. Maar kalm weer, boorde blik van den kwakzalver op z’n angst-slachtoffer neer, en dòòr stootten z’n afgebroken woorden:[112]—Gij hoort hèt.… gèacht pùbliek.… ùw vriend lijdt.. pijnèn … smàrtèn … zièt toe … hoe ik … dezen.. jonggèling.. éénigen.… dròppels.… van dìt.… gèheimèn.… vocht toèdien.… zièdaar!.. mijn jeugdigèn vriend! neemt èèns, een slòkje en spoelt u, op dèn plek.. ùws pijns.… Maar houdt hèt.… geheimèn sap over.. uwen gànschen.. tong vèrspreid. Zoò juist! En nu.… ter exploiteering der kràchten.… vàn mijn … geheimen Valurasavochten … blijkt dit … koelen vocht saamgèsteld.… uit bestanddeèlen van wònderen.… dien ik niet.. zeggèn mag!.… Maaààrrrr! waarmeden.… ik allen.. pijnen.… gènees.. bij koningen en princen.… gravèn.. en baronnen.… tot bij den vòlken.… van dèn.. laagsten ràng..Ik zeg nù.… tòt u.… gij jòngen vriend! neemt dit.… koelen vòcht van Valura.. en laat hèt één oogènblik liggèn.. in den hoèken uws gebeentens, op dèn plek.. ùws pijns.. en gij zult nièts meer.… voelen. Dèn pijn.. zàl zijn.. verdwènen.… en nooit wèder.. kèèrèn.… Alzóó.… spuw nù uit.. mijn jeugdìgèn.… vriend.… het speeksel.. ùws monds.… Schaamt ù niet.… voor ùws.. gelijkèn.. èn uwèn mindèren.. Zòò juist.… Drink nù eens.… één slok.… vàn dit.… ijskoud heràldisch wàter.… dat is heraldischen spijzèn.… vàn oòrsprong. Egyptisch.… zòò juist!.… spoel daarmèden uit.… den ònreinhèden.… uws lichaams.… spoelt dàt.… àlles, dat meèleed aan uwen.… spieren.… en pezen.… gewrichten.… en gebeènten.… laat uwèn … mond verkoelen.… èn wèg.… wèg.… èènsklaps.… zijn àllen pijnèn!Spreektvriend.…spreekt.… hoe.… voelt gij.… u? Waar is ùw.… pijn?… Waar?… zoo éénsklaps verdwènèn?.… Sprèèk!.… sprèèk!.…Slungel, met uitgespoelden, smakkenden mond, stond beteuterd, keek sip rond, als zocht ie naar de pijn, verbluft … Angstig ’t eerst, greep ie naar de kaasjes op de straat, voelde in z’n zak naar z’n komkommers.—Welnu.… jeugdigèn vriend.. sprèèkt—bid ìk u.… spreekt tòt u.… gèlijken.… tòt uw naasten.… vriendèn en maagdèn.… en zèg hèn.. dat Jaack Ròzel Juni-òr.. woonachtig..[113]te Rottèrdam.. Wagestraat zes en zestìg.… uw eensklàps.. heeft genezèn.… van àllen pijnen.… àllen smarten.… àllen zinkens.… àllen rheumatismen.… waarmedèn.… uw aangèzicht.… bezwangèrd wàs.… Spréékt!… Hebt gij pijn? nù nog?—Nou f’vloekt.… nou hè’k puur main droai … dut is d’r tùg ’n meroàkel!.. ikke voel puur niks meer.. niks!..Verbaasd drukte ie z’n hand op z’n kies, om te voelen of ie ’r nog zat. Triomf vonkte er in oogendonker van zwarten Jood. Deftig z’n hoed lichtend van den kop, met ciergebaar, vèr groetend en buigend lichtelijk voor den kring, krijschte plots z’n stem, heftig:—Maaààrrrr!!.… nu zièt gij.… dat hèt wònder.. heeft plaats.. gègrepén.… Dezèn jeugdigèn vriend.… door mij àànschouwt.… begeeft zich tòt mij.… zoekend.… naar genèzing.… van dèn martelingèn.… des kiespijns.… Hij komt tòt mij.… uw allèr vriend.… met dèn hand.. aan dèn mond.. een gèzicht.… vertròkken vàn smart.. En ik.. naar gij zaagt.… geeft hèm.… eenìgen druppèllèn.… van mijn vocht … En éénen.… minuut.… staat hij hier.… hij drinkt vàn dit.… ijskoud heraldisch wàter.… en spoelt zich.… ònder … mijn toezicht.… En eensklaps … weg … is àllen … pijnen.… àllen koortsen.… Onthoudt nù.… geëerden menschen.… dàt hij èènen.… mìnuut.… voor hij.… hier kwaamt.… voòr mijnèn tafel.… nog hinkten.… nog jammerden en weènden.… van smàrten.…En spreekt nù.… weer jonggèlingg!… En zeg.… niets.. dàn dèn.. waàrheid.… àlleen en uitsluitend den wààrheid!..Moor-Jood keek doordringend den slungel aan, die maar knikte van ja, ja, verlegen, sip, met z’n kaasjes weer stevig onder de armen gekneld. Uit z’n twee logge jekkerzakken, onder z’n ellebogen, drongen hooger z’n geel-glanzende komkommerpunten. Komisch verbluft, draaide ie om de kruk rond, staarde ie òp naar den Jood, knikte en stamelde tegen de menschen, dat ie heelemaal niks meer voelde..—Debies, dutte is d’r puur ’n meroakel, riep Dirk Hassel[114]extatisch, spijtig dat ie geen pijn had, om ook ereis te probeeren of ’t echt was.—Nou.. die hep ’r ook ’n knikker, wees een, met ontzaggebaar naar ’t hoofd van den Jood.—Aa’s ’t gain mesièk is!.…—Mesiek! mesiek! onderbrak een giftig.… en je sien ’t puur veur je aige lampies.… die vent hep rekloàme neùdig!.. mô joù hebbe.—Tu tu tu.… sou d’r rais kaike.… mi’ de aêre hee!..Verblufte aanhangers had Jood al en woest werd ongeloovige twijfelaar naar achter geduwd, met voettrappen en elleboog-stooten. Er ging gestommel en geschreeuw; kerels en meiden bliezen van de hitte.. krijschten ruig en paf-moe: daa’s puur ’n stookie hier!.… wa’ hitte!.… Maar Jood lachte stil, deftig doorgebarend, hoed in de hand. Verbluft verstierven de stemmen uit den kring, rumoerloos in luister.—Al dichter kringde menschenprop om kwakzalver heen en verder af daverde ’t kargebonk, gehots en geratel, om z’n kruk.——En nu gij.. mijn vriend.. wat dèèrt u?..’n Woeste kerel, ruw uit verlegenheid strompelde vóór, met z’n pet in de hand, zweetharen over voorhoofd plat-verkruld, nattig glanzend. Wijd sperde ie z’n mond open, spoog ’n pruim voor de kruk, in klownig gebaar, dat ze schaterden in den kring. Z’n lippen, nog bruinend van pruimsap, smeerde ie woest af met handrug. Wild z’n hoofd achteruit, strammend den nek in, gaapte ie als ’n nijlpaard, zonder ’n woord te zeggen, z’n handen mèt pet, nù in z’n broekzakken saâm-gevuist.—Jood keek, streng, donker, met één hand nog lager achterhoofd van kerel den nek indrukkend.—Hoe heet gij.. vriend? wat dèèrt u?.. waar woònt gij?—Da’ flop niks!.. waa’k hiet hee?.. aa’s jai main d’r moàr vèn furt holp, hee?.… barstte de vent woest-lachend uit, main heule bek is t’met rot.… de heule femielje sit dur in te kniese hee? en nou ke’k dur nie eens main flees an toàfel vèn baite.… hee?..Schatergelach uit den kring barstte los om den brutalen[115]schooier, van wien ieder wist dat ie noòit vleesch zag.—Kerel, aangestooten door ’t lachen, lolde zenuwachtig-schel door, om zich van z’n eigen verlegenheid en benauwing af te helpen. Door de menschenprop joeg weer drift. Nauwer drongen kerels en meiden naar ’t tafeltje òp.—Brallend gekrijsch uit den troep gierde uit:—La’ jai je nie naime Piet!.… aa’s t’r pain is mo je.… f’rdomd,.… mo’ je ’t uitskraife.… aa’s ’n kerel!—Nou.… da’ kaa’n je op toetere!.… riep ie driftig, op en neer wippend z’n kaken, terwijl tandentrekker telkens een tangsnavel z’n mond induwde, scherp loerend den beweeglijken donkeren gaapmond in.—Ja vriend.… indièn gij.… ù niet rustig houdèn kùnt, gedurèndèn een kortèn poosèn zal ìk u.… moetèn opgèvèn.—Nou seg … hep gain loàrie … ik stoan t’met aa’s ’n poal! furt! furt nou.… debies!.…Wijder sperde tuindersknecht z’n mond en strenger, in tanggerammel, keek kwakzalver er in. Sierlijker en geaffekteerder wellustte z’n schorre stem hoogdravend gepraat uit.——Ja vriènd.… in dit gèval, bij dèn staat ùws monds.. zal één kies.… verwijdèrd.… moetèn worden.—Wil èvèn.. uw geëerden nek achtèruit dringen,… Zòò.. juist zòò!.… Ik zal u.. trekkèn geheel zonder pijnèn.… zoòals.. Jaack Ròzel altijd trekt.… zondèr.… schokkèn.… zonder stòòten.… zonder smartèn.… zondèr soufrànsèn.…Doodstil loerde de kijkkring op z’n handen. Achterstaanders rekten zich op teenen, om beter te kunnen zien. Kalm draaide de Jood van z’n verroest grimmig stelletje, beplast met water uit ’n glas, een grooter snaveltang los, rood van roest.—Even boog ie in, z’n lichaam, sperde met één hand den mond, drukte plots haastig, de tang in donker gaapgat vóór ’m, verplaatste andere hand in bliksemsnel beweeg, achter den nek van den kerel, die òpstaarde hemelwijdte in, met gespannen kop, woest-verwrongen, donker-harig.—In één draairuk trok Jood de kies er uit, terwijl de kerel nog z’n kop naar achter hield gekrampt, niet beseffend dat ie al geholpen was. Zonder den[116]patient tijd te gunnen tot spreken, zeide jood kort en suggereerend:—En nu.… drink! dit ijskoud heràldisch watèr.… vèrmengd.… met vocht.… van Valura.… En wèg is.. àllen pijn.… èènsklàps! En nu.… spréékt ook gij vriend!.… Hèbt gij wat gèvoeld?.… bij hèt trekkèn? Sprèèk?.… zeg slechts.… den vollèn wààrheid!Woest-harige kop, ook van dèzen patient stond gebluft naar den Jood op te staren. Niets, niets had ie gevoeld, geen sikkepit.Toen ie dacht dat ’t nog beginnen moest, was ie al klaar.…En nou stond de trekker daar voor ’m, met z’n eigen bebloede kies in de tang..—Gô sa’ main kroàke!.… daa’s puur ’n meroakel.… viel ie uit, in kringetjes bloedspuwend rond z’n beenen.… f’rduufeld.… hai jai sàin doàr te pakke hee?… Heerekristis waa’n kanjer hee?.… dut is dur puur ’n meroakel!—Spuug slèchts.. in dezèn bèkèr.… èn drink.. nog één slok … van Valura.… àlles gratiès.… Dit vocht.… dit ijskoud watèr.… het trekkèn!.… Houdt dit vocht.. éénen mìnuut in ùws mond.… op dén plek ùws pijns.… zonder.. te sprekèn.… zondèr.… ù te … bewègèn … laat koelen.… ùwes mond.… uws zenùwen.… uwen verhemèlten, uwèn spierèn, uwèn pezèn, uwén gebèèntèn.… en weg is uwèn smart.… weg uwèn lijdèn!.…Twee minuten lang oreerde de kwakzalver weer door, al deftiger, hoogdravender, voelend z’n stijgender invloed op ’t bokkige, eerst scheldende publiek. De woeste kerel, stond onder ’m, met opgeblazen wangen, ’t vocht speelsch rond te spoelen in z’n mond, doodstil in één houding, bestaard, met ontzag, door heel den kijkkring.——Spuug nù uit, vriend, èn spreek!.… tot ùw maagden.. en makkèrs.… spreekt.. en zèg.. niets dàn den.. wààrheid.. Spréékt.. Drink nog éénen keer.. vàn dit.… ijskoùd wàter.. En zeg dàn.… of gij pijn hèbt … Zeg dèn … vollèn wààrheid aan uws gelijkèn.… aan uwèn meerdèren.… en mindèren.. spreekt.. hebt gij pijn?.…[117]—Gain spier! f’rdomd.… of ’k mot ’t liege hee? Jeesekrim! meroakel.… daa’s òplucht!.…—Hai jai gain spier pain Piet? schreeuwde een.——Gain spier!—En hep ie je nie van mékoàr hoald?—Saa’k f’rbrande.… aa’s ’k wâ voelt hep hee? snó’f’rjenne moat.… daa’s de weg noà de haimel hoor!.… Jemikremi!Maar Jood bleef stil even van z’n hoogte loeren met z’n gitpupillen op Piet gestard, en toen juichend den kring rond, hoed in den hand, schorde en stootte z’n stem weer:—Gij àllen.. ziet hèt.… hooggè.. eerd pùbliek.… Ik ben gèèn.… leugènaar.. ik ben gèèn.… bedrièger.… ik ben.… gèèn.… galeiboef.… gèèn Chamberlain.. gèèn Rhodes!.… Hier vòòr u.… staat dèn.. èchtèn den èenigèn.. afstammèling van Profèsseur.… Jaack Ròzel.… Seni-òr.. woònachtig te Montabilie.… in zijn leven.. en strevèn.… op het rotsgebergte van Zuid-Amerika, alwààr hij.… de Sioux’s de Panie-ews!.. de Irokeèzèn, gràties hielp.… gèlijk ik.… dat ù doe.… Hier staat hij dan, in dèn.. levendèn lijven.. Gij ziet hèt.. gij hoort.. hèt.. gij rùikt het.. gij vernèèmt het.. gij beproèft het.… Hij gèneest.… ùwen maagden.… uwen vrièndèn.… uwèn kindèrèn.… Hij is.. den èenigèn.. Jaack Ròzel òp den ganschen wèèreld.. die hier komt om u.. te bewijzèn.. een weldààd.. Hij is.. tèr naam en tèr faam.… bèkend en spèciaal bè-vriend met àllen doktorèn.. professeùren, met àllen genèès-, hèèl-, verloskundigèn des heelen ààrdkloot.… En hij rèist den wèreld door mèt hèt vocht.… van Valura.… en den.… profesòren àchter hèm áán! En hij trekt.… gansch zondèr pijnen.… Hebt gij niet.… gèzien.. dat ik.… hier stàànden.… voor drie màànden.… twee lammen, van wien ik den krukken.… over dèn.… knieën, stuk bràk.… ter aarden.… wièrp,.… hen bèstreek … met hèt vocht.… van Valura.… èn zij.. van mijn tafél, weer loopènden vertrokken,.… rècht op!.… slank en elègant.… gelijk chiraffen.… En hebt gij niet-gezien.… dàt ik.… ùw vriend.… hiernèvens … trok-zòndèr … dàt één … spier vàn[118]zijn.… gèlaat vèrtrok.… en dàt hij.. nu zelf.. bèweert en bèvestigt gèèn pijn te hebbèn.… gèvoeld? Zoo genees ik lammèn.… blinddèn.… doovèn.… rheumatieken.… met mijnèn wonderdruppels.. mijn vocht.. van Valura … Nu zal ik nog dezen.… vriend helpen.… en dan zal ik vertrekkèn.. uit hoofden en onherroepelijk.. zonder àànziens des persònen, na te hebben.… aangebodèn.. laatsten vòòrraad.…Weer bedremmeld stond een derde kerel voor ’m, mond wijd open. Zacht beduidde hij den jongen, dat ie niet noodig had getrokken te worden. Ook hém liet ie spoelen met zijn Valura, en onderhands haalde ie flakons uit z’n tasch in vloeipapiertjes verpakt.—Weer aarzelde verbluffing rond, in den verhitten kijkprop van tuinderskerels en meiden, sjouwers en vrouwen, want weer stamelde de kerel, na twee minuten ’t vocht in z’n kies te hebben gezogen, dat ie geen pijn meer voelde.—Naar alle kanten werd ie getrokken en verbluft knikte, stamelde ie uit, nergens pijn meer te voelen.——Dat wondèr voor dén prijs.. van vijf èn twintig cènt!Geen woord kon Moor-Jood meer uitbrengen van vermoeienis. Het zweet drupte als stijfselkorrels vettig op z’n donker hoofd. Van drie kanten uit den kring, drongen lijven òp, grijp-armen vooruit, hoog naar ’t tafeltje. Meer niet. Gezicht van den Moor-Jood betrok, zenuwachtig, spijtig, alsof ’r ’n huil draaide rond z’n mond. Maar toch beheerschte ie zich, sprak ie weer met afgetobder, heescher geluid.Eindelijk, de geholpen kerels, waren weer den kring ingesjokkerd, schouerbonkend, getrokken en gesleurd, babbelden en schreeuwden ze met ondervragers mee. Wantrouwig landvolkje, beduusd en vergaapt, kwam in beweging. Weer had de Jood getoeterd, schel en hoornhoog den hemel in, spattend z’n klanken, schuimend tegen opsteigerend gewoel, en weer zwaaide ie z’n brandende toortsen tegen al donkerder luchtgoud. Er kwam beweging, woeling in den menschprop, uit elkaar brokkeling van broeierige kluiten. Telkens, slechts twee, drie tegelijk, drongen naar de kruk, met ’t kwartje klaar in de hoog gerekte hand. En drukker stalde ie z’n flakons uit, zalig-wachtend[119]op uitwerking van z’n wond’re woorden en proeven.—Sneller drongen de lijven en armen òp, dat ie nieuwe voorraad uit z’n tasch moest halen. Rapper z’n handen graaiden in den tasch-muil, z’n donkere kop lachte, tegen ’t licht in, burlesk, ironisch, onmerkbaar bijna.—Nu zòng z’n stem met klank van zalvende zekerheid:—Een iedèr.. dièn lijdt.… ’t zij aan zinkèns.. ’t zij aan koortsèn.… ’t zij aan wondèn, blindheid.. doòfheid.. làmheid.… ik help hèm.… ook zondèr gèl-den.…Trager trok kring om ’m los. Meer en méér handen grepen, naar z’n hooge tafel, dat ’n stapel kwartjes tusschen z’n tangen ophoopte.—Z’n oogen git-glanzigden, lachten, vonkten.—Eindelijk stopte ie. Zwaar gedaver en laatst gewoel dromde langs z’n tafel achter z’n kruk. Nou wou ie ook een ’n glas bier gaan drinken. Z’n keel brandde van rauwen krijsch en pijn. Eerbiedig weken de kerels voor den lang-mageren Moor-Jood, met z’n angst donkeren kop, z’n streng borenden blik, z’n kalmte. Even z’n schouders, in krommige lijn opgehaald, ging z’n lang lichaam tusschen de sjofele sjouwers en tuinders, z’n zwart-bleeke kop, prachtig beglansd in lichtwaas. Geheimzinnig in donkeren staar, schoof ie voort tusschen de botte kerels, zich-zelf voelend als ’n Cagliostro in zuidelijke gratie en suggestie.—In eindloozen koepel, blauw-bleek glanzend, rondgestold in ontzaglijken hemelkring boven havenbrok en polder, wuifden struisveerige wolken, zilverzij-licht, en ver, heel naar den horizon, tusschen violette neveling van spitsjes en daakjes, bouwde de lucht porceleinen torens van lichtwolken, slank, met fonkelende tinnen.Menschenprop was weggebrokkeld, nu kwakzalver bier dronk in rookige walmkroeg.—Daverend roezemoes ratelhotste in ’t zonnezinken als ging er hellevaart rond in Wiereland; begloeid en beglansd stedeke, met z’n hel-rood en zilver leigedak in vervloeienden goud-roes van eindloos polderruim.—Op en af de booten ging ’t weer in laatsten ploetersjouw en[120]afhitsende werkkoorts als hadden de kerels zich verzuimd met luistering naar den Jood.Woester stormden de kroegen leeg en vol.—Verhitte zuipdrift stramde de koppen, en zwaarder, paffender in ’t zomerbrio, doorregenden geuren en stanken de haven; verklonk in rommelende donkerte ’t lawaai der zwoegers tegen al stillere rood-verre oneindigheid van polder-avondlucht; hemelkoepel, doorzeild van laatsten klankenjubel en verren vogelenkweel, leeuwerikkenvlucht, donker verstippend de luchtzee door.—Sneller, àl lager sloeg de blink-glanzende gang van ’t licht over de haven, als kon de dag niet sterven dààr, vloedgolfde ’t over de kerels, roodgebrande tronies, nimbus van avondzon, gloedkoppen, verwaasd en verheiligd.—Dwars door den rauwrumoerenden gruwel van krijschende, furiënde sjacher en zwoeg, over pijpen, masten, zeilbrokken, pramen en sloepen, stroomde avondtooverige gloed, vreemd zilverrood, blond en telkens wisselend in gamma’s. Van de porceleinen wolk-torens, gloei-purperden de tinnen, vonkten hun gouden ommegangen.—Al lager de lichttoover doezelde over heete havenjoel, gedaver en gezwoeg; al wijêr glansde stralende purpering, verstillend de luchten, bedampend in wond’ren zonnemist, keien, sintels, en werkers. Paardkoppen droomden in stille, verglijdende glanzen en karren met aardbei en groen, doofden langzaam, bij stukken uit, in doffe zonloosheid.—Zonnedroom, die uitdoezelde, wegnevelde, in violet gedamp en paarse vlekken, schaduw-fantomen wierp aan walkant, goudteer vergloorde, tusschen rag touwwerk en masten.Over bootsrompen, en boegrondingen, waar kleurkopering van roeren en luikjes verbleekte; over heel het havengeraas, waar werkersopstand in drommen dooreen krioelde, starde al meer de vlam van den hitte-dag, de felle daverende blinkgang van licht, verdampend in wazige tonaliteit, in zilverige schemer-vegen en aarzelend blondrossig-goud.Tusschen het al donkerder kastanje-geboomte, waar de schemer ’t eerst in duisternis verweefde, keken de kerels onder ’t lommer nog òp tegen den kleurzang van zonnedag, die lang, heel lang,[121]tooverig begloeid, in polderhemel bleef nazingen z’n wond’re tinten. Menschen, paarden, honden en karren in opgepropte kronkel en warrel, onder ’t duisterende lommer kleurden nà, in de ver-affe roezemoes van ’t stervende licht.—Allen dáár, wriemelden dooréén in schemer-avondgoud.—Petten kleurden vaal, in al gamma’s; kielen, jassen, schorten, donkere sjouwers en tuinders-venters, boeren en kijkers, in één warreldrom, loom langs elkaar verkleurend en verkronkelend, als drasten ze voet-zwaar aan vastzuigende havenkeien, moeras van rottend groentenafval.—Dirk Hassel was met Klaas Grint, z’n zoon Jan, en Rink van den polder, tusschen ’n groep tuinders de kroeg ingeschoffeld.—Voor hun beenen buldogde ’n ton-buikige boer, met ’n korf kleine varkentjes onder z’n arm gekneld, waar hooilucht uitrotte, urineachtig-vuns. Krijschend en ronkend woelden de dieren, scheefhangend tegen de korfbiezen op, en telkens bonkte bullige boer, met z’n worstige handen, ’n driftstoot op de krijscherige diersnuiten.—Achter kroeggangers ratel-rolden, dwars door de woelende menschenmassa, groote gele tabaksvaten, door troepje kerels met trappen tusschen de karren en dieren voortgebonkerd naar ’t spoor.Dirk was blij dat ie eindelijk zat. Al twee maal van de haven naar de akkers geweest, extra-oplading, en nou zou ie ’t d’r eens lekkertjes van nemen. Hij grinnekte tegen z’n brandewijntje met suiker, dat op z’n schor-korten roep, dadelijk gebracht was. Om ’m krioelde ’t van klomp-klossende kerels, in stampigen gang op knarsenden zandgrond. Lekker en poeteloerig-duizelig snoof Dirk de jenever en bierlucht, zoetig en scherp, en stil tegen den muur ingedrukt, ’n pijp den mond ingebeten, sloeg ie, brandewijntje na brandewijntje klein, mummelde wat woorden uit, tegen groenboeren die naast ’m neersmakten, aemechtig hijgend van zwoeg.—Zwaar-laag dampte de kroegrook, nevelig, en rood misterig toen gasvlam bij ’t buffet en boven biljart àànplofte. Stil bleef Dirk zitten, roerloos in z’n hoekje, uitspuitend pruimsop en pijpnikotine in de spuwbakken, doodop, lekker duizelig, in de[122]wemeling van al meer aanstommelend landvolk en roezemoes van stemmen, achter hitterook uitkrauwelend, tot ie doorzopen, landerig en woedend, tegen tien uur naar huis waggelde.
[Inhoud]II.’t Was Vrijdagmarkt, tegen half vijf. Van enkele zijwegen en uit smalle, door zon verblakerde steegjes kwam áánrateling van karren; tuinders die hun waar vroeg opgeladen hadden. De havengrond bij brokken bekeid, lag vol koolstronken, aardbeirotte plasjes en groentenvuil. Eén brok weg, zwart, gruizig besinteld, rond rood-wit bemeniede lantaarns, frisch zomers opgekwast, lag bezaaid met kisten. De huizenkant van haven, met z’n gevel-trappige woningen van dominee, dokter en wat winkeliers, tot meer naar achter, waar ’n woelige oppropping van kroegen en pakhuizen samendrong,—koelden donker in zwaar uitgegroeid lommer van hooge kastanjeboomen, wonder-groene laan, ingeplant tusschen wal en stoepen. Het ruiten-licht van de oud-gevel-typische huizen in wazig-groene glanzingen, verschemerde ’r geheimzinnig ’n eigen bestaan; bestaan van diepe halfschaduwen, dwars door het aandroesemende lawaai en geraas van havengescharrel, geheim stil verwisselend achter zwaar lommer.—In ’t walletje kleurden achter elkaar, pas aangekomen booten, waarop dekknechten met oorverdoovende herrie kisten van ’n plank lieten glijen òp de steenen, langs de reeling, door ’n anderen kerel weer vèrder rondgeslingerd tusschen vuile stronken en groentenafval, sintel en kei.—Zoet-zwoele, tot stank verbroeide geur van aardbei vloeide wèg in vunzige lucht van duffe groenten. Heel de Haven zoog in, àl luchten en reuken, ademde weer uit, bedorven saamgebroeid zoet van aardbei, aardappels, sla en penen.[86]Telkens achter groene kroeg-gordijntjes spuiden de herbergen jeneverstank uit, scherpen prikkelgeur doòr den warrelenden damp en de stank-zwangere atmosfeer van verbroeid zonnig havenleven.—Geweldig in wijdheid, doorwolkt van onweersgedreig en half in zonnigheid weer, welfde de polderhemel met ’t weiland eronder, afgelijnd door spoordijk; ’n hemel niet te zien, maar ijl te voelen toch in verte en diepte ònder de àlmachtige luchtruimte. Groen-prachtig, in fel-grilligen zonneschijn, lichtte de lange dijk òp, waarover lawaai herriede van aamborstige lokomotieven, hijgend en puffend, heen en weer, als in zweetbenauwing, drentelend en geduwd voor- en achteruit.—Vastgehaakt en voortgebufferd in stooten en dreunige stampen, donkerden vrachtwagens dwars door den uitkoepelenden polderhemel.Onder kastanjelaan, vóór huizenkant van Haven, het doorrijpad van karren en paarden, kermisten zuurkraampjes en betentdoekte vischstalletjes met poonen en scharren, die walglijke stanken rondbroeiden in de hittesfeer van sjachering en half afgedreven zomermiddag-onweer.—Stijgender geratel en gerammel van karren en wagens, dooreen-klakkerende hoefslag van zwoegpaarden op keien, kwam dreunend òprumoeren uit steegjes en zijwegen, naàr en vàn de groentenvervoer-booten.Heel de aardbeistuip van ’t land, de koorts van wroet en pluk, pakte zich daar saâm, in één woesten drang van laden en lossen, één jagende scharrel onder de ventende afbeuling van ’t landvolk. Al tweemaal op één dag was er door de booten in den drukken broeihaal van aardbei nù, op de groote stad afgevaren; al tweemaal geladen en gelost. Om vier uur in den ochtend, de heele week, waren er zes groote vrachtbooten, tot hoog boven de verschansing opgestapeld, weggestoomd, met allerlei groentegewas, stikvol van aardbeien, aàrdbeien. Om twaalf uur ’s middags, léég, heelemaal uitgeput teruggeboegd, weer gevuld, alléén met aardbei en weer leeg naar huis gestevend. Alles had de groote stad opgeslokt, gretig en woest; en nu wéér werd ingeladen voor den marktdag.[87]De Haven lag gerammeid, begraven onder leege kisten met mandjes, en overal dreef rood sap, donker bloedend door ’t zwarte kolengruis, verkrinkeld in sporen en plasjes.—Dirk had z’n zware kar met voorzichtige zwenkingen tusschen stilstaande paardjes ingewerkt, zoo dicht mogelijk bij de boot, waar ie z’n goed op te laden had. Telkens schokkerde ie ’n eindje verder, meer naar den wal, tusschen de dooreengezwaaide kistenruzie en manden, tonnen en planken.Sterker kwam áánwemeling van groenboeren, vrouwen en kinderen, en oorverdoovend raasden de blaffen van karhonden, die daar woelden, rukten en huilden onder de donkere assen, jammerend tusschen hun bemodderden engen knel van spanriemen en treksels.—Vervuilde, langharige kerels, met dronken-lacherige tronies stonden in overhemd, àchter d’r poon- en scharrestalletjes, hun eigen waar op te eten, schor futloos roepend: fèrsche poone.. fersche skàrre.… In kringetjes rond en onder ’t tentdoek, lolden wat venters en tuinders, poonen etend en uitzuigend, met hun handen de visch losbrokkelend. In nek-achter-over-zwaai, kwakten ze zich telkens stukken vettig vleesch ’t mondgat in.—Zuigsmakkend en belekkend de goud-donkere poonvellen, plezierden ze, waggelend op de beenen. Stil stopte verkooper ze schar na poon in de handen, terwijl hij zelf smakkerend vrat, z’n mesje tusschen ’t scharrenvleesch peuterde, fijn reepje na reepje, achter de tanden vergoochelde.—Zon, uitgloeiend achter weggedreven onweergewolk, brandde weer fel op tentdoekjes, die lichtstreepten rood-geel, onder boomlaan door, de smoezelige linnen kleuringen, warm-dampig verzonnigend.In één uur tijd was de geweldige marktdrukte komen áándonderen in furiënd gescharrel en gesjouw, geraas, getier en roezemoezende stemmenbotsing. Paarden met karren, al méér, al méér, klakkerden en bonkerden onder de belommerde kastanjelaan, schurend langs de huisstoepen, zwenkend, tegen elkaar òp. Vrachtrijders verkrijschten: ho!.… ho!… hai!-daar!-geroep,[88]tusschen kerels, vrouwen en kinderen; tusschen ladende en lossende werkers, of dwars door rumoerige groepen, opgepropt òm groote groenteuitstalling van afslag, waar koopgierige schobbejakkige venters rond-kankaneerden in schor opbied-geschreeuw, als dronken duivels.Van zijstraatjes uit, dobberde zwaar-stootend gedrang van karren, de eene al hooger achter de andere òpbergend, met kisten- en zakkenlading.Tegen half zeven daagde van allen kant ’t landvolk òp, voortstuwend pyramiden van kleurdruipende groenten, als was aan akkerzij van Wiereland overstrooming losgebroken, de zee over de duinen heengegolfd. Als was daardoor ’n chaotische beroering, ’n opstand, dwars door paniekheen gescheurd; had zich ’n drom angstigen aanééngestoet, verschrompelde bemodderde kerels, reddend van hun zwaren ploeter àl wàt ’r op ’t land nog te halen viel. Eén wilde, woeste samenstrompeling van mannen, vrouwen, kinders, met kisten en manden en zenuwbevende handen, die meehielpen aansjouwen en wegduwen van kar naar boot.Aardbeigloei, rood-fel en purperdiep, brandde weer in zonnelaai. Honderden en duizenden bakken met de roode pracht-furie der vruchtjes gingen van hand tot hand op de booten, van de karren naar de dekplaatsen, en van alle kanten losten de wagens uit, stortten een groentezee neer, in branding van kleuren, aanklotsend tegen zonnegolven; tegen broklijven van schuiten, kerels, karren, paarden en honden, één woeste uitgolving, òpzieding van groen, groèn, van zeng-rood, vuur, donkerend purper en hel prachtig wortelen-oranje.—Hemel was blauw-diep weer uitgetinteld, tusschen zilverende wolktochten en in de koelender zilverglanzen van gloedroode, stillere zon, lag de kastanjelaan doorzeefd in wondren glansnevel, doorvlàmd en zonnemistig tegelijk. En de groenbemoste boomstammen, in flitsen grillig beserpentiend, kromden gevangen in gouden kronkels van glans-slangen.Dampig gezeef van goudschemer, gloedrood, vloeide over de bronzen en roode kielen der woelende kerels, werkersstoeten[89]in sfeer van gouden lichtdamp en roode toortsentooverij bewegend.—Midden in zonnetoover daverde ’t haventje van helsche donderbonkerende rumoering. Telkens ratelden van de zijwegen, uit smal-doffige broei-steegjes, nieuwe karren áán, waarachter angstig-verwrongen gezichten èven uithoekten, tusschen bakken en manden; monsterlijk gerammeide zweetkoppen, doodòp van zwoeg, benauwing en snikhitte.—Hun bakken overstroomden de markt, verzwolgen ’t licht. Uit àl andere weggetjes en spleetstraatjes, van rechts, van links, dwars, opzij, uit nog fel-bezonde achteraffe gaatjes en steegjes, flonkerend en dampend in verblindend schellen lichtgloei, bonkerden en schokkerden ààn, al meer paardwagens en handkarren, aardbeien en groentevrachten, rood en groen; felle uitbarstende gamma’s van purper naar papaver-vuùr, en al soorten smaragd, tusschen gelige goud-gloeiende kolen, al méér, al méér, als moest ’t haventje begraven, verzwolgen onder de bakken, manden, vrachten en vaten. Overal, de heete hartstocht van ’t gloeikleurig rood en oranje, de felle klater van ’t schelle en zingende groen, dook òp van alle zij, uit zon-overstorte zijweggetjes, blakerend, smal en vunzig verstoft in de Julihitte, met hun ordelooze wemeling van krijtwitte, bruine, fel-groene bekalkte geveltjes en rooddakig brio.—Overal doken òp, geweldig in drommen tusschen ’t kleurheete, zengende geveltjes-koloriet,—ònder de roodgoud doordampte boomenlaan uit,—al nader, àl nader, de wagens met hun lichtend groen en vruchtenpurper, tègen de hemelblauwing in; de huisjes al kleiner, verder wèg, de karren àl grooter en massaler, aanbonkerend op de Haven.Later nog, de kastanjeboomen zeefden in zonnemist en de kruinen stonden weer uitgegloeid als was ’t goud er tusschen vervloeid.—Hier en daar nog van boven schampte ’n flits, ’n gloeiende kronkel, ’n trillende spiraalglans; was lichtweb uitgescheurd en blijven hangen wat bevend spinsel van goud-gloed.—Links van de karren zwenkten de tuinders hun paardwagens àchter paaltjes áán, op stiller gedeelte, ’n end van d’r[90]boot af.—Stil, tusschen rumoering, suften de paardkoppen, de voorste vastgetouwd aan paaltjes. Maar ook dààr, heel gauw, dromde ’t stikvol, schoven al meer karren in, stonden de beesten met de lijven op elkaar ingedrongen, koppen, droefmelankoliek naar beneden, in zorgelijke bepeinzing over ’t oorlogend havenrumoer, geraas en gekrijsch. Te wachten, roerloos stonden de beesten, d’r half-leeggeladen karren kleure-jolend in zinkenden zonnedoop, kermisjubel van helblauw, groen, hard-geel, bruin en menie-roode beschildering. Zacht zwiepten de staarten, knokelden schimmel-blanke, goudbruine en donker-bronzen ruggen, gloed-laag beschenen. Van alle kanten manoeuvreerden, tusschen ’t geraas van weggeslingerde kisten, de karren zoo dicht mogelijk bij boot waarop geladen moest worden, voor vertrek van den volgenden ochtend. Hoog bestapeld, van achter tot voordek, krioelden de booten in rij vóór den wal. Geen plekje kon onbezet blijven. Dekknechten en kapteins sjouwden gelijkelijk mee met de tuinders, droegen de bakken met vruchten en groenten ààn, in zwaren zwoeg, over keiweg en loopplanken. Handiger dan de tuinders wrongen zij zich tusschen de kisten, mand- en zakvrachten door, opstapelend in zwaren smak van uitputting, de nieuwe vrachten. Dwars door elkaar, bouwden ze òp, monumentaal, dat de groentebakken vèr boven verschansing, als ’n kleurig fort van ruw hout, neergeblokt stonden. En overal bij spleetjes, gloeiflitste ’t vruchtenrood tusschen het monsterbouwsel van kisten, levend monument van vruchten, gesmoord tegen orànjebrand van wortelen en groen.—Op alle booten tegelijk, bleef de laatste stapeling aardbeibakken, langs heel den havenwal neergewolkt in vuur, en de gemeen-beschilderde kisten in ruig koloriet, dansten een kankan van helsche kleuren in ’t doorzonde, heete havenrumoer. Zwoele stanken drassigden in de lucht ’t zoet uit van de vruchtjes, zwoel-vochtig tusschen de groenten, die opeengebroeid, voozer verstonken. Over den drogen gloeiend-stoffigen sintelgrond verwàlmden geuren, dwarrelde rond, draaikolk van stanken, zoetige en ransige, kanteloeplucht en citroenen, sinaasappels[91]en bedorven uitwasemende poonen, scharren, zuur en eieren; gotenlucht tusschen ’t aardbeizoet, dòòrwaaid weer van kroegstank en spiritus. Alsof zieke reuzen ergens heeten stankadem uitbliezen over de Haven, zóó van alle zij wasemden de dingen hun luchten uit, vermengd en verbroeid in de hitte. En telkens gulpte van spoordijk, rook-roetige wolk-smoezel, in woeste vegen donker heendampend over ’t havengewoel, òver karren, vruchten en menschenoppropping, doorzond en verstoofd in kleuren en licht. Zóó, fel omklaterd en verbrand van kleuren, in de hartstochthitte der zwoegers, verdampten de geuren bevend licht bòven de karren, de mensch-koppen, kisten en manden dompelend in zichtbare sfeer, stralend-fijn van ijl stofgoud.—Sfeer van trillend licht, als neergestroomd uit reuzige zonnelantaarns, in banen van damp en warrel. En tusschen de menschkoppen en koopwaar, grillig-verspatte nog zonnevuur kleurfelle vlakken, gooide vlammig spel op bevende kaken, òp handen, in oogen. Telkens nieuwe kisten sjouwden dekknechten met tuinders áán, in hijg-zwoeg, dood-af gewerkt van den ganschen dag landwerk; telkens in hun gang gestuit, teruggestooten, weggeduwd en verkneld, door andere werkers met vrachten op nek, hoofd en schouders, ingebukt en woest in d’r moeheid, terugsjokkend van de loopplank, achter elkaar, met de doffe, of kleur-felle kisten op de schonken, wat ruzie-schor verschreeuwend tegen de kerels die opdrongen of worstelden om plaats. Dan hier, dan daar holden en kankaneerden de sjouwers op zij, vòòr paardkoppen of langs geweldige vrachtwagens, die tusschen hen indrongen. Overal was gestruikel, gestrompel; dof-klankten smakkingen, daverde gebonker van verslingerde kisten en manden, gloei-stroom van jachting, verkronkelend in dol-botsende drukte. De kleurige booten, achter elkaar langs den wal, sloegen ’n branding in ’t hart van ’t levende haventje. Eén vloed en eb deinde er van duizenden verlompte werkgangers die òp en af, dwars en tusschen elkaar’s groen-waar heensjouwden en reden.—Zoo golfde bij den wal ’t sterkst, woeste stroom en tegenstroom, zich vertakkend en[92]verbrokkelend in zijwegjes, weer aanspoelend in kleinere hurrie-golfjes van andere kanten. Drang tot afdoen vloeide samen op één punt, bij al de booten, drang en jacht, die angst-steigerend, al hooger àànstortte tegen ’t forthooge bouwsel, kleur-heet monument van bakken en manden; stroom die plots weer àfrazernijde naar kroegen, dat er spuiing kwam en luchtiger rammeling van karren tòt in de afgelegenste, koel-uitgezonde hoeken, bij pakhuizen naar polderkant.Langs de havenvaart, achter kastanjelaan, lag de kei- en sintelweg hooger met leege kisten bestapeld, teruggestrooide vracht van ’n boot, die al twee maal aardbei naar de groote stad had vervoerd. Nu ook van polderkant donderden en bonkerden paardkarren en ezelwagentjes ààn, met ’n geraas of ’r mijlen in ’t rond muren van glaswerk instortten, telkens één op den ander vergletscherend. Tusschen ’t lawaai van lossers en laders, gilden en joelden kinderen aan karkrukken, klauterend in stemmenschater over wagens, kisten, manden; hingen en wipten ze aan karhoeken, elkaar bejoedelend òprukkend of terugsmakkend. Beestig woelden ze rond, furiënd in de herrie, stremmend ’t gedrang en gesjouw, tot plots in woedevlaag van werkers, ze verjaagd werden naar andere hoeken. Maar ook daar woelden en klauterden ze weer als losgebroken apen uit dierentuin, òphitsend de honden die basten en jammerden gelijk schreiende gekken.—Als wegratelde, met kar en hond, één tuindersgroepje, stortten nieuwe wagens rumoer uit, was ’r in enkele minuten weer kargedrang en gestoot op-elkaar-in. Achter boomgroen, waar goud-rooden gloed dampte, en scheemrig de laan lommer-glansde, keken vreemd de geheim-stille ruiten, nù onder half bladerduister, in haven-zonnerood vertooverd; bij brokken weerkaatsend ’t belichte gewoel, worstelzwoeg van tuinders, die er vóór sprongen en holden, tierden en hotsten als gestrafte misdadigers, kankaneerend op heete platen, met hun verweerde tronies tusschen eigen walmende reukwaar in. Geen sterveling in ’t stroomrumoer, die stààn kon blijven. Van alle kanten stootten de vrachten òp, mannen, vrouwen, kinders,[93]vloekend, scheldend tegen elkaar in. Méér dragers balanceerden bakkenstapels boven ’t hoofd, waar ze in angst naar grepen, als ze zich teruggebonkt voelden, in den karren-kronkel. Minuten lang werden lijven geblokkeerd, ingesloten, door dwarrelgang van andere sjouwers vòòr de booten, en eindelijk haastig strompelde ’n troep vooruit, als er spuiing kwam aan den walkant. Snel warrelden ze dooréén, aanschuivend en verglibberend op stronken en groenteafval, met één voet soms tusschen ’n opening ingekneld, de andere op bakken en manden neergetrapt. Elk bloot keiplekje lag dadelijk dichtgesmakt, als ’n werker z’n voet wegtrok, opschoof of weer naar z’n kar terugdrong om nieuwe waar af te laden. Angstig geroep en gekrijsch van ho!.. ho!.. hai-je-hee!.… verklonk opjagend de werkgangers.—Kaik veur je!.… paa’s d’r-op-bout!.… hee doar je kop!—màin snuit ook nie!.… kruiste en spatte tegen elkaar òp, in rauwe ironie en spot. Bij de minuten nu, zwol áán de razernij, ’t gewoel, gedrom, gekrioel op havenengte, en wilder ging werkjacht onder de menschoppropping, de samengeknelde worstelende zwoegers, teelders van Wiereland, Duinkijk, Kerkervaart, Lemperweg, Lemper en van al de dorpjes rondom; moeë kerels, afgejakkerd door dàglangen landarbeid, met heeten wrevel in d’r lijven, tot laat in den avond opsjouwend naar marktwemel.—Van de kroegen uit, tierde, raasde, ziedde rumoer. Als dampige holen, volgerookt met smook-blauwigen nevel, donkerde daar roezemoes van zuipende kerels, uitspattende drinkers en pijprookers, klodderend en spuwend op zandgrond. Flikkering en lichtflitsjes gloei-speelden ijl over karaffen en glaasjes bij buffet, onderschepte vonkjes en glansjes van verdwaald rood en groen-goud licht. Van alle herbergen stonden de deuren wagenwijd open, en achter de boomenlom’ring uit, verdrongen de werkers elkaar rumoerend, om eerder in haastigen slok ’t brandvocht, droge, moeë keelen in te gieten.—Benauwend sloeg de stank van groenten, visch en aardbei de kroegen door. In woelige, opgedrukte kringetjes zaten groepjes[94]bijeen onder schor dronkenmanslawaai, en telkens schoot geschater uit, dat als jammerhuilen verklonk. Jovialig beklopten ze elkaar op de petten, schouers, of stond ’n troepje, bij ’n hoek opgedrongen, met de jeneverkelken in de hand, morsend en plassend over kleeren enpolsen, d’r groen-waar te versjacheren, klakkend in handslag.Vlak langs de huizen en stoepen schuurden de paardwagens, uitwijkend als ’t kon, voor groenteuitstallingen om boomstammen; ging rond, ’n gang van slenterende meiden en moeders met kinderwagens, zuigelingen, angstig verschrikt kermend en krijschend tusschen den jachtarbeid in. Telkens uit zijwegjes en onder boomlaan uit, doken de paardkoppen vlak tusschen de verweerde menschtronies in, joelde de havelooze kinderbent, onder paardenpooten, achter karwielen, vaten, zakken en bakken uitklauterend. En heviger, boven alles uit, furiede hondgeblaf, angstige huilgamma’s van verhongerde kreupel-getrokken beesten, dorstig, geranseld, in woeste razernij van klachten, òver heet werkersrumoer heen, met ’n ontroerend-menschelijken jammerhuil in d’r blaf, als verschreiden ze hun ellende, hun dorstgemartel in hitte; verklaagden ze elkaar hun slaag en driftschoppen van d’r bazen, waarvoor ze zwoegden, den heelen zomerdag door.Tusschen het ketsende paardgetrappel en kargeratel, door dwarsweggetjes uitgestort en neergeworpen in den woelstroom van ’t donderbonkerend marktgeraas, bleven de honden blàffen. Eén jammerkoncert van droeve klaagklanken, van nijdig gekef, van gekerm, gejank; schor en dreigend gebrul van door kinderen gesarde dieren, tegen de wielbanden getrapt, aan de spanriemen vermarteld, met steenen besmakt, dat de schrei-blaffende koppen verkrampten tegen de assen òp. En àl meer karren ratelden ààn, met span van drie en vier beesten vóór en ònder de wielen, die dadelijk meeblaften in oorscheurend geweld.Plots braakten twee hoekkroegen ’n stoet uit van krijsch-jolende kerels, in malle sprongen, hals-bloot, met slappe handjes naar elkaar toe kankaneerend. Dronken verzwollen koppen,[95]roode stropdoeken, losgescheurd op bloote borst, joolden ze èng en opgestooten onder paardkoppen door, waggelend tusschen kar-honden, die nijdig aanbasten, en in dol geterg, met hun woeste, kwijlige schuimbekken dreigden te happen. Voor de zuur- en vischstalletjes bleven de kerels staan, gretig grabbelend in de zon-bebronsde poonen, waarvan de vellen glansden als gloeiend ceramiek. En schor joegen ventersstemmen de kerels òp.—Fersche poòne.… mooie poòne? faine skarre!.… fersche skarre!Verhitte relletjeskring van arme tuindersventers, die onder elkaar wat bakken groenten hadden verkocht, niet op bootveiling en afslag hoefden te wachten, zongen rauw, in dronken joel:—Oooaaw.… waa’t ’n skà-ànde!..Hun vervuilde kleeren stonken en drank-asem walmden ze elkaar in de roode bakkesen.—Van rechts golfde ’n nieuwe zwoegstroom áán, die den lolkring terugdrong weer, in de smookige donkere kroegen, waar de zweetwasem verbroeide als zure vleeschstank, tusschen de scherpe prikkellucht van tabak en jenever.Oorverdoovender buiten, brulde, loeide, raasde en kermde de hondenbent onder de karren; duizenden woedende en schreiende dieren tusschen ’t menschgekrioel in.—Ze huilden als uit dwangbuizen losworstelende gekken, door brandangst, in ruimte zonder uitgangen, opgejaagd. Tegen elkaar in blaften de beesten onder assen, wielen of krukken, met bassende, dreigende, hakkende, schorre hoog klank-martelende razernij, onvermoeibaar in één krisis van kretensmart. En vonkwild, bloedbeloopen, gloeiden hun oogen zonder dat ’t landvolk omkeek naar de dieren, die ze verhongeren lieten, en versmoren van dorst.—Aan linkerkant van Haven, waar menschen, paarden, karren, ezels en honden in één oppropping, ’t sterkst dooreenkrioelden, daverde zwaaibreed ’t kistengesmak; keilden tuinders, manden en bakken rond, klonk rauw gekrijsch, barstten vloeken uit,[96]giftig en grof, in heete stemme-botsingen.—’n Politieman, tusschen geraas en gedrang, verkrompen tot mager angst-gestaltetje, keek rond, hand op de sabel, dan hier, dan daar geschouerbonkt, tegen z’n rug, getràpt tegen z’ beenen, z’n kop, geen raad wetend soms, waar zich te bergen.—Aldoor sprong ie opzij tusschen karrenknel en hondgedreig, maar dadelijk weer ver-bonkten ze’m naar andere plekken.—En overal om ’m, zwol ’t daverend marktgeraas, ontkraterde het heete onweer van zwoeg, de sjouwende kleurige opstand van marktkerels; deinde de zee van druischend woelgeweld, in d’r licht en kleur-golvend beweeg, geraakt nog door laten zonnebrand; in d’r klotsende schuiming overstroomend, vèr, al verder, de Haven, de booten, den polder, met daverend rhytmus van treinengang, dreunend in den lagen, snikheeten zonneval.—Tusschen het geraas en de blaffurie klonk als ’n demonische hooge stemmenspot, plots bel van den afslag, uitrammelend z’n schellen schater boven de kleurig-opgepropte menschenmassa. Daad’lijk trok ’n bronskleerige tuindersstoet met straat-groente-venters, zonder eigen grond, rond den afslager, die bengelen bleef; tusschen de helle klank-strooiing dóórkrijschend, dat nieuwe omgang van afslag beginnen zou. ’n Helper riep naast den verkooper, met twee handen aan den mond als toeter gebogen, heftig dat ’t bloed ’m naar de wangen schroeide, ’t zweet glimmig van z’n slapen druppelde, den druischdonderenden warrel van ’t marktgeraas pogend te overschreeuwen. De schelle klankenrammel bleef luiend lawaaien en daaràchter de schor-verkrijschte afslagers-stem, onverstaanbare radde handelstermen uitbrabbelend. Op ’n hooge stapeling van kisten stond ie naast z’n helper, en rond ’m, de stom toekijkende beweeglooze, ingedrukte klomp brons-kleerige tuinders, loerend naar de uitgestalde groentewaar, den geweldigen kring van sla, groen-doorzond, als smagarden kwallen, geplooid en bekerfd; douwig-doffe doppers, platte peulen, rhabarberbossen, rooiig-groen, en korrelig blanke boeketjes bloemkool, op stapels dooreengesjouwd, in kisten en bakken. Eindelijk stopte afslager, satanischen klankstrot van bel dicht, kringden de koopers[97]nauwer op en achter elkaar. Kleine baasjes-pachtertjes stonden in den koopkrans gedrongen, met d’r sluwe kaal-geschoren tronies, loenscherig berekenend in klankloos lipbeweeg, wat ze voor de waar geven konden. Anderen, in gedachten, staarden als gekataleptizeerden naar de nu stille bel op kistenhoogte, die flonkerde bronzerig in zongloed, tusschen ’t groen. Lager gloei-glansde zon rond de kijkkoppen, rood-gouden toover sprankelend op tronies-brokken, de kerels vervlammend in toortsigen brand van d’r pracht-bronzende kleeren. Demonisch vlàmde er gloed, inbijtend op den kring, hier fel-licht verblindend op wit gekiel, daar goud-wolkerig verzevend op fronskoppen, bronzen ooren en handen, kleurige kielen en schonken.—Venters die Wiereland doorsjacherden met wat groenteafval in hun verrotte schrompeling van kleeren, beloerden elkaar woest-nijdig, vooruit al bang, dat een den ander zou opjagen. Onstuimiger drong de stoet bijéén, scharrelkring van schorre kerels, in naakten drang elkaar met oogentaal vermoordend van afgunst. Snel, in woordratel van z’n kisthoogen stapel àf, had afslager z’n waren geprijsd.——Veur tachtig de duuzend,.… veur dertig.… die.… veur vaiftig die.…—Main.… gilde één uit den kring, angst-ontzet als zouden ze ’m slaan.Daar weerklankte helsche stemmestrot, van bel tingelingelinge! lingg!.… tin.… gelinge.… lingg-ling! ling! schel neerziedend in verdoovende vaart, in ’t rondomme geraas van karren, honden en menschen. Achter den afslager en kijkkring, was weer ’n ontzaglijke, aaneengekettingde rij aardbeikarren aangerateld, helrood tusschen de losgestapelde peenbossen. Als ’n geweldig fantomige opstand van plukkers en rooiers, was er ’n nieuwe stroom reuzige werkers en sjouwers uit den stationskant aangedrongen, dwars door de paardjes en ezeltjes, in ’n davering van ho!.. ho!.. hei daàr!!’s. Opstanding van titanische plukkers uit ’n heel anderen landhoek, tegen de paarden ingaand, die verhit, in pracht van trek-gang, trappelden en vernielden wat onder den hoef kwam.—[98]Rond handen en lijven, rond oogen van dieren en menschen bleef razen een heet gewoel, een druisch-hevige energie van demonische jacht, één krioelende gang van leven, tusschen boomen, tenten, stalletjes indringend en weer uitgulpend met overstroomenden golfslag van rondfuriënden ploeter.Pal in den zinkenden zonnedamp, làger verglanzend in sfeer van goudrooden brand, doken de woeste zwoegkoppen òp, uit al meer verdonkerd boomlommer. Dààr, onder ’t verduisterd bladergroen sjacherden de kerels, met d’r tronies in geheim-fijnen schemer van half-licht, groen-goud en bleekblond omzeefd, soms plots uitgesmakt naar walkant, in ’t roodgoud gewolk, tot de voeten begloeid in fanatieken worstel van glansen.—Van alle kanten in de avondzon, duwden ze òp de kerels, pracht-gespannen de spieren van stuw, al mèèr groenten, heele steden overrompelend met hun monumentale warenmassa. Inééngedrongen dààr, op karren bij elkaar, geplukt en gerooid, lag de éérst mijlen verspreide zwoeg van hun land, om straks te zien verdwijnen hun waar, hun voedsel en zoete spijs, als offerden ze, in angstige, stomme biecht van arbeid, aan den donkeren grom-muil van groote geweldige stad, verslindende metropool, die maar slikte, slikte, elken dag meer van wat er brandend en zweetend uit hùn gloeihanden zich opstapelen kwam.—Van heinde en ver trokken ze op, van de stilste afgelegenste akkerhoekjes, waar eerst hun waar in zonnebrand had te gloeien gestaan. Van heinde en ver de kerelsstoeten trokken òp in orgieënden zwoeg, omjoeld van laat hemellicht, dat schaduwde en zacht vervlamde in beev’rige, goud-roode vegen, aarzelend purper en nevelig hitte-brio, verdonkerd onder lommerlaan in zeegroenige zweefglanzen. De kerelsstoeten er in, tusschen hun nog half levend goed, met den sappenden streng uit den grond gerukt, in den zwijmel van landgeur, den frisschen zwelg van aarde-lucht, verbrandend, verstovend in de havenstanken. Kerels-stoeten als ’n leger van werkers, met hun kleurfelle, gloei-dronken schitter-spijzen van overal, worstelend en optrekkend[99]naar den grooten verren donder der stad, toestoppend den grommenden lekkenden reuzigen muil van het zwelgend, vraat-dolle, hongerige massa-monster, waar zij nu voor saamstroomden, met hun lèvende waar, doorzogen van hùn zweet; kerelsstoeten, onbewust van hun demonischen aanvoer, hun luidruchtige geweldigheid, en heet-koortsend kleurenbrio, hoorend in ’t kraterend marktgeraas, echo van den ontzettenden honger-grom van stads-strot.—Al maar, achter de kastanjelaan uit, van steegjes en weegjes, doken de karren òp, nu drukker in bedrijvig gedrang bij den molenkant van station. Ze waggelden de wagens, zwanger van hun vrachten, ratelden, hotsten heviger, alle door ’n blondroode baan van licht heenwadend, doortrilden gouddamp, die àchter hun koppen, hun waar, bleef hangen als ’n bevende nevel, laat zonnevuur waaruit ontzag’lijk, reuzige menschen groeiden. Eindelijk, hun lijven en karren, dromden buiten de lichtbaan, die zich achter hun koppen weer sloot als ’n wolkerig wonder van goud-roode glansen.… Al lager sloeg ’t zonnevuur de haven in tooverroes van kleur-vlammige schijnsels, als gebroken licht-vitrails, in scherven en brokken rondgestrooid over keien, sintelgrond, karren en vruchten, hout en steen; vlammige brandingen van ’n Juli-avond, waarin ’t marktgedruisch ziedde, kookte, in helle-sfeer van broeiing.—De booten stonden al hooger opgestapeld, achter en òm de donkere pijpen en koelkast, bòven machinekamer. Gedraaf, hijgend òp en af de plankieren daverde en krioelde langs den wal. Te zinken dreigden de schepen van overvolle angstig-dicht opgepakte vracht. Burchten van ruw hout, in al woester koloriet, waar de late zon op neerlekte lichtvlammen. ’t Hoogst, bòven de bakkleuren uit, roest-rood, brons, groen, hel-blauw, goud-geel, bleven de aardbeien gloeien in hun ijl-zang van hel inkarnaat, purperend zonnegoud òpzuigend; de bakken volgedaverd van lichtende vruchtjes.—Daartusschen pyramidaalden bergen doppers, selderie, sla, postelein, wortelen, tuinboonen, bergen groen en oranje.—De bloemkoolen schaars aangevoerd van polder, stonken tegen de aardbei-zwoelte in,[100]en telkens, uit den kroeg-smokigen mist, doken kerels òp, doodaf, in zweetvet verglommen, den heeten asem van hun drank in sjacher verhijgend over hun vruchten.Midden in het oorsuizend donder-dof gesmak van bakken, in jagender tempo, stond plots ’n Jood, moorsch-zwart, op ’n kruk, voor ’n hoog standaard-tafeltje, waarop wat vuile tangen met kromme snavels, dooréén lagen; grimmig roodroestig gereedschap als martelwerktuigen van middeleeuwschen kerker.—Midden tusschen ’t gekrioel en den furiënden aanstroom van lossing en lading, was de Jood tweemaal tusschen karren en boot doorgedrongen, maar weer teruggesmakt van z’n standplaats. Eindelijk had ie z’n tafeltje bij ’n wat uitgedaverd walhoekje vastgemoerd, was ie spraakloos in de giftige woeling rondom, blijven staan. Vòòr ’m dromden handkarren, volgestort met felgele komkommers, goud-glanzend, bij punten gepolijst, en telkens daverden kerels met groentebakken voorbij, die licht rondsloegen tusschen ’t overal wolkende aardbeirood.Moorsch-zwarte Jood, met vonk-donkere oogen, stond hoog en rustig eindelijk op z’n smalle kruk, boven z’n tafeltje uit. Onder z’n tasch, tusschen de tangen, greep ie naar ’n trompet, tamboer-gebarig voor z’n mond drukkend. Valsch geschal toeterde en stootte ie uit, ééntonig als bazuindreun op grooten verzoendag in synagogen, kreten van vermoeienis en uitputting verjammerend.—Telkens bonkten, in ruwen daver kisten en manden tegen z’n kruk op, dat ie waggelde, zich vastgreep aan z’n vastgesnoerd tafeltje. Maar onvermoeid, toeterde ie door, energisch fel klankgescheur, dat de karhonden rondom nog ellendiger uitraasden, grienden en blaften, en telkens stortte ie ’n heet stjing! stjing! van bekkenslag er tusschen in.—Achter den Jood, op z’n kruk, koepelde ’t geweldig polderluchtruim, doorgloeid van glansen, waartegen donkerhoog z’n gestalte oproer herautte, in ’t rondomme gebarrikadeer van manden, kisten en karren. Donker vonkten z’n oogen, en strak, taai-energisch, bleef ie toeteren en heete tjings van bekkenslagen[101]afpauken in ’t geraas. Hem voorbij, in nijdige onverschilligheid, donderde ’t gewoel en gedraaf, gebroei en geschroei der zweetzwoegende kerels. Geweldige lasten voortzwoegende paarden zwenkten schurend langs z’n hoog standaardtafeltje. Ezeltjes huilbalkten achter z’n rug, en in loomen luister naar z’n getoeter en getjing-sjing stonden paardkoppen rondom, vlak tusschen het tuinders-gewoel, met heftigen tril van hun oortjes.—Wèg bleef ’t luistervolk, nog gebukt in sjouw, en sterker toeterden en dreunden de moorjood trompetscheuren, heet als schuimflitsen van golflicht, hooggoud en brandend rood, òver ’t woeste hurrie-rondkolkend marktgetier.—Eindelijk wat jongens en kerels, gedaan met sjouw, bleven hangerig en landerig staan voor z’n tafel, lacherig of in stompen staar bot òpkijkend naar den trompettenden Jood.—Grinnekend scholden ze ’m uit, krijschte een roomsch-nijdige kop, fel-spottend en dik-tongig.—Enne.… ààpramm.… gewòn Isaak!… enne Issaakh!.. gewon Sjàkop enne.… Sjàkop ’r.. gewon.. heè! rot-smaus, appie!.… d’ur is d’r ’n goàtje in je trepetter!—Maar Jood bleef star-kalm in z’n donkere figuring op de kruk, z’n vonk-zwarte oogen, hevig suggereerend in z’n hoofd. Stil had ie op z’n tafeltje de trompet en tsjing neergelegd, groote toortsen papier gerold en in brand gestoken, dat ze rookvlamden in z’n handen. Zachte kringen van vlammenlicht, zwierden hoog om z’n zwart hoofd, donkerend tegen den laag-stralenden zonschijn in. Walm-rook dampte blauwige mist rond z’n hoog-staand lijf, dat reuzigde tegen de polderlucht. Telkens als toortsen bijna uitgebrand waren, rolde ie met linkerhand nieuwe, zwaaide ze in kringen, dan één, dan twee, geheimzinnig om z’n gelaat; stak weer andere áán, wierp wèg de uitgebrande.—Nu en dan bazuinde ie tusschen het smokige, roetige gloed-rood gewalm, in den mist van z’n mysterieuze goochelsfeer trompetklanken uit, dat angstiger, burlesker, z’n omdampt-moorsche kop scheen te zwellen tegen ’t hemel-rood in.—De jongens schaterden om mallen Jood, maar kerels nu bleven[102]lijzerig staan kijken, bot, den mond van loome verbazing opengegaapt.—Dirk was uit de kroeg, op ’t walmgerook toegesprongen in den kring, verbluft òpstarend naar den kwakzalver, als zag ie ’n wonder uit den hemel tusschen ’t havengewoel neergestort.Onder de kastanjelaan woelde marktgescharrel, ’t drukst nu, rond de kleine tentjes en groenteuitstallingen.—De groote huisramen gloeiden rood in ’t zonnezinken, vreemd flonkerend, fel in gouden mist, onder den zwoel-duisteren bladerenschemer uit, rooden gloed, die diep, dièp, ’t marktkrioelen in bloedende gamma’s òverleefde, àchter de trillende boomschaduwen. In den geheimvol verwaasden ruitenbrand, mysterische vensterstaar, onder ’t scheemrige perspectief van havenlaan, stak zonnezink telkens andere ruiten ààn, die vlamden in lichter en donkerder gloei, tusschen het lommerig duistergroen dóór. Daar onder, en vòòr, joeg wilder gedrang en gedraaf òp en neer van kerels en vrouwen, in gekrijsch, geslikkerbik en ruwen klinkklank, òm de poonen- en stinkende scharstalletjes. Meisjesgegil joolde, tuinders lolden, dronken, in woesten stoei. En dwars door den brandgloed van ruiten, titaanden ze òp, naar ’t vlammegekring en getoeter van den Jood, met z’n makaber trompetgekrijsch en rossig-rookige toortskringen. Onder ’n oppropping van goud-gele, bronzen en bruine tentwagens, vóór kroegen en huizen uitgespannen, wiel- en rug-beflitst, holde ’t landvolk naar den trompetter, in gejaagder tempo.