IV.

[Inhoud]IV.In geweldige lijn, van paal tot paal, tent tot tent stond de Haven-kermishoek in gloei. De boomen in den elektrischen lichtmist, met de hel-avondgroene bleeke lom’ring, staarde in waanzin-schrik naar den dronken hellewaggel.Kerels met bruine kruiken en flesschen, strompelend, klokten jenever in, vuurheet op straat, waggelden na slurp en genotsrochel weer verder, verschaduwden in donkering, lichtten verder weer òp in brandschijn. Schonkige boeven in lompen-ellende, schooierden sinister bijeen, stoelenmatters en scharenslijpers, bedelaars-smurrie en jeuk’rige landloopers, morsige ketellappers, hinkenden en schijn-verminkten, stem-smeekend op krukken, strompelend voor tenten en bak-vuren van poffertjeskramen, gretig loerend op gulle fooi van bezopenen of naar zakrol[306]van neergeronkte bewustloozen. In gelige oliejassen en groenige pijjekkers schurftten hun lijven, de morsige rottende plunje bedropen met vuil en modder.—Hun marjeniers-kleppetten schooierden scheef, vlak boven de brauwen, en pruimspuwend stootten ze zich telkens, als in vuistgevecht, de knuisten in de petten, dat de gebarsten kleppen deukten en rafelden in slonzige boevigheid. En zóó, in sprong op kruk, hinkend of jammerend, bedel-smeekten ze de gierende hossers en slenteraars tegemoet, gromvloekend en plots dreigend als er niets afviel.Tusschen de spullen, draaimolens, luchtschommels, Jutskoppen en worp-bakken, in achteruit donkerende hoeken, van de kraterende kermishel afgetrapt, duister-droefden de stalletjes met poonen, scharren, en vroege vruchten.—Stille jammerlijven,—met d’r tronies geelrood begloeid, achter de kar-stalletjes neergedonkerd op lage krukjes, half verstikt in den roetkleurigen walm van stank-zweetende petroleumpitten, die flakkerend vlamlekten, roodgeel en bronzerig in angstigen schroei van misere-belichting, verspokend in prachtsfeer;—stille jammerlijven riepen monotoon hun waar.—Kar aan kar droefde omdampt van prachtrood-gouden nevel, de half-donk’re lijven verschrompelend; de roepende lippen rood-grillig áángloeiend, de open roode monden verrossigend groot, de zorgelijke geel-roode tronies belichtend in vale gloeiing. En scheem’rig in bronzen flakker, kleur-weifelden omslagdoekjes van de stalletjesvrouwen, achter den bangen schroei van rood-dampigen pittenwalm.Hun roodversmookte monden bekrijschten àl sterker hun koopwaar.Met één sprong tijgerden ze òp van hun weggezonken krukjes uit ’t geel-roode geschemer als koopers opdrongen.—Voorovergebogen dan over hùn stal, oranje-feller gloeiden hun tronies áán, in den flakkerbrand van hun walmende pitten, flambouwig vlamlekkend schijnsels op neuslijn, jukken en ooren; verwalmend roodzwart over wangbrokken en kleeren, de oogen vonkend in hellen vuurgloed. Handen oranjig, gloeiden en graaiden[307]in de schimmig bevlamde koopwaar, tusschen de bronzen poonen, oranje-vale sinaasappels, noten en vroege peren.—En gretig, onder petroleumstank en walmroet van d’r pitten verkochten ze, met levendige schorre stemmen de koopers opjagend, de omgloeide koppen van omstaanders zangerig omschreeuwend, met konkurreerenden prijs.—Koopers dongen, dongen worstelend koppig, bij de stalletjeswijven en meisjes.—Roetwalm van lampetten kwam als smoezelige adem uit de roode kelen en longen der stalventsters. Soms kwam plots ’n áántrekkende fakkelstoet, met z’n rood-gouden gloed àf, op de in nacht-omduisterde stalletjes.Een fantastische sfeer verbeefde er dan om de koppen, sfeer van bronzig en groenig vuur, nevel, verflakkerend door ’t oranjerood, àl de tronies uit de half-duistering naar voren spokend, heimvol bewalmend en aanzwammend de huiden, demonisch met hun inkervingen en rimpels, zorg-groeven en leed-sneeën op voorhoofd en wangen. En al de koopers en koopsters mombakkesten moord-rood onbewust, de vlam-oogen woest in de spokige koppen geboord.—En door, in de demonische sfeer graaiden de handen van koopers, feller belicht, in den pittengloei, omspoelend de waar, soms in veeg van koop-gebaar, die handen zóó dicht onder den oranjewalm, dat ze klauwden, omvreten van licht, gekreukt, doorbarsten en reuzig. En wèg weer doken de kerels, stalletjeswijven en meisjes, in ’t moorsche geschemer van hun kleurige omslagdoeken, weifelend vaal om de verschrompelde schouders, als koopers in hos, vretend en kankaneerend, zakken gevuld, de kermishel inkermden. Dan doffer monotoonden hun rillige stemmen uit den roodgelen walmflakker van hun stallen, die weggetrapt dampten in de duisterende hoeken,—valer smartte hun roep om koopers.—Tusschen den stoomdraaimolen, heel naar achter, tegen donk’ren planken muur, zat Dientje, Kees’ kind, opgepookt door Ant nou erais ’n slag te slaan met de kermis. Ant zelf, pas heel naar bevallen van ’n dood kind, tien dagen kraamsch, durfde nog[308]niet mee venten om d’r zwakke lijf, en om Wimpie. Maar nou zou Dientje ’t moeten doen.Beverig sloeg ’r schel-krijscherig overspannen stemmetje stùk op ’t zanggeloei. Vlak voor d’r laag karretje zat ze, ’t zenuwvervreten karkasje trillend, ’t rimpelig kopje vaal geelrood schemerend in den waaienden flakker van haar stinkende walmflambouwen.Ze schreeuwde, schreeuwde maar. Telkens sprong ze òp van ’r krukje om dronken kerels en meiden te helpen, angstig ’r bevonkte oogjes naar joodschen buurman gericht, rekenend op zijn kracht als beschonken herrieschoppers d’r niet betalen wilden.—Soms gluurde ze naar de prachtdraaimolens, ’n end van ’r af, in ’t licht, bel-klingelend en dreunend van orgelschal, en soms zag ze nog net even de rooie boegen van de luchtsloepjes opzweven uit de tent, ’t boomlommer in.Als zei d’r nou-rais ook mocht! Moeder had gezeid dat als ze ’n goeie haalde, ze Maandag en Dinsdag, al was ’t maar drie cent, kon verdraaien.Ze was dan juist jarig, tien jaar. En Wimpie had dat met smeekjes bij d’r moeder voor haar klaar gespeeld. Zalig in voorpret dat ze misschien ook nog draaien ging, schreeuwde ’r kinderkeeltje, met opwinding door ’t lawaai:—Ferse poone! mooie skarre! ferse pietèrs … aldegoar nuut goed!Ze genoot stil van den lichtenden hellewoel om ’r heen, en den brandgloed, dien ze overal boven zich hangen zag, stedekekant uit, boven tenten, huizen en spellen,—maakte er blij, angstig blij. Telkens neuriede ze achter haar eenzaam walmstalletje méé met de straatorgeldeunen, die om ’r heen razende geruchten verkolkten. Heet snoof ze de gesmolten reuzel- en oliestank in, heerlijk-prikkelend op d’r tong. Ze rook en snoffelde in den sissenden poffertjes-bak; ze proefde den botergeur, ze watertandde, en snoof, snoof maar, heel den kermisstank in.—En ’r neusje joolde en schaterde in de warme prikkelende reuken.—[309]Heel ’t bonte kleurenwonder, de gloei van spiegels en lijstpraal, brandende ruiten en goud-vergulde tenten, bestaard van heel uit de verte, sloegen ’r lam van verbazing, bij wijlen van overrompelende verrukking. En nou, zoo ver van d’r àf, druischwoelend in den kleurigen avond, vond ze ’t allemaal nog veel mooier en begeerlijker dan overdag.—Later op den avond kreeg kindeke ’t heel rillig van ’t stille zitten, keek ze onrustig rond of Jansje, d’r zusje, ’r niet ’t geleende omslagdoekje kwam brengen, met ’n koppie-van-dit-of-van-dat, als iederen dag. Ze wist wel dat Wimpie in kermistijd niet alleen blijven wou, maar Jansje kon toch wel effetjes om ’r denken.—Jansje had van smiddags een uur tot zeven, op haàr plaats gezeten, tot zij ’r was komen aflossen. Ze had wel gehoord Dientje, dat ’r vader schrikkelijke ruzie maakte met d’r moeder, omdat ze haàr tot twee uur, iederen nacht dwong achter ’t stalletje te blijven; maar ook wist ze hoe moeder terugsnauwde dat d’r weer geen eten was, nou d’r vader weer niet werkte, ’t nest te hongeren lag.—Toen was Kees in ’n uitspuwende drift aan ’t bombardeeren geraakt, met z’n vuist op den rommel, Wimpie vergetend, dat ’t heele bendetje stond te trillen van angst om z’n uitstortende razernij. En toch had d’r moeder haar zin doorgezet, had ze ’r stiekem, iederen avond de Haven opgeduwd.—En ze peinsde nu Dientje, met ’r zorgkopje vòl ellende van thuis. Ze zag d’r zusje maar niet opdagen. Vlak achter haar rugje, bij ’t donkere havenwater, dreef de polderwijde nachtstilte, eindloos. Ze rilde, en half verdoofd door ’t helle-rumoer, dat vóór d’r droeve kijkertjes uitraasde, riep ’r stemmetje smartelijk zwak en moe:—Mooie poone, aldegoar nuut goed!Ze huiverde in ’r kale vodjes. Slaperige loomte kroop over ’r oogleden, die brandden. Bang werd ze plots in de stormende herrie, bang en eenzaam, als ze even achter ’r stalletje uitkeek, den stikduisteren poldernacht in.—[310]Van de polderbrug af bij Spoordijk kwam vuurkronkel van lampions weer opslangen. Roode adem gloeihijgend tegen zwart azuur en ronddonkerende hemelwijdte.De stoet kwam nader.—In ’n storm van kreten trillend nasaalden de mirlitons, stootten de pikolo’s en fluitjes, en doffe bange trommels roffelden demonische somberte door ’t schelle orgellawaai.Als ’n gedrocht, waarvan ’t lijf nog woelde in ’t duister, adem-rood vooruitblazend tegen luchtzwart, zoo rumoerde lampionsstoet in ’t donker áán, tot schoenen, beenen, lijven, armen en koppen langzaam opgloeiden in den eersten fakkelbrand van ’t alleen staand paardenspul, opdoemden met reuzig geweld in den schrik van ’t rossig-oranje walmlicht, in ’t flambouwende toortsgeel, woest en oproerig vervlammend over de tronies. Stel bij stel, rij bij rij, ingekluwd en omkettingd met armenknel, sloeg in den schroei van ’t licht, dat geelrossiger àl verder overgolfde de koppen en lijven. Mutsen, in kleurige woestheid gloeiden áán, beschminkte en bemombakkeste tronies, burlesk en infernaal in den vlammigen gloed vergroeiend.Fakkelend, de voorste slingerrij, fel wadend in oranjegelen mist van schijnsels, hief hoog boven koppendrom de lampions, die in prachtvurigen gloei weer een kronkel streepten van vuur, vreemd verwilderd rood nu in de toortsenhel. Achter den weer wijkenden stoet werd gevochten, geraasd, gescholden. Maar voort rende de inééngekettingde massa, in een wrong-drom van stapelgekke hossers, in vaart voorbij de tenten, òpdoemend in wemel van bevlamde kleuren, wegdonkerend in nacht-duistere hoeken waar geen kramen lichtten. En weer, in helschen ommegang, verwaanzind van passie, renden ze den kermisbrand uit, stikduister laandiep in van Lemperweg. En rood, prachtrood, bleef geheven, boven het verwoelend wegtrampelend massagedrocht in ’t duister, de vuurslang z’n rooden adem den diep-donkeren hemel inhijgend.[311]

