IV.

[Inhoud]IV.Tegen acht uur stapten de jongens op.In Wiereland joolden door de donkere straatjes, strooiavondgangers. St. Nikolaas was in wit gewaad neergedaald in ’t stedeke. Tegen den avond, uit grauw-grijze lucht dwarrelde wemelend, stil-blank geschitter en gevlok, windloos neersuizend, ruischloos blank, héél stil vertooverend daken en boomen. Het stille dorp-stadje was als dichtgeweven met blank schuim in enk’le uren, en overal schimden, wit-hoekige geveltjes, schuin en laag, zwaar besneeuwde dak-vlakken, schuimblank, met schaduwblauw van kousjes-koud licht, in de hoofdstraten. Langzaam aan kwam vertier en rumoer uit de achterwijkjes, sneeuw-scheem’rig verlicht, wègdroomend, in donker rossig-goud schijnsel van ’n paar ouë vlamgaslantaarns.Naar de groote handelsstraat ging òp, gekrioel van schreeuwende kinderen en luid-pratende menschen. Door elkaar liepen deftige burgerij, lollende, flappende meiden en jongens, in blanken sneeuwval, en geluid-dempend verbleekte de straat in stille verwitting. Het voorplein van stedeke bij ’t station, waar ’n groot weibrok witte, schimmig onder donkeren hemel, lag roerloos; en van verre, op Lemperweg, naar ’t dorp Lemper, bronsden in duisterdiep, ’n paar rossige gaslantaarns op geheimzinnig verwitten boomendrom.De Baanwijk schitterde in winkellicht, aan weerskanten en overal achter gloedglazen, spatte blinkering en fonkeling van kleur-voorwerpen. Voor iederen winkel stonden troepjes kinders, opgeduwd door grootere jongens en meidenvolk, en ’n stroom stommelende drukte-menschen ging en kwam de straat af en op. Soms, uit de massa, bleven er plots staan, ’n groepje, om te lach-kijken naar gillende dienstmeisjes en tuinders-dochters, die besneeuwbald en wit-gebombardeerd werden, bangelijk vluchtten in winkels en portieken. Telkens joolden kleine en groote stoeten dwars door den wandelstroom, sneeuw-bombardeerend als woeste donkere duivels omraasd van witte projektielen.[82]Woest, in heete feest-stemming braakten kerels hun lol uit, tierend en stoeiend. Zwaarder joeg rumoer door de anders doodstille winterstraatjes, als allure van groote stads-woeling. Lachend, gedempt, deftig, trokken notabelen van de plaats, voorbij opgedirkte winkeltjes, lachend minachtend om stedekepraal. Staan bleven ze alleen om kindertjes te plezieren; kindertjes juichend bij poppen die te star-oogen lagen tegen ’t koue winkellicht, in kleurige kleertjes en strakke waskopjes; oogengulzigend naar fornuisjes en kookstellen die kopervonkten in etalage-extaze; naar groote paardekoppen, omstrooid met zilveren en gouden snippers. Tegen half negen zuiverde de straat zich van het heerige volk, bleef alleen het woelige, arme, zuipende en stoeiende Wiereland, de tuinders jongens en meiden, armen, schorem, lawaaiend in de witte sneeuwhal, verplompend zijn stil-vonkend rein-blank, met zware donkere voeten, vol gloei-hartstocht en stoei-lust, beestig bijeen gekliekt, onder daverend schorre stemmenlol. Van uit het Kloosterpad, smal kronkelwegje, uitloopend op de groote Baanwijk, kwam opzetten zangkoor van jongens- en meisjesstemmen, donker kinderstoetje, achter elkaar áángerijd. Voorop praalde ’n snuitertje, bemombakkest, met zilveren haardotten aan masker onder de kin, bisschoppelijk beplakt met zilveren papieren mantel en hoog besteekt, omrand van sterretjes-rood, en ritselige goudloovertjes. Naast ’m ging ’n roetig besmeerde kleuter, kannibaalsch wild, in witte oogappelswoestheid, gooiend met sneeuwballen naar ieder die voorbijkwam. Dàn gedragen, dàn gesleurd en geduwd werd Sinterklaas. In z’n hand hield ie ’n schommelende lampion, overgebleven siersel van Drie-Koningen, in kwijnerig rood en groen licht, afschijnend op z’n beschilderd mombakkes, dat schaduw-geelde zwaar en bang. Om lampion, in zwak rood schijnsel, droomerig en diep, draaide ’n wiel van zilveren sterretjes door ’n ander, met ’n touw naast ’m, in gang gewenteld, dat ’t wemelde, glans-zilverig als waterkringen van fontein, om de half-belichte kinderhoofdjes. En zoo, kronkelend achterelkaar, donker-stoetig, grillig-rood bewasemd in lampiondamp en groenige dooreenschommeling[83]van vale lichttintjes, slangde ’t troepje de bleek-besneeuwde Baanwijk over, tusschen de boomrijen door, in schaduwdans achterhaald op sneeuwgrond, de stoeikerels en wijven tegemoet, onder jongensgekrijsch en meisjesgegil. Van ver klonk soms even, stemzwakte van kleuterige achterblijvers, die met stukkende lampionnetjes en afzakbroeken, meezongen en roffelend rommelpot sloegen in ’t verwarde gegalm,.… liedjes van Driekoningen dat komen ging:Drie koninge drie koningeGaif main ’n nuute hoedMainouëis f’rsleteMain foàder maa’g’t nie weteMain moeder hep gain geldAchter de rooseboom is ’t teld.…Aan het eind van de Baanwijk stonden de achterwinkels opgepropt met troepen hurriënde meiden en jongens te smakken, vettig-glimmende feestgezichten, beglunderd en opgedirkt in kleeren-schetter, voor ’n geïmproviseerde toonbank, opgeslagen in ’n leeggeruimde kamer.Blikjes gingen van hand tot hand als ’n smak over was.—Wie hepp sàin, leste blikkie?.… tien cent, krijschte armelijk schorre kerel achter de toonbank,—’n venter die op den dag met afvalgroenten door de plaats ging, en nu, tot laat in den nacht, met schreeuwen en smak-opgejaag voor de winkeliers, nog ’n extratje verdienen wilde. Achter ’m stond deftig banketbakker-eigenaar met witte baret, blufferig in ’t wit, vettig-grinnekend bij stormgeloop van menschen, lacherig-kontroleerend, met z’n handen frommelend onder z’n blank schort.—Nou, is nou dààn, la moar beginne, riep ’n ongeduldig bochelig kereltje.—Nog één blikkie,.… nog één, schorde de venter met armelijken zangdeun in z’n stem, om fut in den dobbel te houen. Achter ’t kereltje, grabbelde ’n hand naar ’t blikje.[84]Nou kon gesmakt worden. Ratel-dof bonkten de dobbelsteenen in den smallen houten smakbak. Jans Brielle gooide negentien.—Neeg’tien gooit, neeg’tien,.… schorde pijnlijk heesche venter, en duwde ’n anderen grijparm, die opdrong met z’n blikje, in ruil, dobbelsteenen in de hand.… Dof rolden ze den bak in.…—Sestien gooit.… neeg’tien blaift winne.…, deunde de venter.… de hoogste hep sain, twee pond paling of ses pond speek’laos.….—twoalf gooit.… neegtien blaift.… Jans je stoat prechtig mait.…En telkens bonkte ’n andere worp den smakbak in, onder heet gedrang om te zien, uitbarstende hoera’s, gevloek, geraas en gelol van lage en hooge gooiers. Het stonk vunzig, tusschen jassen en mantelgoed. Onder de hitte wasemde natte sneeuwlucht uit de kleeren op. Pilows, jekkers en duffelen manteltjes zweetten, tusschen ranzige vischlucht van paling, poonen, gebak en brokken. Straaltjes nat sieperden van hoeden in nekken en telkens raasde gevloek òp van kerels en meiden die dachten dat er sneeuwballen gegooid werden.—Seg Jans.… jai hep sain vast.… hoor.… t’met ses pond vraiers.… wa mo je mit soo’n vracht.… puur ses pond.…Piet Hassel zang-deunde achter Jansie, komiekerig afwerend onder ’t spelen, aanvallen van stoeiende giechelmeiden, die ’m telkens op z’n neus wilden tikken met kop van Sinterklaasvrijer.—Nou, lachte Jans terug,—mooie hoog-stevige boerinnemeid met dikken wellustkop en glimmig opgepoetst wangrood—bin je jeloersch?.…—Waa’n geep.… moar ken ’n mensch nou mi-sonder fesoen.… ses vraiers àn.…—Sevetien gooit, schorde rauw er doorheen, grauwe venter met zenuwknuisten op oude toonbank trommelend.… sevetien.… neegtien blaif winne.…Maar Jansie zag ’r geluk niet in woede.—Geep, geep, daa’s je suster maan.… bi je beduufeld, en[85]in ’n kwaadaardigen duw aan ’r kuifblond, wrong ze overbodig ’n haarspeld dieper in ’r kapsel, met zenuwgebaar.—Dwarrel, stoppelkat, lolde half gebelgd Piet terug, kabbeloebelaap.… waa’n fiselemie.… waa’n muurvarke.… waa’n binnebeer.—’t Kijlde scheldnamen, met zwaar gelach van omstanders bij elk nieuw grapwoord, dat z’n mond uitflapte. De smak was om.Jans, die negentien gegooid had, won.—Neegtien hep wonne.… wa mot sain.… twee pond paling of ses pond speekeloas?Dolgraag had Jans de vrijers gekozen. Maar nou er Hassel zoo gesmeerd had, durfde ze niet voor de omstanders. In heeten wrevel nam ze de paling, zich zelf in stilte verwenschend dat ze de vrijers liet liggen. Rammelend gingen de blikjes in zakschort van den venter. Z’n schorklankige stem, rauw, roggelde weer.—Wie mot.. wie blief ’n pond paling of drie pond speek’loas?..Plots dromde ’n woeste groep van zestien kerels, den winkel in. In gillende, krijschende herrie kaapten ze duwend den groenteman, vóór dat een ander nemen kon, de blikjes uit de schort, dat ie waggelde achter z’n toonbank. Een uit de groep, kerel met rood-behaarden kop, ottergezicht, snee-geulen om z’n mond en korst-rooie haak-krabben dwars over den neus, stak hoog, boven hun hoofden ’n gonjen zak, schreeuwend:—Hier kailt de mikmak in!.…In ’n oogenblik waren de blikjes afgekocht, verdrongen ze andere smakkers die gromden en vloekten. Zware rookwolken dampten ze tusschen de menschen, rossig opkronkelend boven gelige koppen-donkerte. Hun pet-kleppen glimmerden onder ’t lamplicht, als mes-flikkeringen, bij hun wilde hoofdbewegingen. Telkens had één uit de groep bij wilden dobbel een smakprijs, die met rauwe hoera’s en stemme-donderingen den grooten zak van den rooie ingekwakt werd, onder gedrang en geduw naar den kerel.In tien smakhuizen was de groep van zestien al rondgeduiveld.… Dit was de elfde.[86]—Wie mot blikkies, schorde venter beverig en ontdaan.… drie krentebroode of vier varkeslappies!.…Tegen de troep drongen nu anderen in die ook blikjes hebben wilden; ’n metselaar nam er acht, voor zich, en vier meiden die naast ’m stonden. Maar zij, één met hun zestienen, gierden en stem-rochelden er tusschen door, en weer had met dobbel-rondgang ’n kerel uit hùn bende den smakprijs.De rood-behaarde kerel met z’n verwrongen smal ottergezicht, gilde als ’n razende, zwaaide den zak boven de paffende menschenkoppen en rukte de bloederige varkenslapjes, ’n help-juffer, achter toonbankje, uit d’r beenige handen. En telkens weer won er één uit hun midden, rauwden ze hoera’s, onder wilde zwaaiingen van den zak, dat bezadigde smakkers krompen van schrik.—Telkens weer kwakten ze, op en door elkaar in den donkeren gonjen muil, Sinterklaas en druipende bloedbeuling, paling en banket, chokolade en konijnen, onder dolwoest gekankaneer van den stoet, die in z’n kring trok, angstige meiden, dwingend ze mee te gieren. En òpstaarden in wilde extaze allen naar den grauwen zak, hoog in armstrekking van rooien dolleman, boven koppen, slingerzwaaiend door mistig-verlichte rooksfeer. Bleek als z’n bakkersbaret hielp de winkelier, bevend van drift. En z’n vrouw, in de lage kamer, naast ’m, groen-grauw van angst, trok ’m telkens aan z’n mouw, dat ie zich bedwingen zou. Onverschilliger in ’t geraas, ringelde de venter voor-zich-uit, in schorder stemrauwte.…—Wie mot.… wie blief.… drie kenijne of twee pond beuling.

