III.

[Inhoud]III.Om drie uur den volgenden ochtend, kwam er kort-driftig gestommel in de duister-beluikte woonkamer van ouën Gerrit. Zurige zweetlucht vervunsde uit de krottige slaapholletjes. Dirk uit ’t donker bedsteetje, was opgesprongen, òver Piet heen, nog slaperig en gaperig, rauw van pijn, geradbraakt van vermoeienis en katterigheid. Branderige matheid voelde ie door z’n lijf loomen. Driftig schouerbonkend stootte ie Piet op, die nijdig even gromde, maar dadelijk weer insnurkte. Dat maakte Dirk kregel en snauwender porde ie ouë Gerrit en Guurt, dat ruw z’n korte stem, kamerochtend-stilte doorscheurde. Wijê gapen loeide ie koeïg door ’t vertrekje, dàn vlak tegen beschot, dàn vóór bedsteedonker, telkens zich rekkend in achterwaartschen lijfkronkel, armen omhoog gerengeld en vingers verkrampt in slaapzoeten wellust, dien hij machteloos-heerlijk door z’n lijf voelde terugstroomen, tegen z’n luiigen lijfrek in. Langzaam slofferde ie op z’n kousen naar buiten waar ie de luiken van de ramen losmorrelde. Onder de pomp beplaste hij z’n gezicht, luchtigjes met water, vies van ’t nattige dat z’n hemdsmouwen en hemdboord beklefferde, en in branderige straaltjes tot op z’n naakte borst afdroop.—Guurt was gauw opgestaan.—In ’r nachtpon, haarhang opgebonden in woesten kronkel, maakte ze vuur op ’t achterend, drentelde rond de stellen en zette boterhammenkoffie.—Ouë Gerrit en Piet in hun rooie onderbroeken waggelden nog slaapdronken en grommerig door de kamer, loom en lijzig hun bovenkleeren aansjokkerend. Even bleef Piet hang-zitten op z’n stoel, klepten z’n oogleden dicht, hield ie z’n stinkende pilow, half over z’n dijen getrokken, slap in de slaaprige, krachtlooze knuist. Ouë Gerrit, in schreeuw, schrikte ’m wakker.[123]—Wà sloapmus, jai toch, gromde ie, soo’n jonkie!Na ’n kwartiertje rondgeslenter en gedribbel, sluipzacht op ’r kousen, had Guurt de kerels bakken koffie en hompen brood voorgeschoven. Gretig schuifelden de mannen hun stoelen áán, neerblokkend met armen op tafel, hoofden gebogen over hun dampende koffiebakken, slurpend, gaperig, rekkend en korrelig-stil. Rond hen, walmde slaapstank van ’t kamertje, dat al zacht volgevloeid glansde van vreemd, gloed-stil ochtendgoud. Roodflonkerende zonnedans koperde bliksempjes op de staartklok-gewichten, op ’t pronkstelletje, tang-pook-schep, onder het schuingetimmerde, versierde hoekschoorsteentje.—Langzaam, in bedaarde ouderwetschheid tiktakte de klok, zacht-vlammig aangegloeid rond de gewichten.—Guurt had ’t duifje losgedekt en daadlijk koerde z’n kopje als van verre, droef door de kamerstilte heen, waar alleen smakten en slurpten de wreede werkersmonden, en de klok dreinerig ti-jik.… tàkte.…—Moeder Hassel lag, met opengesmakte deuren, de kamer in te staren, bleek beslaapmutst hekserig hoofd, op peluwgrauw, de uitgedoofde staaroogen naar de slurpende kerels.—Ze hoorde koffie slurpen; dàt geluid kende ze. Ze zag ’t, voelde, besnuffelde ’t, met wilde, gesperde neusgaten.—Dàt geluid haakte vast in ’r ooren, ’t hoofd, bleef in ’r herinnering leven.… Woest instinkt naar koffieslurp.—Telkens gretig, even keek ze naar Guurt, als wist ze nu klaar, dat ze ’t van die moest hebben. Maar de kerels hapten door, slurpten onverschillig. Guurt klepperde nog ’n roodaarden bord voor hen neer, waar ze weer hompen brood op afsneed, slurpte zelf mee, gejaagd zittend op stoelpunt, ongewasschen in blauwkorten onderrok nu. Stil slurpte d’r mond in doorzond ochtendgoud van kamer, ’r blond hoofd in stil aureool. Buiten, achter ’t raam, glansden de akkers in aanbrandenden gloei van zonnekomst.—Nou Ouë, gromde Dirk plots, kauwend en slikkend dat ie niet verder spreken kon eerst—aa’s ’tr nou moàr puur om drie uur, de oarbei-boel dur stoan, an de markt hee? daa’k[124]hullie om vaif uur an de kant hep in de stad? kaa’k t’met nog ’n hooge markt moake.. hee?—Sel d’r weuse.… mi sonder mekeere.… Hoho! ho!.… Piet loait op.… en Kees goan de hoàfe langest.…—Hier-op-pan! aa’s Kees de hoafe opgoàn, ken ie t’met oploaje ook.…—Hoho! dà lief ’k nie! dà lief ’k nie.… die suupt te veul.… die hep s’n skoenlappertjesmoandag.… enne.… dá’!.…—Wa’! Kees?.. Kees suipt?.… krijschte Dirk uit, ’n stuk brood, dat ie half al in z’n mond gestopt had er weer uithalend, met ’n web van fijne spoegdraadjes,—f’rvloekt aa’s de fint één borrel lait! jai suinege Job!—Hoho! vier en vaife en nie g’nog! bars jai nie uit!.. soo vroeg in ’t morgeuur hee?.…—Wa’.… éénmoal.. andermoal.. ikke wil dá’ Kees oploait.. Piet hep s’n aige dood te plukke op haide.. En denk dur om.… niks aa’s oarbaie.… Op haide voart de boot twee keer!.… ikke goan doar.… om veur van … om twaalf uur is t’ie d’r wair.… sel main ’n dotje weuse op de kant!.. snof’rjenne, gain ploas om je klompe af te trappe, waa’n klus.… ’n drukte op de boot.… sullie dringe hoarlie aige t’met hardstikke dood.. hoagelvol!Ouë Gerrit was opgestaan met ’n smak z’n koffiekop op tafel neerstootend, dat vrouw Hassel in ’r bed opschokte, iets brabbelend uitstamelde. Nog had Guurt ’r geen leutje gebracht. Onrustig, hongerden ’r oogen naar ’t zoete vocht, dat op stinkend petroleumvlammetje konkelde en leuterde. Ze besmakte ’r drooge lippen, zonder dat ze vragen durfde, vragen kòn. Besefloos Guurt te roepen, uit angst voor nijdigen snauw, in ban van trage dofheid, bleef ze staren, vroeg ze toch met ’r oogen, zonder dat iemand uit de aanlichtende kamer naar ’r omkeek. Gerrit, handen in zakken geknuist, keek met z’n neus op ’t raam gedrukt, naar buurman’s tuinderij, waar nu alles groen-goud in den ochtend-tintel gloeide, doorvonkt van dauwig druppelvuur.—Ochtendstilte, uit paadjes en wegjes,[125]ruischte rond de tuindershuisjes en de roode bedakingjes vlamden licht-hel.—Vandaag zou ie wat te plukken hebben, mijmerde Gerrit, speelsch drukkend z’n neuspunt tegen ’t ruit, wiebelend op z’n hakken. Z’n rug zwoor en stak van pijn. Maar ’t most, most nou. Hij had al dagen achteréén onrustig zitten piekeren, dat ’r geen regen kwam, gejaagd, nou de boel zoo droog stond. Maar nou most ie maar doèn, doèn en niet seure.…Met hun drieën waren de kerels over ’t erf den tuin ingestapt. Guurt drentelde weer op ’t achterend, spoelde en sjokte, terwijl de kamer in ruischender glans van zonnige ochtendwarmte, sterker aangoudde, tot op ’t slaapholletje waar vrouw Hassel staarde, en besmakte ’r droge dorstlippen. Op de tafel brokkelden nog broodhompen. Aarzelende glansjes van schichtigen prismaschijn uit geslepen spiegelrandje, kaatsten trillige vlakjes rood, goud en groen, op twee rood-aarden doffe bordjes.Daar stààrde ze op, vrouw Hassel, besefloos en traag, tot ze de kleuren voor ’r oogen zag verflakkeren.—Buiten hurkte Kees al, in pluk bij de erwten. Nog ’n uur bleef Dirk werken op ’t land, achter de wortelen. Eindelijk werd ’t tijd voor ’m om op te stappen naar de haven. Nog ’n mandje pieterselie en postelijn, schokkerde ie over den schouder en stil liep ie den weg op naar de boot. Nou had ie zich nog puur te haasten merkte ie, toen ie even achter ’t ruit gluurde, hoe laat ’t was.—Kwart voor vijf. Om vijf uur precies ging de schipper van wal.Zwaar hijgend, z’n mandjes dobberend op z’n rug, kwam ie snel de haven opbeenen. Maar „Tuinders Geluk”, de boot waar hij mee voer, lag er nog rustig, met vier andere schuiten achter d’r áán, hoog gestapeld ’t schel-groene van kroppen, beflonkerend aardbeirood en wortelenoranje, tegen den blauwen luchthemel in, die diep en wijd lichtte, in strakke, fel-heete zonnigheid al.—Op àchter-en-voordek, stonden de groenboeren saamgedrongen, in hun sjofele plunje, tusschen de dreigstille punthoekende hurrie van hoog opgestapelde kisten en mandwallen, waaruit[126]zwavel-zoete geuren walmig verwasemden. Tot onder den stuurstoel, stapel-brokkelden de aardbeikisten en langs de reeling, propten, saamgekneld, bakken, vaten, manden, zakken, dat de kerels en vrouwen, in bochten er tegen elkaar opgedrongen stonden. Enge doorgangetjes, kronkelden tusschen de ladingen, waar ’t landvolk elkaars lijf beschuurde, schreeuwerig verscharrelend en ruilend koopwaar die ze te veel hadden. Tusschen zakken gekneld, op manden of kisten neergestooten, sjacherden de zwoegers, klonken òp de gesprekken, levendig, krijscherig, overgoten van duffe groentestanken uit de achterkajuit opwalmend, voos en duf, zuur en ranzig. Aardbeien zoetten ’t hevigst en weeïgst tusschen de mestige koolstanken.—Zwaar dampte uit, in de broeierig lange boot, hageldicht bestapeld, de stinkende kleeren der tuindersmannen en vrouwen, de zweetlijven, wàrme walg tusschen de gronderige stanken van ’t groen.—Prachtig, jubel-fel schalden de hooge groentebergen als festijnen van licht, tegen ’t doortrilde, in zon-zwemmende lichtblauw. Daar onder, barokke wal van kleur-woelige kisten, met donkerder groen in onderschepte glansdempingen. Maar hoog-schuimend, gloeide kleurbrand van aardbeien boven alles uit.—Versjofeld en kleurbemorst, scharrelden de tuinders bijeen, in de vroege ochtendboot, al meer, al méér, achter elkaar. Galm-luid, de klok van hoogen katholieken kerktoren sloeg vijf, bevend in de wegstilte en havenrust. Laatste bootsein van vertrek liet kapitein zangbassen over de ochtendleege havenkaai.—Wat karren met aardbei-aanvoer ratelhotsten kei-beukend weer weg, wreed rumoerend door de morgenstilte. Bas-zang van pijpen bleef seinen, als stemmegroet van tuinders naar de verre makkers op ’t land, dat de reis naar de stad beginnen zou. Een dekknecht van „Tuinders Geluk”, had plankier gelicht en ingeschoven, reeling saamgehaakt en kaptein was op z’n stuurstoel geklommen. Statig liet ie draaien, ’t kanaal in.—Uit ’t boothart schokkerde machinedreun òp. Achter ’m aan, zongen pijpen van andere tuindersbooten, stemzwaar en hevig vibreerend, dat de stille starende ochtendlucht[127]sidderde onder ’t dreungeluid. Plots klonk jagend geroep, onder zwaar lommerende kastanjelaan uit, van twee groenboeren die zich verlaat hadden en meemoesten nog met „Tuinders Geluk”. In vlieggang holden ze langs de stille huizen, kei en sintelpad over.—Piet Groome en Anseeler, riepen ’n paar van de boot, over de reeling gebukt,—hee keptain! t’rug!.… twee van Lemmer! Hij had ’t al gezien, toeterde wat zangerige woordjes door z’n spreekbuis naar machinekamer, waarop boothart heviger bonkte, de voorboeg achteruit bijdraaide, dat de kerels in hollende vaart, rood-bezweet, nog net tusschen kisten en manden, over verschansing, heenklauteren konden.—Achter „Tuinders Geluk” lagen nog drie booten, „De Dageraad”, „Ons Welvaren” en „Weltevreden” met tuindersvolk van heinde en ver saamgestroomd, ongeduldig wachtend op vertrek van de voorliggende schuit. Ook daar stond ’t landvolk, achter en tusschen de aardbei- en groentebakken opgepropt, ingekneld; één donker-dreigende, sjofele kerels-stoet, vlak om ’t koelscherm van machinekamer saamgepakt, wegzwartend onder rookwolken van stoompijpen, die dreun-zangerig doorbasten als duistere stem van zwoeg, somber-smartelijk, in den fellen klaterenden zonnegloei van polderlucht, in ’t eindeloos blauw, en weigroen.—Stil zoeften de booten achter elkaar áán, de kerels en wat vrouwen, al meer opeengedrongen, donker tusschen den frisschen jubel en stoeiende kleuren van hun vruchten en waar. In de havenstilte, roerloos weer na zwijg van pijpzang, verdwenen de bootenéénna één onder lage spoorbrug, ’t kanaal in, dat wijd-geplast, zilver-vonkte en dampte tusschen onmeetlijk poldergroen. Stil druischten de kerels weg van wal, de donkere opgepropte stoeten, in de ochtendglorie; zittend of half hangend op en over de verschansing, beklemd tusschen de neerbrokkeling der stinkende kisten, als ’n bende vervuilde schooiers en melaatschen, naarstiglijk verpakt en versjouwd, onder den heeten jubel van hun vruchtengloed. Al de booten waren „Tuinders Geluk” voorgedraaid. Langzaam zoefte die eindelijk, achter[128]de andere áán, onder de enge spoorbrug, zacht-schuiflende pàl langs wanden van brugbogen en pijlers.—Dirk stond ingehurkt naast Klaas Grint, die weer aanleunde, half tegen twee vrouwen, een lange, met ’n gore steekmuts op, de andere met ’n donker rood-wollig kapertje over ’r hoofd gefrommeld. Vóór de vrouwenbuiken, spannend gestrakt onder boezelaar, hoekten kistenstapels waarachter weer ’n stoet kerels gekneld stond.—Tjonge.. Tjonge.. d’r’is nog puur wâ wind op de ruimte hée?.. zei met vertrokken gezicht Klaas Grint, naar de lucht kijkend.—Daa’s net bromde Dirk terug.… hai jai ’n pruim Kloas? nou he’k f’rdroaid main sak legge.… loate!.…—Bi-jai’t Hain!.. lolde Grint, da’ sel woar wese.… roep jai sàin d’r bai op Sint Jan hee?.… hier!.. pak-àn.. moar mondjes-moat.… oue!„Tuinders Geluk” was ’t groote kanaal ingestoomd. Zacht kabbelden watergeruisch en schuim-zilverende vloedgolfjes langs de kanten. Zweef-luchtig zoefte ’t schip voort, tusschen ’t eindelooze poldergroen, bedauwfonkeld met vuurdroppels van trillend leven, robijnen weerlichtjes, en vurig smaragd.… Uren ver, verfonkelde nat goud-groen, glanzend en uitwebbend kleurige hette. Heerlijk frissche windbries stoeide luchtzuiverend om de boot, de voosduffe geuren en stank-wasem wegflapperend, ’t koele waterruim in. ’n Troep tuinders was achter de pijp geklommen, op zwarten kop van machinescherm, waar ze luiig neerhurkten in zonnegloei, of schuin opstonden achter den rooker, koppen fel omlijnd tegen luchtjubelblauw. Er was drukke stemmenhurrie onder ’t landvolk, gesnater en gelach tegen vrouwen, en overal brandende lust om van landgescharrel, marktwaar en prijzen te spreken. ’n Paar tuinders met fluweelig pilow-zwarte vesten en dof-zijden pofpetten, trommelden met hun gekleurde pantoffels, op ’t verhitte plaatdek van machinekamer, ’n orgeldeun meelallend. Plots de bootbode, kerel met roodgezwollen snuit, akteurskaal en voor-den-gekhouerigen, paarsen drinkebroersneus, werkte zich los uit[129]stemmenroezemoes en scharrel van opgepropte tuinderstroep.—Z’n blauwig-glad geschoren komiekenkop grinnikte leukjes tegen z’n volkje en grimassig sprong ie op ’t veilbankje, hoog boven woel-massa uit, grabbelend in guitig steel-gebaar, met z’n hand in ’n grauwen zak.—Tegenover hem, op zon-doorhit koelscherm, zat luiig ingedoken tegen de pijp, ’n kerel met notitie-boekje, klaar om te schrijven. Bootbode, die onder reis van Wiereland naar groote stad, te veel waar van tuinders-zelf in veiling moest brengen, bleef rammelen in z’n zak, lolde wat tegen de kerels onder ’m, dat z’n roodfrissche wangen bolschaterden, sterker zwollen, z’n blanke tanden uitwitten onder z’n bieteneus en tusschen plaatjes-mooie helrooie lippen, hagelrein. Hard en stalig klonk z’n stem, toch vol, met ’n galm er in, als nadreun van klokgelui. Telkens uit den zak, vischte ie ’n blikken nummertje op, afroepend wie d’r ’t eerst veilen zou. Zoo regelde hij de beurten, schreef z’n maat, tegen de pijp, in kookzon luiig weggedoken, namen van veilers op.——Wie mot ’r ’n nommer?.… Gijs Janse! Kaike?.. daa’s vaiftien, klonk hard-galmend z’n stem door den koelen bries-stoei, klank-zangerig Wierelandsch.—Bekermaa’n.… achttien?.… Grint.… drie en veertig! Hassel.… ses-en-dertig!.…—Main d’rook ain!.. riep ’n tuinder uit achtergroepje, die nog wat kwijt wou wezen, hopend op ’n begin-nummer, om ’t eerst te kunnen veilen.—Vaif-en-veertig!.. Nailis Roskam.… hee! „netoàris”… Roskam!—lachte de Bode, lolligjes met oolijken oogenknik naar den „schrijver-notaris”, die luiiger weggedoken lag achter de pijp.—Logge megoggie! nou ka je wachte, gromde de pachter, woest dat ie zoo’n laat nummer beet had. Nou was ie zoo heet geweest op ’n begin-blikkie.—Stem van Bode bleef afgalmen de nummers met veil-namen, en telkens lacherig, uitblankend z’n tanden, bloed-rooie lippenmond wijd open, kraaide ie schooirige grapjes uit, strooide ie schalksheidjes en hekelwoordjes boven hun hoofden rond, omgierd van terugkonkelende[130]stemmen en giegelende kreetpretjes. Telkens klauterden andere kerels op en af ’t machinescherm, naast en tegen de pijp lawaaiend, rond den „notaris”, die overal spottend om z’n eeretitel beschaterd werd. Van hun hooge standplaats schreeuwden ze mee, boden, kochten en verscharrelden, de koppen, warm en zweetbedropen, paarsig en brons-nat, rood en geel-grauw aangegloeid in zonnebrand. Van achterdek af was alles plots naar voren gedrongen om vlak bij Bode te staan. Op kisten, morsige vaten, walm-stinkende manden en zakbulten, hingen en hurkten de kerels, in struikel en klauter, achter elkaar opgepropt.De achtersten, ver van den Bode, loerden tusschen schoudergeultjes van vóórstaanden, in drom saamgestrompeld, heet op den scharrel.—Veertig! vrouw Plenk.… dreunde Bodestem.… vaif.. vrouw Boterblom.… naigtien.… mamselle Kiester.… sestien.… vrouw Zeune!.…Eindelijk had ieder z’n nummer, kon de veiling beginnen. Zacht briesden en woei-koelden luchtige windscheringen over ’t smoezelige, walm-stankige dek, als ging er tochtige wiekslag van vliegende vogels rond. Recht voor den boeg, sprankelden waterglanzige sparteltjes licht, violet-zilverig, paars-goud, kabbel-deinend hemelblauw-vuur, dat in schuimig golfjes-spel zich heet verbraste in damp. Tusschen de fel-groen bezonde ochtend-oevers, komde in eindloozen kring, ’t vlakke zonnignevelende polderland, in vochtige ochtendpracht. En overal rondgekringd, goudden de lage hooi-schelfjes, tusschen siddergroei van korenhalmen, brokken weiland, ontsluierd uit morgennevel, uit nat-dampig goud en zilverende gloeiingen. Schitterig flitste ’t dauw-vuur, dat mijlen ver, weiland aan weiland in arabesk vonkspel omtooverde.Bode op z’n bank, hoog boven de opgepropte tuinders uit, al dichter op één punt van de boot bijeengedrongen, klankte met z’n jolige, rauw-heldere spotstem in:—Wai selle d’r beginne met seve-en-twintig pond raspers van.…[131]—Neelis Skorpioen.… las „notaris” haperig af van z’n lijstje.—Van Skorpioen.… uit Slangetje.… wie sait dur ’n gulde! daa’s vier sint ’t pond!.…Inmiddels had ’n tuinder, ’n zwaren zak doppers losgesjord uit kistenrommel, zich door lijfgedrang heengewurmd, z’n waar, àchter koppen, vaten-stapels en manden-torens, met krampigen arm, hijgend op veilbank vóór Bode neergesmakt. Dadelijk grabbelde die, met één hand tusschen de groene vruchtjes, liet ze speelsch rond z’n vingers glijen en riep weer opjagend:—Prechtig jong goed!.… ruikt puur aa’s.… oo-de-kolonnie!.… wie sait dur.…—Tachtig, krijschte ’n stem uit het menschkluw op de koelkast.——Tachtig, vaif en tachtig, draafde Bode door.…—Naigtig! zenuwachtig scherp, piepte ’n vrouwestem onder de pijp uit.—Naigtig, zang-dreunde, hard-klaar Bode’s geluid nà, tusschen bries-stoei en koelen kabbelgolfjesruisch in.… Naigtig.. vaif en naigtig.… da goan.… eenmoal.… veur de derde moàl.… Rietvink!Pachtertje Rietvink had ’t laatst geboden, kreeg erwtenzak over koppendrom naar zich toegesleept en warm wroetten en graaiden z’n armen, tusschen ’t heete gedrang en getast van lijven. Dwars achter de pijp, waar ’n groep kerels zich spitste op ’t veilgoed, en uit alle hoekjes gretige kijk rondging, klonk dof gestommel en geschuur van voeten op stalen plaat en kijverige stemmenroes, warrelend en schreeuwerig als gesmoorde ruzie.—Halt doar Kempees, krijschte de Bode naar de pijp, t’met d’r al heet! nog gain hallef ses … je hep dur puur nog ’n vaiftien uur om malkoar an rieme te snaie hee?.… kaik hier!.. is dur twintig pond mooie kapcainders.… wie set.…—Tachtig! schreeuwde daad’lijk ’n venter, stemschor, rauw.—Tachtig, van fier kant gelaik!Vrouw Banke, met’r zwartig-rood kapertje over ’t hoofd, ’r korte, spek-vette, trillige armen, boven ’r tonnigen romp-buik,[132]grabbelde in den kapucijnerzak dien Bode op de veilbank sleepen liet.Lacherig schalkte ie, hoog boven de venters uitkijkend:—’t Benne gain kuite.… vrouw Banke.… je ken dur sain nie knaipe!Gegier stortte in, en heeterig aangevlamd in hartstocht, tapten wat kerels schunnige moppen, die vrouw Banke met minachtend lipgepuf afweerde.Bode had toegeslagen, en telkens weer ’n andere venter kwam op àfroep van zangnummer, van achter, bijzij, uit kajuit, door den opgeknelden menschenkronkel heenduiken, met zware zakken of bakken boven hoofd en onder arm, alles neersmakkend in vloek-heeten sjouw-zucht op veilbank voor den Bode.—Nou he’k vaiftig pond piek-faine groentjes!—’n Gulde:.…—Een-tien.… een-tien.. mi je drieë.… een vaiftien!.. een twintig.… mi-je viere.… een vaif.… een dertig!.…Overal keek z’n rood-frissche kop rond, lachte z’n lichtpaarsige wipneus, drinkebroer-komisch, kleurden z’n wangen alsof vrieswind ’n blosgloed op z’n kaken geschminkt had. En hagelwit lachten z’n tanden, tusschen z’n hel-rooie lippen, bij elk opbod. Hoog pagaaiden z’n arm-gebaren door de lucht, hitste z’n stem de venters op. Achter en om koelscherm bleef roezemoes gonzen van kakelwijven en schorrige kerels, rond ’t zwarte stoompijp-gevaarte.——Nou he’k nog twintig pond prêchtige loage woaltjes hee? eerste prime-kwoaletait!.. hai jai doàr!.… kalf-mi-je-natte neus!.… hoeke motte ’t weuse?.…Op plaatdek van machinekamer, dat gloeide van stoom en zon, trampelden de kerels ’n deuntje, brak weer herrie en gestrij los, tot de Bode er met z’n staalharde stem weer tusschen invloekte. ’n Knappe donkre vrouw, was uit ’t gedrang opgesjokt, met ’n zwaren zak voor d’r buik, dien ze met knieduwetjes opsjorde, en in blaas-zucht smakken liet op veilbank. Haar kop droop van roodzweet en gloeiing.——Dominie hiet! paa’sd’r open bran je bekkie niet, schaterde[133]de Bode.… seg vrouw Reep.… soo is dur puur gain vatte àn.… hee doàr!.. help jullie ’t goeie mins ’n handje sjorre.… hooger òp.… soo!.… soo is ’t broaf!Plots gulpte de zwartmastige pijp rook uit, verwaaiend in roetgolvende mistkransen over de tuinderskoppen, hun rompen wegdonkerend in roetbruinen damp. Ze kuchten en vloekten de werkers, achter den brons-zwarten mist, en stil éven bleef Bodestem weg. Maar daadlijk uit wegroeting van rook kwam ’t afgeroepen nummer opzetten, naast de donker-vette vrouw, opdringend met blauw beschilderde manden.——’n Uijtvinding, lachte de Bode, blauwkokke in ’n beskilderde skulpmand.… hi-hi!.… nou minse.… wa segge jullie veur veertig pond blauwkokke!.. prechtige kapcainders!.…Snel en stemme-knetterend joeg opbod-jacht tegen elkaar in.—Ke jài die nie hebbe Dirk, jai hep tug gain blauwkokke teelt!—Es kaike hoeke se goan.—Sestig.… tachtig!.… tachtig.. allegoar!.. Bi-jai-t-Hain!—Naigtig! viel Dirk kalm uit.—Hij kon sullie d’r bestig bruike.… bai s’n aige doppers.… had ie vroag veur bai s’n klante!.…Meer en meer doppers werden opgesjord naar veilbank, en haastiger wisselden de venters hun waar uit. Zak op zak bonkte neer voor den Bode, en woester grabbelden z’n vingers in ’t groen.—Vóór de veilbank gedrongen uit achterste rij, stond ’n oue, beverige pachter, knorrige kop met ingegroeid zwarte vlekken op z’n neus en mottig voorhoofd. Aan z’n bepukkelde kleine oortjes, glimmerden koperig-gouden ringetjes, waar ie telkens met beverige handen naar greep, aan trok en kneep, dat z’n lelletjes bloed-rood gloeiden bòven z’n bontvervigen halsdoek, die morsig om z’n vest kreukelde.—Veur ’n f’randring.… vaif bosse duifeke! wie set dur in!Laag, armen uitgestrekt, hield Bode de bossen wortelen in z’n hand, wortelen, breed-puntig als priktollen.—Die mo’k main hiete![134]—Aràit!.… moàr se sitte vast an twee mandjes postelain.. wie sait dur wá’—Harder, staliger klonk z’n stem, uitdagend, verwaaiend in brieskoelte.—Onder koelscherm uit, kwam roetige negerkop van stokersmaatje koekeloeren. Langzaam groeide zijn lijf hooger òp uit de, hittesfeer rondschroeiende machinekamer, waar ’t heet stootte en bonkte in treinrhytmus.… De stikwarmte uit hamerend boot-hart vloeide rond de groenten en vruchten, stookte en gistte ’r zwijmel van stankdampen. Tusschen de tuinders drong stokersmaatje zich heen, naar ’t dwars-vat met water, gretig loerend naar ’t kraantje en wit-steenen kom. Z’n roetige handen graaiden haastig door opening tusschen wat venters, naar drank. Gretiger nog omknelde hij ’t kraantje, met z’n beenen en romp weggedrukt achter de woelige jagende veilers, die in vuur van koop ’m niet doorlieten. Stil werkten z’n allééne handen en armstompjes in woeligen grabbel, als afgehouen levend, tusschen wat kleine ruimte-spleetjes, lieten ze ’t waterstroompje de kom inkletteren. Zacht-voorzichtig werkten de roet-handen zich weer achteruit tusschen de lijven door, de zwarte vingers krampig strak in greep om den wit-steenen rand gekneld. Gejaagd slurpte stokersmaatje, ingebukt àchter de ventersruggen in klokkende lafenis, z’n heete keel vol koude vloeiing begietend. Weer woelden z’n handen en armstompjes naar voren, tusschen dijen en koppen van laag zittenden, en weer slorpte ie bak na bak lauw vat-water in.——Gaif main d’r ook us ’n koppie, kost tug niks hee? lolde Klaas Grint.Maar roetgezicht van maatje, waarin de oogen nikkerig met ’t vreemd-wild wit hadden òpgelicht, was al weer verdwenen achter de kerels, in de stoom-heete, blakerende machine-kamer.Weer acht bossen tolronde wortelen bracht Bode in veiling. Drie tegelijk dongen gretig, heet.—Ksj.… ksj!.… katjes! joag d’r malkoar moàr op.… schaterde de Bode.… dertig sint!.… veertig.… mooi soo.. ksj!.. kaik!.. da’ hai je Antje Meele.… kom Teun!.. gaif toe!.… gaif toe.… ’t is tug ’n maissie.…[135]Teun lachte, was blij dat ie van ’t bod af was, begreep den vrindenwenk.—Vaiftig.. veur de derde moal.. Antje Meele.. hai je-en-hoord netoàris?.. nou doar dan.… anpakke maid! g’luk d’r mee.… aa’s sullie dur nie veur aige bik benne!.…Over de koppen zeilde Bode de bossen naar Ant Meele heen, ’n rood behaarde, slank mooie meid die opgedrongen stond, tusschen de rumoerige kerels. In vaart nog greep ze de peenen tegen ’r borst op.—Nou he’k drie bakke mooie sloà.… nie te sien.… mo je-en-gloofe.… op éere-wachtwoord.… stoan … onder kiste-stoapel.… bai àn wal te kraige, drie fersche bakke!.…—Sestig, plots zonder voorbod schreeuwde ’n mottige venter op ’n kist, weggeduwd achter twee vrouw-ruggen, èven in wippertje uitrekkend z’n hals, dat Bode net nog z’n pukkel-neus zien kon, voor hij weer snel in die diepte verzonk.——Sestig.… seventig.… vaif en seventig riep Bode, z’n hoofd draaiend naar allen kant, om te kijken of ’r opbod gewenkt werd in verre hoekjes.—Tachtig schreeuwde nerveus, de laagzittend weggeduwde weer, even opwippend, nù met z’n heele mottige kop boven de vrouwruggen uit.—Naigtig, van andere zij klonk ’t sarrend.—Roggemegoggel! f’rek jai!.… die flop is main de heule uchend t’met in de wiele.…. ikke ken d’r niks praise.… of hai is d’r bai.… nou ikke dankkie.… ikke mo nie meur.… wa jou Dirk?.…—Mo jai waite, binne d’r main soake nie!—Nou seg.… dá’ binne d’r drie bakke.… die je nie sien kenne.… drie bakke.… kroppies!.… kenne wel floddermusse weuse.… die sloà, hee?.… heuldegoar slap!.… ikke mo nie.… wa? wà?.… nog hooger.… hoeveul sait ie doàr?—Eén vaif schreeuwde Dirk, éen vaif.… je mag je wel hoaste laileke brompot!—Roggemegoggel! ikke mó’ nie’.… kenne wel puur floddermusse weuse hee?.… mijmerde ie voor zich uit, tegen de[136]donkere wollig-besjaalde wijfruggen op, met z’n weggezakten kop in de diepte.Van allen kant gonsde snater en rauwe klankenwarrel van stemmen. Zon gloeide fel, barnend, stoofde de stanken, de broeilijven, en al pafferend zweetten de kerels, in lollige rumoering van veilhartstocht.—Nou stoàn ’k tog puur van drie uur.… f’rdomd aa’s je hier sitte kenne, klaagde ’n tuindersvrouw, met morrend, moe-nijdig gezicht, ’n zwart breikous-stompje telkens van d’r borst, onder d’r kippige oogjes trekkend. Snel, in naaldflitsend beweeg breide ze mopperend voort, van ’r vingers-dansend draadgeweb, aldoor òpstarend naar Bode en groenten.—Geen gaatje plaats was er meer op de boot. Al de tuinders, lomp en hebzuchtig, hadden zich neergesmakt op manden of kisten of stònden op koelscherm. Dikke dijbrokken en achterwerk van ventsters, spanden ingekneld tusschen broeibeenen van kerels. Tegen de donkere pijp in ’t luchtbrandende blauw, leunde ’n troep beweeglijke werkers, lachend en krijschend, grimassend achter stillen rug van kapitein. Ze lolden met de breiende vrouw, die kippig en doodmoe van ingekneld-staan en hitte, niet veel zag van de waar, knorrig gromde, dat ze nog den heelen dag te sjokken, te venten had in de stad, in die pesthitte, en nòu d’r beenen al voelde als verlamd … En aa’s se d’r nou moar ’n kop leut kon naime.… ze had d’r dorst en honger veur drie.…Nerveuzer breidde ze door, tegen ’t hoofd van een kerel, vóór haar buik en beenen neergehurkt, d’r stuipig stompje kous boven z’n pof-pet komiekerig verkronkelend, onder de snelvingerige webberijtjes van ’r naalden en draad. Telkens flitste zon bliksemend licht op de naalden, die even hel-elektrisch gloeiden en schichtige flikkerpijltjes puntig àfslingerden, tusschen de sjofele kerels en hun morsige stankplunje.—Bode had uit de kajuit ’n borrel gekregen, gelijk met „notaris,” die in vadsige houding bleef luieren in zonnegloei, tegen de pijp aangeleund, den borrel in één achterwaartschen smak van z’n hoofd, z’n keel ingoot.—[137]—Netoaris hep ’m glat laid s’n happie!.. lolde ’n groenboer met afgunst, hunkerend naar eigen zuip.—Rooie kop van Bode lachte, mond-wijd.—Z’n tong klapte klakjes van genot tegen z’n gehemelte òp en prachtig z’n tanden glinsterden blank tusschen z’n vuurrooie lippen uit. Lustig hadden de venters den zoet-inglijenden borreldronk beloerd, want allen snakten naar ’t brandvocht, zalige lafenis in de venthitte.——Nog een borrel veur aige bik, veur de Bode, ironizeerde Klaas Grint.… enne een veur de „neerstige netoaris”.… daa’s veur sain drooge keel van ’t skràive … hei smoàkkert?Dirk veegde z’n mond af, watertandde, voelde flauw speeksel op z’n lippen klefferen, en van allen kant, de zwoegers rumoerden heete grappen rond, nou er zoo vroeg al door de „heeren” geheschen werd.—Strakk-en-an jullie beurt hee?.… beet de Bode terug.. En nou!.. manne broeders!.. luistert!.. tien bosse rebarber.. segge tien.… wie seit dur?.…Van alle kanten tegelijk, krakeelde bod tegen elkaar òp. Een vurigste, schreeuwde hoogsten prijs, bleef winner.—Veur Vink.… ses bos.—Nou he’k nog vaiftien.. wie sait dur? Weer daverden stemmen in golfstoot tegen elkaar in. Geraas kraterde los. Ze scholden, keven, nijdigden, nu de làter-geveilde rhabarbers veel goedkooper gingen dan de eerste.—Da’ binne dur gemoedereerde liefhebbers, grinnikte de Bode.… nog ses bosse.—In woesten slinger zeilde ie de verkochte stelen naar den groenteboer die ze gekregen had.—Gooi jai hullie moar in ’t bakkes hee, jai kailt moar roak t’met!—Nog vaiftien bosse vàn.… „netoaris?.…”vroeg Bode, doend of ie niet merkte dat ie ’n kerel pal tegen z’n pijnlijken neus gemept had.—Houweke!, schreeuwde achter de pijp notaris uit, met even oprekking van z’n hoofd uit luien armenleun.—Dirk bood ’t hoogst, kreeg ook, in joligen zwier, de heele vracht van Bode toegesmakt, pal in z’n armen. Maar nergens kon ie zich roeren, wist ie z’n bossen te bergen. Schuin[138]achter ’m hing al ’n rij manden, los, tusschen vaten en kisten.—Met de vracht z’n armen ingekneld, paf van zweet en hitte, bleef ie staan, tusschen de zittenden, hurkenden en woelenden; probeerde ie zich langzaam los te werken, met z’n zakken erwten en manden, uit het wasemende, broeiende menschenkluw.—Nou nog sestig pond witte kapcainders.… wá’ segge jullie nou.… de loatste ressies.… Veur d’n dag manne.… dappere vrouwe of te wel kenàu-Ha?.… neenet.… kenau.. boè seloars!.…Zwaar sjorde ’n zak uit ’n bres geboorden hoek, op veilbank. Half afgezakt van den zinken rand sleepte ’n pachter z’n waar bij ’n touw, blaas-hijgend van hitte. Maar niemand bood meer, dat woedend de kerel z’n vracht van den veilbank terug rukte, opbonkerde tegen beenen en hoofden, met ’n vloek achteruitstoof, rood van gift. Z’n waar schoot de bres door, die achter ’m weer sloot, knellend, walmend-benauwd.Tusschen den muur van koppen en ruggen, gromde ie nijdig nog:—Wâ suinige Job.… die laileke takkebos kaikt je an of je ’t d’r stole hep!—Nou wa’ dan.… pluk jai vaire van ’n kikker hee? aa’s d’r gain sinte binne, moedereerde ’n oudje, z’n neus hard snuitend met ’n vuil rood zakdoek, dat ie als geronnen bloedlap tusschen z’n beverig gelige vuist kreukelde.——Nou he’k nog vaif bosse wortele, schoof ie weer nijdig af bij ’n ander.—Dank hee?.… ken jou wortele nie hebbe.… binne main veuls te groot.—Loop jai rond, duufelstoejoager.… sain f’rassereerd-goed.—Disketeere komp hier nie van paa’s foàder!.. lachte de Bode.… wá’ há’ je nog meer?.… komt dur dan mee veur ’t licht hee?.… O? wà? niks meer? niks?.… dus je bin dur uit! Mooi!.… dan he’k hier nog ’n prechtig kisje ongetelde tuinboone.… Wie sait dur veertig sint.. veur die heule sak.… soo wait aa’s de broek van vrouw Zeune![139]—Vaiftig dofte ’n stem!—Sestig, er boven uit gilde één heeter, trillender.—Naigtig, ikke mose hebbe snauwde een ander driftig.Weer zag de kerel op de lage kist, weggezonken achter de stom-breede vrouwe-ruggen ’n koop afgetroefd door z’n veiling-vijand.—Even had ie weer ’n wipper van z’n bak genomen, den mottigen kop uitgerekt en gezien, met woede, dat ’t z’nouëtegenstander was. Nijdig trampelde ie met ingeknelde zenuwbeving z’n beenen naar alle kant, dat de makkers voor en achter ’m vloekten en duwden, om de bemorsing van hun plunje.——Ben jai daas snurkert! hak je beene d’raf, aa’s je hullie d’r nie stil houe ken.Weggezakt weer achter ruggenmuur, z’n pukkelkop gebukt, kookte ’t weer in ’m van drift, probeerde ie zichzelf wijs te maken, dat ’t toch veel te duur ging, hij zelf blij moest zijn dat ie ’r zoo goed afgekommen was.—Haa’k strak-en an meskien die floddermusse had.. en nou.… potdoorie.… die haireboone!.… ongeteld!.… sitte d’r vast gain duusend in.… magge veur main bestig hebbe.… haha, wat ’n dolle smak.… Nou.… ikke mo nie!.. wa?.… wà?.. hoeveul sait ie?.… kaik.… prechtig! prechtig, joàge hullie sain d’rais ook op!.….. kaik! nog hooger.. hoor main-dàt-t’rais an!.… kaik.… goan die nog hooger! hoor! daa’s d’r puur doas.… Wá’ brenge die op?… vast gain duusend in.… ongeteld! Gain duut!—Een vaif en twintig, staalhard, hortend klonk Bodestem.. mi je tweeë.. één dertig.… mi je drieë.… éen vaif en dertig.. één vaif en dertig.… een vaif en dertig.… éen moàl.… andermoal.… veur de derde moal.… Ritsema!Stomp keek ie, de hals rekkende venter, stomp op donkre vrouwruggen. Zacht, in zenuwnijd trampelden z’n beenen tusschen engte van lijven, schijnheilig overgaand in ’n deuntje op ’t doffe hout, en brommerig raspte z’n ventersstem, dat ie d’r niks van hebbe most, van floddermusse en ongetelde boone.——Nou nog veertig pond peule, bestige, malsige, soetige,[140]schreeuwde de Bode, nog de loàtste ressies en dan is ’t puur daan!Weer stortte ’n veiler rhabarber neer op de heet-zonnige zinken veilbank, die dampte van geuren als ’n wierookaltaar. Weer sjorden zakken doppers òp, en voort joeg onder proestlach en juichender krijsch, gedol en nijd, de roezemoezende koop; kwam er begeeren naar eerste schoft in de schorre, droge, heete keelen. Drukkender hitte gloeide en zwamde néér op menschenprop en koppen. Warmer stanken in zonnevuur, ontbroeiden op hun morsig vel, en de kajuit ademde wee-zoete luchten uit, van bakmuilen en grijnzende mond-manden, walmzwaar en duf-bezwangerd, naar ’t dek. Aardbeien, wee-zwoel geurden rond in ’n damp van benauwde zoetigheid, en telkens, in verschuif en versjouw van groenten, brandden de kisten hun rood uit, in zengenden blaker; kogelende vruchtjes vuur tusschen helgroen en zacht bleek, donker droef groen.—Groen, rauw als plankenkoloriet van Zaandamsche hutjes, omzond in heete murmeling van zomervreugd; tusschen pastel-teer bleek-groen.—En alles daar, zoefte voort in ’t landelijk kanaal, ’t hel-rood, ’t groen, ’t donkere en licht-felle, ’t brandende wortelenoranje, de zee-groene lichtverwiegende kroppen, de pastel-fijne erwten, de boonen en bakken, stoofgloeiend onder ’t blauwe vuur van de eindlooze lucht, hemeldom van brandend lichtblauw; hitte die wit vergloeide in daverenden zonnebrand op wei en bouwgrond, eindloos in ’t rond.Als schroeiend brok zomer, levend brok aarde, in schipvorm saamgestampt, zoog de boot door het schitter-fel, licht-beketst water; als kleur-drijvende aarde-ark van groen en rood, tusschen goud-koperen gloeiing van roer-brokken en randstukken in glimmigen zwier van verglijende glansen. En rond de groente-ark, de hevige wemel, ’t brandende trillende koloriet van alkleurig kistenschmink. Vóór „Tuinders Geluk” zwierde kleurenbrand van andere booten, tusschen de heete zonneoevers van eindloos poldergroen. Vaag rumoer van stemmen klonk daar òp, achter de pijpen. Van ver brandde ’t aardbeirood uit kistenmuur, feller, hevig-heerlijk tegen hemeldom van[141]brandend blauw. En windeke van zomermorgen, briesde en stoeide, koel-streelend en wuft om de vruchten, de zweetkoppen. In ’t water ruischte ’t golfjesschuim, stoeide de zon met z’n sprankelend vuur van zilverend-goud. Droom’rig murmureerde rhytmische kabbeling van zonne-golfjes, om boeg en steven heet vervloeiend.Dirk stond van geuren en bries bekoeld, polderland te overstaren. Van den luchthelm naast ’m sprong plots ’n rooie kerel àf met ’n zwaren zak lage waalen.—Rook wolkte over hen uit. Donkere gulping en bronzen veeg van stoom verroette, en pijp-zang baste in beev’rige galmen ’t vuur-stoeiende watervlak over. Bronzerig in wolksmook, verlicht in dagbrand, bleef áánroetten de rook, dat de kerels vloekten achter de pijp. De rooie venter, kuchend en keelschrapend, sleepte z’n zak op veilbank, van boven nauw dichtgesnoerd met ’n dikken vuil-witten band.——Wa binne ’t veur snoake?.… vroeg ongeduldig van z’n bank, de Bode droog-komisch op den rooie neerkijkend.—Sestig pond loage woale.… de leste!—Sestig pond.… prèchtige loage woale, schreeuwde Bode dadelijk, zonder te sien.… fersche, malsche woale.… wie sait dur honderd gulde.…—Eerst kaike hee?.… se kenne d’r puur te dik weuse, norschte ’n vrouw.—Sièn je woàr, duwde Klaas Grint er tusschen door.Gejaagder morrelde de Rooie aan den zak, driftig rukkend, aan ’t wit stuk band dat er niet afkronkelen wou. Bode ophitsender, bonkte al met z’n handen op schouders van den venter, grimassig doend of ie ’m hielp trekken. Ongeduldiger geprikkeld, verhit, dolden en schaterden de kerels op ’m ààn.—Die boel ken d’r nie los, vast nie.… da’ binne d’r gain woàle.… da seg ikke jullie!.. smak die gaip op s’n almenak.. da s’n ribbe kroake!—Aas je main! je ben d’r nie lekker op.… aa’s ’n kikker op ’n kluitje hee?.… verontwaardigd snauwde knorrig en sputterend van vermoeienis de rooie groenboer terug, z’n zak[142]even loslatend, van verlamd moeheidsgevoel in z’n armen.—Furt d’r mee, los die rommel, joeg de Bode weer op, dien ’t nou begon te vervelen.… furt! of ikke sèl ’t doen.… f’rdomme, ’t kroakt hier op de bank of Sinterkloas er reeë heb!Van z’n stoel, beenen uitgekromd, rukte ie aan de zak, nijdig met driftige handmeppen, maar de knoop bleef in kronkel gesnoerd. Giftiger rukte de Rooie, dat ’t vette glimzweet van z’n blanken kop waterde. Niets hielp. Allen in voorsten rij beukten en rukten den zak, die als ’n levende romp, gepijnigd op folterbank, in z’n grauwbrons en plooi’rige vadsigheid méékronkelde en stuipte onder de driftige meppen der kerels. Lol hadden ze ’r van, gierende lol om de zweetende, vloekende onmacht van den rooien groenteboer.——Da’ goan nie, dolde Klaas Grint, hai hep sain d’r vàstbakt.…—Nou, ikke seg daa’s ’t kouseband van sain tante!.…—An-main-hupla!.. van sain skoonmoeder t’met.… die hep dur koabels om d’r kuite!—Niks gedoan! ’t kouseband van sain maid! kaik d’r stoan ’n merrekie op!Woedender voelde de kerel hitte-drift in zich òpfuriën onder ’t heete geschater en de stekelige lolletjes van de groenboeren rondom.—Maar ’t dolst maakten ’m de nijdige grapjes boven z’n hoofd van den Bode, dien ie niet zàg, maar hòòrde grimassen. Eindelijk viel ie nijdig op den zwikkenden en krampenden zak áán, beet er z’n tanden woedend op in, rukte den knoop heen en weer met z’n drift-gloeienden mond, als ’n hond ’n been-kluif,—knaagde, scheurde en knarste. Even kwam er ’n stompje loswarrelen. In grabbel trok ie z’n mes, sneed plots den band door, dat de zak, gerammeid, gehurkt en vernederd, van boven lossprong uit z’n worgenden klem als met ’n snikzucht naar lucht.—Weer nieuw goed werd aangesjouwd, nù losse slabakken.—Mo’ je nog twai bakke, soo uit ’t knuisje van Knelis Tijsse?—Hee, hai je d’r veur main ook nog twai?[143]—Ikke hep per nog één veur je, krijschte ’n ander er dwars door heen, veur de hàlft van sain prais.—Daa’s liederlik, jai natte kip! hou je bek, jai ben d’r nie in vailing.Met ’n grooten bak sla wou de dwarsdrijverige onderduiker zich door het kluw venters heen werken, maar van allen kant, bonkten ze’m terug, moest ie, strompelend en struikelend maken dat ie weg kwam, ’t stillere boot-achterend op.——La’ da’ varke nie deur.… eerst de bakke van Tientjes wèg.… hee Tientjes! wa hai je dur nog meer?.… rebarber he’k had, peene, sloà, postelain ook.… boonekruid … loate „spanneezie”.…—Ben d’r uit! schreeuwde Tientjes opgeruimd terug!—D’ruit! mooi, dan he’k nog tien bosse faine peene!.…’n Sjofele, monsterleelijke tuindersvrouw, rimpelig begijntje, met dik-apige lippen en naarvoren gestomd kakement, had zich, in ’r hard-geel manteltje, vooruit gedrongen, bij kleine stootjes en duwetjes. Nou alles op ’t end liep, ’r verslapping kwam, en wrevelige hang naar schaft, drong zij vooròp, listigjes spekuleerend op vermoeiing der andere groenboeren.—Met schuchter-zwakke stem zette ze’n bodje in, en plots dromde woeste snauw van alle kanten tegelijk op ’r af.—Saa’k laife! da’ hai je ’t kallef mi-de-natte neus.——Loà de boere moar dorsse! ken hoàr ’t skele, minachtte ’n andere vrouw met venijnigen, puntig-bitsen kop, bejeukend d’r scherpen neus, die uitpriemde als ’n boor onder ’r gore steekmuts. De eeuwig-breiende ventster, moe, met ’r knorrige moppertronie, snauwde mee, schril. Niemand gunde ’t rimpel-begijntje ’r sjofele koopjes.——Roggemegoggel! de gele medam hep ’t puur op d’r heupies.——Se hep o-de-keloonie van d’r gelant op d’r jakkie, hoonschaterde vrouw Zeune, en de brei-vrouw rolde weer ’n vloek naar d’r verschrikt snuit.—Veertig.… sint.… veertig, hakte de Bode door stemmen-gesnauw en gekef heen.… veertig eenmoal!.…[144]—Vaif- en veertig, nijdigde ’n andere vrouw, alleen maar om òp te bieden, wrevelig-wetend dat ze de waar toch niet noodig had, volgepropt als de mannen en wijven al zaten, bij den laatsten rondgang.—Vaif en vaiftig! dolde ’n kerel ’r tegen in, die de gele madam niet luchten kon, met genot ’r uitgehuilde kaken zag verangstigen.Zweet-rood glom de gele madam, stotterend in verlegen angst, bekrabbend ’r apigen gelen mond en kin. Benauwd glunderden haar oogjes, vol glinsterig, sluw-bang licht, òp naar den Bode. Want op ’t eind van elke veiling was zij taai, zij, dat wist de kerel.—Sssjesjjtig, siste ze even uit, met ’n wenk van ’r magere knokels, sluw, schuchter toch.—Nijdige snauwhoera’s gierden ’r hoon-scherp tegemoet.—Je man kaikt mi sain skele lampies noa je hain!, sarde ’n tuinder achter ’r rug, haar telkens porrend tegen de schouers, dat ze schokte.—Nouw sssjjoà.… nouw sssjjoa.… aa’s.. aa’s … tongsleepte ze, in wanhoop opgejaagd om hooger te bieden. Haar naar voren gestomd, geel kakement sidderde van zenuwschokjes, ’r apige lippen trilden, en ’r ingedrukten neus, wijd opgewipt bij de reukgaten, bewreef ze onder ’t lispen.. nouw.. sssjjoà.. jullie gunt t’r main gain sssjjpòg woàter!—Wa’ mò je tug mi die peene veur sestig uitvoere waif?.. je koop hullie pattekelier veur vaiftig bai ònster.… lolde een weer in hoontoon.—Nouw sssjjoà … nouw sssjjoà … brabbelde ze verlegener terug, òpstarend in oogenangst naar den Bode, met zenuwsnel wimpergetril, als hing ’n slingerend mes boven ’r hoofd,—De vrouwen grolden, konkelden en schaterden vinnig jaloersch, lol-woest, dat ze’r zoo hoog opgedreven hadden, in hun gejaagd bieden.—Nou mag sai d’r biertje loàte werrike?.. Bi-jai-’t-Hain!—Sestig, eenmoal, veur de derde moal, hakte de Bode droog door, vrouw Joapeke![145]Ze beefde als ’n riet, vrouw Jaapeke! Ze voelde, in ’r zenuwangst, dat ze toch te hoog was gegaan. Bang graaiden ’r gele, breed-bemouwde, slobberige armen, naar de penen die de Bode tegen ’r platte borst smakte. Geel-rooiïg vervlekt, dampte ’r tronie, dat monsterlijker rimpelde als oudwijverig apenbakkes, in glimmig zweetvet. Niemand durfde ze aankijken, als had ze een gemeene streek uitgehaald. Tegen ’r hardgeel, verkaald kort manteltje, knelde ze zenuwachtig de peenen, en banger loerde ’r monsterlijk verdroogde begijntjes-kop ùit, tusschen den fellen daver van ’r wortelen-oranje en ’t fijn-kartelig uitgeknipt donker groen loof.——Nog twai koopies, dan is de skaft dur, lachte de Bode, ’n bittertje weer met smaktong wegklapperend en opzuigend z’n adem.—Nou he’k nog ’n sak mit laifende woar.… gain f’rklikker in de buurt?.… niks nergens peliesie?.… wel-nou-dan!.. dan he’k hier spring-laifende woar.… twee prêchtige kenaintjes!.… kaik hullie tippele!.. kaik hullie tippele!.. la’ main in gos noam niet langert proate.. beste minse!De grauwe zak had ie opengefrommeld en er met één hand, bij de ooren, ’n donzig blond konijntje uitgegrabbeld, dat angstig spartelde en voorpootjes kramperig tegen wit-bevlekt borstje òptrok.—Schater barstte òp naar ’t hangende diertje, kerels gierden, vrouwen gilden.—Sou ’t d’r ’n broertje.… of ’n sussie van sain, moar dur sit dur nog een percies-eender in de sak.. wie blief dur hullie!In rauwen humor, de twee ooren in één hand saamgeknoopt, keerde ie konijntje naar zich toe, ruggetje naar de koopers, vroeg ’t, venijnig tikkend met vingertop op beweeglijk zenuw-trillend neusje:—Hoe vint ùfus de f’rgoadering.… die ùfus broàde sel?ouëjonge?.…Heet gegier raasde uit den troep en konijntje draaide ie rond aan z’n ooren, dat dierke als ’n spiraalwrong, weer duizel-snel terug-schroefde.—Kramperiger spartelden opgetrokken voorpootjes;[146]suf bleef staren ’t stomme kopje tusschen engen oorenknel; sneller en verbluft trilde angstiger ’t blanke neusje.—Vrouw Jaapeke was er weer ’t eerst bij met ’r bod.——F’rvloekt, die komp nou altait op ’t lest! stiekem uit ’t hoekie.… snauwde de brei-vrouw weer, giftig doorwriemelend d’r steken, bij webbende vingertoppen.—Is juffer luiwoàge weer an ’t woord? spotte ’n groenboer naast ’r.—Nouw sssjòa … nouw sssjjoà … kauwden ’r dikke lippen weer, en zweeterig, met rooie vlekken, rondgetrokken als doffe bloedvinnen, glom ’r gele begijnentronie. Angstig loerden ’r oogen òp naar ’t zacht nog nàschommelende konijntje, dat de Bode telkens kleine draai-duwetjes gaf. Droeverig-gebluft staarde ’t kopje, de oogjes trilden, keken wijs, als voelde ’t deernis, dat ze ’m zoo plots uit z’n stik-donkeren, duffen aardappelenzak, in ’t felle zonlicht daar te kijk hingen. Z’n spichtige steilgrijze snorhaartjes beefden en z’n weeke angst-bekje mummelde wat, als verkauwde ’t z’n eigen angst.——Veertig éenmoal.…—Sestig, ’n rauwe stem van tuinder klonk achteruit.—Ksjt! ksjt! katjes.… siste ’n kerel, sloan jullie de gaile medam veur de sokke.…Weer trok weduwe Jaapeke beverig aan ’n grooten knoop van ’r hard-geel manteltje; sterker beefden ’r oogwimpers.—An joù juffer luiwoàge!.. veur aige bik!.…—Wa’ mot dur medam mi’ knaine van doen? sai frait d’r puur kalkoene!.…—Nouw sssjjoà … nouw sssjjoà … sleeptongde en lispte ze angstig terug, afwerend duwen en grapstooten in rug en zij, jullie gunt dur.… gunt dur.. ’n minssjch nikssjch.Angstiger loerde ze naar Bode òp, of hooger bod inviel.—Sestig één.… sestig anderr.…—Vaif en sestig!.…—Mooi soo!.… gooit de boel òp waife;.… aa’s alles brandt brandt woater ook.. la’ jullie je aige nie troefe.. van die gele sloerie-ekster,—stootte ’n venter uit, grinnekend tegen ’n buurman.[147]Weer had vrouw Jaapeke den Bode stiekem gewenkt, vlak op z’n schoenen, schuwtjes-snel ’n knauw met ’r beverige handen àfdrukkend.——Aaj! vrouw Joapeke! main eksterooge! krijschte de Bode een arm en been lawaaiig-komiek de lucht insliertend, ’t konijntje meeslingerend bij z’n ooren.Joelende hoongier schaterde los. Vrouw Jaapeke stond bedremmeld, nu Bode ’r in z’n lol verraden ging, dat zìj aan ’t bod was; dat zìj op z’n schoenen gedrukt had. Weer hooger ging tegenbod;.… angstiglijker rilde gedachtetje door ’r heen, dat ze de beesjes niet kreeg.——Sien jullie, de gele medam waa’s ’t weer!.…—Anme huppla!.… nou kraig sai twee fraiers thuis!..—Tachtig, hakte weer door de Bode, en weer voelde ie ’n half verborgen druk van vrouw Jaapeke’s beverige knokels op z’n schoen.——Vaif en tachtig eenmoal.… andermoal.… veur de dèrde moal!.. vrouw Joapeke!Weer barstte ’n rauw hoera los, rond de gele medam. Ribbe-stootend bonkten ze’r, gilden en hoonden de jaloerschen om ’r heen.—Want ze wisten wel, dat zij dingen plaatste, die anderen nooit gebruiken konden, bij wijven in de Nes. Daarom durfden ze niet nòg hooger tegen ’r opbieden, bang dat ze ’r misschien aan hangen bleven.—Bode had konijntje weer in den zak gesmakt en rolde de levende waar vrouw Jaapeke tegen ’r platte borst, boven wortelenstapel, waarmee ze nog onder de armen, tusschen de mensch-kluw ingepropt knelde.—Saa’k f’rbrande aa’s ’k snap wá’ ’t waif d’r mee uithoale mot.… verleje.… mi Juni hep sai ook.. die vaif prêchtige leeuwerikkies kocht.… die hassebas.… woar hoalt ’t murmel de sinte van wèg!.…—Van beroep is d’r man tug stroat-oàrm, hoonde ’n ander.. hee! gele medam, koop jai d’rais ’n nuwt stelletje kiese hee?.…—Trek jai d’r veere van ’n kikker! schaterde valsch mee de vrouw met d’r rooie kap en woelige sierseltjes, boven ’r voorhoofd.…[148]se is t’r moager aa’s ’n tang! en ’t laikt dâ se koopt veur aige bik!—Nou, grinnikte de brei-vrouw,—in de stad … loopt ’t mins.… soo ver aa’s de hemel blauw is.… en roakt t’met nooit niks kwait van d’r kar.—De leste koop!.… luistert wèl, goê-liën, schalde hoogklaar de Bode weer,.… om te beginne en an te vange mit ’t begin, he’k hier ’n prèchtige takrooie maidoorn.… wie blieft.. wie-sait!Van vier kanten raasde áán, dooreengolvend stemgekletter.—Tien! vaiftien!.… achttien!.…—Mit je àlle achttien, lachte Bode, mit je àlle twintig.… wie mot!Dat was blomgoed, waar de hééle stoet op loerde.——F’rfloekt.… de fint snait d’r ieder dag ’n takkie van sain boom.… aa’s tie dit joar.. gain tachtig pop veur s’n boom moak, hiet ik puur gain Teun Stainders meer.…De eerste bloemenkoop was weggerùkt. Langzaam achter ’n stapel aardbeikisten, wrong groenboer nog twee kleinere takjes. Maar nòg schreeuweriger, voor hooger prijs, kochten ze die in. Ze wachten er op, en hurrieden alle tegelijk er om.——Op is de boel!… gelukkig, kwam d’r aêrs nog muiterai an board.… Moandag weer ’n handje!.… lachte de Bode, en nou he’k hier nog prèchtige lelies.… wie mot dur.. wie?..Nauwelijks had ie de vormfijne lang-stengelige bloemen in de handen of ze smakten op ’m neer. Twee vrouwen rukten ’n heel bosje uit z’n warme knuist.—Ikke ook, ikke mot d’r òòk.…—Hier.… doar hai je vast màin.. vrachie sinte!.… Ikke hep d’r tien!.…—Màin.… main!.… daa’s gemàin, gilde ’n ander.… ikke hep d’r eerst sait!.…—Krikf’rdorie.… die blomme luchte lèkker, snoof Dirk verbaasd-loom òp.. die mo’k hebbe veur main klante!.…De vrouw met de stuipige breikousstomp was plots òver de hurriënde en dringende kerels heengebukt, ’r vat-breed achterwerk[149]’n groenboer langs ’t gezicht schurend. In woesten ruk, had ze vrouw Jaapeke de lelies uit ’r hand gescheurd, de bloemen haastig in d’r schort beschermend.—Vier andere vrouwen, met verkoop van veiling, zwaarlijvig bijeengeklonterd, sprongen bijzij op gele madam af, om te zien of ze nog meer blommen bergde.—Maar in één ruk had de breivrouw ’r leeggeplukt. Grienerige woedetrekken groefden om schrei-mond van gele medam, en sputterend spoog-lispte ze vloeken uit, naar de woeststerke wijven. ’n Endje van vrouw Jaapeke af, waren nu wat groenboeren op de brei-vrouw losgesprongen, om die den blommeboel te ontfutselen, bonkend en haar bekrijschend dat ze niet had laten uitveilen. Maar breivrouw weerde zich heftig, trapte naar achter, beukte opzij, in den knellenden warrel van graaiende en rukkende handen, stampen van beenen en lijven. Bodestem schalde plots bòven ’t warme stoeigewoel uit, in lach van z’n frisschen kop.—Nou nog wa’ prêchtige pioene, wie-se-hep kraigt de staikels.… ikke hou de blomme—.. In wat tellen hadden de venters ’m afgekocht.—Broeierige woeling gistte los in den veiling-prop.—Snikhitte dampte om hun zweethoofden. Zon priemde fellere lichtlansen neer op de boot. Elk plekje braadde en kookte.—Spraakloos buiten ’t gewoel, stond kapitein voor zich uit te staren, ’t vonkwater in, en hoorbaarder nu, achter veilingstilte uit, klotste de golfjeskabbel tegen schipwanden òp in schuimende koeling en week ruischgestroom.—Hunkering naar ochtendschaft ging rond. Om den Bode klonterde de menschenkluit los. Twee dikke groenboeren kankaneerden in nauw gangetje van hangende manden en kisten, naar de kajuit. De dikste, achteruit dansend, met kwabbige schommeling van z’n vet lijf en spanning van dans-dijen, strompelde gladkoperen traprichel af. Springend met kromgebogen armen, ’n zwaai de lucht in, plof-bonsde de andere op z’n borst en buik. Achter hen ààn, trampelde ’n heele bende naar beneden, de kajuit in, waar al wat kerels, mistig berookt in halflicht hoekje, saamgebroeid hurkten achter hun manden.Als ’n laag-bezolderde ark, spitsig toeloopend en hellend bij[150]den boeg, dampigde de kajuit, volgesmookt van pijp- en sigarendamp, snikheet. Groòter en ruwer dan in ’t fel deklicht, onder half schaduw nù, lijfloom neergesmakt op de rooiige ruw-bekwaste banken,—leken de vrouwen- en manskoppen in de kajuitsdiepte. Achter enkele half-verduisterde hoofden, wangbrokken en kleurig haar, stroomde zonnelichtspuiing, door hooge ronde kijkgaten, beomtrekkend èven wat tronies in zoom van goud, fijn vloeiende lijn, die gloeide soms als electrische lichtdraad. Schuwere glansen schoten door morsig beruite kijkgaten, hoog ingeboord boven boeg, scheemrig vervloeiend in de halfdonkre kajuits-sombering.—Langs de wanden en midden in, plankten de ruw-rooiige banken, breed, waarop neergesmakt dromden in stomme hurrie van punten en brokkelige kanten, kisten, pakken en manden.—In de kajuit stonk ’t duffer, vunzer nog dan op ’t dek, waar dòòr de groenteluchten heen, soms nog ziltig zoute lucht van zee-windstroom aanwoei. De hooge kijkgaten, ’t heele schip langs, brandden in reflexvuur van kanaalwater en zonnegloed, tusschen ’t opkruipende half-duister in de stik-heete kajuit, als gloei-gouên oogen. Tegen de grijs-grauwe morsige zoldering zonden wat lichtkrinkels, die trillerig door elkaar heenspiraalden.—Vlak onder de gloei-gouden licht-oogenrij van kijkgaten, doorzond en fel-verblindend, kropen schaduwtinten langs verdonkerde wanden, zonk de kajuit in, vaag-kleurig van paarsen rook, even doorneveld van zwakke glanzen.—In al òpgeknelder drom trampelden de vensters van ’t dek, smakten zich neer op de banken, tusschen hun pakken en kisten.—In roodbruine somberheid plankten de banken, en heel de kajuit, met de oppropping van koopwaar, leek ’n groef, roodsteenig en duister, waarin schipbreukelingen saamgevlucht stumperden, bàng omknellend hun laatste rijkdommen.’n Lange kerel, met heel kleine oogjes, z’n hoofd de zoldering rakend, waaronder z’n gebaren reuzigden, holde heen en weer te bedienen, stapte telkens op ’n vrouw af, die op bankpunt koffie schonk uit ’n bruin beschilderden koffie-stoomketel. Tegen muur van kajuitstrap, donkerde inhammend buffetje, waarin opgedrongen bijéén hinkten, diendertjes, manke jeneverglaasjes;[151]tegen elkaar leunden, flesschen, koppen, broodbonken, kaas, steenen bordjes en sigaren. Van alle kanten, uit de half duistere kajuit, tusschen het triestige roodbruin van banken en morsig grijs van zoldering, roezemoesden zeurige, teemende en krijschend-jolige, hakkelende en sputterende stemmen. Uit elken hoek warrelde geraas, gekakel en boerenwoest geschater. Gretig pakten de venters hun stukkenzak met halve broodhompen en mikkies uit; hàpten, hàpten.—Koffie main!—’n Bakkie g’laik!De heele bende verdonkerd en ver-reuzigd onder lage zoldering en balken, slurpte koffie. Overal, ingebukte nekken en gezichten, de warme lippen op de groote kopranden platgeperst, vuile handen rond de kom gekneld.—In anderen klauw, de halve mikkies gegrepen, hapten dierlijk de geile ruwe monden, slurpten de tongen, grepen en persten de morsig levend-beweeglijke vingers, groen en bruin vervuild van smeer. Op verhoogd boeg-end, druk roezemoesde ’n gierend troepje, de beschaduwde koppen naar elkaar toegebukt, in raaskallende lol, omwolkt van paarsblauwigen rookmist.—Soms even schampte òp, achter nevel-paars, ’n pijpekop, ’n kiel, rooiig-donker, grimmig-gebarende hand, ’n wangkant, ’n harige achterkop, met even lichtbeflitste oorrand, plots weer wegduisterend in zwaarder rookgewolk. Naar alle kanten liep de lange kerel met z’n dampende koffiekoppen, zonder schotels rondgediend, oorloos en gloeiheet, de klef’rige greepklare ventershanden induwend. Al meer reuzige schoenen, beenen en lijven zakten de loom nauwe kajuitstrap af, waar ’n ruitje even licht sloeg, voor ààn, in ’t rookige hol. De vrouwen bijeengegroept kakelden en kuchten, op d’r hooge banken saamgedromd, tegenover de woeste rookers, aan spitsig-hellende boeg. Telkens moesten ze inschuiven, opschuiven voor al meer instrompelend volk, dat tusschen vrachten en meegesjouwde bakken, als onder ’n lagen hemel van zoldering-morsigheid bijeen kwam broeien. De balken met donkere reten en vuile flodders verf, kruisten vlak boven hun scheemrige tronies. Aan ’t eind van middenbank stond[152]de schenkvrouw, breed ingebukt ’r oer-ketel te hellen. Telkens bracht de lange bediende, klefferig bevuilde koppen áán, hield éven schoongeplaste ònder den ketel-slurf, inmiddels vlug uit grooten suikerzak,—als overvloedhoorn blank-open neergetuit op bank-end,—’n schep opvisschend, en in zwierige vlucht afplonsend, in ieder kop ’n hoosje. Naast de ingebukte vrouw, die geen tijd had om ’r lijf te rekken, stond ’n vuil emmertje, van binnen bleek-rood uitgekleurd, met smoezel water, waarin ze luchtigjes,—toch doorschenkend uit ’r koffieslurf,—rond-spoelde de aangedragen, klodderig bestroopte koppen. Even ’t bruin-bestroopte van buiten wegplassend, druipend nog van vieze straaltjes grondig vocht, grabbelde ze met ’r natte handen de kommen weer òp, uit den emmer. En ’r zoon bleef bedienen, hield de reuzige koppen weer voor de tuit, die stroef stond, beklept-harig als ’n levende slurf, waarop vuiligheid bakte. En vlug, de eeuwig-gebukte schenkster rookte de kommen weer vol geurig koffiebaksel.—Walgelijke stanken, duf en vuns rotbroeiden de groenten uit, de jenever, koffie en tabak. Tegen ’t roodbruine ruwe gebank, en den zwartmorsigen grond, zogen de stanken vast. Wilder, woester, in vergrootende donkering, slurpten, verhapten de koppen, met apig-dierlijke rukken ’t brood, in geilen slurp en zuig, smakkend zich gevend aan vroege vraatzucht en drank.Dirk lag met z’n arm op ’n stapel duf-stinkende manden, en achter z’n hoofd, op tusschenplank van middenbank, tweekants bezet, stapelden bossen groenten en bloemen, zoet-zwoele lelies, tusschen voos-luchtende aardappels en kool, bruidsgeur en blankte, vermolmend onder gronderige stanken van benauwing. Elk ding wasemde stank uit. De kleeren van venters stonken als verrotte beenderen. Verhitte kroegasem en bloemengeur zogen door elkaar heen.—Naast Dirk, hurkten met beenen onder kin opgehaakt, Klaas Grint en Rink van den polder, happend en smakkerend in scharren en poonen, ronkend van vreetgenot. Dirk had z’n derde kop koffie al heet ingeslurpt, luisterde nu, dwars door leuter-geratel en handengeklakker van nasjacherende vrouwen en kerels om hem, naar[153]Grint, moeilijk verstaand, z’n oor geheven als luistertrechter, tegen den heeten herrieraas van stemmen in. Grint bepeuterde voorzichtiglijk z’n poonen, smakkerde bij brokken de vet-glimmige blanke visch z’n mond in, sprak en vergierde schunnige moppen, dat z’n uitkauwsel, telkens tusschen z’n snaterende kaken opschemerde. Als ’n zaal, waarin rumoerige kakatoes op eigen houtje krijschend konverseeren, dazelde stemmesnater rond. In al gamma’s brulden, lolden, lachten menschenkelen, schorre, rauwe, zachte en weeke timbres dooréén.—Soms klonken er als schrei-geluid, kermende klanken; dàn bulderde en donderde woordkrijsch uit, hevig en verhit in de mist-rookige kajuit.—Rink van den polder, slobberde jenever, door z’n scharrenmaal hèèn. Van uit z’n apigen knie-hurk, rookmistig omdampt, keek ie telkens flikker-scherpe kajuitsoogen in, die trilrige zonnekringen, wazig-vloeiend verspuiden tegen zoldergrauw. Eén balk-brok kreeg felsten stroom, waarop, in krinkelige rilling, als ’n zwabberende kurketrekker, ’t licht invrat als wit vuur. Naast Rink, ingedrukt en bekneld van twee kanten, met mandwerk, stumperde ’n bochel, door z’n puntbult ’n end van bankwand afgeduwd.—Peinzend telde hij eiertjes. Zacht schuifelde z’n hand in ’t strooien bed, en koelblank tusschen z’n groenig-vuile vingers, marmerden de eitjes, telkens teederlijk door ’m weggekoesterd in ’t gouden stroo. Na koffieslurp voelden de kerels zich bijna in de stad, furiede zuiphartstocht òp. Overal rinkelden jeneverglaasjes, zogen de rooie dorstige kelen ’t vocht in, vol wellust.—Màin segoàr.… moàr hardstikke swoàr! schreeuwde Dirk.—Enne main nog ’n kats, veur sain sinte, grinnikte Grint op Rink wijzend.Met acht kommen tegelijk, in balans-behendigheid deinde zacht de lange bediende door den rookmist heen, naar stijgenden boeghoek, al hooger onder de zoldering uitreuzend, in bukhouding z’n kop op borst gedrongen, om zich niet te stooten.—Zwier-vlug deelde ie de kommen rond, tusschen de gretig-uitgestoken handen.—Sterker klonk weer gelebber, smakking en dof eetgeronk. Klaterende roezemoes, gillerig en hoog, onder[154]voortgonzenden toon van mannenbassen, gromde door de kajuit. Levende walvisch, leek ze menschen in angstlawaai opgehapt te hebben, die daar verwilderd in d’r half duisteren muil zaten te schreeuwen, te stampen en te reutelen tegen elkaar van kreupelen angst.—Stooten van machinekamer bonkten trillingen door de wanden, bracht sidder in de koppen, handen en beenen. Door manden en bakken ging lèvende beefstroom. Alles zat in trilling; de tronies die raasden, de monden die zopen en vloekten, pruimden en kwebbelden; de handen, die vastklemden bevende kommen; de beenen, die trampelden of hurkten. Een flakkerende wiegel van schaduw en lichtvegen schemerde tonig en diep door de rook-paarse kajuit, rooïig-blauw verdampend in hel-lichtende òogenrij van kijkgaten, die loerden met zengenden vuur-blik.—Diep daarònder, de ingezonken lijven op banken, de handen op knieën, beverig doorschokt van machinedreun, de hoofden en oogen vertemperd in kleurigen wasem, tusschen den dof morsigen grom van roodbruin plankwerk en wandgrijs. Daar, midden in de broeihitte, sloegen, walmden en braakten de stanken òp, vunziger, uit half-open kelen van manden, uit zak-strotten, uit gaten en spleten van kisten. Zweet-rook van lijven dampte van kleeren; van barokke klompschoenen, enkele scheef en vergroeid als paardevoeten; van pilow-broeken en baaien rokken.—Uit alle hoeken wasemde rottende stank rond.—Schemervegen van schaduwzware tinten versluierden soms plòts groen-zwartig de kajuit. Rooie sigaarpunten gloeiden áán, in donkering van hoeken en de rondzonnige kajuitsoogen bleven loeren in fel vuur. Prachtige glansjes, smeltend en wiegelend, zwierden op menie-rooie randjes van drie gesloten venstertjes. Licht van waterkabbel wiegde méé met warrel van zonnespel daar in golfjes, àchter morsigblauw paarlmoerig-benevelde ruitjes. En wat trillerig geschijn deinde áán en af en om de kijkertjes. Als ’n diepe hangmat, waarin rookige schaduwen kwijnden en weer wazig-grillig verkleurden, in wiegel van gesmoord licht, hing de kajuit, plots weer in zachten schommel van boot; hangmat van rook en stank, waarin de menschlijven, opgepropt verduisterd in[155]grauwig paars en dampig gesmoord zonlicht, bewogen in nachtmerrie-realiteit. Uit pracht van diepe donkerdroomrige tonen, stemmige diepte van zachtflakkrenden kleurmist, zwaarbefloersd in grillig verstaltigenden groenen rook, doken telkens ànders de boerenkoppen òp. Roodbruin de banken, angstiger verdoffend den getemperden kleurenstoei der mans- en vrouwkleeren; in rooknevels de groentebakken en manden, dwars en stapelend uitgestald op den donkeren vloer, vóór sprookjes-reuzige voeten, òp schootbrokken, tusschen glazen, vuile kommen en rommelzooi van stronken en afval. Daar, door dàt hangmatleven, zogen en walmden de helsch-gemengde stanken, tusschen gebeuk, getril en geraas; broeiden de koppen bijéén; lekte ’t zonnevuur door de naven en ’t dek naar kajuit, waar de snikkende hittedag verduisterd en gesmoord lag te reutelen tusschen engte van duffe wanden.—Ènkele menschkoppen bewogen in glansgouïgen zoom. Wangbrokken gloeiden beschminkt van goudpoeierig schijnsel. Pet-vormpjes vergrilden in zacht-kleurig dof-duister.—Praat en slok, deinde òp uit diepe tinttonen.—Eetmonden vervaagden omrookt onder nevels, snorre-baardig, in harige ruwheid. En de golfjes in schroeienden zonnedoop, verspoelden kabbelig-speels, ruischend tegen de lichtoogen bòven hun tronies.—In paarsigen waas, de groote werkhanden woelden en gebaarden in en uit lichtvegen, rumoerend méé met hun zuip, hun krijsch, lol en ironie.—Handen, breed en geweldig als levende wezens, op zichzelf, hevig gekromd, verbronsd in aardewroet, in rauwe energie van beweeg en passie, tusschen den rookmist en rood-groenen damp, in wilde gebaar-woeling wègslingerend scheemrige vegen en tint-grillige schaduwen. Handen van bronzen reuzen, graaiend in smoor van zonnevuur.——Dà waa’s d’r main ’n sjouw Dirk, schreeuwde Klaas Grint, met beverige stem, doorschokt van dreun,—nou he’k tug puur naitig bakke oarbei op de boot—hee annaime!—main nog ’n bakkie leut!.…——Daa’s f’rduufeld achste bak, lachte de bediende.—Nou wà’ sel ’t?.… betoàl ’k hullie nie? houw tot soo[156]langest je snoater,.… nou hoor-je Dirk? daa’s tug puur naitig bakke, allain van main rechterhoek!.…—F’rek jai, viel Dirk met vollen mond in, zich verslikkend in hoestschokken, onder opslurping van koffie, dat z’n kop bloedrood te barsten dreigde.…—Kaik nou, die wil d’r babbele aa’s tie te slikkebikke sit,.. wà noù f’rek?.. der kenne.. kenne hier op dek, puur.. dertienhonderd bakke oarebai!.… en f’middag komp ’r nog ’n nuute anvoer.… nou, dan wee’k daa’k goar bin!.…—’t Is d’r dan ook duufels mit hoàst gonge hee?.. zei met diepe stem, zangerig, ’n venter vlak bij Dirk. Achter middenschot van bank zat ie, met verdraaid lijf, alleen neusbrok en oogen er boven uitloenschend naar de kerels.Dirk, Grint en Rink draaiden zich half om.—Hoe most da’ maint? vroeg stug Dirk.—Wel nou, ’t is d’r nog gain drie weuke hee!.… t’met … daa’k … toe he’k de soete fransies sien hep hee?.… Wa’ màin dat d’r toen teugesloegte.… de vrucht wou nie sette.… alles d’r nog groen en half raip.. de grond uit!—Daa’s net … veur drie weuke he’k niks aa’s rooie vlekkies in main tuin had, lachte Grint.—Wel nou, zangde de diepe stem achter beschot weer, met halve tronie er boven uit, en een hand stumperig meebetoogend in beknelde gebaren,—de boel is d’r nou overstroomd hee?—Met andere hand achter schot verscholen bonkte ie hevig op z’n weggedoken been, greep ie gretig naar ’n borrel, dien de lange kerel ’m brengen kwam. Achterover z’n kop, smeet ie z’n hapje donker mondgat in, bestelde smakkerend en likkend nog een.—Nou, moar de haire hebbe d’r puur wâ inpalmt an ’t stêtjon en in de hoàfe hee?.… da stong t’met nie stil.… Van màin drie duusend kilo.. van sàin tweeduusend.. van Klaas, van Gijs, van Joap, van Dirk, sooveul aa’s sullie d’r hadde,—of aa’s je kèrtak veurskreef.…—Wa?.… sooveul?… soo veul aa’s ’k f’rkoope wil hee? barstte smadelijk Rink uit,—buite da’ f’koop ikke tug òòk.. da kroak je ommirs?[157]—Nou daa’s nie net, onthutst zei Grint, moar nou mo’ je.. mó’ je ook segge dâ je van ’t winter.… al kèrtak moakt hep.. van hoeveul je laif’re mot.—’n Màn, ’n man,… ’n woord, ’n woord.… hee?.… wa’ jou Dirk?.… wá’ jou Staine, wa jou.… Gais?.… je hoef d’r ommers nie veur de heule mikmak te f’rkertakteere?.…—Daa’s klesseneere, lolde Rink, woest verrollend z’n gemeengroene oogen,—màin nog ’n bakkie leut hee!.… moar ikke f’rkoop wa’ kwait kèn … aa’s d’r beteder martpraise binne, al hè’k kertak veur vaif joàr!.… vat je!.…—Nou seg, vergoelijkte weer sluwig Grint, de groote afnaimpers hebbe d’r tog ook hoarlie rissieko? daa’s net nie?.… en dá’ jòar.… f’rdomd.… sullie betoale d’r bestig hoog! da mô sait! Daa’s tog moar ordentelik! Velaije joar stong de mart vol van oarebai.… nie te f’rkoope.… hee?.… doar stonge wullie.… mit de pet in de ooge hee?.… en op haide?.… op haide?.…—Nou, giftte plots ’n rooie driftkop uit rookwolk òpduikend, z’n beenen met gestommel van de bank afsullend,—dà tuig f’rdient d’r g’nog!.… wa’ doene die likkebaire.… niks gedoan hoor!.… sai b’toale d’r lootjes feuruit bai de swoager van dokter Troost … komme hullie d’r effetjes kaike hee?.. de kontreleur doen d’r ommirs alles!.. enne.… dan.… dan hebbe hullie.… allain mit de oarbaie opsende.… allainig mit d’r oarbaie.… sien je!.… ’n duusend pop f’rdiend.… in ’n weuk of soo, hee?.…—Joà, moar de rissieko, teemde Klaas Grint.——Je suster rissieko.… soake aa’s piere.… soo staif.… om dà sullie de loodpot hebbe om vèur te skiete.… sende sullie ònster goed.… deur Duitschland … Enggeland.. en moake sullie d’r joartje wel goed hee? O die diefe.… die sloeries! schreeuwde Rink.—Nou moar.. wa’ há’ je f’rlaije joar dan?… basstemde weer Steyne achter z’n schot, met z’n mondlijn even ’r boven,.. toen hâ je Beijens.… da’ rooide noa niks hee?.… die kaèrel.. hep toen ònster goed afnome hee? al wat wullie niet kwait kenne[158]hee?.… ’n sint ’n mandje hee?.… mit ’n straip of’r de bakke!.… je was d’r blai da’ se hullie d’r nog veur ’n sint kwait kwam!.… Moar die skevuit heb f’rdiend … die hep d’r waite … dá’ wai gain uitweg hadde hee?.… mit al ’t goed.… die hep d’r van màin.… van joù.… van jan en alleman kocht.… hee?.…—Of daa’n skurk was, ’n geep.…. tromboneerde de woedestem van Rink, daa’s Beijens van de Skans hee?.… die skoelje hep d’r ’n achthonderd pop, in één slag f’rdiend, één middag.. Hai skunnigde alles noàr ’t buiteland.… hai hep d’r wacht, tut ie onster mi de pet in de ooge heb sitte sien!.…—Je most d’r je stroopbek moar houe, woedde Dirk tegen Grint, jai.… jai!.… ’r sit d’r gain oasem nie soo goekòòp aa’s jai in Duinkaik.… en bestige grond da’ die vent hèp … swoare en lichte.… alles d’r aife bèstig … god’s kristus!.. aa’s d’r onse de half soo waa’s gaf ik d’r main pink veur … moar da rooit nà niks.…Dirk gifte zich uit. Hij hield van z’n brok grond, maar de woede, dat ’t zoo belabberd was met afwatering en ie toch óók niet heelemaal kon werken voor zich zèlf, maakte ’m doodonverschillig. Hij gunde d’r geen korrel zand van aan Piet of z’n vader.… En nou ’t zoo beroerd ging, moest de boel maar waaien. Toch hield ie jaloersch, heet-veel van ’n brokkie tuin voor zichzelf en ’n wijf, als ie maar zoo iets ’n hoek had als Grint; vet, vruchtbaar, doorwaterd, warmpies in ’t zonnetje en licht.—Nou jou lap is t’r àn de Beek ook bestig.… kermde Grint.—Ferrek jai!.… mesiek! mesiek!… aldegoar bluf! doar motte wai àf.… of tie da’ nie weut hee?.… en kaik erais wa’ doar van de oarepels komme is?.… die hemme nou self poot!.… gain bloas!.…—Wa’ ken main dat skele, jai beskait je land nie hee?.… suinige jop!.. moar heè? jullie sien nou dâ die mof van ’t stetjon d’r ook nie meer gaift.… aa’s veertien sint ’t kilo.…—Krik f’rdorie, riep Steyne verbaasd en angstig,—en gister hep ie nog sestien sint betoald.… is die fint nou heuldegoar daas?.…[159]—Daa’s net, moar nou sien die da d’r te veul is.… nou goan ie onster an ’t knibbele hee?.… wa motte d’r wai mee?… aa’s je ’t nie goed vin.… la’ ie je stoan!.… Je ken je bakke tug nie je kooters te suige gaife?Dirk bleef stom, lurkte aan z’n pijp die niet halen wou.. zoog en blies blauw-duisteren nevel rond de herriënde babbel-tronies.——Main nog ’n bakkie leut! riep Grint dof.——Daa’s kom naige!.… lachte stikkerig ingehouen de lange bediende, nou.… die suipt gain borrels meer.… die goan d’r mi’ sain neus allainig in de koffiewind.…Dirk zoog behaaglijk reutelige haaltjes door z’n pijp, uitkraterend zwarten walm en vonksterren.—Zure stank broeide rond, dat de kerels kuchten.—Main ’n brandewaintje mi’ suiker.… riep Rink schor, zich schurkend met z’n reuzige schoften tegen bankrug òp.——’n Bestige segoar! en ’n brandewaintje mi’ sonder suiker.. mi’ suiker smoakt ie màin te lekker, ke’k nie finte!—Nou sullie wachte d’r, tû je weeròm bin,.… vast hoor, schaterde een achter bankrug.… Seg Hassel.… weneer sel je hooi overend sain?—Da’ wee’k nie, bromde Dirk.Ventersgroep drong uit donker doorrookte boeghoogte, klompbonkerend voorbij kerels op middenbank, naar kajuitstrap.—Naast Grint bij den ingang, rumoerden stoeiige krijschkerels die om waar streden, zoo hevig, dat Klaas voorover moest bukken naar Dirk om te verstaan.—Wa’ sai je?.…—Daa’k nie weut.… wanneer wai ’t hooi of’rend hebbe! wai motte d’r nog één daik.… hooi is bestig.… sit van onder ’n strootje in.… moar bestig hoor!Zoon van schenkster, aan punt van de middenbank, waar de kerels zaten te zuipkonkelen, drentelde nog met koffie door de kajuit, ingebukt z’n kop op borst.—Toe skiet op! main die koffie!.. barstte Dirk ongeduldig uit, toen ie den kerel zag voorbij stappen met zìjn bak dampende leut.—[160]—Mo’ je van main nou nog wa’ mooie duiveke’s hewwe?.. vroeg de venter achter bankrug, met halve tronie er boven uit, oogen en neus strak gericht op Grint.—Niks gedaan!.… ik hep d’r net waa’k ankèn hee?.… daa’s achtien bos!—Mo’ je de mand pieterselie nog veur ’n kwart?.… mit ’n slokkied’r op! krijschte uit de kajuitstrap, ’n rood-bukkende kop, boven zwaar-tonnigen buik, van ’n groenboer, schreeuwend naar ’n volgerookten kajuitshoek. Met hakkenstommel rumoerde hij op bovenste koper-beslagen tree.—Mit ’n happie d’r òp is ’t daan, krijschte uit rookdiep hellend achterend ’n stem terug en ’n paarsige zuipkop op mager lijf, donkerde vóór, uit nevel van boeghoek.Bij de kajuitstrap bonsden ze tegen elkaar-op. Dikke zuiper graaide centen òp van mageren zuiper, stopte den kooper ’n mandje zoet-geurende pieterselie in de knuist. Gretig slurpten ze hun borrel in, al klaargezet op buffetplankje door schenkster, die ’r klanten kende.——F’rek, daa’s nog hardstikke vol hier, bromde de dikbuik, met ’n zwiersmak z’n glaasje op buffetje bonzend. Strompelend wrong ie zich, snuivend en hijgend, door eng trapje naar ’t hek.—Magere pieterseliekooper stapte weer harkerig terug naar den kleurig-duisteren boeghoek. Telkens dáár, ’n ander nevelbrok van rooksfeer schemerde wolkerig òp, tusschen lichtkrinkels en wit-vuur van zonnespuiende open kijkgaten; weefde in diffuus licht, violet-zilverende damp, flakkerend en geheimvol tintfijn boven de donkere diepte van babbelkoppen, rookmonden, haar en handen. Eén wolkerige sfeer van rookglans rond duistere, in woelige diepte verdompelde menschen.Van rechts schreeuwde ’n vrouw, midden uit ’n kakel-groep, naar den rookboeg tegen ’n kerel, ’t meest voorop in den damp:—Nee!.… da’ waa’s ’t snuitwerk van Henk.… hai kwam ’n kiekie loere onder de trap hee?.… moar ’t waa’s vast Henk de koalbuik!—Henk de koalbuik? lachte de kerel, Henk?.… Heé joa’ twee brandewaintjes mi’ suiker veur de doames … en nóg twai[161]veur main aige hail hee?.… Nou Oàf!.… ik seg je dàn.… da die Henk d’r sain aige beeste la’ f’rhongere!——Nou, daa’s main ’n merk! de fint is d’r tuureluurs.… in de eeuwighait in de loorem.…—Daa’s klesseneere, daa’s klesseneere, bulderde de vent uit rookhoek naar ’t vrouwengroepje, hai lait s’n borrel glad.… hai likt s’n urretje op sàin menier.… moar de fint.… ken d’r puur sain honde nie te vraite gaife.… s’n aigeste beeste.. da benne d’r vaif!.…—Hee.… hee!.… Dirk.… hai jai hoort da’ die trekhonde.… van.… vàn Henk.. de koalbuik.… da die d’r twai skoape van Jaanse van de Lemperwai hep afmoakt.… se hebbe de baiste puur van malkoar skeurt!—Nou.… wa nou?.. schreeuwde Rink terug.… daa’s tug krek eender.… al die honger-meroakels.… die tuinders doar.… die Lemperhoek uit.… se hebbe d’r vast selfers niks, te fraite.. Is d’r netuurlik, daa’s sullie d’r honde snachts skiete loate! kenne sullie d’r aige potje soeke.… en woest aa’s die krenge binne.… se f’rskeure je.… van malkoar.… Bi-jai-’t-Hain!—Nou ’t is d’r ’n klussie, blerde de breivrouw knorrig, dwars door ’t roezemoezige gekakel van andere schelle stemmen uit ’t vrouwentroepje,—’t is main ’n klussie.… main baiste legge d’r vast.… en fraite d’r aige vetje.——Wa’ sa’ je màin d’ran jokke.… laikt t’met of sullie ’n botertonnetje inslikt hebbe, soo ke’ je hullie ribbe aa’s hoepels deur d’r pins siene hainsteke.…—Nou, zeurde een venter met geknepen schor geluid, wai binne aldegoàr noakend!.… die beeste motte f’r aige kossie skarrele.… se hebbe d’r gain fraite veur.. voed jai d’r noà hullie g’noege! vaif kaire t’met.… Se benne d’r soo ellendig sterk.… en bloeddorstig.… enne uithongerd.…Van boeghoek waggelden de kerels òp, uit donkeren achtergrond, en dwars door de groen-violette wolksfeer, in ’t oogen-vuur der kijkgaten, sloegen de lijven en handen van opstaande en gaande kerels, een storm van lichtschokken, groot-donker in de rooksfeer, die zacht gloei-kwijnde in dampigen flakker[162]bòven de banken.—Meer kerels stapten op, met d’r koppen zoldering rakend, sloegen door den walm heen, waggelden naar voren, bij trapje, plots onder ’t felle lichtgat uit kajuit-schemer, áángloeiend in zengend zonnegoud. De boel bleef leeggeslemperd, vermorst-suf op de banken staan.Groote stad was in zicht, en van alle kant grepen de venters hun goed bijeen, manden, pakken, kisten. In groepjes, achter elkaar, drongen ze eng kajuitstrapje af, en met koopwaar op nek en schouders, rumoerden ze zich in woesten woel, los over ’t dek.