[Inhoud]IV.In geweldige lijn, van paal tot paal, tent tot tent stond de Haven-kermishoek in gloei. De boomen in den elektrischen lichtmist, met de hel-avondgroene bleeke lom’ring, staarde in waanzin-schrik naar den dronken hellewaggel.Kerels met bruine kruiken en flesschen, strompelend, klokten jenever in, vuurheet op straat, waggelden na slurp en genotsrochel weer verder, verschaduwden in donkering, lichtten verder weer òp in brandschijn. Schonkige boeven in lompen-ellende, schooierden sinister bijeen, stoelenmatters en scharenslijpers, bedelaars-smurrie en jeuk’rige landloopers, morsige ketellappers, hinkenden en schijn-verminkten, stem-smeekend op krukken, strompelend voor tenten en bak-vuren van poffertjeskramen, gretig loerend op gulle fooi van bezopenen of naar zakrol[306]van neergeronkte bewustloozen. In gelige oliejassen en groenige pijjekkers schurftten hun lijven, de morsige rottende plunje bedropen met vuil en modder.—Hun marjeniers-kleppetten schooierden scheef, vlak boven de brauwen, en pruimspuwend stootten ze zich telkens, als in vuistgevecht, de knuisten in de petten, dat de gebarsten kleppen deukten en rafelden in slonzige boevigheid. En zóó, in sprong op kruk, hinkend of jammerend, bedel-smeekten ze de gierende hossers en slenteraars tegemoet, gromvloekend en plots dreigend als er niets afviel.Tusschen de spullen, draaimolens, luchtschommels, Jutskoppen en worp-bakken, in achteruit donkerende hoeken, van de kraterende kermishel afgetrapt, duister-droefden de stalletjes met poonen, scharren, en vroege vruchten.—Stille jammerlijven,—met d’r tronies geelrood begloeid, achter de kar-stalletjes neergedonkerd op lage krukjes, half verstikt in den roetkleurigen walm van stank-zweetende petroleumpitten, die flakkerend vlamlekten, roodgeel en bronzerig in angstigen schroei van misere-belichting, verspokend in prachtsfeer;—stille jammerlijven riepen monotoon hun waar.—Kar aan kar droefde omdampt van prachtrood-gouden nevel, de half-donk’re lijven verschrompelend; de roepende lippen rood-grillig áángloeiend, de open roode monden verrossigend groot, de zorgelijke geel-roode tronies belichtend in vale gloeiing. En scheem’rig in bronzen flakker, kleur-weifelden omslagdoekjes van de stalletjesvrouwen, achter den bangen schroei van rood-dampigen pittenwalm.Hun roodversmookte monden bekrijschten àl sterker hun koopwaar.Met één sprong tijgerden ze òp van hun weggezonken krukjes uit ’t geel-roode geschemer als koopers opdrongen.—Voorovergebogen dan over hùn stal, oranje-feller gloeiden hun tronies áán, in den flakkerbrand van hun walmende pitten, flambouwig vlamlekkend schijnsels op neuslijn, jukken en ooren; verwalmend roodzwart over wangbrokken en kleeren, de oogen vonkend in hellen vuurgloed. Handen oranjig, gloeiden en graaiden[307]in de schimmig bevlamde koopwaar, tusschen de bronzen poonen, oranje-vale sinaasappels, noten en vroege peren.—En gretig, onder petroleumstank en walmroet van d’r pitten verkochten ze, met levendige schorre stemmen de koopers opjagend, de omgloeide koppen van omstaanders zangerig omschreeuwend, met konkurreerenden prijs.—Koopers dongen, dongen worstelend koppig, bij de stalletjeswijven en meisjes.—Roetwalm van lampetten kwam als smoezelige adem uit de roode kelen en longen der stalventsters. Soms kwam plots ’n áántrekkende fakkelstoet, met z’n rood-gouden gloed àf, op de in nacht-omduisterde stalletjes.Een fantastische sfeer verbeefde er dan om de koppen, sfeer van bronzig en groenig vuur, nevel, verflakkerend door ’t oranjerood, àl de tronies uit de half-duistering naar voren spokend, heimvol bewalmend en aanzwammend de huiden, demonisch met hun inkervingen en rimpels, zorg-groeven en leed-sneeën op voorhoofd en wangen. En al de koopers en koopsters mombakkesten moord-rood onbewust, de vlam-oogen woest in de spokige koppen geboord.—En door, in de demonische sfeer graaiden de handen van koopers, feller belicht, in den pittengloei, omspoelend de waar, soms in veeg van koop-gebaar, die handen zóó dicht onder den oranjewalm, dat ze klauwden, omvreten van licht, gekreukt, doorbarsten en reuzig. En wèg weer doken de kerels, stalletjeswijven en meisjes, in ’t moorsche geschemer van hun kleurige omslagdoeken, weifelend vaal om de verschrompelde schouders, als koopers in hos, vretend en kankaneerend, zakken gevuld, de kermishel inkermden. Dan doffer monotoonden hun rillige stemmen uit den roodgelen walmflakker van hun stallen, die weggetrapt dampten in de duisterende hoeken,—valer smartte hun roep om koopers.—Tusschen den stoomdraaimolen, heel naar achter, tegen donk’ren planken muur, zat Dientje, Kees’ kind, opgepookt door Ant nou erais ’n slag te slaan met de kermis. Ant zelf, pas heel naar bevallen van ’n dood kind, tien dagen kraamsch, durfde nog[308]niet mee venten om d’r zwakke lijf, en om Wimpie. Maar nou zou Dientje ’t moeten doen.Beverig sloeg ’r schel-krijscherig overspannen stemmetje stùk op ’t zanggeloei. Vlak voor d’r laag karretje zat ze, ’t zenuwvervreten karkasje trillend, ’t rimpelig kopje vaal geelrood schemerend in den waaienden flakker van haar stinkende walmflambouwen.Ze schreeuwde, schreeuwde maar. Telkens sprong ze òp van ’r krukje om dronken kerels en meiden te helpen, angstig ’r bevonkte oogjes naar joodschen buurman gericht, rekenend op zijn kracht als beschonken herrieschoppers d’r niet betalen wilden.—Soms gluurde ze naar de prachtdraaimolens, ’n end van ’r af, in ’t licht, bel-klingelend en dreunend van orgelschal, en soms zag ze nog net even de rooie boegen van de luchtsloepjes opzweven uit de tent, ’t boomlommer in.Als zei d’r nou-rais ook mocht! Moeder had gezeid dat als ze ’n goeie haalde, ze Maandag en Dinsdag, al was ’t maar drie cent, kon verdraaien.Ze was dan juist jarig, tien jaar. En Wimpie had dat met smeekjes bij d’r moeder voor haar klaar gespeeld. Zalig in voorpret dat ze misschien ook nog draaien ging, schreeuwde ’r kinderkeeltje, met opwinding door ’t lawaai:—Ferse poone! mooie skarre! ferse pietèrs … aldegoar nuut goed!Ze genoot stil van den lichtenden hellewoel om ’r heen, en den brandgloed, dien ze overal boven zich hangen zag, stedekekant uit, boven tenten, huizen en spellen,—maakte er blij, angstig blij. Telkens neuriede ze achter haar eenzaam walmstalletje méé met de straatorgeldeunen, die om ’r heen razende geruchten verkolkten. Heet snoof ze de gesmolten reuzel- en oliestank in, heerlijk-prikkelend op d’r tong. Ze rook en snoffelde in den sissenden poffertjes-bak; ze proefde den botergeur, ze watertandde, en snoof, snoof maar, heel den kermisstank in.—En ’r neusje joolde en schaterde in de warme prikkelende reuken.—[309]Heel ’t bonte kleurenwonder, de gloei van spiegels en lijstpraal, brandende ruiten en goud-vergulde tenten, bestaard van heel uit de verte, sloegen ’r lam van verbazing, bij wijlen van overrompelende verrukking. En nou, zoo ver van d’r àf, druischwoelend in den kleurigen avond, vond ze ’t allemaal nog veel mooier en begeerlijker dan overdag.—Later op den avond kreeg kindeke ’t heel rillig van ’t stille zitten, keek ze onrustig rond of Jansje, d’r zusje, ’r niet ’t geleende omslagdoekje kwam brengen, met ’n koppie-van-dit-of-van-dat, als iederen dag. Ze wist wel dat Wimpie in kermistijd niet alleen blijven wou, maar Jansje kon toch wel effetjes om ’r denken.—Jansje had van smiddags een uur tot zeven, op haàr plaats gezeten, tot zij ’r was komen aflossen. Ze had wel gehoord Dientje, dat ’r vader schrikkelijke ruzie maakte met d’r moeder, omdat ze haàr tot twee uur, iederen nacht dwong achter ’t stalletje te blijven; maar ook wist ze hoe moeder terugsnauwde dat d’r weer geen eten was, nou d’r vader weer niet werkte, ’t nest te hongeren lag.—Toen was Kees in ’n uitspuwende drift aan ’t bombardeeren geraakt, met z’n vuist op den rommel, Wimpie vergetend, dat ’t heele bendetje stond te trillen van angst om z’n uitstortende razernij. En toch had d’r moeder haar zin doorgezet, had ze ’r stiekem, iederen avond de Haven opgeduwd.—En ze peinsde nu Dientje, met ’r zorgkopje vòl ellende van thuis. Ze zag d’r zusje maar niet opdagen. Vlak achter haar rugje, bij ’t donkere havenwater, dreef de polderwijde nachtstilte, eindloos. Ze rilde, en half verdoofd door ’t helle-rumoer, dat vóór d’r droeve kijkertjes uitraasde, riep ’r stemmetje smartelijk zwak en moe:—Mooie poone, aldegoar nuut goed!Ze huiverde in ’r kale vodjes. Slaperige loomte kroop over ’r oogleden, die brandden. Bang werd ze plots in de stormende herrie, bang en eenzaam, als ze even achter ’r stalletje uitkeek, den stikduisteren poldernacht in.—[310]Van de polderbrug af bij Spoordijk kwam vuurkronkel van lampions weer opslangen. Roode adem gloeihijgend tegen zwart azuur en ronddonkerende hemelwijdte.De stoet kwam nader.—In ’n storm van kreten trillend nasaalden de mirlitons, stootten de pikolo’s en fluitjes, en doffe bange trommels roffelden demonische somberte door ’t schelle orgellawaai.Als ’n gedrocht, waarvan ’t lijf nog woelde in ’t duister, adem-rood vooruitblazend tegen luchtzwart, zoo rumoerde lampionsstoet in ’t donker áán, tot schoenen, beenen, lijven, armen en koppen langzaam opgloeiden in den eersten fakkelbrand van ’t alleen staand paardenspul, opdoemden met reuzig geweld in den schrik van ’t rossig-oranje walmlicht, in ’t flambouwende toortsgeel, woest en oproerig vervlammend over de tronies. Stel bij stel, rij bij rij, ingekluwd en omkettingd met armenknel, sloeg in den schroei van ’t licht, dat geelrossiger àl verder overgolfde de koppen en lijven. Mutsen, in kleurige woestheid gloeiden áán, beschminkte en bemombakkeste tronies, burlesk en infernaal in den vlammigen gloed vergroeiend.Fakkelend, de voorste slingerrij, fel wadend in oranjegelen mist van schijnsels, hief hoog boven koppendrom de lampions, die in prachtvurigen gloei weer een kronkel streepten van vuur, vreemd verwilderd rood nu in de toortsenhel. Achter den weer wijkenden stoet werd gevochten, geraasd, gescholden. Maar voort rende de inééngekettingde massa, in een wrong-drom van stapelgekke hossers, in vaart voorbij de tenten, òpdoemend in wemel van bevlamde kleuren, wegdonkerend in nacht-duistere hoeken waar geen kramen lichtten. En weer, in helschen ommegang, verwaanzind van passie, renden ze den kermisbrand uit, stikduister laandiep in van Lemperweg. En rood, prachtrood, bleef geheven, boven het verwoelend wegtrampelend massagedrocht in ’t duister, de vuurslang z’n rooden adem den diep-donkeren hemel inhijgend.[311]