[Inhoud]IV.Tegen acht uur stapten de jongens op.In Wiereland joolden door de donkere straatjes, strooiavondgangers. St. Nikolaas was in wit gewaad neergedaald in ’t stedeke. Tegen den avond, uit grauw-grijze lucht dwarrelde wemelend, stil-blank geschitter en gevlok, windloos neersuizend, ruischloos blank, héél stil vertooverend daken en boomen. Het stille dorp-stadje was als dichtgeweven met blank schuim in enk’le uren, en overal schimden, wit-hoekige geveltjes, schuin en laag, zwaar besneeuwde dak-vlakken, schuimblank, met schaduwblauw van kousjes-koud licht, in de hoofdstraten. Langzaam aan kwam vertier en rumoer uit de achterwijkjes, sneeuw-scheem’rig verlicht, wègdroomend, in donker rossig-goud schijnsel van ’n paar ouë vlamgaslantaarns.Naar de groote handelsstraat ging òp, gekrioel van schreeuwende kinderen en luid-pratende menschen. Door elkaar liepen deftige burgerij, lollende, flappende meiden en jongens, in blanken sneeuwval, en geluid-dempend verbleekte de straat in stille verwitting. Het voorplein van stedeke bij ’t station, waar ’n groot weibrok witte, schimmig onder donkeren hemel, lag roerloos; en van verre, op Lemperweg, naar ’t dorp Lemper, bronsden in duisterdiep, ’n paar rossige gaslantaarns op geheimzinnig verwitten boomendrom.De Baanwijk schitterde in winkellicht, aan weerskanten en overal achter gloedglazen, spatte blinkering en fonkeling van kleur-voorwerpen. Voor iederen winkel stonden troepjes kinders, opgeduwd door grootere jongens en meidenvolk, en ’n stroom stommelende drukte-menschen ging en kwam de straat af en op. Soms, uit de massa, bleven er plots staan, ’n groepje, om te lach-kijken naar gillende dienstmeisjes en tuinders-dochters, die besneeuwbald en wit-gebombardeerd werden, bangelijk vluchtten in winkels en portieken. Telkens joolden kleine en groote stoeten dwars door den wandelstroom, sneeuw-bombardeerend als woeste donkere duivels omraasd van witte projektielen.[82]Woest, in heete feest-stemming braakten kerels hun lol uit, tierend en stoeiend. Zwaarder joeg rumoer door de anders doodstille winterstraatjes, als allure van groote stads-woeling. Lachend, gedempt, deftig, trokken notabelen van de plaats, voorbij opgedirkte winkeltjes, lachend minachtend om stedekepraal. Staan bleven ze alleen om kindertjes te plezieren; kindertjes juichend bij poppen die te star-oogen lagen tegen ’t koue winkellicht, in kleurige kleertjes en strakke waskopjes; oogengulzigend naar fornuisjes en kookstellen die kopervonkten in etalage-extaze; naar groote paardekoppen, omstrooid met zilveren en gouden snippers. Tegen half negen zuiverde de straat zich van het heerige volk, bleef alleen het woelige, arme, zuipende en stoeiende Wiereland, de tuinders jongens en meiden, armen, schorem, lawaaiend in de witte sneeuwhal, verplompend zijn stil-vonkend rein-blank, met zware donkere voeten, vol gloei-hartstocht en stoei-lust, beestig bijeen gekliekt, onder daverend schorre stemmenlol. Van uit het Kloosterpad, smal kronkelwegje, uitloopend op de groote Baanwijk, kwam opzetten zangkoor van jongens- en meisjesstemmen, donker kinderstoetje, achter elkaar áángerijd. Voorop praalde ’n snuitertje, bemombakkest, met zilveren haardotten aan masker onder de kin, bisschoppelijk beplakt met zilveren papieren mantel en hoog besteekt, omrand van sterretjes-rood, en ritselige goudloovertjes. Naast ’m ging ’n roetig besmeerde kleuter, kannibaalsch wild, in witte oogappelswoestheid, gooiend met sneeuwballen naar ieder die voorbijkwam. Dàn gedragen, dàn gesleurd en geduwd werd Sinterklaas. In z’n hand hield ie ’n schommelende lampion, overgebleven siersel van Drie-Koningen, in kwijnerig rood en groen licht, afschijnend op z’n beschilderd mombakkes, dat schaduw-geelde zwaar en bang. Om lampion, in zwak rood schijnsel, droomerig en diep, draaide ’n wiel van zilveren sterretjes door ’n ander, met ’n touw naast ’m, in gang gewenteld, dat ’t wemelde, glans-zilverig als waterkringen van fontein, om de half-belichte kinderhoofdjes. En zoo, kronkelend achterelkaar, donker-stoetig, grillig-rood bewasemd in lampiondamp en groenige dooreenschommeling[83]van vale lichttintjes, slangde ’t troepje de bleek-besneeuwde Baanwijk over, tusschen de boomrijen door, in schaduwdans achterhaald op sneeuwgrond, de stoeikerels en wijven tegemoet, onder jongensgekrijsch en meisjesgegil. Van ver klonk soms even, stemzwakte van kleuterige achterblijvers, die met stukkende lampionnetjes en afzakbroeken, meezongen en roffelend rommelpot sloegen in ’t verwarde gegalm,.… liedjes van Driekoningen dat komen ging:Drie koninge drie koningeGaif main ’n nuute hoedMainouëis f’rsleteMain foàder maa’g’t nie weteMain moeder hep gain geldAchter de rooseboom is ’t teld.…Aan het eind van de Baanwijk stonden de achterwinkels opgepropt met troepen hurriënde meiden en jongens te smakken, vettig-glimmende feestgezichten, beglunderd en opgedirkt in kleeren-schetter, voor ’n geïmproviseerde toonbank, opgeslagen in ’n leeggeruimde kamer.Blikjes gingen van hand tot hand als ’n smak over was.—Wie hepp sàin, leste blikkie?.… tien cent, krijschte armelijk schorre kerel achter de toonbank,—’n venter die op den dag met afvalgroenten door de plaats ging, en nu, tot laat in den nacht, met schreeuwen en smak-opgejaag voor de winkeliers, nog ’n extratje verdienen wilde. Achter ’m stond deftig banketbakker-eigenaar met witte baret, blufferig in ’t wit, vettig-grinnekend bij stormgeloop van menschen, lacherig-kontroleerend, met z’n handen frommelend onder z’n blank schort.—Nou, is nou dààn, la moar beginne, riep ’n ongeduldig bochelig kereltje.—Nog één blikkie,.… nog één, schorde de venter met armelijken zangdeun in z’n stem, om fut in den dobbel te houen. Achter ’t kereltje, grabbelde ’n hand naar ’t blikje.[84]Nou kon gesmakt worden. Ratel-dof bonkten de dobbelsteenen in den smallen houten smakbak. Jans Brielle gooide negentien.—Neeg’tien gooit, neeg’tien,.… schorde pijnlijk heesche venter, en duwde ’n anderen grijparm, die opdrong met z’n blikje, in ruil, dobbelsteenen in de hand.… Dof rolden ze den bak in.…—Sestien gooit.… neeg’tien blaift winne.…, deunde de venter.… de hoogste hep sain, twee pond paling of ses pond speek’laos.….—twoalf gooit.… neegtien blaift.… Jans je stoat prechtig mait.…En telkens bonkte ’n andere worp den smakbak in, onder heet gedrang om te zien, uitbarstende hoera’s, gevloek, geraas en gelol van lage en hooge gooiers. Het stonk vunzig, tusschen jassen en mantelgoed. Onder de hitte wasemde natte sneeuwlucht uit de kleeren op. Pilows, jekkers en duffelen manteltjes zweetten, tusschen ranzige vischlucht van paling, poonen, gebak en brokken. Straaltjes nat sieperden van hoeden in nekken en telkens raasde gevloek òp van kerels en meiden die dachten dat er sneeuwballen gegooid werden.—Seg Jans.… jai hep sain vast.… hoor.… t’met ses pond vraiers.… wa mo je mit soo’n vracht.… puur ses pond.…Piet Hassel zang-deunde achter Jansie, komiekerig afwerend onder ’t spelen, aanvallen van stoeiende giechelmeiden, die ’m telkens op z’n neus wilden tikken met kop van Sinterklaasvrijer.—Nou, lachte Jans terug,—mooie hoog-stevige boerinnemeid met dikken wellustkop en glimmig opgepoetst wangrood—bin je jeloersch?.…—Waa’n geep.… moar ken ’n mensch nou mi-sonder fesoen.… ses vraiers àn.…—Sevetien gooit, schorde rauw er doorheen, grauwe venter met zenuwknuisten op oude toonbank trommelend.… sevetien.… neegtien blaif winne.…Maar Jansie zag ’r geluk niet in woede.—Geep, geep, daa’s je suster maan.… bi je beduufeld, en[85]in ’n kwaadaardigen duw aan ’r kuifblond, wrong ze overbodig ’n haarspeld dieper in ’r kapsel, met zenuwgebaar.—Dwarrel, stoppelkat, lolde half gebelgd Piet terug, kabbeloebelaap.… waa’n fiselemie.… waa’n muurvarke.… waa’n binnebeer.—’t Kijlde scheldnamen, met zwaar gelach van omstanders bij elk nieuw grapwoord, dat z’n mond uitflapte. De smak was om.Jans, die negentien gegooid had, won.—Neegtien hep wonne.… wa mot sain.… twee pond paling of ses pond speekeloas?Dolgraag had Jans de vrijers gekozen. Maar nou er Hassel zoo gesmeerd had, durfde ze niet voor de omstanders. In heeten wrevel nam ze de paling, zich zelf in stilte verwenschend dat ze de vrijers liet liggen. Rammelend gingen de blikjes in zakschort van den venter. Z’n schorklankige stem, rauw, roggelde weer.—Wie mot.. wie blief ’n pond paling of drie pond speek’loas?..Plots dromde ’n woeste groep van zestien kerels, den winkel in. In gillende, krijschende herrie kaapten ze duwend den groenteman, vóór dat een ander nemen kon, de blikjes uit de schort, dat ie waggelde achter z’n toonbank. Een uit de groep, kerel met rood-behaarden kop, ottergezicht, snee-geulen om z’n mond en korst-rooie haak-krabben dwars over den neus, stak hoog, boven hun hoofden ’n gonjen zak, schreeuwend:—Hier kailt de mikmak in!.…In ’n oogenblik waren de blikjes afgekocht, verdrongen ze andere smakkers die gromden en vloekten. Zware rookwolken dampten ze tusschen de menschen, rossig opkronkelend boven gelige koppen-donkerte. Hun pet-kleppen glimmerden onder ’t lamplicht, als mes-flikkeringen, bij hun wilde hoofdbewegingen. Telkens had één uit de groep bij wilden dobbel een smakprijs, die met rauwe hoera’s en stemme-donderingen den grooten zak van den rooie ingekwakt werd, onder gedrang en geduw naar den kerel.In tien smakhuizen was de groep van zestien al rondgeduiveld.… Dit was de elfde.[86]—Wie mot blikkies, schorde venter beverig en ontdaan.… drie krentebroode of vier varkeslappies!.…Tegen de troep drongen nu anderen in die ook blikjes hebben wilden; ’n metselaar nam er acht, voor zich, en vier meiden die naast ’m stonden. Maar zij, één met hun zestienen, gierden en stem-rochelden er tusschen door, en weer had met dobbel-rondgang ’n kerel uit hùn bende den smakprijs.De rood-behaarde kerel met z’n verwrongen smal ottergezicht, gilde als ’n razende, zwaaide den zak boven de paffende menschenkoppen en rukte de bloederige varkenslapjes, ’n help-juffer, achter toonbankje, uit d’r beenige handen. En telkens weer won er één uit hun midden, rauwden ze hoera’s, onder wilde zwaaiingen van den zak, dat bezadigde smakkers krompen van schrik.—Telkens weer kwakten ze, op en door elkaar in den donkeren gonjen muil, Sinterklaas en druipende bloedbeuling, paling en banket, chokolade en konijnen, onder dolwoest gekankaneer van den stoet, die in z’n kring trok, angstige meiden, dwingend ze mee te gieren. En òpstaarden in wilde extaze allen naar den grauwen zak, hoog in armstrekking van rooien dolleman, boven koppen, slingerzwaaiend door mistig-verlichte rooksfeer. Bleek als z’n bakkersbaret hielp de winkelier, bevend van drift. En z’n vrouw, in de lage kamer, naast ’m, groen-grauw van angst, trok ’m telkens aan z’n mouw, dat ie zich bedwingen zou. Onverschilliger in ’t geraas, ringelde de venter voor-zich-uit, in schorder stemrauwte.…—Wie mot.… wie blief.… drie kenijne of twee pond beuling.