[Inhoud]III.Om drie uur den volgenden ochtend, kwam er kort-driftig gestommel in de duister-beluikte woonkamer van ouën Gerrit. Zurige zweetlucht vervunsde uit de krottige slaapholletjes. Dirk uit ’t donker bedsteetje, was opgesprongen, òver Piet heen, nog slaperig en gaperig, rauw van pijn, geradbraakt van vermoeienis en katterigheid. Branderige matheid voelde ie door z’n lijf loomen. Driftig schouerbonkend stootte ie Piet op, die nijdig even gromde, maar dadelijk weer insnurkte. Dat maakte Dirk kregel en snauwender porde ie ouë Gerrit en Guurt, dat ruw z’n korte stem, kamerochtend-stilte doorscheurde. Wijê gapen loeide ie koeïg door ’t vertrekje, dàn vlak tegen beschot, dàn vóór bedsteedonker, telkens zich rekkend in achterwaartschen lijfkronkel, armen omhoog gerengeld en vingers verkrampt in slaapzoeten wellust, dien hij machteloos-heerlijk door z’n lijf voelde terugstroomen, tegen z’n luiigen lijfrek in. Langzaam slofferde ie op z’n kousen naar buiten waar ie de luiken van de ramen losmorrelde. Onder de pomp beplaste hij z’n gezicht, luchtigjes met water, vies van ’t nattige dat z’n hemdsmouwen en hemdboord beklefferde, en in branderige straaltjes tot op z’n naakte borst afdroop.—Guurt was gauw opgestaan.—In ’r nachtpon, haarhang opgebonden in woesten kronkel, maakte ze vuur op ’t achterend, drentelde rond de stellen en zette boterhammenkoffie.—Ouë Gerrit en Piet in hun rooie onderbroeken waggelden nog slaapdronken en grommerig door de kamer, loom en lijzig hun bovenkleeren aansjokkerend. Even bleef Piet hang-zitten op z’n stoel, klepten z’n oogleden dicht, hield ie z’n stinkende pilow, half over z’n dijen getrokken, slap in de slaaprige, krachtlooze knuist. Ouë Gerrit, in schreeuw, schrikte ’m wakker.[123]—Wà sloapmus, jai toch, gromde ie, soo’n jonkie!Na ’n kwartiertje rondgeslenter en gedribbel, sluipzacht op ’r kousen, had Guurt de kerels bakken koffie en hompen brood voorgeschoven. Gretig schuifelden de mannen hun stoelen áán, neerblokkend met armen op tafel, hoofden gebogen over hun dampende koffiebakken, slurpend, gaperig, rekkend en korrelig-stil. Rond hen, walmde slaapstank van ’t kamertje, dat al zacht volgevloeid glansde van vreemd, gloed-stil ochtendgoud. Roodflonkerende zonnedans koperde bliksempjes op de staartklok-gewichten, op ’t pronkstelletje, tang-pook-schep, onder het schuingetimmerde, versierde hoekschoorsteentje.—Langzaam, in bedaarde ouderwetschheid tiktakte de klok, zacht-vlammig aangegloeid rond de gewichten.—Guurt had ’t duifje losgedekt en daadlijk koerde z’n kopje als van verre, droef door de kamerstilte heen, waar alleen smakten en slurpten de wreede werkersmonden, en de klok dreinerig ti-jik.… tàkte.…—Moeder Hassel lag, met opengesmakte deuren, de kamer in te staren, bleek beslaapmutst hekserig hoofd, op peluwgrauw, de uitgedoofde staaroogen naar de slurpende kerels.—Ze hoorde koffie slurpen; dàt geluid kende ze. Ze zag ’t, voelde, besnuffelde ’t, met wilde, gesperde neusgaten.—Dàt geluid haakte vast in ’r ooren, ’t hoofd, bleef in ’r herinnering leven.… Woest instinkt naar koffieslurp.—Telkens gretig, even keek ze naar Guurt, als wist ze nu klaar, dat ze ’t van die moest hebben. Maar de kerels hapten door, slurpten onverschillig. Guurt klepperde nog ’n roodaarden bord voor hen neer, waar ze weer hompen brood op afsneed, slurpte zelf mee, gejaagd zittend op stoelpunt, ongewasschen in blauwkorten onderrok nu. Stil slurpte d’r mond in doorzond ochtendgoud van kamer, ’r blond hoofd in stil aureool. Buiten, achter ’t raam, glansden de akkers in aanbrandenden gloei van zonnekomst.—Nou Ouë, gromde Dirk plots, kauwend en slikkend dat ie niet verder spreken kon eerst—aa’s ’tr nou moàr puur om drie uur, de oarbei-boel dur stoan, an de markt hee? daa’k[124]hullie om vaif uur an de kant hep in de stad? kaa’k t’met nog ’n hooge markt moake.. hee?—Sel d’r weuse.… mi sonder mekeere.… Hoho! ho!.… Piet loait op.… en Kees goan de hoàfe langest.…—Hier-op-pan! aa’s Kees de hoafe opgoàn, ken ie t’met oploaje ook.…—Hoho! dà lief ’k nie! dà lief ’k nie.… die suupt te veul.… die hep s’n skoenlappertjesmoandag.… enne.… dá’!.…—Wa’! Kees?.. Kees suipt?.… krijschte Dirk uit, ’n stuk brood, dat ie half al in z’n mond gestopt had er weer uithalend, met ’n web van fijne spoegdraadjes,—f’rvloekt aa’s de fint één borrel lait! jai suinege Job!—Hoho! vier en vaife en nie g’nog! bars jai nie uit!.. soo vroeg in ’t morgeuur hee?.…—Wa’.… éénmoal.. andermoal.. ikke wil dá’ Kees oploait.. Piet hep s’n aige dood te plukke op haide.. En denk dur om.… niks aa’s oarbaie.… Op haide voart de boot twee keer!.… ikke goan doar.… om veur van … om twaalf uur is t’ie d’r wair.… sel main ’n dotje weuse op de kant!.. snof’rjenne, gain ploas om je klompe af te trappe, waa’n klus.… ’n drukte op de boot.… sullie dringe hoarlie aige t’met hardstikke dood.. hoagelvol!Ouë Gerrit was opgestaan met ’n smak z’n koffiekop op tafel neerstootend, dat vrouw Hassel in ’r bed opschokte, iets brabbelend uitstamelde. Nog had Guurt ’r geen leutje gebracht. Onrustig, hongerden ’r oogen naar ’t zoete vocht, dat op stinkend petroleumvlammetje konkelde en leuterde. Ze besmakte ’r drooge lippen, zonder dat ze vragen durfde, vragen kòn. Besefloos Guurt te roepen, uit angst voor nijdigen snauw, in ban van trage dofheid, bleef ze staren, vroeg ze toch met ’r oogen, zonder dat iemand uit de aanlichtende kamer naar ’r omkeek. Gerrit, handen in zakken geknuist, keek met z’n neus op ’t raam gedrukt, naar buurman’s tuinderij, waar nu alles groen-goud in den ochtend-tintel gloeide, doorvonkt van dauwig druppelvuur.—Ochtendstilte, uit paadjes en wegjes,[125]ruischte rond de tuindershuisjes en de roode bedakingjes vlamden licht-hel.—Vandaag zou ie wat te plukken hebben, mijmerde Gerrit, speelsch drukkend z’n neuspunt tegen ’t ruit, wiebelend op z’n hakken. Z’n rug zwoor en stak van pijn. Maar ’t most, most nou. Hij had al dagen achteréén onrustig zitten piekeren, dat ’r geen regen kwam, gejaagd, nou de boel zoo droog stond. Maar nou most ie maar doèn, doèn en niet seure.…Met hun drieën waren de kerels over ’t erf den tuin ingestapt. Guurt drentelde weer op ’t achterend, spoelde en sjokte, terwijl de kamer in ruischender glans van zonnige ochtendwarmte, sterker aangoudde, tot op ’t slaapholletje waar vrouw Hassel staarde, en besmakte ’r droge dorstlippen. Op de tafel brokkelden nog broodhompen. Aarzelende glansjes van schichtigen prismaschijn uit geslepen spiegelrandje, kaatsten trillige vlakjes rood, goud en groen, op twee rood-aarden doffe bordjes.Daar stààrde ze op, vrouw Hassel, besefloos en traag, tot ze de kleuren voor ’r oogen zag verflakkeren.—Buiten hurkte Kees al, in pluk bij de erwten. Nog ’n uur bleef Dirk werken op ’t land, achter de wortelen. Eindelijk werd ’t tijd voor ’m om op te stappen naar de haven. Nog ’n mandje pieterselie en postelijn, schokkerde ie over den schouder en stil liep ie den weg op naar de boot. Nou had ie zich nog puur te haasten merkte ie, toen ie even achter ’t ruit gluurde, hoe laat ’t was.—Kwart voor vijf. Om vijf uur precies ging de schipper van wal.Zwaar hijgend, z’n mandjes dobberend op z’n rug, kwam ie snel de haven opbeenen. Maar „Tuinders Geluk”, de boot waar hij mee voer, lag er nog rustig, met vier andere schuiten achter d’r áán, hoog gestapeld ’t schel-groene van kroppen, beflonkerend aardbeirood en wortelenoranje, tegen den blauwen luchthemel in, die diep en wijd lichtte, in strakke, fel-heete zonnigheid al.—Op àchter-en-voordek, stonden de groenboeren saamgedrongen, in hun sjofele plunje, tusschen de dreigstille punthoekende hurrie van hoog opgestapelde kisten en mandwallen, waaruit[126]zwavel-zoete geuren walmig verwasemden. Tot onder den stuurstoel, stapel-brokkelden de aardbeikisten en langs de reeling, propten, saamgekneld, bakken, vaten, manden, zakken, dat de kerels en vrouwen, in bochten er tegen elkaar opgedrongen stonden. Enge doorgangetjes, kronkelden tusschen de ladingen, waar ’t landvolk elkaars lijf beschuurde, schreeuwerig verscharrelend en ruilend koopwaar die ze te veel hadden. Tusschen zakken gekneld, op manden of kisten neergestooten, sjacherden de zwoegers, klonken òp de gesprekken, levendig, krijscherig, overgoten van duffe groentestanken uit de achterkajuit opwalmend, voos en duf, zuur en ranzig. Aardbeien zoetten ’t hevigst en weeïgst tusschen de mestige koolstanken.—Zwaar dampte uit, in de broeierig lange boot, hageldicht bestapeld, de stinkende kleeren der tuindersmannen en vrouwen, de zweetlijven, wàrme walg tusschen de gronderige stanken van ’t groen.—Prachtig, jubel-fel schalden de hooge groentebergen als festijnen van licht, tegen ’t doortrilde, in zon-zwemmende lichtblauw. Daar onder, barokke wal van kleur-woelige kisten, met donkerder groen in onderschepte glansdempingen. Maar hoog-schuimend, gloeide kleurbrand van aardbeien boven alles uit.—Versjofeld en kleurbemorst, scharrelden de tuinders bijeen, in de vroege ochtendboot, al meer, al méér, achter elkaar. Galm-luid, de klok van hoogen katholieken kerktoren sloeg vijf, bevend in de wegstilte en havenrust. Laatste bootsein van vertrek liet kapitein zangbassen over de ochtendleege havenkaai.—Wat karren met aardbei-aanvoer ratelhotsten kei-beukend weer weg, wreed rumoerend door de morgenstilte. Bas-zang van pijpen bleef seinen, als stemmegroet van tuinders naar de verre makkers op ’t land, dat de reis naar de stad beginnen zou. Een dekknecht van „Tuinders Geluk”, had plankier gelicht en ingeschoven, reeling saamgehaakt en kaptein was op z’n stuurstoel geklommen. Statig liet ie draaien, ’t kanaal in.—Uit ’t boothart schokkerde machinedreun òp. Achter ’m aan, zongen pijpen van andere tuindersbooten, stemzwaar en hevig vibreerend, dat de stille starende ochtendlucht[127]sidderde onder ’t dreungeluid. Plots klonk jagend geroep, onder zwaar lommerende kastanjelaan uit, van twee groenboeren die zich verlaat hadden en meemoesten nog met „Tuinders Geluk”. In vlieggang holden ze langs de stille huizen, kei en sintelpad over.—Piet Groome en Anseeler, riepen ’n paar van de boot, over de reeling gebukt,—hee keptain! t’rug!.… twee van Lemmer! Hij had ’t al gezien, toeterde wat zangerige woordjes door z’n spreekbuis naar machinekamer, waarop boothart heviger bonkte, de voorboeg achteruit bijdraaide, dat de kerels in hollende vaart, rood-bezweet, nog net tusschen kisten en manden, over verschansing, heenklauteren konden.—Achter „Tuinders Geluk” lagen nog drie booten, „De Dageraad”, „Ons Welvaren” en „Weltevreden” met tuindersvolk van heinde en ver saamgestroomd, ongeduldig wachtend op vertrek van de voorliggende schuit. Ook daar stond ’t landvolk, achter en tusschen de aardbei- en groentebakken opgepropt, ingekneld; één donker-dreigende, sjofele kerels-stoet, vlak om ’t koelscherm van machinekamer saamgepakt, wegzwartend onder rookwolken van stoompijpen, die dreun-zangerig doorbasten als duistere stem van zwoeg, somber-smartelijk, in den fellen klaterenden zonnegloei van polderlucht, in ’t eindeloos blauw, en weigroen.—Stil zoeften de booten achter elkaar áán, de kerels en wat vrouwen, al meer opeengedrongen, donker tusschen den frisschen jubel en stoeiende kleuren van hun vruchten en waar. In de havenstilte, roerloos weer na zwijg van pijpzang, verdwenen de bootenéénna één onder lage spoorbrug, ’t kanaal in, dat wijd-geplast, zilver-vonkte en dampte tusschen onmeetlijk poldergroen. Stil druischten de kerels weg van wal, de donkere opgepropte stoeten, in de ochtendglorie; zittend of half hangend op en over de verschansing, beklemd tusschen de neerbrokkeling der stinkende kisten, als ’n bende vervuilde schooiers en melaatschen, naarstiglijk verpakt en versjouwd, onder den heeten jubel van hun vruchtengloed. Al de booten waren „Tuinders Geluk” voorgedraaid. Langzaam zoefte die eindelijk, achter[128]de andere áán, onder de enge spoorbrug, zacht-schuiflende pàl langs wanden van brugbogen en pijlers.—Dirk stond ingehurkt naast Klaas Grint, die weer aanleunde, half tegen twee vrouwen, een lange, met ’n gore steekmuts op, de andere met ’n donker rood-wollig kapertje over ’r hoofd gefrommeld. Vóór de vrouwenbuiken, spannend gestrakt onder boezelaar, hoekten kistenstapels waarachter weer ’n stoet kerels gekneld stond.—Tjonge.. Tjonge.. d’r’is nog puur wâ wind op de ruimte hée?.. zei met vertrokken gezicht Klaas Grint, naar de lucht kijkend.—Daa’s net bromde Dirk terug.… hai jai ’n pruim Kloas? nou he’k f’rdroaid main sak legge.… loate!.…—Bi-jai’t Hain!.. lolde Grint, da’ sel woar wese.… roep jai sàin d’r bai op Sint Jan hee?.… hier!.. pak-àn.. moar mondjes-moat.… oue!„Tuinders Geluk” was ’t groote kanaal ingestoomd. Zacht kabbelden watergeruisch en schuim-zilverende vloedgolfjes langs de kanten. Zweef-luchtig zoefte ’t schip voort, tusschen ’t eindelooze poldergroen, bedauwfonkeld met vuurdroppels van trillend leven, robijnen weerlichtjes, en vurig smaragd.… Uren ver, verfonkelde nat goud-groen, glanzend en uitwebbend kleurige hette. Heerlijk frissche windbries stoeide luchtzuiverend om de boot, de voosduffe geuren en stank-wasem wegflapperend, ’t koele waterruim in. ’n Troep tuinders was achter de pijp geklommen, op zwarten kop van machinescherm, waar ze luiig neerhurkten in zonnegloei, of schuin opstonden achter den rooker, koppen fel omlijnd tegen luchtjubelblauw. Er was drukke stemmenhurrie onder ’t landvolk, gesnater en gelach tegen vrouwen, en overal brandende lust om van landgescharrel, marktwaar en prijzen te spreken. ’n Paar tuinders met fluweelig pilow-zwarte vesten en dof-zijden pofpetten, trommelden met hun gekleurde pantoffels, op ’t verhitte plaatdek van machinekamer, ’n orgeldeun meelallend. Plots de bootbode, kerel met roodgezwollen snuit, akteurskaal en voor-den-gekhouerigen, paarsen drinkebroersneus, werkte zich los uit[129]stemmenroezemoes en scharrel van opgepropte tuinderstroep.—Z’n blauwig-glad geschoren komiekenkop grinnikte leukjes tegen z’n volkje en grimassig sprong ie op ’t veilbankje, hoog boven woel-massa uit, grabbelend in guitig steel-gebaar, met z’n hand in ’n grauwen zak.—Tegenover hem, op zon-doorhit koelscherm, zat luiig ingedoken tegen de pijp, ’n kerel met notitie-boekje, klaar om te schrijven. Bootbode, die onder reis van Wiereland naar groote stad, te veel waar van tuinders-zelf in veiling moest brengen, bleef rammelen in z’n zak, lolde wat tegen de kerels onder ’m, dat z’n roodfrissche wangen bolschaterden, sterker zwollen, z’n blanke tanden uitwitten onder z’n bieteneus en tusschen plaatjes-mooie helrooie lippen, hagelrein. Hard en stalig klonk z’n stem, toch vol, met ’n galm er in, als nadreun van klokgelui. Telkens uit den zak, vischte ie ’n blikken nummertje op, afroepend wie d’r ’t eerst veilen zou. Zoo regelde hij de beurten, schreef z’n maat, tegen de pijp, in kookzon luiig weggedoken, namen van veilers op.——Wie mot ’r ’n nommer?.… Gijs Janse! Kaike?.. daa’s vaiftien, klonk hard-galmend z’n stem door den koelen bries-stoei, klank-zangerig Wierelandsch.—Bekermaa’n.… achttien?.… Grint.… drie en veertig! Hassel.… ses-en-dertig!.…—Main d’rook ain!.. riep ’n tuinder uit achtergroepje, die nog wat kwijt wou wezen, hopend op ’n begin-nummer, om ’t eerst te kunnen veilen.—Vaif-en-veertig!.. Nailis Roskam.… hee! „netoàris”… Roskam!—lachte de Bode, lolligjes met oolijken oogenknik naar den „schrijver-notaris”, die luiiger weggedoken lag achter de pijp.—Logge megoggie! nou ka je wachte, gromde de pachter, woest dat ie zoo’n laat nummer beet had. Nou was ie zoo heet geweest op ’n begin-blikkie.—Stem van Bode bleef afgalmen de nummers met veil-namen, en telkens lacherig, uitblankend z’n tanden, bloed-rooie lippenmond wijd open, kraaide ie schooirige grapjes uit, strooide ie schalksheidjes en hekelwoordjes boven hun hoofden rond, omgierd van terugkonkelende[130]stemmen en giegelende kreetpretjes. Telkens klauterden andere kerels op en af ’t machinescherm, naast en tegen de pijp lawaaiend, rond den „notaris”, die overal spottend om z’n eeretitel beschaterd werd. Van hun hooge standplaats schreeuwden ze mee, boden, kochten en verscharrelden, de koppen, warm en zweetbedropen, paarsig en brons-nat, rood en geel-grauw aangegloeid in zonnebrand. Van achterdek af was alles plots naar voren gedrongen om vlak bij Bode te staan. Op kisten, morsige vaten, walm-stinkende manden en zakbulten, hingen en hurkten de kerels, in struikel en klauter, achter elkaar opgepropt.De achtersten, ver van den Bode, loerden tusschen schoudergeultjes van vóórstaanden, in drom saamgestrompeld, heet op den scharrel.—Veertig! vrouw Plenk.… dreunde Bodestem.… vaif.. vrouw Boterblom.… naigtien.… mamselle Kiester.… sestien.… vrouw Zeune!.…Eindelijk had ieder z’n nummer, kon de veiling beginnen. Zacht briesden en woei-koelden luchtige windscheringen over ’t smoezelige, walm-stankige dek, als ging er tochtige wiekslag van vliegende vogels rond. Recht voor den boeg, sprankelden waterglanzige sparteltjes licht, violet-zilverig, paars-goud, kabbel-deinend hemelblauw-vuur, dat in schuimig golfjes-spel zich heet verbraste in damp. Tusschen de fel-groen bezonde ochtend-oevers, komde in eindloozen kring, ’t vlakke zonnignevelende polderland, in vochtige ochtendpracht. En overal rondgekringd, goudden de lage hooi-schelfjes, tusschen siddergroei van korenhalmen, brokken weiland, ontsluierd uit morgennevel, uit nat-dampig goud en zilverende gloeiingen. Schitterig flitste ’t dauw-vuur, dat mijlen ver, weiland aan weiland in arabesk vonkspel omtooverde.Bode op z’n bank, hoog boven de opgepropte tuinders uit, al dichter op één punt van de boot bijeengedrongen, klankte met z’n jolige, rauw-heldere spotstem in:—Wai selle d’r beginne met seve-en-twintig pond raspers van.…[131]—Neelis Skorpioen.… las „notaris” haperig af van z’n lijstje.—Van Skorpioen.… uit Slangetje.… wie sait dur ’n gulde! daa’s vier sint ’t pond!.…Inmiddels had ’n tuinder, ’n zwaren zak doppers losgesjord uit kistenrommel, zich door lijfgedrang heengewurmd, z’n waar, àchter koppen, vaten-stapels en manden-torens, met krampigen arm, hijgend op veilbank vóór Bode neergesmakt. Dadelijk grabbelde die, met één hand tusschen de groene vruchtjes, liet ze speelsch rond z’n vingers glijen en riep weer opjagend:—Prechtig jong goed!.… ruikt puur aa’s.… oo-de-kolonnie!.… wie sait dur.…—Tachtig, krijschte ’n stem uit het menschkluw op de koelkast.——Tachtig, vaif en tachtig, draafde Bode door.…—Naigtig! zenuwachtig scherp, piepte ’n vrouwestem onder de pijp uit.—Naigtig, zang-dreunde, hard-klaar Bode’s geluid nà, tusschen bries-stoei en koelen kabbelgolfjesruisch in.… Naigtig.. vaif en naigtig.… da goan.… eenmoal.… veur de derde moàl.… Rietvink!Pachtertje Rietvink had ’t laatst geboden, kreeg erwtenzak over koppendrom naar zich toegesleept en warm wroetten en graaiden z’n armen, tusschen ’t heete gedrang en getast van lijven. Dwars achter de pijp, waar ’n groep kerels zich spitste op ’t veilgoed, en uit alle hoekjes gretige kijk rondging, klonk dof gestommel en geschuur van voeten op stalen plaat en kijverige stemmenroes, warrelend en schreeuwerig als gesmoorde ruzie.—Halt doar Kempees, krijschte de Bode naar de pijp, t’met d’r al heet! nog gain hallef ses … je hep dur puur nog ’n vaiftien uur om malkoar an rieme te snaie hee?.… kaik hier!.. is dur twintig pond mooie kapcainders.… wie set.…—Tachtig! schreeuwde daad’lijk ’n venter, stemschor, rauw.—Tachtig, van fier kant gelaik!Vrouw Banke, met’r zwartig-rood kapertje over ’t hoofd, ’r korte, spek-vette, trillige armen, boven ’r tonnigen romp-buik,[132]grabbelde in den kapucijnerzak dien Bode op de veilbank sleepen liet.Lacherig schalkte ie, hoog boven de venters uitkijkend:—’t Benne gain kuite.… vrouw Banke.… je ken dur sain nie knaipe!Gegier stortte in, en heeterig aangevlamd in hartstocht, tapten wat kerels schunnige moppen, die vrouw Banke met minachtend lipgepuf afweerde.Bode had toegeslagen, en telkens weer ’n andere venter kwam op àfroep van zangnummer, van achter, bijzij, uit kajuit, door den opgeknelden menschenkronkel heenduiken, met zware zakken of bakken boven hoofd en onder arm, alles neersmakkend in vloek-heeten sjouw-zucht op veilbank voor den Bode.—Nou he’k vaiftig pond piek-faine groentjes!—’n Gulde:.…—Een-tien.… een-tien.. mi je drieë.… een vaiftien!.. een twintig.… mi-je viere.… een vaif.… een dertig!.…Overal keek z’n rood-frissche kop rond, lachte z’n lichtpaarsige wipneus, drinkebroer-komisch, kleurden z’n wangen alsof vrieswind ’n blosgloed op z’n kaken geschminkt had. En hagelwit lachten z’n tanden, tusschen z’n hel-rooie lippen, bij elk opbod. Hoog pagaaiden z’n arm-gebaren door de lucht, hitste z’n stem de venters op. Achter en om koelscherm bleef roezemoes gonzen van kakelwijven en schorrige kerels, rond ’t zwarte stoompijp-gevaarte.——Nou he’k nog twintig pond prêchtige loage woaltjes hee? eerste prime-kwoaletait!.. hai jai doàr!.… kalf-mi-je-natte neus!.… hoeke motte ’t weuse?.…Op plaatdek van machinekamer, dat gloeide van stoom en zon, trampelden de kerels ’n deuntje, brak weer herrie en gestrij los, tot de Bode er met z’n staalharde stem weer tusschen invloekte. ’n Knappe donkre vrouw, was uit ’t gedrang opgesjokt, met ’n zwaren zak voor d’r buik, dien ze met knieduwetjes opsjorde, en in blaas-zucht smakken liet op veilbank. Haar kop droop van roodzweet en gloeiing.——Dominie hiet! paa’sd’r open bran je bekkie niet, schaterde[133]de Bode.… seg vrouw Reep.… soo is dur puur gain vatte àn.… hee doàr!.. help jullie ’t goeie mins ’n handje sjorre.… hooger òp.… soo!.… soo is ’t broaf!Plots gulpte de zwartmastige pijp rook uit, verwaaiend in roetgolvende mistkransen over de tuinderskoppen, hun rompen wegdonkerend in roetbruinen damp. Ze kuchten en vloekten de werkers, achter den brons-zwarten mist, en stil éven bleef Bodestem weg. Maar daadlijk uit wegroeting van rook kwam ’t afgeroepen nummer opzetten, naast de donker-vette vrouw, opdringend met blauw beschilderde manden.——’n Uijtvinding, lachte de Bode, blauwkokke in ’n beskilderde skulpmand.… hi-hi!.… nou minse.… wa segge jullie veur veertig pond blauwkokke!.. prechtige kapcainders!.…Snel en stemme-knetterend joeg opbod-jacht tegen elkaar in.—Ke jài die nie hebbe Dirk, jai hep tug gain blauwkokke teelt!—Es kaike hoeke se goan.—Sestig.… tachtig!.… tachtig.. allegoar!.. Bi-jai-t-Hain!—Naigtig! viel Dirk kalm uit.—Hij kon sullie d’r bestig bruike.… bai s’n aige doppers.… had ie vroag veur bai s’n klante!.…Meer en meer doppers werden opgesjord naar veilbank, en haastiger wisselden de venters hun waar uit. Zak op zak bonkte neer voor den Bode, en woester grabbelden z’n vingers in ’t groen.—Vóór de veilbank gedrongen uit achterste rij, stond ’n oue, beverige pachter, knorrige kop met ingegroeid zwarte vlekken op z’n neus en mottig voorhoofd. Aan z’n bepukkelde kleine oortjes, glimmerden koperig-gouden ringetjes, waar ie telkens met beverige handen naar greep, aan trok en kneep, dat z’n lelletjes bloed-rood gloeiden bòven z’n bontvervigen halsdoek, die morsig om z’n vest kreukelde.—Veur ’n f’randring.… vaif bosse duifeke! wie set dur in!Laag, armen uitgestrekt, hield Bode de bossen wortelen in z’n hand, wortelen, breed-puntig als priktollen.—Die mo’k main hiete![134]—Aràit!.… moàr se sitte vast an twee mandjes postelain.. wie sait dur wá’—Harder, staliger klonk z’n stem, uitdagend, verwaaiend in brieskoelte.—Onder koelscherm uit, kwam roetige negerkop van stokersmaatje koekeloeren. Langzaam groeide zijn lijf hooger òp uit de, hittesfeer rondschroeiende machinekamer, waar ’t heet stootte en bonkte in treinrhytmus.… De stikwarmte uit hamerend boot-hart vloeide rond de groenten en vruchten, stookte en gistte ’r zwijmel van stankdampen. Tusschen de tuinders drong stokersmaatje zich heen, naar ’t dwars-vat met water, gretig loerend naar ’t kraantje en wit-steenen kom. Z’n roetige handen graaiden haastig door opening tusschen wat venters, naar drank. Gretiger nog omknelde hij ’t kraantje, met z’n beenen en romp weggedrukt achter de woelige jagende veilers, die in vuur van koop ’m niet doorlieten. Stil werkten z’n allééne handen en armstompjes in woeligen grabbel, als afgehouen levend, tusschen wat kleine ruimte-spleetjes, lieten ze ’t waterstroompje de kom inkletteren. Zacht-voorzichtig werkten de roet-handen zich weer achteruit tusschen de lijven door, de zwarte vingers krampig strak in greep om den wit-steenen rand gekneld. Gejaagd slurpte stokersmaatje, ingebukt àchter de ventersruggen in klokkende lafenis, z’n heete keel vol koude vloeiing begietend. Weer woelden z’n handen en armstompjes naar voren, tusschen dijen en koppen van laag zittenden, en weer slorpte ie bak na bak lauw vat-water in.——Gaif main d’r ook us ’n koppie, kost tug niks hee? lolde Klaas Grint.Maar roetgezicht van maatje, waarin de oogen nikkerig met ’t vreemd-wild wit hadden òpgelicht, was al weer verdwenen achter de kerels, in de stoom-heete, blakerende machine-kamer.Weer acht bossen tolronde wortelen bracht Bode in veiling. Drie tegelijk dongen gretig, heet.—Ksj.… ksj!.… katjes! joag d’r malkoar moàr op.… schaterde de Bode.… dertig sint!.… veertig.… mooi soo.. ksj!.. kaik!.. da’ hai je Antje Meele.… kom Teun!.. gaif toe!.… gaif toe.… ’t is tug ’n maissie.…[135]Teun lachte, was blij dat ie van ’t bod af was, begreep den vrindenwenk.—Vaiftig.. veur de derde moal.. Antje Meele.. hai je-en-hoord netoàris?.. nou doar dan.… anpakke maid! g’luk d’r mee.… aa’s sullie dur nie veur aige bik benne!.…Over de koppen zeilde Bode de bossen naar Ant Meele heen, ’n rood behaarde, slank mooie meid die opgedrongen stond, tusschen de rumoerige kerels. In vaart nog greep ze de peenen tegen ’r borst op.—Nou he’k drie bakke mooie sloà.… nie te sien.… mo je-en-gloofe.… op éere-wachtwoord.… stoan … onder kiste-stoapel.… bai àn wal te kraige, drie fersche bakke!.…—Sestig, plots zonder voorbod schreeuwde ’n mottige venter op ’n kist, weggeduwd achter twee vrouw-ruggen, èven in wippertje uitrekkend z’n hals, dat Bode net nog z’n pukkel-neus zien kon, voor hij weer snel in die diepte verzonk.——Sestig.… seventig.… vaif en seventig riep Bode, z’n hoofd draaiend naar allen kant, om te kijken of ’r opbod gewenkt werd in verre hoekjes.—Tachtig schreeuwde nerveus, de laagzittend weggeduwde weer, even opwippend, nù met z’n heele mottige kop boven de vrouwruggen uit.—Naigtig, van andere zij klonk ’t sarrend.—Roggemegoggel! f’rek jai!.… die flop is main de heule uchend t’met in de wiele.…. ikke ken d’r niks praise.… of hai is d’r bai.… nou ikke dankkie.… ikke mo nie meur.… wa jou Dirk?.…—Mo jai waite, binne d’r main soake nie!—Nou seg.… dá’ binne d’r drie bakke.… die je nie sien kenne.… drie bakke.… kroppies!.… kenne wel floddermusse weuse.… die sloà, hee?.… heuldegoar slap!.… ikke mo nie.… wa? wà?.… nog hooger.… hoeveul sait ie doàr?—Eén vaif schreeuwde Dirk, éen vaif.… je mag je wel hoaste laileke brompot!—Roggemegoggel! ikke mó’ nie’.… kenne wel puur floddermusse weuse hee?.… mijmerde ie voor zich uit, tegen de[136]donkere wollig-besjaalde wijfruggen op, met z’n weggezakten kop in de diepte.Van allen kant gonsde snater en rauwe klankenwarrel van stemmen. Zon gloeide fel, barnend, stoofde de stanken, de broeilijven, en al pafferend zweetten de kerels, in lollige rumoering van veilhartstocht.—Nou stoàn ’k tog puur van drie uur.… f’rdomd aa’s je hier sitte kenne, klaagde ’n tuindersvrouw, met morrend, moe-nijdig gezicht, ’n zwart breikous-stompje telkens van d’r borst, onder d’r kippige oogjes trekkend. Snel, in naaldflitsend beweeg breide ze mopperend voort, van ’r vingers-dansend draadgeweb, aldoor òpstarend naar Bode en groenten.—Geen gaatje plaats was er meer op de boot. Al de tuinders, lomp en hebzuchtig, hadden zich neergesmakt op manden of kisten of stònden op koelscherm. Dikke dijbrokken en achterwerk van ventsters, spanden ingekneld tusschen broeibeenen van kerels. Tegen de donkere pijp in ’t luchtbrandende blauw, leunde ’n troep beweeglijke werkers, lachend en krijschend, grimassend achter stillen rug van kapitein. Ze lolden met de breiende vrouw, die kippig en doodmoe van ingekneld-staan en hitte, niet veel zag van de waar, knorrig gromde, dat ze nog den heelen dag te sjokken, te venten had in de stad, in die pesthitte, en nòu d’r beenen al voelde als verlamd … En aa’s se d’r nou moar ’n kop leut kon naime.… ze had d’r dorst en honger veur drie.…Nerveuzer breidde ze door, tegen ’t hoofd van een kerel, vóór haar buik en beenen neergehurkt, d’r stuipig stompje kous boven z’n pof-pet komiekerig verkronkelend, onder de snelvingerige webberijtjes van ’r naalden en draad. Telkens flitste zon bliksemend licht op de naalden, die even hel-elektrisch gloeiden en schichtige flikkerpijltjes puntig àfslingerden, tusschen de sjofele kerels en hun morsige stankplunje.—Bode had uit de kajuit ’n borrel gekregen, gelijk met „notaris,” die in vadsige houding bleef luieren in zonnegloei, tegen de pijp aangeleund, den borrel in één achterwaartschen smak van z’n hoofd, z’n keel ingoot.—[137]—Netoaris hep ’m glat laid s’n happie!.. lolde ’n groenboer met afgunst, hunkerend naar eigen zuip.—Rooie kop van Bode lachte, mond-wijd.—Z’n tong klapte klakjes van genot tegen z’n gehemelte òp en prachtig z’n tanden glinsterden blank tusschen z’n vuurrooie lippen uit. Lustig hadden de venters den zoet-inglijenden borreldronk beloerd, want allen snakten naar ’t brandvocht, zalige lafenis in de venthitte.——Nog een borrel veur aige bik, veur de Bode, ironizeerde Klaas Grint.… enne een veur de „neerstige netoaris”.… daa’s veur sain drooge keel van ’t skràive … hei smoàkkert?Dirk veegde z’n mond af, watertandde, voelde flauw speeksel op z’n lippen klefferen, en van allen kant, de zwoegers rumoerden heete grappen rond, nou er zoo vroeg al door de „heeren” geheschen werd.—Strakk-en-an jullie beurt hee?.… beet de Bode terug.. En nou!.. manne broeders!.. luistert!.. tien bosse rebarber.. segge tien.… wie seit dur?.…Van alle kanten tegelijk, krakeelde bod tegen elkaar òp. Een vurigste, schreeuwde hoogsten prijs, bleef winner.—Veur Vink.… ses bos.—Nou he’k nog vaiftien.. wie sait dur? Weer daverden stemmen in golfstoot tegen elkaar in. Geraas kraterde los. Ze scholden, keven, nijdigden, nu de làter-geveilde rhabarbers veel goedkooper gingen dan de eerste.—Da’ binne dur gemoedereerde liefhebbers, grinnikte de Bode.… nog ses bosse.—In woesten slinger zeilde ie de verkochte stelen naar den groenteboer die ze gekregen had.—Gooi jai hullie moar in ’t bakkes hee, jai kailt moar roak t’met!—Nog vaiftien bosse vàn.… „netoaris?.…”vroeg Bode, doend of ie niet merkte dat ie ’n kerel pal tegen z’n pijnlijken neus gemept had.—Houweke!, schreeuwde achter de pijp notaris uit, met even oprekking van z’n hoofd uit luien armenleun.—Dirk bood ’t hoogst, kreeg ook, in joligen zwier, de heele vracht van Bode toegesmakt, pal in z’n armen. Maar nergens kon ie zich roeren, wist ie z’n bossen te bergen. Schuin[138]achter ’m hing al ’n rij manden, los, tusschen vaten en kisten.—Met de vracht z’n armen ingekneld, paf van zweet en hitte, bleef ie staan, tusschen de zittenden, hurkenden en woelenden; probeerde ie zich langzaam los te werken, met z’n zakken erwten en manden, uit het wasemende, broeiende menschenkluw.—Nou nog sestig pond witte kapcainders.… wá’ segge jullie nou.… de loatste ressies.… Veur d’n dag manne.… dappere vrouwe of te wel kenàu-Ha?.… neenet.… kenau.. boè seloars!.…Zwaar sjorde ’n zak uit ’n bres geboorden hoek, op veilbank. Half afgezakt van den zinken rand sleepte ’n pachter z’n waar bij ’n touw, blaas-hijgend van hitte. Maar niemand bood meer, dat woedend de kerel z’n vracht van den veilbank terug rukte, opbonkerde tegen beenen en hoofden, met ’n vloek achteruitstoof, rood van gift. Z’n waar schoot de bres door, die achter ’m weer sloot, knellend, walmend-benauwd.Tusschen den muur van koppen en ruggen, gromde ie nijdig nog:—Wâ suinige Job.… die laileke takkebos kaikt je an of je ’t d’r stole hep!—Nou wa’ dan.… pluk jai vaire van ’n kikker hee? aa’s d’r gain sinte binne, moedereerde ’n oudje, z’n neus hard snuitend met ’n vuil rood zakdoek, dat ie als geronnen bloedlap tusschen z’n beverig gelige vuist kreukelde.——Nou he’k nog vaif bosse wortele, schoof ie weer nijdig af bij ’n ander.—Dank hee?.… ken jou wortele nie hebbe.… binne main veuls te groot.—Loop jai rond, duufelstoejoager.… sain f’rassereerd-goed.—Disketeere komp hier nie van paa’s foàder!.. lachte de Bode.… wá’ há’ je nog meer?.… komt dur dan mee veur ’t licht hee?.… O? wà? niks meer? niks?.… dus je bin dur uit! Mooi!.… dan he’k hier nog ’n prechtig kisje ongetelde tuinboone.… Wie sait dur veertig sint.. veur die heule sak.… soo wait aa’s de broek van vrouw Zeune![139]—Vaiftig dofte ’n stem!—Sestig, er boven uit gilde één heeter, trillender.—Naigtig, ikke mose hebbe snauwde een ander driftig.Weer zag de kerel op de lage kist, weggezonken achter de stom-breede vrouwe-ruggen ’n koop afgetroefd door z’n veiling-vijand.—Even had ie weer ’n wipper van z’n bak genomen, den mottigen kop uitgerekt en gezien, met woede, dat ’t z’nouëtegenstander was. Nijdig trampelde ie met ingeknelde zenuwbeving z’n beenen naar alle kant, dat de makkers voor en achter ’m vloekten en duwden, om de bemorsing van hun plunje.——Ben jai daas snurkert! hak je beene d’raf, aa’s je hullie d’r nie stil houe ken.Weggezakt weer achter ruggenmuur, z’n pukkelkop gebukt, kookte ’t weer in ’m van drift, probeerde ie zichzelf wijs te maken, dat ’t toch veel te duur ging, hij zelf blij moest zijn dat ie ’r zoo goed afgekommen was.—Haa’k strak-en an meskien die floddermusse had.. en nou.… potdoorie.… die haireboone!.… ongeteld!.… sitte d’r vast gain duusend in.… magge veur main bestig hebbe.… haha, wat ’n dolle smak.… Nou.… ikke mo nie!.. wa?.… wà?.. hoeveul sait ie?.… kaik.… prechtig! prechtig, joàge hullie sain d’rais ook op!.….. kaik! nog hooger.. hoor main-dàt-t’rais an!.… kaik.… goan die nog hooger! hoor! daa’s d’r puur doas.… Wá’ brenge die op?… vast gain duusend in.… ongeteld! Gain duut!—Een vaif en twintig, staalhard, hortend klonk Bodestem.. mi je tweeë.. één dertig.… mi je drieë.… éen vaif en dertig.. één vaif en dertig.… een vaif en dertig.… éen moàl.… andermoal.… veur de derde moal.… Ritsema!Stomp keek ie, de hals rekkende venter, stomp op donkre vrouwruggen. Zacht, in zenuwnijd trampelden z’n beenen tusschen engte van lijven, schijnheilig overgaand in ’n deuntje op ’t doffe hout, en brommerig raspte z’n ventersstem, dat ie d’r niks van hebbe most, van floddermusse en ongetelde boone.——Nou nog veertig pond peule, bestige, malsige, soetige,[140]schreeuwde de Bode, nog de loàtste ressies en dan is ’t puur daan!Weer stortte ’n veiler rhabarber neer op de heet-zonnige zinken veilbank, die dampte van geuren als ’n wierookaltaar. Weer sjorden zakken doppers òp, en voort joeg onder proestlach en juichender krijsch, gedol en nijd, de roezemoezende koop; kwam er begeeren naar eerste schoft in de schorre, droge, heete keelen. Drukkender hitte gloeide en zwamde néér op menschenprop en koppen. Warmer stanken in zonnevuur, ontbroeiden op hun morsig vel, en de kajuit ademde wee-zoete luchten uit, van bakmuilen en grijnzende mond-manden, walmzwaar en duf-bezwangerd, naar ’t dek. Aardbeien, wee-zwoel geurden rond in ’n damp van benauwde zoetigheid, en telkens, in verschuif en versjouw van groenten, brandden de kisten hun rood uit, in zengenden blaker; kogelende vruchtjes vuur tusschen helgroen en zacht bleek, donker droef groen.—Groen, rauw als plankenkoloriet van Zaandamsche hutjes, omzond in heete murmeling van zomervreugd; tusschen pastel-teer bleek-groen.—En alles daar, zoefte voort in ’t landelijk kanaal, ’t hel-rood, ’t groen, ’t donkere en licht-felle, ’t brandende wortelenoranje, de zee-groene lichtverwiegende kroppen, de pastel-fijne erwten, de boonen en bakken, stoofgloeiend onder ’t blauwe vuur van de eindlooze lucht, hemeldom van brandend lichtblauw; hitte die wit vergloeide in daverenden zonnebrand op wei en bouwgrond, eindloos in ’t rond.Als schroeiend brok zomer, levend brok aarde, in schipvorm saamgestampt, zoog de boot door het schitter-fel, licht-beketst water; als kleur-drijvende aarde-ark van groen en rood, tusschen goud-koperen gloeiing van roer-brokken en randstukken in glimmigen zwier van verglijende glansen. En rond de groente-ark, de hevige wemel, ’t brandende trillende koloriet van alkleurig kistenschmink. Vóór „Tuinders Geluk” zwierde kleurenbrand van andere booten, tusschen de heete zonneoevers van eindloos poldergroen. Vaag rumoer van stemmen klonk daar òp, achter de pijpen. Van ver brandde ’t aardbeirood uit kistenmuur, feller, hevig-heerlijk tegen hemeldom van[141]brandend blauw. En windeke van zomermorgen, briesde en stoeide, koel-streelend en wuft om de vruchten, de zweetkoppen. In ’t water ruischte ’t golfjesschuim, stoeide de zon met z’n sprankelend vuur van zilverend-goud. Droom’rig murmureerde rhytmische kabbeling van zonne-golfjes, om boeg en steven heet vervloeiend.Dirk stond van geuren en bries bekoeld, polderland te overstaren. Van den luchthelm naast ’m sprong plots ’n rooie kerel àf met ’n zwaren zak lage waalen.—Rook wolkte over hen uit. Donkere gulping en bronzen veeg van stoom verroette, en pijp-zang baste in beev’rige galmen ’t vuur-stoeiende watervlak over. Bronzerig in wolksmook, verlicht in dagbrand, bleef áánroetten de rook, dat de kerels vloekten achter de pijp. De rooie venter, kuchend en keelschrapend, sleepte z’n zak op veilbank, van boven nauw dichtgesnoerd met ’n dikken vuil-witten band.——Wa binne ’t veur snoake?.… vroeg ongeduldig van z’n bank, de Bode droog-komisch op den rooie neerkijkend.—Sestig pond loage woale.… de leste!—Sestig pond.… prèchtige loage woale, schreeuwde Bode dadelijk, zonder te sien.… fersche, malsche woale.… wie sait dur honderd gulde.…—Eerst kaike hee?.… se kenne d’r puur te dik weuse, norschte ’n vrouw.—Sièn je woàr, duwde Klaas Grint er tusschen door.Gejaagder morrelde de Rooie aan den zak, driftig rukkend, aan ’t wit stuk band dat er niet afkronkelen wou. Bode ophitsender, bonkte al met z’n handen op schouders van den venter, grimassig doend of ie ’m hielp trekken. Ongeduldiger geprikkeld, verhit, dolden en schaterden de kerels op ’m ààn.—Die boel ken d’r nie los, vast nie.… da’ binne d’r gain woàle.… da seg ikke jullie!.. smak die gaip op s’n almenak.. da s’n ribbe kroake!—Aas je main! je ben d’r nie lekker op.… aa’s ’n kikker op ’n kluitje hee?.… verontwaardigd snauwde knorrig en sputterend van vermoeienis de rooie groenboer terug, z’n zak[142]even loslatend, van verlamd moeheidsgevoel in z’n armen.—Furt d’r mee, los die rommel, joeg de Bode weer op, dien ’t nou begon te vervelen.… furt! of ikke sèl ’t doen.… f’rdomme, ’t kroakt hier op de bank of Sinterkloas er reeë heb!Van z’n stoel, beenen uitgekromd, rukte ie aan de zak, nijdig met driftige handmeppen, maar de knoop bleef in kronkel gesnoerd. Giftiger rukte de Rooie, dat ’t vette glimzweet van z’n blanken kop waterde. Niets hielp. Allen in voorsten rij beukten en rukten den zak, die als ’n levende romp, gepijnigd op folterbank, in z’n grauwbrons en plooi’rige vadsigheid méékronkelde en stuipte onder de driftige meppen der kerels. Lol hadden ze ’r van, gierende lol om de zweetende, vloekende onmacht van den rooien groenteboer.——Da’ goan nie, dolde Klaas Grint, hai hep sain d’r vàstbakt.…—Nou, ikke seg daa’s ’t kouseband van sain tante!.…—An-main-hupla!.. van sain skoonmoeder t’met.… die hep dur koabels om d’r kuite!—Niks gedoan! ’t kouseband van sain maid! kaik d’r stoan ’n merrekie op!Woedender voelde de kerel hitte-drift in zich òpfuriën onder ’t heete geschater en de stekelige lolletjes van de groenboeren rondom.—Maar ’t dolst maakten ’m de nijdige grapjes boven z’n hoofd van den Bode, dien ie niet zàg, maar hòòrde grimassen. Eindelijk viel ie nijdig op den zwikkenden en krampenden zak áán, beet er z’n tanden woedend op in, rukte den knoop heen en weer met z’n drift-gloeienden mond, als ’n hond ’n been-kluif,—knaagde, scheurde en knarste. Even kwam er ’n stompje loswarrelen. In grabbel trok ie z’n mes, sneed plots den band door, dat de zak, gerammeid, gehurkt en vernederd, van boven lossprong uit z’n worgenden klem als met ’n snikzucht naar lucht.—Weer nieuw goed werd aangesjouwd, nù losse slabakken.—Mo’ je nog twai bakke, soo uit ’t knuisje van Knelis Tijsse?—Hee, hai je d’r veur main ook nog twai?[143]—Ikke hep per nog één veur je, krijschte ’n ander er dwars door heen, veur de hàlft van sain prais.—Daa’s liederlik, jai natte kip! hou je bek, jai ben d’r nie in vailing.Met ’n grooten bak sla wou de dwarsdrijverige onderduiker zich door het kluw venters heen werken, maar van allen kant, bonkten ze’m terug, moest ie, strompelend en struikelend maken dat ie weg kwam, ’t stillere boot-achterend op.——La’ da’ varke nie deur.… eerst de bakke van Tientjes wèg.… hee Tientjes! wa hai je dur nog meer?.… rebarber he’k had, peene, sloà, postelain ook.… boonekruid … loate „spanneezie”.…—Ben d’r uit! schreeuwde Tientjes opgeruimd terug!—D’ruit! mooi, dan he’k nog tien bosse faine peene!.…’n Sjofele, monsterleelijke tuindersvrouw, rimpelig begijntje, met dik-apige lippen en naarvoren gestomd kakement, had zich, in ’r hard-geel manteltje, vooruit gedrongen, bij kleine stootjes en duwetjes. Nou alles op ’t end liep, ’r verslapping kwam, en wrevelige hang naar schaft, drong zij vooròp, listigjes spekuleerend op vermoeiing der andere groenboeren.—Met schuchter-zwakke stem zette ze’n bodje in, en plots dromde woeste snauw van alle kanten tegelijk op ’r af.—Saa’k laife! da’ hai je ’t kallef mi-de-natte neus.——Loà de boere moar dorsse! ken hoàr ’t skele, minachtte ’n andere vrouw met venijnigen, puntig-bitsen kop, bejeukend d’r scherpen neus, die uitpriemde als ’n boor onder ’r gore steekmuts. De eeuwig-breiende ventster, moe, met ’r knorrige moppertronie, snauwde mee, schril. Niemand gunde ’t rimpel-begijntje ’r sjofele koopjes.——Roggemegoggel! de gele medam hep ’t puur op d’r heupies.——Se hep o-de-keloonie van d’r gelant op d’r jakkie, hoonschaterde vrouw Zeune, en de brei-vrouw rolde weer ’n vloek naar d’r verschrikt snuit.—Veertig.… sint.… veertig, hakte de Bode door stemmen-gesnauw en gekef heen.… veertig eenmoal!.…[144]—Vaif- en veertig, nijdigde ’n andere vrouw, alleen maar om òp te bieden, wrevelig-wetend dat ze de waar toch niet noodig had, volgepropt als de mannen en wijven al zaten, bij den laatsten rondgang.—Vaif en vaiftig! dolde ’n kerel ’r tegen in, die de gele madam niet luchten kon, met genot ’r uitgehuilde kaken zag verangstigen.Zweet-rood glom de gele madam, stotterend in verlegen angst, bekrabbend ’r apigen gelen mond en kin. Benauwd glunderden haar oogjes, vol glinsterig, sluw-bang licht, òp naar den Bode. Want op ’t eind van elke veiling was zij taai, zij, dat wist de kerel.—Sssjesjjtig, siste ze even uit, met ’n wenk van ’r magere knokels, sluw, schuchter toch.—Nijdige snauwhoera’s gierden ’r hoon-scherp tegemoet.—Je man kaikt mi sain skele lampies noa je hain!, sarde ’n tuinder achter ’r rug, haar telkens porrend tegen de schouers, dat ze schokte.—Nouw sssjjoà.… nouw sssjjoa.… aa’s.. aa’s … tongsleepte ze, in wanhoop opgejaagd om hooger te bieden. Haar naar voren gestomd, geel kakement sidderde van zenuwschokjes, ’r apige lippen trilden, en ’r ingedrukten neus, wijd opgewipt bij de reukgaten, bewreef ze onder ’t lispen.. nouw.. sssjjoà.. jullie gunt t’r main gain sssjjpòg woàter!—Wa’ mò je tug mi die peene veur sestig uitvoere waif?.. je koop hullie pattekelier veur vaiftig bai ònster.… lolde een weer in hoontoon.—Nouw sssjjoà … nouw sssjjoà … brabbelde ze verlegener terug, òpstarend in oogenangst naar den Bode, met zenuwsnel wimpergetril, als hing ’n slingerend mes boven ’r hoofd,—De vrouwen grolden, konkelden en schaterden vinnig jaloersch, lol-woest, dat ze’r zoo hoog opgedreven hadden, in hun gejaagd bieden.—Nou mag sai d’r biertje loàte werrike?.. Bi-jai-’t-Hain!—Sestig, eenmoal, veur de derde moal, hakte de Bode droog door, vrouw Joapeke![145]Ze beefde als ’n riet, vrouw Jaapeke! Ze voelde, in ’r zenuwangst, dat ze toch te hoog was gegaan. Bang graaiden ’r gele, breed-bemouwde, slobberige armen, naar de penen die de Bode tegen ’r platte borst smakte. Geel-rooiïg vervlekt, dampte ’r tronie, dat monsterlijker rimpelde als oudwijverig apenbakkes, in glimmig zweetvet. Niemand durfde ze aankijken, als had ze een gemeene streek uitgehaald. Tegen ’r hardgeel, verkaald kort manteltje, knelde ze zenuwachtig de peenen, en banger loerde ’r monsterlijk verdroogde begijntjes-kop ùit, tusschen den fellen daver van ’r wortelen-oranje en ’t fijn-kartelig uitgeknipt donker groen loof.——Nog twai koopies, dan is de skaft dur, lachte de Bode, ’n bittertje weer met smaktong wegklapperend en opzuigend z’n adem.—Nou he’k nog ’n sak mit laifende woar.… gain f’rklikker in de buurt?.… niks nergens peliesie?.… wel-nou-dan!.. dan he’k hier spring-laifende woar.… twee prêchtige kenaintjes!.… kaik hullie tippele!.. kaik hullie tippele!.. la’ main in gos noam niet langert proate.. beste minse!De grauwe zak had ie opengefrommeld en er met één hand, bij de ooren, ’n donzig blond konijntje uitgegrabbeld, dat angstig spartelde en voorpootjes kramperig tegen wit-bevlekt borstje òptrok.—Schater barstte òp naar ’t hangende diertje, kerels gierden, vrouwen gilden.—Sou ’t d’r ’n broertje.… of ’n sussie van sain, moar dur sit dur nog een percies-eender in de sak.. wie blief dur hullie!In rauwen humor, de twee ooren in één hand saamgeknoopt, keerde ie konijntje naar zich toe, ruggetje naar de koopers, vroeg ’t, venijnig tikkend met vingertop op beweeglijk zenuw-trillend neusje:—Hoe vint ùfus de f’rgoadering.… die ùfus broàde sel?ouëjonge?.…Heet gegier raasde uit den troep en konijntje draaide ie rond aan z’n ooren, dat dierke als ’n spiraalwrong, weer duizel-snel terug-schroefde.—Kramperiger spartelden opgetrokken voorpootjes;[146]suf bleef staren ’t stomme kopje tusschen engen oorenknel; sneller en verbluft trilde angstiger ’t blanke neusje.—Vrouw Jaapeke was er weer ’t eerst bij met ’r bod.——F’rvloekt, die komp nou altait op ’t lest! stiekem uit ’t hoekie.… snauwde de brei-vrouw weer, giftig doorwriemelend d’r steken, bij webbende vingertoppen.—Is juffer luiwoàge weer an ’t woord? spotte ’n groenboer naast ’r.—Nouw sssjòa … nouw sssjjoà … kauwden ’r dikke lippen weer, en zweeterig, met rooie vlekken, rondgetrokken als doffe bloedvinnen, glom ’r gele begijnentronie. Angstig loerden ’r oogen òp naar ’t zacht nog nàschommelende konijntje, dat de Bode telkens kleine draai-duwetjes gaf. Droeverig-gebluft staarde ’t kopje, de oogjes trilden, keken wijs, als voelde ’t deernis, dat ze ’m zoo plots uit z’n stik-donkeren, duffen aardappelenzak, in ’t felle zonlicht daar te kijk hingen. Z’n spichtige steilgrijze snorhaartjes beefden en z’n weeke angst-bekje mummelde wat, als verkauwde ’t z’n eigen angst.——Veertig éenmoal.…—Sestig, ’n rauwe stem van tuinder klonk achteruit.—Ksjt! ksjt! katjes.… siste ’n kerel, sloan jullie de gaile medam veur de sokke.…Weer trok weduwe Jaapeke beverig aan ’n grooten knoop van ’r hard-geel manteltje; sterker beefden ’r oogwimpers.—An joù juffer luiwoàge!.. veur aige bik!.…—Wa’ mot dur medam mi’ knaine van doen? sai frait d’r puur kalkoene!.…—Nouw sssjjoà … nouw sssjjoà … sleeptongde en lispte ze angstig terug, afwerend duwen en grapstooten in rug en zij, jullie gunt dur.… gunt dur.. ’n minssjch nikssjch.Angstiger loerde ze naar Bode òp, of hooger bod inviel.—Sestig één.… sestig anderr.…—Vaif en sestig!.…—Mooi soo!.… gooit de boel òp waife;.… aa’s alles brandt brandt woater ook.. la’ jullie je aige nie troefe.. van die gele sloerie-ekster,—stootte ’n venter uit, grinnekend tegen ’n buurman.[147]Weer had vrouw Jaapeke den Bode stiekem gewenkt, vlak op z’n schoenen, schuwtjes-snel ’n knauw met ’r beverige handen àfdrukkend.——Aaj! vrouw Joapeke! main eksterooge! krijschte de Bode een arm en been lawaaiig-komiek de lucht insliertend, ’t konijntje meeslingerend bij z’n ooren.Joelende hoongier schaterde los. Vrouw Jaapeke stond bedremmeld, nu Bode ’r in z’n lol verraden ging, dat zìj aan ’t bod was; dat zìj op z’n schoenen gedrukt had. Weer hooger ging tegenbod;.… angstiglijker rilde gedachtetje door ’r heen, dat ze de beesjes niet kreeg.——Sien jullie, de gele medam waa’s ’t weer!.…—Anme huppla!.… nou kraig sai twee fraiers thuis!..—Tachtig, hakte weer door de Bode, en weer voelde ie ’n half verborgen druk van vrouw Jaapeke’s beverige knokels op z’n schoen.——Vaif en tachtig eenmoal.… andermoal.… veur de dèrde moal!.. vrouw Joapeke!Weer barstte ’n rauw hoera los, rond de gele medam. Ribbe-stootend bonkten ze’r, gilden en hoonden de jaloerschen om ’r heen.—Want ze wisten wel, dat zij dingen plaatste, die anderen nooit gebruiken konden, bij wijven in de Nes. Daarom durfden ze niet nòg hooger tegen ’r opbieden, bang dat ze ’r misschien aan hangen bleven.—Bode had konijntje weer in den zak gesmakt en rolde de levende waar vrouw Jaapeke tegen ’r platte borst, boven wortelenstapel, waarmee ze nog onder de armen, tusschen de mensch-kluw ingepropt knelde.—Saa’k f’rbrande aa’s ’k snap wá’ ’t waif d’r mee uithoale mot.… verleje.… mi Juni hep sai ook.. die vaif prêchtige leeuwerikkies kocht.… die hassebas.… woar hoalt ’t murmel de sinte van wèg!.…—Van beroep is d’r man tug stroat-oàrm, hoonde ’n ander.. hee! gele medam, koop jai d’rais ’n nuwt stelletje kiese hee?.…—Trek jai d’r veere van ’n kikker! schaterde valsch mee de vrouw met d’r rooie kap en woelige sierseltjes, boven ’r voorhoofd.…[148]se is t’r moager aa’s ’n tang! en ’t laikt dâ se koopt veur aige bik!—Nou, grinnikte de brei-vrouw,—in de stad … loopt ’t mins.… soo ver aa’s de hemel blauw is.… en roakt t’met nooit niks kwait van d’r kar.—De leste koop!.… luistert wèl, goê-liën, schalde hoogklaar de Bode weer,.… om te beginne en an te vange mit ’t begin, he’k hier ’n prèchtige takrooie maidoorn.… wie blieft.. wie-sait!Van vier kanten raasde áán, dooreengolvend stemgekletter.—Tien! vaiftien!.… achttien!.…—Mit je àlle achttien, lachte Bode, mit je àlle twintig.… wie mot!Dat was blomgoed, waar de hééle stoet op loerde.——F’rfloekt.… de fint snait d’r ieder dag ’n takkie van sain boom.… aa’s tie dit joar.. gain tachtig pop veur s’n boom moak, hiet ik puur gain Teun Stainders meer.…De eerste bloemenkoop was weggerùkt. Langzaam achter ’n stapel aardbeikisten, wrong groenboer nog twee kleinere takjes. Maar nòg schreeuweriger, voor hooger prijs, kochten ze die in. Ze wachten er op, en hurrieden alle tegelijk er om.——Op is de boel!… gelukkig, kwam d’r aêrs nog muiterai an board.… Moandag weer ’n handje!.… lachte de Bode, en nou he’k hier nog prèchtige lelies.… wie mot dur.. wie?..Nauwelijks had ie de vormfijne lang-stengelige bloemen in de handen of ze smakten op ’m neer. Twee vrouwen rukten ’n heel bosje uit z’n warme knuist.—Ikke ook, ikke mot d’r òòk.…—Hier.… doar hai je vast màin.. vrachie sinte!.… Ikke hep d’r tien!.…—Màin.… main!.… daa’s gemàin, gilde ’n ander.… ikke hep d’r eerst sait!.…—Krikf’rdorie.… die blomme luchte lèkker, snoof Dirk verbaasd-loom òp.. die mo’k hebbe veur main klante!.…De vrouw met de stuipige breikousstomp was plots òver de hurriënde en dringende kerels heengebukt, ’r vat-breed achterwerk[149]’n groenboer langs ’t gezicht schurend. In woesten ruk, had ze vrouw Jaapeke de lelies uit ’r hand gescheurd, de bloemen haastig in d’r schort beschermend.—Vier andere vrouwen, met verkoop van veiling, zwaarlijvig bijeengeklonterd, sprongen bijzij op gele madam af, om te zien of ze nog meer blommen bergde.—Maar in één ruk had de breivrouw ’r leeggeplukt. Grienerige woedetrekken groefden om schrei-mond van gele medam, en sputterend spoog-lispte ze vloeken uit, naar de woeststerke wijven. ’n Endje van vrouw Jaapeke af, waren nu wat groenboeren op de brei-vrouw losgesprongen, om die den blommeboel te ontfutselen, bonkend en haar bekrijschend dat ze niet had laten uitveilen. Maar breivrouw weerde zich heftig, trapte naar achter, beukte opzij, in den knellenden warrel van graaiende en rukkende handen, stampen van beenen en lijven. Bodestem schalde plots bòven ’t warme stoeigewoel uit, in lach van z’n frisschen kop.—Nou nog wa’ prêchtige pioene, wie-se-hep kraigt de staikels.… ikke hou de blomme—.. In wat tellen hadden de venters ’m afgekocht.—Broeierige woeling gistte los in den veiling-prop.—Snikhitte dampte om hun zweethoofden. Zon priemde fellere lichtlansen neer op de boot. Elk plekje braadde en kookte.—Spraakloos buiten ’t gewoel, stond kapitein voor zich uit te staren, ’t vonkwater in, en hoorbaarder nu, achter veilingstilte uit, klotste de golfjeskabbel tegen schipwanden òp in schuimende koeling en week ruischgestroom.—Hunkering naar ochtendschaft ging rond. Om den Bode klonterde de menschenkluit los. Twee dikke groenboeren kankaneerden in nauw gangetje van hangende manden en kisten, naar de kajuit. De dikste, achteruit dansend, met kwabbige schommeling van z’n vet lijf en spanning van dans-dijen, strompelde gladkoperen traprichel af. Springend met kromgebogen armen, ’n zwaai de lucht in, plof-bonsde de andere op z’n borst en buik. Achter hen ààn, trampelde ’n heele bende naar beneden, de kajuit in, waar al wat kerels, mistig berookt in halflicht hoekje, saamgebroeid hurkten achter hun manden.Als ’n laag-bezolderde ark, spitsig toeloopend en hellend bij[150]den boeg, dampigde de kajuit, volgesmookt van pijp- en sigarendamp, snikheet. Groòter en ruwer dan in ’t fel deklicht, onder half schaduw nù, lijfloom neergesmakt op de rooiige ruw-bekwaste banken,—leken de vrouwen- en manskoppen in de kajuitsdiepte. Achter enkele half-verduisterde hoofden, wangbrokken en kleurig haar, stroomde zonnelichtspuiing, door hooge ronde kijkgaten, beomtrekkend èven wat tronies in zoom van goud, fijn vloeiende lijn, die gloeide soms als electrische lichtdraad. Schuwere glansen schoten door morsig beruite kijkgaten, hoog ingeboord boven boeg, scheemrig vervloeiend in de halfdonkre kajuits-sombering.—Langs de wanden en midden in, plankten de ruw-rooiige banken, breed, waarop neergesmakt dromden in stomme hurrie van punten en brokkelige kanten, kisten, pakken en manden.—In de kajuit stonk ’t duffer, vunzer nog dan op ’t dek, waar dòòr de groenteluchten heen, soms nog ziltig zoute lucht van zee-windstroom aanwoei. De hooge kijkgaten, ’t heele schip langs, brandden in reflexvuur van kanaalwater en zonnegloed, tusschen ’t opkruipende half-duister in de stik-heete kajuit, als gloei-gouên oogen. Tegen de grijs-grauwe morsige zoldering zonden wat lichtkrinkels, die trillerig door elkaar heenspiraalden.—Vlak onder de gloei-gouden licht-oogenrij van kijkgaten, doorzond en fel-verblindend, kropen schaduwtinten langs verdonkerde wanden, zonk de kajuit in, vaag-kleurig van paarsen rook, even doorneveld van zwakke glanzen.—In al òpgeknelder drom trampelden de vensters van ’t dek, smakten zich neer op de banken, tusschen hun pakken en kisten.—In roodbruine somberheid plankten de banken, en heel de kajuit, met de oppropping van koopwaar, leek ’n groef, roodsteenig en duister, waarin schipbreukelingen saamgevlucht stumperden, bàng omknellend hun laatste rijkdommen.’n Lange kerel, met heel kleine oogjes, z’n hoofd de zoldering rakend, waaronder z’n gebaren reuzigden, holde heen en weer te bedienen, stapte telkens op ’n vrouw af, die op bankpunt koffie schonk uit ’n bruin beschilderden koffie-stoomketel. Tegen muur van kajuitstrap, donkerde inhammend buffetje, waarin opgedrongen bijéén hinkten, diendertjes, manke jeneverglaasjes;[151]tegen elkaar leunden, flesschen, koppen, broodbonken, kaas, steenen bordjes en sigaren. Van alle kanten, uit de half duistere kajuit, tusschen het triestige roodbruin van banken en morsig grijs van zoldering, roezemoesden zeurige, teemende en krijschend-jolige, hakkelende en sputterende stemmen. Uit elken hoek warrelde geraas, gekakel en boerenwoest geschater. Gretig pakten de venters hun stukkenzak met halve broodhompen en mikkies uit; hàpten, hàpten.—Koffie main!—’n Bakkie g’laik!De heele bende verdonkerd en ver-reuzigd onder lage zoldering en balken, slurpte koffie. Overal, ingebukte nekken en gezichten, de warme lippen op de groote kopranden platgeperst, vuile handen rond de kom gekneld.—In anderen klauw, de halve mikkies gegrepen, hapten dierlijk de geile ruwe monden, slurpten de tongen, grepen en persten de morsig levend-beweeglijke vingers, groen en bruin vervuild van smeer. Op verhoogd boeg-end, druk roezemoesde ’n gierend troepje, de beschaduwde koppen naar elkaar toegebukt, in raaskallende lol, omwolkt van paarsblauwigen rookmist.—Soms even schampte òp, achter nevel-paars, ’n pijpekop, ’n kiel, rooiig-donker, grimmig-gebarende hand, ’n wangkant, ’n harige achterkop, met even lichtbeflitste oorrand, plots weer wegduisterend in zwaarder rookgewolk. Naar alle kanten liep de lange kerel met z’n dampende koffiekoppen, zonder schotels rondgediend, oorloos en gloeiheet, de klef’rige greepklare ventershanden induwend. Al meer reuzige schoenen, beenen en lijven zakten de loom nauwe kajuitstrap af, waar ’n ruitje even licht sloeg, voor ààn, in ’t rookige hol. De vrouwen bijeengegroept kakelden en kuchten, op d’r hooge banken saamgedromd, tegenover de woeste rookers, aan spitsig-hellende boeg. Telkens moesten ze inschuiven, opschuiven voor al meer instrompelend volk, dat tusschen vrachten en meegesjouwde bakken, als onder ’n lagen hemel van zoldering-morsigheid bijeen kwam broeien. De balken met donkere reten en vuile flodders verf, kruisten vlak boven hun scheemrige tronies. Aan ’t eind van middenbank stond[152]de schenkvrouw, breed ingebukt ’r oer-ketel te hellen. Telkens bracht de lange bediende, klefferig bevuilde koppen áán, hield éven schoongeplaste ònder den ketel-slurf, inmiddels vlug uit grooten suikerzak,—als overvloedhoorn blank-open neergetuit op bank-end,—’n schep opvisschend, en in zwierige vlucht afplonsend, in ieder kop ’n hoosje. Naast de ingebukte vrouw, die geen tijd had om ’r lijf te rekken, stond ’n vuil emmertje, van binnen bleek-rood uitgekleurd, met smoezel water, waarin ze luchtigjes,—toch doorschenkend uit ’r koffieslurf,—rond-spoelde de aangedragen, klodderig bestroopte koppen. Even ’t bruin-bestroopte van buiten wegplassend, druipend nog van vieze straaltjes grondig vocht, grabbelde ze met ’r natte handen de kommen weer òp, uit den emmer. En ’r zoon bleef bedienen, hield de reuzige koppen weer voor de tuit, die stroef stond, beklept-harig als ’n levende slurf, waarop vuiligheid bakte. En vlug, de eeuwig-gebukte schenkster rookte de kommen weer vol geurig koffiebaksel.—Walgelijke stanken, duf en vuns rotbroeiden de groenten uit, de jenever, koffie en tabak. Tegen ’t roodbruine ruwe gebank, en den zwartmorsigen grond, zogen de stanken vast. Wilder, woester, in vergrootende donkering, slurpten, verhapten de koppen, met apig-dierlijke rukken ’t brood, in geilen slurp en zuig, smakkend zich gevend aan vroege vraatzucht en drank.Dirk lag met z’n arm op ’n stapel duf-stinkende manden, en achter z’n hoofd, op tusschenplank van middenbank, tweekants bezet, stapelden bossen groenten en bloemen, zoet-zwoele lelies, tusschen voos-luchtende aardappels en kool, bruidsgeur en blankte, vermolmend onder gronderige stanken van benauwing. Elk ding wasemde stank uit. De kleeren van venters stonken als verrotte beenderen. Verhitte kroegasem en bloemengeur zogen door elkaar heen.—Naast Dirk, hurkten met beenen onder kin opgehaakt, Klaas Grint en Rink van den polder, happend en smakkerend in scharren en poonen, ronkend van vreetgenot. Dirk had z’n derde kop koffie al heet ingeslurpt, luisterde nu, dwars door leuter-geratel en handengeklakker van nasjacherende vrouwen en kerels om hem, naar[153]Grint, moeilijk verstaand, z’n oor geheven als luistertrechter, tegen den heeten herrieraas van stemmen in. Grint bepeuterde voorzichtiglijk z’n poonen, smakkerde bij brokken de vet-glimmige blanke visch z’n mond in, sprak en vergierde schunnige moppen, dat z’n uitkauwsel, telkens tusschen z’n snaterende kaken opschemerde. Als ’n zaal, waarin rumoerige kakatoes op eigen houtje krijschend konverseeren, dazelde stemmesnater rond. In al gamma’s brulden, lolden, lachten menschenkelen, schorre, rauwe, zachte en weeke timbres dooréén.—Soms klonken er als schrei-geluid, kermende klanken; dàn bulderde en donderde woordkrijsch uit, hevig en verhit in de mist-rookige kajuit.—Rink van den polder, slobberde jenever, door z’n scharrenmaal hèèn. Van uit z’n apigen knie-hurk, rookmistig omdampt, keek ie telkens flikker-scherpe kajuitsoogen in, die trilrige zonnekringen, wazig-vloeiend verspuiden tegen zoldergrauw. Eén balk-brok kreeg felsten stroom, waarop, in krinkelige rilling, als ’n zwabberende kurketrekker, ’t licht invrat als wit vuur. Naast Rink, ingedrukt en bekneld van twee kanten, met mandwerk, stumperde ’n bochel, door z’n puntbult ’n end van bankwand afgeduwd.—Peinzend telde hij eiertjes. Zacht schuifelde z’n hand in ’t strooien bed, en koelblank tusschen z’n groenig-vuile vingers, marmerden de eitjes, telkens teederlijk door ’m weggekoesterd in ’t gouden stroo. Na koffieslurp voelden de kerels zich bijna in de stad, furiede zuiphartstocht òp. Overal rinkelden jeneverglaasjes, zogen de rooie dorstige kelen ’t vocht in, vol wellust.—Màin segoàr.… moàr hardstikke swoàr! schreeuwde Dirk.—Enne main nog ’n kats, veur sain sinte, grinnikte Grint op Rink wijzend.Met acht kommen tegelijk, in balans-behendigheid deinde zacht de lange bediende door den rookmist heen, naar stijgenden boeghoek, al hooger onder de zoldering uitreuzend, in bukhouding z’n kop op borst gedrongen, om zich niet te stooten.—Zwier-vlug deelde ie de kommen rond, tusschen de gretig-uitgestoken handen.—Sterker klonk weer gelebber, smakking en dof eetgeronk. Klaterende roezemoes, gillerig en hoog, onder[154]voortgonzenden toon van mannenbassen, gromde door de kajuit. Levende walvisch, leek ze menschen in angstlawaai opgehapt te hebben, die daar verwilderd in d’r half duisteren muil zaten te schreeuwen, te stampen en te reutelen tegen elkaar van kreupelen angst.—Stooten van machinekamer bonkten trillingen door de wanden, bracht sidder in de koppen, handen en beenen. Door manden en bakken ging lèvende beefstroom. Alles zat in trilling; de tronies die raasden, de monden die zopen en vloekten, pruimden en kwebbelden; de handen, die vastklemden bevende kommen; de beenen, die trampelden of hurkten. Een flakkerende wiegel van schaduw en lichtvegen schemerde tonig en diep door de rook-paarse kajuit, rooïig-blauw verdampend in hel-lichtende òogenrij van kijkgaten, die loerden met zengenden vuur-blik.—Diep daarònder, de ingezonken lijven op banken, de handen op knieën, beverig doorschokt van machinedreun, de hoofden en oogen vertemperd in kleurigen wasem, tusschen den dof morsigen grom van roodbruin plankwerk en wandgrijs. Daar, midden in de broeihitte, sloegen, walmden en braakten de stanken òp, vunziger, uit half-open kelen van manden, uit zak-strotten, uit gaten en spleten van kisten. Zweet-rook van lijven dampte van kleeren; van barokke klompschoenen, enkele scheef en vergroeid als paardevoeten; van pilow-broeken en baaien rokken.—Uit alle hoeken wasemde rottende stank rond.—Schemervegen van schaduwzware tinten versluierden soms plòts groen-zwartig de kajuit. Rooie sigaarpunten gloeiden áán, in donkering van hoeken en de rondzonnige kajuitsoogen bleven loeren in fel vuur. Prachtige glansjes, smeltend en wiegelend, zwierden op menie-rooie randjes van drie gesloten venstertjes. Licht van waterkabbel wiegde méé met warrel van zonnespel daar in golfjes, àchter morsigblauw paarlmoerig-benevelde ruitjes. En wat trillerig geschijn deinde áán en af en om de kijkertjes. Als ’n diepe hangmat, waarin rookige schaduwen kwijnden en weer wazig-grillig verkleurden, in wiegel van gesmoord licht, hing de kajuit, plots weer in zachten schommel van boot; hangmat van rook en stank, waarin de menschlijven, opgepropt verduisterd in[155]grauwig paars en dampig gesmoord zonlicht, bewogen in nachtmerrie-realiteit. Uit pracht van diepe donkerdroomrige tonen, stemmige diepte van zachtflakkrenden kleurmist, zwaarbefloersd in grillig verstaltigenden groenen rook, doken telkens ànders de boerenkoppen òp. Roodbruin de banken, angstiger verdoffend den getemperden kleurenstoei der mans- en vrouwkleeren; in rooknevels de groentebakken en manden, dwars en stapelend uitgestald op den donkeren vloer, vóór sprookjes-reuzige voeten, òp schootbrokken, tusschen glazen, vuile kommen en rommelzooi van stronken en afval. Daar, door dàt hangmatleven, zogen en walmden de helsch-gemengde stanken, tusschen gebeuk, getril en geraas; broeiden de koppen bijéén; lekte ’t zonnevuur door de naven en ’t dek naar kajuit, waar de snikkende hittedag verduisterd en gesmoord lag te reutelen tusschen engte van duffe wanden.—Ènkele menschkoppen bewogen in glansgouïgen zoom. Wangbrokken gloeiden beschminkt van goudpoeierig schijnsel. Pet-vormpjes vergrilden in zacht-kleurig dof-duister.—Praat en slok, deinde òp uit diepe tinttonen.—Eetmonden vervaagden omrookt onder nevels, snorre-baardig, in harige ruwheid. En de golfjes in schroeienden zonnedoop, verspoelden kabbelig-speels, ruischend tegen de lichtoogen bòven hun tronies.—In paarsigen waas, de groote werkhanden woelden en gebaarden in en uit lichtvegen, rumoerend méé met hun zuip, hun krijsch, lol en ironie.—Handen, breed en geweldig als levende wezens, op zichzelf, hevig gekromd, verbronsd in aardewroet, in rauwe energie van beweeg en passie, tusschen den rookmist en rood-groenen damp, in wilde gebaar-woeling wègslingerend scheemrige vegen en tint-grillige schaduwen. Handen van bronzen reuzen, graaiend in smoor van zonnevuur.——Dà waa’s d’r main ’n sjouw Dirk, schreeuwde Klaas Grint, met beverige stem, doorschokt van dreun,—nou he’k tug puur naitig bakke oarbei op de boot—hee annaime!—main nog ’n bakkie leut!.…——Daa’s f’rduufeld achste bak, lachte de bediende.—Nou wà’ sel ’t?.… betoàl ’k hullie nie? houw tot soo[156]langest je snoater,.… nou hoor-je Dirk? daa’s tug puur naitig bakke, allain van main rechterhoek!.…—F’rek jai, viel Dirk met vollen mond in, zich verslikkend in hoestschokken, onder opslurping van koffie, dat z’n kop bloedrood te barsten dreigde.…—Kaik nou, die wil d’r babbele aa’s tie te slikkebikke sit,.. wà noù f’rek?.. der kenne.. kenne hier op dek, puur.. dertienhonderd bakke oarebai!.… en f’middag komp ’r nog ’n nuute anvoer.… nou, dan wee’k daa’k goar bin!.…—’t Is d’r dan ook duufels mit hoàst gonge hee?.. zei met diepe stem, zangerig, ’n venter vlak bij Dirk. Achter middenschot van bank zat ie, met verdraaid lijf, alleen neusbrok en oogen er boven uitloenschend naar de kerels.Dirk, Grint en Rink draaiden zich half om.—Hoe most da’ maint? vroeg stug Dirk.—Wel nou, ’t is d’r nog gain drie weuke hee!.… t’met … daa’k … toe he’k de soete fransies sien hep hee?.… Wa’ màin dat d’r toen teugesloegte.… de vrucht wou nie sette.… alles d’r nog groen en half raip.. de grond uit!—Daa’s net … veur drie weuke he’k niks aa’s rooie vlekkies in main tuin had, lachte Grint.—Wel nou, zangde de diepe stem achter beschot weer, met halve tronie er boven uit, en een hand stumperig meebetoogend in beknelde gebaren,—de boel is d’r nou overstroomd hee?—Met andere hand achter schot verscholen bonkte ie hevig op z’n weggedoken been, greep ie gretig naar ’n borrel, dien de lange kerel ’m brengen kwam. Achterover z’n kop, smeet ie z’n hapje donker mondgat in, bestelde smakkerend en likkend nog een.—Nou, moar de haire hebbe d’r puur wâ inpalmt an ’t stêtjon en in de hoàfe hee?.… da stong t’met nie stil.… Van màin drie duusend kilo.. van sàin tweeduusend.. van Klaas, van Gijs, van Joap, van Dirk, sooveul aa’s sullie d’r hadde,—of aa’s je kèrtak veurskreef.…—Wa?.… sooveul?… soo veul aa’s ’k f’rkoope wil hee? barstte smadelijk Rink uit,—buite da’ f’koop ikke tug òòk.. da kroak je ommirs?[157]—Nou daa’s nie net, onthutst zei Grint, moar nou mo’ je.. mó’ je ook segge dâ je van ’t winter.… al kèrtak moakt hep.. van hoeveul je laif’re mot.—’n Màn, ’n man,… ’n woord, ’n woord.… hee?.… wa’ jou Dirk?.… wá’ jou Staine, wa jou.… Gais?.… je hoef d’r ommers nie veur de heule mikmak te f’rkertakteere?.…—Daa’s klesseneere, lolde Rink, woest verrollend z’n gemeengroene oogen,—màin nog ’n bakkie leut hee!.… moar ikke f’rkoop wa’ kwait kèn … aa’s d’r beteder martpraise binne, al hè’k kertak veur vaif joàr!.… vat je!.…—Nou seg, vergoelijkte weer sluwig Grint, de groote afnaimpers hebbe d’r tog ook hoarlie rissieko? daa’s net nie?.… en dá’ jòar.… f’rdomd.… sullie betoale d’r bestig hoog! da mô sait! Daa’s tog moar ordentelik! Velaije joar stong de mart vol van oarebai.… nie te f’rkoope.… hee?.… doar stonge wullie.… mit de pet in de ooge hee?.… en op haide?.… op haide?.…—Nou, giftte plots ’n rooie driftkop uit rookwolk òpduikend, z’n beenen met gestommel van de bank afsullend,—dà tuig f’rdient d’r g’nog!.… wa’ doene die likkebaire.… niks gedoan hoor!.… sai b’toale d’r lootjes feuruit bai de swoager van dokter Troost … komme hullie d’r effetjes kaike hee?.. de kontreleur doen d’r ommirs alles!.. enne.… dan.… dan hebbe hullie.… allain mit de oarbaie opsende.… allainig mit d’r oarbaie.… sien je!.… ’n duusend pop f’rdiend.… in ’n weuk of soo, hee?.…—Joà, moar de rissieko, teemde Klaas Grint.——Je suster rissieko.… soake aa’s piere.… soo staif.… om dà sullie de loodpot hebbe om vèur te skiete.… sende sullie ònster goed.… deur Duitschland … Enggeland.. en moake sullie d’r joartje wel goed hee? O die diefe.… die sloeries! schreeuwde Rink.—Nou moar.. wa’ há’ je f’rlaije joar dan?… basstemde weer Steyne achter z’n schot, met z’n mondlijn even ’r boven,.. toen hâ je Beijens.… da’ rooide noa niks hee?.… die kaèrel.. hep toen ònster goed afnome hee? al wat wullie niet kwait kenne[158]hee?.… ’n sint ’n mandje hee?.… mit ’n straip of’r de bakke!.… je was d’r blai da’ se hullie d’r nog veur ’n sint kwait kwam!.… Moar die skevuit heb f’rdiend … die hep d’r waite … dá’ wai gain uitweg hadde hee?.… mit al ’t goed.… die hep d’r van màin.… van joù.… van jan en alleman kocht.… hee?.…—Of daa’n skurk was, ’n geep.…. tromboneerde de woedestem van Rink, daa’s Beijens van de Skans hee?.… die skoelje hep d’r ’n achthonderd pop, in één slag f’rdiend, één middag.. Hai skunnigde alles noàr ’t buiteland.… hai hep d’r wacht, tut ie onster mi de pet in de ooge heb sitte sien!.…—Je most d’r je stroopbek moar houe, woedde Dirk tegen Grint, jai.… jai!.… ’r sit d’r gain oasem nie soo goekòòp aa’s jai in Duinkaik.… en bestige grond da’ die vent hèp … swoare en lichte.… alles d’r aife bèstig … god’s kristus!.. aa’s d’r onse de half soo waa’s gaf ik d’r main pink veur … moar da rooit nà niks.…Dirk gifte zich uit. Hij hield van z’n brok grond, maar de woede, dat ’t zoo belabberd was met afwatering en ie toch óók niet heelemaal kon werken voor zich zèlf, maakte ’m doodonverschillig. Hij gunde d’r geen korrel zand van aan Piet of z’n vader.… En nou ’t zoo beroerd ging, moest de boel maar waaien. Toch hield ie jaloersch, heet-veel van ’n brokkie tuin voor zichzelf en ’n wijf, als ie maar zoo iets ’n hoek had als Grint; vet, vruchtbaar, doorwaterd, warmpies in ’t zonnetje en licht.—Nou jou lap is t’r àn de Beek ook bestig.… kermde Grint.—Ferrek jai!.… mesiek! mesiek!… aldegoar bluf! doar motte wai àf.… of tie da’ nie weut hee?.… en kaik erais wa’ doar van de oarepels komme is?.… die hemme nou self poot!.… gain bloas!.…—Wa’ ken main dat skele, jai beskait je land nie hee?.… suinige jop!.. moar heè? jullie sien nou dâ die mof van ’t stetjon d’r ook nie meer gaift.… aa’s veertien sint ’t kilo.…—Krik f’rdorie, riep Steyne verbaasd en angstig,—en gister hep ie nog sestien sint betoald.… is die fint nou heuldegoar daas?.…[159]—Daa’s net, moar nou sien die da d’r te veul is.… nou goan ie onster an ’t knibbele hee?.… wa motte d’r wai mee?… aa’s je ’t nie goed vin.… la’ ie je stoan!.… Je ken je bakke tug nie je kooters te suige gaife?Dirk bleef stom, lurkte aan z’n pijp die niet halen wou.. zoog en blies blauw-duisteren nevel rond de herriënde babbel-tronies.——Main nog ’n bakkie leut! riep Grint dof.——Daa’s kom naige!.… lachte stikkerig ingehouen de lange bediende, nou.… die suipt gain borrels meer.… die goan d’r mi’ sain neus allainig in de koffiewind.…Dirk zoog behaaglijk reutelige haaltjes door z’n pijp, uitkraterend zwarten walm en vonksterren.—Zure stank broeide rond, dat de kerels kuchten.—Main ’n brandewaintje mi’ suiker.… riep Rink schor, zich schurkend met z’n reuzige schoften tegen bankrug òp.——’n Bestige segoar! en ’n brandewaintje mi’ sonder suiker.. mi’ suiker smoakt ie màin te lekker, ke’k nie finte!—Nou sullie wachte d’r, tû je weeròm bin,.… vast hoor, schaterde een achter bankrug.… Seg Hassel.… weneer sel je hooi overend sain?—Da’ wee’k nie, bromde Dirk.Ventersgroep drong uit donker doorrookte boeghoogte, klompbonkerend voorbij kerels op middenbank, naar kajuitstrap.—Naast Grint bij den ingang, rumoerden stoeiige krijschkerels die om waar streden, zoo hevig, dat Klaas voorover moest bukken naar Dirk om te verstaan.—Wa’ sai je?.…—Daa’k nie weut.… wanneer wai ’t hooi of’rend hebbe! wai motte d’r nog één daik.… hooi is bestig.… sit van onder ’n strootje in.… moar bestig hoor!Zoon van schenkster, aan punt van de middenbank, waar de kerels zaten te zuipkonkelen, drentelde nog met koffie door de kajuit, ingebukt z’n kop op borst.—Toe skiet op! main die koffie!.. barstte Dirk ongeduldig uit, toen ie den kerel zag voorbij stappen met zìjn bak dampende leut.—[160]—Mo’ je van main nou nog wa’ mooie duiveke’s hewwe?.. vroeg de venter achter bankrug, met halve tronie er boven uit, oogen en neus strak gericht op Grint.—Niks gedaan!.… ik hep d’r net waa’k ankèn hee?.… daa’s achtien bos!—Mo’ je de mand pieterselie nog veur ’n kwart?.… mit ’n slokkied’r op! krijschte uit de kajuitstrap, ’n rood-bukkende kop, boven zwaar-tonnigen buik, van ’n groenboer, schreeuwend naar ’n volgerookten kajuitshoek. Met hakkenstommel rumoerde hij op bovenste koper-beslagen tree.—Mit ’n happie d’r òp is ’t daan, krijschte uit rookdiep hellend achterend ’n stem terug en ’n paarsige zuipkop op mager lijf, donkerde vóór, uit nevel van boeghoek.Bij de kajuitstrap bonsden ze tegen elkaar-op. Dikke zuiper graaide centen òp van mageren zuiper, stopte den kooper ’n mandje zoet-geurende pieterselie in de knuist. Gretig slurpten ze hun borrel in, al klaargezet op buffetplankje door schenkster, die ’r klanten kende.——F’rek, daa’s nog hardstikke vol hier, bromde de dikbuik, met ’n zwiersmak z’n glaasje op buffetje bonzend. Strompelend wrong ie zich, snuivend en hijgend, door eng trapje naar ’t hek.—Magere pieterseliekooper stapte weer harkerig terug naar den kleurig-duisteren boeghoek. Telkens dáár, ’n ander nevelbrok van rooksfeer schemerde wolkerig òp, tusschen lichtkrinkels en wit-vuur van zonnespuiende open kijkgaten; weefde in diffuus licht, violet-zilverende damp, flakkerend en geheimvol tintfijn boven de donkere diepte van babbelkoppen, rookmonden, haar en handen. Eén wolkerige sfeer van rookglans rond duistere, in woelige diepte verdompelde menschen.Van rechts schreeuwde ’n vrouw, midden uit ’n kakel-groep, naar den rookboeg tegen ’n kerel, ’t meest voorop in den damp:—Nee!.… da’ waa’s ’t snuitwerk van Henk.… hai kwam ’n kiekie loere onder de trap hee?.… moar ’t waa’s vast Henk de koalbuik!—Henk de koalbuik? lachte de kerel, Henk?.… Heé joa’ twee brandewaintjes mi’ suiker veur de doames … en nóg twai[161]veur main aige hail hee?.… Nou Oàf!.… ik seg je dàn.… da die Henk d’r sain aige beeste la’ f’rhongere!——Nou, daa’s main ’n merk! de fint is d’r tuureluurs.… in de eeuwighait in de loorem.…—Daa’s klesseneere, daa’s klesseneere, bulderde de vent uit rookhoek naar ’t vrouwengroepje, hai lait s’n borrel glad.… hai likt s’n urretje op sàin menier.… moar de fint.… ken d’r puur sain honde nie te vraite gaife.… s’n aigeste beeste.. da benne d’r vaif!.…—Hee.… hee!.… Dirk.… hai jai hoort da’ die trekhonde.… van.… vàn Henk.. de koalbuik.… da die d’r twai skoape van Jaanse van de Lemperwai hep afmoakt.… se hebbe de baiste puur van malkoar skeurt!—Nou.… wa nou?.. schreeuwde Rink terug.… daa’s tug krek eender.… al die honger-meroakels.… die tuinders doar.… die Lemperhoek uit.… se hebbe d’r vast selfers niks, te fraite.. Is d’r netuurlik, daa’s sullie d’r honde snachts skiete loate! kenne sullie d’r aige potje soeke.… en woest aa’s die krenge binne.… se f’rskeure je.… van malkoar.… Bi-jai-’t-Hain!—Nou ’t is d’r ’n klussie, blerde de breivrouw knorrig, dwars door ’t roezemoezige gekakel van andere schelle stemmen uit ’t vrouwentroepje,—’t is main ’n klussie.… main baiste legge d’r vast.… en fraite d’r aige vetje.——Wa’ sa’ je màin d’ran jokke.… laikt t’met of sullie ’n botertonnetje inslikt hebbe, soo ke’ je hullie ribbe aa’s hoepels deur d’r pins siene hainsteke.…—Nou, zeurde een venter met geknepen schor geluid, wai binne aldegoàr noakend!.… die beeste motte f’r aige kossie skarrele.… se hebbe d’r gain fraite veur.. voed jai d’r noà hullie g’noege! vaif kaire t’met.… Se benne d’r soo ellendig sterk.… en bloeddorstig.… enne uithongerd.…Van boeghoek waggelden de kerels òp, uit donkeren achtergrond, en dwars door de groen-violette wolksfeer, in ’t oogen-vuur der kijkgaten, sloegen de lijven en handen van opstaande en gaande kerels, een storm van lichtschokken, groot-donker in de rooksfeer, die zacht gloei-kwijnde in dampigen flakker[162]bòven de banken.—Meer kerels stapten op, met d’r koppen zoldering rakend, sloegen door den walm heen, waggelden naar voren, bij trapje, plots onder ’t felle lichtgat uit kajuit-schemer, áángloeiend in zengend zonnegoud. De boel bleef leeggeslemperd, vermorst-suf op de banken staan.Groote stad was in zicht, en van alle kant grepen de venters hun goed bijeen, manden, pakken, kisten. In groepjes, achter elkaar, drongen ze eng kajuitstrapje af, en met koopwaar op nek en schouders, rumoerden ze zich in woesten woel, los over ’t dek.