[Inhoud]IV.In geweldige lijn, van paal tot paal, tent tot tent stond de Haven-kermishoek in gloei. De boomen in den elektrischen lichtmist, met de hel-avondgroene bleeke lom’ring, staarde in waanzin-schrik naar den dronken hellewaggel.Kerels met bruine kruiken en flesschen, strompelend, klokten jenever in, vuurheet op straat, waggelden na slurp en genotsrochel weer verder, verschaduwden in donkering, lichtten verder weer òp in brandschijn. Schonkige boeven in lompen-ellende, schooierden sinister bijeen, stoelenmatters en scharenslijpers, bedelaars-smurrie en jeuk’rige landloopers, morsige ketellappers, hinkenden en schijn-verminkten, stem-smeekend op krukken, strompelend voor tenten en bak-vuren van poffertjeskramen, gretig loerend op gulle fooi van bezopenen of naar zakrol[306]van neergeronkte bewustloozen. In gelige oliejassen en groenige pijjekkers schurftten hun lijven, de morsige rottende plunje bedropen met vuil en modder.—Hun marjeniers-kleppetten schooierden scheef, vlak boven de brauwen, en pruimspuwend stootten ze zich telkens, als in vuistgevecht, de knuisten in de petten, dat de gebarsten kleppen deukten en rafelden in slonzige boevigheid. En zóó, in sprong op kruk, hinkend of jammerend, bedel-smeekten ze de gierende hossers en slenteraars tegemoet, gromvloekend en plots dreigend als er niets afviel.Tusschen de spullen, draaimolens, luchtschommels, Jutskoppen en worp-bakken, in achteruit donkerende hoeken, van de kraterende kermishel afgetrapt, duister-droefden de stalletjes met poonen, scharren, en vroege vruchten.—Stille jammerlijven,—met d’r tronies geelrood begloeid, achter de kar-stalletjes neergedonkerd op lage krukjes, half verstikt in den roetkleurigen walm van stank-zweetende petroleumpitten, die flakkerend vlamlekten, roodgeel en bronzerig in angstigen schroei van misere-belichting, verspokend in prachtsfeer;—stille jammerlijven riepen monotoon hun waar.—Kar aan kar droefde omdampt van prachtrood-gouden nevel, de half-donk’re lijven verschrompelend; de roepende lippen rood-grillig áángloeiend, de open roode monden verrossigend groot, de zorgelijke geel-roode tronies belichtend in vale gloeiing. En scheem’rig in bronzen flakker, kleur-weifelden omslagdoekjes van de stalletjesvrouwen, achter den bangen schroei van rood-dampigen pittenwalm.Hun roodversmookte monden bekrijschten àl sterker hun koopwaar.Met één sprong tijgerden ze òp van hun weggezonken krukjes uit ’t geel-roode geschemer als koopers opdrongen.—Voorovergebogen dan over hùn stal, oranje-feller gloeiden hun tronies áán, in den flakkerbrand van hun walmende pitten, flambouwig vlamlekkend schijnsels op neuslijn, jukken en ooren; verwalmend roodzwart over wangbrokken en kleeren, de oogen vonkend in hellen vuurgloed. Handen oranjig, gloeiden en graaiden[307]in de schimmig bevlamde koopwaar, tusschen de bronzen poonen, oranje-vale sinaasappels, noten en vroege peren.—En gretig, onder petroleumstank en walmroet van d’r pitten verkochten ze, met levendige schorre stemmen de koopers opjagend, de omgloeide koppen van omstaanders zangerig omschreeuwend, met konkurreerenden prijs.—Koopers dongen, dongen worstelend koppig, bij de stalletjeswijven en meisjes.—Roetwalm van lampetten kwam als smoezelige adem uit de roode kelen en longen der stalventsters. Soms kwam plots ’n áántrekkende fakkelstoet, met z’n rood-gouden gloed àf, op de in nacht-omduisterde stalletjes.Een fantastische sfeer verbeefde er dan om de koppen, sfeer van bronzig en groenig vuur, nevel, verflakkerend door ’t oranjerood, àl de tronies uit de half-duistering naar voren spokend, heimvol bewalmend en aanzwammend de huiden, demonisch met hun inkervingen en rimpels, zorg-groeven en leed-sneeën op voorhoofd en wangen. En al de koopers en koopsters mombakkesten moord-rood onbewust, de vlam-oogen woest in de spokige koppen geboord.—En door, in de demonische sfeer graaiden de handen van koopers, feller belicht, in den pittengloei, omspoelend de waar, soms in veeg van koop-gebaar, die handen zóó dicht onder den oranjewalm, dat ze klauwden, omvreten van licht, gekreukt, doorbarsten en reuzig. En wèg weer doken de kerels, stalletjeswijven en meisjes, in ’t moorsche geschemer van hun kleurige omslagdoeken, weifelend vaal om de verschrompelde schouders, als koopers in hos, vretend en kankaneerend, zakken gevuld, de kermishel inkermden. Dan doffer monotoonden hun rillige stemmen uit den roodgelen walmflakker van hun stallen, die weggetrapt dampten in de duisterende hoeken,—valer smartte hun roep om koopers.—Tusschen den stoomdraaimolen, heel naar achter, tegen donk’ren planken muur, zat Dientje, Kees’ kind, opgepookt door Ant nou erais ’n slag te slaan met de kermis. Ant zelf, pas heel naar bevallen van ’n dood kind, tien dagen kraamsch, durfde nog[308]niet mee venten om d’r zwakke lijf, en om Wimpie. Maar nou zou Dientje ’t moeten doen.Beverig sloeg ’r schel-krijscherig overspannen stemmetje stùk op ’t zanggeloei. Vlak voor d’r laag karretje zat ze, ’t zenuwvervreten karkasje trillend, ’t rimpelig kopje vaal geelrood schemerend in den waaienden flakker van haar stinkende walmflambouwen.Ze schreeuwde, schreeuwde maar. Telkens sprong ze òp van ’r krukje om dronken kerels en meiden te helpen, angstig ’r bevonkte oogjes naar joodschen buurman gericht, rekenend op zijn kracht als beschonken herrieschoppers d’r niet betalen wilden.—Soms gluurde ze naar de prachtdraaimolens, ’n end van ’r af, in ’t licht, bel-klingelend en dreunend van orgelschal, en soms zag ze nog net even de rooie boegen van de luchtsloepjes opzweven uit de tent, ’t boomlommer in.Als zei d’r nou-rais ook mocht! Moeder had gezeid dat als ze ’n goeie haalde, ze Maandag en Dinsdag, al was ’t maar drie cent, kon verdraaien.Ze was dan juist jarig, tien jaar. En Wimpie had dat met smeekjes bij d’r moeder voor haar klaar gespeeld. Zalig in voorpret dat ze misschien ook nog draaien ging, schreeuwde ’r kinderkeeltje, met opwinding door ’t lawaai:—Ferse poone! mooie skarre! ferse pietèrs … aldegoar nuut goed!Ze genoot stil van den lichtenden hellewoel om ’r heen, en den brandgloed, dien ze overal boven zich hangen zag, stedekekant uit, boven tenten, huizen en spellen,—maakte er blij, angstig blij. Telkens neuriede ze achter haar eenzaam walmstalletje méé met de straatorgeldeunen, die om ’r heen razende geruchten verkolkten. Heet snoof ze de gesmolten reuzel- en oliestank in, heerlijk-prikkelend op d’r tong. Ze rook en snoffelde in den sissenden poffertjes-bak; ze proefde den botergeur, ze watertandde, en snoof, snoof maar, heel den kermisstank in.—En ’r neusje joolde en schaterde in de warme prikkelende reuken.—[309]Heel ’t bonte kleurenwonder, de gloei van spiegels en lijstpraal, brandende ruiten en goud-vergulde tenten, bestaard van heel uit de verte, sloegen ’r lam van verbazing, bij wijlen van overrompelende verrukking. En nou, zoo ver van d’r àf, druischwoelend in den kleurigen avond, vond ze ’t allemaal nog veel mooier en begeerlijker dan overdag.—Later op den avond kreeg kindeke ’t heel rillig van ’t stille zitten, keek ze onrustig rond of Jansje, d’r zusje, ’r niet ’t geleende omslagdoekje kwam brengen, met ’n koppie-van-dit-of-van-dat, als iederen dag. Ze wist wel dat Wimpie in kermistijd niet alleen blijven wou, maar Jansje kon toch wel effetjes om ’r denken.—Jansje had van smiddags een uur tot zeven, op haàr plaats gezeten, tot zij ’r was komen aflossen. Ze had wel gehoord Dientje, dat ’r vader schrikkelijke ruzie maakte met d’r moeder, omdat ze haàr tot twee uur, iederen nacht dwong achter ’t stalletje te blijven; maar ook wist ze hoe moeder terugsnauwde dat d’r weer geen eten was, nou d’r vader weer niet werkte, ’t nest te hongeren lag.—Toen was Kees in ’n uitspuwende drift aan ’t bombardeeren geraakt, met z’n vuist op den rommel, Wimpie vergetend, dat ’t heele bendetje stond te trillen van angst om z’n uitstortende razernij. En toch had d’r moeder haar zin doorgezet, had ze ’r stiekem, iederen avond de Haven opgeduwd.—En ze peinsde nu Dientje, met ’r zorgkopje vòl ellende van thuis. Ze zag d’r zusje maar niet opdagen. Vlak achter haar rugje, bij ’t donkere havenwater, dreef de polderwijde nachtstilte, eindloos. Ze rilde, en half verdoofd door ’t helle-rumoer, dat vóór d’r droeve kijkertjes uitraasde, riep ’r stemmetje smartelijk zwak en moe:—Mooie poone, aldegoar nuut goed!Ze huiverde in ’r kale vodjes. Slaperige loomte kroop over ’r oogleden, die brandden. Bang werd ze plots in de stormende herrie, bang en eenzaam, als ze even achter ’r stalletje uitkeek, den stikduisteren poldernacht in.—[310]Van de polderbrug af bij Spoordijk kwam vuurkronkel van lampions weer opslangen. Roode adem gloeihijgend tegen zwart azuur en ronddonkerende hemelwijdte.De stoet kwam nader.—In ’n storm van kreten trillend nasaalden de mirlitons, stootten de pikolo’s en fluitjes, en doffe bange trommels roffelden demonische somberte door ’t schelle orgellawaai.Als ’n gedrocht, waarvan ’t lijf nog woelde in ’t duister, adem-rood vooruitblazend tegen luchtzwart, zoo rumoerde lampionsstoet in ’t donker áán, tot schoenen, beenen, lijven, armen en koppen langzaam opgloeiden in den eersten fakkelbrand van ’t alleen staand paardenspul, opdoemden met reuzig geweld in den schrik van ’t rossig-oranje walmlicht, in ’t flambouwende toortsgeel, woest en oproerig vervlammend over de tronies. Stel bij stel, rij bij rij, ingekluwd en omkettingd met armenknel, sloeg in den schroei van ’t licht, dat geelrossiger àl verder overgolfde de koppen en lijven. Mutsen, in kleurige woestheid gloeiden áán, beschminkte en bemombakkeste tronies, burlesk en infernaal in den vlammigen gloed vergroeiend.Fakkelend, de voorste slingerrij, fel wadend in oranjegelen mist van schijnsels, hief hoog boven koppendrom de lampions, die in prachtvurigen gloei weer een kronkel streepten van vuur, vreemd verwilderd rood nu in de toortsenhel. Achter den weer wijkenden stoet werd gevochten, geraasd, gescholden. Maar voort rende de inééngekettingde massa, in een wrong-drom van stapelgekke hossers, in vaart voorbij de tenten, òpdoemend in wemel van bevlamde kleuren, wegdonkerend in nacht-duistere hoeken waar geen kramen lichtten. En weer, in helschen ommegang, verwaanzind van passie, renden ze den kermisbrand uit, stikduister laandiep in van Lemperweg. En rood, prachtrood, bleef geheven, boven het verwoelend wegtrampelend massagedrocht in ’t duister, de vuurslang z’n rooden adem den diep-donkeren hemel inhijgend.[311]