[Inhoud]IV.Tegen acht uur stapten de jongens op.In Wiereland joolden door de donkere straatjes, strooiavondgangers. St. Nikolaas was in wit gewaad neergedaald in ’t stedeke. Tegen den avond, uit grauw-grijze lucht dwarrelde wemelend, stil-blank geschitter en gevlok, windloos neersuizend, ruischloos blank, héél stil vertooverend daken en boomen. Het stille dorp-stadje was als dichtgeweven met blank schuim in enk’le uren, en overal schimden, wit-hoekige geveltjes, schuin en laag, zwaar besneeuwde dak-vlakken, schuimblank, met schaduwblauw van kousjes-koud licht, in de hoofdstraten. Langzaam aan kwam vertier en rumoer uit de achterwijkjes, sneeuw-scheem’rig verlicht, wègdroomend, in donker rossig-goud schijnsel van ’n paar ouë vlamgaslantaarns.Naar de groote handelsstraat ging òp, gekrioel van schreeuwende kinderen en luid-pratende menschen. Door elkaar liepen deftige burgerij, lollende, flappende meiden en jongens, in blanken sneeuwval, en geluid-dempend verbleekte de straat in stille verwitting. Het voorplein van stedeke bij ’t station, waar ’n groot weibrok witte, schimmig onder donkeren hemel, lag roerloos; en van verre, op Lemperweg, naar ’t dorp Lemper, bronsden in duisterdiep, ’n paar rossige gaslantaarns op geheimzinnig verwitten boomendrom.De Baanwijk schitterde in winkellicht, aan weerskanten en overal achter gloedglazen, spatte blinkering en fonkeling van kleur-voorwerpen. Voor iederen winkel stonden troepjes kinders, opgeduwd door grootere jongens en meidenvolk, en ’n stroom stommelende drukte-menschen ging en kwam de straat af en op. Soms, uit de massa, bleven er plots staan, ’n groepje, om te lach-kijken naar gillende dienstmeisjes en tuinders-dochters, die besneeuwbald en wit-gebombardeerd werden, bangelijk vluchtten in winkels en portieken. Telkens joolden kleine en groote stoeten dwars door den wandelstroom, sneeuw-bombardeerend als woeste donkere duivels omraasd van witte projektielen.[82]Woest, in heete feest-stemming braakten kerels hun lol uit, tierend en stoeiend. Zwaarder joeg rumoer door de anders doodstille winterstraatjes, als allure van groote stads-woeling. Lachend, gedempt, deftig, trokken notabelen van de plaats, voorbij opgedirkte winkeltjes, lachend minachtend om stedekepraal. Staan bleven ze alleen om kindertjes te plezieren; kindertjes juichend bij poppen die te star-oogen lagen tegen ’t koue winkellicht, in kleurige kleertjes en strakke waskopjes; oogengulzigend naar fornuisjes en kookstellen die kopervonkten in etalage-extaze; naar groote paardekoppen, omstrooid met zilveren en gouden snippers. Tegen half negen zuiverde de straat zich van het heerige volk, bleef alleen het woelige, arme, zuipende en stoeiende Wiereland, de tuinders jongens en meiden, armen, schorem, lawaaiend in de witte sneeuwhal, verplompend zijn stil-vonkend rein-blank, met zware donkere voeten, vol gloei-hartstocht en stoei-lust, beestig bijeen gekliekt, onder daverend schorre stemmenlol. Van uit het Kloosterpad, smal kronkelwegje, uitloopend op de groote Baanwijk, kwam opzetten zangkoor van jongens- en meisjesstemmen, donker kinderstoetje, achter elkaar áángerijd. Voorop praalde ’n snuitertje, bemombakkest, met zilveren haardotten aan masker onder de kin, bisschoppelijk beplakt met zilveren papieren mantel en hoog besteekt, omrand van sterretjes-rood, en ritselige goudloovertjes. Naast ’m ging ’n roetig besmeerde kleuter, kannibaalsch wild, in witte oogappelswoestheid, gooiend met sneeuwballen naar ieder die voorbijkwam. Dàn gedragen, dàn gesleurd en geduwd werd Sinterklaas. In z’n hand hield ie ’n schommelende lampion, overgebleven siersel van Drie-Koningen, in kwijnerig rood en groen licht, afschijnend op z’n beschilderd mombakkes, dat schaduw-geelde zwaar en bang. Om lampion, in zwak rood schijnsel, droomerig en diep, draaide ’n wiel van zilveren sterretjes door ’n ander, met ’n touw naast ’m, in gang gewenteld, dat ’t wemelde, glans-zilverig als waterkringen van fontein, om de half-belichte kinderhoofdjes. En zoo, kronkelend achterelkaar, donker-stoetig, grillig-rood bewasemd in lampiondamp en groenige dooreenschommeling[83]van vale lichttintjes, slangde ’t troepje de bleek-besneeuwde Baanwijk over, tusschen de boomrijen door, in schaduwdans achterhaald op sneeuwgrond, de stoeikerels en wijven tegemoet, onder jongensgekrijsch en meisjesgegil. Van ver klonk soms even, stemzwakte van kleuterige achterblijvers, die met stukkende lampionnetjes en afzakbroeken, meezongen en roffelend rommelpot sloegen in ’t verwarde gegalm,.… liedjes van Driekoningen dat komen ging:Drie koninge drie koningeGaif main ’n nuute hoedMainouëis f’rsleteMain foàder maa’g’t nie weteMain moeder hep gain geldAchter de rooseboom is ’t teld.…Aan het eind van de Baanwijk stonden de achterwinkels opgepropt met troepen hurriënde meiden en jongens te smakken, vettig-glimmende feestgezichten, beglunderd en opgedirkt in kleeren-schetter, voor ’n geïmproviseerde toonbank, opgeslagen in ’n leeggeruimde kamer.Blikjes gingen van hand tot hand als ’n smak over was.—Wie hepp sàin, leste blikkie?.… tien cent, krijschte armelijk schorre kerel achter de toonbank,—’n venter die op den dag met afvalgroenten door de plaats ging, en nu, tot laat in den nacht, met schreeuwen en smak-opgejaag voor de winkeliers, nog ’n extratje verdienen wilde. Achter ’m stond deftig banketbakker-eigenaar met witte baret, blufferig in ’t wit, vettig-grinnekend bij stormgeloop van menschen, lacherig-kontroleerend, met z’n handen frommelend onder z’n blank schort.—Nou, is nou dààn, la moar beginne, riep ’n ongeduldig bochelig kereltje.—Nog één blikkie,.… nog één, schorde de venter met armelijken zangdeun in z’n stem, om fut in den dobbel te houen. Achter ’t kereltje, grabbelde ’n hand naar ’t blikje.[84]Nou kon gesmakt worden. Ratel-dof bonkten de dobbelsteenen in den smallen houten smakbak. Jans Brielle gooide negentien.—Neeg’tien gooit, neeg’tien,.… schorde pijnlijk heesche venter, en duwde ’n anderen grijparm, die opdrong met z’n blikje, in ruil, dobbelsteenen in de hand.… Dof rolden ze den bak in.…—Sestien gooit.… neeg’tien blaift winne.…, deunde de venter.… de hoogste hep sain, twee pond paling of ses pond speek’laos.….—twoalf gooit.… neegtien blaift.… Jans je stoat prechtig mait.…En telkens bonkte ’n andere worp den smakbak in, onder heet gedrang om te zien, uitbarstende hoera’s, gevloek, geraas en gelol van lage en hooge gooiers. Het stonk vunzig, tusschen jassen en mantelgoed. Onder de hitte wasemde natte sneeuwlucht uit de kleeren op. Pilows, jekkers en duffelen manteltjes zweetten, tusschen ranzige vischlucht van paling, poonen, gebak en brokken. Straaltjes nat sieperden van hoeden in nekken en telkens raasde gevloek òp van kerels en meiden die dachten dat er sneeuwballen gegooid werden.—Seg Jans.… jai hep sain vast.… hoor.… t’met ses pond vraiers.… wa mo je mit soo’n vracht.… puur ses pond.…Piet Hassel zang-deunde achter Jansie, komiekerig afwerend onder ’t spelen, aanvallen van stoeiende giechelmeiden, die ’m telkens op z’n neus wilden tikken met kop van Sinterklaasvrijer.—Nou, lachte Jans terug,—mooie hoog-stevige boerinnemeid met dikken wellustkop en glimmig opgepoetst wangrood—bin je jeloersch?.…—Waa’n geep.… moar ken ’n mensch nou mi-sonder fesoen.… ses vraiers àn.…—Sevetien gooit, schorde rauw er doorheen, grauwe venter met zenuwknuisten op oude toonbank trommelend.… sevetien.… neegtien blaif winne.…Maar Jansie zag ’r geluk niet in woede.—Geep, geep, daa’s je suster maan.… bi je beduufeld, en[85]in ’n kwaadaardigen duw aan ’r kuifblond, wrong ze overbodig ’n haarspeld dieper in ’r kapsel, met zenuwgebaar.—Dwarrel, stoppelkat, lolde half gebelgd Piet terug, kabbeloebelaap.… waa’n fiselemie.… waa’n muurvarke.… waa’n binnebeer.—’t Kijlde scheldnamen, met zwaar gelach van omstanders bij elk nieuw grapwoord, dat z’n mond uitflapte. De smak was om.Jans, die negentien gegooid had, won.—Neegtien hep wonne.… wa mot sain.… twee pond paling of ses pond speekeloas?Dolgraag had Jans de vrijers gekozen. Maar nou er Hassel zoo gesmeerd had, durfde ze niet voor de omstanders. In heeten wrevel nam ze de paling, zich zelf in stilte verwenschend dat ze de vrijers liet liggen. Rammelend gingen de blikjes in zakschort van den venter. Z’n schorklankige stem, rauw, roggelde weer.—Wie mot.. wie blief ’n pond paling of drie pond speek’loas?..Plots dromde ’n woeste groep van zestien kerels, den winkel in. In gillende, krijschende herrie kaapten ze duwend den groenteman, vóór dat een ander nemen kon, de blikjes uit de schort, dat ie waggelde achter z’n toonbank. Een uit de groep, kerel met rood-behaarden kop, ottergezicht, snee-geulen om z’n mond en korst-rooie haak-krabben dwars over den neus, stak hoog, boven hun hoofden ’n gonjen zak, schreeuwend:—Hier kailt de mikmak in!.…In ’n oogenblik waren de blikjes afgekocht, verdrongen ze andere smakkers die gromden en vloekten. Zware rookwolken dampten ze tusschen de menschen, rossig opkronkelend boven gelige koppen-donkerte. Hun pet-kleppen glimmerden onder ’t lamplicht, als mes-flikkeringen, bij hun wilde hoofdbewegingen. Telkens had één uit de groep bij wilden dobbel een smakprijs, die met rauwe hoera’s en stemme-donderingen den grooten zak van den rooie ingekwakt werd, onder gedrang en geduw naar den kerel.In tien smakhuizen was de groep van zestien al rondgeduiveld.… Dit was de elfde.[86]—Wie mot blikkies, schorde venter beverig en ontdaan.… drie krentebroode of vier varkeslappies!.…Tegen de troep drongen nu anderen in die ook blikjes hebben wilden; ’n metselaar nam er acht, voor zich, en vier meiden die naast ’m stonden. Maar zij, één met hun zestienen, gierden en stem-rochelden er tusschen door, en weer had met dobbel-rondgang ’n kerel uit hùn bende den smakprijs.De rood-behaarde kerel met z’n verwrongen smal ottergezicht, gilde als ’n razende, zwaaide den zak boven de paffende menschenkoppen en rukte de bloederige varkenslapjes, ’n help-juffer, achter toonbankje, uit d’r beenige handen. En telkens weer won er één uit hun midden, rauwden ze hoera’s, onder wilde zwaaiingen van den zak, dat bezadigde smakkers krompen van schrik.—Telkens weer kwakten ze, op en door elkaar in den donkeren gonjen muil, Sinterklaas en druipende bloedbeuling, paling en banket, chokolade en konijnen, onder dolwoest gekankaneer van den stoet, die in z’n kring trok, angstige meiden, dwingend ze mee te gieren. En òpstaarden in wilde extaze allen naar den grauwen zak, hoog in armstrekking van rooien dolleman, boven koppen, slingerzwaaiend door mistig-verlichte rooksfeer. Bleek als z’n bakkersbaret hielp de winkelier, bevend van drift. En z’n vrouw, in de lage kamer, naast ’m, groen-grauw van angst, trok ’m telkens aan z’n mouw, dat ie zich bedwingen zou. Onverschilliger in ’t geraas, ringelde de venter voor-zich-uit, in schorder stemrauwte.…—Wie mot.… wie blief.… drie kenijne of twee pond beuling.