[Inhoud]III.Om drie uur den volgenden ochtend, kwam er kort-driftig gestommel in de duister-beluikte woonkamer van ouën Gerrit. Zurige zweetlucht vervunsde uit de krottige slaapholletjes. Dirk uit ’t donker bedsteetje, was opgesprongen, òver Piet heen, nog slaperig en gaperig, rauw van pijn, geradbraakt van vermoeienis en katterigheid. Branderige matheid voelde ie door z’n lijf loomen. Driftig schouerbonkend stootte ie Piet op, die nijdig even gromde, maar dadelijk weer insnurkte. Dat maakte Dirk kregel en snauwender porde ie ouë Gerrit en Guurt, dat ruw z’n korte stem, kamerochtend-stilte doorscheurde. Wijê gapen loeide ie koeïg door ’t vertrekje, dàn vlak tegen beschot, dàn vóór bedsteedonker, telkens zich rekkend in achterwaartschen lijfkronkel, armen omhoog gerengeld en vingers verkrampt in slaapzoeten wellust, dien hij machteloos-heerlijk door z’n lijf voelde terugstroomen, tegen z’n luiigen lijfrek in. Langzaam slofferde ie op z’n kousen naar buiten waar ie de luiken van de ramen losmorrelde. Onder de pomp beplaste hij z’n gezicht, luchtigjes met water, vies van ’t nattige dat z’n hemdsmouwen en hemdboord beklefferde, en in branderige straaltjes tot op z’n naakte borst afdroop.—Guurt was gauw opgestaan.—In ’r nachtpon, haarhang opgebonden in woesten kronkel, maakte ze vuur op ’t achterend, drentelde rond de stellen en zette boterhammenkoffie.—Ouë Gerrit en Piet in hun rooie onderbroeken waggelden nog slaapdronken en grommerig door de kamer, loom en lijzig hun bovenkleeren aansjokkerend. Even bleef Piet hang-zitten op z’n stoel, klepten z’n oogleden dicht, hield ie z’n stinkende pilow, half over z’n dijen getrokken, slap in de slaaprige, krachtlooze knuist. Ouë Gerrit, in schreeuw, schrikte ’m wakker.[123]—Wà sloapmus, jai toch, gromde ie, soo’n jonkie!Na ’n kwartiertje rondgeslenter en gedribbel, sluipzacht op ’r kousen, had Guurt de kerels bakken koffie en hompen brood voorgeschoven. Gretig schuifelden de mannen hun stoelen áán, neerblokkend met armen op tafel, hoofden gebogen over hun dampende koffiebakken, slurpend, gaperig, rekkend en korrelig-stil. Rond hen, walmde slaapstank van ’t kamertje, dat al zacht volgevloeid glansde van vreemd, gloed-stil ochtendgoud. Roodflonkerende zonnedans koperde bliksempjes op de staartklok-gewichten, op ’t pronkstelletje, tang-pook-schep, onder het schuingetimmerde, versierde hoekschoorsteentje.—Langzaam, in bedaarde ouderwetschheid tiktakte de klok, zacht-vlammig aangegloeid rond de gewichten.—Guurt had ’t duifje losgedekt en daadlijk koerde z’n kopje als van verre, droef door de kamerstilte heen, waar alleen smakten en slurpten de wreede werkersmonden, en de klok dreinerig ti-jik.… tàkte.…—Moeder Hassel lag, met opengesmakte deuren, de kamer in te staren, bleek beslaapmutst hekserig hoofd, op peluwgrauw, de uitgedoofde staaroogen naar de slurpende kerels.—Ze hoorde koffie slurpen; dàt geluid kende ze. Ze zag ’t, voelde, besnuffelde ’t, met wilde, gesperde neusgaten.—Dàt geluid haakte vast in ’r ooren, ’t hoofd, bleef in ’r herinnering leven.… Woest instinkt naar koffieslurp.—Telkens gretig, even keek ze naar Guurt, als wist ze nu klaar, dat ze ’t van die moest hebben. Maar de kerels hapten door, slurpten onverschillig. Guurt klepperde nog ’n roodaarden bord voor hen neer, waar ze weer hompen brood op afsneed, slurpte zelf mee, gejaagd zittend op stoelpunt, ongewasschen in blauwkorten onderrok nu. Stil slurpte d’r mond in doorzond ochtendgoud van kamer, ’r blond hoofd in stil aureool. Buiten, achter ’t raam, glansden de akkers in aanbrandenden gloei van zonnekomst.—Nou Ouë, gromde Dirk plots, kauwend en slikkend dat ie niet verder spreken kon eerst—aa’s ’tr nou moàr puur om drie uur, de oarbei-boel dur stoan, an de markt hee? daa’k[124]hullie om vaif uur an de kant hep in de stad? kaa’k t’met nog ’n hooge markt moake.. hee?—Sel d’r weuse.… mi sonder mekeere.… Hoho! ho!.… Piet loait op.… en Kees goan de hoàfe langest.…—Hier-op-pan! aa’s Kees de hoafe opgoàn, ken ie t’met oploaje ook.…—Hoho! dà lief ’k nie! dà lief ’k nie.… die suupt te veul.… die hep s’n skoenlappertjesmoandag.… enne.… dá’!.…—Wa’! Kees?.. Kees suipt?.… krijschte Dirk uit, ’n stuk brood, dat ie half al in z’n mond gestopt had er weer uithalend, met ’n web van fijne spoegdraadjes,—f’rvloekt aa’s de fint één borrel lait! jai suinege Job!—Hoho! vier en vaife en nie g’nog! bars jai nie uit!.. soo vroeg in ’t morgeuur hee?.…—Wa’.… éénmoal.. andermoal.. ikke wil dá’ Kees oploait.. Piet hep s’n aige dood te plukke op haide.. En denk dur om.… niks aa’s oarbaie.… Op haide voart de boot twee keer!.… ikke goan doar.… om veur van … om twaalf uur is t’ie d’r wair.… sel main ’n dotje weuse op de kant!.. snof’rjenne, gain ploas om je klompe af te trappe, waa’n klus.… ’n drukte op de boot.… sullie dringe hoarlie aige t’met hardstikke dood.. hoagelvol!Ouë Gerrit was opgestaan met ’n smak z’n koffiekop op tafel neerstootend, dat vrouw Hassel in ’r bed opschokte, iets brabbelend uitstamelde. Nog had Guurt ’r geen leutje gebracht. Onrustig, hongerden ’r oogen naar ’t zoete vocht, dat op stinkend petroleumvlammetje konkelde en leuterde. Ze besmakte ’r drooge lippen, zonder dat ze vragen durfde, vragen kòn. Besefloos Guurt te roepen, uit angst voor nijdigen snauw, in ban van trage dofheid, bleef ze staren, vroeg ze toch met ’r oogen, zonder dat iemand uit de aanlichtende kamer naar ’r omkeek. Gerrit, handen in zakken geknuist, keek met z’n neus op ’t raam gedrukt, naar buurman’s tuinderij, waar nu alles groen-goud in den ochtend-tintel gloeide, doorvonkt van dauwig druppelvuur.—Ochtendstilte, uit paadjes en wegjes,[125]ruischte rond de tuindershuisjes en de roode bedakingjes vlamden licht-hel.—Vandaag zou ie wat te plukken hebben, mijmerde Gerrit, speelsch drukkend z’n neuspunt tegen ’t ruit, wiebelend op z’n hakken. Z’n rug zwoor en stak van pijn. Maar ’t most, most nou. Hij had al dagen achteréén onrustig zitten piekeren, dat ’r geen regen kwam, gejaagd, nou de boel zoo droog stond. Maar nou most ie maar doèn, doèn en niet seure.…Met hun drieën waren de kerels over ’t erf den tuin ingestapt. Guurt drentelde weer op ’t achterend, spoelde en sjokte, terwijl de kamer in ruischender glans van zonnige ochtendwarmte, sterker aangoudde, tot op ’t slaapholletje waar vrouw Hassel staarde, en besmakte ’r droge dorstlippen. Op de tafel brokkelden nog broodhompen. Aarzelende glansjes van schichtigen prismaschijn uit geslepen spiegelrandje, kaatsten trillige vlakjes rood, goud en groen, op twee rood-aarden doffe bordjes.Daar stààrde ze op, vrouw Hassel, besefloos en traag, tot ze de kleuren voor ’r oogen zag verflakkeren.—Buiten hurkte Kees al, in pluk bij de erwten. Nog ’n uur bleef Dirk werken op ’t land, achter de wortelen. Eindelijk werd ’t tijd voor ’m om op te stappen naar de haven. Nog ’n mandje pieterselie en postelijn, schokkerde ie over den schouder en stil liep ie den weg op naar de boot. Nou had ie zich nog puur te haasten merkte ie, toen ie even achter ’t ruit gluurde, hoe laat ’t was.—Kwart voor vijf. Om vijf uur precies ging de schipper van wal.Zwaar hijgend, z’n mandjes dobberend op z’n rug, kwam ie snel de haven opbeenen. Maar „Tuinders Geluk”, de boot waar hij mee voer, lag er nog rustig, met vier andere schuiten achter d’r áán, hoog gestapeld ’t schel-groene van kroppen, beflonkerend aardbeirood en wortelenoranje, tegen den blauwen luchthemel in, die diep en wijd lichtte, in strakke, fel-heete zonnigheid al.—Op àchter-en-voordek, stonden de groenboeren saamgedrongen, in hun sjofele plunje, tusschen de dreigstille punthoekende hurrie van hoog opgestapelde kisten en mandwallen, waaruit[126]zwavel-zoete geuren walmig verwasemden. Tot onder den stuurstoel, stapel-brokkelden de aardbeikisten en langs de reeling, propten, saamgekneld, bakken, vaten, manden, zakken, dat de kerels en vrouwen, in bochten er tegen elkaar opgedrongen stonden. Enge doorgangetjes, kronkelden tusschen de ladingen, waar ’t landvolk elkaars lijf beschuurde, schreeuwerig verscharrelend en ruilend koopwaar die ze te veel hadden. Tusschen zakken gekneld, op manden of kisten neergestooten, sjacherden de zwoegers, klonken òp de gesprekken, levendig, krijscherig, overgoten van duffe groentestanken uit de achterkajuit opwalmend, voos en duf, zuur en ranzig. Aardbeien zoetten ’t hevigst en weeïgst tusschen de mestige koolstanken.—Zwaar dampte uit, in de broeierig lange boot, hageldicht bestapeld, de stinkende kleeren der tuindersmannen en vrouwen, de zweetlijven, wàrme walg tusschen de gronderige stanken van ’t groen.—Prachtig, jubel-fel schalden de hooge groentebergen als festijnen van licht, tegen ’t doortrilde, in zon-zwemmende lichtblauw. Daar onder, barokke wal van kleur-woelige kisten, met donkerder groen in onderschepte glansdempingen. Maar hoog-schuimend, gloeide kleurbrand van aardbeien boven alles uit.—Versjofeld en kleurbemorst, scharrelden de tuinders bijeen, in de vroege ochtendboot, al meer, al méér, achter elkaar. Galm-luid, de klok van hoogen katholieken kerktoren sloeg vijf, bevend in de wegstilte en havenrust. Laatste bootsein van vertrek liet kapitein zangbassen over de ochtendleege havenkaai.—Wat karren met aardbei-aanvoer ratelhotsten kei-beukend weer weg, wreed rumoerend door de morgenstilte. Bas-zang van pijpen bleef seinen, als stemmegroet van tuinders naar de verre makkers op ’t land, dat de reis naar de stad beginnen zou. Een dekknecht van „Tuinders Geluk”, had plankier gelicht en ingeschoven, reeling saamgehaakt en kaptein was op z’n stuurstoel geklommen. Statig liet ie draaien, ’t kanaal in.—Uit ’t boothart schokkerde machinedreun òp. Achter ’m aan, zongen pijpen van andere tuindersbooten, stemzwaar en hevig vibreerend, dat de stille starende ochtendlucht[127]sidderde onder ’t dreungeluid. Plots klonk jagend geroep, onder zwaar lommerende kastanjelaan uit, van twee groenboeren die zich verlaat hadden en meemoesten nog met „Tuinders Geluk”. In vlieggang holden ze langs de stille huizen, kei en sintelpad over.—Piet Groome en Anseeler, riepen ’n paar van de boot, over de reeling gebukt,—hee keptain! t’rug!.… twee van Lemmer! Hij had ’t al gezien, toeterde wat zangerige woordjes door z’n spreekbuis naar machinekamer, waarop boothart heviger bonkte, de voorboeg achteruit bijdraaide, dat de kerels in hollende vaart, rood-bezweet, nog net tusschen kisten en manden, over verschansing, heenklauteren konden.—Achter „Tuinders Geluk” lagen nog drie booten, „De Dageraad”, „Ons Welvaren” en „Weltevreden” met tuindersvolk van heinde en ver saamgestroomd, ongeduldig wachtend op vertrek van de voorliggende schuit. Ook daar stond ’t landvolk, achter en tusschen de aardbei- en groentebakken opgepropt, ingekneld; één donker-dreigende, sjofele kerels-stoet, vlak om ’t koelscherm van machinekamer saamgepakt, wegzwartend onder rookwolken van stoompijpen, die dreun-zangerig doorbasten als duistere stem van zwoeg, somber-smartelijk, in den fellen klaterenden zonnegloei van polderlucht, in ’t eindeloos blauw, en weigroen.—Stil zoeften de booten achter elkaar áán, de kerels en wat vrouwen, al meer opeengedrongen, donker tusschen den frisschen jubel en stoeiende kleuren van hun vruchten en waar. In de havenstilte, roerloos weer na zwijg van pijpzang, verdwenen de bootenéénna één onder lage spoorbrug, ’t kanaal in, dat wijd-geplast, zilver-vonkte en dampte tusschen onmeetlijk poldergroen. Stil druischten de kerels weg van wal, de donkere opgepropte stoeten, in de ochtendglorie; zittend of half hangend op en over de verschansing, beklemd tusschen de neerbrokkeling der stinkende kisten, als ’n bende vervuilde schooiers en melaatschen, naarstiglijk verpakt en versjouwd, onder den heeten jubel van hun vruchtengloed. Al de booten waren „Tuinders Geluk” voorgedraaid. Langzaam zoefte die eindelijk, achter[128]de andere áán, onder de enge spoorbrug, zacht-schuiflende pàl langs wanden van brugbogen en pijlers.—Dirk stond ingehurkt naast Klaas Grint, die weer aanleunde, half tegen twee vrouwen, een lange, met ’n gore steekmuts op, de andere met ’n donker rood-wollig kapertje over ’r hoofd gefrommeld. Vóór de vrouwenbuiken, spannend gestrakt onder boezelaar, hoekten kistenstapels waarachter weer ’n stoet kerels gekneld stond.—Tjonge.. Tjonge.. d’r’is nog puur wâ wind op de ruimte hée?.. zei met vertrokken gezicht Klaas Grint, naar de lucht kijkend.—Daa’s net bromde Dirk terug.… hai jai ’n pruim Kloas? nou he’k f’rdroaid main sak legge.… loate!.…—Bi-jai’t Hain!.. lolde Grint, da’ sel woar wese.… roep jai sàin d’r bai op Sint Jan hee?.… hier!.. pak-àn.. moar mondjes-moat.… oue!„Tuinders Geluk” was ’t groote kanaal ingestoomd. Zacht kabbelden watergeruisch en schuim-zilverende vloedgolfjes langs de kanten. Zweef-luchtig zoefte ’t schip voort, tusschen ’t eindelooze poldergroen, bedauwfonkeld met vuurdroppels van trillend leven, robijnen weerlichtjes, en vurig smaragd.… Uren ver, verfonkelde nat goud-groen, glanzend en uitwebbend kleurige hette. Heerlijk frissche windbries stoeide luchtzuiverend om de boot, de voosduffe geuren en stank-wasem wegflapperend, ’t koele waterruim in. ’n Troep tuinders was achter de pijp geklommen, op zwarten kop van machinescherm, waar ze luiig neerhurkten in zonnegloei, of schuin opstonden achter den rooker, koppen fel omlijnd tegen luchtjubelblauw. Er was drukke stemmenhurrie onder ’t landvolk, gesnater en gelach tegen vrouwen, en overal brandende lust om van landgescharrel, marktwaar en prijzen te spreken. ’n Paar tuinders met fluweelig pilow-zwarte vesten en dof-zijden pofpetten, trommelden met hun gekleurde pantoffels, op ’t verhitte plaatdek van machinekamer, ’n orgeldeun meelallend. Plots de bootbode, kerel met roodgezwollen snuit, akteurskaal en voor-den-gekhouerigen, paarsen drinkebroersneus, werkte zich los uit[129]stemmenroezemoes en scharrel van opgepropte tuinderstroep.—Z’n blauwig-glad geschoren komiekenkop grinnikte leukjes tegen z’n volkje en grimassig sprong ie op ’t veilbankje, hoog boven woel-massa uit, grabbelend in guitig steel-gebaar, met z’n hand in ’n grauwen zak.—Tegenover hem, op zon-doorhit koelscherm, zat luiig ingedoken tegen de pijp, ’n kerel met notitie-boekje, klaar om te schrijven. Bootbode, die onder reis van Wiereland naar groote stad, te veel waar van tuinders-zelf in veiling moest brengen, bleef rammelen in z’n zak, lolde wat tegen de kerels onder ’m, dat z’n roodfrissche wangen bolschaterden, sterker zwollen, z’n blanke tanden uitwitten onder z’n bieteneus en tusschen plaatjes-mooie helrooie lippen, hagelrein. Hard en stalig klonk z’n stem, toch vol, met ’n galm er in, als nadreun van klokgelui. Telkens uit den zak, vischte ie ’n blikken nummertje op, afroepend wie d’r ’t eerst veilen zou. Zoo regelde hij de beurten, schreef z’n maat, tegen de pijp, in kookzon luiig weggedoken, namen van veilers op.——Wie mot ’r ’n nommer?.… Gijs Janse! Kaike?.. daa’s vaiftien, klonk hard-galmend z’n stem door den koelen bries-stoei, klank-zangerig Wierelandsch.—Bekermaa’n.… achttien?.… Grint.… drie en veertig! Hassel.… ses-en-dertig!.…—Main d’rook ain!.. riep ’n tuinder uit achtergroepje, die nog wat kwijt wou wezen, hopend op ’n begin-nummer, om ’t eerst te kunnen veilen.—Vaif-en-veertig!.. Nailis Roskam.… hee! „netoàris”… Roskam!—lachte de Bode, lolligjes met oolijken oogenknik naar den „schrijver-notaris”, die luiiger weggedoken lag achter de pijp.—Logge megoggie! nou ka je wachte, gromde de pachter, woest dat ie zoo’n laat nummer beet had. Nou was ie zoo heet geweest op ’n begin-blikkie.—Stem van Bode bleef afgalmen de nummers met veil-namen, en telkens lacherig, uitblankend z’n tanden, bloed-rooie lippenmond wijd open, kraaide ie schooirige grapjes uit, strooide ie schalksheidjes en hekelwoordjes boven hun hoofden rond, omgierd van terugkonkelende[130]stemmen en giegelende kreetpretjes. Telkens klauterden andere kerels op en af ’t machinescherm, naast en tegen de pijp lawaaiend, rond den „notaris”, die overal spottend om z’n eeretitel beschaterd werd. Van hun hooge standplaats schreeuwden ze mee, boden, kochten en verscharrelden, de koppen, warm en zweetbedropen, paarsig en brons-nat, rood en geel-grauw aangegloeid in zonnebrand. Van achterdek af was alles plots naar voren gedrongen om vlak bij Bode te staan. Op kisten, morsige vaten, walm-stinkende manden en zakbulten, hingen en hurkten de kerels, in struikel en klauter, achter elkaar opgepropt.De achtersten, ver van den Bode, loerden tusschen schoudergeultjes van vóórstaanden, in drom saamgestrompeld, heet op den scharrel.—Veertig! vrouw Plenk.… dreunde Bodestem.… vaif.. vrouw Boterblom.… naigtien.… mamselle Kiester.… sestien.… vrouw Zeune!.…Eindelijk had ieder z’n nummer, kon de veiling beginnen. Zacht briesden en woei-koelden luchtige windscheringen over ’t smoezelige, walm-stankige dek, als ging er tochtige wiekslag van vliegende vogels rond. Recht voor den boeg, sprankelden waterglanzige sparteltjes licht, violet-zilverig, paars-goud, kabbel-deinend hemelblauw-vuur, dat in schuimig golfjes-spel zich heet verbraste in damp. Tusschen de fel-groen bezonde ochtend-oevers, komde in eindloozen kring, ’t vlakke zonnignevelende polderland, in vochtige ochtendpracht. En overal rondgekringd, goudden de lage hooi-schelfjes, tusschen siddergroei van korenhalmen, brokken weiland, ontsluierd uit morgennevel, uit nat-dampig goud en zilverende gloeiingen. Schitterig flitste ’t dauw-vuur, dat mijlen ver, weiland aan weiland in arabesk vonkspel omtooverde.Bode op z’n bank, hoog boven de opgepropte tuinders uit, al dichter op één punt van de boot bijeengedrongen, klankte met z’n jolige, rauw-heldere spotstem in:—Wai selle d’r beginne met seve-en-twintig pond raspers van.…[131]—Neelis Skorpioen.… las „notaris” haperig af van z’n lijstje.—Van Skorpioen.… uit Slangetje.… wie sait dur ’n gulde! daa’s vier sint ’t pond!.…Inmiddels had ’n tuinder, ’n zwaren zak doppers losgesjord uit kistenrommel, zich door lijfgedrang heengewurmd, z’n waar, àchter koppen, vaten-stapels en manden-torens, met krampigen arm, hijgend op veilbank vóór Bode neergesmakt. Dadelijk grabbelde die, met één hand tusschen de groene vruchtjes, liet ze speelsch rond z’n vingers glijen en riep weer opjagend:—Prechtig jong goed!.… ruikt puur aa’s.… oo-de-kolonnie!.… wie sait dur.…—Tachtig, krijschte ’n stem uit het menschkluw op de koelkast.——Tachtig, vaif en tachtig, draafde Bode door.…—Naigtig! zenuwachtig scherp, piepte ’n vrouwestem onder de pijp uit.—Naigtig, zang-dreunde, hard-klaar Bode’s geluid nà, tusschen bries-stoei en koelen kabbelgolfjesruisch in.… Naigtig.. vaif en naigtig.… da goan.… eenmoal.… veur de derde moàl.… Rietvink!Pachtertje Rietvink had ’t laatst geboden, kreeg erwtenzak over koppendrom naar zich toegesleept en warm wroetten en graaiden z’n armen, tusschen ’t heete gedrang en getast van lijven. Dwars achter de pijp, waar ’n groep kerels zich spitste op ’t veilgoed, en uit alle hoekjes gretige kijk rondging, klonk dof gestommel en geschuur van voeten op stalen plaat en kijverige stemmenroes, warrelend en schreeuwerig als gesmoorde ruzie.—Halt doar Kempees, krijschte de Bode naar de pijp, t’met d’r al heet! nog gain hallef ses … je hep dur puur nog ’n vaiftien uur om malkoar an rieme te snaie hee?.… kaik hier!.. is dur twintig pond mooie kapcainders.… wie set.…—Tachtig! schreeuwde daad’lijk ’n venter, stemschor, rauw.—Tachtig, van fier kant gelaik!Vrouw Banke, met’r zwartig-rood kapertje over ’t hoofd, ’r korte, spek-vette, trillige armen, boven ’r tonnigen romp-buik,[132]grabbelde in den kapucijnerzak dien Bode op de veilbank sleepen liet.Lacherig schalkte ie, hoog boven de venters uitkijkend:—’t Benne gain kuite.… vrouw Banke.… je ken dur sain nie knaipe!Gegier stortte in, en heeterig aangevlamd in hartstocht, tapten wat kerels schunnige moppen, die vrouw Banke met minachtend lipgepuf afweerde.Bode had toegeslagen, en telkens weer ’n andere venter kwam op àfroep van zangnummer, van achter, bijzij, uit kajuit, door den opgeknelden menschenkronkel heenduiken, met zware zakken of bakken boven hoofd en onder arm, alles neersmakkend in vloek-heeten sjouw-zucht op veilbank voor den Bode.—Nou he’k vaiftig pond piek-faine groentjes!—’n Gulde:.…—Een-tien.… een-tien.. mi je drieë.… een vaiftien!.. een twintig.… mi-je viere.… een vaif.… een dertig!.…Overal keek z’n rood-frissche kop rond, lachte z’n lichtpaarsige wipneus, drinkebroer-komisch, kleurden z’n wangen alsof vrieswind ’n blosgloed op z’n kaken geschminkt had. En hagelwit lachten z’n tanden, tusschen z’n hel-rooie lippen, bij elk opbod. Hoog pagaaiden z’n arm-gebaren door de lucht, hitste z’n stem de venters op. Achter en om koelscherm bleef roezemoes gonzen van kakelwijven en schorrige kerels, rond ’t zwarte stoompijp-gevaarte.——Nou he’k nog twintig pond prêchtige loage woaltjes hee? eerste prime-kwoaletait!.. hai jai doàr!.… kalf-mi-je-natte neus!.… hoeke motte ’t weuse?.…Op plaatdek van machinekamer, dat gloeide van stoom en zon, trampelden de kerels ’n deuntje, brak weer herrie en gestrij los, tot de Bode er met z’n staalharde stem weer tusschen invloekte. ’n Knappe donkre vrouw, was uit ’t gedrang opgesjokt, met ’n zwaren zak voor d’r buik, dien ze met knieduwetjes opsjorde, en in blaas-zucht smakken liet op veilbank. Haar kop droop van roodzweet en gloeiing.——Dominie hiet! paa’sd’r open bran je bekkie niet, schaterde[133]de Bode.… seg vrouw Reep.… soo is dur puur gain vatte àn.… hee doàr!.. help jullie ’t goeie mins ’n handje sjorre.… hooger òp.… soo!.… soo is ’t broaf!Plots gulpte de zwartmastige pijp rook uit, verwaaiend in roetgolvende mistkransen over de tuinderskoppen, hun rompen wegdonkerend in roetbruinen damp. Ze kuchten en vloekten de werkers, achter den brons-zwarten mist, en stil éven bleef Bodestem weg. Maar daadlijk uit wegroeting van rook kwam ’t afgeroepen nummer opzetten, naast de donker-vette vrouw, opdringend met blauw beschilderde manden.——’n Uijtvinding, lachte de Bode, blauwkokke in ’n beskilderde skulpmand.… hi-hi!.… nou minse.… wa segge jullie veur veertig pond blauwkokke!.. prechtige kapcainders!.…Snel en stemme-knetterend joeg opbod-jacht tegen elkaar in.—Ke jài die nie hebbe Dirk, jai hep tug gain blauwkokke teelt!—Es kaike hoeke se goan.—Sestig.… tachtig!.… tachtig.. allegoar!.. Bi-jai-t-Hain!—Naigtig! viel Dirk kalm uit.—Hij kon sullie d’r bestig bruike.… bai s’n aige doppers.… had ie vroag veur bai s’n klante!.…Meer en meer doppers werden opgesjord naar veilbank, en haastiger wisselden de venters hun waar uit. Zak op zak bonkte neer voor den Bode, en woester grabbelden z’n vingers in ’t groen.—Vóór de veilbank gedrongen uit achterste rij, stond ’n oue, beverige pachter, knorrige kop met ingegroeid zwarte vlekken op z’n neus en mottig voorhoofd. Aan z’n bepukkelde kleine oortjes, glimmerden koperig-gouden ringetjes, waar ie telkens met beverige handen naar greep, aan trok en kneep, dat z’n lelletjes bloed-rood gloeiden bòven z’n bontvervigen halsdoek, die morsig om z’n vest kreukelde.—Veur ’n f’randring.… vaif bosse duifeke! wie set dur in!Laag, armen uitgestrekt, hield Bode de bossen wortelen in z’n hand, wortelen, breed-puntig als priktollen.—Die mo’k main hiete![134]—Aràit!.… moàr se sitte vast an twee mandjes postelain.. wie sait dur wá’—Harder, staliger klonk z’n stem, uitdagend, verwaaiend in brieskoelte.—Onder koelscherm uit, kwam roetige negerkop van stokersmaatje koekeloeren. Langzaam groeide zijn lijf hooger òp uit de, hittesfeer rondschroeiende machinekamer, waar ’t heet stootte en bonkte in treinrhytmus.… De stikwarmte uit hamerend boot-hart vloeide rond de groenten en vruchten, stookte en gistte ’r zwijmel van stankdampen. Tusschen de tuinders drong stokersmaatje zich heen, naar ’t dwars-vat met water, gretig loerend naar ’t kraantje en wit-steenen kom. Z’n roetige handen graaiden haastig door opening tusschen wat venters, naar drank. Gretiger nog omknelde hij ’t kraantje, met z’n beenen en romp weggedrukt achter de woelige jagende veilers, die in vuur van koop ’m niet doorlieten. Stil werkten z’n allééne handen en armstompjes in woeligen grabbel, als afgehouen levend, tusschen wat kleine ruimte-spleetjes, lieten ze ’t waterstroompje de kom inkletteren. Zacht-voorzichtig werkten de roet-handen zich weer achteruit tusschen de lijven door, de zwarte vingers krampig strak in greep om den wit-steenen rand gekneld. Gejaagd slurpte stokersmaatje, ingebukt àchter de ventersruggen in klokkende lafenis, z’n heete keel vol koude vloeiing begietend. Weer woelden z’n handen en armstompjes naar voren, tusschen dijen en koppen van laag zittenden, en weer slorpte ie bak na bak lauw vat-water in.——Gaif main d’r ook us ’n koppie, kost tug niks hee? lolde Klaas Grint.Maar roetgezicht van maatje, waarin de oogen nikkerig met ’t vreemd-wild wit hadden òpgelicht, was al weer verdwenen achter de kerels, in de stoom-heete, blakerende machine-kamer.Weer acht bossen tolronde wortelen bracht Bode in veiling. Drie tegelijk dongen gretig, heet.—Ksj.… ksj!.… katjes! joag d’r malkoar moàr op.… schaterde de Bode.… dertig sint!.… veertig.… mooi soo.. ksj!.. kaik!.. da’ hai je Antje Meele.… kom Teun!.. gaif toe!.… gaif toe.… ’t is tug ’n maissie.…[135]Teun lachte, was blij dat ie van ’t bod af was, begreep den vrindenwenk.—Vaiftig.. veur de derde moal.. Antje Meele.. hai je-en-hoord netoàris?.. nou doar dan.… anpakke maid! g’luk d’r mee.… aa’s sullie dur nie veur aige bik benne!.…Over de koppen zeilde Bode de bossen naar Ant Meele heen, ’n rood behaarde, slank mooie meid die opgedrongen stond, tusschen de rumoerige kerels. In vaart nog greep ze de peenen tegen ’r borst op.—Nou he’k drie bakke mooie sloà.… nie te sien.… mo je-en-gloofe.… op éere-wachtwoord.… stoan … onder kiste-stoapel.… bai àn wal te kraige, drie fersche bakke!.…—Sestig, plots zonder voorbod schreeuwde ’n mottige venter op ’n kist, weggeduwd achter twee vrouw-ruggen, èven in wippertje uitrekkend z’n hals, dat Bode net nog z’n pukkel-neus zien kon, voor hij weer snel in die diepte verzonk.——Sestig.… seventig.… vaif en seventig riep Bode, z’n hoofd draaiend naar allen kant, om te kijken of ’r opbod gewenkt werd in verre hoekjes.—Tachtig schreeuwde nerveus, de laagzittend weggeduwde weer, even opwippend, nù met z’n heele mottige kop boven de vrouwruggen uit.—Naigtig, van andere zij klonk ’t sarrend.—Roggemegoggel! f’rek jai!.… die flop is main de heule uchend t’met in de wiele.…. ikke ken d’r niks praise.… of hai is d’r bai.… nou ikke dankkie.… ikke mo nie meur.… wa jou Dirk?.…—Mo jai waite, binne d’r main soake nie!—Nou seg.… dá’ binne d’r drie bakke.… die je nie sien kenne.… drie bakke.… kroppies!.… kenne wel floddermusse weuse.… die sloà, hee?.… heuldegoar slap!.… ikke mo nie.… wa? wà?.… nog hooger.… hoeveul sait ie doàr?—Eén vaif schreeuwde Dirk, éen vaif.… je mag je wel hoaste laileke brompot!—Roggemegoggel! ikke mó’ nie’.… kenne wel puur floddermusse weuse hee?.… mijmerde ie voor zich uit, tegen de[136]donkere wollig-besjaalde wijfruggen op, met z’n weggezakten kop in de diepte.Van allen kant gonsde snater en rauwe klankenwarrel van stemmen. Zon gloeide fel, barnend, stoofde de stanken, de broeilijven, en al pafferend zweetten de kerels, in lollige rumoering van veilhartstocht.—Nou stoàn ’k tog puur van drie uur.… f’rdomd aa’s je hier sitte kenne, klaagde ’n tuindersvrouw, met morrend, moe-nijdig gezicht, ’n zwart breikous-stompje telkens van d’r borst, onder d’r kippige oogjes trekkend. Snel, in naaldflitsend beweeg breide ze mopperend voort, van ’r vingers-dansend draadgeweb, aldoor òpstarend naar Bode en groenten.—Geen gaatje plaats was er meer op de boot. Al de tuinders, lomp en hebzuchtig, hadden zich neergesmakt op manden of kisten of stònden op koelscherm. Dikke dijbrokken en achterwerk van ventsters, spanden ingekneld tusschen broeibeenen van kerels. Tegen de donkere pijp in ’t luchtbrandende blauw, leunde ’n troep beweeglijke werkers, lachend en krijschend, grimassend achter stillen rug van kapitein. Ze lolden met de breiende vrouw, die kippig en doodmoe van ingekneld-staan en hitte, niet veel zag van de waar, knorrig gromde, dat ze nog den heelen dag te sjokken, te venten had in de stad, in die pesthitte, en nòu d’r beenen al voelde als verlamd … En aa’s se d’r nou moar ’n kop leut kon naime.… ze had d’r dorst en honger veur drie.…Nerveuzer breidde ze door, tegen ’t hoofd van een kerel, vóór haar buik en beenen neergehurkt, d’r stuipig stompje kous boven z’n pof-pet komiekerig verkronkelend, onder de snelvingerige webberijtjes van ’r naalden en draad. Telkens flitste zon bliksemend licht op de naalden, die even hel-elektrisch gloeiden en schichtige flikkerpijltjes puntig àfslingerden, tusschen de sjofele kerels en hun morsige stankplunje.—Bode had uit de kajuit ’n borrel gekregen, gelijk met „notaris,” die in vadsige houding bleef luieren in zonnegloei, tegen de pijp aangeleund, den borrel in één achterwaartschen smak van z’n hoofd, z’n keel ingoot.—[137]—Netoaris hep ’m glat laid s’n happie!.. lolde ’n groenboer met afgunst, hunkerend naar eigen zuip.—Rooie kop van Bode lachte, mond-wijd.—Z’n tong klapte klakjes van genot tegen z’n gehemelte òp en prachtig z’n tanden glinsterden blank tusschen z’n vuurrooie lippen uit. Lustig hadden de venters den zoet-inglijenden borreldronk beloerd, want allen snakten naar ’t brandvocht, zalige lafenis in de venthitte.——Nog een borrel veur aige bik, veur de Bode, ironizeerde Klaas Grint.… enne een veur de „neerstige netoaris”.… daa’s veur sain drooge keel van ’t skràive … hei smoàkkert?Dirk veegde z’n mond af, watertandde, voelde flauw speeksel op z’n lippen klefferen, en van allen kant, de zwoegers rumoerden heete grappen rond, nou er zoo vroeg al door de „heeren” geheschen werd.—Strakk-en-an jullie beurt hee?.… beet de Bode terug.. En nou!.. manne broeders!.. luistert!.. tien bosse rebarber.. segge tien.… wie seit dur?.…Van alle kanten tegelijk, krakeelde bod tegen elkaar òp. Een vurigste, schreeuwde hoogsten prijs, bleef winner.—Veur Vink.… ses bos.—Nou he’k nog vaiftien.. wie sait dur? Weer daverden stemmen in golfstoot tegen elkaar in. Geraas kraterde los. Ze scholden, keven, nijdigden, nu de làter-geveilde rhabarbers veel goedkooper gingen dan de eerste.—Da’ binne dur gemoedereerde liefhebbers, grinnikte de Bode.… nog ses bosse.—In woesten slinger zeilde ie de verkochte stelen naar den groenteboer die ze gekregen had.—Gooi jai hullie moar in ’t bakkes hee, jai kailt moar roak t’met!—Nog vaiftien bosse vàn.… „netoaris?.…”vroeg Bode, doend of ie niet merkte dat ie ’n kerel pal tegen z’n pijnlijken neus gemept had.—Houweke!, schreeuwde achter de pijp notaris uit, met even oprekking van z’n hoofd uit luien armenleun.—Dirk bood ’t hoogst, kreeg ook, in joligen zwier, de heele vracht van Bode toegesmakt, pal in z’n armen. Maar nergens kon ie zich roeren, wist ie z’n bossen te bergen. Schuin[138]achter ’m hing al ’n rij manden, los, tusschen vaten en kisten.—Met de vracht z’n armen ingekneld, paf van zweet en hitte, bleef ie staan, tusschen de zittenden, hurkenden en woelenden; probeerde ie zich langzaam los te werken, met z’n zakken erwten en manden, uit het wasemende, broeiende menschenkluw.—Nou nog sestig pond witte kapcainders.… wá’ segge jullie nou.… de loatste ressies.… Veur d’n dag manne.… dappere vrouwe of te wel kenàu-Ha?.… neenet.… kenau.. boè seloars!.…Zwaar sjorde ’n zak uit ’n bres geboorden hoek, op veilbank. Half afgezakt van den zinken rand sleepte ’n pachter z’n waar bij ’n touw, blaas-hijgend van hitte. Maar niemand bood meer, dat woedend de kerel z’n vracht van den veilbank terug rukte, opbonkerde tegen beenen en hoofden, met ’n vloek achteruitstoof, rood van gift. Z’n waar schoot de bres door, die achter ’m weer sloot, knellend, walmend-benauwd.Tusschen den muur van koppen en ruggen, gromde ie nijdig nog:—Wâ suinige Job.… die laileke takkebos kaikt je an of je ’t d’r stole hep!—Nou wa’ dan.… pluk jai vaire van ’n kikker hee? aa’s d’r gain sinte binne, moedereerde ’n oudje, z’n neus hard snuitend met ’n vuil rood zakdoek, dat ie als geronnen bloedlap tusschen z’n beverig gelige vuist kreukelde.——Nou he’k nog vaif bosse wortele, schoof ie weer nijdig af bij ’n ander.—Dank hee?.… ken jou wortele nie hebbe.… binne main veuls te groot.—Loop jai rond, duufelstoejoager.… sain f’rassereerd-goed.—Disketeere komp hier nie van paa’s foàder!.. lachte de Bode.… wá’ há’ je nog meer?.… komt dur dan mee veur ’t licht hee?.… O? wà? niks meer? niks?.… dus je bin dur uit! Mooi!.… dan he’k hier nog ’n prechtig kisje ongetelde tuinboone.… Wie sait dur veertig sint.. veur die heule sak.… soo wait aa’s de broek van vrouw Zeune![139]—Vaiftig dofte ’n stem!—Sestig, er boven uit gilde één heeter, trillender.—Naigtig, ikke mose hebbe snauwde een ander driftig.Weer zag de kerel op de lage kist, weggezonken achter de stom-breede vrouwe-ruggen ’n koop afgetroefd door z’n veiling-vijand.—Even had ie weer ’n wipper van z’n bak genomen, den mottigen kop uitgerekt en gezien, met woede, dat ’t z’nouëtegenstander was. Nijdig trampelde ie met ingeknelde zenuwbeving z’n beenen naar alle kant, dat de makkers voor en achter ’m vloekten en duwden, om de bemorsing van hun plunje.——Ben jai daas snurkert! hak je beene d’raf, aa’s je hullie d’r nie stil houe ken.Weggezakt weer achter ruggenmuur, z’n pukkelkop gebukt, kookte ’t weer in ’m van drift, probeerde ie zichzelf wijs te maken, dat ’t toch veel te duur ging, hij zelf blij moest zijn dat ie ’r zoo goed afgekommen was.—Haa’k strak-en an meskien die floddermusse had.. en nou.… potdoorie.… die haireboone!.… ongeteld!.… sitte d’r vast gain duusend in.… magge veur main bestig hebbe.… haha, wat ’n dolle smak.… Nou.… ikke mo nie!.. wa?.… wà?.. hoeveul sait ie?.… kaik.… prechtig! prechtig, joàge hullie sain d’rais ook op!.….. kaik! nog hooger.. hoor main-dàt-t’rais an!.… kaik.… goan die nog hooger! hoor! daa’s d’r puur doas.… Wá’ brenge die op?… vast gain duusend in.… ongeteld! Gain duut!—Een vaif en twintig, staalhard, hortend klonk Bodestem.. mi je tweeë.. één dertig.… mi je drieë.… éen vaif en dertig.. één vaif en dertig.… een vaif en dertig.… éen moàl.… andermoal.… veur de derde moal.… Ritsema!Stomp keek ie, de hals rekkende venter, stomp op donkre vrouwruggen. Zacht, in zenuwnijd trampelden z’n beenen tusschen engte van lijven, schijnheilig overgaand in ’n deuntje op ’t doffe hout, en brommerig raspte z’n ventersstem, dat ie d’r niks van hebbe most, van floddermusse en ongetelde boone.——Nou nog veertig pond peule, bestige, malsige, soetige,[140]schreeuwde de Bode, nog de loàtste ressies en dan is ’t puur daan!Weer stortte ’n veiler rhabarber neer op de heet-zonnige zinken veilbank, die dampte van geuren als ’n wierookaltaar. Weer sjorden zakken doppers òp, en voort joeg onder proestlach en juichender krijsch, gedol en nijd, de roezemoezende koop; kwam er begeeren naar eerste schoft in de schorre, droge, heete keelen. Drukkender hitte gloeide en zwamde néér op menschenprop en koppen. Warmer stanken in zonnevuur, ontbroeiden op hun morsig vel, en de kajuit ademde wee-zoete luchten uit, van bakmuilen en grijnzende mond-manden, walmzwaar en duf-bezwangerd, naar ’t dek. Aardbeien, wee-zwoel geurden rond in ’n damp van benauwde zoetigheid, en telkens, in verschuif en versjouw van groenten, brandden de kisten hun rood uit, in zengenden blaker; kogelende vruchtjes vuur tusschen helgroen en zacht bleek, donker droef groen.—Groen, rauw als plankenkoloriet van Zaandamsche hutjes, omzond in heete murmeling van zomervreugd; tusschen pastel-teer bleek-groen.—En alles daar, zoefte voort in ’t landelijk kanaal, ’t hel-rood, ’t groen, ’t donkere en licht-felle, ’t brandende wortelenoranje, de zee-groene lichtverwiegende kroppen, de pastel-fijne erwten, de boonen en bakken, stoofgloeiend onder ’t blauwe vuur van de eindlooze lucht, hemeldom van brandend lichtblauw; hitte die wit vergloeide in daverenden zonnebrand op wei en bouwgrond, eindloos in ’t rond.Als schroeiend brok zomer, levend brok aarde, in schipvorm saamgestampt, zoog de boot door het schitter-fel, licht-beketst water; als kleur-drijvende aarde-ark van groen en rood, tusschen goud-koperen gloeiing van roer-brokken en randstukken in glimmigen zwier van verglijende glansen. En rond de groente-ark, de hevige wemel, ’t brandende trillende koloriet van alkleurig kistenschmink. Vóór „Tuinders Geluk” zwierde kleurenbrand van andere booten, tusschen de heete zonneoevers van eindloos poldergroen. Vaag rumoer van stemmen klonk daar òp, achter de pijpen. Van ver brandde ’t aardbeirood uit kistenmuur, feller, hevig-heerlijk tegen hemeldom van[141]brandend blauw. En windeke van zomermorgen, briesde en stoeide, koel-streelend en wuft om de vruchten, de zweetkoppen. In ’t water ruischte ’t golfjesschuim, stoeide de zon met z’n sprankelend vuur van zilverend-goud. Droom’rig murmureerde rhytmische kabbeling van zonne-golfjes, om boeg en steven heet vervloeiend.Dirk stond van geuren en bries bekoeld, polderland te overstaren. Van den luchthelm naast ’m sprong plots ’n rooie kerel àf met ’n zwaren zak lage waalen.—Rook wolkte over hen uit. Donkere gulping en bronzen veeg van stoom verroette, en pijp-zang baste in beev’rige galmen ’t vuur-stoeiende watervlak over. Bronzerig in wolksmook, verlicht in dagbrand, bleef áánroetten de rook, dat de kerels vloekten achter de pijp. De rooie venter, kuchend en keelschrapend, sleepte z’n zak op veilbank, van boven nauw dichtgesnoerd met ’n dikken vuil-witten band.——Wa binne ’t veur snoake?.… vroeg ongeduldig van z’n bank, de Bode droog-komisch op den rooie neerkijkend.—Sestig pond loage woale.… de leste!—Sestig pond.… prèchtige loage woale, schreeuwde Bode dadelijk, zonder te sien.… fersche, malsche woale.… wie sait dur honderd gulde.…—Eerst kaike hee?.… se kenne d’r puur te dik weuse, norschte ’n vrouw.—Sièn je woàr, duwde Klaas Grint er tusschen door.Gejaagder morrelde de Rooie aan den zak, driftig rukkend, aan ’t wit stuk band dat er niet afkronkelen wou. Bode ophitsender, bonkte al met z’n handen op schouders van den venter, grimassig doend of ie ’m hielp trekken. Ongeduldiger geprikkeld, verhit, dolden en schaterden de kerels op ’m ààn.—Die boel ken d’r nie los, vast nie.… da’ binne d’r gain woàle.… da seg ikke jullie!.. smak die gaip op s’n almenak.. da s’n ribbe kroake!—Aas je main! je ben d’r nie lekker op.… aa’s ’n kikker op ’n kluitje hee?.… verontwaardigd snauwde knorrig en sputterend van vermoeienis de rooie groenboer terug, z’n zak[142]even loslatend, van verlamd moeheidsgevoel in z’n armen.—Furt d’r mee, los die rommel, joeg de Bode weer op, dien ’t nou begon te vervelen.… furt! of ikke sèl ’t doen.… f’rdomme, ’t kroakt hier op de bank of Sinterkloas er reeë heb!Van z’n stoel, beenen uitgekromd, rukte ie aan de zak, nijdig met driftige handmeppen, maar de knoop bleef in kronkel gesnoerd. Giftiger rukte de Rooie, dat ’t vette glimzweet van z’n blanken kop waterde. Niets hielp. Allen in voorsten rij beukten en rukten den zak, die als ’n levende romp, gepijnigd op folterbank, in z’n grauwbrons en plooi’rige vadsigheid méékronkelde en stuipte onder de driftige meppen der kerels. Lol hadden ze ’r van, gierende lol om de zweetende, vloekende onmacht van den rooien groenteboer.——Da’ goan nie, dolde Klaas Grint, hai hep sain d’r vàstbakt.…—Nou, ikke seg daa’s ’t kouseband van sain tante!.…—An-main-hupla!.. van sain skoonmoeder t’met.… die hep dur koabels om d’r kuite!—Niks gedoan! ’t kouseband van sain maid! kaik d’r stoan ’n merrekie op!Woedender voelde de kerel hitte-drift in zich òpfuriën onder ’t heete geschater en de stekelige lolletjes van de groenboeren rondom.—Maar ’t dolst maakten ’m de nijdige grapjes boven z’n hoofd van den Bode, dien ie niet zàg, maar hòòrde grimassen. Eindelijk viel ie nijdig op den zwikkenden en krampenden zak áán, beet er z’n tanden woedend op in, rukte den knoop heen en weer met z’n drift-gloeienden mond, als ’n hond ’n been-kluif,—knaagde, scheurde en knarste. Even kwam er ’n stompje loswarrelen. In grabbel trok ie z’n mes, sneed plots den band door, dat de zak, gerammeid, gehurkt en vernederd, van boven lossprong uit z’n worgenden klem als met ’n snikzucht naar lucht.—Weer nieuw goed werd aangesjouwd, nù losse slabakken.—Mo’ je nog twai bakke, soo uit ’t knuisje van Knelis Tijsse?—Hee, hai je d’r veur main ook nog twai?[143]—Ikke hep per nog één veur je, krijschte ’n ander er dwars door heen, veur de hàlft van sain prais.—Daa’s liederlik, jai natte kip! hou je bek, jai ben d’r nie in vailing.Met ’n grooten bak sla wou de dwarsdrijverige onderduiker zich door het kluw venters heen werken, maar van allen kant, bonkten ze’m terug, moest ie, strompelend en struikelend maken dat ie weg kwam, ’t stillere boot-achterend op.——La’ da’ varke nie deur.… eerst de bakke van Tientjes wèg.… hee Tientjes! wa hai je dur nog meer?.… rebarber he’k had, peene, sloà, postelain ook.… boonekruid … loate „spanneezie”.…—Ben d’r uit! schreeuwde Tientjes opgeruimd terug!—D’ruit! mooi, dan he’k nog tien bosse faine peene!.…’n Sjofele, monsterleelijke tuindersvrouw, rimpelig begijntje, met dik-apige lippen en naarvoren gestomd kakement, had zich, in ’r hard-geel manteltje, vooruit gedrongen, bij kleine stootjes en duwetjes. Nou alles op ’t end liep, ’r verslapping kwam, en wrevelige hang naar schaft, drong zij vooròp, listigjes spekuleerend op vermoeiing der andere groenboeren.—Met schuchter-zwakke stem zette ze’n bodje in, en plots dromde woeste snauw van alle kanten tegelijk op ’r af.—Saa’k laife! da’ hai je ’t kallef mi-de-natte neus.——Loà de boere moar dorsse! ken hoàr ’t skele, minachtte ’n andere vrouw met venijnigen, puntig-bitsen kop, bejeukend d’r scherpen neus, die uitpriemde als ’n boor onder ’r gore steekmuts. De eeuwig-breiende ventster, moe, met ’r knorrige moppertronie, snauwde mee, schril. Niemand gunde ’t rimpel-begijntje ’r sjofele koopjes.——Roggemegoggel! de gele medam hep ’t puur op d’r heupies.——Se hep o-de-keloonie van d’r gelant op d’r jakkie, hoonschaterde vrouw Zeune, en de brei-vrouw rolde weer ’n vloek naar d’r verschrikt snuit.—Veertig.… sint.… veertig, hakte de Bode door stemmen-gesnauw en gekef heen.… veertig eenmoal!.…[144]—Vaif- en veertig, nijdigde ’n andere vrouw, alleen maar om òp te bieden, wrevelig-wetend dat ze de waar toch niet noodig had, volgepropt als de mannen en wijven al zaten, bij den laatsten rondgang.—Vaif en vaiftig! dolde ’n kerel ’r tegen in, die de gele madam niet luchten kon, met genot ’r uitgehuilde kaken zag verangstigen.Zweet-rood glom de gele madam, stotterend in verlegen angst, bekrabbend ’r apigen gelen mond en kin. Benauwd glunderden haar oogjes, vol glinsterig, sluw-bang licht, òp naar den Bode. Want op ’t eind van elke veiling was zij taai, zij, dat wist de kerel.—Sssjesjjtig, siste ze even uit, met ’n wenk van ’r magere knokels, sluw, schuchter toch.—Nijdige snauwhoera’s gierden ’r hoon-scherp tegemoet.—Je man kaikt mi sain skele lampies noa je hain!, sarde ’n tuinder achter ’r rug, haar telkens porrend tegen de schouers, dat ze schokte.—Nouw sssjjoà.… nouw sssjjoa.… aa’s.. aa’s … tongsleepte ze, in wanhoop opgejaagd om hooger te bieden. Haar naar voren gestomd, geel kakement sidderde van zenuwschokjes, ’r apige lippen trilden, en ’r ingedrukten neus, wijd opgewipt bij de reukgaten, bewreef ze onder ’t lispen.. nouw.. sssjjoà.. jullie gunt t’r main gain sssjjpòg woàter!—Wa’ mò je tug mi die peene veur sestig uitvoere waif?.. je koop hullie pattekelier veur vaiftig bai ònster.… lolde een weer in hoontoon.—Nouw sssjjoà … nouw sssjjoà … brabbelde ze verlegener terug, òpstarend in oogenangst naar den Bode, met zenuwsnel wimpergetril, als hing ’n slingerend mes boven ’r hoofd,—De vrouwen grolden, konkelden en schaterden vinnig jaloersch, lol-woest, dat ze’r zoo hoog opgedreven hadden, in hun gejaagd bieden.—Nou mag sai d’r biertje loàte werrike?.. Bi-jai-’t-Hain!—Sestig, eenmoal, veur de derde moal, hakte de Bode droog door, vrouw Joapeke![145]Ze beefde als ’n riet, vrouw Jaapeke! Ze voelde, in ’r zenuwangst, dat ze toch te hoog was gegaan. Bang graaiden ’r gele, breed-bemouwde, slobberige armen, naar de penen die de Bode tegen ’r platte borst smakte. Geel-rooiïg vervlekt, dampte ’r tronie, dat monsterlijker rimpelde als oudwijverig apenbakkes, in glimmig zweetvet. Niemand durfde ze aankijken, als had ze een gemeene streek uitgehaald. Tegen ’r hardgeel, verkaald kort manteltje, knelde ze zenuwachtig de peenen, en banger loerde ’r monsterlijk verdroogde begijntjes-kop ùit, tusschen den fellen daver van ’r wortelen-oranje en ’t fijn-kartelig uitgeknipt donker groen loof.——Nog twai koopies, dan is de skaft dur, lachte de Bode, ’n bittertje weer met smaktong wegklapperend en opzuigend z’n adem.—Nou he’k nog ’n sak mit laifende woar.… gain f’rklikker in de buurt?.… niks nergens peliesie?.… wel-nou-dan!.. dan he’k hier spring-laifende woar.… twee prêchtige kenaintjes!.… kaik hullie tippele!.. kaik hullie tippele!.. la’ main in gos noam niet langert proate.. beste minse!De grauwe zak had ie opengefrommeld en er met één hand, bij de ooren, ’n donzig blond konijntje uitgegrabbeld, dat angstig spartelde en voorpootjes kramperig tegen wit-bevlekt borstje òptrok.—Schater barstte òp naar ’t hangende diertje, kerels gierden, vrouwen gilden.—Sou ’t d’r ’n broertje.… of ’n sussie van sain, moar dur sit dur nog een percies-eender in de sak.. wie blief dur hullie!In rauwen humor, de twee ooren in één hand saamgeknoopt, keerde ie konijntje naar zich toe, ruggetje naar de koopers, vroeg ’t, venijnig tikkend met vingertop op beweeglijk zenuw-trillend neusje:—Hoe vint ùfus de f’rgoadering.… die ùfus broàde sel?ouëjonge?.…Heet gegier raasde uit den troep en konijntje draaide ie rond aan z’n ooren, dat dierke als ’n spiraalwrong, weer duizel-snel terug-schroefde.—Kramperiger spartelden opgetrokken voorpootjes;[146]suf bleef staren ’t stomme kopje tusschen engen oorenknel; sneller en verbluft trilde angstiger ’t blanke neusje.—Vrouw Jaapeke was er weer ’t eerst bij met ’r bod.——F’rvloekt, die komp nou altait op ’t lest! stiekem uit ’t hoekie.… snauwde de brei-vrouw weer, giftig doorwriemelend d’r steken, bij webbende vingertoppen.—Is juffer luiwoàge weer an ’t woord? spotte ’n groenboer naast ’r.—Nouw sssjòa … nouw sssjjoà … kauwden ’r dikke lippen weer, en zweeterig, met rooie vlekken, rondgetrokken als doffe bloedvinnen, glom ’r gele begijnentronie. Angstig loerden ’r oogen òp naar ’t zacht nog nàschommelende konijntje, dat de Bode telkens kleine draai-duwetjes gaf. Droeverig-gebluft staarde ’t kopje, de oogjes trilden, keken wijs, als voelde ’t deernis, dat ze ’m zoo plots uit z’n stik-donkeren, duffen aardappelenzak, in ’t felle zonlicht daar te kijk hingen. Z’n spichtige steilgrijze snorhaartjes beefden en z’n weeke angst-bekje mummelde wat, als verkauwde ’t z’n eigen angst.——Veertig éenmoal.…—Sestig, ’n rauwe stem van tuinder klonk achteruit.—Ksjt! ksjt! katjes.… siste ’n kerel, sloan jullie de gaile medam veur de sokke.…Weer trok weduwe Jaapeke beverig aan ’n grooten knoop van ’r hard-geel manteltje; sterker beefden ’r oogwimpers.—An joù juffer luiwoàge!.. veur aige bik!.…—Wa’ mot dur medam mi’ knaine van doen? sai frait d’r puur kalkoene!.…—Nouw sssjjoà … nouw sssjjoà … sleeptongde en lispte ze angstig terug, afwerend duwen en grapstooten in rug en zij, jullie gunt dur.… gunt dur.. ’n minssjch nikssjch.Angstiger loerde ze naar Bode òp, of hooger bod inviel.—Sestig één.… sestig anderr.…—Vaif en sestig!.…—Mooi soo!.… gooit de boel òp waife;.… aa’s alles brandt brandt woater ook.. la’ jullie je aige nie troefe.. van die gele sloerie-ekster,—stootte ’n venter uit, grinnekend tegen ’n buurman.[147]Weer had vrouw Jaapeke den Bode stiekem gewenkt, vlak op z’n schoenen, schuwtjes-snel ’n knauw met ’r beverige handen àfdrukkend.——Aaj! vrouw Joapeke! main eksterooge! krijschte de Bode een arm en been lawaaiig-komiek de lucht insliertend, ’t konijntje meeslingerend bij z’n ooren.Joelende hoongier schaterde los. Vrouw Jaapeke stond bedremmeld, nu Bode ’r in z’n lol verraden ging, dat zìj aan ’t bod was; dat zìj op z’n schoenen gedrukt had. Weer hooger ging tegenbod;.… angstiglijker rilde gedachtetje door ’r heen, dat ze de beesjes niet kreeg.——Sien jullie, de gele medam waa’s ’t weer!.…—Anme huppla!.… nou kraig sai twee fraiers thuis!..—Tachtig, hakte weer door de Bode, en weer voelde ie ’n half verborgen druk van vrouw Jaapeke’s beverige knokels op z’n schoen.——Vaif en tachtig eenmoal.… andermoal.… veur de dèrde moal!.. vrouw Joapeke!Weer barstte ’n rauw hoera los, rond de gele medam. Ribbe-stootend bonkten ze’r, gilden en hoonden de jaloerschen om ’r heen.—Want ze wisten wel, dat zij dingen plaatste, die anderen nooit gebruiken konden, bij wijven in de Nes. Daarom durfden ze niet nòg hooger tegen ’r opbieden, bang dat ze ’r misschien aan hangen bleven.—Bode had konijntje weer in den zak gesmakt en rolde de levende waar vrouw Jaapeke tegen ’r platte borst, boven wortelenstapel, waarmee ze nog onder de armen, tusschen de mensch-kluw ingepropt knelde.—Saa’k f’rbrande aa’s ’k snap wá’ ’t waif d’r mee uithoale mot.… verleje.… mi Juni hep sai ook.. die vaif prêchtige leeuwerikkies kocht.… die hassebas.… woar hoalt ’t murmel de sinte van wèg!.…—Van beroep is d’r man tug stroat-oàrm, hoonde ’n ander.. hee! gele medam, koop jai d’rais ’n nuwt stelletje kiese hee?.…—Trek jai d’r veere van ’n kikker! schaterde valsch mee de vrouw met d’r rooie kap en woelige sierseltjes, boven ’r voorhoofd.…[148]se is t’r moager aa’s ’n tang! en ’t laikt dâ se koopt veur aige bik!—Nou, grinnikte de brei-vrouw,—in de stad … loopt ’t mins.… soo ver aa’s de hemel blauw is.… en roakt t’met nooit niks kwait van d’r kar.—De leste koop!.… luistert wèl, goê-liën, schalde hoogklaar de Bode weer,.… om te beginne en an te vange mit ’t begin, he’k hier ’n prèchtige takrooie maidoorn.… wie blieft.. wie-sait!Van vier kanten raasde áán, dooreengolvend stemgekletter.—Tien! vaiftien!.… achttien!.…—Mit je àlle achttien, lachte Bode, mit je àlle twintig.… wie mot!Dat was blomgoed, waar de hééle stoet op loerde.——F’rfloekt.… de fint snait d’r ieder dag ’n takkie van sain boom.… aa’s tie dit joar.. gain tachtig pop veur s’n boom moak, hiet ik puur gain Teun Stainders meer.…De eerste bloemenkoop was weggerùkt. Langzaam achter ’n stapel aardbeikisten, wrong groenboer nog twee kleinere takjes. Maar nòg schreeuweriger, voor hooger prijs, kochten ze die in. Ze wachten er op, en hurrieden alle tegelijk er om.——Op is de boel!… gelukkig, kwam d’r aêrs nog muiterai an board.… Moandag weer ’n handje!.… lachte de Bode, en nou he’k hier nog prèchtige lelies.… wie mot dur.. wie?..Nauwelijks had ie de vormfijne lang-stengelige bloemen in de handen of ze smakten op ’m neer. Twee vrouwen rukten ’n heel bosje uit z’n warme knuist.—Ikke ook, ikke mot d’r òòk.…—Hier.… doar hai je vast màin.. vrachie sinte!.… Ikke hep d’r tien!.…—Màin.… main!.… daa’s gemàin, gilde ’n ander.… ikke hep d’r eerst sait!.…—Krikf’rdorie.… die blomme luchte lèkker, snoof Dirk verbaasd-loom òp.. die mo’k hebbe veur main klante!.…De vrouw met de stuipige breikousstomp was plots òver de hurriënde en dringende kerels heengebukt, ’r vat-breed achterwerk[149]’n groenboer langs ’t gezicht schurend. In woesten ruk, had ze vrouw Jaapeke de lelies uit ’r hand gescheurd, de bloemen haastig in d’r schort beschermend.—Vier andere vrouwen, met verkoop van veiling, zwaarlijvig bijeengeklonterd, sprongen bijzij op gele madam af, om te zien of ze nog meer blommen bergde.—Maar in één ruk had de breivrouw ’r leeggeplukt. Grienerige woedetrekken groefden om schrei-mond van gele medam, en sputterend spoog-lispte ze vloeken uit, naar de woeststerke wijven. ’n Endje van vrouw Jaapeke af, waren nu wat groenboeren op de brei-vrouw losgesprongen, om die den blommeboel te ontfutselen, bonkend en haar bekrijschend dat ze niet had laten uitveilen. Maar breivrouw weerde zich heftig, trapte naar achter, beukte opzij, in den knellenden warrel van graaiende en rukkende handen, stampen van beenen en lijven. Bodestem schalde plots bòven ’t warme stoeigewoel uit, in lach van z’n frisschen kop.—Nou nog wa’ prêchtige pioene, wie-se-hep kraigt de staikels.… ikke hou de blomme—.. In wat tellen hadden de venters ’m afgekocht.—Broeierige woeling gistte los in den veiling-prop.—Snikhitte dampte om hun zweethoofden. Zon priemde fellere lichtlansen neer op de boot. Elk plekje braadde en kookte.—Spraakloos buiten ’t gewoel, stond kapitein voor zich uit te staren, ’t vonkwater in, en hoorbaarder nu, achter veilingstilte uit, klotste de golfjeskabbel tegen schipwanden òp in schuimende koeling en week ruischgestroom.—Hunkering naar ochtendschaft ging rond. Om den Bode klonterde de menschenkluit los. Twee dikke groenboeren kankaneerden in nauw gangetje van hangende manden en kisten, naar de kajuit. De dikste, achteruit dansend, met kwabbige schommeling van z’n vet lijf en spanning van dans-dijen, strompelde gladkoperen traprichel af. Springend met kromgebogen armen, ’n zwaai de lucht in, plof-bonsde de andere op z’n borst en buik. Achter hen ààn, trampelde ’n heele bende naar beneden, de kajuit in, waar al wat kerels, mistig berookt in halflicht hoekje, saamgebroeid hurkten achter hun manden.Als ’n laag-bezolderde ark, spitsig toeloopend en hellend bij[150]den boeg, dampigde de kajuit, volgesmookt van pijp- en sigarendamp, snikheet. Groòter en ruwer dan in ’t fel deklicht, onder half schaduw nù, lijfloom neergesmakt op de rooiige ruw-bekwaste banken,—leken de vrouwen- en manskoppen in de kajuitsdiepte. Achter enkele half-verduisterde hoofden, wangbrokken en kleurig haar, stroomde zonnelichtspuiing, door hooge ronde kijkgaten, beomtrekkend èven wat tronies in zoom van goud, fijn vloeiende lijn, die gloeide soms als electrische lichtdraad. Schuwere glansen schoten door morsig beruite kijkgaten, hoog ingeboord boven boeg, scheemrig vervloeiend in de halfdonkre kajuits-sombering.—Langs de wanden en midden in, plankten de ruw-rooiige banken, breed, waarop neergesmakt dromden in stomme hurrie van punten en brokkelige kanten, kisten, pakken en manden.—In de kajuit stonk ’t duffer, vunzer nog dan op ’t dek, waar dòòr de groenteluchten heen, soms nog ziltig zoute lucht van zee-windstroom aanwoei. De hooge kijkgaten, ’t heele schip langs, brandden in reflexvuur van kanaalwater en zonnegloed, tusschen ’t opkruipende half-duister in de stik-heete kajuit, als gloei-gouên oogen. Tegen de grijs-grauwe morsige zoldering zonden wat lichtkrinkels, die trillerig door elkaar heenspiraalden.—Vlak onder de gloei-gouden licht-oogenrij van kijkgaten, doorzond en fel-verblindend, kropen schaduwtinten langs verdonkerde wanden, zonk de kajuit in, vaag-kleurig van paarsen rook, even doorneveld van zwakke glanzen.—In al òpgeknelder drom trampelden de vensters van ’t dek, smakten zich neer op de banken, tusschen hun pakken en kisten.—In roodbruine somberheid plankten de banken, en heel de kajuit, met de oppropping van koopwaar, leek ’n groef, roodsteenig en duister, waarin schipbreukelingen saamgevlucht stumperden, bàng omknellend hun laatste rijkdommen.’n Lange kerel, met heel kleine oogjes, z’n hoofd de zoldering rakend, waaronder z’n gebaren reuzigden, holde heen en weer te bedienen, stapte telkens op ’n vrouw af, die op bankpunt koffie schonk uit ’n bruin beschilderden koffie-stoomketel. Tegen muur van kajuitstrap, donkerde inhammend buffetje, waarin opgedrongen bijéén hinkten, diendertjes, manke jeneverglaasjes;[151]tegen elkaar leunden, flesschen, koppen, broodbonken, kaas, steenen bordjes en sigaren. Van alle kanten, uit de half duistere kajuit, tusschen het triestige roodbruin van banken en morsig grijs van zoldering, roezemoesden zeurige, teemende en krijschend-jolige, hakkelende en sputterende stemmen. Uit elken hoek warrelde geraas, gekakel en boerenwoest geschater. Gretig pakten de venters hun stukkenzak met halve broodhompen en mikkies uit; hàpten, hàpten.—Koffie main!—’n Bakkie g’laik!De heele bende verdonkerd en ver-reuzigd onder lage zoldering en balken, slurpte koffie. Overal, ingebukte nekken en gezichten, de warme lippen op de groote kopranden platgeperst, vuile handen rond de kom gekneld.—In anderen klauw, de halve mikkies gegrepen, hapten dierlijk de geile ruwe monden, slurpten de tongen, grepen en persten de morsig levend-beweeglijke vingers, groen en bruin vervuild van smeer. Op verhoogd boeg-end, druk roezemoesde ’n gierend troepje, de beschaduwde koppen naar elkaar toegebukt, in raaskallende lol, omwolkt van paarsblauwigen rookmist.—Soms even schampte òp, achter nevel-paars, ’n pijpekop, ’n kiel, rooiig-donker, grimmig-gebarende hand, ’n wangkant, ’n harige achterkop, met even lichtbeflitste oorrand, plots weer wegduisterend in zwaarder rookgewolk. Naar alle kanten liep de lange kerel met z’n dampende koffiekoppen, zonder schotels rondgediend, oorloos en gloeiheet, de klef’rige greepklare ventershanden induwend. Al meer reuzige schoenen, beenen en lijven zakten de loom nauwe kajuitstrap af, waar ’n ruitje even licht sloeg, voor ààn, in ’t rookige hol. De vrouwen bijeengegroept kakelden en kuchten, op d’r hooge banken saamgedromd, tegenover de woeste rookers, aan spitsig-hellende boeg. Telkens moesten ze inschuiven, opschuiven voor al meer instrompelend volk, dat tusschen vrachten en meegesjouwde bakken, als onder ’n lagen hemel van zoldering-morsigheid bijeen kwam broeien. De balken met donkere reten en vuile flodders verf, kruisten vlak boven hun scheemrige tronies. Aan ’t eind van middenbank stond[152]de schenkvrouw, breed ingebukt ’r oer-ketel te hellen. Telkens bracht de lange bediende, klefferig bevuilde koppen áán, hield éven schoongeplaste ònder den ketel-slurf, inmiddels vlug uit grooten suikerzak,—als overvloedhoorn blank-open neergetuit op bank-end,—’n schep opvisschend, en in zwierige vlucht afplonsend, in ieder kop ’n hoosje. Naast de ingebukte vrouw, die geen tijd had om ’r lijf te rekken, stond ’n vuil emmertje, van binnen bleek-rood uitgekleurd, met smoezel water, waarin ze luchtigjes,—toch doorschenkend uit ’r koffieslurf,—rond-spoelde de aangedragen, klodderig bestroopte koppen. Even ’t bruin-bestroopte van buiten wegplassend, druipend nog van vieze straaltjes grondig vocht, grabbelde ze met ’r natte handen de kommen weer òp, uit den emmer. En ’r zoon bleef bedienen, hield de reuzige koppen weer voor de tuit, die stroef stond, beklept-harig als ’n levende slurf, waarop vuiligheid bakte. En vlug, de eeuwig-gebukte schenkster rookte de kommen weer vol geurig koffiebaksel.—Walgelijke stanken, duf en vuns rotbroeiden de groenten uit, de jenever, koffie en tabak. Tegen ’t roodbruine ruwe gebank, en den zwartmorsigen grond, zogen de stanken vast. Wilder, woester, in vergrootende donkering, slurpten, verhapten de koppen, met apig-dierlijke rukken ’t brood, in geilen slurp en zuig, smakkend zich gevend aan vroege vraatzucht en drank.Dirk lag met z’n arm op ’n stapel duf-stinkende manden, en achter z’n hoofd, op tusschenplank van middenbank, tweekants bezet, stapelden bossen groenten en bloemen, zoet-zwoele lelies, tusschen voos-luchtende aardappels en kool, bruidsgeur en blankte, vermolmend onder gronderige stanken van benauwing. Elk ding wasemde stank uit. De kleeren van venters stonken als verrotte beenderen. Verhitte kroegasem en bloemengeur zogen door elkaar heen.—Naast Dirk, hurkten met beenen onder kin opgehaakt, Klaas Grint en Rink van den polder, happend en smakkerend in scharren en poonen, ronkend van vreetgenot. Dirk had z’n derde kop koffie al heet ingeslurpt, luisterde nu, dwars door leuter-geratel en handengeklakker van nasjacherende vrouwen en kerels om hem, naar[153]Grint, moeilijk verstaand, z’n oor geheven als luistertrechter, tegen den heeten herrieraas van stemmen in. Grint bepeuterde voorzichtiglijk z’n poonen, smakkerde bij brokken de vet-glimmige blanke visch z’n mond in, sprak en vergierde schunnige moppen, dat z’n uitkauwsel, telkens tusschen z’n snaterende kaken opschemerde. Als ’n zaal, waarin rumoerige kakatoes op eigen houtje krijschend konverseeren, dazelde stemmesnater rond. In al gamma’s brulden, lolden, lachten menschenkelen, schorre, rauwe, zachte en weeke timbres dooréén.—Soms klonken er als schrei-geluid, kermende klanken; dàn bulderde en donderde woordkrijsch uit, hevig en verhit in de mist-rookige kajuit.—Rink van den polder, slobberde jenever, door z’n scharrenmaal hèèn. Van uit z’n apigen knie-hurk, rookmistig omdampt, keek ie telkens flikker-scherpe kajuitsoogen in, die trilrige zonnekringen, wazig-vloeiend verspuiden tegen zoldergrauw. Eén balk-brok kreeg felsten stroom, waarop, in krinkelige rilling, als ’n zwabberende kurketrekker, ’t licht invrat als wit vuur. Naast Rink, ingedrukt en bekneld van twee kanten, met mandwerk, stumperde ’n bochel, door z’n puntbult ’n end van bankwand afgeduwd.—Peinzend telde hij eiertjes. Zacht schuifelde z’n hand in ’t strooien bed, en koelblank tusschen z’n groenig-vuile vingers, marmerden de eitjes, telkens teederlijk door ’m weggekoesterd in ’t gouden stroo. Na koffieslurp voelden de kerels zich bijna in de stad, furiede zuiphartstocht òp. Overal rinkelden jeneverglaasjes, zogen de rooie dorstige kelen ’t vocht in, vol wellust.—Màin segoàr.… moàr hardstikke swoàr! schreeuwde Dirk.—Enne main nog ’n kats, veur sain sinte, grinnikte Grint op Rink wijzend.Met acht kommen tegelijk, in balans-behendigheid deinde zacht de lange bediende door den rookmist heen, naar stijgenden boeghoek, al hooger onder de zoldering uitreuzend, in bukhouding z’n kop op borst gedrongen, om zich niet te stooten.—Zwier-vlug deelde ie de kommen rond, tusschen de gretig-uitgestoken handen.—Sterker klonk weer gelebber, smakking en dof eetgeronk. Klaterende roezemoes, gillerig en hoog, onder[154]voortgonzenden toon van mannenbassen, gromde door de kajuit. Levende walvisch, leek ze menschen in angstlawaai opgehapt te hebben, die daar verwilderd in d’r half duisteren muil zaten te schreeuwen, te stampen en te reutelen tegen elkaar van kreupelen angst.—Stooten van machinekamer bonkten trillingen door de wanden, bracht sidder in de koppen, handen en beenen. Door manden en bakken ging lèvende beefstroom. Alles zat in trilling; de tronies die raasden, de monden die zopen en vloekten, pruimden en kwebbelden; de handen, die vastklemden bevende kommen; de beenen, die trampelden of hurkten. Een flakkerende wiegel van schaduw en lichtvegen schemerde tonig en diep door de rook-paarse kajuit, rooïig-blauw verdampend in hel-lichtende òogenrij van kijkgaten, die loerden met zengenden vuur-blik.—Diep daarònder, de ingezonken lijven op banken, de handen op knieën, beverig doorschokt van machinedreun, de hoofden en oogen vertemperd in kleurigen wasem, tusschen den dof morsigen grom van roodbruin plankwerk en wandgrijs. Daar, midden in de broeihitte, sloegen, walmden en braakten de stanken òp, vunziger, uit half-open kelen van manden, uit zak-strotten, uit gaten en spleten van kisten. Zweet-rook van lijven dampte van kleeren; van barokke klompschoenen, enkele scheef en vergroeid als paardevoeten; van pilow-broeken en baaien rokken.—Uit alle hoeken wasemde rottende stank rond.—Schemervegen van schaduwzware tinten versluierden soms plòts groen-zwartig de kajuit. Rooie sigaarpunten gloeiden áán, in donkering van hoeken en de rondzonnige kajuitsoogen bleven loeren in fel vuur. Prachtige glansjes, smeltend en wiegelend, zwierden op menie-rooie randjes van drie gesloten venstertjes. Licht van waterkabbel wiegde méé met warrel van zonnespel daar in golfjes, àchter morsigblauw paarlmoerig-benevelde ruitjes. En wat trillerig geschijn deinde áán en af en om de kijkertjes. Als ’n diepe hangmat, waarin rookige schaduwen kwijnden en weer wazig-grillig verkleurden, in wiegel van gesmoord licht, hing de kajuit, plots weer in zachten schommel van boot; hangmat van rook en stank, waarin de menschlijven, opgepropt verduisterd in[155]grauwig paars en dampig gesmoord zonlicht, bewogen in nachtmerrie-realiteit. Uit pracht van diepe donkerdroomrige tonen, stemmige diepte van zachtflakkrenden kleurmist, zwaarbefloersd in grillig verstaltigenden groenen rook, doken telkens ànders de boerenkoppen òp. Roodbruin de banken, angstiger verdoffend den getemperden kleurenstoei der mans- en vrouwkleeren; in rooknevels de groentebakken en manden, dwars en stapelend uitgestald op den donkeren vloer, vóór sprookjes-reuzige voeten, òp schootbrokken, tusschen glazen, vuile kommen en rommelzooi van stronken en afval. Daar, door dàt hangmatleven, zogen en walmden de helsch-gemengde stanken, tusschen gebeuk, getril en geraas; broeiden de koppen bijéén; lekte ’t zonnevuur door de naven en ’t dek naar kajuit, waar de snikkende hittedag verduisterd en gesmoord lag te reutelen tusschen engte van duffe wanden.—Ènkele menschkoppen bewogen in glansgouïgen zoom. Wangbrokken gloeiden beschminkt van goudpoeierig schijnsel. Pet-vormpjes vergrilden in zacht-kleurig dof-duister.—Praat en slok, deinde òp uit diepe tinttonen.—Eetmonden vervaagden omrookt onder nevels, snorre-baardig, in harige ruwheid. En de golfjes in schroeienden zonnedoop, verspoelden kabbelig-speels, ruischend tegen de lichtoogen bòven hun tronies.—In paarsigen waas, de groote werkhanden woelden en gebaarden in en uit lichtvegen, rumoerend méé met hun zuip, hun krijsch, lol en ironie.—Handen, breed en geweldig als levende wezens, op zichzelf, hevig gekromd, verbronsd in aardewroet, in rauwe energie van beweeg en passie, tusschen den rookmist en rood-groenen damp, in wilde gebaar-woeling wègslingerend scheemrige vegen en tint-grillige schaduwen. Handen van bronzen reuzen, graaiend in smoor van zonnevuur.——Dà waa’s d’r main ’n sjouw Dirk, schreeuwde Klaas Grint, met beverige stem, doorschokt van dreun,—nou he’k tug puur naitig bakke oarbei op de boot—hee annaime!—main nog ’n bakkie leut!.…——Daa’s f’rduufeld achste bak, lachte de bediende.—Nou wà’ sel ’t?.… betoàl ’k hullie nie? houw tot soo[156]langest je snoater,.… nou hoor-je Dirk? daa’s tug puur naitig bakke, allain van main rechterhoek!.…—F’rek jai, viel Dirk met vollen mond in, zich verslikkend in hoestschokken, onder opslurping van koffie, dat z’n kop bloedrood te barsten dreigde.…—Kaik nou, die wil d’r babbele aa’s tie te slikkebikke sit,.. wà noù f’rek?.. der kenne.. kenne hier op dek, puur.. dertienhonderd bakke oarebai!.… en f’middag komp ’r nog ’n nuute anvoer.… nou, dan wee’k daa’k goar bin!.…—’t Is d’r dan ook duufels mit hoàst gonge hee?.. zei met diepe stem, zangerig, ’n venter vlak bij Dirk. Achter middenschot van bank zat ie, met verdraaid lijf, alleen neusbrok en oogen er boven uitloenschend naar de kerels.Dirk, Grint en Rink draaiden zich half om.—Hoe most da’ maint? vroeg stug Dirk.—Wel nou, ’t is d’r nog gain drie weuke hee!.… t’met … daa’k … toe he’k de soete fransies sien hep hee?.… Wa’ màin dat d’r toen teugesloegte.… de vrucht wou nie sette.… alles d’r nog groen en half raip.. de grond uit!—Daa’s net … veur drie weuke he’k niks aa’s rooie vlekkies in main tuin had, lachte Grint.—Wel nou, zangde de diepe stem achter beschot weer, met halve tronie er boven uit, en een hand stumperig meebetoogend in beknelde gebaren,—de boel is d’r nou overstroomd hee?—Met andere hand achter schot verscholen bonkte ie hevig op z’n weggedoken been, greep ie gretig naar ’n borrel, dien de lange kerel ’m brengen kwam. Achterover z’n kop, smeet ie z’n hapje donker mondgat in, bestelde smakkerend en likkend nog een.—Nou, moar de haire hebbe d’r puur wâ inpalmt an ’t stêtjon en in de hoàfe hee?.… da stong t’met nie stil.… Van màin drie duusend kilo.. van sàin tweeduusend.. van Klaas, van Gijs, van Joap, van Dirk, sooveul aa’s sullie d’r hadde,—of aa’s je kèrtak veurskreef.…—Wa?.… sooveul?… soo veul aa’s ’k f’rkoope wil hee? barstte smadelijk Rink uit,—buite da’ f’koop ikke tug òòk.. da kroak je ommirs?[157]—Nou daa’s nie net, onthutst zei Grint, moar nou mo’ je.. mó’ je ook segge dâ je van ’t winter.… al kèrtak moakt hep.. van hoeveul je laif’re mot.—’n Màn, ’n man,… ’n woord, ’n woord.… hee?.… wa’ jou Dirk?.… wá’ jou Staine, wa jou.… Gais?.… je hoef d’r ommers nie veur de heule mikmak te f’rkertakteere?.…—Daa’s klesseneere, lolde Rink, woest verrollend z’n gemeengroene oogen,—màin nog ’n bakkie leut hee!.… moar ikke f’rkoop wa’ kwait kèn … aa’s d’r beteder martpraise binne, al hè’k kertak veur vaif joàr!.… vat je!.…—Nou seg, vergoelijkte weer sluwig Grint, de groote afnaimpers hebbe d’r tog ook hoarlie rissieko? daa’s net nie?.… en dá’ jòar.… f’rdomd.… sullie betoale d’r bestig hoog! da mô sait! Daa’s tog moar ordentelik! Velaije joar stong de mart vol van oarebai.… nie te f’rkoope.… hee?.… doar stonge wullie.… mit de pet in de ooge hee?.… en op haide?.… op haide?.…—Nou, giftte plots ’n rooie driftkop uit rookwolk òpduikend, z’n beenen met gestommel van de bank afsullend,—dà tuig f’rdient d’r g’nog!.… wa’ doene die likkebaire.… niks gedoan hoor!.… sai b’toale d’r lootjes feuruit bai de swoager van dokter Troost … komme hullie d’r effetjes kaike hee?.. de kontreleur doen d’r ommirs alles!.. enne.… dan.… dan hebbe hullie.… allain mit de oarbaie opsende.… allainig mit d’r oarbaie.… sien je!.… ’n duusend pop f’rdiend.… in ’n weuk of soo, hee?.…—Joà, moar de rissieko, teemde Klaas Grint.——Je suster rissieko.… soake aa’s piere.… soo staif.… om dà sullie de loodpot hebbe om vèur te skiete.… sende sullie ònster goed.… deur Duitschland … Enggeland.. en moake sullie d’r joartje wel goed hee? O die diefe.… die sloeries! schreeuwde Rink.—Nou moar.. wa’ há’ je f’rlaije joar dan?… basstemde weer Steyne achter z’n schot, met z’n mondlijn even ’r boven,.. toen hâ je Beijens.… da’ rooide noa niks hee?.… die kaèrel.. hep toen ònster goed afnome hee? al wat wullie niet kwait kenne[158]hee?.… ’n sint ’n mandje hee?.… mit ’n straip of’r de bakke!.… je was d’r blai da’ se hullie d’r nog veur ’n sint kwait kwam!.… Moar die skevuit heb f’rdiend … die hep d’r waite … dá’ wai gain uitweg hadde hee?.… mit al ’t goed.… die hep d’r van màin.… van joù.… van jan en alleman kocht.… hee?.…—Of daa’n skurk was, ’n geep.…. tromboneerde de woedestem van Rink, daa’s Beijens van de Skans hee?.… die skoelje hep d’r ’n achthonderd pop, in één slag f’rdiend, één middag.. Hai skunnigde alles noàr ’t buiteland.… hai hep d’r wacht, tut ie onster mi de pet in de ooge heb sitte sien!.…—Je most d’r je stroopbek moar houe, woedde Dirk tegen Grint, jai.… jai!.… ’r sit d’r gain oasem nie soo goekòòp aa’s jai in Duinkaik.… en bestige grond da’ die vent hèp … swoare en lichte.… alles d’r aife bèstig … god’s kristus!.. aa’s d’r onse de half soo waa’s gaf ik d’r main pink veur … moar da rooit nà niks.…Dirk gifte zich uit. Hij hield van z’n brok grond, maar de woede, dat ’t zoo belabberd was met afwatering en ie toch óók niet heelemaal kon werken voor zich zèlf, maakte ’m doodonverschillig. Hij gunde d’r geen korrel zand van aan Piet of z’n vader.… En nou ’t zoo beroerd ging, moest de boel maar waaien. Toch hield ie jaloersch, heet-veel van ’n brokkie tuin voor zichzelf en ’n wijf, als ie maar zoo iets ’n hoek had als Grint; vet, vruchtbaar, doorwaterd, warmpies in ’t zonnetje en licht.—Nou jou lap is t’r àn de Beek ook bestig.… kermde Grint.—Ferrek jai!.… mesiek! mesiek!… aldegoar bluf! doar motte wai àf.… of tie da’ nie weut hee?.… en kaik erais wa’ doar van de oarepels komme is?.… die hemme nou self poot!.… gain bloas!.…—Wa’ ken main dat skele, jai beskait je land nie hee?.… suinige jop!.. moar heè? jullie sien nou dâ die mof van ’t stetjon d’r ook nie meer gaift.… aa’s veertien sint ’t kilo.…—Krik f’rdorie, riep Steyne verbaasd en angstig,—en gister hep ie nog sestien sint betoald.… is die fint nou heuldegoar daas?.…[159]—Daa’s net, moar nou sien die da d’r te veul is.… nou goan ie onster an ’t knibbele hee?.… wa motte d’r wai mee?… aa’s je ’t nie goed vin.… la’ ie je stoan!.… Je ken je bakke tug nie je kooters te suige gaife?Dirk bleef stom, lurkte aan z’n pijp die niet halen wou.. zoog en blies blauw-duisteren nevel rond de herriënde babbel-tronies.——Main nog ’n bakkie leut! riep Grint dof.——Daa’s kom naige!.… lachte stikkerig ingehouen de lange bediende, nou.… die suipt gain borrels meer.… die goan d’r mi’ sain neus allainig in de koffiewind.…Dirk zoog behaaglijk reutelige haaltjes door z’n pijp, uitkraterend zwarten walm en vonksterren.—Zure stank broeide rond, dat de kerels kuchten.—Main ’n brandewaintje mi’ suiker.… riep Rink schor, zich schurkend met z’n reuzige schoften tegen bankrug òp.——’n Bestige segoar! en ’n brandewaintje mi’ sonder suiker.. mi’ suiker smoakt ie màin te lekker, ke’k nie finte!—Nou sullie wachte d’r, tû je weeròm bin,.… vast hoor, schaterde een achter bankrug.… Seg Hassel.… weneer sel je hooi overend sain?—Da’ wee’k nie, bromde Dirk.Ventersgroep drong uit donker doorrookte boeghoogte, klompbonkerend voorbij kerels op middenbank, naar kajuitstrap.—Naast Grint bij den ingang, rumoerden stoeiige krijschkerels die om waar streden, zoo hevig, dat Klaas voorover moest bukken naar Dirk om te verstaan.—Wa’ sai je?.…—Daa’k nie weut.… wanneer wai ’t hooi of’rend hebbe! wai motte d’r nog één daik.… hooi is bestig.… sit van onder ’n strootje in.… moar bestig hoor!Zoon van schenkster, aan punt van de middenbank, waar de kerels zaten te zuipkonkelen, drentelde nog met koffie door de kajuit, ingebukt z’n kop op borst.—Toe skiet op! main die koffie!.. barstte Dirk ongeduldig uit, toen ie den kerel zag voorbij stappen met zìjn bak dampende leut.—[160]—Mo’ je van main nou nog wa’ mooie duiveke’s hewwe?.. vroeg de venter achter bankrug, met halve tronie er boven uit, oogen en neus strak gericht op Grint.—Niks gedaan!.… ik hep d’r net waa’k ankèn hee?.… daa’s achtien bos!—Mo’ je de mand pieterselie nog veur ’n kwart?.… mit ’n slokkied’r op! krijschte uit de kajuitstrap, ’n rood-bukkende kop, boven zwaar-tonnigen buik, van ’n groenboer, schreeuwend naar ’n volgerookten kajuitshoek. Met hakkenstommel rumoerde hij op bovenste koper-beslagen tree.—Mit ’n happie d’r òp is ’t daan, krijschte uit rookdiep hellend achterend ’n stem terug en ’n paarsige zuipkop op mager lijf, donkerde vóór, uit nevel van boeghoek.Bij de kajuitstrap bonsden ze tegen elkaar-op. Dikke zuiper graaide centen òp van mageren zuiper, stopte den kooper ’n mandje zoet-geurende pieterselie in de knuist. Gretig slurpten ze hun borrel in, al klaargezet op buffetplankje door schenkster, die ’r klanten kende.——F’rek, daa’s nog hardstikke vol hier, bromde de dikbuik, met ’n zwiersmak z’n glaasje op buffetje bonzend. Strompelend wrong ie zich, snuivend en hijgend, door eng trapje naar ’t hek.—Magere pieterseliekooper stapte weer harkerig terug naar den kleurig-duisteren boeghoek. Telkens dáár, ’n ander nevelbrok van rooksfeer schemerde wolkerig òp, tusschen lichtkrinkels en wit-vuur van zonnespuiende open kijkgaten; weefde in diffuus licht, violet-zilverende damp, flakkerend en geheimvol tintfijn boven de donkere diepte van babbelkoppen, rookmonden, haar en handen. Eén wolkerige sfeer van rookglans rond duistere, in woelige diepte verdompelde menschen.Van rechts schreeuwde ’n vrouw, midden uit ’n kakel-groep, naar den rookboeg tegen ’n kerel, ’t meest voorop in den damp:—Nee!.… da’ waa’s ’t snuitwerk van Henk.… hai kwam ’n kiekie loere onder de trap hee?.… moar ’t waa’s vast Henk de koalbuik!—Henk de koalbuik? lachte de kerel, Henk?.… Heé joa’ twee brandewaintjes mi’ suiker veur de doames … en nóg twai[161]veur main aige hail hee?.… Nou Oàf!.… ik seg je dàn.… da die Henk d’r sain aige beeste la’ f’rhongere!——Nou, daa’s main ’n merk! de fint is d’r tuureluurs.… in de eeuwighait in de loorem.…—Daa’s klesseneere, daa’s klesseneere, bulderde de vent uit rookhoek naar ’t vrouwengroepje, hai lait s’n borrel glad.… hai likt s’n urretje op sàin menier.… moar de fint.… ken d’r puur sain honde nie te vraite gaife.… s’n aigeste beeste.. da benne d’r vaif!.…—Hee.… hee!.… Dirk.… hai jai hoort da’ die trekhonde.… van.… vàn Henk.. de koalbuik.… da die d’r twai skoape van Jaanse van de Lemperwai hep afmoakt.… se hebbe de baiste puur van malkoar skeurt!—Nou.… wa nou?.. schreeuwde Rink terug.… daa’s tug krek eender.… al die honger-meroakels.… die tuinders doar.… die Lemperhoek uit.… se hebbe d’r vast selfers niks, te fraite.. Is d’r netuurlik, daa’s sullie d’r honde snachts skiete loate! kenne sullie d’r aige potje soeke.… en woest aa’s die krenge binne.… se f’rskeure je.… van malkoar.… Bi-jai-’t-Hain!—Nou ’t is d’r ’n klussie, blerde de breivrouw knorrig, dwars door ’t roezemoezige gekakel van andere schelle stemmen uit ’t vrouwentroepje,—’t is main ’n klussie.… main baiste legge d’r vast.… en fraite d’r aige vetje.——Wa’ sa’ je màin d’ran jokke.… laikt t’met of sullie ’n botertonnetje inslikt hebbe, soo ke’ je hullie ribbe aa’s hoepels deur d’r pins siene hainsteke.…—Nou, zeurde een venter met geknepen schor geluid, wai binne aldegoàr noakend!.… die beeste motte f’r aige kossie skarrele.… se hebbe d’r gain fraite veur.. voed jai d’r noà hullie g’noege! vaif kaire t’met.… Se benne d’r soo ellendig sterk.… en bloeddorstig.… enne uithongerd.…Van boeghoek waggelden de kerels òp, uit donkeren achtergrond, en dwars door de groen-violette wolksfeer, in ’t oogen-vuur der kijkgaten, sloegen de lijven en handen van opstaande en gaande kerels, een storm van lichtschokken, groot-donker in de rooksfeer, die zacht gloei-kwijnde in dampigen flakker[162]bòven de banken.—Meer kerels stapten op, met d’r koppen zoldering rakend, sloegen door den walm heen, waggelden naar voren, bij trapje, plots onder ’t felle lichtgat uit kajuit-schemer, áángloeiend in zengend zonnegoud. De boel bleef leeggeslemperd, vermorst-suf op de banken staan.Groote stad was in zicht, en van alle kant grepen de venters hun goed bijeen, manden, pakken, kisten. In groepjes, achter elkaar, drongen ze eng kajuitstrapje af, en met koopwaar op nek en schouders, rumoerden ze zich in woesten woel, los over ’t dek.