[Inhoud]IV.In geweldige lijn, van paal tot paal, tent tot tent stond de Haven-kermishoek in gloei. De boomen in den elektrischen lichtmist, met de hel-avondgroene bleeke lom’ring, staarde in waanzin-schrik naar den dronken hellewaggel.Kerels met bruine kruiken en flesschen, strompelend, klokten jenever in, vuurheet op straat, waggelden na slurp en genotsrochel weer verder, verschaduwden in donkering, lichtten verder weer òp in brandschijn. Schonkige boeven in lompen-ellende, schooierden sinister bijeen, stoelenmatters en scharenslijpers, bedelaars-smurrie en jeuk’rige landloopers, morsige ketellappers, hinkenden en schijn-verminkten, stem-smeekend op krukken, strompelend voor tenten en bak-vuren van poffertjeskramen, gretig loerend op gulle fooi van bezopenen of naar zakrol[306]van neergeronkte bewustloozen. In gelige oliejassen en groenige pijjekkers schurftten hun lijven, de morsige rottende plunje bedropen met vuil en modder.—Hun marjeniers-kleppetten schooierden scheef, vlak boven de brauwen, en pruimspuwend stootten ze zich telkens, als in vuistgevecht, de knuisten in de petten, dat de gebarsten kleppen deukten en rafelden in slonzige boevigheid. En zóó, in sprong op kruk, hinkend of jammerend, bedel-smeekten ze de gierende hossers en slenteraars tegemoet, gromvloekend en plots dreigend als er niets afviel.Tusschen de spullen, draaimolens, luchtschommels, Jutskoppen en worp-bakken, in achteruit donkerende hoeken, van de kraterende kermishel afgetrapt, duister-droefden de stalletjes met poonen, scharren, en vroege vruchten.—Stille jammerlijven,—met d’r tronies geelrood begloeid, achter de kar-stalletjes neergedonkerd op lage krukjes, half verstikt in den roetkleurigen walm van stank-zweetende petroleumpitten, die flakkerend vlamlekten, roodgeel en bronzerig in angstigen schroei van misere-belichting, verspokend in prachtsfeer;—stille jammerlijven riepen monotoon hun waar.—Kar aan kar droefde omdampt van prachtrood-gouden nevel, de half-donk’re lijven verschrompelend; de roepende lippen rood-grillig áángloeiend, de open roode monden verrossigend groot, de zorgelijke geel-roode tronies belichtend in vale gloeiing. En scheem’rig in bronzen flakker, kleur-weifelden omslagdoekjes van de stalletjesvrouwen, achter den bangen schroei van rood-dampigen pittenwalm.Hun roodversmookte monden bekrijschten àl sterker hun koopwaar.Met één sprong tijgerden ze òp van hun weggezonken krukjes uit ’t geel-roode geschemer als koopers opdrongen.—Voorovergebogen dan over hùn stal, oranje-feller gloeiden hun tronies áán, in den flakkerbrand van hun walmende pitten, flambouwig vlamlekkend schijnsels op neuslijn, jukken en ooren; verwalmend roodzwart over wangbrokken en kleeren, de oogen vonkend in hellen vuurgloed. Handen oranjig, gloeiden en graaiden[307]in de schimmig bevlamde koopwaar, tusschen de bronzen poonen, oranje-vale sinaasappels, noten en vroege peren.—En gretig, onder petroleumstank en walmroet van d’r pitten verkochten ze, met levendige schorre stemmen de koopers opjagend, de omgloeide koppen van omstaanders zangerig omschreeuwend, met konkurreerenden prijs.—Koopers dongen, dongen worstelend koppig, bij de stalletjeswijven en meisjes.—Roetwalm van lampetten kwam als smoezelige adem uit de roode kelen en longen der stalventsters. Soms kwam plots ’n áántrekkende fakkelstoet, met z’n rood-gouden gloed àf, op de in nacht-omduisterde stalletjes.Een fantastische sfeer verbeefde er dan om de koppen, sfeer van bronzig en groenig vuur, nevel, verflakkerend door ’t oranjerood, àl de tronies uit de half-duistering naar voren spokend, heimvol bewalmend en aanzwammend de huiden, demonisch met hun inkervingen en rimpels, zorg-groeven en leed-sneeën op voorhoofd en wangen. En al de koopers en koopsters mombakkesten moord-rood onbewust, de vlam-oogen woest in de spokige koppen geboord.—En door, in de demonische sfeer graaiden de handen van koopers, feller belicht, in den pittengloei, omspoelend de waar, soms in veeg van koop-gebaar, die handen zóó dicht onder den oranjewalm, dat ze klauwden, omvreten van licht, gekreukt, doorbarsten en reuzig. En wèg weer doken de kerels, stalletjeswijven en meisjes, in ’t moorsche geschemer van hun kleurige omslagdoeken, weifelend vaal om de verschrompelde schouders, als koopers in hos, vretend en kankaneerend, zakken gevuld, de kermishel inkermden. Dan doffer monotoonden hun rillige stemmen uit den roodgelen walmflakker van hun stallen, die weggetrapt dampten in de duisterende hoeken,—valer smartte hun roep om koopers.—Tusschen den stoomdraaimolen, heel naar achter, tegen donk’ren planken muur, zat Dientje, Kees’ kind, opgepookt door Ant nou erais ’n slag te slaan met de kermis. Ant zelf, pas heel naar bevallen van ’n dood kind, tien dagen kraamsch, durfde nog[308]niet mee venten om d’r zwakke lijf, en om Wimpie. Maar nou zou Dientje ’t moeten doen.Beverig sloeg ’r schel-krijscherig overspannen stemmetje stùk op ’t zanggeloei. Vlak voor d’r laag karretje zat ze, ’t zenuwvervreten karkasje trillend, ’t rimpelig kopje vaal geelrood schemerend in den waaienden flakker van haar stinkende walmflambouwen.Ze schreeuwde, schreeuwde maar. Telkens sprong ze òp van ’r krukje om dronken kerels en meiden te helpen, angstig ’r bevonkte oogjes naar joodschen buurman gericht, rekenend op zijn kracht als beschonken herrieschoppers d’r niet betalen wilden.—Soms gluurde ze naar de prachtdraaimolens, ’n end van ’r af, in ’t licht, bel-klingelend en dreunend van orgelschal, en soms zag ze nog net even de rooie boegen van de luchtsloepjes opzweven uit de tent, ’t boomlommer in.Als zei d’r nou-rais ook mocht! Moeder had gezeid dat als ze ’n goeie haalde, ze Maandag en Dinsdag, al was ’t maar drie cent, kon verdraaien.Ze was dan juist jarig, tien jaar. En Wimpie had dat met smeekjes bij d’r moeder voor haar klaar gespeeld. Zalig in voorpret dat ze misschien ook nog draaien ging, schreeuwde ’r kinderkeeltje, met opwinding door ’t lawaai:—Ferse poone! mooie skarre! ferse pietèrs … aldegoar nuut goed!Ze genoot stil van den lichtenden hellewoel om ’r heen, en den brandgloed, dien ze overal boven zich hangen zag, stedekekant uit, boven tenten, huizen en spellen,—maakte er blij, angstig blij. Telkens neuriede ze achter haar eenzaam walmstalletje méé met de straatorgeldeunen, die om ’r heen razende geruchten verkolkten. Heet snoof ze de gesmolten reuzel- en oliestank in, heerlijk-prikkelend op d’r tong. Ze rook en snoffelde in den sissenden poffertjes-bak; ze proefde den botergeur, ze watertandde, en snoof, snoof maar, heel den kermisstank in.—En ’r neusje joolde en schaterde in de warme prikkelende reuken.—[309]Heel ’t bonte kleurenwonder, de gloei van spiegels en lijstpraal, brandende ruiten en goud-vergulde tenten, bestaard van heel uit de verte, sloegen ’r lam van verbazing, bij wijlen van overrompelende verrukking. En nou, zoo ver van d’r àf, druischwoelend in den kleurigen avond, vond ze ’t allemaal nog veel mooier en begeerlijker dan overdag.—Later op den avond kreeg kindeke ’t heel rillig van ’t stille zitten, keek ze onrustig rond of Jansje, d’r zusje, ’r niet ’t geleende omslagdoekje kwam brengen, met ’n koppie-van-dit-of-van-dat, als iederen dag. Ze wist wel dat Wimpie in kermistijd niet alleen blijven wou, maar Jansje kon toch wel effetjes om ’r denken.—Jansje had van smiddags een uur tot zeven, op haàr plaats gezeten, tot zij ’r was komen aflossen. Ze had wel gehoord Dientje, dat ’r vader schrikkelijke ruzie maakte met d’r moeder, omdat ze haàr tot twee uur, iederen nacht dwong achter ’t stalletje te blijven; maar ook wist ze hoe moeder terugsnauwde dat d’r weer geen eten was, nou d’r vader weer niet werkte, ’t nest te hongeren lag.—Toen was Kees in ’n uitspuwende drift aan ’t bombardeeren geraakt, met z’n vuist op den rommel, Wimpie vergetend, dat ’t heele bendetje stond te trillen van angst om z’n uitstortende razernij. En toch had d’r moeder haar zin doorgezet, had ze ’r stiekem, iederen avond de Haven opgeduwd.—En ze peinsde nu Dientje, met ’r zorgkopje vòl ellende van thuis. Ze zag d’r zusje maar niet opdagen. Vlak achter haar rugje, bij ’t donkere havenwater, dreef de polderwijde nachtstilte, eindloos. Ze rilde, en half verdoofd door ’t helle-rumoer, dat vóór d’r droeve kijkertjes uitraasde, riep ’r stemmetje smartelijk zwak en moe:—Mooie poone, aldegoar nuut goed!Ze huiverde in ’r kale vodjes. Slaperige loomte kroop over ’r oogleden, die brandden. Bang werd ze plots in de stormende herrie, bang en eenzaam, als ze even achter ’r stalletje uitkeek, den stikduisteren poldernacht in.—[310]Van de polderbrug af bij Spoordijk kwam vuurkronkel van lampions weer opslangen. Roode adem gloeihijgend tegen zwart azuur en ronddonkerende hemelwijdte.De stoet kwam nader.—In ’n storm van kreten trillend nasaalden de mirlitons, stootten de pikolo’s en fluitjes, en doffe bange trommels roffelden demonische somberte door ’t schelle orgellawaai.Als ’n gedrocht, waarvan ’t lijf nog woelde in ’t duister, adem-rood vooruitblazend tegen luchtzwart, zoo rumoerde lampionsstoet in ’t donker áán, tot schoenen, beenen, lijven, armen en koppen langzaam opgloeiden in den eersten fakkelbrand van ’t alleen staand paardenspul, opdoemden met reuzig geweld in den schrik van ’t rossig-oranje walmlicht, in ’t flambouwende toortsgeel, woest en oproerig vervlammend over de tronies. Stel bij stel, rij bij rij, ingekluwd en omkettingd met armenknel, sloeg in den schroei van ’t licht, dat geelrossiger àl verder overgolfde de koppen en lijven. Mutsen, in kleurige woestheid gloeiden áán, beschminkte en bemombakkeste tronies, burlesk en infernaal in den vlammigen gloed vergroeiend.Fakkelend, de voorste slingerrij, fel wadend in oranjegelen mist van schijnsels, hief hoog boven koppendrom de lampions, die in prachtvurigen gloei weer een kronkel streepten van vuur, vreemd verwilderd rood nu in de toortsenhel. Achter den weer wijkenden stoet werd gevochten, geraasd, gescholden. Maar voort rende de inééngekettingde massa, in een wrong-drom van stapelgekke hossers, in vaart voorbij de tenten, òpdoemend in wemel van bevlamde kleuren, wegdonkerend in nacht-duistere hoeken waar geen kramen lichtten. En weer, in helschen ommegang, verwaanzind van passie, renden ze den kermisbrand uit, stikduister laandiep in van Lemperweg. En rood, prachtrood, bleef geheven, boven het verwoelend wegtrampelend massagedrocht in ’t duister, de vuurslang z’n rooden adem den diep-donkeren hemel inhijgend.[311]

