III.

[Inhoud]III.Het half-zesje stond klaar in de woonkamer. Vrouw Hassel en Guurt hadden hompen brood met kaas en roggebrood, zoo maar, op kale tafel klaar gesneden. De koffie stond te bakken op petroleumlichtje dat knepperde en stonk. Zwaar stoelgestommel rumoerde voor allen rustig zaten en gebeden hadden. Met handpalmen verkreukten en trokken ze hun brood af. Moeder Hassel schonk koffie.… koffie was haar eenige troost. De dokter had gezegd, dat ze ’t niet moest drinken, maar ze vergat ’t. Vroeger al had haar hevige drinkhartstocht elk bezwaar overrompeld. Ze mòest drinken. Den heelen dag dronk ze, dronk ze, spoelde ze iets weg in ’r, door dien heet-zoetigen smaak. Wel dertig kommetjes sloeg ze in. Dat was ’t eenige dat ’r staande hield, en ’r verdriet verdoofde. Daarom stond ’t wit-steenen koffiepotje, koud en bruin-besopt aan alle kanten, roetig-ingebrand bij den bodem, den heelen dag op ’t stinkende petroleumpitje. Bakken mòest ze. Water bij eerste treksel, water bij tweede treksel, al slapper, valer, viezer sop, klonteriger en grondiger; daarop weer nieuw gedrop. Zoo klieterde heel Wiereland bij de koffie. Overal in de tuinders- en werkmanskrotjes stonden de bemorste petroleumstelletjes, duffig en roetig-vies; stond vaal-bruin blad met grauw-steenen kopjes,[74]uitgeschulpt en bepuist, naast ’n nikkel komfoortje, vuil-verbrand of pracht-blinkend.—Skenk main nog wa’ leut, snorkte Piet tegen Guurt, met ’n bons z’n kopje op tafel dreunend.—Nou, lachte Guurt, jai hep t’met ’n dam lait.… se kenne d’r puur ’n spaiker op je moag glaikkloppe.… wat ’n pens!..—Kaik die, waa’t hekkepunter.… wat ’n bemoeial, sou je d’r nie ’n druil om d’r hoet ketse?.…Vlug, lacherig nog om Piet’s vraatzucht, schonk Guurt in. Stil gesmak zoog door ’t kamerke, dat sufte in z’n dof-geel lamp-schijnsel, waarin de staartklok alléén, met z’n koperslagwerk, zacht òpglimmerde in lichte, schichtige glans-veegjes. Telkens nog bonkten ringrukken van de koeien uit den stal, of het snikken even van ’n herkauwende, zuchtte tegen de half-opene kamerdeur. Bij nieuwe broodhompen sperden wijer open de kaken, lebberden de monden, lui en vadsig in de broeiige kachel-warmte en loom tiktakte de friesche, met iets van winterigen slaaplust in z’n slingergang.Vrouw Hassel zat jammerlijk stil en verlaten te kijk-suffen onder het scheefhangende lampje, met z’n geel-rood vuil vlammetje en naargeestig schijnsel. Half afgezakt van haar stoel zat ze, in ’r vettig bruinige huisjapon, die bochelde op ’r rug. Haar afgeleefd rimpelgezicht leek grauw-zwart. D’r grijzig groezel-haar, dat flodderig los uitslonsde onder de smerige, bij de ooren gepunt-kruide steekmuts, die schedel-naakte gleuven door het gaas schemeren liet, overhuifde zwaar en donker ’r klein monsterlijk gezicht. Telkens gulzigde ze ’n slok koffie in, dat ’r magere keelkrop er van natrilde en beet dan weer op de punt van ’r vettig schortje.Tranen pinkelden plots in ’r brandende oogen die gloeiden, alsof er kalk ingewaaid was. Om ’r breed-dunnen kwijl-mond, waar op afzakte, pappig wangvleesch, dat als los vel zwabberde op kakement, in teistering doorgroefd, doolden trekken van verlammenden angst, spanning om te willen volgen wat om ’r heen gebeurde, vast te houen wat ze dof hoorde.[75]Even na ’t schemeruur hadden ze d’r weer geknauwd, waren, ze ’r weer op ’t lijf gevallen met vergeet-dingen.En Guurt had ’t hardst meegekrijscht, blind voor d’r smart, zelf zich lekker, sterk, frisch, jong voelend. Nou was vrouw Hassel weer uit haar beetje opgeleefde vreugd gestooten. In één zag, hoorde ze weer alles veel slechter, vatte ze niets, ging ’r ’n lijm’rige verbinding van woorden door ’t hoofd, suizelde en spande ’t overal in ’r, hoorde ze geruisch, verdoffend om ’r héén, van stemmen en àldoor achteréén, fluiterig gegil door de hersens diep in ’r ooren. En telkens slokte ze gulziger ’r koffie-vocht lekker, warm, smakkend en opzuigend de zoetige vuilheid, die ’r niks zei, niks verweet, niet aan ’t schrikken maakte.Paf-rust loomde ’r weer in ’t kamerke, waarin de dingen, boers-knus aanglinsterden. Klein-stijf stond in ’n dwarshoek, schuintjes, ’n pronkschoorsteentje, zelf-getimmerd plankje, omspannen met vaalrood lapje, koper-bepend. Om de lakzwarte glimkachel lag morsvuil, ingetrapt kolengruis en ’t plaatje dofte blikkig. Glanzerig van politoer-lichtvleksel, in rood-bruine gladheid stond er tegenover mahoniehout linnenkastje, parmantig-stijf, op klein-breed poot werk, aan hoeken versierd met poppetjes-spul, fel-kleurig steen, en tegen het blom-grof, geel behang, hingen los-opgehaarspelde gore haarwerkjes en kleur-stervende chromo’s, koningen met pelzen en Zwitsersch meer-blauwsel. Alles bakte en loomde ’r vergeten in boerenknusheid. De grof-rooie stoelen, met hevig geel bies-streepsel stonden te drenzen in den doffen lampschijn. Alleen de kwikzilverige vaasjes, buikig-rustig, op het mahonie-kastje, vroolijkten met breed-mondige lichtstreepjes. Naast de kachel, achter vuilen kolenbak, pronkte rijk-ongedeerd, koperen standaard, met schep, koperen tang en pook, sierlijk gebogen en zacht-beflonkerd, smetteloos voornaam lachend tegen den vuil-roetigen pook die ernaast op ’n stoel lag. In ’n anderen hoek van laag-balkend kamerke wemelde ’t van portretten, op klein tafeltje met goor-stijf-krullig haakwerk belooperd. En vlak achter vrouw Hassel donkerde ’n korf met tortelduifje, dat uit z’n beduisterd kamerhoekje klagelijk koekeroede.[76]Tusschen stemgepraat en eetgesmak, bij stilte-poozen, weemoedigde ’t duifje, uit ’t licht geschoven, in z’n korfje, op ’n voetstuk van gebroken bloemstandaardje, dat sidderde als ’t diertje sprong. Zacht klagelijk koekeroede z’n zwel-kropje, als ’n kindje, dat ergens ver, zacht te schreien en te snikken lag. Plots trok Guurt ’t meer in den lichtkring, toen ’t juist, wil-venijnig zich-zelf in z’n veertjes zat te snavelen, hals verdraaiend diep. Bij ’t geschuif, plots vooruit, in ’t licht nu, dat z’n korfje inschemerde, dook z’n kopje onder de veeren weg, begon ie stil te loeren voor zich uit, stil, als luisterend naar wat gezegd werd door Guurt. Dan weer keek ie bijzij àf met z’n donkere karmijn-oogjes, die kniploos stonden, staàr, stil. In één weer kropte dan, uit teeder donsborstje klagelijk kindergekreun, heel zacht en als van ver, koekeroekoe, koekeroekoe, melancholiek in de paffende, scheemrige kamerke-rust. Guurt, met dikken vinger, krauwde z’n nekje, door korf-tralie heen onder staal-blauw glans-kraagje vol violette weerschijntjes en groenige schubbetjes. En geestig, onder ’t krauwen, vonkten donker, z’n rooie gloed-oogjes van lekkerheid, ging dommig-dwars z’n teer kopje als om te luisteren, weemoedden weer z’n koekeroe’s klagelijk kamerke in.Plots gaf Guurt ’t korfje weer ’n duw achteruit, dat tortelduifje wegdonkerde in ’n hoek, en schrik in z’n wijnrooie oogjes stolde. Ouë Gerrit had Guurt wat gevraagd, die lijmerend onverstaanbaar antwoordde met vollen mond.—Nou joa.… sel ’k moar segge.… fa’n koniggin Fillemientje.… hai je nog wat lese kenne.… eenmoal.… andermoal.…Klank van groote onderdanigheid was er in z’n stem gaan beven, en met vreemd-rilligen eerbied sprak ie den naam van Wilhelmina uit. Dirk schoof stil Guurt z’n koppie toe.—Kijkend naar d’r vader, schonk ze gedachteloos in, gansch bevangen door het denken aan de rijke almachtige koningin.…—Hée doedelsak, lachte Piet, haar tegen den arm stootend, genog, je skinkt t’r snof’rjenne noast.…—Aa’s se nouw t’met trouwe goat Ouë, schokkerde Guurt,[77]alsof ze niets gehoord had, door,.… aa’s sai nouw trouwe goat de koniggin.… hep sai dan d’r femilje.… en magge die d’r na kaike?.…Ouë Gerrit schaamde zich altijd ’n beetje voor de groote kerels en z’n meid dat ie d’r niks van wist, en dat tie nie lezen kon. Brutaal, lukraak stootte ie ’r maar uit:—Wel joa.… sel d’r ommirs puur niks.… skele kenne.. dà moak niks, loa se kaike!.… je hep ’r ven dit.… en ven dàt.… op soo’n dag.… hoho.… ho.… se komme uit de hooge!.… sel ’k moar segge.… en mit hoarlie pakkies àn.… afain.… fiere en vaife en nie genog.… enne.…—Nou joa, hield Guurt vol, die nog niets wijzer was.—Toe maid, gromde Dirk, die nauwelijks wist dat ’r ’n koningin bestond, skenk in, je skenkt t’r noast.…—Nee, jokkes, verdedigde Guurt, maar nog niet loslatend haar vader:—Moar .… enne.… nou.… aas d’r puur hooge.…—Kaik tug veur je.… doedelsak, je skenkt op main poote, helhoak.…—Main kristus, waâ jokkes.…—Nou grinnikte Piet, skeelt t’met gain koe.… skeelt t’met gain koe.—Jesses wà’ kerels.… wa hep jai smoor in.… en jullie.. jullie.… wete d’r ook gain snars van.… weet jai ’t moeder?.…Ze schrok op, vrouw Hassel. Niemand vroeg haar ooit wat over zulk soort dingen.—Gut.… schokte ze stemhaperend.… da wee’k nie.… al t’met.…Schuw brak ze af, gejaagd, want nou, waarachtig, nou wist ze niet eens meer waarover ’t ging, wàt Guurt gevraagd had. Haar leerig gezichtsvel fronste samen in monsterlijke rimpeling, en haar grijs-grauwe brauwen dottigden krampend. Vergeten, vergeten, smartte ’t stil in ’r, met ’n snikhuil, maar uiterlijk bleef schrei-loos haar gelaat. Alleen lichtelijk sidderden haar kaken. Plots sprong Dirk woest op, bonkte z’n[78]stoel tegen den muur dat duifkorfje trilde en vrouw Hassel opschokte van ’r zitje.Met rumoer ging ie den stal in, achteruit op straat. Guurt was gretig in Wierelandsch krantje gaan koekeloeren of ze ook iets van de koningin lezen kon, van wie ze boven haar slaapstoel twintig beeltenissen had hangen, in al andere standen en leeftijden. In ’r egoïstische voorstellingen, waan-zeker en achterhoeksch-bedompt, wemelde ’t van licht, goud en juweel, als ze aan de koningin dacht. En hoog, op ’r verheven stoel zag ze Wilhelmientje zitten. Van de kranten-berichten begreep ze niet veel; uit ’n behoorlijken zin kon ze juist niet wijs worden.… Als t’r zoo stond, in die deftige krantentaal, voelde ze zich kregel, ’t verwarde hààr voorstellingen, wantdiealleen leefden voor haar. ’n Paar dingen maar, licht, juweelen en goud, overal goud en ’n hooge stoel, ’n troon,—dat alles omgedraaid en omgedraaid in allerlei variaties, bedacht en bekeken met haar achterhoekschen weelde-hartstocht, dat ’t sterde en fonkelde voor d’r oogen. En nou die kranten! Maar half lezen had ze geleerd. Dirk voelde heelemaal niets voor ’t feest; wist niet eens waar Den Haag lag. Toch zou ze doorlezen. Knusserig schonk ze zich nog ’n kopje leut in, en naast ’r, schoof bevend-gulzig, de blauw-doorpeeste grauwige beef-hand van ’r moeder, die ook weer hebben wou. Plots kwam Dirk weer in, plompte zich weer neer bij de kachel. Guurt frommelde ’t krantje op zij. Niks snapte ze ’r van. De Ouë zat met ingezakt lijf in z’n op schoot gedrukt en tabakspot te morrelen, lijmerig z’n pijp vullend, vingerdiep, den tabak met duwetjes bedaard inplettend.—Vroolijk snaterde Guurt weer op.…—Hep jullie hoort van die raike vent van Duinkaik.… die hep s’n aige veur s’n kop skote.…—F’rdomd! riep in verbazing ouë Gerrit uit, onder zuigend aantrekken van z’n pijp.—Of tie!.… de kommenai is d’r vol van.… en de slager sait ’t ook.… en welk gast je d’r spreekt.… de heule ploats weut ’t.… s’n aige doodskote.…[79]—En ikke hep hoort dat tie valle is, zei Piet, leuk-ontgoochelend ’t nieuwtje van Guurt.—Main kristus! wa jokkes, sloeg Guurt de handen met ’n klets in mekaar.—F’rhange, zei plots, kort-stug Dirk, f’rhange, da heppe se main sait.…—Wie sait dà’ nou.…?—Kees.…!—Kees, Kees, bromde de Ouë, da beest.… die hep s’n skoenlappertjesmoandag weer.… sal dronke weest sain.… t’met nooit nuchter hoho!.…—Da lieg je Ouë.… da lieg je.… driftte Dirk met ’n slag op tafel.Stil bleef de Ouë doordampen in snelle zenuwtrekjes aan z’n pijp, omwaasd in rook. Maar verjenne, wat keek die Dirk leelijk. Waarom most ie dat ook zegge. Hij wist tug da Dirk geen kwaad op Kees kon hooren. Hij bleef zwijgen, zuigend reutelende haaltjes uit z’n pijp. Guurt wou geen ruzie, ze had er genoeg van. Nog volgepropt zat ze met nieuws.—Nou die soon van die kwinkkwank in de Bikkerstroat.. die sosiaal?… die hep mit se moeder motte f’rhuise.… hai hep skult bij de slager en skult bij de bakker en skult bij de kruienier.… en se motte d’r of.… en ’t heule spul mot f’rkocht.… murrege.…—Daa’s puur klets maid, sarde Piet weer leuk.… hai hep skarrelt mit Mie van de metselaar.… en da sit nou mit jonk.. en nou hep ie van d’r broer op s’n ribbekast hat.… en nou durft ie nie meer op stroat komme.…—Niks van woar.… sloeg Guurt weer ’r handen de lucht in met ’n klets tegen elkander.… Mie sit nie mit jonk.… en s’dient in Amsterdam.…—Nou, bitste Piet.… seg.… is m’ ook ’n happie!.… wa sou dat? hep se doar g’n dam legge kenne.… kom sussie?.. kaik m’rais in main fieselemie.… seg, kaik nou nie soo onnoosel.…—Seg Piet, vleide plots stern-zacht Guurt, van-oàvent is d’r[80]in de Son soo’n prèchtige kemedie.… toe, neem màin nou d’r is mee?—Jai hep main noodig, debies, neenet snurkert, da’ lapje main nie!—Main kristus, ik hep nooit niks.… nooit, driftte Guurt gemaakt; heé Piet.… toe.… wees d’r nou erais ’n oardige knoap!.… ik hep aêrs soo’n dooie Sinterklòas.… se speule van moorde.… soo vreeselik.… je weut wel daa’k ’r dol op bin.…—Nee Guurt, daa’s niks veur jou.… dan grien je.…—Nou ik sel niet-en griene.… toe Piet.… feremp’l.… ikke sel niet-en griene.… ik bin d’r soo dol op.… op die moorde, aa’s sullie vechte en d’r binne allegoar ongelukke.… nou, dan hou ’k jòu vrai.… sullie vechte d’r mit messe.… Geert Grint hept veleje joar self sien.… toe Piet.… sel je nie beroue.… kaik.… soo hiet ’t.… waor is ’t krantje?.. hé moeder! gaif hier!.… kaik.… Lesoare de Veehoeder.… kaik, vaif tefreele.… de moord in de herberg.… en.… wachters van ’t pelais woakt.… Te dansen begon Guurt, te stem-vleien. Ze hield dol van vreeslijke dingen. Bij elk vechtpartijtje in Wiereland was ze te zien, vooraan, en toch vond ze ’t vreeselijk naar en griezelig. Als ze bloed zag vloeien met vechtpartijen, dan krampte ’r iets in er van heerlijke naarheid. Van moorden, spoken en ongelukken wou ze alles haarfijn weten, en hoe bloederiger, hoe naarder, hoe griezeliger ze genoot.Maar Piet was niet te vermurwen. Van avond, strooiavond, nee, dan most ie de ploats op, lollen met de meiden en zuipers.—Wa’ geep, nijdigde Guurt, nou, dan goan ’k alleenig!.…Dirk zat lichtelijk te ronken, met kop tegen kachelpijp.… z’n ingezakt lijf stonk van grondvuil.… z’n stomp-wreed gezicht stond grimmig als van ’n slapenden bloed-dog en z’n vurige zeerende wimpers, streepten pijnlijk-rood onder z’n in gelen lampschemer, duisterende oogen. Hem vroeg ze niet eens.[81]