[Inhoud]III.Om drie uur den volgenden ochtend, kwam er kort-driftig gestommel in de duister-beluikte woonkamer van ouën Gerrit. Zurige zweetlucht vervunsde uit de krottige slaapholletjes. Dirk uit ’t donker bedsteetje, was opgesprongen, òver Piet heen, nog slaperig en gaperig, rauw van pijn, geradbraakt van vermoeienis en katterigheid. Branderige matheid voelde ie door z’n lijf loomen. Driftig schouerbonkend stootte ie Piet op, die nijdig even gromde, maar dadelijk weer insnurkte. Dat maakte Dirk kregel en snauwender porde ie ouë Gerrit en Guurt, dat ruw z’n korte stem, kamerochtend-stilte doorscheurde. Wijê gapen loeide ie koeïg door ’t vertrekje, dàn vlak tegen beschot, dàn vóór bedsteedonker, telkens zich rekkend in achterwaartschen lijfkronkel, armen omhoog gerengeld en vingers verkrampt in slaapzoeten wellust, dien hij machteloos-heerlijk door z’n lijf voelde terugstroomen, tegen z’n luiigen lijfrek in. Langzaam slofferde ie op z’n kousen naar buiten waar ie de luiken van de ramen losmorrelde. Onder de pomp beplaste hij z’n gezicht, luchtigjes met water, vies van ’t nattige dat z’n hemdsmouwen en hemdboord beklefferde, en in branderige straaltjes tot op z’n naakte borst afdroop.—Guurt was gauw opgestaan.—In ’r nachtpon, haarhang opgebonden in woesten kronkel, maakte ze vuur op ’t achterend, drentelde rond de stellen en zette boterhammenkoffie.—Ouë Gerrit en Piet in hun rooie onderbroeken waggelden nog slaapdronken en grommerig door de kamer, loom en lijzig hun bovenkleeren aansjokkerend. Even bleef Piet hang-zitten op z’n stoel, klepten z’n oogleden dicht, hield ie z’n stinkende pilow, half over z’n dijen getrokken, slap in de slaaprige, krachtlooze knuist. Ouë Gerrit, in schreeuw, schrikte ’m wakker.[123]—Wà sloapmus, jai toch, gromde ie, soo’n jonkie!Na ’n kwartiertje rondgeslenter en gedribbel, sluipzacht op ’r kousen, had Guurt de kerels bakken koffie en hompen brood voorgeschoven. Gretig schuifelden de mannen hun stoelen áán, neerblokkend met armen op tafel, hoofden gebogen over hun dampende koffiebakken, slurpend, gaperig, rekkend en korrelig-stil. Rond hen, walmde slaapstank van ’t kamertje, dat al zacht volgevloeid glansde van vreemd, gloed-stil ochtendgoud. Roodflonkerende zonnedans koperde bliksempjes op de staartklok-gewichten, op ’t pronkstelletje, tang-pook-schep, onder het schuingetimmerde, versierde hoekschoorsteentje.—Langzaam, in bedaarde ouderwetschheid tiktakte de klok, zacht-vlammig aangegloeid rond de gewichten.—Guurt had ’t duifje losgedekt en daadlijk koerde z’n kopje als van verre, droef door de kamerstilte heen, waar alleen smakten en slurpten de wreede werkersmonden, en de klok dreinerig ti-jik.… tàkte.…—Moeder Hassel lag, met opengesmakte deuren, de kamer in te staren, bleek beslaapmutst hekserig hoofd, op peluwgrauw, de uitgedoofde staaroogen naar de slurpende kerels.—Ze hoorde koffie slurpen; dàt geluid kende ze. Ze zag ’t, voelde, besnuffelde ’t, met wilde, gesperde neusgaten.—Dàt geluid haakte vast in ’r ooren, ’t hoofd, bleef in ’r herinnering leven.… Woest instinkt naar koffieslurp.—Telkens gretig, even keek ze naar Guurt, als wist ze nu klaar, dat ze ’t van die moest hebben. Maar de kerels hapten door, slurpten onverschillig. Guurt klepperde nog ’n roodaarden bord voor hen neer, waar ze weer hompen brood op afsneed, slurpte zelf mee, gejaagd zittend op stoelpunt, ongewasschen in blauwkorten onderrok nu. Stil slurpte d’r mond in doorzond ochtendgoud van kamer, ’r blond hoofd in stil aureool. Buiten, achter ’t raam, glansden de akkers in aanbrandenden gloei van zonnekomst.—Nou Ouë, gromde Dirk plots, kauwend en slikkend dat ie niet verder spreken kon eerst—aa’s ’tr nou moàr puur om drie uur, de oarbei-boel dur stoan, an de markt hee? daa’k[124]hullie om vaif uur an de kant hep in de stad? kaa’k t’met nog ’n hooge markt moake.. hee?—Sel d’r weuse.… mi sonder mekeere.… Hoho! ho!.… Piet loait op.… en Kees goan de hoàfe langest.…—Hier-op-pan! aa’s Kees de hoafe opgoàn, ken ie t’met oploaje ook.…—Hoho! dà lief ’k nie! dà lief ’k nie.… die suupt te veul.… die hep s’n skoenlappertjesmoandag.… enne.… dá’!.…—Wa’! Kees?.. Kees suipt?.… krijschte Dirk uit, ’n stuk brood, dat ie half al in z’n mond gestopt had er weer uithalend, met ’n web van fijne spoegdraadjes,—f’rvloekt aa’s de fint één borrel lait! jai suinege Job!—Hoho! vier en vaife en nie g’nog! bars jai nie uit!.. soo vroeg in ’t morgeuur hee?.…—Wa’.… éénmoal.. andermoal.. ikke wil dá’ Kees oploait.. Piet hep s’n aige dood te plukke op haide.. En denk dur om.… niks aa’s oarbaie.… Op haide voart de boot twee keer!.… ikke goan doar.… om veur van … om twaalf uur is t’ie d’r wair.… sel main ’n dotje weuse op de kant!.. snof’rjenne, gain ploas om je klompe af te trappe, waa’n klus.… ’n drukte op de boot.… sullie dringe hoarlie aige t’met hardstikke dood.. hoagelvol!Ouë Gerrit was opgestaan met ’n smak z’n koffiekop op tafel neerstootend, dat vrouw Hassel in ’r bed opschokte, iets brabbelend uitstamelde. Nog had Guurt ’r geen leutje gebracht. Onrustig, hongerden ’r oogen naar ’t zoete vocht, dat op stinkend petroleumvlammetje konkelde en leuterde. Ze besmakte ’r drooge lippen, zonder dat ze vragen durfde, vragen kòn. Besefloos Guurt te roepen, uit angst voor nijdigen snauw, in ban van trage dofheid, bleef ze staren, vroeg ze toch met ’r oogen, zonder dat iemand uit de aanlichtende kamer naar ’r omkeek. Gerrit, handen in zakken geknuist, keek met z’n neus op ’t raam gedrukt, naar buurman’s tuinderij, waar nu alles groen-goud in den ochtend-tintel gloeide, doorvonkt van dauwig druppelvuur.—Ochtendstilte, uit paadjes en wegjes,[125]ruischte rond de tuindershuisjes en de roode bedakingjes vlamden licht-hel.—Vandaag zou ie wat te plukken hebben, mijmerde Gerrit, speelsch drukkend z’n neuspunt tegen ’t ruit, wiebelend op z’n hakken. Z’n rug zwoor en stak van pijn. Maar ’t most, most nou. Hij had al dagen achteréén onrustig zitten piekeren, dat ’r geen regen kwam, gejaagd, nou de boel zoo droog stond. Maar nou most ie maar doèn, doèn en niet seure.…Met hun drieën waren de kerels over ’t erf den tuin ingestapt. Guurt drentelde weer op ’t achterend, spoelde en sjokte, terwijl de kamer in ruischender glans van zonnige ochtendwarmte, sterker aangoudde, tot op ’t slaapholletje waar vrouw Hassel staarde, en besmakte ’r droge dorstlippen. Op de tafel brokkelden nog broodhompen. Aarzelende glansjes van schichtigen prismaschijn uit geslepen spiegelrandje, kaatsten trillige vlakjes rood, goud en groen, op twee rood-aarden doffe bordjes.Daar stààrde ze op, vrouw Hassel, besefloos en traag, tot ze de kleuren voor ’r oogen zag verflakkeren.—Buiten hurkte Kees al, in pluk bij de erwten. Nog ’n uur bleef Dirk werken op ’t land, achter de wortelen. Eindelijk werd ’t tijd voor ’m om op te stappen naar de haven. Nog ’n mandje pieterselie en postelijn, schokkerde ie over den schouder en stil liep ie den weg op naar de boot. Nou had ie zich nog puur te haasten merkte ie, toen ie even achter ’t ruit gluurde, hoe laat ’t was.—Kwart voor vijf. Om vijf uur precies ging de schipper van wal.Zwaar hijgend, z’n mandjes dobberend op z’n rug, kwam ie snel de haven opbeenen. Maar „Tuinders Geluk”, de boot waar hij mee voer, lag er nog rustig, met vier andere schuiten achter d’r áán, hoog gestapeld ’t schel-groene van kroppen, beflonkerend aardbeirood en wortelenoranje, tegen den blauwen luchthemel in, die diep en wijd lichtte, in strakke, fel-heete zonnigheid al.—Op àchter-en-voordek, stonden de groenboeren saamgedrongen, in hun sjofele plunje, tusschen de dreigstille punthoekende hurrie van hoog opgestapelde kisten en mandwallen, waaruit[126]zwavel-zoete geuren walmig verwasemden. Tot onder den stuurstoel, stapel-brokkelden de aardbeikisten en langs de reeling, propten, saamgekneld, bakken, vaten, manden, zakken, dat de kerels en vrouwen, in bochten er tegen elkaar opgedrongen stonden. Enge doorgangetjes, kronkelden tusschen de ladingen, waar ’t landvolk elkaars lijf beschuurde, schreeuwerig verscharrelend en ruilend koopwaar die ze te veel hadden. Tusschen zakken gekneld, op manden of kisten neergestooten, sjacherden de zwoegers, klonken òp de gesprekken, levendig, krijscherig, overgoten van duffe groentestanken uit de achterkajuit opwalmend, voos en duf, zuur en ranzig. Aardbeien zoetten ’t hevigst en weeïgst tusschen de mestige koolstanken.—Zwaar dampte uit, in de broeierig lange boot, hageldicht bestapeld, de stinkende kleeren der tuindersmannen en vrouwen, de zweetlijven, wàrme walg tusschen de gronderige stanken van ’t groen.—Prachtig, jubel-fel schalden de hooge groentebergen als festijnen van licht, tegen ’t doortrilde, in zon-zwemmende lichtblauw. Daar onder, barokke wal van kleur-woelige kisten, met donkerder groen in onderschepte glansdempingen. Maar hoog-schuimend, gloeide kleurbrand van aardbeien boven alles uit.—Versjofeld en kleurbemorst, scharrelden de tuinders bijeen, in de vroege ochtendboot, al meer, al méér, achter elkaar. Galm-luid, de klok van hoogen katholieken kerktoren sloeg vijf, bevend in de wegstilte en havenrust. Laatste bootsein van vertrek liet kapitein zangbassen over de ochtendleege havenkaai.—Wat karren met aardbei-aanvoer ratelhotsten kei-beukend weer weg, wreed rumoerend door de morgenstilte. Bas-zang van pijpen bleef seinen, als stemmegroet van tuinders naar de verre makkers op ’t land, dat de reis naar de stad beginnen zou. Een dekknecht van „Tuinders Geluk”, had plankier gelicht en ingeschoven, reeling saamgehaakt en kaptein was op z’n stuurstoel geklommen. Statig liet ie draaien, ’t kanaal in.—Uit ’t boothart schokkerde machinedreun òp. Achter ’m aan, zongen pijpen van andere tuindersbooten, stemzwaar en hevig vibreerend, dat de stille starende ochtendlucht[127]sidderde onder ’t dreungeluid. Plots klonk jagend geroep, onder zwaar lommerende kastanjelaan uit, van twee groenboeren die zich verlaat hadden en meemoesten nog met „Tuinders Geluk”. In vlieggang holden ze langs de stille huizen, kei en sintelpad over.—Piet Groome en Anseeler, riepen ’n paar van de boot, over de reeling gebukt,—hee keptain! t’rug!.… twee van Lemmer! Hij had ’t al gezien, toeterde wat zangerige woordjes door z’n spreekbuis naar machinekamer, waarop boothart heviger bonkte, de voorboeg achteruit bijdraaide, dat de kerels in hollende vaart, rood-bezweet, nog net tusschen kisten en manden, over verschansing, heenklauteren konden.—Achter „Tuinders Geluk” lagen nog drie booten, „De Dageraad”, „Ons Welvaren” en „Weltevreden” met tuindersvolk van heinde en ver saamgestroomd, ongeduldig wachtend op vertrek van de voorliggende schuit. Ook daar stond ’t landvolk, achter en tusschen de aardbei- en groentebakken opgepropt, ingekneld; één donker-dreigende, sjofele kerels-stoet, vlak om ’t koelscherm van machinekamer saamgepakt, wegzwartend onder rookwolken van stoompijpen, die dreun-zangerig doorbasten als duistere stem van zwoeg, somber-smartelijk, in den fellen klaterenden zonnegloei van polderlucht, in ’t eindeloos blauw, en weigroen.—Stil zoeften de booten achter elkaar áán, de kerels en wat vrouwen, al meer opeengedrongen, donker tusschen den frisschen jubel en stoeiende kleuren van hun vruchten en waar. In de havenstilte, roerloos weer na zwijg van pijpzang, verdwenen de bootenéénna één onder lage spoorbrug, ’t kanaal in, dat wijd-geplast, zilver-vonkte en dampte tusschen onmeetlijk poldergroen. Stil druischten de kerels weg van wal, de donkere opgepropte stoeten, in de ochtendglorie; zittend of half hangend op en over de verschansing, beklemd tusschen de neerbrokkeling der stinkende kisten, als ’n bende vervuilde schooiers en melaatschen, naarstiglijk verpakt en versjouwd, onder den heeten jubel van hun vruchtengloed. Al de booten waren „Tuinders Geluk” voorgedraaid. Langzaam zoefte die eindelijk, achter[128]de andere áán, onder de enge spoorbrug, zacht-schuiflende pàl langs wanden van brugbogen en pijlers.—Dirk stond ingehurkt naast Klaas Grint, die weer aanleunde, half tegen twee vrouwen, een lange, met ’n gore steekmuts op, de andere met ’n donker rood-wollig kapertje over ’r hoofd gefrommeld. Vóór de vrouwenbuiken, spannend gestrakt onder boezelaar, hoekten kistenstapels waarachter weer ’n stoet kerels gekneld stond.—Tjonge.. Tjonge.. d’r’is nog puur wâ wind op de ruimte hée?.. zei met vertrokken gezicht Klaas Grint, naar de lucht kijkend.—Daa’s net bromde Dirk terug.… hai jai ’n pruim Kloas? nou he’k f’rdroaid main sak legge.… loate!.…—Bi-jai’t Hain!.. lolde Grint, da’ sel woar wese.… roep jai sàin d’r bai op Sint Jan hee?.… hier!.. pak-àn.. moar mondjes-moat.… oue!„Tuinders Geluk” was ’t groote kanaal ingestoomd. Zacht kabbelden watergeruisch en schuim-zilverende vloedgolfjes langs de kanten. Zweef-luchtig zoefte ’t schip voort, tusschen ’t eindelooze poldergroen, bedauwfonkeld met vuurdroppels van trillend leven, robijnen weerlichtjes, en vurig smaragd.… Uren ver, verfonkelde nat goud-groen, glanzend en uitwebbend kleurige hette. Heerlijk frissche windbries stoeide luchtzuiverend om de boot, de voosduffe geuren en stank-wasem wegflapperend, ’t koele waterruim in. ’n Troep tuinders was achter de pijp geklommen, op zwarten kop van machinescherm, waar ze luiig neerhurkten in zonnegloei, of schuin opstonden achter den rooker, koppen fel omlijnd tegen luchtjubelblauw. Er was drukke stemmenhurrie onder ’t landvolk, gesnater en gelach tegen vrouwen, en overal brandende lust om van landgescharrel, marktwaar en prijzen te spreken. ’n Paar tuinders met fluweelig pilow-zwarte vesten en dof-zijden pofpetten, trommelden met hun gekleurde pantoffels, op ’t verhitte plaatdek van machinekamer, ’n orgeldeun meelallend. Plots de bootbode, kerel met roodgezwollen snuit, akteurskaal en voor-den-gekhouerigen, paarsen drinkebroersneus, werkte zich los uit[129]stemmenroezemoes en scharrel van opgepropte tuinderstroep.—Z’n blauwig-glad geschoren komiekenkop grinnikte leukjes tegen z’n volkje en grimassig sprong ie op ’t veilbankje, hoog boven woel-massa uit, grabbelend in guitig steel-gebaar, met z’n hand in ’n grauwen zak.—Tegenover hem, op zon-doorhit koelscherm, zat luiig ingedoken tegen de pijp, ’n kerel met notitie-boekje, klaar om te schrijven. Bootbode, die onder reis van Wiereland naar groote stad, te veel waar van tuinders-zelf in veiling moest brengen, bleef rammelen in z’n zak, lolde wat tegen de kerels onder ’m, dat z’n roodfrissche wangen bolschaterden, sterker zwollen, z’n blanke tanden uitwitten onder z’n bieteneus en tusschen plaatjes-mooie helrooie lippen, hagelrein. Hard en stalig klonk z’n stem, toch vol, met ’n galm er in, als nadreun van klokgelui. Telkens uit den zak, vischte ie ’n blikken nummertje op, afroepend wie d’r ’t eerst veilen zou. Zoo regelde hij de beurten, schreef z’n maat, tegen de pijp, in kookzon luiig weggedoken, namen van veilers op.——Wie mot ’r ’n nommer?.… Gijs Janse! Kaike?.. daa’s vaiftien, klonk hard-galmend z’n stem door den koelen bries-stoei, klank-zangerig Wierelandsch.—Bekermaa’n.… achttien?.… Grint.… drie en veertig! Hassel.… ses-en-dertig!.…—Main d’rook ain!.. riep ’n tuinder uit achtergroepje, die nog wat kwijt wou wezen, hopend op ’n begin-nummer, om ’t eerst te kunnen veilen.—Vaif-en-veertig!.. Nailis Roskam.… hee! „netoàris”… Roskam!—lachte de Bode, lolligjes met oolijken oogenknik naar den „schrijver-notaris”, die luiiger weggedoken lag achter de pijp.—Logge megoggie! nou ka je wachte, gromde de pachter, woest dat ie zoo’n laat nummer beet had. Nou was ie zoo heet geweest op ’n begin-blikkie.—Stem van Bode bleef afgalmen de nummers met veil-namen, en telkens lacherig, uitblankend z’n tanden, bloed-rooie lippenmond wijd open, kraaide ie schooirige grapjes uit, strooide ie schalksheidjes en hekelwoordjes boven hun hoofden rond, omgierd van terugkonkelende[130]stemmen en giegelende kreetpretjes. Telkens klauterden andere kerels op en af ’t machinescherm, naast en tegen de pijp lawaaiend, rond den „notaris”, die overal spottend om z’n eeretitel beschaterd werd. Van hun hooge standplaats schreeuwden ze mee, boden, kochten en verscharrelden, de koppen, warm en zweetbedropen, paarsig en brons-nat, rood en geel-grauw aangegloeid in zonnebrand. Van achterdek af was alles plots naar voren gedrongen om vlak bij Bode te staan. Op kisten, morsige vaten, walm-stinkende manden en zakbulten, hingen en hurkten de kerels, in struikel en klauter, achter elkaar opgepropt.De achtersten, ver van den Bode, loerden tusschen schoudergeultjes van vóórstaanden, in drom saamgestrompeld, heet op den scharrel.—Veertig! vrouw Plenk.… dreunde Bodestem.… vaif.. vrouw Boterblom.… naigtien.… mamselle Kiester.… sestien.… vrouw Zeune!.…Eindelijk had ieder z’n nummer, kon de veiling beginnen. Zacht briesden en woei-koelden luchtige windscheringen over ’t smoezelige, walm-stankige dek, als ging er tochtige wiekslag van vliegende vogels rond. Recht voor den boeg, sprankelden waterglanzige sparteltjes licht, violet-zilverig, paars-goud, kabbel-deinend hemelblauw-vuur, dat in schuimig golfjes-spel zich heet verbraste in damp. Tusschen de fel-groen bezonde ochtend-oevers, komde in eindloozen kring, ’t vlakke zonnignevelende polderland, in vochtige ochtendpracht. En overal rondgekringd, goudden de lage hooi-schelfjes, tusschen siddergroei van korenhalmen, brokken weiland, ontsluierd uit morgennevel, uit nat-dampig goud en zilverende gloeiingen. Schitterig flitste ’t dauw-vuur, dat mijlen ver, weiland aan weiland in arabesk vonkspel omtooverde.Bode op z’n bank, hoog boven de opgepropte tuinders uit, al dichter op één punt van de boot bijeengedrongen, klankte met z’n jolige, rauw-heldere spotstem in:—Wai selle d’r beginne met seve-en-twintig pond raspers van.…[131]—Neelis Skorpioen.… las „notaris” haperig af van z’n lijstje.—Van Skorpioen.… uit Slangetje.… wie sait dur ’n gulde! daa’s vier sint ’t pond!.…Inmiddels had ’n tuinder, ’n zwaren zak doppers losgesjord uit kistenrommel, zich door lijfgedrang heengewurmd, z’n waar, àchter koppen, vaten-stapels en manden-torens, met krampigen arm, hijgend op veilbank vóór Bode neergesmakt. Dadelijk grabbelde die, met één hand tusschen de groene vruchtjes, liet ze speelsch rond z’n vingers glijen en riep weer opjagend:—Prechtig jong goed!.… ruikt puur aa’s.… oo-de-kolonnie!.… wie sait dur.…—Tachtig, krijschte ’n stem uit het menschkluw op de koelkast.——Tachtig, vaif en tachtig, draafde Bode door.…—Naigtig! zenuwachtig scherp, piepte ’n vrouwestem onder de pijp uit.—Naigtig, zang-dreunde, hard-klaar Bode’s geluid nà, tusschen bries-stoei en koelen kabbelgolfjesruisch in.… Naigtig.. vaif en naigtig.… da goan.… eenmoal.… veur de derde moàl.… Rietvink!Pachtertje Rietvink had ’t laatst geboden, kreeg erwtenzak over koppendrom naar zich toegesleept en warm wroetten en graaiden z’n armen, tusschen ’t heete gedrang en getast van lijven. Dwars achter de pijp, waar ’n groep kerels zich spitste op ’t veilgoed, en uit alle hoekjes gretige kijk rondging, klonk dof gestommel en geschuur van voeten op stalen plaat en kijverige stemmenroes, warrelend en schreeuwerig als gesmoorde ruzie.—Halt doar Kempees, krijschte de Bode naar de pijp, t’met d’r al heet! nog gain hallef ses … je hep dur puur nog ’n vaiftien uur om malkoar an rieme te snaie hee?.… kaik hier!.. is dur twintig pond mooie kapcainders.… wie set.…—Tachtig! schreeuwde daad’lijk ’n venter, stemschor, rauw.—Tachtig, van fier kant gelaik!Vrouw Banke, met’r zwartig-rood kapertje over ’t hoofd, ’r korte, spek-vette, trillige armen, boven ’r tonnigen romp-buik,[132]grabbelde in den kapucijnerzak dien Bode op de veilbank sleepen liet.Lacherig schalkte ie, hoog boven de venters uitkijkend:—’t Benne gain kuite.… vrouw Banke.… je ken dur sain nie knaipe!Gegier stortte in, en heeterig aangevlamd in hartstocht, tapten wat kerels schunnige moppen, die vrouw Banke met minachtend lipgepuf afweerde.Bode had toegeslagen, en telkens weer ’n andere venter kwam op àfroep van zangnummer, van achter, bijzij, uit kajuit, door den opgeknelden menschenkronkel heenduiken, met zware zakken of bakken boven hoofd en onder arm, alles neersmakkend in vloek-heeten sjouw-zucht op veilbank voor den Bode.—Nou he’k vaiftig pond piek-faine groentjes!—’n Gulde:.…—Een-tien.… een-tien.. mi je drieë.… een vaiftien!.. een twintig.… mi-je viere.… een vaif.… een dertig!.…Overal keek z’n rood-frissche kop rond, lachte z’n lichtpaarsige wipneus, drinkebroer-komisch, kleurden z’n wangen alsof vrieswind ’n blosgloed op z’n kaken geschminkt had. En hagelwit lachten z’n tanden, tusschen z’n hel-rooie lippen, bij elk opbod. Hoog pagaaiden z’n arm-gebaren door de lucht, hitste z’n stem de venters op. Achter en om koelscherm bleef roezemoes gonzen van kakelwijven en schorrige kerels, rond ’t zwarte stoompijp-gevaarte.——Nou he’k nog twintig pond prêchtige loage woaltjes hee? eerste prime-kwoaletait!.. hai jai doàr!.… kalf-mi-je-natte neus!.… hoeke motte ’t weuse?.…Op plaatdek van machinekamer, dat gloeide van stoom en zon, trampelden de kerels ’n deuntje, brak weer herrie en gestrij los, tot de Bode er met z’n staalharde stem weer tusschen invloekte. ’n Knappe donkre vrouw, was uit ’t gedrang opgesjokt, met ’n zwaren zak voor d’r buik, dien ze met knieduwetjes opsjorde, en in blaas-zucht smakken liet op veilbank. Haar kop droop van roodzweet en gloeiing.——Dominie hiet! paa’sd’r open bran je bekkie niet, schaterde[133]de Bode.… seg vrouw Reep.… soo is dur puur gain vatte àn.… hee doàr!.. help jullie ’t goeie mins ’n handje sjorre.… hooger òp.… soo!.… soo is ’t broaf!Plots gulpte de zwartmastige pijp rook uit, verwaaiend in roetgolvende mistkransen over de tuinderskoppen, hun rompen wegdonkerend in roetbruinen damp. Ze kuchten en vloekten de werkers, achter den brons-zwarten mist, en stil éven bleef Bodestem weg. Maar daadlijk uit wegroeting van rook kwam ’t afgeroepen nummer opzetten, naast de donker-vette vrouw, opdringend met blauw beschilderde manden.——’n Uijtvinding, lachte de Bode, blauwkokke in ’n beskilderde skulpmand.… hi-hi!.… nou minse.… wa segge jullie veur veertig pond blauwkokke!.. prechtige kapcainders!.…Snel en stemme-knetterend joeg opbod-jacht tegen elkaar in.—Ke jài die nie hebbe Dirk, jai hep tug gain blauwkokke teelt!—Es kaike hoeke se goan.—Sestig.… tachtig!.… tachtig.. allegoar!.. Bi-jai-t-Hain!—Naigtig! viel Dirk kalm uit.—Hij kon sullie d’r bestig bruike.… bai s’n aige doppers.… had ie vroag veur bai s’n klante!.…Meer en meer doppers werden opgesjord naar veilbank, en haastiger wisselden de venters hun waar uit. Zak op zak bonkte neer voor den Bode, en woester grabbelden z’n vingers in ’t groen.—Vóór de veilbank gedrongen uit achterste rij, stond ’n oue, beverige pachter, knorrige kop met ingegroeid zwarte vlekken op z’n neus en mottig voorhoofd. Aan z’n bepukkelde kleine oortjes, glimmerden koperig-gouden ringetjes, waar ie telkens met beverige handen naar greep, aan trok en kneep, dat z’n lelletjes bloed-rood gloeiden bòven z’n bontvervigen halsdoek, die morsig om z’n vest kreukelde.—Veur ’n f’randring.… vaif bosse duifeke! wie set dur in!Laag, armen uitgestrekt, hield Bode de bossen wortelen in z’n hand, wortelen, breed-puntig als priktollen.—Die mo’k main hiete![134]—Aràit!.… moàr se sitte vast an twee mandjes postelain.. wie sait dur wá’—Harder, staliger klonk z’n stem, uitdagend, verwaaiend in brieskoelte.—Onder koelscherm uit, kwam roetige negerkop van stokersmaatje koekeloeren. Langzaam groeide zijn lijf hooger òp uit de, hittesfeer rondschroeiende machinekamer, waar ’t heet stootte en bonkte in treinrhytmus.… De stikwarmte uit hamerend boot-hart vloeide rond de groenten en vruchten, stookte en gistte ’r zwijmel van stankdampen. Tusschen de tuinders drong stokersmaatje zich heen, naar ’t dwars-vat met water, gretig loerend naar ’t kraantje en wit-steenen kom. Z’n roetige handen graaiden haastig door opening tusschen wat venters, naar drank. Gretiger nog omknelde hij ’t kraantje, met z’n beenen en romp weggedrukt achter de woelige jagende veilers, die in vuur van koop ’m niet doorlieten. Stil werkten z’n allééne handen en armstompjes in woeligen grabbel, als afgehouen levend, tusschen wat kleine ruimte-spleetjes, lieten ze ’t waterstroompje de kom inkletteren. Zacht-voorzichtig werkten de roet-handen zich weer achteruit tusschen de lijven door, de zwarte vingers krampig strak in greep om den wit-steenen rand gekneld. Gejaagd slurpte stokersmaatje, ingebukt àchter de ventersruggen in klokkende lafenis, z’n heete keel vol koude vloeiing begietend. Weer woelden z’n handen en armstompjes naar voren, tusschen dijen en koppen van laag zittenden, en weer slorpte ie bak na bak lauw vat-water in.——Gaif main d’r ook us ’n koppie, kost tug niks hee? lolde Klaas Grint.Maar roetgezicht van maatje, waarin de oogen nikkerig met ’t vreemd-wild wit hadden òpgelicht, was al weer verdwenen achter de kerels, in de stoom-heete, blakerende machine-kamer.Weer acht bossen tolronde wortelen bracht Bode in veiling. Drie tegelijk dongen gretig, heet.—Ksj.… ksj!.… katjes! joag d’r malkoar moàr op.… schaterde de Bode.… dertig sint!.… veertig.… mooi soo.. ksj!.. kaik!.. da’ hai je Antje Meele.… kom Teun!.. gaif toe!.… gaif toe.… ’t is tug ’n maissie.…[135]Teun lachte, was blij dat ie van ’t bod af was, begreep den vrindenwenk.—Vaiftig.. veur de derde moal.. Antje Meele.. hai je-en-hoord netoàris?.. nou doar dan.… anpakke maid! g’luk d’r mee.… aa’s sullie dur nie veur aige bik benne!.…Over de koppen zeilde Bode de bossen naar Ant Meele heen, ’n rood behaarde, slank mooie meid die opgedrongen stond, tusschen de rumoerige kerels. In vaart nog greep ze de peenen tegen ’r borst op.—Nou he’k drie bakke mooie sloà.… nie te sien.… mo je-en-gloofe.… op éere-wachtwoord.… stoan … onder kiste-stoapel.… bai àn wal te kraige, drie fersche bakke!.…—Sestig, plots zonder voorbod schreeuwde ’n mottige venter op ’n kist, weggeduwd achter twee vrouw-ruggen, èven in wippertje uitrekkend z’n hals, dat Bode net nog z’n pukkel-neus zien kon, voor hij weer snel in die diepte verzonk.——Sestig.… seventig.… vaif en seventig riep Bode, z’n hoofd draaiend naar allen kant, om te kijken of ’r opbod gewenkt werd in verre hoekjes.—Tachtig schreeuwde nerveus, de laagzittend weggeduwde weer, even opwippend, nù met z’n heele mottige kop boven de vrouwruggen uit.—Naigtig, van andere zij klonk ’t sarrend.—Roggemegoggel! f’rek jai!.… die flop is main de heule uchend t’met in de wiele.…. ikke ken d’r niks praise.… of hai is d’r bai.… nou ikke dankkie.… ikke mo nie meur.… wa jou Dirk?.…—Mo jai waite, binne d’r main soake nie!—Nou seg.… dá’ binne d’r drie bakke.… die je nie sien kenne.… drie bakke.… kroppies!.… kenne wel floddermusse weuse.… die sloà, hee?.… heuldegoar slap!.… ikke mo nie.… wa? wà?.… nog hooger.… hoeveul sait ie doàr?—Eén vaif schreeuwde Dirk, éen vaif.… je mag je wel hoaste laileke brompot!—Roggemegoggel! ikke mó’ nie’.… kenne wel puur floddermusse weuse hee?.… mijmerde ie voor zich uit, tegen de[136]donkere wollig-besjaalde wijfruggen op, met z’n weggezakten kop in de diepte.Van allen kant gonsde snater en rauwe klankenwarrel van stemmen. Zon gloeide fel, barnend, stoofde de stanken, de broeilijven, en al pafferend zweetten de kerels, in lollige rumoering van veilhartstocht.—Nou stoàn ’k tog puur van drie uur.… f’rdomd aa’s je hier sitte kenne, klaagde ’n tuindersvrouw, met morrend, moe-nijdig gezicht, ’n zwart breikous-stompje telkens van d’r borst, onder d’r kippige oogjes trekkend. Snel, in naaldflitsend beweeg breide ze mopperend voort, van ’r vingers-dansend draadgeweb, aldoor òpstarend naar Bode en groenten.—Geen gaatje plaats was er meer op de boot. Al de tuinders, lomp en hebzuchtig, hadden zich neergesmakt op manden of kisten of stònden op koelscherm. Dikke dijbrokken en achterwerk van ventsters, spanden ingekneld tusschen broeibeenen van kerels. Tegen de donkere pijp in ’t luchtbrandende blauw, leunde ’n troep beweeglijke werkers, lachend en krijschend, grimassend achter stillen rug van kapitein. Ze lolden met de breiende vrouw, die kippig en doodmoe van ingekneld-staan en hitte, niet veel zag van de waar, knorrig gromde, dat ze nog den heelen dag te sjokken, te venten had in de stad, in die pesthitte, en nòu d’r beenen al voelde als verlamd … En aa’s se d’r nou moar ’n kop leut kon naime.… ze had d’r dorst en honger veur drie.…Nerveuzer breidde ze door, tegen ’t hoofd van een kerel, vóór haar buik en beenen neergehurkt, d’r stuipig stompje kous boven z’n pof-pet komiekerig verkronkelend, onder de snelvingerige webberijtjes van ’r naalden en draad. Telkens flitste zon bliksemend licht op de naalden, die even hel-elektrisch gloeiden en schichtige flikkerpijltjes puntig àfslingerden, tusschen de sjofele kerels en hun morsige stankplunje.—Bode had uit de kajuit ’n borrel gekregen, gelijk met „notaris,” die in vadsige houding bleef luieren in zonnegloei, tegen de pijp aangeleund, den borrel in één achterwaartschen smak van z’n hoofd, z’n keel ingoot.—[137]—Netoaris hep ’m glat laid s’n happie!.. lolde ’n groenboer met afgunst, hunkerend naar eigen zuip.—Rooie kop van Bode lachte, mond-wijd.—Z’n tong klapte klakjes van genot tegen z’n gehemelte òp en prachtig z’n tanden glinsterden blank tusschen z’n vuurrooie lippen uit. Lustig hadden de venters den zoet-inglijenden borreldronk beloerd, want allen snakten naar ’t brandvocht, zalige lafenis in de venthitte.——Nog een borrel veur aige bik, veur de Bode, ironizeerde Klaas Grint.… enne een veur de „neerstige netoaris”.… daa’s veur sain drooge keel van ’t skràive … hei smoàkkert?Dirk veegde z’n mond af, watertandde, voelde flauw speeksel op z’n lippen klefferen, en van allen kant, de zwoegers rumoerden heete grappen rond, nou er zoo vroeg al door de „heeren” geheschen werd.—Strakk-en-an jullie beurt hee?.… beet de Bode terug.. En nou!.. manne broeders!.. luistert!.. tien bosse rebarber.. segge tien.… wie seit dur?.…Van alle kanten tegelijk, krakeelde bod tegen elkaar òp. Een vurigste, schreeuwde hoogsten prijs, bleef winner.—Veur Vink.… ses bos.—Nou he’k nog vaiftien.. wie sait dur? Weer daverden stemmen in golfstoot tegen elkaar in. Geraas kraterde los. Ze scholden, keven, nijdigden, nu de làter-geveilde rhabarbers veel goedkooper gingen dan de eerste.—Da’ binne dur gemoedereerde liefhebbers, grinnikte de Bode.… nog ses bosse.—In woesten slinger zeilde ie de verkochte stelen naar den groenteboer die ze gekregen had.—Gooi jai hullie moar in ’t bakkes hee, jai kailt moar roak t’met!—Nog vaiftien bosse vàn.… „netoaris?.…”vroeg Bode, doend of ie niet merkte dat ie ’n kerel pal tegen z’n pijnlijken neus gemept had.—Houweke!, schreeuwde achter de pijp notaris uit, met even oprekking van z’n hoofd uit luien armenleun.—Dirk bood ’t hoogst, kreeg ook, in joligen zwier, de heele vracht van Bode toegesmakt, pal in z’n armen. Maar nergens kon ie zich roeren, wist ie z’n bossen te bergen. Schuin[138]achter ’m hing al ’n rij manden, los, tusschen vaten en kisten.—Met de vracht z’n armen ingekneld, paf van zweet en hitte, bleef ie staan, tusschen de zittenden, hurkenden en woelenden; probeerde ie zich langzaam los te werken, met z’n zakken erwten en manden, uit het wasemende, broeiende menschenkluw.—Nou nog sestig pond witte kapcainders.… wá’ segge jullie nou.… de loatste ressies.… Veur d’n dag manne.… dappere vrouwe of te wel kenàu-Ha?.… neenet.… kenau.. boè seloars!.…Zwaar sjorde ’n zak uit ’n bres geboorden hoek, op veilbank. Half afgezakt van den zinken rand sleepte ’n pachter z’n waar bij ’n touw, blaas-hijgend van hitte. Maar niemand bood meer, dat woedend de kerel z’n vracht van den veilbank terug rukte, opbonkerde tegen beenen en hoofden, met ’n vloek achteruitstoof, rood van gift. Z’n waar schoot de bres door, die achter ’m weer sloot, knellend, walmend-benauwd.Tusschen den muur van koppen en ruggen, gromde ie nijdig nog:—Wâ suinige Job.… die laileke takkebos kaikt je an of je ’t d’r stole hep!—Nou wa’ dan.… pluk jai vaire van ’n kikker hee? aa’s d’r gain sinte binne, moedereerde ’n oudje, z’n neus hard snuitend met ’n vuil rood zakdoek, dat ie als geronnen bloedlap tusschen z’n beverig gelige vuist kreukelde.——Nou he’k nog vaif bosse wortele, schoof ie weer nijdig af bij ’n ander.—Dank hee?.… ken jou wortele nie hebbe.… binne main veuls te groot.—Loop jai rond, duufelstoejoager.… sain f’rassereerd-goed.—Disketeere komp hier nie van paa’s foàder!.. lachte de Bode.… wá’ há’ je nog meer?.… komt dur dan mee veur ’t licht hee?.… O? wà? niks meer? niks?.… dus je bin dur uit! Mooi!.… dan he’k hier nog ’n prechtig kisje ongetelde tuinboone.… Wie sait dur veertig sint.. veur die heule sak.… soo wait aa’s de broek van vrouw Zeune![139]—Vaiftig dofte ’n stem!—Sestig, er boven uit gilde één heeter, trillender.—Naigtig, ikke mose hebbe snauwde een ander driftig.Weer zag de kerel op de lage kist, weggezonken achter de stom-breede vrouwe-ruggen ’n koop afgetroefd door z’n veiling-vijand.—Even had ie weer ’n wipper van z’n bak genomen, den mottigen kop uitgerekt en gezien, met woede, dat ’t z’nouëtegenstander was. Nijdig trampelde ie met ingeknelde zenuwbeving z’n beenen naar alle kant, dat de makkers voor en achter ’m vloekten en duwden, om de bemorsing van hun plunje.——Ben jai daas snurkert! hak je beene d’raf, aa’s je hullie d’r nie stil houe ken.Weggezakt weer achter ruggenmuur, z’n pukkelkop gebukt, kookte ’t weer in ’m van drift, probeerde ie zichzelf wijs te maken, dat ’t toch veel te duur ging, hij zelf blij moest zijn dat ie ’r zoo goed afgekommen was.—Haa’k strak-en an meskien die floddermusse had.. en nou.… potdoorie.… die haireboone!.… ongeteld!.… sitte d’r vast gain duusend in.… magge veur main bestig hebbe.… haha, wat ’n dolle smak.… Nou.… ikke mo nie!.. wa?.… wà?.. hoeveul sait ie?.… kaik.… prechtig! prechtig, joàge hullie sain d’rais ook op!.….. kaik! nog hooger.. hoor main-dàt-t’rais an!.… kaik.… goan die nog hooger! hoor! daa’s d’r puur doas.… Wá’ brenge die op?… vast gain duusend in.… ongeteld! Gain duut!—Een vaif en twintig, staalhard, hortend klonk Bodestem.. mi je tweeë.. één dertig.… mi je drieë.… éen vaif en dertig.. één vaif en dertig.… een vaif en dertig.… éen moàl.… andermoal.… veur de derde moal.… Ritsema!Stomp keek ie, de hals rekkende venter, stomp op donkre vrouwruggen. Zacht, in zenuwnijd trampelden z’n beenen tusschen engte van lijven, schijnheilig overgaand in ’n deuntje op ’t doffe hout, en brommerig raspte z’n ventersstem, dat ie d’r niks van hebbe most, van floddermusse en ongetelde boone.——Nou nog veertig pond peule, bestige, malsige, soetige,[140]schreeuwde de Bode, nog de loàtste ressies en dan is ’t puur daan!Weer stortte ’n veiler rhabarber neer op de heet-zonnige zinken veilbank, die dampte van geuren als ’n wierookaltaar. Weer sjorden zakken doppers òp, en voort joeg onder proestlach en juichender krijsch, gedol en nijd, de roezemoezende koop; kwam er begeeren naar eerste schoft in de schorre, droge, heete keelen. Drukkender hitte gloeide en zwamde néér op menschenprop en koppen. Warmer stanken in zonnevuur, ontbroeiden op hun morsig vel, en de kajuit ademde wee-zoete luchten uit, van bakmuilen en grijnzende mond-manden, walmzwaar en duf-bezwangerd, naar ’t dek. Aardbeien, wee-zwoel geurden rond in ’n damp van benauwde zoetigheid, en telkens, in verschuif en versjouw van groenten, brandden de kisten hun rood uit, in zengenden blaker; kogelende vruchtjes vuur tusschen helgroen en zacht bleek, donker droef groen.—Groen, rauw als plankenkoloriet van Zaandamsche hutjes, omzond in heete murmeling van zomervreugd; tusschen pastel-teer bleek-groen.—En alles daar, zoefte voort in ’t landelijk kanaal, ’t hel-rood, ’t groen, ’t donkere en licht-felle, ’t brandende wortelenoranje, de zee-groene lichtverwiegende kroppen, de pastel-fijne erwten, de boonen en bakken, stoofgloeiend onder ’t blauwe vuur van de eindlooze lucht, hemeldom van brandend lichtblauw; hitte die wit vergloeide in daverenden zonnebrand op wei en bouwgrond, eindloos in ’t rond.Als schroeiend brok zomer, levend brok aarde, in schipvorm saamgestampt, zoog de boot door het schitter-fel, licht-beketst water; als kleur-drijvende aarde-ark van groen en rood, tusschen goud-koperen gloeiing van roer-brokken en randstukken in glimmigen zwier van verglijende glansen. En rond de groente-ark, de hevige wemel, ’t brandende trillende koloriet van alkleurig kistenschmink. Vóór „Tuinders Geluk” zwierde kleurenbrand van andere booten, tusschen de heete zonneoevers van eindloos poldergroen. Vaag rumoer van stemmen klonk daar òp, achter de pijpen. Van ver brandde ’t aardbeirood uit kistenmuur, feller, hevig-heerlijk tegen hemeldom van[141]brandend blauw. En windeke van zomermorgen, briesde en stoeide, koel-streelend en wuft om de vruchten, de zweetkoppen. In ’t water ruischte ’t golfjesschuim, stoeide de zon met z’n sprankelend vuur van zilverend-goud. Droom’rig murmureerde rhytmische kabbeling van zonne-golfjes, om boeg en steven heet vervloeiend.Dirk stond van geuren en bries bekoeld, polderland te overstaren. Van den luchthelm naast ’m sprong plots ’n rooie kerel àf met ’n zwaren zak lage waalen.—Rook wolkte over hen uit. Donkere gulping en bronzen veeg van stoom verroette, en pijp-zang baste in beev’rige galmen ’t vuur-stoeiende watervlak over. Bronzerig in wolksmook, verlicht in dagbrand, bleef áánroetten de rook, dat de kerels vloekten achter de pijp. De rooie venter, kuchend en keelschrapend, sleepte z’n zak op veilbank, van boven nauw dichtgesnoerd met ’n dikken vuil-witten band.——Wa binne ’t veur snoake?.… vroeg ongeduldig van z’n bank, de Bode droog-komisch op den rooie neerkijkend.—Sestig pond loage woale.… de leste!—Sestig pond.… prèchtige loage woale, schreeuwde Bode dadelijk, zonder te sien.… fersche, malsche woale.… wie sait dur honderd gulde.…—Eerst kaike hee?.… se kenne d’r puur te dik weuse, norschte ’n vrouw.—Sièn je woàr, duwde Klaas Grint er tusschen door.Gejaagder morrelde de Rooie aan den zak, driftig rukkend, aan ’t wit stuk band dat er niet afkronkelen wou. Bode ophitsender, bonkte al met z’n handen op schouders van den venter, grimassig doend of ie ’m hielp trekken. Ongeduldiger geprikkeld, verhit, dolden en schaterden de kerels op ’m ààn.—Die boel ken d’r nie los, vast nie.… da’ binne d’r gain woàle.… da seg ikke jullie!.. smak die gaip op s’n almenak.. da s’n ribbe kroake!—Aas je main! je ben d’r nie lekker op.… aa’s ’n kikker op ’n kluitje hee?.… verontwaardigd snauwde knorrig en sputterend van vermoeienis de rooie groenboer terug, z’n zak[142]even loslatend, van verlamd moeheidsgevoel in z’n armen.—Furt d’r mee, los die rommel, joeg de Bode weer op, dien ’t nou begon te vervelen.… furt! of ikke sèl ’t doen.… f’rdomme, ’t kroakt hier op de bank of Sinterkloas er reeë heb!Van z’n stoel, beenen uitgekromd, rukte ie aan de zak, nijdig met driftige handmeppen, maar de knoop bleef in kronkel gesnoerd. Giftiger rukte de Rooie, dat ’t vette glimzweet van z’n blanken kop waterde. Niets hielp. Allen in voorsten rij beukten en rukten den zak, die als ’n levende romp, gepijnigd op folterbank, in z’n grauwbrons en plooi’rige vadsigheid méékronkelde en stuipte onder de driftige meppen der kerels. Lol hadden ze ’r van, gierende lol om de zweetende, vloekende onmacht van den rooien groenteboer.——Da’ goan nie, dolde Klaas Grint, hai hep sain d’r vàstbakt.…—Nou, ikke seg daa’s ’t kouseband van sain tante!.…—An-main-hupla!.. van sain skoonmoeder t’met.… die hep dur koabels om d’r kuite!—Niks gedoan! ’t kouseband van sain maid! kaik d’r stoan ’n merrekie op!Woedender voelde de kerel hitte-drift in zich òpfuriën onder ’t heete geschater en de stekelige lolletjes van de groenboeren rondom.—Maar ’t dolst maakten ’m de nijdige grapjes boven z’n hoofd van den Bode, dien ie niet zàg, maar hòòrde grimassen. Eindelijk viel ie nijdig op den zwikkenden en krampenden zak áán, beet er z’n tanden woedend op in, rukte den knoop heen en weer met z’n drift-gloeienden mond, als ’n hond ’n been-kluif,—knaagde, scheurde en knarste. Even kwam er ’n stompje loswarrelen. In grabbel trok ie z’n mes, sneed plots den band door, dat de zak, gerammeid, gehurkt en vernederd, van boven lossprong uit z’n worgenden klem als met ’n snikzucht naar lucht.—Weer nieuw goed werd aangesjouwd, nù losse slabakken.—Mo’ je nog twai bakke, soo uit ’t knuisje van Knelis Tijsse?—Hee, hai je d’r veur main ook nog twai?[143]—Ikke hep per nog één veur je, krijschte ’n ander er dwars door heen, veur de hàlft van sain prais.—Daa’s liederlik, jai natte kip! hou je bek, jai ben d’r nie in vailing.Met ’n grooten bak sla wou de dwarsdrijverige onderduiker zich door het kluw venters heen werken, maar van allen kant, bonkten ze’m terug, moest ie, strompelend en struikelend maken dat ie weg kwam, ’t stillere boot-achterend op.——La’ da’ varke nie deur.… eerst de bakke van Tientjes wèg.… hee Tientjes! wa hai je dur nog meer?.… rebarber he’k had, peene, sloà, postelain ook.… boonekruid … loate „spanneezie”.…—Ben d’r uit! schreeuwde Tientjes opgeruimd terug!—D’ruit! mooi, dan he’k nog tien bosse faine peene!.…’n Sjofele, monsterleelijke tuindersvrouw, rimpelig begijntje, met dik-apige lippen en naarvoren gestomd kakement, had zich, in ’r hard-geel manteltje, vooruit gedrongen, bij kleine stootjes en duwetjes. Nou alles op ’t end liep, ’r verslapping kwam, en wrevelige hang naar schaft, drong zij vooròp, listigjes spekuleerend op vermoeiing der andere groenboeren.—Met schuchter-zwakke stem zette ze’n bodje in, en plots dromde woeste snauw van alle kanten tegelijk op ’r af.—Saa’k laife! da’ hai je ’t kallef mi-de-natte neus.——Loà de boere moar dorsse! ken hoàr ’t skele, minachtte ’n andere vrouw met venijnigen, puntig-bitsen kop, bejeukend d’r scherpen neus, die uitpriemde als ’n boor onder ’r gore steekmuts. De eeuwig-breiende ventster, moe, met ’r knorrige moppertronie, snauwde mee, schril. Niemand gunde ’t rimpel-begijntje ’r sjofele koopjes.——Roggemegoggel! de gele medam hep ’t puur op d’r heupies.——Se hep o-de-keloonie van d’r gelant op d’r jakkie, hoonschaterde vrouw Zeune, en de brei-vrouw rolde weer ’n vloek naar d’r verschrikt snuit.—Veertig.… sint.… veertig, hakte de Bode door stemmen-gesnauw en gekef heen.… veertig eenmoal!.…[144]—Vaif- en veertig, nijdigde ’n andere vrouw, alleen maar om òp te bieden, wrevelig-wetend dat ze de waar toch niet noodig had, volgepropt als de mannen en wijven al zaten, bij den laatsten rondgang.—Vaif en vaiftig! dolde ’n kerel ’r tegen in, die de gele madam niet luchten kon, met genot ’r uitgehuilde kaken zag verangstigen.Zweet-rood glom de gele madam, stotterend in verlegen angst, bekrabbend ’r apigen gelen mond en kin. Benauwd glunderden haar oogjes, vol glinsterig, sluw-bang licht, òp naar den Bode. Want op ’t eind van elke veiling was zij taai, zij, dat wist de kerel.—Sssjesjjtig, siste ze even uit, met ’n wenk van ’r magere knokels, sluw, schuchter toch.—Nijdige snauwhoera’s gierden ’r hoon-scherp tegemoet.—Je man kaikt mi sain skele lampies noa je hain!, sarde ’n tuinder achter ’r rug, haar telkens porrend tegen de schouers, dat ze schokte.—Nouw sssjjoà.… nouw sssjjoa.… aa’s.. aa’s … tongsleepte ze, in wanhoop opgejaagd om hooger te bieden. Haar naar voren gestomd, geel kakement sidderde van zenuwschokjes, ’r apige lippen trilden, en ’r ingedrukten neus, wijd opgewipt bij de reukgaten, bewreef ze onder ’t lispen.. nouw.. sssjjoà.. jullie gunt t’r main gain sssjjpòg woàter!—Wa’ mò je tug mi die peene veur sestig uitvoere waif?.. je koop hullie pattekelier veur vaiftig bai ònster.… lolde een weer in hoontoon.—Nouw sssjjoà … nouw sssjjoà … brabbelde ze verlegener terug, òpstarend in oogenangst naar den Bode, met zenuwsnel wimpergetril, als hing ’n slingerend mes boven ’r hoofd,—De vrouwen grolden, konkelden en schaterden vinnig jaloersch, lol-woest, dat ze’r zoo hoog opgedreven hadden, in hun gejaagd bieden.—Nou mag sai d’r biertje loàte werrike?.. Bi-jai-’t-Hain!—Sestig, eenmoal, veur de derde moal, hakte de Bode droog door, vrouw Joapeke![145]Ze beefde als ’n riet, vrouw Jaapeke! Ze voelde, in ’r zenuwangst, dat ze toch te hoog was gegaan. Bang graaiden ’r gele, breed-bemouwde, slobberige armen, naar de penen die de Bode tegen ’r platte borst smakte. Geel-rooiïg vervlekt, dampte ’r tronie, dat monsterlijker rimpelde als oudwijverig apenbakkes, in glimmig zweetvet. Niemand durfde ze aankijken, als had ze een gemeene streek uitgehaald. Tegen ’r hardgeel, verkaald kort manteltje, knelde ze zenuwachtig de peenen, en banger loerde ’r monsterlijk verdroogde begijntjes-kop ùit, tusschen den fellen daver van ’r wortelen-oranje en ’t fijn-kartelig uitgeknipt donker groen loof.——Nog twai koopies, dan is de skaft dur, lachte de Bode, ’n bittertje weer met smaktong wegklapperend en opzuigend z’n adem.—Nou he’k nog ’n sak mit laifende woar.… gain f’rklikker in de buurt?.… niks nergens peliesie?.… wel-nou-dan!.. dan he’k hier spring-laifende woar.… twee prêchtige kenaintjes!.… kaik hullie tippele!.. kaik hullie tippele!.. la’ main in gos noam niet langert proate.. beste minse!De grauwe zak had ie opengefrommeld en er met één hand, bij de ooren, ’n donzig blond konijntje uitgegrabbeld, dat angstig spartelde en voorpootjes kramperig tegen wit-bevlekt borstje òptrok.—Schater barstte òp naar ’t hangende diertje, kerels gierden, vrouwen gilden.—Sou ’t d’r ’n broertje.… of ’n sussie van sain, moar dur sit dur nog een percies-eender in de sak.. wie blief dur hullie!In rauwen humor, de twee ooren in één hand saamgeknoopt, keerde ie konijntje naar zich toe, ruggetje naar de koopers, vroeg ’t, venijnig tikkend met vingertop op beweeglijk zenuw-trillend neusje:—Hoe vint ùfus de f’rgoadering.… die ùfus broàde sel?ouëjonge?.…Heet gegier raasde uit den troep en konijntje draaide ie rond aan z’n ooren, dat dierke als ’n spiraalwrong, weer duizel-snel terug-schroefde.—Kramperiger spartelden opgetrokken voorpootjes;[146]suf bleef staren ’t stomme kopje tusschen engen oorenknel; sneller en verbluft trilde angstiger ’t blanke neusje.—Vrouw Jaapeke was er weer ’t eerst bij met ’r bod.——F’rvloekt, die komp nou altait op ’t lest! stiekem uit ’t hoekie.… snauwde de brei-vrouw weer, giftig doorwriemelend d’r steken, bij webbende vingertoppen.—Is juffer luiwoàge weer an ’t woord? spotte ’n groenboer naast ’r.—Nouw sssjòa … nouw sssjjoà … kauwden ’r dikke lippen weer, en zweeterig, met rooie vlekken, rondgetrokken als doffe bloedvinnen, glom ’r gele begijnentronie. Angstig loerden ’r oogen òp naar ’t zacht nog nàschommelende konijntje, dat de Bode telkens kleine draai-duwetjes gaf. Droeverig-gebluft staarde ’t kopje, de oogjes trilden, keken wijs, als voelde ’t deernis, dat ze ’m zoo plots uit z’n stik-donkeren, duffen aardappelenzak, in ’t felle zonlicht daar te kijk hingen. Z’n spichtige steilgrijze snorhaartjes beefden en z’n weeke angst-bekje mummelde wat, als verkauwde ’t z’n eigen angst.——Veertig éenmoal.…—Sestig, ’n rauwe stem van tuinder klonk achteruit.—Ksjt! ksjt! katjes.… siste ’n kerel, sloan jullie de gaile medam veur de sokke.…Weer trok weduwe Jaapeke beverig aan ’n grooten knoop van ’r hard-geel manteltje; sterker beefden ’r oogwimpers.—An joù juffer luiwoàge!.. veur aige bik!.…—Wa’ mot dur medam mi’ knaine van doen? sai frait d’r puur kalkoene!.…—Nouw sssjjoà … nouw sssjjoà … sleeptongde en lispte ze angstig terug, afwerend duwen en grapstooten in rug en zij, jullie gunt dur.… gunt dur.. ’n minssjch nikssjch.Angstiger loerde ze naar Bode òp, of hooger bod inviel.—Sestig één.… sestig anderr.…—Vaif en sestig!.…—Mooi soo!.… gooit de boel òp waife;.… aa’s alles brandt brandt woater ook.. la’ jullie je aige nie troefe.. van die gele sloerie-ekster,—stootte ’n venter uit, grinnekend tegen ’n buurman.[147]Weer had vrouw Jaapeke den Bode stiekem gewenkt, vlak op z’n schoenen, schuwtjes-snel ’n knauw met ’r beverige handen àfdrukkend.——Aaj! vrouw Joapeke! main eksterooge! krijschte de Bode een arm en been lawaaiig-komiek de lucht insliertend, ’t konijntje meeslingerend bij z’n ooren.Joelende hoongier schaterde los. Vrouw Jaapeke stond bedremmeld, nu Bode ’r in z’n lol verraden ging, dat zìj aan ’t bod was; dat zìj op z’n schoenen gedrukt had. Weer hooger ging tegenbod;.… angstiglijker rilde gedachtetje door ’r heen, dat ze de beesjes niet kreeg.——Sien jullie, de gele medam waa’s ’t weer!.…—Anme huppla!.… nou kraig sai twee fraiers thuis!..—Tachtig, hakte weer door de Bode, en weer voelde ie ’n half verborgen druk van vrouw Jaapeke’s beverige knokels op z’n schoen.——Vaif en tachtig eenmoal.… andermoal.… veur de dèrde moal!.. vrouw Joapeke!Weer barstte ’n rauw hoera los, rond de gele medam. Ribbe-stootend bonkten ze’r, gilden en hoonden de jaloerschen om ’r heen.—Want ze wisten wel, dat zij dingen plaatste, die anderen nooit gebruiken konden, bij wijven in de Nes. Daarom durfden ze niet nòg hooger tegen ’r opbieden, bang dat ze ’r misschien aan hangen bleven.—Bode had konijntje weer in den zak gesmakt en rolde de levende waar vrouw Jaapeke tegen ’r platte borst, boven wortelenstapel, waarmee ze nog onder de armen, tusschen de mensch-kluw ingepropt knelde.—Saa’k f’rbrande aa’s ’k snap wá’ ’t waif d’r mee uithoale mot.… verleje.… mi Juni hep sai ook.. die vaif prêchtige leeuwerikkies kocht.… die hassebas.… woar hoalt ’t murmel de sinte van wèg!.…—Van beroep is d’r man tug stroat-oàrm, hoonde ’n ander.. hee! gele medam, koop jai d’rais ’n nuwt stelletje kiese hee?.…—Trek jai d’r veere van ’n kikker! schaterde valsch mee de vrouw met d’r rooie kap en woelige sierseltjes, boven ’r voorhoofd.…[148]se is t’r moager aa’s ’n tang! en ’t laikt dâ se koopt veur aige bik!—Nou, grinnikte de brei-vrouw,—in de stad … loopt ’t mins.… soo ver aa’s de hemel blauw is.… en roakt t’met nooit niks kwait van d’r kar.—De leste koop!.… luistert wèl, goê-liën, schalde hoogklaar de Bode weer,.… om te beginne en an te vange mit ’t begin, he’k hier ’n prèchtige takrooie maidoorn.… wie blieft.. wie-sait!Van vier kanten raasde áán, dooreengolvend stemgekletter.—Tien! vaiftien!.… achttien!.…—Mit je àlle achttien, lachte Bode, mit je àlle twintig.… wie mot!Dat was blomgoed, waar de hééle stoet op loerde.——F’rfloekt.… de fint snait d’r ieder dag ’n takkie van sain boom.… aa’s tie dit joar.. gain tachtig pop veur s’n boom moak, hiet ik puur gain Teun Stainders meer.…De eerste bloemenkoop was weggerùkt. Langzaam achter ’n stapel aardbeikisten, wrong groenboer nog twee kleinere takjes. Maar nòg schreeuweriger, voor hooger prijs, kochten ze die in. Ze wachten er op, en hurrieden alle tegelijk er om.——Op is de boel!… gelukkig, kwam d’r aêrs nog muiterai an board.… Moandag weer ’n handje!.… lachte de Bode, en nou he’k hier nog prèchtige lelies.… wie mot dur.. wie?..Nauwelijks had ie de vormfijne lang-stengelige bloemen in de handen of ze smakten op ’m neer. Twee vrouwen rukten ’n heel bosje uit z’n warme knuist.—Ikke ook, ikke mot d’r òòk.…—Hier.… doar hai je vast màin.. vrachie sinte!.… Ikke hep d’r tien!.…—Màin.… main!.… daa’s gemàin, gilde ’n ander.… ikke hep d’r eerst sait!.…—Krikf’rdorie.… die blomme luchte lèkker, snoof Dirk verbaasd-loom òp.. die mo’k hebbe veur main klante!.…De vrouw met de stuipige breikousstomp was plots òver de hurriënde en dringende kerels heengebukt, ’r vat-breed achterwerk[149]’n groenboer langs ’t gezicht schurend. In woesten ruk, had ze vrouw Jaapeke de lelies uit ’r hand gescheurd, de bloemen haastig in d’r schort beschermend.—Vier andere vrouwen, met verkoop van veiling, zwaarlijvig bijeengeklonterd, sprongen bijzij op gele madam af, om te zien of ze nog meer blommen bergde.—Maar in één ruk had de breivrouw ’r leeggeplukt. Grienerige woedetrekken groefden om schrei-mond van gele medam, en sputterend spoog-lispte ze vloeken uit, naar de woeststerke wijven. ’n Endje van vrouw Jaapeke af, waren nu wat groenboeren op de brei-vrouw losgesprongen, om die den blommeboel te ontfutselen, bonkend en haar bekrijschend dat ze niet had laten uitveilen. Maar breivrouw weerde zich heftig, trapte naar achter, beukte opzij, in den knellenden warrel van graaiende en rukkende handen, stampen van beenen en lijven. Bodestem schalde plots bòven ’t warme stoeigewoel uit, in lach van z’n frisschen kop.—Nou nog wa’ prêchtige pioene, wie-se-hep kraigt de staikels.… ikke hou de blomme—.. In wat tellen hadden de venters ’m afgekocht.—Broeierige woeling gistte los in den veiling-prop.—Snikhitte dampte om hun zweethoofden. Zon priemde fellere lichtlansen neer op de boot. Elk plekje braadde en kookte.—Spraakloos buiten ’t gewoel, stond kapitein voor zich uit te staren, ’t vonkwater in, en hoorbaarder nu, achter veilingstilte uit, klotste de golfjeskabbel tegen schipwanden òp in schuimende koeling en week ruischgestroom.—Hunkering naar ochtendschaft ging rond. Om den Bode klonterde de menschenkluit los. Twee dikke groenboeren kankaneerden in nauw gangetje van hangende manden en kisten, naar de kajuit. De dikste, achteruit dansend, met kwabbige schommeling van z’n vet lijf en spanning van dans-dijen, strompelde gladkoperen traprichel af. Springend met kromgebogen armen, ’n zwaai de lucht in, plof-bonsde de andere op z’n borst en buik. Achter hen ààn, trampelde ’n heele bende naar beneden, de kajuit in, waar al wat kerels, mistig berookt in halflicht hoekje, saamgebroeid hurkten achter hun manden.Als ’n laag-bezolderde ark, spitsig toeloopend en hellend bij[150]den boeg, dampigde de kajuit, volgesmookt van pijp- en sigarendamp, snikheet. Groòter en ruwer dan in ’t fel deklicht, onder half schaduw nù, lijfloom neergesmakt op de rooiige ruw-bekwaste banken,—leken de vrouwen- en manskoppen in de kajuitsdiepte. Achter enkele half-verduisterde hoofden, wangbrokken en kleurig haar, stroomde zonnelichtspuiing, door hooge ronde kijkgaten, beomtrekkend èven wat tronies in zoom van goud, fijn vloeiende lijn, die gloeide soms als electrische lichtdraad. Schuwere glansen schoten door morsig beruite kijkgaten, hoog ingeboord boven boeg, scheemrig vervloeiend in de halfdonkre kajuits-sombering.—Langs de wanden en midden in, plankten de ruw-rooiige banken, breed, waarop neergesmakt dromden in stomme hurrie van punten en brokkelige kanten, kisten, pakken en manden.—In de kajuit stonk ’t duffer, vunzer nog dan op ’t dek, waar dòòr de groenteluchten heen, soms nog ziltig zoute lucht van zee-windstroom aanwoei. De hooge kijkgaten, ’t heele schip langs, brandden in reflexvuur van kanaalwater en zonnegloed, tusschen ’t opkruipende half-duister in de stik-heete kajuit, als gloei-gouên oogen. Tegen de grijs-grauwe morsige zoldering zonden wat lichtkrinkels, die trillerig door elkaar heenspiraalden.—Vlak onder de gloei-gouden licht-oogenrij van kijkgaten, doorzond en fel-verblindend, kropen schaduwtinten langs verdonkerde wanden, zonk de kajuit in, vaag-kleurig van paarsen rook, even doorneveld van zwakke glanzen.—In al òpgeknelder drom trampelden de vensters van ’t dek, smakten zich neer op de banken, tusschen hun pakken en kisten.—In roodbruine somberheid plankten de banken, en heel de kajuit, met de oppropping van koopwaar, leek ’n groef, roodsteenig en duister, waarin schipbreukelingen saamgevlucht stumperden, bàng omknellend hun laatste rijkdommen.’n Lange kerel, met heel kleine oogjes, z’n hoofd de zoldering rakend, waaronder z’n gebaren reuzigden, holde heen en weer te bedienen, stapte telkens op ’n vrouw af, die op bankpunt koffie schonk uit ’n bruin beschilderden koffie-stoomketel. Tegen muur van kajuitstrap, donkerde inhammend buffetje, waarin opgedrongen bijéén hinkten, diendertjes, manke jeneverglaasjes;[151]tegen elkaar leunden, flesschen, koppen, broodbonken, kaas, steenen bordjes en sigaren. Van alle kanten, uit de half duistere kajuit, tusschen het triestige roodbruin van banken en morsig grijs van zoldering, roezemoesden zeurige, teemende en krijschend-jolige, hakkelende en sputterende stemmen. Uit elken hoek warrelde geraas, gekakel en boerenwoest geschater. Gretig pakten de venters hun stukkenzak met halve broodhompen en mikkies uit; hàpten, hàpten.—Koffie main!—’n Bakkie g’laik!De heele bende verdonkerd en ver-reuzigd onder lage zoldering en balken, slurpte koffie. Overal, ingebukte nekken en gezichten, de warme lippen op de groote kopranden platgeperst, vuile handen rond de kom gekneld.—In anderen klauw, de halve mikkies gegrepen, hapten dierlijk de geile ruwe monden, slurpten de tongen, grepen en persten de morsig levend-beweeglijke vingers, groen en bruin vervuild van smeer. Op verhoogd boeg-end, druk roezemoesde ’n gierend troepje, de beschaduwde koppen naar elkaar toegebukt, in raaskallende lol, omwolkt van paarsblauwigen rookmist.—Soms even schampte òp, achter nevel-paars, ’n pijpekop, ’n kiel, rooiig-donker, grimmig-gebarende hand, ’n wangkant, ’n harige achterkop, met even lichtbeflitste oorrand, plots weer wegduisterend in zwaarder rookgewolk. Naar alle kanten liep de lange kerel met z’n dampende koffiekoppen, zonder schotels rondgediend, oorloos en gloeiheet, de klef’rige greepklare ventershanden induwend. Al meer reuzige schoenen, beenen en lijven zakten de loom nauwe kajuitstrap af, waar ’n ruitje even licht sloeg, voor ààn, in ’t rookige hol. De vrouwen bijeengegroept kakelden en kuchten, op d’r hooge banken saamgedromd, tegenover de woeste rookers, aan spitsig-hellende boeg. Telkens moesten ze inschuiven, opschuiven voor al meer instrompelend volk, dat tusschen vrachten en meegesjouwde bakken, als onder ’n lagen hemel van zoldering-morsigheid bijeen kwam broeien. De balken met donkere reten en vuile flodders verf, kruisten vlak boven hun scheemrige tronies. Aan ’t eind van middenbank stond[152]de schenkvrouw, breed ingebukt ’r oer-ketel te hellen. Telkens bracht de lange bediende, klefferig bevuilde koppen áán, hield éven schoongeplaste ònder den ketel-slurf, inmiddels vlug uit grooten suikerzak,—als overvloedhoorn blank-open neergetuit op bank-end,—’n schep opvisschend, en in zwierige vlucht afplonsend, in ieder kop ’n hoosje. Naast de ingebukte vrouw, die geen tijd had om ’r lijf te rekken, stond ’n vuil emmertje, van binnen bleek-rood uitgekleurd, met smoezel water, waarin ze luchtigjes,—toch doorschenkend uit ’r koffieslurf,—rond-spoelde de aangedragen, klodderig bestroopte koppen. Even ’t bruin-bestroopte van buiten wegplassend, druipend nog van vieze straaltjes grondig vocht, grabbelde ze met ’r natte handen de kommen weer òp, uit den emmer. En ’r zoon bleef bedienen, hield de reuzige koppen weer voor de tuit, die stroef stond, beklept-harig als ’n levende slurf, waarop vuiligheid bakte. En vlug, de eeuwig-gebukte schenkster rookte de kommen weer vol geurig koffiebaksel.—Walgelijke stanken, duf en vuns rotbroeiden de groenten uit, de jenever, koffie en tabak. Tegen ’t roodbruine ruwe gebank, en den zwartmorsigen grond, zogen de stanken vast. Wilder, woester, in vergrootende donkering, slurpten, verhapten de koppen, met apig-dierlijke rukken ’t brood, in geilen slurp en zuig, smakkend zich gevend aan vroege vraatzucht en drank.Dirk lag met z’n arm op ’n stapel duf-stinkende manden, en achter z’n hoofd, op tusschenplank van middenbank, tweekants bezet, stapelden bossen groenten en bloemen, zoet-zwoele lelies, tusschen voos-luchtende aardappels en kool, bruidsgeur en blankte, vermolmend onder gronderige stanken van benauwing. Elk ding wasemde stank uit. De kleeren van venters stonken als verrotte beenderen. Verhitte kroegasem en bloemengeur zogen door elkaar heen.—Naast Dirk, hurkten met beenen onder kin opgehaakt, Klaas Grint en Rink van den polder, happend en smakkerend in scharren en poonen, ronkend van vreetgenot. Dirk had z’n derde kop koffie al heet ingeslurpt, luisterde nu, dwars door leuter-geratel en handengeklakker van nasjacherende vrouwen en kerels om hem, naar[153]Grint, moeilijk verstaand, z’n oor geheven als luistertrechter, tegen den heeten herrieraas van stemmen in. Grint bepeuterde voorzichtiglijk z’n poonen, smakkerde bij brokken de vet-glimmige blanke visch z’n mond in, sprak en vergierde schunnige moppen, dat z’n uitkauwsel, telkens tusschen z’n snaterende kaken opschemerde. Als ’n zaal, waarin rumoerige kakatoes op eigen houtje krijschend konverseeren, dazelde stemmesnater rond. In al gamma’s brulden, lolden, lachten menschenkelen, schorre, rauwe, zachte en weeke timbres dooréén.—Soms klonken er als schrei-geluid, kermende klanken; dàn bulderde en donderde woordkrijsch uit, hevig en verhit in de mist-rookige kajuit.—Rink van den polder, slobberde jenever, door z’n scharrenmaal hèèn. Van uit z’n apigen knie-hurk, rookmistig omdampt, keek ie telkens flikker-scherpe kajuitsoogen in, die trilrige zonnekringen, wazig-vloeiend verspuiden tegen zoldergrauw. Eén balk-brok kreeg felsten stroom, waarop, in krinkelige rilling, als ’n zwabberende kurketrekker, ’t licht invrat als wit vuur. Naast Rink, ingedrukt en bekneld van twee kanten, met mandwerk, stumperde ’n bochel, door z’n puntbult ’n end van bankwand afgeduwd.—Peinzend telde hij eiertjes. Zacht schuifelde z’n hand in ’t strooien bed, en koelblank tusschen z’n groenig-vuile vingers, marmerden de eitjes, telkens teederlijk door ’m weggekoesterd in ’t gouden stroo. Na koffieslurp voelden de kerels zich bijna in de stad, furiede zuiphartstocht òp. Overal rinkelden jeneverglaasjes, zogen de rooie dorstige kelen ’t vocht in, vol wellust.—Màin segoàr.… moàr hardstikke swoàr! schreeuwde Dirk.—Enne main nog ’n kats, veur sain sinte, grinnikte Grint op Rink wijzend.Met acht kommen tegelijk, in balans-behendigheid deinde zacht de lange bediende door den rookmist heen, naar stijgenden boeghoek, al hooger onder de zoldering uitreuzend, in bukhouding z’n kop op borst gedrongen, om zich niet te stooten.—Zwier-vlug deelde ie de kommen rond, tusschen de gretig-uitgestoken handen.—Sterker klonk weer gelebber, smakking en dof eetgeronk. Klaterende roezemoes, gillerig en hoog, onder[154]voortgonzenden toon van mannenbassen, gromde door de kajuit. Levende walvisch, leek ze menschen in angstlawaai opgehapt te hebben, die daar verwilderd in d’r half duisteren muil zaten te schreeuwen, te stampen en te reutelen tegen elkaar van kreupelen angst.—Stooten van machinekamer bonkten trillingen door de wanden, bracht sidder in de koppen, handen en beenen. Door manden en bakken ging lèvende beefstroom. Alles zat in trilling; de tronies die raasden, de monden die zopen en vloekten, pruimden en kwebbelden; de handen, die vastklemden bevende kommen; de beenen, die trampelden of hurkten. Een flakkerende wiegel van schaduw en lichtvegen schemerde tonig en diep door de rook-paarse kajuit, rooïig-blauw verdampend in hel-lichtende òogenrij van kijkgaten, die loerden met zengenden vuur-blik.—Diep daarònder, de ingezonken lijven op banken, de handen op knieën, beverig doorschokt van machinedreun, de hoofden en oogen vertemperd in kleurigen wasem, tusschen den dof morsigen grom van roodbruin plankwerk en wandgrijs. Daar, midden in de broeihitte, sloegen, walmden en braakten de stanken òp, vunziger, uit half-open kelen van manden, uit zak-strotten, uit gaten en spleten van kisten. Zweet-rook van lijven dampte van kleeren; van barokke klompschoenen, enkele scheef en vergroeid als paardevoeten; van pilow-broeken en baaien rokken.—Uit alle hoeken wasemde rottende stank rond.—Schemervegen van schaduwzware tinten versluierden soms plòts groen-zwartig de kajuit. Rooie sigaarpunten gloeiden áán, in donkering van hoeken en de rondzonnige kajuitsoogen bleven loeren in fel vuur. Prachtige glansjes, smeltend en wiegelend, zwierden op menie-rooie randjes van drie gesloten venstertjes. Licht van waterkabbel wiegde méé met warrel van zonnespel daar in golfjes, àchter morsigblauw paarlmoerig-benevelde ruitjes. En wat trillerig geschijn deinde áán en af en om de kijkertjes. Als ’n diepe hangmat, waarin rookige schaduwen kwijnden en weer wazig-grillig verkleurden, in wiegel van gesmoord licht, hing de kajuit, plots weer in zachten schommel van boot; hangmat van rook en stank, waarin de menschlijven, opgepropt verduisterd in[155]grauwig paars en dampig gesmoord zonlicht, bewogen in nachtmerrie-realiteit. Uit pracht van diepe donkerdroomrige tonen, stemmige diepte van zachtflakkrenden kleurmist, zwaarbefloersd in grillig verstaltigenden groenen rook, doken telkens ànders de boerenkoppen òp. Roodbruin de banken, angstiger verdoffend den getemperden kleurenstoei der mans- en vrouwkleeren; in rooknevels de groentebakken en manden, dwars en stapelend uitgestald op den donkeren vloer, vóór sprookjes-reuzige voeten, òp schootbrokken, tusschen glazen, vuile kommen en rommelzooi van stronken en afval. Daar, door dàt hangmatleven, zogen en walmden de helsch-gemengde stanken, tusschen gebeuk, getril en geraas; broeiden de koppen bijéén; lekte ’t zonnevuur door de naven en ’t dek naar kajuit, waar de snikkende hittedag verduisterd en gesmoord lag te reutelen tusschen engte van duffe wanden.—Ènkele menschkoppen bewogen in glansgouïgen zoom. Wangbrokken gloeiden beschminkt van goudpoeierig schijnsel. Pet-vormpjes vergrilden in zacht-kleurig dof-duister.—Praat en slok, deinde òp uit diepe tinttonen.—Eetmonden vervaagden omrookt onder nevels, snorre-baardig, in harige ruwheid. En de golfjes in schroeienden zonnedoop, verspoelden kabbelig-speels, ruischend tegen de lichtoogen bòven hun tronies.—In paarsigen waas, de groote werkhanden woelden en gebaarden in en uit lichtvegen, rumoerend méé met hun zuip, hun krijsch, lol en ironie.—Handen, breed en geweldig als levende wezens, op zichzelf, hevig gekromd, verbronsd in aardewroet, in rauwe energie van beweeg en passie, tusschen den rookmist en rood-groenen damp, in wilde gebaar-woeling wègslingerend scheemrige vegen en tint-grillige schaduwen. Handen van bronzen reuzen, graaiend in smoor van zonnevuur.——Dà waa’s d’r main ’n sjouw Dirk, schreeuwde Klaas Grint, met beverige stem, doorschokt van dreun,—nou he’k tug puur naitig bakke oarbei op de boot—hee annaime!—main nog ’n bakkie leut!.…——Daa’s f’rduufeld achste bak, lachte de bediende.—Nou wà’ sel ’t?.… betoàl ’k hullie nie? houw tot soo[156]langest je snoater,.… nou hoor-je Dirk? daa’s tug puur naitig bakke, allain van main rechterhoek!.…—F’rek jai, viel Dirk met vollen mond in, zich verslikkend in hoestschokken, onder opslurping van koffie, dat z’n kop bloedrood te barsten dreigde.…—Kaik nou, die wil d’r babbele aa’s tie te slikkebikke sit,.. wà noù f’rek?.. der kenne.. kenne hier op dek, puur.. dertienhonderd bakke oarebai!.… en f’middag komp ’r nog ’n nuute anvoer.… nou, dan wee’k daa’k goar bin!.…—’t Is d’r dan ook duufels mit hoàst gonge hee?.. zei met diepe stem, zangerig, ’n venter vlak bij Dirk. Achter middenschot van bank zat ie, met verdraaid lijf, alleen neusbrok en oogen er boven uitloenschend naar de kerels.Dirk, Grint en Rink draaiden zich half om.—Hoe most da’ maint? vroeg stug Dirk.—Wel nou, ’t is d’r nog gain drie weuke hee!.… t’met … daa’k … toe he’k de soete fransies sien hep hee?.… Wa’ màin dat d’r toen teugesloegte.… de vrucht wou nie sette.… alles d’r nog groen en half raip.. de grond uit!—Daa’s net … veur drie weuke he’k niks aa’s rooie vlekkies in main tuin had, lachte Grint.—Wel nou, zangde de diepe stem achter beschot weer, met halve tronie er boven uit, en een hand stumperig meebetoogend in beknelde gebaren,—de boel is d’r nou overstroomd hee?—Met andere hand achter schot verscholen bonkte ie hevig op z’n weggedoken been, greep ie gretig naar ’n borrel, dien de lange kerel ’m brengen kwam. Achterover z’n kop, smeet ie z’n hapje donker mondgat in, bestelde smakkerend en likkend nog een.—Nou, moar de haire hebbe d’r puur wâ inpalmt an ’t stêtjon en in de hoàfe hee?.… da stong t’met nie stil.… Van màin drie duusend kilo.. van sàin tweeduusend.. van Klaas, van Gijs, van Joap, van Dirk, sooveul aa’s sullie d’r hadde,—of aa’s je kèrtak veurskreef.…—Wa?.… sooveul?… soo veul aa’s ’k f’rkoope wil hee? barstte smadelijk Rink uit,—buite da’ f’koop ikke tug òòk.. da kroak je ommirs?[157]—Nou daa’s nie net, onthutst zei Grint, moar nou mo’ je.. mó’ je ook segge dâ je van ’t winter.… al kèrtak moakt hep.. van hoeveul je laif’re mot.—’n Màn, ’n man,… ’n woord, ’n woord.… hee?.… wa’ jou Dirk?.… wá’ jou Staine, wa jou.… Gais?.… je hoef d’r ommers nie veur de heule mikmak te f’rkertakteere?.…—Daa’s klesseneere, lolde Rink, woest verrollend z’n gemeengroene oogen,—màin nog ’n bakkie leut hee!.… moar ikke f’rkoop wa’ kwait kèn … aa’s d’r beteder martpraise binne, al hè’k kertak veur vaif joàr!.… vat je!.…—Nou seg, vergoelijkte weer sluwig Grint, de groote afnaimpers hebbe d’r tog ook hoarlie rissieko? daa’s net nie?.… en dá’ jòar.… f’rdomd.… sullie betoale d’r bestig hoog! da mô sait! Daa’s tog moar ordentelik! Velaije joar stong de mart vol van oarebai.… nie te f’rkoope.… hee?.… doar stonge wullie.… mit de pet in de ooge hee?.… en op haide?.… op haide?.…—Nou, giftte plots ’n rooie driftkop uit rookwolk òpduikend, z’n beenen met gestommel van de bank afsullend,—dà tuig f’rdient d’r g’nog!.… wa’ doene die likkebaire.… niks gedoan hoor!.… sai b’toale d’r lootjes feuruit bai de swoager van dokter Troost … komme hullie d’r effetjes kaike hee?.. de kontreleur doen d’r ommirs alles!.. enne.… dan.… dan hebbe hullie.… allain mit de oarbaie opsende.… allainig mit d’r oarbaie.… sien je!.… ’n duusend pop f’rdiend.… in ’n weuk of soo, hee?.…—Joà, moar de rissieko, teemde Klaas Grint.——Je suster rissieko.… soake aa’s piere.… soo staif.… om dà sullie de loodpot hebbe om vèur te skiete.… sende sullie ònster goed.… deur Duitschland … Enggeland.. en moake sullie d’r joartje wel goed hee? O die diefe.… die sloeries! schreeuwde Rink.—Nou moar.. wa’ há’ je f’rlaije joar dan?… basstemde weer Steyne achter z’n schot, met z’n mondlijn even ’r boven,.. toen hâ je Beijens.… da’ rooide noa niks hee?.… die kaèrel.. hep toen ònster goed afnome hee? al wat wullie niet kwait kenne[158]hee?.… ’n sint ’n mandje hee?.… mit ’n straip of’r de bakke!.… je was d’r blai da’ se hullie d’r nog veur ’n sint kwait kwam!.… Moar die skevuit heb f’rdiend … die hep d’r waite … dá’ wai gain uitweg hadde hee?.… mit al ’t goed.… die hep d’r van màin.… van joù.… van jan en alleman kocht.… hee?.…—Of daa’n skurk was, ’n geep.…. tromboneerde de woedestem van Rink, daa’s Beijens van de Skans hee?.… die skoelje hep d’r ’n achthonderd pop, in één slag f’rdiend, één middag.. Hai skunnigde alles noàr ’t buiteland.… hai hep d’r wacht, tut ie onster mi de pet in de ooge heb sitte sien!.…—Je most d’r je stroopbek moar houe, woedde Dirk tegen Grint, jai.… jai!.… ’r sit d’r gain oasem nie soo goekòòp aa’s jai in Duinkaik.… en bestige grond da’ die vent hèp … swoare en lichte.… alles d’r aife bèstig … god’s kristus!.. aa’s d’r onse de half soo waa’s gaf ik d’r main pink veur … moar da rooit nà niks.…Dirk gifte zich uit. Hij hield van z’n brok grond, maar de woede, dat ’t zoo belabberd was met afwatering en ie toch óók niet heelemaal kon werken voor zich zèlf, maakte ’m doodonverschillig. Hij gunde d’r geen korrel zand van aan Piet of z’n vader.… En nou ’t zoo beroerd ging, moest de boel maar waaien. Toch hield ie jaloersch, heet-veel van ’n brokkie tuin voor zichzelf en ’n wijf, als ie maar zoo iets ’n hoek had als Grint; vet, vruchtbaar, doorwaterd, warmpies in ’t zonnetje en licht.—Nou jou lap is t’r àn de Beek ook bestig.… kermde Grint.—Ferrek jai!.… mesiek! mesiek!… aldegoar bluf! doar motte wai àf.… of tie da’ nie weut hee?.… en kaik erais wa’ doar van de oarepels komme is?.… die hemme nou self poot!.… gain bloas!.…—Wa’ ken main dat skele, jai beskait je land nie hee?.… suinige jop!.. moar heè? jullie sien nou dâ die mof van ’t stetjon d’r ook nie meer gaift.… aa’s veertien sint ’t kilo.…—Krik f’rdorie, riep Steyne verbaasd en angstig,—en gister hep ie nog sestien sint betoald.… is die fint nou heuldegoar daas?.…[159]—Daa’s net, moar nou sien die da d’r te veul is.… nou goan ie onster an ’t knibbele hee?.… wa motte d’r wai mee?… aa’s je ’t nie goed vin.… la’ ie je stoan!.… Je ken je bakke tug nie je kooters te suige gaife?Dirk bleef stom, lurkte aan z’n pijp die niet halen wou.. zoog en blies blauw-duisteren nevel rond de herriënde babbel-tronies.——Main nog ’n bakkie leut! riep Grint dof.——Daa’s kom naige!.… lachte stikkerig ingehouen de lange bediende, nou.… die suipt gain borrels meer.… die goan d’r mi’ sain neus allainig in de koffiewind.…Dirk zoog behaaglijk reutelige haaltjes door z’n pijp, uitkraterend zwarten walm en vonksterren.—Zure stank broeide rond, dat de kerels kuchten.—Main ’n brandewaintje mi’ suiker.… riep Rink schor, zich schurkend met z’n reuzige schoften tegen bankrug òp.——’n Bestige segoar! en ’n brandewaintje mi’ sonder suiker.. mi’ suiker smoakt ie màin te lekker, ke’k nie finte!—Nou sullie wachte d’r, tû je weeròm bin,.… vast hoor, schaterde een achter bankrug.… Seg Hassel.… weneer sel je hooi overend sain?—Da’ wee’k nie, bromde Dirk.Ventersgroep drong uit donker doorrookte boeghoogte, klompbonkerend voorbij kerels op middenbank, naar kajuitstrap.—Naast Grint bij den ingang, rumoerden stoeiige krijschkerels die om waar streden, zoo hevig, dat Klaas voorover moest bukken naar Dirk om te verstaan.—Wa’ sai je?.…—Daa’k nie weut.… wanneer wai ’t hooi of’rend hebbe! wai motte d’r nog één daik.… hooi is bestig.… sit van onder ’n strootje in.… moar bestig hoor!Zoon van schenkster, aan punt van de middenbank, waar de kerels zaten te zuipkonkelen, drentelde nog met koffie door de kajuit, ingebukt z’n kop op borst.—Toe skiet op! main die koffie!.. barstte Dirk ongeduldig uit, toen ie den kerel zag voorbij stappen met zìjn bak dampende leut.—[160]—Mo’ je van main nou nog wa’ mooie duiveke’s hewwe?.. vroeg de venter achter bankrug, met halve tronie er boven uit, oogen en neus strak gericht op Grint.—Niks gedaan!.… ik hep d’r net waa’k ankèn hee?.… daa’s achtien bos!—Mo’ je de mand pieterselie nog veur ’n kwart?.… mit ’n slokkied’r op! krijschte uit de kajuitstrap, ’n rood-bukkende kop, boven zwaar-tonnigen buik, van ’n groenboer, schreeuwend naar ’n volgerookten kajuitshoek. Met hakkenstommel rumoerde hij op bovenste koper-beslagen tree.—Mit ’n happie d’r òp is ’t daan, krijschte uit rookdiep hellend achterend ’n stem terug en ’n paarsige zuipkop op mager lijf, donkerde vóór, uit nevel van boeghoek.Bij de kajuitstrap bonsden ze tegen elkaar-op. Dikke zuiper graaide centen òp van mageren zuiper, stopte den kooper ’n mandje zoet-geurende pieterselie in de knuist. Gretig slurpten ze hun borrel in, al klaargezet op buffetplankje door schenkster, die ’r klanten kende.——F’rek, daa’s nog hardstikke vol hier, bromde de dikbuik, met ’n zwiersmak z’n glaasje op buffetje bonzend. Strompelend wrong ie zich, snuivend en hijgend, door eng trapje naar ’t hek.—Magere pieterseliekooper stapte weer harkerig terug naar den kleurig-duisteren boeghoek. Telkens dáár, ’n ander nevelbrok van rooksfeer schemerde wolkerig òp, tusschen lichtkrinkels en wit-vuur van zonnespuiende open kijkgaten; weefde in diffuus licht, violet-zilverende damp, flakkerend en geheimvol tintfijn boven de donkere diepte van babbelkoppen, rookmonden, haar en handen. Eén wolkerige sfeer van rookglans rond duistere, in woelige diepte verdompelde menschen.Van rechts schreeuwde ’n vrouw, midden uit ’n kakel-groep, naar den rookboeg tegen ’n kerel, ’t meest voorop in den damp:—Nee!.… da’ waa’s ’t snuitwerk van Henk.… hai kwam ’n kiekie loere onder de trap hee?.… moar ’t waa’s vast Henk de koalbuik!—Henk de koalbuik? lachte de kerel, Henk?.… Heé joa’ twee brandewaintjes mi’ suiker veur de doames … en nóg twai[161]veur main aige hail hee?.… Nou Oàf!.… ik seg je dàn.… da die Henk d’r sain aige beeste la’ f’rhongere!——Nou, daa’s main ’n merk! de fint is d’r tuureluurs.… in de eeuwighait in de loorem.…—Daa’s klesseneere, daa’s klesseneere, bulderde de vent uit rookhoek naar ’t vrouwengroepje, hai lait s’n borrel glad.… hai likt s’n urretje op sàin menier.… moar de fint.… ken d’r puur sain honde nie te vraite gaife.… s’n aigeste beeste.. da benne d’r vaif!.…—Hee.… hee!.… Dirk.… hai jai hoort da’ die trekhonde.… van.… vàn Henk.. de koalbuik.… da die d’r twai skoape van Jaanse van de Lemperwai hep afmoakt.… se hebbe de baiste puur van malkoar skeurt!—Nou.… wa nou?.. schreeuwde Rink terug.… daa’s tug krek eender.… al die honger-meroakels.… die tuinders doar.… die Lemperhoek uit.… se hebbe d’r vast selfers niks, te fraite.. Is d’r netuurlik, daa’s sullie d’r honde snachts skiete loate! kenne sullie d’r aige potje soeke.… en woest aa’s die krenge binne.… se f’rskeure je.… van malkoar.… Bi-jai-’t-Hain!—Nou ’t is d’r ’n klussie, blerde de breivrouw knorrig, dwars door ’t roezemoezige gekakel van andere schelle stemmen uit ’t vrouwentroepje,—’t is main ’n klussie.… main baiste legge d’r vast.… en fraite d’r aige vetje.——Wa’ sa’ je màin d’ran jokke.… laikt t’met of sullie ’n botertonnetje inslikt hebbe, soo ke’ je hullie ribbe aa’s hoepels deur d’r pins siene hainsteke.…—Nou, zeurde een venter met geknepen schor geluid, wai binne aldegoàr noakend!.… die beeste motte f’r aige kossie skarrele.… se hebbe d’r gain fraite veur.. voed jai d’r noà hullie g’noege! vaif kaire t’met.… Se benne d’r soo ellendig sterk.… en bloeddorstig.… enne uithongerd.…Van boeghoek waggelden de kerels òp, uit donkeren achtergrond, en dwars door de groen-violette wolksfeer, in ’t oogen-vuur der kijkgaten, sloegen de lijven en handen van opstaande en gaande kerels, een storm van lichtschokken, groot-donker in de rooksfeer, die zacht gloei-kwijnde in dampigen flakker[162]bòven de banken.—Meer kerels stapten op, met d’r koppen zoldering rakend, sloegen door den walm heen, waggelden naar voren, bij trapje, plots onder ’t felle lichtgat uit kajuit-schemer, áángloeiend in zengend zonnegoud. De boel bleef leeggeslemperd, vermorst-suf op de banken staan.Groote stad was in zicht, en van alle kant grepen de venters hun goed bijeen, manden, pakken, kisten. In groepjes, achter elkaar, drongen ze eng kajuitstrapje af, en met koopwaar op nek en schouders, rumoerden ze zich in woesten woel, los over ’t dek.