[Inhoud]IV.In geweldige lijn, van paal tot paal, tent tot tent stond de Haven-kermishoek in gloei. De boomen in den elektrischen lichtmist, met de hel-avondgroene bleeke lom’ring, staarde in waanzin-schrik naar den dronken hellewaggel.Kerels met bruine kruiken en flesschen, strompelend, klokten jenever in, vuurheet op straat, waggelden na slurp en genotsrochel weer verder, verschaduwden in donkering, lichtten verder weer òp in brandschijn. Schonkige boeven in lompen-ellende, schooierden sinister bijeen, stoelenmatters en scharenslijpers, bedelaars-smurrie en jeuk’rige landloopers, morsige ketellappers, hinkenden en schijn-verminkten, stem-smeekend op krukken, strompelend voor tenten en bak-vuren van poffertjeskramen, gretig loerend op gulle fooi van bezopenen of naar zakrol[306]van neergeronkte bewustloozen. In gelige oliejassen en groenige pijjekkers schurftten hun lijven, de morsige rottende plunje bedropen met vuil en modder.—Hun marjeniers-kleppetten schooierden scheef, vlak boven de brauwen, en pruimspuwend stootten ze zich telkens, als in vuistgevecht, de knuisten in de petten, dat de gebarsten kleppen deukten en rafelden in slonzige boevigheid. En zóó, in sprong op kruk, hinkend of jammerend, bedel-smeekten ze de gierende hossers en slenteraars tegemoet, gromvloekend en plots dreigend als er niets afviel.Tusschen de spullen, draaimolens, luchtschommels, Jutskoppen en worp-bakken, in achteruit donkerende hoeken, van de kraterende kermishel afgetrapt, duister-droefden de stalletjes met poonen, scharren, en vroege vruchten.—Stille jammerlijven,—met d’r tronies geelrood begloeid, achter de kar-stalletjes neergedonkerd op lage krukjes, half verstikt in den roetkleurigen walm van stank-zweetende petroleumpitten, die flakkerend vlamlekten, roodgeel en bronzerig in angstigen schroei van misere-belichting, verspokend in prachtsfeer;—stille jammerlijven riepen monotoon hun waar.—Kar aan kar droefde omdampt van prachtrood-gouden nevel, de half-donk’re lijven verschrompelend; de roepende lippen rood-grillig áángloeiend, de open roode monden verrossigend groot, de zorgelijke geel-roode tronies belichtend in vale gloeiing. En scheem’rig in bronzen flakker, kleur-weifelden omslagdoekjes van de stalletjesvrouwen, achter den bangen schroei van rood-dampigen pittenwalm.Hun roodversmookte monden bekrijschten àl sterker hun koopwaar.Met één sprong tijgerden ze òp van hun weggezonken krukjes uit ’t geel-roode geschemer als koopers opdrongen.—Voorovergebogen dan over hùn stal, oranje-feller gloeiden hun tronies áán, in den flakkerbrand van hun walmende pitten, flambouwig vlamlekkend schijnsels op neuslijn, jukken en ooren; verwalmend roodzwart over wangbrokken en kleeren, de oogen vonkend in hellen vuurgloed. Handen oranjig, gloeiden en graaiden[307]in de schimmig bevlamde koopwaar, tusschen de bronzen poonen, oranje-vale sinaasappels, noten en vroege peren.—En gretig, onder petroleumstank en walmroet van d’r pitten verkochten ze, met levendige schorre stemmen de koopers opjagend, de omgloeide koppen van omstaanders zangerig omschreeuwend, met konkurreerenden prijs.—Koopers dongen, dongen worstelend koppig, bij de stalletjeswijven en meisjes.—Roetwalm van lampetten kwam als smoezelige adem uit de roode kelen en longen der stalventsters. Soms kwam plots ’n áántrekkende fakkelstoet, met z’n rood-gouden gloed àf, op de in nacht-omduisterde stalletjes.Een fantastische sfeer verbeefde er dan om de koppen, sfeer van bronzig en groenig vuur, nevel, verflakkerend door ’t oranjerood, àl de tronies uit de half-duistering naar voren spokend, heimvol bewalmend en aanzwammend de huiden, demonisch met hun inkervingen en rimpels, zorg-groeven en leed-sneeën op voorhoofd en wangen. En al de koopers en koopsters mombakkesten moord-rood onbewust, de vlam-oogen woest in de spokige koppen geboord.—En door, in de demonische sfeer graaiden de handen van koopers, feller belicht, in den pittengloei, omspoelend de waar, soms in veeg van koop-gebaar, die handen zóó dicht onder den oranjewalm, dat ze klauwden, omvreten van licht, gekreukt, doorbarsten en reuzig. En wèg weer doken de kerels, stalletjeswijven en meisjes, in ’t moorsche geschemer van hun kleurige omslagdoeken, weifelend vaal om de verschrompelde schouders, als koopers in hos, vretend en kankaneerend, zakken gevuld, de kermishel inkermden. Dan doffer monotoonden hun rillige stemmen uit den roodgelen walmflakker van hun stallen, die weggetrapt dampten in de duisterende hoeken,—valer smartte hun roep om koopers.—Tusschen den stoomdraaimolen, heel naar achter, tegen donk’ren planken muur, zat Dientje, Kees’ kind, opgepookt door Ant nou erais ’n slag te slaan met de kermis. Ant zelf, pas heel naar bevallen van ’n dood kind, tien dagen kraamsch, durfde nog[308]niet mee venten om d’r zwakke lijf, en om Wimpie. Maar nou zou Dientje ’t moeten doen.Beverig sloeg ’r schel-krijscherig overspannen stemmetje stùk op ’t zanggeloei. Vlak voor d’r laag karretje zat ze, ’t zenuwvervreten karkasje trillend, ’t rimpelig kopje vaal geelrood schemerend in den waaienden flakker van haar stinkende walmflambouwen.Ze schreeuwde, schreeuwde maar. Telkens sprong ze òp van ’r krukje om dronken kerels en meiden te helpen, angstig ’r bevonkte oogjes naar joodschen buurman gericht, rekenend op zijn kracht als beschonken herrieschoppers d’r niet betalen wilden.—Soms gluurde ze naar de prachtdraaimolens, ’n end van ’r af, in ’t licht, bel-klingelend en dreunend van orgelschal, en soms zag ze nog net even de rooie boegen van de luchtsloepjes opzweven uit de tent, ’t boomlommer in.Als zei d’r nou-rais ook mocht! Moeder had gezeid dat als ze ’n goeie haalde, ze Maandag en Dinsdag, al was ’t maar drie cent, kon verdraaien.Ze was dan juist jarig, tien jaar. En Wimpie had dat met smeekjes bij d’r moeder voor haar klaar gespeeld. Zalig in voorpret dat ze misschien ook nog draaien ging, schreeuwde ’r kinderkeeltje, met opwinding door ’t lawaai:—Ferse poone! mooie skarre! ferse pietèrs … aldegoar nuut goed!Ze genoot stil van den lichtenden hellewoel om ’r heen, en den brandgloed, dien ze overal boven zich hangen zag, stedekekant uit, boven tenten, huizen en spellen,—maakte er blij, angstig blij. Telkens neuriede ze achter haar eenzaam walmstalletje méé met de straatorgeldeunen, die om ’r heen razende geruchten verkolkten. Heet snoof ze de gesmolten reuzel- en oliestank in, heerlijk-prikkelend op d’r tong. Ze rook en snoffelde in den sissenden poffertjes-bak; ze proefde den botergeur, ze watertandde, en snoof, snoof maar, heel den kermisstank in.—En ’r neusje joolde en schaterde in de warme prikkelende reuken.—[309]Heel ’t bonte kleurenwonder, de gloei van spiegels en lijstpraal, brandende ruiten en goud-vergulde tenten, bestaard van heel uit de verte, sloegen ’r lam van verbazing, bij wijlen van overrompelende verrukking. En nou, zoo ver van d’r àf, druischwoelend in den kleurigen avond, vond ze ’t allemaal nog veel mooier en begeerlijker dan overdag.—Later op den avond kreeg kindeke ’t heel rillig van ’t stille zitten, keek ze onrustig rond of Jansje, d’r zusje, ’r niet ’t geleende omslagdoekje kwam brengen, met ’n koppie-van-dit-of-van-dat, als iederen dag. Ze wist wel dat Wimpie in kermistijd niet alleen blijven wou, maar Jansje kon toch wel effetjes om ’r denken.—Jansje had van smiddags een uur tot zeven, op haàr plaats gezeten, tot zij ’r was komen aflossen. Ze had wel gehoord Dientje, dat ’r vader schrikkelijke ruzie maakte met d’r moeder, omdat ze haàr tot twee uur, iederen nacht dwong achter ’t stalletje te blijven; maar ook wist ze hoe moeder terugsnauwde dat d’r weer geen eten was, nou d’r vader weer niet werkte, ’t nest te hongeren lag.—Toen was Kees in ’n uitspuwende drift aan ’t bombardeeren geraakt, met z’n vuist op den rommel, Wimpie vergetend, dat ’t heele bendetje stond te trillen van angst om z’n uitstortende razernij. En toch had d’r moeder haar zin doorgezet, had ze ’r stiekem, iederen avond de Haven opgeduwd.—En ze peinsde nu Dientje, met ’r zorgkopje vòl ellende van thuis. Ze zag d’r zusje maar niet opdagen. Vlak achter haar rugje, bij ’t donkere havenwater, dreef de polderwijde nachtstilte, eindloos. Ze rilde, en half verdoofd door ’t helle-rumoer, dat vóór d’r droeve kijkertjes uitraasde, riep ’r stemmetje smartelijk zwak en moe:—Mooie poone, aldegoar nuut goed!Ze huiverde in ’r kale vodjes. Slaperige loomte kroop over ’r oogleden, die brandden. Bang werd ze plots in de stormende herrie, bang en eenzaam, als ze even achter ’r stalletje uitkeek, den stikduisteren poldernacht in.—[310]Van de polderbrug af bij Spoordijk kwam vuurkronkel van lampions weer opslangen. Roode adem gloeihijgend tegen zwart azuur en ronddonkerende hemelwijdte.De stoet kwam nader.—In ’n storm van kreten trillend nasaalden de mirlitons, stootten de pikolo’s en fluitjes, en doffe bange trommels roffelden demonische somberte door ’t schelle orgellawaai.Als ’n gedrocht, waarvan ’t lijf nog woelde in ’t duister, adem-rood vooruitblazend tegen luchtzwart, zoo rumoerde lampionsstoet in ’t donker áán, tot schoenen, beenen, lijven, armen en koppen langzaam opgloeiden in den eersten fakkelbrand van ’t alleen staand paardenspul, opdoemden met reuzig geweld in den schrik van ’t rossig-oranje walmlicht, in ’t flambouwende toortsgeel, woest en oproerig vervlammend over de tronies. Stel bij stel, rij bij rij, ingekluwd en omkettingd met armenknel, sloeg in den schroei van ’t licht, dat geelrossiger àl verder overgolfde de koppen en lijven. Mutsen, in kleurige woestheid gloeiden áán, beschminkte en bemombakkeste tronies, burlesk en infernaal in den vlammigen gloed vergroeiend.Fakkelend, de voorste slingerrij, fel wadend in oranjegelen mist van schijnsels, hief hoog boven koppendrom de lampions, die in prachtvurigen gloei weer een kronkel streepten van vuur, vreemd verwilderd rood nu in de toortsenhel. Achter den weer wijkenden stoet werd gevochten, geraasd, gescholden. Maar voort rende de inééngekettingde massa, in een wrong-drom van stapelgekke hossers, in vaart voorbij de tenten, òpdoemend in wemel van bevlamde kleuren, wegdonkerend in nacht-duistere hoeken waar geen kramen lichtten. En weer, in helschen ommegang, verwaanzind van passie, renden ze den kermisbrand uit, stikduister laandiep in van Lemperweg. En rood, prachtrood, bleef geheven, boven het verwoelend wegtrampelend massagedrocht in ’t duister, de vuurslang z’n rooden adem den diep-donkeren hemel inhijgend.[311]