—Nieuwsgierig, verhit en afgebeuld, trok ènger en meer rijend achter elkaar, ’n kijkkring om den Jood. Telkens kwam karrendrom dwars door achterste loerders heendringen, in gesnauw, gevloek, geraas, verbrokkelend den stoet, maar aldoor vulden de gaten, propte zich voller de kijkkring.—Jood had goed rondgekeken, sluwigjes zich neergezet op plek waar de booten ’t hoogstmurend al volgestapeld stonden, de sjouw aan ’t afloopen was. ’n Tuinder had ’m gezeid dat ie doodgegooid zou worden met bakken en manden, als ie eerder begon. En stil, taai-rustig had ie gewacht, rondloerend met den heeten gitglans van z’n oogen, berekenend wanneer ie z’n slag moest slaan.[103]Grooter werd koppengedrang om ’m heen, en telkens nog scheurde ie trompetgalmen de lucht in, tusschen het marktgewoel, dat soms plots woester langs ’m raasde en tierde; ontstak ie rustiger, z’n groote grauw-papieren toortsen, vlam-kringen boven z’n hoofd zwierend, als derwisch in godsdienstextaze, vreemd-woest in z’n moorsche, dreigend-suggestieve donkerheid. Nu en dan galmde ie wat woorden uit, die wègkreunden in ’t helle-geraas. In aandacht gespannen, verkuchten de kerels papierstank, brandlucht en rook; stonden ze op elkaar gewurmd en verdeukt van lijf, als menschenpròp vastgeslibd, saâmgeklonterd in de woelende aderen van dóórstroomend marktlawaai.Eindelijk had Jood genoeg van z’n toortsen en toetering, lei ie z’n trompet neer, verschoof ie z’n papier, rammelend tusschen z’n trektangen en groote zwart-verlakte tasch. Stil-donker stond z’n lijf, hóóg op de kruk tegen ’t late zonlicht in, rug-beglansd, en schouers èven geveegd van goud-rooden glans.—Stil-donker, verduisterde z’n gezicht al meer. Z’n zwàrte flambard, breed model, dofte op z’n zwàrten kop, even boven z’n zwàrt-moorsche brauwen, als met kool-stift in z’n rimpel-hard voorhoofd geëtst. En z’n oogen, diep vergroefd in zwarte wallen, gloeiden vonkig, fosforig tegen ’t licht, als van ’n hond. Z’n snor, zwàrt en breed uitgekruld, en z’n baard, koolzwàrt, verdonkerd, vrat weg z’n smal geel-bleek gezicht, dat alléén oog en háár leek.Sultan-achtig, èven ingebogen met rug en schouers, verdraaide ie hoofdsche gebaren, gratieus overdreven, met potsierlijk eigen-waarde-gevoel van hoffelijk markt-kunstenaar. Zwaar kuchte ie, èven beleefdelijk hand voor den mond, zette eindelijk in.—Als hèt.… hooggewaardèèrdèn.… pùbliek.… eens èènèn.… oogènblik.… nààr mij.… luistèrèn wil.… zou ik mij.… bèkend willèn.… makèn.…—Elk woord stootte ie uit, in breede sperring van den mond, optrekking van wang en lip, dat z’n prachttanden, hagelwit, òpblankten tusschen z’n donkeren snorbaard. Door vreemd-trillenden òphaal van z’n mond onder ’t spreken, leek ’t of ie[104]bij elk woord dat ie uitstootte, duivelsch grinnikte, in samenfrons van roet-zwarte brauwen, boven satanisch-gele groeven van z’n voorkop.—Z’n stem klonk schor-vermoeid, als van iemand die walgt van eigen praat. Smart lag er in, schorre, angstige, stil weenende misère. Soms onder ’t stoot-fel spreken, verdofte de vonk uit z’n oogen, stààrde ie over de luister-koppen, kwam er lusteloosheid in het donkere rumoer van z’n anders felle kijkers. En dóór bleef iets weenen in z’n schorre, àffe stem. Geen van de drieste, in zweet afgebeulde werkers, in de havenhitte, broeiig opééngepropt als groote verbaasde kinderen, loerend, loerend,—die iets merkte van Jood’s vermoeienis. Z’n handgebaren gingen mee, moè, afgetobd, met z’n stem, elk woord afhakkend, om duidelijk te zijn, verstaan te worden, vreemd-zangerigen, verkeerden klemtoon-druk op èlk woord neerdreunend.—Boertjes, tuinders en meiden stonden te dringen, te zweeten, te blazen in de hitte, maar al meer landvolk propte zich dichter, vaster om z’n tafeltje, gevangen door z’n schijn-gratie, z’n zeg-vuur en opgewektheid.Van alle kanten begluurden ze den Jood, klaar om ’m te steenigen als ie hen bedroog. ’n Paar jochies zwierden òver koppenkring heen, palraak, hem vuile groentenstronken in ’t gezicht, en kinders gilden plots, boven ’t marktgeroes uit: smaus! dief!.… rotte joòd!Even keek ie naar de kereltjes, gooide de koolstronken, die smoezelig op z’n tafel neervlerkten, achter z’n kruk, lachte stil, ironisch-droevig.—Plots lichtte ie z’n grooten donkeren hoed, beleefd van zwartkrulligen kop, groette in tooneelbreed gebaar, schreeuwde uit, woord-afstootend in zangrigen dreun vervolgend.—Hooggè.… wààrdeerd pùbliek.. Ik heb.… den bijzonderèn èèren mij-zelffers ààn Uw.… voor tè stellèn.… Ik ben.… tandhéélkundigèn … mijn naam is … Jaack Ròzel … woonàchtig.… sedèrt.… drie-en veertig jàren.… te Rottèrdam.… nùummééroo zès-en-zèstig.… alwàar ik.… prakkiseer.… sedert veertig.… jarèn.—Ik ben.… dèn zoon[105]van dèn.… èx-èx-professor.… te Montabilie, gènaamd.… Jaack Ròzel, seni-or.… waarvàn ik.… den eer heb.… den èchten, den eenigèn afstammèlingg.… tè-zijn.… Ik represènteer.. zijnen.… nagedàchtenis.… en verkondig den volken.. zijn sàluut!Even rustte z’n stem, doodop, als stervend in z’n schorre keel. Rond z’n luisterkring lawaaide herriestroom van karren, kisten, kerels, gierden honden.—’n Paar boeren met goudrooiige kaasjes op grooten wagen, duwden tegen den kring in, schreeuwend en roepend, òp van inspannenden sjouw. Gevloek en getier sloeg terug, over kerels en meiden heen, opzij gedrongen uit kijkkring. Duw-kerels raasden en spogen naar den Jood, die deed alsof ie niet hoorde. Even zacht, sloot ie de oogen, mijmerend in zichzelf. Plots sperde z’n mond weer, ging uitgekrulde zwarte knevel in lippendans heen en weer, op den burlesken donkeren kop; stootten z’n woorden weer in zangdreun, met den angstig-schorren klank-moeën stemmebeef:—Mijn bèroep, geàcht pùbliek is te zijn tandheelkùndigèn.. Ik.… genees.… àllen tant-, àllen mond-, àllen kies-, àllen keel-, àllen verhemelten-, àllen reumatièken pijnen.… Ik.. gènees àllen zinkes.… àllen koòrtsèn, àllen aandoèningèn.… en … stòringèn.… gèlijk gij dat.… ondèrvindt.… van profèssèuren.… gèlijk gij mààr.… wilt.… luistèrèn!—Plots daalde z’n stem tot zacht-vibreerend gespreek, doordringend, duidelijk te verstaan toch, in den doodstillen kring, waarachter de markt raasde, tierde, smakte en donderde, àl verder, met heet geluid van duizenden mokerslagen op aambeeldstaal.——Noemt mìj.… éénen.… leugènààr.… noemt mìj.… éénen.… bedrièger.… éénen galèiboef.… indien ik.… ù niet … den geëèrden argumènten … toon … Maaààrrrr!!.… stootte in één, ùit de zacht-vibreerende spreektoon z’n stem plots hevig òp,—àllen profèssèuren.… àllen doktòren.… àllen tandheelkundigen, àllen verlòs-, àllen heèl-, àllen gèneeskundigen.… kènnen.… Jaack Ròzel, Jaack Ròzel, den éénigen.… en èchten.… afstammèlingg vàn.… Profèsseur.…[106]Jaack Ròzel.… Senì-or.… zijnèn vàder.. te Montabilie.… begràven.… mèt mùziek.… en militairen eèren.. Allen kennèn.… Jaack Ròzel.… Juni-or!.… wien ik.… dèn eèren heb.… hièr tè zijn.… Voor wièn ik.… Hedèn.. mijn beproèvingen.… zal amploi-jèèren!.…In kring van luisteraars en loenschige kijkers, bot en verbaasd òpstarend naar den kwakzalver, was groote stilte-spanning gezakt. En achter den aangroeienden menschprop, in kring vastzuigend een aan den ander, zwol het hondengeraas als hellegekerm; ratelden en hotsten de karren, rauwden in krijsch en hurrie kroeggangers en sjouwers. Vreemd in bleeker goud, stonden huisruiten achter boomlommer uitgebrànd. Er vòòr krioelden nog tentwagens, karren, paarden, ezeltjes, vrouwen en kinders, scharrelaars met kippenmanden en lichtbekleurde vogelenkooitjes. Aardbeizoet bleef zwoelen, overal rond. Telkens uit de kroegen doken koppen òp, onder ’t lommergroen uit,—waar ’t nu dampte van stanken en broeinevel—opdringend in woesten stoei naar den Jood.—In strammen staar bleef kring om ’m heengepropt, loerig wachtend op z’n proeven, maar voortschorde, scherp, droog, z’n stem, gemarteld van moeheid.——Ik.… Jaack Ròzel, woonàchtig te Rottèrdam, gènees U.… van àllen pijnèn, àllen wervèl-, àllen gezichtspijnèn, van kràmpèn.… zoòwel àls van kolièkèn.… van klièrèen.… zoòwel.. als.. vàn verzwèeringèn.… van spierpijnèn, van pèèspijnèn, van likdoòrnpijnen.… van gezwelpijnen, zòòwel als van abscespijnèn.… En ziet toe!.. Hooggèwààrdeerd.. pùbliek.… zièt toe!.. Ik gènees allès met hèt.… kostbàren vocht vàn.… Valura.… in dezèn fleschjès.. saamgèperst.—In groote omzichtigheid tastte ie met één hand in z’n tasch, haalde er flakons, in vloeipapier uit. Hoffelijk buigend weer voor z’n gehoor, ironietrek verborgen om z’n breeën donkeren mond, nam ie gratielijk z’n hoed af, stootte schor-rauw uit:—Mijn gè-acht.. en hoog-gè.. waàrdeerd.… pùbliek.… met dit.… vocht.… van Valura.… geneès ik.… wondèren!.… Met dit vocht.… hebikreeds.. genèzen.… dèn[107]kòning van Itali-en.… dèn koningin van Spanje.… dèn oud-kroonprins van Groenland.… den princes van Montàbilie.… den èrfgraaf van Havana.… dèn rèsident van Djòkjo.. kàrta.… dèn dekens.. èn dèn.… bisschoppen van Ròmana.. Mèt dit.… duurzàmen.… vocht.… mijnèn.… geëerden hoordèrs.… verricht ik.… geneesingen.… dien gèèn.… doktèr.… gèèn tàndheelkùndigen, gèèn chirùrgein.… gèèn àrts.… gèèn profèsseur, gèèn spiritist,gèènhypnotiseur, gèèn fàkir, gèèn Bedouien, gèèn Arabier, gèèn Israelièt.… gèèn Christèn.… gèèn Moor, gèèn Zweed, gèèn Spanjool, gèèn Fransch-, gèèn Duitsch-, gèèn Engelschmàn mijn kunnèn.… na-verrichten!.… Maaààrrrr!.… mijnèn vrienden.… Eenigèn.… druppèls, van dit.… duurzàmen vòcht.… in dèn mond.… eenigen roersèlen in dèn gehemèlten gehoudèn.… daarnà hèt vocht.… uitgespògen.… dèn mond.… nagèspoeld met koud water.… èn wèg.… èènsklaps zijn àllen pijnen, àllen koortsen, àllen zinkèns.… Maaààrrrr! aanstonds mijnen heèren!.. en mijnèn damès.… aanstònds.. zàl ik.. onder.. uwèn.… geëerden.… aanwezigheid.… dien er.… mààr wil.… den proef laten nèmen.… Ik bèn.… Jaack Ròzel.… Juni-or.… woonàchtig te Rottèr-dam.… Reeds sedert.… veertig jàren.… trek ik.. zònder pijnèn.. en zonder geldèn!.… graties!.… voor-niets-niemèndal!.… Alleen vòòr dit.… flèschje.… betaalt gij.…—Dat-wil-zeggen.… Ik ben.… hier niet.… gekomèn.… om wat.… te verdiènen.… maar.. òm dèn.. menschèn.. te bewijzen.… een weldààd.… Maarrr!!.… al zoudt.. gij mij.… vijfèn.… twintig guldèn.… willen gevèn.… ik zou dezèn.… niet akcepteeren.… Ik bèn hier.… òm ù.… van dienst tè zijn.. Alleenig daarom!—Dit vocht.… van Valura.… spéciaal.. bèreid van gè.. heime sappèn.… òntdekt.… ten tijdèn.… vàn het.… middernachtelijk uur.… door mijnèn.… vader.. profèsseur te Montabilie.… door zijnèn.… handèn.… den handèn.… van Jaack Ròzel.… Seni-or.… dit vocht.… met zijn.…. geheimen sàppen.… kùnt gij.… krijgèn.… Maaààrrrr! nièt voor.. dèn prijs.… van vijf-en.… twintig..[108]gulden.… Voorgèèntwintig.… gèèn vijftien.… gèèn tien.. gèèn negèn.… gèèn acht.… gèèn zevèn, gèèn zes.… gèèn vijf.… gèèn vier.… gèèn drie.… gèèn twee.… gèèn één gulden.… Maaààrrrr! dit vocht.… waarmeè ik.… genees.. àllen zinkèns.… àllen koòrtsen.… àllen keèl, àllen tant.. àllen maàg, àllen ingèwandspijnen, dit vocht.… kost slèchts.. dèn prijs vàn.… vijf-èn-twintigcenten.… En al.… woudt gij.… mij nu gèven.… na te hebben.… gèzien.… den wondèren van mijn wèrken.… op hèt lijf en den ledèn.… den pezèn en den spierèn van iederèn persoonaadjen.… al woudt gìj.… mij betalèn den blootèn sommà van vijf-èn-twintig.. guldèn.…ikzou.… hèt.… niet.… aanvaardèn.… omdat ik.… een weldààd.… voor den armen bèdoel.…—Even hijgde ie uit. Ronddaverend geratel was achter z’n kring heengedonderd, dat ie sterker z’n stem moest uitzetten.—Z’n gezicht glom van zweet, stond grauw van vermoeienis. Toch probeerde ie door te spreken met cier, hoogdravend in zinwending, langzaam, als uitrustend bij elk woord, overdreven in hoflijke geaffekteerdheid, alle woorden afstootend met zware „’n”. Weer had ie deftig z’n hoed van ’t hoofd gelicht, sprak ie ’t landvolk toe, meiden gapend van verbazing, kerels loenschend en heet op proeven.—Hier en daar, midden in en vooraan in den kring, stonden jongens en kerels met hand aan den mond gedrukt, zacht-kermend van pijn, gloeiend in hoop nu, van hun smart verlost te worden. Er begon wat bangelijk geloof en verschrikte suggestie in den menschklont rond te gaan. Dat voelde de Jood, zacht-triomfeerend met ingehouen ironielach.Zon, al lager, verfde gouïge glanzen nu op de luisterkoppen, en tèlkens drong nauwer òp de groep, om tandentrekker.—Zachte, plechtige verschuivingen van lijven en gezichten, armen en rompen, wurmden paffend in den kring, waar tusschen snikhitte dampte. Gezichten stramden strak, van vrouwen en kerels, nek-achterover, in òpstaar naar den al sterker suggereerenden Jood, in luisterspanning; koppen staarden, van jongens en kinders, waarop ’t late licht wondere schijnsels weefde in legendarischen gloed.[109]Karren ratelbonkten nu al verder van den kwakzalver af, die al breeder omsloten stond in kring, en sterker stootten z’n woorden òp, schorde z’n moe geluid, afgetobd en bevend:—Maaààrrrr! nu.. Hoogè-eerd.. pùbliek.… Is er.… een-ònder u.… die soùffreert.… aan pijnèn.… ’t zij zinkens, ’t zij koòrtsen, ’t zij rheumà-tiek in dèn mond.… het strottenhoofd.… hij komèn.… tot mij.… opdat.… ik hèm.… òp slag gènees.… onmiddèlijk.… Ik ben.… Jaack Ròzel.. Juni-or.… heeren en dames!.… zoon vàn.… profèsseur.. Ròzel.… Seni-or.… woonàchtig tè.… Montàbilie.… Maaààrrrr!.. ieder.. dien nù.… lijdendèn is ààn pijnèn.… ’t zij oòrpijn, ’t zij.. wàng- ’t zij keèlpijn.… hij komèn.… tot mij!.… Mijnèn.… vriendèn.… en ik.… zal hèm.… dadèlijk.… genè-zen.… zonder smàrten.… met dit.… geheimen.… wondèr vocht.… van Valura!.… Laàt u.… hèden.. niet terughoùden, door.… àngsten of.… valschèn.. schaamtèn’s.… Want ìk trek.… zònder pijnèn.… en zònder àngsten.…Twee opgeschoten slungels en ’n knecht-tuinder wrongen zich uit den knellenden prop los, gingen bleuerig en gemaakt-lacherig voor de tafel staan. Een blondharige jongen had onder elken arm ’n dik kaasje gekneld.—Uit z’n jekkerzakken bochelden goud-glanzende punten van komkommers. Met suggestieve kracht keek de Jood van z’n kruk op hen neer, door-oreerend toch tot publiek, zonder de patiënten iets te zeggen, manouvreerend den kring rond met z’n fleschjes. En donkerder figuurde z’n mager lang lijf tegen het late luchtruim, hoog-eenzaam op z’n kruk, in de afzakkende havenherrie, in den zwoeg van karren naar booten.—Hei Jansse, hai hep ’t op sain ruijker!.… t’met stol ie.. je koàsies.… kaik de fint se klietere onder sain oàrreme!.. schreeuwde Dirk, telkens aan z’n wang voelend of ie ook t’met geen kiespijn voelde. Dan kon ’t nou toch beure feur niks.—Maar de Jood zangdreunde voort.—Nièmand.. mijnèn vriendèn.… behoeft dit.. te koopèn.. àls hij.… niet dèn.. proevèn.… heeft gèzien.… gelukkèn..[110]Komt ééns hier.… gij vriend.. ja!.. lèg u.. kaasjès.. mààr neder!—Komp nou op de koffie hee?.… die bi’-je t’met kwait, schreeuwde één heesch, uit de menschenprop.—Leg.. uw.… kaasjès.… maar hier.… nèder!.. mijn vriend.… Hun zal.. gèèn leed u geschiedèn.… Neen! kom niet.… àllen drie!.… tegèlijk.. Gij àlleen.. ja.. laat ùw kazèn.. mààr los!.. weès niet.. zoo bèvreesd.… Gij.… àlzoo!.. juist.. hier!.. maar.. op dèn straat.. jongèn vriend.Wat schèèlt u?… en waar mààkt gij.… u bezòrgd ovèr? Zeg hèt mij gerust.—Nou?.… joa kaik.… doàr.… achteràn.… in main bek hee?.… aarzelde bleekig van angst en verlegenheid de slungel, die bangelijk z’n kazen op de straat had gezet, er telkens naar glunderend, of iemand in den kring ze ook vergoochelde.—Hoe is ùw.. naam.… jòngèn.. vriend?.. èn waar.. woònt gij?.…Van z’n stoelhoogte had tandentrekker zich voorover gebukt naar den beschroomden slungel, die met open mond, wijd gesperd, wat terug stamelde op z’n vragen, terwijl de Jood, ingezakt, beenen gekromd, ’n vies tangetje tegen de rottig-groene tanden van den jongen aantikkerde.—Hier zit hij.. niet waar vriènd?.. juist.. dèzen.. juist dèzen.… dien doet u.. pijn? niet jongèling?.…Harder tikte ie tegen ’n bovenkies áán, en de jongen, beverig van pijn en benauwing, met z’n kop in den nek gedrukt, z’n schonkige schouders van angstigheid hoog-scheef opgetrokken, oogen duizelig hemelruim instarend, schokkerde, kwijlde op Jood’s hand, stotterde wat woorden, achter gerommel van vuilroestige tangetje, dat z’n mond inwoelde.——Hier hèbt gij.… pijn nièt?.…—Nou.… nou.… auw!.… ik f’rek puur fé’ pain!.…—Zekèr.. vriend!.. stil moàr! Houd ùw hoofd.. wat hoogèr!.…De twee andere patiënten, bleven gejaagd kijken, van den[111]jood naar den slungel. Spannende angststilte hijgde door heel de menschenprop.—Geef dit, tangètje ééns aan, gij vriend!—Hoekke motte ’t weuse?.… stamelde de gevraagde verlegen.—Dutte! dutte!—krijschte ’n andere er zenuwachtig schreeuwerig doorheen. Maar de Jood had zich, ongeduldig, zelf teruggebukt achter de tasch, z’n halven vuist in den gaapmond van den slungel stekend. Handig, uit z’n vuile rommel greep ie ’n kort-dikke tang, met roestige snavelkromming.——Kaik.. dat is weer ’n aêre!.. schreeuwde bang één uit den kring.—Wá’ he’k main slinger!.… dá’ kost ’m sain heule stal!.. lolde zenuwachtig ’n ander.…—F’rskeur nou je pampiere moar.. Joap Jansse!.. gilde ’n meid.—Kom bai màin op de koffie Joàp!.…Maar Jood bleef kalm, hield z’n tang op de tong van z’n patient gedrukt, keerde zich deftig naar het publiek, dopte weer hoofsch, met sierlijk groetgebaar, liet den slungel gapend, den kop diep den nek ingekrampt en sprak:—Hooggè-waàrdeerd pùbliek.… gèachten.… vriendèn.. Ziet toè! gètroost uwèn.… geëerden oogèn.… den kòst.… te gevèn.… ziet toè … hoe mijn … vocht vàn … Valura.… wondèren.… uitrichten.… zal.… Dezen jongen vriend.… ùwen vriend, heeft.. hevigèn kièspijn.… koortsèn.… en zinkès.… van wegèn.… den verròtting.… èèns kies.… nièt waàr vriend? Gij lijdt.… gij hebt.… duldeloòzèn.. smarten.… in dèn ochtend.… wanneer gij.. u ten rùsten bègeeft, òp ùwen.. legerstedèn.…—Nou furt dan.… furt!.. furt!!.. ik f’rek fè pain.… stamelde woedend de slungel, ’t hoofd nog achterover gebukt, klein gesuggereerd in houding, roerloos, als zou ’m de Jood, bij kleinste beweging, begoochelen. Maar kalm weer, boorde blik van den kwakzalver op z’n angst-slachtoffer neer, en dòòr stootten z’n afgebroken woorden:[112]—Gij hoort hèt.… gèacht pùbliek.… ùw vriend lijdt.. pijnèn … smàrtèn … zièt toe … hoe ik … dezen.. jonggèling.. éénigen.… dròppels.… van dìt.… gèheimèn.… vocht toèdien.… zièdaar!.. mijn jeugdigèn vriend! neemt èèns, een slòkje en spoelt u, op dèn plek.. ùws pijns.… Maar houdt hèt.… geheimèn sap over.. uwen gànschen.. tong vèrspreid. Zoò juist! En nu.… ter exploiteering der kràchten.… vàn mijn … geheimen Valurasavochten … blijkt dit … koelen vocht saamgèsteld.… uit bestanddeèlen van wònderen.… dien ik niet.. zeggèn mag!.… Maaààrrrr! waarmeden.… ik allen.. pijnen.… gènees.. bij koningen en princen.… gravèn.. en baronnen.… tot bij den vòlken.… van dèn.. laagsten ràng..Ik zeg nù.… tòt u.… gij jòngen vriend! neemt dit.… koelen vòcht van Valura.. en laat hèt één oogènblik liggèn.. in den hoèken uws gebeentens, op dèn plek.. ùws pijns.. en gij zult nièts meer.… voelen. Dèn pijn.. zàl zijn.. verdwènen.… en nooit wèder.. kèèrèn.… Alzóó.… spuw nù uit.. mijn jeugdìgèn.… vriend.… het speeksel.. ùws monds.… Schaamt ù niet.… voor ùws.. gelijkèn.. èn uwèn mindèren.. Zòò juist.… Drink nù eens.… één slok.… vàn dit.… ijskoud heràldisch wàter.… dat is heraldischen spijzèn.… vàn oòrsprong. Egyptisch.… zòò juist!.… spoel daarmèden uit.… den ònreinhèden.… uws lichaams.… spoelt dàt.… àlles, dat meèleed aan uwen.… spieren.… en pezen.… gewrichten.… en gebeènten.… laat uwèn … mond verkoelen.… èn wèg.… wèg.… èènsklaps.… zijn àllen pijnèn!Spreektvriend.…spreekt.… hoe.… voelt gij.… u? Waar is ùw.… pijn?… Waar?… zoo éénsklaps verdwènèn?.… Sprèèk!.… sprèèk!.…Slungel, met uitgespoelden, smakkenden mond, stond beteuterd, keek sip rond, als zocht ie naar de pijn, verbluft … Angstig ’t eerst, greep ie naar de kaasjes op de straat, voelde in z’n zak naar z’n komkommers.—Welnu.… jeugdigèn vriend.. sprèèkt—bid ìk u.… spreekt tòt u.… gèlijken.… tòt uw naasten.… vriendèn en maagdèn.… en zèg hèn.. dat Jaack Ròzel Juni-òr.. woonachtig..[113]te Rottèrdam.. Wagestraat zes en zestìg.… uw eensklàps.. heeft genezèn.… van àllen pijnen.… àllen smarten.… àllen zinkens.… àllen rheumatismen.… waarmedèn.… uw aangèzicht.… bezwangèrd wàs.… Spréékt!… Hebt gij pijn? nù nog?—Nou f’vloekt.… nou hè’k puur main droai … dut is d’r tùg ’n meroàkel!.. ikke voel puur niks meer.. niks!..Verbaasd drukte ie z’n hand op z’n kies, om te voelen of ie ’r nog zat. Triomf vonkte er in oogendonker van zwarten Jood. Deftig z’n hoed lichtend van den kop, met ciergebaar, vèr groetend en buigend lichtelijk voor den kring, krijschte plots z’n stem, heftig:—Maaààrrrr!!.… nu zièt gij.… dat hèt wònder.. heeft plaats.. gègrepén.… Dezèn jeugdigèn vriend.… door mij àànschouwt.… begeeft zich tòt mij.… zoekend.… naar genèzing.… van dèn martelingèn.… des kiespijns.… Hij komt tòt mij.… uw allèr vriend.… met dèn hand.. aan dèn mond.. een gèzicht.… vertròkken vàn smart.. En ik.. naar gij zaagt.… geeft hèm.… eenìgen druppèllèn.… van mijn vocht … En éénen.… minuut.… staat hij hier.… hij drinkt vàn dit.… ijskoud heraldisch wàter.… en spoelt zich.… ònder … mijn toezicht.… En eensklaps … weg … is àllen … pijnen.… àllen koortsen.… Onthoudt nù.… geëerden menschen.… dàt hij èènen.… mìnuut.… voor hij.… hier kwaamt.… voòr mijnèn tafel.… nog hinkten.… nog jammerden en weènden.… van smàrten.…En spreekt nù.… weer jonggèlingg!… En zeg.… niets.. dàn dèn.. waàrheid.… àlleen en uitsluitend den wààrheid!..Moor-Jood keek doordringend den slungel aan, die maar knikte van ja, ja, verlegen, sip, met z’n kaasjes weer stevig onder de armen gekneld. Uit z’n twee logge jekkerzakken, onder z’n ellebogen, drongen hooger z’n geel-glanzende komkommerpunten. Komisch verbluft, draaide ie om de kruk rond, staarde ie òp naar den Jood, knikte en stamelde tegen de menschen, dat ie heelemaal niks meer voelde..—Debies, dutte is d’r puur ’n meroakel, riep Dirk Hassel[114]extatisch, spijtig dat ie geen pijn had, om ook ereis te probeeren of ’t echt was.—Nou.. die hep ’r ook ’n knikker, wees een, met ontzaggebaar naar ’t hoofd van den Jood.—Aa’s ’t gain mesièk is!.…—Mesiek! mesiek! onderbrak een giftig.… en je sien ’t puur veur je aige lampies.… die vent hep rekloàme neùdig!.. mô joù hebbe.—Tu tu tu.… sou d’r rais kaike.… mi’ de aêre hee!..Verblufte aanhangers had Jood al en woest werd ongeloovige twijfelaar naar achter geduwd, met voettrappen en elleboog-stooten. Er ging gestommel en geschreeuw; kerels en meiden bliezen van de hitte.. krijschten ruig en paf-moe: daa’s puur ’n stookie hier!.… wa’ hitte!.… Maar Jood lachte stil, deftig doorgebarend, hoed in de hand. Verbluft verstierven de stemmen uit den kring, rumoerloos in luister.—Al dichter kringde menschenprop om kwakzalver heen en verder af daverde ’t kargebonk, gehots en geratel, om z’n kruk.——En nu gij.. mijn vriend.. wat dèèrt u?..’n Woeste kerel, ruw uit verlegenheid strompelde vóór, met z’n pet in de hand, zweetharen over voorhoofd plat-verkruld, nattig glanzend. Wijd sperde ie z’n mond open, spoog ’n pruim voor de kruk, in klownig gebaar, dat ze schaterden in den kring. Z’n lippen, nog bruinend van pruimsap, smeerde ie woest af met handrug. Wild z’n hoofd achteruit, strammend den nek in, gaapte ie als ’n nijlpaard, zonder ’n woord te zeggen, z’n handen mèt pet, nù in z’n broekzakken saâm-gevuist.—Jood keek, streng, donker, met één hand nog lager achterhoofd van kerel den nek indrukkend.—Hoe heet gij.. vriend? wat dèèrt u?.. waar woònt gij?—Da’ flop niks!.. waa’k hiet hee?.. aa’s jai main d’r moàr vèn furt holp, hee?.… barstte de vent woest-lachend uit, main heule bek is t’met rot.… de heule femielje sit dur in te kniese hee? en nou ke’k dur nie eens main flees an toàfel vèn baite.… hee?..Schatergelach uit den kring barstte los om den brutalen[115]schooier, van wien ieder wist dat ie noòit vleesch zag.—Kerel, aangestooten door ’t lachen, lolde zenuwachtig-schel door, om zich van z’n eigen verlegenheid en benauwing af te helpen. Door de menschenprop joeg weer drift. Nauwer drongen kerels en meiden naar ’t tafeltje òp.—Brallend gekrijsch uit den troep gierde uit:—La’ jai je nie naime Piet!.… aa’s t’r pain is mo je.… f’rdomd,.… mo’ je ’t uitskraife.… aa’s ’n kerel!—Nou.… da’ kaa’n je op toetere!.… riep ie driftig, op en neer wippend z’n kaken, terwijl tandentrekker telkens een tangsnavel z’n mond induwde, scherp loerend den beweeglijken donkeren gaapmond in.—Ja vriend.… indièn gij.… ù niet rustig houdèn kùnt, gedurèndèn een kortèn poosèn zal ìk u.… moetèn opgèvèn.—Nou seg … hep gain loàrie … ik stoan t’met aa’s ’n poal! furt! furt nou.… debies!.…Wijder sperde tuindersknecht z’n mond en strenger, in tanggerammel, keek kwakzalver er in. Sierlijker en geaffekteerder wellustte z’n schorre stem hoogdravend gepraat uit.——Ja vriènd.… in dit gèval, bij dèn staat ùws monds.. zal één kies.… verwijdèrd.… moetèn worden.—Wil èvèn.. uw geëerden nek achtèruit dringen,… Zòò.. juist zòò!.… Ik zal u.. trekkèn geheel zonder pijnèn.… zoòals.. Jaack Ròzel altijd trekt.… zondèr.… schokkèn.… zonder stòòten.… zonder smartèn.… zondèr soufrànsèn.…Doodstil loerde de kijkkring op z’n handen. Achterstaanders rekten zich op teenen, om beter te kunnen zien. Kalm draaide de Jood van z’n verroest grimmig stelletje, beplast met water uit ’n glas, een grooter snaveltang los, rood van roest.—Even boog ie in, z’n lichaam, sperde met één hand den mond, drukte plots haastig, de tang in donker gaapgat vóór ’m, verplaatste andere hand in bliksemsnel beweeg, achter den nek van den kerel, die òpstaarde hemelwijdte in, met gespannen kop, woest-verwrongen, donker-harig.—In één draairuk trok Jood de kies er uit, terwijl de kerel nog z’n kop naar achter hield gekrampt, niet beseffend dat ie al geholpen was. Zonder den[116]patient tijd te gunnen tot spreken, zeide jood kort en suggereerend:—En nu.… drink! dit ijskoud heràldisch watèr.… vèrmengd.… met vocht.… van Valura.… En wèg is.. àllen pijn.… èènsklàps! En nu.… spréékt ook gij vriend!.… Hèbt gij wat gèvoeld?.… bij hèt trekkèn? Sprèèk?.… zeg slechts.… den vollèn wààrheid!Woest-harige kop, ook van dèzen patient stond gebluft naar den Jood op te staren. Niets, niets had ie gevoeld, geen sikkepit.Toen ie dacht dat ’t nog beginnen moest, was ie al klaar.…En nou stond de trekker daar voor ’m, met z’n eigen bebloede kies in de tang..—Gô sa’ main kroàke!.… daa’s puur ’n meroakel.… viel ie uit, in kringetjes bloedspuwend rond z’n beenen.… f’rduufeld.… hai jai sàin doàr te pakke hee?… Heerekristis waa’n kanjer hee?.… dut is dur puur ’n meroakel!—Spuug slèchts.. in dezèn bèkèr.… èn drink.. nog één slok … van Valura.… àlles gratiès.… Dit vocht.… dit ijskoud watèr.… het trekkèn!.… Houdt dit vocht.. éénen mìnuut in ùws mond.… op dén plek ùws pijns.… zonder.. te sprekèn.… zondèr.… ù te … bewègèn … laat koelen.… ùwes mond.… uws zenùwen.… uwen verhemèlten, uwèn spierèn, uwèn pezèn, uwén gebèèntèn.… en weg is uwèn smart.… weg uwèn lijdèn!.…Twee minuten lang oreerde de kwakzalver weer door, al deftiger, hoogdravender, voelend z’n stijgender invloed op ’t bokkige, eerst scheldende publiek. De woeste kerel, stond onder ’m, met opgeblazen wangen, ’t vocht speelsch rond te spoelen in z’n mond, doodstil in één houding, bestaard, met ontzag, door heel den kijkkring.——Spuug nù uit, vriend, èn spreek!.… tot ùw maagden.. en makkèrs.… spreekt.. en zèg.. niets dàn den.. wààrheid.. Spréékt.. Drink nog éénen keer.. vàn dit.… ijskoùd wàter.. En zeg dàn.… of gij pijn hèbt … Zeg dèn … vollèn wààrheid aan uws gelijkèn.… aan uwèn meerdèren.… en mindèren.. spreekt.. hebt gij pijn?.…[117]—Gain spier! f’rdomd.… of ’k mot ’t liege hee? Jeesekrim! meroakel.… daa’s òplucht!.…—Hai jai gain spier pain Piet? schreeuwde een.——Gain spier!—En hep ie je nie van mékoàr hoald?—Saa’k f’rbrande.… aa’s ’k wâ voelt hep hee? snó’f’rjenne moat.… daa’s de weg noà de haimel hoor!.… Jemikremi!Maar Jood bleef stil even van z’n hoogte loeren met z’n gitpupillen op Piet gestard, en toen juichend den kring rond, hoed in den hand, schorde en stootte z’n stem weer:—Gij àllen.. ziet hèt.… hooggè.. eerd pùbliek.… Ik ben gèèn.… leugènaar.. ik ben gèèn.… bedrièger.… ik ben.… gèèn.… galeiboef.… gèèn Chamberlain.. gèèn Rhodes!.… Hier vòòr u.… staat dèn.. èchtèn den èenigèn.. afstammèling van Profèsseur.… Jaack Ròzel.… Seni-òr.. woònachtig te Montabilie.… in zijn leven.. en strevèn.… op het rotsgebergte van Zuid-Amerika, alwààr hij.… de Sioux’s de Panie-ews!.. de Irokeèzèn, gràties hielp.… gèlijk ik.… dat ù doe.… Hier staat hij dan, in dèn.. levendèn lijven.. Gij ziet hèt.. gij hoort.. hèt.. gij rùikt het.. gij vernèèmt het.. gij beproèft het.… Hij gèneest.… ùwen maagden.… uwen vrièndèn.… uwèn kindèrèn.… Hij is.. den èenigèn.. Jaack Ròzel òp den ganschen wèèreld.. die hier komt om u.. te bewijzèn.. een weldààd.. Hij is.. tèr naam en tèr faam.… bèkend en spèciaal bè-vriend met àllen doktorèn.. professeùren, met àllen genèès-, hèèl-, verloskundigèn des heelen ààrdkloot.… En hij rèist den wèreld door mèt hèt vocht.… van Valura.… en den.… profesòren àchter hèm áán! En hij trekt.… gansch zondèr pijnen.… Hebt gij niet.… gèzien.. dat ik.… hier stàànden.… voor drie màànden.… twee lammen, van wien ik den krukken.… over dèn.… knieën, stuk bràk.… ter aarden.… wièrp,.… hen bèstreek … met hèt vocht.… van Valura.… èn zij.. van mijn tafél, weer loopènden vertrokken,.… rècht op!.… slank en elègant.… gelijk chiraffen.… En hebt gij niet-gezien.… dàt ik.… ùw vriend.… hiernèvens … trok-zòndèr … dàt één … spier vàn[118]zijn.… gèlaat vèrtrok.… en dàt hij.. nu zelf.. bèweert en bèvestigt gèèn pijn te hebbèn.… gèvoeld? Zoo genees ik lammèn.… blinddèn.… doovèn.… rheumatieken.… met mijnèn wonderdruppels.. mijn vocht.. van Valura … Nu zal ik nog dezen.… vriend helpen.… en dan zal ik vertrekkèn.. uit hoofden en onherroepelijk.. zonder àànziens des persònen, na te hebben.… aangebodèn.. laatsten vòòrraad.…Weer bedremmeld stond een derde kerel voor ’m, mond wijd open. Zacht beduidde hij den jongen, dat ie niet noodig had getrokken te worden. Ook hém liet ie spoelen met zijn Valura, en onderhands haalde ie flakons uit z’n tasch in vloeipapiertjes verpakt.—Weer aarzelde verbluffing rond, in den verhitten kijkprop van tuinderskerels en meiden, sjouwers en vrouwen, want weer stamelde de kerel, na twee minuten ’t vocht in z’n kies te hebben gezogen, dat ie geen pijn meer voelde.—Naar alle kanten werd ie getrokken en verbluft knikte, stamelde ie uit, nergens pijn meer te voelen.——Dat wondèr voor dén prijs.. van vijf èn twintig cènt!Geen woord kon Moor-Jood meer uitbrengen van vermoeienis. Het zweet drupte als stijfselkorrels vettig op z’n donker hoofd. Van drie kanten uit den kring, drongen lijven òp, grijp-armen vooruit, hoog naar ’t tafeltje. Meer niet. Gezicht van den Moor-Jood betrok, zenuwachtig, spijtig, alsof ’r ’n huil draaide rond z’n mond. Maar toch beheerschte ie zich, sprak ie weer met afgetobder, heescher geluid.Eindelijk, de geholpen kerels, waren weer den kring ingesjokkerd, schouerbonkend, getrokken en gesleurd, babbelden en schreeuwden ze met ondervragers mee. Wantrouwig landvolkje, beduusd en vergaapt, kwam in beweging. Weer had de Jood getoeterd, schel en hoornhoog den hemel in, spattend z’n klanken, schuimend tegen opsteigerend gewoel, en weer zwaaide ie z’n brandende toortsen tegen al donkerder luchtgoud. Er kwam beweging, woeling in den menschprop, uit elkaar brokkeling van broeierige kluiten. Telkens, slechts twee, drie tegelijk, drongen naar de kruk, met ’t kwartje klaar in de hoog gerekte hand. En drukker stalde ie z’n flakons uit, zalig-wachtend[119]op uitwerking van z’n wond’re woorden en proeven.—Sneller drongen de lijven en armen òp, dat ie nieuwe voorraad uit z’n tasch moest halen. Rapper z’n handen graaiden in den tasch-muil, z’n donkere kop lachte, tegen ’t licht in, burlesk, ironisch, onmerkbaar bijna.—Nu zòng z’n stem met klank van zalvende zekerheid:—Een iedèr.. dièn lijdt.… ’t zij aan zinkèns.. ’t zij aan koortsèn.… ’t zij aan wondèn, blindheid.. doòfheid.. làmheid.… ik help hèm.… ook zondèr gèl-den.…Trager trok kring om ’m los. Meer en méér handen grepen, naar z’n hooge tafel, dat ’n stapel kwartjes tusschen z’n tangen ophoopte.—Z’n oogen git-glanzigden, lachten, vonkten.—Eindelijk stopte ie. Zwaar gedaver en laatst gewoel dromde langs z’n tafel achter z’n kruk. Nou wou ie ook een ’n glas bier gaan drinken. Z’n keel brandde van rauwen krijsch en pijn. Eerbiedig weken de kerels voor den lang-mageren Moor-Jood, met z’n angst donkeren kop, z’n streng borenden blik, z’n kalmte. Even z’n schouders, in krommige lijn opgehaald, ging z’n lang lichaam tusschen de sjofele sjouwers en tuinders, z’n zwart-bleeke kop, prachtig beglansd in lichtwaas. Geheimzinnig in donkeren staar, schoof ie voort tusschen de botte kerels, zich-zelf voelend als ’n Cagliostro in zuidelijke gratie en suggestie.—In eindloozen koepel, blauw-bleek glanzend, rondgestold in ontzaglijken hemelkring boven havenbrok en polder, wuifden struisveerige wolken, zilverzij-licht, en ver, heel naar den horizon, tusschen violette neveling van spitsjes en daakjes, bouwde de lucht porceleinen torens van lichtwolken, slank, met fonkelende tinnen.Menschenprop was weggebrokkeld, nu kwakzalver bier dronk in rookige walmkroeg.—Daverend roezemoes ratelhotste in ’t zonnezinken als ging er hellevaart rond in Wiereland; begloeid en beglansd stedeke, met z’n hel-rood en zilver leigedak in vervloeienden goud-roes van eindloos polderruim.—Op en af de booten ging ’t weer in laatsten ploetersjouw en[120]afhitsende werkkoorts als hadden de kerels zich verzuimd met luistering naar den Jood.Woester stormden de kroegen leeg en vol.—Verhitte zuipdrift stramde de koppen, en zwaarder, paffender in ’t zomerbrio, doorregenden geuren en stanken de haven; verklonk in rommelende donkerte ’t lawaai der zwoegers tegen al stillere rood-verre oneindigheid van polder-avondlucht; hemelkoepel, doorzeild van laatsten klankenjubel en verren vogelenkweel, leeuwerikkenvlucht, donker verstippend de luchtzee door.—Sneller, àl lager sloeg de blink-glanzende gang van ’t licht over de haven, als kon de dag niet sterven dààr, vloedgolfde ’t over de kerels, roodgebrande tronies, nimbus van avondzon, gloedkoppen, verwaasd en verheiligd.—Dwars door den rauwrumoerenden gruwel van krijschende, furiënde sjacher en zwoeg, over pijpen, masten, zeilbrokken, pramen en sloepen, stroomde avondtooverige gloed, vreemd zilverrood, blond en telkens wisselend in gamma’s. Van de porceleinen wolk-torens, gloei-purperden de tinnen, vonkten hun gouden ommegangen.—Al lager de lichttoover doezelde over heete havenjoel, gedaver en gezwoeg; al wijêr glansde stralende purpering, verstillend de luchten, bedampend in wond’ren zonnemist, keien, sintels, en werkers. Paardkoppen droomden in stille, verglijdende glanzen en karren met aardbei en groen, doofden langzaam, bij stukken uit, in doffe zonloosheid.—Zonnedroom, die uitdoezelde, wegnevelde, in violet gedamp en paarse vlekken, schaduw-fantomen wierp aan walkant, goudteer vergloorde, tusschen rag touwwerk en masten.Over bootsrompen, en boegrondingen, waar kleurkopering van roeren en luikjes verbleekte; over heel het havengeraas, waar werkersopstand in drommen dooreen krioelde, starde al meer de vlam van den hitte-dag, de felle daverende blinkgang van licht, verdampend in wazige tonaliteit, in zilverige schemer-vegen en aarzelend blondrossig-goud.Tusschen het al donkerder kastanje-geboomte, waar de schemer ’t eerst in duisternis verweefde, keken de kerels onder ’t lommer nog òp tegen den kleurzang van zonnedag, die lang, heel lang,[121]tooverig begloeid, in polderhemel bleef nazingen z’n wond’re tinten. Menschen, paarden, honden en karren in opgepropte kronkel en warrel, onder ’t duisterende lommer kleurden nà, in de ver-affe roezemoes van ’t stervende licht.—Allen dáár, wriemelden dooréén in schemer-avondgoud.—Petten kleurden vaal, in al gamma’s; kielen, jassen, schorten, donkere sjouwers en tuinders-venters, boeren en kijkers, in één warreldrom, loom langs elkaar verkleurend en verkronkelend, als drasten ze voet-zwaar aan vastzuigende havenkeien, moeras van rottend groentenafval.—Dirk Hassel was met Klaas Grint, z’n zoon Jan, en Rink van den polder, tusschen ’n groep tuinders de kroeg ingeschoffeld.—Voor hun beenen buldogde ’n ton-buikige boer, met ’n korf kleine varkentjes onder z’n arm gekneld, waar hooilucht uitrotte, urineachtig-vuns. Krijschend en ronkend woelden de dieren, scheefhangend tegen de korfbiezen op, en telkens bonkte bullige boer, met z’n worstige handen, ’n driftstoot op de krijscherige diersnuiten.—Achter kroeggangers ratel-rolden, dwars door de woelende menschenmassa, groote gele tabaksvaten, door troepje kerels met trappen tusschen de karren en dieren voortgebonkerd naar ’t spoor.Dirk was blij dat ie eindelijk zat. Al twee maal van de haven naar de akkers geweest, extra-oplading, en nou zou ie ’t d’r eens lekkertjes van nemen. Hij grinnekte tegen z’n brandewijntje met suiker, dat op z’n schor-korten roep, dadelijk gebracht was. Om ’m krioelde ’t van klomp-klossende kerels, in stampigen gang op knarsenden zandgrond. Lekker en poeteloerig-duizelig snoof Dirk de jenever en bierlucht, zoetig en scherp, en stil tegen den muur ingedrukt, ’n pijp den mond ingebeten, sloeg ie, brandewijntje na brandewijntje klein, mummelde wat woorden uit, tegen groenboeren die naast ’m neersmakten, aemechtig hijgend van zwoeg.—Zwaar-laag dampte de kroegrook, nevelig, en rood misterig toen gasvlam bij ’t buffet en boven biljart àànplofte. Stil bleef Dirk zitten, roerloos in z’n hoekje, uitspuitend pruimsop en pijpnikotine in de spuwbakken, doodop, lekker duizelig, in de[122]wemeling van al meer aanstommelend landvolk en roezemoes van stemmen, achter hitterook uitkrauwelend, tot ie doorzopen, landerig en woedend, tegen tien uur naar huis waggelde.
[Inhoud]II.’t Was Vrijdagmarkt, tegen half vijf. Van enkele zijwegen en uit smalle, door zon verblakerde steegjes kwam áánrateling van karren; tuinders die hun waar vroeg opgeladen hadden. De havengrond bij brokken bekeid, lag vol koolstronken, aardbeirotte plasjes en groentenvuil. Eén brok weg, zwart, gruizig besinteld, rond rood-wit bemeniede lantaarns, frisch zomers opgekwast, lag bezaaid met kisten. De huizenkant van haven, met z’n gevel-trappige woningen van dominee, dokter en wat winkeliers, tot meer naar achter, waar ’n woelige oppropping van kroegen en pakhuizen samendrong,—koelden donker in zwaar uitgegroeid lommer van hooge kastanjeboomen, wonder-groene laan, ingeplant tusschen wal en stoepen. Het ruiten-licht van de oud-gevel-typische huizen in wazig-groene glanzingen, verschemerde ’r geheimzinnig ’n eigen bestaan; bestaan van diepe halfschaduwen, dwars door het aandroesemende lawaai en geraas van havengescharrel, geheim stil verwisselend achter zwaar lommer.—In ’t walletje kleurden achter elkaar, pas aangekomen booten, waarop dekknechten met oorverdoovende herrie kisten van ’n plank lieten glijen òp de steenen, langs de reeling, door ’n anderen kerel weer vèrder rondgeslingerd tusschen vuile stronken en groentenafval, sintel en kei.—Zoet-zwoele, tot stank verbroeide geur van aardbei vloeide wèg in vunzige lucht van duffe groenten. Heel de Haven zoog in, àl luchten en reuken, ademde weer uit, bedorven saamgebroeid zoet van aardbei, aardappels, sla en penen.[86]Telkens achter groene kroeg-gordijntjes spuiden de herbergen jeneverstank uit, scherpen prikkelgeur doòr den warrelenden damp en de stank-zwangere atmosfeer van verbroeid zonnig havenleven.—Geweldig in wijdheid, doorwolkt van onweersgedreig en half in zonnigheid weer, welfde de polderhemel met ’t weiland eronder, afgelijnd door spoordijk; ’n hemel niet te zien, maar ijl te voelen toch in verte en diepte ònder de àlmachtige luchtruimte. Groen-prachtig, in fel-grilligen zonneschijn, lichtte de lange dijk òp, waarover lawaai herriede van aamborstige lokomotieven, hijgend en puffend, heen en weer, als in zweetbenauwing, drentelend en geduwd voor- en achteruit.—Vastgehaakt en voortgebufferd in stooten en dreunige stampen, donkerden vrachtwagens dwars door den uitkoepelenden polderhemel.Onder kastanjelaan, vóór huizenkant van Haven, het doorrijpad van karren en paarden, kermisten zuurkraampjes en betentdoekte vischstalletjes met poonen en scharren, die walglijke stanken rondbroeiden in de hittesfeer van sjachering en half afgedreven zomermiddag-onweer.—Stijgender geratel en gerammel van karren en wagens, dooreen-klakkerende hoefslag van zwoegpaarden op keien, kwam dreunend òprumoeren uit steegjes en zijwegen, naàr en vàn de groentenvervoer-booten.Heel de aardbeistuip van ’t land, de koorts van wroet en pluk, pakte zich daar saâm, in één woesten drang van laden en lossen, één jagende scharrel onder de ventende afbeuling van ’t landvolk. Al tweemaal op één dag was er door de booten in den drukken broeihaal van aardbei nù, op de groote stad afgevaren; al tweemaal geladen en gelost. Om vier uur in den ochtend, de heele week, waren er zes groote vrachtbooten, tot hoog boven de verschansing opgestapeld, weggestoomd, met allerlei groentegewas, stikvol van aardbeien, aàrdbeien. Om twaalf uur ’s middags, léég, heelemaal uitgeput teruggeboegd, weer gevuld, alléén met aardbei en weer leeg naar huis gestevend. Alles had de groote stad opgeslokt, gretig en woest; en nu wéér werd ingeladen voor den marktdag.[87]De Haven lag gerammeid, begraven onder leege kisten met mandjes, en overal dreef rood sap, donker bloedend door ’t zwarte kolengruis, verkrinkeld in sporen en plasjes.—Dirk had z’n zware kar met voorzichtige zwenkingen tusschen stilstaande paardjes ingewerkt, zoo dicht mogelijk bij de boot, waar ie z’n goed op te laden had. Telkens schokkerde ie ’n eindje verder, meer naar den wal, tusschen de dooreengezwaaide kistenruzie en manden, tonnen en planken.Sterker kwam áánwemeling van groenboeren, vrouwen en kinderen, en oorverdoovend raasden de blaffen van karhonden, die daar woelden, rukten en huilden onder de donkere assen, jammerend tusschen hun bemodderden engen knel van spanriemen en treksels.—Vervuilde, langharige kerels, met dronken-lacherige tronies stonden in overhemd, àchter d’r poon- en scharrestalletjes, hun eigen waar op te eten, schor futloos roepend: fèrsche poone.. fersche skàrre.… In kringetjes rond en onder ’t tentdoek, lolden wat venters en tuinders, poonen etend en uitzuigend, met hun handen de visch losbrokkelend. In nek-achter-over-zwaai, kwakten ze zich telkens stukken vettig vleesch ’t mondgat in.—Zuigsmakkend en belekkend de goud-donkere poonvellen, plezierden ze, waggelend op de beenen. Stil stopte verkooper ze schar na poon in de handen, terwijl hij zelf smakkerend vrat, z’n mesje tusschen ’t scharrenvleesch peuterde, fijn reepje na reepje, achter de tanden vergoochelde.—Zon, uitgloeiend achter weggedreven onweergewolk, brandde weer fel op tentdoekjes, die lichtstreepten rood-geel, onder boomlaan door, de smoezelige linnen kleuringen, warm-dampig verzonnigend.In één uur tijd was de geweldige marktdrukte komen áándonderen in furiënd gescharrel en gesjouw, geraas, getier en roezemoezende stemmenbotsing. Paarden met karren, al méér, al méér, klakkerden en bonkerden onder de belommerde kastanjelaan, schurend langs de huisstoepen, zwenkend, tegen elkaar òp. Vrachtrijders verkrijschten: ho!.… ho!… hai!-daar!-geroep,[88]tusschen kerels, vrouwen en kinderen; tusschen ladende en lossende werkers, of dwars door rumoerige groepen, opgepropt òm groote groenteuitstalling van afslag, waar koopgierige schobbejakkige venters rond-kankaneerden in schor opbied-geschreeuw, als dronken duivels.Van zijstraatjes uit, dobberde zwaar-stootend gedrang van karren, de eene al hooger achter de andere òpbergend, met kisten- en zakkenlading.Tegen half zeven daagde van allen kant ’t landvolk òp, voortstuwend pyramiden van kleurdruipende groenten, als was aan akkerzij van Wiereland overstrooming losgebroken, de zee over de duinen heengegolfd. Als was daardoor ’n chaotische beroering, ’n opstand, dwars door paniekheen gescheurd; had zich ’n drom angstigen aanééngestoet, verschrompelde bemodderde kerels, reddend van hun zwaren ploeter àl wàt ’r op ’t land nog te halen viel. Eén wilde, woeste samenstrompeling van mannen, vrouwen, kinders, met kisten en manden en zenuwbevende handen, die meehielpen aansjouwen en wegduwen van kar naar boot.Aardbeigloei, rood-fel en purperdiep, brandde weer in zonnelaai. Honderden en duizenden bakken met de roode pracht-furie der vruchtjes gingen van hand tot hand op de booten, van de karren naar de dekplaatsen, en van alle kanten losten de wagens uit, stortten een groentezee neer, in branding van kleuren, aanklotsend tegen zonnegolven; tegen broklijven van schuiten, kerels, karren, paarden en honden, één woeste uitgolving, òpzieding van groen, groèn, van zeng-rood, vuur, donkerend purper en hel prachtig wortelen-oranje.—Hemel was blauw-diep weer uitgetinteld, tusschen zilverende wolktochten en in de koelender zilverglanzen van gloedroode, stillere zon, lag de kastanjelaan doorzeefd in wondren glansnevel, doorvlàmd en zonnemistig tegelijk. En de groenbemoste boomstammen, in flitsen grillig beserpentiend, kromden gevangen in gouden kronkels van glans-slangen.Dampig gezeef van goudschemer, gloedrood, vloeide over de bronzen en roode kielen der woelende kerels, werkersstoeten[89]in sfeer van gouden lichtdamp en roode toortsentooverij bewegend.—Midden in zonnetoover daverde ’t haventje van helsche donderbonkerende rumoering. Telkens ratelden van de zijwegen, uit smal-doffige broei-steegjes, nieuwe karren áán, waarachter angstig-verwrongen gezichten èven uithoekten, tusschen bakken en manden; monsterlijk gerammeide zweetkoppen, doodòp van zwoeg, benauwing en snikhitte.—Hun bakken overstroomden de markt, verzwolgen ’t licht. Uit àl andere weggetjes en spleetstraatjes, van rechts, van links, dwars, opzij, uit nog fel-bezonde achteraffe gaatjes en steegjes, flonkerend en dampend in verblindend schellen lichtgloei, bonkerden en schokkerden ààn, al meer paardwagens en handkarren, aardbeien en groentevrachten, rood en groen; felle uitbarstende gamma’s van purper naar papaver-vuùr, en al soorten smaragd, tusschen gelige goud-gloeiende kolen, al méér, al méér, als moest ’t haventje begraven, verzwolgen onder de bakken, manden, vrachten en vaten. Overal, de heete hartstocht van ’t gloeikleurig rood en oranje, de felle klater van ’t schelle en zingende groen, dook òp van alle zij, uit zon-overstorte zijweggetjes, blakerend, smal en vunzig verstoft in de Julihitte, met hun ordelooze wemeling van krijtwitte, bruine, fel-groene bekalkte geveltjes en rooddakig brio.—Overal doken òp, geweldig in drommen tusschen ’t kleurheete, zengende geveltjes-koloriet,—ònder de roodgoud doordampte boomenlaan uit,—al nader, àl nader, de wagens met hun lichtend groen en vruchtenpurper, tègen de hemelblauwing in; de huisjes al kleiner, verder wèg, de karren àl grooter en massaler, aanbonkerend op de Haven.Later nog, de kastanjeboomen zeefden in zonnemist en de kruinen stonden weer uitgegloeid als was ’t goud er tusschen vervloeid.—Hier en daar nog van boven schampte ’n flits, ’n gloeiende kronkel, ’n trillende spiraalglans; was lichtweb uitgescheurd en blijven hangen wat bevend spinsel van goud-gloed.—Links van de karren zwenkten de tuinders hun paardwagens àchter paaltjes áán, op stiller gedeelte, ’n end van d’r[90]boot af.—Stil, tusschen rumoering, suften de paardkoppen, de voorste vastgetouwd aan paaltjes. Maar ook dààr, heel gauw, dromde ’t stikvol, schoven al meer karren in, stonden de beesten met de lijven op elkaar ingedrongen, koppen, droefmelankoliek naar beneden, in zorgelijke bepeinzing over ’t oorlogend havenrumoer, geraas en gekrijsch. Te wachten, roerloos stonden de beesten, d’r half-leeggeladen karren kleure-jolend in zinkenden zonnedoop, kermisjubel van helblauw, groen, hard-geel, bruin en menie-roode beschildering. Zacht zwiepten de staarten, knokelden schimmel-blanke, goudbruine en donker-bronzen ruggen, gloed-laag beschenen. Van alle kanten manoeuvreerden, tusschen ’t geraas van weggeslingerde kisten, de karren zoo dicht mogelijk bij boot waarop geladen moest worden, voor vertrek van den volgenden ochtend. Hoog bestapeld, van achter tot voordek, krioelden de booten in rij vóór den wal. Geen plekje kon onbezet blijven. Dekknechten en kapteins sjouwden gelijkelijk mee met de tuinders, droegen de bakken met vruchten en groenten ààn, in zwaren zwoeg, over keiweg en loopplanken. Handiger dan de tuinders wrongen zij zich tusschen de kisten, mand- en zakvrachten door, opstapelend in zwaren smak van uitputting, de nieuwe vrachten. Dwars door elkaar, bouwden ze òp, monumentaal, dat de groentebakken vèr boven verschansing, als ’n kleurig fort van ruw hout, neergeblokt stonden. En overal bij spleetjes, gloeiflitste ’t vruchtenrood tusschen het monsterbouwsel van kisten, levend monument van vruchten, gesmoord tegen orànjebrand van wortelen en groen.—Op alle booten tegelijk, bleef de laatste stapeling aardbeibakken, langs heel den havenwal neergewolkt in vuur, en de gemeen-beschilderde kisten in ruig koloriet, dansten een kankan van helsche kleuren in ’t doorzonde, heete havenrumoer. Zwoele stanken drassigden in de lucht ’t zoet uit van de vruchtjes, zwoel-vochtig tusschen de groenten, die opeengebroeid, voozer verstonken. Over den drogen gloeiend-stoffigen sintelgrond verwàlmden geuren, dwarrelde rond, draaikolk van stanken, zoetige en ransige, kanteloeplucht en citroenen, sinaasappels[91]en bedorven uitwasemende poonen, scharren, zuur en eieren; gotenlucht tusschen ’t aardbeizoet, dòòrwaaid weer van kroegstank en spiritus. Alsof zieke reuzen ergens heeten stankadem uitbliezen over de Haven, zóó van alle zij wasemden de dingen hun luchten uit, vermengd en verbroeid in de hitte. En telkens gulpte van spoordijk, rook-roetige wolk-smoezel, in woeste vegen donker heendampend over ’t havengewoel, òver karren, vruchten en menschenoppropping, doorzond en verstoofd in kleuren en licht. Zóó, fel omklaterd en verbrand van kleuren, in de hartstochthitte der zwoegers, verdampten de geuren bevend licht bòven de karren, de mensch-koppen, kisten en manden dompelend in zichtbare sfeer, stralend-fijn van ijl stofgoud.—Sfeer van trillend licht, als neergestroomd uit reuzige zonnelantaarns, in banen van damp en warrel. En tusschen de menschkoppen en koopwaar, grillig-verspatte nog zonnevuur kleurfelle vlakken, gooide vlammig spel op bevende kaken, òp handen, in oogen. Telkens nieuwe kisten sjouwden dekknechten met tuinders áán, in hijg-zwoeg, dood-af gewerkt van den ganschen dag landwerk; telkens in hun gang gestuit, teruggestooten, weggeduwd en verkneld, door andere werkers met vrachten op nek, hoofd en schouders, ingebukt en woest in d’r moeheid, terugsjokkend van de loopplank, achter elkaar, met de doffe, of kleur-felle kisten op de schonken, wat ruzie-schor verschreeuwend tegen de kerels die opdrongen of worstelden om plaats. Dan hier, dan daar holden en kankaneerden de sjouwers op zij, vòòr paardkoppen of langs geweldige vrachtwagens, die tusschen hen indrongen. Overal was gestruikel, gestrompel; dof-klankten smakkingen, daverde gebonker van verslingerde kisten en manden, gloei-stroom van jachting, verkronkelend in dol-botsende drukte. De kleurige booten, achter elkaar langs den wal, sloegen ’n branding in ’t hart van ’t levende haventje. Eén vloed en eb deinde er van duizenden verlompte werkgangers die òp en af, dwars en tusschen elkaar’s groen-waar heensjouwden en reden.—Zoo golfde bij den wal ’t sterkst, woeste stroom en tegenstroom, zich vertakkend en[92]verbrokkelend in zijwegjes, weer aanspoelend in kleinere hurrie-golfjes van andere kanten. Drang tot afdoen vloeide samen op één punt, bij al de booten, drang en jacht, die angst-steigerend, al hooger àànstortte tegen ’t forthooge bouwsel, kleur-heet monument van bakken en manden; stroom die plots weer àfrazernijde naar kroegen, dat er spuiing kwam en luchtiger rammeling van karren tòt in de afgelegenste, koel-uitgezonde hoeken, bij pakhuizen naar polderkant.Langs de havenvaart, achter kastanjelaan, lag de kei- en sintelweg hooger met leege kisten bestapeld, teruggestrooide vracht van ’n boot, die al twee maal aardbei naar de groote stad had vervoerd. Nu ook van polderkant donderden en bonkerden paardkarren en ezelwagentjes ààn, met ’n geraas of ’r mijlen in ’t rond muren van glaswerk instortten, telkens één op den ander vergletscherend. Tusschen ’t lawaai van lossers en laders, gilden en joelden kinderen aan karkrukken, klauterend in stemmenschater over wagens, kisten, manden; hingen en wipten ze aan karhoeken, elkaar bejoedelend òprukkend of terugsmakkend. Beestig woelden ze rond, furiënd in de herrie, stremmend ’t gedrang en gesjouw, tot plots in woedevlaag van werkers, ze verjaagd werden naar andere hoeken. Maar ook daar woelden en klauterden ze weer als losgebroken apen uit dierentuin, òphitsend de honden die basten en jammerden gelijk schreiende gekken.—Als wegratelde, met kar en hond, één tuindersgroepje, stortten nieuwe wagens rumoer uit, was ’r in enkele minuten weer kargedrang en gestoot op-elkaar-in. Achter boomgroen, waar goud-rooden gloed dampte, en scheemrig de laan lommer-glansde, keken vreemd de geheim-stille ruiten, nù onder half bladerduister, in haven-zonnerood vertooverd; bij brokken weerkaatsend ’t belichte gewoel, worstelzwoeg van tuinders, die er vóór sprongen en holden, tierden en hotsten als gestrafte misdadigers, kankaneerend op heete platen, met hun verweerde tronies tusschen eigen walmende reukwaar in. Geen sterveling in ’t stroomrumoer, die stààn kon blijven. Van alle kanten stootten de vrachten òp, mannen, vrouwen, kinders,[93]vloekend, scheldend tegen elkaar in. Méér dragers balanceerden bakkenstapels boven ’t hoofd, waar ze in angst naar grepen, als ze zich teruggebonkt voelden, in den karren-kronkel. Minuten lang werden lijven geblokkeerd, ingesloten, door dwarrelgang van andere sjouwers vòòr de booten, en eindelijk haastig strompelde ’n troep vooruit, als er spuiing kwam aan den walkant. Snel warrelden ze dooréén, aanschuivend en verglibberend op stronken en groenteafval, met één voet soms tusschen ’n opening ingekneld, de andere op bakken en manden neergetrapt. Elk bloot keiplekje lag dadelijk dichtgesmakt, als ’n werker z’n voet wegtrok, opschoof of weer naar z’n kar terugdrong om nieuwe waar af te laden. Angstig geroep en gekrijsch van ho!.. ho!.. hai-je-hee!.… verklonk opjagend de werkgangers.—Kaik veur je!.… paa’s d’r-op-bout!.… hee doar je kop!—màin snuit ook nie!.… kruiste en spatte tegen elkaar òp, in rauwe ironie en spot. Bij de minuten nu, zwol áán de razernij, ’t gewoel, gedrom, gekrioel op havenengte, en wilder ging werkjacht onder de menschoppropping, de samengeknelde worstelende zwoegers, teelders van Wiereland, Duinkijk, Kerkervaart, Lemperweg, Lemper en van al de dorpjes rondom; moeë kerels, afgejakkerd door dàglangen landarbeid, met heeten wrevel in d’r lijven, tot laat in den avond opsjouwend naar marktwemel.—Van de kroegen uit, tierde, raasde, ziedde rumoer. Als dampige holen, volgerookt met smook-blauwigen nevel, donkerde daar roezemoes van zuipende kerels, uitspattende drinkers en pijprookers, klodderend en spuwend op zandgrond. Flikkering en lichtflitsjes gloei-speelden ijl over karaffen en glaasjes bij buffet, onderschepte vonkjes en glansjes van verdwaald rood en groen-goud licht. Van alle herbergen stonden de deuren wagenwijd open, en achter de boomenlom’ring uit, verdrongen de werkers elkaar rumoerend, om eerder in haastigen slok ’t brandvocht, droge, moeë keelen in te gieten.