[Inhoud]III.Het half-zesje stond klaar in de woonkamer. Vrouw Hassel en Guurt hadden hompen brood met kaas en roggebrood, zoo maar, op kale tafel klaar gesneden. De koffie stond te bakken op petroleumlichtje dat knepperde en stonk. Zwaar stoelgestommel rumoerde voor allen rustig zaten en gebeden hadden. Met handpalmen verkreukten en trokken ze hun brood af. Moeder Hassel schonk koffie.… koffie was haar eenige troost. De dokter had gezegd, dat ze ’t niet moest drinken, maar ze vergat ’t. Vroeger al had haar hevige drinkhartstocht elk bezwaar overrompeld. Ze mòest drinken. Den heelen dag dronk ze, dronk ze, spoelde ze iets weg in ’r, door dien heet-zoetigen smaak. Wel dertig kommetjes sloeg ze in. Dat was ’t eenige dat ’r staande hield, en ’r verdriet verdoofde. Daarom stond ’t wit-steenen koffiepotje, koud en bruin-besopt aan alle kanten, roetig-ingebrand bij den bodem, den heelen dag op ’t stinkende petroleumpitje. Bakken mòest ze. Water bij eerste treksel, water bij tweede treksel, al slapper, valer, viezer sop, klonteriger en grondiger; daarop weer nieuw gedrop. Zoo klieterde heel Wiereland bij de koffie. Overal in de tuinders- en werkmanskrotjes stonden de bemorste petroleumstelletjes, duffig en roetig-vies; stond vaal-bruin blad met grauw-steenen kopjes,[74]uitgeschulpt en bepuist, naast ’n nikkel komfoortje, vuil-verbrand of pracht-blinkend.—Skenk main nog wa’ leut, snorkte Piet tegen Guurt, met ’n bons z’n kopje op tafel dreunend.—Nou, lachte Guurt, jai hep t’met ’n dam lait.… se kenne d’r puur ’n spaiker op je moag glaikkloppe.… wat ’n pens!..—Kaik die, waa’t hekkepunter.… wat ’n bemoeial, sou je d’r nie ’n druil om d’r hoet ketse?.…Vlug, lacherig nog om Piet’s vraatzucht, schonk Guurt in. Stil gesmak zoog door ’t kamerke, dat sufte in z’n dof-geel lamp-schijnsel, waarin de staartklok alléén, met z’n koperslagwerk, zacht òpglimmerde in lichte, schichtige glans-veegjes. Telkens nog bonkten ringrukken van de koeien uit den stal, of het snikken even van ’n herkauwende, zuchtte tegen de half-opene kamerdeur. Bij nieuwe broodhompen sperden wijer open de kaken, lebberden de monden, lui en vadsig in de broeiige kachel-warmte en loom tiktakte de friesche, met iets van winterigen slaaplust in z’n slingergang.Vrouw Hassel zat jammerlijk stil en verlaten te kijk-suffen onder het scheefhangende lampje, met z’n geel-rood vuil vlammetje en naargeestig schijnsel. Half afgezakt van haar stoel zat ze, in ’r vettig bruinige huisjapon, die bochelde op ’r rug. Haar afgeleefd rimpelgezicht leek grauw-zwart. D’r grijzig groezel-haar, dat flodderig los uitslonsde onder de smerige, bij de ooren gepunt-kruide steekmuts, die schedel-naakte gleuven door het gaas schemeren liet, overhuifde zwaar en donker ’r klein monsterlijk gezicht. Telkens gulzigde ze ’n slok koffie in, dat ’r magere keelkrop er van natrilde en beet dan weer op de punt van ’r vettig schortje.Tranen pinkelden plots in ’r brandende oogen die gloeiden, alsof er kalk ingewaaid was. Om ’r breed-dunnen kwijl-mond, waar op afzakte, pappig wangvleesch, dat als los vel zwabberde op kakement, in teistering doorgroefd, doolden trekken van verlammenden angst, spanning om te willen volgen wat om ’r heen gebeurde, vast te houen wat ze dof hoorde.[75]Even na ’t schemeruur hadden ze d’r weer geknauwd, waren, ze ’r weer op ’t lijf gevallen met vergeet-dingen.En Guurt had ’t hardst meegekrijscht, blind voor d’r smart, zelf zich lekker, sterk, frisch, jong voelend. Nou was vrouw Hassel weer uit haar beetje opgeleefde vreugd gestooten. In één zag, hoorde ze weer alles veel slechter, vatte ze niets, ging ’r ’n lijm’rige verbinding van woorden door ’t hoofd, suizelde en spande ’t overal in ’r, hoorde ze geruisch, verdoffend om ’r héén, van stemmen en àldoor achteréén, fluiterig gegil door de hersens diep in ’r ooren. En telkens slokte ze gulziger ’r koffie-vocht lekker, warm, smakkend en opzuigend de zoetige vuilheid, die ’r niks zei, niks verweet, niet aan ’t schrikken maakte.Paf-rust loomde ’r weer in ’t kamerke, waarin de dingen, boers-knus aanglinsterden. Klein-stijf stond in ’n dwarshoek, schuintjes, ’n pronkschoorsteentje, zelf-getimmerd plankje, omspannen met vaalrood lapje, koper-bepend. Om de lakzwarte glimkachel lag morsvuil, ingetrapt kolengruis en ’t plaatje dofte blikkig. Glanzerig van politoer-lichtvleksel, in rood-bruine gladheid stond er tegenover mahoniehout linnenkastje, parmantig-stijf, op klein-breed poot werk, aan hoeken versierd met poppetjes-spul, fel-kleurig steen, en tegen het blom-grof, geel behang, hingen los-opgehaarspelde gore haarwerkjes en kleur-stervende chromo’s, koningen met pelzen en Zwitsersch meer-blauwsel. Alles bakte en loomde ’r vergeten in boerenknusheid. De grof-rooie stoelen, met hevig geel bies-streepsel stonden te drenzen in den doffen lampschijn. Alleen de kwikzilverige vaasjes, buikig-rustig, op het mahonie-kastje, vroolijkten met breed-mondige lichtstreepjes. Naast de kachel, achter vuilen kolenbak, pronkte rijk-ongedeerd, koperen standaard, met schep, koperen tang en pook, sierlijk gebogen en zacht-beflonkerd, smetteloos voornaam lachend tegen den vuil-roetigen pook die ernaast op ’n stoel lag. In ’n anderen hoek van laag-balkend kamerke wemelde ’t van portretten, op klein tafeltje met goor-stijf-krullig haakwerk belooperd. En vlak achter vrouw Hassel donkerde ’n korf met tortelduifje, dat uit z’n beduisterd kamerhoekje klagelijk koekeroede.[76]Tusschen stemgepraat en eetgesmak, bij stilte-poozen, weemoedigde ’t duifje, uit ’t licht geschoven, in z’n korfje, op ’n voetstuk van gebroken bloemstandaardje, dat sidderde als ’t diertje sprong. Zacht klagelijk koekeroede z’n zwel-kropje, als ’n kindje, dat ergens ver, zacht te schreien en te snikken lag. Plots trok Guurt ’t meer in den lichtkring, toen ’t juist, wil-venijnig zich-zelf in z’n veertjes zat te snavelen, hals verdraaiend diep. Bij ’t geschuif, plots vooruit, in ’t licht nu, dat z’n korfje inschemerde, dook z’n kopje onder de veeren weg, begon ie stil te loeren voor zich uit, stil, als luisterend naar wat gezegd werd door Guurt. Dan weer keek ie bijzij àf met z’n donkere karmijn-oogjes, die kniploos stonden, staàr, stil. In één weer kropte dan, uit teeder donsborstje klagelijk kindergekreun, heel zacht en als van ver, koekeroekoe, koekeroekoe, melancholiek in de paffende, scheemrige kamerke-rust. Guurt, met dikken vinger, krauwde z’n nekje, door korf-tralie heen onder staal-blauw glans-kraagje vol violette weerschijntjes en groenige schubbetjes. En geestig, onder ’t krauwen, vonkten donker, z’n rooie gloed-oogjes van lekkerheid, ging dommig-dwars z’n teer kopje als om te luisteren, weemoedden weer z’n koekeroe’s klagelijk kamerke in.Plots gaf Guurt ’t korfje weer ’n duw achteruit, dat tortelduifje wegdonkerde in ’n hoek, en schrik in z’n wijnrooie oogjes stolde. Ouë Gerrit had Guurt wat gevraagd, die lijmerend onverstaanbaar antwoordde met vollen mond.—Nou joa.… sel ’k moar segge.… fa’n koniggin Fillemientje.… hai je nog wat lese kenne.… eenmoal.… andermoal.…Klank van groote onderdanigheid was er in z’n stem gaan beven, en met vreemd-rilligen eerbied sprak ie den naam van Wilhelmina uit. Dirk schoof stil Guurt z’n koppie toe.—Kijkend naar d’r vader, schonk ze gedachteloos in, gansch bevangen door het denken aan de rijke almachtige koningin.…—Hée doedelsak, lachte Piet, haar tegen den arm stootend, genog, je skinkt t’r snof’rjenne noast.…—Aa’s se nouw t’met trouwe goat Ouë, schokkerde Guurt,[77]alsof ze niets gehoord had, door,.… aa’s sai nouw trouwe goat de koniggin.… hep sai dan d’r femilje.… en magge die d’r na kaike?.…Ouë Gerrit schaamde zich altijd ’n beetje voor de groote kerels en z’n meid dat ie d’r niks van wist, en dat tie nie lezen kon. Brutaal, lukraak stootte ie ’r maar uit:—Wel joa.… sel d’r ommirs puur niks.… skele kenne.. dà moak niks, loa se kaike!.… je hep ’r ven dit.… en ven dàt.… op soo’n dag.… hoho.… ho.… se komme uit de hooge!.… sel ’k moar segge.… en mit hoarlie pakkies àn.… afain.… fiere en vaife en nie genog.… enne.…—Nou joa, hield Guurt vol, die nog niets wijzer was.—Toe maid, gromde Dirk, die nauwelijks wist dat ’r ’n koningin bestond, skenk in, je skenkt t’r noast.…—Nee, jokkes, verdedigde Guurt, maar nog niet loslatend haar vader:—Moar .… enne.… nou.… aas d’r puur hooge.…—Kaik tug veur je.… doedelsak, je skenkt op main poote, helhoak.…—Main kristus, waâ jokkes.…—Nou grinnikte Piet, skeelt t’met gain koe.… skeelt t’met gain koe.—Jesses wà’ kerels.… wa hep jai smoor in.… en jullie.. jullie.… wete d’r ook gain snars van.… weet jai ’t moeder?.…Ze schrok op, vrouw Hassel. Niemand vroeg haar ooit wat over zulk soort dingen.—Gut.… schokte ze stemhaperend.… da wee’k nie.… al t’met.…Schuw brak ze af, gejaagd, want nou, waarachtig, nou wist ze niet eens meer waarover ’t ging, wàt Guurt gevraagd had. Haar leerig gezichtsvel fronste samen in monsterlijke rimpeling, en haar grijs-grauwe brauwen dottigden krampend. Vergeten, vergeten, smartte ’t stil in ’r, met ’n snikhuil, maar uiterlijk bleef schrei-loos haar gelaat. Alleen lichtelijk sidderden haar kaken. Plots sprong Dirk woest op, bonkte z’n[78]stoel tegen den muur dat duifkorfje trilde en vrouw Hassel opschokte van ’r zitje.Met rumoer ging ie den stal in, achteruit op straat. Guurt was gretig in Wierelandsch krantje gaan koekeloeren of ze ook iets van de koningin lezen kon, van wie ze boven haar slaapstoel twintig beeltenissen had hangen, in al andere standen en leeftijden. In ’r egoïstische voorstellingen, waan-zeker en achterhoeksch-bedompt, wemelde ’t van licht, goud en juweel, als ze aan de koningin dacht. En hoog, op ’r verheven stoel zag ze Wilhelmientje zitten. Van de kranten-berichten begreep ze niet veel; uit ’n behoorlijken zin kon ze juist niet wijs worden.… Als t’r zoo stond, in die deftige krantentaal, voelde ze zich kregel, ’t verwarde hààr voorstellingen, wantdiealleen leefden voor haar. ’n Paar dingen maar, licht, juweelen en goud, overal goud en ’n hooge stoel, ’n troon,—dat alles omgedraaid en omgedraaid in allerlei variaties, bedacht en bekeken met haar achterhoekschen weelde-hartstocht, dat ’t sterde en fonkelde voor d’r oogen. En nou die kranten! Maar half lezen had ze geleerd. Dirk voelde heelemaal niets voor ’t feest; wist niet eens waar Den Haag lag. Toch zou ze doorlezen. Knusserig schonk ze zich nog ’n kopje leut in, en naast ’r, schoof bevend-gulzig, de blauw-doorpeeste grauwige beef-hand van ’r moeder, die ook weer hebben wou. Plots kwam Dirk weer in, plompte zich weer neer bij de kachel. Guurt frommelde ’t krantje op zij. Niks snapte ze ’r van. De Ouë zat met ingezakt lijf in z’n op schoot gedrukt en tabakspot te morrelen, lijmerig z’n pijp vullend, vingerdiep, den tabak met duwetjes bedaard inplettend.—Vroolijk snaterde Guurt weer op.…—Hep jullie hoort van die raike vent van Duinkaik.… die hep s’n aige veur s’n kop skote.…—F’rdomd! riep in verbazing ouë Gerrit uit, onder zuigend aantrekken van z’n pijp.—Of tie!.… de kommenai is d’r vol van.… en de slager sait ’t ook.… en welk gast je d’r spreekt.… de heule ploats weut ’t.… s’n aige doodskote.…[79]—En ikke hep hoort dat tie valle is, zei Piet, leuk-ontgoochelend ’t nieuwtje van Guurt.—Main kristus! wa jokkes, sloeg Guurt de handen met ’n klets in mekaar.—F’rhange, zei plots, kort-stug Dirk, f’rhange, da heppe se main sait.…—Wie sait dà’ nou.…?—Kees.…!—Kees, Kees, bromde de Ouë, da beest.… die hep s’n skoenlappertjesmoandag weer.… sal dronke weest sain.… t’met nooit nuchter hoho!.…—Da lieg je Ouë.… da lieg je.… driftte Dirk met ’n slag op tafel.Stil bleef de Ouë doordampen in snelle zenuwtrekjes aan z’n pijp, omwaasd in rook. Maar verjenne, wat keek die Dirk leelijk. Waarom most ie dat ook zegge. Hij wist tug da Dirk geen kwaad op Kees kon hooren. Hij bleef zwijgen, zuigend reutelende haaltjes uit z’n pijp. Guurt wou geen ruzie, ze had er genoeg van. Nog volgepropt zat ze met nieuws.—Nou die soon van die kwinkkwank in de Bikkerstroat.. die sosiaal?… die hep mit se moeder motte f’rhuise.… hai hep skult bij de slager en skult bij de bakker en skult bij de kruienier.… en se motte d’r of.… en ’t heule spul mot f’rkocht.… murrege.…—Daa’s puur klets maid, sarde Piet weer leuk.… hai hep skarrelt mit Mie van de metselaar.… en da sit nou mit jonk.. en nou hep ie van d’r broer op s’n ribbekast hat.… en nou durft ie nie meer op stroat komme.…—Niks van woar.… sloeg Guurt weer ’r handen de lucht in met ’n klets tegen elkander.… Mie sit nie mit jonk.… en s’dient in Amsterdam.…—Nou, bitste Piet.… seg.… is m’ ook ’n happie!.… wa sou dat? hep se doar g’n dam legge kenne.… kom sussie?.. kaik m’rais in main fieselemie.… seg, kaik nou nie soo onnoosel.…—Seg Piet, vleide plots stern-zacht Guurt, van-oàvent is d’r[80]in de Son soo’n prèchtige kemedie.… toe, neem màin nou d’r is mee?—Jai hep main noodig, debies, neenet snurkert, da’ lapje main nie!—Main kristus, ik hep nooit niks.… nooit, driftte Guurt gemaakt; heé Piet.… toe.… wees d’r nou erais ’n oardige knoap!.… ik hep aêrs soo’n dooie Sinterklòas.… se speule van moorde.… soo vreeselik.… je weut wel daa’k ’r dol op bin.…—Nee Guurt, daa’s niks veur jou.… dan grien je.…—Nou ik sel niet-en griene.… toe Piet.… feremp’l.… ikke sel niet-en griene.… ik bin d’r soo dol op.… op die moorde, aa’s sullie vechte en d’r binne allegoar ongelukke.… nou, dan hou ’k jòu vrai.… sullie vechte d’r mit messe.… Geert Grint hept veleje joar self sien.… toe Piet.… sel je nie beroue.… kaik.… soo hiet ’t.… waor is ’t krantje?.. hé moeder! gaif hier!.… kaik.… Lesoare de Veehoeder.… kaik, vaif tefreele.… de moord in de herberg.… en.… wachters van ’t pelais woakt.… Te dansen begon Guurt, te stem-vleien. Ze hield dol van vreeslijke dingen. Bij elk vechtpartijtje in Wiereland was ze te zien, vooraan, en toch vond ze ’t vreeselijk naar en griezelig. Als ze bloed zag vloeien met vechtpartijen, dan krampte ’r iets in er van heerlijke naarheid. Van moorden, spoken en ongelukken wou ze alles haarfijn weten, en hoe bloederiger, hoe naarder, hoe griezeliger ze genoot.Maar Piet was niet te vermurwen. Van avond, strooiavond, nee, dan most ie de ploats op, lollen met de meiden en zuipers.—Wa’ geep, nijdigde Guurt, nou, dan goan ’k alleenig!.…Dirk zat lichtelijk te ronken, met kop tegen kachelpijp.… z’n ingezakt lijf stonk van grondvuil.… z’n stomp-wreed gezicht stond grimmig als van ’n slapenden bloed-dog en z’n vurige zeerende wimpers, streepten pijnlijk-rood onder z’n in gelen lampschemer, duisterende oogen. Hem vroeg ze niet eens.[81]