[Inhoud]IV.Tegen acht uur stapten de jongens op.In Wiereland joolden door de donkere straatjes, strooiavondgangers. St. Nikolaas was in wit gewaad neergedaald in ’t stedeke. Tegen den avond, uit grauw-grijze lucht dwarrelde wemelend, stil-blank geschitter en gevlok, windloos neersuizend, ruischloos blank, héél stil vertooverend daken en boomen. Het stille dorp-stadje was als dichtgeweven met blank schuim in enk’le uren, en overal schimden, wit-hoekige geveltjes, schuin en laag, zwaar besneeuwde dak-vlakken, schuimblank, met schaduwblauw van kousjes-koud licht, in de hoofdstraten. Langzaam aan kwam vertier en rumoer uit de achterwijkjes, sneeuw-scheem’rig verlicht, wègdroomend, in donker rossig-goud schijnsel van ’n paar ouë vlamgaslantaarns.Naar de groote handelsstraat ging òp, gekrioel van schreeuwende kinderen en luid-pratende menschen. Door elkaar liepen deftige burgerij, lollende, flappende meiden en jongens, in blanken sneeuwval, en geluid-dempend verbleekte de straat in stille verwitting. Het voorplein van stedeke bij ’t station, waar ’n groot weibrok witte, schimmig onder donkeren hemel, lag roerloos; en van verre, op Lemperweg, naar ’t dorp Lemper, bronsden in duisterdiep, ’n paar rossige gaslantaarns op geheimzinnig verwitten boomendrom.De Baanwijk schitterde in winkellicht, aan weerskanten en overal achter gloedglazen, spatte blinkering en fonkeling van kleur-voorwerpen. Voor iederen winkel stonden troepjes kinders, opgeduwd door grootere jongens en meidenvolk, en ’n stroom stommelende drukte-menschen ging en kwam de straat af en op. Soms, uit de massa, bleven er plots staan, ’n groepje, om te lach-kijken naar gillende dienstmeisjes en tuinders-dochters, die besneeuwbald en wit-gebombardeerd werden, bangelijk vluchtten in winkels en portieken. Telkens joolden kleine en groote stoeten dwars door den wandelstroom, sneeuw-bombardeerend als woeste donkere duivels omraasd van witte projektielen.[82]Woest, in heete feest-stemming braakten kerels hun lol uit, tierend en stoeiend. Zwaarder joeg rumoer door de anders doodstille winterstraatjes, als allure van groote stads-woeling. Lachend, gedempt, deftig, trokken notabelen van de plaats, voorbij opgedirkte winkeltjes, lachend minachtend om stedekepraal. Staan bleven ze alleen om kindertjes te plezieren; kindertjes juichend bij poppen die te star-oogen lagen tegen ’t koue winkellicht, in kleurige kleertjes en strakke waskopjes; oogengulzigend naar fornuisjes en kookstellen die kopervonkten in etalage-extaze; naar groote paardekoppen, omstrooid met zilveren en gouden snippers. Tegen half negen zuiverde de straat zich van het heerige volk, bleef alleen het woelige, arme, zuipende en stoeiende Wiereland, de tuinders jongens en meiden, armen, schorem, lawaaiend in de witte sneeuwhal, verplompend zijn stil-vonkend rein-blank, met zware donkere voeten, vol gloei-hartstocht en stoei-lust, beestig bijeen gekliekt, onder daverend schorre stemmenlol. Van uit het Kloosterpad, smal kronkelwegje, uitloopend op de groote Baanwijk, kwam opzetten zangkoor van jongens- en meisjesstemmen, donker kinderstoetje, achter elkaar áángerijd. Voorop praalde ’n snuitertje, bemombakkest, met zilveren haardotten aan masker onder de kin, bisschoppelijk beplakt met zilveren papieren mantel en hoog besteekt, omrand van sterretjes-rood, en ritselige goudloovertjes. Naast ’m ging ’n roetig besmeerde kleuter, kannibaalsch wild, in witte oogappelswoestheid, gooiend met sneeuwballen naar ieder die voorbijkwam. Dàn gedragen, dàn gesleurd en geduwd werd Sinterklaas. In z’n hand hield ie ’n schommelende lampion, overgebleven siersel van Drie-Koningen, in kwijnerig rood en groen licht, afschijnend op z’n beschilderd mombakkes, dat schaduw-geelde zwaar en bang. Om lampion, in zwak rood schijnsel, droomerig en diep, draaide ’n wiel van zilveren sterretjes door ’n ander, met ’n touw naast ’m, in gang gewenteld, dat ’t wemelde, glans-zilverig als waterkringen van fontein, om de half-belichte kinderhoofdjes. En zoo, kronkelend achterelkaar, donker-stoetig, grillig-rood bewasemd in lampiondamp en groenige dooreenschommeling[83]van vale lichttintjes, slangde ’t troepje de bleek-besneeuwde Baanwijk over, tusschen de boomrijen door, in schaduwdans achterhaald op sneeuwgrond, de stoeikerels en wijven tegemoet, onder jongensgekrijsch en meisjesgegil. Van ver klonk soms even, stemzwakte van kleuterige achterblijvers, die met stukkende lampionnetjes en afzakbroeken, meezongen en roffelend rommelpot sloegen in ’t verwarde gegalm,.… liedjes van Driekoningen dat komen ging:Drie koninge drie koningeGaif main ’n nuute hoedMainouëis f’rsleteMain foàder maa’g’t nie weteMain moeder hep gain geldAchter de rooseboom is ’t teld.…Aan het eind van de Baanwijk stonden de achterwinkels opgepropt met troepen hurriënde meiden en jongens te smakken, vettig-glimmende feestgezichten, beglunderd en opgedirkt in kleeren-schetter, voor ’n geïmproviseerde toonbank, opgeslagen in ’n leeggeruimde kamer.Blikjes gingen van hand tot hand als ’n smak over was.—Wie hepp sàin, leste blikkie?.… tien cent, krijschte armelijk schorre kerel achter de toonbank,—’n venter die op den dag met afvalgroenten door de plaats ging, en nu, tot laat in den nacht, met schreeuwen en smak-opgejaag voor de winkeliers, nog ’n extratje verdienen wilde. Achter ’m stond deftig banketbakker-eigenaar met witte baret, blufferig in ’t wit, vettig-grinnekend bij stormgeloop van menschen, lacherig-kontroleerend, met z’n handen frommelend onder z’n blank schort.—Nou, is nou dààn, la moar beginne, riep ’n ongeduldig bochelig kereltje.—Nog één blikkie,.… nog één, schorde de venter met armelijken zangdeun in z’n stem, om fut in den dobbel te houen. Achter ’t kereltje, grabbelde ’n hand naar ’t blikje.[84]Nou kon gesmakt worden. Ratel-dof bonkten de dobbelsteenen in den smallen houten smakbak. Jans Brielle gooide negentien.—Neeg’tien gooit, neeg’tien,.… schorde pijnlijk heesche venter, en duwde ’n anderen grijparm, die opdrong met z’n blikje, in ruil, dobbelsteenen in de hand.… Dof rolden ze den bak in.…—Sestien gooit.… neeg’tien blaift winne.…, deunde de venter.… de hoogste hep sain, twee pond paling of ses pond speek’laos.….—twoalf gooit.… neegtien blaift.… Jans je stoat prechtig mait.…En telkens bonkte ’n andere worp den smakbak in, onder heet gedrang om te zien, uitbarstende hoera’s, gevloek, geraas en gelol van lage en hooge gooiers. Het stonk vunzig, tusschen jassen en mantelgoed. Onder de hitte wasemde natte sneeuwlucht uit de kleeren op. Pilows, jekkers en duffelen manteltjes zweetten, tusschen ranzige vischlucht van paling, poonen, gebak en brokken. Straaltjes nat sieperden van hoeden in nekken en telkens raasde gevloek òp van kerels en meiden die dachten dat er sneeuwballen gegooid werden.—Seg Jans.… jai hep sain vast.… hoor.… t’met ses pond vraiers.… wa mo je mit soo’n vracht.… puur ses pond.…Piet Hassel zang-deunde achter Jansie, komiekerig afwerend onder ’t spelen, aanvallen van stoeiende giechelmeiden, die ’m telkens op z’n neus wilden tikken met kop van Sinterklaasvrijer.—Nou, lachte Jans terug,—mooie hoog-stevige boerinnemeid met dikken wellustkop en glimmig opgepoetst wangrood—bin je jeloersch?.…—Waa’n geep.… moar ken ’n mensch nou mi-sonder fesoen.… ses vraiers àn.…—Sevetien gooit, schorde rauw er doorheen, grauwe venter met zenuwknuisten op oude toonbank trommelend.… sevetien.… neegtien blaif winne.…Maar Jansie zag ’r geluk niet in woede.—Geep, geep, daa’s je suster maan.… bi je beduufeld, en[85]in ’n kwaadaardigen duw aan ’r kuifblond, wrong ze overbodig ’n haarspeld dieper in ’r kapsel, met zenuwgebaar.—Dwarrel, stoppelkat, lolde half gebelgd Piet terug, kabbeloebelaap.… waa’n fiselemie.… waa’n muurvarke.… waa’n binnebeer.—’t Kijlde scheldnamen, met zwaar gelach van omstanders bij elk nieuw grapwoord, dat z’n mond uitflapte. De smak was om.Jans, die negentien gegooid had, won.—Neegtien hep wonne.… wa mot sain.… twee pond paling of ses pond speekeloas?Dolgraag had Jans de vrijers gekozen. Maar nou er Hassel zoo gesmeerd had, durfde ze niet voor de omstanders. In heeten wrevel nam ze de paling, zich zelf in stilte verwenschend dat ze de vrijers liet liggen. Rammelend gingen de blikjes in zakschort van den venter. Z’n schorklankige stem, rauw, roggelde weer.—Wie mot.. wie blief ’n pond paling of drie pond speek’loas?..Plots dromde ’n woeste groep van zestien kerels, den winkel in. In gillende, krijschende herrie kaapten ze duwend den groenteman, vóór dat een ander nemen kon, de blikjes uit de schort, dat ie waggelde achter z’n toonbank. Een uit de groep, kerel met rood-behaarden kop, ottergezicht, snee-geulen om z’n mond en korst-rooie haak-krabben dwars over den neus, stak hoog, boven hun hoofden ’n gonjen zak, schreeuwend:—Hier kailt de mikmak in!.…In ’n oogenblik waren de blikjes afgekocht, verdrongen ze andere smakkers die gromden en vloekten. Zware rookwolken dampten ze tusschen de menschen, rossig opkronkelend boven gelige koppen-donkerte. Hun pet-kleppen glimmerden onder ’t lamplicht, als mes-flikkeringen, bij hun wilde hoofdbewegingen. Telkens had één uit de groep bij wilden dobbel een smakprijs, die met rauwe hoera’s en stemme-donderingen den grooten zak van den rooie ingekwakt werd, onder gedrang en geduw naar den kerel.In tien smakhuizen was de groep van zestien al rondgeduiveld.… Dit was de elfde.[86]—Wie mot blikkies, schorde venter beverig en ontdaan.… drie krentebroode of vier varkeslappies!.…Tegen de troep drongen nu anderen in die ook blikjes hebben wilden; ’n metselaar nam er acht, voor zich, en vier meiden die naast ’m stonden. Maar zij, één met hun zestienen, gierden en stem-rochelden er tusschen door, en weer had met dobbel-rondgang ’n kerel uit hùn bende den smakprijs.De rood-behaarde kerel met z’n verwrongen smal ottergezicht, gilde als ’n razende, zwaaide den zak boven de paffende menschenkoppen en rukte de bloederige varkenslapjes, ’n help-juffer, achter toonbankje, uit d’r beenige handen. En telkens weer won er één uit hun midden, rauwden ze hoera’s, onder wilde zwaaiingen van den zak, dat bezadigde smakkers krompen van schrik.—Telkens weer kwakten ze, op en door elkaar in den donkeren gonjen muil, Sinterklaas en druipende bloedbeuling, paling en banket, chokolade en konijnen, onder dolwoest gekankaneer van den stoet, die in z’n kring trok, angstige meiden, dwingend ze mee te gieren. En òpstaarden in wilde extaze allen naar den grauwen zak, hoog in armstrekking van rooien dolleman, boven koppen, slingerzwaaiend door mistig-verlichte rooksfeer. Bleek als z’n bakkersbaret hielp de winkelier, bevend van drift. En z’n vrouw, in de lage kamer, naast ’m, groen-grauw van angst, trok ’m telkens aan z’n mouw, dat ie zich bedwingen zou. Onverschilliger in ’t geraas, ringelde de venter voor-zich-uit, in schorder stemrauwte.…—Wie mot.… wie blief.… drie kenijne of twee pond beuling.