—Benauwend sloeg de stank van groenten, visch en aardbei de kroegen door. In woelige, opgedrukte kringetjes zaten groepjes[94]bijeen onder schor dronkenmanslawaai, en telkens schoot geschater uit, dat als jammerhuilen verklonk. Jovialig beklopten ze elkaar op de petten, schouers, of stond ’n troepje, bij ’n hoek opgedrongen, met de jeneverkelken in de hand, morsend en plassend over kleeren enpolsen, d’r groen-waar te versjacheren, klakkend in handslag.Vlak langs de huizen en stoepen schuurden de paardwagens, uitwijkend als ’t kon, voor groenteuitstallingen om boomstammen; ging rond, ’n gang van slenterende meiden en moeders met kinderwagens, zuigelingen, angstig verschrikt kermend en krijschend tusschen den jachtarbeid in. Telkens uit zijwegjes en onder boomlaan uit, doken de paardkoppen vlak tusschen de verweerde menschtronies in, joelde de havelooze kinderbent, onder paardenpooten, achter karwielen, vaten, zakken en bakken uitklauterend. En heviger, boven alles uit, furiede hondgeblaf, angstige huilgamma’s van verhongerde kreupel-getrokken beesten, dorstig, geranseld, in woeste razernij van klachten, òver heet werkersrumoer heen, met ’n ontroerend-menschelijken jammerhuil in d’r blaf, als verschreiden ze hun ellende, hun dorstgemartel in hitte; verklaagden ze elkaar hun slaag en driftschoppen van d’r bazen, waarvoor ze zwoegden, den heelen zomerdag door.Tusschen het ketsende paardgetrappel en kargeratel, door dwarsweggetjes uitgestort en neergeworpen in den woelstroom van ’t donderbonkerend marktgeraas, bleven de honden blàffen. Eén jammerkoncert van droeve klaagklanken, van nijdig gekef, van gekerm, gejank; schor en dreigend gebrul van door kinderen gesarde dieren, tegen de wielbanden getrapt, aan de spanriemen vermarteld, met steenen besmakt, dat de schrei-blaffende koppen verkrampten tegen de assen òp. En àl meer karren ratelden ààn, met span van drie en vier beesten vóór en ònder de wielen, die dadelijk meeblaften in oorscheurend geweld.Plots braakten twee hoekkroegen ’n stoet uit van krijsch-jolende kerels, in malle sprongen, hals-bloot, met slappe handjes naar elkaar toe kankaneerend. Dronken verzwollen koppen,[95]roode stropdoeken, losgescheurd op bloote borst, joolden ze èng en opgestooten onder paardkoppen door, waggelend tusschen kar-honden, die nijdig aanbasten, en in dol geterg, met hun woeste, kwijlige schuimbekken dreigden te happen. Voor de zuur- en vischstalletjes bleven de kerels staan, gretig grabbelend in de zon-bebronsde poonen, waarvan de vellen glansden als gloeiend ceramiek. En schor joegen ventersstemmen de kerels òp.—Fersche poòne.… mooie poòne? faine skarre!.… fersche skarre!Verhitte relletjeskring van arme tuindersventers, die onder elkaar wat bakken groenten hadden verkocht, niet op bootveiling en afslag hoefden te wachten, zongen rauw, in dronken joel:—Oooaaw.… waa’t ’n skà-ànde!..Hun vervuilde kleeren stonken en drank-asem walmden ze elkaar in de roode bakkesen.—Van rechts golfde ’n nieuwe zwoegstroom áán, die den lolkring terugdrong weer, in de smookige donkere kroegen, waar de zweetwasem verbroeide als zure vleeschstank, tusschen de scherpe prikkellucht van tabak en jenever.Oorverdoovender buiten, brulde, loeide, raasde en kermde de hondenbent onder de karren; duizenden woedende en schreiende dieren tusschen ’t menschgekrioel in.—Ze huilden als uit dwangbuizen losworstelende gekken, door brandangst, in ruimte zonder uitgangen, opgejaagd. Tegen elkaar in blaften de beesten onder assen, wielen of krukken, met bassende, dreigende, hakkende, schorre hoog klank-martelende razernij, onvermoeibaar in één krisis van kretensmart. En vonkwild, bloedbeloopen, gloeiden hun oogen zonder dat ’t landvolk omkeek naar de dieren, die ze verhongeren lieten, en versmoren van dorst.—Aan linkerkant van Haven, waar menschen, paarden, karren, ezels en honden in één oppropping, ’t sterkst dooreenkrioelden, daverde zwaaibreed ’t kistengesmak; keilden tuinders, manden en bakken rond, klonk rauw gekrijsch, barstten vloeken uit,[96]giftig en grof, in heete stemme-botsingen.—’n Politieman, tusschen geraas en gedrang, verkrompen tot mager angst-gestaltetje, keek rond, hand op de sabel, dan hier, dan daar geschouerbonkt, tegen z’n rug, getràpt tegen z’ beenen, z’n kop, geen raad wetend soms, waar zich te bergen.—Aldoor sprong ie opzij tusschen karrenknel en hondgedreig, maar dadelijk weer ver-bonkten ze’m naar andere plekken.—En overal om ’m, zwol ’t daverend marktgeraas, ontkraterde het heete onweer van zwoeg, de sjouwende kleurige opstand van marktkerels; deinde de zee van druischend woelgeweld, in d’r licht en kleur-golvend beweeg, geraakt nog door laten zonnebrand; in d’r klotsende schuiming overstroomend, vèr, al verder, de Haven, de booten, den polder, met daverend rhytmus van treinengang, dreunend in den lagen, snikheeten zonneval.—Tusschen het geraas en de blaffurie klonk als ’n demonische hooge stemmenspot, plots bel van den afslag, uitrammelend z’n schellen schater boven de kleurig-opgepropte menschenmassa. Daad’lijk trok ’n bronskleerige tuindersstoet met straat-groente-venters, zonder eigen grond, rond den afslager, die bengelen bleef; tusschen de helle klank-strooiing dóórkrijschend, dat nieuwe omgang van afslag beginnen zou. ’n Helper riep naast den verkooper, met twee handen aan den mond als toeter gebogen, heftig dat ’t bloed ’m naar de wangen schroeide, ’t zweet glimmig van z’n slapen druppelde, den druischdonderenden warrel van ’t marktgeraas pogend te overschreeuwen. De schelle klankenrammel bleef luiend lawaaien en daaràchter de schor-verkrijschte afslagers-stem, onverstaanbare radde handelstermen uitbrabbelend. Op ’n hooge stapeling van kisten stond ie naast z’n helper, en rond ’m, de stom toekijkende beweeglooze, ingedrukte klomp brons-kleerige tuinders, loerend naar de uitgestalde groentewaar, den geweldigen kring van sla, groen-doorzond, als smagarden kwallen, geplooid en bekerfd; douwig-doffe doppers, platte peulen, rhabarberbossen, rooiig-groen, en korrelig blanke boeketjes bloemkool, op stapels dooreengesjouwd, in kisten en bakken. Eindelijk stopte afslager, satanischen klankstrot van bel dicht, kringden de koopers[97]nauwer op en achter elkaar. Kleine baasjes-pachtertjes stonden in den koopkrans gedrongen, met d’r sluwe kaal-geschoren tronies, loenscherig berekenend in klankloos lipbeweeg, wat ze voor de waar geven konden. Anderen, in gedachten, staarden als gekataleptizeerden naar de nu stille bel op kistenhoogte, die flonkerde bronzerig in zongloed, tusschen ’t groen. Lager gloei-glansde zon rond de kijkkoppen, rood-gouden toover sprankelend op tronies-brokken, de kerels vervlammend in toortsigen brand van d’r pracht-bronzende kleeren. Demonisch vlàmde er gloed, inbijtend op den kring, hier fel-licht verblindend op wit gekiel, daar goud-wolkerig verzevend op fronskoppen, bronzen ooren en handen, kleurige kielen en schonken.—Venters die Wiereland doorsjacherden met wat groenteafval in hun verrotte schrompeling van kleeren, beloerden elkaar woest-nijdig, vooruit al bang, dat een den ander zou opjagen. Onstuimiger drong de stoet bijéén, scharrelkring van schorre kerels, in naakten drang elkaar met oogentaal vermoordend van afgunst. Snel, in woordratel van z’n kisthoogen stapel àf, had afslager z’n waren geprijsd.——Veur tachtig de duuzend,.… veur dertig.… die.… veur vaiftig die.…—Main.… gilde één uit den kring, angst-ontzet als zouden ze ’m slaan.Daar weerklankte helsche stemmestrot, van bel tingelingelinge! lingg!.… tin.… gelinge.… lingg-ling! ling! schel neerziedend in verdoovende vaart, in ’t rondomme geraas van karren, honden en menschen. Achter den afslager en kijkkring, was weer ’n ontzaglijke, aaneengekettingde rij aardbeikarren aangerateld, helrood tusschen de losgestapelde peenbossen. Als ’n geweldig fantomige opstand van plukkers en rooiers, was er ’n nieuwe stroom reuzige werkers en sjouwers uit den stationskant aangedrongen, dwars door de paardjes en ezeltjes, in ’n davering van ho!.. ho!.. hei daàr!!’s. Opstanding van titanische plukkers uit ’n heel anderen landhoek, tegen de paarden ingaand, die verhit, in pracht van trek-gang, trappelden en vernielden wat onder den hoef kwam.—[98]Rond handen en lijven, rond oogen van dieren en menschen bleef razen een heet gewoel, een druisch-hevige energie van demonische jacht, één krioelende gang van leven, tusschen boomen, tenten, stalletjes indringend en weer uitgulpend met overstroomenden golfslag van rondfuriënden ploeter.Pal in den zinkenden zonnedamp, làger verglanzend in sfeer van goudrooden brand, doken de woeste zwoegkoppen òp, uit al meer verdonkerd boomlommer. Dààr, onder ’t verduisterd bladergroen sjacherden de kerels, met d’r tronies in geheim-fijnen schemer van half-licht, groen-goud en bleekblond omzeefd, soms plots uitgesmakt naar walkant, in ’t roodgoud gewolk, tot de voeten begloeid in fanatieken worstel van glansen.—Van alle kanten in de avondzon, duwden ze òp de kerels, pracht-gespannen de spieren van stuw, al mèèr groenten, heele steden overrompelend met hun monumentale warenmassa. Inééngedrongen dààr, op karren bij elkaar, geplukt en gerooid, lag de éérst mijlen verspreide zwoeg van hun land, om straks te zien verdwijnen hun waar, hun voedsel en zoete spijs, als offerden ze, in angstige, stomme biecht van arbeid, aan den donkeren grom-muil van groote geweldige stad, verslindende metropool, die maar slikte, slikte, elken dag meer van wat er brandend en zweetend uit hùn gloeihanden zich opstapelen kwam.—Van heinde en ver trokken ze op, van de stilste afgelegenste akkerhoekjes, waar eerst hun waar in zonnebrand had te gloeien gestaan. Van heinde en ver de kerelsstoeten trokken òp in orgieënden zwoeg, omjoeld van laat hemellicht, dat schaduwde en zacht vervlamde in beev’rige, goud-roode vegen, aarzelend purper en nevelig hitte-brio, verdonkerd onder lommerlaan in zeegroenige zweefglanzen. De kerelsstoeten er in, tusschen hun nog half levend goed, met den sappenden streng uit den grond gerukt, in den zwijmel van landgeur, den frisschen zwelg van aarde-lucht, verbrandend, verstovend in de havenstanken. Kerels-stoeten als ’n leger van werkers, met hun kleurfelle, gloei-dronken schitter-spijzen van overal, worstelend en optrekkend[99]naar den grooten verren donder der stad, toestoppend den grommenden lekkenden reuzigen muil van het zwelgend, vraat-dolle, hongerige massa-monster, waar zij nu voor saamstroomden, met hun lèvende waar, doorzogen van hùn zweet; kerelsstoeten, onbewust van hun demonischen aanvoer, hun luidruchtige geweldigheid, en heet-koortsend kleurenbrio, hoorend in ’t kraterend marktgeraas, echo van den ontzettenden honger-grom van stads-strot.—Al maar, achter de kastanjelaan uit, van steegjes en weegjes, doken de karren òp, nu drukker in bedrijvig gedrang bij den molenkant van station. Ze waggelden de wagens, zwanger van hun vrachten, ratelden, hotsten heviger, alle door ’n blondroode baan van licht heenwadend, doortrilden gouddamp, die àchter hun koppen, hun waar, bleef hangen als ’n bevende nevel, laat zonnevuur waaruit ontzag’lijk, reuzige menschen groeiden. Eindelijk, hun lijven en karren, dromden buiten de lichtbaan, die zich achter hun koppen weer sloot als ’n wolkerig wonder van goud-roode glansen.… Al lager sloeg ’t zonnevuur de haven in tooverroes van kleur-vlammige schijnsels, als gebroken licht-vitrails, in scherven en brokken rondgestrooid over keien, sintelgrond, karren en vruchten, hout en steen; vlammige brandingen van ’n Juli-avond, waarin ’t marktgedruisch ziedde, kookte, in helle-sfeer van broeiing.—De booten stonden al hooger opgestapeld, achter en òm de donkere pijpen en koelkast, bòven machinekamer. Gedraaf, hijgend òp en af de plankieren daverde en krioelde langs den wal. Te zinken dreigden de schepen van overvolle angstig-dicht opgepakte vracht. Burchten van ruw hout, in al woester koloriet, waar de late zon op neerlekte lichtvlammen. ’t Hoogst, bòven de bakkleuren uit, roest-rood, brons, groen, hel-blauw, goud-geel, bleven de aardbeien gloeien in hun ijl-zang van hel inkarnaat, purperend zonnegoud òpzuigend; de bakken volgedaverd van lichtende vruchtjes.—Daartusschen pyramidaalden bergen doppers, selderie, sla, postelein, wortelen, tuinboonen, bergen groen en oranje.—De bloemkoolen schaars aangevoerd van polder, stonken tegen de aardbei-zwoelte in,[100]en telkens, uit den kroeg-smokigen mist, doken kerels òp, doodaf, in zweetvet verglommen, den heeten asem van hun drank in sjacher verhijgend over hun vruchten.Midden in het oorsuizend donder-dof gesmak van bakken, in jagender tempo, stond plots ’n Jood, moorsch-zwart, op ’n kruk, voor ’n hoog standaard-tafeltje, waarop wat vuile tangen met kromme snavels, dooréén lagen; grimmig roodroestig gereedschap als martelwerktuigen van middeleeuwschen kerker.—Midden tusschen ’t gekrioel en den furiënden aanstroom van lossing en lading, was de Jood tweemaal tusschen karren en boot doorgedrongen, maar weer teruggesmakt van z’n standplaats. Eindelijk had ie z’n tafeltje bij ’n wat uitgedaverd walhoekje vastgemoerd, was ie spraakloos in de giftige woeling rondom, blijven staan. Vòòr ’m dromden handkarren, volgestort met felgele komkommers, goud-glanzend, bij punten gepolijst, en telkens daverden kerels met groentebakken voorbij, die licht rondsloegen tusschen ’t overal wolkende aardbeirood.Moorsch-zwarte Jood, met vonk-donkere oogen, stond hoog en rustig eindelijk op z’n smalle kruk, boven z’n tafeltje uit. Onder z’n tasch, tusschen de tangen, greep ie naar ’n trompet, tamboer-gebarig voor z’n mond drukkend. Valsch geschal toeterde en stootte ie uit, ééntonig als bazuindreun op grooten verzoendag in synagogen, kreten van vermoeienis en uitputting verjammerend.—Telkens bonkten, in ruwen daver kisten en manden tegen z’n kruk op, dat ie waggelde, zich vastgreep aan z’n vastgesnoerd tafeltje. Maar onvermoeid, toeterde ie door, energisch fel klankgescheur, dat de karhonden rondom nog ellendiger uitraasden, grienden en blaften, en telkens stortte ie ’n heet stjing! stjing! van bekkenslag er tusschen in.—Achter den Jood, op z’n kruk, koepelde ’t geweldig polderluchtruim, doorgloeid van glansen, waartegen donkerhoog z’n gestalte oproer herautte, in ’t rondomme gebarrikadeer van manden, kisten en karren. Donker vonkten z’n oogen, en strak, taai-energisch, bleef ie toeteren en heete tjings van bekkenslagen[101]afpauken in ’t geraas. Hem voorbij, in nijdige onverschilligheid, donderde ’t gewoel en gedraaf, gebroei en geschroei der zweetzwoegende kerels. Geweldige lasten voortzwoegende paarden zwenkten schurend langs z’n hoog standaardtafeltje. Ezeltjes huilbalkten achter z’n rug, en in loomen luister naar z’n getoeter en getjing-sjing stonden paardkoppen rondom, vlak tusschen het tuinders-gewoel, met heftigen tril van hun oortjes.—Wèg bleef ’t luistervolk, nog gebukt in sjouw, en sterker toeterden en dreunden de moorjood trompetscheuren, heet als schuimflitsen van golflicht, hooggoud en brandend rood, òver ’t woeste hurrie-rondkolkend marktgetier.—Eindelijk wat jongens en kerels, gedaan met sjouw, bleven hangerig en landerig staan voor z’n tafel, lacherig of in stompen staar bot òpkijkend naar den trompettenden Jood.—Grinnekend scholden ze ’m uit, krijschte een roomsch-nijdige kop, fel-spottend en dik-tongig.—Enne.… ààpramm.… gewòn Isaak!… enne Issaakh!.. gewon Sjàkop enne.… Sjàkop ’r.. gewon.. heè! rot-smaus, appie!.… d’ur is d’r ’n goàtje in je trepetter!—Maar Jood bleef star-kalm in z’n donkere figuring op de kruk, z’n vonk-zwarte oogen, hevig suggereerend in z’n hoofd. Stil had ie op z’n tafeltje de trompet en tsjing neergelegd, groote toortsen papier gerold en in brand gestoken, dat ze rookvlamden in z’n handen. Zachte kringen van vlammenlicht, zwierden hoog om z’n zwart hoofd, donkerend tegen den laag-stralenden zonschijn in. Walm-rook dampte blauwige mist rond z’n hoog-staand lijf, dat reuzigde tegen de polderlucht. Telkens als toortsen bijna uitgebrand waren, rolde ie met linkerhand nieuwe, zwaaide ze in kringen, dan één, dan twee, geheimzinnig om z’n gelaat; stak weer andere áán, wierp wèg de uitgebrande.—Nu en dan bazuinde ie tusschen het smokige, roetige gloed-rood gewalm, in den mist van z’n mysterieuze goochelsfeer trompetklanken uit, dat angstiger, burlesker, z’n omdampt-moorsche kop scheen te zwellen tegen ’t hemel-rood in.—De jongens schaterden om mallen Jood, maar kerels nu bleven[102]lijzerig staan kijken, bot, den mond van loome verbazing opengegaapt.—Dirk was uit de kroeg, op ’t walmgerook toegesprongen in den kring, verbluft òpstarend naar den kwakzalver, als zag ie ’n wonder uit den hemel tusschen ’t havengewoel neergestort.Onder de kastanjelaan woelde marktgescharrel, ’t drukst nu, rond de kleine tentjes en groenteuitstallingen.—De groote huisramen gloeiden rood in ’t zonnezinken, vreemd flonkerend, fel in gouden mist, onder den zwoel-duisteren bladerenschemer uit, rooden gloed, die diep, dièp, ’t marktkrioelen in bloedende gamma’s òverleefde, àchter de trillende boomschaduwen. In den geheimvol verwaasden ruitenbrand, mysterische vensterstaar, onder ’t scheemrige perspectief van havenlaan, stak zonnezink telkens andere ruiten ààn, die vlamden in lichter en donkerder gloei, tusschen het lommerig duistergroen dóór. Daar onder, en vòòr, joeg wilder gedrang en gedraaf òp en neer van kerels en vrouwen, in gekrijsch, geslikkerbik en ruwen klinkklank, òm de poonen- en stinkende scharstalletjes. Meisjesgegil joolde, tuinders lolden, dronken, in woesten stoei. En dwars door den brandgloed van ruiten, titaanden ze òp, naar ’t vlammegekring en getoeter van den Jood, met z’n makaber trompetgekrijsch en rossig-rookige toortskringen. Onder ’n oppropping van goud-gele, bronzen en bruine tentwagens, vóór kroegen en huizen uitgespannen, wiel- en rug-beflitst, holde ’t landvolk naar den trompetter, in gejaagder tempo.—Nieuwsgierig, verhit en afgebeuld, trok ènger en meer rijend achter elkaar, ’n kijkkring om den Jood. Telkens kwam karrendrom dwars door achterste loerders heendringen, in gesnauw, gevloek, geraas, verbrokkelend den stoet, maar aldoor vulden de gaten, propte zich voller de kijkkring.—Jood had goed rondgekeken, sluwigjes zich neergezet op plek waar de booten ’t hoogstmurend al volgestapeld stonden, de sjouw aan ’t afloopen was. ’n Tuinder had ’m gezeid dat ie doodgegooid zou worden met bakken en manden, als ie eerder begon. En stil, taai-rustig had ie gewacht, rondloerend met den heeten gitglans van z’n oogen, berekenend wanneer ie z’n slag moest slaan.[103]Grooter werd koppengedrang om ’m heen, en telkens nog scheurde ie trompetgalmen de lucht in, tusschen het marktgewoel, dat soms plots woester langs ’m raasde en tierde; ontstak ie rustiger, z’n groote grauw-papieren toortsen, vlam-kringen boven z’n hoofd zwierend, als derwisch in godsdienstextaze, vreemd-woest in z’n moorsche, dreigend-suggestieve donkerheid. Nu en dan galmde ie wat woorden uit, die wègkreunden in ’t helle-geraas. In aandacht gespannen, verkuchten de kerels papierstank, brandlucht en rook; stonden ze op elkaar gewurmd en verdeukt van lijf, als menschenpròp vastgeslibd, saâmgeklonterd in de woelende aderen van dóórstroomend marktlawaai.Eindelijk had Jood genoeg van z’n toortsen en toetering, lei ie z’n trompet neer, verschoof ie z’n papier, rammelend tusschen z’n trektangen en groote zwart-verlakte tasch. Stil-donker stond z’n lijf, hóóg op de kruk tegen ’t late zonlicht in, rug-beglansd, en schouers èven geveegd van goud-rooden glans.—Stil-donker, verduisterde z’n gezicht al meer. Z’n zwàrte flambard, breed model, dofte op z’n zwàrten kop, even boven z’n zwàrt-moorsche brauwen, als met kool-stift in z’n rimpel-hard voorhoofd geëtst. En z’n oogen, diep vergroefd in zwarte wallen, gloeiden vonkig, fosforig tegen ’t licht, als van ’n hond. Z’n snor, zwàrt en breed uitgekruld, en z’n baard, koolzwàrt, verdonkerd, vrat weg z’n smal geel-bleek gezicht, dat alléén oog en háár leek.Sultan-achtig, èven ingebogen met rug en schouers, verdraaide ie hoofdsche gebaren, gratieus overdreven, met potsierlijk eigen-waarde-gevoel van hoffelijk markt-kunstenaar. Zwaar kuchte ie, èven beleefdelijk hand voor den mond, zette eindelijk in.—Als hèt.… hooggewaardèèrdèn.… pùbliek.… eens èènèn.… oogènblik.… nààr mij.… luistèrèn wil.… zou ik mij.… bèkend willèn.… makèn.…—Elk woord stootte ie uit, in breede sperring van den mond, optrekking van wang en lip, dat z’n prachttanden, hagelwit, òpblankten tusschen z’n donkeren snorbaard. Door vreemd-trillenden òphaal van z’n mond onder ’t spreken, leek ’t of ie[104]bij elk woord dat ie uitstootte, duivelsch grinnikte, in samenfrons van roet-zwarte brauwen, boven satanisch-gele groeven van z’n voorkop.—Z’n stem klonk schor-vermoeid, als van iemand die walgt van eigen praat. Smart lag er in, schorre, angstige, stil weenende misère. Soms onder ’t stoot-fel spreken, verdofte de vonk uit z’n oogen, stààrde ie over de luister-koppen, kwam er lusteloosheid in het donkere rumoer van z’n anders felle kijkers. En dóór bleef iets weenen in z’n schorre, àffe stem. Geen van de drieste, in zweet afgebeulde werkers, in de havenhitte, broeiig opééngepropt als groote verbaasde kinderen, loerend, loerend,—die iets merkte van Jood’s vermoeienis. Z’n handgebaren gingen mee, moè, afgetobd, met z’n stem, elk woord afhakkend, om duidelijk te zijn, verstaan te worden, vreemd-zangerigen, verkeerden klemtoon-druk op èlk woord neerdreunend.—Boertjes, tuinders en meiden stonden te dringen, te zweeten, te blazen in de hitte, maar al meer landvolk propte zich dichter, vaster om z’n tafeltje, gevangen door z’n schijn-gratie, z’n zeg-vuur en opgewektheid.Van alle kanten begluurden ze den Jood, klaar om ’m te steenigen als ie hen bedroog. ’n Paar jochies zwierden òver koppenkring heen, palraak, hem vuile groentenstronken in ’t gezicht, en kinders gilden plots, boven ’t marktgeroes uit: smaus! dief!.… rotte joòd!Even keek ie naar de kereltjes, gooide de koolstronken, die smoezelig op z’n tafel neervlerkten, achter z’n kruk, lachte stil, ironisch-droevig.—Plots lichtte ie z’n grooten donkeren hoed, beleefd van zwartkrulligen kop, groette in tooneelbreed gebaar, schreeuwde uit, woord-afstootend in zangrigen dreun vervolgend.—Hooggè.… wààrdeerd pùbliek.. Ik heb.… den bijzonderèn èèren mij-zelffers ààn Uw.… voor tè stellèn.… Ik ben.… tandhéélkundigèn … mijn naam is … Jaack Ròzel … woonàchtig.… sedèrt.… drie-en veertig jàren.… te Rottèrdam.… nùummééroo zès-en-zèstig.… alwàar ik.… prakkiseer.… sedert veertig.… jarèn.—Ik ben.… dèn zoon[105]van dèn.… èx-èx-professor.… te Montabilie, gènaamd.… Jaack Ròzel, seni-or.… waarvàn ik.… den eer heb.… den èchten, den eenigèn afstammèlingg.… tè-zijn.… Ik represènteer.. zijnen.… nagedàchtenis.… en verkondig den volken.. zijn sàluut!Even rustte z’n stem, doodop, als stervend in z’n schorre keel. Rond z’n luisterkring lawaaide herriestroom van karren, kisten, kerels, gierden honden.—’n Paar boeren met goudrooiige kaasjes op grooten wagen, duwden tegen den kring in, schreeuwend en roepend, òp van inspannenden sjouw. Gevloek en getier sloeg terug, over kerels en meiden heen, opzij gedrongen uit kijkkring. Duw-kerels raasden en spogen naar den Jood, die deed alsof ie niet hoorde. Even zacht, sloot ie de oogen, mijmerend in zichzelf. Plots sperde z’n mond weer, ging uitgekrulde zwarte knevel in lippendans heen en weer, op den burlesken donkeren kop; stootten z’n woorden weer in zangdreun, met den angstig-schorren klank-moeën stemmebeef:—Mijn bèroep, geàcht pùbliek is te zijn tandheelkùndigèn.. Ik.… genees.… àllen tant-, àllen mond-, àllen kies-, àllen keel-, àllen verhemelten-, àllen reumatièken pijnen.… Ik.. gènees àllen zinkes.… àllen koòrtsèn, àllen aandoèningèn.… en … stòringèn.… gèlijk gij dat.… ondèrvindt.… van profèssèuren.… gèlijk gij mààr.… wilt.… luistèrèn!—Plots daalde z’n stem tot zacht-vibreerend gespreek, doordringend, duidelijk te verstaan toch, in den doodstillen kring, waarachter de markt raasde, tierde, smakte en donderde, àl verder, met heet geluid van duizenden mokerslagen op aambeeldstaal.——Noemt mìj.… éénen.… leugènààr.… noemt mìj.… éénen.… bedrièger.… éénen galèiboef.… indien ik.… ù niet … den geëèrden argumènten … toon … Maaààrrrr!!.… stootte in één, ùit de zacht-vibreerende spreektoon z’n stem plots hevig òp,—àllen profèssèuren.… àllen doktòren.… àllen tandheelkundigen, àllen verlòs-, àllen heèl-, àllen gèneeskundigen.… kènnen.… Jaack Ròzel, Jaack Ròzel, den éénigen.… en èchten.… afstammèlingg vàn.… Profèsseur.…[106]Jaack Ròzel.… Senì-or.… zijnèn vàder.. te Montabilie.… begràven.… mèt mùziek.… en militairen eèren.. Allen kennèn.… Jaack Ròzel.… Juni-or!.… wien ik.… dèn eèren heb.… hièr tè zijn.… Voor wièn ik.… Hedèn.. mijn beproèvingen.… zal amploi-jèèren!.…In kring van luisteraars en loenschige kijkers, bot en verbaasd òpstarend naar den kwakzalver, was groote stilte-spanning gezakt. En achter den aangroeienden menschprop, in kring vastzuigend een aan den ander, zwol het hondengeraas als hellegekerm; ratelden en hotsten de karren, rauwden in krijsch en hurrie kroeggangers en sjouwers. Vreemd in bleeker goud, stonden huisruiten achter boomlommer uitgebrànd. Er vòòr krioelden nog tentwagens, karren, paarden, ezeltjes, vrouwen en kinders, scharrelaars met kippenmanden en lichtbekleurde vogelenkooitjes. Aardbeizoet bleef zwoelen, overal rond. Telkens uit de kroegen doken koppen òp, onder ’t lommergroen uit,—waar ’t nu dampte van stanken en broeinevel—opdringend in woesten stoei naar den Jood.—In strammen staar bleef kring om ’m heengepropt, loerig wachtend op z’n proeven, maar voortschorde, scherp, droog, z’n stem, gemarteld van moeheid.——Ik.… Jaack Ròzel, woonàchtig te Rottèrdam, gènees U.… van àllen pijnèn, àllen wervèl-, àllen gezichtspijnèn, van kràmpèn.… zoòwel àls van kolièkèn.… van klièrèen.… zoòwel.. als.. vàn verzwèeringèn.… van spierpijnèn, van pèèspijnèn, van likdoòrnpijnen.… van gezwelpijnen, zòòwel als van abscespijnèn.… En ziet toe!.. Hooggèwààrdeerd.. pùbliek.… zièt toe!.. Ik gènees allès met hèt.… kostbàren vocht vàn.… Valura.… in dezèn fleschjès.. saamgèperst.—In groote omzichtigheid tastte ie met één hand in z’n tasch, haalde er flakons, in vloeipapier uit. Hoffelijk buigend weer voor z’n gehoor, ironietrek verborgen om z’n breeën donkeren mond, nam ie gratielijk z’n hoed af, stootte schor-rauw uit:—Mijn gè-acht.. en hoog-gè.. waàrdeerd.… pùbliek.… met dit.… vocht.… van Valura.… geneès ik.… wondèren!.… Met dit vocht.… hebikreeds.. genèzen.… dèn[107]kòning van Itali-en.… dèn koningin van Spanje.… dèn oud-kroonprins van Groenland.… den princes van Montàbilie.… den èrfgraaf van Havana.… dèn rèsident van Djòkjo.. kàrta.… dèn dekens.. èn dèn.… bisschoppen van Ròmana.. Mèt dit.… duurzàmen.… vocht.… mijnèn.… geëerden hoordèrs.… verricht ik.… geneesingen.… dien gèèn.… doktèr.… gèèn tàndheelkùndigen, gèèn chirùrgein.… gèèn àrts.… gèèn profèsseur, gèèn spiritist,gèènhypnotiseur, gèèn fàkir, gèèn Bedouien, gèèn Arabier, gèèn Israelièt.… gèèn Christèn.… gèèn Moor, gèèn Zweed, gèèn Spanjool, gèèn Fransch-, gèèn Duitsch-, gèèn Engelschmàn mijn kunnèn.… na-verrichten!.… Maaààrrrr!.… mijnèn vrienden.… Eenigèn.… druppèls, van dit.… duurzàmen vòcht.… in dèn mond.… eenigen roersèlen in dèn gehemèlten gehoudèn.… daarnà hèt vocht.… uitgespògen.… dèn mond.… nagèspoeld met koud water.… èn wèg.… èènsklaps zijn àllen pijnen, àllen koortsen, àllen zinkèns.… Maaààrrrr! aanstonds mijnen heèren!.. en mijnèn damès.… aanstònds.. zàl ik.. onder.. uwèn.… geëerden.… aanwezigheid.… dien er.… mààr wil.… den proef laten nèmen.… Ik bèn.… Jaack Ròzel.… Juni-or.… woonàchtig te Rottèr-dam.… Reeds sedert.… veertig jàren.… trek ik.. zònder pijnèn.. en zonder geldèn!.… graties!.… voor-niets-niemèndal!.… Alleen vòòr dit.… flèschje.… betaalt gij.…—Dat-wil-zeggen.… Ik ben.… hier niet.… gekomèn.… om wat.… te verdiènen.… maar.. òm dèn.. menschèn.. te bewijzen.… een weldààd.… Maarrr!!.… al zoudt.. gij mij.… vijfèn.… twintig guldèn.… willen gevèn.… ik zou dezèn.… niet akcepteeren.… Ik bèn hier.… òm ù.… van dienst tè zijn.. Alleenig daarom!—Dit vocht.… van Valura.… spéciaal.. bèreid van gè.. heime sappèn.… òntdekt.… ten tijdèn.… vàn het.… middernachtelijk uur.… door mijnèn.… vader.. profèsseur te Montabilie.… door zijnèn.… handèn.… den handèn.… van Jaack Ròzel.… Seni-or.… dit vocht.… met zijn.…. geheimen sàppen.… kùnt gij.… krijgèn.… Maaààrrrr! nièt voor.. dèn prijs.… van vijf-en.… twintig..[108]gulden.… Voorgèèntwintig.… gèèn vijftien.… gèèn tien.. gèèn negèn.… gèèn acht.… gèèn zevèn, gèèn zes.… gèèn vijf.… gèèn vier.… gèèn drie.… gèèn twee.… gèèn één gulden.… Maaààrrrr! dit vocht.… waarmeè ik.… genees.. àllen zinkèns.… àllen koòrtsen.… àllen keèl, àllen tant.. àllen maàg, àllen ingèwandspijnen, dit vocht.… kost slèchts.. dèn prijs vàn.… vijf-èn-twintigcenten.… En al.… woudt gij.… mij nu gèven.… na te hebben.… gèzien.… den wondèren van mijn wèrken.… op hèt lijf en den ledèn.… den pezèn en den spierèn van iederèn persoonaadjen.… al woudt gìj.… mij betalèn den blootèn sommà van vijf-èn-twintig.. guldèn.…ikzou.… hèt.… niet.… aanvaardèn.… omdat ik.… een weldààd.… voor den armen bèdoel.…—Even hijgde ie uit. Ronddaverend geratel was achter z’n kring heengedonderd, dat ie sterker z’n stem moest uitzetten.—Z’n gezicht glom van zweet, stond grauw van vermoeienis. Toch probeerde ie door te spreken met cier, hoogdravend in zinwending, langzaam, als uitrustend bij elk woord, overdreven in hoflijke geaffekteerdheid, alle woorden afstootend met zware „’n”. Weer had ie deftig z’n hoed van ’t hoofd gelicht, sprak ie ’t landvolk toe, meiden gapend van verbazing, kerels loenschend en heet op proeven.—Hier en daar, midden in en vooraan in den kring, stonden jongens en kerels met hand aan den mond gedrukt, zacht-kermend van pijn, gloeiend in hoop nu, van hun smart verlost te worden. Er begon wat bangelijk geloof en verschrikte suggestie in den menschklont rond te gaan. Dat voelde de Jood, zacht-triomfeerend met ingehouen ironielach.Zon, al lager, verfde gouïge glanzen nu op de luisterkoppen, en tèlkens drong nauwer òp de groep, om tandentrekker.—Zachte, plechtige verschuivingen van lijven en gezichten, armen en rompen, wurmden paffend in den kring, waar tusschen snikhitte dampte. Gezichten stramden strak, van vrouwen en kerels, nek-achterover, in òpstaar naar den al sterker suggereerenden Jood, in luisterspanning; koppen staarden, van jongens en kinders, waarop ’t late licht wondere schijnsels weefde in legendarischen gloed.[109]Karren ratelbonkten nu al verder van den kwakzalver af, die al breeder omsloten stond in kring, en sterker stootten z’n woorden òp, schorde z’n moe geluid, afgetobd en bevend:—Maaààrrrr! nu.. Hoogè-eerd.. pùbliek.… Is er.… een-ònder u.… die soùffreert.… aan pijnèn.… ’t zij zinkens, ’t zij koòrtsen, ’t zij rheumà-tiek in dèn mond.… het strottenhoofd.… hij komèn.… tot mij.… opdat.… ik hèm.… òp slag gènees.… onmiddèlijk.… Ik ben.… Jaack Ròzel.. Juni-or.… heeren en dames!.… zoon vàn.… profèsseur.. Ròzel.… Seni-or.… woonàchtig tè.… Montàbilie.… Maaààrrrr!.. ieder.. dien nù.… lijdendèn is ààn pijnèn.… ’t zij oòrpijn, ’t zij.. wàng- ’t zij keèlpijn.… hij komèn.… tot mij!.… Mijnèn.… vriendèn.… en ik.… zal hèm.… dadèlijk.… genè-zen.… zonder smàrten.… met dit.… geheimen.… wondèr vocht.… van Valura!.… Laàt u.… hèden.. niet terughoùden, door.… àngsten of.… valschèn.. schaamtèn’s.… Want ìk trek.… zònder pijnèn.… en zònder àngsten.…Twee opgeschoten slungels en ’n knecht-tuinder wrongen zich uit den knellenden prop los, gingen bleuerig en gemaakt-lacherig voor de tafel staan. Een blondharige jongen had onder elken arm ’n dik kaasje gekneld.—Uit z’n jekkerzakken bochelden goud-glanzende punten van komkommers. Met suggestieve kracht keek de Jood van z’n kruk op hen neer, door-oreerend toch tot publiek, zonder de patiënten iets te zeggen, manouvreerend den kring rond met z’n fleschjes. En donkerder figuurde z’n mager lang lijf tegen het late luchtruim, hoog-eenzaam op z’n kruk, in de afzakkende havenherrie, in den zwoeg van karren naar booten.—Hei Jansse, hai hep ’t op sain ruijker!.… t’met stol ie.. je koàsies.… kaik de fint se klietere onder sain oàrreme!.. schreeuwde Dirk, telkens aan z’n wang voelend of ie ook t’met geen kiespijn voelde. Dan kon ’t nou toch beure feur niks.—Maar de Jood zangdreunde voort.—Nièmand.. mijnèn vriendèn.… behoeft dit.. te koopèn.. àls hij.… niet dèn.. proevèn.… heeft gèzien.… gelukkèn..[110]Komt ééns hier.… gij vriend.. ja!.. lèg u.. kaasjès.. mààr neder!—Komp nou op de koffie hee?.… die bi’-je t’met kwait, schreeuwde één heesch, uit de menschenprop.—Leg.. uw.… kaasjès.… maar hier.… nèder!.. mijn vriend.… Hun zal.. gèèn leed u geschiedèn.… Neen! kom niet.… àllen drie!.… tegèlijk.. Gij àlleen.. ja.. laat ùw kazèn.. mààr los!.. weès niet.. zoo bèvreesd.… Gij.… àlzoo!.. juist.. hier!.. maar.. op dèn straat.. jongèn vriend.Wat schèèlt u?… en waar mààkt gij.… u bezòrgd ovèr? Zeg hèt mij gerust.—Nou?.… joa kaik.… doàr.… achteràn.… in main bek hee?.… aarzelde bleekig van angst en verlegenheid de slungel, die bangelijk z’n kazen op de straat had gezet, er telkens naar glunderend, of iemand in den kring ze ook vergoochelde.—Hoe is ùw.. naam.… jòngèn.. vriend?.. èn waar.. woònt gij?.…Van z’n stoelhoogte had tandentrekker zich voorover gebukt naar den beschroomden slungel, die met open mond, wijd gesperd, wat terug stamelde op z’n vragen, terwijl de Jood, ingezakt, beenen gekromd, ’n vies tangetje tegen de rottig-groene tanden van den jongen aantikkerde.—Hier zit hij.. niet waar vriènd?.. juist.. dèzen.. juist dèzen.… dien doet u.. pijn? niet jongèling?.…Harder tikte ie tegen ’n bovenkies áán, en de jongen, beverig van pijn en benauwing, met z’n kop in den nek gedrukt, z’n schonkige schouders van angstigheid hoog-scheef opgetrokken, oogen duizelig hemelruim instarend, schokkerde, kwijlde op Jood’s hand, stotterde wat woorden, achter gerommel van vuilroestige tangetje, dat z’n mond inwoelde.——Hier hèbt gij.… pijn nièt?.…—Nou.… nou.… auw!.… ik f’rek puur fé’ pain!.…—Zekèr.. vriend!.. stil moàr! Houd ùw hoofd.. wat hoogèr!.…De twee andere patiënten, bleven gejaagd kijken, van den[111]jood naar den slungel. Spannende angststilte hijgde door heel de menschenprop.—Geef dit, tangètje ééns aan, gij vriend!—Hoekke motte ’t weuse?.… stamelde de gevraagde verlegen.—Dutte! dutte!—krijschte ’n andere er zenuwachtig schreeuwerig doorheen. Maar de Jood had zich, ongeduldig, zelf teruggebukt achter de tasch, z’n halven vuist in den gaapmond van den slungel stekend. Handig, uit z’n vuile rommel greep ie ’n kort-dikke tang, met roestige snavelkromming.——Kaik.. dat is weer ’n aêre!.. schreeuwde bang één uit den kring.—Wá’ he’k main slinger!.… dá’ kost ’m sain heule stal!.. lolde zenuwachtig ’n ander.…—F’rskeur nou je pampiere moar.. Joap Jansse!.. gilde ’n meid.—Kom bai màin op de koffie Joàp!.…Maar Jood bleef kalm, hield z’n tang op de tong van z’n patient gedrukt, keerde zich deftig naar het publiek, dopte weer hoofsch, met sierlijk groetgebaar, liet den slungel gapend, den kop diep den nek ingekrampt en sprak:—Hooggè-waàrdeerd pùbliek.… gèachten.… vriendèn.. Ziet toè! gètroost uwèn.… geëerden oogèn.… den kòst.… te gevèn.… ziet toè … hoe mijn … vocht vàn … Valura.… wondèren.… uitrichten.… zal.… Dezen jongen vriend.… ùwen vriend, heeft.. hevigèn kièspijn.… koortsèn.… en zinkès.… van wegèn.… den verròtting.… èèns kies.… nièt waàr vriend? Gij lijdt.… gij hebt.… duldeloòzèn.. smarten.… in dèn ochtend.… wanneer gij.. u ten rùsten bègeeft, òp ùwen.. legerstedèn.…—Nou furt dan.… furt!.. furt!!.. ik f’rek fè pain.… stamelde woedend de slungel, ’t hoofd nog achterover gebukt, klein gesuggereerd in houding, roerloos, als zou ’m de Jood, bij kleinste beweging, begoochelen. Maar kalm weer, boorde blik van den kwakzalver op z’n angst-slachtoffer neer, en dòòr stootten z’n afgebroken woorden:[112]—Gij hoort hèt.… gèacht pùbliek.… ùw vriend lijdt.. pijnèn … smàrtèn … zièt toe … hoe ik … dezen.. jonggèling.. éénigen.… dròppels.… van dìt.… gèheimèn.… vocht toèdien.… zièdaar!.. mijn jeugdigèn vriend! neemt èèns, een slòkje en spoelt u, op dèn plek.. ùws pijns.… Maar houdt hèt.… geheimèn sap over.. uwen gànschen.. tong vèrspreid. Zoò juist! En nu.… ter exploiteering der kràchten.… vàn mijn … geheimen Valurasavochten … blijkt dit … koelen vocht saamgèsteld.… uit bestanddeèlen van wònderen.… dien ik niet.. zeggèn mag!.… Maaààrrrr! waarmeden.… ik allen.. pijnen.… gènees.. bij koningen en princen.… gravèn.. en baronnen.… tot bij den vòlken.… van dèn.. laagsten ràng..Ik zeg nù.… tòt u.… gij jòngen vriend! neemt dit.… koelen vòcht van Valura.. en laat hèt één oogènblik liggèn.. in den hoèken uws gebeentens, op dèn plek.. ùws pijns.. en gij zult nièts meer.… voelen. Dèn pijn.. zàl zijn.. verdwènen.… en nooit wèder.. kèèrèn.… Alzóó.… spuw nù uit.. mijn jeugdìgèn.… vriend.… het speeksel.. ùws monds.… Schaamt ù niet.… voor ùws.. gelijkèn.. èn uwèn mindèren.. Zòò juist.… Drink nù eens.… één slok.… vàn dit.… ijskoud heràldisch wàter.… dat is heraldischen spijzèn.… vàn oòrsprong. Egyptisch.… zòò juist!.… spoel daarmèden uit.… den ònreinhèden.… uws lichaams.… spoelt dàt.… àlles, dat meèleed aan uwen.… spieren.… en pezen.… gewrichten.… en gebeènten.… laat uwèn … mond verkoelen.… èn wèg.… wèg.… èènsklaps.… zijn àllen pijnèn!Spreektvriend.…spreekt.… hoe.… voelt gij.… u? Waar is ùw.… pijn?… Waar?… zoo éénsklaps verdwènèn?.… Sprèèk!.… sprèèk!.…Slungel, met uitgespoelden, smakkenden mond, stond beteuterd, keek sip rond, als zocht ie naar de pijn, verbluft … Angstig ’t eerst, greep ie naar de kaasjes op de straat, voelde in z’n zak naar z’n komkommers.—Welnu.… jeugdigèn vriend.. sprèèkt—bid ìk u.… spreekt tòt u.… gèlijken.… tòt uw naasten.… vriendèn en maagdèn.… en zèg hèn.. dat Jaack Ròzel Juni-òr.. woonachtig..[113]te Rottèrdam.. Wagestraat zes en zestìg.… uw eensklàps.. heeft genezèn.… van àllen pijnen.… àllen smarten.… àllen zinkens.… àllen rheumatismen.… waarmedèn.… uw aangèzicht.… bezwangèrd wàs.… Spréékt!… Hebt gij pijn? nù nog?—Nou f’vloekt.… nou hè’k puur main droai … dut is d’r tùg ’n meroàkel!.. ikke voel puur niks meer.. niks!..Verbaasd drukte ie z’n hand op z’n kies, om te voelen of ie ’r nog zat. Triomf vonkte er in oogendonker van zwarten Jood. Deftig z’n hoed lichtend van den kop, met ciergebaar, vèr groetend en buigend lichtelijk voor den kring, krijschte plots z’n stem, heftig:—Maaààrrrr!!.… nu zièt gij.… dat hèt wònder.. heeft plaats.. gègrepén.… Dezèn jeugdigèn vriend.… door mij àànschouwt.… begeeft zich tòt mij.… zoekend.… naar genèzing.… van dèn martelingèn.… des kiespijns.… Hij komt tòt mij.… uw allèr vriend.… met dèn hand.. aan dèn mond.. een gèzicht.… vertròkken vàn smart.. En ik.. naar gij zaagt.… geeft hèm.… eenìgen druppèllèn.… van mijn vocht … En éénen.… minuut.… staat hij hier.… hij drinkt vàn dit.… ijskoud heraldisch wàter.… en spoelt zich.… ònder … mijn toezicht.… En eensklaps … weg … is àllen … pijnen.… àllen koortsen.… Onthoudt nù.… geëerden menschen.… dàt hij èènen.… mìnuut.… voor hij.… hier kwaamt.… voòr mijnèn tafel.… nog hinkten.… nog jammerden en weènden.… van smàrten.…En spreekt nù.… weer jonggèlingg!… En zeg.… niets.. dàn dèn.. waàrheid.… àlleen en uitsluitend den wààrheid!..Moor-Jood keek doordringend den slungel aan, die maar knikte van ja, ja, verlegen, sip, met z’n kaasjes weer stevig onder de armen gekneld. Uit z’n twee logge jekkerzakken, onder z’n ellebogen, drongen hooger z’n geel-glanzende komkommerpunten. Komisch verbluft, draaide ie om de kruk rond, staarde ie òp naar den Jood, knikte en stamelde tegen de menschen, dat ie heelemaal niks meer voelde..—Debies, dutte is d’r puur ’n meroakel, riep Dirk Hassel[114]extatisch, spijtig dat ie geen pijn had, om ook ereis te probeeren of ’t echt was.—Nou.. die hep ’r ook ’n knikker, wees een, met ontzaggebaar naar ’t hoofd van den Jood.—Aa’s ’t gain mesièk is!.…—Mesiek! mesiek! onderbrak een giftig.… en je sien ’t puur veur je aige lampies.… die vent hep rekloàme neùdig!.. mô joù hebbe.—Tu tu tu.… sou d’r rais kaike.… mi’ de aêre hee!..Verblufte aanhangers had Jood al en woest werd ongeloovige twijfelaar naar achter geduwd, met voettrappen en elleboog-stooten. Er ging gestommel en geschreeuw; kerels en meiden bliezen van de hitte.. krijschten ruig en paf-moe: daa’s puur ’n stookie hier!.… wa’ hitte!.… Maar Jood lachte stil, deftig doorgebarend, hoed in de hand. Verbluft verstierven de stemmen uit den kring, rumoerloos in luister.—Al dichter kringde menschenprop om kwakzalver heen en verder af daverde ’t kargebonk, gehots en geratel, om z’n kruk.——En nu gij.. mijn vriend.. wat dèèrt u?..’n Woeste kerel, ruw uit verlegenheid strompelde vóór, met z’n pet in de hand, zweetharen over voorhoofd plat-verkruld, nattig glanzend. Wijd sperde ie z’n mond open, spoog ’n pruim voor de kruk, in klownig gebaar, dat ze schaterden in den kring. Z’n lippen, nog bruinend van pruimsap, smeerde ie woest af met handrug. Wild z’n hoofd achteruit, strammend den nek in, gaapte ie als ’n nijlpaard, zonder ’n woord te zeggen, z’n handen mèt pet, nù in z’n broekzakken saâm-gevuist.—Jood keek, streng, donker, met één hand nog lager achterhoofd van kerel den nek indrukkend.—Hoe heet gij.. vriend? wat dèèrt u?.. waar woònt gij?—Da’ flop niks!.. waa’k hiet hee?.. aa’s jai main d’r moàr vèn furt holp, hee?.… barstte de vent woest-lachend uit, main heule bek is t’met rot.… de heule femielje sit dur in te kniese hee? en nou ke’k dur nie eens main flees an toàfel vèn baite.… hee?..Schatergelach uit den kring barstte los om den brutalen[115]schooier, van wien ieder wist dat ie noòit vleesch zag.—Kerel, aangestooten door ’t lachen, lolde zenuwachtig-schel door, om zich van z’n eigen verlegenheid en benauwing af te helpen. Door de menschenprop joeg weer drift. Nauwer drongen kerels en meiden naar ’t tafeltje òp.—Brallend gekrijsch uit den troep gierde uit:—La’ jai je nie naime Piet!.… aa’s t’r pain is mo je.… f’rdomd,.… mo’ je ’t uitskraife.… aa’s ’n kerel!—Nou.… da’ kaa’n je op toetere!.… riep ie driftig, op en neer wippend z’n kaken, terwijl tandentrekker telkens een tangsnavel z’n mond induwde, scherp loerend den beweeglijken donkeren gaapmond in.—Ja vriend.… indièn gij.… ù niet rustig houdèn kùnt, gedurèndèn een kortèn poosèn zal ìk u.… moetèn opgèvèn.—Nou seg … hep gain loàrie … ik stoan t’met aa’s ’n poal! furt! furt nou.… debies!.…Wijder sperde tuindersknecht z’n mond en strenger, in tanggerammel, keek kwakzalver er in. Sierlijker en geaffekteerder wellustte z’n schorre stem hoogdravend gepraat uit.——Ja vriènd.… in dit gèval, bij dèn staat ùws monds.. zal één kies.… verwijdèrd.… moetèn worden.—Wil èvèn.. uw geëerden nek achtèruit dringen,… Zòò.. juist zòò!.… Ik zal u.. trekkèn geheel zonder pijnèn.… zoòals.. Jaack Ròzel altijd trekt.… zondèr.… schokkèn.… zonder stòòten.… zonder smartèn.… zondèr soufrànsèn.…Doodstil loerde de kijkkring op z’n handen. Achterstaanders rekten zich op teenen, om beter te kunnen zien. Kalm draaide de Jood van z’n verroest grimmig stelletje, beplast met water uit ’n glas, een grooter snaveltang los, rood van roest.—Even boog ie in, z’n lichaam, sperde met één hand den mond, drukte plots haastig, de tang in donker gaapgat vóór ’m, verplaatste andere hand in bliksemsnel beweeg, achter den nek van den kerel, die òpstaarde hemelwijdte in, met gespannen kop, woest-verwrongen, donker-harig.—In één draairuk trok Jood de kies er uit, terwijl de kerel nog z’n kop naar achter hield gekrampt, niet beseffend dat ie al geholpen was. Zonder den[116]patient tijd te gunnen tot spreken, zeide jood kort en suggereerend:—En nu.… drink! dit ijskoud heràldisch watèr.… vèrmengd.… met vocht.… van Valura.… En wèg is.. àllen pijn.… èènsklàps! En nu.… spréékt ook gij vriend!.… Hèbt gij wat gèvoeld?.… bij hèt trekkèn? Sprèèk?.… zeg slechts.… den vollèn wààrheid!Woest-harige kop, ook van dèzen patient stond gebluft naar den Jood op te staren. Niets, niets had ie gevoeld, geen sikkepit.Toen ie dacht dat ’t nog beginnen moest, was ie al klaar.…En nou stond de trekker daar voor ’m, met z’n eigen bebloede kies in de tang..—Gô sa’ main kroàke!.… daa’s puur ’n meroakel.… viel ie uit, in kringetjes bloedspuwend rond z’n beenen.… f’rduufeld.… hai jai sàin doàr te pakke hee?… Heerekristis waa’n kanjer hee?.… dut is dur puur ’n meroakel!—Spuug slèchts.. in dezèn bèkèr.… èn drink.. nog één slok … van Valura.… àlles gratiès.… Dit vocht.… dit ijskoud watèr.… het trekkèn!.… Houdt dit vocht.. éénen mìnuut in ùws mond.… op dén plek ùws pijns.… zonder.. te sprekèn.… zondèr.… ù te … bewègèn … laat koelen.… ùwes mond.… uws zenùwen.… uwen verhemèlten, uwèn spierèn, uwèn pezèn, uwén gebèèntèn.… en weg is uwèn smart.… weg uwèn lijdèn!.…Twee minuten lang oreerde de kwakzalver weer door, al deftiger, hoogdravender, voelend z’n stijgender invloed op ’t bokkige, eerst scheldende publiek. De woeste kerel, stond onder ’m, met opgeblazen wangen, ’t vocht speelsch rond te spoelen in z’n mond, doodstil in één houding, bestaard, met ontzag, door heel den kijkkring.——Spuug nù uit, vriend, èn spreek!.… tot ùw maagden.. en makkèrs.… spreekt.. en zèg.. niets dàn den.. wààrheid.. Spréékt.. Drink nog éénen keer.. vàn dit.… ijskoùd wàter.. En zeg dàn.… of gij pijn hèbt … Zeg dèn … vollèn wààrheid aan uws gelijkèn.… aan uwèn meerdèren.… en mindèren.. spreekt.. hebt gij pijn?.…[117]—Gain spier! f’rdomd.… of ’k mot ’t liege hee? Jeesekrim! meroakel.… daa’s òplucht!.…—Hai jai gain spier pain Piet? schreeuwde een.——Gain spier!—En hep ie je nie van mékoàr hoald?—Saa’k f’rbrande.… aa’s ’k wâ voelt hep hee? snó’f’rjenne moat.… daa’s de weg noà de haimel hoor!.… Jemikremi!Maar Jood bleef stil even van z’n hoogte loeren met z’n gitpupillen op Piet gestard, en toen juichend den kring rond, hoed in den hand, schorde en stootte z’n stem weer:—Gij àllen.. ziet hèt.… hooggè.. eerd pùbliek.… Ik ben gèèn.… leugènaar.. ik ben gèèn.… bedrièger.… ik ben.… gèèn.… galeiboef.… gèèn Chamberlain.. gèèn Rhodes!.… Hier vòòr u.… staat dèn.. èchtèn den èenigèn.. afstammèling van Profèsseur.… Jaack Ròzel.… Seni-òr.. woònachtig te Montabilie.… in zijn leven.. en strevèn.… op het rotsgebergte van Zuid-Amerika, alwààr hij.… de Sioux’s de Panie-ews!.. de Irokeèzèn, gràties hielp.… gèlijk ik.… dat ù doe.… Hier staat hij dan, in dèn.. levendèn lijven.. Gij ziet hèt.. gij hoort.. hèt.. gij rùikt het.. gij vernèèmt het.. gij beproèft het.… Hij gèneest.… ùwen maagden.… uwen vrièndèn.… uwèn kindèrèn.… Hij is.. den èenigèn.. Jaack Ròzel òp den ganschen wèèreld.. die hier komt om u.. te bewijzèn.. een weldààd.. Hij is.. tèr naam en tèr faam.… bèkend en spèciaal bè-vriend met àllen doktorèn.. professeùren, met àllen genèès-, hèèl-, verloskundigèn des heelen ààrdkloot.… En hij rèist den wèreld door mèt hèt vocht.… van Valura.… en den.… profesòren àchter hèm áán! En hij trekt.… gansch zondèr pijnen.… Hebt gij niet.… gèzien.. dat ik.… hier stàànden.… voor drie màànden.… twee lammen, van wien ik den krukken.… over dèn.… knieën, stuk bràk.… ter aarden.… wièrp,.… hen bèstreek … met hèt vocht.… van Valura.… èn zij.. van mijn tafél, weer loopènden vertrokken,.… rècht op!.… slank en elègant.… gelijk chiraffen.… En hebt gij niet-gezien.… dàt ik.… ùw vriend.… hiernèvens … trok-zòndèr … dàt één … spier vàn[118]zijn.… gèlaat vèrtrok.… en dàt hij.. nu zelf.. bèweert en bèvestigt gèèn pijn te hebbèn.… gèvoeld? Zoo genees ik lammèn.… blinddèn.… doovèn.… rheumatieken.… met mijnèn wonderdruppels.. mijn vocht.. van Valura … Nu zal ik nog dezen.… vriend helpen.… en dan zal ik vertrekkèn.. uit hoofden en onherroepelijk.. zonder àànziens des persònen, na te hebben.… aangebodèn.. laatsten vòòrraad.…Weer bedremmeld stond een derde kerel voor ’m, mond wijd open. Zacht beduidde hij den jongen, dat ie niet noodig had getrokken te worden. Ook hém liet ie spoelen met zijn Valura, en onderhands haalde ie flakons uit z’n tasch in vloeipapiertjes verpakt.—Weer aarzelde verbluffing rond, in den verhitten kijkprop van tuinderskerels en meiden, sjouwers en vrouwen, want weer stamelde de kerel, na twee minuten ’t vocht in z’n kies te hebben gezogen, dat ie geen pijn meer voelde.—Naar alle kanten werd ie getrokken en verbluft knikte, stamelde ie uit, nergens pijn meer te voelen.——Dat wondèr voor dén prijs.. van vijf èn twintig cènt!Geen woord kon Moor-Jood meer uitbrengen van vermoeienis. Het zweet drupte als stijfselkorrels vettig op z’n donker hoofd. Van drie kanten uit den kring, drongen lijven òp, grijp-armen vooruit, hoog naar ’t tafeltje. Meer niet. Gezicht van den Moor-Jood betrok, zenuwachtig, spijtig, alsof ’r ’n huil draaide rond z’n mond. Maar toch beheerschte ie zich, sprak ie weer met afgetobder, heescher geluid.Eindelijk, de geholpen kerels, waren weer den kring ingesjokkerd, schouerbonkend, getrokken en gesleurd, babbelden en schreeuwden ze met ondervragers mee. Wantrouwig landvolkje, beduusd en vergaapt, kwam in beweging. Weer had de Jood getoeterd, schel en hoornhoog den hemel in, spattend z’n klanken, schuimend tegen opsteigerend gewoel, en weer zwaaide ie z’n brandende toortsen tegen al donkerder luchtgoud. Er kwam beweging, woeling in den menschprop, uit elkaar brokkeling van broeierige kluiten. Telkens, slechts twee, drie tegelijk, drongen naar de kruk, met ’t kwartje klaar in de hoog gerekte hand. En drukker stalde ie z’n flakons uit, zalig-wachtend[119]op uitwerking van z’n wond’re woorden en proeven.—Sneller drongen de lijven en armen òp, dat ie nieuwe voorraad uit z’n tasch moest halen. Rapper z’n handen graaiden in den tasch-muil, z’n donkere kop lachte, tegen ’t licht in, burlesk, ironisch, onmerkbaar bijna.—Nu zòng z’n stem met klank van zalvende zekerheid:—Een iedèr.. dièn lijdt.… ’t zij aan zinkèns.. ’t zij aan koortsèn.… ’t zij aan wondèn, blindheid.. doòfheid.. làmheid.… ik help hèm.… ook zondèr gèl-den.…Trager trok kring om ’m los. Meer en méér handen grepen, naar z’n hooge tafel, dat ’n stapel kwartjes tusschen z’n tangen ophoopte.—Z’n oogen git-glanzigden, lachten, vonkten.—Eindelijk stopte ie. Zwaar gedaver en laatst gewoel dromde langs z’n tafel achter z’n kruk. Nou wou ie ook een ’n glas bier gaan drinken. Z’n keel brandde van rauwen krijsch en pijn. Eerbiedig weken de kerels voor den lang-mageren Moor-Jood, met z’n angst donkeren kop, z’n streng borenden blik, z’n kalmte. Even z’n schouders, in krommige lijn opgehaald, ging z’n lang lichaam tusschen de sjofele sjouwers en tuinders, z’n zwart-bleeke kop, prachtig beglansd in lichtwaas. Geheimzinnig in donkeren staar, schoof ie voort tusschen de botte kerels, zich-zelf voelend als ’n Cagliostro in zuidelijke gratie en suggestie.—In eindloozen koepel, blauw-bleek glanzend, rondgestold in ontzaglijken hemelkring boven havenbrok en polder, wuifden struisveerige wolken, zilverzij-licht, en ver, heel naar den horizon, tusschen violette neveling van spitsjes en daakjes, bouwde de lucht porceleinen torens van lichtwolken, slank, met fonkelende tinnen.Menschenprop was weggebrokkeld, nu kwakzalver bier dronk in rookige walmkroeg.—Daverend roezemoes ratelhotste in ’t zonnezinken als ging er hellevaart rond in Wiereland; begloeid en beglansd stedeke, met z’n hel-rood en zilver leigedak in vervloeienden goud-roes van eindloos polderruim.—Op en af de booten ging ’t weer in laatsten ploetersjouw en[120]afhitsende werkkoorts als hadden de kerels zich verzuimd met luistering naar den Jood.Woester stormden de kroegen leeg en vol.—Verhitte zuipdrift stramde de koppen, en zwaarder, paffender in ’t zomerbrio, doorregenden geuren en stanken de haven; verklonk in rommelende donkerte ’t lawaai der zwoegers tegen al stillere rood-verre oneindigheid van polder-avondlucht; hemelkoepel, doorzeild van laatsten klankenjubel en verren vogelenkweel, leeuwerikkenvlucht, donker verstippend de luchtzee door.—Sneller, àl lager sloeg de blink-glanzende gang van ’t licht over de haven, als kon de dag niet sterven dààr, vloedgolfde ’t over de kerels, roodgebrande tronies, nimbus van avondzon, gloedkoppen, verwaasd en verheiligd.—Dwars door den rauwrumoerenden gruwel van krijschende, furiënde sjacher en zwoeg, over pijpen, masten, zeilbrokken, pramen en sloepen, stroomde avondtooverige gloed, vreemd zilverrood, blond en telkens wisselend in gamma’s. Van de porceleinen wolk-torens, gloei-purperden de tinnen, vonkten hun gouden ommegangen.—Al lager de lichttoover doezelde over heete havenjoel, gedaver en gezwoeg; al wijêr glansde stralende purpering, verstillend de luchten, bedampend in wond’ren zonnemist, keien, sintels, en werkers. Paardkoppen droomden in stille, verglijdende glanzen en karren met aardbei en groen, doofden langzaam, bij stukken uit, in doffe zonloosheid.—Zonnedroom, die uitdoezelde, wegnevelde, in violet gedamp en paarse vlekken, schaduw-fantomen wierp aan walkant, goudteer vergloorde, tusschen rag touwwerk en masten.Over bootsrompen, en boegrondingen, waar kleurkopering van roeren en luikjes verbleekte; over heel het havengeraas, waar werkersopstand in drommen dooreen krioelde, starde al meer de vlam van den hitte-dag, de felle daverende blinkgang van licht, verdampend in wazige tonaliteit, in zilverige schemer-vegen en aarzelend blondrossig-goud.Tusschen het al donkerder kastanje-geboomte, waar de schemer ’t eerst in duisternis verweefde, keken de kerels onder ’t lommer nog òp tegen den kleurzang van zonnedag, die lang, heel lang,[121]tooverig begloeid, in polderhemel bleef nazingen z’n wond’re tinten. Menschen, paarden, honden en karren in opgepropte kronkel en warrel, onder ’t duisterende lommer kleurden nà, in de ver-affe roezemoes van ’t stervende licht.—Allen dáár, wriemelden dooréén in schemer-avondgoud.—Petten kleurden vaal, in al gamma’s; kielen, jassen, schorten, donkere sjouwers en tuinders-venters, boeren en kijkers, in één warreldrom, loom langs elkaar verkleurend en verkronkelend, als drasten ze voet-zwaar aan vastzuigende havenkeien, moeras van rottend groentenafval.—Dirk Hassel was met Klaas Grint, z’n zoon Jan, en Rink van den polder, tusschen ’n groep tuinders de kroeg ingeschoffeld.—Voor hun beenen buldogde ’n ton-buikige boer, met ’n korf kleine varkentjes onder z’n arm gekneld, waar hooilucht uitrotte, urineachtig-vuns. Krijschend en ronkend woelden de dieren, scheefhangend tegen de korfbiezen op, en telkens bonkte bullige boer, met z’n worstige handen, ’n driftstoot op de krijscherige diersnuiten.—Achter kroeggangers ratel-rolden, dwars door de woelende menschenmassa, groote gele tabaksvaten, door troepje kerels met trappen tusschen de karren en dieren voortgebonkerd naar ’t spoor.Dirk was blij dat ie eindelijk zat. Al twee maal van de haven naar de akkers geweest, extra-oplading, en nou zou ie ’t d’r eens lekkertjes van nemen. Hij grinnekte tegen z’n brandewijntje met suiker, dat op z’n schor-korten roep, dadelijk gebracht was. Om ’m krioelde ’t van klomp-klossende kerels, in stampigen gang op knarsenden zandgrond. Lekker en poeteloerig-duizelig snoof Dirk de jenever en bierlucht, zoetig en scherp, en stil tegen den muur ingedrukt, ’n pijp den mond ingebeten, sloeg ie, brandewijntje na brandewijntje klein, mummelde wat woorden uit, tegen groenboeren die naast ’m neersmakten, aemechtig hijgend van zwoeg.—Zwaar-laag dampte de kroegrook, nevelig, en rood misterig toen gasvlam bij ’t buffet en boven biljart àànplofte. Stil bleef Dirk zitten, roerloos in z’n hoekje, uitspuitend pruimsop en pijpnikotine in de spuwbakken, doodop, lekker duizelig, in de[122]wemeling van al meer aanstommelend landvolk en roezemoes van stemmen, achter hitterook uitkrauwelend, tot ie doorzopen, landerig en woedend, tegen tien uur naar huis waggelde.