[Inhoud]III.Het half-zesje stond klaar in de woonkamer. Vrouw Hassel en Guurt hadden hompen brood met kaas en roggebrood, zoo maar, op kale tafel klaar gesneden. De koffie stond te bakken op petroleumlichtje dat knepperde en stonk. Zwaar stoelgestommel rumoerde voor allen rustig zaten en gebeden hadden. Met handpalmen verkreukten en trokken ze hun brood af. Moeder Hassel schonk koffie.… koffie was haar eenige troost. De dokter had gezegd, dat ze ’t niet moest drinken, maar ze vergat ’t. Vroeger al had haar hevige drinkhartstocht elk bezwaar overrompeld. Ze mòest drinken. Den heelen dag dronk ze, dronk ze, spoelde ze iets weg in ’r, door dien heet-zoetigen smaak. Wel dertig kommetjes sloeg ze in. Dat was ’t eenige dat ’r staande hield, en ’r verdriet verdoofde. Daarom stond ’t wit-steenen koffiepotje, koud en bruin-besopt aan alle kanten, roetig-ingebrand bij den bodem, den heelen dag op ’t stinkende petroleumpitje. Bakken mòest ze. Water bij eerste treksel, water bij tweede treksel, al slapper, valer, viezer sop, klonteriger en grondiger; daarop weer nieuw gedrop. Zoo klieterde heel Wiereland bij de koffie. Overal in de tuinders- en werkmanskrotjes stonden de bemorste petroleumstelletjes, duffig en roetig-vies; stond vaal-bruin blad met grauw-steenen kopjes,[74]uitgeschulpt en bepuist, naast ’n nikkel komfoortje, vuil-verbrand of pracht-blinkend.—Skenk main nog wa’ leut, snorkte Piet tegen Guurt, met ’n bons z’n kopje op tafel dreunend.—Nou, lachte Guurt, jai hep t’met ’n dam lait.… se kenne d’r puur ’n spaiker op je moag glaikkloppe.… wat ’n pens!..—Kaik die, waa’t hekkepunter.… wat ’n bemoeial, sou je d’r nie ’n druil om d’r hoet ketse?.…Vlug, lacherig nog om Piet’s vraatzucht, schonk Guurt in. Stil gesmak zoog door ’t kamerke, dat sufte in z’n dof-geel lamp-schijnsel, waarin de staartklok alléén, met z’n koperslagwerk, zacht òpglimmerde in lichte, schichtige glans-veegjes. Telkens nog bonkten ringrukken van de koeien uit den stal, of het snikken even van ’n herkauwende, zuchtte tegen de half-opene kamerdeur. Bij nieuwe broodhompen sperden wijer open de kaken, lebberden de monden, lui en vadsig in de broeiige kachel-warmte en loom tiktakte de friesche, met iets van winterigen slaaplust in z’n slingergang.Vrouw Hassel zat jammerlijk stil en verlaten te kijk-suffen onder het scheefhangende lampje, met z’n geel-rood vuil vlammetje en naargeestig schijnsel. Half afgezakt van haar stoel zat ze, in ’r vettig bruinige huisjapon, die bochelde op ’r rug. Haar afgeleefd rimpelgezicht leek grauw-zwart. D’r grijzig groezel-haar, dat flodderig los uitslonsde onder de smerige, bij de ooren gepunt-kruide steekmuts, die schedel-naakte gleuven door het gaas schemeren liet, overhuifde zwaar en donker ’r klein monsterlijk gezicht. Telkens gulzigde ze ’n slok koffie in, dat ’r magere keelkrop er van natrilde en beet dan weer op de punt van ’r vettig schortje.Tranen pinkelden plots in ’r brandende oogen die gloeiden, alsof er kalk ingewaaid was. Om ’r breed-dunnen kwijl-mond, waar op afzakte, pappig wangvleesch, dat als los vel zwabberde op kakement, in teistering doorgroefd, doolden trekken van verlammenden angst, spanning om te willen volgen wat om ’r heen gebeurde, vast te houen wat ze dof hoorde.[75]Even na ’t schemeruur hadden ze d’r weer geknauwd, waren, ze ’r weer op ’t lijf gevallen met vergeet-dingen.En Guurt had ’t hardst meegekrijscht, blind voor d’r smart, zelf zich lekker, sterk, frisch, jong voelend. Nou was vrouw Hassel weer uit haar beetje opgeleefde vreugd gestooten. In één zag, hoorde ze weer alles veel slechter, vatte ze niets, ging ’r ’n lijm’rige verbinding van woorden door ’t hoofd, suizelde en spande ’t overal in ’r, hoorde ze geruisch, verdoffend om ’r héén, van stemmen en àldoor achteréén, fluiterig gegil door de hersens diep in ’r ooren. En telkens slokte ze gulziger ’r koffie-vocht lekker, warm, smakkend en opzuigend de zoetige vuilheid, die ’r niks zei, niks verweet, niet aan ’t schrikken maakte.Paf-rust loomde ’r weer in ’t kamerke, waarin de dingen, boers-knus aanglinsterden. Klein-stijf stond in ’n dwarshoek, schuintjes, ’n pronkschoorsteentje, zelf-getimmerd plankje, omspannen met vaalrood lapje, koper-bepend. Om de lakzwarte glimkachel lag morsvuil, ingetrapt kolengruis en ’t plaatje dofte blikkig. Glanzerig van politoer-lichtvleksel, in rood-bruine gladheid stond er tegenover mahoniehout linnenkastje, parmantig-stijf, op klein-breed poot werk, aan hoeken versierd met poppetjes-spul, fel-kleurig steen, en tegen het blom-grof, geel behang, hingen los-opgehaarspelde gore haarwerkjes en kleur-stervende chromo’s, koningen met pelzen en Zwitsersch meer-blauwsel. Alles bakte en loomde ’r vergeten in boerenknusheid. De grof-rooie stoelen, met hevig geel bies-streepsel stonden te drenzen in den doffen lampschijn. Alleen de kwikzilverige vaasjes, buikig-rustig, op het mahonie-kastje, vroolijkten met breed-mondige lichtstreepjes. Naast de kachel, achter vuilen kolenbak, pronkte rijk-ongedeerd, koperen standaard, met schep, koperen tang en pook, sierlijk gebogen en zacht-beflonkerd, smetteloos voornaam lachend tegen den vuil-roetigen pook die ernaast op ’n stoel lag. In ’n anderen hoek van laag-balkend kamerke wemelde ’t van portretten, op klein tafeltje met goor-stijf-krullig haakwerk belooperd. En vlak achter vrouw Hassel donkerde ’n korf met tortelduifje, dat uit z’n beduisterd kamerhoekje klagelijk koekeroede.[76]Tusschen stemgepraat en eetgesmak, bij stilte-poozen, weemoedigde ’t duifje, uit ’t licht geschoven, in z’n korfje, op ’n voetstuk van gebroken bloemstandaardje, dat sidderde als ’t diertje sprong. Zacht klagelijk koekeroede z’n zwel-kropje, als ’n kindje, dat ergens ver, zacht te schreien en te snikken lag. Plots trok Guurt ’t meer in den lichtkring, toen ’t juist, wil-venijnig zich-zelf in z’n veertjes zat te snavelen, hals verdraaiend diep. Bij ’t geschuif, plots vooruit, in ’t licht nu, dat z’n korfje inschemerde, dook z’n kopje onder de veeren weg, begon ie stil te loeren voor zich uit, stil, als luisterend naar wat gezegd werd door Guurt. Dan weer keek ie bijzij àf met z’n donkere karmijn-oogjes, die kniploos stonden, staàr, stil. In één weer kropte dan, uit teeder donsborstje klagelijk kindergekreun, heel zacht en als van ver, koekeroekoe, koekeroekoe, melancholiek in de paffende, scheemrige kamerke-rust. Guurt, met dikken vinger, krauwde z’n nekje, door korf-tralie heen onder staal-blauw glans-kraagje vol violette weerschijntjes en groenige schubbetjes. En geestig, onder ’t krauwen, vonkten donker, z’n rooie gloed-oogjes van lekkerheid, ging dommig-dwars z’n teer kopje als om te luisteren, weemoedden weer z’n koekeroe’s klagelijk kamerke in.Plots gaf Guurt ’t korfje weer ’n duw achteruit, dat tortelduifje wegdonkerde in ’n hoek, en schrik in z’n wijnrooie oogjes stolde. Ouë Gerrit had Guurt wat gevraagd, die lijmerend onverstaanbaar antwoordde met vollen mond.—Nou joa.… sel ’k moar segge.… fa’n koniggin Fillemientje.… hai je nog wat lese kenne.… eenmoal.… andermoal.…Klank van groote onderdanigheid was er in z’n stem gaan beven, en met vreemd-rilligen eerbied sprak ie den naam van Wilhelmina uit. Dirk schoof stil Guurt z’n koppie toe.—Kijkend naar d’r vader, schonk ze gedachteloos in, gansch bevangen door het denken aan de rijke almachtige koningin.…—Hée doedelsak, lachte Piet, haar tegen den arm stootend, genog, je skinkt t’r snof’rjenne noast.…—Aa’s se nouw t’met trouwe goat Ouë, schokkerde Guurt,[77]alsof ze niets gehoord had, door,.… aa’s sai nouw trouwe goat de koniggin.… hep sai dan d’r femilje.… en magge die d’r na kaike?.…Ouë Gerrit schaamde zich altijd ’n beetje voor de groote kerels en z’n meid dat ie d’r niks van wist, en dat tie nie lezen kon. Brutaal, lukraak stootte ie ’r maar uit:—Wel joa.… sel d’r ommirs puur niks.… skele kenne.. dà moak niks, loa se kaike!.… je hep ’r ven dit.… en ven dàt.… op soo’n dag.… hoho.… ho.… se komme uit de hooge!.… sel ’k moar segge.… en mit hoarlie pakkies àn.… afain.… fiere en vaife en nie genog.… enne.…—Nou joa, hield Guurt vol, die nog niets wijzer was.—Toe maid, gromde Dirk, die nauwelijks wist dat ’r ’n koningin bestond, skenk in, je skenkt t’r noast.…—Nee, jokkes, verdedigde Guurt, maar nog niet loslatend haar vader:—Moar .… enne.… nou.… aas d’r puur hooge.…—Kaik tug veur je.… doedelsak, je skenkt op main poote, helhoak.…—Main kristus, waâ jokkes.…—Nou grinnikte Piet, skeelt t’met gain koe.… skeelt t’met gain koe.—Jesses wà’ kerels.… wa hep jai smoor in.… en jullie.. jullie.… wete d’r ook gain snars van.… weet jai ’t moeder?.…Ze schrok op, vrouw Hassel. Niemand vroeg haar ooit wat over zulk soort dingen.—Gut.… schokte ze stemhaperend.… da wee’k nie.… al t’met.…Schuw brak ze af, gejaagd, want nou, waarachtig, nou wist ze niet eens meer waarover ’t ging, wàt Guurt gevraagd had. Haar leerig gezichtsvel fronste samen in monsterlijke rimpeling, en haar grijs-grauwe brauwen dottigden krampend. Vergeten, vergeten, smartte ’t stil in ’r, met ’n snikhuil, maar uiterlijk bleef schrei-loos haar gelaat. Alleen lichtelijk sidderden haar kaken. Plots sprong Dirk woest op, bonkte z’n[78]stoel tegen den muur dat duifkorfje trilde en vrouw Hassel opschokte van ’r zitje.Met rumoer ging ie den stal in, achteruit op straat. Guurt was gretig in Wierelandsch krantje gaan koekeloeren of ze ook iets van de koningin lezen kon, van wie ze boven haar slaapstoel twintig beeltenissen had hangen, in al andere standen en leeftijden. In ’r egoïstische voorstellingen, waan-zeker en achterhoeksch-bedompt, wemelde ’t van licht, goud en juweel, als ze aan de koningin dacht. En hoog, op ’r verheven stoel zag ze Wilhelmientje zitten. Van de kranten-berichten begreep ze niet veel; uit ’n behoorlijken zin kon ze juist niet wijs worden.… Als t’r zoo stond, in die deftige krantentaal, voelde ze zich kregel, ’t verwarde hààr voorstellingen, wantdiealleen leefden voor haar. ’n Paar dingen maar, licht, juweelen en goud, overal goud en ’n hooge stoel, ’n troon,—dat alles omgedraaid en omgedraaid in allerlei variaties, bedacht en bekeken met haar achterhoekschen weelde-hartstocht, dat ’t sterde en fonkelde voor d’r oogen. En nou die kranten! Maar half lezen had ze geleerd. Dirk voelde heelemaal niets voor ’t feest; wist niet eens waar Den Haag lag. Toch zou ze doorlezen. Knusserig schonk ze zich nog ’n kopje leut in, en naast ’r, schoof bevend-gulzig, de blauw-doorpeeste grauwige beef-hand van ’r moeder, die ook weer hebben wou. Plots kwam Dirk weer in, plompte zich weer neer bij de kachel. Guurt frommelde ’t krantje op zij. Niks snapte ze ’r van. De Ouë zat met ingezakt lijf in z’n op schoot gedrukt en tabakspot te morrelen, lijmerig z’n pijp vullend, vingerdiep, den tabak met duwetjes bedaard inplettend.—Vroolijk snaterde Guurt weer op.…—Hep jullie hoort van die raike vent van Duinkaik.… die hep s’n aige veur s’n kop skote.…—F’rdomd! riep in verbazing ouë Gerrit uit, onder zuigend aantrekken van z’n pijp.—Of tie!.… de kommenai is d’r vol van.… en de slager sait ’t ook.… en welk gast je d’r spreekt.… de heule ploats weut ’t.… s’n aige doodskote.…[79]—En ikke hep hoort dat tie valle is, zei Piet, leuk-ontgoochelend ’t nieuwtje van Guurt.—Main kristus! wa jokkes, sloeg Guurt de handen met ’n klets in mekaar.—F’rhange, zei plots, kort-stug Dirk, f’rhange, da heppe se main sait.…—Wie sait dà’ nou.…?—Kees.…!—Kees, Kees, bromde de Ouë, da beest.… die hep s’n skoenlappertjesmoandag weer.… sal dronke weest sain.… t’met nooit nuchter hoho!.…—Da lieg je Ouë.… da lieg je.… driftte Dirk met ’n slag op tafel.Stil bleef de Ouë doordampen in snelle zenuwtrekjes aan z’n pijp, omwaasd in rook. Maar verjenne, wat keek die Dirk leelijk. Waarom most ie dat ook zegge. Hij wist tug da Dirk geen kwaad op Kees kon hooren. Hij bleef zwijgen, zuigend reutelende haaltjes uit z’n pijp. Guurt wou geen ruzie, ze had er genoeg van. Nog volgepropt zat ze met nieuws.—Nou die soon van die kwinkkwank in de Bikkerstroat.. die sosiaal?… die hep mit se moeder motte f’rhuise.… hai hep skult bij de slager en skult bij de bakker en skult bij de kruienier.… en se motte d’r of.… en ’t heule spul mot f’rkocht.… murrege.…—Daa’s puur klets maid, sarde Piet weer leuk.… hai hep skarrelt mit Mie van de metselaar.… en da sit nou mit jonk.. en nou hep ie van d’r broer op s’n ribbekast hat.… en nou durft ie nie meer op stroat komme.…—Niks van woar.… sloeg Guurt weer ’r handen de lucht in met ’n klets tegen elkander.… Mie sit nie mit jonk.… en s’dient in Amsterdam.…—Nou, bitste Piet.… seg.… is m’ ook ’n happie!.… wa sou dat? hep se doar g’n dam legge kenne.… kom sussie?.. kaik m’rais in main fieselemie.… seg, kaik nou nie soo onnoosel.…—Seg Piet, vleide plots stern-zacht Guurt, van-oàvent is d’r[80]in de Son soo’n prèchtige kemedie.… toe, neem màin nou d’r is mee?—Jai hep main noodig, debies, neenet snurkert, da’ lapje main nie!—Main kristus, ik hep nooit niks.… nooit, driftte Guurt gemaakt; heé Piet.… toe.… wees d’r nou erais ’n oardige knoap!.… ik hep aêrs soo’n dooie Sinterklòas.… se speule van moorde.… soo vreeselik.… je weut wel daa’k ’r dol op bin.…—Nee Guurt, daa’s niks veur jou.… dan grien je.…—Nou ik sel niet-en griene.… toe Piet.… feremp’l.… ikke sel niet-en griene.… ik bin d’r soo dol op.… op die moorde, aa’s sullie vechte en d’r binne allegoar ongelukke.… nou, dan hou ’k jòu vrai.… sullie vechte d’r mit messe.… Geert Grint hept veleje joar self sien.… toe Piet.… sel je nie beroue.… kaik.… soo hiet ’t.… waor is ’t krantje?.. hé moeder! gaif hier!.… kaik.… Lesoare de Veehoeder.… kaik, vaif tefreele.… de moord in de herberg.… en.… wachters van ’t pelais woakt.… Te dansen begon Guurt, te stem-vleien. Ze hield dol van vreeslijke dingen. Bij elk vechtpartijtje in Wiereland was ze te zien, vooraan, en toch vond ze ’t vreeselijk naar en griezelig. Als ze bloed zag vloeien met vechtpartijen, dan krampte ’r iets in er van heerlijke naarheid. Van moorden, spoken en ongelukken wou ze alles haarfijn weten, en hoe bloederiger, hoe naarder, hoe griezeliger ze genoot.Maar Piet was niet te vermurwen. Van avond, strooiavond, nee, dan most ie de ploats op, lollen met de meiden en zuipers.—Wa’ geep, nijdigde Guurt, nou, dan goan ’k alleenig!.…Dirk zat lichtelijk te ronken, met kop tegen kachelpijp.… z’n ingezakt lijf stonk van grondvuil.… z’n stomp-wreed gezicht stond grimmig als van ’n slapenden bloed-dog en z’n vurige zeerende wimpers, streepten pijnlijk-rood onder z’n in gelen lampschemer, duisterende oogen. Hem vroeg ze niet eens.[81]