[Inhoud]IV.Tegen acht uur stapten de jongens op.In Wiereland joolden door de donkere straatjes, strooiavondgangers. St. Nikolaas was in wit gewaad neergedaald in ’t stedeke. Tegen den avond, uit grauw-grijze lucht dwarrelde wemelend, stil-blank geschitter en gevlok, windloos neersuizend, ruischloos blank, héél stil vertooverend daken en boomen. Het stille dorp-stadje was als dichtgeweven met blank schuim in enk’le uren, en overal schimden, wit-hoekige geveltjes, schuin en laag, zwaar besneeuwde dak-vlakken, schuimblank, met schaduwblauw van kousjes-koud licht, in de hoofdstraten. Langzaam aan kwam vertier en rumoer uit de achterwijkjes, sneeuw-scheem’rig verlicht, wègdroomend, in donker rossig-goud schijnsel van ’n paar ouë vlamgaslantaarns.Naar de groote handelsstraat ging òp, gekrioel van schreeuwende kinderen en luid-pratende menschen. Door elkaar liepen deftige burgerij, lollende, flappende meiden en jongens, in blanken sneeuwval, en geluid-dempend verbleekte de straat in stille verwitting. Het voorplein van stedeke bij ’t station, waar ’n groot weibrok witte, schimmig onder donkeren hemel, lag roerloos; en van verre, op Lemperweg, naar ’t dorp Lemper, bronsden in duisterdiep, ’n paar rossige gaslantaarns op geheimzinnig verwitten boomendrom.De Baanwijk schitterde in winkellicht, aan weerskanten en overal achter gloedglazen, spatte blinkering en fonkeling van kleur-voorwerpen. Voor iederen winkel stonden troepjes kinders, opgeduwd door grootere jongens en meidenvolk, en ’n stroom stommelende drukte-menschen ging en kwam de straat af en op. Soms, uit de massa, bleven er plots staan, ’n groepje, om te lach-kijken naar gillende dienstmeisjes en tuinders-dochters, die besneeuwbald en wit-gebombardeerd werden, bangelijk vluchtten in winkels en portieken. Telkens joolden kleine en groote stoeten dwars door den wandelstroom, sneeuw-bombardeerend als woeste donkere duivels omraasd van witte projektielen.[82]Woest, in heete feest-stemming braakten kerels hun lol uit, tierend en stoeiend. Zwaarder joeg rumoer door de anders doodstille winterstraatjes, als allure van groote stads-woeling. Lachend, gedempt, deftig, trokken notabelen van de plaats, voorbij opgedirkte winkeltjes, lachend minachtend om stedekepraal. Staan bleven ze alleen om kindertjes te plezieren; kindertjes juichend bij poppen die te star-oogen lagen tegen ’t koue winkellicht, in kleurige kleertjes en strakke waskopjes; oogengulzigend naar fornuisjes en kookstellen die kopervonkten in etalage-extaze; naar groote paardekoppen, omstrooid met zilveren en gouden snippers. Tegen half negen zuiverde de straat zich van het heerige volk, bleef alleen het woelige, arme, zuipende en stoeiende Wiereland, de tuinders jongens en meiden, armen, schorem, lawaaiend in de witte sneeuwhal, verplompend zijn stil-vonkend rein-blank, met zware donkere voeten, vol gloei-hartstocht en stoei-lust, beestig bijeen gekliekt, onder daverend schorre stemmenlol. Van uit het Kloosterpad, smal kronkelwegje, uitloopend op de groote Baanwijk, kwam opzetten zangkoor van jongens- en meisjesstemmen, donker kinderstoetje, achter elkaar áángerijd. Voorop praalde ’n snuitertje, bemombakkest, met zilveren haardotten aan masker onder de kin, bisschoppelijk beplakt met zilveren papieren mantel en hoog besteekt, omrand van sterretjes-rood, en ritselige goudloovertjes. Naast ’m ging ’n roetig besmeerde kleuter, kannibaalsch wild, in witte oogappelswoestheid, gooiend met sneeuwballen naar ieder die voorbijkwam. Dàn gedragen, dàn gesleurd en geduwd werd Sinterklaas. In z’n hand hield ie ’n schommelende lampion, overgebleven siersel van Drie-Koningen, in kwijnerig rood en groen licht, afschijnend op z’n beschilderd mombakkes, dat schaduw-geelde zwaar en bang. Om lampion, in zwak rood schijnsel, droomerig en diep, draaide ’n wiel van zilveren sterretjes door ’n ander, met ’n touw naast ’m, in gang gewenteld, dat ’t wemelde, glans-zilverig als waterkringen van fontein, om de half-belichte kinderhoofdjes. En zoo, kronkelend achterelkaar, donker-stoetig, grillig-rood bewasemd in lampiondamp en groenige dooreenschommeling[83]van vale lichttintjes, slangde ’t troepje de bleek-besneeuwde Baanwijk over, tusschen de boomrijen door, in schaduwdans achterhaald op sneeuwgrond, de stoeikerels en wijven tegemoet, onder jongensgekrijsch en meisjesgegil. Van ver klonk soms even, stemzwakte van kleuterige achterblijvers, die met stukkende lampionnetjes en afzakbroeken, meezongen en roffelend rommelpot sloegen in ’t verwarde gegalm,.… liedjes van Driekoningen dat komen ging:Drie koninge drie koningeGaif main ’n nuute hoedMainouëis f’rsleteMain foàder maa’g’t nie weteMain moeder hep gain geldAchter de rooseboom is ’t teld.…Aan het eind van de Baanwijk stonden de achterwinkels opgepropt met troepen hurriënde meiden en jongens te smakken, vettig-glimmende feestgezichten, beglunderd en opgedirkt in kleeren-schetter, voor ’n geïmproviseerde toonbank, opgeslagen in ’n leeggeruimde kamer.Blikjes gingen van hand tot hand als ’n smak over was.—Wie hepp sàin, leste blikkie?.… tien cent, krijschte armelijk schorre kerel achter de toonbank,—’n venter die op den dag met afvalgroenten door de plaats ging, en nu, tot laat in den nacht, met schreeuwen en smak-opgejaag voor de winkeliers, nog ’n extratje verdienen wilde. Achter ’m stond deftig banketbakker-eigenaar met witte baret, blufferig in ’t wit, vettig-grinnekend bij stormgeloop van menschen, lacherig-kontroleerend, met z’n handen frommelend onder z’n blank schort.—Nou, is nou dààn, la moar beginne, riep ’n ongeduldig bochelig kereltje.—Nog één blikkie,.… nog één, schorde de venter met armelijken zangdeun in z’n stem, om fut in den dobbel te houen. Achter ’t kereltje, grabbelde ’n hand naar ’t blikje.[84]Nou kon gesmakt worden. Ratel-dof bonkten de dobbelsteenen in den smallen houten smakbak. Jans Brielle gooide negentien.—Neeg’tien gooit, neeg’tien,.… schorde pijnlijk heesche venter, en duwde ’n anderen grijparm, die opdrong met z’n blikje, in ruil, dobbelsteenen in de hand.… Dof rolden ze den bak in.…—Sestien gooit.… neeg’tien blaift winne.…, deunde de venter.… de hoogste hep sain, twee pond paling of ses pond speek’laos.….—twoalf gooit.… neegtien blaift.… Jans je stoat prechtig mait.…En telkens bonkte ’n andere worp den smakbak in, onder heet gedrang om te zien, uitbarstende hoera’s, gevloek, geraas en gelol van lage en hooge gooiers. Het stonk vunzig, tusschen jassen en mantelgoed. Onder de hitte wasemde natte sneeuwlucht uit de kleeren op. Pilows, jekkers en duffelen manteltjes zweetten, tusschen ranzige vischlucht van paling, poonen, gebak en brokken. Straaltjes nat sieperden van hoeden in nekken en telkens raasde gevloek òp van kerels en meiden die dachten dat er sneeuwballen gegooid werden.—Seg Jans.… jai hep sain vast.… hoor.… t’met ses pond vraiers.… wa mo je mit soo’n vracht.… puur ses pond.…Piet Hassel zang-deunde achter Jansie, komiekerig afwerend onder ’t spelen, aanvallen van stoeiende giechelmeiden, die ’m telkens op z’n neus wilden tikken met kop van Sinterklaasvrijer.—Nou, lachte Jans terug,—mooie hoog-stevige boerinnemeid met dikken wellustkop en glimmig opgepoetst wangrood—bin je jeloersch?.…—Waa’n geep.… moar ken ’n mensch nou mi-sonder fesoen.… ses vraiers àn.…—Sevetien gooit, schorde rauw er doorheen, grauwe venter met zenuwknuisten op oude toonbank trommelend.… sevetien.… neegtien blaif winne.…Maar Jansie zag ’r geluk niet in woede.—Geep, geep, daa’s je suster maan.… bi je beduufeld, en[85]in ’n kwaadaardigen duw aan ’r kuifblond, wrong ze overbodig ’n haarspeld dieper in ’r kapsel, met zenuwgebaar.—Dwarrel, stoppelkat, lolde half gebelgd Piet terug, kabbeloebelaap.… waa’n fiselemie.… waa’n muurvarke.… waa’n binnebeer.—’t Kijlde scheldnamen, met zwaar gelach van omstanders bij elk nieuw grapwoord, dat z’n mond uitflapte. De smak was om.Jans, die negentien gegooid had, won.—Neegtien hep wonne.… wa mot sain.… twee pond paling of ses pond speekeloas?Dolgraag had Jans de vrijers gekozen. Maar nou er Hassel zoo gesmeerd had, durfde ze niet voor de omstanders. In heeten wrevel nam ze de paling, zich zelf in stilte verwenschend dat ze de vrijers liet liggen. Rammelend gingen de blikjes in zakschort van den venter. Z’n schorklankige stem, rauw, roggelde weer.—Wie mot.. wie blief ’n pond paling of drie pond speek’loas?..Plots dromde ’n woeste groep van zestien kerels, den winkel in. In gillende, krijschende herrie kaapten ze duwend den groenteman, vóór dat een ander nemen kon, de blikjes uit de schort, dat ie waggelde achter z’n toonbank. Een uit de groep, kerel met rood-behaarden kop, ottergezicht, snee-geulen om z’n mond en korst-rooie haak-krabben dwars over den neus, stak hoog, boven hun hoofden ’n gonjen zak, schreeuwend:—Hier kailt de mikmak in!.…In ’n oogenblik waren de blikjes afgekocht, verdrongen ze andere smakkers die gromden en vloekten. Zware rookwolken dampten ze tusschen de menschen, rossig opkronkelend boven gelige koppen-donkerte. Hun pet-kleppen glimmerden onder ’t lamplicht, als mes-flikkeringen, bij hun wilde hoofdbewegingen. Telkens had één uit de groep bij wilden dobbel een smakprijs, die met rauwe hoera’s en stemme-donderingen den grooten zak van den rooie ingekwakt werd, onder gedrang en geduw naar den kerel.In tien smakhuizen was de groep van zestien al rondgeduiveld.… Dit was de elfde.[86]—Wie mot blikkies, schorde venter beverig en ontdaan.… drie krentebroode of vier varkeslappies!.…Tegen de troep drongen nu anderen in die ook blikjes hebben wilden; ’n metselaar nam er acht, voor zich, en vier meiden die naast ’m stonden. Maar zij, één met hun zestienen, gierden en stem-rochelden er tusschen door, en weer had met dobbel-rondgang ’n kerel uit hùn bende den smakprijs.De rood-behaarde kerel met z’n verwrongen smal ottergezicht, gilde als ’n razende, zwaaide den zak boven de paffende menschenkoppen en rukte de bloederige varkenslapjes, ’n help-juffer, achter toonbankje, uit d’r beenige handen. En telkens weer won er één uit hun midden, rauwden ze hoera’s, onder wilde zwaaiingen van den zak, dat bezadigde smakkers krompen van schrik.—Telkens weer kwakten ze, op en door elkaar in den donkeren gonjen muil, Sinterklaas en druipende bloedbeuling, paling en banket, chokolade en konijnen, onder dolwoest gekankaneer van den stoet, die in z’n kring trok, angstige meiden, dwingend ze mee te gieren. En òpstaarden in wilde extaze allen naar den grauwen zak, hoog in armstrekking van rooien dolleman, boven koppen, slingerzwaaiend door mistig-verlichte rooksfeer. Bleek als z’n bakkersbaret hielp de winkelier, bevend van drift. En z’n vrouw, in de lage kamer, naast ’m, groen-grauw van angst, trok ’m telkens aan z’n mouw, dat ie zich bedwingen zou. Onverschilliger in ’t geraas, ringelde de venter voor-zich-uit, in schorder stemrauwte.…—Wie mot.… wie blief.… drie kenijne of twee pond beuling.