[Inhoud]II.’t Was Vrijdagmarkt, tegen half vijf. Van enkele zijwegen en uit smalle, door zon verblakerde steegjes kwam áánrateling van karren; tuinders die hun waar vroeg opgeladen hadden. De havengrond bij brokken bekeid, lag vol koolstronken, aardbeirotte plasjes en groentenvuil. Eén brok weg, zwart, gruizig besinteld, rond rood-wit bemeniede lantaarns, frisch zomers opgekwast, lag bezaaid met kisten. De huizenkant van haven, met z’n gevel-trappige woningen van dominee, dokter en wat winkeliers, tot meer naar achter, waar ’n woelige oppropping van kroegen en pakhuizen samendrong,—koelden donker in zwaar uitgegroeid lommer van hooge kastanjeboomen, wonder-groene laan, ingeplant tusschen wal en stoepen. Het ruiten-licht van de oud-gevel-typische huizen in wazig-groene glanzingen, verschemerde ’r geheimzinnig ’n eigen bestaan; bestaan van diepe halfschaduwen, dwars door het aandroesemende lawaai en geraas van havengescharrel, geheim stil verwisselend achter zwaar lommer.—In ’t walletje kleurden achter elkaar, pas aangekomen booten, waarop dekknechten met oorverdoovende herrie kisten van ’n plank lieten glijen òp de steenen, langs de reeling, door ’n anderen kerel weer vèrder rondgeslingerd tusschen vuile stronken en groentenafval, sintel en kei.—Zoet-zwoele, tot stank verbroeide geur van aardbei vloeide wèg in vunzige lucht van duffe groenten. Heel de Haven zoog in, àl luchten en reuken, ademde weer uit, bedorven saamgebroeid zoet van aardbei, aardappels, sla en penen.[86]Telkens achter groene kroeg-gordijntjes spuiden de herbergen jeneverstank uit, scherpen prikkelgeur doòr den warrelenden damp en de stank-zwangere atmosfeer van verbroeid zonnig havenleven.—Geweldig in wijdheid, doorwolkt van onweersgedreig en half in zonnigheid weer, welfde de polderhemel met ’t weiland eronder, afgelijnd door spoordijk; ’n hemel niet te zien, maar ijl te voelen toch in verte en diepte ònder de àlmachtige luchtruimte. Groen-prachtig, in fel-grilligen zonneschijn, lichtte de lange dijk òp, waarover lawaai herriede van aamborstige lokomotieven, hijgend en puffend, heen en weer, als in zweetbenauwing, drentelend en geduwd voor- en achteruit.—Vastgehaakt en voortgebufferd in stooten en dreunige stampen, donkerden vrachtwagens dwars door den uitkoepelenden polderhemel.Onder kastanjelaan, vóór huizenkant van Haven, het doorrijpad van karren en paarden, kermisten zuurkraampjes en betentdoekte vischstalletjes met poonen en scharren, die walglijke stanken rondbroeiden in de hittesfeer van sjachering en half afgedreven zomermiddag-onweer.—Stijgender geratel en gerammel van karren en wagens, dooreen-klakkerende hoefslag van zwoegpaarden op keien, kwam dreunend òprumoeren uit steegjes en zijwegen, naàr en vàn de groentenvervoer-booten.Heel de aardbeistuip van ’t land, de koorts van wroet en pluk, pakte zich daar saâm, in één woesten drang van laden en lossen, één jagende scharrel onder de ventende afbeuling van ’t landvolk. Al tweemaal op één dag was er door de booten in den drukken broeihaal van aardbei nù, op de groote stad afgevaren; al tweemaal geladen en gelost. Om vier uur in den ochtend, de heele week, waren er zes groote vrachtbooten, tot hoog boven de verschansing opgestapeld, weggestoomd, met allerlei groentegewas, stikvol van aardbeien, aàrdbeien. Om twaalf uur ’s middags, léég, heelemaal uitgeput teruggeboegd, weer gevuld, alléén met aardbei en weer leeg naar huis gestevend. Alles had de groote stad opgeslokt, gretig en woest; en nu wéér werd ingeladen voor den marktdag.[87]De Haven lag gerammeid, begraven onder leege kisten met mandjes, en overal dreef rood sap, donker bloedend door ’t zwarte kolengruis, verkrinkeld in sporen en plasjes.—Dirk had z’n zware kar met voorzichtige zwenkingen tusschen stilstaande paardjes ingewerkt, zoo dicht mogelijk bij de boot, waar ie z’n goed op te laden had. Telkens schokkerde ie ’n eindje verder, meer naar den wal, tusschen de dooreengezwaaide kistenruzie en manden, tonnen en planken.Sterker kwam áánwemeling van groenboeren, vrouwen en kinderen, en oorverdoovend raasden de blaffen van karhonden, die daar woelden, rukten en huilden onder de donkere assen, jammerend tusschen hun bemodderden engen knel van spanriemen en treksels.—Vervuilde, langharige kerels, met dronken-lacherige tronies stonden in overhemd, àchter d’r poon- en scharrestalletjes, hun eigen waar op te eten, schor futloos roepend: fèrsche poone.. fersche skàrre.… In kringetjes rond en onder ’t tentdoek, lolden wat venters en tuinders, poonen etend en uitzuigend, met hun handen de visch losbrokkelend. In nek-achter-over-zwaai, kwakten ze zich telkens stukken vettig vleesch ’t mondgat in.—Zuigsmakkend en belekkend de goud-donkere poonvellen, plezierden ze, waggelend op de beenen. Stil stopte verkooper ze schar na poon in de handen, terwijl hij zelf smakkerend vrat, z’n mesje tusschen ’t scharrenvleesch peuterde, fijn reepje na reepje, achter de tanden vergoochelde.—Zon, uitgloeiend achter weggedreven onweergewolk, brandde weer fel op tentdoekjes, die lichtstreepten rood-geel, onder boomlaan door, de smoezelige linnen kleuringen, warm-dampig verzonnigend.In één uur tijd was de geweldige marktdrukte komen áándonderen in furiënd gescharrel en gesjouw, geraas, getier en roezemoezende stemmenbotsing. Paarden met karren, al méér, al méér, klakkerden en bonkerden onder de belommerde kastanjelaan, schurend langs de huisstoepen, zwenkend, tegen elkaar òp. Vrachtrijders verkrijschten: ho!.… ho!… hai!-daar!-geroep,[88]tusschen kerels, vrouwen en kinderen; tusschen ladende en lossende werkers, of dwars door rumoerige groepen, opgepropt òm groote groenteuitstalling van afslag, waar koopgierige schobbejakkige venters rond-kankaneerden in schor opbied-geschreeuw, als dronken duivels.Van zijstraatjes uit, dobberde zwaar-stootend gedrang van karren, de eene al hooger achter de andere òpbergend, met kisten- en zakkenlading.Tegen half zeven daagde van allen kant ’t landvolk òp, voortstuwend pyramiden van kleurdruipende groenten, als was aan akkerzij van Wiereland overstrooming losgebroken, de zee over de duinen heengegolfd. Als was daardoor ’n chaotische beroering, ’n opstand, dwars door paniekheen gescheurd; had zich ’n drom angstigen aanééngestoet, verschrompelde bemodderde kerels, reddend van hun zwaren ploeter àl wàt ’r op ’t land nog te halen viel. Eén wilde, woeste samenstrompeling van mannen, vrouwen, kinders, met kisten en manden en zenuwbevende handen, die meehielpen aansjouwen en wegduwen van kar naar boot.Aardbeigloei, rood-fel en purperdiep, brandde weer in zonnelaai. Honderden en duizenden bakken met de roode pracht-furie der vruchtjes gingen van hand tot hand op de booten, van de karren naar de dekplaatsen, en van alle kanten losten de wagens uit, stortten een groentezee neer, in branding van kleuren, aanklotsend tegen zonnegolven; tegen broklijven van schuiten, kerels, karren, paarden en honden, één woeste uitgolving, òpzieding van groen, groèn, van zeng-rood, vuur, donkerend purper en hel prachtig wortelen-oranje.—Hemel was blauw-diep weer uitgetinteld, tusschen zilverende wolktochten en in de koelender zilverglanzen van gloedroode, stillere zon, lag de kastanjelaan doorzeefd in wondren glansnevel, doorvlàmd en zonnemistig tegelijk. En de groenbemoste boomstammen, in flitsen grillig beserpentiend, kromden gevangen in gouden kronkels van glans-slangen.Dampig gezeef van goudschemer, gloedrood, vloeide over de bronzen en roode kielen der woelende kerels, werkersstoeten[89]in sfeer van gouden lichtdamp en roode toortsentooverij bewegend.—Midden in zonnetoover daverde ’t haventje van helsche donderbonkerende rumoering. Telkens ratelden van de zijwegen, uit smal-doffige broei-steegjes, nieuwe karren áán, waarachter angstig-verwrongen gezichten èven uithoekten, tusschen bakken en manden; monsterlijk gerammeide zweetkoppen, doodòp van zwoeg, benauwing en snikhitte.—Hun bakken overstroomden de markt, verzwolgen ’t licht. Uit àl andere weggetjes en spleetstraatjes, van rechts, van links, dwars, opzij, uit nog fel-bezonde achteraffe gaatjes en steegjes, flonkerend en dampend in verblindend schellen lichtgloei, bonkerden en schokkerden ààn, al meer paardwagens en handkarren, aardbeien en groentevrachten, rood en groen; felle uitbarstende gamma’s van purper naar papaver-vuùr, en al soorten smaragd, tusschen gelige goud-gloeiende kolen, al méér, al méér, als moest ’t haventje begraven, verzwolgen onder de bakken, manden, vrachten en vaten. Overal, de heete hartstocht van ’t gloeikleurig rood en oranje, de felle klater van ’t schelle en zingende groen, dook òp van alle zij, uit zon-overstorte zijweggetjes, blakerend, smal en vunzig verstoft in de Julihitte, met hun ordelooze wemeling van krijtwitte, bruine, fel-groene bekalkte geveltjes en rooddakig brio.—Overal doken òp, geweldig in drommen tusschen ’t kleurheete, zengende geveltjes-koloriet,—ònder de roodgoud doordampte boomenlaan uit,—al nader, àl nader, de wagens met hun lichtend groen en vruchtenpurper, tègen de hemelblauwing in; de huisjes al kleiner, verder wèg, de karren àl grooter en massaler, aanbonkerend op de Haven.Later nog, de kastanjeboomen zeefden in zonnemist en de kruinen stonden weer uitgegloeid als was ’t goud er tusschen vervloeid.—Hier en daar nog van boven schampte ’n flits, ’n gloeiende kronkel, ’n trillende spiraalglans; was lichtweb uitgescheurd en blijven hangen wat bevend spinsel van goud-gloed.—Links van de karren zwenkten de tuinders hun paardwagens àchter paaltjes áán, op stiller gedeelte, ’n end van d’r[90]boot af.—Stil, tusschen rumoering, suften de paardkoppen, de voorste vastgetouwd aan paaltjes. Maar ook dààr, heel gauw, dromde ’t stikvol, schoven al meer karren in, stonden de beesten met de lijven op elkaar ingedrongen, koppen, droefmelankoliek naar beneden, in zorgelijke bepeinzing over ’t oorlogend havenrumoer, geraas en gekrijsch. Te wachten, roerloos stonden de beesten, d’r half-leeggeladen karren kleure-jolend in zinkenden zonnedoop, kermisjubel van helblauw, groen, hard-geel, bruin en menie-roode beschildering. Zacht zwiepten de staarten, knokelden schimmel-blanke, goudbruine en donker-bronzen ruggen, gloed-laag beschenen. Van alle kanten manoeuvreerden, tusschen ’t geraas van weggeslingerde kisten, de karren zoo dicht mogelijk bij boot waarop geladen moest worden, voor vertrek van den volgenden ochtend. Hoog bestapeld, van achter tot voordek, krioelden de booten in rij vóór den wal. Geen plekje kon onbezet blijven. Dekknechten en kapteins sjouwden gelijkelijk mee met de tuinders, droegen de bakken met vruchten en groenten ààn, in zwaren zwoeg, over keiweg en loopplanken. Handiger dan de tuinders wrongen zij zich tusschen de kisten, mand- en zakvrachten door, opstapelend in zwaren smak van uitputting, de nieuwe vrachten. Dwars door elkaar, bouwden ze òp, monumentaal, dat de groentebakken vèr boven verschansing, als ’n kleurig fort van ruw hout, neergeblokt stonden. En overal bij spleetjes, gloeiflitste ’t vruchtenrood tusschen het monsterbouwsel van kisten, levend monument van vruchten, gesmoord tegen orànjebrand van wortelen en groen.—Op alle booten tegelijk, bleef de laatste stapeling aardbeibakken, langs heel den havenwal neergewolkt in vuur, en de gemeen-beschilderde kisten in ruig koloriet, dansten een kankan van helsche kleuren in ’t doorzonde, heete havenrumoer. Zwoele stanken drassigden in de lucht ’t zoet uit van de vruchtjes, zwoel-vochtig tusschen de groenten, die opeengebroeid, voozer verstonken. Over den drogen gloeiend-stoffigen sintelgrond verwàlmden geuren, dwarrelde rond, draaikolk van stanken, zoetige en ransige, kanteloeplucht en citroenen, sinaasappels[91]en bedorven uitwasemende poonen, scharren, zuur en eieren; gotenlucht tusschen ’t aardbeizoet, dòòrwaaid weer van kroegstank en spiritus. Alsof zieke reuzen ergens heeten stankadem uitbliezen over de Haven, zóó van alle zij wasemden de dingen hun luchten uit, vermengd en verbroeid in de hitte. En telkens gulpte van spoordijk, rook-roetige wolk-smoezel, in woeste vegen donker heendampend over ’t havengewoel, òver karren, vruchten en menschenoppropping, doorzond en verstoofd in kleuren en licht. Zóó, fel omklaterd en verbrand van kleuren, in de hartstochthitte der zwoegers, verdampten de geuren bevend licht bòven de karren, de mensch-koppen, kisten en manden dompelend in zichtbare sfeer, stralend-fijn van ijl stofgoud.—Sfeer van trillend licht, als neergestroomd uit reuzige zonnelantaarns, in banen van damp en warrel. En tusschen de menschkoppen en koopwaar, grillig-verspatte nog zonnevuur kleurfelle vlakken, gooide vlammig spel op bevende kaken, òp handen, in oogen. Telkens nieuwe kisten sjouwden dekknechten met tuinders áán, in hijg-zwoeg, dood-af gewerkt van den ganschen dag landwerk; telkens in hun gang gestuit, teruggestooten, weggeduwd en verkneld, door andere werkers met vrachten op nek, hoofd en schouders, ingebukt en woest in d’r moeheid, terugsjokkend van de loopplank, achter elkaar, met de doffe, of kleur-felle kisten op de schonken, wat ruzie-schor verschreeuwend tegen de kerels die opdrongen of worstelden om plaats. Dan hier, dan daar holden en kankaneerden de sjouwers op zij, vòòr paardkoppen of langs geweldige vrachtwagens, die tusschen hen indrongen. Overal was gestruikel, gestrompel; dof-klankten smakkingen, daverde gebonker van verslingerde kisten en manden, gloei-stroom van jachting, verkronkelend in dol-botsende drukte. De kleurige booten, achter elkaar langs den wal, sloegen ’n branding in ’t hart van ’t levende haventje. Eén vloed en eb deinde er van duizenden verlompte werkgangers die òp en af, dwars en tusschen elkaar’s groen-waar heensjouwden en reden.—Zoo golfde bij den wal ’t sterkst, woeste stroom en tegenstroom, zich vertakkend en[92]verbrokkelend in zijwegjes, weer aanspoelend in kleinere hurrie-golfjes van andere kanten. Drang tot afdoen vloeide samen op één punt, bij al de booten, drang en jacht, die angst-steigerend, al hooger àànstortte tegen ’t forthooge bouwsel, kleur-heet monument van bakken en manden; stroom die plots weer àfrazernijde naar kroegen, dat er spuiing kwam en luchtiger rammeling van karren tòt in de afgelegenste, koel-uitgezonde hoeken, bij pakhuizen naar polderkant.Langs de havenvaart, achter kastanjelaan, lag de kei- en sintelweg hooger met leege kisten bestapeld, teruggestrooide vracht van ’n boot, die al twee maal aardbei naar de groote stad had vervoerd. Nu ook van polderkant donderden en bonkerden paardkarren en ezelwagentjes ààn, met ’n geraas of ’r mijlen in ’t rond muren van glaswerk instortten, telkens één op den ander vergletscherend. Tusschen ’t lawaai van lossers en laders, gilden en joelden kinderen aan karkrukken, klauterend in stemmenschater over wagens, kisten, manden; hingen en wipten ze aan karhoeken, elkaar bejoedelend òprukkend of terugsmakkend. Beestig woelden ze rond, furiënd in de herrie, stremmend ’t gedrang en gesjouw, tot plots in woedevlaag van werkers, ze verjaagd werden naar andere hoeken. Maar ook daar woelden en klauterden ze weer als losgebroken apen uit dierentuin, òphitsend de honden die basten en jammerden gelijk schreiende gekken.—Als wegratelde, met kar en hond, één tuindersgroepje, stortten nieuwe wagens rumoer uit, was ’r in enkele minuten weer kargedrang en gestoot op-elkaar-in. Achter boomgroen, waar goud-rooden gloed dampte, en scheemrig de laan lommer-glansde, keken vreemd de geheim-stille ruiten, nù onder half bladerduister, in haven-zonnerood vertooverd; bij brokken weerkaatsend ’t belichte gewoel, worstelzwoeg van tuinders, die er vóór sprongen en holden, tierden en hotsten als gestrafte misdadigers, kankaneerend op heete platen, met hun verweerde tronies tusschen eigen walmende reukwaar in. Geen sterveling in ’t stroomrumoer, die stààn kon blijven. Van alle kanten stootten de vrachten òp, mannen, vrouwen, kinders,[93]vloekend, scheldend tegen elkaar in. Méér dragers balanceerden bakkenstapels boven ’t hoofd, waar ze in angst naar grepen, als ze zich teruggebonkt voelden, in den karren-kronkel. Minuten lang werden lijven geblokkeerd, ingesloten, door dwarrelgang van andere sjouwers vòòr de booten, en eindelijk haastig strompelde ’n troep vooruit, als er spuiing kwam aan den walkant. Snel warrelden ze dooréén, aanschuivend en verglibberend op stronken en groenteafval, met één voet soms tusschen ’n opening ingekneld, de andere op bakken en manden neergetrapt. Elk bloot keiplekje lag dadelijk dichtgesmakt, als ’n werker z’n voet wegtrok, opschoof of weer naar z’n kar terugdrong om nieuwe waar af te laden. Angstig geroep en gekrijsch van ho!.. ho!.. hai-je-hee!.… verklonk opjagend de werkgangers.—Kaik veur je!.… paa’s d’r-op-bout!.… hee doar je kop!—màin snuit ook nie!.… kruiste en spatte tegen elkaar òp, in rauwe ironie en spot. Bij de minuten nu, zwol áán de razernij, ’t gewoel, gedrom, gekrioel op havenengte, en wilder ging werkjacht onder de menschoppropping, de samengeknelde worstelende zwoegers, teelders van Wiereland, Duinkijk, Kerkervaart, Lemperweg, Lemper en van al de dorpjes rondom; moeë kerels, afgejakkerd door dàglangen landarbeid, met heeten wrevel in d’r lijven, tot laat in den avond opsjouwend naar marktwemel.—Van de kroegen uit, tierde, raasde, ziedde rumoer. Als dampige holen, volgerookt met smook-blauwigen nevel, donkerde daar roezemoes van zuipende kerels, uitspattende drinkers en pijprookers, klodderend en spuwend op zandgrond. Flikkering en lichtflitsjes gloei-speelden ijl over karaffen en glaasjes bij buffet, onderschepte vonkjes en glansjes van verdwaald rood en groen-goud licht. Van alle herbergen stonden de deuren wagenwijd open, en achter de boomenlom’ring uit, verdrongen de werkers elkaar rumoerend, om eerder in haastigen slok ’t brandvocht, droge, moeë keelen in te gieten.—Benauwend sloeg de stank van groenten, visch en aardbei de kroegen door. In woelige, opgedrukte kringetjes zaten groepjes[94]bijeen onder schor dronkenmanslawaai, en telkens schoot geschater uit, dat als jammerhuilen verklonk. Jovialig beklopten ze elkaar op de petten, schouers, of stond ’n troepje, bij ’n hoek opgedrongen, met de jeneverkelken in de hand, morsend en plassend over kleeren enpolsen, d’r groen-waar te versjacheren, klakkend in handslag.Vlak langs de huizen en stoepen schuurden de paardwagens, uitwijkend als ’t kon, voor groenteuitstallingen om boomstammen; ging rond, ’n gang van slenterende meiden en moeders met kinderwagens, zuigelingen, angstig verschrikt kermend en krijschend tusschen den jachtarbeid in. Telkens uit zijwegjes en onder boomlaan uit, doken de paardkoppen vlak tusschen de verweerde menschtronies in, joelde de havelooze kinderbent, onder paardenpooten, achter karwielen, vaten, zakken en bakken uitklauterend. En heviger, boven alles uit, furiede hondgeblaf, angstige huilgamma’s van verhongerde kreupel-getrokken beesten, dorstig, geranseld, in woeste razernij van klachten, òver heet werkersrumoer heen, met ’n ontroerend-menschelijken jammerhuil in d’r blaf, als verschreiden ze hun ellende, hun dorstgemartel in hitte; verklaagden ze elkaar hun slaag en driftschoppen van d’r bazen, waarvoor ze zwoegden, den heelen zomerdag door.Tusschen het ketsende paardgetrappel en kargeratel, door dwarsweggetjes uitgestort en neergeworpen in den woelstroom van ’t donderbonkerend marktgeraas, bleven de honden blàffen. Eén jammerkoncert van droeve klaagklanken, van nijdig gekef, van gekerm, gejank; schor en dreigend gebrul van door kinderen gesarde dieren, tegen de wielbanden getrapt, aan de spanriemen vermarteld, met steenen besmakt, dat de schrei-blaffende koppen verkrampten tegen de assen òp. En àl meer karren ratelden ààn, met span van drie en vier beesten vóór en ònder de wielen, die dadelijk meeblaften in oorscheurend geweld.Plots braakten twee hoekkroegen ’n stoet uit van krijsch-jolende kerels, in malle sprongen, hals-bloot, met slappe handjes naar elkaar toe kankaneerend. Dronken verzwollen koppen,[95]roode stropdoeken, losgescheurd op bloote borst, joolden ze èng en opgestooten onder paardkoppen door, waggelend tusschen kar-honden, die nijdig aanbasten, en in dol geterg, met hun woeste, kwijlige schuimbekken dreigden te happen. Voor de zuur- en vischstalletjes bleven de kerels staan, gretig grabbelend in de zon-bebronsde poonen, waarvan de vellen glansden als gloeiend ceramiek. En schor joegen ventersstemmen de kerels òp.—Fersche poòne.… mooie poòne? faine skarre!.… fersche skarre!Verhitte relletjeskring van arme tuindersventers, die onder elkaar wat bakken groenten hadden verkocht, niet op bootveiling en afslag hoefden te wachten, zongen rauw, in dronken joel:—Oooaaw.… waa’t ’n skà-ànde!..Hun vervuilde kleeren stonken en drank-asem walmden ze elkaar in de roode bakkesen.—Van rechts golfde ’n nieuwe zwoegstroom áán, die den lolkring terugdrong weer, in de smookige donkere kroegen, waar de zweetwasem verbroeide als zure vleeschstank, tusschen de scherpe prikkellucht van tabak en jenever.Oorverdoovender buiten, brulde, loeide, raasde en kermde de hondenbent onder de karren; duizenden woedende en schreiende dieren tusschen ’t menschgekrioel in.—Ze huilden als uit dwangbuizen losworstelende gekken, door brandangst, in ruimte zonder uitgangen, opgejaagd. Tegen elkaar in blaften de beesten onder assen, wielen of krukken, met bassende, dreigende, hakkende, schorre hoog klank-martelende razernij, onvermoeibaar in één krisis van kretensmart. En vonkwild, bloedbeloopen, gloeiden hun oogen zonder dat ’t landvolk omkeek naar de dieren, die ze verhongeren lieten, en versmoren van dorst.—Aan linkerkant van Haven, waar menschen, paarden, karren, ezels en honden in één oppropping, ’t sterkst dooreenkrioelden, daverde zwaaibreed ’t kistengesmak; keilden tuinders, manden en bakken rond, klonk rauw gekrijsch, barstten vloeken uit,[96]giftig en grof, in heete stemme-botsingen.—’n Politieman, tusschen geraas en gedrang, verkrompen tot mager angst-gestaltetje, keek rond, hand op de sabel, dan hier, dan daar geschouerbonkt, tegen z’n rug, getràpt tegen z’ beenen, z’n kop, geen raad wetend soms, waar zich te bergen.—Aldoor sprong ie opzij tusschen karrenknel en hondgedreig, maar dadelijk weer ver-bonkten ze’m naar andere plekken.—En overal om ’m, zwol ’t daverend marktgeraas, ontkraterde het heete onweer van zwoeg, de sjouwende kleurige opstand van marktkerels; deinde de zee van druischend woelgeweld, in d’r licht en kleur-golvend beweeg, geraakt nog door laten zonnebrand; in d’r klotsende schuiming overstroomend, vèr, al verder, de Haven, de booten, den polder, met daverend rhytmus van treinengang, dreunend in den lagen, snikheeten zonneval.—Tusschen het geraas en de blaffurie klonk als ’n demonische hooge stemmenspot, plots bel van den afslag, uitrammelend z’n schellen schater boven de kleurig-opgepropte menschenmassa. Daad’lijk trok ’n bronskleerige tuindersstoet met straat-groente-venters, zonder eigen grond, rond den afslager, die bengelen bleef; tusschen de helle klank-strooiing dóórkrijschend, dat nieuwe omgang van afslag beginnen zou. ’n Helper riep naast den verkooper, met twee handen aan den mond als toeter gebogen, heftig dat ’t bloed ’m naar de wangen schroeide, ’t zweet glimmig van z’n slapen druppelde, den druischdonderenden warrel van ’t marktgeraas pogend te overschreeuwen. De schelle klankenrammel bleef luiend lawaaien en daaràchter de schor-verkrijschte afslagers-stem, onverstaanbare radde handelstermen uitbrabbelend. Op ’n hooge stapeling van kisten stond ie naast z’n helper, en rond ’m, de stom toekijkende beweeglooze, ingedrukte klomp brons-kleerige tuinders, loerend naar de uitgestalde groentewaar, den geweldigen kring van sla, groen-doorzond, als smagarden kwallen, geplooid en bekerfd; douwig-doffe doppers, platte peulen, rhabarberbossen, rooiig-groen, en korrelig blanke boeketjes bloemkool, op stapels dooreengesjouwd, in kisten en bakken. Eindelijk stopte afslager, satanischen klankstrot van bel dicht, kringden de koopers[97]nauwer op en achter elkaar. Kleine baasjes-pachtertjes stonden in den koopkrans gedrongen, met d’r sluwe kaal-geschoren tronies, loenscherig berekenend in klankloos lipbeweeg, wat ze voor de waar geven konden. Anderen, in gedachten, staarden als gekataleptizeerden naar de nu stille bel op kistenhoogte, die flonkerde bronzerig in zongloed, tusschen ’t groen. Lager gloei-glansde zon rond de kijkkoppen, rood-gouden toover sprankelend op tronies-brokken, de kerels vervlammend in toortsigen brand van d’r pracht-bronzende kleeren. Demonisch vlàmde er gloed, inbijtend op den kring, hier fel-licht verblindend op wit gekiel, daar goud-wolkerig verzevend op fronskoppen, bronzen ooren en handen, kleurige kielen en schonken.—Venters die Wiereland doorsjacherden met wat groenteafval in hun verrotte schrompeling van kleeren, beloerden elkaar woest-nijdig, vooruit al bang, dat een den ander zou opjagen. Onstuimiger drong de stoet bijéén, scharrelkring van schorre kerels, in naakten drang elkaar met oogentaal vermoordend van afgunst. Snel, in woordratel van z’n kisthoogen stapel àf, had afslager z’n waren geprijsd.——Veur tachtig de duuzend,.… veur dertig.… die.… veur vaiftig die.…—Main.… gilde één uit den kring, angst-ontzet als zouden ze ’m slaan.Daar weerklankte helsche stemmestrot, van bel tingelingelinge! lingg!.… tin.… gelinge.… lingg-ling! ling! schel neerziedend in verdoovende vaart, in ’t rondomme geraas van karren, honden en menschen. Achter den afslager en kijkkring, was weer ’n ontzaglijke, aaneengekettingde rij aardbeikarren aangerateld, helrood tusschen de losgestapelde peenbossen. Als ’n geweldig fantomige opstand van plukkers en rooiers, was er ’n nieuwe stroom reuzige werkers en sjouwers uit den stationskant aangedrongen, dwars door de paardjes en ezeltjes, in ’n davering van ho!.. ho!.. hei daàr!!’s. Opstanding van titanische plukkers uit ’n heel anderen landhoek, tegen de paarden ingaand, die verhit, in pracht van trek-gang, trappelden en vernielden wat onder den hoef kwam.—[98]Rond handen en lijven, rond oogen van dieren en menschen bleef razen een heet gewoel, een druisch-hevige energie van demonische jacht, één krioelende gang van leven, tusschen boomen, tenten, stalletjes indringend en weer uitgulpend met overstroomenden golfslag van rondfuriënden ploeter.Pal in den zinkenden zonnedamp, làger verglanzend in sfeer van goudrooden brand, doken de woeste zwoegkoppen òp, uit al meer verdonkerd boomlommer. Dààr, onder ’t verduisterd bladergroen sjacherden de kerels, met d’r tronies in geheim-fijnen schemer van half-licht, groen-goud en bleekblond omzeefd, soms plots uitgesmakt naar walkant, in ’t roodgoud gewolk, tot de voeten begloeid in fanatieken worstel van glansen.—Van alle kanten in de avondzon, duwden ze òp de kerels, pracht-gespannen de spieren van stuw, al mèèr groenten, heele steden overrompelend met hun monumentale warenmassa. Inééngedrongen dààr, op karren bij elkaar, geplukt en gerooid, lag de éérst mijlen verspreide zwoeg van hun land, om straks te zien verdwijnen hun waar, hun voedsel en zoete spijs, als offerden ze, in angstige, stomme biecht van arbeid, aan den donkeren grom-muil van groote geweldige stad, verslindende metropool, die maar slikte, slikte, elken dag meer van wat er brandend en zweetend uit hùn gloeihanden zich opstapelen kwam.—Van heinde en ver trokken ze op, van de stilste afgelegenste akkerhoekjes, waar eerst hun waar in zonnebrand had te gloeien gestaan. Van heinde en ver de kerelsstoeten trokken òp in orgieënden zwoeg, omjoeld van laat hemellicht, dat schaduwde en zacht vervlamde in beev’rige, goud-roode vegen, aarzelend purper en nevelig hitte-brio, verdonkerd onder lommerlaan in zeegroenige zweefglanzen. De kerelsstoeten er in, tusschen hun nog half levend goed, met den sappenden streng uit den grond gerukt, in den zwijmel van landgeur, den frisschen zwelg van aarde-lucht, verbrandend, verstovend in de havenstanken. Kerels-stoeten als ’n leger van werkers, met hun kleurfelle, gloei-dronken schitter-spijzen van overal, worstelend en optrekkend[99]naar den grooten verren donder der stad, toestoppend den grommenden lekkenden reuzigen muil van het zwelgend, vraat-dolle, hongerige massa-monster, waar zij nu voor saamstroomden, met hun lèvende waar, doorzogen van hùn zweet; kerelsstoeten, onbewust van hun demonischen aanvoer, hun luidruchtige geweldigheid, en heet-koortsend kleurenbrio, hoorend in ’t kraterend marktgeraas, echo van den ontzettenden honger-grom van stads-strot.—Al maar, achter de kastanjelaan uit, van steegjes en weegjes, doken de karren òp, nu drukker in bedrijvig gedrang bij den molenkant van station. Ze waggelden de wagens, zwanger van hun vrachten, ratelden, hotsten heviger, alle door ’n blondroode baan van licht heenwadend, doortrilden gouddamp, die àchter hun koppen, hun waar, bleef hangen als ’n bevende nevel, laat zonnevuur waaruit ontzag’lijk, reuzige menschen groeiden. Eindelijk, hun lijven en karren, dromden buiten de lichtbaan, die zich achter hun koppen weer sloot als ’n wolkerig wonder van goud-roode glansen.… Al lager sloeg ’t zonnevuur de haven in tooverroes van kleur-vlammige schijnsels, als gebroken licht-vitrails, in scherven en brokken rondgestrooid over keien, sintelgrond, karren en vruchten, hout en steen; vlammige brandingen van ’n Juli-avond, waarin ’t marktgedruisch ziedde, kookte, in helle-sfeer van broeiing.—De booten stonden al hooger opgestapeld, achter en òm de donkere pijpen en koelkast, bòven machinekamer. Gedraaf, hijgend òp en af de plankieren daverde en krioelde langs den wal. Te zinken dreigden de schepen van overvolle angstig-dicht opgepakte vracht. Burchten van ruw hout, in al woester koloriet, waar de late zon op neerlekte lichtvlammen. ’t Hoogst, bòven de bakkleuren uit, roest-rood, brons, groen, hel-blauw, goud-geel, bleven de aardbeien gloeien in hun ijl-zang van hel inkarnaat, purperend zonnegoud òpzuigend; de bakken volgedaverd van lichtende vruchtjes.—Daartusschen pyramidaalden bergen doppers, selderie, sla, postelein, wortelen, tuinboonen, bergen groen en oranje.—De bloemkoolen schaars aangevoerd van polder, stonken tegen de aardbei-zwoelte in,[100]en telkens, uit den kroeg-smokigen mist, doken kerels òp, doodaf, in zweetvet verglommen, den heeten asem van hun drank in sjacher verhijgend over hun vruchten.Midden in het oorsuizend donder-dof gesmak van bakken, in jagender tempo, stond plots ’n Jood, moorsch-zwart, op ’n kruk, voor ’n hoog standaard-tafeltje, waarop wat vuile tangen met kromme snavels, dooréén lagen; grimmig roodroestig gereedschap als martelwerktuigen van middeleeuwschen kerker.—Midden tusschen ’t gekrioel en den furiënden aanstroom van lossing en lading, was de Jood tweemaal tusschen karren en boot doorgedrongen, maar weer teruggesmakt van z’n standplaats. Eindelijk had ie z’n tafeltje bij ’n wat uitgedaverd walhoekje vastgemoerd, was ie spraakloos in de giftige woeling rondom, blijven staan. Vòòr ’m dromden handkarren, volgestort met felgele komkommers, goud-glanzend, bij punten gepolijst, en telkens daverden kerels met groentebakken voorbij, die licht rondsloegen tusschen ’t overal wolkende aardbeirood.Moorsch-zwarte Jood, met vonk-donkere oogen, stond hoog en rustig eindelijk op z’n smalle kruk, boven z’n tafeltje uit. Onder z’n tasch, tusschen de tangen, greep ie naar ’n trompet, tamboer-gebarig voor z’n mond drukkend. Valsch geschal toeterde en stootte ie uit, ééntonig als bazuindreun op grooten verzoendag in synagogen, kreten van vermoeienis en uitputting verjammerend.—Telkens bonkten, in ruwen daver kisten en manden tegen z’n kruk op, dat ie waggelde, zich vastgreep aan z’n vastgesnoerd tafeltje. Maar onvermoeid, toeterde ie door, energisch fel klankgescheur, dat de karhonden rondom nog ellendiger uitraasden, grienden en blaften, en telkens stortte ie ’n heet stjing! stjing! van bekkenslag er tusschen in.—Achter den Jood, op z’n kruk, koepelde ’t geweldig polderluchtruim, doorgloeid van glansen, waartegen donkerhoog z’n gestalte oproer herautte, in ’t rondomme gebarrikadeer van manden, kisten en karren. Donker vonkten z’n oogen, en strak, taai-energisch, bleef ie toeteren en heete tjings van bekkenslagen[101]afpauken in ’t geraas. Hem voorbij, in nijdige onverschilligheid, donderde ’t gewoel en gedraaf, gebroei en geschroei der zweetzwoegende kerels. Geweldige lasten voortzwoegende paarden zwenkten schurend langs z’n hoog standaardtafeltje. Ezeltjes huilbalkten achter z’n rug, en in loomen luister naar z’n getoeter en getjing-sjing stonden paardkoppen rondom, vlak tusschen het tuinders-gewoel, met heftigen tril van hun oortjes.—Wèg bleef ’t luistervolk, nog gebukt in sjouw, en sterker toeterden en dreunden de moorjood trompetscheuren, heet als schuimflitsen van golflicht, hooggoud en brandend rood, òver ’t woeste hurrie-rondkolkend marktgetier.—Eindelijk wat jongens en kerels, gedaan met sjouw, bleven hangerig en landerig staan voor z’n tafel, lacherig of in stompen staar bot òpkijkend naar den trompettenden Jood.—Grinnekend scholden ze ’m uit, krijschte een roomsch-nijdige kop, fel-spottend en dik-tongig.—Enne.… ààpramm.… gewòn Isaak!… enne Issaakh!.. gewon Sjàkop enne.… Sjàkop ’r.. gewon.. heè! rot-smaus, appie!.… d’ur is d’r ’n goàtje in je trepetter!—Maar Jood bleef star-kalm in z’n donkere figuring op de kruk, z’n vonk-zwarte oogen, hevig suggereerend in z’n hoofd. Stil had ie op z’n tafeltje de trompet en tsjing neergelegd, groote toortsen papier gerold en in brand gestoken, dat ze rookvlamden in z’n handen. Zachte kringen van vlammenlicht, zwierden hoog om z’n zwart hoofd, donkerend tegen den laag-stralenden zonschijn in. Walm-rook dampte blauwige mist rond z’n hoog-staand lijf, dat reuzigde tegen de polderlucht. Telkens als toortsen bijna uitgebrand waren, rolde ie met linkerhand nieuwe, zwaaide ze in kringen, dan één, dan twee, geheimzinnig om z’n gelaat; stak weer andere áán, wierp wèg de uitgebrande.—Nu en dan bazuinde ie tusschen het smokige, roetige gloed-rood gewalm, in den mist van z’n mysterieuze goochelsfeer trompetklanken uit, dat angstiger, burlesker, z’n omdampt-moorsche kop scheen te zwellen tegen ’t hemel-rood in.—De jongens schaterden om mallen Jood, maar kerels nu bleven[102]lijzerig staan kijken, bot, den mond van loome verbazing opengegaapt.—Dirk was uit de kroeg, op ’t walmgerook toegesprongen in den kring, verbluft òpstarend naar den kwakzalver, als zag ie ’n wonder uit den hemel tusschen ’t havengewoel neergestort.Onder de kastanjelaan woelde marktgescharrel, ’t drukst nu, rond de kleine tentjes en groenteuitstallingen.—De groote huisramen gloeiden rood in ’t zonnezinken, vreemd flonkerend, fel in gouden mist, onder den zwoel-duisteren bladerenschemer uit, rooden gloed, die diep, dièp, ’t marktkrioelen in bloedende gamma’s òverleefde, àchter de trillende boomschaduwen. In den geheimvol verwaasden ruitenbrand, mysterische vensterstaar, onder ’t scheemrige perspectief van havenlaan, stak zonnezink telkens andere ruiten ààn, die vlamden in lichter en donkerder gloei, tusschen het lommerig duistergroen dóór. Daar onder, en vòòr, joeg wilder gedrang en gedraaf òp en neer van kerels en vrouwen, in gekrijsch, geslikkerbik en ruwen klinkklank, òm de poonen- en stinkende scharstalletjes. Meisjesgegil joolde, tuinders lolden, dronken, in woesten stoei. En dwars door den brandgloed van ruiten, titaanden ze òp, naar ’t vlammegekring en getoeter van den Jood, met z’n makaber trompetgekrijsch en rossig-rookige toortskringen. Onder ’n oppropping van goud-gele, bronzen en bruine tentwagens, vóór kroegen en huizen uitgespannen, wiel- en rug-beflitst, holde ’t landvolk naar den trompetter, in gejaagder tempo.—Nieuwsgierig, verhit en afgebeuld, trok ènger en meer rijend achter elkaar, ’n kijkkring om den Jood. Telkens kwam karrendrom dwars door achterste loerders heendringen, in gesnauw, gevloek, geraas, verbrokkelend den stoet, maar aldoor vulden de gaten, propte zich voller de kijkkring.—Jood had goed rondgekeken, sluwigjes zich neergezet op plek waar de booten ’t hoogstmurend al volgestapeld stonden, de sjouw aan ’t afloopen was. ’n Tuinder had ’m gezeid dat ie doodgegooid zou worden met bakken en manden, als ie eerder begon. En stil, taai-rustig had ie gewacht, rondloerend met den heeten gitglans van z’n oogen, berekenend wanneer ie z’n slag moest slaan.[103]Grooter werd koppengedrang om ’m heen, en telkens nog scheurde ie trompetgalmen de lucht in, tusschen het marktgewoel, dat soms plots woester langs ’m raasde en tierde; ontstak ie rustiger, z’n groote grauw-papieren toortsen, vlam-kringen boven z’n hoofd zwierend, als derwisch in godsdienstextaze, vreemd-woest in z’n moorsche, dreigend-suggestieve donkerheid. Nu en dan galmde ie wat woorden uit, die wègkreunden in ’t helle-geraas. In aandacht gespannen, verkuchten de kerels papierstank, brandlucht en rook; stonden ze op elkaar gewurmd en verdeukt van lijf, als menschenpròp vastgeslibd, saâmgeklonterd in de woelende aderen van dóórstroomend marktlawaai.Eindelijk had Jood genoeg van z’n toortsen en toetering, lei ie z’n trompet neer, verschoof ie z’n papier, rammelend tusschen z’n trektangen en groote zwart-verlakte tasch. Stil-donker stond z’n lijf, hóóg op de kruk tegen ’t late zonlicht in, rug-beglansd, en schouers èven geveegd van goud-rooden glans.—Stil-donker, verduisterde z’n gezicht al meer. Z’n zwàrte flambard, breed model, dofte op z’n zwàrten kop, even boven z’n zwàrt-moorsche brauwen, als met kool-stift in z’n rimpel-hard voorhoofd geëtst. En z’n oogen, diep vergroefd in zwarte wallen, gloeiden vonkig, fosforig tegen ’t licht, als van ’n hond. Z’n snor, zwàrt en breed uitgekruld, en z’n baard, koolzwàrt, verdonkerd, vrat weg z’n smal geel-bleek gezicht, dat alléén oog en háár leek.Sultan-achtig, èven ingebogen met rug en schouers, verdraaide ie hoofdsche gebaren, gratieus overdreven, met potsierlijk eigen-waarde-gevoel van hoffelijk markt-kunstenaar. Zwaar kuchte ie, èven beleefdelijk hand voor den mond, zette eindelijk in.—Als hèt.… hooggewaardèèrdèn.… pùbliek.… eens èènèn.… oogènblik.… nààr mij.… luistèrèn wil.… zou ik mij.… bèkend willèn.… makèn.…—Elk woord stootte ie uit, in breede sperring van den mond, optrekking van wang en lip, dat z’n prachttanden, hagelwit, òpblankten tusschen z’n donkeren snorbaard. Door vreemd-trillenden òphaal van z’n mond onder ’t spreken, leek ’t of ie[104]bij elk woord dat ie uitstootte, duivelsch grinnikte, in samenfrons van roet-zwarte brauwen, boven satanisch-gele groeven van z’n voorkop.—Z’n stem klonk schor-vermoeid, als van iemand die walgt van eigen praat. Smart lag er in, schorre, angstige, stil weenende misère. Soms onder ’t stoot-fel spreken, verdofte de vonk uit z’n oogen, stààrde ie over de luister-koppen, kwam er lusteloosheid in het donkere rumoer van z’n anders felle kijkers. En dóór bleef iets weenen in z’n schorre, àffe stem. Geen van de drieste, in zweet afgebeulde werkers, in de havenhitte, broeiig opééngepropt als groote verbaasde kinderen, loerend, loerend,—die iets merkte van Jood’s vermoeienis. Z’n handgebaren gingen mee, moè, afgetobd, met z’n stem, elk woord afhakkend, om duidelijk te zijn, verstaan te worden, vreemd-zangerigen, verkeerden klemtoon-druk op èlk woord neerdreunend.—Boertjes, tuinders en meiden stonden te dringen, te zweeten, te blazen in de hitte, maar al meer landvolk propte zich dichter, vaster om z’n tafeltje, gevangen door z’n schijn-gratie, z’n zeg-vuur en opgewektheid.Van alle kanten begluurden ze den Jood, klaar om ’m te steenigen als ie hen bedroog. ’n Paar jochies zwierden òver koppenkring heen, palraak, hem vuile groentenstronken in ’t gezicht, en kinders gilden plots, boven ’t marktgeroes uit: smaus! dief!.… rotte joòd!Even keek ie naar de kereltjes, gooide de koolstronken, die smoezelig op z’n tafel neervlerkten, achter z’n kruk, lachte stil, ironisch-droevig.—Plots lichtte ie z’n grooten donkeren hoed, beleefd van zwartkrulligen kop, groette in tooneelbreed gebaar, schreeuwde uit, woord-afstootend in zangrigen dreun vervolgend.—Hooggè.… wààrdeerd pùbliek.. Ik heb.… den bijzonderèn èèren mij-zelffers ààn Uw.… voor tè stellèn.… Ik ben.… tandhéélkundigèn … mijn naam is … Jaack Ròzel … woonàchtig.… sedèrt.… drie-en veertig jàren.… te Rottèrdam.… nùummééroo zès-en-zèstig.… alwàar ik.… prakkiseer.… sedert veertig.… jarèn.—Ik ben.… dèn zoon[105]van dèn.… èx-èx-professor.… te Montabilie, gènaamd.… Jaack Ròzel, seni-or.… waarvàn ik.… den eer heb.… den èchten, den eenigèn afstammèlingg.… tè-zijn.… Ik represènteer.. zijnen.… nagedàchtenis.… en verkondig den volken.. zijn sàluut!Even rustte z’n stem, doodop, als stervend in z’n schorre keel. Rond z’n luisterkring lawaaide herriestroom van karren, kisten, kerels, gierden honden.—’n Paar boeren met goudrooiige kaasjes op grooten wagen, duwden tegen den kring in, schreeuwend en roepend, òp van inspannenden sjouw. Gevloek en getier sloeg terug, over kerels en meiden heen, opzij gedrongen uit kijkkring. Duw-kerels raasden en spogen naar den Jood, die deed alsof ie niet hoorde. Even zacht, sloot ie de oogen, mijmerend in zichzelf. Plots sperde z’n mond weer, ging uitgekrulde zwarte knevel in lippendans heen en weer, op den burlesken donkeren kop; stootten z’n woorden weer in zangdreun, met den angstig-schorren klank-moeën stemmebeef:—Mijn bèroep, geàcht pùbliek is te zijn tandheelkùndigèn.. Ik.… genees.… àllen tant-, àllen mond-, àllen kies-, àllen keel-, àllen verhemelten-, àllen reumatièken pijnen.… Ik.. gènees àllen zinkes.… àllen koòrtsèn, àllen aandoèningèn.… en … stòringèn.… gèlijk gij dat.… ondèrvindt.… van profèssèuren.… gèlijk gij mààr.… wilt.… luistèrèn!—Plots daalde z’n stem tot zacht-vibreerend gespreek, doordringend, duidelijk te verstaan toch, in den doodstillen kring, waarachter de markt raasde, tierde, smakte en donderde, àl verder, met heet geluid van duizenden mokerslagen op aambeeldstaal.——Noemt mìj.… éénen.… leugènààr.… noemt mìj.… éénen.… bedrièger.… éénen galèiboef.… indien ik.… ù niet … den geëèrden argumènten … toon … Maaààrrrr!!.… stootte in één, ùit de zacht-vibreerende spreektoon z’n stem plots hevig òp,—àllen profèssèuren.… àllen doktòren.… àllen tandheelkundigen, àllen verlòs-, àllen heèl-, àllen gèneeskundigen.… kènnen.… Jaack Ròzel, Jaack Ròzel, den éénigen.… en èchten.… afstammèlingg vàn.… Profèsseur.…[106]Jaack Ròzel.… Senì-or.… zijnèn vàder.. te Montabilie.… begràven.… mèt mùziek.… en militairen eèren.. Allen kennèn.… Jaack Ròzel.… Juni-or!.… wien ik.… dèn eèren heb.… hièr tè zijn.… Voor wièn ik.… Hedèn.. mijn beproèvingen.… zal amploi-jèèren!.…In kring van luisteraars en loenschige kijkers, bot en verbaasd òpstarend naar den kwakzalver, was groote stilte-spanning gezakt. En achter den aangroeienden menschprop, in kring vastzuigend een aan den ander, zwol het hondengeraas als hellegekerm; ratelden en hotsten de karren, rauwden in krijsch en hurrie kroeggangers en sjouwers. Vreemd in bleeker goud, stonden huisruiten achter boomlommer uitgebrànd. Er vòòr krioelden nog tentwagens, karren, paarden, ezeltjes, vrouwen en kinders, scharrelaars met kippenmanden en lichtbekleurde vogelenkooitjes. Aardbeizoet bleef zwoelen, overal rond. Telkens uit de kroegen doken koppen òp, onder ’t lommergroen uit,—waar ’t nu dampte van stanken en broeinevel—opdringend in woesten stoei naar den Jood.—In strammen staar bleef kring om ’m heengepropt, loerig wachtend op z’n proeven, maar voortschorde, scherp, droog, z’n stem, gemarteld van moeheid.——Ik.… Jaack Ròzel, woonàchtig te Rottèrdam, gènees U.… van àllen pijnèn, àllen wervèl-, àllen gezichtspijnèn, van kràmpèn.… zoòwel àls van kolièkèn.… van klièrèen.… zoòwel.. als.. vàn verzwèeringèn.… van spierpijnèn, van pèèspijnèn, van likdoòrnpijnen.… van gezwelpijnen, zòòwel als van abscespijnèn.… En ziet toe!.. Hooggèwààrdeerd.. pùbliek.… zièt toe!.. Ik gènees allès met hèt.… kostbàren vocht vàn.… Valura.… in dezèn fleschjès.. saamgèperst.—In groote omzichtigheid tastte ie met één hand in z’n tasch, haalde er flakons, in vloeipapier uit. Hoffelijk buigend weer voor z’n gehoor, ironietrek verborgen om z’n breeën donkeren mond, nam ie gratielijk z’n hoed af, stootte schor-rauw uit:—Mijn gè-acht.. en hoog-gè.. waàrdeerd.… pùbliek.… met dit.… vocht.… van Valura.… geneès ik.… wondèren!.… Met dit vocht.… hebikreeds.. genèzen.… dèn[107]kòning van Itali-en.… dèn koningin van Spanje.… dèn oud-kroonprins van Groenland.… den princes van Montàbilie.… den èrfgraaf van Havana.… dèn rèsident van Djòkjo.. kàrta.… dèn dekens.. èn dèn.… bisschoppen van Ròmana.. Mèt dit.… duurzàmen.… vocht.… mijnèn.… geëerden hoordèrs.… verricht ik.… geneesingen.… dien gèèn.… doktèr.… gèèn tàndheelkùndigen, gèèn chirùrgein.… gèèn àrts.… gèèn profèsseur, gèèn spiritist,gèènhypnotiseur, gèèn fàkir, gèèn Bedouien, gèèn Arabier, gèèn Israelièt.… gèèn Christèn.… gèèn Moor, gèèn Zweed, gèèn Spanjool, gèèn Fransch-, gèèn Duitsch-, gèèn Engelschmàn mijn kunnèn.… na-verrichten!.… Maaààrrrr!.… mijnèn vrienden.… Eenigèn.… druppèls, van dit.… duurzàmen vòcht.… in dèn mond.… eenigen roersèlen in dèn gehemèlten gehoudèn.… daarnà hèt vocht.… uitgespògen.… dèn mond.… nagèspoeld met koud water.… èn wèg.… èènsklaps zijn àllen pijnen, àllen koortsen, àllen zinkèns.… Maaààrrrr! aanstonds mijnen heèren!.. en mijnèn damès.… aanstònds.. zàl ik.. onder.. uwèn.… geëerden.… aanwezigheid.… dien er.… mààr wil.… den proef laten nèmen.… Ik bèn.… Jaack Ròzel.… Juni-or.… woonàchtig te Rottèr-dam.… Reeds sedert.… veertig jàren.… trek ik.. zònder pijnèn.. en zonder geldèn!.… graties!.… voor-niets-niemèndal!.… Alleen vòòr dit.… flèschje.… betaalt gij.…—Dat-wil-zeggen.… Ik ben.… hier niet.… gekomèn.… om wat.… te verdiènen.… maar.. òm dèn.. menschèn.. te bewijzen.… een weldààd.… Maarrr!!.… al zoudt.. gij mij.… vijfèn.… twintig guldèn.… willen gevèn.… ik zou dezèn.… niet akcepteeren.… Ik bèn hier.… òm ù.… van dienst tè zijn.. Alleenig daarom!—Dit vocht.… van Valura.… spéciaal.. bèreid van gè.. heime sappèn.… òntdekt.… ten tijdèn.… vàn het.… middernachtelijk uur.… door mijnèn.… vader.. profèsseur te Montabilie.… door zijnèn.… handèn.… den handèn.… van Jaack Ròzel.… Seni-or.… dit vocht.… met zijn.…. geheimen sàppen.… kùnt gij.… krijgèn.… Maaààrrrr! nièt voor.. dèn prijs.… van vijf-en.… twintig..[108]gulden.… Voorgèèntwintig.… gèèn vijftien.… gèèn tien.. gèèn negèn.… gèèn acht.… gèèn zevèn, gèèn zes.… gèèn vijf.… gèèn vier.… gèèn drie.… gèèn twee.… gèèn één gulden.… Maaààrrrr! dit vocht.… waarmeè ik.… genees.. àllen zinkèns.… àllen koòrtsen.… àllen keèl, àllen tant.. àllen maàg, àllen ingèwandspijnen, dit vocht.… kost slèchts.. dèn prijs vàn.… vijf-èn-twintigcenten.… En al.… woudt gij.… mij nu gèven.… na te hebben.… gèzien.… den wondèren van mijn wèrken.… op hèt lijf en den ledèn.… den pezèn en den spierèn van iederèn persoonaadjen.… al woudt gìj.… mij betalèn den blootèn sommà van vijf-èn-twintig.. guldèn.…ikzou.… hèt.… niet.… aanvaardèn.… omdat ik.… een weldààd.… voor den armen bèdoel.…—Even hijgde ie uit. Ronddaverend geratel was achter z’n kring heengedonderd, dat ie sterker z’n stem moest uitzetten.—Z’n gezicht glom van zweet, stond grauw van vermoeienis. Toch probeerde ie door te spreken met cier, hoogdravend in zinwending, langzaam, als uitrustend bij elk woord, overdreven in hoflijke geaffekteerdheid, alle woorden afstootend met zware „’n”. Weer had ie deftig z’n hoed van ’t hoofd gelicht, sprak ie ’t landvolk toe, meiden gapend van verbazing, kerels loenschend en heet op proeven.—Hier en daar, midden in en vooraan in den kring, stonden jongens en kerels met hand aan den mond gedrukt, zacht-kermend van pijn, gloeiend in hoop nu, van hun smart verlost te worden. Er begon wat bangelijk geloof en verschrikte suggestie in den menschklont rond te gaan. Dat voelde de Jood, zacht-triomfeerend met ingehouen ironielach.Zon, al lager, verfde gouïge glanzen nu op de luisterkoppen, en tèlkens drong nauwer òp de groep, om tandentrekker.—Zachte, plechtige verschuivingen van lijven en gezichten, armen en rompen, wurmden paffend in den kring, waar tusschen snikhitte dampte. Gezichten stramden strak, van vrouwen en kerels, nek-achterover, in òpstaar naar den al sterker suggereerenden Jood, in luisterspanning; koppen staarden, van jongens en kinders, waarop ’t late licht wondere schijnsels weefde in legendarischen gloed.[109]Karren ratelbonkten nu al verder van den kwakzalver af, die al breeder omsloten stond in kring, en sterker stootten z’n woorden òp, schorde z’n moe geluid, afgetobd en bevend:—Maaààrrrr! nu.. Hoogè-eerd.. pùbliek.… Is er.… een-ònder u.… die soùffreert.… aan pijnèn.… ’t zij zinkens, ’t zij koòrtsen, ’t zij rheumà-tiek in dèn mond.… het strottenhoofd.… hij komèn.… tot mij.… opdat.… ik hèm.… òp slag gènees.… onmiddèlijk.… Ik ben.… Jaack Ròzel.. Juni-or.… heeren en dames!.… zoon vàn.… profèsseur.. Ròzel.… Seni-or.… woonàchtig tè.… Montàbilie.… Maaààrrrr!.. ieder.. dien nù.… lijdendèn is ààn pijnèn.… ’t zij oòrpijn, ’t zij.. wàng- ’t zij keèlpijn.… hij komèn.… tot mij!.… Mijnèn.… vriendèn.… en ik.… zal hèm.… dadèlijk.… genè-zen.… zonder smàrten.… met dit.… geheimen.… wondèr vocht.… van Valura!.… Laàt u.… hèden.. niet terughoùden, door.… àngsten of.… valschèn.. schaamtèn’s.… Want ìk trek.… zònder pijnèn.… en zònder àngsten.…Twee opgeschoten slungels en ’n knecht-tuinder wrongen zich uit den knellenden prop los, gingen bleuerig en gemaakt-lacherig voor de tafel staan. Een blondharige jongen had onder elken arm ’n dik kaasje gekneld.—Uit z’n jekkerzakken bochelden goud-glanzende punten van komkommers. Met suggestieve kracht keek de Jood van z’n kruk op hen neer, door-oreerend toch tot publiek, zonder de patiënten iets te zeggen, manouvreerend den kring rond met z’n fleschjes. En donkerder figuurde z’n mager lang lijf tegen het late luchtruim, hoog-eenzaam op z’n kruk, in de afzakkende havenherrie, in den zwoeg van karren naar booten.—Hei Jansse, hai hep ’t op sain ruijker!.… t’met stol ie.. je koàsies.… kaik de fint se klietere onder sain oàrreme!.. schreeuwde Dirk, telkens aan z’n wang voelend of ie ook t’met geen kiespijn voelde. Dan kon ’t nou toch beure feur niks.—Maar de Jood zangdreunde voort.—Nièmand.. mijnèn vriendèn.… behoeft dit.. te koopèn.. àls hij.… niet dèn.. proevèn.… heeft gèzien.… gelukkèn..[110]Komt ééns hier.… gij vriend.. ja!.. lèg u.. kaasjès.. mààr neder!—Komp nou op de koffie hee?.… die bi’-je t’met kwait, schreeuwde één heesch, uit de menschenprop.—Leg.. uw.… kaasjès.… maar hier.… nèder!.. mijn vriend.… Hun zal.. gèèn leed u geschiedèn.… Neen! kom niet.… àllen drie!.… tegèlijk.. Gij àlleen.. ja.. laat ùw kazèn.. mààr los!.. weès niet.. zoo bèvreesd.… Gij.… àlzoo!.. juist.. hier!.. maar.. op dèn straat.. jongèn vriend.Wat schèèlt u?… en waar mààkt gij.… u bezòrgd ovèr? Zeg hèt mij gerust.—Nou?.… joa kaik.… doàr.… achteràn.… in main bek hee?.… aarzelde bleekig van angst en verlegenheid de slungel, die bangelijk z’n kazen op de straat had gezet, er telkens naar glunderend, of iemand in den kring ze ook vergoochelde.—Hoe is ùw.. naam.… jòngèn.. vriend?.. èn waar.. woònt gij?.…Van z’n stoelhoogte had tandentrekker zich voorover gebukt naar den beschroomden slungel, die met open mond, wijd gesperd, wat terug stamelde op z’n vragen, terwijl de Jood, ingezakt, beenen gekromd, ’n vies tangetje tegen de rottig-groene tanden van den jongen aantikkerde.—Hier zit hij.. niet waar vriènd?.. juist.. dèzen.. juist dèzen.… dien doet u.. pijn? niet jongèling?.…Harder tikte ie tegen ’n bovenkies áán, en de jongen, beverig van pijn en benauwing, met z’n kop in den nek gedrukt, z’n schonkige schouders van angstigheid hoog-scheef opgetrokken, oogen duizelig hemelruim instarend, schokkerde, kwijlde op Jood’s hand, stotterde wat woorden, achter gerommel van vuilroestige tangetje, dat z’n mond inwoelde.——Hier hèbt gij.… pijn nièt?.…—Nou.… nou.… auw!.… ik f’rek puur fé’ pain!.…—Zekèr.. vriend!.. stil moàr! Houd ùw hoofd.. wat hoogèr!.…De twee andere patiënten, bleven gejaagd kijken, van den[111]jood naar den slungel. Spannende angststilte hijgde door heel de menschenprop.—Geef dit, tangètje ééns aan, gij vriend!—Hoekke motte ’t weuse?.… stamelde de gevraagde verlegen.—Dutte! dutte!—krijschte ’n andere er zenuwachtig schreeuwerig doorheen. Maar de Jood had zich, ongeduldig, zelf teruggebukt achter de tasch, z’n halven vuist in den gaapmond van den slungel stekend. Handig, uit z’n vuile rommel greep ie ’n kort-dikke tang, met roestige snavelkromming.——Kaik.. dat is weer ’n aêre!.. schreeuwde bang één uit den kring.—Wá’ he’k main slinger!.… dá’ kost ’m sain heule stal!.. lolde zenuwachtig ’n ander.…—F’rskeur nou je pampiere moar.. Joap Jansse!.. gilde ’n meid.—Kom bai màin op de koffie Joàp!.…Maar Jood bleef kalm, hield z’n tang op de tong van z’n patient gedrukt, keerde zich deftig naar het publiek, dopte weer hoofsch, met sierlijk groetgebaar, liet den slungel gapend, den kop diep den nek ingekrampt en sprak:—Hooggè-waàrdeerd pùbliek.… gèachten.… vriendèn.. Ziet toè! gètroost uwèn.… geëerden oogèn.… den kòst.… te gevèn.… ziet toè … hoe mijn … vocht vàn … Valura.… wondèren.… uitrichten.… zal.… Dezen jongen vriend.… ùwen vriend, heeft.. hevigèn kièspijn.… koortsèn.… en zinkès.… van wegèn.… den verròtting.… èèns kies.… nièt waàr vriend? Gij lijdt.… gij hebt.… duldeloòzèn.. smarten.… in dèn ochtend.… wanneer gij.. u ten rùsten bègeeft, òp ùwen.. legerstedèn.…—Nou furt dan.… furt!.. furt!!.. ik f’rek fè pain.… stamelde woedend de slungel, ’t hoofd nog achterover gebukt, klein gesuggereerd in houding, roerloos, als zou ’m de Jood, bij kleinste beweging, begoochelen. Maar kalm weer, boorde blik van den kwakzalver op z’n angst-slachtoffer neer, en dòòr stootten z’n afgebroken woorden:[112]—Gij hoort hèt.… gèacht pùbliek.… ùw vriend lijdt.. pijnèn … smàrtèn … zièt toe … hoe ik … dezen.. jonggèling.. éénigen.… dròppels.… van dìt.… gèheimèn.… vocht toèdien.… zièdaar!.. mijn jeugdigèn vriend! neemt èèns, een slòkje en spoelt u, op dèn plek.. ùws pijns.… Maar houdt hèt.… geheimèn sap over.. uwen gànschen.. tong vèrspreid. Zoò juist! En nu.… ter exploiteering der kràchten.… vàn mijn … geheimen Valurasavochten … blijkt dit … koelen vocht saamgèsteld.… uit bestanddeèlen van wònderen.… dien ik niet.. zeggèn mag!.… Maaààrrrr! waarmeden.… ik allen.. pijnen.… gènees.. bij koningen en princen.… gravèn.. en baronnen.… tot bij den vòlken.… van dèn.. laagsten ràng..Ik zeg nù.… tòt u.… gij jòngen vriend! neemt dit.… koelen vòcht van Valura.. en laat hèt één oogènblik liggèn.. in den hoèken uws gebeentens, op dèn plek.. ùws pijns.. en gij zult nièts meer.… voelen. Dèn pijn.. zàl zijn.. verdwènen.… en nooit wèder.. kèèrèn.… Alzóó.… spuw nù uit.. mijn jeugdìgèn.… vriend.… het speeksel.. ùws monds.… Schaamt ù niet.… voor ùws.. gelijkèn.. èn uwèn mindèren.. Zòò juist.… Drink nù eens.… één slok.… vàn dit.… ijskoud heràldisch wàter.… dat is heraldischen spijzèn.… vàn oòrsprong. Egyptisch.… zòò juist!.… spoel daarmèden uit.… den ònreinhèden.… uws lichaams.… spoelt dàt.… àlles, dat meèleed aan uwen.… spieren.… en pezen.… gewrichten.… en gebeènten.… laat uwèn … mond verkoelen.… èn wèg.… wèg.… èènsklaps.… zijn àllen pijnèn!Spreektvriend.…spreekt.… hoe.… voelt gij.… u? Waar is ùw.… pijn?… Waar?… zoo éénsklaps verdwènèn?.… Sprèèk!.… sprèèk!.…Slungel, met uitgespoelden, smakkenden mond, stond beteuterd, keek sip rond, als zocht ie naar de pijn, verbluft … Angstig ’t eerst, greep ie naar de kaasjes op de straat, voelde in z’n zak naar z’n komkommers.—Welnu.… jeugdigèn vriend.. sprèèkt—bid ìk u.… spreekt tòt u.… gèlijken.… tòt uw naasten.… vriendèn en maagdèn.… en zèg hèn.. dat Jaack Ròzel Juni-òr.. woonachtig..[113]te Rottèrdam.. Wagestraat zes en zestìg.… uw eensklàps.. heeft genezèn.… van àllen pijnen.… àllen smarten.… àllen zinkens.… àllen rheumatismen.… waarmedèn.… uw aangèzicht.… bezwangèrd wàs.… Spréékt!… Hebt gij pijn? nù nog?—Nou f’vloekt.… nou hè’k puur main droai … dut is d’r tùg ’n meroàkel!.. ikke voel puur niks meer.. niks!..Verbaasd drukte ie z’n hand op z’n kies, om te voelen of ie ’r nog zat. Triomf vonkte er in oogendonker van zwarten Jood. Deftig z’n hoed lichtend van den kop, met ciergebaar, vèr groetend en buigend lichtelijk voor den kring, krijschte plots z’n stem, heftig:—Maaààrrrr!!.… nu zièt gij.… dat hèt wònder.. heeft plaats.. gègrepén.… Dezèn jeugdigèn vriend.… door mij àànschouwt.… begeeft zich tòt mij.… zoekend.… naar genèzing.… van dèn martelingèn.… des kiespijns.… Hij komt tòt mij.… uw allèr vriend.… met dèn hand.. aan dèn mond.. een gèzicht.… vertròkken vàn smart.. En ik.. naar gij zaagt.… geeft hèm.… eenìgen druppèllèn.… van mijn vocht … En éénen.… minuut.… staat hij hier.… hij drinkt vàn dit.… ijskoud heraldisch wàter.… en spoelt zich.… ònder … mijn toezicht.… En eensklaps … weg … is àllen … pijnen.… àllen koortsen.… Onthoudt nù.… geëerden menschen.… dàt hij èènen.… mìnuut.… voor hij.… hier kwaamt.… voòr mijnèn tafel.… nog hinkten.… nog jammerden en weènden.… van smàrten.…En spreekt nù.… weer jonggèlingg!… En zeg.… niets.. dàn dèn.. waàrheid.… àlleen en uitsluitend den wààrheid!..Moor-Jood keek doordringend den slungel aan, die maar knikte van ja, ja, verlegen, sip, met z’n kaasjes weer stevig onder de armen gekneld. Uit z’n twee logge jekkerzakken, onder z’n ellebogen, drongen hooger z’n geel-glanzende komkommerpunten. Komisch verbluft, draaide ie om de kruk rond, staarde ie òp naar den Jood, knikte en stamelde tegen de menschen, dat ie heelemaal niks meer voelde..—Debies, dutte is d’r puur ’n meroakel, riep Dirk Hassel[114]extatisch, spijtig dat ie geen pijn had, om ook ereis te probeeren of ’t echt was.—Nou.. die hep ’r ook ’n knikker, wees een, met ontzaggebaar naar ’t hoofd van den Jood.—Aa’s ’t gain mesièk is!.…—Mesiek! mesiek! onderbrak een giftig.… en je sien ’t puur veur je aige lampies.… die vent hep rekloàme neùdig!.. mô joù hebbe.—Tu tu tu.… sou d’r rais kaike.… mi’ de aêre hee!..Verblufte aanhangers had Jood al en woest werd ongeloovige twijfelaar naar achter geduwd, met voettrappen en elleboog-stooten. Er ging gestommel en geschreeuw; kerels en meiden bliezen van de hitte.. krijschten ruig en paf-moe: daa’s puur ’n stookie hier!.… wa’ hitte!.… Maar Jood lachte stil, deftig doorgebarend, hoed in de hand. Verbluft verstierven de stemmen uit den kring, rumoerloos in luister.—Al dichter kringde menschenprop om kwakzalver heen en verder af daverde ’t kargebonk, gehots en geratel, om z’n kruk.——En nu gij.. mijn vriend.. wat dèèrt u?..’n Woeste kerel, ruw uit verlegenheid strompelde vóór, met z’n pet in de hand, zweetharen over voorhoofd plat-verkruld, nattig glanzend. Wijd sperde ie z’n mond open, spoog ’n pruim voor de kruk, in klownig gebaar, dat ze schaterden in den kring. Z’n lippen, nog bruinend van pruimsap, smeerde ie woest af met handrug. Wild z’n hoofd achteruit, strammend den nek in, gaapte ie als ’n nijlpaard, zonder ’n woord te zeggen, z’n handen mèt pet, nù in z’n broekzakken saâm-gevuist.—Jood keek, streng, donker, met één hand nog lager achterhoofd van kerel den nek indrukkend.—Hoe heet gij.. vriend? wat dèèrt u?.. waar woònt gij?—Da’ flop niks!.. waa’k hiet hee?.. aa’s jai main d’r moàr vèn furt holp, hee?.… barstte de vent woest-lachend uit, main heule bek is t’met rot.… de heule femielje sit dur in te kniese hee? en nou ke’k dur nie eens main flees an toàfel vèn baite.… hee?..Schatergelach uit den kring barstte los om den brutalen[115]schooier, van wien ieder wist dat ie noòit vleesch zag.—Kerel, aangestooten door ’t lachen, lolde zenuwachtig-schel door, om zich van z’n eigen verlegenheid en benauwing af te helpen. Door de menschenprop joeg weer drift. Nauwer drongen kerels en meiden naar ’t tafeltje òp.—Brallend gekrijsch uit den troep gierde uit:—La’ jai je nie naime Piet!.… aa’s t’r pain is mo je.… f’rdomd,.… mo’ je ’t uitskraife.… aa’s ’n kerel!—Nou.… da’ kaa’n je op toetere!.… riep ie driftig, op en neer wippend z’n kaken, terwijl tandentrekker telkens een tangsnavel z’n mond induwde, scherp loerend den beweeglijken donkeren gaapmond in.—Ja vriend.… indièn gij.… ù niet rustig houdèn kùnt, gedurèndèn een kortèn poosèn zal ìk u.… moetèn opgèvèn.—Nou seg … hep gain loàrie … ik stoan t’met aa’s ’n poal! furt! furt nou.… debies!.…Wijder sperde tuindersknecht z’n mond en strenger, in tanggerammel, keek kwakzalver er in. Sierlijker en geaffekteerder wellustte z’n schorre stem hoogdravend gepraat uit.——Ja vriènd.… in dit gèval, bij dèn staat ùws monds.. zal één kies.… verwijdèrd.… moetèn worden.—Wil èvèn.. uw geëerden nek achtèruit dringen,… Zòò.. juist zòò!.… Ik zal u.. trekkèn geheel zonder pijnèn.… zoòals.. Jaack Ròzel altijd trekt.… zondèr.… schokkèn.… zonder stòòten.… zonder smartèn.… zondèr soufrànsèn.…Doodstil loerde de kijkkring op z’n handen. Achterstaanders rekten zich op teenen, om beter te kunnen zien. Kalm draaide de Jood van z’n verroest grimmig stelletje, beplast met water uit ’n glas, een grooter snaveltang los, rood van roest.—Even boog ie in, z’n lichaam, sperde met één hand den mond, drukte plots haastig, de tang in donker gaapgat vóór ’m, verplaatste andere hand in bliksemsnel beweeg, achter den nek van den kerel, die òpstaarde hemelwijdte in, met gespannen kop, woest-verwrongen, donker-harig.—In één draairuk trok Jood de kies er uit, terwijl de kerel nog z’n kop naar achter hield gekrampt, niet beseffend dat ie al geholpen was. Zonder den[116]patient tijd te gunnen tot spreken, zeide jood kort en suggereerend:—En nu.… drink! dit ijskoud heràldisch watèr.… vèrmengd.… met vocht.… van Valura.… En wèg is.. àllen pijn.… èènsklàps! En nu.… spréékt ook gij vriend!.… Hèbt gij wat gèvoeld?.… bij hèt trekkèn? Sprèèk?.… zeg slechts.… den vollèn wààrheid!Woest-harige kop, ook van dèzen patient stond gebluft naar den Jood op te staren. Niets, niets had ie gevoeld, geen sikkepit.Toen ie dacht dat ’t nog beginnen moest, was ie al klaar.…En nou stond de trekker daar voor ’m, met z’n eigen bebloede kies in de tang..—Gô sa’ main kroàke!.… daa’s puur ’n meroakel.… viel ie uit, in kringetjes bloedspuwend rond z’n beenen.… f’rduufeld.… hai jai sàin doàr te pakke hee?… Heerekristis waa’n kanjer hee?.… dut is dur puur ’n meroakel!—Spuug slèchts.. in dezèn bèkèr.… èn drink.. nog één slok … van Valura.… àlles gratiès.… Dit vocht.… dit ijskoud watèr.… het trekkèn!.… Houdt dit vocht.. éénen mìnuut in ùws mond.… op dén plek ùws pijns.… zonder.. te sprekèn.… zondèr.… ù te … bewègèn … laat koelen.… ùwes mond.… uws zenùwen.… uwen verhemèlten, uwèn spierèn, uwèn pezèn, uwén gebèèntèn.… en weg is uwèn smart.… weg uwèn lijdèn!.…Twee minuten lang oreerde de kwakzalver weer door, al deftiger, hoogdravender, voelend z’n stijgender invloed op ’t bokkige, eerst scheldende publiek. De woeste kerel, stond onder ’m, met opgeblazen wangen, ’t vocht speelsch rond te spoelen in z’n mond, doodstil in één houding, bestaard, met ontzag, door heel den kijkkring.——Spuug nù uit, vriend, èn spreek!.… tot ùw maagden.. en makkèrs.… spreekt.. en zèg.. niets dàn den.. wààrheid.. Spréékt.. Drink nog éénen keer.. vàn dit.… ijskoùd wàter.. En zeg dàn.… of gij pijn hèbt … Zeg dèn … vollèn wààrheid aan uws gelijkèn.… aan uwèn meerdèren.… en mindèren.. spreekt.. hebt gij pijn?.…[117]—Gain spier! f’rdomd.… of ’k mot ’t liege hee? Jeesekrim! meroakel.… daa’s òplucht!.…—Hai jai gain spier pain Piet? schreeuwde een.——Gain spier!—En hep ie je nie van mékoàr hoald?—Saa’k f’rbrande.… aa’s ’k wâ voelt hep hee? snó’f’rjenne moat.… daa’s de weg noà de haimel hoor!.… Jemikremi!Maar Jood bleef stil even van z’n hoogte loeren met z’n gitpupillen op Piet gestard, en toen juichend den kring rond, hoed in den hand, schorde en stootte z’n stem weer:—Gij àllen.. ziet hèt.… hooggè.. eerd pùbliek.… Ik ben gèèn.… leugènaar.. ik ben gèèn.… bedrièger.… ik ben.… gèèn.… galeiboef.… gèèn Chamberlain.. gèèn Rhodes!.… Hier vòòr u.… staat dèn.. èchtèn den èenigèn.. afstammèling van Profèsseur.… Jaack Ròzel.… Seni-òr.. woònachtig te Montabilie.… in zijn leven.. en strevèn.… op het rotsgebergte van Zuid-Amerika, alwààr hij.… de Sioux’s de Panie-ews!.. de Irokeèzèn, gràties hielp.… gèlijk ik.… dat ù doe.… Hier staat hij dan, in dèn.. levendèn lijven.. Gij ziet hèt.. gij hoort.. hèt.. gij rùikt het.. gij vernèèmt het.. gij beproèft het.… Hij gèneest.… ùwen maagden.… uwen vrièndèn.… uwèn kindèrèn.… Hij is.. den èenigèn.. Jaack Ròzel òp den ganschen wèèreld.. die hier komt om u.. te bewijzèn.. een weldààd.. Hij is.. tèr naam en tèr faam.… bèkend en spèciaal bè-vriend met àllen doktorèn.. professeùren, met àllen genèès-, hèèl-, verloskundigèn des heelen ààrdkloot.… En hij rèist den wèreld door mèt hèt vocht.… van Valura.… en den.… profesòren àchter hèm áán! En hij trekt.… gansch zondèr pijnen.… Hebt gij niet.… gèzien.. dat ik.… hier stàànden.… voor drie màànden.… twee lammen, van wien ik den krukken.… over dèn.… knieën, stuk bràk.… ter aarden.… wièrp,.… hen bèstreek … met hèt vocht.… van Valura.… èn zij.. van mijn tafél, weer loopènden vertrokken,.… rècht op!.… slank en elègant.… gelijk chiraffen.… En hebt gij niet-gezien.… dàt ik.… ùw vriend.… hiernèvens … trok-zòndèr … dàt één … spier vàn[118]zijn.… gèlaat vèrtrok.… en dàt hij.. nu zelf.. bèweert en bèvestigt gèèn pijn te hebbèn.… gèvoeld? Zoo genees ik lammèn.… blinddèn.… doovèn.… rheumatieken.… met mijnèn wonderdruppels.. mijn vocht.. van Valura … Nu zal ik nog dezen.… vriend helpen.… en dan zal ik vertrekkèn.. uit hoofden en onherroepelijk.. zonder àànziens des persònen, na te hebben.… aangebodèn.. laatsten vòòrraad.…Weer bedremmeld stond een derde kerel voor ’m, mond wijd open. Zacht beduidde hij den jongen, dat ie niet noodig had getrokken te worden. Ook hém liet ie spoelen met zijn Valura, en onderhands haalde ie flakons uit z’n tasch in vloeipapiertjes verpakt.—Weer aarzelde verbluffing rond, in den verhitten kijkprop van tuinderskerels en meiden, sjouwers en vrouwen, want weer stamelde de kerel, na twee minuten ’t vocht in z’n kies te hebben gezogen, dat ie geen pijn meer voelde.—Naar alle kanten werd ie getrokken en verbluft knikte, stamelde ie uit, nergens pijn meer te voelen.——Dat wondèr voor dén prijs.. van vijf èn twintig cènt!Geen woord kon Moor-Jood meer uitbrengen van vermoeienis. Het zweet drupte als stijfselkorrels vettig op z’n donker hoofd. Van drie kanten uit den kring, drongen lijven òp, grijp-armen vooruit, hoog naar ’t tafeltje. Meer niet. Gezicht van den Moor-Jood betrok, zenuwachtig, spijtig, alsof ’r ’n huil draaide rond z’n mond. Maar toch beheerschte ie zich, sprak ie weer met afgetobder, heescher geluid.Eindelijk, de geholpen kerels, waren weer den kring ingesjokkerd, schouerbonkend, getrokken en gesleurd, babbelden en schreeuwden ze met ondervragers mee. Wantrouwig landvolkje, beduusd en vergaapt, kwam in beweging. Weer had de Jood getoeterd, schel en hoornhoog den hemel in, spattend z’n klanken, schuimend tegen opsteigerend gewoel, en weer zwaaide ie z’n brandende toortsen tegen al donkerder luchtgoud. Er kwam beweging, woeling in den menschprop, uit elkaar brokkeling van broeierige kluiten. Telkens, slechts twee, drie tegelijk, drongen naar de kruk, met ’t kwartje klaar in de hoog gerekte hand. En drukker stalde ie z’n flakons uit, zalig-wachtend[119]op uitwerking van z’n wond’re woorden en proeven.—Sneller drongen de lijven en armen òp, dat ie nieuwe voorraad uit z’n tasch moest halen. Rapper z’n handen graaiden in den tasch-muil, z’n donkere kop lachte, tegen ’t licht in, burlesk, ironisch, onmerkbaar bijna.—Nu zòng z’n stem met klank van zalvende zekerheid:—Een iedèr.. dièn lijdt.… ’t zij aan zinkèns.. ’t zij aan koortsèn.… ’t zij aan wondèn, blindheid.. doòfheid.. làmheid.… ik help hèm.… ook zondèr gèl-den.…Trager trok kring om ’m los. Meer en méér handen grepen, naar z’n hooge tafel, dat ’n stapel kwartjes tusschen z’n tangen ophoopte.—Z’n oogen git-glanzigden, lachten, vonkten.—Eindelijk stopte ie. Zwaar gedaver en laatst gewoel dromde langs z’n tafel achter z’n kruk. Nou wou ie ook een ’n glas bier gaan drinken. Z’n keel brandde van rauwen krijsch en pijn. Eerbiedig weken de kerels voor den lang-mageren Moor-Jood, met z’n angst donkeren kop, z’n streng borenden blik, z’n kalmte. Even z’n schouders, in krommige lijn opgehaald, ging z’n lang lichaam tusschen de sjofele sjouwers en tuinders, z’n zwart-bleeke kop, prachtig beglansd in lichtwaas. Geheimzinnig in donkeren staar, schoof ie voort tusschen de botte kerels, zich-zelf voelend als ’n Cagliostro in zuidelijke gratie en suggestie.—In eindloozen koepel, blauw-bleek glanzend, rondgestold in ontzaglijken hemelkring boven havenbrok en polder, wuifden struisveerige wolken, zilverzij-licht, en ver, heel naar den horizon, tusschen violette neveling van spitsjes en daakjes, bouwde de lucht porceleinen torens van lichtwolken, slank, met fonkelende tinnen.Menschenprop was weggebrokkeld, nu kwakzalver bier dronk in rookige walmkroeg.—Daverend roezemoes ratelhotste in ’t zonnezinken als ging er hellevaart rond in Wiereland; begloeid en beglansd stedeke, met z’n hel-rood en zilver leigedak in vervloeienden goud-roes van eindloos polderruim.—Op en af de booten ging ’t weer in laatsten ploetersjouw en[120]afhitsende werkkoorts als hadden de kerels zich verzuimd met luistering naar den Jood.Woester stormden de kroegen leeg en vol.—Verhitte zuipdrift stramde de koppen, en zwaarder, paffender in ’t zomerbrio, doorregenden geuren en stanken de haven; verklonk in rommelende donkerte ’t lawaai der zwoegers tegen al stillere rood-verre oneindigheid van polder-avondlucht; hemelkoepel, doorzeild van laatsten klankenjubel en verren vogelenkweel, leeuwerikkenvlucht, donker verstippend de luchtzee door.—Sneller, àl lager sloeg de blink-glanzende gang van ’t licht over de haven, als kon de dag niet sterven dààr, vloedgolfde ’t over de kerels, roodgebrande tronies, nimbus van avondzon, gloedkoppen, verwaasd en verheiligd.—Dwars door den rauwrumoerenden gruwel van krijschende, furiënde sjacher en zwoeg, over pijpen, masten, zeilbrokken, pramen en sloepen, stroomde avondtooverige gloed, vreemd zilverrood, blond en telkens wisselend in gamma’s. Van de porceleinen wolk-torens, gloei-purperden de tinnen, vonkten hun gouden ommegangen.—Al lager de lichttoover doezelde over heete havenjoel, gedaver en gezwoeg; al wijêr glansde stralende purpering, verstillend de luchten, bedampend in wond’ren zonnemist, keien, sintels, en werkers. Paardkoppen droomden in stille, verglijdende glanzen en karren met aardbei en groen, doofden langzaam, bij stukken uit, in doffe zonloosheid.—Zonnedroom, die uitdoezelde, wegnevelde, in violet gedamp en paarse vlekken, schaduw-fantomen wierp aan walkant, goudteer vergloorde, tusschen rag touwwerk en masten.Over bootsrompen, en boegrondingen, waar kleurkopering van roeren en luikjes verbleekte; over heel het havengeraas, waar werkersopstand in drommen dooreen krioelde, starde al meer de vlam van den hitte-dag, de felle daverende blinkgang van licht, verdampend in wazige tonaliteit, in zilverige schemer-vegen en aarzelend blondrossig-goud.Tusschen het al donkerder kastanje-geboomte, waar de schemer ’t eerst in duisternis verweefde, keken de kerels onder ’t lommer nog òp tegen den kleurzang van zonnedag, die lang, heel lang,[121]tooverig begloeid, in polderhemel bleef nazingen z’n wond’re tinten. Menschen, paarden, honden en karren in opgepropte kronkel en warrel, onder ’t duisterende lommer kleurden nà, in de ver-affe roezemoes van ’t stervende licht.—Allen dáár, wriemelden dooréén in schemer-avondgoud.—Petten kleurden vaal, in al gamma’s; kielen, jassen, schorten, donkere sjouwers en tuinders-venters, boeren en kijkers, in één warreldrom, loom langs elkaar verkleurend en verkronkelend, als drasten ze voet-zwaar aan vastzuigende havenkeien, moeras van rottend groentenafval.—Dirk Hassel was met Klaas Grint, z’n zoon Jan, en Rink van den polder, tusschen ’n groep tuinders de kroeg ingeschoffeld.—Voor hun beenen buldogde ’n ton-buikige boer, met ’n korf kleine varkentjes onder z’n arm gekneld, waar hooilucht uitrotte, urineachtig-vuns. Krijschend en ronkend woelden de dieren, scheefhangend tegen de korfbiezen op, en telkens bonkte bullige boer, met z’n worstige handen, ’n driftstoot op de krijscherige diersnuiten.—Achter kroeggangers ratel-rolden, dwars door de woelende menschenmassa, groote gele tabaksvaten, door troepje kerels met trappen tusschen de karren en dieren voortgebonkerd naar ’t spoor.Dirk was blij dat ie eindelijk zat. Al twee maal van de haven naar de akkers geweest, extra-oplading, en nou zou ie ’t d’r eens lekkertjes van nemen. Hij grinnekte tegen z’n brandewijntje met suiker, dat op z’n schor-korten roep, dadelijk gebracht was. Om ’m krioelde ’t van klomp-klossende kerels, in stampigen gang op knarsenden zandgrond. Lekker en poeteloerig-duizelig snoof Dirk de jenever en bierlucht, zoetig en scherp, en stil tegen den muur ingedrukt, ’n pijp den mond ingebeten, sloeg ie, brandewijntje na brandewijntje klein, mummelde wat woorden uit, tegen groenboeren die naast ’m neersmakten, aemechtig hijgend van zwoeg.—Zwaar-laag dampte de kroegrook, nevelig, en rood misterig toen gasvlam bij ’t buffet en boven biljart àànplofte. Stil bleef Dirk zitten, roerloos in z’n hoekje, uitspuitend pruimsop en pijpnikotine in de spuwbakken, doodop, lekker duizelig, in de[122]wemeling van al meer aanstommelend landvolk en roezemoes van stemmen, achter hitterook uitkrauwelend, tot ie doorzopen, landerig en woedend, tegen tien uur naar huis waggelde.