[Inhoud]III.Om drie uur den volgenden ochtend, kwam er kort-driftig gestommel in de duister-beluikte woonkamer van ouën Gerrit. Zurige zweetlucht vervunsde uit de krottige slaapholletjes. Dirk uit ’t donker bedsteetje, was opgesprongen, òver Piet heen, nog slaperig en gaperig, rauw van pijn, geradbraakt van vermoeienis en katterigheid. Branderige matheid voelde ie door z’n lijf loomen. Driftig schouerbonkend stootte ie Piet op, die nijdig even gromde, maar dadelijk weer insnurkte. Dat maakte Dirk kregel en snauwender porde ie ouë Gerrit en Guurt, dat ruw z’n korte stem, kamerochtend-stilte doorscheurde. Wijê gapen loeide ie koeïg door ’t vertrekje, dàn vlak tegen beschot, dàn vóór bedsteedonker, telkens zich rekkend in achterwaartschen lijfkronkel, armen omhoog gerengeld en vingers verkrampt in slaapzoeten wellust, dien hij machteloos-heerlijk door z’n lijf voelde terugstroomen, tegen z’n luiigen lijfrek in. Langzaam slofferde ie op z’n kousen naar buiten waar ie de luiken van de ramen losmorrelde. Onder de pomp beplaste hij z’n gezicht, luchtigjes met water, vies van ’t nattige dat z’n hemdsmouwen en hemdboord beklefferde, en in branderige straaltjes tot op z’n naakte borst afdroop.—Guurt was gauw opgestaan.—In ’r nachtpon, haarhang opgebonden in woesten kronkel, maakte ze vuur op ’t achterend, drentelde rond de stellen en zette boterhammenkoffie.—Ouë Gerrit en Piet in hun rooie onderbroeken waggelden nog slaapdronken en grommerig door de kamer, loom en lijzig hun bovenkleeren aansjokkerend. Even bleef Piet hang-zitten op z’n stoel, klepten z’n oogleden dicht, hield ie z’n stinkende pilow, half over z’n dijen getrokken, slap in de slaaprige, krachtlooze knuist. Ouë Gerrit, in schreeuw, schrikte ’m wakker.[123]—Wà sloapmus, jai toch, gromde ie, soo’n jonkie!Na ’n kwartiertje rondgeslenter en gedribbel, sluipzacht op ’r kousen, had Guurt de kerels bakken koffie en hompen brood voorgeschoven. Gretig schuifelden de mannen hun stoelen áán, neerblokkend met armen op tafel, hoofden gebogen over hun dampende koffiebakken, slurpend, gaperig, rekkend en korrelig-stil. Rond hen, walmde slaapstank van ’t kamertje, dat al zacht volgevloeid glansde van vreemd, gloed-stil ochtendgoud. Roodflonkerende zonnedans koperde bliksempjes op de staartklok-gewichten, op ’t pronkstelletje, tang-pook-schep, onder het schuingetimmerde, versierde hoekschoorsteentje.—Langzaam, in bedaarde ouderwetschheid tiktakte de klok, zacht-vlammig aangegloeid rond de gewichten.—Guurt had ’t duifje losgedekt en daadlijk koerde z’n kopje als van verre, droef door de kamerstilte heen, waar alleen smakten en slurpten de wreede werkersmonden, en de klok dreinerig ti-jik.… tàkte.…—Moeder Hassel lag, met opengesmakte deuren, de kamer in te staren, bleek beslaapmutst hekserig hoofd, op peluwgrauw, de uitgedoofde staaroogen naar de slurpende kerels.—Ze hoorde koffie slurpen; dàt geluid kende ze. Ze zag ’t, voelde, besnuffelde ’t, met wilde, gesperde neusgaten.—Dàt geluid haakte vast in ’r ooren, ’t hoofd, bleef in ’r herinnering leven.… Woest instinkt naar koffieslurp.—Telkens gretig, even keek ze naar Guurt, als wist ze nu klaar, dat ze ’t van die moest hebben. Maar de kerels hapten door, slurpten onverschillig. Guurt klepperde nog ’n roodaarden bord voor hen neer, waar ze weer hompen brood op afsneed, slurpte zelf mee, gejaagd zittend op stoelpunt, ongewasschen in blauwkorten onderrok nu. Stil slurpte d’r mond in doorzond ochtendgoud van kamer, ’r blond hoofd in stil aureool. Buiten, achter ’t raam, glansden de akkers in aanbrandenden gloei van zonnekomst.—Nou Ouë, gromde Dirk plots, kauwend en slikkend dat ie niet verder spreken kon eerst—aa’s ’tr nou moàr puur om drie uur, de oarbei-boel dur stoan, an de markt hee? daa’k[124]hullie om vaif uur an de kant hep in de stad? kaa’k t’met nog ’n hooge markt moake.. hee?—Sel d’r weuse.… mi sonder mekeere.… Hoho! ho!.… Piet loait op.… en Kees goan de hoàfe langest.…—Hier-op-pan! aa’s Kees de hoafe opgoàn, ken ie t’met oploaje ook.…—Hoho! dà lief ’k nie! dà lief ’k nie.… die suupt te veul.… die hep s’n skoenlappertjesmoandag.… enne.… dá’!.…—Wa’! Kees?.. Kees suipt?.… krijschte Dirk uit, ’n stuk brood, dat ie half al in z’n mond gestopt had er weer uithalend, met ’n web van fijne spoegdraadjes,—f’rvloekt aa’s de fint één borrel lait! jai suinege Job!—Hoho! vier en vaife en nie g’nog! bars jai nie uit!.. soo vroeg in ’t morgeuur hee?.…—Wa’.… éénmoal.. andermoal.. ikke wil dá’ Kees oploait.. Piet hep s’n aige dood te plukke op haide.. En denk dur om.… niks aa’s oarbaie.… Op haide voart de boot twee keer!.… ikke goan doar.… om veur van … om twaalf uur is t’ie d’r wair.… sel main ’n dotje weuse op de kant!.. snof’rjenne, gain ploas om je klompe af te trappe, waa’n klus.… ’n drukte op de boot.… sullie dringe hoarlie aige t’met hardstikke dood.. hoagelvol!Ouë Gerrit was opgestaan met ’n smak z’n koffiekop op tafel neerstootend, dat vrouw Hassel in ’r bed opschokte, iets brabbelend uitstamelde. Nog had Guurt ’r geen leutje gebracht. Onrustig, hongerden ’r oogen naar ’t zoete vocht, dat op stinkend petroleumvlammetje konkelde en leuterde. Ze besmakte ’r drooge lippen, zonder dat ze vragen durfde, vragen kòn. Besefloos Guurt te roepen, uit angst voor nijdigen snauw, in ban van trage dofheid, bleef ze staren, vroeg ze toch met ’r oogen, zonder dat iemand uit de aanlichtende kamer naar ’r omkeek. Gerrit, handen in zakken geknuist, keek met z’n neus op ’t raam gedrukt, naar buurman’s tuinderij, waar nu alles groen-goud in den ochtend-tintel gloeide, doorvonkt van dauwig druppelvuur.—Ochtendstilte, uit paadjes en wegjes,[125]ruischte rond de tuindershuisjes en de roode bedakingjes vlamden licht-hel.—Vandaag zou ie wat te plukken hebben, mijmerde Gerrit, speelsch drukkend z’n neuspunt tegen ’t ruit, wiebelend op z’n hakken. Z’n rug zwoor en stak van pijn. Maar ’t most, most nou. Hij had al dagen achteréén onrustig zitten piekeren, dat ’r geen regen kwam, gejaagd, nou de boel zoo droog stond. Maar nou most ie maar doèn, doèn en niet seure.…Met hun drieën waren de kerels over ’t erf den tuin ingestapt. Guurt drentelde weer op ’t achterend, spoelde en sjokte, terwijl de kamer in ruischender glans van zonnige ochtendwarmte, sterker aangoudde, tot op ’t slaapholletje waar vrouw Hassel staarde, en besmakte ’r droge dorstlippen. Op de tafel brokkelden nog broodhompen. Aarzelende glansjes van schichtigen prismaschijn uit geslepen spiegelrandje, kaatsten trillige vlakjes rood, goud en groen, op twee rood-aarden doffe bordjes.Daar stààrde ze op, vrouw Hassel, besefloos en traag, tot ze de kleuren voor ’r oogen zag verflakkeren.—Buiten hurkte Kees al, in pluk bij de erwten. Nog ’n uur bleef Dirk werken op ’t land, achter de wortelen. Eindelijk werd ’t tijd voor ’m om op te stappen naar de haven. Nog ’n mandje pieterselie en postelijn, schokkerde ie over den schouder en stil liep ie den weg op naar de boot. Nou had ie zich nog puur te haasten merkte ie, toen ie even achter ’t ruit gluurde, hoe laat ’t was.—Kwart voor vijf. Om vijf uur precies ging de schipper van wal.Zwaar hijgend, z’n mandjes dobberend op z’n rug, kwam ie snel de haven opbeenen. Maar „Tuinders Geluk”, de boot waar hij mee voer, lag er nog rustig, met vier andere schuiten achter d’r áán, hoog gestapeld ’t schel-groene van kroppen, beflonkerend aardbeirood en wortelenoranje, tegen den blauwen luchthemel in, die diep en wijd lichtte, in strakke, fel-heete zonnigheid al.—Op àchter-en-voordek, stonden de groenboeren saamgedrongen, in hun sjofele plunje, tusschen de dreigstille punthoekende hurrie van hoog opgestapelde kisten en mandwallen, waaruit[126]zwavel-zoete geuren walmig verwasemden. Tot onder den stuurstoel, stapel-brokkelden de aardbeikisten en langs de reeling, propten, saamgekneld, bakken, vaten, manden, zakken, dat de kerels en vrouwen, in bochten er tegen elkaar opgedrongen stonden. Enge doorgangetjes, kronkelden tusschen de ladingen, waar ’t landvolk elkaars lijf beschuurde, schreeuwerig verscharrelend en ruilend koopwaar die ze te veel hadden. Tusschen zakken gekneld, op manden of kisten neergestooten, sjacherden de zwoegers, klonken òp de gesprekken, levendig, krijscherig, overgoten van duffe groentestanken uit de achterkajuit opwalmend, voos en duf, zuur en ranzig. Aardbeien zoetten ’t hevigst en weeïgst tusschen de mestige koolstanken.—Zwaar dampte uit, in de broeierig lange boot, hageldicht bestapeld, de stinkende kleeren der tuindersmannen en vrouwen, de zweetlijven, wàrme walg tusschen de gronderige stanken van ’t groen.—Prachtig, jubel-fel schalden de hooge groentebergen als festijnen van licht, tegen ’t doortrilde, in zon-zwemmende lichtblauw. Daar onder, barokke wal van kleur-woelige kisten, met donkerder groen in onderschepte glansdempingen. Maar hoog-schuimend, gloeide kleurbrand van aardbeien boven alles uit.—Versjofeld en kleurbemorst, scharrelden de tuinders bijeen, in de vroege ochtendboot, al meer, al méér, achter elkaar. Galm-luid, de klok van hoogen katholieken kerktoren sloeg vijf, bevend in de wegstilte en havenrust. Laatste bootsein van vertrek liet kapitein zangbassen over de ochtendleege havenkaai.—Wat karren met aardbei-aanvoer ratelhotsten kei-beukend weer weg, wreed rumoerend door de morgenstilte. Bas-zang van pijpen bleef seinen, als stemmegroet van tuinders naar de verre makkers op ’t land, dat de reis naar de stad beginnen zou. Een dekknecht van „Tuinders Geluk”, had plankier gelicht en ingeschoven, reeling saamgehaakt en kaptein was op z’n stuurstoel geklommen. Statig liet ie draaien, ’t kanaal in.—Uit ’t boothart schokkerde machinedreun òp. Achter ’m aan, zongen pijpen van andere tuindersbooten, stemzwaar en hevig vibreerend, dat de stille starende ochtendlucht[127]sidderde onder ’t dreungeluid. Plots klonk jagend geroep, onder zwaar lommerende kastanjelaan uit, van twee groenboeren die zich verlaat hadden en meemoesten nog met „Tuinders Geluk”. In vlieggang holden ze langs de stille huizen, kei en sintelpad over.—Piet Groome en Anseeler, riepen ’n paar van de boot, over de reeling gebukt,—hee keptain! t’rug!.… twee van Lemmer! Hij had ’t al gezien, toeterde wat zangerige woordjes door z’n spreekbuis naar machinekamer, waarop boothart heviger bonkte, de voorboeg achteruit bijdraaide, dat de kerels in hollende vaart, rood-bezweet, nog net tusschen kisten en manden, over verschansing, heenklauteren konden.—Achter „Tuinders Geluk” lagen nog drie booten, „De Dageraad”, „Ons Welvaren” en „Weltevreden” met tuindersvolk van heinde en ver saamgestroomd, ongeduldig wachtend op vertrek van de voorliggende schuit. Ook daar stond ’t landvolk, achter en tusschen de aardbei- en groentebakken opgepropt, ingekneld; één donker-dreigende, sjofele kerels-stoet, vlak om ’t koelscherm van machinekamer saamgepakt, wegzwartend onder rookwolken van stoompijpen, die dreun-zangerig doorbasten als duistere stem van zwoeg, somber-smartelijk, in den fellen klaterenden zonnegloei van polderlucht, in ’t eindeloos blauw, en weigroen.—Stil zoeften de booten achter elkaar áán, de kerels en wat vrouwen, al meer opeengedrongen, donker tusschen den frisschen jubel en stoeiende kleuren van hun vruchten en waar. In de havenstilte, roerloos weer na zwijg van pijpzang, verdwenen de bootenéénna één onder lage spoorbrug, ’t kanaal in, dat wijd-geplast, zilver-vonkte en dampte tusschen onmeetlijk poldergroen. Stil druischten de kerels weg van wal, de donkere opgepropte stoeten, in de ochtendglorie; zittend of half hangend op en over de verschansing, beklemd tusschen de neerbrokkeling der stinkende kisten, als ’n bende vervuilde schooiers en melaatschen, naarstiglijk verpakt en versjouwd, onder den heeten jubel van hun vruchtengloed. Al de booten waren „Tuinders Geluk” voorgedraaid. Langzaam zoefte die eindelijk, achter[128]de andere áán, onder de enge spoorbrug, zacht-schuiflende pàl langs wanden van brugbogen en pijlers.—Dirk stond ingehurkt naast Klaas Grint, die weer aanleunde, half tegen twee vrouwen, een lange, met ’n gore steekmuts op, de andere met ’n donker rood-wollig kapertje over ’r hoofd gefrommeld. Vóór de vrouwenbuiken, spannend gestrakt onder boezelaar, hoekten kistenstapels waarachter weer ’n stoet kerels gekneld stond.—Tjonge.. Tjonge.. d’r’is nog puur wâ wind op de ruimte hée?.. zei met vertrokken gezicht Klaas Grint, naar de lucht kijkend.—Daa’s net bromde Dirk terug.… hai jai ’n pruim Kloas? nou he’k f’rdroaid main sak legge.… loate!.…—Bi-jai’t Hain!.. lolde Grint, da’ sel woar wese.… roep jai sàin d’r bai op Sint Jan hee?.… hier!.. pak-àn.. moar mondjes-moat.… oue!„Tuinders Geluk” was ’t groote kanaal ingestoomd. Zacht kabbelden watergeruisch en schuim-zilverende vloedgolfjes langs de kanten. Zweef-luchtig zoefte ’t schip voort, tusschen ’t eindelooze poldergroen, bedauwfonkeld met vuurdroppels van trillend leven, robijnen weerlichtjes, en vurig smaragd.… Uren ver, verfonkelde nat goud-groen, glanzend en uitwebbend kleurige hette. Heerlijk frissche windbries stoeide luchtzuiverend om de boot, de voosduffe geuren en stank-wasem wegflapperend, ’t koele waterruim in. ’n Troep tuinders was achter de pijp geklommen, op zwarten kop van machinescherm, waar ze luiig neerhurkten in zonnegloei, of schuin opstonden achter den rooker, koppen fel omlijnd tegen luchtjubelblauw. Er was drukke stemmenhurrie onder ’t landvolk, gesnater en gelach tegen vrouwen, en overal brandende lust om van landgescharrel, marktwaar en prijzen te spreken. ’n Paar tuinders met fluweelig pilow-zwarte vesten en dof-zijden pofpetten, trommelden met hun gekleurde pantoffels, op ’t verhitte plaatdek van machinekamer, ’n orgeldeun meelallend. Plots de bootbode, kerel met roodgezwollen snuit, akteurskaal en voor-den-gekhouerigen, paarsen drinkebroersneus, werkte zich los uit[129]stemmenroezemoes en scharrel van opgepropte tuinderstroep.—Z’n blauwig-glad geschoren komiekenkop grinnikte leukjes tegen z’n volkje en grimassig sprong ie op ’t veilbankje, hoog boven woel-massa uit, grabbelend in guitig steel-gebaar, met z’n hand in ’n grauwen zak.—Tegenover hem, op zon-doorhit koelscherm, zat luiig ingedoken tegen de pijp, ’n kerel met notitie-boekje, klaar om te schrijven. Bootbode, die onder reis van Wiereland naar groote stad, te veel waar van tuinders-zelf in veiling moest brengen, bleef rammelen in z’n zak, lolde wat tegen de kerels onder ’m, dat z’n roodfrissche wangen bolschaterden, sterker zwollen, z’n blanke tanden uitwitten onder z’n bieteneus en tusschen plaatjes-mooie helrooie lippen, hagelrein. Hard en stalig klonk z’n stem, toch vol, met ’n galm er in, als nadreun van klokgelui. Telkens uit den zak, vischte ie ’n blikken nummertje op, afroepend wie d’r ’t eerst veilen zou. Zoo regelde hij de beurten, schreef z’n maat, tegen de pijp, in kookzon luiig weggedoken, namen van veilers op.——Wie mot ’r ’n nommer?.… Gijs Janse! Kaike?.. daa’s vaiftien, klonk hard-galmend z’n stem door den koelen bries-stoei, klank-zangerig Wierelandsch.—Bekermaa’n.… achttien?.… Grint.… drie en veertig! Hassel.… ses-en-dertig!.…—Main d’rook ain!.. riep ’n tuinder uit achtergroepje, die nog wat kwijt wou wezen, hopend op ’n begin-nummer, om ’t eerst te kunnen veilen.—Vaif-en-veertig!.. Nailis Roskam.… hee! „netoàris”… Roskam!—lachte de Bode, lolligjes met oolijken oogenknik naar den „schrijver-notaris”, die luiiger weggedoken lag achter de pijp.—Logge megoggie! nou ka je wachte, gromde de pachter, woest dat ie zoo’n laat nummer beet had. Nou was ie zoo heet geweest op ’n begin-blikkie.—Stem van Bode bleef afgalmen de nummers met veil-namen, en telkens lacherig, uitblankend z’n tanden, bloed-rooie lippenmond wijd open, kraaide ie schooirige grapjes uit, strooide ie schalksheidjes en hekelwoordjes boven hun hoofden rond, omgierd van terugkonkelende[130]stemmen en giegelende kreetpretjes. Telkens klauterden andere kerels op en af ’t machinescherm, naast en tegen de pijp lawaaiend, rond den „notaris”, die overal spottend om z’n eeretitel beschaterd werd. Van hun hooge standplaats schreeuwden ze mee, boden, kochten en verscharrelden, de koppen, warm en zweetbedropen, paarsig en brons-nat, rood en geel-grauw aangegloeid in zonnebrand. Van achterdek af was alles plots naar voren gedrongen om vlak bij Bode te staan. Op kisten, morsige vaten, walm-stinkende manden en zakbulten, hingen en hurkten de kerels, in struikel en klauter, achter elkaar opgepropt.De achtersten, ver van den Bode, loerden tusschen schoudergeultjes van vóórstaanden, in drom saamgestrompeld, heet op den scharrel.—Veertig! vrouw Plenk.… dreunde Bodestem.… vaif.. vrouw Boterblom.… naigtien.… mamselle Kiester.… sestien.… vrouw Zeune!.…Eindelijk had ieder z’n nummer, kon de veiling beginnen. Zacht briesden en woei-koelden luchtige windscheringen over ’t smoezelige, walm-stankige dek, als ging er tochtige wiekslag van vliegende vogels rond. Recht voor den boeg, sprankelden waterglanzige sparteltjes licht, violet-zilverig, paars-goud, kabbel-deinend hemelblauw-vuur, dat in schuimig golfjes-spel zich heet verbraste in damp. Tusschen de fel-groen bezonde ochtend-oevers, komde in eindloozen kring, ’t vlakke zonnignevelende polderland, in vochtige ochtendpracht. En overal rondgekringd, goudden de lage hooi-schelfjes, tusschen siddergroei van korenhalmen, brokken weiland, ontsluierd uit morgennevel, uit nat-dampig goud en zilverende gloeiingen. Schitterig flitste ’t dauw-vuur, dat mijlen ver, weiland aan weiland in arabesk vonkspel omtooverde.Bode op z’n bank, hoog boven de opgepropte tuinders uit, al dichter op één punt van de boot bijeengedrongen, klankte met z’n jolige, rauw-heldere spotstem in:—Wai selle d’r beginne met seve-en-twintig pond raspers van.…[131]—Neelis Skorpioen.… las „notaris” haperig af van z’n lijstje.—Van Skorpioen.… uit Slangetje.… wie sait dur ’n gulde! daa’s vier sint ’t pond!.…Inmiddels had ’n tuinder, ’n zwaren zak doppers losgesjord uit kistenrommel, zich door lijfgedrang heengewurmd, z’n waar, àchter koppen, vaten-stapels en manden-torens, met krampigen arm, hijgend op veilbank vóór Bode neergesmakt. Dadelijk grabbelde die, met één hand tusschen de groene vruchtjes, liet ze speelsch rond z’n vingers glijen en riep weer opjagend:—Prechtig jong goed!.… ruikt puur aa’s.… oo-de-kolonnie!.… wie sait dur.…—Tachtig, krijschte ’n stem uit het menschkluw op de koelkast.——Tachtig, vaif en tachtig, draafde Bode door.…—Naigtig! zenuwachtig scherp, piepte ’n vrouwestem onder de pijp uit.—Naigtig, zang-dreunde, hard-klaar Bode’s geluid nà, tusschen bries-stoei en koelen kabbelgolfjesruisch in.… Naigtig.. vaif en naigtig.… da goan.… eenmoal.… veur de derde moàl.… Rietvink!Pachtertje Rietvink had ’t laatst geboden, kreeg erwtenzak over koppendrom naar zich toegesleept en warm wroetten en graaiden z’n armen, tusschen ’t heete gedrang en getast van lijven. Dwars achter de pijp, waar ’n groep kerels zich spitste op ’t veilgoed, en uit alle hoekjes gretige kijk rondging, klonk dof gestommel en geschuur van voeten op stalen plaat en kijverige stemmenroes, warrelend en schreeuwerig als gesmoorde ruzie.—Halt doar Kempees, krijschte de Bode naar de pijp, t’met d’r al heet! nog gain hallef ses … je hep dur puur nog ’n vaiftien uur om malkoar an rieme te snaie hee?.… kaik hier!.. is dur twintig pond mooie kapcainders.… wie set.…—Tachtig! schreeuwde daad’lijk ’n venter, stemschor, rauw.—Tachtig, van fier kant gelaik!Vrouw Banke, met’r zwartig-rood kapertje over ’t hoofd, ’r korte, spek-vette, trillige armen, boven ’r tonnigen romp-buik,[132]grabbelde in den kapucijnerzak dien Bode op de veilbank sleepen liet.Lacherig schalkte ie, hoog boven de venters uitkijkend:—’t Benne gain kuite.… vrouw Banke.… je ken dur sain nie knaipe!Gegier stortte in, en heeterig aangevlamd in hartstocht, tapten wat kerels schunnige moppen, die vrouw Banke met minachtend lipgepuf afweerde.Bode had toegeslagen, en telkens weer ’n andere venter kwam op àfroep van zangnummer, van achter, bijzij, uit kajuit, door den opgeknelden menschenkronkel heenduiken, met zware zakken of bakken boven hoofd en onder arm, alles neersmakkend in vloek-heeten sjouw-zucht op veilbank voor den Bode.—Nou he’k vaiftig pond piek-faine groentjes!—’n Gulde:.…—Een-tien.… een-tien.. mi je drieë.… een vaiftien!.. een twintig.… mi-je viere.… een vaif.… een dertig!.…Overal keek z’n rood-frissche kop rond, lachte z’n lichtpaarsige wipneus, drinkebroer-komisch, kleurden z’n wangen alsof vrieswind ’n blosgloed op z’n kaken geschminkt had. En hagelwit lachten z’n tanden, tusschen z’n hel-rooie lippen, bij elk opbod. Hoog pagaaiden z’n arm-gebaren door de lucht, hitste z’n stem de venters op. Achter en om koelscherm bleef roezemoes gonzen van kakelwijven en schorrige kerels, rond ’t zwarte stoompijp-gevaarte.——Nou he’k nog twintig pond prêchtige loage woaltjes hee? eerste prime-kwoaletait!.. hai jai doàr!.… kalf-mi-je-natte neus!.… hoeke motte ’t weuse?.…Op plaatdek van machinekamer, dat gloeide van stoom en zon, trampelden de kerels ’n deuntje, brak weer herrie en gestrij los, tot de Bode er met z’n staalharde stem weer tusschen invloekte. ’n Knappe donkre vrouw, was uit ’t gedrang opgesjokt, met ’n zwaren zak voor d’r buik, dien ze met knieduwetjes opsjorde, en in blaas-zucht smakken liet op veilbank. Haar kop droop van roodzweet en gloeiing.——Dominie hiet! paa’sd’r open bran je bekkie niet, schaterde[133]de Bode.… seg vrouw Reep.… soo is dur puur gain vatte àn.… hee doàr!.. help jullie ’t goeie mins ’n handje sjorre.… hooger òp.… soo!.… soo is ’t broaf!Plots gulpte de zwartmastige pijp rook uit, verwaaiend in roetgolvende mistkransen over de tuinderskoppen, hun rompen wegdonkerend in roetbruinen damp. Ze kuchten en vloekten de werkers, achter den brons-zwarten mist, en stil éven bleef Bodestem weg. Maar daadlijk uit wegroeting van rook kwam ’t afgeroepen nummer opzetten, naast de donker-vette vrouw, opdringend met blauw beschilderde manden.——’n Uijtvinding, lachte de Bode, blauwkokke in ’n beskilderde skulpmand.… hi-hi!.… nou minse.… wa segge jullie veur veertig pond blauwkokke!.. prechtige kapcainders!.…Snel en stemme-knetterend joeg opbod-jacht tegen elkaar in.—Ke jài die nie hebbe Dirk, jai hep tug gain blauwkokke teelt!—Es kaike hoeke se goan.—Sestig.… tachtig!.… tachtig.. allegoar!.. Bi-jai-t-Hain!—Naigtig! viel Dirk kalm uit.—Hij kon sullie d’r bestig bruike.… bai s’n aige doppers.… had ie vroag veur bai s’n klante!.…Meer en meer doppers werden opgesjord naar veilbank, en haastiger wisselden de venters hun waar uit. Zak op zak bonkte neer voor den Bode, en woester grabbelden z’n vingers in ’t groen.—Vóór de veilbank gedrongen uit achterste rij, stond ’n oue, beverige pachter, knorrige kop met ingegroeid zwarte vlekken op z’n neus en mottig voorhoofd. Aan z’n bepukkelde kleine oortjes, glimmerden koperig-gouden ringetjes, waar ie telkens met beverige handen naar greep, aan trok en kneep, dat z’n lelletjes bloed-rood gloeiden bòven z’n bontvervigen halsdoek, die morsig om z’n vest kreukelde.—Veur ’n f’randring.… vaif bosse duifeke! wie set dur in!Laag, armen uitgestrekt, hield Bode de bossen wortelen in z’n hand, wortelen, breed-puntig als priktollen.—Die mo’k main hiete![134]—Aràit!.… moàr se sitte vast an twee mandjes postelain.. wie sait dur wá’—Harder, staliger klonk z’n stem, uitdagend, verwaaiend in brieskoelte.—Onder koelscherm uit, kwam roetige negerkop van stokersmaatje koekeloeren. Langzaam groeide zijn lijf hooger òp uit de, hittesfeer rondschroeiende machinekamer, waar ’t heet stootte en bonkte in treinrhytmus.… De stikwarmte uit hamerend boot-hart vloeide rond de groenten en vruchten, stookte en gistte ’r zwijmel van stankdampen. Tusschen de tuinders drong stokersmaatje zich heen, naar ’t dwars-vat met water, gretig loerend naar ’t kraantje en wit-steenen kom. Z’n roetige handen graaiden haastig door opening tusschen wat venters, naar drank. Gretiger nog omknelde hij ’t kraantje, met z’n beenen en romp weggedrukt achter de woelige jagende veilers, die in vuur van koop ’m niet doorlieten. Stil werkten z’n allééne handen en armstompjes in woeligen grabbel, als afgehouen levend, tusschen wat kleine ruimte-spleetjes, lieten ze ’t waterstroompje de kom inkletteren. Zacht-voorzichtig werkten de roet-handen zich weer achteruit tusschen de lijven door, de zwarte vingers krampig strak in greep om den wit-steenen rand gekneld. Gejaagd slurpte stokersmaatje, ingebukt àchter de ventersruggen in klokkende lafenis, z’n heete keel vol koude vloeiing begietend. Weer woelden z’n handen en armstompjes naar voren, tusschen dijen en koppen van laag zittenden, en weer slorpte ie bak na bak lauw vat-water in.——Gaif main d’r ook us ’n koppie, kost tug niks hee? lolde Klaas Grint.Maar roetgezicht van maatje, waarin de oogen nikkerig met ’t vreemd-wild wit hadden òpgelicht, was al weer verdwenen achter de kerels, in de stoom-heete, blakerende machine-kamer.Weer acht bossen tolronde wortelen bracht Bode in veiling. Drie tegelijk dongen gretig, heet.—Ksj.… ksj!.… katjes! joag d’r malkoar moàr op.… schaterde de Bode.… dertig sint!.… veertig.… mooi soo.. ksj!.. kaik!.. da’ hai je Antje Meele.… kom Teun!.. gaif toe!.… gaif toe.… ’t is tug ’n maissie.…[135]Teun lachte, was blij dat ie van ’t bod af was, begreep den vrindenwenk.—Vaiftig.. veur de derde moal.. Antje Meele.. hai je-en-hoord netoàris?.. nou doar dan.… anpakke maid! g’luk d’r mee.… aa’s sullie dur nie veur aige bik benne!.…Over de koppen zeilde Bode de bossen naar Ant Meele heen, ’n rood behaarde, slank mooie meid die opgedrongen stond, tusschen de rumoerige kerels. In vaart nog greep ze de peenen tegen ’r borst op.—Nou he’k drie bakke mooie sloà.… nie te sien.… mo je-en-gloofe.… op éere-wachtwoord.… stoan … onder kiste-stoapel.… bai àn wal te kraige, drie fersche bakke!.…—Sestig, plots zonder voorbod schreeuwde ’n mottige venter op ’n kist, weggeduwd achter twee vrouw-ruggen, èven in wippertje uitrekkend z’n hals, dat Bode net nog z’n pukkel-neus zien kon, voor hij weer snel in die diepte verzonk.——Sestig.… seventig.… vaif en seventig riep Bode, z’n hoofd draaiend naar allen kant, om te kijken of ’r opbod gewenkt werd in verre hoekjes.—Tachtig schreeuwde nerveus, de laagzittend weggeduwde weer, even opwippend, nù met z’n heele mottige kop boven de vrouwruggen uit.—Naigtig, van andere zij klonk ’t sarrend.—Roggemegoggel! f’rek jai!.… die flop is main de heule uchend t’met in de wiele.…. ikke ken d’r niks praise.… of hai is d’r bai.… nou ikke dankkie.… ikke mo nie meur.… wa jou Dirk?.…—Mo jai waite, binne d’r main soake nie!—Nou seg.… dá’ binne d’r drie bakke.… die je nie sien kenne.… drie bakke.… kroppies!.… kenne wel floddermusse weuse.… die sloà, hee?.… heuldegoar slap!.… ikke mo nie.… wa? wà?.… nog hooger.… hoeveul sait ie doàr?—Eén vaif schreeuwde Dirk, éen vaif.… je mag je wel hoaste laileke brompot!—Roggemegoggel! ikke mó’ nie’.… kenne wel puur floddermusse weuse hee?.… mijmerde ie voor zich uit, tegen de[136]donkere wollig-besjaalde wijfruggen op, met z’n weggezakten kop in de diepte.Van allen kant gonsde snater en rauwe klankenwarrel van stemmen. Zon gloeide fel, barnend, stoofde de stanken, de broeilijven, en al pafferend zweetten de kerels, in lollige rumoering van veilhartstocht.—Nou stoàn ’k tog puur van drie uur.… f’rdomd aa’s je hier sitte kenne, klaagde ’n tuindersvrouw, met morrend, moe-nijdig gezicht, ’n zwart breikous-stompje telkens van d’r borst, onder d’r kippige oogjes trekkend. Snel, in naaldflitsend beweeg breide ze mopperend voort, van ’r vingers-dansend draadgeweb, aldoor òpstarend naar Bode en groenten.—Geen gaatje plaats was er meer op de boot. Al de tuinders, lomp en hebzuchtig, hadden zich neergesmakt op manden of kisten of stònden op koelscherm. Dikke dijbrokken en achterwerk van ventsters, spanden ingekneld tusschen broeibeenen van kerels. Tegen de donkere pijp in ’t luchtbrandende blauw, leunde ’n troep beweeglijke werkers, lachend en krijschend, grimassend achter stillen rug van kapitein. Ze lolden met de breiende vrouw, die kippig en doodmoe van ingekneld-staan en hitte, niet veel zag van de waar, knorrig gromde, dat ze nog den heelen dag te sjokken, te venten had in de stad, in die pesthitte, en nòu d’r beenen al voelde als verlamd … En aa’s se d’r nou moar ’n kop leut kon naime.… ze had d’r dorst en honger veur drie.…Nerveuzer breidde ze door, tegen ’t hoofd van een kerel, vóór haar buik en beenen neergehurkt, d’r stuipig stompje kous boven z’n pof-pet komiekerig verkronkelend, onder de snelvingerige webberijtjes van ’r naalden en draad. Telkens flitste zon bliksemend licht op de naalden, die even hel-elektrisch gloeiden en schichtige flikkerpijltjes puntig àfslingerden, tusschen de sjofele kerels en hun morsige stankplunje.—Bode had uit de kajuit ’n borrel gekregen, gelijk met „notaris,” die in vadsige houding bleef luieren in zonnegloei, tegen de pijp aangeleund, den borrel in één achterwaartschen smak van z’n hoofd, z’n keel ingoot.—[137]—Netoaris hep ’m glat laid s’n happie!.. lolde ’n groenboer met afgunst, hunkerend naar eigen zuip.—Rooie kop van Bode lachte, mond-wijd.—Z’n tong klapte klakjes van genot tegen z’n gehemelte òp en prachtig z’n tanden glinsterden blank tusschen z’n vuurrooie lippen uit. Lustig hadden de venters den zoet-inglijenden borreldronk beloerd, want allen snakten naar ’t brandvocht, zalige lafenis in de venthitte.——Nog een borrel veur aige bik, veur de Bode, ironizeerde Klaas Grint.… enne een veur de „neerstige netoaris”.… daa’s veur sain drooge keel van ’t skràive … hei smoàkkert?Dirk veegde z’n mond af, watertandde, voelde flauw speeksel op z’n lippen klefferen, en van allen kant, de zwoegers rumoerden heete grappen rond, nou er zoo vroeg al door de „heeren” geheschen werd.—Strakk-en-an jullie beurt hee?.… beet de Bode terug.. En nou!.. manne broeders!.. luistert!.. tien bosse rebarber.. segge tien.… wie seit dur?.…Van alle kanten tegelijk, krakeelde bod tegen elkaar òp. Een vurigste, schreeuwde hoogsten prijs, bleef winner.—Veur Vink.… ses bos.—Nou he’k nog vaiftien.. wie sait dur? Weer daverden stemmen in golfstoot tegen elkaar in. Geraas kraterde los. Ze scholden, keven, nijdigden, nu de làter-geveilde rhabarbers veel goedkooper gingen dan de eerste.—Da’ binne dur gemoedereerde liefhebbers, grinnikte de Bode.… nog ses bosse.—In woesten slinger zeilde ie de verkochte stelen naar den groenteboer die ze gekregen had.—Gooi jai hullie moar in ’t bakkes hee, jai kailt moar roak t’met!—Nog vaiftien bosse vàn.… „netoaris?.…”vroeg Bode, doend of ie niet merkte dat ie ’n kerel pal tegen z’n pijnlijken neus gemept had.—Houweke!, schreeuwde achter de pijp notaris uit, met even oprekking van z’n hoofd uit luien armenleun.—Dirk bood ’t hoogst, kreeg ook, in joligen zwier, de heele vracht van Bode toegesmakt, pal in z’n armen. Maar nergens kon ie zich roeren, wist ie z’n bossen te bergen. Schuin[138]achter ’m hing al ’n rij manden, los, tusschen vaten en kisten.—Met de vracht z’n armen ingekneld, paf van zweet en hitte, bleef ie staan, tusschen de zittenden, hurkenden en woelenden; probeerde ie zich langzaam los te werken, met z’n zakken erwten en manden, uit het wasemende, broeiende menschenkluw.—Nou nog sestig pond witte kapcainders.… wá’ segge jullie nou.… de loatste ressies.… Veur d’n dag manne.… dappere vrouwe of te wel kenàu-Ha?.… neenet.… kenau.. boè seloars!.…Zwaar sjorde ’n zak uit ’n bres geboorden hoek, op veilbank. Half afgezakt van den zinken rand sleepte ’n pachter z’n waar bij ’n touw, blaas-hijgend van hitte. Maar niemand bood meer, dat woedend de kerel z’n vracht van den veilbank terug rukte, opbonkerde tegen beenen en hoofden, met ’n vloek achteruitstoof, rood van gift. Z’n waar schoot de bres door, die achter ’m weer sloot, knellend, walmend-benauwd.Tusschen den muur van koppen en ruggen, gromde ie nijdig nog:—Wâ suinige Job.… die laileke takkebos kaikt je an of je ’t d’r stole hep!—Nou wa’ dan.… pluk jai vaire van ’n kikker hee? aa’s d’r gain sinte binne, moedereerde ’n oudje, z’n neus hard snuitend met ’n vuil rood zakdoek, dat ie als geronnen bloedlap tusschen z’n beverig gelige vuist kreukelde.——Nou he’k nog vaif bosse wortele, schoof ie weer nijdig af bij ’n ander.—Dank hee?.… ken jou wortele nie hebbe.… binne main veuls te groot.—Loop jai rond, duufelstoejoager.… sain f’rassereerd-goed.—Disketeere komp hier nie van paa’s foàder!.. lachte de Bode.… wá’ há’ je nog meer?.… komt dur dan mee veur ’t licht hee?.… O? wà? niks meer? niks?.… dus je bin dur uit! Mooi!.… dan he’k hier nog ’n prechtig kisje ongetelde tuinboone.… Wie sait dur veertig sint.. veur die heule sak.… soo wait aa’s de broek van vrouw Zeune![139]—Vaiftig dofte ’n stem!—Sestig, er boven uit gilde één heeter, trillender.—Naigtig, ikke mose hebbe snauwde een ander driftig.Weer zag de kerel op de lage kist, weggezonken achter de stom-breede vrouwe-ruggen ’n koop afgetroefd door z’n veiling-vijand.—Even had ie weer ’n wipper van z’n bak genomen, den mottigen kop uitgerekt en gezien, met woede, dat ’t z’nouëtegenstander was. Nijdig trampelde ie met ingeknelde zenuwbeving z’n beenen naar alle kant, dat de makkers voor en achter ’m vloekten en duwden, om de bemorsing van hun plunje.——Ben jai daas snurkert! hak je beene d’raf, aa’s je hullie d’r nie stil houe ken.Weggezakt weer achter ruggenmuur, z’n pukkelkop gebukt, kookte ’t weer in ’m van drift, probeerde ie zichzelf wijs te maken, dat ’t toch veel te duur ging, hij zelf blij moest zijn dat ie ’r zoo goed afgekommen was.—Haa’k strak-en an meskien die floddermusse had.. en nou.… potdoorie.… die haireboone!.… ongeteld!.… sitte d’r vast gain duusend in.… magge veur main bestig hebbe.… haha, wat ’n dolle smak.… Nou.… ikke mo nie!.. wa?.… wà?.. hoeveul sait ie?.… kaik.… prechtig! prechtig, joàge hullie sain d’rais ook op!.….. kaik! nog hooger.. hoor main-dàt-t’rais an!.… kaik.… goan die nog hooger! hoor! daa’s d’r puur doas.… Wá’ brenge die op?… vast gain duusend in.… ongeteld! Gain duut!—Een vaif en twintig, staalhard, hortend klonk Bodestem.. mi je tweeë.. één dertig.… mi je drieë.… éen vaif en dertig.. één vaif en dertig.… een vaif en dertig.… éen moàl.… andermoal.… veur de derde moal.… Ritsema!Stomp keek ie, de hals rekkende venter, stomp op donkre vrouwruggen. Zacht, in zenuwnijd trampelden z’n beenen tusschen engte van lijven, schijnheilig overgaand in ’n deuntje op ’t doffe hout, en brommerig raspte z’n ventersstem, dat ie d’r niks van hebbe most, van floddermusse en ongetelde boone.——Nou nog veertig pond peule, bestige, malsige, soetige,[140]schreeuwde de Bode, nog de loàtste ressies en dan is ’t puur daan!Weer stortte ’n veiler rhabarber neer op de heet-zonnige zinken veilbank, die dampte van geuren als ’n wierookaltaar. Weer sjorden zakken doppers òp, en voort joeg onder proestlach en juichender krijsch, gedol en nijd, de roezemoezende koop; kwam er begeeren naar eerste schoft in de schorre, droge, heete keelen. Drukkender hitte gloeide en zwamde néér op menschenprop en koppen. Warmer stanken in zonnevuur, ontbroeiden op hun morsig vel, en de kajuit ademde wee-zoete luchten uit, van bakmuilen en grijnzende mond-manden, walmzwaar en duf-bezwangerd, naar ’t dek. Aardbeien, wee-zwoel geurden rond in ’n damp van benauwde zoetigheid, en telkens, in verschuif en versjouw van groenten, brandden de kisten hun rood uit, in zengenden blaker; kogelende vruchtjes vuur tusschen helgroen en zacht bleek, donker droef groen.—Groen, rauw als plankenkoloriet van Zaandamsche hutjes, omzond in heete murmeling van zomervreugd; tusschen pastel-teer bleek-groen.—En alles daar, zoefte voort in ’t landelijk kanaal, ’t hel-rood, ’t groen, ’t donkere en licht-felle, ’t brandende wortelenoranje, de zee-groene lichtverwiegende kroppen, de pastel-fijne erwten, de boonen en bakken, stoofgloeiend onder ’t blauwe vuur van de eindlooze lucht, hemeldom van brandend lichtblauw; hitte die wit vergloeide in daverenden zonnebrand op wei en bouwgrond, eindloos in ’t rond.Als schroeiend brok zomer, levend brok aarde, in schipvorm saamgestampt, zoog de boot door het schitter-fel, licht-beketst water; als kleur-drijvende aarde-ark van groen en rood, tusschen goud-koperen gloeiing van roer-brokken en randstukken in glimmigen zwier van verglijende glansen. En rond de groente-ark, de hevige wemel, ’t brandende trillende koloriet van alkleurig kistenschmink. Vóór „Tuinders Geluk” zwierde kleurenbrand van andere booten, tusschen de heete zonneoevers van eindloos poldergroen. Vaag rumoer van stemmen klonk daar òp, achter de pijpen. Van ver brandde ’t aardbeirood uit kistenmuur, feller, hevig-heerlijk tegen hemeldom van[141]brandend blauw. En windeke van zomermorgen, briesde en stoeide, koel-streelend en wuft om de vruchten, de zweetkoppen. In ’t water ruischte ’t golfjesschuim, stoeide de zon met z’n sprankelend vuur van zilverend-goud. Droom’rig murmureerde rhytmische kabbeling van zonne-golfjes, om boeg en steven heet vervloeiend.Dirk stond van geuren en bries bekoeld, polderland te overstaren. Van den luchthelm naast ’m sprong plots ’n rooie kerel àf met ’n zwaren zak lage waalen.—Rook wolkte over hen uit. Donkere gulping en bronzen veeg van stoom verroette, en pijp-zang baste in beev’rige galmen ’t vuur-stoeiende watervlak over. Bronzerig in wolksmook, verlicht in dagbrand, bleef áánroetten de rook, dat de kerels vloekten achter de pijp. De rooie venter, kuchend en keelschrapend, sleepte z’n zak op veilbank, van boven nauw dichtgesnoerd met ’n dikken vuil-witten band.——Wa binne ’t veur snoake?.… vroeg ongeduldig van z’n bank, de Bode droog-komisch op den rooie neerkijkend.—Sestig pond loage woale.… de leste!—Sestig pond.… prèchtige loage woale, schreeuwde Bode dadelijk, zonder te sien.… fersche, malsche woale.… wie sait dur honderd gulde.…—Eerst kaike hee?.… se kenne d’r puur te dik weuse, norschte ’n vrouw.—Sièn je woàr, duwde Klaas Grint er tusschen door.Gejaagder morrelde de Rooie aan den zak, driftig rukkend, aan ’t wit stuk band dat er niet afkronkelen wou. Bode ophitsender, bonkte al met z’n handen op schouders van den venter, grimassig doend of ie ’m hielp trekken. Ongeduldiger geprikkeld, verhit, dolden en schaterden de kerels op ’m ààn.—Die boel ken d’r nie los, vast nie.… da’ binne d’r gain woàle.… da seg ikke jullie!.. smak die gaip op s’n almenak.. da s’n ribbe kroake!—Aas je main! je ben d’r nie lekker op.… aa’s ’n kikker op ’n kluitje hee?.… verontwaardigd snauwde knorrig en sputterend van vermoeienis de rooie groenboer terug, z’n zak[142]even loslatend, van verlamd moeheidsgevoel in z’n armen.—Furt d’r mee, los die rommel, joeg de Bode weer op, dien ’t nou begon te vervelen.… furt! of ikke sèl ’t doen.… f’rdomme, ’t kroakt hier op de bank of Sinterkloas er reeë heb!Van z’n stoel, beenen uitgekromd, rukte ie aan de zak, nijdig met driftige handmeppen, maar de knoop bleef in kronkel gesnoerd. Giftiger rukte de Rooie, dat ’t vette glimzweet van z’n blanken kop waterde. Niets hielp. Allen in voorsten rij beukten en rukten den zak, die als ’n levende romp, gepijnigd op folterbank, in z’n grauwbrons en plooi’rige vadsigheid méékronkelde en stuipte onder de driftige meppen der kerels. Lol hadden ze ’r van, gierende lol om de zweetende, vloekende onmacht van den rooien groenteboer.——Da’ goan nie, dolde Klaas Grint, hai hep sain d’r vàstbakt.…—Nou, ikke seg daa’s ’t kouseband van sain tante!.…—An-main-hupla!.. van sain skoonmoeder t’met.… die hep dur koabels om d’r kuite!—Niks gedoan! ’t kouseband van sain maid! kaik d’r stoan ’n merrekie op!Woedender voelde de kerel hitte-drift in zich òpfuriën onder ’t heete geschater en de stekelige lolletjes van de groenboeren rondom.—Maar ’t dolst maakten ’m de nijdige grapjes boven z’n hoofd van den Bode, dien ie niet zàg, maar hòòrde grimassen. Eindelijk viel ie nijdig op den zwikkenden en krampenden zak áán, beet er z’n tanden woedend op in, rukte den knoop heen en weer met z’n drift-gloeienden mond, als ’n hond ’n been-kluif,—knaagde, scheurde en knarste. Even kwam er ’n stompje loswarrelen. In grabbel trok ie z’n mes, sneed plots den band door, dat de zak, gerammeid, gehurkt en vernederd, van boven lossprong uit z’n worgenden klem als met ’n snikzucht naar lucht.—Weer nieuw goed werd aangesjouwd, nù losse slabakken.—Mo’ je nog twai bakke, soo uit ’t knuisje van Knelis Tijsse?—Hee, hai je d’r veur main ook nog twai?[143]—Ikke hep per nog één veur je, krijschte ’n ander er dwars door heen, veur de hàlft van sain prais.—Daa’s liederlik, jai natte kip! hou je bek, jai ben d’r nie in vailing.Met ’n grooten bak sla wou de dwarsdrijverige onderduiker zich door het kluw venters heen werken, maar van allen kant, bonkten ze’m terug, moest ie, strompelend en struikelend maken dat ie weg kwam, ’t stillere boot-achterend op.——La’ da’ varke nie deur.… eerst de bakke van Tientjes wèg.… hee Tientjes! wa hai je dur nog meer?.… rebarber he’k had, peene, sloà, postelain ook.… boonekruid … loate „spanneezie”.…—Ben d’r uit! schreeuwde Tientjes opgeruimd terug!—D’ruit! mooi, dan he’k nog tien bosse faine peene!.…’n Sjofele, monsterleelijke tuindersvrouw, rimpelig begijntje, met dik-apige lippen en naarvoren gestomd kakement, had zich, in ’r hard-geel manteltje, vooruit gedrongen, bij kleine stootjes en duwetjes. Nou alles op ’t end liep, ’r verslapping kwam, en wrevelige hang naar schaft, drong zij vooròp, listigjes spekuleerend op vermoeiing der andere groenboeren.—Met schuchter-zwakke stem zette ze’n bodje in, en plots dromde woeste snauw van alle kanten tegelijk op ’r af.—Saa’k laife! da’ hai je ’t kallef mi-de-natte neus.——Loà de boere moar dorsse! ken hoàr ’t skele, minachtte ’n andere vrouw met venijnigen, puntig-bitsen kop, bejeukend d’r scherpen neus, die uitpriemde als ’n boor onder ’r gore steekmuts. De eeuwig-breiende ventster, moe, met ’r knorrige moppertronie, snauwde mee, schril. Niemand gunde ’t rimpel-begijntje ’r sjofele koopjes.——Roggemegoggel! de gele medam hep ’t puur op d’r heupies.——Se hep o-de-keloonie van d’r gelant op d’r jakkie, hoonschaterde vrouw Zeune, en de brei-vrouw rolde weer ’n vloek naar d’r verschrikt snuit.—Veertig.… sint.… veertig, hakte de Bode door stemmen-gesnauw en gekef heen.… veertig eenmoal!.…[144]—Vaif- en veertig, nijdigde ’n andere vrouw, alleen maar om òp te bieden, wrevelig-wetend dat ze de waar toch niet noodig had, volgepropt als de mannen en wijven al zaten, bij den laatsten rondgang.—Vaif en vaiftig! dolde ’n kerel ’r tegen in, die de gele madam niet luchten kon, met genot ’r uitgehuilde kaken zag verangstigen.Zweet-rood glom de gele madam, stotterend in verlegen angst, bekrabbend ’r apigen gelen mond en kin. Benauwd glunderden haar oogjes, vol glinsterig, sluw-bang licht, òp naar den Bode. Want op ’t eind van elke veiling was zij taai, zij, dat wist de kerel.—Sssjesjjtig, siste ze even uit, met ’n wenk van ’r magere knokels, sluw, schuchter toch.—Nijdige snauwhoera’s gierden ’r hoon-scherp tegemoet.—Je man kaikt mi sain skele lampies noa je hain!, sarde ’n tuinder achter ’r rug, haar telkens porrend tegen de schouers, dat ze schokte.—Nouw sssjjoà.… nouw sssjjoa.… aa’s.. aa’s … tongsleepte ze, in wanhoop opgejaagd om hooger te bieden. Haar naar voren gestomd, geel kakement sidderde van zenuwschokjes, ’r apige lippen trilden, en ’r ingedrukten neus, wijd opgewipt bij de reukgaten, bewreef ze onder ’t lispen.. nouw.. sssjjoà.. jullie gunt t’r main gain sssjjpòg woàter!—Wa’ mò je tug mi die peene veur sestig uitvoere waif?.. je koop hullie pattekelier veur vaiftig bai ònster.… lolde een weer in hoontoon.—Nouw sssjjoà … nouw sssjjoà … brabbelde ze verlegener terug, òpstarend in oogenangst naar den Bode, met zenuwsnel wimpergetril, als hing ’n slingerend mes boven ’r hoofd,—De vrouwen grolden, konkelden en schaterden vinnig jaloersch, lol-woest, dat ze’r zoo hoog opgedreven hadden, in hun gejaagd bieden.—Nou mag sai d’r biertje loàte werrike?.. Bi-jai-’t-Hain!—Sestig, eenmoal, veur de derde moal, hakte de Bode droog door, vrouw Joapeke![145]Ze beefde als ’n riet, vrouw Jaapeke! Ze voelde, in ’r zenuwangst, dat ze toch te hoog was gegaan. Bang graaiden ’r gele, breed-bemouwde, slobberige armen, naar de penen die de Bode tegen ’r platte borst smakte. Geel-rooiïg vervlekt, dampte ’r tronie, dat monsterlijker rimpelde als oudwijverig apenbakkes, in glimmig zweetvet. Niemand durfde ze aankijken, als had ze een gemeene streek uitgehaald. Tegen ’r hardgeel, verkaald kort manteltje, knelde ze zenuwachtig de peenen, en banger loerde ’r monsterlijk verdroogde begijntjes-kop ùit, tusschen den fellen daver van ’r wortelen-oranje en ’t fijn-kartelig uitgeknipt donker groen loof.——Nog twai koopies, dan is de skaft dur, lachte de Bode, ’n bittertje weer met smaktong wegklapperend en opzuigend z’n adem.—Nou he’k nog ’n sak mit laifende woar.… gain f’rklikker in de buurt?.… niks nergens peliesie?.… wel-nou-dan!.. dan he’k hier spring-laifende woar.… twee prêchtige kenaintjes!.… kaik hullie tippele!.. kaik hullie tippele!.. la’ main in gos noam niet langert proate.. beste minse!De grauwe zak had ie opengefrommeld en er met één hand, bij de ooren, ’n donzig blond konijntje uitgegrabbeld, dat angstig spartelde en voorpootjes kramperig tegen wit-bevlekt borstje òptrok.—Schater barstte òp naar ’t hangende diertje, kerels gierden, vrouwen gilden.—Sou ’t d’r ’n broertje.… of ’n sussie van sain, moar dur sit dur nog een percies-eender in de sak.. wie blief dur hullie!In rauwen humor, de twee ooren in één hand saamgeknoopt, keerde ie konijntje naar zich toe, ruggetje naar de koopers, vroeg ’t, venijnig tikkend met vingertop op beweeglijk zenuw-trillend neusje:—Hoe vint ùfus de f’rgoadering.… die ùfus broàde sel?ouëjonge?.…Heet gegier raasde uit den troep en konijntje draaide ie rond aan z’n ooren, dat dierke als ’n spiraalwrong, weer duizel-snel terug-schroefde.—Kramperiger spartelden opgetrokken voorpootjes;[146]suf bleef staren ’t stomme kopje tusschen engen oorenknel; sneller en verbluft trilde angstiger ’t blanke neusje.—Vrouw Jaapeke was er weer ’t eerst bij met ’r bod.——F’rvloekt, die komp nou altait op ’t lest! stiekem uit ’t hoekie.… snauwde de brei-vrouw weer, giftig doorwriemelend d’r steken, bij webbende vingertoppen.—Is juffer luiwoàge weer an ’t woord? spotte ’n groenboer naast ’r.—Nouw sssjòa … nouw sssjjoà … kauwden ’r dikke lippen weer, en zweeterig, met rooie vlekken, rondgetrokken als doffe bloedvinnen, glom ’r gele begijnentronie. Angstig loerden ’r oogen òp naar ’t zacht nog nàschommelende konijntje, dat de Bode telkens kleine draai-duwetjes gaf. Droeverig-gebluft staarde ’t kopje, de oogjes trilden, keken wijs, als voelde ’t deernis, dat ze ’m zoo plots uit z’n stik-donkeren, duffen aardappelenzak, in ’t felle zonlicht daar te kijk hingen. Z’n spichtige steilgrijze snorhaartjes beefden en z’n weeke angst-bekje mummelde wat, als verkauwde ’t z’n eigen angst.——Veertig éenmoal.…—Sestig, ’n rauwe stem van tuinder klonk achteruit.—Ksjt! ksjt! katjes.… siste ’n kerel, sloan jullie de gaile medam veur de sokke.…Weer trok weduwe Jaapeke beverig aan ’n grooten knoop van ’r hard-geel manteltje; sterker beefden ’r oogwimpers.—An joù juffer luiwoàge!.. veur aige bik!.…—Wa’ mot dur medam mi’ knaine van doen? sai frait d’r puur kalkoene!.…—Nouw sssjjoà … nouw sssjjoà … sleeptongde en lispte ze angstig terug, afwerend duwen en grapstooten in rug en zij, jullie gunt dur.… gunt dur.. ’n minssjch nikssjch.Angstiger loerde ze naar Bode òp, of hooger bod inviel.—Sestig één.… sestig anderr.…—Vaif en sestig!.…—Mooi soo!.… gooit de boel òp waife;.… aa’s alles brandt brandt woater ook.. la’ jullie je aige nie troefe.. van die gele sloerie-ekster,—stootte ’n venter uit, grinnekend tegen ’n buurman.[147]Weer had vrouw Jaapeke den Bode stiekem gewenkt, vlak op z’n schoenen, schuwtjes-snel ’n knauw met ’r beverige handen àfdrukkend.——Aaj! vrouw Joapeke! main eksterooge! krijschte de Bode een arm en been lawaaiig-komiek de lucht insliertend, ’t konijntje meeslingerend bij z’n ooren.Joelende hoongier schaterde los. Vrouw Jaapeke stond bedremmeld, nu Bode ’r in z’n lol verraden ging, dat zìj aan ’t bod was; dat zìj op z’n schoenen gedrukt had. Weer hooger ging tegenbod;.… angstiglijker rilde gedachtetje door ’r heen, dat ze de beesjes niet kreeg.——Sien jullie, de gele medam waa’s ’t weer!.…—Anme huppla!.… nou kraig sai twee fraiers thuis!..—Tachtig, hakte weer door de Bode, en weer voelde ie ’n half verborgen druk van vrouw Jaapeke’s beverige knokels op z’n schoen.——Vaif en tachtig eenmoal.… andermoal.… veur de dèrde moal!.. vrouw Joapeke!Weer barstte ’n rauw hoera los, rond de gele medam. Ribbe-stootend bonkten ze’r, gilden en hoonden de jaloerschen om ’r heen.—Want ze wisten wel, dat zij dingen plaatste, die anderen nooit gebruiken konden, bij wijven in de Nes. Daarom durfden ze niet nòg hooger tegen ’r opbieden, bang dat ze ’r misschien aan hangen bleven.—Bode had konijntje weer in den zak gesmakt en rolde de levende waar vrouw Jaapeke tegen ’r platte borst, boven wortelenstapel, waarmee ze nog onder de armen, tusschen de mensch-kluw ingepropt knelde.—Saa’k f’rbrande aa’s ’k snap wá’ ’t waif d’r mee uithoale mot.… verleje.… mi Juni hep sai ook.. die vaif prêchtige leeuwerikkies kocht.… die hassebas.… woar hoalt ’t murmel de sinte van wèg!.…—Van beroep is d’r man tug stroat-oàrm, hoonde ’n ander.. hee! gele medam, koop jai d’rais ’n nuwt stelletje kiese hee?.…—Trek jai d’r veere van ’n kikker! schaterde valsch mee de vrouw met d’r rooie kap en woelige sierseltjes, boven ’r voorhoofd.…[148]se is t’r moager aa’s ’n tang! en ’t laikt dâ se koopt veur aige bik!—Nou, grinnikte de brei-vrouw,—in de stad … loopt ’t mins.… soo ver aa’s de hemel blauw is.… en roakt t’met nooit niks kwait van d’r kar.—De leste koop!.… luistert wèl, goê-liën, schalde hoogklaar de Bode weer,.… om te beginne en an te vange mit ’t begin, he’k hier ’n prèchtige takrooie maidoorn.… wie blieft.. wie-sait!Van vier kanten raasde áán, dooreengolvend stemgekletter.—Tien! vaiftien!.… achttien!.…—Mit je àlle achttien, lachte Bode, mit je àlle twintig.… wie mot!Dat was blomgoed, waar de hééle stoet op loerde.——F’rfloekt.… de fint snait d’r ieder dag ’n takkie van sain boom.… aa’s tie dit joar.. gain tachtig pop veur s’n boom moak, hiet ik puur gain Teun Stainders meer.…De eerste bloemenkoop was weggerùkt. Langzaam achter ’n stapel aardbeikisten, wrong groenboer nog twee kleinere takjes. Maar nòg schreeuweriger, voor hooger prijs, kochten ze die in. Ze wachten er op, en hurrieden alle tegelijk er om.——Op is de boel!… gelukkig, kwam d’r aêrs nog muiterai an board.… Moandag weer ’n handje!.… lachte de Bode, en nou he’k hier nog prèchtige lelies.… wie mot dur.. wie?..Nauwelijks had ie de vormfijne lang-stengelige bloemen in de handen of ze smakten op ’m neer. Twee vrouwen rukten ’n heel bosje uit z’n warme knuist.—Ikke ook, ikke mot d’r òòk.…—Hier.… doar hai je vast màin.. vrachie sinte!.… Ikke hep d’r tien!.…—Màin.… main!.… daa’s gemàin, gilde ’n ander.… ikke hep d’r eerst sait!.…—Krikf’rdorie.… die blomme luchte lèkker, snoof Dirk verbaasd-loom òp.. die mo’k hebbe veur main klante!.…De vrouw met de stuipige breikousstomp was plots òver de hurriënde en dringende kerels heengebukt, ’r vat-breed achterwerk[149]’n groenboer langs ’t gezicht schurend. In woesten ruk, had ze vrouw Jaapeke de lelies uit ’r hand gescheurd, de bloemen haastig in d’r schort beschermend.—Vier andere vrouwen, met verkoop van veiling, zwaarlijvig bijeengeklonterd, sprongen bijzij op gele madam af, om te zien of ze nog meer blommen bergde.—Maar in één ruk had de breivrouw ’r leeggeplukt. Grienerige woedetrekken groefden om schrei-mond van gele medam, en sputterend spoog-lispte ze vloeken uit, naar de woeststerke wijven. ’n Endje van vrouw Jaapeke af, waren nu wat groenboeren op de brei-vrouw losgesprongen, om die den blommeboel te ontfutselen, bonkend en haar bekrijschend dat ze niet had laten uitveilen. Maar breivrouw weerde zich heftig, trapte naar achter, beukte opzij, in den knellenden warrel van graaiende en rukkende handen, stampen van beenen en lijven. Bodestem schalde plots bòven ’t warme stoeigewoel uit, in lach van z’n frisschen kop.—Nou nog wa’ prêchtige pioene, wie-se-hep kraigt de staikels.… ikke hou de blomme—.. In wat tellen hadden de venters ’m afgekocht.—Broeierige woeling gistte los in den veiling-prop.—Snikhitte dampte om hun zweethoofden. Zon priemde fellere lichtlansen neer op de boot. Elk plekje braadde en kookte.—Spraakloos buiten ’t gewoel, stond kapitein voor zich uit te staren, ’t vonkwater in, en hoorbaarder nu, achter veilingstilte uit, klotste de golfjeskabbel tegen schipwanden òp in schuimende koeling en week ruischgestroom.—Hunkering naar ochtendschaft ging rond. Om den Bode klonterde de menschenkluit los. Twee dikke groenboeren kankaneerden in nauw gangetje van hangende manden en kisten, naar de kajuit. De dikste, achteruit dansend, met kwabbige schommeling van z’n vet lijf en spanning van dans-dijen, strompelde gladkoperen traprichel af. Springend met kromgebogen armen, ’n zwaai de lucht in, plof-bonsde de andere op z’n borst en buik. Achter hen ààn, trampelde ’n heele bende naar beneden, de kajuit in, waar al wat kerels, mistig berookt in halflicht hoekje, saamgebroeid hurkten achter hun manden.Als ’n laag-bezolderde ark, spitsig toeloopend en hellend bij[150]den boeg, dampigde de kajuit, volgesmookt van pijp- en sigarendamp, snikheet. Groòter en ruwer dan in ’t fel deklicht, onder half schaduw nù, lijfloom neergesmakt op de rooiige ruw-bekwaste banken,—leken de vrouwen- en manskoppen in de kajuitsdiepte. Achter enkele half-verduisterde hoofden, wangbrokken en kleurig haar, stroomde zonnelichtspuiing, door hooge ronde kijkgaten, beomtrekkend èven wat tronies in zoom van goud, fijn vloeiende lijn, die gloeide soms als electrische lichtdraad. Schuwere glansen schoten door morsig beruite kijkgaten, hoog ingeboord boven boeg, scheemrig vervloeiend in de halfdonkre kajuits-sombering.—Langs de wanden en midden in, plankten de ruw-rooiige banken, breed, waarop neergesmakt dromden in stomme hurrie van punten en brokkelige kanten, kisten, pakken en manden.—In de kajuit stonk ’t duffer, vunzer nog dan op ’t dek, waar dòòr de groenteluchten heen, soms nog ziltig zoute lucht van zee-windstroom aanwoei. De hooge kijkgaten, ’t heele schip langs, brandden in reflexvuur van kanaalwater en zonnegloed, tusschen ’t opkruipende half-duister in de stik-heete kajuit, als gloei-gouên oogen. Tegen de grijs-grauwe morsige zoldering zonden wat lichtkrinkels, die trillerig door elkaar heenspiraalden.—Vlak onder de gloei-gouden licht-oogenrij van kijkgaten, doorzond en fel-verblindend, kropen schaduwtinten langs verdonkerde wanden, zonk de kajuit in, vaag-kleurig van paarsen rook, even doorneveld van zwakke glanzen.—In al òpgeknelder drom trampelden de vensters van ’t dek, smakten zich neer op de banken, tusschen hun pakken en kisten.—In roodbruine somberheid plankten de banken, en heel de kajuit, met de oppropping van koopwaar, leek ’n groef, roodsteenig en duister, waarin schipbreukelingen saamgevlucht stumperden, bàng omknellend hun laatste rijkdommen.’n Lange kerel, met heel kleine oogjes, z’n hoofd de zoldering rakend, waaronder z’n gebaren reuzigden, holde heen en weer te bedienen, stapte telkens op ’n vrouw af, die op bankpunt koffie schonk uit ’n bruin beschilderden koffie-stoomketel. Tegen muur van kajuitstrap, donkerde inhammend buffetje, waarin opgedrongen bijéén hinkten, diendertjes, manke jeneverglaasjes;[151]tegen elkaar leunden, flesschen, koppen, broodbonken, kaas, steenen bordjes en sigaren. Van alle kanten, uit de half duistere kajuit, tusschen het triestige roodbruin van banken en morsig grijs van zoldering, roezemoesden zeurige, teemende en krijschend-jolige, hakkelende en sputterende stemmen. Uit elken hoek warrelde geraas, gekakel en boerenwoest geschater. Gretig pakten de venters hun stukkenzak met halve broodhompen en mikkies uit; hàpten, hàpten.—Koffie main!—’n Bakkie g’laik!De heele bende verdonkerd en ver-reuzigd onder lage zoldering en balken, slurpte koffie. Overal, ingebukte nekken en gezichten, de warme lippen op de groote kopranden platgeperst, vuile handen rond de kom gekneld.—In anderen klauw, de halve mikkies gegrepen, hapten dierlijk de geile ruwe monden, slurpten de tongen, grepen en persten de morsig levend-beweeglijke vingers, groen en bruin vervuild van smeer. Op verhoogd boeg-end, druk roezemoesde ’n gierend troepje, de beschaduwde koppen naar elkaar toegebukt, in raaskallende lol, omwolkt van paarsblauwigen rookmist.—Soms even schampte òp, achter nevel-paars, ’n pijpekop, ’n kiel, rooiig-donker, grimmig-gebarende hand, ’n wangkant, ’n harige achterkop, met even lichtbeflitste oorrand, plots weer wegduisterend in zwaarder rookgewolk. Naar alle kanten liep de lange kerel met z’n dampende koffiekoppen, zonder schotels rondgediend, oorloos en gloeiheet, de klef’rige greepklare ventershanden induwend. Al meer reuzige schoenen, beenen en lijven zakten de loom nauwe kajuitstrap af, waar ’n ruitje even licht sloeg, voor ààn, in ’t rookige hol. De vrouwen bijeengegroept kakelden en kuchten, op d’r hooge banken saamgedromd, tegenover de woeste rookers, aan spitsig-hellende boeg. Telkens moesten ze inschuiven, opschuiven voor al meer instrompelend volk, dat tusschen vrachten en meegesjouwde bakken, als onder ’n lagen hemel van zoldering-morsigheid bijeen kwam broeien. De balken met donkere reten en vuile flodders verf, kruisten vlak boven hun scheemrige tronies. Aan ’t eind van middenbank stond[152]de schenkvrouw, breed ingebukt ’r oer-ketel te hellen. Telkens bracht de lange bediende, klefferig bevuilde koppen áán, hield éven schoongeplaste ònder den ketel-slurf, inmiddels vlug uit grooten suikerzak,—als overvloedhoorn blank-open neergetuit op bank-end,—’n schep opvisschend, en in zwierige vlucht afplonsend, in ieder kop ’n hoosje. Naast de ingebukte vrouw, die geen tijd had om ’r lijf te rekken, stond ’n vuil emmertje, van binnen bleek-rood uitgekleurd, met smoezel water, waarin ze luchtigjes,—toch doorschenkend uit ’r koffieslurf,—rond-spoelde de aangedragen, klodderig bestroopte koppen. Even ’t bruin-bestroopte van buiten wegplassend, druipend nog van vieze straaltjes grondig vocht, grabbelde ze met ’r natte handen de kommen weer òp, uit den emmer. En ’r zoon bleef bedienen, hield de reuzige koppen weer voor de tuit, die stroef stond, beklept-harig als ’n levende slurf, waarop vuiligheid bakte. En vlug, de eeuwig-gebukte schenkster rookte de kommen weer vol geurig koffiebaksel.—Walgelijke stanken, duf en vuns rotbroeiden de groenten uit, de jenever, koffie en tabak. Tegen ’t roodbruine ruwe gebank, en den zwartmorsigen grond, zogen de stanken vast. Wilder, woester, in vergrootende donkering, slurpten, verhapten de koppen, met apig-dierlijke rukken ’t brood, in geilen slurp en zuig, smakkend zich gevend aan vroege vraatzucht en drank.Dirk lag met z’n arm op ’n stapel duf-stinkende manden, en achter z’n hoofd, op tusschenplank van middenbank, tweekants bezet, stapelden bossen groenten en bloemen, zoet-zwoele lelies, tusschen voos-luchtende aardappels en kool, bruidsgeur en blankte, vermolmend onder gronderige stanken van benauwing. Elk ding wasemde stank uit. De kleeren van venters stonken als verrotte beenderen. Verhitte kroegasem en bloemengeur zogen door elkaar heen.—Naast Dirk, hurkten met beenen onder kin opgehaakt, Klaas Grint en Rink van den polder, happend en smakkerend in scharren en poonen, ronkend van vreetgenot. Dirk had z’n derde kop koffie al heet ingeslurpt, luisterde nu, dwars door leuter-geratel en handengeklakker van nasjacherende vrouwen en kerels om hem, naar[153]Grint, moeilijk verstaand, z’n oor geheven als luistertrechter, tegen den heeten herrieraas van stemmen in. Grint bepeuterde voorzichtiglijk z’n poonen, smakkerde bij brokken de vet-glimmige blanke visch z’n mond in, sprak en vergierde schunnige moppen, dat z’n uitkauwsel, telkens tusschen z’n snaterende kaken opschemerde. Als ’n zaal, waarin rumoerige kakatoes op eigen houtje krijschend konverseeren, dazelde stemmesnater rond. In al gamma’s brulden, lolden, lachten menschenkelen, schorre, rauwe, zachte en weeke timbres dooréén.—Soms klonken er als schrei-geluid, kermende klanken; dàn bulderde en donderde woordkrijsch uit, hevig en verhit in de mist-rookige kajuit.—Rink van den polder, slobberde jenever, door z’n scharrenmaal hèèn. Van uit z’n apigen knie-hurk, rookmistig omdampt, keek ie telkens flikker-scherpe kajuitsoogen in, die trilrige zonnekringen, wazig-vloeiend verspuiden tegen zoldergrauw. Eén balk-brok kreeg felsten stroom, waarop, in krinkelige rilling, als ’n zwabberende kurketrekker, ’t licht invrat als wit vuur. Naast Rink, ingedrukt en bekneld van twee kanten, met mandwerk, stumperde ’n bochel, door z’n puntbult ’n end van bankwand afgeduwd.—Peinzend telde hij eiertjes. Zacht schuifelde z’n hand in ’t strooien bed, en koelblank tusschen z’n groenig-vuile vingers, marmerden de eitjes, telkens teederlijk door ’m weggekoesterd in ’t gouden stroo. Na koffieslurp voelden de kerels zich bijna in de stad, furiede zuiphartstocht òp. Overal rinkelden jeneverglaasjes, zogen de rooie dorstige kelen ’t vocht in, vol wellust.—Màin segoàr.… moàr hardstikke swoàr! schreeuwde Dirk.—Enne main nog ’n kats, veur sain sinte, grinnikte Grint op Rink wijzend.Met acht kommen tegelijk, in balans-behendigheid deinde zacht de lange bediende door den rookmist heen, naar stijgenden boeghoek, al hooger onder de zoldering uitreuzend, in bukhouding z’n kop op borst gedrongen, om zich niet te stooten.—Zwier-vlug deelde ie de kommen rond, tusschen de gretig-uitgestoken handen.—Sterker klonk weer gelebber, smakking en dof eetgeronk. Klaterende roezemoes, gillerig en hoog, onder[154]voortgonzenden toon van mannenbassen, gromde door de kajuit. Levende walvisch, leek ze menschen in angstlawaai opgehapt te hebben, die daar verwilderd in d’r half duisteren muil zaten te schreeuwen, te stampen en te reutelen tegen elkaar van kreupelen angst.—Stooten van machinekamer bonkten trillingen door de wanden, bracht sidder in de koppen, handen en beenen. Door manden en bakken ging lèvende beefstroom. Alles zat in trilling; de tronies die raasden, de monden die zopen en vloekten, pruimden en kwebbelden; de handen, die vastklemden bevende kommen; de beenen, die trampelden of hurkten. Een flakkerende wiegel van schaduw en lichtvegen schemerde tonig en diep door de rook-paarse kajuit, rooïig-blauw verdampend in hel-lichtende òogenrij van kijkgaten, die loerden met zengenden vuur-blik.—Diep daarònder, de ingezonken lijven op banken, de handen op knieën, beverig doorschokt van machinedreun, de hoofden en oogen vertemperd in kleurigen wasem, tusschen den dof morsigen grom van roodbruin plankwerk en wandgrijs. Daar, midden in de broeihitte, sloegen, walmden en braakten de stanken òp, vunziger, uit half-open kelen van manden, uit zak-strotten, uit gaten en spleten van kisten. Zweet-rook van lijven dampte van kleeren; van barokke klompschoenen, enkele scheef en vergroeid als paardevoeten; van pilow-broeken en baaien rokken.—Uit alle hoeken wasemde rottende stank rond.—Schemervegen van schaduwzware tinten versluierden soms plòts groen-zwartig de kajuit. Rooie sigaarpunten gloeiden áán, in donkering van hoeken en de rondzonnige kajuitsoogen bleven loeren in fel vuur. Prachtige glansjes, smeltend en wiegelend, zwierden op menie-rooie randjes van drie gesloten venstertjes. Licht van waterkabbel wiegde méé met warrel van zonnespel daar in golfjes, àchter morsigblauw paarlmoerig-benevelde ruitjes. En wat trillerig geschijn deinde áán en af en om de kijkertjes. Als ’n diepe hangmat, waarin rookige schaduwen kwijnden en weer wazig-grillig verkleurden, in wiegel van gesmoord licht, hing de kajuit, plots weer in zachten schommel van boot; hangmat van rook en stank, waarin de menschlijven, opgepropt verduisterd in[155]grauwig paars en dampig gesmoord zonlicht, bewogen in nachtmerrie-realiteit. Uit pracht van diepe donkerdroomrige tonen, stemmige diepte van zachtflakkrenden kleurmist, zwaarbefloersd in grillig verstaltigenden groenen rook, doken telkens ànders de boerenkoppen òp. Roodbruin de banken, angstiger verdoffend den getemperden kleurenstoei der mans- en vrouwkleeren; in rooknevels de groentebakken en manden, dwars en stapelend uitgestald op den donkeren vloer, vóór sprookjes-reuzige voeten, òp schootbrokken, tusschen glazen, vuile kommen en rommelzooi van stronken en afval. Daar, door dàt hangmatleven, zogen en walmden de helsch-gemengde stanken, tusschen gebeuk, getril en geraas; broeiden de koppen bijéén; lekte ’t zonnevuur door de naven en ’t dek naar kajuit, waar de snikkende hittedag verduisterd en gesmoord lag te reutelen tusschen engte van duffe wanden.—Ènkele menschkoppen bewogen in glansgouïgen zoom. Wangbrokken gloeiden beschminkt van goudpoeierig schijnsel. Pet-vormpjes vergrilden in zacht-kleurig dof-duister.—Praat en slok, deinde òp uit diepe tinttonen.—Eetmonden vervaagden omrookt onder nevels, snorre-baardig, in harige ruwheid. En de golfjes in schroeienden zonnedoop, verspoelden kabbelig-speels, ruischend tegen de lichtoogen bòven hun tronies.—In paarsigen waas, de groote werkhanden woelden en gebaarden in en uit lichtvegen, rumoerend méé met hun zuip, hun krijsch, lol en ironie.—Handen, breed en geweldig als levende wezens, op zichzelf, hevig gekromd, verbronsd in aardewroet, in rauwe energie van beweeg en passie, tusschen den rookmist en rood-groenen damp, in wilde gebaar-woeling wègslingerend scheemrige vegen en tint-grillige schaduwen. Handen van bronzen reuzen, graaiend in smoor van zonnevuur.——Dà waa’s d’r main ’n sjouw Dirk, schreeuwde Klaas Grint, met beverige stem, doorschokt van dreun,—nou he’k tug puur naitig bakke oarbei op de boot—hee annaime!—main nog ’n bakkie leut!.…——Daa’s f’rduufeld achste bak, lachte de bediende.—Nou wà’ sel ’t?.… betoàl ’k hullie nie? houw tot soo[156]langest je snoater,.… nou hoor-je Dirk? daa’s tug puur naitig bakke, allain van main rechterhoek!.…—F’rek jai, viel Dirk met vollen mond in, zich verslikkend in hoestschokken, onder opslurping van koffie, dat z’n kop bloedrood te barsten dreigde.…—Kaik nou, die wil d’r babbele aa’s tie te slikkebikke sit,.. wà noù f’rek?.. der kenne.. kenne hier op dek, puur.. dertienhonderd bakke oarebai!.… en f’middag komp ’r nog ’n nuute anvoer.… nou, dan wee’k daa’k goar bin!.…—’t Is d’r dan ook duufels mit hoàst gonge hee?.. zei met diepe stem, zangerig, ’n venter vlak bij Dirk. Achter middenschot van bank zat ie, met verdraaid lijf, alleen neusbrok en oogen er boven uitloenschend naar de kerels.Dirk, Grint en Rink draaiden zich half om.—Hoe most da’ maint? vroeg stug Dirk.—Wel nou, ’t is d’r nog gain drie weuke hee!.… t’met … daa’k … toe he’k de soete fransies sien hep hee?.… Wa’ màin dat d’r toen teugesloegte.… de vrucht wou nie sette.… alles d’r nog groen en half raip.. de grond uit!—Daa’s net … veur drie weuke he’k niks aa’s rooie vlekkies in main tuin had, lachte Grint.—Wel nou, zangde de diepe stem achter beschot weer, met halve tronie er boven uit, en een hand stumperig meebetoogend in beknelde gebaren,—de boel is d’r nou overstroomd hee?—Met andere hand achter schot verscholen bonkte ie hevig op z’n weggedoken been, greep ie gretig naar ’n borrel, dien de lange kerel ’m brengen kwam. Achterover z’n kop, smeet ie z’n hapje donker mondgat in, bestelde smakkerend en likkend nog een.—Nou, moar de haire hebbe d’r puur wâ inpalmt an ’t stêtjon en in de hoàfe hee?.… da stong t’met nie stil.… Van màin drie duusend kilo.. van sàin tweeduusend.. van Klaas, van Gijs, van Joap, van Dirk, sooveul aa’s sullie d’r hadde,—of aa’s je kèrtak veurskreef.…—Wa?.… sooveul?… soo veul aa’s ’k f’rkoope wil hee? barstte smadelijk Rink uit,—buite da’ f’koop ikke tug òòk.. da kroak je ommirs?[157]—Nou daa’s nie net, onthutst zei Grint, moar nou mo’ je.. mó’ je ook segge dâ je van ’t winter.… al kèrtak moakt hep.. van hoeveul je laif’re mot.—’n Màn, ’n man,… ’n woord, ’n woord.… hee?.… wa’ jou Dirk?.… wá’ jou Staine, wa jou.… Gais?.… je hoef d’r ommers nie veur de heule mikmak te f’rkertakteere?.…—Daa’s klesseneere, lolde Rink, woest verrollend z’n gemeengroene oogen,—màin nog ’n bakkie leut hee!.… moar ikke f’rkoop wa’ kwait kèn … aa’s d’r beteder martpraise binne, al hè’k kertak veur vaif joàr!.… vat je!.…—Nou seg, vergoelijkte weer sluwig Grint, de groote afnaimpers hebbe d’r tog ook hoarlie rissieko? daa’s net nie?.… en dá’ jòar.… f’rdomd.… sullie betoale d’r bestig hoog! da mô sait! Daa’s tog moar ordentelik! Velaije joar stong de mart vol van oarebai.… nie te f’rkoope.… hee?.… doar stonge wullie.… mit de pet in de ooge hee?.… en op haide?.… op haide?.…—Nou, giftte plots ’n rooie driftkop uit rookwolk òpduikend, z’n beenen met gestommel van de bank afsullend,—dà tuig f’rdient d’r g’nog!.… wa’ doene die likkebaire.… niks gedoan hoor!.… sai b’toale d’r lootjes feuruit bai de swoager van dokter Troost … komme hullie d’r effetjes kaike hee?.. de kontreleur doen d’r ommirs alles!.. enne.… dan.… dan hebbe hullie.… allain mit de oarbaie opsende.… allainig mit d’r oarbaie.… sien je!.… ’n duusend pop f’rdiend.… in ’n weuk of soo, hee?.…—Joà, moar de rissieko, teemde Klaas Grint.——Je suster rissieko.… soake aa’s piere.… soo staif.… om dà sullie de loodpot hebbe om vèur te skiete.… sende sullie ònster goed.… deur Duitschland … Enggeland.. en moake sullie d’r joartje wel goed hee? O die diefe.… die sloeries! schreeuwde Rink.—Nou moar.. wa’ há’ je f’rlaije joar dan?… basstemde weer Steyne achter z’n schot, met z’n mondlijn even ’r boven,.. toen hâ je Beijens.… da’ rooide noa niks hee?.… die kaèrel.. hep toen ònster goed afnome hee? al wat wullie niet kwait kenne[158]hee?.… ’n sint ’n mandje hee?.… mit ’n straip of’r de bakke!.… je was d’r blai da’ se hullie d’r nog veur ’n sint kwait kwam!.… Moar die skevuit heb f’rdiend … die hep d’r waite … dá’ wai gain uitweg hadde hee?.… mit al ’t goed.… die hep d’r van màin.… van joù.… van jan en alleman kocht.… hee?.…—Of daa’n skurk was, ’n geep.…. tromboneerde de woedestem van Rink, daa’s Beijens van de Skans hee?.… die skoelje hep d’r ’n achthonderd pop, in één slag f’rdiend, één middag.. Hai skunnigde alles noàr ’t buiteland.… hai hep d’r wacht, tut ie onster mi de pet in de ooge heb sitte sien!.…—Je most d’r je stroopbek moar houe, woedde Dirk tegen Grint, jai.… jai!.… ’r sit d’r gain oasem nie soo goekòòp aa’s jai in Duinkaik.… en bestige grond da’ die vent hèp … swoare en lichte.… alles d’r aife bèstig … god’s kristus!.. aa’s d’r onse de half soo waa’s gaf ik d’r main pink veur … moar da rooit nà niks.…Dirk gifte zich uit. Hij hield van z’n brok grond, maar de woede, dat ’t zoo belabberd was met afwatering en ie toch óók niet heelemaal kon werken voor zich zèlf, maakte ’m doodonverschillig. Hij gunde d’r geen korrel zand van aan Piet of z’n vader.… En nou ’t zoo beroerd ging, moest de boel maar waaien. Toch hield ie jaloersch, heet-veel van ’n brokkie tuin voor zichzelf en ’n wijf, als ie maar zoo iets ’n hoek had als Grint; vet, vruchtbaar, doorwaterd, warmpies in ’t zonnetje en licht.—Nou jou lap is t’r àn de Beek ook bestig.… kermde Grint.—Ferrek jai!.… mesiek! mesiek!… aldegoar bluf! doar motte wai àf.… of tie da’ nie weut hee?.… en kaik erais wa’ doar van de oarepels komme is?.… die hemme nou self poot!.… gain bloas!.…—Wa’ ken main dat skele, jai beskait je land nie hee?.… suinige jop!.. moar heè? jullie sien nou dâ die mof van ’t stetjon d’r ook nie meer gaift.… aa’s veertien sint ’t kilo.…—Krik f’rdorie, riep Steyne verbaasd en angstig,—en gister hep ie nog sestien sint betoald.… is die fint nou heuldegoar daas?.…[159]—Daa’s net, moar nou sien die da d’r te veul is.… nou goan ie onster an ’t knibbele hee?.… wa motte d’r wai mee?… aa’s je ’t nie goed vin.… la’ ie je stoan!.… Je ken je bakke tug nie je kooters te suige gaife?Dirk bleef stom, lurkte aan z’n pijp die niet halen wou.. zoog en blies blauw-duisteren nevel rond de herriënde babbel-tronies.——Main nog ’n bakkie leut! riep Grint dof.——Daa’s kom naige!.… lachte stikkerig ingehouen de lange bediende, nou.… die suipt gain borrels meer.… die goan d’r mi’ sain neus allainig in de koffiewind.…Dirk zoog behaaglijk reutelige haaltjes door z’n pijp, uitkraterend zwarten walm en vonksterren.—Zure stank broeide rond, dat de kerels kuchten.—Main ’n brandewaintje mi’ suiker.… riep Rink schor, zich schurkend met z’n reuzige schoften tegen bankrug òp.——’n Bestige segoar! en ’n brandewaintje mi’ sonder suiker.. mi’ suiker smoakt ie màin te lekker, ke’k nie finte!—Nou sullie wachte d’r, tû je weeròm bin,.… vast hoor, schaterde een achter bankrug.… Seg Hassel.… weneer sel je hooi overend sain?—Da’ wee’k nie, bromde Dirk.Ventersgroep drong uit donker doorrookte boeghoogte, klompbonkerend voorbij kerels op middenbank, naar kajuitstrap.—Naast Grint bij den ingang, rumoerden stoeiige krijschkerels die om waar streden, zoo hevig, dat Klaas voorover moest bukken naar Dirk om te verstaan.—Wa’ sai je?.…—Daa’k nie weut.… wanneer wai ’t hooi of’rend hebbe! wai motte d’r nog één daik.… hooi is bestig.… sit van onder ’n strootje in.… moar bestig hoor!Zoon van schenkster, aan punt van de middenbank, waar de kerels zaten te zuipkonkelen, drentelde nog met koffie door de kajuit, ingebukt z’n kop op borst.—Toe skiet op! main die koffie!.. barstte Dirk ongeduldig uit, toen ie den kerel zag voorbij stappen met zìjn bak dampende leut.—[160]—Mo’ je van main nou nog wa’ mooie duiveke’s hewwe?.. vroeg de venter achter bankrug, met halve tronie er boven uit, oogen en neus strak gericht op Grint.—Niks gedaan!.… ik hep d’r net waa’k ankèn hee?.… daa’s achtien bos!—Mo’ je de mand pieterselie nog veur ’n kwart?.… mit ’n slokkied’r op! krijschte uit de kajuitstrap, ’n rood-bukkende kop, boven zwaar-tonnigen buik, van ’n groenboer, schreeuwend naar ’n volgerookten kajuitshoek. Met hakkenstommel rumoerde hij op bovenste koper-beslagen tree.—Mit ’n happie d’r òp is ’t daan, krijschte uit rookdiep hellend achterend ’n stem terug en ’n paarsige zuipkop op mager lijf, donkerde vóór, uit nevel van boeghoek.Bij de kajuitstrap bonsden ze tegen elkaar-op. Dikke zuiper graaide centen òp van mageren zuiper, stopte den kooper ’n mandje zoet-geurende pieterselie in de knuist. Gretig slurpten ze hun borrel in, al klaargezet op buffetplankje door schenkster, die ’r klanten kende.——F’rek, daa’s nog hardstikke vol hier, bromde de dikbuik, met ’n zwiersmak z’n glaasje op buffetje bonzend. Strompelend wrong ie zich, snuivend en hijgend, door eng trapje naar ’t hek.—Magere pieterseliekooper stapte weer harkerig terug naar den kleurig-duisteren boeghoek. Telkens dáár, ’n ander nevelbrok van rooksfeer schemerde wolkerig òp, tusschen lichtkrinkels en wit-vuur van zonnespuiende open kijkgaten; weefde in diffuus licht, violet-zilverende damp, flakkerend en geheimvol tintfijn boven de donkere diepte van babbelkoppen, rookmonden, haar en handen. Eén wolkerige sfeer van rookglans rond duistere, in woelige diepte verdompelde menschen.Van rechts schreeuwde ’n vrouw, midden uit ’n kakel-groep, naar den rookboeg tegen ’n kerel, ’t meest voorop in den damp:—Nee!.… da’ waa’s ’t snuitwerk van Henk.… hai kwam ’n kiekie loere onder de trap hee?.… moar ’t waa’s vast Henk de koalbuik!—Henk de koalbuik? lachte de kerel, Henk?.… Heé joa’ twee brandewaintjes mi’ suiker veur de doames … en nóg twai[161]veur main aige hail hee?.… Nou Oàf!.… ik seg je dàn.… da die Henk d’r sain aige beeste la’ f’rhongere!——Nou, daa’s main ’n merk! de fint is d’r tuureluurs.… in de eeuwighait in de loorem.…—Daa’s klesseneere, daa’s klesseneere, bulderde de vent uit rookhoek naar ’t vrouwengroepje, hai lait s’n borrel glad.… hai likt s’n urretje op sàin menier.… moar de fint.… ken d’r puur sain honde nie te vraite gaife.… s’n aigeste beeste.. da benne d’r vaif!.…—Hee.… hee!.… Dirk.… hai jai hoort da’ die trekhonde.… van.… vàn Henk.. de koalbuik.… da die d’r twai skoape van Jaanse van de Lemperwai hep afmoakt.… se hebbe de baiste puur van malkoar skeurt!—Nou.… wa nou?.. schreeuwde Rink terug.… daa’s tug krek eender.… al die honger-meroakels.… die tuinders doar.… die Lemperhoek uit.… se hebbe d’r vast selfers niks, te fraite.. Is d’r netuurlik, daa’s sullie d’r honde snachts skiete loate! kenne sullie d’r aige potje soeke.… en woest aa’s die krenge binne.… se f’rskeure je.… van malkoar.… Bi-jai-’t-Hain!—Nou ’t is d’r ’n klussie, blerde de breivrouw knorrig, dwars door ’t roezemoezige gekakel van andere schelle stemmen uit ’t vrouwentroepje,—’t is main ’n klussie.… main baiste legge d’r vast.… en fraite d’r aige vetje.——Wa’ sa’ je màin d’ran jokke.… laikt t’met of sullie ’n botertonnetje inslikt hebbe, soo ke’ je hullie ribbe aa’s hoepels deur d’r pins siene hainsteke.…—Nou, zeurde een venter met geknepen schor geluid, wai binne aldegoàr noakend!.… die beeste motte f’r aige kossie skarrele.… se hebbe d’r gain fraite veur.. voed jai d’r noà hullie g’noege! vaif kaire t’met.… Se benne d’r soo ellendig sterk.… en bloeddorstig.… enne uithongerd.…Van boeghoek waggelden de kerels òp, uit donkeren achtergrond, en dwars door de groen-violette wolksfeer, in ’t oogen-vuur der kijkgaten, sloegen de lijven en handen van opstaande en gaande kerels, een storm van lichtschokken, groot-donker in de rooksfeer, die zacht gloei-kwijnde in dampigen flakker[162]bòven de banken.—Meer kerels stapten op, met d’r koppen zoldering rakend, sloegen door den walm heen, waggelden naar voren, bij trapje, plots onder ’t felle lichtgat uit kajuit-schemer, áángloeiend in zengend zonnegoud. De boel bleef leeggeslemperd, vermorst-suf op de banken staan.Groote stad was in zicht, en van alle kant grepen de venters hun goed bijeen, manden, pakken, kisten. In groepjes, achter elkaar, drongen ze eng kajuitstrapje af, en met koopwaar op nek en schouders, rumoerden ze zich in woesten woel, los over ’t dek.