[Inhoud]IV.In geweldige lijn, van paal tot paal, tent tot tent stond de Haven-kermishoek in gloei. De boomen in den elektrischen lichtmist, met de hel-avondgroene bleeke lom’ring, staarde in waanzin-schrik naar den dronken hellewaggel.Kerels met bruine kruiken en flesschen, strompelend, klokten jenever in, vuurheet op straat, waggelden na slurp en genotsrochel weer verder, verschaduwden in donkering, lichtten verder weer òp in brandschijn. Schonkige boeven in lompen-ellende, schooierden sinister bijeen, stoelenmatters en scharenslijpers, bedelaars-smurrie en jeuk’rige landloopers, morsige ketellappers, hinkenden en schijn-verminkten, stem-smeekend op krukken, strompelend voor tenten en bak-vuren van poffertjeskramen, gretig loerend op gulle fooi van bezopenen of naar zakrol[306]van neergeronkte bewustloozen. In gelige oliejassen en groenige pijjekkers schurftten hun lijven, de morsige rottende plunje bedropen met vuil en modder.—Hun marjeniers-kleppetten schooierden scheef, vlak boven de brauwen, en pruimspuwend stootten ze zich telkens, als in vuistgevecht, de knuisten in de petten, dat de gebarsten kleppen deukten en rafelden in slonzige boevigheid. En zóó, in sprong op kruk, hinkend of jammerend, bedel-smeekten ze de gierende hossers en slenteraars tegemoet, gromvloekend en plots dreigend als er niets afviel.Tusschen de spullen, draaimolens, luchtschommels, Jutskoppen en worp-bakken, in achteruit donkerende hoeken, van de kraterende kermishel afgetrapt, duister-droefden de stalletjes met poonen, scharren, en vroege vruchten.—Stille jammerlijven,—met d’r tronies geelrood begloeid, achter de kar-stalletjes neergedonkerd op lage krukjes, half verstikt in den roetkleurigen walm van stank-zweetende petroleumpitten, die flakkerend vlamlekten, roodgeel en bronzerig in angstigen schroei van misere-belichting, verspokend in prachtsfeer;—stille jammerlijven riepen monotoon hun waar.—Kar aan kar droefde omdampt van prachtrood-gouden nevel, de half-donk’re lijven verschrompelend; de roepende lippen rood-grillig áángloeiend, de open roode monden verrossigend groot, de zorgelijke geel-roode tronies belichtend in vale gloeiing. En scheem’rig in bronzen flakker, kleur-weifelden omslagdoekjes van de stalletjesvrouwen, achter den bangen schroei van rood-dampigen pittenwalm.Hun roodversmookte monden bekrijschten àl sterker hun koopwaar.Met één sprong tijgerden ze òp van hun weggezonken krukjes uit ’t geel-roode geschemer als koopers opdrongen.—Voorovergebogen dan over hùn stal, oranje-feller gloeiden hun tronies áán, in den flakkerbrand van hun walmende pitten, flambouwig vlamlekkend schijnsels op neuslijn, jukken en ooren; verwalmend roodzwart over wangbrokken en kleeren, de oogen vonkend in hellen vuurgloed. Handen oranjig, gloeiden en graaiden[307]in de schimmig bevlamde koopwaar, tusschen de bronzen poonen, oranje-vale sinaasappels, noten en vroege peren.—En gretig, onder petroleumstank en walmroet van d’r pitten verkochten ze, met levendige schorre stemmen de koopers opjagend, de omgloeide koppen van omstaanders zangerig omschreeuwend, met konkurreerenden prijs.—Koopers dongen, dongen worstelend koppig, bij de stalletjeswijven en meisjes.—Roetwalm van lampetten kwam als smoezelige adem uit de roode kelen en longen der stalventsters. Soms kwam plots ’n áántrekkende fakkelstoet, met z’n rood-gouden gloed àf, op de in nacht-omduisterde stalletjes.Een fantastische sfeer verbeefde er dan om de koppen, sfeer van bronzig en groenig vuur, nevel, verflakkerend door ’t oranjerood, àl de tronies uit de half-duistering naar voren spokend, heimvol bewalmend en aanzwammend de huiden, demonisch met hun inkervingen en rimpels, zorg-groeven en leed-sneeën op voorhoofd en wangen. En al de koopers en koopsters mombakkesten moord-rood onbewust, de vlam-oogen woest in de spokige koppen geboord.—En door, in de demonische sfeer graaiden de handen van koopers, feller belicht, in den pittengloei, omspoelend de waar, soms in veeg van koop-gebaar, die handen zóó dicht onder den oranjewalm, dat ze klauwden, omvreten van licht, gekreukt, doorbarsten en reuzig. En wèg weer doken de kerels, stalletjeswijven en meisjes, in ’t moorsche geschemer van hun kleurige omslagdoeken, weifelend vaal om de verschrompelde schouders, als koopers in hos, vretend en kankaneerend, zakken gevuld, de kermishel inkermden. Dan doffer monotoonden hun rillige stemmen uit den roodgelen walmflakker van hun stallen, die weggetrapt dampten in de duisterende hoeken,—valer smartte hun roep om koopers.—Tusschen den stoomdraaimolen, heel naar achter, tegen donk’ren planken muur, zat Dientje, Kees’ kind, opgepookt door Ant nou erais ’n slag te slaan met de kermis. Ant zelf, pas heel naar bevallen van ’n dood kind, tien dagen kraamsch, durfde nog[308]niet mee venten om d’r zwakke lijf, en om Wimpie. Maar nou zou Dientje ’t moeten doen.Beverig sloeg ’r schel-krijscherig overspannen stemmetje stùk op ’t zanggeloei. Vlak voor d’r laag karretje zat ze, ’t zenuwvervreten karkasje trillend, ’t rimpelig kopje vaal geelrood schemerend in den waaienden flakker van haar stinkende walmflambouwen.Ze schreeuwde, schreeuwde maar. Telkens sprong ze òp van ’r krukje om dronken kerels en meiden te helpen, angstig ’r bevonkte oogjes naar joodschen buurman gericht, rekenend op zijn kracht als beschonken herrieschoppers d’r niet betalen wilden.—Soms gluurde ze naar de prachtdraaimolens, ’n end van ’r af, in ’t licht, bel-klingelend en dreunend van orgelschal, en soms zag ze nog net even de rooie boegen van de luchtsloepjes opzweven uit de tent, ’t boomlommer in.Als zei d’r nou-rais ook mocht! Moeder had gezeid dat als ze ’n goeie haalde, ze Maandag en Dinsdag, al was ’t maar drie cent, kon verdraaien.Ze was dan juist jarig, tien jaar. En Wimpie had dat met smeekjes bij d’r moeder voor haar klaar gespeeld. Zalig in voorpret dat ze misschien ook nog draaien ging, schreeuwde ’r kinderkeeltje, met opwinding door ’t lawaai:—Ferse poone! mooie skarre! ferse pietèrs … aldegoar nuut goed!Ze genoot stil van den lichtenden hellewoel om ’r heen, en den brandgloed, dien ze overal boven zich hangen zag, stedekekant uit, boven tenten, huizen en spellen,—maakte er blij, angstig blij. Telkens neuriede ze achter haar eenzaam walmstalletje méé met de straatorgeldeunen, die om ’r heen razende geruchten verkolkten. Heet snoof ze de gesmolten reuzel- en oliestank in, heerlijk-prikkelend op d’r tong. Ze rook en snoffelde in den sissenden poffertjes-bak; ze proefde den botergeur, ze watertandde, en snoof, snoof maar, heel den kermisstank in.—En ’r neusje joolde en schaterde in de warme prikkelende reuken.—[309]Heel ’t bonte kleurenwonder, de gloei van spiegels en lijstpraal, brandende ruiten en goud-vergulde tenten, bestaard van heel uit de verte, sloegen ’r lam van verbazing, bij wijlen van overrompelende verrukking. En nou, zoo ver van d’r àf, druischwoelend in den kleurigen avond, vond ze ’t allemaal nog veel mooier en begeerlijker dan overdag.—Later op den avond kreeg kindeke ’t heel rillig van ’t stille zitten, keek ze onrustig rond of Jansje, d’r zusje, ’r niet ’t geleende omslagdoekje kwam brengen, met ’n koppie-van-dit-of-van-dat, als iederen dag. Ze wist wel dat Wimpie in kermistijd niet alleen blijven wou, maar Jansje kon toch wel effetjes om ’r denken.—Jansje had van smiddags een uur tot zeven, op haàr plaats gezeten, tot zij ’r was komen aflossen. Ze had wel gehoord Dientje, dat ’r vader schrikkelijke ruzie maakte met d’r moeder, omdat ze haàr tot twee uur, iederen nacht dwong achter ’t stalletje te blijven; maar ook wist ze hoe moeder terugsnauwde dat d’r weer geen eten was, nou d’r vader weer niet werkte, ’t nest te hongeren lag.—Toen was Kees in ’n uitspuwende drift aan ’t bombardeeren geraakt, met z’n vuist op den rommel, Wimpie vergetend, dat ’t heele bendetje stond te trillen van angst om z’n uitstortende razernij. En toch had d’r moeder haar zin doorgezet, had ze ’r stiekem, iederen avond de Haven opgeduwd.—En ze peinsde nu Dientje, met ’r zorgkopje vòl ellende van thuis. Ze zag d’r zusje maar niet opdagen. Vlak achter haar rugje, bij ’t donkere havenwater, dreef de polderwijde nachtstilte, eindloos. Ze rilde, en half verdoofd door ’t helle-rumoer, dat vóór d’r droeve kijkertjes uitraasde, riep ’r stemmetje smartelijk zwak en moe:—Mooie poone, aldegoar nuut goed!Ze huiverde in ’r kale vodjes. Slaperige loomte kroop over ’r oogleden, die brandden. Bang werd ze plots in de stormende herrie, bang en eenzaam, als ze even achter ’r stalletje uitkeek, den stikduisteren poldernacht in.—[310]Van de polderbrug af bij Spoordijk kwam vuurkronkel van lampions weer opslangen. Roode adem gloeihijgend tegen zwart azuur en ronddonkerende hemelwijdte.De stoet kwam nader.—In ’n storm van kreten trillend nasaalden de mirlitons, stootten de pikolo’s en fluitjes, en doffe bange trommels roffelden demonische somberte door ’t schelle orgellawaai.Als ’n gedrocht, waarvan ’t lijf nog woelde in ’t duister, adem-rood vooruitblazend tegen luchtzwart, zoo rumoerde lampionsstoet in ’t donker áán, tot schoenen, beenen, lijven, armen en koppen langzaam opgloeiden in den eersten fakkelbrand van ’t alleen staand paardenspul, opdoemden met reuzig geweld in den schrik van ’t rossig-oranje walmlicht, in ’t flambouwende toortsgeel, woest en oproerig vervlammend over de tronies. Stel bij stel, rij bij rij, ingekluwd en omkettingd met armenknel, sloeg in den schroei van ’t licht, dat geelrossiger àl verder overgolfde de koppen en lijven. Mutsen, in kleurige woestheid gloeiden áán, beschminkte en bemombakkeste tronies, burlesk en infernaal in den vlammigen gloed vergroeiend.Fakkelend, de voorste slingerrij, fel wadend in oranjegelen mist van schijnsels, hief hoog boven koppendrom de lampions, die in prachtvurigen gloei weer een kronkel streepten van vuur, vreemd verwilderd rood nu in de toortsenhel. Achter den weer wijkenden stoet werd gevochten, geraasd, gescholden. Maar voort rende de inééngekettingde massa, in een wrong-drom van stapelgekke hossers, in vaart voorbij de tenten, òpdoemend in wemel van bevlamde kleuren, wegdonkerend in nacht-duistere hoeken waar geen kramen lichtten. En weer, in helschen ommegang, verwaanzind van passie, renden ze den kermisbrand uit, stikduister laandiep in van Lemperweg. En rood, prachtrood, bleef geheven, boven het verwoelend wegtrampelend massagedrocht in ’t duister, de vuurslang z’n rooden adem den diep-donkeren hemel inhijgend.[311]