[Inhoud]II.’t Was Vrijdagmarkt, tegen half vijf. Van enkele zijwegen en uit smalle, door zon verblakerde steegjes kwam áánrateling van karren; tuinders die hun waar vroeg opgeladen hadden. De havengrond bij brokken bekeid, lag vol koolstronken, aardbeirotte plasjes en groentenvuil. Eén brok weg, zwart, gruizig besinteld, rond rood-wit bemeniede lantaarns, frisch zomers opgekwast, lag bezaaid met kisten. De huizenkant van haven, met z’n gevel-trappige woningen van dominee, dokter en wat winkeliers, tot meer naar achter, waar ’n woelige oppropping van kroegen en pakhuizen samendrong,—koelden donker in zwaar uitgegroeid lommer van hooge kastanjeboomen, wonder-groene laan, ingeplant tusschen wal en stoepen. Het ruiten-licht van de oud-gevel-typische huizen in wazig-groene glanzingen, verschemerde ’r geheimzinnig ’n eigen bestaan; bestaan van diepe halfschaduwen, dwars door het aandroesemende lawaai en geraas van havengescharrel, geheim stil verwisselend achter zwaar lommer.—In ’t walletje kleurden achter elkaar, pas aangekomen booten, waarop dekknechten met oorverdoovende herrie kisten van ’n plank lieten glijen òp de steenen, langs de reeling, door ’n anderen kerel weer vèrder rondgeslingerd tusschen vuile stronken en groentenafval, sintel en kei.—Zoet-zwoele, tot stank verbroeide geur van aardbei vloeide wèg in vunzige lucht van duffe groenten. Heel de Haven zoog in, àl luchten en reuken, ademde weer uit, bedorven saamgebroeid zoet van aardbei, aardappels, sla en penen.[86]Telkens achter groene kroeg-gordijntjes spuiden de herbergen jeneverstank uit, scherpen prikkelgeur doòr den warrelenden damp en de stank-zwangere atmosfeer van verbroeid zonnig havenleven.—Geweldig in wijdheid, doorwolkt van onweersgedreig en half in zonnigheid weer, welfde de polderhemel met ’t weiland eronder, afgelijnd door spoordijk; ’n hemel niet te zien, maar ijl te voelen toch in verte en diepte ònder de àlmachtige luchtruimte. Groen-prachtig, in fel-grilligen zonneschijn, lichtte de lange dijk òp, waarover lawaai herriede van aamborstige lokomotieven, hijgend en puffend, heen en weer, als in zweetbenauwing, drentelend en geduwd voor- en achteruit.—Vastgehaakt en voortgebufferd in stooten en dreunige stampen, donkerden vrachtwagens dwars door den uitkoepelenden polderhemel.Onder kastanjelaan, vóór huizenkant van Haven, het doorrijpad van karren en paarden, kermisten zuurkraampjes en betentdoekte vischstalletjes met poonen en scharren, die walglijke stanken rondbroeiden in de hittesfeer van sjachering en half afgedreven zomermiddag-onweer.—Stijgender geratel en gerammel van karren en wagens, dooreen-klakkerende hoefslag van zwoegpaarden op keien, kwam dreunend òprumoeren uit steegjes en zijwegen, naàr en vàn de groentenvervoer-booten.Heel de aardbeistuip van ’t land, de koorts van wroet en pluk, pakte zich daar saâm, in één woesten drang van laden en lossen, één jagende scharrel onder de ventende afbeuling van ’t landvolk. Al tweemaal op één dag was er door de booten in den drukken broeihaal van aardbei nù, op de groote stad afgevaren; al tweemaal geladen en gelost. Om vier uur in den ochtend, de heele week, waren er zes groote vrachtbooten, tot hoog boven de verschansing opgestapeld, weggestoomd, met allerlei groentegewas, stikvol van aardbeien, aàrdbeien. Om twaalf uur ’s middags, léég, heelemaal uitgeput teruggeboegd, weer gevuld, alléén met aardbei en weer leeg naar huis gestevend. Alles had de groote stad opgeslokt, gretig en woest; en nu wéér werd ingeladen voor den marktdag.[87]De Haven lag gerammeid, begraven onder leege kisten met mandjes, en overal dreef rood sap, donker bloedend door ’t zwarte kolengruis, verkrinkeld in sporen en plasjes.—Dirk had z’n zware kar met voorzichtige zwenkingen tusschen stilstaande paardjes ingewerkt, zoo dicht mogelijk bij de boot, waar ie z’n goed op te laden had. Telkens schokkerde ie ’n eindje verder, meer naar den wal, tusschen de dooreengezwaaide kistenruzie en manden, tonnen en planken.Sterker kwam áánwemeling van groenboeren, vrouwen en kinderen, en oorverdoovend raasden de blaffen van karhonden, die daar woelden, rukten en huilden onder de donkere assen, jammerend tusschen hun bemodderden engen knel van spanriemen en treksels.—Vervuilde, langharige kerels, met dronken-lacherige tronies stonden in overhemd, àchter d’r poon- en scharrestalletjes, hun eigen waar op te eten, schor futloos roepend: fèrsche poone.. fersche skàrre.… In kringetjes rond en onder ’t tentdoek, lolden wat venters en tuinders, poonen etend en uitzuigend, met hun handen de visch losbrokkelend. In nek-achter-over-zwaai, kwakten ze zich telkens stukken vettig vleesch ’t mondgat in.—Zuigsmakkend en belekkend de goud-donkere poonvellen, plezierden ze, waggelend op de beenen. Stil stopte verkooper ze schar na poon in de handen, terwijl hij zelf smakkerend vrat, z’n mesje tusschen ’t scharrenvleesch peuterde, fijn reepje na reepje, achter de tanden vergoochelde.—Zon, uitgloeiend achter weggedreven onweergewolk, brandde weer fel op tentdoekjes, die lichtstreepten rood-geel, onder boomlaan door, de smoezelige linnen kleuringen, warm-dampig verzonnigend.In één uur tijd was de geweldige marktdrukte komen áándonderen in furiënd gescharrel en gesjouw, geraas, getier en roezemoezende stemmenbotsing. Paarden met karren, al méér, al méér, klakkerden en bonkerden onder de belommerde kastanjelaan, schurend langs de huisstoepen, zwenkend, tegen elkaar òp. Vrachtrijders verkrijschten: ho!.… ho!… hai!-daar!-geroep,[88]tusschen kerels, vrouwen en kinderen; tusschen ladende en lossende werkers, of dwars door rumoerige groepen, opgepropt òm groote groenteuitstalling van afslag, waar koopgierige schobbejakkige venters rond-kankaneerden in schor opbied-geschreeuw, als dronken duivels.Van zijstraatjes uit, dobberde zwaar-stootend gedrang van karren, de eene al hooger achter de andere òpbergend, met kisten- en zakkenlading.Tegen half zeven daagde van allen kant ’t landvolk òp, voortstuwend pyramiden van kleurdruipende groenten, als was aan akkerzij van Wiereland overstrooming losgebroken, de zee over de duinen heengegolfd. Als was daardoor ’n chaotische beroering, ’n opstand, dwars door paniekheen gescheurd; had zich ’n drom angstigen aanééngestoet, verschrompelde bemodderde kerels, reddend van hun zwaren ploeter àl wàt ’r op ’t land nog te halen viel. Eén wilde, woeste samenstrompeling van mannen, vrouwen, kinders, met kisten en manden en zenuwbevende handen, die meehielpen aansjouwen en wegduwen van kar naar boot.Aardbeigloei, rood-fel en purperdiep, brandde weer in zonnelaai. Honderden en duizenden bakken met de roode pracht-furie der vruchtjes gingen van hand tot hand op de booten, van de karren naar de dekplaatsen, en van alle kanten losten de wagens uit, stortten een groentezee neer, in branding van kleuren, aanklotsend tegen zonnegolven; tegen broklijven van schuiten, kerels, karren, paarden en honden, één woeste uitgolving, òpzieding van groen, groèn, van zeng-rood, vuur, donkerend purper en hel prachtig wortelen-oranje.—Hemel was blauw-diep weer uitgetinteld, tusschen zilverende wolktochten en in de koelender zilverglanzen van gloedroode, stillere zon, lag de kastanjelaan doorzeefd in wondren glansnevel, doorvlàmd en zonnemistig tegelijk. En de groenbemoste boomstammen, in flitsen grillig beserpentiend, kromden gevangen in gouden kronkels van glans-slangen.Dampig gezeef van goudschemer, gloedrood, vloeide over de bronzen en roode kielen der woelende kerels, werkersstoeten[89]in sfeer van gouden lichtdamp en roode toortsentooverij bewegend.—Midden in zonnetoover daverde ’t haventje van helsche donderbonkerende rumoering. Telkens ratelden van de zijwegen, uit smal-doffige broei-steegjes, nieuwe karren áán, waarachter angstig-verwrongen gezichten èven uithoekten, tusschen bakken en manden; monsterlijk gerammeide zweetkoppen, doodòp van zwoeg, benauwing en snikhitte.—Hun bakken overstroomden de markt, verzwolgen ’t licht. Uit àl andere weggetjes en spleetstraatjes, van rechts, van links, dwars, opzij, uit nog fel-bezonde achteraffe gaatjes en steegjes, flonkerend en dampend in verblindend schellen lichtgloei, bonkerden en schokkerden ààn, al meer paardwagens en handkarren, aardbeien en groentevrachten, rood en groen; felle uitbarstende gamma’s van purper naar papaver-vuùr, en al soorten smaragd, tusschen gelige goud-gloeiende kolen, al méér, al méér, als moest ’t haventje begraven, verzwolgen onder de bakken, manden, vrachten en vaten. Overal, de heete hartstocht van ’t gloeikleurig rood en oranje, de felle klater van ’t schelle en zingende groen, dook òp van alle zij, uit zon-overstorte zijweggetjes, blakerend, smal en vunzig verstoft in de Julihitte, met hun ordelooze wemeling van krijtwitte, bruine, fel-groene bekalkte geveltjes en rooddakig brio.—Overal doken òp, geweldig in drommen tusschen ’t kleurheete, zengende geveltjes-koloriet,—ònder de roodgoud doordampte boomenlaan uit,—al nader, àl nader, de wagens met hun lichtend groen en vruchtenpurper, tègen de hemelblauwing in; de huisjes al kleiner, verder wèg, de karren àl grooter en massaler, aanbonkerend op de Haven.Later nog, de kastanjeboomen zeefden in zonnemist en de kruinen stonden weer uitgegloeid als was ’t goud er tusschen vervloeid.—Hier en daar nog van boven schampte ’n flits, ’n gloeiende kronkel, ’n trillende spiraalglans; was lichtweb uitgescheurd en blijven hangen wat bevend spinsel van goud-gloed.—Links van de karren zwenkten de tuinders hun paardwagens àchter paaltjes áán, op stiller gedeelte, ’n end van d’r[90]boot af.—Stil, tusschen rumoering, suften de paardkoppen, de voorste vastgetouwd aan paaltjes. Maar ook dààr, heel gauw, dromde ’t stikvol, schoven al meer karren in, stonden de beesten met de lijven op elkaar ingedrongen, koppen, droefmelankoliek naar beneden, in zorgelijke bepeinzing over ’t oorlogend havenrumoer, geraas en gekrijsch. Te wachten, roerloos stonden de beesten, d’r half-leeggeladen karren kleure-jolend in zinkenden zonnedoop, kermisjubel van helblauw, groen, hard-geel, bruin en menie-roode beschildering. Zacht zwiepten de staarten, knokelden schimmel-blanke, goudbruine en donker-bronzen ruggen, gloed-laag beschenen. Van alle kanten manoeuvreerden, tusschen ’t geraas van weggeslingerde kisten, de karren zoo dicht mogelijk bij boot waarop geladen moest worden, voor vertrek van den volgenden ochtend. Hoog bestapeld, van achter tot voordek, krioelden de booten in rij vóór den wal. Geen plekje kon onbezet blijven. Dekknechten en kapteins sjouwden gelijkelijk mee met de tuinders, droegen de bakken met vruchten en groenten ààn, in zwaren zwoeg, over keiweg en loopplanken. Handiger dan de tuinders wrongen zij zich tusschen de kisten, mand- en zakvrachten door, opstapelend in zwaren smak van uitputting, de nieuwe vrachten. Dwars door elkaar, bouwden ze òp, monumentaal, dat de groentebakken vèr boven verschansing, als ’n kleurig fort van ruw hout, neergeblokt stonden. En overal bij spleetjes, gloeiflitste ’t vruchtenrood tusschen het monsterbouwsel van kisten, levend monument van vruchten, gesmoord tegen orànjebrand van wortelen en groen.—Op alle booten tegelijk, bleef de laatste stapeling aardbeibakken, langs heel den havenwal neergewolkt in vuur, en de gemeen-beschilderde kisten in ruig koloriet, dansten een kankan van helsche kleuren in ’t doorzonde, heete havenrumoer. Zwoele stanken drassigden in de lucht ’t zoet uit van de vruchtjes, zwoel-vochtig tusschen de groenten, die opeengebroeid, voozer verstonken. Over den drogen gloeiend-stoffigen sintelgrond verwàlmden geuren, dwarrelde rond, draaikolk van stanken, zoetige en ransige, kanteloeplucht en citroenen, sinaasappels[91]en bedorven uitwasemende poonen, scharren, zuur en eieren; gotenlucht tusschen ’t aardbeizoet, dòòrwaaid weer van kroegstank en spiritus. Alsof zieke reuzen ergens heeten stankadem uitbliezen over de Haven, zóó van alle zij wasemden de dingen hun luchten uit, vermengd en verbroeid in de hitte. En telkens gulpte van spoordijk, rook-roetige wolk-smoezel, in woeste vegen donker heendampend over ’t havengewoel, òver karren, vruchten en menschenoppropping, doorzond en verstoofd in kleuren en licht. Zóó, fel omklaterd en verbrand van kleuren, in de hartstochthitte der zwoegers, verdampten de geuren bevend licht bòven de karren, de mensch-koppen, kisten en manden dompelend in zichtbare sfeer, stralend-fijn van ijl stofgoud.—Sfeer van trillend licht, als neergestroomd uit reuzige zonnelantaarns, in banen van damp en warrel. En tusschen de menschkoppen en koopwaar, grillig-verspatte nog zonnevuur kleurfelle vlakken, gooide vlammig spel op bevende kaken, òp handen, in oogen. Telkens nieuwe kisten sjouwden dekknechten met tuinders áán, in hijg-zwoeg, dood-af gewerkt van den ganschen dag landwerk; telkens in hun gang gestuit, teruggestooten, weggeduwd en verkneld, door andere werkers met vrachten op nek, hoofd en schouders, ingebukt en woest in d’r moeheid, terugsjokkend van de loopplank, achter elkaar, met de doffe, of kleur-felle kisten op de schonken, wat ruzie-schor verschreeuwend tegen de kerels die opdrongen of worstelden om plaats. Dan hier, dan daar holden en kankaneerden de sjouwers op zij, vòòr paardkoppen of langs geweldige vrachtwagens, die tusschen hen indrongen. Overal was gestruikel, gestrompel; dof-klankten smakkingen, daverde gebonker van verslingerde kisten en manden, gloei-stroom van jachting, verkronkelend in dol-botsende drukte. De kleurige booten, achter elkaar langs den wal, sloegen ’n branding in ’t hart van ’t levende haventje. Eén vloed en eb deinde er van duizenden verlompte werkgangers die òp en af, dwars en tusschen elkaar’s groen-waar heensjouwden en reden.—Zoo golfde bij den wal ’t sterkst, woeste stroom en tegenstroom, zich vertakkend en[92]verbrokkelend in zijwegjes, weer aanspoelend in kleinere hurrie-golfjes van andere kanten. Drang tot afdoen vloeide samen op één punt, bij al de booten, drang en jacht, die angst-steigerend, al hooger àànstortte tegen ’t forthooge bouwsel, kleur-heet monument van bakken en manden; stroom die plots weer àfrazernijde naar kroegen, dat er spuiing kwam en luchtiger rammeling van karren tòt in de afgelegenste, koel-uitgezonde hoeken, bij pakhuizen naar polderkant.Langs de havenvaart, achter kastanjelaan, lag de kei- en sintelweg hooger met leege kisten bestapeld, teruggestrooide vracht van ’n boot, die al twee maal aardbei naar de groote stad had vervoerd. Nu ook van polderkant donderden en bonkerden paardkarren en ezelwagentjes ààn, met ’n geraas of ’r mijlen in ’t rond muren van glaswerk instortten, telkens één op den ander vergletscherend. Tusschen ’t lawaai van lossers en laders, gilden en joelden kinderen aan karkrukken, klauterend in stemmenschater over wagens, kisten, manden; hingen en wipten ze aan karhoeken, elkaar bejoedelend òprukkend of terugsmakkend. Beestig woelden ze rond, furiënd in de herrie, stremmend ’t gedrang en gesjouw, tot plots in woedevlaag van werkers, ze verjaagd werden naar andere hoeken. Maar ook daar woelden en klauterden ze weer als losgebroken apen uit dierentuin, òphitsend de honden die basten en jammerden gelijk schreiende gekken.—Als wegratelde, met kar en hond, één tuindersgroepje, stortten nieuwe wagens rumoer uit, was ’r in enkele minuten weer kargedrang en gestoot op-elkaar-in. Achter boomgroen, waar goud-rooden gloed dampte, en scheemrig de laan lommer-glansde, keken vreemd de geheim-stille ruiten, nù onder half bladerduister, in haven-zonnerood vertooverd; bij brokken weerkaatsend ’t belichte gewoel, worstelzwoeg van tuinders, die er vóór sprongen en holden, tierden en hotsten als gestrafte misdadigers, kankaneerend op heete platen, met hun verweerde tronies tusschen eigen walmende reukwaar in. Geen sterveling in ’t stroomrumoer, die stààn kon blijven. Van alle kanten stootten de vrachten òp, mannen, vrouwen, kinders,[93]vloekend, scheldend tegen elkaar in. Méér dragers balanceerden bakkenstapels boven ’t hoofd, waar ze in angst naar grepen, als ze zich teruggebonkt voelden, in den karren-kronkel. Minuten lang werden lijven geblokkeerd, ingesloten, door dwarrelgang van andere sjouwers vòòr de booten, en eindelijk haastig strompelde ’n troep vooruit, als er spuiing kwam aan den walkant. Snel warrelden ze dooréén, aanschuivend en verglibberend op stronken en groenteafval, met één voet soms tusschen ’n opening ingekneld, de andere op bakken en manden neergetrapt. Elk bloot keiplekje lag dadelijk dichtgesmakt, als ’n werker z’n voet wegtrok, opschoof of weer naar z’n kar terugdrong om nieuwe waar af te laden. Angstig geroep en gekrijsch van ho!.. ho!.. hai-je-hee!.… verklonk opjagend de werkgangers.—Kaik veur je!.… paa’s d’r-op-bout!.… hee doar je kop!—màin snuit ook nie!.… kruiste en spatte tegen elkaar òp, in rauwe ironie en spot. Bij de minuten nu, zwol áán de razernij, ’t gewoel, gedrom, gekrioel op havenengte, en wilder ging werkjacht onder de menschoppropping, de samengeknelde worstelende zwoegers, teelders van Wiereland, Duinkijk, Kerkervaart, Lemperweg, Lemper en van al de dorpjes rondom; moeë kerels, afgejakkerd door dàglangen landarbeid, met heeten wrevel in d’r lijven, tot laat in den avond opsjouwend naar marktwemel.—Van de kroegen uit, tierde, raasde, ziedde rumoer. Als dampige holen, volgerookt met smook-blauwigen nevel, donkerde daar roezemoes van zuipende kerels, uitspattende drinkers en pijprookers, klodderend en spuwend op zandgrond. Flikkering en lichtflitsjes gloei-speelden ijl over karaffen en glaasjes bij buffet, onderschepte vonkjes en glansjes van verdwaald rood en groen-goud licht. Van alle herbergen stonden de deuren wagenwijd open, en achter de boomenlom’ring uit, verdrongen de werkers elkaar rumoerend, om eerder in haastigen slok ’t brandvocht, droge, moeë keelen in te gieten.—Benauwend sloeg de stank van groenten, visch en aardbei de kroegen door. In woelige, opgedrukte kringetjes zaten groepjes[94]bijeen onder schor dronkenmanslawaai, en telkens schoot geschater uit, dat als jammerhuilen verklonk. Jovialig beklopten ze elkaar op de petten, schouers, of stond ’n troepje, bij ’n hoek opgedrongen, met de jeneverkelken in de hand, morsend en plassend over kleeren enpolsen, d’r groen-waar te versjacheren, klakkend in handslag.Vlak langs de huizen en stoepen schuurden de paardwagens, uitwijkend als ’t kon, voor groenteuitstallingen om boomstammen; ging rond, ’n gang van slenterende meiden en moeders met kinderwagens, zuigelingen, angstig verschrikt kermend en krijschend tusschen den jachtarbeid in. Telkens uit zijwegjes en onder boomlaan uit, doken de paardkoppen vlak tusschen de verweerde menschtronies in, joelde de havelooze kinderbent, onder paardenpooten, achter karwielen, vaten, zakken en bakken uitklauterend. En heviger, boven alles uit, furiede hondgeblaf, angstige huilgamma’s van verhongerde kreupel-getrokken beesten, dorstig, geranseld, in woeste razernij van klachten, òver heet werkersrumoer heen, met ’n ontroerend-menschelijken jammerhuil in d’r blaf, als verschreiden ze hun ellende, hun dorstgemartel in hitte; verklaagden ze elkaar hun slaag en driftschoppen van d’r bazen, waarvoor ze zwoegden, den heelen zomerdag door.Tusschen het ketsende paardgetrappel en kargeratel, door dwarsweggetjes uitgestort en neergeworpen in den woelstroom van ’t donderbonkerend marktgeraas, bleven de honden blàffen. Eén jammerkoncert van droeve klaagklanken, van nijdig gekef, van gekerm, gejank; schor en dreigend gebrul van door kinderen gesarde dieren, tegen de wielbanden getrapt, aan de spanriemen vermarteld, met steenen besmakt, dat de schrei-blaffende koppen verkrampten tegen de assen òp. En àl meer karren ratelden ààn, met span van drie en vier beesten vóór en ònder de wielen, die dadelijk meeblaften in oorscheurend geweld.Plots braakten twee hoekkroegen ’n stoet uit van krijsch-jolende kerels, in malle sprongen, hals-bloot, met slappe handjes naar elkaar toe kankaneerend. Dronken verzwollen koppen,[95]roode stropdoeken, losgescheurd op bloote borst, joolden ze èng en opgestooten onder paardkoppen door, waggelend tusschen kar-honden, die nijdig aanbasten, en in dol geterg, met hun woeste, kwijlige schuimbekken dreigden te happen. Voor de zuur- en vischstalletjes bleven de kerels staan, gretig grabbelend in de zon-bebronsde poonen, waarvan de vellen glansden als gloeiend ceramiek. En schor joegen ventersstemmen de kerels òp.—Fersche poòne.… mooie poòne? faine skarre!.… fersche skarre!Verhitte relletjeskring van arme tuindersventers, die onder elkaar wat bakken groenten hadden verkocht, niet op bootveiling en afslag hoefden te wachten, zongen rauw, in dronken joel:—Oooaaw.… waa’t ’n skà-ànde!..Hun vervuilde kleeren stonken en drank-asem walmden ze elkaar in de roode bakkesen.—Van rechts golfde ’n nieuwe zwoegstroom áán, die den lolkring terugdrong weer, in de smookige donkere kroegen, waar de zweetwasem verbroeide als zure vleeschstank, tusschen de scherpe prikkellucht van tabak en jenever.Oorverdoovender buiten, brulde, loeide, raasde en kermde de hondenbent onder de karren; duizenden woedende en schreiende dieren tusschen ’t menschgekrioel in.—Ze huilden als uit dwangbuizen losworstelende gekken, door brandangst, in ruimte zonder uitgangen, opgejaagd. Tegen elkaar in blaften de beesten onder assen, wielen of krukken, met bassende, dreigende, hakkende, schorre hoog klank-martelende razernij, onvermoeibaar in één krisis van kretensmart. En vonkwild, bloedbeloopen, gloeiden hun oogen zonder dat ’t landvolk omkeek naar de dieren, die ze verhongeren lieten, en versmoren van dorst.—Aan linkerkant van Haven, waar menschen, paarden, karren, ezels en honden in één oppropping, ’t sterkst dooreenkrioelden, daverde zwaaibreed ’t kistengesmak; keilden tuinders, manden en bakken rond, klonk rauw gekrijsch, barstten vloeken uit,[96]giftig en grof, in heete stemme-botsingen.—’n Politieman, tusschen geraas en gedrang, verkrompen tot mager angst-gestaltetje, keek rond, hand op de sabel, dan hier, dan daar geschouerbonkt, tegen z’n rug, getràpt tegen z’ beenen, z’n kop, geen raad wetend soms, waar zich te bergen.—Aldoor sprong ie opzij tusschen karrenknel en hondgedreig, maar dadelijk weer ver-bonkten ze’m naar andere plekken.—En overal om ’m, zwol ’t daverend marktgeraas, ontkraterde het heete onweer van zwoeg, de sjouwende kleurige opstand van marktkerels; deinde de zee van druischend woelgeweld, in d’r licht en kleur-golvend beweeg, geraakt nog door laten zonnebrand; in d’r klotsende schuiming overstroomend, vèr, al verder, de Haven, de booten, den polder, met daverend rhytmus van treinengang, dreunend in den lagen, snikheeten zonneval.—Tusschen het geraas en de blaffurie klonk als ’n demonische hooge stemmenspot, plots bel van den afslag, uitrammelend z’n schellen schater boven de kleurig-opgepropte menschenmassa. Daad’lijk trok ’n bronskleerige tuindersstoet met straat-groente-venters, zonder eigen grond, rond den afslager, die bengelen bleef; tusschen de helle klank-strooiing dóórkrijschend, dat nieuwe omgang van afslag beginnen zou. ’n Helper riep naast den verkooper, met twee handen aan den mond als toeter gebogen, heftig dat ’t bloed ’m naar de wangen schroeide, ’t zweet glimmig van z’n slapen druppelde, den druischdonderenden warrel van ’t marktgeraas pogend te overschreeuwen. De schelle klankenrammel bleef luiend lawaaien en daaràchter de schor-verkrijschte afslagers-stem, onverstaanbare radde handelstermen uitbrabbelend. Op ’n hooge stapeling van kisten stond ie naast z’n helper, en rond ’m, de stom toekijkende beweeglooze, ingedrukte klomp brons-kleerige tuinders, loerend naar de uitgestalde groentewaar, den geweldigen kring van sla, groen-doorzond, als smagarden kwallen, geplooid en bekerfd; douwig-doffe doppers, platte peulen, rhabarberbossen, rooiig-groen, en korrelig blanke boeketjes bloemkool, op stapels dooreengesjouwd, in kisten en bakken. Eindelijk stopte afslager, satanischen klankstrot van bel dicht, kringden de koopers[97]nauwer op en achter elkaar. Kleine baasjes-pachtertjes stonden in den koopkrans gedrongen, met d’r sluwe kaal-geschoren tronies, loenscherig berekenend in klankloos lipbeweeg, wat ze voor de waar geven konden. Anderen, in gedachten, staarden als gekataleptizeerden naar de nu stille bel op kistenhoogte, die flonkerde bronzerig in zongloed, tusschen ’t groen. Lager gloei-glansde zon rond de kijkkoppen, rood-gouden toover sprankelend op tronies-brokken, de kerels vervlammend in toortsigen brand van d’r pracht-bronzende kleeren. Demonisch vlàmde er gloed, inbijtend op den kring, hier fel-licht verblindend op wit gekiel, daar goud-wolkerig verzevend op fronskoppen, bronzen ooren en handen, kleurige kielen en schonken.—Venters die Wiereland doorsjacherden met wat groenteafval in hun verrotte schrompeling van kleeren, beloerden elkaar woest-nijdig, vooruit al bang, dat een den ander zou opjagen. Onstuimiger drong de stoet bijéén, scharrelkring van schorre kerels, in naakten drang elkaar met oogentaal vermoordend van afgunst. Snel, in woordratel van z’n kisthoogen stapel àf, had afslager z’n waren geprijsd.——Veur tachtig de duuzend,.… veur dertig.… die.… veur vaiftig die.…—Main.… gilde één uit den kring, angst-ontzet als zouden ze ’m slaan.Daar weerklankte helsche stemmestrot, van bel tingelingelinge! lingg!.… tin.… gelinge.… lingg-ling! ling! schel neerziedend in verdoovende vaart, in ’t rondomme geraas van karren, honden en menschen. Achter den afslager en kijkkring, was weer ’n ontzaglijke, aaneengekettingde rij aardbeikarren aangerateld, helrood tusschen de losgestapelde peenbossen. Als ’n geweldig fantomige opstand van plukkers en rooiers, was er ’n nieuwe stroom reuzige werkers en sjouwers uit den stationskant aangedrongen, dwars door de paardjes en ezeltjes, in ’n davering van ho!.. ho!.. hei daàr!!’s. Opstanding van titanische plukkers uit ’n heel anderen landhoek, tegen de paarden ingaand, die verhit, in pracht van trek-gang, trappelden en vernielden wat onder den hoef kwam.—[98]Rond handen en lijven, rond oogen van dieren en menschen bleef razen een heet gewoel, een druisch-hevige energie van demonische jacht, één krioelende gang van leven, tusschen boomen, tenten, stalletjes indringend en weer uitgulpend met overstroomenden golfslag van rondfuriënden ploeter.Pal in den zinkenden zonnedamp, làger verglanzend in sfeer van goudrooden brand, doken de woeste zwoegkoppen òp, uit al meer verdonkerd boomlommer. Dààr, onder ’t verduisterd bladergroen sjacherden de kerels, met d’r tronies in geheim-fijnen schemer van half-licht, groen-goud en bleekblond omzeefd, soms plots uitgesmakt naar walkant, in ’t roodgoud gewolk, tot de voeten begloeid in fanatieken worstel van glansen.—Van alle kanten in de avondzon, duwden ze òp de kerels, pracht-gespannen de spieren van stuw, al mèèr groenten, heele steden overrompelend met hun monumentale warenmassa. Inééngedrongen dààr, op karren bij elkaar, geplukt en gerooid, lag de éérst mijlen verspreide zwoeg van hun land, om straks te zien verdwijnen hun waar, hun voedsel en zoete spijs, als offerden ze, in angstige, stomme biecht van arbeid, aan den donkeren grom-muil van groote geweldige stad, verslindende metropool, die maar slikte, slikte, elken dag meer van wat er brandend en zweetend uit hùn gloeihanden zich opstapelen kwam.—Van heinde en ver trokken ze op, van de stilste afgelegenste akkerhoekjes, waar eerst hun waar in zonnebrand had te gloeien gestaan. Van heinde en ver de kerelsstoeten trokken òp in orgieënden zwoeg, omjoeld van laat hemellicht, dat schaduwde en zacht vervlamde in beev’rige, goud-roode vegen, aarzelend purper en nevelig hitte-brio, verdonkerd onder lommerlaan in zeegroenige zweefglanzen. De kerelsstoeten er in, tusschen hun nog half levend goed, met den sappenden streng uit den grond gerukt, in den zwijmel van landgeur, den frisschen zwelg van aarde-lucht, verbrandend, verstovend in de havenstanken. Kerels-stoeten als ’n leger van werkers, met hun kleurfelle, gloei-dronken schitter-spijzen van overal, worstelend en optrekkend[99]naar den grooten verren donder der stad, toestoppend den grommenden lekkenden reuzigen muil van het zwelgend, vraat-dolle, hongerige massa-monster, waar zij nu voor saamstroomden, met hun lèvende waar, doorzogen van hùn zweet; kerelsstoeten, onbewust van hun demonischen aanvoer, hun luidruchtige geweldigheid, en heet-koortsend kleurenbrio, hoorend in ’t kraterend marktgeraas, echo van den ontzettenden honger-grom van stads-strot.—Al maar, achter de kastanjelaan uit, van steegjes en weegjes, doken de karren òp, nu drukker in bedrijvig gedrang bij den molenkant van station. Ze waggelden de wagens, zwanger van hun vrachten, ratelden, hotsten heviger, alle door ’n blondroode baan van licht heenwadend, doortrilden gouddamp, die àchter hun koppen, hun waar, bleef hangen als ’n bevende nevel, laat zonnevuur waaruit ontzag’lijk, reuzige menschen groeiden. Eindelijk, hun lijven en karren, dromden buiten de lichtbaan, die zich achter hun koppen weer sloot als ’n wolkerig wonder van goud-roode glansen.… Al lager sloeg ’t zonnevuur de haven in tooverroes van kleur-vlammige schijnsels, als gebroken licht-vitrails, in scherven en brokken rondgestrooid over keien, sintelgrond, karren en vruchten, hout en steen; vlammige brandingen van ’n Juli-avond, waarin ’t marktgedruisch ziedde, kookte, in helle-sfeer van broeiing.—De booten stonden al hooger opgestapeld, achter en òm de donkere pijpen en koelkast, bòven machinekamer. Gedraaf, hijgend òp en af de plankieren daverde en krioelde langs den wal. Te zinken dreigden de schepen van overvolle angstig-dicht opgepakte vracht. Burchten van ruw hout, in al woester koloriet, waar de late zon op neerlekte lichtvlammen. ’t Hoogst, bòven de bakkleuren uit, roest-rood, brons, groen, hel-blauw, goud-geel, bleven de aardbeien gloeien in hun ijl-zang van hel inkarnaat, purperend zonnegoud òpzuigend; de bakken volgedaverd van lichtende vruchtjes.—Daartusschen pyramidaalden bergen doppers, selderie, sla, postelein, wortelen, tuinboonen, bergen groen en oranje.—De bloemkoolen schaars aangevoerd van polder, stonken tegen de aardbei-zwoelte in,[100]en telkens, uit den kroeg-smokigen mist, doken kerels òp, doodaf, in zweetvet verglommen, den heeten asem van hun drank in sjacher verhijgend over hun vruchten.Midden in het oorsuizend donder-dof gesmak van bakken, in jagender tempo, stond plots ’n Jood, moorsch-zwart, op ’n kruk, voor ’n hoog standaard-tafeltje, waarop wat vuile tangen met kromme snavels, dooréén lagen; grimmig roodroestig gereedschap als martelwerktuigen van middeleeuwschen kerker.—Midden tusschen ’t gekrioel en den furiënden aanstroom van lossing en lading, was de Jood tweemaal tusschen karren en boot doorgedrongen, maar weer teruggesmakt van z’n standplaats. Eindelijk had ie z’n tafeltje bij ’n wat uitgedaverd walhoekje vastgemoerd, was ie spraakloos in de giftige woeling rondom, blijven staan. Vòòr ’m dromden handkarren, volgestort met felgele komkommers, goud-glanzend, bij punten gepolijst, en telkens daverden kerels met groentebakken voorbij, die licht rondsloegen tusschen ’t overal wolkende aardbeirood.Moorsch-zwarte Jood, met vonk-donkere oogen, stond hoog en rustig eindelijk op z’n smalle kruk, boven z’n tafeltje uit. Onder z’n tasch, tusschen de tangen, greep ie naar ’n trompet, tamboer-gebarig voor z’n mond drukkend. Valsch geschal toeterde en stootte ie uit, ééntonig als bazuindreun op grooten verzoendag in synagogen, kreten van vermoeienis en uitputting verjammerend.—Telkens bonkten, in ruwen daver kisten en manden tegen z’n kruk op, dat ie waggelde, zich vastgreep aan z’n vastgesnoerd tafeltje. Maar onvermoeid, toeterde ie door, energisch fel klankgescheur, dat de karhonden rondom nog ellendiger uitraasden, grienden en blaften, en telkens stortte ie ’n heet stjing! stjing! van bekkenslag er tusschen in.—Achter den Jood, op z’n kruk, koepelde ’t geweldig polderluchtruim, doorgloeid van glansen, waartegen donkerhoog z’n gestalte oproer herautte, in ’t rondomme gebarrikadeer van manden, kisten en karren. Donker vonkten z’n oogen, en strak, taai-energisch, bleef ie toeteren en heete tjings van bekkenslagen[101]afpauken in ’t geraas. Hem voorbij, in nijdige onverschilligheid, donderde ’t gewoel en gedraaf, gebroei en geschroei der zweetzwoegende kerels. Geweldige lasten voortzwoegende paarden zwenkten schurend langs z’n hoog standaardtafeltje. Ezeltjes huilbalkten achter z’n rug, en in loomen luister naar z’n getoeter en getjing-sjing stonden paardkoppen rondom, vlak tusschen het tuinders-gewoel, met heftigen tril van hun oortjes.—Wèg bleef ’t luistervolk, nog gebukt in sjouw, en sterker toeterden en dreunden de moorjood trompetscheuren, heet als schuimflitsen van golflicht, hooggoud en brandend rood, òver ’t woeste hurrie-rondkolkend marktgetier.—Eindelijk wat jongens en kerels, gedaan met sjouw, bleven hangerig en landerig staan voor z’n tafel, lacherig of in stompen staar bot òpkijkend naar den trompettenden Jood.—Grinnekend scholden ze ’m uit, krijschte een roomsch-nijdige kop, fel-spottend en dik-tongig.—Enne.… ààpramm.… gewòn Isaak!… enne Issaakh!.. gewon Sjàkop enne.… Sjàkop ’r.. gewon.. heè! rot-smaus, appie!.… d’ur is d’r ’n goàtje in je trepetter!—Maar Jood bleef star-kalm in z’n donkere figuring op de kruk, z’n vonk-zwarte oogen, hevig suggereerend in z’n hoofd. Stil had ie op z’n tafeltje de trompet en tsjing neergelegd, groote toortsen papier gerold en in brand gestoken, dat ze rookvlamden in z’n handen. Zachte kringen van vlammenlicht, zwierden hoog om z’n zwart hoofd, donkerend tegen den laag-stralenden zonschijn in. Walm-rook dampte blauwige mist rond z’n hoog-staand lijf, dat reuzigde tegen de polderlucht. Telkens als toortsen bijna uitgebrand waren, rolde ie met linkerhand nieuwe, zwaaide ze in kringen, dan één, dan twee, geheimzinnig om z’n gelaat; stak weer andere áán, wierp wèg de uitgebrande.—Nu en dan bazuinde ie tusschen het smokige, roetige gloed-rood gewalm, in den mist van z’n mysterieuze goochelsfeer trompetklanken uit, dat angstiger, burlesker, z’n omdampt-moorsche kop scheen te zwellen tegen ’t hemel-rood in.—De jongens schaterden om mallen Jood, maar kerels nu bleven[102]lijzerig staan kijken, bot, den mond van loome verbazing opengegaapt.—Dirk was uit de kroeg, op ’t walmgerook toegesprongen in den kring, verbluft òpstarend naar den kwakzalver, als zag ie ’n wonder uit den hemel tusschen ’t havengewoel neergestort.Onder de kastanjelaan woelde marktgescharrel, ’t drukst nu, rond de kleine tentjes en groenteuitstallingen.—De groote huisramen gloeiden rood in ’t zonnezinken, vreemd flonkerend, fel in gouden mist, onder den zwoel-duisteren bladerenschemer uit, rooden gloed, die diep, dièp, ’t marktkrioelen in bloedende gamma’s òverleefde, àchter de trillende boomschaduwen. In den geheimvol verwaasden ruitenbrand, mysterische vensterstaar, onder ’t scheemrige perspectief van havenlaan, stak zonnezink telkens andere ruiten ààn, die vlamden in lichter en donkerder gloei, tusschen het lommerig duistergroen dóór. Daar onder, en vòòr, joeg wilder gedrang en gedraaf òp en neer van kerels en vrouwen, in gekrijsch, geslikkerbik en ruwen klinkklank, òm de poonen- en stinkende scharstalletjes. Meisjesgegil joolde, tuinders lolden, dronken, in woesten stoei. En dwars door den brandgloed van ruiten, titaanden ze òp, naar ’t vlammegekring en getoeter van den Jood, met z’n makaber trompetgekrijsch en rossig-rookige toortskringen. Onder ’n oppropping van goud-gele, bronzen en bruine tentwagens, vóór kroegen en huizen uitgespannen, wiel- en rug-beflitst, holde ’t landvolk naar den trompetter, in gejaagder tempo.—Nieuwsgierig, verhit en afgebeuld, trok ènger en meer rijend achter elkaar, ’n kijkkring om den Jood. Telkens kwam karrendrom dwars door achterste loerders heendringen, in gesnauw, gevloek, geraas, verbrokkelend den stoet, maar aldoor vulden de gaten, propte zich voller de kijkkring.—Jood had goed rondgekeken, sluwigjes zich neergezet op plek waar de booten ’t hoogstmurend al volgestapeld stonden, de sjouw aan ’t afloopen was. ’n Tuinder had ’m gezeid dat ie doodgegooid zou worden met bakken en manden, als ie eerder begon. En stil, taai-rustig had ie gewacht, rondloerend met den heeten gitglans van z’n oogen, berekenend wanneer ie z’n slag moest slaan.[103]Grooter werd koppengedrang om ’m heen, en telkens nog scheurde ie trompetgalmen de lucht in, tusschen het marktgewoel, dat soms plots woester langs ’m raasde en tierde; ontstak ie rustiger, z’n groote grauw-papieren toortsen, vlam-kringen boven z’n hoofd zwierend, als derwisch in godsdienstextaze, vreemd-woest in z’n moorsche, dreigend-suggestieve donkerheid. Nu en dan galmde ie wat woorden uit, die wègkreunden in ’t helle-geraas. In aandacht gespannen, verkuchten de kerels papierstank, brandlucht en rook; stonden ze op elkaar gewurmd en verdeukt van lijf, als menschenpròp vastgeslibd, saâmgeklonterd in de woelende aderen van dóórstroomend marktlawaai.Eindelijk had Jood genoeg van z’n toortsen en toetering, lei ie z’n trompet neer, verschoof ie z’n papier, rammelend tusschen z’n trektangen en groote zwart-verlakte tasch. Stil-donker stond z’n lijf, hóóg op de kruk tegen ’t late zonlicht in, rug-beglansd, en schouers èven geveegd van goud-rooden glans.—Stil-donker, verduisterde z’n gezicht al meer. Z’n zwàrte flambard, breed model, dofte op z’n zwàrten kop, even boven z’n zwàrt-moorsche brauwen, als met kool-stift in z’n rimpel-hard voorhoofd geëtst. En z’n oogen, diep vergroefd in zwarte wallen, gloeiden vonkig, fosforig tegen ’t licht, als van ’n hond. Z’n snor, zwàrt en breed uitgekruld, en z’n baard, koolzwàrt, verdonkerd, vrat weg z’n smal geel-bleek gezicht, dat alléén oog en háár leek.Sultan-achtig, èven ingebogen met rug en schouers, verdraaide ie hoofdsche gebaren, gratieus overdreven, met potsierlijk eigen-waarde-gevoel van hoffelijk markt-kunstenaar. Zwaar kuchte ie, èven beleefdelijk hand voor den mond, zette eindelijk in.—Als hèt.… hooggewaardèèrdèn.… pùbliek.… eens èènèn.… oogènblik.… nààr mij.… luistèrèn wil.… zou ik mij.… bèkend willèn.… makèn.…—Elk woord stootte ie uit, in breede sperring van den mond, optrekking van wang en lip, dat z’n prachttanden, hagelwit, òpblankten tusschen z’n donkeren snorbaard. Door vreemd-trillenden òphaal van z’n mond onder ’t spreken, leek ’t of ie[104]bij elk woord dat ie uitstootte, duivelsch grinnikte, in samenfrons van roet-zwarte brauwen, boven satanisch-gele groeven van z’n voorkop.—Z’n stem klonk schor-vermoeid, als van iemand die walgt van eigen praat. Smart lag er in, schorre, angstige, stil weenende misère. Soms onder ’t stoot-fel spreken, verdofte de vonk uit z’n oogen, stààrde ie over de luister-koppen, kwam er lusteloosheid in het donkere rumoer van z’n anders felle kijkers. En dóór bleef iets weenen in z’n schorre, àffe stem. Geen van de drieste, in zweet afgebeulde werkers, in de havenhitte, broeiig opééngepropt als groote verbaasde kinderen, loerend, loerend,—die iets merkte van Jood’s vermoeienis. Z’n handgebaren gingen mee, moè, afgetobd, met z’n stem, elk woord afhakkend, om duidelijk te zijn, verstaan te worden, vreemd-zangerigen, verkeerden klemtoon-druk op èlk woord neerdreunend.—Boertjes, tuinders en meiden stonden te dringen, te zweeten, te blazen in de hitte, maar al meer landvolk propte zich dichter, vaster om z’n tafeltje, gevangen door z’n schijn-gratie, z’n zeg-vuur en opgewektheid.Van alle kanten begluurden ze den Jood, klaar om ’m te steenigen als ie hen bedroog. ’n Paar jochies zwierden òver koppenkring heen, palraak, hem vuile groentenstronken in ’t gezicht, en kinders gilden plots, boven ’t marktgeroes uit: smaus! dief!.… rotte joòd!Even keek ie naar de kereltjes, gooide de koolstronken, die smoezelig op z’n tafel neervlerkten, achter z’n kruk, lachte stil, ironisch-droevig.—Plots lichtte ie z’n grooten donkeren hoed, beleefd van zwartkrulligen kop, groette in tooneelbreed gebaar, schreeuwde uit, woord-afstootend in zangrigen dreun vervolgend.—Hooggè.… wààrdeerd pùbliek.. Ik heb.… den bijzonderèn èèren mij-zelffers ààn Uw.… voor tè stellèn.… Ik ben.… tandhéélkundigèn … mijn naam is … Jaack Ròzel … woonàchtig.… sedèrt.… drie-en veertig jàren.… te Rottèrdam.… nùummééroo zès-en-zèstig.… alwàar ik.… prakkiseer.… sedert veertig.… jarèn.—Ik ben.… dèn zoon[105]van dèn.… èx-èx-professor.… te Montabilie, gènaamd.… Jaack Ròzel, seni-or.… waarvàn ik.… den eer heb.… den èchten, den eenigèn afstammèlingg.… tè-zijn.… Ik represènteer.. zijnen.… nagedàchtenis.… en verkondig den volken.. zijn sàluut!Even rustte z’n stem, doodop, als stervend in z’n schorre keel. Rond z’n luisterkring lawaaide herriestroom van karren, kisten, kerels, gierden honden.—’n Paar boeren met goudrooiige kaasjes op grooten wagen, duwden tegen den kring in, schreeuwend en roepend, òp van inspannenden sjouw. Gevloek en getier sloeg terug, over kerels en meiden heen, opzij gedrongen uit kijkkring. Duw-kerels raasden en spogen naar den Jood, die deed alsof ie niet hoorde. Even zacht, sloot ie de oogen, mijmerend in zichzelf. Plots sperde z’n mond weer, ging uitgekrulde zwarte knevel in lippendans heen en weer, op den burlesken donkeren kop; stootten z’n woorden weer in zangdreun, met den angstig-schorren klank-moeën stemmebeef:—Mijn bèroep, geàcht pùbliek is te zijn tandheelkùndigèn.. Ik.… genees.… àllen tant-, àllen mond-, àllen kies-, àllen keel-, àllen verhemelten-, àllen reumatièken pijnen.… Ik.. gènees àllen zinkes.… àllen koòrtsèn, àllen aandoèningèn.… en … stòringèn.… gèlijk gij dat.… ondèrvindt.… van profèssèuren.… gèlijk gij mààr.… wilt.… luistèrèn!—Plots daalde z’n stem tot zacht-vibreerend gespreek, doordringend, duidelijk te verstaan toch, in den doodstillen kring, waarachter de markt raasde, tierde, smakte en donderde, àl verder, met heet geluid van duizenden mokerslagen op aambeeldstaal.——Noemt mìj.… éénen.… leugènààr.… noemt mìj.… éénen.… bedrièger.… éénen galèiboef.… indien ik.… ù niet … den geëèrden argumènten … toon … Maaààrrrr!!.… stootte in één, ùit de zacht-vibreerende spreektoon z’n stem plots hevig òp,—àllen profèssèuren.… àllen doktòren.… àllen tandheelkundigen, àllen verlòs-, àllen heèl-, àllen gèneeskundigen.… kènnen.… Jaack Ròzel, Jaack Ròzel, den éénigen.… en èchten.… afstammèlingg vàn.… Profèsseur.…[106]Jaack Ròzel.… Senì-or.… zijnèn vàder.. te Montabilie.… begràven.… mèt mùziek.… en militairen eèren.. Allen kennèn.… Jaack Ròzel.… Juni-or!.… wien ik.… dèn eèren heb.… hièr tè zijn.… Voor wièn ik.… Hedèn.. mijn beproèvingen.… zal amploi-jèèren!.…In kring van luisteraars en loenschige kijkers, bot en verbaasd òpstarend naar den kwakzalver, was groote stilte-spanning gezakt. En achter den aangroeienden menschprop, in kring vastzuigend een aan den ander, zwol het hondengeraas als hellegekerm; ratelden en hotsten de karren, rauwden in krijsch en hurrie kroeggangers en sjouwers. Vreemd in bleeker goud, stonden huisruiten achter boomlommer uitgebrànd. Er vòòr krioelden nog tentwagens, karren, paarden, ezeltjes, vrouwen en kinders, scharrelaars met kippenmanden en lichtbekleurde vogelenkooitjes. Aardbeizoet bleef zwoelen, overal rond. Telkens uit de kroegen doken koppen òp, onder ’t lommergroen uit,—waar ’t nu dampte van stanken en broeinevel—opdringend in woesten stoei naar den Jood.—In strammen staar bleef kring om ’m heengepropt, loerig wachtend op z’n proeven, maar voortschorde, scherp, droog, z’n stem, gemarteld van moeheid.——Ik.… Jaack Ròzel, woonàchtig te Rottèrdam, gènees U.… van àllen pijnèn, àllen wervèl-, àllen gezichtspijnèn, van kràmpèn.… zoòwel àls van kolièkèn.… van klièrèen.… zoòwel.. als.. vàn verzwèeringèn.… van spierpijnèn, van pèèspijnèn, van likdoòrnpijnen.… van gezwelpijnen, zòòwel als van abscespijnèn.… En ziet toe!.. Hooggèwààrdeerd.. pùbliek.… zièt toe!.. Ik gènees allès met hèt.… kostbàren vocht vàn.… Valura.… in dezèn fleschjès.. saamgèperst.—In groote omzichtigheid tastte ie met één hand in z’n tasch, haalde er flakons, in vloeipapier uit. Hoffelijk buigend weer voor z’n gehoor, ironietrek verborgen om z’n breeën donkeren mond, nam ie gratielijk z’n hoed af, stootte schor-rauw uit:—Mijn gè-acht.. en hoog-gè.. waàrdeerd.… pùbliek.… met dit.… vocht.… van Valura.… geneès ik.… wondèren!.… Met dit vocht.… hebikreeds.. genèzen.… dèn[107]kòning van Itali-en.… dèn koningin van Spanje.… dèn oud-kroonprins van Groenland.… den princes van Montàbilie.… den èrfgraaf van Havana.… dèn rèsident van Djòkjo.. kàrta.… dèn dekens.. èn dèn.… bisschoppen van Ròmana.. Mèt dit.… duurzàmen.… vocht.… mijnèn.… geëerden hoordèrs.… verricht ik.… geneesingen.… dien gèèn.… doktèr.… gèèn tàndheelkùndigen, gèèn chirùrgein.… gèèn àrts.… gèèn profèsseur, gèèn spiritist,gèènhypnotiseur, gèèn fàkir, gèèn Bedouien, gèèn Arabier, gèèn Israelièt.… gèèn Christèn.… gèèn Moor, gèèn Zweed, gèèn Spanjool, gèèn Fransch-, gèèn Duitsch-, gèèn Engelschmàn mijn kunnèn.… na-verrichten!.… Maaààrrrr!.… mijnèn vrienden.… Eenigèn.… druppèls, van dit.… duurzàmen vòcht.… in dèn mond.… eenigen roersèlen in dèn gehemèlten gehoudèn.… daarnà hèt vocht.… uitgespògen.… dèn mond.… nagèspoeld met koud water.… èn wèg.… èènsklaps zijn àllen pijnen, àllen koortsen, àllen zinkèns.… Maaààrrrr! aanstonds mijnen heèren!.. en mijnèn damès.… aanstònds.. zàl ik.. onder.. uwèn.… geëerden.… aanwezigheid.… dien er.… mààr wil.… den proef laten nèmen.… Ik bèn.… Jaack Ròzel.… Juni-or.… woonàchtig te Rottèr-dam.… Reeds sedert.… veertig jàren.… trek ik.. zònder pijnèn.. en zonder geldèn!.… graties!.… voor-niets-niemèndal!.… Alleen vòòr dit.… flèschje.… betaalt gij.…—Dat-wil-zeggen.… Ik ben.… hier niet.… gekomèn.… om wat.… te verdiènen.… maar.. òm dèn.. menschèn.. te bewijzen.… een weldààd.… Maarrr!!.… al zoudt.. gij mij.… vijfèn.… twintig guldèn.… willen gevèn.… ik zou dezèn.… niet akcepteeren.… Ik bèn hier.… òm ù.… van dienst tè zijn.. Alleenig daarom!—Dit vocht.… van Valura.… spéciaal.. bèreid van gè.. heime sappèn.… òntdekt.… ten tijdèn.… vàn het.… middernachtelijk uur.… door mijnèn.… vader.. profèsseur te Montabilie.… door zijnèn.… handèn.… den handèn.… van Jaack Ròzel.… Seni-or.… dit vocht.… met zijn.…. geheimen sàppen.… kùnt gij.… krijgèn.… Maaààrrrr! nièt voor.. dèn prijs.… van vijf-en.… twintig..[108]gulden.… Voorgèèntwintig.… gèèn vijftien.… gèèn tien.. gèèn negèn.… gèèn acht.… gèèn zevèn, gèèn zes.… gèèn vijf.… gèèn vier.… gèèn drie.… gèèn twee.… gèèn één gulden.… Maaààrrrr! dit vocht.… waarmeè ik.… genees.. àllen zinkèns.… àllen koòrtsen.… àllen keèl, àllen tant.. àllen maàg, àllen ingèwandspijnen, dit vocht.… kost slèchts.. dèn prijs vàn.… vijf-èn-twintigcenten.… En al.… woudt gij.… mij nu gèven.… na te hebben.… gèzien.… den wondèren van mijn wèrken.… op hèt lijf en den ledèn.… den pezèn en den spierèn van iederèn persoonaadjen.… al woudt gìj.… mij betalèn den blootèn sommà van vijf-èn-twintig.. guldèn.…ikzou.… hèt.… niet.… aanvaardèn.… omdat ik.… een weldààd.… voor den armen bèdoel.…—Even hijgde ie uit. Ronddaverend geratel was achter z’n kring heengedonderd, dat ie sterker z’n stem moest uitzetten.—Z’n gezicht glom van zweet, stond grauw van vermoeienis. Toch probeerde ie door te spreken met cier, hoogdravend in zinwending, langzaam, als uitrustend bij elk woord, overdreven in hoflijke geaffekteerdheid, alle woorden afstootend met zware „’n”. Weer had ie deftig z’n hoed van ’t hoofd gelicht, sprak ie ’t landvolk toe, meiden gapend van verbazing, kerels loenschend en heet op proeven.—Hier en daar, midden in en vooraan in den kring, stonden jongens en kerels met hand aan den mond gedrukt, zacht-kermend van pijn, gloeiend in hoop nu, van hun smart verlost te worden. Er begon wat bangelijk geloof en verschrikte suggestie in den menschklont rond te gaan. Dat voelde de Jood, zacht-triomfeerend met ingehouen ironielach.Zon, al lager, verfde gouïge glanzen nu op de luisterkoppen, en tèlkens drong nauwer òp de groep, om tandentrekker.—Zachte, plechtige verschuivingen van lijven en gezichten, armen en rompen, wurmden paffend in den kring, waar tusschen snikhitte dampte. Gezichten stramden strak, van vrouwen en kerels, nek-achterover, in òpstaar naar den al sterker suggereerenden Jood, in luisterspanning; koppen staarden, van jongens en kinders, waarop ’t late licht wondere schijnsels weefde in legendarischen gloed.[109]Karren ratelbonkten nu al verder van den kwakzalver af, die al breeder omsloten stond in kring, en sterker stootten z’n woorden òp, schorde z’n moe geluid, afgetobd en bevend:—Maaààrrrr! nu.. Hoogè-eerd.. pùbliek.… Is er.… een-ònder u.… die soùffreert.… aan pijnèn.… ’t zij zinkens, ’t zij koòrtsen, ’t zij rheumà-tiek in dèn mond.… het strottenhoofd.… hij komèn.… tot mij.… opdat.… ik hèm.… òp slag gènees.… onmiddèlijk.… Ik ben.… Jaack Ròzel.. Juni-or.… heeren en dames!.… zoon vàn.… profèsseur.. Ròzel.… Seni-or.… woonàchtig tè.… Montàbilie.… Maaààrrrr!.. ieder.. dien nù.… lijdendèn is ààn pijnèn.… ’t zij oòrpijn, ’t zij.. wàng- ’t zij keèlpijn.… hij komèn.… tot mij!.… Mijnèn.… vriendèn.… en ik.… zal hèm.… dadèlijk.… genè-zen.… zonder smàrten.… met dit.… geheimen.… wondèr vocht.… van Valura!.… Laàt u.… hèden.. niet terughoùden, door.… àngsten of.… valschèn.. schaamtèn’s.… Want ìk trek.… zònder pijnèn.… en zònder àngsten.…Twee opgeschoten slungels en ’n knecht-tuinder wrongen zich uit den knellenden prop los, gingen bleuerig en gemaakt-lacherig voor de tafel staan. Een blondharige jongen had onder elken arm ’n dik kaasje gekneld.—Uit z’n jekkerzakken bochelden goud-glanzende punten van komkommers. Met suggestieve kracht keek de Jood van z’n kruk op hen neer, door-oreerend toch tot publiek, zonder de patiënten iets te zeggen, manouvreerend den kring rond met z’n fleschjes. En donkerder figuurde z’n mager lang lijf tegen het late luchtruim, hoog-eenzaam op z’n kruk, in de afzakkende havenherrie, in den zwoeg van karren naar booten.—Hei Jansse, hai hep ’t op sain ruijker!.… t’met stol ie.. je koàsies.… kaik de fint se klietere onder sain oàrreme!.. schreeuwde Dirk, telkens aan z’n wang voelend of ie ook t’met geen kiespijn voelde. Dan kon ’t nou toch beure feur niks.—Maar de Jood zangdreunde voort.—Nièmand.. mijnèn vriendèn.… behoeft dit.. te koopèn.. àls hij.… niet dèn.. proevèn.… heeft gèzien.… gelukkèn..[110]Komt ééns hier.… gij vriend.. ja!.. lèg u.. kaasjès.. mààr neder!—Komp nou op de koffie hee?.… die bi’-je t’met kwait, schreeuwde één heesch, uit de menschenprop.—Leg.. uw.… kaasjès.… maar hier.… nèder!.. mijn vriend.… Hun zal.. gèèn leed u geschiedèn.… Neen! kom niet.… àllen drie!.… tegèlijk.. Gij àlleen.. ja.. laat ùw kazèn.. mààr los!.. weès niet.. zoo bèvreesd.… Gij.… àlzoo!.. juist.. hier!.. maar.. op dèn straat.. jongèn vriend.Wat schèèlt u?… en waar mààkt gij.… u bezòrgd ovèr? Zeg hèt mij gerust.—Nou?.… joa kaik.… doàr.… achteràn.… in main bek hee?.… aarzelde bleekig van angst en verlegenheid de slungel, die bangelijk z’n kazen op de straat had gezet, er telkens naar glunderend, of iemand in den kring ze ook vergoochelde.—Hoe is ùw.. naam.… jòngèn.. vriend?.. èn waar.. woònt gij?.…Van z’n stoelhoogte had tandentrekker zich voorover gebukt naar den beschroomden slungel, die met open mond, wijd gesperd, wat terug stamelde op z’n vragen, terwijl de Jood, ingezakt, beenen gekromd, ’n vies tangetje tegen de rottig-groene tanden van den jongen aantikkerde.—Hier zit hij.. niet waar vriènd?.. juist.. dèzen.. juist dèzen.… dien doet u.. pijn? niet jongèling?.…Harder tikte ie tegen ’n bovenkies áán, en de jongen, beverig van pijn en benauwing, met z’n kop in den nek gedrukt, z’n schonkige schouders van angstigheid hoog-scheef opgetrokken, oogen duizelig hemelruim instarend, schokkerde, kwijlde op Jood’s hand, stotterde wat woorden, achter gerommel van vuilroestige tangetje, dat z’n mond inwoelde.——Hier hèbt gij.… pijn nièt?.…—Nou.… nou.… auw!.… ik f’rek puur fé’ pain!.…—Zekèr.. vriend!.. stil moàr! Houd ùw hoofd.. wat hoogèr!.…De twee andere patiënten, bleven gejaagd kijken, van den[111]jood naar den slungel. Spannende angststilte hijgde door heel de menschenprop.—Geef dit, tangètje ééns aan, gij vriend!—Hoekke motte ’t weuse?.… stamelde de gevraagde verlegen.—Dutte! dutte!—krijschte ’n andere er zenuwachtig schreeuwerig doorheen. Maar de Jood had zich, ongeduldig, zelf teruggebukt achter de tasch, z’n halven vuist in den gaapmond van den slungel stekend. Handig, uit z’n vuile rommel greep ie ’n kort-dikke tang, met roestige snavelkromming.——Kaik.. dat is weer ’n aêre!.. schreeuwde bang één uit den kring.—Wá’ he’k main slinger!.… dá’ kost ’m sain heule stal!.. lolde zenuwachtig ’n ander.…—F’rskeur nou je pampiere moar.. Joap Jansse!.. gilde ’n meid.—Kom bai màin op de koffie Joàp!.…Maar Jood bleef kalm, hield z’n tang op de tong van z’n patient gedrukt, keerde zich deftig naar het publiek, dopte weer hoofsch, met sierlijk groetgebaar, liet den slungel gapend, den kop diep den nek ingekrampt en sprak:—Hooggè-waàrdeerd pùbliek.… gèachten.… vriendèn.. Ziet toè! gètroost uwèn.… geëerden oogèn.… den kòst.… te gevèn.… ziet toè … hoe mijn … vocht vàn … Valura.… wondèren.… uitrichten.… zal.… Dezen jongen vriend.… ùwen vriend, heeft.. hevigèn kièspijn.… koortsèn.… en zinkès.… van wegèn.… den verròtting.… èèns kies.… nièt waàr vriend? Gij lijdt.… gij hebt.… duldeloòzèn.. smarten.… in dèn ochtend.… wanneer gij.. u ten rùsten bègeeft, òp ùwen.. legerstedèn.…—Nou furt dan.… furt!.. furt!!.. ik f’rek fè pain.… stamelde woedend de slungel, ’t hoofd nog achterover gebukt, klein gesuggereerd in houding, roerloos, als zou ’m de Jood, bij kleinste beweging, begoochelen. Maar kalm weer, boorde blik van den kwakzalver op z’n angst-slachtoffer neer, en dòòr stootten z’n afgebroken woorden:[112]—Gij hoort hèt.… gèacht pùbliek.… ùw vriend lijdt.. pijnèn … smàrtèn … zièt toe … hoe ik … dezen.. jonggèling.. éénigen.… dròppels.… van dìt.… gèheimèn.… vocht toèdien.… zièdaar!.. mijn jeugdigèn vriend! neemt èèns, een slòkje en spoelt u, op dèn plek.. ùws pijns.… Maar houdt hèt.… geheimèn sap over.. uwen gànschen.. tong vèrspreid. Zoò juist! En nu.… ter exploiteering der kràchten.… vàn mijn … geheimen Valurasavochten … blijkt dit … koelen vocht saamgèsteld.… uit bestanddeèlen van wònderen.… dien ik niet.. zeggèn mag!.… Maaààrrrr! waarmeden.… ik allen.. pijnen.… gènees.. bij koningen en princen.… gravèn.. en baronnen.… tot bij den vòlken.… van dèn.. laagsten ràng..Ik zeg nù.… tòt u.… gij jòngen vriend! neemt dit.… koelen vòcht van Valura.. en laat hèt één oogènblik liggèn.. in den hoèken uws gebeentens, op dèn plek.. ùws pijns.. en gij zult nièts meer.