[Inhoud]III.Om drie uur den volgenden ochtend, kwam er kort-driftig gestommel in de duister-beluikte woonkamer van ouën Gerrit. Zurige zweetlucht vervunsde uit de krottige slaapholletjes. Dirk uit ’t donker bedsteetje, was opgesprongen, òver Piet heen, nog slaperig en gaperig, rauw van pijn, geradbraakt van vermoeienis en katterigheid. Branderige matheid voelde ie door z’n lijf loomen. Driftig schouerbonkend stootte ie Piet op, die nijdig even gromde, maar dadelijk weer insnurkte. Dat maakte Dirk kregel en snauwender porde ie ouë Gerrit en Guurt, dat ruw z’n korte stem, kamerochtend-stilte doorscheurde. Wijê gapen loeide ie koeïg door ’t vertrekje, dàn vlak tegen beschot, dàn vóór bedsteedonker, telkens zich rekkend in achterwaartschen lijfkronkel, armen omhoog gerengeld en vingers verkrampt in slaapzoeten wellust, dien hij machteloos-heerlijk door z’n lijf voelde terugstroomen, tegen z’n luiigen lijfrek in. Langzaam slofferde ie op z’n kousen naar buiten waar ie de luiken van de ramen losmorrelde. Onder de pomp beplaste hij z’n gezicht, luchtigjes met water, vies van ’t nattige dat z’n hemdsmouwen en hemdboord beklefferde, en in branderige straaltjes tot op z’n naakte borst afdroop.—Guurt was gauw opgestaan.—In ’r nachtpon, haarhang opgebonden in woesten kronkel, maakte ze vuur op ’t achterend, drentelde rond de stellen en zette boterhammenkoffie.—Ouë Gerrit en Piet in hun rooie onderbroeken waggelden nog slaapdronken en grommerig door de kamer, loom en lijzig hun bovenkleeren aansjokkerend. Even bleef Piet hang-zitten op z’n stoel, klepten z’n oogleden dicht, hield ie z’n stinkende pilow, half over z’n dijen getrokken, slap in de slaaprige, krachtlooze knuist. Ouë Gerrit, in schreeuw, schrikte ’m wakker.[123]—Wà sloapmus, jai toch, gromde ie, soo’n jonkie!Na ’n kwartiertje rondgeslenter en gedribbel, sluipzacht op ’r kousen, had Guurt de kerels bakken koffie en hompen brood voorgeschoven. Gretig schuifelden de mannen hun stoelen áán, neerblokkend met armen op tafel, hoofden gebogen over hun dampende koffiebakken, slurpend, gaperig, rekkend en korrelig-stil. Rond hen, walmde slaapstank van ’t kamertje, dat al zacht volgevloeid glansde van vreemd, gloed-stil ochtendgoud. Roodflonkerende zonnedans koperde bliksempjes op de staartklok-gewichten, op ’t pronkstelletje, tang-pook-schep, onder het schuingetimmerde, versierde hoekschoorsteentje.—Langzaam, in bedaarde ouderwetschheid tiktakte de klok, zacht-vlammig aangegloeid rond de gewichten.—Guurt had ’t duifje losgedekt en daadlijk koerde z’n kopje als van verre, droef door de kamerstilte heen, waar alleen smakten en slurpten de wreede werkersmonden, en de klok dreinerig ti-jik.… tàkte.…—Moeder Hassel lag, met opengesmakte deuren, de kamer in te staren, bleek beslaapmutst hekserig hoofd, op peluwgrauw, de uitgedoofde staaroogen naar de slurpende kerels.—Ze hoorde koffie slurpen; dàt geluid kende ze. Ze zag ’t, voelde, besnuffelde ’t, met wilde, gesperde neusgaten.—Dàt geluid haakte vast in ’r ooren, ’t hoofd, bleef in ’r herinnering leven.… Woest instinkt naar koffieslurp.—Telkens gretig, even keek ze naar Guurt, als wist ze nu klaar, dat ze ’t van die moest hebben. Maar de kerels hapten door, slurpten onverschillig. Guurt klepperde nog ’n roodaarden bord voor hen neer, waar ze weer hompen brood op afsneed, slurpte zelf mee, gejaagd zittend op stoelpunt, ongewasschen in blauwkorten onderrok nu. Stil slurpte d’r mond in doorzond ochtendgoud van kamer, ’r blond hoofd in stil aureool. Buiten, achter ’t raam, glansden de akkers in aanbrandenden gloei van zonnekomst.—Nou Ouë, gromde Dirk plots, kauwend en slikkend dat ie niet verder spreken kon eerst—aa’s ’tr nou moàr puur om drie uur, de oarbei-boel dur stoan, an de markt hee? daa’k[124]hullie om vaif uur an de kant hep in de stad? kaa’k t’met nog ’n hooge markt moake.. hee?—Sel d’r weuse.… mi sonder mekeere.… Hoho! ho!.… Piet loait op.… en Kees goan de hoàfe langest.…—Hier-op-pan! aa’s Kees de hoafe opgoàn, ken ie t’met oploaje ook.…—Hoho! dà lief ’k nie! dà lief ’k nie.… die suupt te veul.… die hep s’n skoenlappertjesmoandag.… enne.… dá’!.…—Wa’! Kees?.. Kees suipt?.… krijschte Dirk uit, ’n stuk brood, dat ie half al in z’n mond gestopt had er weer uithalend, met ’n web van fijne spoegdraadjes,—f’rvloekt aa’s de fint één borrel lait! jai suinege Job!—Hoho! vier en vaife en nie g’nog! bars jai nie uit!.. soo vroeg in ’t morgeuur hee?.…—Wa’.… éénmoal.. andermoal.. ikke wil dá’ Kees oploait.. Piet hep s’n aige dood te plukke op haide.. En denk dur om.… niks aa’s oarbaie.… Op haide voart de boot twee keer!.… ikke goan doar.… om veur van … om twaalf uur is t’ie d’r wair.… sel main ’n dotje weuse op de kant!.. snof’rjenne, gain ploas om je klompe af te trappe, waa’n klus.… ’n drukte op de boot.… sullie dringe hoarlie aige t’met hardstikke dood.. hoagelvol!Ouë Gerrit was opgestaan met ’n smak z’n koffiekop op tafel neerstootend, dat vrouw Hassel in ’r bed opschokte, iets brabbelend uitstamelde. Nog had Guurt ’r geen leutje gebracht. Onrustig, hongerden ’r oogen naar ’t zoete vocht, dat op stinkend petroleumvlammetje konkelde en leuterde. Ze besmakte ’r drooge lippen, zonder dat ze vragen durfde, vragen kòn. Besefloos Guurt te roepen, uit angst voor nijdigen snauw, in ban van trage dofheid, bleef ze staren, vroeg ze toch met ’r oogen, zonder dat iemand uit de aanlichtende kamer naar ’r omkeek. Gerrit, handen in zakken geknuist, keek met z’n neus op ’t raam gedrukt, naar buurman’s tuinderij, waar nu alles groen-goud in den ochtend-tintel gloeide, doorvonkt van dauwig druppelvuur.—Ochtendstilte, uit paadjes en wegjes,[125]ruischte rond de tuindershuisjes en de roode bedakingjes vlamden licht-hel.—Vandaag zou ie wat te plukken hebben, mijmerde Gerrit, speelsch drukkend z’n neuspunt tegen ’t ruit, wiebelend op z’n hakken. Z’n rug zwoor en stak van pijn. Maar ’t most, most nou. Hij had al dagen achteréén onrustig zitten piekeren, dat ’r geen regen kwam, gejaagd, nou de boel zoo droog stond. Maar nou most ie maar doèn, doèn en niet seure.…Met hun drieën waren de kerels over ’t erf den tuin ingestapt. Guurt drentelde weer op ’t achterend, spoelde en sjokte, terwijl de kamer in ruischender glans van zonnige ochtendwarmte, sterker aangoudde, tot op ’t slaapholletje waar vrouw Hassel staarde, en besmakte ’r droge dorstlippen. Op de tafel brokkelden nog broodhompen. Aarzelende glansjes van schichtigen prismaschijn uit geslepen spiegelrandje, kaatsten trillige vlakjes rood, goud en groen, op twee rood-aarden doffe bordjes.Daar stààrde ze op, vrouw Hassel, besefloos en traag, tot ze de kleuren voor ’r oogen zag verflakkeren.—Buiten hurkte Kees al, in pluk bij de erwten. Nog ’n uur bleef Dirk werken op ’t land, achter de wortelen. Eindelijk werd ’t tijd voor ’m om op te stappen naar de haven. Nog ’n mandje pieterselie en postelijn, schokkerde ie over den schouder en stil liep ie den weg op naar de boot. Nou had ie zich nog puur te haasten merkte ie, toen ie even achter ’t ruit gluurde, hoe laat ’t was.—Kwart voor vijf. Om vijf uur precies ging de schipper van wal.Zwaar hijgend, z’n mandjes dobberend op z’n rug, kwam ie snel de haven opbeenen. Maar „Tuinders Geluk”, de boot waar hij mee voer, lag er nog rustig, met vier andere schuiten achter d’r áán, hoog gestapeld ’t schel-groene van kroppen, beflonkerend aardbeirood en wortelenoranje, tegen den blauwen luchthemel in, die diep en wijd lichtte, in strakke, fel-heete zonnigheid al.—Op àchter-en-voordek, stonden de groenboeren saamgedrongen, in hun sjofele plunje, tusschen de dreigstille punthoekende hurrie van hoog opgestapelde kisten en mandwallen, waaruit[126]zwavel-zoete geuren walmig verwasemden. Tot onder den stuurstoel, stapel-brokkelden de aardbeikisten en langs de reeling, propten, saamgekneld, bakken, vaten, manden, zakken, dat de kerels en vrouwen, in bochten er tegen elkaar opgedrongen stonden. Enge doorgangetjes, kronkelden tusschen de ladingen, waar ’t landvolk elkaars lijf beschuurde, schreeuwerig verscharrelend en ruilend koopwaar die ze te veel hadden. Tusschen zakken gekneld, op manden of kisten neergestooten, sjacherden de zwoegers, klonken òp de gesprekken, levendig, krijscherig, overgoten van duffe groentestanken uit de achterkajuit opwalmend, voos en duf, zuur en ranzig. Aardbeien zoetten ’t hevigst en weeïgst tusschen de mestige koolstanken.—Zwaar dampte uit, in de broeierig lange boot, hageldicht bestapeld, de stinkende kleeren der tuindersmannen en vrouwen, de zweetlijven, wàrme walg tusschen de gronderige stanken van ’t groen.—Prachtig, jubel-fel schalden de hooge groentebergen als festijnen van licht, tegen ’t doortrilde, in zon-zwemmende lichtblauw. Daar onder, barokke wal van kleur-woelige kisten, met donkerder groen in onderschepte glansdempingen. Maar hoog-schuimend, gloeide kleurbrand van aardbeien boven alles uit.—Versjofeld en kleurbemorst, scharrelden de tuinders bijeen, in de vroege ochtendboot, al meer, al méér, achter elkaar. Galm-luid, de klok van hoogen katholieken kerktoren sloeg vijf, bevend in de wegstilte en havenrust. Laatste bootsein van vertrek liet kapitein zangbassen over de ochtendleege havenkaai.—Wat karren met aardbei-aanvoer ratelhotsten kei-beukend weer weg, wreed rumoerend door de morgenstilte. Bas-zang van pijpen bleef seinen, als stemmegroet van tuinders naar de verre makkers op ’t land, dat de reis naar de stad beginnen zou. Een dekknecht van „Tuinders Geluk”, had plankier gelicht en ingeschoven, reeling saamgehaakt en kaptein was op z’n stuurstoel geklommen. Statig liet ie draaien, ’t kanaal in.—Uit ’t boothart schokkerde machinedreun òp. Achter ’m aan, zongen pijpen van andere tuindersbooten, stemzwaar en hevig vibreerend, dat de stille starende ochtendlucht[127]sidderde onder ’t dreungeluid. Plots klonk jagend geroep, onder zwaar lommerende kastanjelaan uit, van twee groenboeren die zich verlaat hadden en meemoesten nog met „Tuinders Geluk”. In vlieggang holden ze langs de stille huizen, kei en sintelpad over.—Piet Groome en Anseeler, riepen ’n paar van de boot, over de reeling gebukt,—hee keptain! t’rug!.… twee van Lemmer! Hij had ’t al gezien, toeterde wat zangerige woordjes door z’n spreekbuis naar machinekamer, waarop boothart heviger bonkte, de voorboeg achteruit bijdraaide, dat de kerels in hollende vaart, rood-bezweet, nog net tusschen kisten en manden, over verschansing, heenklauteren konden.—Achter „Tuinders Geluk” lagen nog drie booten, „De Dageraad”, „Ons Welvaren” en „Weltevreden” met tuindersvolk van heinde en ver saamgestroomd, ongeduldig wachtend op vertrek van de voorliggende schuit. Ook daar stond ’t landvolk, achter en tusschen de aardbei- en groentebakken opgepropt, ingekneld; één donker-dreigende, sjofele kerels-stoet, vlak om ’t koelscherm van machinekamer saamgepakt, wegzwartend onder rookwolken van stoompijpen, die dreun-zangerig doorbasten als duistere stem van zwoeg, somber-smartelijk, in den fellen klaterenden zonnegloei van polderlucht, in ’t eindeloos blauw, en weigroen.—Stil zoeften de booten achter elkaar áán, de kerels en wat vrouwen, al meer opeengedrongen, donker tusschen den frisschen jubel en stoeiende kleuren van hun vruchten en waar. In de havenstilte, roerloos weer na zwijg van pijpzang, verdwenen de bootenéénna één onder lage spoorbrug, ’t kanaal in, dat wijd-geplast, zilver-vonkte en dampte tusschen onmeetlijk poldergroen. Stil druischten de kerels weg van wal, de donkere opgepropte stoeten, in de ochtendglorie; zittend of half hangend op en over de verschansing, beklemd tusschen de neerbrokkeling der stinkende kisten, als ’n bende vervuilde schooiers en melaatschen, naarstiglijk verpakt en versjouwd, onder den heeten jubel van hun vruchtengloed. Al de booten waren „Tuinders Geluk” voorgedraaid. Langzaam zoefte die eindelijk, achter[128]de andere áán, onder de enge spoorbrug, zacht-schuiflende pàl langs wanden van brugbogen en pijlers.—Dirk stond ingehurkt naast Klaas Grint, die weer aanleunde, half tegen twee vrouwen, een lange, met ’n gore steekmuts op, de andere met ’n donker rood-wollig kapertje over ’r hoofd gefrommeld. Vóór de vrouwenbuiken, spannend gestrakt onder boezelaar, hoekten kistenstapels waarachter weer ’n stoet kerels gekneld stond.—Tjonge.. Tjonge.. d’r’is nog puur wâ wind op de ruimte hée?.. zei met vertrokken gezicht Klaas Grint, naar de lucht kijkend.—Daa’s net bromde Dirk terug.… hai jai ’n pruim Kloas? nou he’k f’rdroaid main sak legge.… loate!.…—Bi-jai’t Hain!.. lolde Grint, da’ sel woar wese.… roep jai sàin d’r bai op Sint Jan hee?.… hier!.. pak-àn.. moar mondjes-moat.… oue!„Tuinders Geluk” was ’t groote kanaal ingestoomd. Zacht kabbelden watergeruisch en schuim-zilverende vloedgolfjes langs de kanten. Zweef-luchtig zoefte ’t schip voort, tusschen ’t eindelooze poldergroen, bedauwfonkeld met vuurdroppels van trillend leven, robijnen weerlichtjes, en vurig smaragd.… Uren ver, verfonkelde nat goud-groen, glanzend en uitwebbend kleurige hette. Heerlijk frissche windbries stoeide luchtzuiverend om de boot, de voosduffe geuren en stank-wasem wegflapperend, ’t koele waterruim in. ’n Troep tuinders was achter de pijp geklommen, op zwarten kop van machinescherm, waar ze luiig neerhurkten in zonnegloei, of schuin opstonden achter den rooker, koppen fel omlijnd tegen luchtjubelblauw. Er was drukke stemmenhurrie onder ’t landvolk, gesnater en gelach tegen vrouwen, en overal brandende lust om van landgescharrel, marktwaar en prijzen te spreken. ’n Paar tuinders met fluweelig pilow-zwarte vesten en dof-zijden pofpetten, trommelden met hun gekleurde pantoffels, op ’t verhitte plaatdek van machinekamer, ’n orgeldeun meelallend. Plots de bootbode, kerel met roodgezwollen snuit, akteurskaal en voor-den-gekhouerigen, paarsen drinkebroersneus, werkte zich los uit[129]stemmenroezemoes en scharrel van opgepropte tuinderstroep.—Z’n blauwig-glad geschoren komiekenkop grinnikte leukjes tegen z’n volkje en grimassig sprong ie op ’t veilbankje, hoog boven woel-massa uit, grabbelend in guitig steel-gebaar, met z’n hand in ’n grauwen zak.—Tegenover hem, op zon-doorhit koelscherm, zat luiig ingedoken tegen de pijp, ’n kerel met notitie-boekje, klaar om te schrijven. Bootbode, die onder reis van Wiereland naar groote stad, te veel waar van tuinders-zelf in veiling moest brengen, bleef rammelen in z’n zak, lolde wat tegen de kerels onder ’m, dat z’n roodfrissche wangen bolschaterden, sterker zwollen, z’n blanke tanden uitwitten onder z’n bieteneus en tusschen plaatjes-mooie helrooie lippen, hagelrein. Hard en stalig klonk z’n stem, toch vol, met ’n galm er in, als nadreun van klokgelui. Telkens uit den zak, vischte ie ’n blikken nummertje op, afroepend wie d’r ’t eerst veilen zou. Zoo regelde hij de beurten, schreef z’n maat, tegen de pijp, in kookzon luiig weggedoken, namen van veilers op.——Wie mot ’r ’n nommer?.… Gijs Janse! Kaike?.. daa’s vaiftien, klonk hard-galmend z’n stem door den koelen bries-stoei, klank-zangerig Wierelandsch.—Bekermaa’n.… achttien?.… Grint.… drie en veertig! Hassel.… ses-en-dertig!.…—Main d’rook ain!.. riep ’n tuinder uit achtergroepje, die nog wat kwijt wou wezen, hopend op ’n begin-nummer, om ’t eerst te kunnen veilen.—Vaif-en-veertig!.. Nailis Roskam.… hee! „netoàris”… Roskam!—lachte de Bode, lolligjes met oolijken oogenknik naar den „schrijver-notaris”, die luiiger weggedoken lag achter de pijp.—Logge megoggie! nou ka je wachte, gromde de pachter, woest dat ie zoo’n laat nummer beet had. Nou was ie zoo heet geweest op ’n begin-blikkie.—Stem van Bode bleef afgalmen de nummers met veil-namen, en telkens lacherig, uitblankend z’n tanden, bloed-rooie lippenmond wijd open, kraaide ie schooirige grapjes uit, strooide ie schalksheidjes en hekelwoordjes boven hun hoofden rond, omgierd van terugkonkelende[130]stemmen en giegelende kreetpretjes. Telkens klauterden andere kerels op en af ’t machinescherm, naast en tegen de pijp lawaaiend, rond den „notaris”, die overal spottend om z’n eeretitel beschaterd werd. Van hun hooge standplaats schreeuwden ze mee, boden, kochten en verscharrelden, de koppen, warm en zweetbedropen, paarsig en brons-nat, rood en geel-grauw aangegloeid in zonnebrand. Van achterdek af was alles plots naar voren gedrongen om vlak bij Bode te staan. Op kisten, morsige vaten, walm-stinkende manden en zakbulten, hingen en hurkten de kerels, in struikel en klauter, achter elkaar opgepropt.De achtersten, ver van den Bode, loerden tusschen schoudergeultjes van vóórstaanden, in drom saamgestrompeld, heet op den scharrel.—Veertig! vrouw Plenk.… dreunde Bodestem.… vaif.. vrouw Boterblom.… naigtien.… mamselle Kiester.… sestien.… vrouw Zeune!.…Eindelijk had ieder z’n nummer, kon de veiling beginnen. Zacht briesden en woei-koelden luchtige windscheringen over ’t smoezelige, walm-stankige dek, als ging er tochtige wiekslag van vliegende vogels rond. Recht voor den boeg, sprankelden waterglanzige sparteltjes licht, violet-zilverig, paars-goud, kabbel-deinend hemelblauw-vuur, dat in schuimig golfjes-spel zich heet verbraste in damp. Tusschen de fel-groen bezonde ochtend-oevers, komde in eindloozen kring, ’t vlakke zonnignevelende polderland, in vochtige ochtendpracht. En overal rondgekringd, goudden de lage hooi-schelfjes, tusschen siddergroei van korenhalmen, brokken weiland, ontsluierd uit morgennevel, uit nat-dampig goud en zilverende gloeiingen. Schitterig flitste ’t dauw-vuur, dat mijlen ver, weiland aan weiland in arabesk vonkspel omtooverde.Bode op z’n bank, hoog boven de opgepropte tuinders uit, al dichter op één punt van de boot bijeengedrongen, klankte met z’n jolige, rauw-heldere spotstem in:—Wai selle d’r beginne met seve-en-twintig pond raspers van.…[131]—Neelis Skorpioen.… las „notaris” haperig af van z’n lijstje.—Van Skorpioen.… uit Slangetje.… wie sait dur ’n gulde! daa’s vier sint ’t pond!.…Inmiddels had ’n tuinder, ’n zwaren zak doppers losgesjord uit kistenrommel, zich door lijfgedrang heengewurmd, z’n waar, àchter koppen, vaten-stapels en manden-torens, met krampigen arm, hijgend op veilbank vóór Bode neergesmakt. Dadelijk grabbelde die, met één hand tusschen de groene vruchtjes, liet ze speelsch rond z’n vingers glijen en riep weer opjagend:—Prechtig jong goed!.… ruikt puur aa’s.… oo-de-kolonnie!.… wie sait dur.…—Tachtig, krijschte ’n stem uit het menschkluw op de koelkast.——Tachtig, vaif en tachtig, draafde Bode door.…—Naigtig! zenuwachtig scherp, piepte ’n vrouwestem onder de pijp uit.—Naigtig, zang-dreunde, hard-klaar Bode’s geluid nà, tusschen bries-stoei en koelen kabbelgolfjesruisch in.… Naigtig.. vaif en naigtig.… da goan.… eenmoal.… veur de derde moàl.… Rietvink!Pachtertje Rietvink had ’t laatst geboden, kreeg erwtenzak over koppendrom naar zich toegesleept en warm wroetten en graaiden z’n armen, tusschen ’t heete gedrang en getast van lijven. Dwars achter de pijp, waar ’n groep kerels zich spitste op ’t veilgoed, en uit alle hoekjes gretige kijk rondging, klonk dof gestommel en geschuur van voeten op stalen plaat en kijverige stemmenroes, warrelend en schreeuwerig als gesmoorde ruzie.—Halt doar Kempees, krijschte de Bode naar de pijp, t’met d’r al heet! nog gain hallef ses … je hep dur puur nog ’n vaiftien uur om malkoar an rieme te snaie hee?.… kaik hier!.. is dur twintig pond mooie kapcainders.… wie set.…—Tachtig! schreeuwde daad’lijk ’n venter, stemschor, rauw.—Tachtig, van fier kant gelaik!Vrouw Banke, met’r zwartig-rood kapertje over ’t hoofd, ’r korte, spek-vette, trillige armen, boven ’r tonnigen romp-buik,[132]grabbelde in den kapucijnerzak dien Bode op de veilbank sleepen liet.Lacherig schalkte ie, hoog boven de venters uitkijkend:—’t Benne gain kuite.… vrouw Banke.… je ken dur sain nie knaipe!Gegier stortte in, en heeterig aangevlamd in hartstocht, tapten wat kerels schunnige moppen, die vrouw Banke met minachtend lipgepuf afweerde.Bode had toegeslagen, en telkens weer ’n andere venter kwam op àfroep van zangnummer, van achter, bijzij, uit kajuit, door den opgeknelden menschenkronkel heenduiken, met zware zakken of bakken boven hoofd en onder arm, alles neersmakkend in vloek-heeten sjouw-zucht op veilbank voor den Bode.—Nou he’k vaiftig pond piek-faine groentjes!—’n Gulde:.…—Een-tien.… een-tien.. mi je drieë.… een vaiftien!.. een twintig.… mi-je viere.… een vaif.… een dertig!.…Overal keek z’n rood-frissche kop rond, lachte z’n lichtpaarsige wipneus, drinkebroer-komisch, kleurden z’n wangen alsof vrieswind ’n blosgloed op z’n kaken geschminkt had. En hagelwit lachten z’n tanden, tusschen z’n hel-rooie lippen, bij elk opbod. Hoog pagaaiden z’n arm-gebaren door de lucht, hitste z’n stem de venters op. Achter en om koelscherm bleef roezemoes gonzen van kakelwijven en schorrige kerels, rond ’t zwarte stoompijp-gevaarte.——Nou he’k nog twintig pond prêchtige loage woaltjes hee? eerste prime-kwoaletait!.. hai jai doàr!.… kalf-mi-je-natte neus!.… hoeke motte ’t weuse?.…Op plaatdek van machinekamer, dat gloeide van stoom en zon, trampelden de kerels ’n deuntje, brak weer herrie en gestrij los, tot de Bode er met z’n staalharde stem weer tusschen invloekte. ’n Knappe donkre vrouw, was uit ’t gedrang opgesjokt, met ’n zwaren zak voor d’r buik, dien ze met knieduwetjes opsjorde, en in blaas-zucht smakken liet op veilbank. Haar kop droop van roodzweet en gloeiing.——Dominie hiet! paa’sd’r open bran je bekkie niet, schaterde[133]de Bode.… seg vrouw Reep.… soo is dur puur gain vatte àn.… hee doàr!.. help jullie ’t goeie mins ’n handje sjorre.… hooger òp.… soo!.… soo is ’t broaf!Plots gulpte de zwartmastige pijp rook uit, verwaaiend in roetgolvende mistkransen over de tuinderskoppen, hun rompen wegdonkerend in roetbruinen damp. Ze kuchten en vloekten de werkers, achter den brons-zwarten mist, en stil éven bleef Bodestem weg. Maar daadlijk uit wegroeting van rook kwam ’t afgeroepen nummer opzetten, naast de donker-vette vrouw, opdringend met blauw beschilderde manden.——’n Uijtvinding, lachte de Bode, blauwkokke in ’n beskilderde skulpmand.… hi-hi!.… nou minse.… wa segge jullie veur veertig pond blauwkokke!.. prechtige kapcainders!.…Snel en stemme-knetterend joeg opbod-jacht tegen elkaar in.—Ke jài die nie hebbe Dirk, jai hep tug gain blauwkokke teelt!—Es kaike hoeke se goan.—Sestig.… tachtig!.… tachtig.. allegoar!.. Bi-jai-t-Hain!—Naigtig! viel Dirk kalm uit.—Hij kon sullie d’r bestig bruike.… bai s’n aige doppers.… had ie vroag veur bai s’n klante!.…Meer en meer doppers werden opgesjord naar veilbank, en haastiger wisselden de venters hun waar uit. Zak op zak bonkte neer voor den Bode, en woester grabbelden z’n vingers in ’t groen.—Vóór de veilbank gedrongen uit achterste rij, stond ’n oue, beverige pachter, knorrige kop met ingegroeid zwarte vlekken op z’n neus en mottig voorhoofd. Aan z’n bepukkelde kleine oortjes, glimmerden koperig-gouden ringetjes, waar ie telkens met beverige handen naar greep, aan trok en kneep, dat z’n lelletjes bloed-rood gloeiden bòven z’n bontvervigen halsdoek, die morsig om z’n vest kreukelde.—Veur ’n f’randring.… vaif bosse duifeke! wie set dur in!Laag, armen uitgestrekt, hield Bode de bossen wortelen in z’n hand, wortelen, breed-puntig als priktollen.—Die mo’k main hiete![134]—Aràit!.… moàr se sitte vast an twee mandjes postelain.. wie sait dur wá’—Harder, staliger klonk z’n stem, uitdagend, verwaaiend in brieskoelte.—Onder koelscherm uit, kwam roetige negerkop van stokersmaatje koekeloeren. Langzaam groeide zijn lijf hooger òp uit de, hittesfeer rondschroeiende machinekamer, waar ’t heet stootte en bonkte in treinrhytmus.… De stikwarmte uit hamerend boot-hart vloeide rond de groenten en vruchten, stookte en gistte ’r zwijmel van stankdampen. Tusschen de tuinders drong stokersmaatje zich heen, naar ’t dwars-vat met water, gretig loerend naar ’t kraantje en wit-steenen kom. Z’n roetige handen graaiden haastig door opening tusschen wat venters, naar drank. Gretiger nog omknelde hij ’t kraantje, met z’n beenen en romp weggedrukt achter de woelige jagende veilers, die in vuur van koop ’m niet doorlieten. Stil werkten z’n allééne handen en armstompjes in woeligen grabbel, als afgehouen levend, tusschen wat kleine ruimte-spleetjes, lieten ze ’t waterstroompje de kom inkletteren. Zacht-voorzichtig werkten de roet-handen zich weer achteruit tusschen de lijven door, de zwarte vingers krampig strak in greep om den wit-steenen rand gekneld. Gejaagd slurpte stokersmaatje, ingebukt àchter de ventersruggen in klokkende lafenis, z’n heete keel vol koude vloeiing begietend. Weer woelden z’n handen en armstompjes naar voren, tusschen dijen en koppen van laag zittenden, en weer slorpte ie bak na bak lauw vat-water in.——Gaif main d’r ook us ’n koppie, kost tug niks hee? lolde Klaas Grint.Maar roetgezicht van maatje, waarin de oogen nikkerig met ’t vreemd-wild wit hadden òpgelicht, was al weer verdwenen achter de kerels, in de stoom-heete, blakerende machine-kamer.Weer acht bossen tolronde wortelen bracht Bode in veiling. Drie tegelijk dongen gretig, heet.—Ksj.… ksj!.… katjes! joag d’r malkoar moàr op.… schaterde de Bode.… dertig sint!.… veertig.… mooi soo.. ksj!.. kaik!.. da’ hai je Antje Meele.… kom Teun!.. gaif toe!.… gaif toe.… ’t is tug ’n maissie.…[135]Teun lachte, was blij dat ie van ’t bod af was, begreep den vrindenwenk.—Vaiftig.. veur de derde moal.. Antje Meele.. hai je-en-hoord netoàris?.. nou doar dan.… anpakke maid! g’luk d’r mee.… aa’s sullie dur nie veur aige bik benne!.…Over de koppen zeilde Bode de bossen naar Ant Meele heen, ’n rood behaarde, slank mooie meid die opgedrongen stond, tusschen de rumoerige kerels. In vaart nog greep ze de peenen tegen ’r borst op.—Nou he’k drie bakke mooie sloà.… nie te sien.… mo je-en-gloofe.… op éere-wachtwoord.… stoan … onder kiste-stoapel.… bai àn wal te kraige, drie fersche bakke!.…—Sestig, plots zonder voorbod schreeuwde ’n mottige venter op ’n kist, weggeduwd achter twee vrouw-ruggen, èven in wippertje uitrekkend z’n hals, dat Bode net nog z’n pukkel-neus zien kon, voor hij weer snel in die diepte verzonk.——Sestig.… seventig.… vaif en seventig riep Bode, z’n hoofd draaiend naar allen kant, om te kijken of ’r opbod gewenkt werd in verre hoekjes.—Tachtig schreeuwde nerveus, de laagzittend weggeduwde weer, even opwippend, nù met z’n heele mottige kop boven de vrouwruggen uit.—Naigtig, van andere zij klonk ’t sarrend.—Roggemegoggel! f’rek jai!.… die flop is main de heule uchend t’met in de wiele.…. ikke ken d’r niks praise.… of hai is d’r bai.… nou ikke dankkie.… ikke mo nie meur.… wa jou Dirk?.…—Mo jai waite, binne d’r main soake nie!—Nou seg.… dá’ binne d’r drie bakke.… die je nie sien kenne.… drie bakke.… kroppies!.… kenne wel floddermusse weuse.… die sloà, hee?.… heuldegoar slap!.… ikke mo nie.… wa? wà?.… nog hooger.… hoeveul sait ie doàr?—Eén vaif schreeuwde Dirk, éen vaif.… je mag je wel hoaste laileke brompot!—Roggemegoggel! ikke mó’ nie’.… kenne wel puur floddermusse weuse hee?.… mijmerde ie voor zich uit, tegen de[136]donkere wollig-besjaalde wijfruggen op, met z’n weggezakten kop in de diepte.Van allen kant gonsde snater en rauwe klankenwarrel van stemmen. Zon gloeide fel, barnend, stoofde de stanken, de broeilijven, en al pafferend zweetten de kerels, in lollige rumoering van veilhartstocht.—Nou stoàn ’k tog puur van drie uur.… f’rdomd aa’s je hier sitte kenne, klaagde ’n tuindersvrouw, met morrend, moe-nijdig gezicht, ’n zwart breikous-stompje telkens van d’r borst, onder d’r kippige oogjes trekkend. Snel, in naaldflitsend beweeg breide ze mopperend voort, van ’r vingers-dansend draadgeweb, aldoor òpstarend naar Bode en groenten.—Geen gaatje plaats was er meer op de boot. Al de tuinders, lomp en hebzuchtig, hadden zich neergesmakt op manden of kisten of stònden op koelscherm. Dikke dijbrokken en achterwerk van ventsters, spanden ingekneld tusschen broeibeenen van kerels. Tegen de donkere pijp in ’t luchtbrandende blauw, leunde ’n troep beweeglijke werkers, lachend en krijschend, grimassend achter stillen rug van kapitein. Ze lolden met de breiende vrouw, die kippig en doodmoe van ingekneld-staan en hitte, niet veel zag van de waar, knorrig gromde, dat ze nog den heelen dag te sjokken, te venten had in de stad, in die pesthitte, en nòu d’r beenen al voelde als verlamd … En aa’s se d’r nou moar ’n kop leut kon naime.… ze had d’r dorst en honger veur drie.…Nerveuzer breidde ze door, tegen ’t hoofd van een kerel, vóór haar buik en beenen neergehurkt, d’r stuipig stompje kous boven z’n pof-pet komiekerig verkronkelend, onder de snelvingerige webberijtjes van ’r naalden en draad. Telkens flitste zon bliksemend licht op de naalden, die even hel-elektrisch gloeiden en schichtige flikkerpijltjes puntig àfslingerden, tusschen de sjofele kerels en hun morsige stankplunje.—Bode had uit de kajuit ’n borrel gekregen, gelijk met „notaris,” die in vadsige houding bleef luieren in zonnegloei, tegen de pijp aangeleund, den borrel in één achterwaartschen smak van z’n hoofd, z’n keel ingoot.—[137]—Netoaris hep ’m glat laid s’n happie!.. lolde ’n groenboer met afgunst, hunkerend naar eigen zuip.—Rooie kop van Bode lachte, mond-wijd.—Z’n tong klapte klakjes van genot tegen z’n gehemelte òp en prachtig z’n tanden glinsterden blank tusschen z’n vuurrooie lippen uit. Lustig hadden de venters den zoet-inglijenden borreldronk beloerd, want allen snakten naar ’t brandvocht, zalige lafenis in de venthitte.——Nog een borrel veur aige bik, veur de Bode, ironizeerde Klaas Grint.… enne een veur de „neerstige netoaris”.… daa’s veur sain drooge keel van ’t skràive … hei smoàkkert?Dirk veegde z’n mond af, watertandde, voelde flauw speeksel op z’n lippen klefferen, en van allen kant, de zwoegers rumoerden heete grappen rond, nou er zoo vroeg al door de „heeren” geheschen werd.—Strakk-en-an jullie beurt hee?.… beet de Bode terug.. En nou!.. manne broeders!.. luistert!.. tien bosse rebarber.. segge tien.… wie seit dur?.…Van alle kanten tegelijk, krakeelde bod tegen elkaar òp. Een vurigste, schreeuwde hoogsten prijs, bleef winner.—Veur Vink.… ses bos.—Nou he’k nog vaiftien.. wie sait dur? Weer daverden stemmen in golfstoot tegen elkaar in. Geraas kraterde los. Ze scholden, keven, nijdigden, nu de làter-geveilde rhabarbers veel goedkooper gingen dan de eerste.—Da’ binne dur gemoedereerde liefhebbers, grinnikte de Bode.… nog ses bosse.—In woesten slinger zeilde ie de verkochte stelen naar den groenteboer die ze gekregen had.—Gooi jai hullie moar in ’t bakkes hee, jai kailt moar roak t’met!—Nog vaiftien bosse vàn.… „netoaris?.…”vroeg Bode, doend of ie niet merkte dat ie ’n kerel pal tegen z’n pijnlijken neus gemept had.—Houweke!, schreeuwde achter de pijp notaris uit, met even oprekking van z’n hoofd uit luien armenleun.—Dirk bood ’t hoogst, kreeg ook, in joligen zwier, de heele vracht van Bode toegesmakt, pal in z’n armen. Maar nergens kon ie zich roeren, wist ie z’n bossen te bergen. Schuin[138]achter ’m hing al ’n rij manden, los, tusschen vaten en kisten.—Met de vracht z’n armen ingekneld, paf van zweet en hitte, bleef ie staan, tusschen de zittenden, hurkenden en woelenden; probeerde ie zich langzaam los te werken, met z’n zakken erwten en manden, uit het wasemende, broeiende menschenkluw.—Nou nog sestig pond witte kapcainders.… wá’ segge jullie nou.… de loatste ressies.… Veur d’n dag manne.… dappere vrouwe of te wel kenàu-Ha?.… neenet.… kenau.. boè seloars!.…Zwaar sjorde ’n zak uit ’n bres geboorden hoek, op veilbank. Half afgezakt van den zinken rand sleepte ’n pachter z’n waar bij ’n touw, blaas-hijgend van hitte. Maar niemand bood meer, dat woedend de kerel z’n vracht van den veilbank terug rukte, opbonkerde tegen beenen en hoofden, met ’n vloek achteruitstoof, rood van gift. Z’n waar schoot de bres door, die achter ’m weer sloot, knellend, walmend-benauwd.Tusschen den muur van koppen en ruggen, gromde ie nijdig nog:—Wâ suinige Job.… die laileke takkebos kaikt je an of je ’t d’r stole hep!—Nou wa’ dan.… pluk jai vaire van ’n kikker hee? aa’s d’r gain sinte binne, moedereerde ’n oudje, z’n neus hard snuitend met ’n vuil rood zakdoek, dat ie als geronnen bloedlap tusschen z’n beverig gelige vuist kreukelde.——Nou he’k nog vaif bosse wortele, schoof ie weer nijdig af bij ’n ander.—Dank hee?.… ken jou wortele nie hebbe.… binne main veuls te groot.—Loop jai rond, duufelstoejoager.… sain f’rassereerd-goed.—Disketeere komp hier nie van paa’s foàder!.. lachte de Bode.… wá’ há’ je nog meer?.… komt dur dan mee veur ’t licht hee?.… O? wà? niks meer? niks?.… dus je bin dur uit! Mooi!.… dan he’k hier nog ’n prechtig kisje ongetelde tuinboone.… Wie sait dur veertig sint.. veur die heule sak.… soo wait aa’s de broek van vrouw Zeune![139]—Vaiftig dofte ’n stem!—Sestig, er boven uit gilde één heeter, trillender.—Naigtig, ikke mose hebbe snauwde een ander driftig.Weer zag de kerel op de lage kist, weggezonken achter de stom-breede vrouwe-ruggen ’n koop afgetroefd door z’n veiling-vijand.—Even had ie weer ’n wipper van z’n bak genomen, den mottigen kop uitgerekt en gezien, met woede, dat ’t z’nouëtegenstander was. Nijdig trampelde ie met ingeknelde zenuwbeving z’n beenen naar alle kant, dat de makkers voor en achter ’m vloekten en duwden, om de bemorsing van hun plunje.——Ben jai daas snurkert! hak je beene d’raf, aa’s je hullie d’r nie stil houe ken.Weggezakt weer achter ruggenmuur, z’n pukkelkop gebukt, kookte ’t weer in ’m van drift, probeerde ie zichzelf wijs te maken, dat ’t toch veel te duur ging, hij zelf blij moest zijn dat ie ’r zoo goed afgekommen was.—Haa’k strak-en an meskien die floddermusse had.. en nou.… potdoorie.… die haireboone!.… ongeteld!.… sitte d’r vast gain duusend in.… magge veur main bestig hebbe.… haha, wat ’n dolle smak.… Nou.… ikke mo nie!.. wa?.… wà?.. hoeveul sait ie?.… kaik.… prechtig! prechtig, joàge hullie sain d’rais ook op!.….. kaik! nog hooger.. hoor main-dàt-t’rais an!.… kaik.… goan die nog hooger! hoor! daa’s d’r puur doas.… Wá’ brenge die op?… vast gain duusend in.… ongeteld! Gain duut!—Een vaif en twintig, staalhard, hortend klonk Bodestem.. mi je tweeë.. één dertig.… mi je drieë.… éen vaif en dertig.. één vaif en dertig.… een vaif en dertig.… éen moàl.… andermoal.… veur de derde moal.… Ritsema!Stomp keek ie, de hals rekkende venter, stomp op donkre vrouwruggen. Zacht, in zenuwnijd trampelden z’n beenen tusschen engte van lijven, schijnheilig overgaand in ’n deuntje op ’t doffe hout, en brommerig raspte z’n ventersstem, dat ie d’r niks van hebbe most, van floddermusse en ongetelde boone.——Nou nog veertig pond peule, bestige, malsige, soetige,[140]schreeuwde de Bode, nog de loàtste ressies en dan is ’t puur daan!Weer stortte ’n veiler rhabarber neer op de heet-zonnige zinken veilbank, die dampte van geuren als ’n wierookaltaar. Weer sjorden zakken doppers òp, en voort joeg onder proestlach en juichender krijsch, gedol en nijd, de roezemoezende koop; kwam er begeeren naar eerste schoft in de schorre, droge, heete keelen. Drukkender hitte gloeide en zwamde néér op menschenprop en koppen. Warmer stanken in zonnevuur, ontbroeiden op hun morsig vel, en de kajuit ademde wee-zoete luchten uit, van bakmuilen en grijnzende mond-manden, walmzwaar en duf-bezwangerd, naar ’t dek. Aardbeien, wee-zwoel geurden rond in ’n damp van benauwde zoetigheid, en telkens, in verschuif en versjouw van groenten, brandden de kisten hun rood uit, in zengenden blaker; kogelende vruchtjes vuur tusschen helgroen en zacht bleek, donker droef groen.—Groen, rauw als plankenkoloriet van Zaandamsche hutjes, omzond in heete murmeling van zomervreugd; tusschen pastel-teer bleek-groen.—En alles daar, zoefte voort in ’t landelijk kanaal, ’t hel-rood, ’t groen, ’t donkere en licht-felle, ’t brandende wortelenoranje, de zee-groene lichtverwiegende kroppen, de pastel-fijne erwten, de boonen en bakken, stoofgloeiend onder ’t blauwe vuur van de eindlooze lucht, hemeldom van brandend lichtblauw; hitte die wit vergloeide in daverenden zonnebrand op wei en bouwgrond, eindloos in ’t rond.Als schroeiend brok zomer, levend brok aarde, in schipvorm saamgestampt, zoog de boot door het schitter-fel, licht-beketst water; als kleur-drijvende aarde-ark van groen en rood, tusschen goud-koperen gloeiing van roer-brokken en randstukken in glimmigen zwier van verglijende glansen. En rond de groente-ark, de hevige wemel, ’t brandende trillende koloriet van alkleurig kistenschmink. Vóór „Tuinders Geluk” zwierde kleurenbrand van andere booten, tusschen de heete zonneoevers van eindloos poldergroen. Vaag rumoer van stemmen klonk daar òp, achter de pijpen. Van ver brandde ’t aardbeirood uit kistenmuur, feller, hevig-heerlijk tegen hemeldom van[141]brandend blauw. En windeke van zomermorgen, briesde en stoeide, koel-streelend en wuft om de vruchten, de zweetkoppen. In ’t water ruischte ’t golfjesschuim, stoeide de zon met z’n sprankelend vuur van zilverend-goud. Droom’rig murmureerde rhytmische kabbeling van zonne-golfjes, om boeg en steven heet vervloeiend.Dirk stond van geuren en bries bekoeld, polderland te overstaren. Van den luchthelm naast ’m sprong plots ’n rooie kerel àf met ’n zwaren zak lage waalen.—Rook wolkte over hen uit. Donkere gulping en bronzen veeg van stoom verroette, en pijp-zang baste in beev’rige galmen ’t vuur-stoeiende watervlak over. Bronzerig in wolksmook, verlicht in dagbrand, bleef áánroetten de rook, dat de kerels vloekten achter de pijp. De rooie venter, kuchend en keelschrapend, sleepte z’n zak op veilbank, van boven nauw dichtgesnoerd met ’n dikken vuil-witten band.——Wa binne ’t veur snoake?.… vroeg ongeduldig van z’n bank, de Bode droog-komisch op den rooie neerkijkend.—Sestig pond loage woale.… de leste!—Sestig pond.… prèchtige loage woale, schreeuwde Bode dadelijk, zonder te sien.… fersche, malsche woale.… wie sait dur honderd gulde.…—Eerst kaike hee?.… se kenne d’r puur te dik weuse, norschte ’n vrouw.—Sièn je woàr, duwde Klaas Grint er tusschen door.Gejaagder morrelde de Rooie aan den zak, driftig rukkend, aan ’t wit stuk band dat er niet afkronkelen wou. Bode ophitsender, bonkte al met z’n handen op schouders van den venter, grimassig doend of ie ’m hielp trekken. Ongeduldiger geprikkeld, verhit, dolden en schaterden de kerels op ’m ààn.—Die boel ken d’r nie los, vast nie.… da’ binne d’r gain woàle.… da seg ikke jullie!.. smak die gaip op s’n almenak.. da s’n ribbe kroake!—Aas je main! je ben d’r nie lekker op.… aa’s ’n kikker op ’n kluitje hee?.… verontwaardigd snauwde knorrig en sputterend van vermoeienis de rooie groenboer terug, z’n zak[142]even loslatend, van verlamd moeheidsgevoel in z’n armen.—Furt d’r mee, los die rommel, joeg de Bode weer op, dien ’t nou begon te vervelen.… furt! of ikke sèl ’t doen.… f’rdomme, ’t kroakt hier op de bank of Sinterkloas er reeë heb!Van z’n stoel, beenen uitgekromd, rukte ie aan de zak, nijdig met driftige handmeppen, maar de knoop bleef in kronkel gesnoerd. Giftiger rukte de Rooie, dat ’t vette glimzweet van z’n blanken kop waterde. Niets hielp. Allen in voorsten rij beukten en rukten den zak, die als ’n levende romp, gepijnigd op folterbank, in z’n grauwbrons en plooi’rige vadsigheid méékronkelde en stuipte onder de driftige meppen der kerels. Lol hadden ze ’r van, gierende lol om de zweetende, vloekende onmacht van den rooien groenteboer.——Da’ goan nie, dolde Klaas Grint, hai hep sain d’r vàstbakt.…—Nou, ikke seg daa’s ’t kouseband van sain tante!.…—An-main-hupla!.. van sain skoonmoeder t’met.… die hep dur koabels om d’r kuite!—Niks gedoan! ’t kouseband van sain maid! kaik d’r stoan ’n merrekie op!Woedender voelde de kerel hitte-drift in zich òpfuriën onder ’t heete geschater en de stekelige lolletjes van de groenboeren rondom.—Maar ’t dolst maakten ’m de nijdige grapjes boven z’n hoofd van den Bode, dien ie niet zàg, maar hòòrde grimassen. Eindelijk viel ie nijdig op den zwikkenden en krampenden zak áán, beet er z’n tanden woedend op in, rukte den knoop heen en weer met z’n drift-gloeienden mond, als ’n hond ’n been-kluif,—knaagde, scheurde en knarste. Even kwam er ’n stompje loswarrelen. In grabbel trok ie z’n mes, sneed plots den band door, dat de zak, gerammeid, gehurkt en vernederd, van boven lossprong uit z’n worgenden klem als met ’n snikzucht naar lucht.—Weer nieuw goed werd aangesjouwd, nù losse slabakken.—Mo’ je nog twai bakke, soo uit ’t knuisje van Knelis Tijsse?—Hee, hai je d’r veur main ook nog twai?[143]—Ikke hep per nog één veur je, krijschte ’n ander er dwars door heen, veur de hàlft van sain prais.—Daa’s liederlik, jai natte kip! hou je bek, jai ben d’r nie in vailing.Met ’n grooten bak sla wou de dwarsdrijverige onderduiker zich door het kluw venters heen werken, maar van allen kant, bonkten ze’m terug, moest ie, strompelend en struikelend maken dat ie weg kwam, ’t stillere boot-achterend op.——La’ da’ varke nie deur.… eerst de bakke van Tientjes wèg.… hee Tientjes! wa hai je dur nog meer?.… rebarber he’k had, peene, sloà, postelain ook.… boonekruid … loate „spanneezie”.…—Ben d’r uit! schreeuwde Tientjes opgeruimd terug!—D’ruit! mooi, dan he’k nog tien bosse faine peene!.…’n Sjofele, monsterleelijke tuindersvrouw, rimpelig begijntje, met dik-apige lippen en naarvoren gestomd kakement, had zich, in ’r hard-geel manteltje, vooruit gedrongen, bij kleine stootjes en duwetjes. Nou alles op ’t end liep, ’r verslapping kwam, en wrevelige hang naar schaft, drong zij vooròp, listigjes spekuleerend op vermoeiing der andere groenboeren.—Met schuchter-zwakke stem zette ze’n bodje in, en plots dromde woeste snauw van alle kanten tegelijk op ’r af.—Saa’k laife! da’ hai je ’t kallef mi-de-natte neus.——Loà de boere moar dorsse! ken hoàr ’t skele, minachtte ’n andere vrouw met venijnigen, puntig-bitsen kop, bejeukend d’r scherpen neus, die uitpriemde als ’n boor onder ’r gore steekmuts. De eeuwig-breiende ventster, moe, met ’r knorrige moppertronie, snauwde mee, schril. Niemand gunde ’t rimpel-begijntje ’r sjofele koopjes.——Roggemegoggel! de gele medam hep ’t puur op d’r heupies.——Se hep o-de-keloonie van d’r gelant op d’r jakkie, hoonschaterde vrouw Zeune, en de brei-vrouw rolde weer ’n vloek naar d’r verschrikt snuit.—Veertig.… sint.… veertig, hakte de Bode door stemmen-gesnauw en gekef heen.… veertig eenmoal!.…[144]—Vaif- en veertig, nijdigde ’n andere vrouw, alleen maar om òp te bieden, wrevelig-wetend dat ze de waar toch niet noodig had, volgepropt als de mannen en wijven al zaten, bij den laatsten rondgang.—Vaif en vaiftig! dolde ’n kerel ’r tegen in, die de gele madam niet luchten kon, met genot ’r uitgehuilde kaken zag verangstigen.Zweet-rood glom de gele madam, stotterend in verlegen angst, bekrabbend ’r apigen gelen mond en kin. Benauwd glunderden haar oogjes, vol glinsterig, sluw-bang licht, òp naar den Bode. Want op ’t eind van elke veiling was zij taai, zij, dat wist de kerel.—Sssjesjjtig, siste ze even uit, met ’n wenk van ’r magere knokels, sluw, schuchter toch.—Nijdige snauwhoera’s gierden ’r hoon-scherp tegemoet.—Je man kaikt mi sain skele lampies noa je hain!, sarde ’n tuinder achter ’r rug, haar telkens porrend tegen de schouers, dat ze schokte.—Nouw sssjjoà.… nouw sssjjoa.… aa’s.. aa’s … tongsleepte ze, in wanhoop opgejaagd om hooger te bieden. Haar naar voren gestomd, geel kakement sidderde van zenuwschokjes, ’r apige lippen trilden, en ’r ingedrukten neus, wijd opgewipt bij de reukgaten, bewreef ze onder ’t lispen.. nouw.. sssjjoà.. jullie gunt t’r main gain sssjjpòg woàter!—Wa’ mò je tug mi die peene veur sestig uitvoere waif?.. je koop hullie pattekelier veur vaiftig bai ònster.… lolde een weer in hoontoon.—Nouw sssjjoà … nouw sssjjoà … brabbelde ze verlegener terug, òpstarend in oogenangst naar den Bode, met zenuwsnel wimpergetril, als hing ’n slingerend mes boven ’r hoofd,—De vrouwen grolden, konkelden en schaterden vinnig jaloersch, lol-woest, dat ze’r zoo hoog opgedreven hadden, in hun gejaagd bieden.—Nou mag sai d’r biertje loàte werrike?.. Bi-jai-’t-Hain!—Sestig, eenmoal, veur de derde moal, hakte de Bode droog door, vrouw Joapeke![145]Ze beefde als ’n riet, vrouw Jaapeke! Ze voelde, in ’r zenuwangst, dat ze toch te hoog was gegaan. Bang graaiden ’r gele, breed-bemouwde, slobberige armen, naar de penen die de Bode tegen ’r platte borst smakte. Geel-rooiïg vervlekt, dampte ’r tronie, dat monsterlijker rimpelde als oudwijverig apenbakkes, in glimmig zweetvet. Niemand durfde ze aankijken, als had ze een gemeene streek uitgehaald. Tegen ’r hardgeel, verkaald kort manteltje, knelde ze zenuwachtig de peenen, en banger loerde ’r monsterlijk verdroogde begijntjes-kop ùit, tusschen den fellen daver van ’r wortelen-oranje en ’t fijn-kartelig uitgeknipt donker groen loof.——Nog twai koopies, dan is de skaft dur, lachte de Bode, ’n bittertje weer met smaktong wegklapperend en opzuigend z’n adem.—Nou he’k nog ’n sak mit laifende woar.… gain f’rklikker in de buurt?.… niks nergens peliesie?.… wel-nou-dan!.. dan he’k hier spring-laifende woar.… twee prêchtige kenaintjes!.… kaik hullie tippele!.. kaik hullie tippele!.. la’ main in gos noam niet langert proate.. beste minse!De grauwe zak had ie opengefrommeld en er met één hand, bij de ooren, ’n donzig blond konijntje uitgegrabbeld, dat angstig spartelde en voorpootjes kramperig tegen wit-bevlekt borstje òptrok.—Schater barstte òp naar ’t hangende diertje, kerels gierden, vrouwen gilden.—Sou ’t d’r ’n broertje.… of ’n sussie van sain, moar dur sit dur nog een percies-eender in de sak.. wie blief dur hullie!In rauwen humor, de twee ooren in één hand saamgeknoopt, keerde ie konijntje naar zich toe, ruggetje naar de koopers, vroeg ’t, venijnig tikkend met vingertop op beweeglijk zenuw-trillend neusje:—Hoe vint ùfus de f’rgoadering.… die ùfus broàde sel?ouëjonge?.…Heet gegier raasde uit den troep en konijntje draaide ie rond aan z’n ooren, dat dierke als ’n spiraalwrong, weer duizel-snel terug-schroefde.—Kramperiger spartelden opgetrokken voorpootjes;[146]suf bleef staren ’t stomme kopje tusschen engen oorenknel; sneller en verbluft trilde angstiger ’t blanke neusje.—Vrouw Jaapeke was er weer ’t eerst bij met ’r bod.——F’rvloekt, die komp nou altait op ’t lest! stiekem uit ’t hoekie.… snauwde de brei-vrouw weer, giftig doorwriemelend d’r steken, bij webbende vingertoppen.—Is juffer luiwoàge weer an ’t woord? spotte ’n groenboer naast ’r.—Nouw sssjòa … nouw sssjjoà … kauwden ’r dikke lippen weer, en zweeterig, met rooie vlekken, rondgetrokken als doffe bloedvinnen, glom ’r gele begijnentronie. Angstig loerden ’r oogen òp naar ’t zacht nog nàschommelende konijntje, dat de Bode telkens kleine draai-duwetjes gaf. Droeverig-gebluft staarde ’t kopje, de oogjes trilden, keken wijs, als voelde ’t deernis, dat ze ’m zoo plots uit z’n stik-donkeren, duffen aardappelenzak, in ’t felle zonlicht daar te kijk hingen. Z’n spichtige steilgrijze snorhaartjes beefden en z’n weeke angst-bekje mummelde wat, als verkauwde ’t z’n eigen angst.——Veertig éenmoal.…—Sestig, ’n rauwe stem van tuinder klonk achteruit.—Ksjt! ksjt! katjes.… siste ’n kerel, sloan jullie de gaile medam veur de sokke.…Weer trok weduwe Jaapeke beverig aan ’n grooten knoop van ’r hard-geel manteltje; sterker beefden ’r oogwimpers.—An joù juffer luiwoàge!.. veur aige bik!.…—Wa’ mot dur medam mi’ knaine van doen? sai frait d’r puur kalkoene!.…—Nouw sssjjoà … nouw sssjjoà … sleeptongde en lispte ze angstig terug, afwerend duwen en grapstooten in rug en zij, jullie gunt dur.… gunt dur.. ’n minssjch nikssjch.Angstiger loerde ze naar Bode òp, of hooger bod inviel.—Sestig één.… sestig anderr.…—Vaif en sestig!.…—Mooi soo!.… gooit de boel òp waife;.… aa’s alles brandt brandt woater ook.. la’ jullie je aige nie troefe.. van die gele sloerie-ekster,—stootte ’n venter uit, grinnekend tegen ’n buurman.[147]Weer had vrouw Jaapeke den Bode stiekem gewenkt, vlak op z’n schoenen, schuwtjes-snel ’n knauw met ’r beverige handen àfdrukkend.——Aaj! vrouw Joapeke! main eksterooge! krijschte de Bode een arm en been lawaaiig-komiek de lucht insliertend, ’t konijntje meeslingerend bij z’n ooren.Joelende hoongier schaterde los. Vrouw Jaapeke stond bedremmeld, nu Bode ’r in z’n lol verraden ging, dat zìj aan ’t bod was; dat zìj op z’n schoenen gedrukt had. Weer hooger ging tegenbod;.… angstiglijker rilde gedachtetje door ’r heen, dat ze de beesjes niet kreeg.——Sien jullie, de gele medam waa’s ’t weer!.…—Anme huppla!.… nou kraig sai twee fraiers thuis!..—Tachtig, hakte weer door de Bode, en weer voelde ie ’n half verborgen druk van vrouw Jaapeke’s beverige knokels op z’n schoen.——Vaif en tachtig eenmoal.… andermoal.… veur de dèrde moal!.. vrouw Joapeke!Weer barstte ’n rauw hoera los, rond de gele medam. Ribbe-stootend bonkten ze’r, gilden en hoonden de jaloerschen om ’r heen.—Want ze wisten wel, dat zij dingen plaatste, die anderen nooit gebruiken konden, bij wijven in de Nes. Daarom durfden ze niet nòg hooger tegen ’r opbieden, bang dat ze ’r misschien aan hangen bleven.—Bode had konijntje weer in den zak gesmakt en rolde de levende waar vrouw Jaapeke tegen ’r platte borst, boven wortelenstapel, waarmee ze nog onder de armen, tusschen de mensch-kluw ingepropt knelde.—Saa’k f’rbrande aa’s ’k snap wá’ ’t waif d’r mee uithoale mot.… verleje.… mi Juni hep sai ook.. die vaif prêchtige leeuwerikkies kocht.… die hassebas.… woar hoalt ’t murmel de sinte van wèg!.…—Van beroep is d’r man tug stroat-oàrm, hoonde ’n ander.. hee! gele medam, koop jai d’rais ’n nuwt stelletje kiese hee?.…—Trek jai d’r veere van ’n kikker! schaterde valsch mee de vrouw met d’r rooie kap en woelige sierseltjes, boven ’r voorhoofd.…[148]se is t’r moager aa’s ’n tang! en ’t laikt dâ se koopt veur aige bik!—Nou, grinnikte de brei-vrouw,—in de stad … loopt ’t mins.… soo ver aa’s de hemel blauw is.… en roakt t’met nooit niks kwait van d’r kar.—De leste koop!.… luistert wèl, goê-liën, schalde hoogklaar de Bode weer,.… om te beginne en an te vange mit ’t begin, he’k hier ’n prèchtige takrooie maidoorn.… wie blieft.. wie-sait!Van vier kanten raasde áán, dooreengolvend stemgekletter.—Tien! vaiftien!.… achttien!.…—Mit je àlle achttien, lachte Bode, mit je àlle twintig.… wie mot!Dat was blomgoed, waar de hééle stoet op loerde.——F’rfloekt.… de fint snait d’r ieder dag ’n takkie van sain boom.… aa’s tie dit joar.. gain tachtig pop veur s’n boom moak, hiet ik puur gain Teun Stainders meer.…De eerste bloemenkoop was weggerùkt. Langzaam achter ’n stapel aardbeikisten, wrong groenboer nog twee kleinere takjes. Maar nòg schreeuweriger, voor hooger prijs, kochten ze die in. Ze wachten er op, en hurrieden alle tegelijk er om.——Op is de boel!… gelukkig, kwam d’r aêrs nog muiterai an board.… Moandag weer ’n handje!.… lachte de Bode, en nou he’k hier nog prèchtige lelies.… wie mot dur.. wie?..Nauwelijks had ie de vormfijne lang-stengelige bloemen in de handen of ze smakten op ’m neer. Twee vrouwen rukten ’n heel bosje uit z’n warme knuist.—Ikke ook, ikke mot d’r òòk.…—Hier.… doar hai je vast màin.. vrachie sinte!.… Ikke hep d’r tien!.…—Màin.… main!.… daa’s gemàin, gilde ’n ander.… ikke hep d’r eerst sait!.…—Krikf’rdorie.… die blomme luchte lèkker, snoof Dirk verbaasd-loom òp.. die mo’k hebbe veur main klante!.…De vrouw met de stuipige breikousstomp was plots òver de hurriënde en dringende kerels heengebukt, ’r vat-breed achterwerk[149]’n groenboer langs ’t gezicht schurend. In woesten ruk, had ze vrouw Jaapeke de lelies uit ’r hand gescheurd, de bloemen haastig in d’r schort beschermend.—Vier andere vrouwen, met verkoop van veiling, zwaarlijvig bijeengeklonterd, sprongen bijzij op gele madam af, om te zien of ze nog meer blommen bergde.—Maar in één ruk had de breivrouw ’r leeggeplukt. Grienerige woedetrekken groefden om schrei-mond van gele medam, en sputterend spoog-lispte ze vloeken uit, naar de woeststerke wijven. ’n Endje van vrouw Jaapeke af, waren nu wat groenboeren op de brei-vrouw losgesprongen, om die den blommeboel te ontfutselen, bonkend en haar bekrijschend dat ze niet had laten uitveilen. Maar breivrouw weerde zich heftig, trapte naar achter, beukte opzij, in den knellenden warrel van graaiende en rukkende handen, stampen van beenen en lijven. Bodestem schalde plots bòven ’t warme stoeigewoel uit, in lach van z’n frisschen kop.—Nou nog wa’ prêchtige pioene, wie-se-hep kraigt de staikels.… ikke hou de blomme—.. In wat tellen hadden de venters ’m afgekocht.—Broeierige woeling gistte los in den veiling-prop.—Snikhitte dampte om hun zweethoofden. Zon priemde fellere lichtlansen neer op de boot. Elk plekje braadde en kookte.—Spraakloos buiten ’t gewoel, stond kapitein voor zich uit te staren, ’t vonkwater in, en hoorbaarder nu, achter veilingstilte uit, klotste de golfjeskabbel tegen schipwanden òp in schuimende koeling en week ruischgestroom.—Hunkering naar ochtendschaft ging rond. Om den Bode klonterde de menschenkluit los. Twee dikke groenboeren kankaneerden in nauw gangetje van hangende manden en kisten, naar de kajuit. De dikste, achteruit dansend, met kwabbige schommeling van z’n vet lijf en spanning van dans-dijen, strompelde gladkoperen traprichel af. Springend met kromgebogen armen, ’n zwaai de lucht in, plof-bonsde de andere op z’n borst en buik. Achter hen ààn, trampelde ’n heele bende naar beneden, de kajuit in, waar al wat kerels, mistig berookt in halflicht hoekje, saamgebroeid hurkten achter hun manden.Als ’n laag-bezolderde ark, spitsig toeloopend en hellend bij[150]den boeg, dampigde de kajuit, volgesmookt van pijp- en sigarendamp, snikheet. Groòter en ruwer dan in ’t fel deklicht, onder half schaduw nù, lijfloom neergesmakt op de rooiige ruw-bekwaste banken,—leken de vrouwen- en manskoppen in de kajuitsdiepte. Achter enkele half-verduisterde hoofden, wangbrokken en kleurig haar, stroomde zonnelichtspuiing, door hooge ronde kijkgaten, beomtrekkend èven wat tronies in zoom van goud, fijn vloeiende lijn, die gloeide soms als electrische lichtdraad. Schuwere glansen schoten door morsig beruite kijkgaten, hoog ingeboord boven boeg, scheemrig vervloeiend in de halfdonkre kajuits-sombering.—Langs de wanden en midden in, plankten de ruw-rooiige banken, breed, waarop neergesmakt dromden in stomme hurrie van punten en brokkelige kanten, kisten, pakken en manden.—In de kajuit stonk ’t duffer, vunzer nog dan op ’t dek, waar dòòr de groenteluchten heen, soms nog ziltig zoute lucht van zee-windstroom aanwoei. De hooge kijkgaten, ’t heele schip langs, brandden in reflexvuur van kanaalwater en zonnegloed, tusschen ’t opkruipende half-duister in de stik-heete kajuit, als gloei-gouên oogen. Tegen de grijs-grauwe morsige zoldering zonden wat lichtkrinkels, die trillerig door elkaar heenspiraalden.—Vlak onder de gloei-gouden licht-oogenrij van kijkgaten, doorzond en fel-verblindend, kropen schaduwtinten langs verdonkerde wanden, zonk de kajuit in, vaag-kleurig van paarsen rook, even doorneveld van zwakke glanzen.—In al òpgeknelder drom trampelden de vensters van ’t dek, smakten zich neer op de banken, tusschen hun pakken en kisten.—In roodbruine somberheid plankten de banken, en heel de kajuit, met de oppropping van koopwaar, leek ’n groef, roodsteenig en duister, waarin schipbreukelingen saamgevlucht stumperden, bàng omknellend hun laatste rijkdommen.’n Lange kerel, met heel kleine oogjes, z’n hoofd de zoldering rakend, waaronder z’n gebaren reuzigden, holde heen en weer te bedienen, stapte telkens op ’n vrouw af, die op bankpunt koffie schonk uit ’n bruin beschilderden koffie-stoomketel. Tegen muur van kajuitstrap, donkerde inhammend buffetje, waarin opgedrongen bijéén hinkten, diendertjes, manke jeneverglaasjes;[151]tegen elkaar leunden, flesschen, koppen, broodbonken, kaas, steenen bordjes en sigaren. Van alle kanten, uit de half duistere kajuit, tusschen het triestige roodbruin van banken en morsig grijs van zoldering, roezemoesden zeurige, teemende en krijschend-jolige, hakkelende en sputterende stemmen. Uit elken hoek warrelde geraas, gekakel en boerenwoest geschater. Gretig pakten de venters hun stukkenzak met halve broodhompen en mikkies uit; hàpten, hàpten.—Koffie main!—’n Bakkie g’laik!De heele bende verdonkerd en ver-reuzigd onder lage zoldering en balken, slurpte koffie. Overal, ingebukte nekken en gezichten, de warme lippen op de groote kopranden platgeperst, vuile handen rond de kom gekneld.—In anderen klauw, de halve mikkies gegrepen, hapten dierlijk de geile ruwe monden, slurpten de tongen, grepen en persten de morsig levend-beweeglijke vingers, groen en bruin vervuild van smeer. Op verhoogd boeg-end, druk roezemoesde ’n gierend troepje, de beschaduwde koppen naar elkaar toegebukt, in raaskallende lol, omwolkt van paarsblauwigen rookmist.—Soms even schampte òp, achter nevel-paars, ’n pijpekop, ’n kiel, rooiig-donker, grimmig-gebarende hand, ’n wangkant, ’n harige achterkop, met even lichtbeflitste oorrand, plots weer wegduisterend in zwaarder rookgewolk. Naar alle kanten liep de lange kerel met z’n dampende koffiekoppen, zonder schotels rondgediend, oorloos en gloeiheet, de klef’rige greepklare ventershanden induwend. Al meer reuzige schoenen, beenen en lijven zakten de loom nauwe kajuitstrap af, waar ’n ruitje even licht sloeg, voor ààn, in ’t rookige hol. De vrouwen bijeengegroept kakelden en kuchten, op d’r hooge banken saamgedromd, tegenover de woeste rookers, aan spitsig-hellende boeg. Telkens moesten ze inschuiven, opschuiven voor al meer instrompelend volk, dat tusschen vrachten en meegesjouwde bakken, als onder ’n lagen hemel van zoldering-morsigheid bijeen kwam broeien. De balken met donkere reten en vuile flodders verf, kruisten vlak boven hun scheemrige tronies. Aan ’t eind van middenbank stond[152]de schenkvrouw, breed ingebukt ’r oer-ketel te hellen. Telkens bracht de lange bediende, klefferig bevuilde koppen áán, hield éven schoongeplaste ònder den ketel-slurf, inmiddels vlug uit grooten suikerzak,—als overvloedhoorn blank-open neergetuit op bank-end,—’n schep opvisschend, en in zwierige vlucht afplonsend, in ieder kop ’n hoosje. Naast de ingebukte vrouw, die geen tijd had om ’r lijf te rekken, stond ’n vuil emmertje, van binnen bleek-rood uitgekleurd, met smoezel water, waarin ze luchtigjes,—toch doorschenkend uit ’r koffieslurf,—rond-spoelde de aangedragen, klodderig bestroopte koppen. Even ’t bruin-bestroopte van buiten wegplassend, druipend nog van vieze straaltjes grondig vocht, grabbelde ze met ’r natte handen de kommen weer òp, uit den emmer. En ’r zoon bleef bedienen, hield de reuzige koppen weer voor de tuit, die stroef stond, beklept-harig als ’n levende slurf, waarop vuiligheid bakte. En vlug, de eeuwig-gebukte schenkster rookte de kommen weer vol geurig koffiebaksel.—Walgelijke stanken, duf en vuns rotbroeiden de groenten uit, de jenever, koffie en tabak. Tegen ’t roodbruine ruwe gebank, en den zwartmorsigen grond, zogen de stanken vast. Wilder, woester, in vergrootende donkering, slurpten, verhapten de koppen, met apig-dierlijke rukken ’t brood, in geilen slurp en zuig, smakkend zich gevend aan vroege vraatzucht en drank.Dirk lag met z’n arm op ’n stapel duf-stinkende manden, en achter z’n hoofd, op tusschenplank van middenbank, tweekants bezet, stapelden bossen groenten en bloemen, zoet-zwoele lelies, tusschen voos-luchtende aardappels en kool, bruidsgeur en blankte, vermolmend onder gronderige stanken van benauwing. Elk ding wasemde stank uit. De kleeren van venters stonken als verrotte beenderen. Verhitte kroegasem en bloemengeur zogen door elkaar heen.—Naast Dirk, hurkten met beenen onder kin opgehaakt, Klaas Grint en Rink van den polder, happend en smakkerend in scharren en poonen, ronkend van vreetgenot. Dirk had z’n derde kop koffie al heet ingeslurpt, luisterde nu, dwars door leuter-geratel en handengeklakker van nasjacherende vrouwen en kerels om hem, naar[153]Grint, moeilijk verstaand, z’n oor geheven als luistertrechter, tegen den heeten herrieraas van stemmen in. Grint bepeuterde voorzichtiglijk z’n poonen, smakkerde bij brokken de vet-glimmige blanke visch z’n mond in, sprak en vergierde schunnige moppen, dat z’n uitkauwsel, telkens tusschen z’n snaterende kaken opschemerde. Als ’n zaal, waarin rumoerige kakatoes op eigen houtje krijschend konverseeren, dazelde stemmesnater rond. In al gamma’s brulden, lolden, lachten menschenkelen, schorre, rauwe, zachte en weeke timbres dooréén.—Soms klonken er als schrei-geluid, kermende klanken; dàn bulderde en donderde woordkrijsch uit, hevig en verhit in de mist-rookige kajuit.—Rink van den polder, slobberde jenever, door z’n scharrenmaal hèèn. Van uit z’n apigen knie-hurk, rookmistig omdampt, keek ie telkens flikker-scherpe kajuitsoogen in, die trilrige zonnekringen, wazig-vloeiend verspuiden tegen zoldergrauw. Eén balk-brok kreeg felsten stroom, waarop, in krinkelige rilling, als ’n zwabberende kurketrekker, ’t licht invrat als wit vuur. Naast Rink, ingedrukt en bekneld van twee kanten, met mandwerk, stumperde ’n bochel, door z’n puntbult ’n end van bankwand afgeduwd.—Peinzend telde hij eiertjes. Zacht schuifelde z’n hand in ’t strooien bed, en koelblank tusschen z’n groenig-vuile vingers, marmerden de eitjes, telkens teederlijk door ’m weggekoesterd in ’t gouden stroo. Na koffieslurp voelden de kerels zich bijna in de stad, furiede zuiphartstocht òp. Overal rinkelden jeneverglaasjes, zogen de rooie dorstige kelen ’t vocht in, vol wellust.—Màin segoàr.… moàr hardstikke swoàr! schreeuwde Dirk.—Enne main nog ’n kats, veur sain sinte, grinnikte Grint op Rink wijzend.Met acht kommen tegelijk, in balans-behendigheid deinde zacht de lange bediende door den rookmist heen, naar stijgenden boeghoek, al hooger onder de zoldering uitreuzend, in bukhouding z’n kop op borst gedrongen, om zich niet te stooten.—Zwier-vlug deelde ie de kommen rond, tusschen de gretig-uitgestoken handen.—Sterker klonk weer gelebber, smakking en dof eetgeronk. Klaterende roezemoes, gillerig en hoog, onder[154]voortgonzenden toon van mannenbassen, gromde door de kajuit. Levende walvisch, leek ze menschen in angstlawaai opgehapt te hebben, die daar verwilderd in d’r half duisteren muil zaten te schreeuwen, te stampen en te reutelen tegen elkaar van kreupelen angst.—Stooten van machinekamer bonkten trillingen door de wanden, bracht sidder in de koppen, handen en beenen. Door manden en bakken ging lèvende beefstroom. Alles zat in trilling; de tronies die raasden, de monden die zopen en vloekten, pruimden en kwebbelden; de handen, die vastklemden bevende kommen; de beenen, die trampelden of hurkten. Een flakkerende wiegel van schaduw en lichtvegen schemerde tonig en diep door de rook-paarse kajuit, rooïig-blauw verdampend in hel-lichtende òogenrij van kijkgaten, die loerden met zengenden vuur-blik.—Diep daarònder, de ingezonken lijven op banken, de handen op knieën, beverig doorschokt van machinedreun, de hoofden en oogen vertemperd in kleurigen wasem, tusschen den dof morsigen grom van roodbruin plankwerk en wandgrijs. Daar, midden in de broeihitte, sloegen, walmden en braakten de stanken òp, vunziger, uit half-open kelen van manden, uit zak-strotten, uit gaten en spleten van kisten. Zweet-rook van lijven dampte van kleeren; van barokke klompschoenen, enkele scheef en vergroeid als paardevoeten; van pilow-broeken en baaien rokken.—Uit alle hoeken wasemde rottende stank rond.—Schemervegen van schaduwzware tinten versluierden soms plòts groen-zwartig de kajuit. Rooie sigaarpunten gloeiden áán, in donkering van hoeken en de rondzonnige kajuitsoogen bleven loeren in fel vuur. Prachtige glansjes, smeltend en wiegelend, zwierden op menie-rooie randjes van drie gesloten venstertjes. Licht van waterkabbel wiegde méé met warrel van zonnespel daar in golfjes, àchter morsigblauw paarlmoerig-benevelde ruitjes. En wat trillerig geschijn deinde áán en af en om de kijkertjes. Als ’n diepe hangmat, waarin rookige schaduwen kwijnden en weer wazig-grillig verkleurden, in wiegel van gesmoord licht, hing de kajuit, plots weer in zachten schommel van boot; hangmat van rook en stank, waarin de menschlijven, opgepropt verduisterd in[155]grauwig paars en dampig gesmoord zonlicht, bewogen in nachtmerrie-realiteit. Uit pracht van diepe donkerdroomrige tonen, stemmige diepte van zachtflakkrenden kleurmist, zwaarbefloersd in grillig verstaltigenden groenen rook, doken telkens ànders de boerenkoppen òp. Roodbruin de banken, angstiger verdoffend den getemperden kleurenstoei der mans- en vrouwkleeren; in rooknevels de groentebakken en manden, dwars en stapelend uitgestald op den donkeren vloer, vóór sprookjes-reuzige voeten, òp schootbrokken, tusschen glazen, vuile kommen en rommelzooi van stronken en afval. Daar, door dàt hangmatleven, zogen en walmden de helsch-gemengde stanken, tusschen gebeuk, getril en geraas; broeiden de koppen bijéén; lekte ’t zonnevuur door de naven en ’t dek naar kajuit, waar de snikkende hittedag verduisterd en gesmoord lag te reutelen tusschen engte van duffe wanden.—Ènkele menschkoppen bewogen in glansgouïgen zoom. Wangbrokken gloeiden beschminkt van goudpoeierig schijnsel. Pet-vormpjes vergrilden in zacht-kleurig dof-duister.—Praat en slok, deinde òp uit diepe tinttonen.—Eetmonden vervaagden omrookt onder nevels, snorre-baardig, in harige ruwheid. En de golfjes in schroeienden zonnedoop, verspoelden kabbelig-speels, ruischend tegen de lichtoogen bòven hun tronies.—In paarsigen waas, de groote werkhanden woelden en gebaarden in en uit lichtvegen, rumoerend méé met hun zuip, hun krijsch, lol en ironie.—Handen, breed en geweldig als levende wezens, op zichzelf, hevig gekromd, verbronsd in aardewroet, in rauwe energie van beweeg en passie, tusschen den rookmist en rood-groenen damp, in wilde gebaar-woeling wègslingerend scheemrige vegen en tint-grillige schaduwen. Handen van bronzen reuzen, graaiend in smoor van zonnevuur.——Dà waa’s d’r main ’n sjouw Dirk, schreeuwde Klaas Grint, met beverige stem, doorschokt van dreun,—nou he’k tug puur naitig bakke oarbei op de boot—hee annaime!—main nog ’n bakkie leut!.…——Daa’s f’rduufeld achste bak, lachte de bediende.—Nou wà’ sel ’t?.… betoàl ’k hullie nie? houw tot soo[156]langest je snoater,.… nou hoor-je Dirk? daa’s tug puur naitig bakke, allain van main rechterhoek!.…—F’rek jai, viel Dirk met vollen mond in, zich verslikkend in hoestschokken, onder opslurping van koffie, dat z’n kop bloedrood te barsten dreigde.…—Kaik nou, die wil d’r babbele aa’s tie te slikkebikke sit,.. wà noù f’rek?.. der kenne.. kenne hier op dek, puur.. dertienhonderd bakke oarebai!.… en f’middag komp ’r nog ’n nuute anvoer.… nou, dan wee’k daa’k goar bin!.…—’t Is d’r dan ook duufels mit hoàst gonge hee?.. zei met diepe stem, zangerig, ’n venter vlak bij Dirk. Achter middenschot van bank zat ie, met verdraaid lijf, alleen neusbrok en oogen er boven uitloenschend naar de kerels.Dirk, Grint en Rink draaiden zich half om.—Hoe most da’ maint? vroeg stug Dirk.—Wel nou, ’t is d’r nog gain drie weuke hee!.… t’met … daa’k … toe he’k de soete fransies sien hep hee?.… Wa’ màin dat d’r toen teugesloegte.… de vrucht wou nie sette.… alles d’r nog groen en half raip.. de grond uit!—Daa’s net … veur drie weuke he’k niks aa’s rooie vlekkies in main tuin had, lachte Grint.—Wel nou, zangde de diepe stem achter beschot weer, met halve tronie er boven uit, en een hand stumperig meebetoogend in beknelde gebaren,—de boel is d’r nou overstroomd hee?—Met andere hand achter schot verscholen bonkte ie hevig op z’n weggedoken been, greep ie gretig naar ’n borrel, dien de lange kerel ’m brengen kwam. Achterover z’n kop, smeet ie z’n hapje donker mondgat in, bestelde smakkerend en likkend nog een.—Nou, moar de haire hebbe d’r puur wâ inpalmt an ’t stêtjon en in de hoàfe hee?.… da stong t’met nie stil.… Van màin drie duusend kilo.. van sàin tweeduusend.. van Klaas, van Gijs, van Joap, van Dirk, sooveul aa’s sullie d’r hadde,—of aa’s je kèrtak veurskreef.…—Wa?.… sooveul?… soo veul aa’s ’k f’rkoope wil hee? barstte smadelijk Rink uit,—buite da’ f’koop ikke tug òòk.. da kroak je ommirs?[157]—Nou daa’s nie net, onthutst zei Grint, moar nou mo’ je.. mó’ je ook segge dâ je van ’t winter.… al kèrtak moakt hep.. van hoeveul je laif’re mot.—’n Màn, ’n man,… ’n woord, ’n woord.… hee?.… wa’ jou Dirk?.… wá’ jou Staine, wa jou.… Gais?.… je hoef d’r ommers nie veur de heule mikmak te f’rkertakteere?.…—Daa’s klesseneere, lolde Rink, woest verrollend z’n gemeengroene oogen,—màin nog ’n bakkie leut hee!.… moar ikke f’rkoop wa’ kwait kèn … aa’s d’r beteder martpraise binne, al hè’k kertak veur vaif joàr!.… vat je!.…—Nou seg, vergoelijkte weer sluwig Grint, de groote afnaimpers hebbe d’r tog ook hoarlie rissieko? daa’s net nie?.… en dá’ jòar.… f’rdomd.… sullie betoale d’r bestig hoog! da mô sait! Daa’s tog moar ordentelik! Velaije joar stong de mart vol van oarebai.… nie te f’rkoope.… hee?.… doar stonge wullie.… mit de pet in de ooge hee?.… en op haide?.… op haide?.…—Nou, giftte plots ’n rooie driftkop uit rookwolk òpduikend, z’n beenen met gestommel van de bank afsullend,—dà tuig f’rdient d’r g’nog!.… wa’ doene die likkebaire.… niks gedoan hoor!.… sai b’toale d’r lootjes feuruit bai de swoager van dokter Troost … komme hullie d’r effetjes kaike hee?.. de kontreleur doen d’r ommirs alles!.. enne.… dan.… dan hebbe hullie.… allain mit de oarbaie opsende.… allainig mit d’r oarbaie.… sien je!.… ’n duusend pop f’rdiend.… in ’n weuk of soo, hee?.…—Joà, moar de rissieko, teemde Klaas Grint.——Je suster rissieko.… soake aa’s piere.… soo staif.… om dà sullie de loodpot hebbe om vèur te skiete.… sende sullie ònster goed.… deur Duitschland … Enggeland.. en moake sullie d’r joartje wel goed hee? O die diefe.… die sloeries! schreeuwde Rink.—Nou moar.. wa’ há’ je f’rlaije joar dan?… basstemde weer Steyne achter z’n schot, met z’n mondlijn even ’r boven,.. toen hâ je Beijens.… da’ rooide noa niks hee?.… die kaèrel.. hep toen ònster goed afnome hee? al wat wullie niet kwait kenne[158]hee?.… ’n sint ’n mandje hee?.… mit ’n straip of’r de bakke!.… je was d’r blai da’ se hullie d’r nog veur ’n sint kwait kwam!.… Moar die skevuit heb f’rdiend … die hep d’r waite … dá’ wai gain uitweg hadde hee?.… mit al ’t goed.… die hep d’r van màin.… van joù.… van jan en alleman kocht.… hee?.…—Of daa’n skurk was, ’n geep.…. tromboneerde de woedestem van Rink, daa’s Beijens van de Skans hee?.… die skoelje hep d’r ’n achthonderd pop, in één slag f’rdiend, één middag.. Hai skunnigde alles noàr ’t buiteland.… hai hep d’r wacht, tut ie onster mi de pet in de ooge heb sitte sien!.…—Je most d’r je stroopbek moar houe, woedde Dirk tegen Grint, jai.… jai!.… ’r sit d’r gain oasem nie soo goekòòp aa’s jai in Duinkaik.… en bestige grond da’ die vent hèp … swoare en lichte.… alles d’r aife bèstig … god’s kristus!.. aa’s d’r onse de half soo waa’s gaf ik d’r main pink veur … moar da rooit nà niks.…Dirk gifte zich uit. Hij hield van z’n brok grond, maar de woede, dat ’t zoo belabberd was met afwatering en ie toch óók niet heelemaal kon werken voor zich zèlf, maakte ’m doodonverschillig. Hij gunde d’r geen korrel zand van aan Piet of z’n vader.… En nou ’t zoo beroerd ging, moest de boel maar waaien. Toch hield ie jaloersch, heet-veel van ’n brokkie tuin voor zichzelf en ’n wijf, als ie maar zoo iets ’n hoek had als Grint; vet, vruchtbaar, doorwaterd, warmpies in ’t zonnetje en licht.—Nou jou lap is t’r àn de Beek ook bestig.… kermde Grint.—Ferrek jai!.… mesiek! mesiek!… aldegoar bluf! doar motte wai àf.… of tie da’ nie weut hee?.… en kaik erais wa’ doar van de oarepels komme is?.… die hemme nou self poot!.… gain bloas!.…—Wa’ ken main dat skele, jai beskait je land nie hee?.… suinige jop!.. moar heè? jullie sien nou dâ die mof van ’t stetjon d’r ook nie meer gaift.… aa’s veertien sint ’t kilo.…—Krik f’rdorie, riep Steyne verbaasd en angstig,—en gister hep ie nog sestien sint betoald.… is die fint nou heuldegoar daas?.…[159]—Daa’s net, moar nou sien die da d’r te veul is.… nou goan ie onster an ’t knibbele hee?.… wa motte d’r wai mee?… aa’s je ’t nie goed vin.… la’ ie je stoan!.… Je ken je bakke tug nie je kooters te suige gaife?Dirk bleef stom, lurkte aan z’n pijp die niet halen wou.. zoog en blies blauw-duisteren nevel rond de herriënde babbel-tronies.——Main nog ’n bakkie leut! riep Grint dof.——Daa’s kom naige!.… lachte stikkerig ingehouen de lange bediende, nou.… die suipt gain borrels meer.… die goan d’r mi’ sain neus allainig in de koffiewind.…Dirk zoog behaaglijk reutelige haaltjes door z’n pijp, uitkraterend zwarten walm en vonksterren.—Zure stank broeide rond, dat de kerels kuchten.—Main ’n brandewaintje mi’ suiker.… riep Rink schor, zich schurkend met z’n reuzige schoften tegen bankrug òp.——’n Bestige segoar! en ’n brandewaintje mi’ sonder suiker.. mi’ suiker smoakt ie màin te lekker, ke’k nie finte!—Nou sullie wachte d’r, tû je weeròm bin,.… vast hoor, schaterde een achter bankrug.… Seg Hassel.… weneer sel je hooi overend sain?—Da’ wee’k nie, bromde Dirk.Ventersgroep drong uit donker doorrookte boeghoogte, klompbonkerend voorbij kerels op middenbank, naar kajuitstrap.—Naast Grint bij den ingang, rumoerden stoeiige krijschkerels die om waar streden, zoo hevig, dat Klaas voorover moest bukken naar Dirk om te verstaan.—Wa’ sai je?.…—Daa’k nie weut.… wanneer wai ’t hooi of’rend hebbe! wai motte d’r nog één daik.… hooi is bestig.… sit van onder ’n strootje in.… moar bestig hoor!Zoon van schenkster, aan punt van de middenbank, waar de kerels zaten te zuipkonkelen, drentelde nog met koffie door de kajuit, ingebukt z’n kop op borst.—Toe skiet op! main die koffie!.. barstte Dirk ongeduldig uit, toen ie den kerel zag voorbij stappen met zìjn bak dampende leut.—[160]—Mo’ je van main nou nog wa’ mooie duiveke’s hewwe?.. vroeg de venter achter bankrug, met halve tronie er boven uit, oogen en neus strak gericht op Grint.—Niks gedaan!.… ik hep d’r net waa’k ankèn hee?.… daa’s achtien bos!—Mo’ je de mand pieterselie nog veur ’n kwart?.… mit ’n slokkied’r op! krijschte uit de kajuitstrap, ’n rood-bukkende kop, boven zwaar-tonnigen buik, van ’n groenboer, schreeuwend naar ’n volgerookten kajuitshoek. Met hakkenstommel rumoerde hij op bovenste koper-beslagen tree.—Mit ’n happie d’r òp is ’t daan, krijschte uit rookdiep hellend achterend ’n stem terug en ’n paarsige zuipkop op mager lijf, donkerde vóór, uit nevel van boeghoek.Bij de kajuitstrap bonsden ze tegen elkaar-op. Dikke zuiper graaide centen òp van mageren zuiper, stopte den kooper ’n mandje zoet-geurende pieterselie in de knuist. Gretig slurpten ze hun borrel in, al klaargezet op buffetplankje door schenkster, die ’r klanten kende.——F’rek, daa’s nog hardstikke vol hier, bromde de dikbuik, met ’n zwiersmak z’n glaasje op buffetje bonzend. Strompelend wrong ie zich, snuivend en hijgend, door eng trapje naar ’t hek.—Magere pieterseliekooper stapte weer harkerig terug naar den kleurig-duisteren boeghoek. Telkens dáár, ’n ander nevelbrok van rooksfeer schemerde wolkerig òp, tusschen lichtkrinkels en wit-vuur van zonnespuiende open kijkgaten; weefde in diffuus licht, violet-zilverende damp, flakkerend en geheimvol tintfijn boven de donkere diepte van babbelkoppen, rookmonden, haar en handen. Eén wolkerige sfeer van rookglans rond duistere, in woelige diepte verdompelde menschen.Van rechts schreeuwde ’n vrouw, midden uit ’n kakel-groep, naar den rookboeg tegen ’n kerel, ’t meest voorop in den damp:—Nee!.… da’ waa’s ’t snuitwerk van Henk.… hai kwam ’n kiekie loere onder de trap hee?.… moar ’t waa’s vast Henk de koalbuik!—Henk de koalbuik? lachte de kerel, Henk?.… Heé joa’ twee brandewaintjes mi’ suiker veur de doames … en nóg twai[161]veur main aige hail hee?.… Nou Oàf!.… ik seg je dàn.… da die Henk d’r sain aige beeste la’ f’rhongere!——Nou, daa’s main ’n merk! de fint is d’r tuureluurs.… in de eeuwighait in de loorem.…—Daa’s klesseneere, daa’s klesseneere, bulderde de vent uit rookhoek naar ’t vrouwengroepje, hai lait s’n borrel glad.… hai likt s’n urretje op sàin menier.… moar de fint.… ken d’r puur sain honde nie te vraite gaife.… s’n aigeste beeste.. da benne d’r vaif!.…—Hee.… hee!.… Dirk.… hai jai hoort da’ die trekhonde.… van.… vàn Henk.. de koalbuik.… da die d’r twai skoape van Jaanse van de Lemperwai hep afmoakt.… se hebbe de baiste puur van malkoar skeurt!—Nou.… wa nou?.. schreeuwde Rink terug.… daa’s tug krek eender.… al die honger-meroakels.… die tuinders doar.… die Lemperhoek uit.… se hebbe d’r vast selfers niks, te fraite.. Is d’r netuurlik, daa’s sullie d’r honde snachts skiete loate! kenne sullie d’r aige potje soeke.… en woest aa’s die krenge binne.… se f’rskeure je.… van malkoar.… Bi-jai-’t-Hain!—Nou ’t is d’r ’n klussie, blerde de breivrouw knorrig, dwars door ’t roezemoezige gekakel van andere schelle stemmen uit ’t vrouwentroepje,—’t is main ’n klussie.… main baiste legge d’r vast.… en fraite d’r aige vetje.——Wa’ sa’ je màin d’ran jokke.… laikt t’met of sullie ’n botertonnetje inslikt hebbe, soo ke’ je hullie ribbe aa’s hoepels deur d’r pins siene hainsteke.…—Nou, zeurde een venter met geknepen schor geluid, wai binne aldegoàr noakend!.… die beeste motte f’r aige kossie skarrele.… se hebbe d’r gain fraite veur.. voed jai d’r noà hullie g’noege! vaif kaire t’met.… Se benne d’r soo ellendig sterk.… en bloeddorstig.… enne uithongerd.…Van boeghoek waggelden de kerels òp, uit donkeren achtergrond, en dwars door de groen-violette wolksfeer, in ’t oogen-vuur der kijkgaten, sloegen de lijven en handen van opstaande en gaande kerels, een storm van lichtschokken, groot-donker in de rooksfeer, die zacht gloei-kwijnde in dampigen flakker[162]bòven de banken.—Meer kerels stapten op, met d’r koppen zoldering rakend, sloegen door den walm heen, waggelden naar voren, bij trapje, plots onder ’t felle lichtgat uit kajuit-schemer, áángloeiend in zengend zonnegoud. De boel bleef leeggeslemperd, vermorst-suf op de banken staan.Groote stad was in zicht, en van alle kant grepen de venters hun goed bijeen, manden, pakken, kisten. In groepjes, achter elkaar, drongen ze eng kajuitstrapje af, en met koopwaar op nek en schouders, rumoerden ze zich in woesten woel, los over ’t dek.

III.