[Inhoud]III.Het half-zesje stond klaar in de woonkamer. Vrouw Hassel en Guurt hadden hompen brood met kaas en roggebrood, zoo maar, op kale tafel klaar gesneden. De koffie stond te bakken op petroleumlichtje dat knepperde en stonk. Zwaar stoelgestommel rumoerde voor allen rustig zaten en gebeden hadden. Met handpalmen verkreukten en trokken ze hun brood af. Moeder Hassel schonk koffie.… koffie was haar eenige troost. De dokter had gezegd, dat ze ’t niet moest drinken, maar ze vergat ’t. Vroeger al had haar hevige drinkhartstocht elk bezwaar overrompeld. Ze mòest drinken. Den heelen dag dronk ze, dronk ze, spoelde ze iets weg in ’r, door dien heet-zoetigen smaak. Wel dertig kommetjes sloeg ze in. Dat was ’t eenige dat ’r staande hield, en ’r verdriet verdoofde. Daarom stond ’t wit-steenen koffiepotje, koud en bruin-besopt aan alle kanten, roetig-ingebrand bij den bodem, den heelen dag op ’t stinkende petroleumpitje. Bakken mòest ze. Water bij eerste treksel, water bij tweede treksel, al slapper, valer, viezer sop, klonteriger en grondiger; daarop weer nieuw gedrop. Zoo klieterde heel Wiereland bij de koffie. Overal in de tuinders- en werkmanskrotjes stonden de bemorste petroleumstelletjes, duffig en roetig-vies; stond vaal-bruin blad met grauw-steenen kopjes,[74]uitgeschulpt en bepuist, naast ’n nikkel komfoortje, vuil-verbrand of pracht-blinkend.—Skenk main nog wa’ leut, snorkte Piet tegen Guurt, met ’n bons z’n kopje op tafel dreunend.—Nou, lachte Guurt, jai hep t’met ’n dam lait.… se kenne d’r puur ’n spaiker op je moag glaikkloppe.… wat ’n pens!..—Kaik die, waa’t hekkepunter.… wat ’n bemoeial, sou je d’r nie ’n druil om d’r hoet ketse?.…Vlug, lacherig nog om Piet’s vraatzucht, schonk Guurt in. Stil gesmak zoog door ’t kamerke, dat sufte in z’n dof-geel lamp-schijnsel, waarin de staartklok alléén, met z’n koperslagwerk, zacht òpglimmerde in lichte, schichtige glans-veegjes. Telkens nog bonkten ringrukken van de koeien uit den stal, of het snikken even van ’n herkauwende, zuchtte tegen de half-opene kamerdeur. Bij nieuwe broodhompen sperden wijer open de kaken, lebberden de monden, lui en vadsig in de broeiige kachel-warmte en loom tiktakte de friesche, met iets van winterigen slaaplust in z’n slingergang.Vrouw Hassel zat jammerlijk stil en verlaten te kijk-suffen onder het scheefhangende lampje, met z’n geel-rood vuil vlammetje en naargeestig schijnsel. Half afgezakt van haar stoel zat ze, in ’r vettig bruinige huisjapon, die bochelde op ’r rug. Haar afgeleefd rimpelgezicht leek grauw-zwart. D’r grijzig groezel-haar, dat flodderig los uitslonsde onder de smerige, bij de ooren gepunt-kruide steekmuts, die schedel-naakte gleuven door het gaas schemeren liet, overhuifde zwaar en donker ’r klein monsterlijk gezicht. Telkens gulzigde ze ’n slok koffie in, dat ’r magere keelkrop er van natrilde en beet dan weer op de punt van ’r vettig schortje.Tranen pinkelden plots in ’r brandende oogen die gloeiden, alsof er kalk ingewaaid was. Om ’r breed-dunnen kwijl-mond, waar op afzakte, pappig wangvleesch, dat als los vel zwabberde op kakement, in teistering doorgroefd, doolden trekken van verlammenden angst, spanning om te willen volgen wat om ’r heen gebeurde, vast te houen wat ze dof hoorde.[75]Even na ’t schemeruur hadden ze d’r weer geknauwd, waren, ze ’r weer op ’t lijf gevallen met vergeet-dingen.En Guurt had ’t hardst meegekrijscht, blind voor d’r smart, zelf zich lekker, sterk, frisch, jong voelend. Nou was vrouw Hassel weer uit haar beetje opgeleefde vreugd gestooten. In één zag, hoorde ze weer alles veel slechter, vatte ze niets, ging ’r ’n lijm’rige verbinding van woorden door ’t hoofd, suizelde en spande ’t overal in ’r, hoorde ze geruisch, verdoffend om ’r héén, van stemmen en àldoor achteréén, fluiterig gegil door de hersens diep in ’r ooren. En telkens slokte ze gulziger ’r koffie-vocht lekker, warm, smakkend en opzuigend de zoetige vuilheid, die ’r niks zei, niks verweet, niet aan ’t schrikken maakte.Paf-rust loomde ’r weer in ’t kamerke, waarin de dingen, boers-knus aanglinsterden. Klein-stijf stond in ’n dwarshoek, schuintjes, ’n pronkschoorsteentje, zelf-getimmerd plankje, omspannen met vaalrood lapje, koper-bepend. Om de lakzwarte glimkachel lag morsvuil, ingetrapt kolengruis en ’t plaatje dofte blikkig. Glanzerig van politoer-lichtvleksel, in rood-bruine gladheid stond er tegenover mahoniehout linnenkastje, parmantig-stijf, op klein-breed poot werk, aan hoeken versierd met poppetjes-spul, fel-kleurig steen, en tegen het blom-grof, geel behang, hingen los-opgehaarspelde gore haarwerkjes en kleur-stervende chromo’s, koningen met pelzen en Zwitsersch meer-blauwsel. Alles bakte en loomde ’r vergeten in boerenknusheid. De grof-rooie stoelen, met hevig geel bies-streepsel stonden te drenzen in den doffen lampschijn. Alleen de kwikzilverige vaasjes, buikig-rustig, op het mahonie-kastje, vroolijkten met breed-mondige lichtstreepjes. Naast de kachel, achter vuilen kolenbak, pronkte rijk-ongedeerd, koperen standaard, met schep, koperen tang en pook, sierlijk gebogen en zacht-beflonkerd, smetteloos voornaam lachend tegen den vuil-roetigen pook die ernaast op ’n stoel lag. In ’n anderen hoek van laag-balkend kamerke wemelde ’t van portretten, op klein tafeltje met goor-stijf-krullig haakwerk belooperd. En vlak achter vrouw Hassel donkerde ’n korf met tortelduifje, dat uit z’n beduisterd kamerhoekje klagelijk koekeroede.[76]Tusschen stemgepraat en eetgesmak, bij stilte-poozen, weemoedigde ’t duifje, uit ’t licht geschoven, in z’n korfje, op ’n voetstuk van gebroken bloemstandaardje, dat sidderde als ’t diertje sprong. Zacht klagelijk koekeroede z’n zwel-kropje, als ’n kindje, dat ergens ver, zacht te schreien en te snikken lag. Plots trok Guurt ’t meer in den lichtkring, toen ’t juist, wil-venijnig zich-zelf in z’n veertjes zat te snavelen, hals verdraaiend diep. Bij ’t geschuif, plots vooruit, in ’t licht nu, dat z’n korfje inschemerde, dook z’n kopje onder de veeren weg, begon ie stil te loeren voor zich uit, stil, als luisterend naar wat gezegd werd door Guurt. Dan weer keek ie bijzij àf met z’n donkere karmijn-oogjes, die kniploos stonden, staàr, stil. In één weer kropte dan, uit teeder donsborstje klagelijk kindergekreun, heel zacht en als van ver, koekeroekoe, koekeroekoe, melancholiek in de paffende, scheemrige kamerke-rust. Guurt, met dikken vinger, krauwde z’n nekje, door korf-tralie heen onder staal-blauw glans-kraagje vol violette weerschijntjes en groenige schubbetjes. En geestig, onder ’t krauwen, vonkten donker, z’n rooie gloed-oogjes van lekkerheid, ging dommig-dwars z’n teer kopje als om te luisteren, weemoedden weer z’n koekeroe’s klagelijk kamerke in.Plots gaf Guurt ’t korfje weer ’n duw achteruit, dat tortelduifje wegdonkerde in ’n hoek, en schrik in z’n wijnrooie oogjes stolde. Ouë Gerrit had Guurt wat gevraagd, die lijmerend onverstaanbaar antwoordde met vollen mond.—Nou joa.… sel ’k moar segge.… fa’n koniggin Fillemientje.… hai je nog wat lese kenne.… eenmoal.… andermoal.…Klank van groote onderdanigheid was er in z’n stem gaan beven, en met vreemd-rilligen eerbied sprak ie den naam van Wilhelmina uit. Dirk schoof stil Guurt z’n koppie toe.—Kijkend naar d’r vader, schonk ze gedachteloos in, gansch bevangen door het denken aan de rijke almachtige koningin.…—Hée doedelsak, lachte Piet, haar tegen den arm stootend, genog, je skinkt t’r snof’rjenne noast.…—Aa’s se nouw t’met trouwe goat Ouë, schokkerde Guurt,[77]alsof ze niets gehoord had, door,.… aa’s sai nouw trouwe goat de koniggin.… hep sai dan d’r femilje.… en magge die d’r na kaike?.…Ouë Gerrit schaamde zich altijd ’n beetje voor de groote kerels en z’n meid dat ie d’r niks van wist, en dat tie nie lezen kon. Brutaal, lukraak stootte ie ’r maar uit:—Wel joa.… sel d’r ommirs puur niks.… skele kenne.. dà moak niks, loa se kaike!.… je hep ’r ven dit.… en ven dàt.… op soo’n dag.… hoho.… ho.… se komme uit de hooge!.… sel ’k moar segge.… en mit hoarlie pakkies àn.… afain.… fiere en vaife en nie genog.… enne.…—Nou joa, hield Guurt vol, die nog niets wijzer was.—Toe maid, gromde Dirk, die nauwelijks wist dat ’r ’n koningin bestond, skenk in, je skenkt t’r noast.…—Nee, jokkes, verdedigde Guurt, maar nog niet loslatend haar vader:—Moar .… enne.… nou.… aas d’r puur hooge.…—Kaik tug veur je.… doedelsak, je skenkt op main poote, helhoak.…—Main kristus, waâ jokkes.…—Nou grinnikte Piet, skeelt t’met gain koe.… skeelt t’met gain koe.—Jesses wà’ kerels.… wa hep jai smoor in.… en jullie.. jullie.… wete d’r ook gain snars van.… weet jai ’t moeder?.…Ze schrok op, vrouw Hassel. Niemand vroeg haar ooit wat over zulk soort dingen.—Gut.… schokte ze stemhaperend.… da wee’k nie.… al t’met.…Schuw brak ze af, gejaagd, want nou, waarachtig, nou wist ze niet eens meer waarover ’t ging, wàt Guurt gevraagd had. Haar leerig gezichtsvel fronste samen in monsterlijke rimpeling, en haar grijs-grauwe brauwen dottigden krampend. Vergeten, vergeten, smartte ’t stil in ’r, met ’n snikhuil, maar uiterlijk bleef schrei-loos haar gelaat. Alleen lichtelijk sidderden haar kaken. Plots sprong Dirk woest op, bonkte z’n[78]stoel tegen den muur dat duifkorfje trilde en vrouw Hassel opschokte van ’r zitje.Met rumoer ging ie den stal in, achteruit op straat. Guurt was gretig in Wierelandsch krantje gaan koekeloeren of ze ook iets van de koningin lezen kon, van wie ze boven haar slaapstoel twintig beeltenissen had hangen, in al andere standen en leeftijden. In ’r egoïstische voorstellingen, waan-zeker en achterhoeksch-bedompt, wemelde ’t van licht, goud en juweel, als ze aan de koningin dacht. En hoog, op ’r verheven stoel zag ze Wilhelmientje zitten. Van de kranten-berichten begreep ze niet veel; uit ’n behoorlijken zin kon ze juist niet wijs worden.… Als t’r zoo stond, in die deftige krantentaal, voelde ze zich kregel, ’t verwarde hààr voorstellingen, wantdiealleen leefden voor haar. ’n Paar dingen maar, licht, juweelen en goud, overal goud en ’n hooge stoel, ’n troon,—dat alles omgedraaid en omgedraaid in allerlei variaties, bedacht en bekeken met haar achterhoekschen weelde-hartstocht, dat ’t sterde en fonkelde voor d’r oogen. En nou die kranten! Maar half lezen had ze geleerd. Dirk voelde heelemaal niets voor ’t feest; wist niet eens waar Den Haag lag. Toch zou ze doorlezen. Knusserig schonk ze zich nog ’n kopje leut in, en naast ’r, schoof bevend-gulzig, de blauw-doorpeeste grauwige beef-hand van ’r moeder, die ook weer hebben wou. Plots kwam Dirk weer in, plompte zich weer neer bij de kachel. Guurt frommelde ’t krantje op zij. Niks snapte ze ’r van. De Ouë zat met ingezakt lijf in z’n op schoot gedrukt en tabakspot te morrelen, lijmerig z’n pijp vullend, vingerdiep, den tabak met duwetjes bedaard inplettend.—Vroolijk snaterde Guurt weer op.…—Hep jullie hoort van die raike vent van Duinkaik.… die hep s’n aige veur s’n kop skote.…—F’rdomd! riep in verbazing ouë Gerrit uit, onder zuigend aantrekken van z’n pijp.—Of tie!.… de kommenai is d’r vol van.… en de slager sait ’t ook.… en welk gast je d’r spreekt.… de heule ploats weut ’t.… s’n aige doodskote.…[79]—En ikke hep hoort dat tie valle is, zei Piet, leuk-ontgoochelend ’t nieuwtje van Guurt.—Main kristus! wa jokkes, sloeg Guurt de handen met ’n klets in mekaar.—F’rhange, zei plots, kort-stug Dirk, f’rhange, da heppe se main sait.…—Wie sait dà’ nou.…?—Kees.…!—Kees, Kees, bromde de Ouë, da beest.… die hep s’n skoenlappertjesmoandag weer.… sal dronke weest sain.… t’met nooit nuchter hoho!.…—Da lieg je Ouë.… da lieg je.… driftte Dirk met ’n slag op tafel.Stil bleef de Ouë doordampen in snelle zenuwtrekjes aan z’n pijp, omwaasd in rook. Maar verjenne, wat keek die Dirk leelijk. Waarom most ie dat ook zegge. Hij wist tug da Dirk geen kwaad op Kees kon hooren. Hij bleef zwijgen, zuigend reutelende haaltjes uit z’n pijp. Guurt wou geen ruzie, ze had er genoeg van. Nog volgepropt zat ze met nieuws.—Nou die soon van die kwinkkwank in de Bikkerstroat.. die sosiaal?… die hep mit se moeder motte f’rhuise.… hai hep skult bij de slager en skult bij de bakker en skult bij de kruienier.… en se motte d’r of.… en ’t heule spul mot f’rkocht.… murrege.…—Daa’s puur klets maid, sarde Piet weer leuk.… hai hep skarrelt mit Mie van de metselaar.… en da sit nou mit jonk.. en nou hep ie van d’r broer op s’n ribbekast hat.… en nou durft ie nie meer op stroat komme.…—Niks van woar.… sloeg Guurt weer ’r handen de lucht in met ’n klets tegen elkander.… Mie sit nie mit jonk.… en s’dient in Amsterdam.…—Nou, bitste Piet.… seg.… is m’ ook ’n happie!.… wa sou dat? hep se doar g’n dam legge kenne.… kom sussie?.. kaik m’rais in main fieselemie.… seg, kaik nou nie soo onnoosel.…—Seg Piet, vleide plots stern-zacht Guurt, van-oàvent is d’r[80]in de Son soo’n prèchtige kemedie.… toe, neem màin nou d’r is mee?—Jai hep main noodig, debies, neenet snurkert, da’ lapje main nie!—Main kristus, ik hep nooit niks.… nooit, driftte Guurt gemaakt; heé Piet.… toe.… wees d’r nou erais ’n oardige knoap!.… ik hep aêrs soo’n dooie Sinterklòas.… se speule van moorde.… soo vreeselik.… je weut wel daa’k ’r dol op bin.…—Nee Guurt, daa’s niks veur jou.… dan grien je.…—Nou ik sel niet-en griene.… toe Piet.… feremp’l.… ikke sel niet-en griene.… ik bin d’r soo dol op.… op die moorde, aa’s sullie vechte en d’r binne allegoar ongelukke.… nou, dan hou ’k jòu vrai.… sullie vechte d’r mit messe.… Geert Grint hept veleje joar self sien.… toe Piet.… sel je nie beroue.… kaik.… soo hiet ’t.… waor is ’t krantje?.. hé moeder! gaif hier!.… kaik.… Lesoare de Veehoeder.… kaik, vaif tefreele.… de moord in de herberg.… en.… wachters van ’t pelais woakt.… Te dansen begon Guurt, te stem-vleien. Ze hield dol van vreeslijke dingen. Bij elk vechtpartijtje in Wiereland was ze te zien, vooraan, en toch vond ze ’t vreeselijk naar en griezelig. Als ze bloed zag vloeien met vechtpartijen, dan krampte ’r iets in er van heerlijke naarheid. Van moorden, spoken en ongelukken wou ze alles haarfijn weten, en hoe bloederiger, hoe naarder, hoe griezeliger ze genoot.Maar Piet was niet te vermurwen. Van avond, strooiavond, nee, dan most ie de ploats op, lollen met de meiden en zuipers.—Wa’ geep, nijdigde Guurt, nou, dan goan ’k alleenig!.…Dirk zat lichtelijk te ronken, met kop tegen kachelpijp.… z’n ingezakt lijf stonk van grondvuil.… z’n stomp-wreed gezicht stond grimmig als van ’n slapenden bloed-dog en z’n vurige zeerende wimpers, streepten pijnlijk-rood onder z’n in gelen lampschemer, duisterende oogen. Hem vroeg ze niet eens.[81]