IV.

In geweldige lijn, van paal tot paal, tent tot tent stond de Haven-kermishoek in gloei. De boomen in den elektrischen lichtmist, met de hel-avondgroene bleeke lom’ring, staarde in waanzin-schrik naar den dronken hellewaggel.Kerels met bruine kruiken en flesschen, strompelend, klokten jenever in, vuurheet op straat, waggelden na slurp en genotsrochel weer verder, verschaduwden in donkering, lichtten verder weer òp in brandschijn. Schonkige boeven in lompen-ellende, schooierden sinister bijeen, stoelenmatters en scharenslijpers, bedelaars-smurrie en jeuk’rige landloopers, morsige ketellappers, hinkenden en schijn-verminkten, stem-smeekend op krukken, strompelend voor tenten en bak-vuren van poffertjeskramen, gretig loerend op gulle fooi van bezopenen of naar zakrol[306]van neergeronkte bewustloozen. In gelige oliejassen en groenige pijjekkers schurftten hun lijven, de morsige rottende plunje bedropen met vuil en modder.—Hun marjeniers-kleppetten schooierden scheef, vlak boven de brauwen, en pruimspuwend stootten ze zich telkens, als in vuistgevecht, de knuisten in de petten, dat de gebarsten kleppen deukten en rafelden in slonzige boevigheid. En zóó, in sprong op kruk, hinkend of jammerend, bedel-smeekten ze de gierende hossers en slenteraars tegemoet, gromvloekend en plots dreigend als er niets afviel.Tusschen de spullen, draaimolens, luchtschommels, Jutskoppen en worp-bakken, in achteruit donkerende hoeken, van de kraterende kermishel afgetrapt, duister-droefden de stalletjes met poonen, scharren, en vroege vruchten.—Stille jammerlijven,—met d’r tronies geelrood begloeid, achter de kar-stalletjes neergedonkerd op lage krukjes, half verstikt in den roetkleurigen walm van stank-zweetende petroleumpitten, die flakkerend vlamlekten, roodgeel en bronzerig in angstigen schroei van misere-belichting, verspokend in prachtsfeer;—stille jammerlijven riepen monotoon hun waar.—Kar aan kar droefde omdampt van prachtrood-gouden nevel, de half-donk’re lijven verschrompelend; de roepende lippen rood-grillig áángloeiend, de open roode monden verrossigend groot, de zorgelijke geel-roode tronies belichtend in vale gloeiing. En scheem’rig in bronzen flakker, kleur-weifelden omslagdoekjes van de stalletjesvrouwen, achter den bangen schroei van rood-dampigen pittenwalm.Hun roodversmookte monden bekrijschten àl sterker hun koopwaar.Met één sprong tijgerden ze òp van hun weggezonken krukjes uit ’t geel-roode geschemer als koopers opdrongen.—Voorovergebogen dan over hùn stal, oranje-feller gloeiden hun tronies áán, in den flakkerbrand van hun walmende pitten, flambouwig vlamlekkend schijnsels op neuslijn, jukken en ooren; verwalmend roodzwart over wangbrokken en kleeren, de oogen vonkend in hellen vuurgloed. Handen oranjig, gloeiden en graaiden[307]in de schimmig bevlamde koopwaar, tusschen de bronzen poonen, oranje-vale sinaasappels, noten en vroege peren.—En gretig, onder petroleumstank en walmroet van d’r pitten verkochten ze, met levendige schorre stemmen de koopers opjagend, de omgloeide koppen van omstaanders zangerig omschreeuwend, met konkurreerenden prijs.—Koopers dongen, dongen worstelend koppig, bij de stalletjeswijven en meisjes.—Roetwalm van lampetten kwam als smoezelige adem uit de roode kelen en longen der stalventsters. Soms kwam plots ’n áántrekkende fakkelstoet, met z’n rood-gouden gloed àf, op de in nacht-omduisterde stalletjes.Een fantastische sfeer verbeefde er dan om de koppen, sfeer van bronzig en groenig vuur, nevel, verflakkerend door ’t oranjerood, àl de tronies uit de half-duistering naar voren spokend, heimvol bewalmend en aanzwammend de huiden, demonisch met hun inkervingen en rimpels, zorg-groeven en leed-sneeën op voorhoofd en wangen. En al de koopers en koopsters mombakkesten moord-rood onbewust, de vlam-oogen woest in de spokige koppen geboord.—En door, in de demonische sfeer graaiden de handen van koopers, feller belicht, in den pittengloei, omspoelend de waar, soms in veeg van koop-gebaar, die handen zóó dicht onder den oranjewalm, dat ze klauwden, omvreten van licht, gekreukt, doorbarsten en reuzig. En wèg weer doken de kerels, stalletjeswijven en meisjes, in ’t moorsche geschemer van hun kleurige omslagdoeken, weifelend vaal om de verschrompelde schouders, als koopers in hos, vretend en kankaneerend, zakken gevuld, de kermishel inkermden. Dan doffer monotoonden hun rillige stemmen uit den roodgelen walmflakker van hun stallen, die weggetrapt dampten in de duisterende hoeken,—valer smartte hun roep om koopers.—Tusschen den stoomdraaimolen, heel naar achter, tegen donk’ren planken muur, zat Dientje, Kees’ kind, opgepookt door Ant nou erais ’n slag te slaan met de kermis. Ant zelf, pas heel naar bevallen van ’n dood kind, tien dagen kraamsch, durfde nog[308]niet mee venten om d’r zwakke lijf, en om Wimpie. Maar nou zou Dientje ’t moeten doen.Beverig sloeg ’r schel-krijscherig overspannen stemmetje stùk op ’t zanggeloei. Vlak voor d’r laag karretje zat ze, ’t zenuwvervreten karkasje trillend, ’t rimpelig kopje vaal geelrood schemerend in den waaienden flakker van haar stinkende walmflambouwen.Ze schreeuwde, schreeuwde maar. Telkens sprong ze òp van ’r krukje om dronken kerels en meiden te helpen, angstig ’r bevonkte oogjes naar joodschen buurman gericht, rekenend op zijn kracht als beschonken herrieschoppers d’r niet betalen wilden.—Soms gluurde ze naar de prachtdraaimolens, ’n end van ’r af, in ’t licht, bel-klingelend en dreunend van orgelschal, en soms zag ze nog net even de rooie boegen van de luchtsloepjes opzweven uit de tent, ’t boomlommer in.Als zei d’r nou-rais ook mocht! Moeder had gezeid dat als ze ’n goeie haalde, ze Maandag en Dinsdag, al was ’t maar drie cent, kon verdraaien.Ze was dan juist jarig, tien jaar. En Wimpie had dat met smeekjes bij d’r moeder voor haar klaar gespeeld. Zalig in voorpret dat ze misschien ook nog draaien ging, schreeuwde ’r kinderkeeltje, met opwinding door ’t lawaai:—Ferse poone! mooie skarre! ferse pietèrs … aldegoar nuut goed!Ze genoot stil van den lichtenden hellewoel om ’r heen, en den brandgloed, dien ze overal boven zich hangen zag, stedekekant uit, boven tenten, huizen en spellen,—maakte er blij, angstig blij. Telkens neuriede ze achter haar eenzaam walmstalletje méé met de straatorgeldeunen, die om ’r heen razende geruchten verkolkten. Heet snoof ze de gesmolten reuzel- en oliestank in, heerlijk-prikkelend op d’r tong. Ze rook en snoffelde in den sissenden poffertjes-bak; ze proefde den botergeur, ze watertandde, en snoof, snoof maar, heel den kermisstank in.—En ’r neusje joolde en schaterde in de warme prikkelende reuken.—[309]Heel ’t bonte kleurenwonder, de gloei van spiegels en lijstpraal, brandende ruiten en goud-vergulde tenten, bestaard van heel uit de verte, sloegen ’r lam van verbazing, bij wijlen van overrompelende verrukking. En nou, zoo ver van d’r àf, druischwoelend in den kleurigen avond, vond ze ’t allemaal nog veel mooier en begeerlijker dan overdag.—Later op den avond kreeg kindeke ’t heel rillig van ’t stille zitten, keek ze onrustig rond of Jansje, d’r zusje, ’r niet ’t geleende omslagdoekje kwam brengen, met ’n koppie-van-dit-of-van-dat, als iederen dag. Ze wist wel dat Wimpie in kermistijd niet alleen blijven wou, maar Jansje kon toch wel effetjes om ’r denken.—Jansje had van smiddags een uur tot zeven, op haàr plaats gezeten, tot zij ’r was komen aflossen. Ze had wel gehoord Dientje, dat ’r vader schrikkelijke ruzie maakte met d’r moeder, omdat ze haàr tot twee uur, iederen nacht dwong achter ’t stalletje te blijven; maar ook wist ze hoe moeder terugsnauwde dat d’r weer geen eten was, nou d’r vader weer niet werkte, ’t nest te hongeren lag.—Toen was Kees in ’n uitspuwende drift aan ’t bombardeeren geraakt, met z’n vuist op den rommel, Wimpie vergetend, dat ’t heele bendetje stond te trillen van angst om z’n uitstortende razernij. En toch had d’r moeder haar zin doorgezet, had ze ’r stiekem, iederen avond de Haven opgeduwd.—En ze peinsde nu Dientje, met ’r zorgkopje vòl ellende van thuis. Ze zag d’r zusje maar niet opdagen. Vlak achter haar rugje, bij ’t donkere havenwater, dreef de polderwijde nachtstilte, eindloos. Ze rilde, en half verdoofd door ’t helle-rumoer, dat vóór d’r droeve kijkertjes uitraasde, riep ’r stemmetje smartelijk zwak en moe:—Mooie poone, aldegoar nuut goed!Ze huiverde in ’r kale vodjes. Slaperige loomte kroop over ’r oogleden, die brandden. Bang werd ze plots in de stormende herrie, bang en eenzaam, als ze even achter ’r stalletje uitkeek, den stikduisteren poldernacht in.—[310]Van de polderbrug af bij Spoordijk kwam vuurkronkel van lampions weer opslangen. Roode adem gloeihijgend tegen zwart azuur en ronddonkerende hemelwijdte.De stoet kwam nader.—In ’n storm van kreten trillend nasaalden de mirlitons, stootten de pikolo’s en fluitjes, en doffe bange trommels roffelden demonische somberte door ’t schelle orgellawaai.Als ’n gedrocht, waarvan ’t lijf nog woelde in ’t duister, adem-rood vooruitblazend tegen luchtzwart, zoo rumoerde lampionsstoet in ’t donker áán, tot schoenen, beenen, lijven, armen en koppen langzaam opgloeiden in den eersten fakkelbrand van ’t alleen staand paardenspul, opdoemden met reuzig geweld in den schrik van ’t rossig-oranje walmlicht, in ’t flambouwende toortsgeel, woest en oproerig vervlammend over de tronies. Stel bij stel, rij bij rij, ingekluwd en omkettingd met armenknel, sloeg in den schroei van ’t licht, dat geelrossiger àl verder overgolfde de koppen en lijven. Mutsen, in kleurige woestheid gloeiden áán, beschminkte en bemombakkeste tronies, burlesk en infernaal in den vlammigen gloed vergroeiend.Fakkelend, de voorste slingerrij, fel wadend in oranjegelen mist van schijnsels, hief hoog boven koppendrom de lampions, die in prachtvurigen gloei weer een kronkel streepten van vuur, vreemd verwilderd rood nu in de toortsenhel. Achter den weer wijkenden stoet werd gevochten, geraasd, gescholden. Maar voort rende de inééngekettingde massa, in een wrong-drom van stapelgekke hossers, in vaart voorbij de tenten, òpdoemend in wemel van bevlamde kleuren, wegdonkerend in nacht-duistere hoeken waar geen kramen lichtten. En weer, in helschen ommegang, verwaanzind van passie, renden ze den kermisbrand uit, stikduister laandiep in van Lemperweg. En rood, prachtrood, bleef geheven, boven het verwoelend wegtrampelend massagedrocht in ’t duister, de vuurslang z’n rooden adem den diep-donkeren hemel inhijgend.[311]