Om drie uur den volgenden ochtend, kwam er kort-driftig gestommel in de duister-beluikte woonkamer van ouën Gerrit. Zurige zweetlucht vervunsde uit de krottige slaapholletjes. Dirk uit ’t donker bedsteetje, was opgesprongen, òver Piet heen, nog slaperig en gaperig, rauw van pijn, geradbraakt van vermoeienis en katterigheid. Branderige matheid voelde ie door z’n lijf loomen. Driftig schouerbonkend stootte ie Piet op, die nijdig even gromde, maar dadelijk weer insnurkte. Dat maakte Dirk kregel en snauwender porde ie ouë Gerrit en Guurt, dat ruw z’n korte stem, kamerochtend-stilte doorscheurde. Wijê gapen loeide ie koeïg door ’t vertrekje, dàn vlak tegen beschot, dàn vóór bedsteedonker, telkens zich rekkend in achterwaartschen lijfkronkel, armen omhoog gerengeld en vingers verkrampt in slaapzoeten wellust, dien hij machteloos-heerlijk door z’n lijf voelde terugstroomen, tegen z’n luiigen lijfrek in. Langzaam slofferde ie op z’n kousen naar buiten waar ie de luiken van de ramen losmorrelde. Onder de pomp beplaste hij z’n gezicht, luchtigjes met water, vies van ’t nattige dat z’n hemdsmouwen en hemdboord beklefferde, en in branderige straaltjes tot op z’n naakte borst afdroop.—Guurt was gauw opgestaan.—In ’r nachtpon, haarhang opgebonden in woesten kronkel, maakte ze vuur op ’t achterend, drentelde rond de stellen en zette boterhammenkoffie.—Ouë Gerrit en Piet in hun rooie onderbroeken waggelden nog slaapdronken en grommerig door de kamer, loom en lijzig hun bovenkleeren aansjokkerend. Even bleef Piet hang-zitten op z’n stoel, klepten z’n oogleden dicht, hield ie z’n stinkende pilow, half over z’n dijen getrokken, slap in de slaaprige, krachtlooze knuist. Ouë Gerrit, in schreeuw, schrikte ’m wakker.[123]—Wà sloapmus, jai toch, gromde ie, soo’n jonkie!Na ’n kwartiertje rondgeslenter en gedribbel, sluipzacht op ’r kousen, had Guurt de kerels bakken koffie en hompen brood voorgeschoven. Gretig schuifelden de mannen hun stoelen áán, neerblokkend met armen op tafel, hoofden gebogen over hun dampende koffiebakken, slurpend, gaperig, rekkend en korrelig-stil. Rond hen, walmde slaapstank van ’t kamertje, dat al zacht volgevloeid glansde van vreemd, gloed-stil ochtendgoud. Roodflonkerende zonnedans koperde bliksempjes op de staartklok-gewichten, op ’t pronkstelletje, tang-pook-schep, onder het schuingetimmerde, versierde hoekschoorsteentje.—Langzaam, in bedaarde ouderwetschheid tiktakte de klok, zacht-vlammig aangegloeid rond de gewichten.—Guurt had ’t duifje losgedekt en daadlijk koerde z’n kopje als van verre, droef door de kamerstilte heen, waar alleen smakten en slurpten de wreede werkersmonden, en de klok dreinerig ti-jik.… tàkte.…—Moeder Hassel lag, met opengesmakte deuren, de kamer in te staren, bleek beslaapmutst hekserig hoofd, op peluwgrauw, de uitgedoofde staaroogen naar de slurpende kerels.—Ze hoorde koffie slurpen; dàt geluid kende ze. Ze zag ’t, voelde, besnuffelde ’t, met wilde, gesperde neusgaten.—Dàt geluid haakte vast in ’r ooren, ’t hoofd, bleef in ’r herinnering leven.… Woest instinkt naar koffieslurp.—Telkens gretig, even keek ze naar Guurt, als wist ze nu klaar, dat ze ’t van die moest hebben. Maar de kerels hapten door, slurpten onverschillig. Guurt klepperde nog ’n roodaarden bord voor hen neer, waar ze weer hompen brood op afsneed, slurpte zelf mee, gejaagd zittend op stoelpunt, ongewasschen in blauwkorten onderrok nu. Stil slurpte d’r mond in doorzond ochtendgoud van kamer, ’r blond hoofd in stil aureool. Buiten, achter ’t raam, glansden de akkers in aanbrandenden gloei van zonnekomst.—Nou Ouë, gromde Dirk plots, kauwend en slikkend dat ie niet verder spreken kon eerst—aa’s ’tr nou moàr puur om drie uur, de oarbei-boel dur stoan, an de markt hee? daa’k[124]hullie om vaif uur an de kant hep in de stad? kaa’k t’met nog ’n hooge markt moake.. hee?—Sel d’r weuse.… mi sonder mekeere.… Hoho! ho!.… Piet loait op.… en Kees goan de hoàfe langest.…—Hier-op-pan! aa’s Kees de hoafe opgoàn, ken ie t’met oploaje ook.…—Hoho! dà lief ’k nie! dà lief ’k nie.… die suupt te veul.… die hep s’n skoenlappertjesmoandag.… enne.… dá’!.…—Wa’! Kees?.. Kees suipt?.… krijschte Dirk uit, ’n stuk brood, dat ie half al in z’n mond gestopt had er weer uithalend, met ’n web van fijne spoegdraadjes,—f’rvloekt aa’s de fint één borrel lait! jai suinege Job!—Hoho! vier en vaife en nie g’nog! bars jai nie uit!.. soo vroeg in ’t morgeuur hee?.…—Wa’.… éénmoal.. andermoal.. ikke wil dá’ Kees oploait.. Piet hep s’n aige dood te plukke op haide.. En denk dur om.… niks aa’s oarbaie.… Op haide voart de boot twee keer!.… ikke goan doar.… om veur van … om twaalf uur is t’ie d’r wair.… sel main ’n dotje weuse op de kant!.. snof’rjenne, gain ploas om je klompe af te trappe, waa’n klus.… ’n drukte op de boot.… sullie dringe hoarlie aige t’met hardstikke dood.. hoagelvol!Ouë Gerrit was opgestaan met ’n smak z’n koffiekop op tafel neerstootend, dat vrouw Hassel in ’r bed opschokte, iets brabbelend uitstamelde. Nog had Guurt ’r geen leutje gebracht. Onrustig, hongerden ’r oogen naar ’t zoete vocht, dat op stinkend petroleumvlammetje konkelde en leuterde. Ze besmakte ’r drooge lippen, zonder dat ze vragen durfde, vragen kòn. Besefloos Guurt te roepen, uit angst voor nijdigen snauw, in ban van trage dofheid, bleef ze staren, vroeg ze toch met ’r oogen, zonder dat iemand uit de aanlichtende kamer naar ’r omkeek. Gerrit, handen in zakken geknuist, keek met z’n neus op ’t raam gedrukt, naar buurman’s tuinderij, waar nu alles groen-goud in den ochtend-tintel gloeide, doorvonkt van dauwig druppelvuur.—Ochtendstilte, uit paadjes en wegjes,[125]ruischte rond de tuindershuisjes en de roode bedakingjes vlamden licht-hel.—Vandaag zou ie wat te plukken hebben, mijmerde Gerrit, speelsch drukkend z’n neuspunt tegen ’t ruit, wiebelend op z’n hakken. Z’n rug zwoor en stak van pijn. Maar ’t most, most nou. Hij had al dagen achteréén onrustig zitten piekeren, dat ’r geen regen kwam, gejaagd, nou de boel zoo droog stond. Maar nou most ie maar doèn, doèn en niet seure.…Met hun drieën waren de kerels over ’t erf den tuin ingestapt. Guurt drentelde weer op ’t achterend, spoelde en sjokte, terwijl de kamer in ruischender glans van zonnige ochtendwarmte, sterker aangoudde, tot op ’t slaapholletje waar vrouw Hassel staarde, en besmakte ’r droge dorstlippen. Op de tafel brokkelden nog broodhompen. Aarzelende glansjes van schichtigen prismaschijn uit geslepen spiegelrandje, kaatsten trillige vlakjes rood, goud en groen, op twee rood-aarden doffe bordjes.Daar stààrde ze op, vrouw Hassel, besefloos en traag, tot ze de kleuren voor ’r oogen zag verflakkeren.—Buiten hurkte Kees al, in pluk bij de erwten. Nog ’n uur bleef Dirk werken op ’t land, achter de wortelen. Eindelijk werd ’t tijd voor ’m om op te stappen naar de haven. Nog ’n mandje pieterselie en postelijn, schokkerde ie over den schouder en stil liep ie den weg op naar de boot. Nou had ie zich nog puur te haasten merkte ie, toen ie even achter ’t ruit gluurde, hoe laat ’t was.—Kwart voor vijf. Om vijf uur precies ging de schipper van wal.Zwaar hijgend, z’n mandjes dobberend op z’n rug, kwam ie snel de haven opbeenen. Maar „Tuinders Geluk”, de boot waar hij mee voer, lag er nog rustig, met vier andere schuiten achter d’r áán, hoog gestapeld ’t schel-groene van kroppen, beflonkerend aardbeirood en wortelenoranje, tegen den blauwen luchthemel in, die diep en wijd lichtte, in strakke, fel-heete zonnigheid al.—Op àchter-en-voordek, stonden de groenboeren saamgedrongen, in hun sjofele plunje, tusschen de dreigstille punthoekende hurrie van hoog opgestapelde kisten en mandwallen, waaruit[126]zwavel-zoete geuren walmig verwasemden. Tot onder den stuurstoel, stapel-brokkelden de aardbeikisten en langs de reeling, propten, saamgekneld, bakken, vaten, manden, zakken, dat de kerels en vrouwen, in bochten er tegen elkaar opgedrongen stonden. Enge doorgangetjes, kronkelden tusschen de ladingen, waar ’t landvolk elkaars lijf beschuurde, schreeuwerig verscharrelend en ruilend koopwaar die ze te veel hadden. Tusschen zakken gekneld, op manden of kisten neergestooten, sjacherden de zwoegers, klonken òp de gesprekken, levendig, krijscherig, overgoten van duffe groentestanken uit de achterkajuit opwalmend, voos en duf, zuur en ranzig. Aardbeien zoetten ’t hevigst en weeïgst tusschen de mestige koolstanken.—Zwaar dampte uit, in de broeierig lange boot, hageldicht bestapeld, de stinkende kleeren der tuindersmannen en vrouwen, de zweetlijven, wàrme walg tusschen de gronderige stanken van ’t groen.—Prachtig, jubel-fel schalden de hooge groentebergen als festijnen van licht, tegen ’t doortrilde, in zon-zwemmende lichtblauw. Daar onder, barokke wal van kleur-woelige kisten, met donkerder groen in onderschepte glansdempingen. Maar hoog-schuimend, gloeide kleurbrand van aardbeien boven alles uit.—Versjofeld en kleurbemorst, scharrelden de tuinders bijeen, in de vroege ochtendboot, al meer, al méér, achter elkaar. Galm-luid, de klok van hoogen katholieken kerktoren sloeg vijf, bevend in de wegstilte en havenrust. Laatste bootsein van vertrek liet kapitein zangbassen over de ochtendleege havenkaai.—Wat karren met aardbei-aanvoer ratelhotsten kei-beukend weer weg, wreed rumoerend door de morgenstilte. Bas-zang van pijpen bleef seinen, als stemmegroet van tuinders naar de verre makkers op ’t land, dat de reis naar de stad beginnen zou. Een dekknecht van „Tuinders Geluk”, had plankier gelicht en ingeschoven, reeling saamgehaakt en kaptein was op z’n stuurstoel geklommen. Statig liet ie draaien, ’t kanaal in.—Uit ’t boothart schokkerde machinedreun òp. Achter ’m aan, zongen pijpen van andere tuindersbooten, stemzwaar en hevig vibreerend, dat de stille starende ochtendlucht[127]sidderde onder ’t dreungeluid. Plots klonk jagend geroep, onder zwaar lommerende kastanjelaan uit, van twee groenboeren die zich verlaat hadden en meemoesten nog met „Tuinders Geluk”. In vlieggang holden ze langs de stille huizen, kei en sintelpad over.—Piet Groome en Anseeler, riepen ’n paar van de boot, over de reeling gebukt,—hee keptain! t’rug!.… twee van Lemmer! Hij had ’t al gezien, toeterde wat zangerige woordjes door z’n spreekbuis naar machinekamer, waarop boothart heviger bonkte, de voorboeg achteruit bijdraaide, dat de kerels in hollende vaart, rood-bezweet, nog net tusschen kisten en manden, over verschansing, heenklauteren konden.—Achter „Tuinders Geluk” lagen nog drie booten, „De Dageraad”, „Ons Welvaren” en „Weltevreden” met tuindersvolk van heinde en ver saamgestroomd, ongeduldig wachtend op vertrek van de voorliggende schuit. Ook daar stond ’t landvolk, achter en tusschen de aardbei- en groentebakken opgepropt, ingekneld; één donker-dreigende, sjofele kerels-stoet, vlak om ’t koelscherm van machinekamer saamgepakt, wegzwartend onder rookwolken van stoompijpen, die dreun-zangerig doorbasten als duistere stem van zwoeg, somber-smartelijk, in den fellen klaterenden zonnegloei van polderlucht, in ’t eindeloos blauw, en weigroen.—Stil zoeften de booten achter elkaar áán, de kerels en wat vrouwen, al meer opeengedrongen, donker tusschen den frisschen jubel en stoeiende kleuren van hun vruchten en waar. In de havenstilte, roerloos weer na zwijg van pijpzang, verdwenen de bootenéénna één onder lage spoorbrug, ’t kanaal in, dat wijd-geplast, zilver-vonkte en dampte tusschen onmeetlijk poldergroen. Stil druischten de kerels weg van wal, de donkere opgepropte stoeten, in de ochtendglorie; zittend of half hangend op en over de verschansing, beklemd tusschen de neerbrokkeling der stinkende kisten, als ’n bende vervuilde schooiers en melaatschen, naarstiglijk verpakt en versjouwd, onder den heeten jubel van hun vruchtengloed. Al de booten waren „Tuinders Geluk” voorgedraaid. Langzaam zoefte die eindelijk, achter[128]de andere áán, onder de enge spoorbrug, zacht-schuiflende pàl langs wanden van brugbogen en pijlers.—Dirk stond ingehurkt naast Klaas Grint, die weer aanleunde, half tegen twee vrouwen, een lange, met ’n gore steekmuts op, de andere met ’n donker rood-wollig kapertje over ’r hoofd gefrommeld. Vóór de vrouwenbuiken, spannend gestrakt onder boezelaar, hoekten kistenstapels waarachter weer ’n stoet kerels gekneld stond.—Tjonge.. Tjonge.. d’r’is nog puur wâ wind op de ruimte hée?.. zei met vertrokken gezicht Klaas Grint, naar de lucht kijkend.—Daa’s net bromde Dirk terug.… hai jai ’n pruim Kloas? nou he’k f’rdroaid main sak legge.… loate!.…—Bi-jai’t Hain!.. lolde Grint, da’ sel woar wese.… roep jai sàin d’r bai op Sint Jan hee?.… hier!.. pak-àn.. moar mondjes-moat.… oue!„Tuinders Geluk” was ’t groote kanaal ingestoomd. Zacht kabbelden watergeruisch en schuim-zilverende vloedgolfjes langs de kanten. Zweef-luchtig zoefte ’t schip voort, tusschen ’t eindelooze poldergroen, bedauwfonkeld met vuurdroppels van trillend leven, robijnen weerlichtjes, en vurig smaragd.… Uren ver, verfonkelde nat goud-groen, glanzend en uitwebbend kleurige hette. Heerlijk frissche windbries stoeide luchtzuiverend om de boot, de voosduffe geuren en stank-wasem wegflapperend, ’t koele waterruim in. ’n Troep tuinders was achter de pijp geklommen, op zwarten kop van machinescherm, waar ze luiig neerhurkten in zonnegloei, of schuin opstonden achter den rooker, koppen fel omlijnd tegen luchtjubelblauw. Er was drukke stemmenhurrie onder ’t landvolk, gesnater en gelach tegen vrouwen, en overal brandende lust om van landgescharrel, marktwaar en prijzen te spreken. ’n Paar tuinders met fluweelig pilow-zwarte vesten en dof-zijden pofpetten, trommelden met hun gekleurde pantoffels, op ’t verhitte plaatdek van machinekamer, ’n orgeldeun meelallend. Plots de bootbode, kerel met roodgezwollen snuit, akteurskaal en voor-den-gekhouerigen, paarsen drinkebroersneus, werkte zich los uit[129]stemmenroezemoes en scharrel van opgepropte tuinderstroep.—Z’n blauwig-glad geschoren komiekenkop grinnikte leukjes tegen z’n volkje en grimassig sprong ie op ’t veilbankje, hoog boven woel-massa uit, grabbelend in guitig steel-gebaar, met z’n hand in ’n grauwen zak.—Tegenover hem, op zon-doorhit koelscherm, zat luiig ingedoken tegen de pijp, ’n kerel met notitie-boekje, klaar om te schrijven. Bootbode, die onder reis van Wiereland naar groote stad, te veel waar van tuinders-zelf in veiling moest brengen, bleef rammelen in z’n zak, lolde wat tegen de kerels onder ’m, dat z’n roodfrissche wangen bolschaterden, sterker zwollen, z’n blanke tanden uitwitten onder z’n bieteneus en tusschen plaatjes-mooie helrooie lippen, hagelrein. Hard en stalig klonk z’n stem, toch vol, met ’n galm er in, als nadreun van klokgelui. Telkens uit den zak, vischte ie ’n blikken nummertje op, afroepend wie d’r ’t eerst veilen zou. Zoo regelde hij de beurten, schreef z’n maat, tegen de pijp, in kookzon luiig weggedoken, namen van veilers op.——Wie mot ’r ’n nommer?.… Gijs Janse! Kaike?.. daa’s vaiftien, klonk hard-galmend z’n stem door den koelen bries-stoei, klank-zangerig Wierelandsch.—Bekermaa’n.… achttien?.… Grint.… drie en veertig! Hassel.… ses-en-dertig!.…—Main d’rook ain!.. riep ’n tuinder uit achtergroepje, die nog wat kwijt wou wezen, hopend op ’n begin-nummer, om ’t eerst te kunnen veilen.—Vaif-en-veertig!.. Nailis Roskam.… hee! „netoàris”… Roskam!—lachte de Bode, lolligjes met oolijken oogenknik naar den „schrijver-notaris”, die luiiger weggedoken lag achter de pijp.—Logge megoggie! nou ka je wachte, gromde de pachter, woest dat ie zoo’n laat nummer beet had. Nou was ie zoo heet geweest op ’n begin-blikkie.—Stem van Bode bleef afgalmen de nummers met veil-namen, en telkens lacherig, uitblankend z’n tanden, bloed-rooie lippenmond wijd open, kraaide ie schooirige grapjes uit, strooide ie schalksheidjes en hekelwoordjes boven hun hoofden rond, omgierd van terugkonkelende[130]stemmen en giegelende kreetpretjes. Telkens klauterden andere kerels op en af ’t machinescherm, naast en tegen de pijp lawaaiend, rond den „notaris”, die overal spottend om z’n eeretitel beschaterd werd. Van hun hooge standplaats schreeuwden ze mee, boden, kochten en verscharrelden, de koppen, warm en zweetbedropen, paarsig en brons-nat, rood en geel-grauw aangegloeid in zonnebrand. Van achterdek af was alles plots naar voren gedrongen om vlak bij Bode te staan. Op kisten, morsige vaten, walm-stinkende manden en zakbulten, hingen en hurkten de kerels, in struikel en klauter, achter elkaar opgepropt.De achtersten, ver van den Bode, loerden tusschen schoudergeultjes van vóórstaanden, in drom saamgestrompeld, heet op den scharrel.—Veertig! vrouw Plenk.… dreunde Bodestem.… vaif.. vrouw Boterblom.… naigtien.… mamselle Kiester.… sestien.… vrouw Zeune!.…Eindelijk had ieder z’n nummer, kon de veiling beginnen. Zacht briesden en woei-koelden luchtige windscheringen over ’t smoezelige, walm-stankige dek, als ging er tochtige wiekslag van vliegende vogels rond. Recht voor den boeg, sprankelden waterglanzige sparteltjes licht, violet-zilverig, paars-goud, kabbel-deinend hemelblauw-vuur, dat in schuimig golfjes-spel zich heet verbraste in damp. Tusschen de fel-groen bezonde ochtend-oevers, komde in eindloozen kring, ’t vlakke zonnignevelende polderland, in vochtige ochtendpracht. En overal rondgekringd, goudden de lage hooi-schelfjes, tusschen siddergroei van korenhalmen, brokken weiland, ontsluierd uit morgennevel, uit nat-dampig goud en zilverende gloeiingen. Schitterig flitste ’t dauw-vuur, dat mijlen ver, weiland aan weiland in arabesk vonkspel omtooverde.Bode op z’n bank, hoog boven de opgepropte tuinders uit, al dichter op één punt van de boot bijeengedrongen, klankte met z’n jolige, rauw-heldere spotstem in:—Wai selle d’r beginne met seve-en-twintig pond raspers van.…[131]—Neelis Skorpioen.… las „notaris” haperig af van z’n lijstje.—Van Skorpioen.… uit Slangetje.… wie sait dur ’n gulde! daa’s vier sint ’t pond!.…Inmiddels had ’n tuinder, ’n zwaren zak doppers losgesjord uit kistenrommel, zich door lijfgedrang heengewurmd, z’n waar, àchter koppen, vaten-stapels en manden-torens, met krampigen arm, hijgend op veilbank vóór Bode neergesmakt. Dadelijk grabbelde die, met één hand tusschen de groene vruchtjes, liet ze speelsch rond z’n vingers glijen en riep weer opjagend:—Prechtig jong goed!.… ruikt puur aa’s.… oo-de-kolonnie!.… wie sait dur.…—Tachtig, krijschte ’n stem uit het menschkluw op de koelkast.——Tachtig, vaif en tachtig, draafde Bode door.…—Naigtig! zenuwachtig scherp, piepte ’n vrouwestem onder de pijp uit.—Naigtig, zang-dreunde, hard-klaar Bode’s geluid nà, tusschen bries-stoei en koelen kabbelgolfjesruisch in.… Naigtig.. vaif en naigtig.… da goan.… eenmoal.… veur de derde moàl.… Rietvink!Pachtertje Rietvink had ’t laatst geboden, kreeg erwtenzak over koppendrom naar zich toegesleept en warm wroetten en graaiden z’n armen, tusschen ’t heete gedrang en getast van lijven. Dwars achter de pijp, waar ’n groep kerels zich spitste op ’t veilgoed, en uit alle hoekjes gretige kijk rondging, klonk dof gestommel en geschuur van voeten op stalen plaat en kijverige stemmenroes, warrelend en schreeuwerig als gesmoorde ruzie.—Halt doar Kempees, krijschte de Bode naar de pijp, t’met d’r al heet! nog gain hallef ses … je hep dur puur nog ’n vaiftien uur om malkoar an rieme te snaie hee?.… kaik hier!.. is dur twintig pond mooie kapcainders.… wie set.…—Tachtig! schreeuwde daad’lijk ’n venter, stemschor, rauw.—Tachtig, van fier kant gelaik!Vrouw Banke, met’r zwartig-rood kapertje over ’t hoofd, ’r korte, spek-vette, trillige armen, boven ’r tonnigen romp-buik,[132]grabbelde in den kapucijnerzak dien Bode op de veilbank sleepen liet.Lacherig schalkte ie, hoog boven de venters uitkijkend:—’t Benne gain kuite.… vrouw Banke.… je ken dur sain nie knaipe!Gegier stortte in, en heeterig aangevlamd in hartstocht, tapten wat kerels schunnige moppen, die vrouw Banke met minachtend lipgepuf afweerde.Bode had toegeslagen, en telkens weer ’n andere venter kwam op àfroep van zangnummer, van achter, bijzij, uit kajuit, door den opgeknelden menschenkronkel heenduiken, met zware zakken of bakken boven hoofd en onder arm, alles neersmakkend in vloek-heeten sjouw-zucht op veilbank voor den Bode.—Nou he’k vaiftig pond piek-faine groentjes!—’n Gulde:.…—Een-tien.… een-tien.. mi je drieë.… een vaiftien!.. een twintig.… mi-je viere.… een vaif.… een dertig!.…Overal keek z’n rood-frissche kop rond, lachte z’n lichtpaarsige wipneus, drinkebroer-komisch, kleurden z’n wangen alsof vrieswind ’n blosgloed op z’n kaken geschminkt had. En hagelwit lachten z’n tanden, tusschen z’n hel-rooie lippen, bij elk opbod. Hoog pagaaiden z’n arm-gebaren door de lucht, hitste z’n stem de venters op. Achter en om koelscherm bleef roezemoes gonzen van kakelwijven en schorrige kerels, rond ’t zwarte stoompijp-gevaarte.——Nou he’k nog twintig pond prêchtige loage woaltjes hee? eerste prime-kwoaletait!.. hai jai doàr!.… kalf-mi-je-natte neus!.… hoeke motte ’t weuse?.…Op plaatdek van machinekamer, dat gloeide van stoom en zon, trampelden de kerels ’n deuntje, brak weer herrie en gestrij los, tot de Bode er met z’n staalharde stem weer tusschen invloekte. ’n Knappe donkre vrouw, was uit ’t gedrang opgesjokt, met ’n zwaren zak voor d’r buik, dien ze met knieduwetjes opsjorde, en in blaas-zucht smakken liet op veilbank. Haar kop droop van roodzweet en gloeiing.——Dominie hiet! paa’sd’r open bran je bekkie niet, schaterde[133]de Bode.… seg vrouw Reep.… soo is dur puur gain vatte àn.… hee doàr!.. help jullie ’t goeie mins ’n handje sjorre.… hooger òp.… soo!.… soo is ’t broaf!Plots gulpte de zwartmastige pijp rook uit, verwaaiend in roetgolvende mistkransen over de tuinderskoppen, hun rompen wegdonkerend in roetbruinen damp. Ze kuchten en vloekten de werkers, achter den brons-zwarten mist, en stil éven bleef Bodestem weg. Maar daadlijk uit wegroeting van rook kwam ’t afgeroepen nummer opzetten, naast de donker-vette vrouw, opdringend met blauw beschilderde manden.——’n Uijtvinding, lachte de Bode, blauwkokke in ’n beskilderde skulpmand.… hi-hi!.… nou minse.… wa segge jullie veur veertig pond blauwkokke!.. prechtige kapcainders!.…Snel en stemme-knetterend joeg opbod-jacht tegen elkaar in.—Ke jài die nie hebbe Dirk, jai hep tug gain blauwkokke teelt!—Es kaike hoeke se goan.—Sestig.… tachtig!.… tachtig.. allegoar!.. Bi-jai-t-Hain!—Naigtig! viel Dirk kalm uit.—Hij kon sullie d’r bestig bruike.… bai s’n aige doppers.… had ie vroag veur bai s’n klante!.…Meer en meer doppers werden opgesjord naar veilbank, en haastiger wisselden de venters hun waar uit. Zak op zak bonkte neer voor den Bode, en woester grabbelden z’n vingers in ’t groen.—Vóór de veilbank gedrongen uit achterste rij, stond ’n oue, beverige pachter, knorrige kop met ingegroeid zwarte vlekken op z’n neus en mottig voorhoofd. Aan z’n bepukkelde kleine oortjes, glimmerden koperig-gouden ringetjes, waar ie telkens met beverige handen naar greep, aan trok en kneep, dat z’n lelletjes bloed-rood gloeiden bòven z’n bontvervigen halsdoek, die morsig om z’n vest kreukelde.—Veur ’n f’randring.… vaif bosse duifeke! wie set dur in!Laag, armen uitgestrekt, hield Bode de bossen wortelen in z’n hand, wortelen, breed-puntig als priktollen.—Die mo’k main hiete![134]—Aràit!.… moàr se sitte vast an twee mandjes postelain.. wie sait dur wá’—Harder, staliger klonk z’n stem, uitdagend, verwaaiend in brieskoelte.—Onder koelscherm uit, kwam roetige negerkop van stokersmaatje koekeloeren. Langzaam groeide zijn lijf hooger òp uit de, hittesfeer rondschroeiende machinekamer, waar ’t heet stootte en bonkte in treinrhytmus.… De stikwarmte uit hamerend boot-hart vloeide rond de groenten en vruchten, stookte en gistte ’r zwijmel van stankdampen. Tusschen de tuinders drong stokersmaatje zich heen, naar ’t dwars-vat met water, gretig loerend naar ’t kraantje en wit-steenen kom. Z’n roetige handen graaiden haastig door opening tusschen wat venters, naar drank. Gretiger nog omknelde hij ’t kraantje, met z’n beenen en romp weggedrukt achter de woelige jagende veilers, die in vuur van koop ’m niet doorlieten. Stil werkten z’n allééne handen en armstompjes in woeligen grabbel, als afgehouen levend, tusschen wat kleine ruimte-spleetjes, lieten ze ’t waterstroompje de kom inkletteren. Zacht-voorzichtig werkten de roet-handen zich weer achteruit tusschen de lijven door, de zwarte vingers krampig strak in greep om den wit-steenen rand gekneld. Gejaagd slurpte stokersmaatje, ingebukt àchter de ventersruggen in klokkende lafenis, z’n heete keel vol koude vloeiing begietend. Weer woelden z’n handen en armstompjes naar voren, tusschen dijen en koppen van laag zittenden, en weer slorpte ie bak na bak lauw vat-water in.——Gaif main d’r ook us ’n koppie, kost tug niks hee? lolde Klaas Grint.Maar roetgezicht van maatje, waarin de oogen nikkerig met ’t vreemd-wild wit hadden òpgelicht, was al weer verdwenen achter de kerels, in de stoom-heete, blakerende machine-kamer.Weer acht bossen tolronde wortelen bracht Bode in veiling. Drie tegelijk dongen gretig, heet.—Ksj.… ksj!.… katjes! joag d’r malkoar moàr op.… schaterde de Bode.… dertig sint!.… veertig.… mooi soo.. ksj!.. kaik!.. da’ hai je Antje Meele.… kom Teun!.. gaif toe!.… gaif toe.… ’t is tug ’n maissie.…[135]Teun lachte, was blij dat ie van ’t bod af was, begreep den vrindenwenk.—Vaiftig.. veur de derde moal.. Antje Meele.. hai je-en-hoord netoàris?.. nou doar dan.… anpakke maid! g’luk d’r mee.… aa’s sullie dur nie veur aige bik benne!.…Over de koppen zeilde Bode de bossen naar Ant Meele heen, ’n rood behaarde, slank mooie meid die opgedrongen stond, tusschen de rumoerige kerels. In vaart nog greep ze de peenen tegen ’r borst op.—Nou he’k drie bakke mooie sloà.… nie te sien.… mo je-en-gloofe.… op éere-wachtwoord.… stoan … onder kiste-stoapel.… bai àn wal te kraige, drie fersche bakke!.…—Sestig, plots zonder voorbod schreeuwde ’n mottige venter op ’n kist, weggeduwd achter twee vrouw-ruggen, èven in wippertje uitrekkend z’n hals, dat Bode net nog z’n pukkel-neus zien kon, voor hij weer snel in die diepte verzonk.——Sestig.… seventig.… vaif en seventig riep Bode, z’n hoofd draaiend naar allen kant, om te kijken of ’r opbod gewenkt werd in verre hoekjes.—Tachtig schreeuwde nerveus, de laagzittend weggeduwde weer, even opwippend, nù met z’n heele mottige kop boven de vrouwruggen uit.—Naigtig, van andere zij klonk ’t sarrend.—Roggemegoggel! f’rek jai!.… die flop is main de heule uchend t’met in de wiele.…. ikke ken d’r niks praise.… of hai is d’r bai.… nou ikke dankkie.… ikke mo nie meur.… wa jou Dirk?.…—Mo jai waite, binne d’r main soake nie!—Nou seg.… dá’ binne d’r drie bakke.… die je nie sien kenne.… drie bakke.… kroppies!.… kenne wel floddermusse weuse.… die sloà, hee?.… heuldegoar slap!.… ikke mo nie.… wa? wà?.… nog hooger.… hoeveul sait ie doàr?—Eén vaif schreeuwde Dirk, éen vaif.… je mag je wel hoaste laileke brompot!—Roggemegoggel! ikke mó’ nie’.… kenne wel puur floddermusse weuse hee?.… mijmerde ie voor zich uit, tegen de[136]donkere wollig-besjaalde wijfruggen op, met z’n weggezakten kop in de diepte.Van allen kant gonsde snater en rauwe klankenwarrel van stemmen. Zon gloeide fel, barnend, stoofde de stanken, de broeilijven, en al pafferend zweetten de kerels, in lollige rumoering van veilhartstocht.—Nou stoàn ’k tog puur van drie uur.… f’rdomd aa’s je hier sitte kenne, klaagde ’n tuindersvrouw, met morrend, moe-nijdig gezicht, ’n zwart breikous-stompje telkens van d’r borst, onder d’r kippige oogjes trekkend. Snel, in naaldflitsend beweeg breide ze mopperend voort, van ’r vingers-dansend draadgeweb, aldoor òpstarend naar Bode en groenten.—Geen gaatje plaats was er meer op de boot. Al de tuinders, lomp en hebzuchtig, hadden zich neergesmakt op manden of kisten of stònden op koelscherm. Dikke dijbrokken en achterwerk van ventsters, spanden ingekneld tusschen broeibeenen van kerels. Tegen de donkere pijp in ’t luchtbrandende blauw, leunde ’n troep beweeglijke werkers, lachend en krijschend, grimassend achter stillen rug van kapitein. Ze lolden met de breiende vrouw, die kippig en doodmoe van ingekneld-staan en hitte, niet veel zag van de waar, knorrig gromde, dat ze nog den heelen dag te sjokken, te venten had in de stad, in die pesthitte, en nòu d’r beenen al voelde als verlamd … En aa’s se d’r nou moar ’n kop leut kon naime.… ze had d’r dorst en honger veur drie.…Nerveuzer breidde ze door, tegen ’t hoofd van een kerel, vóór haar buik en beenen neergehurkt, d’r stuipig stompje kous boven z’n pof-pet komiekerig verkronkelend, onder de snelvingerige webberijtjes van ’r naalden en draad. Telkens flitste zon bliksemend licht op de naalden, die even hel-elektrisch gloeiden en schichtige flikkerpijltjes puntig àfslingerden, tusschen de sjofele kerels en hun morsige stankplunje.—Bode had uit de kajuit ’n borrel gekregen, gelijk met „notaris,” die in vadsige houding bleef luieren in zonnegloei, tegen de pijp aangeleund, den borrel in één achterwaartschen smak van z’n hoofd, z’n keel ingoot.—[137]—Netoaris hep ’m glat laid s’n happie!.. lolde ’n groenboer met afgunst, hunkerend naar eigen zuip.—Rooie kop van Bode lachte, mond-wijd.—Z’n tong klapte klakjes van genot tegen z’n gehemelte òp en prachtig z’n tanden glinsterden blank tusschen z’n vuurrooie lippen uit. Lustig hadden de venters den zoet-inglijenden borreldronk beloerd, want allen snakten naar ’t brandvocht, zalige lafenis in de venthitte.——Nog een borrel veur aige bik, veur de Bode, ironizeerde Klaas Grint.… enne een veur de „neerstige netoaris”.… daa’s veur sain drooge keel van ’t skràive … hei smoàkkert?Dirk veegde z’n mond af, watertandde, voelde flauw speeksel op z’n lippen klefferen, en van allen kant, de zwoegers rumoerden heete grappen rond, nou er zoo vroeg al door de „heeren” geheschen werd.—Strakk-en-an jullie beurt hee?.… beet de Bode terug.. En nou!.. manne broeders!.. luistert!.. tien bosse rebarber.. segge tien.… wie seit dur?.…Van alle kanten tegelijk, krakeelde bod tegen elkaar òp. Een vurigste, schreeuwde hoogsten prijs, bleef winner.—Veur Vink.… ses bos.—Nou he’k nog vaiftien.. wie sait dur? Weer daverden stemmen in golfstoot tegen elkaar in. Geraas kraterde los. Ze scholden, keven, nijdigden, nu de làter-geveilde rhabarbers veel goedkooper gingen dan de eerste.—Da’ binne dur gemoedereerde liefhebbers, grinnikte de Bode.… nog ses bosse.—In woesten slinger zeilde ie de verkochte stelen naar den groenteboer die ze gekregen had.—Gooi jai hullie moar in ’t bakkes hee, jai kailt moar roak t’met!—Nog vaiftien bosse vàn.… „netoaris?.…”vroeg Bode, doend of ie niet merkte dat ie ’n kerel pal tegen z’n pijnlijken neus gemept had.—Houweke!, schreeuwde achter de pijp notaris uit, met even oprekking van z’n hoofd uit luien armenleun.—Dirk bood ’t hoogst, kreeg ook, in joligen zwier, de heele vracht van Bode toegesmakt, pal in z’n armen. Maar nergens kon ie zich roeren, wist ie z’n bossen te bergen. Schuin[138]achter ’m hing al ’n rij manden, los, tusschen vaten en kisten.—Met de vracht z’n armen ingekneld, paf van zweet en hitte, bleef ie staan, tusschen de zittenden, hurkenden en woelenden; probeerde ie zich langzaam los te werken, met z’n zakken erwten en manden, uit het wasemende, broeiende menschenkluw.—Nou nog sestig pond witte kapcainders.… wá’ segge jullie nou.… de loatste ressies.… Veur d’n dag manne.… dappere vrouwe of te wel kenàu-Ha?.… neenet.… kenau.. boè seloars!.…Zwaar sjorde ’n zak uit ’n bres geboorden hoek, op veilbank. Half afgezakt van den zinken rand sleepte ’n pachter z’n waar bij ’n touw, blaas-hijgend van hitte. Maar niemand bood meer, dat woedend de kerel z’n vracht van den veilbank terug rukte, opbonkerde tegen beenen en hoofden, met ’n vloek achteruitstoof, rood van gift. Z’n waar schoot de bres door, die achter ’m weer sloot, knellend, walmend-benauwd.Tusschen den muur van koppen en ruggen, gromde ie nijdig nog:—Wâ suinige Job.… die laileke takkebos kaikt je an of je ’t d’r stole hep!—Nou wa’ dan.… pluk jai vaire van ’n kikker hee? aa’s d’r gain sinte binne, moedereerde ’n oudje, z’n neus hard snuitend met ’n vuil rood zakdoek, dat ie als geronnen bloedlap tusschen z’n beverig gelige vuist kreukelde.——Nou he’k nog vaif bosse wortele, schoof ie weer nijdig af bij ’n ander.—Dank hee?.… ken jou wortele nie hebbe.… binne main veuls te groot.—Loop jai rond, duufelstoejoager.… sain f’rassereerd-goed.—Disketeere komp hier nie van paa’s foàder!.. lachte de Bode.… wá’ há’ je nog meer?.… komt dur dan mee veur ’t licht hee?.… O? wà? niks meer? niks?.… dus je bin dur uit! Mooi!.… dan he’k hier nog ’n prechtig kisje ongetelde tuinboone.… Wie sait dur veertig sint.. veur die heule sak.… soo wait aa’s de broek van vrouw Zeune![139]—Vaiftig dofte ’n stem!—Sestig, er boven uit gilde één heeter, trillender.—Naigtig, ikke mose hebbe snauwde een ander driftig.Weer zag de kerel op de lage kist, weggezonken achter de stom-breede vrouwe-ruggen ’n koop afgetroefd door z’n veiling-vijand.—Even had ie weer ’n wipper van z’n bak genomen, den mottigen kop uitgerekt en gezien, met woede, dat ’t z’nouëtegenstander was. Nijdig trampelde ie met ingeknelde zenuwbeving z’n beenen naar alle kant, dat de makkers voor en achter ’m vloekten en duwden, om de bemorsing van hun plunje.——Ben jai daas snurkert! hak je beene d’raf, aa’s je hullie d’r nie stil houe ken.Weggezakt weer achter ruggenmuur, z’n pukkelkop gebukt, kookte ’t weer in ’m van drift, probeerde ie zichzelf wijs te maken, dat ’t toch veel te duur ging, hij zelf blij moest zijn dat ie ’r zoo goed afgekommen was.—Haa’k strak-en an meskien die floddermusse had.. en nou.… potdoorie.… die haireboone!.… ongeteld!.… sitte d’r vast gain duusend in.… magge veur main bestig hebbe.… haha, wat ’n dolle smak.… Nou.… ikke mo nie!.. wa?.… wà?.. hoeveul sait ie?.… kaik.… prechtig! prechtig, joàge hullie sain d’rais ook op!.….. kaik! nog hooger.. hoor main-dàt-t’rais an!.… kaik.… goan die nog hooger! hoor! daa’s d’r puur doas.… Wá’ brenge die op?… vast gain duusend in.… ongeteld! Gain duut!—Een vaif en twintig, staalhard, hortend klonk Bodestem.. mi je tweeë.. één dertig.… mi je drieë.… éen vaif en dertig.. één vaif en dertig.… een vaif en dertig.… éen moàl.… andermoal.… veur de derde moal.… Ritsema!Stomp keek ie, de hals rekkende venter, stomp op donkre vrouwruggen. Zacht, in zenuwnijd trampelden z’n beenen tusschen engte van lijven, schijnheilig overgaand in ’n deuntje op ’t doffe hout, en brommerig raspte z’n ventersstem, dat ie d’r niks van hebbe most, van floddermusse en ongetelde boone.——Nou nog veertig pond peule, bestige, malsige, soetige,[140]schreeuwde de Bode, nog de loàtste ressies en dan is ’t puur daan!Weer stortte ’n veiler rhabarber neer op de heet-zonnige zinken veilbank, die dampte van geuren als ’n wierookaltaar. Weer sjorden zakken doppers òp, en voort joeg onder proestlach en juichender krijsch, gedol en nijd, de roezemoezende koop; kwam er begeeren naar eerste schoft in de schorre, droge, heete keelen. Drukkender hitte gloeide en zwamde néér op menschenprop en koppen. Warmer stanken in zonnevuur, ontbroeiden op hun morsig vel, en de kajuit ademde wee-zoete luchten uit, van bakmuilen en grijnzende mond-manden, walmzwaar en duf-bezwangerd, naar ’t dek. Aardbeien, wee-zwoel geurden rond in ’n damp van benauwde zoetigheid, en telkens, in verschuif en versjouw van groenten, brandden de kisten hun rood uit, in zengenden blaker; kogelende vruchtjes vuur tusschen helgroen en zacht bleek, donker droef groen.—Groen, rauw als plankenkoloriet van Zaandamsche hutjes, omzond in heete murmeling van zomervreugd; tusschen pastel-teer bleek-groen.—En alles daar, zoefte voort in ’t landelijk kanaal, ’t hel-rood, ’t groen, ’t donkere en licht-felle, ’t brandende wortelenoranje, de zee-groene lichtverwiegende kroppen, de pastel-fijne erwten, de boonen en bakken, stoofgloeiend onder ’t blauwe vuur van de eindlooze lucht, hemeldom van brandend lichtblauw; hitte die wit vergloeide in daverenden zonnebrand op wei en bouwgrond, eindloos in ’t rond.Als schroeiend brok zomer, levend brok aarde, in schipvorm saamgestampt, zoog de boot door het schitter-fel, licht-beketst water; als kleur-drijvende aarde-ark van groen en rood, tusschen goud-koperen gloeiing van roer-brokken en randstukken in glimmigen zwier van verglijende glansen. En rond de groente-ark, de hevige wemel, ’t brandende trillende koloriet van alkleurig kistenschmink. Vóór „Tuinders Geluk” zwierde kleurenbrand van andere booten, tusschen de heete zonneoevers van eindloos poldergroen. Vaag rumoer van stemmen klonk daar òp, achter de pijpen. Van ver brandde ’t aardbeirood uit kistenmuur, feller, hevig-heerlijk tegen hemeldom van[141]brandend blauw. En windeke van zomermorgen, briesde en stoeide, koel-streelend en wuft om de vruchten, de zweetkoppen. In ’t water ruischte ’t golfjesschuim, stoeide de zon met z’n sprankelend vuur van zilverend-goud. Droom’rig murmureerde rhytmische kabbeling van zonne-golfjes, om boeg en steven heet vervloeiend.Dirk stond van geuren en bries bekoeld, polderland te overstaren. Van den luchthelm naast ’m sprong plots ’n rooie kerel àf met ’n zwaren zak lage waalen.—Rook wolkte over hen uit. Donkere gulping en bronzen veeg van stoom verroette, en pijp-zang baste in beev’rige galmen ’t vuur-stoeiende watervlak over. Bronzerig in wolksmook, verlicht in dagbrand, bleef áánroetten de rook, dat de kerels vloekten achter de pijp. De rooie venter, kuchend en keelschrapend, sleepte z’n zak op veilbank, van boven nauw dichtgesnoerd met ’n dikken vuil-witten band.——Wa binne ’t veur snoake?.… vroeg ongeduldig van z’n bank, de Bode droog-komisch op den rooie neerkijkend.—Sestig pond loage woale.… de leste!—Sestig pond.… prèchtige loage woale, schreeuwde Bode dadelijk, zonder te sien.… fersche, malsche woale.… wie sait dur honderd gulde.…—Eerst kaike hee?.… se kenne d’r puur te dik weuse, norschte ’n vrouw.—Sièn je woàr, duwde Klaas Grint er tusschen door.Gejaagder morrelde de Rooie aan den zak, driftig rukkend, aan ’t wit stuk band dat er niet afkronkelen wou. Bode ophitsender, bonkte al met z’n handen op schouders van den venter, grimassig doend of ie ’m hielp trekken. Ongeduldiger geprikkeld, verhit, dolden en schaterden de kerels op ’m ààn.—Die boel ken d’r nie los, vast nie.… da’ binne d’r gain woàle.… da seg ikke jullie!.. smak die gaip op s’n almenak.. da s’n ribbe kroake!—Aas je main! je ben d’r nie lekker op.… aa’s ’n kikker op ’n kluitje hee?.… verontwaardigd snauwde knorrig en sputterend van vermoeienis de rooie groenboer terug, z’n zak[142]even loslatend, van verlamd moeheidsgevoel in z’n armen.—Furt d’r mee, los die rommel, joeg de Bode weer op, dien ’t nou begon te vervelen.… furt! of ikke sèl ’t doen.… f’rdomme, ’t kroakt hier op de bank of Sinterkloas er reeë heb!Van z’n stoel, beenen uitgekromd, rukte ie aan de zak, nijdig met driftige handmeppen, maar de knoop bleef in kronkel gesnoerd. Giftiger rukte de Rooie, dat ’t vette glimzweet van z’n blanken kop waterde. Niets hielp. Allen in voorsten rij beukten en rukten den zak, die als ’n levende romp, gepijnigd op folterbank, in z’n grauwbrons en plooi’rige vadsigheid méékronkelde en stuipte onder de driftige meppen der kerels. Lol hadden ze ’r van, gierende lol om de zweetende, vloekende onmacht van den rooien groenteboer.——Da’ goan nie, dolde Klaas Grint, hai hep sain d’r vàstbakt.…—Nou, ikke seg daa’s ’t kouseband van sain tante!.…—An-main-hupla!.. van sain skoonmoeder t’met.… die hep dur koabels om d’r kuite!—Niks gedoan! ’t kouseband van sain maid! kaik d’r stoan ’n merrekie op!Woedender voelde de kerel hitte-drift in zich òpfuriën onder ’t heete geschater en de stekelige lolletjes van de groenboeren rondom.—Maar ’t dolst maakten ’m de nijdige grapjes boven z’n hoofd van den Bode, dien ie niet zàg, maar hòòrde grimassen. Eindelijk viel ie nijdig op den zwikkenden en krampenden zak áán, beet er z’n tanden woedend op in, rukte den knoop heen en weer met z’n drift-gloeienden mond, als ’n hond ’n been-kluif,—knaagde, scheurde en knarste. Even kwam er ’n stompje loswarrelen. In grabbel trok ie z’n mes, sneed plots den band door, dat de zak, gerammeid, gehurkt en vernederd, van boven lossprong uit z’n worgenden klem als met ’n snikzucht naar lucht.—Weer nieuw goed werd aangesjouwd, nù losse slabakken.—Mo’ je nog twai bakke, soo uit ’t knuisje van Knelis Tijsse?—Hee, hai je d’r veur main ook nog twai?[143]—Ikke hep per nog één veur je, krijschte ’n ander er dwars door heen, veur de hàlft van sain prais.—Daa’s liederlik, jai natte kip! hou je bek, jai ben d’r nie in vailing.Met ’n grooten bak sla wou de dwarsdrijverige onderduiker zich door het kluw venters heen werken, maar van allen kant, bonkten ze’m terug, moest ie, strompelend en struikelend maken dat ie weg kwam, ’t stillere boot-achterend op.——La’ da’ varke nie deur.… eerst de bakke van Tientjes wèg.… hee Tientjes! wa hai je dur nog meer?.… rebarber he’k had, peene, sloà, postelain ook.… boonekruid … loate „spanneezie”.…—Ben d’r uit! schreeuwde Tientjes opgeruimd terug!—D’ruit! mooi, dan he’k nog tien bosse faine peene!.…’n Sjofele, monsterleelijke tuindersvrouw, rimpelig begijntje, met dik-apige lippen en naarvoren gestomd kakement, had zich, in ’r hard-geel manteltje, vooruit gedrongen, bij kleine stootjes en duwetjes. Nou alles op ’t end liep, ’r verslapping kwam, en wrevelige hang naar schaft, drong zij vooròp, listigjes spekuleerend op vermoeiing der andere groenboeren.—Met schuchter-zwakke stem zette ze’n bodje in, en plots dromde woeste snauw van alle kanten tegelijk op ’r af.—Saa’k laife! da’ hai je ’t kallef mi-de-natte neus.——Loà de boere moar dorsse! ken hoàr ’t skele, minachtte ’n andere vrouw met venijnigen, puntig-bitsen kop, bejeukend d’r scherpen neus, die uitpriemde als ’n boor onder ’r gore steekmuts. De eeuwig-breiende ventster, moe, met ’r knorrige moppertronie, snauwde mee, schril. Niemand gunde ’t rimpel-begijntje ’r sjofele koopjes.——Roggemegoggel! de gele medam hep ’t puur op d’r heupies.——Se hep o-de-keloonie van d’r gelant op d’r jakkie, hoonschaterde vrouw Zeune, en de brei-vrouw rolde weer ’n vloek naar d’r verschrikt snuit.—Veertig.… sint.… veertig, hakte de Bode door stemmen-gesnauw en gekef heen.… veertig eenmoal!.…[144]—Vaif- en veertig, nijdigde ’n andere vrouw, alleen maar om òp te bieden, wrevelig-wetend dat ze de waar toch niet noodig had, volgepropt als de mannen en wijven al zaten, bij den laatsten rondgang.—Vaif en vaiftig! dolde ’n kerel ’r tegen in, die de gele madam niet luchten kon, met genot ’r uitgehuilde kaken zag verangstigen.Zweet-rood glom de gele madam, stotterend in verlegen angst, bekrabbend ’r apigen gelen mond en kin. Benauwd glunderden haar oogjes, vol glinsterig, sluw-bang licht, òp naar den Bode. Want op ’t eind van elke veiling was zij taai, zij, dat wist de kerel.—Sssjesjjtig, siste ze even uit, met ’n wenk van ’r magere knokels, sluw, schuchter toch.—Nijdige snauwhoera’s gierden ’r hoon-scherp tegemoet.—Je man kaikt mi sain skele lampies noa je hain!, sarde ’n tuinder achter ’r rug, haar telkens porrend tegen de schouers, dat ze schokte.—Nouw sssjjoà.… nouw sssjjoa.… aa’s.. aa’s … tongsleepte ze, in wanhoop opgejaagd om hooger te bieden. Haar naar voren gestomd, geel kakement sidderde van zenuwschokjes, ’r apige lippen trilden, en ’r ingedrukten neus, wijd opgewipt bij de reukgaten, bewreef ze onder ’t lispen.. nouw.. sssjjoà.. jullie gunt t’r main gain sssjjpòg woàter!—Wa’ mò je tug mi die peene veur sestig uitvoere waif?.. je koop hullie pattekelier veur vaiftig bai ònster.… lolde een weer in hoontoon.—Nouw sssjjoà … nouw sssjjoà … brabbelde ze verlegener terug, òpstarend in oogenangst naar den Bode, met zenuwsnel wimpergetril, als hing ’n slingerend mes boven ’r hoofd,—De vrouwen grolden, konkelden en schaterden vinnig jaloersch, lol-woest, dat ze’r zoo hoog opgedreven hadden, in hun gejaagd bieden.—Nou mag sai d’r biertje loàte werrike?.. Bi-jai-’t-Hain!—Sestig, eenmoal, veur de derde moal, hakte de Bode droog door, vrouw Joapeke![145]Ze beefde als ’n riet, vrouw Jaapeke! Ze voelde, in ’r zenuwangst, dat ze toch te hoog was gegaan. Bang graaiden ’r gele, breed-bemouwde, slobberige armen, naar de penen die de Bode tegen ’r platte borst smakte. Geel-rooiïg vervlekt, dampte ’r tronie, dat monsterlijker rimpelde als oudwijverig apenbakkes, in glimmig zweetvet. Niemand durfde ze aankijken, als had ze een gemeene streek uitgehaald. Tegen ’r hardgeel, verkaald kort manteltje, knelde ze zenuwachtig de peenen, en banger loerde ’r monsterlijk verdroogde begijntjes-kop ùit, tusschen den fellen daver van ’r wortelen-oranje en ’t fijn-kartelig uitgeknipt donker groen loof.——Nog twai koopies, dan is de skaft dur, lachte de Bode, ’n bittertje weer met smaktong wegklapperend en opzuigend z’n adem.—Nou he’k nog ’n sak mit laifende woar.… gain f’rklikker in de buurt?.… niks nergens peliesie?.… wel-nou-dan!.. dan he’k hier spring-laifende woar.… twee prêchtige kenaintjes!.… kaik hullie tippele!.. kaik hullie tippele!.. la’ main in gos noam niet langert proate.. beste minse!De grauwe zak had ie opengefrommeld en er met één hand, bij de ooren, ’n donzig blond konijntje uitgegrabbeld, dat angstig spartelde en voorpootjes kramperig tegen wit-bevlekt borstje òptrok.—Schater barstte òp naar ’t hangende diertje, kerels gierden, vrouwen gilden.—Sou ’t d’r ’n broertje.… of ’n sussie van sain, moar dur sit dur nog een percies-eender in de sak.. wie blief dur hullie!In rauwen humor, de twee ooren in één hand saamgeknoopt, keerde ie konijntje naar zich toe, ruggetje naar de koopers, vroeg ’t, venijnig tikkend met vingertop op beweeglijk zenuw-trillend neusje:—Hoe vint ùfus de f’rgoadering.… die ùfus broàde sel?ouëjonge?.…Heet gegier raasde uit den troep en konijntje draaide ie rond aan z’n ooren, dat dierke als ’n spiraalwrong, weer duizel-snel terug-schroefde.—Kramperiger spartelden opgetrokken voorpootjes;[146]suf bleef staren ’t stomme kopje tusschen engen oorenknel; sneller en verbluft trilde angstiger ’t blanke neusje.—Vrouw Jaapeke was er weer ’t eerst bij met ’r bod.——F’rvloekt, die komp nou altait op ’t lest! stiekem uit ’t hoekie.… snauwde de brei-vrouw weer, giftig doorwriemelend d’r steken, bij webbende vingertoppen.—Is juffer luiwoàge weer an ’t woord? spotte ’n groenboer naast ’r.—Nouw sssjòa … nouw sssjjoà … kauwden ’r dikke lippen weer, en zweeterig, met rooie vlekken, rondgetrokken als doffe bloedvinnen, glom ’r gele begijnentronie. Angstig loerden ’r oogen òp naar ’t zacht nog nàschommelende konijntje, dat de Bode telkens kleine draai-duwetjes gaf. Droeverig-gebluft staarde ’t kopje, de oogjes trilden, keken wijs, als voelde ’t deernis, dat ze ’m zoo plots uit z’n stik-donkeren, duffen aardappelenzak, in ’t felle zonlicht daar te kijk hingen. Z’n spichtige steilgrijze snorhaartjes beefden en z’n weeke angst-bekje mummelde wat, als verkauwde ’t z’n eigen angst.——Veertig éenmoal.…—Sestig, ’n rauwe stem van tuinder klonk achteruit.—Ksjt! ksjt! katjes.… siste ’n kerel, sloan jullie de gaile medam veur de sokke.…Weer trok weduwe Jaapeke beverig aan ’n grooten knoop van ’r hard-geel manteltje; sterker beefden ’r oogwimpers.—An joù juffer luiwoàge!.. veur aige bik!.…—Wa’ mot dur medam mi’ knaine van doen? sai frait d’r puur kalkoene!.…—Nouw sssjjoà … nouw sssjjoà … sleeptongde en lispte ze angstig terug, afwerend duwen en grapstooten in rug en zij, jullie gunt dur.… gunt dur.. ’n minssjch nikssjch.Angstiger loerde ze naar Bode òp, of hooger bod inviel.—Sestig één.… sestig anderr.…—Vaif en sestig!.…—Mooi soo!.… gooit de boel òp waife;.… aa’s alles brandt brandt woater ook.. la’ jullie je aige nie troefe.. van die gele sloerie-ekster,—stootte ’n venter uit, grinnekend tegen ’n buurman.[147]Weer had vrouw Jaapeke den Bode stiekem gewenkt, vlak op z’n schoenen, schuwtjes-snel ’n knauw met ’r beverige handen àfdrukkend.——Aaj! vrouw Joapeke! main eksterooge! krijschte de Bode een arm en been lawaaiig-komiek de lucht insliertend, ’t konijntje meeslingerend bij z’n ooren.Joelende hoongier schaterde los. Vrouw Jaapeke stond bedremmeld, nu Bode ’r in z’n lol verraden ging, dat zìj aan ’t bod was; dat zìj op z’n schoenen gedrukt had. Weer hooger ging tegenbod;.… angstiglijker rilde gedachtetje door ’r heen, dat ze de beesjes niet kreeg.——Sien jullie, de gele medam waa’s ’t weer!.…—Anme huppla!.… nou kraig sai twee fraiers thuis!..—Tachtig, hakte weer door de Bode, en weer voelde ie ’n half verborgen druk van vrouw Jaapeke’s beverige knokels op z’n schoen.——Vaif en tachtig eenmoal.… andermoal.… veur de dèrde moal!.. vrouw Joapeke!Weer barstte ’n rauw hoera los, rond de gele medam. Ribbe-stootend bonkten ze’r, gilden en hoonden de jaloerschen om ’r heen.—Want ze wisten wel, dat zij dingen plaatste, die anderen nooit gebruiken konden, bij wijven in de Nes. Daarom durfden ze niet nòg hooger tegen ’r opbieden, bang dat ze ’r misschien aan hangen bleven.—Bode had konijntje weer in den zak gesmakt en rolde de levende waar vrouw Jaapeke tegen ’r platte borst, boven wortelenstapel, waarmee ze nog onder de armen, tusschen de mensch-kluw ingepropt knelde.—Saa’k f’rbrande aa’s ’k snap wá’ ’t waif d’r mee uithoale mot.… verleje.… mi Juni hep sai ook.. die vaif prêchtige leeuwerikkies kocht.… die hassebas.… woar hoalt ’t murmel de sinte van wèg!.…—Van beroep is d’r man tug stroat-oàrm, hoonde ’n ander.. hee! gele medam, koop jai d’rais ’n nuwt stelletje kiese hee?.…—Trek jai d’r veere van ’n kikker! schaterde valsch mee de vrouw met d’r rooie kap en woelige sierseltjes, boven ’r voorhoofd.…[148]se is t’r moager aa’s ’n tang! en ’t laikt dâ se koopt veur aige bik!—Nou, grinnikte de brei-vrouw,—in de stad … loopt ’t mins.… soo ver aa’s de hemel blauw is.… en roakt t’met nooit niks kwait van d’r kar.—De leste koop!.… luistert wèl, goê-liën, schalde hoogklaar de Bode weer,.… om te beginne en an te vange mit ’t begin, he’k hier ’n prèchtige takrooie maidoorn.… wie blieft.. wie-sait!Van vier kanten raasde áán, dooreengolvend stemgekletter.—Tien! vaiftien!.… achttien!.…—Mit je àlle achttien, lachte Bode, mit je àlle twintig.… wie mot!Dat was blomgoed, waar de hééle stoet op loerde.——F’rfloekt.… de fint snait d’r ieder dag ’n takkie van sain boom.… aa’s tie dit joar.. gain tachtig pop veur s’n boom moak, hiet ik puur gain Teun Stainders meer.…De eerste bloemenkoop was weggerùkt. Langzaam achter ’n stapel aardbeikisten, wrong groenboer nog twee kleinere takjes. Maar nòg schreeuweriger, voor hooger prijs, kochten ze die in. Ze wachten er op, en hurrieden alle tegelijk er om.——Op is de boel!… gelukkig, kwam d’r aêrs nog muiterai an board.… Moandag weer ’n handje!.… lachte de Bode, en nou he’k hier nog prèchtige lelies.… wie mot dur.. wie?..Nauwelijks had ie de vormfijne lang-stengelige bloemen in de handen of ze smakten op ’m neer. Twee vrouwen rukten ’n heel bosje uit z’n warme knuist.—Ikke ook, ikke mot d’r òòk.…—Hier.… doar hai je vast màin.. vrachie sinte!.… Ikke hep d’r tien!.…—Màin.… main!.… daa’s gemàin, gilde ’n ander.… ikke hep d’r eerst sait!.…—Krikf’rdorie.… die blomme luchte lèkker, snoof Dirk verbaasd-loom òp.. die mo’k hebbe veur main klante!.…De vrouw met de stuipige breikousstomp was plots òver de hurriënde en dringende kerels heengebukt, ’r vat-breed achterwerk[149]’n groenboer langs ’t gezicht schurend. In woesten ruk, had ze vrouw Jaapeke de lelies uit ’r hand gescheurd, de bloemen haastig in d’r schort beschermend.—Vier andere vrouwen, met verkoop van veiling, zwaarlijvig bijeengeklonterd, sprongen bijzij op gele madam af, om te zien of ze nog meer blommen bergde.—Maar in één ruk had de breivrouw ’r leeggeplukt. Grienerige woedetrekken groefden om schrei-mond van gele medam, en sputterend spoog-lispte ze vloeken uit, naar de woeststerke wijven. ’n Endje van vrouw Jaapeke af, waren nu wat groenboeren op de brei-vrouw losgesprongen, om die den blommeboel te ontfutselen, bonkend en haar bekrijschend dat ze niet had laten uitveilen. Maar breivrouw weerde zich heftig, trapte naar achter, beukte opzij, in den knellenden warrel van graaiende en rukkende handen, stampen van beenen en lijven. Bodestem schalde plots bòven ’t warme stoeigewoel uit, in lach van z’n frisschen kop.—Nou nog wa’ prêchtige pioene, wie-se-hep kraigt de staikels.… ikke hou de blomme—.. In wat tellen hadden de venters ’m afgekocht.—Broeierige woeling gistte los in den veiling-prop.—Snikhitte dampte om hun zweethoofden. Zon priemde fellere lichtlansen neer op de boot. Elk plekje braadde en kookte.—Spraakloos buiten ’t gewoel, stond kapitein voor zich uit te staren, ’t vonkwater in, en hoorbaarder nu, achter veilingstilte uit, klotste de golfjeskabbel tegen schipwanden òp in schuimende koeling en week ruischgestroom.—Hunkering naar ochtendschaft ging rond. Om den Bode klonterde de menschenkluit los. Twee dikke groenboeren kankaneerden in nauw gangetje van hangende manden en kisten, naar de kajuit. De dikste, achteruit dansend, met kwabbige schommeling van z’n vet lijf en spanning van dans-dijen, strompelde gladkoperen traprichel af. Springend met kromgebogen armen, ’n zwaai de lucht in, plof-bonsde de andere op z’n borst en buik. Achter hen ààn, trampelde ’n heele bende naar beneden, de kajuit in, waar al wat kerels, mistig berookt in halflicht hoekje, saamgebroeid hurkten achter hun manden.Als ’n laag-bezolderde ark, spitsig toeloopend en hellend bij[150]den boeg, dampigde de kajuit, volgesmookt van pijp- en sigarendamp, snikheet. Groòter en ruwer dan in ’t fel deklicht, onder half schaduw nù, lijfloom neergesmakt op de rooiige ruw-bekwaste banken,—leken de vrouwen- en manskoppen in de kajuitsdiepte. Achter enkele half-verduisterde hoofden, wangbrokken en kleurig haar, stroomde zonnelichtspuiing, door hooge ronde kijkgaten, beomtrekkend èven wat tronies in zoom van goud, fijn vloeiende lijn, die gloeide soms als electrische lichtdraad. Schuwere glansen schoten door morsig beruite kijkgaten, hoog ingeboord boven boeg, scheemrig vervloeiend in de halfdonkre kajuits-sombering.—Langs de wanden en midden in, plankten de ruw-rooiige banken, breed, waarop neergesmakt dromden in stomme hurrie van punten en brokkelige kanten, kisten, pakken en manden.—In de kajuit stonk ’t duffer, vunzer nog dan op ’t dek, waar dòòr de groenteluchten heen, soms nog ziltig zoute lucht van zee-windstroom aanwoei. De hooge kijkgaten, ’t heele schip langs, brandden in reflexvuur van kanaalwater en zonnegloed, tusschen ’t opkruipende half-duister in de stik-heete kajuit, als gloei-gouên oogen. Tegen de grijs-grauwe morsige zoldering zonden wat lichtkrinkels, die trillerig door elkaar heenspiraalden.—Vlak onder de gloei-gouden licht-oogenrij van kijkgaten, doorzond en fel-verblindend, kropen schaduwtinten langs verdonkerde wanden, zonk de kajuit in, vaag-kleurig van paarsen rook, even doorneveld van zwakke glanzen.—In al òpgeknelder drom trampelden de vensters van ’t dek, smakten zich neer op de banken, tusschen hun pakken en kisten.—In roodbruine somberheid plankten de banken, en heel de kajuit, met de oppropping van koopwaar, leek ’n groef, roodsteenig en duister, waarin schipbreukelingen saamgevlucht stumperden, bàng omknellend hun laatste rijkdommen.’n Lange kerel, met heel kleine oogjes, z’n hoofd de zoldering rakend, waaronder z’n gebaren reuzigden, holde heen en weer te bedienen, stapte telkens op ’n vrouw af, die op bankpunt koffie schonk uit ’n bruin beschilderden koffie-stoomketel. Tegen muur van kajuitstrap, donkerde inhammend buffetje, waarin opgedrongen bijéén hinkten, diendertjes, manke jeneverglaasjes;[151]tegen elkaar leunden, flesschen, koppen, broodbonken, kaas, steenen bordjes en sigaren. Van alle kanten, uit de half duistere kajuit, tusschen het triestige roodbruin van banken en morsig grijs van zoldering, roezemoesden zeurige, teemende en krijschend-jolige, hakkelende en sputterende stemmen. Uit elken hoek warrelde geraas, gekakel en boerenwoest geschater. Gretig pakten de venters hun stukkenzak met halve broodhompen en mikkies uit; hàpten, hàpten.—Koffie main!—’n Bakkie g’laik!De heele bende verdonkerd en ver-reuzigd onder lage zoldering en balken, slurpte koffie. Overal, ingebukte nekken en gezichten, de warme lippen op de groote kopranden platgeperst, vuile handen rond de kom gekneld.—In anderen klauw, de halve mikkies gegrepen, hapten dierlijk de geile ruwe monden, slurpten de tongen, grepen en persten de morsig levend-beweeglijke vingers, groen en bruin vervuild van smeer. Op verhoogd boeg-end, druk roezemoesde ’n gierend troepje, de beschaduwde koppen naar elkaar toegebukt, in raaskallende lol, omwolkt van paarsblauwigen rookmist.—Soms even schampte òp, achter nevel-paars, ’n pijpekop, ’n kiel, rooiig-donker, grimmig-gebarende hand, ’n wangkant, ’n harige achterkop, met even lichtbeflitste oorrand, plots weer wegduisterend in zwaarder rookgewolk. Naar alle kanten liep de lange kerel met z’n dampende koffiekoppen, zonder schotels rondgediend, oorloos en gloeiheet, de klef’rige greepklare ventershanden induwend. Al meer reuzige schoenen, beenen en lijven zakten de loom nauwe kajuitstrap af, waar ’n ruitje even licht sloeg, voor ààn, in ’t rookige hol. De vrouwen bijeengegroept kakelden en kuchten, op d’r hooge banken saamgedromd, tegenover de woeste rookers, aan spitsig-hellende boeg. Telkens moesten ze inschuiven, opschuiven voor al meer instrompelend volk, dat tusschen vrachten en meegesjouwde bakken, als onder ’n lagen hemel van zoldering-morsigheid bijeen kwam broeien. De balken met donkere reten en vuile flodders verf, kruisten vlak boven hun scheemrige tronies. Aan ’t eind van middenbank stond[152]de schenkvrouw, breed ingebukt ’r oer-ketel te hellen. Telkens bracht de lange bediende, klefferig bevuilde koppen áán, hield éven schoongeplaste ònder den ketel-slurf, inmiddels vlug uit grooten suikerzak,—als overvloedhoorn blank-open neergetuit op bank-end,—’n schep opvisschend, en in zwierige vlucht afplonsend, in ieder kop ’n hoosje. Naast de ingebukte vrouw, die geen tijd had om ’r lijf te rekken, stond ’n vuil emmertje, van binnen bleek-rood uitgekleurd, met smoezel water, waarin ze luchtigjes,—toch doorschenkend uit ’r koffieslurf,—rond-spoelde de aangedragen, klodderig bestroopte koppen. Even ’t bruin-bestroopte van buiten wegplassend, druipend nog van vieze straaltjes grondig vocht, grabbelde ze met ’r natte handen de kommen weer òp, uit den emmer. En ’r zoon bleef bedienen, hield de reuzige koppen weer voor de tuit, die stroef stond, beklept-harig als ’n levende slurf, waarop vuiligheid bakte. En vlug, de eeuwig-gebukte schenkster rookte de kommen weer vol geurig koffiebaksel.—Walgelijke stanken, duf en vuns rotbroeiden de groenten uit, de jenever, koffie en tabak. Tegen ’t roodbruine ruwe gebank, en den zwartmorsigen grond, zogen de stanken vast. Wilder, woester, in vergrootende donkering, slurpten, verhapten de koppen, met apig-dierlijke rukken ’t brood, in geilen slurp en zuig, smakkend zich gevend aan vroege vraatzucht en drank.Dirk lag met z’n arm op ’n stapel duf-stinkende manden, en achter z’n hoofd, op tusschenplank van middenbank, tweekants bezet, stapelden bossen groenten en bloemen, zoet-zwoele lelies, tusschen voos-luchtende aardappels en kool, bruidsgeur en blankte, vermolmend onder gronderige stanken van benauwing. Elk ding wasemde stank uit. De kleeren van venters stonken als verrotte beenderen. Verhitte kroegasem en bloemengeur zogen door elkaar heen.—Naast Dirk, hurkten met beenen onder kin opgehaakt, Klaas Grint en Rink van den polder, happend en smakkerend in scharren en poonen, ronkend van vreetgenot. Dirk had z’n derde kop koffie al heet ingeslurpt, luisterde nu, dwars door leuter-geratel en handengeklakker van nasjacherende vrouwen en kerels om hem, naar[153]Grint, moeilijk verstaand, z’n oor geheven als luistertrechter, tegen den heeten herrieraas van stemmen in. Grint bepeuterde voorzichtiglijk z’n poonen, smakkerde bij brokken de vet-glimmige blanke visch z’n mond in, sprak en vergierde schunnige moppen, dat z’n uitkauwsel, telkens tusschen z’n snaterende kaken opschemerde. Als ’n zaal, waarin rumoerige kakatoes op eigen houtje krijschend konverseeren, dazelde stemmesnater rond. In al gamma’s brulden, lolden, lachten menschenkelen, schorre, rauwe, zachte en weeke timbres dooréén.—Soms klonken er als schrei-geluid, kermende klanken; dàn bulderde en donderde woordkrijsch uit, hevig en verhit in de mist-rookige kajuit.—Rink van den polder, slobberde jenever, door z’n scharrenmaal hèèn. Van uit z’n apigen knie-hurk, rookmistig omdampt, keek ie telkens flikker-scherpe kajuitsoogen in, die trilrige zonnekringen, wazig-vloeiend verspuiden tegen zoldergrauw. Eén balk-brok kreeg felsten stroom, waarop, in krinkelige rilling, als ’n zwabberende kurketrekker, ’t licht invrat als wit vuur. Naast Rink, ingedrukt en bekneld van twee kanten, met mandwerk, stumperde ’n bochel, door z’n puntbult ’n end van bankwand afgeduwd.—Peinzend telde hij eiertjes. Zacht schuifelde z’n hand in ’t strooien bed, en koelblank tusschen z’n groenig-vuile vingers, marmerden de eitjes, telkens teederlijk door ’m weggekoesterd in ’t gouden stroo. Na koffieslurp voelden de kerels zich bijna in de stad, furiede zuiphartstocht òp. Overal rinkelden jeneverglaasjes, zogen de rooie dorstige kelen ’t vocht in, vol wellust.—Màin segoàr.… moàr hardstikke swoàr! schreeuwde Dirk.—Enne main nog ’n kats, veur sain sinte, grinnikte Grint op Rink wijzend.Met acht kommen tegelijk, in balans-behendigheid deinde zacht de lange bediende door den rookmist heen, naar stijgenden boeghoek, al hooger onder de zoldering uitreuzend, in bukhouding z’n kop op borst gedrongen, om zich niet te stooten.—Zwier-vlug deelde ie de kommen rond, tusschen de gretig-uitgestoken handen.—Sterker klonk weer gelebber, smakking en dof eetgeronk. Klaterende roezemoes, gillerig en hoog, onder[154]voortgonzenden toon van mannenbassen, gromde door de kajuit. Levende walvisch, leek ze menschen in angstlawaai opgehapt te hebben, die daar verwilderd in d’r half duisteren muil zaten te schreeuwen, te stampen en te reutelen tegen elkaar van kreupelen angst.—Stooten van machinekamer bonkten trillingen door de wanden, bracht sidder in de koppen, handen en beenen. Door manden en bakken ging lèvende beefstroom. Alles zat in trilling; de tronies die raasden, de monden die zopen en vloekten, pruimden en kwebbelden; de handen, die vastklemden bevende kommen; de beenen, die trampelden of hurkten. Een flakkerende wiegel van schaduw en lichtvegen schemerde tonig en diep door de rook-paarse kajuit, rooïig-blauw verdampend in hel-lichtende òogenrij van kijkgaten, die loerden met zengenden vuur-blik.—Diep daarònder, de ingezonken lijven op banken, de handen op knieën, beverig doorschokt van machinedreun, de hoofden en oogen vertemperd in kleurigen wasem, tusschen den dof morsigen grom van roodbruin plankwerk en wandgrijs. Daar, midden in de broeihitte, sloegen, walmden en braakten de stanken òp, vunziger, uit half-open kelen van manden, uit zak-strotten, uit gaten en spleten van kisten. Zweet-rook van lijven dampte van kleeren; van barokke klompschoenen, enkele scheef en vergroeid als paardevoeten; van pilow-broeken en baaien rokken.—Uit alle hoeken wasemde rottende stank rond.—Schemervegen van schaduwzware tinten versluierden soms plòts groen-zwartig de kajuit. Rooie sigaarpunten gloeiden áán, in donkering van hoeken en de rondzonnige kajuitsoogen bleven loeren in fel vuur. Prachtige glansjes, smeltend en wiegelend, zwierden op menie-rooie randjes van drie gesloten venstertjes. Licht van waterkabbel wiegde méé met warrel van zonnespel daar in golfjes, àchter morsigblauw paarlmoerig-benevelde ruitjes. En wat trillerig geschijn deinde áán en af en om de kijkertjes. Als ’n diepe hangmat, waarin rookige schaduwen kwijnden en weer wazig-grillig verkleurden, in wiegel van gesmoord licht, hing de kajuit, plots weer in zachten schommel van boot; hangmat van rook en stank, waarin de menschlijven, opgepropt verduisterd in[155]grauwig paars en dampig gesmoord zonlicht, bewogen in nachtmerrie-realiteit. Uit pracht van diepe donkerdroomrige tonen, stemmige diepte van zachtflakkrenden kleurmist, zwaarbefloersd in grillig verstaltigenden groenen rook, doken telkens ànders de boerenkoppen òp. Roodbruin de banken, angstiger verdoffend den getemperden kleurenstoei der mans- en vrouwkleeren; in rooknevels de groentebakken en manden, dwars en stapelend uitgestald op den donkeren vloer, vóór sprookjes-reuzige voeten, òp schootbrokken, tusschen glazen, vuile kommen en rommelzooi van stronken en afval. Daar, door dàt hangmatleven, zogen en walmden de helsch-gemengde stanken, tusschen gebeuk, getril en geraas; broeiden de koppen bijéén; lekte ’t zonnevuur door de naven en ’t dek naar kajuit, waar de snikkende hittedag verduisterd en gesmoord lag te reutelen tusschen engte van duffe wanden.—Ènkele menschkoppen bewogen in glansgouïgen zoom. Wangbrokken gloeiden beschminkt van goudpoeierig schijnsel. Pet-vormpjes vergrilden in zacht-kleurig dof-duister.—Praat en slok, deinde òp uit diepe tinttonen.—Eetmonden vervaagden omrookt onder nevels, snorre-baardig, in harige ruwheid. En de golfjes in schroeienden zonnedoop, verspoelden kabbelig-speels, ruischend tegen de lichtoogen bòven hun tronies.—In paarsigen waas, de groote werkhanden woelden en gebaarden in en uit lichtvegen, rumoerend méé met hun zuip, hun krijsch, lol en ironie.—Handen, breed en geweldig als levende wezens, op zichzelf, hevig gekromd, verbronsd in aardewroet, in rauwe energie van beweeg en passie, tusschen den rookmist en rood-groenen damp, in wilde gebaar-woeling wègslingerend scheemrige vegen en tint-grillige schaduwen. Handen van bronzen reuzen, graaiend in smoor van zonnevuur.——Dà waa’s d’r main ’n sjouw Dirk, schreeuwde Klaas Grint, met beverige stem, doorschokt van dreun,—nou he’k tug puur naitig bakke oarbei op de boot—hee annaime!—main nog ’n bakkie leut!.…——Daa’s f’rduufeld achste bak, lachte de bediende.—Nou wà’ sel ’t?.… betoàl ’k hullie nie? houw tot soo[156]langest je snoater,.… nou hoor-je Dirk? daa’s tug puur naitig bakke, allain van main rechterhoek!.…—F’rek jai, viel Dirk met vollen mond in, zich verslikkend in hoestschokken, onder opslurping van koffie, dat z’n kop bloedrood te barsten dreigde.…—Kaik nou, die wil d’r babbele aa’s tie te slikkebikke sit,.. wà noù f’rek?.. der kenne.. kenne hier op dek, puur.. dertienhonderd bakke oarebai!.… en f’middag komp ’r nog ’n nuute anvoer.… nou, dan wee’k daa’k goar bin!.…—’t Is d’r dan ook duufels mit hoàst gonge hee?.. zei met diepe stem, zangerig, ’n venter vlak bij Dirk. Achter middenschot van bank zat ie, met verdraaid lijf, alleen neusbrok en oogen er boven uitloenschend naar de kerels.Dirk, Grint en Rink draaiden zich half om.—Hoe most da’ maint? vroeg stug Dirk.—Wel nou, ’t is d’r nog gain drie weuke hee!.… t’met … daa’k … toe he’k de soete fransies sien hep hee?.… Wa’ màin dat d’r toen teugesloegte.… de vrucht wou nie sette.… alles d’r nog groen en half raip.. de grond uit!—Daa’s net … veur drie weuke he’k niks aa’s rooie vlekkies in main tuin had, lachte Grint.—Wel nou, zangde de diepe stem achter beschot weer, met halve tronie er boven uit, en een hand stumperig meebetoogend in beknelde gebaren,—de boel is d’r nou overstroomd hee?—Met andere hand achter schot verscholen bonkte ie hevig op z’n weggedoken been, greep ie gretig naar ’n borrel, dien de lange kerel ’m brengen kwam. Achterover z’n kop, smeet ie z’n hapje donker mondgat in, bestelde smakkerend en likkend nog een.—Nou, moar de haire hebbe d’r puur wâ inpalmt an ’t stêtjon en in de hoàfe hee?.… da stong t’met nie stil.… Van màin drie duusend kilo.. van sàin tweeduusend.. van Klaas, van Gijs, van Joap, van Dirk, sooveul aa’s sullie d’r hadde,—of aa’s je kèrtak veurskreef.…—Wa?.… sooveul?… soo veul aa’s ’k f’rkoope wil hee? barstte smadelijk Rink uit,—buite da’ f’koop ikke tug òòk.. da kroak je ommirs?[157]—Nou daa’s nie net, onthutst zei Grint, moar nou mo’ je.. mó’ je ook segge dâ je van ’t winter.… al kèrtak moakt hep.. van hoeveul je laif’re mot.—’n Màn, ’n man,… ’n woord, ’n woord.… hee?.… wa’ jou Dirk?.… wá’ jou Staine, wa jou.… Gais?.… je hoef d’r ommers nie veur de heule mikmak te f’rkertakteere?.…—Daa’s klesseneere, lolde Rink, woest verrollend z’n gemeengroene oogen,—màin nog ’n bakkie leut hee!.… moar ikke f’rkoop wa’ kwait kèn … aa’s d’r beteder martpraise binne, al hè’k kertak veur vaif joàr!.… vat je!.…—Nou seg, vergoelijkte weer sluwig Grint, de groote afnaimpers hebbe d’r tog ook hoarlie rissieko? daa’s net nie?.… en dá’ jòar.… f’rdomd.… sullie betoale d’r bestig hoog! da mô sait! Daa’s tog moar ordentelik! Velaije joar stong de mart vol van oarebai.… nie te f’rkoope.… hee?.… doar stonge wullie.… mit de pet in de ooge hee?.… en op haide?.… op haide?.…—Nou, giftte plots ’n rooie driftkop uit rookwolk òpduikend, z’n beenen met gestommel van de bank afsullend,—dà tuig f’rdient d’r g’nog!.… wa’ doene die likkebaire.… niks gedoan hoor!.… sai b’toale d’r lootjes feuruit bai de swoager van dokter Troost … komme hullie d’r effetjes kaike hee?.. de kontreleur doen d’r ommirs alles!.. enne.… dan.… dan hebbe hullie.… allain mit de oarbaie opsende.… allainig mit d’r oarbaie.… sien je!.… ’n duusend pop f’rdiend.… in ’n weuk of soo, hee?.…—Joà, moar de rissieko, teemde Klaas Grint.——Je suster rissieko.… soake aa’s piere.… soo staif.… om dà sullie de loodpot hebbe om vèur te skiete.… sende sullie ònster goed.… deur Duitschland … Enggeland.. en moake sullie d’r joartje wel goed hee? O die diefe.… die sloeries! schreeuwde Rink.—Nou moar.. wa’ há’ je f’rlaije joar dan?… basstemde weer Steyne achter z’n schot, met z’n mondlijn even ’r boven,.. toen hâ je Beijens.… da’ rooide noa niks hee?.… die kaèrel.. hep toen ònster goed afnome hee? al wat wullie niet kwait kenne[158]hee?.… ’n sint ’n mandje hee?.… mit ’n straip of’r de bakke!.… je was d’r blai da’ se hullie d’r nog veur ’n sint kwait kwam!.… Moar die skevuit heb f’rdiend … die hep d’r waite … dá’ wai gain uitweg hadde hee?.… mit al ’t goed.… die hep d’r van màin.… van joù.… van jan en alleman kocht.… hee?.…—Of daa’n skurk was, ’n geep.…. tromboneerde de woedestem van Rink, daa’s Beijens van de Skans hee?.… die skoelje hep d’r ’n achthonderd pop, in één slag f’rdiend, één middag.. Hai skunnigde alles noàr ’t buiteland.… hai hep d’r wacht, tut ie onster mi de pet in de ooge heb sitte sien!.…—Je most d’r je stroopbek moar houe, woedde Dirk tegen Grint, jai.… jai!.… ’r sit d’r gain oasem nie soo goekòòp aa’s jai in Duinkaik.… en bestige grond da’ die vent hèp … swoare en lichte.… alles d’r aife bèstig … god’s kristus!.. aa’s d’r onse de half soo waa’s gaf ik d’r main pink veur … moar da rooit nà niks.…Dirk gifte zich uit. Hij hield van z’n brok grond, maar de woede, dat ’t zoo belabberd was met afwatering en ie toch óók niet heelemaal kon werken voor zich zèlf, maakte ’m doodonverschillig. Hij gunde d’r geen korrel zand van aan Piet of z’n vader.… En nou ’t zoo beroerd ging, moest de boel maar waaien. Toch hield ie jaloersch, heet-veel van ’n brokkie tuin voor zichzelf en ’n wijf, als ie maar zoo iets ’n hoek had als Grint; vet, vruchtbaar, doorwaterd, warmpies in ’t zonnetje en licht.—Nou jou lap is t’r àn de Beek ook bestig.… kermde Grint.—Ferrek jai!.… mesiek! mesiek!… aldegoar bluf! doar motte wai àf.… of tie da’ nie weut hee?.… en kaik erais wa’ doar van de oarepels komme is?.… die hemme nou self poot!.… gain bloas!.…—Wa’ ken main dat skele, jai beskait je land nie hee?.… suinige jop!.. moar heè? jullie sien nou dâ die mof van ’t stetjon d’r ook nie meer gaift.… aa’s veertien sint ’t kilo.…—Krik f’rdorie, riep Steyne verbaasd en angstig,—en gister hep ie nog sestien sint betoald.… is die fint nou heuldegoar daas?.…[159]—Daa’s net, moar nou sien die da d’r te veul is.… nou goan ie onster an ’t knibbele hee?.… wa motte d’r wai mee?… aa’s je ’t nie goed vin.… la’ ie je stoan!.… Je ken je bakke tug nie je kooters te suige gaife?Dirk bleef stom, lurkte aan z’n pijp die niet halen wou.. zoog en blies blauw-duisteren nevel rond de herriënde babbel-tronies.——Main nog ’n bakkie leut! riep Grint dof.——Daa’s kom naige!.… lachte stikkerig ingehouen de lange bediende, nou.… die suipt gain borrels meer.… die goan d’r mi’ sain neus allainig in de koffiewind.…Dirk zoog behaaglijk reutelige haaltjes door z’n pijp, uitkraterend zwarten walm en vonksterren.—Zure stank broeide rond, dat de kerels kuchten.—Main ’n brandewaintje mi’ suiker.… riep Rink schor, zich schurkend met z’n reuzige schoften tegen bankrug òp.——’n Bestige segoar! en ’n brandewaintje mi’ sonder suiker.. mi’ suiker smoakt ie màin te lekker, ke’k nie finte!—Nou sullie wachte d’r, tû je weeròm bin,.… vast hoor, schaterde een achter bankrug.… Seg Hassel.… weneer sel je hooi overend sain?—Da’ wee’k nie, bromde Dirk.Ventersgroep drong uit donker doorrookte boeghoogte, klompbonkerend voorbij kerels op middenbank, naar kajuitstrap.—Naast Grint bij den ingang, rumoerden stoeiige krijschkerels die om waar streden, zoo hevig, dat Klaas voorover moest bukken naar Dirk om te verstaan.—Wa’ sai je?.…—Daa’k nie weut.… wanneer wai ’t hooi of’rend hebbe! wai motte d’r nog één daik.… hooi is bestig.… sit van onder ’n strootje in.… moar bestig hoor!Zoon van schenkster, aan punt van de middenbank, waar de kerels zaten te zuipkonkelen, drentelde nog met koffie door de kajuit, ingebukt z’n kop op borst.—Toe skiet op! main die koffie!.. barstte Dirk ongeduldig uit, toen ie den kerel zag voorbij stappen met zìjn bak dampende leut.—[160]—Mo’ je van main nou nog wa’ mooie duiveke’s hewwe?.. vroeg de venter achter bankrug, met halve tronie er boven uit, oogen en neus strak gericht op Grint.—Niks gedaan!.… ik hep d’r net waa’k ankèn hee?.… daa’s achtien bos!—Mo’ je de mand pieterselie nog veur ’n kwart?.… mit ’n slokkied’r op! krijschte uit de kajuitstrap, ’n rood-bukkende kop, boven zwaar-tonnigen buik, van ’n groenboer, schreeuwend naar ’n volgerookten kajuitshoek. Met hakkenstommel rumoerde hij op bovenste koper-beslagen tree.—Mit ’n happie d’r òp is ’t daan, krijschte uit rookdiep hellend achterend ’n stem terug en ’n paarsige zuipkop op mager lijf, donkerde vóór, uit nevel van boeghoek.Bij de kajuitstrap bonsden ze tegen elkaar-op. Dikke zuiper graaide centen òp van mageren zuiper, stopte den kooper ’n mandje zoet-geurende pieterselie in de knuist. Gretig slurpten ze hun borrel in, al klaargezet op buffetplankje door schenkster, die ’r klanten kende.——F’rek, daa’s nog hardstikke vol hier, bromde de dikbuik, met ’n zwiersmak z’n glaasje op buffetje bonzend. Strompelend wrong ie zich, snuivend en hijgend, door eng trapje naar ’t hek.—Magere pieterseliekooper stapte weer harkerig terug naar den kleurig-duisteren boeghoek. Telkens dáár, ’n ander nevelbrok van rooksfeer schemerde wolkerig òp, tusschen lichtkrinkels en wit-vuur van zonnespuiende open kijkgaten; weefde in diffuus licht, violet-zilverende damp, flakkerend en geheimvol tintfijn boven de donkere diepte van babbelkoppen, rookmonden, haar en handen. Eén wolkerige sfeer van rookglans rond duistere, in woelige diepte verdompelde menschen.Van rechts schreeuwde ’n vrouw, midden uit ’n kakel-groep, naar den rookboeg tegen ’n kerel, ’t meest voorop in den damp:—Nee!.… da’ waa’s ’t snuitwerk van Henk.… hai kwam ’n kiekie loere onder de trap hee?.… moar ’t waa’s vast Henk de koalbuik!—Henk de koalbuik? lachte de kerel, Henk?.… Heé joa’ twee brandewaintjes mi’ suiker veur de doames … en nóg twai[161]veur main aige hail hee?.… Nou Oàf!.… ik seg je dàn.… da die Henk d’r sain aige beeste la’ f’rhongere!——Nou, daa’s main ’n merk! de fint is d’r tuureluurs.… in de eeuwighait in de loorem.…—Daa’s klesseneere, daa’s klesseneere, bulderde de vent uit rookhoek naar ’t vrouwengroepje, hai lait s’n borrel glad.… hai likt s’n urretje op sàin menier.… moar de fint.… ken d’r puur sain honde nie te vraite gaife.… s’n aigeste beeste.. da benne d’r vaif!.…—Hee.… hee!.… Dirk.… hai jai hoort da’ die trekhonde.… van.… vàn Henk.. de koalbuik.… da die d’r twai skoape van Jaanse van de Lemperwai hep afmoakt.… se hebbe de baiste puur van malkoar skeurt!—Nou.… wa nou?.. schreeuwde Rink terug.… daa’s tug krek eender.… al die honger-meroakels.… die tuinders doar.… die Lemperhoek uit.… se hebbe d’r vast selfers niks, te fraite.. Is d’r netuurlik, daa’s sullie d’r honde snachts skiete loate! kenne sullie d’r aige potje soeke.… en woest aa’s die krenge binne.… se f’rskeure je.… van malkoar.… Bi-jai-’t-Hain!—Nou ’t is d’r ’n klussie, blerde de breivrouw knorrig, dwars door ’t roezemoezige gekakel van andere schelle stemmen uit ’t vrouwentroepje,—’t is main ’n klussie.… main baiste legge d’r vast.… en fraite d’r aige vetje.——Wa’ sa’ je màin d’ran jokke.… laikt t’met of sullie ’n botertonnetje inslikt hebbe, soo ke’ je hullie ribbe aa’s hoepels deur d’r pins siene hainsteke.…—Nou, zeurde een venter met geknepen schor geluid, wai binne aldegoàr noakend!.… die beeste motte f’r aige kossie skarrele.… se hebbe d’r gain fraite veur.. voed jai d’r noà hullie g’noege! vaif kaire t’met.… Se benne d’r soo ellendig sterk.… en bloeddorstig.… enne uithongerd.…Van boeghoek waggelden de kerels òp, uit donkeren achtergrond, en dwars door de groen-violette wolksfeer, in ’t oogen-vuur der kijkgaten, sloegen de lijven en handen van opstaande en gaande kerels, een storm van lichtschokken, groot-donker in de rooksfeer, die zacht gloei-kwijnde in dampigen flakker[162]bòven de banken.—Meer kerels stapten op, met d’r koppen zoldering rakend, sloegen door den walm heen, waggelden naar voren, bij trapje, plots onder ’t felle lichtgat uit kajuit-schemer, áángloeiend in zengend zonnegoud. De boel bleef leeggeslemperd, vermorst-suf op de banken staan.Groote stad was in zicht, en van alle kant grepen de venters hun goed bijeen, manden, pakken, kisten. In groepjes, achter elkaar, drongen ze eng kajuitstrapje af, en met koopwaar op nek en schouders, rumoerden ze zich in woesten woel, los over ’t dek.