… voelen. Dèn pijn.. zàl zijn.. verdwènen.… en nooit wèder.. kèèrèn.… Alzóó.… spuw nù uit.. mijn jeugdìgèn.… vriend.… het speeksel.. ùws monds.… Schaamt ù niet.… voor ùws.. gelijkèn.. èn uwèn mindèren.. Zòò juist.… Drink nù eens.… één slok.… vàn dit.… ijskoud heràldisch wàter.… dat is heraldischen spijzèn.… vàn oòrsprong. Egyptisch.… zòò juist!.… spoel daarmèden uit.… den ònreinhèden.… uws lichaams.… spoelt dàt.… àlles, dat meèleed aan uwen.… spieren.… en pezen.… gewrichten.… en gebeènten.… laat uwèn … mond verkoelen.… èn wèg.… wèg.… èènsklaps.… zijn àllen pijnèn!Spreektvriend.…spreekt.… hoe.… voelt gij.… u? Waar is ùw.… pijn?… Waar?… zoo éénsklaps verdwènèn?.… Sprèèk!.… sprèèk!.…Slungel, met uitgespoelden, smakkenden mond, stond beteuterd, keek sip rond, als zocht ie naar de pijn, verbluft … Angstig ’t eerst, greep ie naar de kaasjes op de straat, voelde in z’n zak naar z’n komkommers.—Welnu.… jeugdigèn vriend.. sprèèkt—bid ìk u.… spreekt tòt u.… gèlijken.… tòt uw naasten.… vriendèn en maagdèn.… en zèg hèn.. dat Jaack Ròzel Juni-òr.. woonachtig..[113]te Rottèrdam.. Wagestraat zes en zestìg.… uw eensklàps.. heeft genezèn.… van àllen pijnen.… àllen smarten.… àllen zinkens.… àllen rheumatismen.… waarmedèn.… uw aangèzicht.… bezwangèrd wàs.… Spréékt!… Hebt gij pijn? nù nog?—Nou f’vloekt.… nou hè’k puur main droai … dut is d’r tùg ’n meroàkel!.. ikke voel puur niks meer.. niks!..Verbaasd drukte ie z’n hand op z’n kies, om te voelen of ie ’r nog zat. Triomf vonkte er in oogendonker van zwarten Jood. Deftig z’n hoed lichtend van den kop, met ciergebaar, vèr groetend en buigend lichtelijk voor den kring, krijschte plots z’n stem, heftig:—Maaààrrrr!!.… nu zièt gij.… dat hèt wònder.. heeft plaats.. gègrepén.… Dezèn jeugdigèn vriend.… door mij àànschouwt.… begeeft zich tòt mij.… zoekend.… naar genèzing.… van dèn martelingèn.… des kiespijns.… Hij komt tòt mij.… uw allèr vriend.… met dèn hand.. aan dèn mond.. een gèzicht.… vertròkken vàn smart.. En ik.. naar gij zaagt.… geeft hèm.… eenìgen druppèllèn.… van mijn vocht … En éénen.… minuut.… staat hij hier.… hij drinkt vàn dit.… ijskoud heraldisch wàter.… en spoelt zich.… ònder … mijn toezicht.… En eensklaps … weg … is àllen … pijnen.… àllen koortsen.… Onthoudt nù.… geëerden menschen.… dàt hij èènen.… mìnuut.… voor hij.… hier kwaamt.… voòr mijnèn tafel.… nog hinkten.… nog jammerden en weènden.… van smàrten.…En spreekt nù.… weer jonggèlingg!… En zeg.… niets.. dàn dèn.. waàrheid.… àlleen en uitsluitend den wààrheid!..Moor-Jood keek doordringend den slungel aan, die maar knikte van ja, ja, verlegen, sip, met z’n kaasjes weer stevig onder de armen gekneld. Uit z’n twee logge jekkerzakken, onder z’n ellebogen, drongen hooger z’n geel-glanzende komkommerpunten. Komisch verbluft, draaide ie om de kruk rond, staarde ie òp naar den Jood, knikte en stamelde tegen de menschen, dat ie heelemaal niks meer voelde..—Debies, dutte is d’r puur ’n meroakel, riep Dirk Hassel[114]extatisch, spijtig dat ie geen pijn had, om ook ereis te probeeren of ’t echt was.—Nou.. die hep ’r ook ’n knikker, wees een, met ontzaggebaar naar ’t hoofd van den Jood.—Aa’s ’t gain mesièk is!.…—Mesiek! mesiek! onderbrak een giftig.… en je sien ’t puur veur je aige lampies.… die vent hep rekloàme neùdig!.. mô joù hebbe.—Tu tu tu.… sou d’r rais kaike.… mi’ de aêre hee!..Verblufte aanhangers had Jood al en woest werd ongeloovige twijfelaar naar achter geduwd, met voettrappen en elleboog-stooten. Er ging gestommel en geschreeuw; kerels en meiden bliezen van de hitte.. krijschten ruig en paf-moe: daa’s puur ’n stookie hier!.… wa’ hitte!.… Maar Jood lachte stil, deftig doorgebarend, hoed in de hand. Verbluft verstierven de stemmen uit den kring, rumoerloos in luister.—Al dichter kringde menschenprop om kwakzalver heen en verder af daverde ’t kargebonk, gehots en geratel, om z’n kruk.——En nu gij.. mijn vriend.. wat dèèrt u?..’n Woeste kerel, ruw uit verlegenheid strompelde vóór, met z’n pet in de hand, zweetharen over voorhoofd plat-verkruld, nattig glanzend. Wijd sperde ie z’n mond open, spoog ’n pruim voor de kruk, in klownig gebaar, dat ze schaterden in den kring. Z’n lippen, nog bruinend van pruimsap, smeerde ie woest af met handrug. Wild z’n hoofd achteruit, strammend den nek in, gaapte ie als ’n nijlpaard, zonder ’n woord te zeggen, z’n handen mèt pet, nù in z’n broekzakken saâm-gevuist.—Jood keek, streng, donker, met één hand nog lager achterhoofd van kerel den nek indrukkend.—Hoe heet gij.. vriend? wat dèèrt u?.. waar woònt gij?—Da’ flop niks!.. waa’k hiet hee?.. aa’s jai main d’r moàr vèn furt holp, hee?.… barstte de vent woest-lachend uit, main heule bek is t’met rot.… de heule femielje sit dur in te kniese hee? en nou ke’k dur nie eens main flees an toàfel vèn baite.… hee?..Schatergelach uit den kring barstte los om den brutalen[115]schooier, van wien ieder wist dat ie noòit vleesch zag.—Kerel, aangestooten door ’t lachen, lolde zenuwachtig-schel door, om zich van z’n eigen verlegenheid en benauwing af te helpen. Door de menschenprop joeg weer drift. Nauwer drongen kerels en meiden naar ’t tafeltje òp.—Brallend gekrijsch uit den troep gierde uit:—La’ jai je nie naime Piet!.… aa’s t’r pain is mo je.… f’rdomd,.… mo’ je ’t uitskraife.… aa’s ’n kerel!—Nou.… da’ kaa’n je op toetere!.… riep ie driftig, op en neer wippend z’n kaken, terwijl tandentrekker telkens een tangsnavel z’n mond induwde, scherp loerend den beweeglijken donkeren gaapmond in.—Ja vriend.… indièn gij.… ù niet rustig houdèn kùnt, gedurèndèn een kortèn poosèn zal ìk u.… moetèn opgèvèn.—Nou seg … hep gain loàrie … ik stoan t’met aa’s ’n poal! furt! furt nou.… debies!.…Wijder sperde tuindersknecht z’n mond en strenger, in tanggerammel, keek kwakzalver er in. Sierlijker en geaffekteerder wellustte z’n schorre stem hoogdravend gepraat uit.——Ja vriènd.… in dit gèval, bij dèn staat ùws monds.. zal één kies.… verwijdèrd.… moetèn worden.—Wil èvèn.. uw geëerden nek achtèruit dringen,… Zòò.. juist zòò!.… Ik zal u.. trekkèn geheel zonder pijnèn.… zoòals.. Jaack Ròzel altijd trekt.… zondèr.… schokkèn.… zonder stòòten.… zonder smartèn.… zondèr soufrànsèn.…Doodstil loerde de kijkkring op z’n handen. Achterstaanders rekten zich op teenen, om beter te kunnen zien. Kalm draaide de Jood van z’n verroest grimmig stelletje, beplast met water uit ’n glas, een grooter snaveltang los, rood van roest.—Even boog ie in, z’n lichaam, sperde met één hand den mond, drukte plots haastig, de tang in donker gaapgat vóór ’m, verplaatste andere hand in bliksemsnel beweeg, achter den nek van den kerel, die òpstaarde hemelwijdte in, met gespannen kop, woest-verwrongen, donker-harig.—In één draairuk trok Jood de kies er uit, terwijl de kerel nog z’n kop naar achter hield gekrampt, niet beseffend dat ie al geholpen was. Zonder den[116]patient tijd te gunnen tot spreken, zeide jood kort en suggereerend:—En nu.… drink! dit ijskoud heràldisch watèr.… vèrmengd.… met vocht.… van Valura.… En wèg is.. àllen pijn.… èènsklàps! En nu.… spréékt ook gij vriend!.… Hèbt gij wat gèvoeld?.… bij hèt trekkèn? Sprèèk?.… zeg slechts.… den vollèn wààrheid!Woest-harige kop, ook van dèzen patient stond gebluft naar den Jood op te staren. Niets, niets had ie gevoeld, geen sikkepit.Toen ie dacht dat ’t nog beginnen moest, was ie al klaar.…En nou stond de trekker daar voor ’m, met z’n eigen bebloede kies in de tang..—Gô sa’ main kroàke!.… daa’s puur ’n meroakel.… viel ie uit, in kringetjes bloedspuwend rond z’n beenen.… f’rduufeld.… hai jai sàin doàr te pakke hee?… Heerekristis waa’n kanjer hee?.… dut is dur puur ’n meroakel!—Spuug slèchts.. in dezèn bèkèr.… èn drink.. nog één slok … van Valura.… àlles gratiès.… Dit vocht.… dit ijskoud watèr.… het trekkèn!.… Houdt dit vocht.. éénen mìnuut in ùws mond.… op dén plek ùws pijns.… zonder.. te sprekèn.… zondèr.… ù te … bewègèn … laat koelen.… ùwes mond.… uws zenùwen.… uwen verhemèlten, uwèn spierèn, uwèn pezèn, uwén gebèèntèn.… en weg is uwèn smart.… weg uwèn lijdèn!.…Twee minuten lang oreerde de kwakzalver weer door, al deftiger, hoogdravender, voelend z’n stijgender invloed op ’t bokkige, eerst scheldende publiek. De woeste kerel, stond onder ’m, met opgeblazen wangen, ’t vocht speelsch rond te spoelen in z’n mond, doodstil in één houding, bestaard, met ontzag, door heel den kijkkring.——Spuug nù uit, vriend, èn spreek!.… tot ùw maagden.. en makkèrs.… spreekt.. en zèg.. niets dàn den.. wààrheid.. Spréékt.. Drink nog éénen keer.. vàn dit.… ijskoùd wàter.. En zeg dàn.… of gij pijn hèbt … Zeg dèn … vollèn wààrheid aan uws gelijkèn.… aan uwèn meerdèren.… en mindèren.. spreekt.. hebt gij pijn?.…[117]—Gain spier! f’rdomd.… of ’k mot ’t liege hee? Jeesekrim! meroakel.… daa’s òplucht!.…—Hai jai gain spier pain Piet? schreeuwde een.——Gain spier!—En hep ie je nie van mékoàr hoald?—Saa’k f’rbrande.… aa’s ’k wâ voelt hep hee? snó’f’rjenne moat.… daa’s de weg noà de haimel hoor!.… Jemikremi!Maar Jood bleef stil even van z’n hoogte loeren met z’n gitpupillen op Piet gestard, en toen juichend den kring rond, hoed in den hand, schorde en stootte z’n stem weer:—Gij àllen.. ziet hèt.… hooggè.. eerd pùbliek.… Ik ben gèèn.… leugènaar.. ik ben gèèn.… bedrièger.… ik ben.… gèèn.… galeiboef.… gèèn Chamberlain.. gèèn Rhodes!.… Hier vòòr u.… staat dèn.. èchtèn den èenigèn.. afstammèling van Profèsseur.… Jaack Ròzel.… Seni-òr.. woònachtig te Montabilie.… in zijn leven.. en strevèn.… op het rotsgebergte van Zuid-Amerika, alwààr hij.… de Sioux’s de Panie-ews!.. de Irokeèzèn, gràties hielp.… gèlijk ik.… dat ù doe.… Hier staat hij dan, in dèn.. levendèn lijven.. Gij ziet hèt.. gij hoort.. hèt.. gij rùikt het.. gij vernèèmt het.. gij beproèft het.… Hij gèneest.… ùwen maagden.… uwen vrièndèn.… uwèn kindèrèn.… Hij is.. den èenigèn.. Jaack Ròzel òp den ganschen wèèreld.. die hier komt om u.. te bewijzèn.. een weldààd.. Hij is.. tèr naam en tèr faam.… bèkend en spèciaal bè-vriend met àllen doktorèn.. professeùren, met àllen genèès-, hèèl-, verloskundigèn des heelen ààrdkloot.… En hij rèist den wèreld door mèt hèt vocht.… van Valura.… en den.… profesòren àchter hèm áán! En hij trekt.… gansch zondèr pijnen.… Hebt gij niet.… gèzien.. dat ik.… hier stàànden.… voor drie màànden.… twee lammen, van wien ik den krukken.… over dèn.… knieën, stuk bràk.… ter aarden.… wièrp,.… hen bèstreek … met hèt vocht.… van Valura.… èn zij.. van mijn tafél, weer loopènden vertrokken,.… rècht op!.… slank en elègant.… gelijk chiraffen.… En hebt gij niet-gezien.… dàt ik.… ùw vriend.… hiernèvens … trok-zòndèr … dàt één … spier vàn[118]zijn.… gèlaat vèrtrok.… en dàt hij.. nu zelf.. bèweert en bèvestigt gèèn pijn te hebbèn.… gèvoeld? Zoo genees ik lammèn.… blinddèn.… doovèn.… rheumatieken.… met mijnèn wonderdruppels.. mijn vocht.. van Valura … Nu zal ik nog dezen.… vriend helpen.… en dan zal ik vertrekkèn.. uit hoofden en onherroepelijk.. zonder àànziens des persònen, na te hebben.… aangebodèn.. laatsten vòòrraad.…Weer bedremmeld stond een derde kerel voor ’m, mond wijd open. Zacht beduidde hij den jongen, dat ie niet noodig had getrokken te worden. Ook hém liet ie spoelen met zijn Valura, en onderhands haalde ie flakons uit z’n tasch in vloeipapiertjes verpakt.—Weer aarzelde verbluffing rond, in den verhitten kijkprop van tuinderskerels en meiden, sjouwers en vrouwen, want weer stamelde de kerel, na twee minuten ’t vocht in z’n kies te hebben gezogen, dat ie geen pijn meer voelde.—Naar alle kanten werd ie getrokken en verbluft knikte, stamelde ie uit, nergens pijn meer te voelen.——Dat wondèr voor dén prijs.. van vijf èn twintig cènt!Geen woord kon Moor-Jood meer uitbrengen van vermoeienis. Het zweet drupte als stijfselkorrels vettig op z’n donker hoofd. Van drie kanten uit den kring, drongen lijven òp, grijp-armen vooruit, hoog naar ’t tafeltje. Meer niet. Gezicht van den Moor-Jood betrok, zenuwachtig, spijtig, alsof ’r ’n huil draaide rond z’n mond. Maar toch beheerschte ie zich, sprak ie weer met afgetobder, heescher geluid.Eindelijk, de geholpen kerels, waren weer den kring ingesjokkerd, schouerbonkend, getrokken en gesleurd, babbelden en schreeuwden ze met ondervragers mee. Wantrouwig landvolkje, beduusd en vergaapt, kwam in beweging. Weer had de Jood getoeterd, schel en hoornhoog den hemel in, spattend z’n klanken, schuimend tegen opsteigerend gewoel, en weer zwaaide ie z’n brandende toortsen tegen al donkerder luchtgoud. Er kwam beweging, woeling in den menschprop, uit elkaar brokkeling van broeierige kluiten. Telkens, slechts twee, drie tegelijk, drongen naar de kruk, met ’t kwartje klaar in de hoog gerekte hand. En drukker stalde ie z’n flakons uit, zalig-wachtend[119]op uitwerking van z’n wond’re woorden en proeven.—Sneller drongen de lijven en armen òp, dat ie nieuwe voorraad uit z’n tasch moest halen. Rapper z’n handen graaiden in den tasch-muil, z’n donkere kop lachte, tegen ’t licht in, burlesk, ironisch, onmerkbaar bijna.—Nu zòng z’n stem met klank van zalvende zekerheid:—Een iedèr.. dièn lijdt.… ’t zij aan zinkèns.. ’t zij aan koortsèn.… ’t zij aan wondèn, blindheid.. doòfheid.. làmheid.… ik help hèm.… ook zondèr gèl-den.…Trager trok kring om ’m los. Meer en méér handen grepen, naar z’n hooge tafel, dat ’n stapel kwartjes tusschen z’n tangen ophoopte.—Z’n oogen git-glanzigden, lachten, vonkten.—Eindelijk stopte ie. Zwaar gedaver en laatst gewoel dromde langs z’n tafel achter z’n kruk. Nou wou ie ook een ’n glas bier gaan drinken. Z’n keel brandde van rauwen krijsch en pijn. Eerbiedig weken de kerels voor den lang-mageren Moor-Jood, met z’n angst donkeren kop, z’n streng borenden blik, z’n kalmte. Even z’n schouders, in krommige lijn opgehaald, ging z’n lang lichaam tusschen de sjofele sjouwers en tuinders, z’n zwart-bleeke kop, prachtig beglansd in lichtwaas. Geheimzinnig in donkeren staar, schoof ie voort tusschen de botte kerels, zich-zelf voelend als ’n Cagliostro in zuidelijke gratie en suggestie.—In eindloozen koepel, blauw-bleek glanzend, rondgestold in ontzaglijken hemelkring boven havenbrok en polder, wuifden struisveerige wolken, zilverzij-licht, en ver, heel naar den horizon, tusschen violette neveling van spitsjes en daakjes, bouwde de lucht porceleinen torens van lichtwolken, slank, met fonkelende tinnen.Menschenprop was weggebrokkeld, nu kwakzalver bier dronk in rookige walmkroeg.—Daverend roezemoes ratelhotste in ’t zonnezinken als ging er hellevaart rond in Wiereland; begloeid en beglansd stedeke, met z’n hel-rood en zilver leigedak in vervloeienden goud-roes van eindloos polderruim.—Op en af de booten ging ’t weer in laatsten ploetersjouw en[120]afhitsende werkkoorts als hadden de kerels zich verzuimd met luistering naar den Jood.Woester stormden de kroegen leeg en vol.—Verhitte zuipdrift stramde de koppen, en zwaarder, paffender in ’t zomerbrio, doorregenden geuren en stanken de haven; verklonk in rommelende donkerte ’t lawaai der zwoegers tegen al stillere rood-verre oneindigheid van polder-avondlucht; hemelkoepel, doorzeild van laatsten klankenjubel en verren vogelenkweel, leeuwerikkenvlucht, donker verstippend de luchtzee door.—Sneller, àl lager sloeg de blink-glanzende gang van ’t licht over de haven, als kon de dag niet sterven dààr, vloedgolfde ’t over de kerels, roodgebrande tronies, nimbus van avondzon, gloedkoppen, verwaasd en verheiligd.—Dwars door den rauwrumoerenden gruwel van krijschende, furiënde sjacher en zwoeg, over pijpen, masten, zeilbrokken, pramen en sloepen, stroomde avondtooverige gloed, vreemd zilverrood, blond en telkens wisselend in gamma’s. Van de porceleinen wolk-torens, gloei-purperden de tinnen, vonkten hun gouden ommegangen.—Al lager de lichttoover doezelde over heete havenjoel, gedaver en gezwoeg; al wijêr glansde stralende purpering, verstillend de luchten, bedampend in wond’ren zonnemist, keien, sintels, en werkers. Paardkoppen droomden in stille, verglijdende glanzen en karren met aardbei en groen, doofden langzaam, bij stukken uit, in doffe zonloosheid.—Zonnedroom, die uitdoezelde, wegnevelde, in violet gedamp en paarse vlekken, schaduw-fantomen wierp aan walkant, goudteer vergloorde, tusschen rag touwwerk en masten.Over bootsrompen, en boegrondingen, waar kleurkopering van roeren en luikjes verbleekte; over heel het havengeraas, waar werkersopstand in drommen dooreen krioelde, starde al meer de vlam van den hitte-dag, de felle daverende blinkgang van licht, verdampend in wazige tonaliteit, in zilverige schemer-vegen en aarzelend blondrossig-goud.Tusschen het al donkerder kastanje-geboomte, waar de schemer ’t eerst in duisternis verweefde, keken de kerels onder ’t lommer nog òp tegen den kleurzang van zonnedag, die lang, heel lang,[121]tooverig begloeid, in polderhemel bleef nazingen z’n wond’re tinten. Menschen, paarden, honden en karren in opgepropte kronkel en warrel, onder ’t duisterende lommer kleurden nà, in de ver-affe roezemoes van ’t stervende licht.—Allen dáár, wriemelden dooréén in schemer-avondgoud.—Petten kleurden vaal, in al gamma’s; kielen, jassen, schorten, donkere sjouwers en tuinders-venters, boeren en kijkers, in één warreldrom, loom langs elkaar verkleurend en verkronkelend, als drasten ze voet-zwaar aan vastzuigende havenkeien, moeras van rottend groentenafval.—Dirk Hassel was met Klaas Grint, z’n zoon Jan, en Rink van den polder, tusschen ’n groep tuinders de kroeg ingeschoffeld.—Voor hun beenen buldogde ’n ton-buikige boer, met ’n korf kleine varkentjes onder z’n arm gekneld, waar hooilucht uitrotte, urineachtig-vuns. Krijschend en ronkend woelden de dieren, scheefhangend tegen de korfbiezen op, en telkens bonkte bullige boer, met z’n worstige handen, ’n driftstoot op de krijscherige diersnuiten.—Achter kroeggangers ratel-rolden, dwars door de woelende menschenmassa, groote gele tabaksvaten, door troepje kerels met trappen tusschen de karren en dieren voortgebonkerd naar ’t spoor.Dirk was blij dat ie eindelijk zat. Al twee maal van de haven naar de akkers geweest, extra-oplading, en nou zou ie ’t d’r eens lekkertjes van nemen. Hij grinnekte tegen z’n brandewijntje met suiker, dat op z’n schor-korten roep, dadelijk gebracht was. Om ’m krioelde ’t van klomp-klossende kerels, in stampigen gang op knarsenden zandgrond. Lekker en poeteloerig-duizelig snoof Dirk de jenever en bierlucht, zoetig en scherp, en stil tegen den muur ingedrukt, ’n pijp den mond ingebeten, sloeg ie, brandewijntje na brandewijntje klein, mummelde wat woorden uit, tegen groenboeren die naast ’m neersmakten, aemechtig hijgend van zwoeg.—Zwaar-laag dampte de kroegrook, nevelig, en rood misterig toen gasvlam bij ’t buffet en boven biljart àànplofte. Stil bleef Dirk zitten, roerloos in z’n hoekje, uitspuitend pruimsop en pijpnikotine in de spuwbakken, doodop, lekker duizelig, in de[122]wemeling van al meer aanstommelend landvolk en roezemoes van stemmen, achter hitterook uitkrauwelend, tot ie doorzopen, landerig en woedend, tegen tien uur naar huis waggelde.
II.
’t Was Vrijdagmarkt, tegen half vijf. Van enkele zijwegen en uit smalle, door zon verblakerde steegjes kwam áánrateling van karren; tuinders die hun waar vroeg opgeladen hadden. De havengrond bij brokken bekeid, lag vol koolstronken, aardbeirotte plasjes en groentenvuil. Eén brok weg, zwart, gruizig besinteld, rond rood-wit bemeniede lantaarns, frisch zomers opgekwast, lag bezaaid met kisten. De huizenkant van haven, met z’n gevel-trappige woningen van dominee, dokter en wat winkeliers, tot meer naar achter, waar ’n woelige oppropping van kroegen en pakhuizen samendrong,—koelden donker in zwaar uitgegroeid lommer van hooge kastanjeboomen, wonder-groene laan, ingeplant tusschen wal en stoepen. Het ruiten-licht van de oud-gevel-typische huizen in wazig-groene glanzingen, verschemerde ’r geheimzinnig ’n eigen bestaan; bestaan van diepe halfschaduwen, dwars door het aandroesemende lawaai en geraas van havengescharrel, geheim stil verwisselend achter zwaar lommer.—In ’t walletje kleurden achter elkaar, pas aangekomen booten, waarop dekknechten met oorverdoovende herrie kisten van ’n plank lieten glijen òp de steenen, langs de reeling, door ’n anderen kerel weer vèrder rondgeslingerd tusschen vuile stronken en groentenafval, sintel en kei.—Zoet-zwoele, tot stank verbroeide geur van aardbei vloeide wèg in vunzige lucht van duffe groenten. Heel de Haven zoog in, àl luchten en reuken, ademde weer uit, bedorven saamgebroeid zoet van aardbei, aardappels, sla en penen.[86]Telkens achter groene kroeg-gordijntjes spuiden de herbergen jeneverstank uit, scherpen prikkelgeur doòr den warrelenden damp en de stank-zwangere atmosfeer van verbroeid zonnig havenleven.—Geweldig in wijdheid, doorwolkt van onweersgedreig en half in zonnigheid weer, welfde de polderhemel met ’t weiland eronder, afgelijnd door spoordijk; ’n hemel niet te zien, maar ijl te voelen toch in verte en diepte ònder de àlmachtige luchtruimte. Groen-prachtig, in fel-grilligen zonneschijn, lichtte de lange dijk òp, waarover lawaai herriede van aamborstige lokomotieven, hijgend en puffend, heen en weer, als in zweetbenauwing, drentelend en geduwd voor- en achteruit.—Vastgehaakt en voortgebufferd in stooten en dreunige stampen, donkerden vrachtwagens dwars door den uitkoepelenden polderhemel.Onder kastanjelaan, vóór huizenkant van Haven, het doorrijpad van karren en paarden, kermisten zuurkraampjes en betentdoekte vischstalletjes met poonen en scharren, die walglijke stanken rondbroeiden in de hittesfeer van sjachering en half afgedreven zomermiddag-onweer.—Stijgender geratel en gerammel van karren en wagens, dooreen-klakkerende hoefslag van zwoegpaarden op keien, kwam dreunend òprumoeren uit steegjes en zijwegen, naàr en vàn de groentenvervoer-booten.Heel de aardbeistuip van ’t land, de koorts van wroet en pluk, pakte zich daar saâm, in één woesten drang van laden en lossen, één jagende scharrel onder de ventende afbeuling van ’t landvolk. Al tweemaal op één dag was er door de booten in den drukken broeihaal van aardbei nù, op de groote stad afgevaren; al tweemaal geladen en gelost. Om vier uur in den ochtend, de heele week, waren er zes groote vrachtbooten, tot hoog boven de verschansing opgestapeld, weggestoomd, met allerlei groentegewas, stikvol van aardbeien, aàrdbeien. Om twaalf uur ’s middags, léég, heelemaal uitgeput teruggeboegd, weer gevuld, alléén met aardbei en weer leeg naar huis gestevend. Alles had de groote stad opgeslokt, gretig en woest; en nu wéér werd ingeladen voor den marktdag.[87]De Haven lag gerammeid, begraven onder leege kisten met mandjes, en overal dreef rood sap, donker bloedend door ’t zwarte kolengruis, verkrinkeld in sporen en plasjes.—Dirk had z’n zware kar met voorzichtige zwenkingen tusschen stilstaande paardjes ingewerkt, zoo dicht mogelijk bij de boot, waar ie z’n goed op te laden had. Telkens schokkerde ie ’n eindje verder, meer naar den wal, tusschen de dooreengezwaaide kistenruzie en manden, tonnen en planken.Sterker kwam áánwemeling van groenboeren, vrouwen en kinderen, en oorverdoovend raasden de blaffen van karhonden, die daar woelden, rukten en huilden onder de donkere assen, jammerend tusschen hun bemodderden engen knel van spanriemen en treksels.—Vervuilde, langharige kerels, met dronken-lacherige tronies stonden in overhemd, àchter d’r poon- en scharrestalletjes, hun eigen waar op te eten, schor futloos roepend: fèrsche poone.. fersche skàrre.… In kringetjes rond en onder ’t tentdoek, lolden wat venters en tuinders, poonen etend en uitzuigend, met hun handen de visch losbrokkelend. In nek-achter-over-zwaai, kwakten ze zich telkens stukken vettig vleesch ’t mondgat in.—Zuigsmakkend en belekkend de goud-donkere poonvellen, plezierden ze, waggelend op de beenen. Stil stopte verkooper ze schar na poon in de handen, terwijl hij zelf smakkerend vrat, z’n mesje tusschen ’t scharrenvleesch peuterde, fijn reepje na reepje, achter de tanden vergoochelde.—Zon, uitgloeiend achter weggedreven onweergewolk, brandde weer fel op tentdoekjes, die lichtstreepten rood-geel, onder boomlaan door, de smoezelige linnen kleuringen, warm-dampig verzonnigend.In één uur tijd was de geweldige marktdrukte komen áándonderen in furiënd gescharrel en gesjouw, geraas, getier en roezemoezende stemmenbotsing. Paarden met karren, al méér, al méér, klakkerden en bonkerden onder de belommerde kastanjelaan, schurend langs de huisstoepen, zwenkend, tegen elkaar òp. Vrachtrijders verkrijschten: ho!.… ho!… hai!-daar!-geroep,[88]tusschen kerels, vrouwen en kinderen; tusschen ladende en lossende werkers, of dwars door rumoerige groepen, opgepropt òm groote groenteuitstalling van afslag, waar koopgierige schobbejakkige venters rond-kankaneerden in schor opbied-geschreeuw, als dronken duivels.Van zijstraatjes uit, dobberde zwaar-stootend gedrang van karren, de eene al hooger achter de andere òpbergend, met kisten- en zakkenlading.Tegen half zeven daagde van allen kant ’t landvolk òp, voortstuwend pyramiden van kleurdruipende groenten, als was aan akkerzij van Wiereland overstrooming losgebroken, de zee over de duinen heengegolfd. Als was daardoor ’n chaotische beroering, ’n opstand, dwars door paniekheen gescheurd; had zich ’n drom angstigen aanééngestoet, verschrompelde bemodderde kerels, reddend van hun zwaren ploeter àl wàt ’r op ’t land nog te halen viel. Eén wilde, woeste samenstrompeling van mannen, vrouwen, kinders, met kisten en manden en zenuwbevende handen, die meehielpen aansjouwen en wegduwen van kar naar boot.Aardbeigloei, rood-fel en purperdiep, brandde weer in zonnelaai. Honderden en duizenden bakken met de roode pracht-furie der vruchtjes gingen van hand tot hand op de booten, van de karren naar de dekplaatsen, en van alle kanten losten de wagens uit, stortten een groentezee neer, in branding van kleuren, aanklotsend tegen zonnegolven; tegen broklijven van schuiten, kerels, karren, paarden en honden, één woeste uitgolving, òpzieding van groen, groèn, van zeng-rood, vuur, donkerend purper en hel prachtig wortelen-oranje.—Hemel was blauw-diep weer uitgetinteld, tusschen zilverende wolktochten en in de koelender zilverglanzen van gloedroode, stillere zon, lag de kastanjelaan doorzeefd in wondren glansnevel, doorvlàmd en zonnemistig tegelijk. En de groenbemoste boomstammen, in flitsen grillig beserpentiend, kromden gevangen in gouden kronkels van glans-slangen.Dampig gezeef van goudschemer, gloedrood, vloeide over de bronzen en roode kielen der woelende kerels, werkersstoeten[89]in sfeer van gouden lichtdamp en roode toortsentooverij bewegend.—Midden in zonnetoover daverde ’t haventje van helsche donderbonkerende rumoering. Telkens ratelden van de zijwegen, uit smal-doffige broei-steegjes, nieuwe karren áán, waarachter angstig-verwrongen gezichten èven uithoekten, tusschen bakken en manden; monsterlijk gerammeide zweetkoppen, doodòp van zwoeg, benauwing en snikhitte.—Hun bakken overstroomden de markt, verzwolgen ’t licht. Uit àl andere weggetjes en spleetstraatjes, van rechts, van links, dwars, opzij, uit nog fel-bezonde achteraffe gaatjes en steegjes, flonkerend en dampend in verblindend schellen lichtgloei, bonkerden en schokkerden ààn, al meer paardwagens en handkarren, aardbeien en groentevrachten, rood en groen; felle uitbarstende gamma’s van purper naar papaver-vuùr, en al soorten smaragd, tusschen gelige goud-gloeiende kolen, al méér, al méér, als moest ’t haventje begraven, verzwolgen onder de bakken, manden, vrachten en vaten. Overal, de heete hartstocht van ’t gloeikleurig rood en oranje, de felle klater van ’t schelle en zingende groen, dook òp van alle zij, uit zon-overstorte zijweggetjes, blakerend, smal en vunzig verstoft in de Julihitte, met hun ordelooze wemeling van krijtwitte, bruine, fel-groene bekalkte geveltjes en rooddakig brio.—Overal doken òp, geweldig in drommen tusschen ’t kleurheete, zengende geveltjes-koloriet,—ònder de roodgoud doordampte boomenlaan uit,—al nader, àl nader, de wagens met hun lichtend groen en vruchtenpurper, tègen de hemelblauwing in; de huisjes al kleiner, verder wèg, de karren àl grooter en massaler, aanbonkerend op de Haven.Later nog, de kastanjeboomen zeefden in zonnemist en de kruinen stonden weer uitgegloeid als was ’t goud er tusschen vervloeid.—Hier en daar nog van boven schampte ’n flits, ’n gloeiende kronkel, ’n trillende spiraalglans; was lichtweb uitgescheurd en blijven hangen wat bevend spinsel van goud-gloed.—Links van de karren zwenkten de tuinders hun paardwagens àchter paaltjes áán, op stiller gedeelte, ’n end van d’r[90]boot af.—Stil, tusschen rumoering, suften de paardkoppen, de voorste vastgetouwd aan paaltjes. Maar ook dààr, heel gauw, dromde ’t stikvol, schoven al meer karren in, stonden de beesten met de lijven op elkaar ingedrongen, koppen, droefmelankoliek naar beneden, in zorgelijke bepeinzing over ’t oorlogend havenrumoer, geraas en gekrijsch. Te wachten, roerloos stonden de beesten, d’r half-leeggeladen karren kleure-jolend in zinkenden zonnedoop, kermisjubel van helblauw, groen, hard-geel, bruin en menie-roode beschildering. Zacht zwiepten de staarten, knokelden schimmel-blanke, goudbruine en donker-bronzen ruggen, gloed-laag beschenen. Van alle kanten manoeuvreerden, tusschen ’t geraas van weggeslingerde kisten, de karren zoo dicht mogelijk bij boot waarop geladen moest worden, voor vertrek van den volgenden ochtend. Hoog bestapeld, van achter tot voordek, krioelden de booten in rij vóór den wal. Geen plekje kon onbezet blijven. Dekknechten en kapteins sjouwden gelijkelijk mee met de tuinders, droegen de bakken met vruchten en groenten ààn, in zwaren zwoeg, over keiweg en loopplanken. Handiger dan de tuinders wrongen zij zich tusschen de kisten, mand- en zakvrachten door, opstapelend in zwaren smak van uitputting, de nieuwe vrachten. Dwars door elkaar, bouwden ze òp, monumentaal, dat de groentebakken vèr boven verschansing, als ’n kleurig fort van ruw hout, neergeblokt stonden. En overal bij spleetjes, gloeiflitste ’t vruchtenrood tusschen het monsterbouwsel van kisten, levend monument van vruchten, gesmoord tegen orànjebrand van wortelen en groen.—Op alle booten tegelijk, bleef de laatste stapeling aardbeibakken, langs heel den havenwal neergewolkt in vuur, en de gemeen-beschilderde kisten in ruig koloriet, dansten een kankan van helsche kleuren in ’t doorzonde, heete havenrumoer. Zwoele stanken drassigden in de lucht ’t zoet uit van de vruchtjes, zwoel-vochtig tusschen de groenten, die opeengebroeid, voozer verstonken. Over den drogen gloeiend-stoffigen sintelgrond verwàlmden geuren, dwarrelde rond, draaikolk van stanken, zoetige en ransige, kanteloeplucht en citroenen, sinaasappels[91]en bedorven uitwasemende poonen, scharren, zuur en eieren; gotenlucht tusschen ’t aardbeizoet, dòòrwaaid weer van kroegstank en spiritus. Alsof zieke reuzen ergens heeten stankadem uitbliezen over de Haven, zóó van alle zij wasemden de dingen hun luchten uit, vermengd en verbroeid in de hitte. En telkens gulpte van spoordijk, rook-roetige wolk-smoezel, in woeste vegen donker heendampend over ’t havengewoel, òver karren, vruchten en menschenoppropping, doorzond en verstoofd in kleuren en licht. Zóó, fel omklaterd en verbrand van kleuren, in de hartstochthitte der zwoegers, verdampten de geuren bevend licht bòven de karren, de mensch-koppen, kisten en manden dompelend in zichtbare sfeer, stralend-fijn van ijl stofgoud.—Sfeer van trillend licht, als neergestroomd uit reuzige zonnelantaarns, in banen van damp en warrel. En tusschen de menschkoppen en koopwaar, grillig-verspatte nog zonnevuur kleurfelle vlakken, gooide vlammig spel op bevende kaken, òp handen, in oogen. Telkens nieuwe kisten sjouwden dekknechten met tuinders áán, in hijg-zwoeg, dood-af gewerkt van den ganschen dag landwerk; telkens in hun gang gestuit, teruggestooten, weggeduwd en verkneld, door andere werkers met vrachten op nek, hoofd en schouders, ingebukt en woest in d’r moeheid, terugsjokkend van de loopplank, achter elkaar, met de doffe, of kleur-felle kisten op de schonken, wat ruzie-schor verschreeuwend tegen de kerels die opdrongen of worstelden om plaats. Dan hier, dan daar holden en kankaneerden de sjouwers op zij, vòòr paardkoppen of langs geweldige vrachtwagens, die tusschen hen indrongen. Overal was gestruikel, gestrompel; dof-klankten smakkingen, daverde gebonker van verslingerde kisten en manden, gloei-stroom van jachting, verkronkelend in dol-botsende drukte. De kleurige booten, achter elkaar langs den wal, sloegen ’n branding in ’t hart van ’t levende haventje. Eén vloed en eb deinde er van duizenden verlompte werkgangers die òp en af, dwars en tusschen elkaar’s groen-waar heensjouwden en reden.—Zoo golfde bij den wal ’t sterkst, woeste stroom en tegenstroom, zich vertakkend en[92]verbrokkelend in zijwegjes, weer aanspoelend in kleinere hurrie-golfjes van andere kanten. Drang tot afdoen vloeide samen op één punt, bij al de booten, drang en jacht, die angst-steigerend, al hooger àànstortte tegen ’t forthooge bouwsel, kleur-heet monument van bakken en manden; stroom die plots weer àfrazernijde naar kroegen, dat er spuiing kwam en luchtiger rammeling van karren tòt in de afgelegenste, koel-uitgezonde hoeken, bij pakhuizen naar polderkant.Langs de havenvaart, achter kastanjelaan, lag de kei- en sintelweg hooger met leege kisten bestapeld, teruggestrooide vracht van ’n boot, die al twee maal aardbei naar de groote stad had vervoerd. Nu ook van polderkant donderden en bonkerden paardkarren en ezelwagentjes ààn, met ’n geraas of ’r mijlen in ’t rond muren van glaswerk instortten, telkens één op den ander vergletscherend. Tusschen ’t lawaai van lossers en laders, gilden en joelden kinderen aan karkrukken, klauterend in stemmenschater over wagens, kisten, manden; hingen en wipten ze aan karhoeken, elkaar bejoedelend òprukkend of terugsmakkend. Beestig woelden ze rond, furiënd in de herrie, stremmend ’t gedrang en gesjouw, tot plots in woedevlaag van werkers, ze verjaagd werden naar andere hoeken. Maar ook daar woelden en klauterden ze weer als losgebroken apen uit dierentuin, òphitsend de honden die basten en jammerden gelijk schreiende gekken.—Als wegratelde, met kar en hond, één tuindersgroepje, stortten nieuwe wagens rumoer uit, was ’r in enkele minuten weer kargedrang en gestoot op-elkaar-in. Achter boomgroen, waar goud-rooden gloed dampte, en scheemrig de laan lommer-glansde, keken vreemd de geheim-stille ruiten, nù onder half bladerduister, in haven-zonnerood vertooverd; bij brokken weerkaatsend ’t belichte gewoel, worstelzwoeg van tuinders, die er vóór sprongen en holden, tierden en hotsten als gestrafte misdadigers, kankaneerend op heete platen, met hun verweerde tronies tusschen eigen walmende reukwaar in. Geen sterveling in ’t stroomrumoer, die stààn kon blijven. Van alle kanten stootten de vrachten òp, mannen, vrouwen, kinders,[93]vloekend, scheldend tegen elkaar in. Méér dragers balanceerden bakkenstapels boven ’t hoofd, waar ze in angst naar grepen, als ze zich teruggebonkt voelden, in den karren-kronkel. Minuten lang werden lijven geblokkeerd, ingesloten, door dwarrelgang van andere sjouwers vòòr de booten, en eindelijk haastig strompelde ’n troep vooruit, als er spuiing kwam aan den walkant. Snel warrelden ze dooréén, aanschuivend en verglibberend op stronken en groenteafval, met één voet soms tusschen ’n opening ingekneld, de andere op bakken en manden neergetrapt. Elk bloot keiplekje lag dadelijk dichtgesmakt, als ’n werker z’n voet wegtrok, opschoof of weer naar z’n kar terugdrong om nieuwe waar af te laden. Angstig geroep en gekrijsch van ho!.. ho!.. hai-je-hee!.… verklonk opjagend de werkgangers.—Kaik veur je!.… paa’s d’r-op-bout!.… hee doar je kop!—màin snuit ook nie!.… kruiste en spatte tegen elkaar òp, in rauwe ironie en spot. Bij de minuten nu, zwol áán de razernij, ’t gewoel, gedrom, gekrioel op havenengte, en wilder ging werkjacht onder de menschoppropping, de samengeknelde worstelende zwoegers, teelders van Wiereland, Duinkijk, Kerkervaart, Lemperweg, Lemper en van al de dorpjes rondom; moeë kerels, afgejakkerd door dàglangen landarbeid, met heeten wrevel in d’r lijven, tot laat in den avond opsjouwend naar marktwemel.—Van de kroegen uit, tierde, raasde, ziedde rumoer. Als dampige holen, volgerookt met smook-blauwigen nevel, donkerde daar roezemoes van zuipende kerels, uitspattende drinkers en pijprookers, klodderend en spuwend op zandgrond. Flikkering en lichtflitsjes gloei-speelden ijl over karaffen en glaasjes bij buffet, onderschepte vonkjes en glansjes van verdwaald rood en groen-goud licht. Van alle herbergen stonden de deuren wagenwijd open, en achter de boomenlom’ring uit, verdrongen de werkers elkaar rumoerend, om eerder in haastigen slok ’t brandvocht, droge, moeë keelen in te gieten.—Benauwend sloeg de stank van groenten, visch en aardbei de kroegen door. In woelige, opgedrukte kringetjes zaten groepjes[94]bijeen onder schor dronkenmanslawaai, en telkens schoot geschater uit, dat als jammerhuilen verklonk. Jovialig beklopten ze elkaar op de petten, schouers, of stond ’n troepje, bij ’n hoek opgedrongen, met de jeneverkelken in de hand, morsend en plassend over kleeren enpolsen, d’r groen-waar te versjacheren, klakkend in handslag.Vlak langs de huizen en stoepen schuurden de paardwagens, uitwijkend als ’t kon, voor groenteuitstallingen om boomstammen; ging rond, ’n gang van slenterende meiden en moeders met kinderwagens, zuigelingen, angstig verschrikt kermend en krijschend tusschen den jachtarbeid in. Telkens uit zijwegjes en onder boomlaan uit, doken de paardkoppen vlak tusschen de verweerde menschtronies in, joelde de havelooze kinderbent, onder paardenpooten, achter karwielen, vaten, zakken en bakken uitklauterend. En heviger, boven alles uit, furiede hondgeblaf, angstige huilgamma’s van verhongerde kreupel-getrokken beesten, dorstig, geranseld, in woeste razernij van klachten, òver heet werkersrumoer heen, met ’n ontroerend-menschelijken jammerhuil in d’r blaf, als verschreiden ze hun ellende, hun dorstgemartel in hitte; verklaagden ze elkaar hun slaag en driftschoppen van d’r bazen, waarvoor ze zwoegden, den heelen zomerdag door.Tusschen het ketsende paardgetrappel en kargeratel, door dwarsweggetjes uitgestort en neergeworpen in den woelstroom van ’t donderbonkerend marktgeraas, bleven de honden blàffen. Eén jammerkoncert van droeve klaagklanken, van nijdig gekef, van gekerm, gejank; schor en dreigend gebrul van door kinderen gesarde dieren, tegen de wielbanden getrapt, aan de spanriemen vermarteld, met steenen besmakt, dat de schrei-blaffende koppen verkrampten tegen de assen òp. En àl meer karren ratelden ààn, met span van drie en vier beesten vóór en ònder de wielen, die dadelijk meeblaften in oorscheurend geweld.Plots braakten twee hoekkroegen ’n stoet uit van krijsch-jolende kerels, in malle sprongen, hals-bloot, met slappe handjes naar elkaar toe kankaneerend. Dronken verzwollen koppen,[95]roode stropdoeken, losgescheurd op bloote borst, joolden ze èng en opgestooten onder paardkoppen door, waggelend tusschen kar-honden, die nijdig aanbasten, en in dol geterg, met hun woeste, kwijlige schuimbekken dreigden te happen. Voor de zuur- en vischstalletjes bleven de kerels staan, gretig grabbelend in de zon-bebronsde poonen, waarvan de vellen glansden als gloeiend ceramiek. En schor joegen ventersstemmen de kerels òp.—Fersche poòne.… mooie poòne? faine skarre!.… fersche skarre!Verhitte relletjeskring van arme tuindersventers, die onder elkaar wat bakken groenten hadden verkocht, niet op bootveiling en afslag hoefden te wachten, zongen rauw, in dronken joel:—Oooaaw.… waa’t ’n skà-ànde!..Hun vervuilde kleeren stonken en drank-asem walmden ze elkaar in de roode bakkesen.—Van rechts golfde ’n nieuwe zwoegstroom áán, die den lolkring terugdrong weer, in de smookige donkere kroegen, waar de zweetwasem verbroeide als zure vleeschstank, tusschen de scherpe prikkellucht van tabak en jenever.Oorverdoovender buiten, brulde, loeide, raasde en kermde de hondenbent onder de karren; duizenden woedende en schreiende dieren tusschen ’t menschgekrioel in.—Ze huilden als uit dwangbuizen losworstelende gekken, door brandangst, in ruimte zonder uitgangen, opgejaagd. Tegen elkaar in blaften de beesten onder assen, wielen of krukken, met bassende, dreigende, hakkende, schorre hoog klank-martelende razernij, onvermoeibaar in één krisis van kretensmart. En vonkwild, bloedbeloopen, gloeiden hun oogen zonder dat ’t landvolk omkeek naar de dieren, die ze verhongeren lieten, en versmoren van dorst.—Aan linkerkant van Haven, waar menschen, paarden, karren, ezels en honden in één oppropping, ’t sterkst dooreenkrioelden, daverde zwaaibreed ’t kistengesmak; keilden tuinders, manden en bakken rond, klonk rauw gekrijsch, barstten vloeken uit,[96]giftig en grof, in heete stemme-botsingen.—’n Politieman, tusschen geraas en gedrang, verkrompen tot mager angst-gestaltetje, keek rond, hand op de sabel, dan hier, dan daar geschouerbonkt, tegen z’n rug, getràpt tegen z’ beenen, z’n kop, geen raad wetend soms, waar zich te bergen.—Aldoor sprong ie opzij tusschen karrenknel en hondgedreig, maar dadelijk weer ver-bonkten ze’m naar andere plekken.—En overal om ’m, zwol ’t daverend marktgeraas, ontkraterde het heete onweer van zwoeg, de sjouwende kleurige opstand van marktkerels; deinde de zee van druischend woelgeweld, in d’r licht en kleur-golvend beweeg, geraakt nog door laten zonnebrand; in d’r klotsende schuiming overstroomend, vèr, al verder, de Haven, de booten, den polder, met daverend rhytmus van treinengang, dreunend in den lagen, snikheeten zonneval.—Tusschen het geraas en de blaffurie klonk als ’n demonische hooge stemmenspot, plots bel van den afslag, uitrammelend z’n schellen schater boven de kleurig-opgepropte menschenmassa. Daad’lijk trok ’n bronskleerige tuindersstoet met straat-groente-venters, zonder eigen grond, rond den afslager, die bengelen bleef; tusschen de helle klank-strooiing dóórkrijschend, dat nieuwe omgang van afslag beginnen zou. ’n Helper riep naast den verkooper, met twee handen aan den mond als toeter gebogen, heftig dat ’t bloed ’m naar de wangen schroeide, ’t zweet glimmig van z’n slapen druppelde, den druischdonderenden warrel van ’t marktgeraas pogend te overschreeuwen. De schelle klankenrammel bleef luiend lawaaien en daaràchter de schor-verkrijschte afslagers-stem, onverstaanbare radde handelstermen uitbrabbelend. Op ’n hooge stapeling van kisten stond ie naast z’n helper, en rond ’m, de stom toekijkende beweeglooze, ingedrukte klomp brons-kleerige tuinders, loerend naar de uitgestalde groentewaar, den geweldigen kring van sla, groen-doorzond, als smagarden kwallen, geplooid en bekerfd; douwig-doffe doppers, platte peulen, rhabarberbossen, rooiig-groen, en korrelig blanke boeketjes bloemkool, op stapels dooreengesjouwd, in kisten en bakken. Eindelijk stopte afslager, satanischen klankstrot van bel dicht, kringden de koopers[97]nauwer op en achter elkaar. Kleine baasjes-pachtertjes stonden in den koopkrans gedrongen, met d’r sluwe kaal-geschoren tronies, loenscherig berekenend in klankloos lipbeweeg, wat ze voor de waar geven konden. Anderen, in gedachten, staarden als gekataleptizeerden naar de nu stille bel op kistenhoogte, die flonkerde bronzerig in zongloed, tusschen ’t groen. Lager gloei-glansde zon rond de kijkkoppen, rood-gouden toover sprankelend op tronies-brokken, de kerels vervlammend in toortsigen brand van d’r pracht-bronzende kleeren. Demonisch vlàmde er gloed, inbijtend op den kring, hier fel-licht verblindend op wit gekiel, daar goud-wolkerig verzevend op fronskoppen, bronzen ooren en handen, kleurige kielen en schonken.—Venters die Wiereland doorsjacherden met wat groenteafval in hun verrotte schrompeling van kleeren, beloerden elkaar woest-nijdig, vooruit al bang, dat een den ander zou opjagen. Onstuimiger drong de stoet bijéén, scharrelkring van schorre kerels, in naakten drang elkaar met oogentaal vermoordend van afgunst. Snel, in woordratel van z’n kisthoogen stapel àf, had afslager z’n waren geprijsd.——Veur tachtig de duuzend,.… veur dertig.… die.… veur vaiftig die.…—Main.… gilde één uit den kring, angst-ontzet als zouden ze ’m slaan.Daar weerklankte helsche stemmestrot, van bel tingelingelinge! lingg!.… tin.… gelinge.… lingg-ling! ling! schel neerziedend in verdoovende vaart, in ’t rondomme geraas van karren, honden en menschen. Achter den afslager en kijkkring, was weer ’n ontzaglijke, aaneengekettingde rij aardbeikarren aangerateld, helrood tusschen de losgestapelde peenbossen. Als ’n geweldig fantomige opstand van plukkers en rooiers, was er ’n nieuwe stroom reuzige werkers en sjouwers uit den stationskant aangedrongen, dwars door de paardjes en ezeltjes, in ’n davering van ho!.. ho!.. hei daàr!!’s. Opstanding van titanische plukkers uit ’n heel anderen landhoek, tegen de paarden ingaand, die verhit, in pracht van trek-gang, trappelden en vernielden wat onder den hoef kwam.—[98]Rond handen en lijven, rond oogen van dieren en menschen bleef razen een heet gewoel, een druisch-hevige energie van demonische jacht, één krioelende gang van leven, tusschen boomen, tenten, stalletjes indringend en weer uitgulpend met overstroomenden golfslag van rondfuriënden ploeter.Pal in den zinkenden zonnedamp, làger verglanzend in sfeer van goudrooden brand, doken de woeste zwoegkoppen òp, uit al meer verdonkerd boomlommer. Dààr, onder ’t verduisterd bladergroen sjacherden de kerels, met d’r tronies in geheim-fijnen schemer van half-licht, groen-goud en bleekblond omzeefd, soms plots uitgesmakt naar walkant, in ’t roodgoud gewolk, tot de voeten begloeid in fanatieken worstel van glansen.—Van alle kanten in de avondzon, duwden ze òp de kerels, pracht-gespannen de spieren van stuw, al mèèr groenten, heele steden overrompelend met hun monumentale warenmassa. Inééngedrongen dààr, op karren bij elkaar, geplukt en gerooid, lag de éérst mijlen verspreide zwoeg van hun land, om straks te zien verdwijnen hun waar, hun voedsel en zoete spijs, als offerden ze, in angstige, stomme biecht van arbeid, aan den donkeren grom-muil van groote geweldige stad, verslindende metropool, die maar slikte, slikte, elken dag meer van wat er brandend en zweetend uit hùn gloeihanden zich opstapelen kwam.—Van heinde en ver trokken ze op, van de stilste afgelegenste akkerhoekjes, waar eerst hun waar in zonnebrand had te gloeien gestaan. Van heinde en ver de kerelsstoeten trokken òp in orgieënden zwoeg, omjoeld van laat hemellicht, dat schaduwde en zacht vervlamde in beev’rige, goud-roode vegen, aarzelend purper en nevelig hitte-brio, verdonkerd onder lommerlaan in zeegroenige zweefglanzen. De kerelsstoeten er in, tusschen hun nog half levend goed, met den sappenden streng uit den grond gerukt, in den zwijmel van landgeur, den frisschen zwelg van aarde-lucht, verbrandend, verstovend in de havenstanken. Kerels-stoeten als ’n leger van werkers, met hun kleurfelle, gloei-dronken schitter-spijzen van overal, worstelend en optrekkend[99]naar den grooten verren donder der stad, toestoppend den grommenden lekkenden reuzigen muil van het zwelgend, vraat-dolle, hongerige massa-monster, waar zij nu voor saamstroomden, met hun lèvende waar, doorzogen van hùn zweet; kerelsstoeten, onbewust van hun demonischen aanvoer, hun luidruchtige geweldigheid, en heet-koortsend kleurenbrio, hoorend in ’t kraterend marktgeraas, echo van den ontzettenden honger-grom van stads-strot.—Al maar, achter de kastanjelaan uit, van steegjes en weegjes, doken de karren òp, nu drukker in bedrijvig gedrang bij den molenkant van station. Ze waggelden de wagens, zwanger van hun vrachten, ratelden, hotsten heviger, alle door ’n blondroode baan van licht heenwadend, doortrilden gouddamp, die àchter hun koppen, hun waar, bleef hangen als ’n bevende nevel, laat zonnevuur waaruit ontzag’lijk, reuzige menschen groeiden. Eindelijk, hun lijven en karren, dromden buiten de lichtbaan, die zich achter hun koppen weer sloot als ’n wolkerig wonder van goud-roode glansen.… Al lager sloeg ’t zonnevuur de haven in tooverroes van kleur-vlammige schijnsels, als gebroken licht-vitrails, in scherven en brokken rondgestrooid over keien, sintelgrond, karren en vruchten, hout en steen; vlammige brandingen van ’n Juli-avond, waarin ’t marktgedruisch ziedde, kookte, in helle-sfeer van broeiing.—De booten stonden al hooger opgestapeld, achter en òm de donkere pijpen en koelkast, bòven machinekamer. Gedraaf, hijgend òp en af de plankieren daverde en krioelde langs den wal. Te zinken dreigden de schepen van overvolle angstig-dicht opgepakte vracht. Burchten van ruw hout, in al woester koloriet, waar de late zon op neerlekte lichtvlammen. ’t Hoogst, bòven de bakkleuren uit, roest-rood, brons, groen, hel-blauw, goud-geel, bleven de aardbeien gloeien in hun ijl-zang van hel inkarnaat, purperend zonnegoud òpzuigend; de bakken volgedaverd van lichtende vruchtjes.—Daartusschen pyramidaalden bergen doppers, selderie, sla, postelein, wortelen, tuinboonen, bergen groen en oranje.—De bloemkoolen schaars aangevoerd van polder, stonken tegen de aardbei-zwoelte in,[100]en telkens, uit den kroeg-smokigen mist, doken kerels òp, doodaf, in zweetvet verglommen, den heeten asem van hun drank in sjacher verhijgend over hun vruchten.Midden in het oorsuizend donder-dof gesmak van bakken, in jagender tempo, stond plots ’n Jood, moorsch-zwart, op ’n kruk, voor ’n hoog standaard-tafeltje, waarop wat vuile tangen met kromme snavels, dooréén lagen; grimmig roodroestig gereedschap als martelwerktuigen van middeleeuwschen kerker.—Midden tusschen ’t gekrioel en den furiënden aanstroom van lossing en lading, was de Jood tweemaal tusschen karren en boot doorgedrongen, maar weer teruggesmakt van z’n standplaats. Eindelijk had ie z’n tafeltje bij ’n wat uitgedaverd walhoekje vastgemoerd, was ie spraakloos in de giftige woeling rondom, blijven staan. Vòòr ’m dromden handkarren, volgestort met felgele komkommers, goud-glanzend, bij punten gepolijst, en telkens daverden kerels met groentebakken voorbij, die licht rondsloegen tusschen ’t overal wolkende aardbeirood.Moorsch-zwarte Jood, met vonk-donkere oogen, stond hoog en rustig eindelijk op z’n smalle kruk, boven z’n tafeltje uit. Onder z’n tasch, tusschen de tangen, greep ie naar ’n trompet, tamboer-gebarig voor z’n mond drukkend. Valsch geschal toeterde en stootte ie uit, ééntonig als bazuindreun op grooten verzoendag in synagogen, kreten van vermoeienis en uitputting verjammerend.—Telkens bonkten, in ruwen daver kisten en manden tegen z’n kruk op, dat ie waggelde, zich vastgreep aan z’n vastgesnoerd tafeltje. Maar onvermoeid, toeterde ie door, energisch fel klankgescheur, dat de karhonden rondom nog ellendiger uitraasden, grienden en blaften, en telkens stortte ie ’n heet stjing! stjing! van bekkenslag er tusschen in.—Achter den Jood, op z’n kruk, koepelde ’t geweldig polderluchtruim, doorgloeid van glansen, waartegen donkerhoog z’n gestalte oproer herautte, in ’t rondomme gebarrikadeer van manden, kisten en karren. Donker vonkten z’n oogen, en strak, taai-energisch, bleef ie toeteren en heete tjings van bekkenslagen[101]afpauken in ’t geraas. Hem voorbij, in nijdige onverschilligheid, donderde ’t gewoel en gedraaf, gebroei en geschroei der zweetzwoegende kerels. Geweldige lasten voortzwoegende paarden zwenkten schurend langs z’n hoog standaardtafeltje. Ezeltjes huilbalkten achter z’n rug, en in loomen luister naar z’n getoeter en getjing-sjing stonden paardkoppen rondom, vlak tusschen het tuinders-gewoel, met heftigen tril van hun oortjes.—Wèg bleef ’t luistervolk, nog gebukt in sjouw, en sterker toeterden en dreunden de moorjood trompetscheuren, heet als schuimflitsen van golflicht, hooggoud en brandend rood, òver ’t woeste hurrie-rondkolkend marktgetier.—Eindelijk wat jongens en kerels, gedaan met sjouw, bleven hangerig en landerig staan voor z’n tafel, lacherig of in stompen staar bot òpkijkend naar den trompettenden Jood.—Grinnekend scholden ze ’m uit, krijschte een roomsch-nijdige kop, fel-spottend en dik-tongig.—Enne.… ààpramm.… gewòn Isaak!… enne Issaakh!.. gewon Sjàkop enne.… Sjàkop ’r.. gewon.. heè! rot-smaus, appie!.… d’ur is d’r ’n goàtje in je trepetter!—Maar Jood bleef star-kalm in z’n donkere figuring op de kruk, z’n vonk-zwarte oogen, hevig suggereerend in z’n hoofd. Stil had ie op z’n tafeltje de trompet en tsjing neergelegd, groote toortsen papier gerold en in brand gestoken, dat ze rookvlamden in z’n handen. Zachte kringen van vlammenlicht, zwierden hoog om z’n zwart hoofd, donkerend tegen den laag-stralenden zonschijn in. Walm-rook dampte blauwige mist rond z’n hoog-staand lijf, dat reuzigde tegen de polderlucht. Telkens als toortsen bijna uitgebrand waren, rolde ie met linkerhand nieuwe, zwaaide ze in kringen, dan één, dan twee, geheimzinnig om z’n gelaat; stak weer andere áán, wierp wèg de uitgebrande.—Nu en dan bazuinde ie tusschen het smokige, roetige gloed-rood gewalm, in den mist van z’n mysterieuze goochelsfeer trompetklanken uit, dat angstiger, burlesker, z’n omdampt-moorsche kop scheen te zwellen tegen ’t hemel-rood in.—De jongens schaterden om mallen Jood, maar kerels nu bleven[102]lijzerig staan kijken, bot, den mond van loome verbazing opengegaapt.—Dirk was uit de kroeg, op ’t walmgerook toegesprongen in den kring, verbluft òpstarend naar den kwakzalver, als zag ie ’n wonder uit den hemel tusschen ’t havengewoel neergestort.Onder de kastanjelaan woelde marktgescharrel, ’t drukst nu, rond de kleine tentjes en groenteuitstallingen.—De groote huisramen gloeiden rood in ’t zonnezinken, vreemd flonkerend, fel in gouden mist, onder den zwoel-duisteren bladerenschemer uit, rooden gloed, die diep, dièp, ’t marktkrioelen in bloedende gamma’s òverleefde, àchter de trillende boomschaduwen. In den geheimvol verwaasden ruitenbrand, mysterische vensterstaar, onder ’t scheemrige perspectief van havenlaan, stak zonnezink telkens andere ruiten ààn, die vlamden in lichter en donkerder gloei, tusschen het lommerig duistergroen dóór. Daar onder, en vòòr, joeg wilder gedrang en gedraaf òp en neer van kerels en vrouwen, in gekrijsch, geslikkerbik en ruwen klinkklank, òm de poonen- en stinkende scharstalletjes. Meisjesgegil joolde, tuinders lolden, dronken, in woesten stoei. En dwars door den brandgloed van ruiten, titaanden ze òp, naar ’t vlammegekring en getoeter van den Jood, met z’n makaber trompetgekrijsch en rossig-rookige toortskringen. Onder ’n oppropping van goud-gele, bronzen en bruine tentwagens, vóór kroegen en huizen uitgespannen, wiel- en rug-beflitst, holde ’t landvolk naar den trompetter, in gejaagder tempo.