[Inhoud]IV.Tegen acht uur stapten de jongens op.In Wiereland joolden door de donkere straatjes, strooiavondgangers. St. Nikolaas was in wit gewaad neergedaald in ’t stedeke. Tegen den avond, uit grauw-grijze lucht dwarrelde wemelend, stil-blank geschitter en gevlok, windloos neersuizend, ruischloos blank, héél stil vertooverend daken en boomen. Het stille dorp-stadje was als dichtgeweven met blank schuim in enk’le uren, en overal schimden, wit-hoekige geveltjes, schuin en laag, zwaar besneeuwde dak-vlakken, schuimblank, met schaduwblauw van kousjes-koud licht, in de hoofdstraten. Langzaam aan kwam vertier en rumoer uit de achterwijkjes, sneeuw-scheem’rig verlicht, wègdroomend, in donker rossig-goud schijnsel van ’n paar ouë vlamgaslantaarns.Naar de groote handelsstraat ging òp, gekrioel van schreeuwende kinderen en luid-pratende menschen. Door elkaar liepen deftige burgerij, lollende, flappende meiden en jongens, in blanken sneeuwval, en geluid-dempend verbleekte de straat in stille verwitting. Het voorplein van stedeke bij ’t station, waar ’n groot weibrok witte, schimmig onder donkeren hemel, lag roerloos; en van verre, op Lemperweg, naar ’t dorp Lemper, bronsden in duisterdiep, ’n paar rossige gaslantaarns op geheimzinnig verwitten boomendrom.De Baanwijk schitterde in winkellicht, aan weerskanten en overal achter gloedglazen, spatte blinkering en fonkeling van kleur-voorwerpen. Voor iederen winkel stonden troepjes kinders, opgeduwd door grootere jongens en meidenvolk, en ’n stroom stommelende drukte-menschen ging en kwam de straat af en op. Soms, uit de massa, bleven er plots staan, ’n groepje, om te lach-kijken naar gillende dienstmeisjes en tuinders-dochters, die besneeuwbald en wit-gebombardeerd werden, bangelijk vluchtten in winkels en portieken. Telkens joolden kleine en groote stoeten dwars door den wandelstroom, sneeuw-bombardeerend als woeste donkere duivels omraasd van witte projektielen.[82]Woest, in heete feest-stemming braakten kerels hun lol uit, tierend en stoeiend. Zwaarder joeg rumoer door de anders doodstille winterstraatjes, als allure van groote stads-woeling. Lachend, gedempt, deftig, trokken notabelen van de plaats, voorbij opgedirkte winkeltjes, lachend minachtend om stedekepraal. Staan bleven ze alleen om kindertjes te plezieren; kindertjes juichend bij poppen die te star-oogen lagen tegen ’t koue winkellicht, in kleurige kleertjes en strakke waskopjes; oogengulzigend naar fornuisjes en kookstellen die kopervonkten in etalage-extaze; naar groote paardekoppen, omstrooid met zilveren en gouden snippers. Tegen half negen zuiverde de straat zich van het heerige volk, bleef alleen het woelige, arme, zuipende en stoeiende Wiereland, de tuinders jongens en meiden, armen, schorem, lawaaiend in de witte sneeuwhal, verplompend zijn stil-vonkend rein-blank, met zware donkere voeten, vol gloei-hartstocht en stoei-lust, beestig bijeen gekliekt, onder daverend schorre stemmenlol. Van uit het Kloosterpad, smal kronkelwegje, uitloopend op de groote Baanwijk, kwam opzetten zangkoor van jongens- en meisjesstemmen, donker kinderstoetje, achter elkaar áángerijd. Voorop praalde ’n snuitertje, bemombakkest, met zilveren haardotten aan masker onder de kin, bisschoppelijk beplakt met zilveren papieren mantel en hoog besteekt, omrand van sterretjes-rood, en ritselige goudloovertjes. Naast ’m ging ’n roetig besmeerde kleuter, kannibaalsch wild, in witte oogappelswoestheid, gooiend met sneeuwballen naar ieder die voorbijkwam. Dàn gedragen, dàn gesleurd en geduwd werd Sinterklaas. In z’n hand hield ie ’n schommelende lampion, overgebleven siersel van Drie-Koningen, in kwijnerig rood en groen licht, afschijnend op z’n beschilderd mombakkes, dat schaduw-geelde zwaar en bang. Om lampion, in zwak rood schijnsel, droomerig en diep, draaide ’n wiel van zilveren sterretjes door ’n ander, met ’n touw naast ’m, in gang gewenteld, dat ’t wemelde, glans-zilverig als waterkringen van fontein, om de half-belichte kinderhoofdjes. En zoo, kronkelend achterelkaar, donker-stoetig, grillig-rood bewasemd in lampiondamp en groenige dooreenschommeling[83]van vale lichttintjes, slangde ’t troepje de bleek-besneeuwde Baanwijk over, tusschen de boomrijen door, in schaduwdans achterhaald op sneeuwgrond, de stoeikerels en wijven tegemoet, onder jongensgekrijsch en meisjesgegil. Van ver klonk soms even, stemzwakte van kleuterige achterblijvers, die met stukkende lampionnetjes en afzakbroeken, meezongen en roffelend rommelpot sloegen in ’t verwarde gegalm,.… liedjes van Driekoningen dat komen ging:Drie koninge drie koningeGaif main ’n nuute hoedMainouëis f’rsleteMain foàder maa’g’t nie weteMain moeder hep gain geldAchter de rooseboom is ’t teld.…Aan het eind van de Baanwijk stonden de achterwinkels opgepropt met troepen hurriënde meiden en jongens te smakken, vettig-glimmende feestgezichten, beglunderd en opgedirkt in kleeren-schetter, voor ’n geïmproviseerde toonbank, opgeslagen in ’n leeggeruimde kamer.Blikjes gingen van hand tot hand als ’n smak over was.—Wie hepp sàin, leste blikkie?.… tien cent, krijschte armelijk schorre kerel achter de toonbank,—’n venter die op den dag met afvalgroenten door de plaats ging, en nu, tot laat in den nacht, met schreeuwen en smak-opgejaag voor de winkeliers, nog ’n extratje verdienen wilde. Achter ’m stond deftig banketbakker-eigenaar met witte baret, blufferig in ’t wit, vettig-grinnekend bij stormgeloop van menschen, lacherig-kontroleerend, met z’n handen frommelend onder z’n blank schort.—Nou, is nou dààn, la moar beginne, riep ’n ongeduldig bochelig kereltje.—Nog één blikkie,.… nog één, schorde de venter met armelijken zangdeun in z’n stem, om fut in den dobbel te houen. Achter ’t kereltje, grabbelde ’n hand naar ’t blikje.[84]Nou kon gesmakt worden. Ratel-dof bonkten de dobbelsteenen in den smallen houten smakbak. Jans Brielle gooide negentien.—Neeg’tien gooit, neeg’tien,.… schorde pijnlijk heesche venter, en duwde ’n anderen grijparm, die opdrong met z’n blikje, in ruil, dobbelsteenen in de hand.… Dof rolden ze den bak in.…—Sestien gooit.… neeg’tien blaift winne.…, deunde de venter.… de hoogste hep sain, twee pond paling of ses pond speek’laos.….—twoalf gooit.… neegtien blaift.… Jans je stoat prechtig mait.…En telkens bonkte ’n andere worp den smakbak in, onder heet gedrang om te zien, uitbarstende hoera’s, gevloek, geraas en gelol van lage en hooge gooiers. Het stonk vunzig, tusschen jassen en mantelgoed. Onder de hitte wasemde natte sneeuwlucht uit de kleeren op. Pilows, jekkers en duffelen manteltjes zweetten, tusschen ranzige vischlucht van paling, poonen, gebak en brokken. Straaltjes nat sieperden van hoeden in nekken en telkens raasde gevloek òp van kerels en meiden die dachten dat er sneeuwballen gegooid werden.—Seg Jans.… jai hep sain vast.… hoor.… t’met ses pond vraiers.… wa mo je mit soo’n vracht.… puur ses pond.…Piet Hassel zang-deunde achter Jansie, komiekerig afwerend onder ’t spelen, aanvallen van stoeiende giechelmeiden, die ’m telkens op z’n neus wilden tikken met kop van Sinterklaasvrijer.—Nou, lachte Jans terug,—mooie hoog-stevige boerinnemeid met dikken wellustkop en glimmig opgepoetst wangrood—bin je jeloersch?.…—Waa’n geep.… moar ken ’n mensch nou mi-sonder fesoen.… ses vraiers àn.…—Sevetien gooit, schorde rauw er doorheen, grauwe venter met zenuwknuisten op oude toonbank trommelend.… sevetien.… neegtien blaif winne.…Maar Jansie zag ’r geluk niet in woede.—Geep, geep, daa’s je suster maan.… bi je beduufeld, en[85]in ’n kwaadaardigen duw aan ’r kuifblond, wrong ze overbodig ’n haarspeld dieper in ’r kapsel, met zenuwgebaar.—Dwarrel, stoppelkat, lolde half gebelgd Piet terug, kabbeloebelaap.… waa’n fiselemie.… waa’n muurvarke.… waa’n binnebeer.—’t Kijlde scheldnamen, met zwaar gelach van omstanders bij elk nieuw grapwoord, dat z’n mond uitflapte. De smak was om.Jans, die negentien gegooid had, won.—Neegtien hep wonne.… wa mot sain.… twee pond paling of ses pond speekeloas?Dolgraag had Jans de vrijers gekozen. Maar nou er Hassel zoo gesmeerd had, durfde ze niet voor de omstanders. In heeten wrevel nam ze de paling, zich zelf in stilte verwenschend dat ze de vrijers liet liggen. Rammelend gingen de blikjes in zakschort van den venter. Z’n schorklankige stem, rauw, roggelde weer.—Wie mot.. wie blief ’n pond paling of drie pond speek’loas?..Plots dromde ’n woeste groep van zestien kerels, den winkel in. In gillende, krijschende herrie kaapten ze duwend den groenteman, vóór dat een ander nemen kon, de blikjes uit de schort, dat ie waggelde achter z’n toonbank. Een uit de groep, kerel met rood-behaarden kop, ottergezicht, snee-geulen om z’n mond en korst-rooie haak-krabben dwars over den neus, stak hoog, boven hun hoofden ’n gonjen zak, schreeuwend:—Hier kailt de mikmak in!.…In ’n oogenblik waren de blikjes afgekocht, verdrongen ze andere smakkers die gromden en vloekten. Zware rookwolken dampten ze tusschen de menschen, rossig opkronkelend boven gelige koppen-donkerte. Hun pet-kleppen glimmerden onder ’t lamplicht, als mes-flikkeringen, bij hun wilde hoofdbewegingen. Telkens had één uit de groep bij wilden dobbel een smakprijs, die met rauwe hoera’s en stemme-donderingen den grooten zak van den rooie ingekwakt werd, onder gedrang en geduw naar den kerel.In tien smakhuizen was de groep van zestien al rondgeduiveld.… Dit was de elfde.[86]—Wie mot blikkies, schorde venter beverig en ontdaan.… drie krentebroode of vier varkeslappies!.…Tegen de troep drongen nu anderen in die ook blikjes hebben wilden; ’n metselaar nam er acht, voor zich, en vier meiden die naast ’m stonden. Maar zij, één met hun zestienen, gierden en stem-rochelden er tusschen door, en weer had met dobbel-rondgang ’n kerel uit hùn bende den smakprijs.De rood-behaarde kerel met z’n verwrongen smal ottergezicht, gilde als ’n razende, zwaaide den zak boven de paffende menschenkoppen en rukte de bloederige varkenslapjes, ’n help-juffer, achter toonbankje, uit d’r beenige handen. En telkens weer won er één uit hun midden, rauwden ze hoera’s, onder wilde zwaaiingen van den zak, dat bezadigde smakkers krompen van schrik.—Telkens weer kwakten ze, op en door elkaar in den donkeren gonjen muil, Sinterklaas en druipende bloedbeuling, paling en banket, chokolade en konijnen, onder dolwoest gekankaneer van den stoet, die in z’n kring trok, angstige meiden, dwingend ze mee te gieren. En òpstaarden in wilde extaze allen naar den grauwen zak, hoog in armstrekking van rooien dolleman, boven koppen, slingerzwaaiend door mistig-verlichte rooksfeer. Bleek als z’n bakkersbaret hielp de winkelier, bevend van drift. En z’n vrouw, in de lage kamer, naast ’m, groen-grauw van angst, trok ’m telkens aan z’n mouw, dat ie zich bedwingen zou. Onverschilliger in ’t geraas, ringelde de venter voor-zich-uit, in schorder stemrauwte.…—Wie mot.… wie blief.… drie kenijne of twee pond beuling.

IV.