[Inhoud]III.Het half-zesje stond klaar in de woonkamer. Vrouw Hassel en Guurt hadden hompen brood met kaas en roggebrood, zoo maar, op kale tafel klaar gesneden. De koffie stond te bakken op petroleumlichtje dat knepperde en stonk. Zwaar stoelgestommel rumoerde voor allen rustig zaten en gebeden hadden. Met handpalmen verkreukten en trokken ze hun brood af. Moeder Hassel schonk koffie.… koffie was haar eenige troost. De dokter had gezegd, dat ze ’t niet moest drinken, maar ze vergat ’t. Vroeger al had haar hevige drinkhartstocht elk bezwaar overrompeld. Ze mòest drinken. Den heelen dag dronk ze, dronk ze, spoelde ze iets weg in ’r, door dien heet-zoetigen smaak. Wel dertig kommetjes sloeg ze in. Dat was ’t eenige dat ’r staande hield, en ’r verdriet verdoofde. Daarom stond ’t wit-steenen koffiepotje, koud en bruin-besopt aan alle kanten, roetig-ingebrand bij den bodem, den heelen dag op ’t stinkende petroleumpitje. Bakken mòest ze. Water bij eerste treksel, water bij tweede treksel, al slapper, valer, viezer sop, klonteriger en grondiger; daarop weer nieuw gedrop. Zoo klieterde heel Wiereland bij de koffie. Overal in de tuinders- en werkmanskrotjes stonden de bemorste petroleumstelletjes, duffig en roetig-vies; stond vaal-bruin blad met grauw-steenen kopjes,[74]uitgeschulpt en bepuist, naast ’n nikkel komfoortje, vuil-verbrand of pracht-blinkend.—Skenk main nog wa’ leut, snorkte Piet tegen Guurt, met ’n bons z’n kopje op tafel dreunend.—Nou, lachte Guurt, jai hep t’met ’n dam lait.… se kenne d’r puur ’n spaiker op je moag glaikkloppe.… wat ’n pens!..—Kaik die, waa’t hekkepunter.… wat ’n bemoeial, sou je d’r nie ’n druil om d’r hoet ketse?.…Vlug, lacherig nog om Piet’s vraatzucht, schonk Guurt in. Stil gesmak zoog door ’t kamerke, dat sufte in z’n dof-geel lamp-schijnsel, waarin de staartklok alléén, met z’n koperslagwerk, zacht òpglimmerde in lichte, schichtige glans-veegjes. Telkens nog bonkten ringrukken van de koeien uit den stal, of het snikken even van ’n herkauwende, zuchtte tegen de half-opene kamerdeur. Bij nieuwe broodhompen sperden wijer open de kaken, lebberden de monden, lui en vadsig in de broeiige kachel-warmte en loom tiktakte de friesche, met iets van winterigen slaaplust in z’n slingergang.Vrouw Hassel zat jammerlijk stil en verlaten te kijk-suffen onder het scheefhangende lampje, met z’n geel-rood vuil vlammetje en naargeestig schijnsel. Half afgezakt van haar stoel zat ze, in ’r vettig bruinige huisjapon, die bochelde op ’r rug. Haar afgeleefd rimpelgezicht leek grauw-zwart. D’r grijzig groezel-haar, dat flodderig los uitslonsde onder de smerige, bij de ooren gepunt-kruide steekmuts, die schedel-naakte gleuven door het gaas schemeren liet, overhuifde zwaar en donker ’r klein monsterlijk gezicht. Telkens gulzigde ze ’n slok koffie in, dat ’r magere keelkrop er van natrilde en beet dan weer op de punt van ’r vettig schortje.Tranen pinkelden plots in ’r brandende oogen die gloeiden, alsof er kalk ingewaaid was. Om ’r breed-dunnen kwijl-mond, waar op afzakte, pappig wangvleesch, dat als los vel zwabberde op kakement, in teistering doorgroefd, doolden trekken van verlammenden angst, spanning om te willen volgen wat om ’r heen gebeurde, vast te houen wat ze dof hoorde.[75]Even na ’t schemeruur hadden ze d’r weer geknauwd, waren, ze ’r weer op ’t lijf gevallen met vergeet-dingen.En Guurt had ’t hardst meegekrijscht, blind voor d’r smart, zelf zich lekker, sterk, frisch, jong voelend. Nou was vrouw Hassel weer uit haar beetje opgeleefde vreugd gestooten. In één zag, hoorde ze weer alles veel slechter, vatte ze niets, ging ’r ’n lijm’rige verbinding van woorden door ’t hoofd, suizelde en spande ’t overal in ’r, hoorde ze geruisch, verdoffend om ’r héén, van stemmen en àldoor achteréén, fluiterig gegil door de hersens diep in ’r ooren. En telkens slokte ze gulziger ’r koffie-vocht lekker, warm, smakkend en opzuigend de zoetige vuilheid, die ’r niks zei, niks verweet, niet aan ’t schrikken maakte.Paf-rust loomde ’r weer in ’t kamerke, waarin de dingen, boers-knus aanglinsterden. Klein-stijf stond in ’n dwarshoek, schuintjes, ’n pronkschoorsteentje, zelf-getimmerd plankje, omspannen met vaalrood lapje, koper-bepend. Om de lakzwarte glimkachel lag morsvuil, ingetrapt kolengruis en ’t plaatje dofte blikkig. Glanzerig van politoer-lichtvleksel, in rood-bruine gladheid stond er tegenover mahoniehout linnenkastje, parmantig-stijf, op klein-breed poot werk, aan hoeken versierd met poppetjes-spul, fel-kleurig steen, en tegen het blom-grof, geel behang, hingen los-opgehaarspelde gore haarwerkjes en kleur-stervende chromo’s, koningen met pelzen en Zwitsersch meer-blauwsel. Alles bakte en loomde ’r vergeten in boerenknusheid. De grof-rooie stoelen, met hevig geel bies-streepsel stonden te drenzen in den doffen lampschijn. Alleen de kwikzilverige vaasjes, buikig-rustig, op het mahonie-kastje, vroolijkten met breed-mondige lichtstreepjes. Naast de kachel, achter vuilen kolenbak, pronkte rijk-ongedeerd, koperen standaard, met schep, koperen tang en pook, sierlijk gebogen en zacht-beflonkerd, smetteloos voornaam lachend tegen den vuil-roetigen pook die ernaast op ’n stoel lag. In ’n anderen hoek van laag-balkend kamerke wemelde ’t van portretten, op klein tafeltje met goor-stijf-krullig haakwerk belooperd. En vlak achter vrouw Hassel donkerde ’n korf met tortelduifje, dat uit z’n beduisterd kamerhoekje klagelijk koekeroede.[76]Tusschen stemgepraat en eetgesmak, bij stilte-poozen, weemoedigde ’t duifje, uit ’t licht geschoven, in z’n korfje, op ’n voetstuk van gebroken bloemstandaardje, dat sidderde als ’t diertje sprong. Zacht klagelijk koekeroede z’n zwel-kropje, als ’n kindje, dat ergens ver, zacht te schreien en te snikken lag. Plots trok Guurt ’t meer in den lichtkring, toen ’t juist, wil-venijnig zich-zelf in z’n veertjes zat te snavelen, hals verdraaiend diep. Bij ’t geschuif, plots vooruit, in ’t licht nu, dat z’n korfje inschemerde, dook z’n kopje onder de veeren weg, begon ie stil te loeren voor zich uit, stil, als luisterend naar wat gezegd werd door Guurt. Dan weer keek ie bijzij àf met z’n donkere karmijn-oogjes, die kniploos stonden, staàr, stil. In één weer kropte dan, uit teeder donsborstje klagelijk kindergekreun, heel zacht en als van ver, koekeroekoe, koekeroekoe, melancholiek in de paffende, scheemrige kamerke-rust. Guurt, met dikken vinger, krauwde z’n nekje, door korf-tralie heen onder staal-blauw glans-kraagje vol violette weerschijntjes en groenige schubbetjes. En geestig, onder ’t krauwen, vonkten donker, z’n rooie gloed-oogjes van lekkerheid, ging dommig-dwars z’n teer kopje als om te luisteren, weemoedden weer z’n koekeroe’s klagelijk kamerke in.Plots gaf Guurt ’t korfje weer ’n duw achteruit, dat tortelduifje wegdonkerde in ’n hoek, en schrik in z’n wijnrooie oogjes stolde. Ouë Gerrit had Guurt wat gevraagd, die lijmerend onverstaanbaar antwoordde met vollen mond.—Nou joa.… sel ’k moar segge.… fa’n koniggin Fillemientje.… hai je nog wat lese kenne.… eenmoal.… andermoal.…Klank van groote onderdanigheid was er in z’n stem gaan beven, en met vreemd-rilligen eerbied sprak ie den naam van Wilhelmina uit. Dirk schoof stil Guurt z’n koppie toe.—Kijkend naar d’r vader, schonk ze gedachteloos in, gansch bevangen door het denken aan de rijke almachtige koningin.…—Hée doedelsak, lachte Piet, haar tegen den arm stootend, genog, je skinkt t’r snof’rjenne noast.…—Aa’s se nouw t’met trouwe goat Ouë, schokkerde Guurt,[77]alsof ze niets gehoord had, door,.… aa’s sai nouw trouwe goat de koniggin.… hep sai dan d’r femilje.… en magge die d’r na kaike?.…Ouë Gerrit schaamde zich altijd ’n beetje voor de groote kerels en z’n meid dat ie d’r niks van wist, en dat tie nie lezen kon. Brutaal, lukraak stootte ie ’r maar uit:—Wel joa.… sel d’r ommirs puur niks.… skele kenne.. dà moak niks, loa se kaike!.… je hep ’r ven dit.… en ven dàt.… op soo’n dag.… hoho.… ho.… se komme uit de hooge!.… sel ’k moar segge.… en mit hoarlie pakkies àn.… afain.… fiere en vaife en nie genog.… enne.…—Nou joa, hield Guurt vol, die nog niets wijzer was.—Toe maid, gromde Dirk, die nauwelijks wist dat ’r ’n koningin bestond, skenk in, je skenkt t’r noast.…—Nee, jokkes, verdedigde Guurt, maar nog niet loslatend haar vader:—Moar .… enne.… nou.… aas d’r puur hooge.…—Kaik tug veur je.… doedelsak, je skenkt op main poote, helhoak.…—Main kristus, waâ jokkes.…—Nou grinnikte Piet, skeelt t’met gain koe.… skeelt t’met gain koe.—Jesses wà’ kerels.… wa hep jai smoor in.… en jullie.. jullie.… wete d’r ook gain snars van.… weet jai ’t moeder?.…Ze schrok op, vrouw Hassel. Niemand vroeg haar ooit wat over zulk soort dingen.—Gut.… schokte ze stemhaperend.… da wee’k nie.… al t’met.…Schuw brak ze af, gejaagd, want nou, waarachtig, nou wist ze niet eens meer waarover ’t ging, wàt Guurt gevraagd had. Haar leerig gezichtsvel fronste samen in monsterlijke rimpeling, en haar grijs-grauwe brauwen dottigden krampend. Vergeten, vergeten, smartte ’t stil in ’r, met ’n snikhuil, maar uiterlijk bleef schrei-loos haar gelaat. Alleen lichtelijk sidderden haar kaken. Plots sprong Dirk woest op, bonkte z’n[78]stoel tegen den muur dat duifkorfje trilde en vrouw Hassel opschokte van ’r zitje.Met rumoer ging ie den stal in, achteruit op straat. Guurt was gretig in Wierelandsch krantje gaan koekeloeren of ze ook iets van de koningin lezen kon, van wie ze boven haar slaapstoel twintig beeltenissen had hangen, in al andere standen en leeftijden. In ’r egoïstische voorstellingen, waan-zeker en achterhoeksch-bedompt, wemelde ’t van licht, goud en juweel, als ze aan de koningin dacht. En hoog, op ’r verheven stoel zag ze Wilhelmientje zitten. Van de kranten-berichten begreep ze niet veel; uit ’n behoorlijken zin kon ze juist niet wijs worden.… Als t’r zoo stond, in die deftige krantentaal, voelde ze zich kregel, ’t verwarde hààr voorstellingen, wantdiealleen leefden voor haar. ’n Paar dingen maar, licht, juweelen en goud, overal goud en ’n hooge stoel, ’n troon,—dat alles omgedraaid en omgedraaid in allerlei variaties, bedacht en bekeken met haar achterhoekschen weelde-hartstocht, dat ’t sterde en fonkelde voor d’r oogen. En nou die kranten! Maar half lezen had ze geleerd. Dirk voelde heelemaal niets voor ’t feest; wist niet eens waar Den Haag lag. Toch zou ze doorlezen. Knusserig schonk ze zich nog ’n kopje leut in, en naast ’r, schoof bevend-gulzig, de blauw-doorpeeste grauwige beef-hand van ’r moeder, die ook weer hebben wou. Plots kwam Dirk weer in, plompte zich weer neer bij de kachel. Guurt frommelde ’t krantje op zij. Niks snapte ze ’r van. De Ouë zat met ingezakt lijf in z’n op schoot gedrukt en tabakspot te morrelen, lijmerig z’n pijp vullend, vingerdiep, den tabak met duwetjes bedaard inplettend.—Vroolijk snaterde Guurt weer op.…—Hep jullie hoort van die raike vent van Duinkaik.… die hep s’n aige veur s’n kop skote.…—F’rdomd! riep in verbazing ouë Gerrit uit, onder zuigend aantrekken van z’n pijp.—Of tie!.… de kommenai is d’r vol van.… en de slager sait ’t ook.… en welk gast je d’r spreekt.… de heule ploats weut ’t.… s’n aige doodskote.…[79]—En ikke hep hoort dat tie valle is, zei Piet, leuk-ontgoochelend ’t nieuwtje van Guurt.—Main kristus! wa jokkes, sloeg Guurt de handen met ’n klets in mekaar.—F’rhange, zei plots, kort-stug Dirk, f’rhange, da heppe se main sait.…—Wie sait dà’ nou.…?—Kees.…!—Kees, Kees, bromde de Ouë, da beest.… die hep s’n skoenlappertjesmoandag weer.… sal dronke weest sain.… t’met nooit nuchter hoho!.…—Da lieg je Ouë.… da lieg je.… driftte Dirk met ’n slag op tafel.Stil bleef de Ouë doordampen in snelle zenuwtrekjes aan z’n pijp, omwaasd in rook. Maar verjenne, wat keek die Dirk leelijk. Waarom most ie dat ook zegge. Hij wist tug da Dirk geen kwaad op Kees kon hooren. Hij bleef zwijgen, zuigend reutelende haaltjes uit z’n pijp. Guurt wou geen ruzie, ze had er genoeg van. Nog volgepropt zat ze met nieuws.—Nou die soon van die kwinkkwank in de Bikkerstroat.. die sosiaal?… die hep mit se moeder motte f’rhuise.… hai hep skult bij de slager en skult bij de bakker en skult bij de kruienier.… en se motte d’r of.… en ’t heule spul mot f’rkocht.… murrege.…—Daa’s puur klets maid, sarde Piet weer leuk.… hai hep skarrelt mit Mie van de metselaar.… en da sit nou mit jonk.. en nou hep ie van d’r broer op s’n ribbekast hat.… en nou durft ie nie meer op stroat komme.…—Niks van woar.… sloeg Guurt weer ’r handen de lucht in met ’n klets tegen elkander.… Mie sit nie mit jonk.… en s’dient in Amsterdam.…—Nou, bitste Piet.… seg.… is m’ ook ’n happie!.… wa sou dat? hep se doar g’n dam legge kenne.… kom sussie?.. kaik m’rais in main fieselemie.… seg, kaik nou nie soo onnoosel.…—Seg Piet, vleide plots stern-zacht Guurt, van-oàvent is d’r[80]in de Son soo’n prèchtige kemedie.… toe, neem màin nou d’r is mee?—Jai hep main noodig, debies, neenet snurkert, da’ lapje main nie!—Main kristus, ik hep nooit niks.… nooit, driftte Guurt gemaakt; heé Piet.… toe.… wees d’r nou erais ’n oardige knoap!.… ik hep aêrs soo’n dooie Sinterklòas.… se speule van moorde.… soo vreeselik.… je weut wel daa’k ’r dol op bin.…—Nee Guurt, daa’s niks veur jou.… dan grien je.…—Nou ik sel niet-en griene.… toe Piet.… feremp’l.… ikke sel niet-en griene.… ik bin d’r soo dol op.… op die moorde, aa’s sullie vechte en d’r binne allegoar ongelukke.… nou, dan hou ’k jòu vrai.… sullie vechte d’r mit messe.… Geert Grint hept veleje joar self sien.… toe Piet.… sel je nie beroue.… kaik.… soo hiet ’t.… waor is ’t krantje?.. hé moeder! gaif hier!.… kaik.… Lesoare de Veehoeder.… kaik, vaif tefreele.… de moord in de herberg.… en.… wachters van ’t pelais woakt.… Te dansen begon Guurt, te stem-vleien. Ze hield dol van vreeslijke dingen. Bij elk vechtpartijtje in Wiereland was ze te zien, vooraan, en toch vond ze ’t vreeselijk naar en griezelig. Als ze bloed zag vloeien met vechtpartijen, dan krampte ’r iets in er van heerlijke naarheid. Van moorden, spoken en ongelukken wou ze alles haarfijn weten, en hoe bloederiger, hoe naarder, hoe griezeliger ze genoot.Maar Piet was niet te vermurwen. Van avond, strooiavond, nee, dan most ie de ploats op, lollen met de meiden en zuipers.—Wa’ geep, nijdigde Guurt, nou, dan goan ’k alleenig!.…Dirk zat lichtelijk te ronken, met kop tegen kachelpijp.… z’n ingezakt lijf stonk van grondvuil.… z’n stomp-wreed gezicht stond grimmig als van ’n slapenden bloed-dog en z’n vurige zeerende wimpers, streepten pijnlijk-rood onder z’n in gelen lampschemer, duisterende oogen. Hem vroeg ze niet eens.[81]