Om drie uur den volgenden ochtend, kwam er kort-driftig gestommel in de duister-beluikte woonkamer van ouën Gerrit. Zurige zweetlucht vervunsde uit de krottige slaapholletjes. Dirk uit ’t donker bedsteetje, was opgesprongen, òver Piet heen, nog slaperig en gaperig, rauw van pijn, geradbraakt van vermoeienis en katterigheid. Branderige matheid voelde ie door z’n lijf loomen. Driftig schouerbonkend stootte ie Piet op, die nijdig even gromde, maar dadelijk weer insnurkte. Dat maakte Dirk kregel en snauwender porde ie ouë Gerrit en Guurt, dat ruw z’n korte stem, kamerochtend-stilte doorscheurde. Wijê gapen loeide ie koeïg door ’t vertrekje, dàn vlak tegen beschot, dàn vóór bedsteedonker, telkens zich rekkend in achterwaartschen lijfkronkel, armen omhoog gerengeld en vingers verkrampt in slaapzoeten wellust, dien hij machteloos-heerlijk door z’n lijf voelde terugstroomen, tegen z’n luiigen lijfrek in. Langzaam slofferde ie op z’n kousen naar buiten waar ie de luiken van de ramen losmorrelde. Onder de pomp beplaste hij z’n gezicht, luchtigjes met water, vies van ’t nattige dat z’n hemdsmouwen en hemdboord beklefferde, en in branderige straaltjes tot op z’n naakte borst afdroop.—

Guurt was gauw opgestaan.—In ’r nachtpon, haarhang opgebonden in woesten kronkel, maakte ze vuur op ’t achterend, drentelde rond de stellen en zette boterhammenkoffie.—Ouë Gerrit en Piet in hun rooie onderbroeken waggelden nog slaapdronken en grommerig door de kamer, loom en lijzig hun bovenkleeren aansjokkerend. Even bleef Piet hang-zitten op z’n stoel, klepten z’n oogleden dicht, hield ie z’n stinkende pilow, half over z’n dijen getrokken, slap in de slaaprige, krachtlooze knuist. Ouë Gerrit, in schreeuw, schrikte ’m wakker.[123]

—Wà sloapmus, jai toch, gromde ie, soo’n jonkie!

Na ’n kwartiertje rondgeslenter en gedribbel, sluipzacht op ’r kousen, had Guurt de kerels bakken koffie en hompen brood voorgeschoven. Gretig schuifelden de mannen hun stoelen áán, neerblokkend met armen op tafel, hoofden gebogen over hun dampende koffiebakken, slurpend, gaperig, rekkend en korrelig-stil. Rond hen, walmde slaapstank van ’t kamertje, dat al zacht volgevloeid glansde van vreemd, gloed-stil ochtendgoud. Roodflonkerende zonnedans koperde bliksempjes op de staartklok-gewichten, op ’t pronkstelletje, tang-pook-schep, onder het schuingetimmerde, versierde hoekschoorsteentje.—

Langzaam, in bedaarde ouderwetschheid tiktakte de klok, zacht-vlammig aangegloeid rond de gewichten.—Guurt had ’t duifje losgedekt en daadlijk koerde z’n kopje als van verre, droef door de kamerstilte heen, waar alleen smakten en slurpten de wreede werkersmonden, en de klok dreinerig ti-jik.… tàkte.…—

Moeder Hassel lag, met opengesmakte deuren, de kamer in te staren, bleek beslaapmutst hekserig hoofd, op peluwgrauw, de uitgedoofde staaroogen naar de slurpende kerels.—Ze hoorde koffie slurpen; dàt geluid kende ze. Ze zag ’t, voelde, besnuffelde ’t, met wilde, gesperde neusgaten.—Dàt geluid haakte vast in ’r ooren, ’t hoofd, bleef in ’r herinnering leven.… Woest instinkt naar koffieslurp.—Telkens gretig, even keek ze naar Guurt, als wist ze nu klaar, dat ze ’t van die moest hebben. Maar de kerels hapten door, slurpten onverschillig. Guurt klepperde nog ’n roodaarden bord voor hen neer, waar ze weer hompen brood op afsneed, slurpte zelf mee, gejaagd zittend op stoelpunt, ongewasschen in blauwkorten onderrok nu. Stil slurpte d’r mond in doorzond ochtendgoud van kamer, ’r blond hoofd in stil aureool. Buiten, achter ’t raam, glansden de akkers in aanbrandenden gloei van zonnekomst.

—Nou Ouë, gromde Dirk plots, kauwend en slikkend dat ie niet verder spreken kon eerst—aa’s ’tr nou moàr puur om drie uur, de oarbei-boel dur stoan, an de markt hee? daa’k[124]hullie om vaif uur an de kant hep in de stad? kaa’k t’met nog ’n hooge markt moake.. hee?

—Sel d’r weuse.… mi sonder mekeere.… Hoho! ho!.… Piet loait op.… en Kees goan de hoàfe langest.…

—Hier-op-pan! aa’s Kees de hoafe opgoàn, ken ie t’met oploaje ook.…

—Hoho! dà lief ’k nie! dà lief ’k nie.… die suupt te veul.… die hep s’n skoenlappertjesmoandag.… enne.… dá’!.…

—Wa’! Kees?.. Kees suipt?.… krijschte Dirk uit, ’n stuk brood, dat ie half al in z’n mond gestopt had er weer uithalend, met ’n web van fijne spoegdraadjes,—f’rvloekt aa’s de fint één borrel lait! jai suinege Job!

—Hoho! vier en vaife en nie g’nog! bars jai nie uit!.. soo vroeg in ’t morgeuur hee?.…

—Wa’.… éénmoal.. andermoal.. ikke wil dá’ Kees oploait.. Piet hep s’n aige dood te plukke op haide.. En denk dur om.… niks aa’s oarbaie.… Op haide voart de boot twee keer!.… ikke goan doar.… om veur van … om twaalf uur is t’ie d’r wair.… sel main ’n dotje weuse op de kant!.. snof’rjenne, gain ploas om je klompe af te trappe, waa’n klus.… ’n drukte op de boot.… sullie dringe hoarlie aige t’met hardstikke dood.. hoagelvol!

Ouë Gerrit was opgestaan met ’n smak z’n koffiekop op tafel neerstootend, dat vrouw Hassel in ’r bed opschokte, iets brabbelend uitstamelde. Nog had Guurt ’r geen leutje gebracht. Onrustig, hongerden ’r oogen naar ’t zoete vocht, dat op stinkend petroleumvlammetje konkelde en leuterde. Ze besmakte ’r drooge lippen, zonder dat ze vragen durfde, vragen kòn. Besefloos Guurt te roepen, uit angst voor nijdigen snauw, in ban van trage dofheid, bleef ze staren, vroeg ze toch met ’r oogen, zonder dat iemand uit de aanlichtende kamer naar ’r omkeek. Gerrit, handen in zakken geknuist, keek met z’n neus op ’t raam gedrukt, naar buurman’s tuinderij, waar nu alles groen-goud in den ochtend-tintel gloeide, doorvonkt van dauwig druppelvuur.—Ochtendstilte, uit paadjes en wegjes,[125]ruischte rond de tuindershuisjes en de roode bedakingjes vlamden licht-hel.—

Vandaag zou ie wat te plukken hebben, mijmerde Gerrit, speelsch drukkend z’n neuspunt tegen ’t ruit, wiebelend op z’n hakken. Z’n rug zwoor en stak van pijn. Maar ’t most, most nou. Hij had al dagen achteréén onrustig zitten piekeren, dat ’r geen regen kwam, gejaagd, nou de boel zoo droog stond. Maar nou most ie maar doèn, doèn en niet seure.…

Met hun drieën waren de kerels over ’t erf den tuin ingestapt. Guurt drentelde weer op ’t achterend, spoelde en sjokte, terwijl de kamer in ruischender glans van zonnige ochtendwarmte, sterker aangoudde, tot op ’t slaapholletje waar vrouw Hassel staarde, en besmakte ’r droge dorstlippen. Op de tafel brokkelden nog broodhompen. Aarzelende glansjes van schichtigen prismaschijn uit geslepen spiegelrandje, kaatsten trillige vlakjes rood, goud en groen, op twee rood-aarden doffe bordjes.

Daar stààrde ze op, vrouw Hassel, besefloos en traag, tot ze de kleuren voor ’r oogen zag verflakkeren.—

Buiten hurkte Kees al, in pluk bij de erwten. Nog ’n uur bleef Dirk werken op ’t land, achter de wortelen. Eindelijk werd ’t tijd voor ’m om op te stappen naar de haven. Nog ’n mandje pieterselie en postelijn, schokkerde ie over den schouder en stil liep ie den weg op naar de boot. Nou had ie zich nog puur te haasten merkte ie, toen ie even achter ’t ruit gluurde, hoe laat ’t was.—Kwart voor vijf. Om vijf uur precies ging de schipper van wal.

Zwaar hijgend, z’n mandjes dobberend op z’n rug, kwam ie snel de haven opbeenen. Maar „Tuinders Geluk”, de boot waar hij mee voer, lag er nog rustig, met vier andere schuiten achter d’r áán, hoog gestapeld ’t schel-groene van kroppen, beflonkerend aardbeirood en wortelenoranje, tegen den blauwen luchthemel in, die diep en wijd lichtte, in strakke, fel-heete zonnigheid al.—

Op àchter-en-voordek, stonden de groenboeren saamgedrongen, in hun sjofele plunje, tusschen de dreigstille punthoekende hurrie van hoog opgestapelde kisten en mandwallen, waaruit[126]zwavel-zoete geuren walmig verwasemden. Tot onder den stuurstoel, stapel-brokkelden de aardbeikisten en langs de reeling, propten, saamgekneld, bakken, vaten, manden, zakken, dat de kerels en vrouwen, in bochten er tegen elkaar opgedrongen stonden. Enge doorgangetjes, kronkelden tusschen de ladingen, waar ’t landvolk elkaars lijf beschuurde, schreeuwerig verscharrelend en ruilend koopwaar die ze te veel hadden. Tusschen zakken gekneld, op manden of kisten neergestooten, sjacherden de zwoegers, klonken òp de gesprekken, levendig, krijscherig, overgoten van duffe groentestanken uit de achterkajuit opwalmend, voos en duf, zuur en ranzig. Aardbeien zoetten ’t hevigst en weeïgst tusschen de mestige koolstanken.—Zwaar dampte uit, in de broeierig lange boot, hageldicht bestapeld, de stinkende kleeren der tuindersmannen en vrouwen, de zweetlijven, wàrme walg tusschen de gronderige stanken van ’t groen.—

Prachtig, jubel-fel schalden de hooge groentebergen als festijnen van licht, tegen ’t doortrilde, in zon-zwemmende lichtblauw. Daar onder, barokke wal van kleur-woelige kisten, met donkerder groen in onderschepte glansdempingen. Maar hoog-schuimend, gloeide kleurbrand van aardbeien boven alles uit.—Versjofeld en kleurbemorst, scharrelden de tuinders bijeen, in de vroege ochtendboot, al meer, al méér, achter elkaar. Galm-luid, de klok van hoogen katholieken kerktoren sloeg vijf, bevend in de wegstilte en havenrust. Laatste bootsein van vertrek liet kapitein zangbassen over de ochtendleege havenkaai.—Wat karren met aardbei-aanvoer ratelhotsten kei-beukend weer weg, wreed rumoerend door de morgenstilte. Bas-zang van pijpen bleef seinen, als stemmegroet van tuinders naar de verre makkers op ’t land, dat de reis naar de stad beginnen zou. Een dekknecht van „Tuinders Geluk”, had plankier gelicht en ingeschoven, reeling saamgehaakt en kaptein was op z’n stuurstoel geklommen. Statig liet ie draaien, ’t kanaal in.—Uit ’t boothart schokkerde machinedreun òp. Achter ’m aan, zongen pijpen van andere tuindersbooten, stemzwaar en hevig vibreerend, dat de stille starende ochtendlucht[127]sidderde onder ’t dreungeluid. Plots klonk jagend geroep, onder zwaar lommerende kastanjelaan uit, van twee groenboeren die zich verlaat hadden en meemoesten nog met „Tuinders Geluk”. In vlieggang holden ze langs de stille huizen, kei en sintelpad over.

—Piet Groome en Anseeler, riepen ’n paar van de boot, over de reeling gebukt,—hee keptain! t’rug!.… twee van Lemmer! Hij had ’t al gezien, toeterde wat zangerige woordjes door z’n spreekbuis naar machinekamer, waarop boothart heviger bonkte, de voorboeg achteruit bijdraaide, dat de kerels in hollende vaart, rood-bezweet, nog net tusschen kisten en manden, over verschansing, heenklauteren konden.—

Achter „Tuinders Geluk” lagen nog drie booten, „De Dageraad”, „Ons Welvaren” en „Weltevreden” met tuindersvolk van heinde en ver saamgestroomd, ongeduldig wachtend op vertrek van de voorliggende schuit. Ook daar stond ’t landvolk, achter en tusschen de aardbei- en groentebakken opgepropt, ingekneld; één donker-dreigende, sjofele kerels-stoet, vlak om ’t koelscherm van machinekamer saamgepakt, wegzwartend onder rookwolken van stoompijpen, die dreun-zangerig doorbasten als duistere stem van zwoeg, somber-smartelijk, in den fellen klaterenden zonnegloei van polderlucht, in ’t eindeloos blauw, en weigroen.—

Stil zoeften de booten achter elkaar áán, de kerels en wat vrouwen, al meer opeengedrongen, donker tusschen den frisschen jubel en stoeiende kleuren van hun vruchten en waar. In de havenstilte, roerloos weer na zwijg van pijpzang, verdwenen de bootenéénna één onder lage spoorbrug, ’t kanaal in, dat wijd-geplast, zilver-vonkte en dampte tusschen onmeetlijk poldergroen. Stil druischten de kerels weg van wal, de donkere opgepropte stoeten, in de ochtendglorie; zittend of half hangend op en over de verschansing, beklemd tusschen de neerbrokkeling der stinkende kisten, als ’n bende vervuilde schooiers en melaatschen, naarstiglijk verpakt en versjouwd, onder den heeten jubel van hun vruchtengloed. Al de booten waren „Tuinders Geluk” voorgedraaid. Langzaam zoefte die eindelijk, achter[128]de andere áán, onder de enge spoorbrug, zacht-schuiflende pàl langs wanden van brugbogen en pijlers.—

Dirk stond ingehurkt naast Klaas Grint, die weer aanleunde, half tegen twee vrouwen, een lange, met ’n gore steekmuts op, de andere met ’n donker rood-wollig kapertje over ’r hoofd gefrommeld. Vóór de vrouwenbuiken, spannend gestrakt onder boezelaar, hoekten kistenstapels waarachter weer ’n stoet kerels gekneld stond.

—Tjonge.. Tjonge.. d’r’is nog puur wâ wind op de ruimte hée?.. zei met vertrokken gezicht Klaas Grint, naar de lucht kijkend.

—Daa’s net bromde Dirk terug.… hai jai ’n pruim Kloas? nou he’k f’rdroaid main sak legge.… loate!.…

—Bi-jai’t Hain!.. lolde Grint, da’ sel woar wese.… roep jai sàin d’r bai op Sint Jan hee?.… hier!.. pak-àn.. moar mondjes-moat.… oue!

„Tuinders Geluk” was ’t groote kanaal ingestoomd. Zacht kabbelden watergeruisch en schuim-zilverende vloedgolfjes langs de kanten. Zweef-luchtig zoefte ’t schip voort, tusschen ’t eindelooze poldergroen, bedauwfonkeld met vuurdroppels van trillend leven, robijnen weerlichtjes, en vurig smaragd.… Uren ver, verfonkelde nat goud-groen, glanzend en uitwebbend kleurige hette. Heerlijk frissche windbries stoeide luchtzuiverend om de boot, de voosduffe geuren en stank-wasem wegflapperend, ’t koele waterruim in. ’n Troep tuinders was achter de pijp geklommen, op zwarten kop van machinescherm, waar ze luiig neerhurkten in zonnegloei, of schuin opstonden achter den rooker, koppen fel omlijnd tegen luchtjubelblauw. Er was drukke stemmenhurrie onder ’t landvolk, gesnater en gelach tegen vrouwen, en overal brandende lust om van landgescharrel, marktwaar en prijzen te spreken. ’n Paar tuinders met fluweelig pilow-zwarte vesten en dof-zijden pofpetten, trommelden met hun gekleurde pantoffels, op ’t verhitte plaatdek van machinekamer, ’n orgeldeun meelallend. Plots de bootbode, kerel met roodgezwollen snuit, akteurskaal en voor-den-gekhouerigen, paarsen drinkebroersneus, werkte zich los uit[129]stemmenroezemoes en scharrel van opgepropte tuinderstroep.—Z’n blauwig-glad geschoren komiekenkop grinnikte leukjes tegen z’n volkje en grimassig sprong ie op ’t veilbankje, hoog boven woel-massa uit, grabbelend in guitig steel-gebaar, met z’n hand in ’n grauwen zak.—Tegenover hem, op zon-doorhit koelscherm, zat luiig ingedoken tegen de pijp, ’n kerel met notitie-boekje, klaar om te schrijven. Bootbode, die onder reis van Wiereland naar groote stad, te veel waar van tuinders-zelf in veiling moest brengen, bleef rammelen in z’n zak, lolde wat tegen de kerels onder ’m, dat z’n roodfrissche wangen bolschaterden, sterker zwollen, z’n blanke tanden uitwitten onder z’n bieteneus en tusschen plaatjes-mooie helrooie lippen, hagelrein. Hard en stalig klonk z’n stem, toch vol, met ’n galm er in, als nadreun van klokgelui. Telkens uit den zak, vischte ie ’n blikken nummertje op, afroepend wie d’r ’t eerst veilen zou. Zoo regelde hij de beurten, schreef z’n maat, tegen de pijp, in kookzon luiig weggedoken, namen van veilers op.—

—Wie mot ’r ’n nommer?.… Gijs Janse! Kaike?.. daa’s vaiftien, klonk hard-galmend z’n stem door den koelen bries-stoei, klank-zangerig Wierelandsch.

—Bekermaa’n.… achttien?.… Grint.… drie en veertig! Hassel.… ses-en-dertig!.…

—Main d’rook ain!.. riep ’n tuinder uit achtergroepje, die nog wat kwijt wou wezen, hopend op ’n begin-nummer, om ’t eerst te kunnen veilen.

—Vaif-en-veertig!.. Nailis Roskam.… hee! „netoàris”… Roskam!—lachte de Bode, lolligjes met oolijken oogenknik naar den „schrijver-notaris”, die luiiger weggedoken lag achter de pijp.

—Logge megoggie! nou ka je wachte, gromde de pachter, woest dat ie zoo’n laat nummer beet had. Nou was ie zoo heet geweest op ’n begin-blikkie.—Stem van Bode bleef afgalmen de nummers met veil-namen, en telkens lacherig, uitblankend z’n tanden, bloed-rooie lippenmond wijd open, kraaide ie schooirige grapjes uit, strooide ie schalksheidjes en hekelwoordjes boven hun hoofden rond, omgierd van terugkonkelende[130]stemmen en giegelende kreetpretjes. Telkens klauterden andere kerels op en af ’t machinescherm, naast en tegen de pijp lawaaiend, rond den „notaris”, die overal spottend om z’n eeretitel beschaterd werd. Van hun hooge standplaats schreeuwden ze mee, boden, kochten en verscharrelden, de koppen, warm en zweetbedropen, paarsig en brons-nat, rood en geel-grauw aangegloeid in zonnebrand. Van achterdek af was alles plots naar voren gedrongen om vlak bij Bode te staan. Op kisten, morsige vaten, walm-stinkende manden en zakbulten, hingen en hurkten de kerels, in struikel en klauter, achter elkaar opgepropt.

De achtersten, ver van den Bode, loerden tusschen schoudergeultjes van vóórstaanden, in drom saamgestrompeld, heet op den scharrel.

—Veertig! vrouw Plenk.… dreunde Bodestem.… vaif.. vrouw Boterblom.… naigtien.… mamselle Kiester.… sestien.… vrouw Zeune!.…

Eindelijk had ieder z’n nummer, kon de veiling beginnen. Zacht briesden en woei-koelden luchtige windscheringen over ’t smoezelige, walm-stankige dek, als ging er tochtige wiekslag van vliegende vogels rond. Recht voor den boeg, sprankelden waterglanzige sparteltjes licht, violet-zilverig, paars-goud, kabbel-deinend hemelblauw-vuur, dat in schuimig golfjes-spel zich heet verbraste in damp. Tusschen de fel-groen bezonde ochtend-oevers, komde in eindloozen kring, ’t vlakke zonnignevelende polderland, in vochtige ochtendpracht. En overal rondgekringd, goudden de lage hooi-schelfjes, tusschen siddergroei van korenhalmen, brokken weiland, ontsluierd uit morgennevel, uit nat-dampig goud en zilverende gloeiingen. Schitterig flitste ’t dauw-vuur, dat mijlen ver, weiland aan weiland in arabesk vonkspel omtooverde.

Bode op z’n bank, hoog boven de opgepropte tuinders uit, al dichter op één punt van de boot bijeengedrongen, klankte met z’n jolige, rauw-heldere spotstem in:

—Wai selle d’r beginne met seve-en-twintig pond raspers van.…[131]

—Neelis Skorpioen.… las „notaris” haperig af van z’n lijstje.

—Van Skorpioen.… uit Slangetje.… wie sait dur ’n gulde! daa’s vier sint ’t pond!.…

Inmiddels had ’n tuinder, ’n zwaren zak doppers losgesjord uit kistenrommel, zich door lijfgedrang heengewurmd, z’n waar, àchter koppen, vaten-stapels en manden-torens, met krampigen arm, hijgend op veilbank vóór Bode neergesmakt. Dadelijk grabbelde die, met één hand tusschen de groene vruchtjes, liet ze speelsch rond z’n vingers glijen en riep weer opjagend:

—Prechtig jong goed!.… ruikt puur aa’s.… oo-de-kolonnie!.… wie sait dur.…

—Tachtig, krijschte ’n stem uit het menschkluw op de koelkast.—

—Tachtig, vaif en tachtig, draafde Bode door.…

—Naigtig! zenuwachtig scherp, piepte ’n vrouwestem onder de pijp uit.

—Naigtig, zang-dreunde, hard-klaar Bode’s geluid nà, tusschen bries-stoei en koelen kabbelgolfjesruisch in.… Naigtig.. vaif en naigtig.… da goan.… eenmoal.… veur de derde moàl.… Rietvink!

Pachtertje Rietvink had ’t laatst geboden, kreeg erwtenzak over koppendrom naar zich toegesleept en warm wroetten en graaiden z’n armen, tusschen ’t heete gedrang en getast van lijven. Dwars achter de pijp, waar ’n groep kerels zich spitste op ’t veilgoed, en uit alle hoekjes gretige kijk rondging, klonk dof gestommel en geschuur van voeten op stalen plaat en kijverige stemmenroes, warrelend en schreeuwerig als gesmoorde ruzie.

—Halt doar Kempees, krijschte de Bode naar de pijp, t’met d’r al heet! nog gain hallef ses … je hep dur puur nog ’n vaiftien uur om malkoar an rieme te snaie hee?.… kaik hier!.. is dur twintig pond mooie kapcainders.… wie set.…

—Tachtig! schreeuwde daad’lijk ’n venter, stemschor, rauw.

—Tachtig, van fier kant gelaik!

Vrouw Banke, met’r zwartig-rood kapertje over ’t hoofd, ’r korte, spek-vette, trillige armen, boven ’r tonnigen romp-buik,[132]grabbelde in den kapucijnerzak dien Bode op de veilbank sleepen liet.

Lacherig schalkte ie, hoog boven de venters uitkijkend:

—’t Benne gain kuite.… vrouw Banke.… je ken dur sain nie knaipe!

Gegier stortte in, en heeterig aangevlamd in hartstocht, tapten wat kerels schunnige moppen, die vrouw Banke met minachtend lipgepuf afweerde.

Bode had toegeslagen, en telkens weer ’n andere venter kwam op àfroep van zangnummer, van achter, bijzij, uit kajuit, door den opgeknelden menschenkronkel heenduiken, met zware zakken of bakken boven hoofd en onder arm, alles neersmakkend in vloek-heeten sjouw-zucht op veilbank voor den Bode.

—Nou he’k vaiftig pond piek-faine groentjes!

—’n Gulde:.…

—Een-tien.… een-tien.. mi je drieë.… een vaiftien!.. een twintig.… mi-je viere.… een vaif.… een dertig!.…

Overal keek z’n rood-frissche kop rond, lachte z’n lichtpaarsige wipneus, drinkebroer-komisch, kleurden z’n wangen alsof vrieswind ’n blosgloed op z’n kaken geschminkt had. En hagelwit lachten z’n tanden, tusschen z’n hel-rooie lippen, bij elk opbod. Hoog pagaaiden z’n arm-gebaren door de lucht, hitste z’n stem de venters op. Achter en om koelscherm bleef roezemoes gonzen van kakelwijven en schorrige kerels, rond ’t zwarte stoompijp-gevaarte.—

—Nou he’k nog twintig pond prêchtige loage woaltjes hee? eerste prime-kwoaletait!.. hai jai doàr!.… kalf-mi-je-natte neus!.… hoeke motte ’t weuse?.…

Op plaatdek van machinekamer, dat gloeide van stoom en zon, trampelden de kerels ’n deuntje, brak weer herrie en gestrij los, tot de Bode er met z’n staalharde stem weer tusschen invloekte. ’n Knappe donkre vrouw, was uit ’t gedrang opgesjokt, met ’n zwaren zak voor d’r buik, dien ze met knieduwetjes opsjorde, en in blaas-zucht smakken liet op veilbank. Haar kop droop van roodzweet en gloeiing.—

—Dominie hiet! paa’sd’r open bran je bekkie niet, schaterde[133]de Bode.… seg vrouw Reep.… soo is dur puur gain vatte àn.… hee doàr!.. help jullie ’t goeie mins ’n handje sjorre.… hooger òp.… soo!.… soo is ’t broaf!

Plots gulpte de zwartmastige pijp rook uit, verwaaiend in roetgolvende mistkransen over de tuinderskoppen, hun rompen wegdonkerend in roetbruinen damp. Ze kuchten en vloekten de werkers, achter den brons-zwarten mist, en stil éven bleef Bodestem weg. Maar daadlijk uit wegroeting van rook kwam ’t afgeroepen nummer opzetten, naast de donker-vette vrouw, opdringend met blauw beschilderde manden.—

—’n Uijtvinding, lachte de Bode, blauwkokke in ’n beskilderde skulpmand.… hi-hi!.… nou minse.… wa segge jullie veur veertig pond blauwkokke!.. prechtige kapcainders!.…

Snel en stemme-knetterend joeg opbod-jacht tegen elkaar in.

—Ke jài die nie hebbe Dirk, jai hep tug gain blauwkokke teelt!

—Es kaike hoeke se goan.

—Sestig.… tachtig!.… tachtig.. allegoar!.. Bi-jai-t-Hain!

—Naigtig! viel Dirk kalm uit.—Hij kon sullie d’r bestig bruike.… bai s’n aige doppers.… had ie vroag veur bai s’n klante!.…

Meer en meer doppers werden opgesjord naar veilbank, en haastiger wisselden de venters hun waar uit. Zak op zak bonkte neer voor den Bode, en woester grabbelden z’n vingers in ’t groen.—Vóór de veilbank gedrongen uit achterste rij, stond ’n oue, beverige pachter, knorrige kop met ingegroeid zwarte vlekken op z’n neus en mottig voorhoofd. Aan z’n bepukkelde kleine oortjes, glimmerden koperig-gouden ringetjes, waar ie telkens met beverige handen naar greep, aan trok en kneep, dat z’n lelletjes bloed-rood gloeiden bòven z’n bontvervigen halsdoek, die morsig om z’n vest kreukelde.

—Veur ’n f’randring.… vaif bosse duifeke! wie set dur in!

Laag, armen uitgestrekt, hield Bode de bossen wortelen in z’n hand, wortelen, breed-puntig als priktollen.

—Die mo’k main hiete![134]

—Aràit!.… moàr se sitte vast an twee mandjes postelain.. wie sait dur wá’—Harder, staliger klonk z’n stem, uitdagend, verwaaiend in brieskoelte.—

Onder koelscherm uit, kwam roetige negerkop van stokersmaatje koekeloeren. Langzaam groeide zijn lijf hooger òp uit de, hittesfeer rondschroeiende machinekamer, waar ’t heet stootte en bonkte in treinrhytmus.… De stikwarmte uit hamerend boot-hart vloeide rond de groenten en vruchten, stookte en gistte ’r zwijmel van stankdampen. Tusschen de tuinders drong stokersmaatje zich heen, naar ’t dwars-vat met water, gretig loerend naar ’t kraantje en wit-steenen kom. Z’n roetige handen graaiden haastig door opening tusschen wat venters, naar drank. Gretiger nog omknelde hij ’t kraantje, met z’n beenen en romp weggedrukt achter de woelige jagende veilers, die in vuur van koop ’m niet doorlieten. Stil werkten z’n allééne handen en armstompjes in woeligen grabbel, als afgehouen levend, tusschen wat kleine ruimte-spleetjes, lieten ze ’t waterstroompje de kom inkletteren. Zacht-voorzichtig werkten de roet-handen zich weer achteruit tusschen de lijven door, de zwarte vingers krampig strak in greep om den wit-steenen rand gekneld. Gejaagd slurpte stokersmaatje, ingebukt àchter de ventersruggen in klokkende lafenis, z’n heete keel vol koude vloeiing begietend. Weer woelden z’n handen en armstompjes naar voren, tusschen dijen en koppen van laag zittenden, en weer slorpte ie bak na bak lauw vat-water in.—

—Gaif main d’r ook us ’n koppie, kost tug niks hee? lolde Klaas Grint.

Maar roetgezicht van maatje, waarin de oogen nikkerig met ’t vreemd-wild wit hadden òpgelicht, was al weer verdwenen achter de kerels, in de stoom-heete, blakerende machine-kamer.

Weer acht bossen tolronde wortelen bracht Bode in veiling. Drie tegelijk dongen gretig, heet.

—Ksj.… ksj!.… katjes! joag d’r malkoar moàr op.… schaterde de Bode.… dertig sint!.… veertig.… mooi soo.. ksj!.. kaik!.. da’ hai je Antje Meele.… kom Teun!.. gaif toe!.… gaif toe.… ’t is tug ’n maissie.…[135]

Teun lachte, was blij dat ie van ’t bod af was, begreep den vrindenwenk.

—Vaiftig.. veur de derde moal.. Antje Meele.. hai je-en-hoord netoàris?.. nou doar dan.… anpakke maid! g’luk d’r mee.… aa’s sullie dur nie veur aige bik benne!.…

Over de koppen zeilde Bode de bossen naar Ant Meele heen, ’n rood behaarde, slank mooie meid die opgedrongen stond, tusschen de rumoerige kerels. In vaart nog greep ze de peenen tegen ’r borst op.

—Nou he’k drie bakke mooie sloà.… nie te sien.… mo je-en-gloofe.… op éere-wachtwoord.… stoan … onder kiste-stoapel.… bai àn wal te kraige, drie fersche bakke!.…

—Sestig, plots zonder voorbod schreeuwde ’n mottige venter op ’n kist, weggeduwd achter twee vrouw-ruggen, èven in wippertje uitrekkend z’n hals, dat Bode net nog z’n pukkel-neus zien kon, voor hij weer snel in die diepte verzonk.—

—Sestig.… seventig.… vaif en seventig riep Bode, z’n hoofd draaiend naar allen kant, om te kijken of ’r opbod gewenkt werd in verre hoekjes.

—Tachtig schreeuwde nerveus, de laagzittend weggeduwde weer, even opwippend, nù met z’n heele mottige kop boven de vrouwruggen uit.

—Naigtig, van andere zij klonk ’t sarrend.

—Roggemegoggel! f’rek jai!.… die flop is main de heule uchend t’met in de wiele.…. ikke ken d’r niks praise.… of hai is d’r bai.… nou ikke dankkie.… ikke mo nie meur.… wa jou Dirk?.…

—Mo jai waite, binne d’r main soake nie!

—Nou seg.… dá’ binne d’r drie bakke.… die je nie sien kenne.… drie bakke.… kroppies!.… kenne wel floddermusse weuse.… die sloà, hee?.… heuldegoar slap!.… ikke mo nie.… wa? wà?.… nog hooger.… hoeveul sait ie doàr?

—Eén vaif schreeuwde Dirk, éen vaif.… je mag je wel hoaste laileke brompot!

—Roggemegoggel! ikke mó’ nie’.… kenne wel puur floddermusse weuse hee?.… mijmerde ie voor zich uit, tegen de[136]donkere wollig-besjaalde wijfruggen op, met z’n weggezakten kop in de diepte.

Van allen kant gonsde snater en rauwe klankenwarrel van stemmen. Zon gloeide fel, barnend, stoofde de stanken, de broeilijven, en al pafferend zweetten de kerels, in lollige rumoering van veilhartstocht.

—Nou stoàn ’k tog puur van drie uur.… f’rdomd aa’s je hier sitte kenne, klaagde ’n tuindersvrouw, met morrend, moe-nijdig gezicht, ’n zwart breikous-stompje telkens van d’r borst, onder d’r kippige oogjes trekkend. Snel, in naaldflitsend beweeg breide ze mopperend voort, van ’r vingers-dansend draadgeweb, aldoor òpstarend naar Bode en groenten.—Geen gaatje plaats was er meer op de boot. Al de tuinders, lomp en hebzuchtig, hadden zich neergesmakt op manden of kisten of stònden op koelscherm. Dikke dijbrokken en achterwerk van ventsters, spanden ingekneld tusschen broeibeenen van kerels. Tegen de donkere pijp in ’t luchtbrandende blauw, leunde ’n troep beweeglijke werkers, lachend en krijschend, grimassend achter stillen rug van kapitein. Ze lolden met de breiende vrouw, die kippig en doodmoe van ingekneld-staan en hitte, niet veel zag van de waar, knorrig gromde, dat ze nog den heelen dag te sjokken, te venten had in de stad, in die pesthitte, en nòu d’r beenen al voelde als verlamd … En aa’s se d’r nou moar ’n kop leut kon naime.… ze had d’r dorst en honger veur drie.…

Nerveuzer breidde ze door, tegen ’t hoofd van een kerel, vóór haar buik en beenen neergehurkt, d’r stuipig stompje kous boven z’n pof-pet komiekerig verkronkelend, onder de snelvingerige webberijtjes van ’r naalden en draad. Telkens flitste zon bliksemend licht op de naalden, die even hel-elektrisch gloeiden en schichtige flikkerpijltjes puntig àfslingerden, tusschen de sjofele kerels en hun morsige stankplunje.—

Bode had uit de kajuit ’n borrel gekregen, gelijk met „notaris,” die in vadsige houding bleef luieren in zonnegloei, tegen de pijp aangeleund, den borrel in één achterwaartschen smak van z’n hoofd, z’n keel ingoot.—[137]

—Netoaris hep ’m glat laid s’n happie!.. lolde ’n groenboer met afgunst, hunkerend naar eigen zuip.—

Rooie kop van Bode lachte, mond-wijd.—Z’n tong klapte klakjes van genot tegen z’n gehemelte òp en prachtig z’n tanden glinsterden blank tusschen z’n vuurrooie lippen uit. Lustig hadden de venters den zoet-inglijenden borreldronk beloerd, want allen snakten naar ’t brandvocht, zalige lafenis in de venthitte.—

—Nog een borrel veur aige bik, veur de Bode, ironizeerde Klaas Grint.… enne een veur de „neerstige netoaris”.… daa’s veur sain drooge keel van ’t skràive … hei smoàkkert?

Dirk veegde z’n mond af, watertandde, voelde flauw speeksel op z’n lippen klefferen, en van allen kant, de zwoegers rumoerden heete grappen rond, nou er zoo vroeg al door de „heeren” geheschen werd.

—Strakk-en-an jullie beurt hee?.… beet de Bode terug.. En nou!.. manne broeders!.. luistert!.. tien bosse rebarber.. segge tien.… wie seit dur?.…

Van alle kanten tegelijk, krakeelde bod tegen elkaar òp. Een vurigste, schreeuwde hoogsten prijs, bleef winner.

—Veur Vink.… ses bos.—Nou he’k nog vaiftien.. wie sait dur? Weer daverden stemmen in golfstoot tegen elkaar in. Geraas kraterde los. Ze scholden, keven, nijdigden, nu de làter-geveilde rhabarbers veel goedkooper gingen dan de eerste.

—Da’ binne dur gemoedereerde liefhebbers, grinnikte de Bode.… nog ses bosse.—In woesten slinger zeilde ie de verkochte stelen naar den groenteboer die ze gekregen had.

—Gooi jai hullie moar in ’t bakkes hee, jai kailt moar roak t’met!

—Nog vaiftien bosse vàn.… „netoaris?.…”vroeg Bode, doend of ie niet merkte dat ie ’n kerel pal tegen z’n pijnlijken neus gemept had.

—Houweke!, schreeuwde achter de pijp notaris uit, met even oprekking van z’n hoofd uit luien armenleun.—

Dirk bood ’t hoogst, kreeg ook, in joligen zwier, de heele vracht van Bode toegesmakt, pal in z’n armen. Maar nergens kon ie zich roeren, wist ie z’n bossen te bergen. Schuin[138]achter ’m hing al ’n rij manden, los, tusschen vaten en kisten.—Met de vracht z’n armen ingekneld, paf van zweet en hitte, bleef ie staan, tusschen de zittenden, hurkenden en woelenden; probeerde ie zich langzaam los te werken, met z’n zakken erwten en manden, uit het wasemende, broeiende menschenkluw.

—Nou nog sestig pond witte kapcainders.… wá’ segge jullie nou.… de loatste ressies.… Veur d’n dag manne.… dappere vrouwe of te wel kenàu-Ha?.… neenet.… kenau.. boè seloars!.…

Zwaar sjorde ’n zak uit ’n bres geboorden hoek, op veilbank. Half afgezakt van den zinken rand sleepte ’n pachter z’n waar bij ’n touw, blaas-hijgend van hitte. Maar niemand bood meer, dat woedend de kerel z’n vracht van den veilbank terug rukte, opbonkerde tegen beenen en hoofden, met ’n vloek achteruitstoof, rood van gift. Z’n waar schoot de bres door, die achter ’m weer sloot, knellend, walmend-benauwd.

Tusschen den muur van koppen en ruggen, gromde ie nijdig nog:

—Wâ suinige Job.… die laileke takkebos kaikt je an of je ’t d’r stole hep!

—Nou wa’ dan.… pluk jai vaire van ’n kikker hee? aa’s d’r gain sinte binne, moedereerde ’n oudje, z’n neus hard snuitend met ’n vuil rood zakdoek, dat ie als geronnen bloedlap tusschen z’n beverig gelige vuist kreukelde.—

—Nou he’k nog vaif bosse wortele, schoof ie weer nijdig af bij ’n ander.

—Dank hee?.… ken jou wortele nie hebbe.… binne main veuls te groot.

—Loop jai rond, duufelstoejoager.… sain f’rassereerd-goed.

—Disketeere komp hier nie van paa’s foàder!.. lachte de Bode.… wá’ há’ je nog meer?.… komt dur dan mee veur ’t licht hee?.… O? wà? niks meer? niks?.… dus je bin dur uit! Mooi!.… dan he’k hier nog ’n prechtig kisje ongetelde tuinboone.… Wie sait dur veertig sint.. veur die heule sak.… soo wait aa’s de broek van vrouw Zeune![139]

—Vaiftig dofte ’n stem!

—Sestig, er boven uit gilde één heeter, trillender.

—Naigtig, ikke mose hebbe snauwde een ander driftig.

Weer zag de kerel op de lage kist, weggezonken achter de stom-breede vrouwe-ruggen ’n koop afgetroefd door z’n veiling-vijand.—

Even had ie weer ’n wipper van z’n bak genomen, den mottigen kop uitgerekt en gezien, met woede, dat ’t z’nouëtegenstander was. Nijdig trampelde ie met ingeknelde zenuwbeving z’n beenen naar alle kant, dat de makkers voor en achter ’m vloekten en duwden, om de bemorsing van hun plunje.—

—Ben jai daas snurkert! hak je beene d’raf, aa’s je hullie d’r nie stil houe ken.

Weggezakt weer achter ruggenmuur, z’n pukkelkop gebukt, kookte ’t weer in ’m van drift, probeerde ie zichzelf wijs te maken, dat ’t toch veel te duur ging, hij zelf blij moest zijn dat ie ’r zoo goed afgekommen was.

—Haa’k strak-en an meskien die floddermusse had.. en nou.… potdoorie.… die haireboone!.… ongeteld!.… sitte d’r vast gain duusend in.… magge veur main bestig hebbe.… haha, wat ’n dolle smak.… Nou.… ikke mo nie!.. wa?.… wà?.. hoeveul sait ie?.… kaik.… prechtig! prechtig, joàge hullie sain d’rais ook op!.….. kaik! nog hooger.. hoor main-dàt-t’rais an!.… kaik.… goan die nog hooger! hoor! daa’s d’r puur doas.… Wá’ brenge die op?… vast gain duusend in.… ongeteld! Gain duut!

—Een vaif en twintig, staalhard, hortend klonk Bodestem.. mi je tweeë.. één dertig.… mi je drieë.… éen vaif en dertig.. één vaif en dertig.… een vaif en dertig.… éen moàl.… andermoal.… veur de derde moal.… Ritsema!

Stomp keek ie, de hals rekkende venter, stomp op donkre vrouwruggen. Zacht, in zenuwnijd trampelden z’n beenen tusschen engte van lijven, schijnheilig overgaand in ’n deuntje op ’t doffe hout, en brommerig raspte z’n ventersstem, dat ie d’r niks van hebbe most, van floddermusse en ongetelde boone.—

—Nou nog veertig pond peule, bestige, malsige, soetige,[140]schreeuwde de Bode, nog de loàtste ressies en dan is ’t puur daan!

Weer stortte ’n veiler rhabarber neer op de heet-zonnige zinken veilbank, die dampte van geuren als ’n wierookaltaar. Weer sjorden zakken doppers òp, en voort joeg onder proestlach en juichender krijsch, gedol en nijd, de roezemoezende koop; kwam er begeeren naar eerste schoft in de schorre, droge, heete keelen. Drukkender hitte gloeide en zwamde néér op menschenprop en koppen. Warmer stanken in zonnevuur, ontbroeiden op hun morsig vel, en de kajuit ademde wee-zoete luchten uit, van bakmuilen en grijnzende mond-manden, walmzwaar en duf-bezwangerd, naar ’t dek. Aardbeien, wee-zwoel geurden rond in ’n damp van benauwde zoetigheid, en telkens, in verschuif en versjouw van groenten, brandden de kisten hun rood uit, in zengenden blaker; kogelende vruchtjes vuur tusschen helgroen en zacht bleek, donker droef groen.—Groen, rauw als plankenkoloriet van Zaandamsche hutjes, omzond in heete murmeling van zomervreugd; tusschen pastel-teer bleek-groen.—En alles daar, zoefte voort in ’t landelijk kanaal, ’t hel-rood, ’t groen, ’t donkere en licht-felle, ’t brandende wortelenoranje, de zee-groene lichtverwiegende kroppen, de pastel-fijne erwten, de boonen en bakken, stoofgloeiend onder ’t blauwe vuur van de eindlooze lucht, hemeldom van brandend lichtblauw; hitte die wit vergloeide in daverenden zonnebrand op wei en bouwgrond, eindloos in ’t rond.

Als schroeiend brok zomer, levend brok aarde, in schipvorm saamgestampt, zoog de boot door het schitter-fel, licht-beketst water; als kleur-drijvende aarde-ark van groen en rood, tusschen goud-koperen gloeiing van roer-brokken en randstukken in glimmigen zwier van verglijende glansen. En rond de groente-ark, de hevige wemel, ’t brandende trillende koloriet van alkleurig kistenschmink. Vóór „Tuinders Geluk” zwierde kleurenbrand van andere booten, tusschen de heete zonneoevers van eindloos poldergroen. Vaag rumoer van stemmen klonk daar òp, achter de pijpen. Van ver brandde ’t aardbeirood uit kistenmuur, feller, hevig-heerlijk tegen hemeldom van[141]brandend blauw. En windeke van zomermorgen, briesde en stoeide, koel-streelend en wuft om de vruchten, de zweetkoppen. In ’t water ruischte ’t golfjesschuim, stoeide de zon met z’n sprankelend vuur van zilverend-goud. Droom’rig murmureerde rhytmische kabbeling van zonne-golfjes, om boeg en steven heet vervloeiend.

Dirk stond van geuren en bries bekoeld, polderland te overstaren. Van den luchthelm naast ’m sprong plots ’n rooie kerel àf met ’n zwaren zak lage waalen.—Rook wolkte over hen uit. Donkere gulping en bronzen veeg van stoom verroette, en pijp-zang baste in beev’rige galmen ’t vuur-stoeiende watervlak over. Bronzerig in wolksmook, verlicht in dagbrand, bleef áánroetten de rook, dat de kerels vloekten achter de pijp. De rooie venter, kuchend en keelschrapend, sleepte z’n zak op veilbank, van boven nauw dichtgesnoerd met ’n dikken vuil-witten band.—

—Wa binne ’t veur snoake?.… vroeg ongeduldig van z’n bank, de Bode droog-komisch op den rooie neerkijkend.

—Sestig pond loage woale.… de leste!

—Sestig pond.… prèchtige loage woale, schreeuwde Bode dadelijk, zonder te sien.… fersche, malsche woale.… wie sait dur honderd gulde.…

—Eerst kaike hee?.… se kenne d’r puur te dik weuse, norschte ’n vrouw.

—Sièn je woàr, duwde Klaas Grint er tusschen door.

Gejaagder morrelde de Rooie aan den zak, driftig rukkend, aan ’t wit stuk band dat er niet afkronkelen wou. Bode ophitsender, bonkte al met z’n handen op schouders van den venter, grimassig doend of ie ’m hielp trekken. Ongeduldiger geprikkeld, verhit, dolden en schaterden de kerels op ’m ààn.

—Die boel ken d’r nie los, vast nie.… da’ binne d’r gain woàle.… da seg ikke jullie!.. smak die gaip op s’n almenak.. da s’n ribbe kroake!

—Aas je main! je ben d’r nie lekker op.… aa’s ’n kikker op ’n kluitje hee?.… verontwaardigd snauwde knorrig en sputterend van vermoeienis de rooie groenboer terug, z’n zak[142]even loslatend, van verlamd moeheidsgevoel in z’n armen.

—Furt d’r mee, los die rommel, joeg de Bode weer op, dien ’t nou begon te vervelen.… furt! of ikke sèl ’t doen.… f’rdomme, ’t kroakt hier op de bank of Sinterkloas er reeë heb!

Van z’n stoel, beenen uitgekromd, rukte ie aan de zak, nijdig met driftige handmeppen, maar de knoop bleef in kronkel gesnoerd. Giftiger rukte de Rooie, dat ’t vette glimzweet van z’n blanken kop waterde. Niets hielp. Allen in voorsten rij beukten en rukten den zak, die als ’n levende romp, gepijnigd op folterbank, in z’n grauwbrons en plooi’rige vadsigheid méékronkelde en stuipte onder de driftige meppen der kerels. Lol hadden ze ’r van, gierende lol om de zweetende, vloekende onmacht van den rooien groenteboer.—

—Da’ goan nie, dolde Klaas Grint, hai hep sain d’r vàstbakt.…

—Nou, ikke seg daa’s ’t kouseband van sain tante!.…

—An-main-hupla!.. van sain skoonmoeder t’met.… die hep dur koabels om d’r kuite!

—Niks gedoan! ’t kouseband van sain maid! kaik d’r stoan ’n merrekie op!

Woedender voelde de kerel hitte-drift in zich òpfuriën onder ’t heete geschater en de stekelige lolletjes van de groenboeren rondom.—Maar ’t dolst maakten ’m de nijdige grapjes boven z’n hoofd van den Bode, dien ie niet zàg, maar hòòrde grimassen. Eindelijk viel ie nijdig op den zwikkenden en krampenden zak áán, beet er z’n tanden woedend op in, rukte den knoop heen en weer met z’n drift-gloeienden mond, als ’n hond ’n been-kluif,—knaagde, scheurde en knarste. Even kwam er ’n stompje loswarrelen. In grabbel trok ie z’n mes, sneed plots den band door, dat de zak, gerammeid, gehurkt en vernederd, van boven lossprong uit z’n worgenden klem als met ’n snikzucht naar lucht.—

Weer nieuw goed werd aangesjouwd, nù losse slabakken.

—Mo’ je nog twai bakke, soo uit ’t knuisje van Knelis Tijsse?

—Hee, hai je d’r veur main ook nog twai?[143]

—Ikke hep per nog één veur je, krijschte ’n ander er dwars door heen, veur de hàlft van sain prais.

—Daa’s liederlik, jai natte kip! hou je bek, jai ben d’r nie in vailing.

Met ’n grooten bak sla wou de dwarsdrijverige onderduiker zich door het kluw venters heen werken, maar van allen kant, bonkten ze’m terug, moest ie, strompelend en struikelend maken dat ie weg kwam, ’t stillere boot-achterend op.—

—La’ da’ varke nie deur.… eerst de bakke van Tientjes wèg.… hee Tientjes! wa hai je dur nog meer?.… rebarber he’k had, peene, sloà, postelain ook.… boonekruid … loate „spanneezie”.…

—Ben d’r uit! schreeuwde Tientjes opgeruimd terug!

—D’ruit! mooi, dan he’k nog tien bosse faine peene!.…

’n Sjofele, monsterleelijke tuindersvrouw, rimpelig begijntje, met dik-apige lippen en naarvoren gestomd kakement, had zich, in ’r hard-geel manteltje, vooruit gedrongen, bij kleine stootjes en duwetjes. Nou alles op ’t end liep, ’r verslapping kwam, en wrevelige hang naar schaft, drong zij vooròp, listigjes spekuleerend op vermoeiing der andere groenboeren.—

Met schuchter-zwakke stem zette ze’n bodje in, en plots dromde woeste snauw van alle kanten tegelijk op ’r af.

—Saa’k laife! da’ hai je ’t kallef mi-de-natte neus.—

—Loà de boere moar dorsse! ken hoàr ’t skele, minachtte ’n andere vrouw met venijnigen, puntig-bitsen kop, bejeukend d’r scherpen neus, die uitpriemde als ’n boor onder ’r gore steekmuts. De eeuwig-breiende ventster, moe, met ’r knorrige moppertronie, snauwde mee, schril. Niemand gunde ’t rimpel-begijntje ’r sjofele koopjes.—

—Roggemegoggel! de gele medam hep ’t puur op d’r heupies.—

—Se hep o-de-keloonie van d’r gelant op d’r jakkie, hoonschaterde vrouw Zeune, en de brei-vrouw rolde weer ’n vloek naar d’r verschrikt snuit.

—Veertig.… sint.… veertig, hakte de Bode door stemmen-gesnauw en gekef heen.… veertig eenmoal!.…[144]

—Vaif- en veertig, nijdigde ’n andere vrouw, alleen maar om òp te bieden, wrevelig-wetend dat ze de waar toch niet noodig had, volgepropt als de mannen en wijven al zaten, bij den laatsten rondgang.

—Vaif en vaiftig! dolde ’n kerel ’r tegen in, die de gele madam niet luchten kon, met genot ’r uitgehuilde kaken zag verangstigen.

Zweet-rood glom de gele madam, stotterend in verlegen angst, bekrabbend ’r apigen gelen mond en kin. Benauwd glunderden haar oogjes, vol glinsterig, sluw-bang licht, òp naar den Bode. Want op ’t eind van elke veiling was zij taai, zij, dat wist de kerel.

—Sssjesjjtig, siste ze even uit, met ’n wenk van ’r magere knokels, sluw, schuchter toch.—

Nijdige snauwhoera’s gierden ’r hoon-scherp tegemoet.

—Je man kaikt mi sain skele lampies noa je hain!, sarde ’n tuinder achter ’r rug, haar telkens porrend tegen de schouers, dat ze schokte.

—Nouw sssjjoà.… nouw sssjjoa.… aa’s.. aa’s … tongsleepte ze, in wanhoop opgejaagd om hooger te bieden. Haar naar voren gestomd, geel kakement sidderde van zenuwschokjes, ’r apige lippen trilden, en ’r ingedrukten neus, wijd opgewipt bij de reukgaten, bewreef ze onder ’t lispen.. nouw.. sssjjoà.. jullie gunt t’r main gain sssjjpòg woàter!

—Wa’ mò je tug mi die peene veur sestig uitvoere waif?.. je koop hullie pattekelier veur vaiftig bai ònster.… lolde een weer in hoontoon.

—Nouw sssjjoà … nouw sssjjoà … brabbelde ze verlegener terug, òpstarend in oogenangst naar den Bode, met zenuwsnel wimpergetril, als hing ’n slingerend mes boven ’r hoofd,—De vrouwen grolden, konkelden en schaterden vinnig jaloersch, lol-woest, dat ze’r zoo hoog opgedreven hadden, in hun gejaagd bieden.

—Nou mag sai d’r biertje loàte werrike?.. Bi-jai-’t-Hain!

—Sestig, eenmoal, veur de derde moal, hakte de Bode droog door, vrouw Joapeke![145]

Ze beefde als ’n riet, vrouw Jaapeke! Ze voelde, in ’r zenuwangst, dat ze toch te hoog was gegaan. Bang graaiden ’r gele, breed-bemouwde, slobberige armen, naar de penen die de Bode tegen ’r platte borst smakte. Geel-rooiïg vervlekt, dampte ’r tronie, dat monsterlijker rimpelde als oudwijverig apenbakkes, in glimmig zweetvet. Niemand durfde ze aankijken, als had ze een gemeene streek uitgehaald. Tegen ’r hardgeel, verkaald kort manteltje, knelde ze zenuwachtig de peenen, en banger loerde ’r monsterlijk verdroogde begijntjes-kop ùit, tusschen den fellen daver van ’r wortelen-oranje en ’t fijn-kartelig uitgeknipt donker groen loof.—

—Nog twai koopies, dan is de skaft dur, lachte de Bode, ’n bittertje weer met smaktong wegklapperend en opzuigend z’n adem.

—Nou he’k nog ’n sak mit laifende woar.… gain f’rklikker in de buurt?.… niks nergens peliesie?.… wel-nou-dan!.. dan he’k hier spring-laifende woar.… twee prêchtige kenaintjes!.… kaik hullie tippele!.. kaik hullie tippele!.. la’ main in gos noam niet langert proate.. beste minse!

De grauwe zak had ie opengefrommeld en er met één hand, bij de ooren, ’n donzig blond konijntje uitgegrabbeld, dat angstig spartelde en voorpootjes kramperig tegen wit-bevlekt borstje òptrok.—

Schater barstte òp naar ’t hangende diertje, kerels gierden, vrouwen gilden.

—Sou ’t d’r ’n broertje.… of ’n sussie van sain, moar dur sit dur nog een percies-eender in de sak.. wie blief dur hullie!

In rauwen humor, de twee ooren in één hand saamgeknoopt, keerde ie konijntje naar zich toe, ruggetje naar de koopers, vroeg ’t, venijnig tikkend met vingertop op beweeglijk zenuw-trillend neusje:

—Hoe vint ùfus de f’rgoadering.… die ùfus broàde sel?ouëjonge?.…

Heet gegier raasde uit den troep en konijntje draaide ie rond aan z’n ooren, dat dierke als ’n spiraalwrong, weer duizel-snel terug-schroefde.—Kramperiger spartelden opgetrokken voorpootjes;[146]suf bleef staren ’t stomme kopje tusschen engen oorenknel; sneller en verbluft trilde angstiger ’t blanke neusje.—

Vrouw Jaapeke was er weer ’t eerst bij met ’r bod.—

—F’rvloekt, die komp nou altait op ’t lest! stiekem uit ’t hoekie.… snauwde de brei-vrouw weer, giftig doorwriemelend d’r steken, bij webbende vingertoppen.

—Is juffer luiwoàge weer an ’t woord? spotte ’n groenboer naast ’r.

—Nouw sssjòa … nouw sssjjoà … kauwden ’r dikke lippen weer, en zweeterig, met rooie vlekken, rondgetrokken als doffe bloedvinnen, glom ’r gele begijnentronie. Angstig loerden ’r oogen òp naar ’t zacht nog nàschommelende konijntje, dat de Bode telkens kleine draai-duwetjes gaf. Droeverig-gebluft staarde ’t kopje, de oogjes trilden, keken wijs, als voelde ’t deernis, dat ze ’m zoo plots uit z’n stik-donkeren, duffen aardappelenzak, in ’t felle zonlicht daar te kijk hingen. Z’n spichtige steilgrijze snorhaartjes beefden en z’n weeke angst-bekje mummelde wat, als verkauwde ’t z’n eigen angst.—

—Veertig éenmoal.…

—Sestig, ’n rauwe stem van tuinder klonk achteruit.

—Ksjt! ksjt! katjes.… siste ’n kerel, sloan jullie de gaile medam veur de sokke.…

Weer trok weduwe Jaapeke beverig aan ’n grooten knoop van ’r hard-geel manteltje; sterker beefden ’r oogwimpers.

—An joù juffer luiwoàge!.. veur aige bik!.…

—Wa’ mot dur medam mi’ knaine van doen? sai frait d’r puur kalkoene!.…

—Nouw sssjjoà … nouw sssjjoà … sleeptongde en lispte ze angstig terug, afwerend duwen en grapstooten in rug en zij, jullie gunt dur.… gunt dur.. ’n minssjch nikssjch.

Angstiger loerde ze naar Bode òp, of hooger bod inviel.

—Sestig één.… sestig anderr.…

—Vaif en sestig!.…

—Mooi soo!.… gooit de boel òp waife;.… aa’s alles brandt brandt woater ook.. la’ jullie je aige nie troefe.. van die gele sloerie-ekster,—stootte ’n venter uit, grinnekend tegen ’n buurman.[147]

Weer had vrouw Jaapeke den Bode stiekem gewenkt, vlak op z’n schoenen, schuwtjes-snel ’n knauw met ’r beverige handen àfdrukkend.—

—Aaj! vrouw Joapeke! main eksterooge! krijschte de Bode een arm en been lawaaiig-komiek de lucht insliertend, ’t konijntje meeslingerend bij z’n ooren.

Joelende hoongier schaterde los. Vrouw Jaapeke stond bedremmeld, nu Bode ’r in z’n lol verraden ging, dat zìj aan ’t bod was; dat zìj op z’n schoenen gedrukt had. Weer hooger ging tegenbod;.… angstiglijker rilde gedachtetje door ’r heen, dat ze de beesjes niet kreeg.—

—Sien jullie, de gele medam waa’s ’t weer!.…

—Anme huppla!.… nou kraig sai twee fraiers thuis!..

—Tachtig, hakte weer door de Bode, en weer voelde ie ’n half verborgen druk van vrouw Jaapeke’s beverige knokels op z’n schoen.—

—Vaif en tachtig eenmoal.… andermoal.… veur de dèrde moal!.. vrouw Joapeke!

Weer barstte ’n rauw hoera los, rond de gele medam. Ribbe-stootend bonkten ze’r, gilden en hoonden de jaloerschen om ’r heen.—Want ze wisten wel, dat zij dingen plaatste, die anderen nooit gebruiken konden, bij wijven in de Nes. Daarom durfden ze niet nòg hooger tegen ’r opbieden, bang dat ze ’r misschien aan hangen bleven.—Bode had konijntje weer in den zak gesmakt en rolde de levende waar vrouw Jaapeke tegen ’r platte borst, boven wortelenstapel, waarmee ze nog onder de armen, tusschen de mensch-kluw ingepropt knelde.

—Saa’k f’rbrande aa’s ’k snap wá’ ’t waif d’r mee uithoale mot.… verleje.… mi Juni hep sai ook.. die vaif prêchtige leeuwerikkies kocht.… die hassebas.… woar hoalt ’t murmel de sinte van wèg!.…

—Van beroep is d’r man tug stroat-oàrm, hoonde ’n ander.. hee! gele medam, koop jai d’rais ’n nuwt stelletje kiese hee?.…

—Trek jai d’r veere van ’n kikker! schaterde valsch mee de vrouw met d’r rooie kap en woelige sierseltjes, boven ’r voorhoofd.…[148]se is t’r moager aa’s ’n tang! en ’t laikt dâ se koopt veur aige bik!

—Nou, grinnikte de brei-vrouw,—in de stad … loopt ’t mins.… soo ver aa’s de hemel blauw is.… en roakt t’met nooit niks kwait van d’r kar.

—De leste koop!.… luistert wèl, goê-liën, schalde hoogklaar de Bode weer,.… om te beginne en an te vange mit ’t begin, he’k hier ’n prèchtige takrooie maidoorn.… wie blieft.. wie-sait!

Van vier kanten raasde áán, dooreengolvend stemgekletter.

—Tien! vaiftien!.… achttien!.…

—Mit je àlle achttien, lachte Bode, mit je àlle twintig.… wie mot!

Dat was blomgoed, waar de hééle stoet op loerde.—

—F’rfloekt.… de fint snait d’r ieder dag ’n takkie van sain boom.… aa’s tie dit joar.. gain tachtig pop veur s’n boom moak, hiet ik puur gain Teun Stainders meer.…

De eerste bloemenkoop was weggerùkt. Langzaam achter ’n stapel aardbeikisten, wrong groenboer nog twee kleinere takjes. Maar nòg schreeuweriger, voor hooger prijs, kochten ze die in. Ze wachten er op, en hurrieden alle tegelijk er om.—

—Op is de boel!… gelukkig, kwam d’r aêrs nog muiterai an board.… Moandag weer ’n handje!.… lachte de Bode, en nou he’k hier nog prèchtige lelies.… wie mot dur.. wie?..

Nauwelijks had ie de vormfijne lang-stengelige bloemen in de handen of ze smakten op ’m neer. Twee vrouwen rukten ’n heel bosje uit z’n warme knuist.

—Ikke ook, ikke mot d’r òòk.…

—Hier.… doar hai je vast màin.. vrachie sinte!.… Ikke hep d’r tien!.…

—Màin.… main!.… daa’s gemàin, gilde ’n ander.… ikke hep d’r eerst sait!.…

—Krikf’rdorie.… die blomme luchte lèkker, snoof Dirk verbaasd-loom òp.. die mo’k hebbe veur main klante!.…

De vrouw met de stuipige breikousstomp was plots òver de hurriënde en dringende kerels heengebukt, ’r vat-breed achterwerk[149]’n groenboer langs ’t gezicht schurend. In woesten ruk, had ze vrouw Jaapeke de lelies uit ’r hand gescheurd, de bloemen haastig in d’r schort beschermend.—Vier andere vrouwen, met verkoop van veiling, zwaarlijvig bijeengeklonterd, sprongen bijzij op gele madam af, om te zien of ze nog meer blommen bergde.—Maar in één ruk had de breivrouw ’r leeggeplukt. Grienerige woedetrekken groefden om schrei-mond van gele medam, en sputterend spoog-lispte ze vloeken uit, naar de woeststerke wijven. ’n Endje van vrouw Jaapeke af, waren nu wat groenboeren op de brei-vrouw losgesprongen, om die den blommeboel te ontfutselen, bonkend en haar bekrijschend dat ze niet had laten uitveilen. Maar breivrouw weerde zich heftig, trapte naar achter, beukte opzij, in den knellenden warrel van graaiende en rukkende handen, stampen van beenen en lijven. Bodestem schalde plots bòven ’t warme stoeigewoel uit, in lach van z’n frisschen kop.

—Nou nog wa’ prêchtige pioene, wie-se-hep kraigt de staikels.… ikke hou de blomme—.. In wat tellen hadden de venters ’m afgekocht.—Broeierige woeling gistte los in den veiling-prop.—Snikhitte dampte om hun zweethoofden. Zon priemde fellere lichtlansen neer op de boot. Elk plekje braadde en kookte.—Spraakloos buiten ’t gewoel, stond kapitein voor zich uit te staren, ’t vonkwater in, en hoorbaarder nu, achter veilingstilte uit, klotste de golfjeskabbel tegen schipwanden òp in schuimende koeling en week ruischgestroom.—

Hunkering naar ochtendschaft ging rond. Om den Bode klonterde de menschenkluit los. Twee dikke groenboeren kankaneerden in nauw gangetje van hangende manden en kisten, naar de kajuit. De dikste, achteruit dansend, met kwabbige schommeling van z’n vet lijf en spanning van dans-dijen, strompelde gladkoperen traprichel af. Springend met kromgebogen armen, ’n zwaai de lucht in, plof-bonsde de andere op z’n borst en buik. Achter hen ààn, trampelde ’n heele bende naar beneden, de kajuit in, waar al wat kerels, mistig berookt in halflicht hoekje, saamgebroeid hurkten achter hun manden.

Als ’n laag-bezolderde ark, spitsig toeloopend en hellend bij[150]den boeg, dampigde de kajuit, volgesmookt van pijp- en sigarendamp, snikheet. Groòter en ruwer dan in ’t fel deklicht, onder half schaduw nù, lijfloom neergesmakt op de rooiige ruw-bekwaste banken,—leken de vrouwen- en manskoppen in de kajuitsdiepte. Achter enkele half-verduisterde hoofden, wangbrokken en kleurig haar, stroomde zonnelichtspuiing, door hooge ronde kijkgaten, beomtrekkend èven wat tronies in zoom van goud, fijn vloeiende lijn, die gloeide soms als electrische lichtdraad. Schuwere glansen schoten door morsig beruite kijkgaten, hoog ingeboord boven boeg, scheemrig vervloeiend in de halfdonkre kajuits-sombering.—Langs de wanden en midden in, plankten de ruw-rooiige banken, breed, waarop neergesmakt dromden in stomme hurrie van punten en brokkelige kanten, kisten, pakken en manden.—In de kajuit stonk ’t duffer, vunzer nog dan op ’t dek, waar dòòr de groenteluchten heen, soms nog ziltig zoute lucht van zee-windstroom aanwoei. De hooge kijkgaten, ’t heele schip langs, brandden in reflexvuur van kanaalwater en zonnegloed, tusschen ’t opkruipende half-duister in de stik-heete kajuit, als gloei-gouên oogen. Tegen de grijs-grauwe morsige zoldering zonden wat lichtkrinkels, die trillerig door elkaar heenspiraalden.—Vlak onder de gloei-gouden licht-oogenrij van kijkgaten, doorzond en fel-verblindend, kropen schaduwtinten langs verdonkerde wanden, zonk de kajuit in, vaag-kleurig van paarsen rook, even doorneveld van zwakke glanzen.—In al òpgeknelder drom trampelden de vensters van ’t dek, smakten zich neer op de banken, tusschen hun pakken en kisten.—In roodbruine somberheid plankten de banken, en heel de kajuit, met de oppropping van koopwaar, leek ’n groef, roodsteenig en duister, waarin schipbreukelingen saamgevlucht stumperden, bàng omknellend hun laatste rijkdommen.

’n Lange kerel, met heel kleine oogjes, z’n hoofd de zoldering rakend, waaronder z’n gebaren reuzigden, holde heen en weer te bedienen, stapte telkens op ’n vrouw af, die op bankpunt koffie schonk uit ’n bruin beschilderden koffie-stoomketel. Tegen muur van kajuitstrap, donkerde inhammend buffetje, waarin opgedrongen bijéén hinkten, diendertjes, manke jeneverglaasjes;[151]tegen elkaar leunden, flesschen, koppen, broodbonken, kaas, steenen bordjes en sigaren. Van alle kanten, uit de half duistere kajuit, tusschen het triestige roodbruin van banken en morsig grijs van zoldering, roezemoesden zeurige, teemende en krijschend-jolige, hakkelende en sputterende stemmen. Uit elken hoek warrelde geraas, gekakel en boerenwoest geschater. Gretig pakten de venters hun stukkenzak met halve broodhompen en mikkies uit; hàpten, hàpten.

—Koffie main!

—’n Bakkie g’laik!

De heele bende verdonkerd en ver-reuzigd onder lage zoldering en balken, slurpte koffie. Overal, ingebukte nekken en gezichten, de warme lippen op de groote kopranden platgeperst, vuile handen rond de kom gekneld.—In anderen klauw, de halve mikkies gegrepen, hapten dierlijk de geile ruwe monden, slurpten de tongen, grepen en persten de morsig levend-beweeglijke vingers, groen en bruin vervuild van smeer. Op verhoogd boeg-end, druk roezemoesde ’n gierend troepje, de beschaduwde koppen naar elkaar toegebukt, in raaskallende lol, omwolkt van paarsblauwigen rookmist.—

Soms even schampte òp, achter nevel-paars, ’n pijpekop, ’n kiel, rooiig-donker, grimmig-gebarende hand, ’n wangkant, ’n harige achterkop, met even lichtbeflitste oorrand, plots weer wegduisterend in zwaarder rookgewolk. Naar alle kanten liep de lange kerel met z’n dampende koffiekoppen, zonder schotels rondgediend, oorloos en gloeiheet, de klef’rige greepklare ventershanden induwend. Al meer reuzige schoenen, beenen en lijven zakten de loom nauwe kajuitstrap af, waar ’n ruitje even licht sloeg, voor ààn, in ’t rookige hol. De vrouwen bijeengegroept kakelden en kuchten, op d’r hooge banken saamgedromd, tegenover de woeste rookers, aan spitsig-hellende boeg. Telkens moesten ze inschuiven, opschuiven voor al meer instrompelend volk, dat tusschen vrachten en meegesjouwde bakken, als onder ’n lagen hemel van zoldering-morsigheid bijeen kwam broeien. De balken met donkere reten en vuile flodders verf, kruisten vlak boven hun scheemrige tronies. Aan ’t eind van middenbank stond[152]de schenkvrouw, breed ingebukt ’r oer-ketel te hellen. Telkens bracht de lange bediende, klefferig bevuilde koppen áán, hield éven schoongeplaste ònder den ketel-slurf, inmiddels vlug uit grooten suikerzak,—als overvloedhoorn blank-open neergetuit op bank-end,—’n schep opvisschend, en in zwierige vlucht afplonsend, in ieder kop ’n hoosje. Naast de ingebukte vrouw, die geen tijd had om ’r lijf te rekken, stond ’n vuil emmertje, van binnen bleek-rood uitgekleurd, met smoezel water, waarin ze luchtigjes,—toch doorschenkend uit ’r koffieslurf,—rond-spoelde de aangedragen, klodderig bestroopte koppen. Even ’t bruin-bestroopte van buiten wegplassend, druipend nog van vieze straaltjes grondig vocht, grabbelde ze met ’r natte handen de kommen weer òp, uit den emmer. En ’r zoon bleef bedienen, hield de reuzige koppen weer voor de tuit, die stroef stond, beklept-harig als ’n levende slurf, waarop vuiligheid bakte. En vlug, de eeuwig-gebukte schenkster rookte de kommen weer vol geurig koffiebaksel.—

Walgelijke stanken, duf en vuns rotbroeiden de groenten uit, de jenever, koffie en tabak. Tegen ’t roodbruine ruwe gebank, en den zwartmorsigen grond, zogen de stanken vast. Wilder, woester, in vergrootende donkering, slurpten, verhapten de koppen, met apig-dierlijke rukken ’t brood, in geilen slurp en zuig, smakkend zich gevend aan vroege vraatzucht en drank.

Dirk lag met z’n arm op ’n stapel duf-stinkende manden, en achter z’n hoofd, op tusschenplank van middenbank, tweekants bezet, stapelden bossen groenten en bloemen, zoet-zwoele lelies, tusschen voos-luchtende aardappels en kool, bruidsgeur en blankte, vermolmend onder gronderige stanken van benauwing. Elk ding wasemde stank uit. De kleeren van venters stonken als verrotte beenderen. Verhitte kroegasem en bloemengeur zogen door elkaar heen.—Naast Dirk, hurkten met beenen onder kin opgehaakt, Klaas Grint en Rink van den polder, happend en smakkerend in scharren en poonen, ronkend van vreetgenot. Dirk had z’n derde kop koffie al heet ingeslurpt, luisterde nu, dwars door leuter-geratel en handengeklakker van nasjacherende vrouwen en kerels om hem, naar[153]Grint, moeilijk verstaand, z’n oor geheven als luistertrechter, tegen den heeten herrieraas van stemmen in. Grint bepeuterde voorzichtiglijk z’n poonen, smakkerde bij brokken de vet-glimmige blanke visch z’n mond in, sprak en vergierde schunnige moppen, dat z’n uitkauwsel, telkens tusschen z’n snaterende kaken opschemerde. Als ’n zaal, waarin rumoerige kakatoes op eigen houtje krijschend konverseeren, dazelde stemmesnater rond. In al gamma’s brulden, lolden, lachten menschenkelen, schorre, rauwe, zachte en weeke timbres dooréén.—Soms klonken er als schrei-geluid, kermende klanken; dàn bulderde en donderde woordkrijsch uit, hevig en verhit in de mist-rookige kajuit.—Rink van den polder, slobberde jenever, door z’n scharrenmaal hèèn. Van uit z’n apigen knie-hurk, rookmistig omdampt, keek ie telkens flikker-scherpe kajuitsoogen in, die trilrige zonnekringen, wazig-vloeiend verspuiden tegen zoldergrauw. Eén balk-brok kreeg felsten stroom, waarop, in krinkelige rilling, als ’n zwabberende kurketrekker, ’t licht invrat als wit vuur. Naast Rink, ingedrukt en bekneld van twee kanten, met mandwerk, stumperde ’n bochel, door z’n puntbult ’n end van bankwand afgeduwd.—Peinzend telde hij eiertjes. Zacht schuifelde z’n hand in ’t strooien bed, en koelblank tusschen z’n groenig-vuile vingers, marmerden de eitjes, telkens teederlijk door ’m weggekoesterd in ’t gouden stroo. Na koffieslurp voelden de kerels zich bijna in de stad, furiede zuiphartstocht òp. Overal rinkelden jeneverglaasjes, zogen de rooie dorstige kelen ’t vocht in, vol wellust.

—Màin segoàr.… moàr hardstikke swoàr! schreeuwde Dirk.

—Enne main nog ’n kats, veur sain sinte, grinnikte Grint op Rink wijzend.

Met acht kommen tegelijk, in balans-behendigheid deinde zacht de lange bediende door den rookmist heen, naar stijgenden boeghoek, al hooger onder de zoldering uitreuzend, in bukhouding z’n kop op borst gedrongen, om zich niet te stooten.—Zwier-vlug deelde ie de kommen rond, tusschen de gretig-uitgestoken handen.—Sterker klonk weer gelebber, smakking en dof eetgeronk. Klaterende roezemoes, gillerig en hoog, onder[154]voortgonzenden toon van mannenbassen, gromde door de kajuit. Levende walvisch, leek ze menschen in angstlawaai opgehapt te hebben, die daar verwilderd in d’r half duisteren muil zaten te schreeuwen, te stampen en te reutelen tegen elkaar van kreupelen angst.—

Stooten van machinekamer bonkten trillingen door de wanden, bracht sidder in de koppen, handen en beenen. Door manden en bakken ging lèvende beefstroom. Alles zat in trilling; de tronies die raasden, de monden die zopen en vloekten, pruimden en kwebbelden; de handen, die vastklemden bevende kommen; de beenen, die trampelden of hurkten. Een flakkerende wiegel van schaduw en lichtvegen schemerde tonig en diep door de rook-paarse kajuit, rooïig-blauw verdampend in hel-lichtende òogenrij van kijkgaten, die loerden met zengenden vuur-blik.—Diep daarònder, de ingezonken lijven op banken, de handen op knieën, beverig doorschokt van machinedreun, de hoofden en oogen vertemperd in kleurigen wasem, tusschen den dof morsigen grom van roodbruin plankwerk en wandgrijs. Daar, midden in de broeihitte, sloegen, walmden en braakten de stanken òp, vunziger, uit half-open kelen van manden, uit zak-strotten, uit gaten en spleten van kisten. Zweet-rook van lijven dampte van kleeren; van barokke klompschoenen, enkele scheef en vergroeid als paardevoeten; van pilow-broeken en baaien rokken.—Uit alle hoeken wasemde rottende stank rond.—Schemervegen van schaduwzware tinten versluierden soms plòts groen-zwartig de kajuit. Rooie sigaarpunten gloeiden áán, in donkering van hoeken en de rondzonnige kajuitsoogen bleven loeren in fel vuur. Prachtige glansjes, smeltend en wiegelend, zwierden op menie-rooie randjes van drie gesloten venstertjes. Licht van waterkabbel wiegde méé met warrel van zonnespel daar in golfjes, àchter morsigblauw paarlmoerig-benevelde ruitjes. En wat trillerig geschijn deinde áán en af en om de kijkertjes. Als ’n diepe hangmat, waarin rookige schaduwen kwijnden en weer wazig-grillig verkleurden, in wiegel van gesmoord licht, hing de kajuit, plots weer in zachten schommel van boot; hangmat van rook en stank, waarin de menschlijven, opgepropt verduisterd in[155]grauwig paars en dampig gesmoord zonlicht, bewogen in nachtmerrie-realiteit. Uit pracht van diepe donkerdroomrige tonen, stemmige diepte van zachtflakkrenden kleurmist, zwaarbefloersd in grillig verstaltigenden groenen rook, doken telkens ànders de boerenkoppen òp. Roodbruin de banken, angstiger verdoffend den getemperden kleurenstoei der mans- en vrouwkleeren; in rooknevels de groentebakken en manden, dwars en stapelend uitgestald op den donkeren vloer, vóór sprookjes-reuzige voeten, òp schootbrokken, tusschen glazen, vuile kommen en rommelzooi van stronken en afval. Daar, door dàt hangmatleven, zogen en walmden de helsch-gemengde stanken, tusschen gebeuk, getril en geraas; broeiden de koppen bijéén; lekte ’t zonnevuur door de naven en ’t dek naar kajuit, waar de snikkende hittedag verduisterd en gesmoord lag te reutelen tusschen engte van duffe wanden.—Ènkele menschkoppen bewogen in glansgouïgen zoom. Wangbrokken gloeiden beschminkt van goudpoeierig schijnsel. Pet-vormpjes vergrilden in zacht-kleurig dof-duister.—Praat en slok, deinde òp uit diepe tinttonen.—Eetmonden vervaagden omrookt onder nevels, snorre-baardig, in harige ruwheid. En de golfjes in schroeienden zonnedoop, verspoelden kabbelig-speels, ruischend tegen de lichtoogen bòven hun tronies.—In paarsigen waas, de groote werkhanden woelden en gebaarden in en uit lichtvegen, rumoerend méé met hun zuip, hun krijsch, lol en ironie.—Handen, breed en geweldig als levende wezens, op zichzelf, hevig gekromd, verbronsd in aardewroet, in rauwe energie van beweeg en passie, tusschen den rookmist en rood-groenen damp, in wilde gebaar-woeling wègslingerend scheemrige vegen en tint-grillige schaduwen. Handen van bronzen reuzen, graaiend in smoor van zonnevuur.—

—Dà waa’s d’r main ’n sjouw Dirk, schreeuwde Klaas Grint, met beverige stem, doorschokt van dreun,—nou he’k tug puur naitig bakke oarbei op de boot—hee annaime!—main nog ’n bakkie leut!.…—

—Daa’s f’rduufeld achste bak, lachte de bediende.

—Nou wà’ sel ’t?.… betoàl ’k hullie nie? houw tot soo[156]langest je snoater,.… nou hoor-je Dirk? daa’s tug puur naitig bakke, allain van main rechterhoek!.…

—F’rek jai, viel Dirk met vollen mond in, zich verslikkend in hoestschokken, onder opslurping van koffie, dat z’n kop bloedrood te barsten dreigde.…

—Kaik nou, die wil d’r babbele aa’s tie te slikkebikke sit,.. wà noù f’rek?.. der kenne.. kenne hier op dek, puur.. dertienhonderd bakke oarebai!.… en f’middag komp ’r nog ’n nuute anvoer.… nou, dan wee’k daa’k goar bin!.…

—’t Is d’r dan ook duufels mit hoàst gonge hee?.. zei met diepe stem, zangerig, ’n venter vlak bij Dirk. Achter middenschot van bank zat ie, met verdraaid lijf, alleen neusbrok en oogen er boven uitloenschend naar de kerels.

Dirk, Grint en Rink draaiden zich half om.

—Hoe most da’ maint? vroeg stug Dirk.

—Wel nou, ’t is d’r nog gain drie weuke hee!.… t’met … daa’k … toe he’k de soete fransies sien hep hee?.… Wa’ màin dat d’r toen teugesloegte.… de vrucht wou nie sette.… alles d’r nog groen en half raip.. de grond uit!

—Daa’s net … veur drie weuke he’k niks aa’s rooie vlekkies in main tuin had, lachte Grint.

—Wel nou, zangde de diepe stem achter beschot weer, met halve tronie er boven uit, en een hand stumperig meebetoogend in beknelde gebaren,—de boel is d’r nou overstroomd hee?—

Met andere hand achter schot verscholen bonkte ie hevig op z’n weggedoken been, greep ie gretig naar ’n borrel, dien de lange kerel ’m brengen kwam. Achterover z’n kop, smeet ie z’n hapje donker mondgat in, bestelde smakkerend en likkend nog een.

—Nou, moar de haire hebbe d’r puur wâ inpalmt an ’t stêtjon en in de hoàfe hee?.… da stong t’met nie stil.… Van màin drie duusend kilo.. van sàin tweeduusend.. van Klaas, van Gijs, van Joap, van Dirk, sooveul aa’s sullie d’r hadde,—of aa’s je kèrtak veurskreef.…

—Wa?.… sooveul?… soo veul aa’s ’k f’rkoope wil hee? barstte smadelijk Rink uit,—buite da’ f’koop ikke tug òòk.. da kroak je ommirs?[157]

—Nou daa’s nie net, onthutst zei Grint, moar nou mo’ je.. mó’ je ook segge dâ je van ’t winter.… al kèrtak moakt hep.. van hoeveul je laif’re mot.—’n Màn, ’n man,… ’n woord, ’n woord.… hee?.… wa’ jou Dirk?.… wá’ jou Staine, wa jou.… Gais?.… je hoef d’r ommers nie veur de heule mikmak te f’rkertakteere?.…

—Daa’s klesseneere, lolde Rink, woest verrollend z’n gemeengroene oogen,—màin nog ’n bakkie leut hee!.… moar ikke f’rkoop wa’ kwait kèn … aa’s d’r beteder martpraise binne, al hè’k kertak veur vaif joàr!.… vat je!.…

—Nou seg, vergoelijkte weer sluwig Grint, de groote afnaimpers hebbe d’r tog ook hoarlie rissieko? daa’s net nie?.… en dá’ jòar.… f’rdomd.… sullie betoale d’r bestig hoog! da mô sait! Daa’s tog moar ordentelik! Velaije joar stong de mart vol van oarebai.… nie te f’rkoope.… hee?.… doar stonge wullie.… mit de pet in de ooge hee?.… en op haide?.… op haide?.…

—Nou, giftte plots ’n rooie driftkop uit rookwolk òpduikend, z’n beenen met gestommel van de bank afsullend,—dà tuig f’rdient d’r g’nog!.… wa’ doene die likkebaire.… niks gedoan hoor!.… sai b’toale d’r lootjes feuruit bai de swoager van dokter Troost … komme hullie d’r effetjes kaike hee?.. de kontreleur doen d’r ommirs alles!.. enne.… dan.… dan hebbe hullie.… allain mit de oarbaie opsende.… allainig mit d’r oarbaie.… sien je!.… ’n duusend pop f’rdiend.… in ’n weuk of soo, hee?.…

—Joà, moar de rissieko, teemde Klaas Grint.—

—Je suster rissieko.… soake aa’s piere.… soo staif.… om dà sullie de loodpot hebbe om vèur te skiete.… sende sullie ònster goed.… deur Duitschland … Enggeland.. en moake sullie d’r joartje wel goed hee? O die diefe.… die sloeries! schreeuwde Rink.

—Nou moar.. wa’ há’ je f’rlaije joar dan?… basstemde weer Steyne achter z’n schot, met z’n mondlijn even ’r boven,.. toen hâ je Beijens.… da’ rooide noa niks hee?.… die kaèrel.. hep toen ònster goed afnome hee? al wat wullie niet kwait kenne[158]hee?.… ’n sint ’n mandje hee?.… mit ’n straip of’r de bakke!.… je was d’r blai da’ se hullie d’r nog veur ’n sint kwait kwam!.… Moar die skevuit heb f’rdiend … die hep d’r waite … dá’ wai gain uitweg hadde hee?.… mit al ’t goed.… die hep d’r van màin.… van joù.… van jan en alleman kocht.… hee?.…

—Of daa’n skurk was, ’n geep.…. tromboneerde de woedestem van Rink, daa’s Beijens van de Skans hee?.… die skoelje hep d’r ’n achthonderd pop, in één slag f’rdiend, één middag.. Hai skunnigde alles noàr ’t buiteland.… hai hep d’r wacht, tut ie onster mi de pet in de ooge heb sitte sien!.…

—Je most d’r je stroopbek moar houe, woedde Dirk tegen Grint, jai.… jai!.… ’r sit d’r gain oasem nie soo goekòòp aa’s jai in Duinkaik.… en bestige grond da’ die vent hèp … swoare en lichte.… alles d’r aife bèstig … god’s kristus!.. aa’s d’r onse de half soo waa’s gaf ik d’r main pink veur … moar da rooit nà niks.…

Dirk gifte zich uit. Hij hield van z’n brok grond, maar de woede, dat ’t zoo belabberd was met afwatering en ie toch óók niet heelemaal kon werken voor zich zèlf, maakte ’m doodonverschillig. Hij gunde d’r geen korrel zand van aan Piet of z’n vader.… En nou ’t zoo beroerd ging, moest de boel maar waaien. Toch hield ie jaloersch, heet-veel van ’n brokkie tuin voor zichzelf en ’n wijf, als ie maar zoo iets ’n hoek had als Grint; vet, vruchtbaar, doorwaterd, warmpies in ’t zonnetje en licht.

—Nou jou lap is t’r àn de Beek ook bestig.… kermde Grint.

—Ferrek jai!.… mesiek! mesiek!… aldegoar bluf! doar motte wai àf.… of tie da’ nie weut hee?.… en kaik erais wa’ doar van de oarepels komme is?.… die hemme nou self poot!.… gain bloas!.…

—Wa’ ken main dat skele, jai beskait je land nie hee?.… suinige jop!.. moar heè? jullie sien nou dâ die mof van ’t stetjon d’r ook nie meer gaift.… aa’s veertien sint ’t kilo.…

—Krik f’rdorie, riep Steyne verbaasd en angstig,—en gister hep ie nog sestien sint betoald.… is die fint nou heuldegoar daas?.…[159]

—Daa’s net, moar nou sien die da d’r te veul is.… nou goan ie onster an ’t knibbele hee?.… wa motte d’r wai mee?… aa’s je ’t nie goed vin.… la’ ie je stoan!.… Je ken je bakke tug nie je kooters te suige gaife?

Dirk bleef stom, lurkte aan z’n pijp die niet halen wou.. zoog en blies blauw-duisteren nevel rond de herriënde babbel-tronies.—

—Main nog ’n bakkie leut! riep Grint dof.—

—Daa’s kom naige!.… lachte stikkerig ingehouen de lange bediende, nou.… die suipt gain borrels meer.… die goan d’r mi’ sain neus allainig in de koffiewind.…

Dirk zoog behaaglijk reutelige haaltjes door z’n pijp, uitkraterend zwarten walm en vonksterren.—Zure stank broeide rond, dat de kerels kuchten.

—Main ’n brandewaintje mi’ suiker.… riep Rink schor, zich schurkend met z’n reuzige schoften tegen bankrug òp.—

—’n Bestige segoar! en ’n brandewaintje mi’ sonder suiker.. mi’ suiker smoakt ie màin te lekker, ke’k nie finte!

—Nou sullie wachte d’r, tû je weeròm bin,.… vast hoor, schaterde een achter bankrug.… Seg Hassel.… weneer sel je hooi overend sain?

—Da’ wee’k nie, bromde Dirk.

Ventersgroep drong uit donker doorrookte boeghoogte, klompbonkerend voorbij kerels op middenbank, naar kajuitstrap.—

Naast Grint bij den ingang, rumoerden stoeiige krijschkerels die om waar streden, zoo hevig, dat Klaas voorover moest bukken naar Dirk om te verstaan.

—Wa’ sai je?.…

—Daa’k nie weut.… wanneer wai ’t hooi of’rend hebbe! wai motte d’r nog één daik.… hooi is bestig.… sit van onder ’n strootje in.… moar bestig hoor!

Zoon van schenkster, aan punt van de middenbank, waar de kerels zaten te zuipkonkelen, drentelde nog met koffie door de kajuit, ingebukt z’n kop op borst.

—Toe skiet op! main die koffie!.. barstte Dirk ongeduldig uit, toen ie den kerel zag voorbij stappen met zìjn bak dampende leut.—[160]

—Mo’ je van main nou nog wa’ mooie duiveke’s hewwe?.. vroeg de venter achter bankrug, met halve tronie er boven uit, oogen en neus strak gericht op Grint.

—Niks gedaan!.… ik hep d’r net waa’k ankèn hee?.… daa’s achtien bos!

—Mo’ je de mand pieterselie nog veur ’n kwart?.… mit ’n slokkied’r op! krijschte uit de kajuitstrap, ’n rood-bukkende kop, boven zwaar-tonnigen buik, van ’n groenboer, schreeuwend naar ’n volgerookten kajuitshoek. Met hakkenstommel rumoerde hij op bovenste koper-beslagen tree.

—Mit ’n happie d’r òp is ’t daan, krijschte uit rookdiep hellend achterend ’n stem terug en ’n paarsige zuipkop op mager lijf, donkerde vóór, uit nevel van boeghoek.

Bij de kajuitstrap bonsden ze tegen elkaar-op. Dikke zuiper graaide centen òp van mageren zuiper, stopte den kooper ’n mandje zoet-geurende pieterselie in de knuist. Gretig slurpten ze hun borrel in, al klaargezet op buffetplankje door schenkster, die ’r klanten kende.—

—F’rek, daa’s nog hardstikke vol hier, bromde de dikbuik, met ’n zwiersmak z’n glaasje op buffetje bonzend. Strompelend wrong ie zich, snuivend en hijgend, door eng trapje naar ’t hek.—Magere pieterseliekooper stapte weer harkerig terug naar den kleurig-duisteren boeghoek. Telkens dáár, ’n ander nevelbrok van rooksfeer schemerde wolkerig òp, tusschen lichtkrinkels en wit-vuur van zonnespuiende open kijkgaten; weefde in diffuus licht, violet-zilverende damp, flakkerend en geheimvol tintfijn boven de donkere diepte van babbelkoppen, rookmonden, haar en handen. Eén wolkerige sfeer van rookglans rond duistere, in woelige diepte verdompelde menschen.

Van rechts schreeuwde ’n vrouw, midden uit ’n kakel-groep, naar den rookboeg tegen ’n kerel, ’t meest voorop in den damp:

—Nee!.… da’ waa’s ’t snuitwerk van Henk.… hai kwam ’n kiekie loere onder de trap hee?.… moar ’t waa’s vast Henk de koalbuik!

—Henk de koalbuik? lachte de kerel, Henk?.… Heé joa’ twee brandewaintjes mi’ suiker veur de doames … en nóg twai[161]veur main aige hail hee?.… Nou Oàf!.… ik seg je dàn.… da die Henk d’r sain aige beeste la’ f’rhongere!—

—Nou, daa’s main ’n merk! de fint is d’r tuureluurs.… in de eeuwighait in de loorem.…

—Daa’s klesseneere, daa’s klesseneere, bulderde de vent uit rookhoek naar ’t vrouwengroepje, hai lait s’n borrel glad.… hai likt s’n urretje op sàin menier.… moar de fint.… ken d’r puur sain honde nie te vraite gaife.… s’n aigeste beeste.. da benne d’r vaif!.…—Hee.… hee!.… Dirk.… hai jai hoort da’ die trekhonde.… van.… vàn Henk.. de koalbuik.… da die d’r twai skoape van Jaanse van de Lemperwai hep afmoakt.… se hebbe de baiste puur van malkoar skeurt!

—Nou.… wa nou?.. schreeuwde Rink terug.… daa’s tug krek eender.… al die honger-meroakels.… die tuinders doar.… die Lemperhoek uit.… se hebbe d’r vast selfers niks, te fraite.. Is d’r netuurlik, daa’s sullie d’r honde snachts skiete loate! kenne sullie d’r aige potje soeke.… en woest aa’s die krenge binne.… se f’rskeure je.… van malkoar.… Bi-jai-’t-Hain!

—Nou ’t is d’r ’n klussie, blerde de breivrouw knorrig, dwars door ’t roezemoezige gekakel van andere schelle stemmen uit ’t vrouwentroepje,—’t is main ’n klussie.… main baiste legge d’r vast.… en fraite d’r aige vetje.—

—Wa’ sa’ je màin d’ran jokke.… laikt t’met of sullie ’n botertonnetje inslikt hebbe, soo ke’ je hullie ribbe aa’s hoepels deur d’r pins siene hainsteke.…

—Nou, zeurde een venter met geknepen schor geluid, wai binne aldegoàr noakend!.… die beeste motte f’r aige kossie skarrele.… se hebbe d’r gain fraite veur.. voed jai d’r noà hullie g’noege! vaif kaire t’met.… Se benne d’r soo ellendig sterk.… en bloeddorstig.… enne uithongerd.…

Van boeghoek waggelden de kerels òp, uit donkeren achtergrond, en dwars door de groen-violette wolksfeer, in ’t oogen-vuur der kijkgaten, sloegen de lijven en handen van opstaande en gaande kerels, een storm van lichtschokken, groot-donker in de rooksfeer, die zacht gloei-kwijnde in dampigen flakker[162]bòven de banken.—Meer kerels stapten op, met d’r koppen zoldering rakend, sloegen door den walm heen, waggelden naar voren, bij trapje, plots onder ’t felle lichtgat uit kajuit-schemer, áángloeiend in zengend zonnegoud. De boel bleef leeggeslemperd, vermorst-suf op de banken staan.

Groote stad was in zicht, en van alle kant grepen de venters hun goed bijeen, manden, pakken, kisten. In groepjes, achter elkaar, drongen ze eng kajuitstrapje af, en met koopwaar op nek en schouders, rumoerden ze zich in woesten woel, los over ’t dek.


Back to IndexNext