Tegen acht uur stapten de jongens op.In Wiereland joolden door de donkere straatjes, strooiavondgangers. St. Nikolaas was in wit gewaad neergedaald in ’t stedeke. Tegen den avond, uit grauw-grijze lucht dwarrelde wemelend, stil-blank geschitter en gevlok, windloos neersuizend, ruischloos blank, héél stil vertooverend daken en boomen. Het stille dorp-stadje was als dichtgeweven met blank schuim in enk’le uren, en overal schimden, wit-hoekige geveltjes, schuin en laag, zwaar besneeuwde dak-vlakken, schuimblank, met schaduwblauw van kousjes-koud licht, in de hoofdstraten. Langzaam aan kwam vertier en rumoer uit de achterwijkjes, sneeuw-scheem’rig verlicht, wègdroomend, in donker rossig-goud schijnsel van ’n paar ouë vlamgaslantaarns.Naar de groote handelsstraat ging òp, gekrioel van schreeuwende kinderen en luid-pratende menschen. Door elkaar liepen deftige burgerij, lollende, flappende meiden en jongens, in blanken sneeuwval, en geluid-dempend verbleekte de straat in stille verwitting. Het voorplein van stedeke bij ’t station, waar ’n groot weibrok witte, schimmig onder donkeren hemel, lag roerloos; en van verre, op Lemperweg, naar ’t dorp Lemper, bronsden in duisterdiep, ’n paar rossige gaslantaarns op geheimzinnig verwitten boomendrom.De Baanwijk schitterde in winkellicht, aan weerskanten en overal achter gloedglazen, spatte blinkering en fonkeling van kleur-voorwerpen. Voor iederen winkel stonden troepjes kinders, opgeduwd door grootere jongens en meidenvolk, en ’n stroom stommelende drukte-menschen ging en kwam de straat af en op. Soms, uit de massa, bleven er plots staan, ’n groepje, om te lach-kijken naar gillende dienstmeisjes en tuinders-dochters, die besneeuwbald en wit-gebombardeerd werden, bangelijk vluchtten in winkels en portieken. Telkens joolden kleine en groote stoeten dwars door den wandelstroom, sneeuw-bombardeerend als woeste donkere duivels omraasd van witte projektielen.[82]Woest, in heete feest-stemming braakten kerels hun lol uit, tierend en stoeiend. Zwaarder joeg rumoer door de anders doodstille winterstraatjes, als allure van groote stads-woeling. Lachend, gedempt, deftig, trokken notabelen van de plaats, voorbij opgedirkte winkeltjes, lachend minachtend om stedekepraal. Staan bleven ze alleen om kindertjes te plezieren; kindertjes juichend bij poppen die te star-oogen lagen tegen ’t koue winkellicht, in kleurige kleertjes en strakke waskopjes; oogengulzigend naar fornuisjes en kookstellen die kopervonkten in etalage-extaze; naar groote paardekoppen, omstrooid met zilveren en gouden snippers. Tegen half negen zuiverde de straat zich van het heerige volk, bleef alleen het woelige, arme, zuipende en stoeiende Wiereland, de tuinders jongens en meiden, armen, schorem, lawaaiend in de witte sneeuwhal, verplompend zijn stil-vonkend rein-blank, met zware donkere voeten, vol gloei-hartstocht en stoei-lust, beestig bijeen gekliekt, onder daverend schorre stemmenlol. Van uit het Kloosterpad, smal kronkelwegje, uitloopend op de groote Baanwijk, kwam opzetten zangkoor van jongens- en meisjesstemmen, donker kinderstoetje, achter elkaar áángerijd. Voorop praalde ’n snuitertje, bemombakkest, met zilveren haardotten aan masker onder de kin, bisschoppelijk beplakt met zilveren papieren mantel en hoog besteekt, omrand van sterretjes-rood, en ritselige goudloovertjes. Naast ’m ging ’n roetig besmeerde kleuter, kannibaalsch wild, in witte oogappelswoestheid, gooiend met sneeuwballen naar ieder die voorbijkwam. Dàn gedragen, dàn gesleurd en geduwd werd Sinterklaas. In z’n hand hield ie ’n schommelende lampion, overgebleven siersel van Drie-Koningen, in kwijnerig rood en groen licht, afschijnend op z’n beschilderd mombakkes, dat schaduw-geelde zwaar en bang. Om lampion, in zwak rood schijnsel, droomerig en diep, draaide ’n wiel van zilveren sterretjes door ’n ander, met ’n touw naast ’m, in gang gewenteld, dat ’t wemelde, glans-zilverig als waterkringen van fontein, om de half-belichte kinderhoofdjes. En zoo, kronkelend achterelkaar, donker-stoetig, grillig-rood bewasemd in lampiondamp en groenige dooreenschommeling[83]van vale lichttintjes, slangde ’t troepje de bleek-besneeuwde Baanwijk over, tusschen de boomrijen door, in schaduwdans achterhaald op sneeuwgrond, de stoeikerels en wijven tegemoet, onder jongensgekrijsch en meisjesgegil. Van ver klonk soms even, stemzwakte van kleuterige achterblijvers, die met stukkende lampionnetjes en afzakbroeken, meezongen en roffelend rommelpot sloegen in ’t verwarde gegalm,.… liedjes van Driekoningen dat komen ging:Drie koninge drie koningeGaif main ’n nuute hoedMainouëis f’rsleteMain foàder maa’g’t nie weteMain moeder hep gain geldAchter de rooseboom is ’t teld.…Aan het eind van de Baanwijk stonden de achterwinkels opgepropt met troepen hurriënde meiden en jongens te smakken, vettig-glimmende feestgezichten, beglunderd en opgedirkt in kleeren-schetter, voor ’n geïmproviseerde toonbank, opgeslagen in ’n leeggeruimde kamer.Blikjes gingen van hand tot hand als ’n smak over was.—Wie hepp sàin, leste blikkie?.… tien cent, krijschte armelijk schorre kerel achter de toonbank,—’n venter die op den dag met afvalgroenten door de plaats ging, en nu, tot laat in den nacht, met schreeuwen en smak-opgejaag voor de winkeliers, nog ’n extratje verdienen wilde. Achter ’m stond deftig banketbakker-eigenaar met witte baret, blufferig in ’t wit, vettig-grinnekend bij stormgeloop van menschen, lacherig-kontroleerend, met z’n handen frommelend onder z’n blank schort.—Nou, is nou dààn, la moar beginne, riep ’n ongeduldig bochelig kereltje.—Nog één blikkie,.… nog één, schorde de venter met armelijken zangdeun in z’n stem, om fut in den dobbel te houen. Achter ’t kereltje, grabbelde ’n hand naar ’t blikje.[84]Nou kon gesmakt worden. Ratel-dof bonkten de dobbelsteenen in den smallen houten smakbak. Jans Brielle gooide negentien.—Neeg’tien gooit, neeg’tien,.… schorde pijnlijk heesche venter, en duwde ’n anderen grijparm, die opdrong met z’n blikje, in ruil, dobbelsteenen in de hand.… Dof rolden ze den bak in.…—Sestien gooit.… neeg’tien blaift winne.…, deunde de venter.… de hoogste hep sain, twee pond paling of ses pond speek’laos.….—twoalf gooit.… neegtien blaift.… Jans je stoat prechtig mait.…En telkens bonkte ’n andere worp den smakbak in, onder heet gedrang om te zien, uitbarstende hoera’s, gevloek, geraas en gelol van lage en hooge gooiers. Het stonk vunzig, tusschen jassen en mantelgoed. Onder de hitte wasemde natte sneeuwlucht uit de kleeren op. Pilows, jekkers en duffelen manteltjes zweetten, tusschen ranzige vischlucht van paling, poonen, gebak en brokken. Straaltjes nat sieperden van hoeden in nekken en telkens raasde gevloek òp van kerels en meiden die dachten dat er sneeuwballen gegooid werden.—Seg Jans.… jai hep sain vast.… hoor.… t’met ses pond vraiers.… wa mo je mit soo’n vracht.… puur ses pond.…Piet Hassel zang-deunde achter Jansie, komiekerig afwerend onder ’t spelen, aanvallen van stoeiende giechelmeiden, die ’m telkens op z’n neus wilden tikken met kop van Sinterklaasvrijer.—Nou, lachte Jans terug,—mooie hoog-stevige boerinnemeid met dikken wellustkop en glimmig opgepoetst wangrood—bin je jeloersch?.…—Waa’n geep.… moar ken ’n mensch nou mi-sonder fesoen.… ses vraiers àn.…—Sevetien gooit, schorde rauw er doorheen, grauwe venter met zenuwknuisten op oude toonbank trommelend.… sevetien.… neegtien blaif winne.…Maar Jansie zag ’r geluk niet in woede.—Geep, geep, daa’s je suster maan.… bi je beduufeld, en[85]in ’n kwaadaardigen duw aan ’r kuifblond, wrong ze overbodig ’n haarspeld dieper in ’r kapsel, met zenuwgebaar.—Dwarrel, stoppelkat, lolde half gebelgd Piet terug, kabbeloebelaap.… waa’n fiselemie.… waa’n muurvarke.… waa’n binnebeer.—’t Kijlde scheldnamen, met zwaar gelach van omstanders bij elk nieuw grapwoord, dat z’n mond uitflapte. De smak was om.Jans, die negentien gegooid had, won.—Neegtien hep wonne.… wa mot sain.… twee pond paling of ses pond speekeloas?Dolgraag had Jans de vrijers gekozen. Maar nou er Hassel zoo gesmeerd had, durfde ze niet voor de omstanders. In heeten wrevel nam ze de paling, zich zelf in stilte verwenschend dat ze de vrijers liet liggen. Rammelend gingen de blikjes in zakschort van den venter. Z’n schorklankige stem, rauw, roggelde weer.—Wie mot.. wie blief ’n pond paling of drie pond speek’loas?..Plots dromde ’n woeste groep van zestien kerels, den winkel in. In gillende, krijschende herrie kaapten ze duwend den groenteman, vóór dat een ander nemen kon, de blikjes uit de schort, dat ie waggelde achter z’n toonbank. Een uit de groep, kerel met rood-behaarden kop, ottergezicht, snee-geulen om z’n mond en korst-rooie haak-krabben dwars over den neus, stak hoog, boven hun hoofden ’n gonjen zak, schreeuwend:—Hier kailt de mikmak in!.…In ’n oogenblik waren de blikjes afgekocht, verdrongen ze andere smakkers die gromden en vloekten. Zware rookwolken dampten ze tusschen de menschen, rossig opkronkelend boven gelige koppen-donkerte. Hun pet-kleppen glimmerden onder ’t lamplicht, als mes-flikkeringen, bij hun wilde hoofdbewegingen. Telkens had één uit de groep bij wilden dobbel een smakprijs, die met rauwe hoera’s en stemme-donderingen den grooten zak van den rooie ingekwakt werd, onder gedrang en geduw naar den kerel.In tien smakhuizen was de groep van zestien al rondgeduiveld.… Dit was de elfde.[86]—Wie mot blikkies, schorde venter beverig en ontdaan.… drie krentebroode of vier varkeslappies!.…Tegen de troep drongen nu anderen in die ook blikjes hebben wilden; ’n metselaar nam er acht, voor zich, en vier meiden die naast ’m stonden. Maar zij, één met hun zestienen, gierden en stem-rochelden er tusschen door, en weer had met dobbel-rondgang ’n kerel uit hùn bende den smakprijs.De rood-behaarde kerel met z’n verwrongen smal ottergezicht, gilde als ’n razende, zwaaide den zak boven de paffende menschenkoppen en rukte de bloederige varkenslapjes, ’n help-juffer, achter toonbankje, uit d’r beenige handen. En telkens weer won er één uit hun midden, rauwden ze hoera’s, onder wilde zwaaiingen van den zak, dat bezadigde smakkers krompen van schrik.—Telkens weer kwakten ze, op en door elkaar in den donkeren gonjen muil, Sinterklaas en druipende bloedbeuling, paling en banket, chokolade en konijnen, onder dolwoest gekankaneer van den stoet, die in z’n kring trok, angstige meiden, dwingend ze mee te gieren. En òpstaarden in wilde extaze allen naar den grauwen zak, hoog in armstrekking van rooien dolleman, boven koppen, slingerzwaaiend door mistig-verlichte rooksfeer. Bleek als z’n bakkersbaret hielp de winkelier, bevend van drift. En z’n vrouw, in de lage kamer, naast ’m, groen-grauw van angst, trok ’m telkens aan z’n mouw, dat ie zich bedwingen zou. Onverschilliger in ’t geraas, ringelde de venter voor-zich-uit, in schorder stemrauwte.…—Wie mot.… wie blief.… drie kenijne of twee pond beuling.

Tegen acht uur stapten de jongens op.