[Inhoud]III.Het half-zesje stond klaar in de woonkamer. Vrouw Hassel en Guurt hadden hompen brood met kaas en roggebrood, zoo maar, op kale tafel klaar gesneden. De koffie stond te bakken op petroleumlichtje dat knepperde en stonk. Zwaar stoelgestommel rumoerde voor allen rustig zaten en gebeden hadden. Met handpalmen verkreukten en trokken ze hun brood af. Moeder Hassel schonk koffie.… koffie was haar eenige troost. De dokter had gezegd, dat ze ’t niet moest drinken, maar ze vergat ’t. Vroeger al had haar hevige drinkhartstocht elk bezwaar overrompeld. Ze mòest drinken. Den heelen dag dronk ze, dronk ze, spoelde ze iets weg in ’r, door dien heet-zoetigen smaak. Wel dertig kommetjes sloeg ze in. Dat was ’t eenige dat ’r staande hield, en ’r verdriet verdoofde. Daarom stond ’t wit-steenen koffiepotje, koud en bruin-besopt aan alle kanten, roetig-ingebrand bij den bodem, den heelen dag op ’t stinkende petroleumpitje. Bakken mòest ze. Water bij eerste treksel, water bij tweede treksel, al slapper, valer, viezer sop, klonteriger en grondiger; daarop weer nieuw gedrop. Zoo klieterde heel Wiereland bij de koffie. Overal in de tuinders- en werkmanskrotjes stonden de bemorste petroleumstelletjes, duffig en roetig-vies; stond vaal-bruin blad met grauw-steenen kopjes,[74]uitgeschulpt en bepuist, naast ’n nikkel komfoortje, vuil-verbrand of pracht-blinkend.—Skenk main nog wa’ leut, snorkte Piet tegen Guurt, met ’n bons z’n kopje op tafel dreunend.—Nou, lachte Guurt, jai hep t’met ’n dam lait.… se kenne d’r puur ’n spaiker op je moag glaikkloppe.… wat ’n pens!..—Kaik die, waa’t hekkepunter.… wat ’n bemoeial, sou je d’r nie ’n druil om d’r hoet ketse?.…Vlug, lacherig nog om Piet’s vraatzucht, schonk Guurt in. Stil gesmak zoog door ’t kamerke, dat sufte in z’n dof-geel lamp-schijnsel, waarin de staartklok alléén, met z’n koperslagwerk, zacht òpglimmerde in lichte, schichtige glans-veegjes. Telkens nog bonkten ringrukken van de koeien uit den stal, of het snikken even van ’n herkauwende, zuchtte tegen de half-opene kamerdeur. Bij nieuwe broodhompen sperden wijer open de kaken, lebberden de monden, lui en vadsig in de broeiige kachel-warmte en loom tiktakte de friesche, met iets van winterigen slaaplust in z’n slingergang.Vrouw Hassel zat jammerlijk stil en verlaten te kijk-suffen onder het scheefhangende lampje, met z’n geel-rood vuil vlammetje en naargeestig schijnsel. Half afgezakt van haar stoel zat ze, in ’r vettig bruinige huisjapon, die bochelde op ’r rug. Haar afgeleefd rimpelgezicht leek grauw-zwart. D’r grijzig groezel-haar, dat flodderig los uitslonsde onder de smerige, bij de ooren gepunt-kruide steekmuts, die schedel-naakte gleuven door het gaas schemeren liet, overhuifde zwaar en donker ’r klein monsterlijk gezicht. Telkens gulzigde ze ’n slok koffie in, dat ’r magere keelkrop er van natrilde en beet dan weer op de punt van ’r vettig schortje.Tranen pinkelden plots in ’r brandende oogen die gloeiden, alsof er kalk ingewaaid was. Om ’r breed-dunnen kwijl-mond, waar op afzakte, pappig wangvleesch, dat als los vel zwabberde op kakement, in teistering doorgroefd, doolden trekken van verlammenden angst, spanning om te willen volgen wat om ’r heen gebeurde, vast te houen wat ze dof hoorde.[75]Even na ’t schemeruur hadden ze d’r weer geknauwd, waren, ze ’r weer op ’t lijf gevallen met vergeet-dingen.En Guurt had ’t hardst meegekrijscht, blind voor d’r smart, zelf zich lekker, sterk, frisch, jong voelend. Nou was vrouw Hassel weer uit haar beetje opgeleefde vreugd gestooten. In één zag, hoorde ze weer alles veel slechter, vatte ze niets, ging ’r ’n lijm’rige verbinding van woorden door ’t hoofd, suizelde en spande ’t overal in ’r, hoorde ze geruisch, verdoffend om ’r héén, van stemmen en àldoor achteréén, fluiterig gegil door de hersens diep in ’r ooren. En telkens slokte ze gulziger ’r koffie-vocht lekker, warm, smakkend en opzuigend de zoetige vuilheid, die ’r niks zei, niks verweet, niet aan ’t schrikken maakte.Paf-rust loomde ’r weer in ’t kamerke, waarin de dingen, boers-knus aanglinsterden. Klein-stijf stond in ’n dwarshoek, schuintjes, ’n pronkschoorsteentje, zelf-getimmerd plankje, omspannen met vaalrood lapje, koper-bepend. Om de lakzwarte glimkachel lag morsvuil, ingetrapt kolengruis en ’t plaatje dofte blikkig. Glanzerig van politoer-lichtvleksel, in rood-bruine gladheid stond er tegenover mahoniehout linnenkastje, parmantig-stijf, op klein-breed poot werk, aan hoeken versierd met poppetjes-spul, fel-kleurig steen, en tegen het blom-grof, geel behang, hingen los-opgehaarspelde gore haarwerkjes en kleur-stervende chromo’s, koningen met pelzen en Zwitsersch meer-blauwsel. Alles bakte en loomde ’r vergeten in boerenknusheid. De grof-rooie stoelen, met hevig geel bies-streepsel stonden te drenzen in den doffen lampschijn. Alleen de kwikzilverige vaasjes, buikig-rustig, op het mahonie-kastje, vroolijkten met breed-mondige lichtstreepjes. Naast de kachel, achter vuilen kolenbak, pronkte rijk-ongedeerd, koperen standaard, met schep, koperen tang en pook, sierlijk gebogen en zacht-beflonkerd, smetteloos voornaam lachend tegen den vuil-roetigen pook die ernaast op ’n stoel lag. In ’n anderen hoek van laag-balkend kamerke wemelde ’t van portretten, op klein tafeltje met goor-stijf-krullig haakwerk belooperd. En vlak achter vrouw Hassel donkerde ’n korf met tortelduifje, dat uit z’n beduisterd kamerhoekje klagelijk koekeroede.[76]Tusschen stemgepraat en eetgesmak, bij stilte-poozen, weemoedigde ’t duifje, uit ’t licht geschoven, in z’n korfje, op ’n voetstuk van gebroken bloemstandaardje, dat sidderde als ’t diertje sprong. Zacht klagelijk koekeroede z’n zwel-kropje, als ’n kindje, dat ergens ver, zacht te schreien en te snikken lag. Plots trok Guurt ’t meer in den lichtkring, toen ’t juist, wil-venijnig zich-zelf in z’n veertjes zat te snavelen, hals verdraaiend diep. Bij ’t geschuif, plots vooruit, in ’t licht nu, dat z’n korfje inschemerde, dook z’n kopje onder de veeren weg, begon ie stil te loeren voor zich uit, stil, als luisterend naar wat gezegd werd door Guurt. Dan weer keek ie bijzij àf met z’n donkere karmijn-oogjes, die kniploos stonden, staàr, stil. In één weer kropte dan, uit teeder donsborstje klagelijk kindergekreun, heel zacht en als van ver, koekeroekoe, koekeroekoe, melancholiek in de paffende, scheemrige kamerke-rust. Guurt, met dikken vinger, krauwde z’n nekje, door korf-tralie heen onder staal-blauw glans-kraagje vol violette weerschijntjes en groenige schubbetjes. En geestig, onder ’t krauwen, vonkten donker, z’n rooie gloed-oogjes van lekkerheid, ging dommig-dwars z’n teer kopje als om te luisteren, weemoedden weer z’n koekeroe’s klagelijk kamerke in.Plots gaf Guurt ’t korfje weer ’n duw achteruit, dat tortelduifje wegdonkerde in ’n hoek, en schrik in z’n wijnrooie oogjes stolde. Ouë Gerrit had Guurt wat gevraagd, die lijmerend onverstaanbaar antwoordde met vollen mond.—Nou joa.… sel ’k moar segge.… fa’n koniggin Fillemientje.… hai je nog wat lese kenne.… eenmoal.… andermoal.…Klank van groote onderdanigheid was er in z’n stem gaan beven, en met vreemd-rilligen eerbied sprak ie den naam van Wilhelmina uit. Dirk schoof stil Guurt z’n koppie toe.—Kijkend naar d’r vader, schonk ze gedachteloos in, gansch bevangen door het denken aan de rijke almachtige koningin.…—Hée doedelsak, lachte Piet, haar tegen den arm stootend, genog, je skinkt t’r snof’rjenne noast.…—Aa’s se nouw t’met trouwe goat Ouë, schokkerde Guurt,[77]alsof ze niets gehoord had, door,.… aa’s sai nouw trouwe goat de koniggin.… hep sai dan d’r femilje.… en magge die d’r na kaike?.…Ouë Gerrit schaamde zich altijd ’n beetje voor de groote kerels en z’n meid dat ie d’r niks van wist, en dat tie nie lezen kon. Brutaal, lukraak stootte ie ’r maar uit:—Wel joa.… sel d’r ommirs puur niks.… skele kenne.. dà moak niks, loa se kaike!.… je hep ’r ven dit.… en ven dàt.… op soo’n dag.… hoho.… ho.… se komme uit de hooge!.… sel ’k moar segge.… en mit hoarlie pakkies àn.… afain.… fiere en vaife en nie genog.… enne.…—Nou joa, hield Guurt vol, die nog niets wijzer was.—Toe maid, gromde Dirk, die nauwelijks wist dat ’r ’n koningin bestond, skenk in, je skenkt t’r noast.…—Nee, jokkes, verdedigde Guurt, maar nog niet loslatend haar vader:—Moar .… enne.… nou.… aas d’r puur hooge.…—Kaik tug veur je.… doedelsak, je skenkt op main poote, helhoak.…—Main kristus, waâ jokkes.…—Nou grinnikte Piet, skeelt t’met gain koe.… skeelt t’met gain koe.—Jesses wà’ kerels.… wa hep jai smoor in.… en jullie.. jullie.… wete d’r ook gain snars van.… weet jai ’t moeder?.…Ze schrok op, vrouw Hassel. Niemand vroeg haar ooit wat over zulk soort dingen.—Gut.… schokte ze stemhaperend.… da wee’k nie.… al t’met.…Schuw brak ze af, gejaagd, want nou, waarachtig, nou wist ze niet eens meer waarover ’t ging, wàt Guurt gevraagd had. Haar leerig gezichtsvel fronste samen in monsterlijke rimpeling, en haar grijs-grauwe brauwen dottigden krampend. Vergeten, vergeten, smartte ’t stil in ’r, met ’n snikhuil, maar uiterlijk bleef schrei-loos haar gelaat. Alleen lichtelijk sidderden haar kaken. Plots sprong Dirk woest op, bonkte z’n[78]stoel tegen den muur dat duifkorfje trilde en vrouw Hassel opschokte van ’r zitje.Met rumoer ging ie den stal in, achteruit op straat. Guurt was gretig in Wierelandsch krantje gaan koekeloeren of ze ook iets van de koningin lezen kon, van wie ze boven haar slaapstoel twintig beeltenissen had hangen, in al andere standen en leeftijden. In ’r egoïstische voorstellingen, waan-zeker en achterhoeksch-bedompt, wemelde ’t van licht, goud en juweel, als ze aan de koningin dacht. En hoog, op ’r verheven stoel zag ze Wilhelmientje zitten. Van de kranten-berichten begreep ze niet veel; uit ’n behoorlijken zin kon ze juist niet wijs worden.… Als t’r zoo stond, in die deftige krantentaal, voelde ze zich kregel, ’t verwarde hààr voorstellingen, wantdiealleen leefden voor haar. ’n Paar dingen maar, licht, juweelen en goud, overal goud en ’n hooge stoel, ’n troon,—dat alles omgedraaid en omgedraaid in allerlei variaties, bedacht en bekeken met haar achterhoekschen weelde-hartstocht, dat ’t sterde en fonkelde voor d’r oogen. En nou die kranten! Maar half lezen had ze geleerd. Dirk voelde heelemaal niets voor ’t feest; wist niet eens waar Den Haag lag. Toch zou ze doorlezen. Knusserig schonk ze zich nog ’n kopje leut in, en naast ’r, schoof bevend-gulzig, de blauw-doorpeeste grauwige beef-hand van ’r moeder, die ook weer hebben wou. Plots kwam Dirk weer in, plompte zich weer neer bij de kachel. Guurt frommelde ’t krantje op zij. Niks snapte ze ’r van. De Ouë zat met ingezakt lijf in z’n op schoot gedrukt en tabakspot te morrelen, lijmerig z’n pijp vullend, vingerdiep, den tabak met duwetjes bedaard inplettend.—Vroolijk snaterde Guurt weer op.…—Hep jullie hoort van die raike vent van Duinkaik.… die hep s’n aige veur s’n kop skote.…—F’rdomd! riep in verbazing ouë Gerrit uit, onder zuigend aantrekken van z’n pijp.—Of tie!.… de kommenai is d’r vol van.… en de slager sait ’t ook.… en welk gast je d’r spreekt.… de heule ploats weut ’t.… s’n aige doodskote.…[79]—En ikke hep hoort dat tie valle is, zei Piet, leuk-ontgoochelend ’t nieuwtje van Guurt.—Main kristus! wa jokkes, sloeg Guurt de handen met ’n klets in mekaar.—F’rhange, zei plots, kort-stug Dirk, f’rhange, da heppe se main sait.…—Wie sait dà’ nou.…?—Kees.…!—Kees, Kees, bromde de Ouë, da beest.… die hep s’n skoenlappertjesmoandag weer.… sal dronke weest sain.… t’met nooit nuchter hoho!.…—Da lieg je Ouë.… da lieg je.… driftte Dirk met ’n slag op tafel.Stil bleef de Ouë doordampen in snelle zenuwtrekjes aan z’n pijp, omwaasd in rook. Maar verjenne, wat keek die Dirk leelijk. Waarom most ie dat ook zegge. Hij wist tug da Dirk geen kwaad op Kees kon hooren. Hij bleef zwijgen, zuigend reutelende haaltjes uit z’n pijp. Guurt wou geen ruzie, ze had er genoeg van. Nog volgepropt zat ze met nieuws.—Nou die soon van die kwinkkwank in de Bikkerstroat.. die sosiaal?… die hep mit se moeder motte f’rhuise.… hai hep skult bij de slager en skult bij de bakker en skult bij de kruienier.… en se motte d’r of.… en ’t heule spul mot f’rkocht.… murrege.…—Daa’s puur klets maid, sarde Piet weer leuk.… hai hep skarrelt mit Mie van de metselaar.… en da sit nou mit jonk.. en nou hep ie van d’r broer op s’n ribbekast hat.… en nou durft ie nie meer op stroat komme.…—Niks van woar.… sloeg Guurt weer ’r handen de lucht in met ’n klets tegen elkander.… Mie sit nie mit jonk.… en s’dient in Amsterdam.…—Nou, bitste Piet.… seg.… is m’ ook ’n happie!.… wa sou dat? hep se doar g’n dam legge kenne.… kom sussie?.. kaik m’rais in main fieselemie.… seg, kaik nou nie soo onnoosel.…—Seg Piet, vleide plots stern-zacht Guurt, van-oàvent is d’r[80]in de Son soo’n prèchtige kemedie.… toe, neem màin nou d’r is mee?—Jai hep main noodig, debies, neenet snurkert, da’ lapje main nie!—Main kristus, ik hep nooit niks.… nooit, driftte Guurt gemaakt; heé Piet.… toe.… wees d’r nou erais ’n oardige knoap!.… ik hep aêrs soo’n dooie Sinterklòas.… se speule van moorde.… soo vreeselik.… je weut wel daa’k ’r dol op bin.…—Nee Guurt, daa’s niks veur jou.… dan grien je.…—Nou ik sel niet-en griene.… toe Piet.… feremp’l.… ikke sel niet-en griene.… ik bin d’r soo dol op.… op die moorde, aa’s sullie vechte en d’r binne allegoar ongelukke.… nou, dan hou ’k jòu vrai.… sullie vechte d’r mit messe.… Geert Grint hept veleje joar self sien.… toe Piet.… sel je nie beroue.… kaik.… soo hiet ’t.… waor is ’t krantje?.. hé moeder! gaif hier!.… kaik.… Lesoare de Veehoeder.… kaik, vaif tefreele.… de moord in de herberg.… en.… wachters van ’t pelais woakt.… Te dansen begon Guurt, te stem-vleien. Ze hield dol van vreeslijke dingen. Bij elk vechtpartijtje in Wiereland was ze te zien, vooraan, en toch vond ze ’t vreeselijk naar en griezelig. Als ze bloed zag vloeien met vechtpartijen, dan krampte ’r iets in er van heerlijke naarheid. Van moorden, spoken en ongelukken wou ze alles haarfijn weten, en hoe bloederiger, hoe naarder, hoe griezeliger ze genoot.Maar Piet was niet te vermurwen. Van avond, strooiavond, nee, dan most ie de ploats op, lollen met de meiden en zuipers.—Wa’ geep, nijdigde Guurt, nou, dan goan ’k alleenig!.…Dirk zat lichtelijk te ronken, met kop tegen kachelpijp.… z’n ingezakt lijf stonk van grondvuil.… z’n stomp-wreed gezicht stond grimmig als van ’n slapenden bloed-dog en z’n vurige zeerende wimpers, streepten pijnlijk-rood onder z’n in gelen lampschemer, duisterende oogen. Hem vroeg ze niet eens.[81]

III.