—Nieuwsgierig, verhit en afgebeuld, trok ènger en meer rijend achter elkaar, ’n kijkkring om den Jood. Telkens kwam karrendrom dwars door achterste loerders heendringen, in gesnauw, gevloek, geraas, verbrokkelend den stoet, maar aldoor vulden de gaten, propte zich voller de kijkkring.—Jood had goed rondgekeken, sluwigjes zich neergezet op plek waar de booten ’t hoogstmurend al volgestapeld stonden, de sjouw aan ’t afloopen was. ’n Tuinder had ’m gezeid dat ie doodgegooid zou worden met bakken en manden, als ie eerder begon. En stil, taai-rustig had ie gewacht, rondloerend met den heeten gitglans van z’n oogen, berekenend wanneer ie z’n slag moest slaan.[103]Grooter werd koppengedrang om ’m heen, en telkens nog scheurde ie trompetgalmen de lucht in, tusschen het marktgewoel, dat soms plots woester langs ’m raasde en tierde; ontstak ie rustiger, z’n groote grauw-papieren toortsen, vlam-kringen boven z’n hoofd zwierend, als derwisch in godsdienstextaze, vreemd-woest in z’n moorsche, dreigend-suggestieve donkerheid. Nu en dan galmde ie wat woorden uit, die wègkreunden in ’t helle-geraas. In aandacht gespannen, verkuchten de kerels papierstank, brandlucht en rook; stonden ze op elkaar gewurmd en verdeukt van lijf, als menschenpròp vastgeslibd, saâmgeklonterd in de woelende aderen van dóórstroomend marktlawaai.Eindelijk had Jood genoeg van z’n toortsen en toetering, lei ie z’n trompet neer, verschoof ie z’n papier, rammelend tusschen z’n trektangen en groote zwart-verlakte tasch. Stil-donker stond z’n lijf, hóóg op de kruk tegen ’t late zonlicht in, rug-beglansd, en schouers èven geveegd van goud-rooden glans.—Stil-donker, verduisterde z’n gezicht al meer. Z’n zwàrte flambard, breed model, dofte op z’n zwàrten kop, even boven z’n zwàrt-moorsche brauwen, als met kool-stift in z’n rimpel-hard voorhoofd geëtst. En z’n oogen, diep vergroefd in zwarte wallen, gloeiden vonkig, fosforig tegen ’t licht, als van ’n hond. Z’n snor, zwàrt en breed uitgekruld, en z’n baard, koolzwàrt, verdonkerd, vrat weg z’n smal geel-bleek gezicht, dat alléén oog en háár leek.Sultan-achtig, èven ingebogen met rug en schouers, verdraaide ie hoofdsche gebaren, gratieus overdreven, met potsierlijk eigen-waarde-gevoel van hoffelijk markt-kunstenaar. Zwaar kuchte ie, èven beleefdelijk hand voor den mond, zette eindelijk in.—Als hèt.… hooggewaardèèrdèn.… pùbliek.… eens èènèn.… oogènblik.… nààr mij.… luistèrèn wil.… zou ik mij.… bèkend willèn.… makèn.…—Elk woord stootte ie uit, in breede sperring van den mond, optrekking van wang en lip, dat z’n prachttanden, hagelwit, òpblankten tusschen z’n donkeren snorbaard. Door vreemd-trillenden òphaal van z’n mond onder ’t spreken, leek ’t of ie[104]bij elk woord dat ie uitstootte, duivelsch grinnikte, in samenfrons van roet-zwarte brauwen, boven satanisch-gele groeven van z’n voorkop.—Z’n stem klonk schor-vermoeid, als van iemand die walgt van eigen praat. Smart lag er in, schorre, angstige, stil weenende misère. Soms onder ’t stoot-fel spreken, verdofte de vonk uit z’n oogen, stààrde ie over de luister-koppen, kwam er lusteloosheid in het donkere rumoer van z’n anders felle kijkers. En dóór bleef iets weenen in z’n schorre, àffe stem. Geen van de drieste, in zweet afgebeulde werkers, in de havenhitte, broeiig opééngepropt als groote verbaasde kinderen, loerend, loerend,—die iets merkte van Jood’s vermoeienis. Z’n handgebaren gingen mee, moè, afgetobd, met z’n stem, elk woord afhakkend, om duidelijk te zijn, verstaan te worden, vreemd-zangerigen, verkeerden klemtoon-druk op èlk woord neerdreunend.—Boertjes, tuinders en meiden stonden te dringen, te zweeten, te blazen in de hitte, maar al meer landvolk propte zich dichter, vaster om z’n tafeltje, gevangen door z’n schijn-gratie, z’n zeg-vuur en opgewektheid.Van alle kanten begluurden ze den Jood, klaar om ’m te steenigen als ie hen bedroog. ’n Paar jochies zwierden òver koppenkring heen, palraak, hem vuile groentenstronken in ’t gezicht, en kinders gilden plots, boven ’t marktgeroes uit: smaus! dief!.… rotte joòd!Even keek ie naar de kereltjes, gooide de koolstronken, die smoezelig op z’n tafel neervlerkten, achter z’n kruk, lachte stil, ironisch-droevig.—Plots lichtte ie z’n grooten donkeren hoed, beleefd van zwartkrulligen kop, groette in tooneelbreed gebaar, schreeuwde uit, woord-afstootend in zangrigen dreun vervolgend.—Hooggè.… wààrdeerd pùbliek.. Ik heb.… den bijzonderèn èèren mij-zelffers ààn Uw.… voor tè stellèn.… Ik ben.… tandhéélkundigèn … mijn naam is … Jaack Ròzel … woonàchtig.… sedèrt.… drie-en veertig jàren.… te Rottèrdam.… nùummééroo zès-en-zèstig.… alwàar ik.… prakkiseer.… sedert veertig.… jarèn.—Ik ben.… dèn zoon[105]van dèn.… èx-èx-professor.… te Montabilie, gènaamd.… Jaack Ròzel, seni-or.… waarvàn ik.… den eer heb.… den èchten, den eenigèn afstammèlingg.… tè-zijn.… Ik represènteer.. zijnen.… nagedàchtenis.… en verkondig den volken.. zijn sàluut!Even rustte z’n stem, doodop, als stervend in z’n schorre keel. Rond z’n luisterkring lawaaide herriestroom van karren, kisten, kerels, gierden honden.—’n Paar boeren met goudrooiige kaasjes op grooten wagen, duwden tegen den kring in, schreeuwend en roepend, òp van inspannenden sjouw. Gevloek en getier sloeg terug, over kerels en meiden heen, opzij gedrongen uit kijkkring. Duw-kerels raasden en spogen naar den Jood, die deed alsof ie niet hoorde. Even zacht, sloot ie de oogen, mijmerend in zichzelf. Plots sperde z’n mond weer, ging uitgekrulde zwarte knevel in lippendans heen en weer, op den burlesken donkeren kop; stootten z’n woorden weer in zangdreun, met den angstig-schorren klank-moeën stemmebeef:—Mijn bèroep, geàcht pùbliek is te zijn tandheelkùndigèn.. Ik.… genees.… àllen tant-, àllen mond-, àllen kies-, àllen keel-, àllen verhemelten-, àllen reumatièken pijnen.… Ik.. gènees àllen zinkes.… àllen koòrtsèn, àllen aandoèningèn.… en … stòringèn.… gèlijk gij dat.… ondèrvindt.… van profèssèuren.… gèlijk gij mààr.… wilt.… luistèrèn!—Plots daalde z’n stem tot zacht-vibreerend gespreek, doordringend, duidelijk te verstaan toch, in den doodstillen kring, waarachter de markt raasde, tierde, smakte en donderde, àl verder, met heet geluid van duizenden mokerslagen op aambeeldstaal.——Noemt mìj.… éénen.… leugènààr.… noemt mìj.… éénen.… bedrièger.… éénen galèiboef.… indien ik.… ù niet … den geëèrden argumènten … toon … Maaààrrrr!!.… stootte in één, ùit de zacht-vibreerende spreektoon z’n stem plots hevig òp,—àllen profèssèuren.… àllen doktòren.… àllen tandheelkundigen, àllen verlòs-, àllen heèl-, àllen gèneeskundigen.… kènnen.… Jaack Ròzel, Jaack Ròzel, den éénigen.… en èchten.… afstammèlingg vàn.… Profèsseur.…[106]Jaack Ròzel.… Senì-or.… zijnèn vàder.. te Montabilie.… begràven.… mèt mùziek.… en militairen eèren.. Allen kennèn.… Jaack Ròzel.… Juni-or!.… wien ik.… dèn eèren heb.… hièr tè zijn.… Voor wièn ik.… Hedèn.. mijn beproèvingen.… zal amploi-jèèren!.…In kring van luisteraars en loenschige kijkers, bot en verbaasd òpstarend naar den kwakzalver, was groote stilte-spanning gezakt. En achter den aangroeienden menschprop, in kring vastzuigend een aan den ander, zwol het hondengeraas als hellegekerm; ratelden en hotsten de karren, rauwden in krijsch en hurrie kroeggangers en sjouwers. Vreemd in bleeker goud, stonden huisruiten achter boomlommer uitgebrànd. Er vòòr krioelden nog tentwagens, karren, paarden, ezeltjes, vrouwen en kinders, scharrelaars met kippenmanden en lichtbekleurde vogelenkooitjes. Aardbeizoet bleef zwoelen, overal rond. Telkens uit de kroegen doken koppen òp, onder ’t lommergroen uit,—waar ’t nu dampte van stanken en broeinevel—opdringend in woesten stoei naar den Jood.—In strammen staar bleef kring om ’m heengepropt, loerig wachtend op z’n proeven, maar voortschorde, scherp, droog, z’n stem, gemarteld van moeheid.——Ik.… Jaack Ròzel, woonàchtig te Rottèrdam, gènees U.… van àllen pijnèn, àllen wervèl-, àllen gezichtspijnèn, van kràmpèn.… zoòwel àls van kolièkèn.… van klièrèen.… zoòwel.. als.. vàn verzwèeringèn.… van spierpijnèn, van pèèspijnèn, van likdoòrnpijnen.… van gezwelpijnen, zòòwel als van abscespijnèn.… En ziet toe!.. Hooggèwààrdeerd.. pùbliek.… zièt toe!.. Ik gènees allès met hèt.… kostbàren vocht vàn.… Valura.… in dezèn fleschjès.. saamgèperst.—In groote omzichtigheid tastte ie met één hand in z’n tasch, haalde er flakons, in vloeipapier uit. Hoffelijk buigend weer voor z’n gehoor, ironietrek verborgen om z’n breeën donkeren mond, nam ie gratielijk z’n hoed af, stootte schor-rauw uit:—Mijn gè-acht.. en hoog-gè.. waàrdeerd.… pùbliek.… met dit.… vocht.… van Valura.… geneès ik.… wondèren!.… Met dit vocht.… hebikreeds.. genèzen.… dèn[107]kòning van Itali-en.… dèn koningin van Spanje.… dèn oud-kroonprins van Groenland.… den princes van Montàbilie.… den èrfgraaf van Havana.… dèn rèsident van Djòkjo.. kàrta.… dèn dekens.. èn dèn.… bisschoppen van Ròmana.. Mèt dit.… duurzàmen.… vocht.… mijnèn.… geëerden hoordèrs.… verricht ik.… geneesingen.… dien gèèn.… doktèr.… gèèn tàndheelkùndigen, gèèn chirùrgein.… gèèn àrts.… gèèn profèsseur, gèèn spiritist,gèènhypnotiseur, gèèn fàkir, gèèn Bedouien, gèèn Arabier, gèèn Israelièt.… gèèn Christèn.… gèèn Moor, gèèn Zweed, gèèn Spanjool, gèèn Fransch-, gèèn Duitsch-, gèèn Engelschmàn mijn kunnèn.… na-verrichten!.… Maaààrrrr!.… mijnèn vrienden.… Eenigèn.… druppèls, van dit.… duurzàmen vòcht.… in dèn mond.… eenigen roersèlen in dèn gehemèlten gehoudèn.… daarnà hèt vocht.… uitgespògen.… dèn mond.… nagèspoeld met koud water.… èn wèg.… èènsklaps zijn àllen pijnen, àllen koortsen, àllen zinkèns.… Maaààrrrr! aanstonds mijnen heèren!.. en mijnèn damès.… aanstònds.. zàl ik.. onder.. uwèn.… geëerden.… aanwezigheid.… dien er.… mààr wil.… den proef laten nèmen.… Ik bèn.… Jaack Ròzel.… Juni-or.… woonàchtig te Rottèr-dam.… Reeds sedert.… veertig jàren.… trek ik.. zònder pijnèn.. en zonder geldèn!.… graties!.… voor-niets-niemèndal!.… Alleen vòòr dit.… flèschje.… betaalt gij.…—Dat-wil-zeggen.… Ik ben.… hier niet.… gekomèn.… om wat.… te verdiènen.… maar.. òm dèn.. menschèn.. te bewijzen.… een weldààd.… Maarrr!!.… al zoudt.. gij mij.… vijfèn.… twintig guldèn.… willen gevèn.… ik zou dezèn.… niet akcepteeren.… Ik bèn hier.… òm ù.… van dienst tè zijn.. Alleenig daarom!—Dit vocht.… van Valura.… spéciaal.. bèreid van gè.. heime sappèn.… òntdekt.… ten tijdèn.… vàn het.… middernachtelijk uur.… door mijnèn.… vader.. profèsseur te Montabilie.… door zijnèn.… handèn.… den handèn.… van Jaack Ròzel.… Seni-or.… dit vocht.… met zijn.…. geheimen sàppen.… kùnt gij.… krijgèn.… Maaààrrrr! nièt voor.. dèn prijs.… van vijf-en.… twintig..[108]gulden.… Voorgèèntwintig.… gèèn vijftien.… gèèn tien.. gèèn negèn.… gèèn acht.… gèèn zevèn, gèèn zes.… gèèn vijf.… gèèn vier.… gèèn drie.… gèèn twee.… gèèn één gulden.… Maaààrrrr! dit vocht.… waarmeè ik.… genees.. àllen zinkèns.… àllen koòrtsen.… àllen keèl, àllen tant.. àllen maàg, àllen ingèwandspijnen, dit vocht.… kost slèchts.. dèn prijs vàn.… vijf-èn-twintigcenten.… En al.… woudt gij.… mij nu gèven.… na te hebben.… gèzien.… den wondèren van mijn wèrken.… op hèt lijf en den ledèn.… den pezèn en den spierèn van iederèn persoonaadjen.… al woudt gìj.… mij betalèn den blootèn sommà van vijf-èn-twintig.. guldèn.…ikzou.… hèt.… niet.… aanvaardèn.… omdat ik.… een weldààd.… voor den armen bèdoel.…—Even hijgde ie uit. Ronddaverend geratel was achter z’n kring heengedonderd, dat ie sterker z’n stem moest uitzetten.—Z’n gezicht glom van zweet, stond grauw van vermoeienis. Toch probeerde ie door te spreken met cier, hoogdravend in zinwending, langzaam, als uitrustend bij elk woord, overdreven in hoflijke geaffekteerdheid, alle woorden afstootend met zware „’n”. Weer had ie deftig z’n hoed van ’t hoofd gelicht, sprak ie ’t landvolk toe, meiden gapend van verbazing, kerels loenschend en heet op proeven.—Hier en daar, midden in en vooraan in den kring, stonden jongens en kerels met hand aan den mond gedrukt, zacht-kermend van pijn, gloeiend in hoop nu, van hun smart verlost te worden. Er begon wat bangelijk geloof en verschrikte suggestie in den menschklont rond te gaan. Dat voelde de Jood, zacht-triomfeerend met ingehouen ironielach.Zon, al lager, verfde gouïge glanzen nu op de luisterkoppen, en tèlkens drong nauwer òp de groep, om tandentrekker.—Zachte, plechtige verschuivingen van lijven en gezichten, armen en rompen, wurmden paffend in den kring, waar tusschen snikhitte dampte. Gezichten stramden strak, van vrouwen en kerels, nek-achterover, in òpstaar naar den al sterker suggereerenden Jood, in luisterspanning; koppen staarden, van jongens en kinders, waarop ’t late licht wondere schijnsels weefde in legendarischen gloed.[109]Karren ratelbonkten nu al verder van den kwakzalver af, die al breeder omsloten stond in kring, en sterker stootten z’n woorden òp, schorde z’n moe geluid, afgetobd en bevend:—Maaààrrrr! nu.. Hoogè-eerd.. pùbliek.… Is er.… een-ònder u.… die soùffreert.… aan pijnèn.… ’t zij zinkens, ’t zij koòrtsen, ’t zij rheumà-tiek in dèn mond.… het strottenhoofd.… hij komèn.… tot mij.… opdat.… ik hèm.… òp slag gènees.… onmiddèlijk.… Ik ben.… Jaack Ròzel.. Juni-or.… heeren en dames!.… zoon vàn.… profèsseur.. Ròzel.… Seni-or.… woonàchtig tè.… Montàbilie.… Maaààrrrr!.. ieder.. dien nù.… lijdendèn is ààn pijnèn.… ’t zij oòrpijn, ’t zij.. wàng- ’t zij keèlpijn.… hij komèn.… tot mij!.… Mijnèn.… vriendèn.… en ik.… zal hèm.… dadèlijk.… genè-zen.… zonder smàrten.… met dit.… geheimen.… wondèr vocht.… van Valura!.… Laàt u.… hèden.. niet terughoùden, door.… àngsten of.… valschèn.. schaamtèn’s.… Want ìk trek.… zònder pijnèn.… en zònder àngsten.…Twee opgeschoten slungels en ’n knecht-tuinder wrongen zich uit den knellenden prop los, gingen bleuerig en gemaakt-lacherig voor de tafel staan. Een blondharige jongen had onder elken arm ’n dik kaasje gekneld.—Uit z’n jekkerzakken bochelden goud-glanzende punten van komkommers. Met suggestieve kracht keek de Jood van z’n kruk op hen neer, door-oreerend toch tot publiek, zonder de patiënten iets te zeggen, manouvreerend den kring rond met z’n fleschjes. En donkerder figuurde z’n mager lang lijf tegen het late luchtruim, hoog-eenzaam op z’n kruk, in de afzakkende havenherrie, in den zwoeg van karren naar booten.—Hei Jansse, hai hep ’t op sain ruijker!.… t’met stol ie.. je koàsies.… kaik de fint se klietere onder sain oàrreme!.. schreeuwde Dirk, telkens aan z’n wang voelend of ie ook t’met geen kiespijn voelde. Dan kon ’t nou toch beure feur niks.—Maar de Jood zangdreunde voort.—Nièmand.. mijnèn vriendèn.… behoeft dit.. te koopèn.. àls hij.… niet dèn.. proevèn.… heeft gèzien.… gelukkèn..[110]Komt ééns hier.… gij vriend.. ja!.. lèg u.. kaasjès.. mààr neder!—Komp nou op de koffie hee?.… die bi’-je t’met kwait, schreeuwde één heesch, uit de menschenprop.—Leg.. uw.… kaasjès.… maar hier.… nèder!.. mijn vriend.… Hun zal.. gèèn leed u geschiedèn.… Neen! kom niet.… àllen drie!.… tegèlijk.. Gij àlleen.. ja.. laat ùw kazèn.. mààr los!.. weès niet.. zoo bèvreesd.… Gij.… àlzoo!.. juist.. hier!.. maar.. op dèn straat.. jongèn vriend.Wat schèèlt u?… en waar mààkt gij.… u bezòrgd ovèr? Zeg hèt mij gerust.—Nou?.… joa kaik.… doàr.… achteràn.… in main bek hee?.… aarzelde bleekig van angst en verlegenheid de slungel, die bangelijk z’n kazen op de straat had gezet, er telkens naar glunderend, of iemand in den kring ze ook vergoochelde.—Hoe is ùw.. naam.… jòngèn.. vriend?.. èn waar.. woònt gij?.…Van z’n stoelhoogte had tandentrekker zich voorover gebukt naar den beschroomden slungel, die met open mond, wijd gesperd, wat terug stamelde op z’n vragen, terwijl de Jood, ingezakt, beenen gekromd, ’n vies tangetje tegen de rottig-groene tanden van den jongen aantikkerde.—Hier zit hij.. niet waar vriènd?.. juist.. dèzen.. juist dèzen.… dien doet u.. pijn? niet jongèling?.…Harder tikte ie tegen ’n bovenkies áán, en de jongen, beverig van pijn en benauwing, met z’n kop in den nek gedrukt, z’n schonkige schouders van angstigheid hoog-scheef opgetrokken, oogen duizelig hemelruim instarend, schokkerde, kwijlde op Jood’s hand, stotterde wat woorden, achter gerommel van vuilroestige tangetje, dat z’n mond inwoelde.——Hier hèbt gij.… pijn nièt?.…—Nou.… nou.… auw!.… ik f’rek puur fé’ pain!.…—Zekèr.. vriend!.. stil moàr! Houd ùw hoofd.. wat hoogèr!.…De twee andere patiënten, bleven gejaagd kijken, van den[111]jood naar den slungel. Spannende angststilte hijgde door heel de menschenprop.—Geef dit, tangètje ééns aan, gij vriend!—Hoekke motte ’t weuse?.… stamelde de gevraagde verlegen.—Dutte! dutte!—krijschte ’n andere er zenuwachtig schreeuwerig doorheen. Maar de Jood had zich, ongeduldig, zelf teruggebukt achter de tasch, z’n halven vuist in den gaapmond van den slungel stekend. Handig, uit z’n vuile rommel greep ie ’n kort-dikke tang, met roestige snavelkromming.——Kaik.. dat is weer ’n aêre!.. schreeuwde bang één uit den kring.—Wá’ he’k main slinger!.… dá’ kost ’m sain heule stal!.. lolde zenuwachtig ’n ander.…—F’rskeur nou je pampiere moar.. Joap Jansse!.. gilde ’n meid.—Kom bai màin op de koffie Joàp!.…Maar Jood bleef kalm, hield z’n tang op de tong van z’n patient gedrukt, keerde zich deftig naar het publiek, dopte weer hoofsch, met sierlijk groetgebaar, liet den slungel gapend, den kop diep den nek ingekrampt en sprak:—Hooggè-waàrdeerd pùbliek.… gèachten.… vriendèn.. Ziet toè! gètroost uwèn.… geëerden oogèn.… den kòst.… te gevèn.… ziet toè … hoe mijn … vocht vàn … Valura.… wondèren.… uitrichten.… zal.… Dezen jongen vriend.… ùwen vriend, heeft.. hevigèn kièspijn.… koortsèn.… en zinkès.… van wegèn.… den verròtting.… èèns kies.… nièt waàr vriend? Gij lijdt.… gij hebt.… duldeloòzèn.. smarten.… in dèn ochtend.… wanneer gij.. u ten rùsten bègeeft, òp ùwen.. legerstedèn.…—Nou furt dan.… furt!.. furt!!.. ik f’rek fè pain.… stamelde woedend de slungel, ’t hoofd nog achterover gebukt, klein gesuggereerd in houding, roerloos, als zou ’m de Jood, bij kleinste beweging, begoochelen. Maar kalm weer, boorde blik van den kwakzalver op z’n angst-slachtoffer neer, en dòòr stootten z’n afgebroken woorden:[112]—Gij hoort hèt.… gèacht pùbliek.… ùw vriend lijdt.. pijnèn … smàrtèn … zièt toe … hoe ik … dezen.. jonggèling.. éénigen.… dròppels.… van dìt.… gèheimèn.… vocht toèdien.… zièdaar!.. mijn jeugdigèn vriend! neemt èèns, een slòkje en spoelt u, op dèn plek.. ùws pijns.… Maar houdt hèt.… geheimèn sap over.. uwen gànschen.. tong vèrspreid. Zoò juist! En nu.… ter exploiteering der kràchten.… vàn mijn … geheimen Valurasavochten … blijkt dit … koelen vocht saamgèsteld.… uit bestanddeèlen van wònderen.… dien ik niet.. zeggèn mag!.… Maaààrrrr! waarmeden.… ik allen.. pijnen.… gènees.. bij koningen en princen.… gravèn.. en baronnen.… tot bij den vòlken.… van dèn.. laagsten ràng..Ik zeg nù.… tòt u.… gij jòngen vriend! neemt dit.… koelen vòcht van Valura.. en laat hèt één oogènblik liggèn.. in den hoèken uws gebeentens, op dèn plek.. ùws pijns.. en gij zult nièts meer.… voelen. Dèn pijn.. zàl zijn.. verdwènen.… en nooit wèder.. kèèrèn.… Alzóó.… spuw nù uit.. mijn jeugdìgèn.… vriend.… het speeksel.. ùws monds.… Schaamt ù niet.… voor ùws.. gelijkèn.. èn uwèn mindèren.. Zòò juist.… Drink nù eens.… één slok.… vàn dit.… ijskoud heràldisch wàter.… dat is heraldischen spijzèn.… vàn oòrsprong. Egyptisch.… zòò juist!.… spoel daarmèden uit.… den ònreinhèden.… uws lichaams.… spoelt dàt.… àlles, dat meèleed aan uwen.… spieren.… en pezen.… gewrichten.… en gebeènten.… laat uwèn … mond verkoelen.… èn wèg.… wèg.… èènsklaps.… zijn àllen pijnèn!Spreektvriend.…spreekt.… hoe.… voelt gij.… u? Waar is ùw.… pijn?… Waar?… zoo éénsklaps verdwènèn?.… Sprèèk!.… sprèèk!.…Slungel, met uitgespoelden, smakkenden mond, stond beteuterd, keek sip rond, als zocht ie naar de pijn, verbluft … Angstig ’t eerst, greep ie naar de kaasjes op de straat, voelde in z’n zak naar z’n komkommers.—Welnu.… jeugdigèn vriend.. sprèèkt—bid ìk u.… spreekt tòt u.… gèlijken.… tòt uw naasten.… vriendèn en maagdèn.… en zèg hèn.. dat Jaack Ròzel Juni-òr.. woonachtig..[113]te Rottèrdam.. Wagestraat zes en zestìg.… uw eensklàps.. heeft genezèn.… van àllen pijnen.… àllen smarten.… àllen zinkens.… àllen rheumatismen.… waarmedèn.… uw aangèzicht.… bezwangèrd wàs.… Spréékt!… Hebt gij pijn? nù nog?—Nou f’vloekt.… nou hè’k puur main droai … dut is d’r tùg ’n meroàkel!.. ikke voel puur niks meer.. niks!..Verbaasd drukte ie z’n hand op z’n kies, om te voelen of ie ’r nog zat. Triomf vonkte er in oogendonker van zwarten Jood. Deftig z’n hoed lichtend van den kop, met ciergebaar, vèr groetend en buigend lichtelijk voor den kring, krijschte plots z’n stem, heftig:—Maaààrrrr!!.… nu zièt gij.… dat hèt wònder.. heeft plaats.. gègrepén.… Dezèn jeugdigèn vriend.… door mij àànschouwt.… begeeft zich tòt mij.… zoekend.… naar genèzing.… van dèn martelingèn.… des kiespijns.… Hij komt tòt mij.… uw allèr vriend.… met dèn hand.. aan dèn mond.. een gèzicht.… vertròkken vàn smart.. En ik.. naar gij zaagt.… geeft hèm.… eenìgen druppèllèn.… van mijn vocht … En éénen.… minuut.… staat hij hier.… hij drinkt vàn dit.… ijskoud heraldisch wàter.… en spoelt zich.… ònder … mijn toezicht.… En eensklaps … weg … is àllen … pijnen.… àllen koortsen.… Onthoudt nù.… geëerden menschen.… dàt hij èènen.… mìnuut.… voor hij.… hier kwaamt.… voòr mijnèn tafel.… nog hinkten.… nog jammerden en weènden.… van smàrten.…En spreekt nù.… weer jonggèlingg!… En zeg.… niets.. dàn dèn.. waàrheid.… àlleen en uitsluitend den wààrheid!..Moor-Jood keek doordringend den slungel aan, die maar knikte van ja, ja, verlegen, sip, met z’n kaasjes weer stevig onder de armen gekneld. Uit z’n twee logge jekkerzakken, onder z’n ellebogen, drongen hooger z’n geel-glanzende komkommerpunten. Komisch verbluft, draaide ie om de kruk rond, staarde ie òp naar den Jood, knikte en stamelde tegen de menschen, dat ie heelemaal niks meer voelde..—Debies, dutte is d’r puur ’n meroakel, riep Dirk Hassel[114]extatisch, spijtig dat ie geen pijn had, om ook ereis te probeeren of ’t echt was.—Nou.. die hep ’r ook ’n knikker, wees een, met ontzaggebaar naar ’t hoofd van den Jood.—Aa’s ’t gain mesièk is!.…—Mesiek! mesiek! onderbrak een giftig.… en je sien ’t puur veur je aige lampies.… die vent hep rekloàme neùdig!.. mô joù hebbe.—Tu tu tu.… sou d’r rais kaike.… mi’ de aêre hee!..Verblufte aanhangers had Jood al en woest werd ongeloovige twijfelaar naar achter geduwd, met voettrappen en elleboog-stooten. Er ging gestommel en geschreeuw; kerels en meiden bliezen van de hitte.. krijschten ruig en paf-moe: daa’s puur ’n stookie hier!.… wa’ hitte!.… Maar Jood lachte stil, deftig doorgebarend, hoed in de hand. Verbluft verstierven de stemmen uit den kring, rumoerloos in luister.—Al dichter kringde menschenprop om kwakzalver heen en verder af daverde ’t kargebonk, gehots en geratel, om z’n kruk.——En nu gij.. mijn vriend.. wat dèèrt u?..’n Woeste kerel, ruw uit verlegenheid strompelde vóór, met z’n pet in de hand, zweetharen over voorhoofd plat-verkruld, nattig glanzend. Wijd sperde ie z’n mond open, spoog ’n pruim voor de kruk, in klownig gebaar, dat ze schaterden in den kring. Z’n lippen, nog bruinend van pruimsap, smeerde ie woest af met handrug. Wild z’n hoofd achteruit, strammend den nek in, gaapte ie als ’n nijlpaard, zonder ’n woord te zeggen, z’n handen mèt pet, nù in z’n broekzakken saâm-gevuist.—Jood keek, streng, donker, met één hand nog lager achterhoofd van kerel den nek indrukkend.—Hoe heet gij.. vriend? wat dèèrt u?.. waar woònt gij?—Da’ flop niks!.. waa’k hiet hee?.. aa’s jai main d’r moàr vèn furt holp, hee?.… barstte de vent woest-lachend uit, main heule bek is t’met rot.… de heule femielje sit dur in te kniese hee? en nou ke’k dur nie eens main flees an toàfel vèn baite.… hee?..Schatergelach uit den kring barstte los om den brutalen[115]schooier, van wien ieder wist dat ie noòit vleesch zag.—Kerel, aangestooten door ’t lachen, lolde zenuwachtig-schel door, om zich van z’n eigen verlegenheid en benauwing af te helpen. Door de menschenprop joeg weer drift. Nauwer drongen kerels en meiden naar ’t tafeltje òp.—Brallend gekrijsch uit den troep gierde uit:—La’ jai je nie naime Piet!.… aa’s t’r pain is mo je.… f’rdomd,.… mo’ je ’t uitskraife.… aa’s ’n kerel!—Nou.… da’ kaa’n je op toetere!.… riep ie driftig, op en neer wippend z’n kaken, terwijl tandentrekker telkens een tangsnavel z’n mond induwde, scherp loerend den beweeglijken donkeren gaapmond in.—Ja vriend.… indièn gij.… ù niet rustig houdèn kùnt, gedurèndèn een kortèn poosèn zal ìk u.… moetèn opgèvèn.—Nou seg … hep gain loàrie … ik stoan t’met aa’s ’n poal! furt! furt nou.… debies!.…Wijder sperde tuindersknecht z’n mond en strenger, in tanggerammel, keek kwakzalver er in. Sierlijker en geaffekteerder wellustte z’n schorre stem hoogdravend gepraat uit.——Ja vriènd.… in dit gèval, bij dèn staat ùws monds.. zal één kies.… verwijdèrd.… moetèn worden.—Wil èvèn.. uw geëerden nek achtèruit dringen,… Zòò.. juist zòò!.… Ik zal u.. trekkèn geheel zonder pijnèn.… zoòals.. Jaack Ròzel altijd trekt.… zondèr.… schokkèn.… zonder stòòten.… zonder smartèn.… zondèr soufrànsèn.…Doodstil loerde de kijkkring op z’n handen. Achterstaanders rekten zich op teenen, om beter te kunnen zien. Kalm draaide de Jood van z’n verroest grimmig stelletje, beplast met water uit ’n glas, een grooter snaveltang los, rood van roest.—Even boog ie in, z’n lichaam, sperde met één hand den mond, drukte plots haastig, de tang in donker gaapgat vóór ’m, verplaatste andere hand in bliksemsnel beweeg, achter den nek van den kerel, die òpstaarde hemelwijdte in, met gespannen kop, woest-verwrongen, donker-harig.—In één draairuk trok Jood de kies er uit, terwijl de kerel nog z’n kop naar achter hield gekrampt, niet beseffend dat ie al geholpen was. Zonder den[116]patient tijd te gunnen tot spreken, zeide jood kort en suggereerend:—En nu.… drink! dit ijskoud heràldisch watèr.… vèrmengd.… met vocht.… van Valura.… En wèg is.. àllen pijn.… èènsklàps! En nu.… spréékt ook gij vriend!.… Hèbt gij wat gèvoeld?.… bij hèt trekkèn? Sprèèk?.… zeg slechts.… den vollèn wààrheid!Woest-harige kop, ook van dèzen patient stond gebluft naar den Jood op te staren. Niets, niets had ie gevoeld, geen sikkepit.Toen ie dacht dat ’t nog beginnen moest, was ie al klaar.…En nou stond de trekker daar voor ’m, met z’n eigen bebloede kies in de tang..—Gô sa’ main kroàke!.… daa’s puur ’n meroakel.… viel ie uit, in kringetjes bloedspuwend rond z’n beenen.… f’rduufeld.… hai jai sàin doàr te pakke hee?… Heerekristis waa’n kanjer hee?.… dut is dur puur ’n meroakel!—Spuug slèchts.. in dezèn bèkèr.… èn drink.. nog één slok … van Valura.… àlles gratiès.… Dit vocht.… dit ijskoud watèr.… het trekkèn!.… Houdt dit vocht.. éénen mìnuut in ùws mond.… op dén plek ùws pijns.… zonder.. te sprekèn.… zondèr.… ù te … bewègèn … laat koelen.… ùwes mond.… uws zenùwen.… uwen verhemèlten, uwèn spierèn, uwèn pezèn, uwén gebèèntèn.… en weg is uwèn smart.… weg uwèn lijdèn!.…Twee minuten lang oreerde de kwakzalver weer door, al deftiger, hoogdravender, voelend z’n stijgender invloed op ’t bokkige, eerst scheldende publiek. De woeste kerel, stond onder ’m, met opgeblazen wangen, ’t vocht speelsch rond te spoelen in z’n mond, doodstil in één houding, bestaard, met ontzag, door heel den kijkkring.——Spuug nù uit, vriend, èn spreek!.… tot ùw maagden.. en makkèrs.… spreekt.. en zèg.. niets dàn den.. wààrheid.. Spréékt.. Drink nog éénen keer.. vàn dit.… ijskoùd wàter.. En zeg dàn.… of gij pijn hèbt … Zeg dèn … vollèn wààrheid aan uws gelijkèn.… aan uwèn meerdèren.… en mindèren.. spreekt.. hebt gij pijn?.…[117]—Gain spier! f’rdomd.… of ’k mot ’t liege hee? Jeesekrim! meroakel.… daa’s òplucht!.…—Hai jai gain spier pain Piet? schreeuwde een.——Gain spier!—En hep ie je nie van mékoàr hoald?—Saa’k f’rbrande.… aa’s ’k wâ voelt hep hee? snó’f’rjenne moat.… daa’s de weg noà de haimel hoor!.… Jemikremi!Maar Jood bleef stil even van z’n hoogte loeren met z’n gitpupillen op Piet gestard, en toen juichend den kring rond, hoed in den hand, schorde en stootte z’n stem weer:—Gij àllen.. ziet hèt.… hooggè.. eerd pùbliek.… Ik ben gèèn.… leugènaar.. ik ben gèèn.… bedrièger.… ik ben.… gèèn.… galeiboef.… gèèn Chamberlain.. gèèn Rhodes!.… Hier vòòr u.… staat dèn.. èchtèn den èenigèn.. afstammèling van Profèsseur.… Jaack Ròzel.… Seni-òr.. woònachtig te Montabilie.… in zijn leven.. en strevèn.… op het rotsgebergte van Zuid-Amerika, alwààr hij.… de Sioux’s de Panie-ews!.. de Irokeèzèn, gràties hielp.… gèlijk ik.… dat ù doe.… Hier staat hij dan, in dèn.. levendèn lijven.. Gij ziet hèt.. gij hoort.. hèt.. gij rùikt het.. gij vernèèmt het.. gij beproèft het.… Hij gèneest.… ùwen maagden.… uwen vrièndèn.… uwèn kindèrèn.… Hij is.. den èenigèn.. Jaack Ròzel òp den ganschen wèèreld.. die hier komt om u.. te bewijzèn.. een weldààd.. Hij is.. tèr naam en tèr faam.… bèkend en spèciaal bè-vriend met àllen doktorèn.. professeùren, met àllen genèès-, hèèl-, verloskundigèn des heelen ààrdkloot.… En hij rèist den wèreld door mèt hèt vocht.… van Valura.… en den.… profesòren àchter hèm áán! En hij trekt.… gansch zondèr pijnen.… Hebt gij niet.… gèzien.. dat ik.… hier stàànden.… voor drie màànden.… twee lammen, van wien ik den krukken.… over dèn.… knieën, stuk bràk.… ter aarden.… wièrp,.… hen bèstreek … met hèt vocht.… van Valura.… èn zij.. van mijn tafél, weer loopènden vertrokken,.… rècht op!.… slank en elègant.… gelijk chiraffen.… En hebt gij niet-gezien.… dàt ik.… ùw vriend.… hiernèvens … trok-zòndèr … dàt één … spier vàn[118]zijn.… gèlaat vèrtrok.… en dàt hij.. nu zelf.. bèweert en bèvestigt gèèn pijn te hebbèn.… gèvoeld? Zoo genees ik lammèn.… blinddèn.… doovèn.… rheumatieken.… met mijnèn wonderdruppels.. mijn vocht.. van Valura … Nu zal ik nog dezen.… vriend helpen.… en dan zal ik vertrekkèn.. uit hoofden en onherroepelijk.. zonder àànziens des persònen, na te hebben.… aangebodèn.. laatsten vòòrraad.…Weer bedremmeld stond een derde kerel voor ’m, mond wijd open. Zacht beduidde hij den jongen, dat ie niet noodig had getrokken te worden. Ook hém liet ie spoelen met zijn Valura, en onderhands haalde ie flakons uit z’n tasch in vloeipapiertjes verpakt.—Weer aarzelde verbluffing rond, in den verhitten kijkprop van tuinderskerels en meiden, sjouwers en vrouwen, want weer stamelde de kerel, na twee minuten ’t vocht in z’n kies te hebben gezogen, dat ie geen pijn meer voelde.—Naar alle kanten werd ie getrokken en verbluft knikte, stamelde ie uit, nergens pijn meer te voelen.——Dat wondèr voor dén prijs.. van vijf èn twintig cènt!Geen woord kon Moor-Jood meer uitbrengen van vermoeienis. Het zweet drupte als stijfselkorrels vettig op z’n donker hoofd. Van drie kanten uit den kring, drongen lijven òp, grijp-armen vooruit, hoog naar ’t tafeltje. Meer niet. Gezicht van den Moor-Jood betrok, zenuwachtig, spijtig, alsof ’r ’n huil draaide rond z’n mond. Maar toch beheerschte ie zich, sprak ie weer met afgetobder, heescher geluid.Eindelijk, de geholpen kerels, waren weer den kring ingesjokkerd, schouerbonkend, getrokken en gesleurd, babbelden en schreeuwden ze met ondervragers mee. Wantrouwig landvolkje, beduusd en vergaapt, kwam in beweging. Weer had de Jood getoeterd, schel en hoornhoog den hemel in, spattend z’n klanken, schuimend tegen opsteigerend gewoel, en weer zwaaide ie z’n brandende toortsen tegen al donkerder luchtgoud. Er kwam beweging, woeling in den menschprop, uit elkaar brokkeling van broeierige kluiten. Telkens, slechts twee, drie tegelijk, drongen naar de kruk, met ’t kwartje klaar in de hoog gerekte hand. En drukker stalde ie z’n flakons uit, zalig-wachtend[119]op uitwerking van z’n wond’re woorden en proeven.—Sneller drongen de lijven en armen òp, dat ie nieuwe voorraad uit z’n tasch moest halen. Rapper z’n handen graaiden in den tasch-muil, z’n donkere kop lachte, tegen ’t licht in, burlesk, ironisch, onmerkbaar bijna.—Nu zòng z’n stem met klank van zalvende zekerheid:—Een iedèr.. dièn lijdt.… ’t zij aan zinkèns.. ’t zij aan koortsèn.… ’t zij aan wondèn, blindheid.. doòfheid.. làmheid.… ik help hèm.… ook zondèr gèl-den.…Trager trok kring om ’m los. Meer en méér handen grepen, naar z’n hooge tafel, dat ’n stapel kwartjes tusschen z’n tangen ophoopte.—Z’n oogen git-glanzigden, lachten, vonkten.—Eindelijk stopte ie. Zwaar gedaver en laatst gewoel dromde langs z’n tafel achter z’n kruk. Nou wou ie ook een ’n glas bier gaan drinken. Z’n keel brandde van rauwen krijsch en pijn. Eerbiedig weken de kerels voor den lang-mageren Moor-Jood, met z’n angst donkeren kop, z’n streng borenden blik, z’n kalmte. Even z’n schouders, in krommige lijn opgehaald, ging z’n lang lichaam tusschen de sjofele sjouwers en tuinders, z’n zwart-bleeke kop, prachtig beglansd in lichtwaas. Geheimzinnig in donkeren staar, schoof ie voort tusschen de botte kerels, zich-zelf voelend als ’n Cagliostro in zuidelijke gratie en suggestie.—In eindloozen koepel, blauw-bleek glanzend, rondgestold in ontzaglijken hemelkring boven havenbrok en polder, wuifden struisveerige wolken, zilverzij-licht, en ver, heel naar den horizon, tusschen violette neveling van spitsjes en daakjes, bouwde de lucht porceleinen torens van lichtwolken, slank, met fonkelende tinnen.Menschenprop was weggebrokkeld, nu kwakzalver bier dronk in rookige walmkroeg.—Daverend roezemoes ratelhotste in ’t zonnezinken als ging er hellevaart rond in Wiereland; begloeid en beglansd stedeke, met z’n hel-rood en zilver leigedak in vervloeienden goud-roes van eindloos polderruim.—Op en af de booten ging ’t weer in laatsten ploetersjouw en[120]afhitsende werkkoorts als hadden de kerels zich verzuimd met luistering naar den Jood.Woester stormden de kroegen leeg en vol.—Verhitte zuipdrift stramde de koppen, en zwaarder, paffender in ’t zomerbrio, doorregenden geuren en stanken de haven; verklonk in rommelende donkerte ’t lawaai der zwoegers tegen al stillere rood-verre oneindigheid van polder-avondlucht; hemelkoepel, doorzeild van laatsten klankenjubel en verren vogelenkweel, leeuwerikkenvlucht, donker verstippend de luchtzee door.—Sneller, àl lager sloeg de blink-glanzende gang van ’t licht over de haven, als kon de dag niet sterven dààr, vloedgolfde ’t over de kerels, roodgebrande tronies, nimbus van avondzon, gloedkoppen, verwaasd en verheiligd.—Dwars door den rauwrumoerenden gruwel van krijschende, furiënde sjacher en zwoeg, over pijpen, masten, zeilbrokken, pramen en sloepen, stroomde avondtooverige gloed, vreemd zilverrood, blond en telkens wisselend in gamma’s. Van de porceleinen wolk-torens, gloei-purperden de tinnen, vonkten hun gouden ommegangen.—Al lager de lichttoover doezelde over heete havenjoel, gedaver en gezwoeg; al wijêr glansde stralende purpering, verstillend de luchten, bedampend in wond’ren zonnemist, keien, sintels, en werkers. Paardkoppen droomden in stille, verglijdende glanzen en karren met aardbei en groen, doofden langzaam, bij stukken uit, in doffe zonloosheid.—Zonnedroom, die uitdoezelde, wegnevelde, in violet gedamp en paarse vlekken, schaduw-fantomen wierp aan walkant, goudteer vergloorde, tusschen rag touwwerk en masten.Over bootsrompen, en boegrondingen, waar kleurkopering van roeren en luikjes verbleekte; over heel het havengeraas, waar werkersopstand in drommen dooreen krioelde, starde al meer de vlam van den hitte-dag, de felle daverende blinkgang van licht, verdampend in wazige tonaliteit, in zilverige schemer-vegen en aarzelend blondrossig-goud.Tusschen het al donkerder kastanje-geboomte, waar de schemer ’t eerst in duisternis verweefde, keken de kerels onder ’t lommer nog òp tegen den kleurzang van zonnedag, die lang, heel lang,[121]tooverig begloeid, in polderhemel bleef nazingen z’n wond’re tinten. Menschen, paarden, honden en karren in opgepropte kronkel en warrel, onder ’t duisterende lommer kleurden nà, in de ver-affe roezemoes van ’t stervende licht.—Allen dáár, wriemelden dooréén in schemer-avondgoud.—Petten kleurden vaal, in al gamma’s; kielen, jassen, schorten, donkere sjouwers en tuinders-venters, boeren en kijkers, in één warreldrom, loom langs elkaar verkleurend en verkronkelend, als drasten ze voet-zwaar aan vastzuigende havenkeien, moeras van rottend groentenafval.—Dirk Hassel was met Klaas Grint, z’n zoon Jan, en Rink van den polder, tusschen ’n groep tuinders de kroeg ingeschoffeld.—Voor hun beenen buldogde ’n ton-buikige boer, met ’n korf kleine varkentjes onder z’n arm gekneld, waar hooilucht uitrotte, urineachtig-vuns. Krijschend en ronkend woelden de dieren, scheefhangend tegen de korfbiezen op, en telkens bonkte bullige boer, met z’n worstige handen, ’n driftstoot op de krijscherige diersnuiten.—Achter kroeggangers ratel-rolden, dwars door de woelende menschenmassa, groote gele tabaksvaten, door troepje kerels met trappen tusschen de karren en dieren voortgebonkerd naar ’t spoor.Dirk was blij dat ie eindelijk zat. Al twee maal van de haven naar de akkers geweest, extra-oplading, en nou zou ie ’t d’r eens lekkertjes van nemen. Hij grinnekte tegen z’n brandewijntje met suiker, dat op z’n schor-korten roep, dadelijk gebracht was. Om ’m krioelde ’t van klomp-klossende kerels, in stampigen gang op knarsenden zandgrond. Lekker en poeteloerig-duizelig snoof Dirk de jenever en bierlucht, zoetig en scherp, en stil tegen den muur ingedrukt, ’n pijp den mond ingebeten, sloeg ie, brandewijntje na brandewijntje klein, mummelde wat woorden uit, tegen groenboeren die naast ’m neersmakten, aemechtig hijgend van zwoeg.—Zwaar-laag dampte de kroegrook, nevelig, en rood misterig toen gasvlam bij ’t buffet en boven biljart àànplofte. Stil bleef Dirk zitten, roerloos in z’n hoekje, uitspuitend pruimsop en pijpnikotine in de spuwbakken, doodop, lekker duizelig, in de[122]wemeling van al meer aanstommelend landvolk en roezemoes van stemmen, achter hitterook uitkrauwelend, tot ie doorzopen, landerig en woedend, tegen tien uur naar huis waggelde.
’t Was Vrijdagmarkt, tegen half vijf. Van enkele zijwegen en uit smalle, door zon verblakerde steegjes kwam áánrateling van karren; tuinders die hun waar vroeg opgeladen hadden. De havengrond bij brokken bekeid, lag vol koolstronken, aardbeirotte plasjes en groentenvuil. Eén brok weg, zwart, gruizig besinteld, rond rood-wit bemeniede lantaarns, frisch zomers opgekwast, lag bezaaid met kisten. De huizenkant van haven, met z’n gevel-trappige woningen van dominee, dokter en wat winkeliers, tot meer naar achter, waar ’n woelige oppropping van kroegen en pakhuizen samendrong,—koelden donker in zwaar uitgegroeid lommer van hooge kastanjeboomen, wonder-groene laan, ingeplant tusschen wal en stoepen. Het ruiten-licht van de oud-gevel-typische huizen in wazig-groene glanzingen, verschemerde ’r geheimzinnig ’n eigen bestaan; bestaan van diepe halfschaduwen, dwars door het aandroesemende lawaai en geraas van havengescharrel, geheim stil verwisselend achter zwaar lommer.—In ’t walletje kleurden achter elkaar, pas aangekomen booten, waarop dekknechten met oorverdoovende herrie kisten van ’n plank lieten glijen òp de steenen, langs de reeling, door ’n anderen kerel weer vèrder rondgeslingerd tusschen vuile stronken en groentenafval, sintel en kei.—Zoet-zwoele, tot stank verbroeide geur van aardbei vloeide wèg in vunzige lucht van duffe groenten. Heel de Haven zoog in, àl luchten en reuken, ademde weer uit, bedorven saamgebroeid zoet van aardbei, aardappels, sla en penen.[86]Telkens achter groene kroeg-gordijntjes spuiden de herbergen jeneverstank uit, scherpen prikkelgeur doòr den warrelenden damp en de stank-zwangere atmosfeer van verbroeid zonnig havenleven.—
Geweldig in wijdheid, doorwolkt van onweersgedreig en half in zonnigheid weer, welfde de polderhemel met ’t weiland eronder, afgelijnd door spoordijk; ’n hemel niet te zien, maar ijl te voelen toch in verte en diepte ònder de àlmachtige luchtruimte. Groen-prachtig, in fel-grilligen zonneschijn, lichtte de lange dijk òp, waarover lawaai herriede van aamborstige lokomotieven, hijgend en puffend, heen en weer, als in zweetbenauwing, drentelend en geduwd voor- en achteruit.—Vastgehaakt en voortgebufferd in stooten en dreunige stampen, donkerden vrachtwagens dwars door den uitkoepelenden polderhemel.
Onder kastanjelaan, vóór huizenkant van Haven, het doorrijpad van karren en paarden, kermisten zuurkraampjes en betentdoekte vischstalletjes met poonen en scharren, die walglijke stanken rondbroeiden in de hittesfeer van sjachering en half afgedreven zomermiddag-onweer.—Stijgender geratel en gerammel van karren en wagens, dooreen-klakkerende hoefslag van zwoegpaarden op keien, kwam dreunend òprumoeren uit steegjes en zijwegen, naàr en vàn de groentenvervoer-booten.
Heel de aardbeistuip van ’t land, de koorts van wroet en pluk, pakte zich daar saâm, in één woesten drang van laden en lossen, één jagende scharrel onder de ventende afbeuling van ’t landvolk. Al tweemaal op één dag was er door de booten in den drukken broeihaal van aardbei nù, op de groote stad afgevaren; al tweemaal geladen en gelost. Om vier uur in den ochtend, de heele week, waren er zes groote vrachtbooten, tot hoog boven de verschansing opgestapeld, weggestoomd, met allerlei groentegewas, stikvol van aardbeien, aàrdbeien. Om twaalf uur ’s middags, léég, heelemaal uitgeput teruggeboegd, weer gevuld, alléén met aardbei en weer leeg naar huis gestevend. Alles had de groote stad opgeslokt, gretig en woest; en nu wéér werd ingeladen voor den marktdag.[87]
De Haven lag gerammeid, begraven onder leege kisten met mandjes, en overal dreef rood sap, donker bloedend door ’t zwarte kolengruis, verkrinkeld in sporen en plasjes.—
Dirk had z’n zware kar met voorzichtige zwenkingen tusschen stilstaande paardjes ingewerkt, zoo dicht mogelijk bij de boot, waar ie z’n goed op te laden had. Telkens schokkerde ie ’n eindje verder, meer naar den wal, tusschen de dooreengezwaaide kistenruzie en manden, tonnen en planken.
Sterker kwam áánwemeling van groenboeren, vrouwen en kinderen, en oorverdoovend raasden de blaffen van karhonden, die daar woelden, rukten en huilden onder de donkere assen, jammerend tusschen hun bemodderden engen knel van spanriemen en treksels.—
Vervuilde, langharige kerels, met dronken-lacherige tronies stonden in overhemd, àchter d’r poon- en scharrestalletjes, hun eigen waar op te eten, schor futloos roepend: fèrsche poone.. fersche skàrre.… In kringetjes rond en onder ’t tentdoek, lolden wat venters en tuinders, poonen etend en uitzuigend, met hun handen de visch losbrokkelend. In nek-achter-over-zwaai, kwakten ze zich telkens stukken vettig vleesch ’t mondgat in.—
Zuigsmakkend en belekkend de goud-donkere poonvellen, plezierden ze, waggelend op de beenen. Stil stopte verkooper ze schar na poon in de handen, terwijl hij zelf smakkerend vrat, z’n mesje tusschen ’t scharrenvleesch peuterde, fijn reepje na reepje, achter de tanden vergoochelde.—
Zon, uitgloeiend achter weggedreven onweergewolk, brandde weer fel op tentdoekjes, die lichtstreepten rood-geel, onder boomlaan door, de smoezelige linnen kleuringen, warm-dampig verzonnigend.
In één uur tijd was de geweldige marktdrukte komen áándonderen in furiënd gescharrel en gesjouw, geraas, getier en roezemoezende stemmenbotsing. Paarden met karren, al méér, al méér, klakkerden en bonkerden onder de belommerde kastanjelaan, schurend langs de huisstoepen, zwenkend, tegen elkaar òp. Vrachtrijders verkrijschten: ho!.… ho!… hai!-daar!-geroep,[88]tusschen kerels, vrouwen en kinderen; tusschen ladende en lossende werkers, of dwars door rumoerige groepen, opgepropt òm groote groenteuitstalling van afslag, waar koopgierige schobbejakkige venters rond-kankaneerden in schor opbied-geschreeuw, als dronken duivels.
Van zijstraatjes uit, dobberde zwaar-stootend gedrang van karren, de eene al hooger achter de andere òpbergend, met kisten- en zakkenlading.
Tegen half zeven daagde van allen kant ’t landvolk òp, voortstuwend pyramiden van kleurdruipende groenten, als was aan akkerzij van Wiereland overstrooming losgebroken, de zee over de duinen heengegolfd. Als was daardoor ’n chaotische beroering, ’n opstand, dwars door paniekheen gescheurd; had zich ’n drom angstigen aanééngestoet, verschrompelde bemodderde kerels, reddend van hun zwaren ploeter àl wàt ’r op ’t land nog te halen viel. Eén wilde, woeste samenstrompeling van mannen, vrouwen, kinders, met kisten en manden en zenuwbevende handen, die meehielpen aansjouwen en wegduwen van kar naar boot.
Aardbeigloei, rood-fel en purperdiep, brandde weer in zonnelaai. Honderden en duizenden bakken met de roode pracht-furie der vruchtjes gingen van hand tot hand op de booten, van de karren naar de dekplaatsen, en van alle kanten losten de wagens uit, stortten een groentezee neer, in branding van kleuren, aanklotsend tegen zonnegolven; tegen broklijven van schuiten, kerels, karren, paarden en honden, één woeste uitgolving, òpzieding van groen, groèn, van zeng-rood, vuur, donkerend purper en hel prachtig wortelen-oranje.—
Hemel was blauw-diep weer uitgetinteld, tusschen zilverende wolktochten en in de koelender zilverglanzen van gloedroode, stillere zon, lag de kastanjelaan doorzeefd in wondren glansnevel, doorvlàmd en zonnemistig tegelijk. En de groenbemoste boomstammen, in flitsen grillig beserpentiend, kromden gevangen in gouden kronkels van glans-slangen.
Dampig gezeef van goudschemer, gloedrood, vloeide over de bronzen en roode kielen der woelende kerels, werkersstoeten[89]in sfeer van gouden lichtdamp en roode toortsentooverij bewegend.—
Midden in zonnetoover daverde ’t haventje van helsche donderbonkerende rumoering. Telkens ratelden van de zijwegen, uit smal-doffige broei-steegjes, nieuwe karren áán, waarachter angstig-verwrongen gezichten èven uithoekten, tusschen bakken en manden; monsterlijk gerammeide zweetkoppen, doodòp van zwoeg, benauwing en snikhitte.—Hun bakken overstroomden de markt, verzwolgen ’t licht. Uit àl andere weggetjes en spleetstraatjes, van rechts, van links, dwars, opzij, uit nog fel-bezonde achteraffe gaatjes en steegjes, flonkerend en dampend in verblindend schellen lichtgloei, bonkerden en schokkerden ààn, al meer paardwagens en handkarren, aardbeien en groentevrachten, rood en groen; felle uitbarstende gamma’s van purper naar papaver-vuùr, en al soorten smaragd, tusschen gelige goud-gloeiende kolen, al méér, al méér, als moest ’t haventje begraven, verzwolgen onder de bakken, manden, vrachten en vaten. Overal, de heete hartstocht van ’t gloeikleurig rood en oranje, de felle klater van ’t schelle en zingende groen, dook òp van alle zij, uit zon-overstorte zijweggetjes, blakerend, smal en vunzig verstoft in de Julihitte, met hun ordelooze wemeling van krijtwitte, bruine, fel-groene bekalkte geveltjes en rooddakig brio.—Overal doken òp, geweldig in drommen tusschen ’t kleurheete, zengende geveltjes-koloriet,—ònder de roodgoud doordampte boomenlaan uit,—al nader, àl nader, de wagens met hun lichtend groen en vruchtenpurper, tègen de hemelblauwing in; de huisjes al kleiner, verder wèg, de karren àl grooter en massaler, aanbonkerend op de Haven.
Later nog, de kastanjeboomen zeefden in zonnemist en de kruinen stonden weer uitgegloeid als was ’t goud er tusschen vervloeid.—
Hier en daar nog van boven schampte ’n flits, ’n gloeiende kronkel, ’n trillende spiraalglans; was lichtweb uitgescheurd en blijven hangen wat bevend spinsel van goud-gloed.—
Links van de karren zwenkten de tuinders hun paardwagens àchter paaltjes áán, op stiller gedeelte, ’n end van d’r[90]boot af.—Stil, tusschen rumoering, suften de paardkoppen, de voorste vastgetouwd aan paaltjes. Maar ook dààr, heel gauw, dromde ’t stikvol, schoven al meer karren in, stonden de beesten met de lijven op elkaar ingedrongen, koppen, droefmelankoliek naar beneden, in zorgelijke bepeinzing over ’t oorlogend havenrumoer, geraas en gekrijsch. Te wachten, roerloos stonden de beesten, d’r half-leeggeladen karren kleure-jolend in zinkenden zonnedoop, kermisjubel van helblauw, groen, hard-geel, bruin en menie-roode beschildering. Zacht zwiepten de staarten, knokelden schimmel-blanke, goudbruine en donker-bronzen ruggen, gloed-laag beschenen. Van alle kanten manoeuvreerden, tusschen ’t geraas van weggeslingerde kisten, de karren zoo dicht mogelijk bij boot waarop geladen moest worden, voor vertrek van den volgenden ochtend. Hoog bestapeld, van achter tot voordek, krioelden de booten in rij vóór den wal. Geen plekje kon onbezet blijven. Dekknechten en kapteins sjouwden gelijkelijk mee met de tuinders, droegen de bakken met vruchten en groenten ààn, in zwaren zwoeg, over keiweg en loopplanken. Handiger dan de tuinders wrongen zij zich tusschen de kisten, mand- en zakvrachten door, opstapelend in zwaren smak van uitputting, de nieuwe vrachten. Dwars door elkaar, bouwden ze òp, monumentaal, dat de groentebakken vèr boven verschansing, als ’n kleurig fort van ruw hout, neergeblokt stonden. En overal bij spleetjes, gloeiflitste ’t vruchtenrood tusschen het monsterbouwsel van kisten, levend monument van vruchten, gesmoord tegen orànjebrand van wortelen en groen.—
Op alle booten tegelijk, bleef de laatste stapeling aardbeibakken, langs heel den havenwal neergewolkt in vuur, en de gemeen-beschilderde kisten in ruig koloriet, dansten een kankan van helsche kleuren in ’t doorzonde, heete havenrumoer. Zwoele stanken drassigden in de lucht ’t zoet uit van de vruchtjes, zwoel-vochtig tusschen de groenten, die opeengebroeid, voozer verstonken. Over den drogen gloeiend-stoffigen sintelgrond verwàlmden geuren, dwarrelde rond, draaikolk van stanken, zoetige en ransige, kanteloeplucht en citroenen, sinaasappels[91]en bedorven uitwasemende poonen, scharren, zuur en eieren; gotenlucht tusschen ’t aardbeizoet, dòòrwaaid weer van kroegstank en spiritus. Alsof zieke reuzen ergens heeten stankadem uitbliezen over de Haven, zóó van alle zij wasemden de dingen hun luchten uit, vermengd en verbroeid in de hitte. En telkens gulpte van spoordijk, rook-roetige wolk-smoezel, in woeste vegen donker heendampend over ’t havengewoel, òver karren, vruchten en menschenoppropping, doorzond en verstoofd in kleuren en licht. Zóó, fel omklaterd en verbrand van kleuren, in de hartstochthitte der zwoegers, verdampten de geuren bevend licht bòven de karren, de mensch-koppen, kisten en manden dompelend in zichtbare sfeer, stralend-fijn van ijl stofgoud.—
Sfeer van trillend licht, als neergestroomd uit reuzige zonnelantaarns, in banen van damp en warrel. En tusschen de menschkoppen en koopwaar, grillig-verspatte nog zonnevuur kleurfelle vlakken, gooide vlammig spel op bevende kaken, òp handen, in oogen. Telkens nieuwe kisten sjouwden dekknechten met tuinders áán, in hijg-zwoeg, dood-af gewerkt van den ganschen dag landwerk; telkens in hun gang gestuit, teruggestooten, weggeduwd en verkneld, door andere werkers met vrachten op nek, hoofd en schouders, ingebukt en woest in d’r moeheid, terugsjokkend van de loopplank, achter elkaar, met de doffe, of kleur-felle kisten op de schonken, wat ruzie-schor verschreeuwend tegen de kerels die opdrongen of worstelden om plaats. Dan hier, dan daar holden en kankaneerden de sjouwers op zij, vòòr paardkoppen of langs geweldige vrachtwagens, die tusschen hen indrongen. Overal was gestruikel, gestrompel; dof-klankten smakkingen, daverde gebonker van verslingerde kisten en manden, gloei-stroom van jachting, verkronkelend in dol-botsende drukte. De kleurige booten, achter elkaar langs den wal, sloegen ’n branding in ’t hart van ’t levende haventje. Eén vloed en eb deinde er van duizenden verlompte werkgangers die òp en af, dwars en tusschen elkaar’s groen-waar heensjouwden en reden.—Zoo golfde bij den wal ’t sterkst, woeste stroom en tegenstroom, zich vertakkend en[92]verbrokkelend in zijwegjes, weer aanspoelend in kleinere hurrie-golfjes van andere kanten. Drang tot afdoen vloeide samen op één punt, bij al de booten, drang en jacht, die angst-steigerend, al hooger àànstortte tegen ’t forthooge bouwsel, kleur-heet monument van bakken en manden; stroom die plots weer àfrazernijde naar kroegen, dat er spuiing kwam en luchtiger rammeling van karren tòt in de afgelegenste, koel-uitgezonde hoeken, bij pakhuizen naar polderkant.
Langs de havenvaart, achter kastanjelaan, lag de kei- en sintelweg hooger met leege kisten bestapeld, teruggestrooide vracht van ’n boot, die al twee maal aardbei naar de groote stad had vervoerd. Nu ook van polderkant donderden en bonkerden paardkarren en ezelwagentjes ààn, met ’n geraas of ’r mijlen in ’t rond muren van glaswerk instortten, telkens één op den ander vergletscherend. Tusschen ’t lawaai van lossers en laders, gilden en joelden kinderen aan karkrukken, klauterend in stemmenschater over wagens, kisten, manden; hingen en wipten ze aan karhoeken, elkaar bejoedelend òprukkend of terugsmakkend. Beestig woelden ze rond, furiënd in de herrie, stremmend ’t gedrang en gesjouw, tot plots in woedevlaag van werkers, ze verjaagd werden naar andere hoeken. Maar ook daar woelden en klauterden ze weer als losgebroken apen uit dierentuin, òphitsend de honden die basten en jammerden gelijk schreiende gekken.—
Als wegratelde, met kar en hond, één tuindersgroepje, stortten nieuwe wagens rumoer uit, was ’r in enkele minuten weer kargedrang en gestoot op-elkaar-in. Achter boomgroen, waar goud-rooden gloed dampte, en scheemrig de laan lommer-glansde, keken vreemd de geheim-stille ruiten, nù onder half bladerduister, in haven-zonnerood vertooverd; bij brokken weerkaatsend ’t belichte gewoel, worstelzwoeg van tuinders, die er vóór sprongen en holden, tierden en hotsten als gestrafte misdadigers, kankaneerend op heete platen, met hun verweerde tronies tusschen eigen walmende reukwaar in. Geen sterveling in ’t stroomrumoer, die stààn kon blijven. Van alle kanten stootten de vrachten òp, mannen, vrouwen, kinders,[93]vloekend, scheldend tegen elkaar in. Méér dragers balanceerden bakkenstapels boven ’t hoofd, waar ze in angst naar grepen, als ze zich teruggebonkt voelden, in den karren-kronkel. Minuten lang werden lijven geblokkeerd, ingesloten, door dwarrelgang van andere sjouwers vòòr de booten, en eindelijk haastig strompelde ’n troep vooruit, als er spuiing kwam aan den walkant. Snel warrelden ze dooréén, aanschuivend en verglibberend op stronken en groenteafval, met één voet soms tusschen ’n opening ingekneld, de andere op bakken en manden neergetrapt. Elk bloot keiplekje lag dadelijk dichtgesmakt, als ’n werker z’n voet wegtrok, opschoof of weer naar z’n kar terugdrong om nieuwe waar af te laden. Angstig geroep en gekrijsch van ho!.. ho!.. hai-je-hee!.… verklonk opjagend de werkgangers.