In Wiereland joolden door de donkere straatjes, strooiavondgangers. St. Nikolaas was in wit gewaad neergedaald in ’t stedeke. Tegen den avond, uit grauw-grijze lucht dwarrelde wemelend, stil-blank geschitter en gevlok, windloos neersuizend, ruischloos blank, héél stil vertooverend daken en boomen. Het stille dorp-stadje was als dichtgeweven met blank schuim in enk’le uren, en overal schimden, wit-hoekige geveltjes, schuin en laag, zwaar besneeuwde dak-vlakken, schuimblank, met schaduwblauw van kousjes-koud licht, in de hoofdstraten. Langzaam aan kwam vertier en rumoer uit de achterwijkjes, sneeuw-scheem’rig verlicht, wègdroomend, in donker rossig-goud schijnsel van ’n paar ouë vlamgaslantaarns.

Naar de groote handelsstraat ging òp, gekrioel van schreeuwende kinderen en luid-pratende menschen. Door elkaar liepen deftige burgerij, lollende, flappende meiden en jongens, in blanken sneeuwval, en geluid-dempend verbleekte de straat in stille verwitting. Het voorplein van stedeke bij ’t station, waar ’n groot weibrok witte, schimmig onder donkeren hemel, lag roerloos; en van verre, op Lemperweg, naar ’t dorp Lemper, bronsden in duisterdiep, ’n paar rossige gaslantaarns op geheimzinnig verwitten boomendrom.

De Baanwijk schitterde in winkellicht, aan weerskanten en overal achter gloedglazen, spatte blinkering en fonkeling van kleur-voorwerpen. Voor iederen winkel stonden troepjes kinders, opgeduwd door grootere jongens en meidenvolk, en ’n stroom stommelende drukte-menschen ging en kwam de straat af en op. Soms, uit de massa, bleven er plots staan, ’n groepje, om te lach-kijken naar gillende dienstmeisjes en tuinders-dochters, die besneeuwbald en wit-gebombardeerd werden, bangelijk vluchtten in winkels en portieken. Telkens joolden kleine en groote stoeten dwars door den wandelstroom, sneeuw-bombardeerend als woeste donkere duivels omraasd van witte projektielen.[82]

Woest, in heete feest-stemming braakten kerels hun lol uit, tierend en stoeiend. Zwaarder joeg rumoer door de anders doodstille winterstraatjes, als allure van groote stads-woeling. Lachend, gedempt, deftig, trokken notabelen van de plaats, voorbij opgedirkte winkeltjes, lachend minachtend om stedekepraal. Staan bleven ze alleen om kindertjes te plezieren; kindertjes juichend bij poppen die te star-oogen lagen tegen ’t koue winkellicht, in kleurige kleertjes en strakke waskopjes; oogengulzigend naar fornuisjes en kookstellen die kopervonkten in etalage-extaze; naar groote paardekoppen, omstrooid met zilveren en gouden snippers. Tegen half negen zuiverde de straat zich van het heerige volk, bleef alleen het woelige, arme, zuipende en stoeiende Wiereland, de tuinders jongens en meiden, armen, schorem, lawaaiend in de witte sneeuwhal, verplompend zijn stil-vonkend rein-blank, met zware donkere voeten, vol gloei-hartstocht en stoei-lust, beestig bijeen gekliekt, onder daverend schorre stemmenlol. Van uit het Kloosterpad, smal kronkelwegje, uitloopend op de groote Baanwijk, kwam opzetten zangkoor van jongens- en meisjesstemmen, donker kinderstoetje, achter elkaar áángerijd. Voorop praalde ’n snuitertje, bemombakkest, met zilveren haardotten aan masker onder de kin, bisschoppelijk beplakt met zilveren papieren mantel en hoog besteekt, omrand van sterretjes-rood, en ritselige goudloovertjes. Naast ’m ging ’n roetig besmeerde kleuter, kannibaalsch wild, in witte oogappelswoestheid, gooiend met sneeuwballen naar ieder die voorbijkwam. Dàn gedragen, dàn gesleurd en geduwd werd Sinterklaas. In z’n hand hield ie ’n schommelende lampion, overgebleven siersel van Drie-Koningen, in kwijnerig rood en groen licht, afschijnend op z’n beschilderd mombakkes, dat schaduw-geelde zwaar en bang. Om lampion, in zwak rood schijnsel, droomerig en diep, draaide ’n wiel van zilveren sterretjes door ’n ander, met ’n touw naast ’m, in gang gewenteld, dat ’t wemelde, glans-zilverig als waterkringen van fontein, om de half-belichte kinderhoofdjes. En zoo, kronkelend achterelkaar, donker-stoetig, grillig-rood bewasemd in lampiondamp en groenige dooreenschommeling[83]van vale lichttintjes, slangde ’t troepje de bleek-besneeuwde Baanwijk over, tusschen de boomrijen door, in schaduwdans achterhaald op sneeuwgrond, de stoeikerels en wijven tegemoet, onder jongensgekrijsch en meisjesgegil. Van ver klonk soms even, stemzwakte van kleuterige achterblijvers, die met stukkende lampionnetjes en afzakbroeken, meezongen en roffelend rommelpot sloegen in ’t verwarde gegalm,.… liedjes van Driekoningen dat komen ging:

Drie koninge drie koningeGaif main ’n nuute hoedMainouëis f’rsleteMain foàder maa’g’t nie weteMain moeder hep gain geldAchter de rooseboom is ’t teld.…

Drie koninge drie koninge

Gaif main ’n nuute hoed

Mainouëis f’rslete

Main foàder maa’g’t nie wete

Main moeder hep gain geld

Achter de rooseboom is ’t teld.…

Aan het eind van de Baanwijk stonden de achterwinkels opgepropt met troepen hurriënde meiden en jongens te smakken, vettig-glimmende feestgezichten, beglunderd en opgedirkt in kleeren-schetter, voor ’n geïmproviseerde toonbank, opgeslagen in ’n leeggeruimde kamer.

Blikjes gingen van hand tot hand als ’n smak over was.

—Wie hepp sàin, leste blikkie?.… tien cent, krijschte armelijk schorre kerel achter de toonbank,—’n venter die op den dag met afvalgroenten door de plaats ging, en nu, tot laat in den nacht, met schreeuwen en smak-opgejaag voor de winkeliers, nog ’n extratje verdienen wilde. Achter ’m stond deftig banketbakker-eigenaar met witte baret, blufferig in ’t wit, vettig-grinnekend bij stormgeloop van menschen, lacherig-kontroleerend, met z’n handen frommelend onder z’n blank schort.

—Nou, is nou dààn, la moar beginne, riep ’n ongeduldig bochelig kereltje.

—Nog één blikkie,.… nog één, schorde de venter met armelijken zangdeun in z’n stem, om fut in den dobbel te houen. Achter ’t kereltje, grabbelde ’n hand naar ’t blikje.[84]

Nou kon gesmakt worden. Ratel-dof bonkten de dobbelsteenen in den smallen houten smakbak. Jans Brielle gooide negentien.

—Neeg’tien gooit, neeg’tien,.… schorde pijnlijk heesche venter, en duwde ’n anderen grijparm, die opdrong met z’n blikje, in ruil, dobbelsteenen in de hand.… Dof rolden ze den bak in.…

—Sestien gooit.… neeg’tien blaift winne.…, deunde de venter.… de hoogste hep sain, twee pond paling of ses pond speek’laos.….

—twoalf gooit.… neegtien blaift.… Jans je stoat prechtig mait.…

En telkens bonkte ’n andere worp den smakbak in, onder heet gedrang om te zien, uitbarstende hoera’s, gevloek, geraas en gelol van lage en hooge gooiers. Het stonk vunzig, tusschen jassen en mantelgoed. Onder de hitte wasemde natte sneeuwlucht uit de kleeren op. Pilows, jekkers en duffelen manteltjes zweetten, tusschen ranzige vischlucht van paling, poonen, gebak en brokken. Straaltjes nat sieperden van hoeden in nekken en telkens raasde gevloek òp van kerels en meiden die dachten dat er sneeuwballen gegooid werden.

—Seg Jans.… jai hep sain vast.… hoor.… t’met ses pond vraiers.… wa mo je mit soo’n vracht.… puur ses pond.…

Piet Hassel zang-deunde achter Jansie, komiekerig afwerend onder ’t spelen, aanvallen van stoeiende giechelmeiden, die ’m telkens op z’n neus wilden tikken met kop van Sinterklaasvrijer.

—Nou, lachte Jans terug,—mooie hoog-stevige boerinnemeid met dikken wellustkop en glimmig opgepoetst wangrood—bin je jeloersch?.…

—Waa’n geep.… moar ken ’n mensch nou mi-sonder fesoen.… ses vraiers àn.…

—Sevetien gooit, schorde rauw er doorheen, grauwe venter met zenuwknuisten op oude toonbank trommelend.… sevetien.… neegtien blaif winne.…

Maar Jansie zag ’r geluk niet in woede.

—Geep, geep, daa’s je suster maan.… bi je beduufeld, en[85]in ’n kwaadaardigen duw aan ’r kuifblond, wrong ze overbodig ’n haarspeld dieper in ’r kapsel, met zenuwgebaar.

—Dwarrel, stoppelkat, lolde half gebelgd Piet terug, kabbeloebelaap.… waa’n fiselemie.… waa’n muurvarke.… waa’n binnebeer.—’t Kijlde scheldnamen, met zwaar gelach van omstanders bij elk nieuw grapwoord, dat z’n mond uitflapte. De smak was om.

Jans, die negentien gegooid had, won.

—Neegtien hep wonne.… wa mot sain.… twee pond paling of ses pond speekeloas?

Dolgraag had Jans de vrijers gekozen. Maar nou er Hassel zoo gesmeerd had, durfde ze niet voor de omstanders. In heeten wrevel nam ze de paling, zich zelf in stilte verwenschend dat ze de vrijers liet liggen. Rammelend gingen de blikjes in zakschort van den venter. Z’n schorklankige stem, rauw, roggelde weer.

—Wie mot.. wie blief ’n pond paling of drie pond speek’loas?..

Plots dromde ’n woeste groep van zestien kerels, den winkel in. In gillende, krijschende herrie kaapten ze duwend den groenteman, vóór dat een ander nemen kon, de blikjes uit de schort, dat ie waggelde achter z’n toonbank. Een uit de groep, kerel met rood-behaarden kop, ottergezicht, snee-geulen om z’n mond en korst-rooie haak-krabben dwars over den neus, stak hoog, boven hun hoofden ’n gonjen zak, schreeuwend:

—Hier kailt de mikmak in!.…

In ’n oogenblik waren de blikjes afgekocht, verdrongen ze andere smakkers die gromden en vloekten. Zware rookwolken dampten ze tusschen de menschen, rossig opkronkelend boven gelige koppen-donkerte. Hun pet-kleppen glimmerden onder ’t lamplicht, als mes-flikkeringen, bij hun wilde hoofdbewegingen. Telkens had één uit de groep bij wilden dobbel een smakprijs, die met rauwe hoera’s en stemme-donderingen den grooten zak van den rooie ingekwakt werd, onder gedrang en geduw naar den kerel.

In tien smakhuizen was de groep van zestien al rondgeduiveld.… Dit was de elfde.[86]

—Wie mot blikkies, schorde venter beverig en ontdaan.… drie krentebroode of vier varkeslappies!.…

Tegen de troep drongen nu anderen in die ook blikjes hebben wilden; ’n metselaar nam er acht, voor zich, en vier meiden die naast ’m stonden. Maar zij, één met hun zestienen, gierden en stem-rochelden er tusschen door, en weer had met dobbel-rondgang ’n kerel uit hùn bende den smakprijs.

De rood-behaarde kerel met z’n verwrongen smal ottergezicht, gilde als ’n razende, zwaaide den zak boven de paffende menschenkoppen en rukte de bloederige varkenslapjes, ’n help-juffer, achter toonbankje, uit d’r beenige handen. En telkens weer won er één uit hun midden, rauwden ze hoera’s, onder wilde zwaaiingen van den zak, dat bezadigde smakkers krompen van schrik.—Telkens weer kwakten ze, op en door elkaar in den donkeren gonjen muil, Sinterklaas en druipende bloedbeuling, paling en banket, chokolade en konijnen, onder dolwoest gekankaneer van den stoet, die in z’n kring trok, angstige meiden, dwingend ze mee te gieren. En òpstaarden in wilde extaze allen naar den grauwen zak, hoog in armstrekking van rooien dolleman, boven koppen, slingerzwaaiend door mistig-verlichte rooksfeer. Bleek als z’n bakkersbaret hielp de winkelier, bevend van drift. En z’n vrouw, in de lage kamer, naast ’m, groen-grauw van angst, trok ’m telkens aan z’n mouw, dat ie zich bedwingen zou. Onverschilliger in ’t geraas, ringelde de venter voor-zich-uit, in schorder stemrauwte.…

—Wie mot.… wie blief.… drie kenijne of twee pond beuling.


Back to IndexNext