Het half-zesje stond klaar in de woonkamer. Vrouw Hassel en Guurt hadden hompen brood met kaas en roggebrood, zoo maar, op kale tafel klaar gesneden. De koffie stond te bakken op petroleumlichtje dat knepperde en stonk. Zwaar stoelgestommel rumoerde voor allen rustig zaten en gebeden hadden. Met handpalmen verkreukten en trokken ze hun brood af. Moeder Hassel schonk koffie.… koffie was haar eenige troost. De dokter had gezegd, dat ze ’t niet moest drinken, maar ze vergat ’t. Vroeger al had haar hevige drinkhartstocht elk bezwaar overrompeld. Ze mòest drinken. Den heelen dag dronk ze, dronk ze, spoelde ze iets weg in ’r, door dien heet-zoetigen smaak. Wel dertig kommetjes sloeg ze in. Dat was ’t eenige dat ’r staande hield, en ’r verdriet verdoofde. Daarom stond ’t wit-steenen koffiepotje, koud en bruin-besopt aan alle kanten, roetig-ingebrand bij den bodem, den heelen dag op ’t stinkende petroleumpitje. Bakken mòest ze. Water bij eerste treksel, water bij tweede treksel, al slapper, valer, viezer sop, klonteriger en grondiger; daarop weer nieuw gedrop. Zoo klieterde heel Wiereland bij de koffie. Overal in de tuinders- en werkmanskrotjes stonden de bemorste petroleumstelletjes, duffig en roetig-vies; stond vaal-bruin blad met grauw-steenen kopjes,[74]uitgeschulpt en bepuist, naast ’n nikkel komfoortje, vuil-verbrand of pracht-blinkend.—Skenk main nog wa’ leut, snorkte Piet tegen Guurt, met ’n bons z’n kopje op tafel dreunend.—Nou, lachte Guurt, jai hep t’met ’n dam lait.… se kenne d’r puur ’n spaiker op je moag glaikkloppe.… wat ’n pens!..—Kaik die, waa’t hekkepunter.… wat ’n bemoeial, sou je d’r nie ’n druil om d’r hoet ketse?.…Vlug, lacherig nog om Piet’s vraatzucht, schonk Guurt in. Stil gesmak zoog door ’t kamerke, dat sufte in z’n dof-geel lamp-schijnsel, waarin de staartklok alléén, met z’n koperslagwerk, zacht òpglimmerde in lichte, schichtige glans-veegjes. Telkens nog bonkten ringrukken van de koeien uit den stal, of het snikken even van ’n herkauwende, zuchtte tegen de half-opene kamerdeur. Bij nieuwe broodhompen sperden wijer open de kaken, lebberden de monden, lui en vadsig in de broeiige kachel-warmte en loom tiktakte de friesche, met iets van winterigen slaaplust in z’n slingergang.Vrouw Hassel zat jammerlijk stil en verlaten te kijk-suffen onder het scheefhangende lampje, met z’n geel-rood vuil vlammetje en naargeestig schijnsel. Half afgezakt van haar stoel zat ze, in ’r vettig bruinige huisjapon, die bochelde op ’r rug. Haar afgeleefd rimpelgezicht leek grauw-zwart. D’r grijzig groezel-haar, dat flodderig los uitslonsde onder de smerige, bij de ooren gepunt-kruide steekmuts, die schedel-naakte gleuven door het gaas schemeren liet, overhuifde zwaar en donker ’r klein monsterlijk gezicht. Telkens gulzigde ze ’n slok koffie in, dat ’r magere keelkrop er van natrilde en beet dan weer op de punt van ’r vettig schortje.Tranen pinkelden plots in ’r brandende oogen die gloeiden, alsof er kalk ingewaaid was. Om ’r breed-dunnen kwijl-mond, waar op afzakte, pappig wangvleesch, dat als los vel zwabberde op kakement, in teistering doorgroefd, doolden trekken van verlammenden angst, spanning om te willen volgen wat om ’r heen gebeurde, vast te houen wat ze dof hoorde.[75]Even na ’t schemeruur hadden ze d’r weer geknauwd, waren, ze ’r weer op ’t lijf gevallen met vergeet-dingen.En Guurt had ’t hardst meegekrijscht, blind voor d’r smart, zelf zich lekker, sterk, frisch, jong voelend. Nou was vrouw Hassel weer uit haar beetje opgeleefde vreugd gestooten. In één zag, hoorde ze weer alles veel slechter, vatte ze niets, ging ’r ’n lijm’rige verbinding van woorden door ’t hoofd, suizelde en spande ’t overal in ’r, hoorde ze geruisch, verdoffend om ’r héén, van stemmen en àldoor achteréén, fluiterig gegil door de hersens diep in ’r ooren. En telkens slokte ze gulziger ’r koffie-vocht lekker, warm, smakkend en opzuigend de zoetige vuilheid, die ’r niks zei, niks verweet, niet aan ’t schrikken maakte.Paf-rust loomde ’r weer in ’t kamerke, waarin de dingen, boers-knus aanglinsterden. Klein-stijf stond in ’n dwarshoek, schuintjes, ’n pronkschoorsteentje, zelf-getimmerd plankje, omspannen met vaalrood lapje, koper-bepend. Om de lakzwarte glimkachel lag morsvuil, ingetrapt kolengruis en ’t plaatje dofte blikkig. Glanzerig van politoer-lichtvleksel, in rood-bruine gladheid stond er tegenover mahoniehout linnenkastje, parmantig-stijf, op klein-breed poot werk, aan hoeken versierd met poppetjes-spul, fel-kleurig steen, en tegen het blom-grof, geel behang, hingen los-opgehaarspelde gore haarwerkjes en kleur-stervende chromo’s, koningen met pelzen en Zwitsersch meer-blauwsel. Alles bakte en loomde ’r vergeten in boerenknusheid. De grof-rooie stoelen, met hevig geel bies-streepsel stonden te drenzen in den doffen lampschijn. Alleen de kwikzilverige vaasjes, buikig-rustig, op het mahonie-kastje, vroolijkten met breed-mondige lichtstreepjes. Naast de kachel, achter vuilen kolenbak, pronkte rijk-ongedeerd, koperen standaard, met schep, koperen tang en pook, sierlijk gebogen en zacht-beflonkerd, smetteloos voornaam lachend tegen den vuil-roetigen pook die ernaast op ’n stoel lag. In ’n anderen hoek van laag-balkend kamerke wemelde ’t van portretten, op klein tafeltje met goor-stijf-krullig haakwerk belooperd. En vlak achter vrouw Hassel donkerde ’n korf met tortelduifje, dat uit z’n beduisterd kamerhoekje klagelijk koekeroede.[76]Tusschen stemgepraat en eetgesmak, bij stilte-poozen, weemoedigde ’t duifje, uit ’t licht geschoven, in z’n korfje, op ’n voetstuk van gebroken bloemstandaardje, dat sidderde als ’t diertje sprong. Zacht klagelijk koekeroede z’n zwel-kropje, als ’n kindje, dat ergens ver, zacht te schreien en te snikken lag. Plots trok Guurt ’t meer in den lichtkring, toen ’t juist, wil-venijnig zich-zelf in z’n veertjes zat te snavelen, hals verdraaiend diep. Bij ’t geschuif, plots vooruit, in ’t licht nu, dat z’n korfje inschemerde, dook z’n kopje onder de veeren weg, begon ie stil te loeren voor zich uit, stil, als luisterend naar wat gezegd werd door Guurt. Dan weer keek ie bijzij àf met z’n donkere karmijn-oogjes, die kniploos stonden, staàr, stil. In één weer kropte dan, uit teeder donsborstje klagelijk kindergekreun, heel zacht en als van ver, koekeroekoe, koekeroekoe, melancholiek in de paffende, scheemrige kamerke-rust. Guurt, met dikken vinger, krauwde z’n nekje, door korf-tralie heen onder staal-blauw glans-kraagje vol violette weerschijntjes en groenige schubbetjes. En geestig, onder ’t krauwen, vonkten donker, z’n rooie gloed-oogjes van lekkerheid, ging dommig-dwars z’n teer kopje als om te luisteren, weemoedden weer z’n koekeroe’s klagelijk kamerke in.Plots gaf Guurt ’t korfje weer ’n duw achteruit, dat tortelduifje wegdonkerde in ’n hoek, en schrik in z’n wijnrooie oogjes stolde. Ouë Gerrit had Guurt wat gevraagd, die lijmerend onverstaanbaar antwoordde met vollen mond.—Nou joa.… sel ’k moar segge.… fa’n koniggin Fillemientje.… hai je nog wat lese kenne.… eenmoal.… andermoal.…Klank van groote onderdanigheid was er in z’n stem gaan beven, en met vreemd-rilligen eerbied sprak ie den naam van Wilhelmina uit. Dirk schoof stil Guurt z’n koppie toe.—Kijkend naar d’r vader, schonk ze gedachteloos in, gansch bevangen door het denken aan de rijke almachtige koningin.…—Hée doedelsak, lachte Piet, haar tegen den arm stootend, genog, je skinkt t’r snof’rjenne noast.…—Aa’s se nouw t’met trouwe goat Ouë, schokkerde Guurt,[77]alsof ze niets gehoord had, door,.… aa’s sai nouw trouwe goat de koniggin.… hep sai dan d’r femilje.… en magge die d’r na kaike?.…Ouë Gerrit schaamde zich altijd ’n beetje voor de groote kerels en z’n meid dat ie d’r niks van wist, en dat tie nie lezen kon. Brutaal, lukraak stootte ie ’r maar uit:—Wel joa.… sel d’r ommirs puur niks.… skele kenne.. dà moak niks, loa se kaike!.… je hep ’r ven dit.… en ven dàt.… op soo’n dag.… hoho.… ho.… se komme uit de hooge!.… sel ’k moar segge.… en mit hoarlie pakkies àn.… afain.… fiere en vaife en nie genog.… enne.…—Nou joa, hield Guurt vol, die nog niets wijzer was.—Toe maid, gromde Dirk, die nauwelijks wist dat ’r ’n koningin bestond, skenk in, je skenkt t’r noast.…—Nee, jokkes, verdedigde Guurt, maar nog niet loslatend haar vader:—Moar .… enne.… nou.… aas d’r puur hooge.…—Kaik tug veur je.… doedelsak, je skenkt op main poote, helhoak.…—Main kristus, waâ jokkes.…—Nou grinnikte Piet, skeelt t’met gain koe.… skeelt t’met gain koe.—Jesses wà’ kerels.… wa hep jai smoor in.… en jullie.. jullie.… wete d’r ook gain snars van.… weet jai ’t moeder?.…Ze schrok op, vrouw Hassel. Niemand vroeg haar ooit wat over zulk soort dingen.—Gut.… schokte ze stemhaperend.… da wee’k nie.… al t’met.…Schuw brak ze af, gejaagd, want nou, waarachtig, nou wist ze niet eens meer waarover ’t ging, wàt Guurt gevraagd had. Haar leerig gezichtsvel fronste samen in monsterlijke rimpeling, en haar grijs-grauwe brauwen dottigden krampend. Vergeten, vergeten, smartte ’t stil in ’r, met ’n snikhuil, maar uiterlijk bleef schrei-loos haar gelaat. Alleen lichtelijk sidderden haar kaken. Plots sprong Dirk woest op, bonkte z’n[78]stoel tegen den muur dat duifkorfje trilde en vrouw Hassel opschokte van ’r zitje.Met rumoer ging ie den stal in, achteruit op straat. Guurt was gretig in Wierelandsch krantje gaan koekeloeren of ze ook iets van de koningin lezen kon, van wie ze boven haar slaapstoel twintig beeltenissen had hangen, in al andere standen en leeftijden. In ’r egoïstische voorstellingen, waan-zeker en achterhoeksch-bedompt, wemelde ’t van licht, goud en juweel, als ze aan de koningin dacht. En hoog, op ’r verheven stoel zag ze Wilhelmientje zitten. Van de kranten-berichten begreep ze niet veel; uit ’n behoorlijken zin kon ze juist niet wijs worden.… Als t’r zoo stond, in die deftige krantentaal, voelde ze zich kregel, ’t verwarde hààr voorstellingen, wantdiealleen leefden voor haar. ’n Paar dingen maar, licht, juweelen en goud, overal goud en ’n hooge stoel, ’n troon,—dat alles omgedraaid en omgedraaid in allerlei variaties, bedacht en bekeken met haar achterhoekschen weelde-hartstocht, dat ’t sterde en fonkelde voor d’r oogen. En nou die kranten! Maar half lezen had ze geleerd. Dirk voelde heelemaal niets voor ’t feest; wist niet eens waar Den Haag lag. Toch zou ze doorlezen. Knusserig schonk ze zich nog ’n kopje leut in, en naast ’r, schoof bevend-gulzig, de blauw-doorpeeste grauwige beef-hand van ’r moeder, die ook weer hebben wou. Plots kwam Dirk weer in, plompte zich weer neer bij de kachel. Guurt frommelde ’t krantje op zij. Niks snapte ze ’r van. De Ouë zat met ingezakt lijf in z’n op schoot gedrukt en tabakspot te morrelen, lijmerig z’n pijp vullend, vingerdiep, den tabak met duwetjes bedaard inplettend.—Vroolijk snaterde Guurt weer op.…—Hep jullie hoort van die raike vent van Duinkaik.… die hep s’n aige veur s’n kop skote.…—F’rdomd! riep in verbazing ouë Gerrit uit, onder zuigend aantrekken van z’n pijp.—Of tie!.… de kommenai is d’r vol van.… en de slager sait ’t ook.… en welk gast je d’r spreekt.… de heule ploats weut ’t.… s’n aige doodskote.…[79]—En ikke hep hoort dat tie valle is, zei Piet, leuk-ontgoochelend ’t nieuwtje van Guurt.—Main kristus! wa jokkes, sloeg Guurt de handen met ’n klets in mekaar.—F’rhange, zei plots, kort-stug Dirk, f’rhange, da heppe se main sait.…—Wie sait dà’ nou.…?—Kees.…!—Kees, Kees, bromde de Ouë, da beest.… die hep s’n skoenlappertjesmoandag weer.… sal dronke weest sain.… t’met nooit nuchter hoho!.…—Da lieg je Ouë.… da lieg je.… driftte Dirk met ’n slag op tafel.Stil bleef de Ouë doordampen in snelle zenuwtrekjes aan z’n pijp, omwaasd in rook. Maar verjenne, wat keek die Dirk leelijk. Waarom most ie dat ook zegge. Hij wist tug da Dirk geen kwaad op Kees kon hooren. Hij bleef zwijgen, zuigend reutelende haaltjes uit z’n pijp. Guurt wou geen ruzie, ze had er genoeg van. Nog volgepropt zat ze met nieuws.—Nou die soon van die kwinkkwank in de Bikkerstroat.. die sosiaal?… die hep mit se moeder motte f’rhuise.… hai hep skult bij de slager en skult bij de bakker en skult bij de kruienier.… en se motte d’r of.… en ’t heule spul mot f’rkocht.… murrege.…—Daa’s puur klets maid, sarde Piet weer leuk.… hai hep skarrelt mit Mie van de metselaar.… en da sit nou mit jonk.. en nou hep ie van d’r broer op s’n ribbekast hat.… en nou durft ie nie meer op stroat komme.…—Niks van woar.… sloeg Guurt weer ’r handen de lucht in met ’n klets tegen elkander.… Mie sit nie mit jonk.… en s’dient in Amsterdam.…—Nou, bitste Piet.… seg.… is m’ ook ’n happie!.… wa sou dat? hep se doar g’n dam legge kenne.… kom sussie?.. kaik m’rais in main fieselemie.… seg, kaik nou nie soo onnoosel.…—Seg Piet, vleide plots stern-zacht Guurt, van-oàvent is d’r[80]in de Son soo’n prèchtige kemedie.… toe, neem màin nou d’r is mee?—Jai hep main noodig, debies, neenet snurkert, da’ lapje main nie!—Main kristus, ik hep nooit niks.… nooit, driftte Guurt gemaakt; heé Piet.… toe.… wees d’r nou erais ’n oardige knoap!.… ik hep aêrs soo’n dooie Sinterklòas.… se speule van moorde.… soo vreeselik.… je weut wel daa’k ’r dol op bin.…—Nee Guurt, daa’s niks veur jou.… dan grien je.…—Nou ik sel niet-en griene.… toe Piet.… feremp’l.… ikke sel niet-en griene.… ik bin d’r soo dol op.… op die moorde, aa’s sullie vechte en d’r binne allegoar ongelukke.… nou, dan hou ’k jòu vrai.… sullie vechte d’r mit messe.… Geert Grint hept veleje joar self sien.… toe Piet.… sel je nie beroue.… kaik.… soo hiet ’t.… waor is ’t krantje?.. hé moeder! gaif hier!.… kaik.… Lesoare de Veehoeder.… kaik, vaif tefreele.… de moord in de herberg.… en.… wachters van ’t pelais woakt.… Te dansen begon Guurt, te stem-vleien. Ze hield dol van vreeslijke dingen. Bij elk vechtpartijtje in Wiereland was ze te zien, vooraan, en toch vond ze ’t vreeselijk naar en griezelig. Als ze bloed zag vloeien met vechtpartijen, dan krampte ’r iets in er van heerlijke naarheid. Van moorden, spoken en ongelukken wou ze alles haarfijn weten, en hoe bloederiger, hoe naarder, hoe griezeliger ze genoot.Maar Piet was niet te vermurwen. Van avond, strooiavond, nee, dan most ie de ploats op, lollen met de meiden en zuipers.—Wa’ geep, nijdigde Guurt, nou, dan goan ’k alleenig!.…Dirk zat lichtelijk te ronken, met kop tegen kachelpijp.… z’n ingezakt lijf stonk van grondvuil.… z’n stomp-wreed gezicht stond grimmig als van ’n slapenden bloed-dog en z’n vurige zeerende wimpers, streepten pijnlijk-rood onder z’n in gelen lampschemer, duisterende oogen. Hem vroeg ze niet eens.[81]

Het half-zesje stond klaar in de woonkamer. Vrouw Hassel en Guurt hadden hompen brood met kaas en roggebrood, zoo maar, op kale tafel klaar gesneden. De koffie stond te bakken op petroleumlichtje dat knepperde en stonk. Zwaar stoelgestommel rumoerde voor allen rustig zaten en gebeden hadden. Met handpalmen verkreukten en trokken ze hun brood af. Moeder Hassel schonk koffie.… koffie was haar eenige troost. De dokter had gezegd, dat ze ’t niet moest drinken, maar ze vergat ’t. Vroeger al had haar hevige drinkhartstocht elk bezwaar overrompeld. Ze mòest drinken. Den heelen dag dronk ze, dronk ze, spoelde ze iets weg in ’r, door dien heet-zoetigen smaak. Wel dertig kommetjes sloeg ze in. Dat was ’t eenige dat ’r staande hield, en ’r verdriet verdoofde. Daarom stond ’t wit-steenen koffiepotje, koud en bruin-besopt aan alle kanten, roetig-ingebrand bij den bodem, den heelen dag op ’t stinkende petroleumpitje. Bakken mòest ze. Water bij eerste treksel, water bij tweede treksel, al slapper, valer, viezer sop, klonteriger en grondiger; daarop weer nieuw gedrop. Zoo klieterde heel Wiereland bij de koffie. Overal in de tuinders- en werkmanskrotjes stonden de bemorste petroleumstelletjes, duffig en roetig-vies; stond vaal-bruin blad met grauw-steenen kopjes,[74]uitgeschulpt en bepuist, naast ’n nikkel komfoortje, vuil-verbrand of pracht-blinkend.