—Kaik veur je!.… paa’s d’r-op-bout!.… hee doar je kop!—màin snuit ook nie!.… kruiste en spatte tegen elkaar òp, in rauwe ironie en spot. Bij de minuten nu, zwol áán de razernij, ’t gewoel, gedrom, gekrioel op havenengte, en wilder ging werkjacht onder de menschoppropping, de samengeknelde worstelende zwoegers, teelders van Wiereland, Duinkijk, Kerkervaart, Lemperweg, Lemper en van al de dorpjes rondom; moeë kerels, afgejakkerd door dàglangen landarbeid, met heeten wrevel in d’r lijven, tot laat in den avond opsjouwend naar marktwemel.—
Van de kroegen uit, tierde, raasde, ziedde rumoer. Als dampige holen, volgerookt met smook-blauwigen nevel, donkerde daar roezemoes van zuipende kerels, uitspattende drinkers en pijprookers, klodderend en spuwend op zandgrond. Flikkering en lichtflitsjes gloei-speelden ijl over karaffen en glaasjes bij buffet, onderschepte vonkjes en glansjes van verdwaald rood en groen-goud licht. Van alle herbergen stonden de deuren wagenwijd open, en achter de boomenlom’ring uit, verdrongen de werkers elkaar rumoerend, om eerder in haastigen slok ’t brandvocht, droge, moeë keelen in te gieten.—
Benauwend sloeg de stank van groenten, visch en aardbei de kroegen door. In woelige, opgedrukte kringetjes zaten groepjes[94]bijeen onder schor dronkenmanslawaai, en telkens schoot geschater uit, dat als jammerhuilen verklonk. Jovialig beklopten ze elkaar op de petten, schouers, of stond ’n troepje, bij ’n hoek opgedrongen, met de jeneverkelken in de hand, morsend en plassend over kleeren enpolsen, d’r groen-waar te versjacheren, klakkend in handslag.
Vlak langs de huizen en stoepen schuurden de paardwagens, uitwijkend als ’t kon, voor groenteuitstallingen om boomstammen; ging rond, ’n gang van slenterende meiden en moeders met kinderwagens, zuigelingen, angstig verschrikt kermend en krijschend tusschen den jachtarbeid in. Telkens uit zijwegjes en onder boomlaan uit, doken de paardkoppen vlak tusschen de verweerde menschtronies in, joelde de havelooze kinderbent, onder paardenpooten, achter karwielen, vaten, zakken en bakken uitklauterend. En heviger, boven alles uit, furiede hondgeblaf, angstige huilgamma’s van verhongerde kreupel-getrokken beesten, dorstig, geranseld, in woeste razernij van klachten, òver heet werkersrumoer heen, met ’n ontroerend-menschelijken jammerhuil in d’r blaf, als verschreiden ze hun ellende, hun dorstgemartel in hitte; verklaagden ze elkaar hun slaag en driftschoppen van d’r bazen, waarvoor ze zwoegden, den heelen zomerdag door.
Tusschen het ketsende paardgetrappel en kargeratel, door dwarsweggetjes uitgestort en neergeworpen in den woelstroom van ’t donderbonkerend marktgeraas, bleven de honden blàffen. Eén jammerkoncert van droeve klaagklanken, van nijdig gekef, van gekerm, gejank; schor en dreigend gebrul van door kinderen gesarde dieren, tegen de wielbanden getrapt, aan de spanriemen vermarteld, met steenen besmakt, dat de schrei-blaffende koppen verkrampten tegen de assen òp. En àl meer karren ratelden ààn, met span van drie en vier beesten vóór en ònder de wielen, die dadelijk meeblaften in oorscheurend geweld.
Plots braakten twee hoekkroegen ’n stoet uit van krijsch-jolende kerels, in malle sprongen, hals-bloot, met slappe handjes naar elkaar toe kankaneerend. Dronken verzwollen koppen,[95]roode stropdoeken, losgescheurd op bloote borst, joolden ze èng en opgestooten onder paardkoppen door, waggelend tusschen kar-honden, die nijdig aanbasten, en in dol geterg, met hun woeste, kwijlige schuimbekken dreigden te happen. Voor de zuur- en vischstalletjes bleven de kerels staan, gretig grabbelend in de zon-bebronsde poonen, waarvan de vellen glansden als gloeiend ceramiek. En schor joegen ventersstemmen de kerels òp.
—Fersche poòne.… mooie poòne? faine skarre!.… fersche skarre!
Verhitte relletjeskring van arme tuindersventers, die onder elkaar wat bakken groenten hadden verkocht, niet op bootveiling en afslag hoefden te wachten, zongen rauw, in dronken joel:
—Oooaaw.… waa’t ’n skà-ànde!..
Hun vervuilde kleeren stonken en drank-asem walmden ze elkaar in de roode bakkesen.—Van rechts golfde ’n nieuwe zwoegstroom áán, die den lolkring terugdrong weer, in de smookige donkere kroegen, waar de zweetwasem verbroeide als zure vleeschstank, tusschen de scherpe prikkellucht van tabak en jenever.
Oorverdoovender buiten, brulde, loeide, raasde en kermde de hondenbent onder de karren; duizenden woedende en schreiende dieren tusschen ’t menschgekrioel in.—
Ze huilden als uit dwangbuizen losworstelende gekken, door brandangst, in ruimte zonder uitgangen, opgejaagd. Tegen elkaar in blaften de beesten onder assen, wielen of krukken, met bassende, dreigende, hakkende, schorre hoog klank-martelende razernij, onvermoeibaar in één krisis van kretensmart. En vonkwild, bloedbeloopen, gloeiden hun oogen zonder dat ’t landvolk omkeek naar de dieren, die ze verhongeren lieten, en versmoren van dorst.—
Aan linkerkant van Haven, waar menschen, paarden, karren, ezels en honden in één oppropping, ’t sterkst dooreenkrioelden, daverde zwaaibreed ’t kistengesmak; keilden tuinders, manden en bakken rond, klonk rauw gekrijsch, barstten vloeken uit,[96]giftig en grof, in heete stemme-botsingen.—’n Politieman, tusschen geraas en gedrang, verkrompen tot mager angst-gestaltetje, keek rond, hand op de sabel, dan hier, dan daar geschouerbonkt, tegen z’n rug, getràpt tegen z’ beenen, z’n kop, geen raad wetend soms, waar zich te bergen.—Aldoor sprong ie opzij tusschen karrenknel en hondgedreig, maar dadelijk weer ver-bonkten ze’m naar andere plekken.—
En overal om ’m, zwol ’t daverend marktgeraas, ontkraterde het heete onweer van zwoeg, de sjouwende kleurige opstand van marktkerels; deinde de zee van druischend woelgeweld, in d’r licht en kleur-golvend beweeg, geraakt nog door laten zonnebrand; in d’r klotsende schuiming overstroomend, vèr, al verder, de Haven, de booten, den polder, met daverend rhytmus van treinengang, dreunend in den lagen, snikheeten zonneval.—
Tusschen het geraas en de blaffurie klonk als ’n demonische hooge stemmenspot, plots bel van den afslag, uitrammelend z’n schellen schater boven de kleurig-opgepropte menschenmassa. Daad’lijk trok ’n bronskleerige tuindersstoet met straat-groente-venters, zonder eigen grond, rond den afslager, die bengelen bleef; tusschen de helle klank-strooiing dóórkrijschend, dat nieuwe omgang van afslag beginnen zou. ’n Helper riep naast den verkooper, met twee handen aan den mond als toeter gebogen, heftig dat ’t bloed ’m naar de wangen schroeide, ’t zweet glimmig van z’n slapen druppelde, den druischdonderenden warrel van ’t marktgeraas pogend te overschreeuwen. De schelle klankenrammel bleef luiend lawaaien en daaràchter de schor-verkrijschte afslagers-stem, onverstaanbare radde handelstermen uitbrabbelend. Op ’n hooge stapeling van kisten stond ie naast z’n helper, en rond ’m, de stom toekijkende beweeglooze, ingedrukte klomp brons-kleerige tuinders, loerend naar de uitgestalde groentewaar, den geweldigen kring van sla, groen-doorzond, als smagarden kwallen, geplooid en bekerfd; douwig-doffe doppers, platte peulen, rhabarberbossen, rooiig-groen, en korrelig blanke boeketjes bloemkool, op stapels dooreengesjouwd, in kisten en bakken. Eindelijk stopte afslager, satanischen klankstrot van bel dicht, kringden de koopers[97]nauwer op en achter elkaar. Kleine baasjes-pachtertjes stonden in den koopkrans gedrongen, met d’r sluwe kaal-geschoren tronies, loenscherig berekenend in klankloos lipbeweeg, wat ze voor de waar geven konden. Anderen, in gedachten, staarden als gekataleptizeerden naar de nu stille bel op kistenhoogte, die flonkerde bronzerig in zongloed, tusschen ’t groen. Lager gloei-glansde zon rond de kijkkoppen, rood-gouden toover sprankelend op tronies-brokken, de kerels vervlammend in toortsigen brand van d’r pracht-bronzende kleeren. Demonisch vlàmde er gloed, inbijtend op den kring, hier fel-licht verblindend op wit gekiel, daar goud-wolkerig verzevend op fronskoppen, bronzen ooren en handen, kleurige kielen en schonken.—
Venters die Wiereland doorsjacherden met wat groenteafval in hun verrotte schrompeling van kleeren, beloerden elkaar woest-nijdig, vooruit al bang, dat een den ander zou opjagen. Onstuimiger drong de stoet bijéén, scharrelkring van schorre kerels, in naakten drang elkaar met oogentaal vermoordend van afgunst. Snel, in woordratel van z’n kisthoogen stapel àf, had afslager z’n waren geprijsd.—
—Veur tachtig de duuzend,.… veur dertig.… die.… veur vaiftig die.…
—Main.… gilde één uit den kring, angst-ontzet als zouden ze ’m slaan.
Daar weerklankte helsche stemmestrot, van bel tingelingelinge! lingg!.… tin.… gelinge.… lingg-ling! ling! schel neerziedend in verdoovende vaart, in ’t rondomme geraas van karren, honden en menschen. Achter den afslager en kijkkring, was weer ’n ontzaglijke, aaneengekettingde rij aardbeikarren aangerateld, helrood tusschen de losgestapelde peenbossen. Als ’n geweldig fantomige opstand van plukkers en rooiers, was er ’n nieuwe stroom reuzige werkers en sjouwers uit den stationskant aangedrongen, dwars door de paardjes en ezeltjes, in ’n davering van ho!.. ho!.. hei daàr!!’s. Opstanding van titanische plukkers uit ’n heel anderen landhoek, tegen de paarden ingaand, die verhit, in pracht van trek-gang, trappelden en vernielden wat onder den hoef kwam.—[98]
Rond handen en lijven, rond oogen van dieren en menschen bleef razen een heet gewoel, een druisch-hevige energie van demonische jacht, één krioelende gang van leven, tusschen boomen, tenten, stalletjes indringend en weer uitgulpend met overstroomenden golfslag van rondfuriënden ploeter.
Pal in den zinkenden zonnedamp, làger verglanzend in sfeer van goudrooden brand, doken de woeste zwoegkoppen òp, uit al meer verdonkerd boomlommer. Dààr, onder ’t verduisterd bladergroen sjacherden de kerels, met d’r tronies in geheim-fijnen schemer van half-licht, groen-goud en bleekblond omzeefd, soms plots uitgesmakt naar walkant, in ’t roodgoud gewolk, tot de voeten begloeid in fanatieken worstel van glansen.—
Van alle kanten in de avondzon, duwden ze òp de kerels, pracht-gespannen de spieren van stuw, al mèèr groenten, heele steden overrompelend met hun monumentale warenmassa. Inééngedrongen dààr, op karren bij elkaar, geplukt en gerooid, lag de éérst mijlen verspreide zwoeg van hun land, om straks te zien verdwijnen hun waar, hun voedsel en zoete spijs, als offerden ze, in angstige, stomme biecht van arbeid, aan den donkeren grom-muil van groote geweldige stad, verslindende metropool, die maar slikte, slikte, elken dag meer van wat er brandend en zweetend uit hùn gloeihanden zich opstapelen kwam.—
Van heinde en ver trokken ze op, van de stilste afgelegenste akkerhoekjes, waar eerst hun waar in zonnebrand had te gloeien gestaan. Van heinde en ver de kerelsstoeten trokken òp in orgieënden zwoeg, omjoeld van laat hemellicht, dat schaduwde en zacht vervlamde in beev’rige, goud-roode vegen, aarzelend purper en nevelig hitte-brio, verdonkerd onder lommerlaan in zeegroenige zweefglanzen. De kerelsstoeten er in, tusschen hun nog half levend goed, met den sappenden streng uit den grond gerukt, in den zwijmel van landgeur, den frisschen zwelg van aarde-lucht, verbrandend, verstovend in de havenstanken. Kerels-stoeten als ’n leger van werkers, met hun kleurfelle, gloei-dronken schitter-spijzen van overal, worstelend en optrekkend[99]naar den grooten verren donder der stad, toestoppend den grommenden lekkenden reuzigen muil van het zwelgend, vraat-dolle, hongerige massa-monster, waar zij nu voor saamstroomden, met hun lèvende waar, doorzogen van hùn zweet; kerelsstoeten, onbewust van hun demonischen aanvoer, hun luidruchtige geweldigheid, en heet-koortsend kleurenbrio, hoorend in ’t kraterend marktgeraas, echo van den ontzettenden honger-grom van stads-strot.—Al maar, achter de kastanjelaan uit, van steegjes en weegjes, doken de karren òp, nu drukker in bedrijvig gedrang bij den molenkant van station. Ze waggelden de wagens, zwanger van hun vrachten, ratelden, hotsten heviger, alle door ’n blondroode baan van licht heenwadend, doortrilden gouddamp, die àchter hun koppen, hun waar, bleef hangen als ’n bevende nevel, laat zonnevuur waaruit ontzag’lijk, reuzige menschen groeiden. Eindelijk, hun lijven en karren, dromden buiten de lichtbaan, die zich achter hun koppen weer sloot als ’n wolkerig wonder van goud-roode glansen.… Al lager sloeg ’t zonnevuur de haven in tooverroes van kleur-vlammige schijnsels, als gebroken licht-vitrails, in scherven en brokken rondgestrooid over keien, sintelgrond, karren en vruchten, hout en steen; vlammige brandingen van ’n Juli-avond, waarin ’t marktgedruisch ziedde, kookte, in helle-sfeer van broeiing.—
De booten stonden al hooger opgestapeld, achter en òm de donkere pijpen en koelkast, bòven machinekamer. Gedraaf, hijgend òp en af de plankieren daverde en krioelde langs den wal. Te zinken dreigden de schepen van overvolle angstig-dicht opgepakte vracht. Burchten van ruw hout, in al woester koloriet, waar de late zon op neerlekte lichtvlammen. ’t Hoogst, bòven de bakkleuren uit, roest-rood, brons, groen, hel-blauw, goud-geel, bleven de aardbeien gloeien in hun ijl-zang van hel inkarnaat, purperend zonnegoud òpzuigend; de bakken volgedaverd van lichtende vruchtjes.—Daartusschen pyramidaalden bergen doppers, selderie, sla, postelein, wortelen, tuinboonen, bergen groen en oranje.—De bloemkoolen schaars aangevoerd van polder, stonken tegen de aardbei-zwoelte in,[100]en telkens, uit den kroeg-smokigen mist, doken kerels òp, doodaf, in zweetvet verglommen, den heeten asem van hun drank in sjacher verhijgend over hun vruchten.
Midden in het oorsuizend donder-dof gesmak van bakken, in jagender tempo, stond plots ’n Jood, moorsch-zwart, op ’n kruk, voor ’n hoog standaard-tafeltje, waarop wat vuile tangen met kromme snavels, dooréén lagen; grimmig roodroestig gereedschap als martelwerktuigen van middeleeuwschen kerker.—
Midden tusschen ’t gekrioel en den furiënden aanstroom van lossing en lading, was de Jood tweemaal tusschen karren en boot doorgedrongen, maar weer teruggesmakt van z’n standplaats. Eindelijk had ie z’n tafeltje bij ’n wat uitgedaverd walhoekje vastgemoerd, was ie spraakloos in de giftige woeling rondom, blijven staan. Vòòr ’m dromden handkarren, volgestort met felgele komkommers, goud-glanzend, bij punten gepolijst, en telkens daverden kerels met groentebakken voorbij, die licht rondsloegen tusschen ’t overal wolkende aardbeirood.
Moorsch-zwarte Jood, met vonk-donkere oogen, stond hoog en rustig eindelijk op z’n smalle kruk, boven z’n tafeltje uit. Onder z’n tasch, tusschen de tangen, greep ie naar ’n trompet, tamboer-gebarig voor z’n mond drukkend. Valsch geschal toeterde en stootte ie uit, ééntonig als bazuindreun op grooten verzoendag in synagogen, kreten van vermoeienis en uitputting verjammerend.—Telkens bonkten, in ruwen daver kisten en manden tegen z’n kruk op, dat ie waggelde, zich vastgreep aan z’n vastgesnoerd tafeltje. Maar onvermoeid, toeterde ie door, energisch fel klankgescheur, dat de karhonden rondom nog ellendiger uitraasden, grienden en blaften, en telkens stortte ie ’n heet stjing! stjing! van bekkenslag er tusschen in.—
Achter den Jood, op z’n kruk, koepelde ’t geweldig polderluchtruim, doorgloeid van glansen, waartegen donkerhoog z’n gestalte oproer herautte, in ’t rondomme gebarrikadeer van manden, kisten en karren. Donker vonkten z’n oogen, en strak, taai-energisch, bleef ie toeteren en heete tjings van bekkenslagen[101]afpauken in ’t geraas. Hem voorbij, in nijdige onverschilligheid, donderde ’t gewoel en gedraaf, gebroei en geschroei der zweetzwoegende kerels. Geweldige lasten voortzwoegende paarden zwenkten schurend langs z’n hoog standaardtafeltje. Ezeltjes huilbalkten achter z’n rug, en in loomen luister naar z’n getoeter en getjing-sjing stonden paardkoppen rondom, vlak tusschen het tuinders-gewoel, met heftigen tril van hun oortjes.—Wèg bleef ’t luistervolk, nog gebukt in sjouw, en sterker toeterden en dreunden de moorjood trompetscheuren, heet als schuimflitsen van golflicht, hooggoud en brandend rood, òver ’t woeste hurrie-rondkolkend marktgetier.—Eindelijk wat jongens en kerels, gedaan met sjouw, bleven hangerig en landerig staan voor z’n tafel, lacherig of in stompen staar bot òpkijkend naar den trompettenden Jood.—Grinnekend scholden ze ’m uit, krijschte een roomsch-nijdige kop, fel-spottend en dik-tongig.
—Enne.… ààpramm.… gewòn Isaak!… enne Issaakh!.. gewon Sjàkop enne.… Sjàkop ’r.. gewon.. heè! rot-smaus, appie!.… d’ur is d’r ’n goàtje in je trepetter!—
Maar Jood bleef star-kalm in z’n donkere figuring op de kruk, z’n vonk-zwarte oogen, hevig suggereerend in z’n hoofd. Stil had ie op z’n tafeltje de trompet en tsjing neergelegd, groote toortsen papier gerold en in brand gestoken, dat ze rookvlamden in z’n handen. Zachte kringen van vlammenlicht, zwierden hoog om z’n zwart hoofd, donkerend tegen den laag-stralenden zonschijn in. Walm-rook dampte blauwige mist rond z’n hoog-staand lijf, dat reuzigde tegen de polderlucht. Telkens als toortsen bijna uitgebrand waren, rolde ie met linkerhand nieuwe, zwaaide ze in kringen, dan één, dan twee, geheimzinnig om z’n gelaat; stak weer andere áán, wierp wèg de uitgebrande.—Nu en dan bazuinde ie tusschen het smokige, roetige gloed-rood gewalm, in den mist van z’n mysterieuze goochelsfeer trompetklanken uit, dat angstiger, burlesker, z’n omdampt-moorsche kop scheen te zwellen tegen ’t hemel-rood in.—
De jongens schaterden om mallen Jood, maar kerels nu bleven[102]lijzerig staan kijken, bot, den mond van loome verbazing opengegaapt.—
Dirk was uit de kroeg, op ’t walmgerook toegesprongen in den kring, verbluft òpstarend naar den kwakzalver, als zag ie ’n wonder uit den hemel tusschen ’t havengewoel neergestort.
Onder de kastanjelaan woelde marktgescharrel, ’t drukst nu, rond de kleine tentjes en groenteuitstallingen.—De groote huisramen gloeiden rood in ’t zonnezinken, vreemd flonkerend, fel in gouden mist, onder den zwoel-duisteren bladerenschemer uit, rooden gloed, die diep, dièp, ’t marktkrioelen in bloedende gamma’s òverleefde, àchter de trillende boomschaduwen. In den geheimvol verwaasden ruitenbrand, mysterische vensterstaar, onder ’t scheemrige perspectief van havenlaan, stak zonnezink telkens andere ruiten ààn, die vlamden in lichter en donkerder gloei, tusschen het lommerig duistergroen dóór. Daar onder, en vòòr, joeg wilder gedrang en gedraaf òp en neer van kerels en vrouwen, in gekrijsch, geslikkerbik en ruwen klinkklank, òm de poonen- en stinkende scharstalletjes. Meisjesgegil joolde, tuinders lolden, dronken, in woesten stoei. En dwars door den brandgloed van ruiten, titaanden ze òp, naar ’t vlammegekring en getoeter van den Jood, met z’n makaber trompetgekrijsch en rossig-rookige toortskringen. Onder ’n oppropping van goud-gele, bronzen en bruine tentwagens, vóór kroegen en huizen uitgespannen, wiel- en rug-beflitst, holde ’t landvolk naar den trompetter, in gejaagder tempo.—Nieuwsgierig, verhit en afgebeuld, trok ènger en meer rijend achter elkaar, ’n kijkkring om den Jood. Telkens kwam karrendrom dwars door achterste loerders heendringen, in gesnauw, gevloek, geraas, verbrokkelend den stoet, maar aldoor vulden de gaten, propte zich voller de kijkkring.—Jood had goed rondgekeken, sluwigjes zich neergezet op plek waar de booten ’t hoogstmurend al volgestapeld stonden, de sjouw aan ’t afloopen was. ’n Tuinder had ’m gezeid dat ie doodgegooid zou worden met bakken en manden, als ie eerder begon. En stil, taai-rustig had ie gewacht, rondloerend met den heeten gitglans van z’n oogen, berekenend wanneer ie z’n slag moest slaan.[103]Grooter werd koppengedrang om ’m heen, en telkens nog scheurde ie trompetgalmen de lucht in, tusschen het marktgewoel, dat soms plots woester langs ’m raasde en tierde; ontstak ie rustiger, z’n groote grauw-papieren toortsen, vlam-kringen boven z’n hoofd zwierend, als derwisch in godsdienstextaze, vreemd-woest in z’n moorsche, dreigend-suggestieve donkerheid. Nu en dan galmde ie wat woorden uit, die wègkreunden in ’t helle-geraas. In aandacht gespannen, verkuchten de kerels papierstank, brandlucht en rook; stonden ze op elkaar gewurmd en verdeukt van lijf, als menschenpròp vastgeslibd, saâmgeklonterd in de woelende aderen van dóórstroomend marktlawaai.
Eindelijk had Jood genoeg van z’n toortsen en toetering, lei ie z’n trompet neer, verschoof ie z’n papier, rammelend tusschen z’n trektangen en groote zwart-verlakte tasch. Stil-donker stond z’n lijf, hóóg op de kruk tegen ’t late zonlicht in, rug-beglansd, en schouers èven geveegd van goud-rooden glans.—Stil-donker, verduisterde z’n gezicht al meer. Z’n zwàrte flambard, breed model, dofte op z’n zwàrten kop, even boven z’n zwàrt-moorsche brauwen, als met kool-stift in z’n rimpel-hard voorhoofd geëtst. En z’n oogen, diep vergroefd in zwarte wallen, gloeiden vonkig, fosforig tegen ’t licht, als van ’n hond. Z’n snor, zwàrt en breed uitgekruld, en z’n baard, koolzwàrt, verdonkerd, vrat weg z’n smal geel-bleek gezicht, dat alléén oog en háár leek.
Sultan-achtig, èven ingebogen met rug en schouers, verdraaide ie hoofdsche gebaren, gratieus overdreven, met potsierlijk eigen-waarde-gevoel van hoffelijk markt-kunstenaar. Zwaar kuchte ie, èven beleefdelijk hand voor den mond, zette eindelijk in.
—Als hèt.… hooggewaardèèrdèn.… pùbliek.… eens èènèn.… oogènblik.… nààr mij.… luistèrèn wil.… zou ik mij.… bèkend willèn.… makèn.…—
Elk woord stootte ie uit, in breede sperring van den mond, optrekking van wang en lip, dat z’n prachttanden, hagelwit, òpblankten tusschen z’n donkeren snorbaard. Door vreemd-trillenden òphaal van z’n mond onder ’t spreken, leek ’t of ie[104]bij elk woord dat ie uitstootte, duivelsch grinnikte, in samenfrons van roet-zwarte brauwen, boven satanisch-gele groeven van z’n voorkop.—Z’n stem klonk schor-vermoeid, als van iemand die walgt van eigen praat. Smart lag er in, schorre, angstige, stil weenende misère. Soms onder ’t stoot-fel spreken, verdofte de vonk uit z’n oogen, stààrde ie over de luister-koppen, kwam er lusteloosheid in het donkere rumoer van z’n anders felle kijkers. En dóór bleef iets weenen in z’n schorre, àffe stem. Geen van de drieste, in zweet afgebeulde werkers, in de havenhitte, broeiig opééngepropt als groote verbaasde kinderen, loerend, loerend,—die iets merkte van Jood’s vermoeienis. Z’n handgebaren gingen mee, moè, afgetobd, met z’n stem, elk woord afhakkend, om duidelijk te zijn, verstaan te worden, vreemd-zangerigen, verkeerden klemtoon-druk op èlk woord neerdreunend.—
Boertjes, tuinders en meiden stonden te dringen, te zweeten, te blazen in de hitte, maar al meer landvolk propte zich dichter, vaster om z’n tafeltje, gevangen door z’n schijn-gratie, z’n zeg-vuur en opgewektheid.
Van alle kanten begluurden ze den Jood, klaar om ’m te steenigen als ie hen bedroog. ’n Paar jochies zwierden òver koppenkring heen, palraak, hem vuile groentenstronken in ’t gezicht, en kinders gilden plots, boven ’t marktgeroes uit: smaus! dief!.… rotte joòd!
Even keek ie naar de kereltjes, gooide de koolstronken, die smoezelig op z’n tafel neervlerkten, achter z’n kruk, lachte stil, ironisch-droevig.—
Plots lichtte ie z’n grooten donkeren hoed, beleefd van zwartkrulligen kop, groette in tooneelbreed gebaar, schreeuwde uit, woord-afstootend in zangrigen dreun vervolgend.
—Hooggè.… wààrdeerd pùbliek.. Ik heb.… den bijzonderèn èèren mij-zelffers ààn Uw.… voor tè stellèn.… Ik ben.… tandhéélkundigèn … mijn naam is … Jaack Ròzel … woonàchtig.… sedèrt.… drie-en veertig jàren.… te Rottèrdam.… nùummééroo zès-en-zèstig.… alwàar ik.… prakkiseer.… sedert veertig.… jarèn.—Ik ben.… dèn zoon[105]van dèn.… èx-èx-professor.… te Montabilie, gènaamd.… Jaack Ròzel, seni-or.… waarvàn ik.… den eer heb.… den èchten, den eenigèn afstammèlingg.… tè-zijn.… Ik represènteer.. zijnen.… nagedàchtenis.… en verkondig den volken.. zijn sàluut!
Even rustte z’n stem, doodop, als stervend in z’n schorre keel. Rond z’n luisterkring lawaaide herriestroom van karren, kisten, kerels, gierden honden.—’n Paar boeren met goudrooiige kaasjes op grooten wagen, duwden tegen den kring in, schreeuwend en roepend, òp van inspannenden sjouw. Gevloek en getier sloeg terug, over kerels en meiden heen, opzij gedrongen uit kijkkring. Duw-kerels raasden en spogen naar den Jood, die deed alsof ie niet hoorde. Even zacht, sloot ie de oogen, mijmerend in zichzelf. Plots sperde z’n mond weer, ging uitgekrulde zwarte knevel in lippendans heen en weer, op den burlesken donkeren kop; stootten z’n woorden weer in zangdreun, met den angstig-schorren klank-moeën stemmebeef:
—Mijn bèroep, geàcht pùbliek is te zijn tandheelkùndigèn.. Ik.… genees.… àllen tant-, àllen mond-, àllen kies-, àllen keel-, àllen verhemelten-, àllen reumatièken pijnen.… Ik.. gènees àllen zinkes.… àllen koòrtsèn, àllen aandoèningèn.… en … stòringèn.… gèlijk gij dat.… ondèrvindt.… van profèssèuren.… gèlijk gij mààr.… wilt.… luistèrèn!—
Plots daalde z’n stem tot zacht-vibreerend gespreek, doordringend, duidelijk te verstaan toch, in den doodstillen kring, waarachter de markt raasde, tierde, smakte en donderde, àl verder, met heet geluid van duizenden mokerslagen op aambeeldstaal.—
—Noemt mìj.… éénen.… leugènààr.… noemt mìj.… éénen.… bedrièger.… éénen galèiboef.… indien ik.… ù niet … den geëèrden argumènten … toon … Maaààrrrr!!.… stootte in één, ùit de zacht-vibreerende spreektoon z’n stem plots hevig òp,—àllen profèssèuren.… àllen doktòren.… àllen tandheelkundigen, àllen verlòs-, àllen heèl-, àllen gèneeskundigen.… kènnen.… Jaack Ròzel, Jaack Ròzel, den éénigen.… en èchten.… afstammèlingg vàn.… Profèsseur.…[106]Jaack Ròzel.… Senì-or.… zijnèn vàder.. te Montabilie.… begràven.… mèt mùziek.… en militairen eèren.. Allen kennèn.… Jaack Ròzel.… Juni-or!.… wien ik.… dèn eèren heb.… hièr tè zijn.… Voor wièn ik.… Hedèn.. mijn beproèvingen.… zal amploi-jèèren!.…
In kring van luisteraars en loenschige kijkers, bot en verbaasd òpstarend naar den kwakzalver, was groote stilte-spanning gezakt. En achter den aangroeienden menschprop, in kring vastzuigend een aan den ander, zwol het hondengeraas als hellegekerm; ratelden en hotsten de karren, rauwden in krijsch en hurrie kroeggangers en sjouwers. Vreemd in bleeker goud, stonden huisruiten achter boomlommer uitgebrànd. Er vòòr krioelden nog tentwagens, karren, paarden, ezeltjes, vrouwen en kinders, scharrelaars met kippenmanden en lichtbekleurde vogelenkooitjes. Aardbeizoet bleef zwoelen, overal rond. Telkens uit de kroegen doken koppen òp, onder ’t lommergroen uit,—waar ’t nu dampte van stanken en broeinevel—opdringend in woesten stoei naar den Jood.—
In strammen staar bleef kring om ’m heengepropt, loerig wachtend op z’n proeven, maar voortschorde, scherp, droog, z’n stem, gemarteld van moeheid.—
—Ik.… Jaack Ròzel, woonàchtig te Rottèrdam, gènees U.… van àllen pijnèn, àllen wervèl-, àllen gezichtspijnèn, van kràmpèn.… zoòwel àls van kolièkèn.… van klièrèen.… zoòwel.. als.. vàn verzwèeringèn.… van spierpijnèn, van pèèspijnèn, van likdoòrnpijnen.… van gezwelpijnen, zòòwel als van abscespijnèn.… En ziet toe!.. Hooggèwààrdeerd.. pùbliek.… zièt toe!.. Ik gènees allès met hèt.… kostbàren vocht vàn.… Valura.… in dezèn fleschjès.. saamgèperst.—
In groote omzichtigheid tastte ie met één hand in z’n tasch, haalde er flakons, in vloeipapier uit. Hoffelijk buigend weer voor z’n gehoor, ironietrek verborgen om z’n breeën donkeren mond, nam ie gratielijk z’n hoed af, stootte schor-rauw uit:
—Mijn gè-acht.. en hoog-gè.. waàrdeerd.… pùbliek.… met dit.… vocht.… van Valura.… geneès ik.… wondèren!.… Met dit vocht.… hebikreeds.. genèzen.… dèn[107]kòning van Itali-en.… dèn koningin van Spanje.… dèn oud-kroonprins van Groenland.… den princes van Montàbilie.… den èrfgraaf van Havana.… dèn rèsident van Djòkjo.. kàrta.… dèn dekens.. èn dèn.… bisschoppen van Ròmana.. Mèt dit.… duurzàmen.… vocht.… mijnèn.… geëerden hoordèrs.… verricht ik.… geneesingen.… dien gèèn.… doktèr.… gèèn tàndheelkùndigen, gèèn chirùrgein.… gèèn àrts.… gèèn profèsseur, gèèn spiritist,gèènhypnotiseur, gèèn fàkir, gèèn Bedouien, gèèn Arabier, gèèn Israelièt.… gèèn Christèn.… gèèn Moor, gèèn Zweed, gèèn Spanjool, gèèn Fransch-, gèèn Duitsch-, gèèn Engelschmàn mijn kunnèn.… na-verrichten!.… Maaààrrrr!.… mijnèn vrienden.… Eenigèn.… druppèls, van dit.… duurzàmen vòcht.… in dèn mond.… eenigen roersèlen in dèn gehemèlten gehoudèn.… daarnà hèt vocht.… uitgespògen.… dèn mond.… nagèspoeld met koud water.… èn wèg.… èènsklaps zijn àllen pijnen, àllen koortsen, àllen zinkèns.… Maaààrrrr! aanstonds mijnen heèren!.. en mijnèn damès.… aanstònds.. zàl ik.. onder.. uwèn.… geëerden.… aanwezigheid.… dien er.… mààr wil.… den proef laten nèmen.… Ik bèn.… Jaack Ròzel.… Juni-or.… woonàchtig te Rottèr-dam.… Reeds sedert.… veertig jàren.… trek ik.. zònder pijnèn.. en zonder geldèn!.… graties!.… voor-niets-niemèndal!.… Alleen vòòr dit.… flèschje.… betaalt gij.…—Dat-wil-zeggen.… Ik ben.… hier niet.… gekomèn.… om wat.… te verdiènen.… maar.. òm dèn.. menschèn.. te bewijzen.… een weldààd.… Maarrr!!.… al zoudt.. gij mij.… vijfèn.… twintig guldèn.… willen gevèn.… ik zou dezèn.… niet akcepteeren.… Ik bèn hier.… òm ù.… van dienst tè zijn.. Alleenig daarom!—Dit vocht.… van Valura.… spéciaal.. bèreid van gè.. heime sappèn.… òntdekt.… ten tijdèn.… vàn het.… middernachtelijk uur.… door mijnèn.… vader.. profèsseur te Montabilie.… door zijnèn.… handèn.… den handèn.… van Jaack Ròzel.… Seni-or.… dit vocht.… met zijn.…. geheimen sàppen.… kùnt gij.… krijgèn.… Maaààrrrr! nièt voor.. dèn prijs.… van vijf-en.… twintig..[108]gulden.… Voorgèèntwintig.… gèèn vijftien.… gèèn tien.. gèèn negèn.… gèèn acht.… gèèn zevèn, gèèn zes.… gèèn vijf.… gèèn vier.… gèèn drie.… gèèn twee.… gèèn één gulden.… Maaààrrrr! dit vocht.… waarmeè ik.… genees.. àllen zinkèns.… àllen koòrtsen.… àllen keèl, àllen tant.. àllen maàg, àllen ingèwandspijnen, dit vocht.… kost slèchts.. dèn prijs vàn.… vijf-èn-twintigcenten.… En al.… woudt gij.… mij nu gèven.… na te hebben.… gèzien.… den wondèren van mijn wèrken.… op hèt lijf en den ledèn.… den pezèn en den spierèn van iederèn persoonaadjen.… al woudt gìj.… mij betalèn den blootèn sommà van vijf-èn-twintig.. guldèn.…ikzou.… hèt.… niet.… aanvaardèn.… omdat ik.… een weldààd.… voor den armen bèdoel.…—
Even hijgde ie uit. Ronddaverend geratel was achter z’n kring heengedonderd, dat ie sterker z’n stem moest uitzetten.—Z’n gezicht glom van zweet, stond grauw van vermoeienis. Toch probeerde ie door te spreken met cier, hoogdravend in zinwending, langzaam, als uitrustend bij elk woord, overdreven in hoflijke geaffekteerdheid, alle woorden afstootend met zware „’n”. Weer had ie deftig z’n hoed van ’t hoofd gelicht, sprak ie ’t landvolk toe, meiden gapend van verbazing, kerels loenschend en heet op proeven.—Hier en daar, midden in en vooraan in den kring, stonden jongens en kerels met hand aan den mond gedrukt, zacht-kermend van pijn, gloeiend in hoop nu, van hun smart verlost te worden. Er begon wat bangelijk geloof en verschrikte suggestie in den menschklont rond te gaan. Dat voelde de Jood, zacht-triomfeerend met ingehouen ironielach.
Zon, al lager, verfde gouïge glanzen nu op de luisterkoppen, en tèlkens drong nauwer òp de groep, om tandentrekker.—
Zachte, plechtige verschuivingen van lijven en gezichten, armen en rompen, wurmden paffend in den kring, waar tusschen snikhitte dampte. Gezichten stramden strak, van vrouwen en kerels, nek-achterover, in òpstaar naar den al sterker suggereerenden Jood, in luisterspanning; koppen staarden, van jongens en kinders, waarop ’t late licht wondere schijnsels weefde in legendarischen gloed.[109]
Karren ratelbonkten nu al verder van den kwakzalver af, die al breeder omsloten stond in kring, en sterker stootten z’n woorden òp, schorde z’n moe geluid, afgetobd en bevend:
—Maaààrrrr! nu.. Hoogè-eerd.. pùbliek.… Is er.… een-ònder u.… die soùffreert.… aan pijnèn.… ’t zij zinkens, ’t zij koòrtsen, ’t zij rheumà-tiek in dèn mond.… het strottenhoofd.… hij komèn.… tot mij.… opdat.… ik hèm.… òp slag gènees.… onmiddèlijk.… Ik ben.… Jaack Ròzel.. Juni-or.… heeren en dames!.… zoon vàn.… profèsseur.. Ròzel.… Seni-or.… woonàchtig tè.… Montàbilie.… Maaààrrrr!.. ieder.. dien nù.… lijdendèn is ààn pijnèn.… ’t zij oòrpijn, ’t zij.. wàng- ’t zij keèlpijn.… hij komèn.… tot mij!.… Mijnèn.… vriendèn.… en ik.… zal hèm.… dadèlijk.… genè-zen.… zonder smàrten.… met dit.… geheimen.… wondèr vocht.… van Valura!.… Laàt u.… hèden.. niet terughoùden, door.… àngsten of.… valschèn.. schaamtèn’s.… Want ìk trek.… zònder pijnèn.… en zònder àngsten.…
Twee opgeschoten slungels en ’n knecht-tuinder wrongen zich uit den knellenden prop los, gingen bleuerig en gemaakt-lacherig voor de tafel staan. Een blondharige jongen had onder elken arm ’n dik kaasje gekneld.—Uit z’n jekkerzakken bochelden goud-glanzende punten van komkommers. Met suggestieve kracht keek de Jood van z’n kruk op hen neer, door-oreerend toch tot publiek, zonder de patiënten iets te zeggen, manouvreerend den kring rond met z’n fleschjes. En donkerder figuurde z’n mager lang lijf tegen het late luchtruim, hoog-eenzaam op z’n kruk, in de afzakkende havenherrie, in den zwoeg van karren naar booten.
—Hei Jansse, hai hep ’t op sain ruijker!.… t’met stol ie.. je koàsies.… kaik de fint se klietere onder sain oàrreme!.. schreeuwde Dirk, telkens aan z’n wang voelend of ie ook t’met geen kiespijn voelde. Dan kon ’t nou toch beure feur niks.—Maar de Jood zangdreunde voort.
—Nièmand.. mijnèn vriendèn.… behoeft dit.. te koopèn.. àls hij.… niet dèn.. proevèn.… heeft gèzien.… gelukkèn..[110]Komt ééns hier.… gij vriend.. ja!.. lèg u.. kaasjès.. mààr neder!
—Komp nou op de koffie hee?.… die bi’-je t’met kwait, schreeuwde één heesch, uit de menschenprop.
—Leg.. uw.… kaasjès.… maar hier.… nèder!.. mijn vriend.… Hun zal.. gèèn leed u geschiedèn.… Neen! kom niet.… àllen drie!.… tegèlijk.. Gij àlleen.. ja.. laat ùw kazèn.. mààr los!.. weès niet.. zoo bèvreesd.… Gij.… àlzoo!.. juist.. hier!.. maar.. op dèn straat.. jongèn vriend.
Wat schèèlt u?… en waar mààkt gij.… u bezòrgd ovèr? Zeg hèt mij gerust.
—Nou?.… joa kaik.… doàr.… achteràn.… in main bek hee?.… aarzelde bleekig van angst en verlegenheid de slungel, die bangelijk z’n kazen op de straat had gezet, er telkens naar glunderend, of iemand in den kring ze ook vergoochelde.
—Hoe is ùw.. naam.… jòngèn.. vriend?.. èn waar.. woònt gij?.…
Van z’n stoelhoogte had tandentrekker zich voorover gebukt naar den beschroomden slungel, die met open mond, wijd gesperd, wat terug stamelde op z’n vragen, terwijl de Jood, ingezakt, beenen gekromd, ’n vies tangetje tegen de rottig-groene tanden van den jongen aantikkerde.
—Hier zit hij.. niet waar vriènd?.. juist.. dèzen.. juist dèzen.… dien doet u.. pijn? niet jongèling?.…
Harder tikte ie tegen ’n bovenkies áán, en de jongen, beverig van pijn en benauwing, met z’n kop in den nek gedrukt, z’n schonkige schouders van angstigheid hoog-scheef opgetrokken, oogen duizelig hemelruim instarend, schokkerde, kwijlde op Jood’s hand, stotterde wat woorden, achter gerommel van vuilroestige tangetje, dat z’n mond inwoelde.—
—Hier hèbt gij.… pijn nièt?.…
—Nou.… nou.… auw!.… ik f’rek puur fé’ pain!.…
—Zekèr.. vriend!.. stil moàr! Houd ùw hoofd.. wat hoogèr!.…
De twee andere patiënten, bleven gejaagd kijken, van den[111]jood naar den slungel. Spannende angststilte hijgde door heel de menschenprop.
—Geef dit, tangètje ééns aan, gij vriend!
—Hoekke motte ’t weuse?.… stamelde de gevraagde verlegen.
—Dutte! dutte!—krijschte ’n andere er zenuwachtig schreeuwerig doorheen. Maar de Jood had zich, ongeduldig, zelf teruggebukt achter de tasch, z’n halven vuist in den gaapmond van den slungel stekend. Handig, uit z’n vuile rommel greep ie ’n kort-dikke tang, met roestige snavelkromming.—
—Kaik.. dat is weer ’n aêre!.. schreeuwde bang één uit den kring.
—Wá’ he’k main slinger!.… dá’ kost ’m sain heule stal!.. lolde zenuwachtig ’n ander.…
—F’rskeur nou je pampiere moar.. Joap Jansse!.. gilde ’n meid.
—Kom bai màin op de koffie Joàp!.…
Maar Jood bleef kalm, hield z’n tang op de tong van z’n patient gedrukt, keerde zich deftig naar het publiek, dopte weer hoofsch, met sierlijk groetgebaar, liet den slungel gapend, den kop diep den nek ingekrampt en sprak:
—Hooggè-waàrdeerd pùbliek.… gèachten.… vriendèn.. Ziet toè! gètroost uwèn.… geëerden oogèn.… den kòst.… te gevèn.… ziet toè … hoe mijn … vocht vàn … Valura.… wondèren.… uitrichten.… zal.… Dezen jongen vriend.… ùwen vriend, heeft.. hevigèn kièspijn.… koortsèn.… en zinkès.… van wegèn.… den verròtting.… èèns kies.… nièt waàr vriend? Gij lijdt.… gij hebt.… duldeloòzèn.. smarten.… in dèn ochtend.… wanneer gij.. u ten rùsten bègeeft, òp ùwen.. legerstedèn.…
—Nou furt dan.… furt!.. furt!!.. ik f’rek fè pain.… stamelde woedend de slungel, ’t hoofd nog achterover gebukt, klein gesuggereerd in houding, roerloos, als zou ’m de Jood, bij kleinste beweging, begoochelen. Maar kalm weer, boorde blik van den kwakzalver op z’n angst-slachtoffer neer, en dòòr stootten z’n afgebroken woorden:[112]
—Gij hoort hèt.… gèacht pùbliek.… ùw vriend lijdt.. pijnèn … smàrtèn … zièt toe … hoe ik … dezen.. jonggèling.. éénigen.… dròppels.… van dìt.… gèheimèn.… vocht toèdien.… zièdaar!.. mijn jeugdigèn vriend! neemt èèns, een slòkje en spoelt u, op dèn plek.. ùws pijns.… Maar houdt hèt.… geheimèn sap over.. uwen gànschen.. tong vèrspreid. Zoò juist! En nu.… ter exploiteering der kràchten.… vàn mijn … geheimen Valurasavochten … blijkt dit … koelen vocht saamgèsteld.… uit bestanddeèlen van wònderen.… dien ik niet.. zeggèn mag!.… Maaààrrrr! waarmeden.… ik allen.. pijnen.… gènees.. bij koningen en princen.… gravèn.. en baronnen.… tot bij den vòlken.… van dèn.. laagsten ràng..
Ik zeg nù.… tòt u.… gij jòngen vriend! neemt dit.… koelen vòcht van Valura.. en laat hèt één oogènblik liggèn.. in den hoèken uws gebeentens, op dèn plek.. ùws pijns.. en gij zult nièts meer.… voelen. Dèn pijn.. zàl zijn.. verdwènen.… en nooit wèder.. kèèrèn.… Alzóó.… spuw nù uit.. mijn jeugdìgèn.… vriend.… het speeksel.. ùws monds.… Schaamt ù niet.… voor ùws.. gelijkèn.. èn uwèn mindèren.. Zòò juist.… Drink nù eens.… één slok.… vàn dit.… ijskoud heràldisch wàter.… dat is heraldischen spijzèn.… vàn oòrsprong. Egyptisch.… zòò juist!.… spoel daarmèden uit.… den ònreinhèden.… uws lichaams.… spoelt dàt.… àlles, dat meèleed aan uwen.… spieren.… en pezen.… gewrichten.… en gebeènten.… laat uwèn … mond verkoelen.… èn wèg.… wèg.… èènsklaps.… zijn àllen pijnèn!Spreektvriend.…spreekt.… hoe.… voelt gij.… u? Waar is ùw.… pijn?… Waar?… zoo éénsklaps verdwènèn?.… Sprèèk!.… sprèèk!.…
Slungel, met uitgespoelden, smakkenden mond, stond beteuterd, keek sip rond, als zocht ie naar de pijn, verbluft … Angstig ’t eerst, greep ie naar de kaasjes op de straat, voelde in z’n zak naar z’n komkommers.
—Welnu.… jeugdigèn vriend.. sprèèkt—bid ìk u.… spreekt tòt u.… gèlijken.… tòt uw naasten.… vriendèn en maagdèn.… en zèg hèn.. dat Jaack Ròzel Juni-òr.. woonachtig..[113]te Rottèrdam.. Wagestraat zes en zestìg.… uw eensklàps.. heeft genezèn.… van àllen pijnen.… àllen smarten.… àllen zinkens.… àllen rheumatismen.… waarmedèn.… uw aangèzicht.… bezwangèrd wàs.… Spréékt!… Hebt gij pijn? nù nog?
—Nou f’vloekt.… nou hè’k puur main droai … dut is d’r tùg ’n meroàkel!.. ikke voel puur niks meer.. niks!..
Verbaasd drukte ie z’n hand op z’n kies, om te voelen of ie ’r nog zat. Triomf vonkte er in oogendonker van zwarten Jood. Deftig z’n hoed lichtend van den kop, met ciergebaar, vèr groetend en buigend lichtelijk voor den kring, krijschte plots z’n stem, heftig:
—Maaààrrrr!!.… nu zièt gij.… dat hèt wònder.. heeft plaats.. gègrepén.… Dezèn jeugdigèn vriend.… door mij àànschouwt.… begeeft zich tòt mij.… zoekend.… naar genèzing.… van dèn martelingèn.… des kiespijns.… Hij komt tòt mij.… uw allèr vriend.… met dèn hand.. aan dèn mond.. een gèzicht.… vertròkken vàn smart.. En ik.. naar gij zaagt.… geeft hèm.… eenìgen druppèllèn.… van mijn vocht … En éénen.… minuut.… staat hij hier.… hij drinkt vàn dit.… ijskoud heraldisch wàter.… en spoelt zich.… ònder … mijn toezicht.… En eensklaps … weg … is àllen … pijnen.… àllen koortsen.… Onthoudt nù.… geëerden menschen.… dàt hij èènen.… mìnuut.… voor hij.… hier kwaamt.… voòr mijnèn tafel.… nog hinkten.… nog jammerden en weènden.… van smàrten.…
En spreekt nù.… weer jonggèlingg!… En zeg.… niets.. dàn dèn.. waàrheid.… àlleen en uitsluitend den wààrheid!..
Moor-Jood keek doordringend den slungel aan, die maar knikte van ja, ja, verlegen, sip, met z’n kaasjes weer stevig onder de armen gekneld. Uit z’n twee logge jekkerzakken, onder z’n ellebogen, drongen hooger z’n geel-glanzende komkommerpunten. Komisch verbluft, draaide ie om de kruk rond, staarde ie òp naar den Jood, knikte en stamelde tegen de menschen, dat ie heelemaal niks meer voelde..
—Debies, dutte is d’r puur ’n meroakel, riep Dirk Hassel[114]extatisch, spijtig dat ie geen pijn had, om ook ereis te probeeren of ’t echt was.
—Nou.. die hep ’r ook ’n knikker, wees een, met ontzaggebaar naar ’t hoofd van den Jood.
—Aa’s ’t gain mesièk is!.…
—Mesiek! mesiek! onderbrak een giftig.… en je sien ’t puur veur je aige lampies.… die vent hep rekloàme neùdig!.. mô joù hebbe.
—Tu tu tu.… sou d’r rais kaike.… mi’ de aêre hee!..
Verblufte aanhangers had Jood al en woest werd ongeloovige twijfelaar naar achter geduwd, met voettrappen en elleboog-stooten. Er ging gestommel en geschreeuw; kerels en meiden bliezen van de hitte.. krijschten ruig en paf-moe: daa’s puur ’n stookie hier!.… wa’ hitte!.… Maar Jood lachte stil, deftig doorgebarend, hoed in de hand. Verbluft verstierven de stemmen uit den kring, rumoerloos in luister.—Al dichter kringde menschenprop om kwakzalver heen en verder af daverde ’t kargebonk, gehots en geratel, om z’n kruk.—
—En nu gij.. mijn vriend.. wat dèèrt u?..
’n Woeste kerel, ruw uit verlegenheid strompelde vóór, met z’n pet in de hand, zweetharen over voorhoofd plat-verkruld, nattig glanzend. Wijd sperde ie z’n mond open, spoog ’n pruim voor de kruk, in klownig gebaar, dat ze schaterden in den kring. Z’n lippen, nog bruinend van pruimsap, smeerde ie woest af met handrug. Wild z’n hoofd achteruit, strammend den nek in, gaapte ie als ’n nijlpaard, zonder ’n woord te zeggen, z’n handen mèt pet, nù in z’n broekzakken saâm-gevuist.—
Jood keek, streng, donker, met één hand nog lager achterhoofd van kerel den nek indrukkend.
—Hoe heet gij.. vriend? wat dèèrt u?.. waar woònt gij?
—Da’ flop niks!.. waa’k hiet hee?.. aa’s jai main d’r moàr vèn furt holp, hee?.… barstte de vent woest-lachend uit, main heule bek is t’met rot.… de heule femielje sit dur in te kniese hee? en nou ke’k dur nie eens main flees an toàfel vèn baite.… hee?..
Schatergelach uit den kring barstte los om den brutalen[115]schooier, van wien ieder wist dat ie noòit vleesch zag.—Kerel, aangestooten door ’t lachen, lolde zenuwachtig-schel door, om zich van z’n eigen verlegenheid en benauwing af te helpen. Door de menschenprop joeg weer drift. Nauwer drongen kerels en meiden naar ’t tafeltje òp.—Brallend gekrijsch uit den troep gierde uit:
—La’ jai je nie naime Piet!.… aa’s t’r pain is mo je.… f’rdomd,.… mo’ je ’t uitskraife.… aa’s ’n kerel!
—Nou.… da’ kaa’n je op toetere!.… riep ie driftig, op en neer wippend z’n kaken, terwijl tandentrekker telkens een tangsnavel z’n mond induwde, scherp loerend den beweeglijken donkeren gaapmond in.
—Ja vriend.… indièn gij.… ù niet rustig houdèn kùnt, gedurèndèn een kortèn poosèn zal ìk u.… moetèn opgèvèn.
—Nou seg … hep gain loàrie … ik stoan t’met aa’s ’n poal! furt! furt nou.… debies!.…
Wijder sperde tuindersknecht z’n mond en strenger, in tanggerammel, keek kwakzalver er in. Sierlijker en geaffekteerder wellustte z’n schorre stem hoogdravend gepraat uit.—
—Ja vriènd.… in dit gèval, bij dèn staat ùws monds.. zal één kies.… verwijdèrd.… moetèn worden.—Wil èvèn.. uw geëerden nek achtèruit dringen,… Zòò.. juist zòò!.… Ik zal u.. trekkèn geheel zonder pijnèn.… zoòals.. Jaack Ròzel altijd trekt.… zondèr.… schokkèn.… zonder stòòten.… zonder smartèn.… zondèr soufrànsèn.…
Doodstil loerde de kijkkring op z’n handen. Achterstaanders rekten zich op teenen, om beter te kunnen zien. Kalm draaide de Jood van z’n verroest grimmig stelletje, beplast met water uit ’n glas, een grooter snaveltang los, rood van roest.—Even boog ie in, z’n lichaam, sperde met één hand den mond, drukte plots haastig, de tang in donker gaapgat vóór ’m, verplaatste andere hand in bliksemsnel beweeg, achter den nek van den kerel, die òpstaarde hemelwijdte in, met gespannen kop, woest-verwrongen, donker-harig.—In één draairuk trok Jood de kies er uit, terwijl de kerel nog z’n kop naar achter hield gekrampt, niet beseffend dat ie al geholpen was. Zonder den[116]patient tijd te gunnen tot spreken, zeide jood kort en suggereerend:
—En nu.… drink! dit ijskoud heràldisch watèr.… vèrmengd.… met vocht.… van Valura.… En wèg is.. àllen pijn.… èènsklàps! En nu.… spréékt ook gij vriend!.… Hèbt gij wat gèvoeld?.… bij hèt trekkèn? Sprèèk?.… zeg slechts.… den vollèn wààrheid!
Woest-harige kop, ook van dèzen patient stond gebluft naar den Jood op te staren. Niets, niets had ie gevoeld, geen sikkepit.
Toen ie dacht dat ’t nog beginnen moest, was ie al klaar.…
En nou stond de trekker daar voor ’m, met z’n eigen bebloede kies in de tang..
—Gô sa’ main kroàke!.… daa’s puur ’n meroakel.… viel ie uit, in kringetjes bloedspuwend rond z’n beenen.… f’rduufeld.… hai jai sàin doàr te pakke hee?… Heerekristis waa’n kanjer hee?.… dut is dur puur ’n meroakel!
—Spuug slèchts.. in dezèn bèkèr.… èn drink.. nog één slok … van Valura.… àlles gratiès.… Dit vocht.… dit ijskoud watèr.… het trekkèn!.… Houdt dit vocht.. éénen mìnuut in ùws mond.… op dén plek ùws pijns.… zonder.. te sprekèn.… zondèr.… ù te … bewègèn … laat koelen.… ùwes mond.… uws zenùwen.… uwen verhemèlten, uwèn spierèn, uwèn pezèn, uwén gebèèntèn.… en weg is uwèn smart.… weg uwèn lijdèn!.…
Twee minuten lang oreerde de kwakzalver weer door, al deftiger, hoogdravender, voelend z’n stijgender invloed op ’t bokkige, eerst scheldende publiek. De woeste kerel, stond onder ’m, met opgeblazen wangen, ’t vocht speelsch rond te spoelen in z’n mond, doodstil in één houding, bestaard, met ontzag, door heel den kijkkring.—
—Spuug nù uit, vriend, èn spreek!.… tot ùw maagden.. en makkèrs.… spreekt.. en zèg.. niets dàn den.. wààrheid.. Spréékt.. Drink nog éénen keer.. vàn dit.… ijskoùd wàter.. En zeg dàn.… of gij pijn hèbt … Zeg dèn … vollèn wààrheid aan uws gelijkèn.… aan uwèn meerdèren.… en mindèren.. spreekt.. hebt gij pijn?.…[117]
—Gain spier! f’rdomd.… of ’k mot ’t liege hee? Jeesekrim! meroakel.… daa’s òplucht!.…
—Hai jai gain spier pain Piet? schreeuwde een.—
—Gain spier!
—En hep ie je nie van mékoàr hoald?
—Saa’k f’rbrande.… aa’s ’k wâ voelt hep hee? snó’f’rjenne moat.… daa’s de weg noà de haimel hoor!.… Jemikremi!
Maar Jood bleef stil even van z’n hoogte loeren met z’n gitpupillen op Piet gestard, en toen juichend den kring rond, hoed in den hand, schorde en stootte z’n stem weer:
—Gij àllen.. ziet hèt.… hooggè.. eerd pùbliek.… Ik ben gèèn.… leugènaar.. ik ben gèèn.… bedrièger.… ik ben.… gèèn.… galeiboef.… gèèn Chamberlain.. gèèn Rhodes!.… Hier vòòr u.… staat dèn.. èchtèn den èenigèn.. afstammèling van Profèsseur.… Jaack Ròzel.… Seni-òr.. woònachtig te Montabilie.… in zijn leven.. en strevèn.… op het rotsgebergte van Zuid-Amerika, alwààr hij.… de Sioux’s de Panie-ews!.. de Irokeèzèn, gràties hielp.… gèlijk ik.… dat ù doe.… Hier staat hij dan, in dèn.. levendèn lijven.. Gij ziet hèt.. gij hoort.. hèt.. gij rùikt het.. gij vernèèmt het.. gij beproèft het.… Hij gèneest.… ùwen maagden.… uwen vrièndèn.… uwèn kindèrèn.… Hij is.. den èenigèn.. Jaack Ròzel òp den ganschen wèèreld.. die hier komt om u.. te bewijzèn.. een weldààd.. Hij is.. tèr naam en tèr faam.… bèkend en spèciaal bè-vriend met àllen doktorèn.. professeùren, met àllen genèès-, hèèl-, verloskundigèn des heelen ààrdkloot.… En hij rèist den wèreld door mèt hèt vocht.… van Valura.… en den.… profesòren àchter hèm áán! En hij trekt.… gansch zondèr pijnen.… Hebt gij niet.… gèzien.. dat ik.… hier stàànden.… voor drie màànden.… twee lammen, van wien ik den krukken.… over dèn.… knieën, stuk bràk.… ter aarden.… wièrp,.… hen bèstreek … met hèt vocht.… van Valura.… èn zij.. van mijn tafél, weer loopènden vertrokken,.… rècht op!.… slank en elègant.… gelijk chiraffen.… En hebt gij niet-gezien.… dàt ik.… ùw vriend.… hiernèvens … trok-zòndèr … dàt één … spier vàn[118]zijn.… gèlaat vèrtrok.… en dàt hij.. nu zelf.. bèweert en bèvestigt gèèn pijn te hebbèn.… gèvoeld? Zoo genees ik lammèn.… blinddèn.… doovèn.… rheumatieken.… met mijnèn wonderdruppels.. mijn vocht.. van Valura … Nu zal ik nog dezen.… vriend helpen.… en dan zal ik vertrekkèn.. uit hoofden en onherroepelijk.. zonder àànziens des persònen, na te hebben.… aangebodèn.. laatsten vòòrraad.…
Weer bedremmeld stond een derde kerel voor ’m, mond wijd open. Zacht beduidde hij den jongen, dat ie niet noodig had getrokken te worden. Ook hém liet ie spoelen met zijn Valura, en onderhands haalde ie flakons uit z’n tasch in vloeipapiertjes verpakt.—Weer aarzelde verbluffing rond, in den verhitten kijkprop van tuinderskerels en meiden, sjouwers en vrouwen, want weer stamelde de kerel, na twee minuten ’t vocht in z’n kies te hebben gezogen, dat ie geen pijn meer voelde.—Naar alle kanten werd ie getrokken en verbluft knikte, stamelde ie uit, nergens pijn meer te voelen.—
—Dat wondèr voor dén prijs.. van vijf èn twintig cènt!
Geen woord kon Moor-Jood meer uitbrengen van vermoeienis. Het zweet drupte als stijfselkorrels vettig op z’n donker hoofd. Van drie kanten uit den kring, drongen lijven òp, grijp-armen vooruit, hoog naar ’t tafeltje. Meer niet. Gezicht van den Moor-Jood betrok, zenuwachtig, spijtig, alsof ’r ’n huil draaide rond z’n mond. Maar toch beheerschte ie zich, sprak ie weer met afgetobder, heescher geluid.
Eindelijk, de geholpen kerels, waren weer den kring ingesjokkerd, schouerbonkend, getrokken en gesleurd, babbelden en schreeuwden ze met ondervragers mee. Wantrouwig landvolkje, beduusd en vergaapt, kwam in beweging. Weer had de Jood getoeterd, schel en hoornhoog den hemel in, spattend z’n klanken, schuimend tegen opsteigerend gewoel, en weer zwaaide ie z’n brandende toortsen tegen al donkerder luchtgoud. Er kwam beweging, woeling in den menschprop, uit elkaar brokkeling van broeierige kluiten. Telkens, slechts twee, drie tegelijk, drongen naar de kruk, met ’t kwartje klaar in de hoog gerekte hand. En drukker stalde ie z’n flakons uit, zalig-wachtend[119]op uitwerking van z’n wond’re woorden en proeven.—Sneller drongen de lijven en armen òp, dat ie nieuwe voorraad uit z’n tasch moest halen. Rapper z’n handen graaiden in den tasch-muil, z’n donkere kop lachte, tegen ’t licht in, burlesk, ironisch, onmerkbaar bijna.—Nu zòng z’n stem met klank van zalvende zekerheid:
—Een iedèr.. dièn lijdt.… ’t zij aan zinkèns.. ’t zij aan koortsèn.… ’t zij aan wondèn, blindheid.. doòfheid.. làmheid.… ik help hèm.… ook zondèr gèl-den.…
Trager trok kring om ’m los. Meer en méér handen grepen, naar z’n hooge tafel, dat ’n stapel kwartjes tusschen z’n tangen ophoopte.—
Z’n oogen git-glanzigden, lachten, vonkten.—Eindelijk stopte ie. Zwaar gedaver en laatst gewoel dromde langs z’n tafel achter z’n kruk. Nou wou ie ook een ’n glas bier gaan drinken. Z’n keel brandde van rauwen krijsch en pijn. Eerbiedig weken de kerels voor den lang-mageren Moor-Jood, met z’n angst donkeren kop, z’n streng borenden blik, z’n kalmte. Even z’n schouders, in krommige lijn opgehaald, ging z’n lang lichaam tusschen de sjofele sjouwers en tuinders, z’n zwart-bleeke kop, prachtig beglansd in lichtwaas. Geheimzinnig in donkeren staar, schoof ie voort tusschen de botte kerels, zich-zelf voelend als ’n Cagliostro in zuidelijke gratie en suggestie.—
In eindloozen koepel, blauw-bleek glanzend, rondgestold in ontzaglijken hemelkring boven havenbrok en polder, wuifden struisveerige wolken, zilverzij-licht, en ver, heel naar den horizon, tusschen violette neveling van spitsjes en daakjes, bouwde de lucht porceleinen torens van lichtwolken, slank, met fonkelende tinnen.
Menschenprop was weggebrokkeld, nu kwakzalver bier dronk in rookige walmkroeg.—Daverend roezemoes ratelhotste in ’t zonnezinken als ging er hellevaart rond in Wiereland; begloeid en beglansd stedeke, met z’n hel-rood en zilver leigedak in vervloeienden goud-roes van eindloos polderruim.—
Op en af de booten ging ’t weer in laatsten ploetersjouw en[120]afhitsende werkkoorts als hadden de kerels zich verzuimd met luistering naar den Jood.
Woester stormden de kroegen leeg en vol.—Verhitte zuipdrift stramde de koppen, en zwaarder, paffender in ’t zomerbrio, doorregenden geuren en stanken de haven; verklonk in rommelende donkerte ’t lawaai der zwoegers tegen al stillere rood-verre oneindigheid van polder-avondlucht; hemelkoepel, doorzeild van laatsten klankenjubel en verren vogelenkweel, leeuwerikkenvlucht, donker verstippend de luchtzee door.—
Sneller, àl lager sloeg de blink-glanzende gang van ’t licht over de haven, als kon de dag niet sterven dààr, vloedgolfde ’t over de kerels, roodgebrande tronies, nimbus van avondzon, gloedkoppen, verwaasd en verheiligd.—Dwars door den rauwrumoerenden gruwel van krijschende, furiënde sjacher en zwoeg, over pijpen, masten, zeilbrokken, pramen en sloepen, stroomde avondtooverige gloed, vreemd zilverrood, blond en telkens wisselend in gamma’s. Van de porceleinen wolk-torens, gloei-purperden de tinnen, vonkten hun gouden ommegangen.—Al lager de lichttoover doezelde over heete havenjoel, gedaver en gezwoeg; al wijêr glansde stralende purpering, verstillend de luchten, bedampend in wond’ren zonnemist, keien, sintels, en werkers. Paardkoppen droomden in stille, verglijdende glanzen en karren met aardbei en groen, doofden langzaam, bij stukken uit, in doffe zonloosheid.—
Zonnedroom, die uitdoezelde, wegnevelde, in violet gedamp en paarse vlekken, schaduw-fantomen wierp aan walkant, goudteer vergloorde, tusschen rag touwwerk en masten.
Over bootsrompen, en boegrondingen, waar kleurkopering van roeren en luikjes verbleekte; over heel het havengeraas, waar werkersopstand in drommen dooreen krioelde, starde al meer de vlam van den hitte-dag, de felle daverende blinkgang van licht, verdampend in wazige tonaliteit, in zilverige schemer-vegen en aarzelend blondrossig-goud.
Tusschen het al donkerder kastanje-geboomte, waar de schemer ’t eerst in duisternis verweefde, keken de kerels onder ’t lommer nog òp tegen den kleurzang van zonnedag, die lang, heel lang,[121]tooverig begloeid, in polderhemel bleef nazingen z’n wond’re tinten. Menschen, paarden, honden en karren in opgepropte kronkel en warrel, onder ’t duisterende lommer kleurden nà, in de ver-affe roezemoes van ’t stervende licht.—Allen dáár, wriemelden dooréén in schemer-avondgoud.—Petten kleurden vaal, in al gamma’s; kielen, jassen, schorten, donkere sjouwers en tuinders-venters, boeren en kijkers, in één warreldrom, loom langs elkaar verkleurend en verkronkelend, als drasten ze voet-zwaar aan vastzuigende havenkeien, moeras van rottend groentenafval.—
Dirk Hassel was met Klaas Grint, z’n zoon Jan, en Rink van den polder, tusschen ’n groep tuinders de kroeg ingeschoffeld.—Voor hun beenen buldogde ’n ton-buikige boer, met ’n korf kleine varkentjes onder z’n arm gekneld, waar hooilucht uitrotte, urineachtig-vuns. Krijschend en ronkend woelden de dieren, scheefhangend tegen de korfbiezen op, en telkens bonkte bullige boer, met z’n worstige handen, ’n driftstoot op de krijscherige diersnuiten.—Achter kroeggangers ratel-rolden, dwars door de woelende menschenmassa, groote gele tabaksvaten, door troepje kerels met trappen tusschen de karren en dieren voortgebonkerd naar ’t spoor.
Dirk was blij dat ie eindelijk zat. Al twee maal van de haven naar de akkers geweest, extra-oplading, en nou zou ie ’t d’r eens lekkertjes van nemen. Hij grinnekte tegen z’n brandewijntje met suiker, dat op z’n schor-korten roep, dadelijk gebracht was. Om ’m krioelde ’t van klomp-klossende kerels, in stampigen gang op knarsenden zandgrond. Lekker en poeteloerig-duizelig snoof Dirk de jenever en bierlucht, zoetig en scherp, en stil tegen den muur ingedrukt, ’n pijp den mond ingebeten, sloeg ie, brandewijntje na brandewijntje klein, mummelde wat woorden uit, tegen groenboeren die naast ’m neersmakten, aemechtig hijgend van zwoeg.—
Zwaar-laag dampte de kroegrook, nevelig, en rood misterig toen gasvlam bij ’t buffet en boven biljart àànplofte. Stil bleef Dirk zitten, roerloos in z’n hoekje, uitspuitend pruimsop en pijpnikotine in de spuwbakken, doodop, lekker duizelig, in de[122]wemeling van al meer aanstommelend landvolk en roezemoes van stemmen, achter hitterook uitkrauwelend, tot ie doorzopen, landerig en woedend, tegen tien uur naar huis waggelde.