—Skenk main nog wa’ leut, snorkte Piet tegen Guurt, met ’n bons z’n kopje op tafel dreunend.

—Nou, lachte Guurt, jai hep t’met ’n dam lait.… se kenne d’r puur ’n spaiker op je moag glaikkloppe.… wat ’n pens!..

—Kaik die, waa’t hekkepunter.… wat ’n bemoeial, sou je d’r nie ’n druil om d’r hoet ketse?.…

Vlug, lacherig nog om Piet’s vraatzucht, schonk Guurt in. Stil gesmak zoog door ’t kamerke, dat sufte in z’n dof-geel lamp-schijnsel, waarin de staartklok alléén, met z’n koperslagwerk, zacht òpglimmerde in lichte, schichtige glans-veegjes. Telkens nog bonkten ringrukken van de koeien uit den stal, of het snikken even van ’n herkauwende, zuchtte tegen de half-opene kamerdeur. Bij nieuwe broodhompen sperden wijer open de kaken, lebberden de monden, lui en vadsig in de broeiige kachel-warmte en loom tiktakte de friesche, met iets van winterigen slaaplust in z’n slingergang.

Vrouw Hassel zat jammerlijk stil en verlaten te kijk-suffen onder het scheefhangende lampje, met z’n geel-rood vuil vlammetje en naargeestig schijnsel. Half afgezakt van haar stoel zat ze, in ’r vettig bruinige huisjapon, die bochelde op ’r rug. Haar afgeleefd rimpelgezicht leek grauw-zwart. D’r grijzig groezel-haar, dat flodderig los uitslonsde onder de smerige, bij de ooren gepunt-kruide steekmuts, die schedel-naakte gleuven door het gaas schemeren liet, overhuifde zwaar en donker ’r klein monsterlijk gezicht. Telkens gulzigde ze ’n slok koffie in, dat ’r magere keelkrop er van natrilde en beet dan weer op de punt van ’r vettig schortje.

Tranen pinkelden plots in ’r brandende oogen die gloeiden, alsof er kalk ingewaaid was. Om ’r breed-dunnen kwijl-mond, waar op afzakte, pappig wangvleesch, dat als los vel zwabberde op kakement, in teistering doorgroefd, doolden trekken van verlammenden angst, spanning om te willen volgen wat om ’r heen gebeurde, vast te houen wat ze dof hoorde.[75]Even na ’t schemeruur hadden ze d’r weer geknauwd, waren, ze ’r weer op ’t lijf gevallen met vergeet-dingen.

En Guurt had ’t hardst meegekrijscht, blind voor d’r smart, zelf zich lekker, sterk, frisch, jong voelend. Nou was vrouw Hassel weer uit haar beetje opgeleefde vreugd gestooten. In één zag, hoorde ze weer alles veel slechter, vatte ze niets, ging ’r ’n lijm’rige verbinding van woorden door ’t hoofd, suizelde en spande ’t overal in ’r, hoorde ze geruisch, verdoffend om ’r héén, van stemmen en àldoor achteréén, fluiterig gegil door de hersens diep in ’r ooren. En telkens slokte ze gulziger ’r koffie-vocht lekker, warm, smakkend en opzuigend de zoetige vuilheid, die ’r niks zei, niks verweet, niet aan ’t schrikken maakte.

Paf-rust loomde ’r weer in ’t kamerke, waarin de dingen, boers-knus aanglinsterden. Klein-stijf stond in ’n dwarshoek, schuintjes, ’n pronkschoorsteentje, zelf-getimmerd plankje, omspannen met vaalrood lapje, koper-bepend. Om de lakzwarte glimkachel lag morsvuil, ingetrapt kolengruis en ’t plaatje dofte blikkig. Glanzerig van politoer-lichtvleksel, in rood-bruine gladheid stond er tegenover mahoniehout linnenkastje, parmantig-stijf, op klein-breed poot werk, aan hoeken versierd met poppetjes-spul, fel-kleurig steen, en tegen het blom-grof, geel behang, hingen los-opgehaarspelde gore haarwerkjes en kleur-stervende chromo’s, koningen met pelzen en Zwitsersch meer-blauwsel. Alles bakte en loomde ’r vergeten in boerenknusheid. De grof-rooie stoelen, met hevig geel bies-streepsel stonden te drenzen in den doffen lampschijn. Alleen de kwikzilverige vaasjes, buikig-rustig, op het mahonie-kastje, vroolijkten met breed-mondige lichtstreepjes. Naast de kachel, achter vuilen kolenbak, pronkte rijk-ongedeerd, koperen standaard, met schep, koperen tang en pook, sierlijk gebogen en zacht-beflonkerd, smetteloos voornaam lachend tegen den vuil-roetigen pook die ernaast op ’n stoel lag. In ’n anderen hoek van laag-balkend kamerke wemelde ’t van portretten, op klein tafeltje met goor-stijf-krullig haakwerk belooperd. En vlak achter vrouw Hassel donkerde ’n korf met tortelduifje, dat uit z’n beduisterd kamerhoekje klagelijk koekeroede.[76]

Tusschen stemgepraat en eetgesmak, bij stilte-poozen, weemoedigde ’t duifje, uit ’t licht geschoven, in z’n korfje, op ’n voetstuk van gebroken bloemstandaardje, dat sidderde als ’t diertje sprong. Zacht klagelijk koekeroede z’n zwel-kropje, als ’n kindje, dat ergens ver, zacht te schreien en te snikken lag. Plots trok Guurt ’t meer in den lichtkring, toen ’t juist, wil-venijnig zich-zelf in z’n veertjes zat te snavelen, hals verdraaiend diep. Bij ’t geschuif, plots vooruit, in ’t licht nu, dat z’n korfje inschemerde, dook z’n kopje onder de veeren weg, begon ie stil te loeren voor zich uit, stil, als luisterend naar wat gezegd werd door Guurt. Dan weer keek ie bijzij àf met z’n donkere karmijn-oogjes, die kniploos stonden, staàr, stil. In één weer kropte dan, uit teeder donsborstje klagelijk kindergekreun, heel zacht en als van ver, koekeroekoe, koekeroekoe, melancholiek in de paffende, scheemrige kamerke-rust. Guurt, met dikken vinger, krauwde z’n nekje, door korf-tralie heen onder staal-blauw glans-kraagje vol violette weerschijntjes en groenige schubbetjes. En geestig, onder ’t krauwen, vonkten donker, z’n rooie gloed-oogjes van lekkerheid, ging dommig-dwars z’n teer kopje als om te luisteren, weemoedden weer z’n koekeroe’s klagelijk kamerke in.

Plots gaf Guurt ’t korfje weer ’n duw achteruit, dat tortelduifje wegdonkerde in ’n hoek, en schrik in z’n wijnrooie oogjes stolde. Ouë Gerrit had Guurt wat gevraagd, die lijmerend onverstaanbaar antwoordde met vollen mond.

—Nou joa.… sel ’k moar segge.… fa’n koniggin Fillemientje.… hai je nog wat lese kenne.… eenmoal.… andermoal.…

Klank van groote onderdanigheid was er in z’n stem gaan beven, en met vreemd-rilligen eerbied sprak ie den naam van Wilhelmina uit. Dirk schoof stil Guurt z’n koppie toe.—Kijkend naar d’r vader, schonk ze gedachteloos in, gansch bevangen door het denken aan de rijke almachtige koningin.…

—Hée doedelsak, lachte Piet, haar tegen den arm stootend, genog, je skinkt t’r snof’rjenne noast.…

—Aa’s se nouw t’met trouwe goat Ouë, schokkerde Guurt,[77]alsof ze niets gehoord had, door,.… aa’s sai nouw trouwe goat de koniggin.… hep sai dan d’r femilje.… en magge die d’r na kaike?.…

Ouë Gerrit schaamde zich altijd ’n beetje voor de groote kerels en z’n meid dat ie d’r niks van wist, en dat tie nie lezen kon. Brutaal, lukraak stootte ie ’r maar uit:

—Wel joa.… sel d’r ommirs puur niks.… skele kenne.. dà moak niks, loa se kaike!.… je hep ’r ven dit.… en ven dàt.… op soo’n dag.… hoho.… ho.… se komme uit de hooge!.… sel ’k moar segge.… en mit hoarlie pakkies àn.… afain.… fiere en vaife en nie genog.… enne.…

—Nou joa, hield Guurt vol, die nog niets wijzer was.

—Toe maid, gromde Dirk, die nauwelijks wist dat ’r ’n koningin bestond, skenk in, je skenkt t’r noast.…

—Nee, jokkes, verdedigde Guurt, maar nog niet loslatend haar vader:

—Moar .… enne.… nou.… aas d’r puur hooge.…

—Kaik tug veur je.… doedelsak, je skenkt op main poote, helhoak.…

—Main kristus, waâ jokkes.…

—Nou grinnikte Piet, skeelt t’met gain koe.… skeelt t’met gain koe.

—Jesses wà’ kerels.… wa hep jai smoor in.… en jullie.. jullie.… wete d’r ook gain snars van.… weet jai ’t moeder?.…

Ze schrok op, vrouw Hassel. Niemand vroeg haar ooit wat over zulk soort dingen.

—Gut.… schokte ze stemhaperend.… da wee’k nie.… al t’met.…

Schuw brak ze af, gejaagd, want nou, waarachtig, nou wist ze niet eens meer waarover ’t ging, wàt Guurt gevraagd had. Haar leerig gezichtsvel fronste samen in monsterlijke rimpeling, en haar grijs-grauwe brauwen dottigden krampend. Vergeten, vergeten, smartte ’t stil in ’r, met ’n snikhuil, maar uiterlijk bleef schrei-loos haar gelaat. Alleen lichtelijk sidderden haar kaken. Plots sprong Dirk woest op, bonkte z’n[78]stoel tegen den muur dat duifkorfje trilde en vrouw Hassel opschokte van ’r zitje.

Met rumoer ging ie den stal in, achteruit op straat. Guurt was gretig in Wierelandsch krantje gaan koekeloeren of ze ook iets van de koningin lezen kon, van wie ze boven haar slaapstoel twintig beeltenissen had hangen, in al andere standen en leeftijden. In ’r egoïstische voorstellingen, waan-zeker en achterhoeksch-bedompt, wemelde ’t van licht, goud en juweel, als ze aan de koningin dacht. En hoog, op ’r verheven stoel zag ze Wilhelmientje zitten. Van de kranten-berichten begreep ze niet veel; uit ’n behoorlijken zin kon ze juist niet wijs worden.… Als t’r zoo stond, in die deftige krantentaal, voelde ze zich kregel, ’t verwarde hààr voorstellingen, wantdiealleen leefden voor haar. ’n Paar dingen maar, licht, juweelen en goud, overal goud en ’n hooge stoel, ’n troon,—dat alles omgedraaid en omgedraaid in allerlei variaties, bedacht en bekeken met haar achterhoekschen weelde-hartstocht, dat ’t sterde en fonkelde voor d’r oogen. En nou die kranten! Maar half lezen had ze geleerd. Dirk voelde heelemaal niets voor ’t feest; wist niet eens waar Den Haag lag. Toch zou ze doorlezen. Knusserig schonk ze zich nog ’n kopje leut in, en naast ’r, schoof bevend-gulzig, de blauw-doorpeeste grauwige beef-hand van ’r moeder, die ook weer hebben wou. Plots kwam Dirk weer in, plompte zich weer neer bij de kachel. Guurt frommelde ’t krantje op zij. Niks snapte ze ’r van. De Ouë zat met ingezakt lijf in z’n op schoot gedrukt en tabakspot te morrelen, lijmerig z’n pijp vullend, vingerdiep, den tabak met duwetjes bedaard inplettend.—Vroolijk snaterde Guurt weer op.…

—Hep jullie hoort van die raike vent van Duinkaik.… die hep s’n aige veur s’n kop skote.…

—F’rdomd! riep in verbazing ouë Gerrit uit, onder zuigend aantrekken van z’n pijp.

—Of tie!.… de kommenai is d’r vol van.… en de slager sait ’t ook.… en welk gast je d’r spreekt.… de heule ploats weut ’t.… s’n aige doodskote.…[79]

—En ikke hep hoort dat tie valle is, zei Piet, leuk-ontgoochelend ’t nieuwtje van Guurt.

—Main kristus! wa jokkes, sloeg Guurt de handen met ’n klets in mekaar.

—F’rhange, zei plots, kort-stug Dirk, f’rhange, da heppe se main sait.…

—Wie sait dà’ nou.…?

—Kees.…!

—Kees, Kees, bromde de Ouë, da beest.… die hep s’n skoenlappertjesmoandag weer.… sal dronke weest sain.… t’met nooit nuchter hoho!.…

—Da lieg je Ouë.… da lieg je.… driftte Dirk met ’n slag op tafel.

Stil bleef de Ouë doordampen in snelle zenuwtrekjes aan z’n pijp, omwaasd in rook. Maar verjenne, wat keek die Dirk leelijk. Waarom most ie dat ook zegge. Hij wist tug da Dirk geen kwaad op Kees kon hooren. Hij bleef zwijgen, zuigend reutelende haaltjes uit z’n pijp. Guurt wou geen ruzie, ze had er genoeg van. Nog volgepropt zat ze met nieuws.

—Nou die soon van die kwinkkwank in de Bikkerstroat.. die sosiaal?… die hep mit se moeder motte f’rhuise.… hai hep skult bij de slager en skult bij de bakker en skult bij de kruienier.… en se motte d’r of.… en ’t heule spul mot f’rkocht.… murrege.…

—Daa’s puur klets maid, sarde Piet weer leuk.… hai hep skarrelt mit Mie van de metselaar.… en da sit nou mit jonk.. en nou hep ie van d’r broer op s’n ribbekast hat.… en nou durft ie nie meer op stroat komme.…

—Niks van woar.… sloeg Guurt weer ’r handen de lucht in met ’n klets tegen elkander.… Mie sit nie mit jonk.… en s’dient in Amsterdam.…

—Nou, bitste Piet.… seg.… is m’ ook ’n happie!.… wa sou dat? hep se doar g’n dam legge kenne.… kom sussie?.. kaik m’rais in main fieselemie.… seg, kaik nou nie soo onnoosel.…

—Seg Piet, vleide plots stern-zacht Guurt, van-oàvent is d’r[80]in de Son soo’n prèchtige kemedie.… toe, neem màin nou d’r is mee?

—Jai hep main noodig, debies, neenet snurkert, da’ lapje main nie!

—Main kristus, ik hep nooit niks.… nooit, driftte Guurt gemaakt; heé Piet.… toe.… wees d’r nou erais ’n oardige knoap!.… ik hep aêrs soo’n dooie Sinterklòas.… se speule van moorde.… soo vreeselik.… je weut wel daa’k ’r dol op bin.…

—Nee Guurt, daa’s niks veur jou.… dan grien je.…

—Nou ik sel niet-en griene.… toe Piet.… feremp’l.… ikke sel niet-en griene.… ik bin d’r soo dol op.… op die moorde, aa’s sullie vechte en d’r binne allegoar ongelukke.… nou, dan hou ’k jòu vrai.… sullie vechte d’r mit messe.… Geert Grint hept veleje joar self sien.… toe Piet.… sel je nie beroue.… kaik.… soo hiet ’t.… waor is ’t krantje?.. hé moeder! gaif hier!.… kaik.… Lesoare de Veehoeder.… kaik, vaif tefreele.… de moord in de herberg.… en.… wachters van ’t pelais woakt.… Te dansen begon Guurt, te stem-vleien. Ze hield dol van vreeslijke dingen. Bij elk vechtpartijtje in Wiereland was ze te zien, vooraan, en toch vond ze ’t vreeselijk naar en griezelig. Als ze bloed zag vloeien met vechtpartijen, dan krampte ’r iets in er van heerlijke naarheid. Van moorden, spoken en ongelukken wou ze alles haarfijn weten, en hoe bloederiger, hoe naarder, hoe griezeliger ze genoot.

Maar Piet was niet te vermurwen. Van avond, strooiavond, nee, dan most ie de ploats op, lollen met de meiden en zuipers.

—Wa’ geep, nijdigde Guurt, nou, dan goan ’k alleenig!.…

Dirk zat lichtelijk te ronken, met kop tegen kachelpijp.… z’n ingezakt lijf stonk van grondvuil.… z’n stomp-wreed gezicht stond grimmig als van ’n slapenden bloed-dog en z’n vurige zeerende wimpers, streepten pijnlijk-rood onder z’n in gelen lampschemer, duisterende oogen. Hem vroeg ze niet eens.[81]


Back to IndexNext