In geweldige lijn, van paal tot paal, tent tot tent stond de Haven-kermishoek in gloei. De boomen in den elektrischen lichtmist, met de hel-avondgroene bleeke lom’ring, staarde in waanzin-schrik naar den dronken hellewaggel.

Kerels met bruine kruiken en flesschen, strompelend, klokten jenever in, vuurheet op straat, waggelden na slurp en genotsrochel weer verder, verschaduwden in donkering, lichtten verder weer òp in brandschijn. Schonkige boeven in lompen-ellende, schooierden sinister bijeen, stoelenmatters en scharenslijpers, bedelaars-smurrie en jeuk’rige landloopers, morsige ketellappers, hinkenden en schijn-verminkten, stem-smeekend op krukken, strompelend voor tenten en bak-vuren van poffertjeskramen, gretig loerend op gulle fooi van bezopenen of naar zakrol[306]van neergeronkte bewustloozen. In gelige oliejassen en groenige pijjekkers schurftten hun lijven, de morsige rottende plunje bedropen met vuil en modder.—Hun marjeniers-kleppetten schooierden scheef, vlak boven de brauwen, en pruimspuwend stootten ze zich telkens, als in vuistgevecht, de knuisten in de petten, dat de gebarsten kleppen deukten en rafelden in slonzige boevigheid. En zóó, in sprong op kruk, hinkend of jammerend, bedel-smeekten ze de gierende hossers en slenteraars tegemoet, gromvloekend en plots dreigend als er niets afviel.

Tusschen de spullen, draaimolens, luchtschommels, Jutskoppen en worp-bakken, in achteruit donkerende hoeken, van de kraterende kermishel afgetrapt, duister-droefden de stalletjes met poonen, scharren, en vroege vruchten.—

Stille jammerlijven,—met d’r tronies geelrood begloeid, achter de kar-stalletjes neergedonkerd op lage krukjes, half verstikt in den roetkleurigen walm van stank-zweetende petroleumpitten, die flakkerend vlamlekten, roodgeel en bronzerig in angstigen schroei van misere-belichting, verspokend in prachtsfeer;—stille jammerlijven riepen monotoon hun waar.—Kar aan kar droefde omdampt van prachtrood-gouden nevel, de half-donk’re lijven verschrompelend; de roepende lippen rood-grillig áángloeiend, de open roode monden verrossigend groot, de zorgelijke geel-roode tronies belichtend in vale gloeiing. En scheem’rig in bronzen flakker, kleur-weifelden omslagdoekjes van de stalletjesvrouwen, achter den bangen schroei van rood-dampigen pittenwalm.

Hun roodversmookte monden bekrijschten àl sterker hun koopwaar.

Met één sprong tijgerden ze òp van hun weggezonken krukjes uit ’t geel-roode geschemer als koopers opdrongen.—Voorovergebogen dan over hùn stal, oranje-feller gloeiden hun tronies áán, in den flakkerbrand van hun walmende pitten, flambouwig vlamlekkend schijnsels op neuslijn, jukken en ooren; verwalmend roodzwart over wangbrokken en kleeren, de oogen vonkend in hellen vuurgloed. Handen oranjig, gloeiden en graaiden[307]in de schimmig bevlamde koopwaar, tusschen de bronzen poonen, oranje-vale sinaasappels, noten en vroege peren.—En gretig, onder petroleumstank en walmroet van d’r pitten verkochten ze, met levendige schorre stemmen de koopers opjagend, de omgloeide koppen van omstaanders zangerig omschreeuwend, met konkurreerenden prijs.—Koopers dongen, dongen worstelend koppig, bij de stalletjeswijven en meisjes.—Roetwalm van lampetten kwam als smoezelige adem uit de roode kelen en longen der stalventsters. Soms kwam plots ’n áántrekkende fakkelstoet, met z’n rood-gouden gloed àf, op de in nacht-omduisterde stalletjes.

Een fantastische sfeer verbeefde er dan om de koppen, sfeer van bronzig en groenig vuur, nevel, verflakkerend door ’t oranjerood, àl de tronies uit de half-duistering naar voren spokend, heimvol bewalmend en aanzwammend de huiden, demonisch met hun inkervingen en rimpels, zorg-groeven en leed-sneeën op voorhoofd en wangen. En al de koopers en koopsters mombakkesten moord-rood onbewust, de vlam-oogen woest in de spokige koppen geboord.—En door, in de demonische sfeer graaiden de handen van koopers, feller belicht, in den pittengloei, omspoelend de waar, soms in veeg van koop-gebaar, die handen zóó dicht onder den oranjewalm, dat ze klauwden, omvreten van licht, gekreukt, doorbarsten en reuzig. En wèg weer doken de kerels, stalletjeswijven en meisjes, in ’t moorsche geschemer van hun kleurige omslagdoeken, weifelend vaal om de verschrompelde schouders, als koopers in hos, vretend en kankaneerend, zakken gevuld, de kermishel inkermden. Dan doffer monotoonden hun rillige stemmen uit den roodgelen walmflakker van hun stallen, die weggetrapt dampten in de duisterende hoeken,—valer smartte hun roep om koopers.—

Tusschen den stoomdraaimolen, heel naar achter, tegen donk’ren planken muur, zat Dientje, Kees’ kind, opgepookt door Ant nou erais ’n slag te slaan met de kermis. Ant zelf, pas heel naar bevallen van ’n dood kind, tien dagen kraamsch, durfde nog[308]niet mee venten om d’r zwakke lijf, en om Wimpie. Maar nou zou Dientje ’t moeten doen.

Beverig sloeg ’r schel-krijscherig overspannen stemmetje stùk op ’t zanggeloei. Vlak voor d’r laag karretje zat ze, ’t zenuwvervreten karkasje trillend, ’t rimpelig kopje vaal geelrood schemerend in den waaienden flakker van haar stinkende walmflambouwen.

Ze schreeuwde, schreeuwde maar. Telkens sprong ze òp van ’r krukje om dronken kerels en meiden te helpen, angstig ’r bevonkte oogjes naar joodschen buurman gericht, rekenend op zijn kracht als beschonken herrieschoppers d’r niet betalen wilden.—

Soms gluurde ze naar de prachtdraaimolens, ’n end van ’r af, in ’t licht, bel-klingelend en dreunend van orgelschal, en soms zag ze nog net even de rooie boegen van de luchtsloepjes opzweven uit de tent, ’t boomlommer in.

Als zei d’r nou-rais ook mocht! Moeder had gezeid dat als ze ’n goeie haalde, ze Maandag en Dinsdag, al was ’t maar drie cent, kon verdraaien.

Ze was dan juist jarig, tien jaar. En Wimpie had dat met smeekjes bij d’r moeder voor haar klaar gespeeld. Zalig in voorpret dat ze misschien ook nog draaien ging, schreeuwde ’r kinderkeeltje, met opwinding door ’t lawaai:

—Ferse poone! mooie skarre! ferse pietèrs … aldegoar nuut goed!

Ze genoot stil van den lichtenden hellewoel om ’r heen, en den brandgloed, dien ze overal boven zich hangen zag, stedekekant uit, boven tenten, huizen en spellen,—maakte er blij, angstig blij. Telkens neuriede ze achter haar eenzaam walmstalletje méé met de straatorgeldeunen, die om ’r heen razende geruchten verkolkten. Heet snoof ze de gesmolten reuzel- en oliestank in, heerlijk-prikkelend op d’r tong. Ze rook en snoffelde in den sissenden poffertjes-bak; ze proefde den botergeur, ze watertandde, en snoof, snoof maar, heel den kermisstank in.—En ’r neusje joolde en schaterde in de warme prikkelende reuken.—[309]

Heel ’t bonte kleurenwonder, de gloei van spiegels en lijstpraal, brandende ruiten en goud-vergulde tenten, bestaard van heel uit de verte, sloegen ’r lam van verbazing, bij wijlen van overrompelende verrukking. En nou, zoo ver van d’r àf, druischwoelend in den kleurigen avond, vond ze ’t allemaal nog veel mooier en begeerlijker dan overdag.—

Later op den avond kreeg kindeke ’t heel rillig van ’t stille zitten, keek ze onrustig rond of Jansje, d’r zusje, ’r niet ’t geleende omslagdoekje kwam brengen, met ’n koppie-van-dit-of-van-dat, als iederen dag. Ze wist wel dat Wimpie in kermistijd niet alleen blijven wou, maar Jansje kon toch wel effetjes om ’r denken.—

Jansje had van smiddags een uur tot zeven, op haàr plaats gezeten, tot zij ’r was komen aflossen. Ze had wel gehoord Dientje, dat ’r vader schrikkelijke ruzie maakte met d’r moeder, omdat ze haàr tot twee uur, iederen nacht dwong achter ’t stalletje te blijven; maar ook wist ze hoe moeder terugsnauwde dat d’r weer geen eten was, nou d’r vader weer niet werkte, ’t nest te hongeren lag.—Toen was Kees in ’n uitspuwende drift aan ’t bombardeeren geraakt, met z’n vuist op den rommel, Wimpie vergetend, dat ’t heele bendetje stond te trillen van angst om z’n uitstortende razernij. En toch had d’r moeder haar zin doorgezet, had ze ’r stiekem, iederen avond de Haven opgeduwd.—

En ze peinsde nu Dientje, met ’r zorgkopje vòl ellende van thuis. Ze zag d’r zusje maar niet opdagen. Vlak achter haar rugje, bij ’t donkere havenwater, dreef de polderwijde nachtstilte, eindloos. Ze rilde, en half verdoofd door ’t helle-rumoer, dat vóór d’r droeve kijkertjes uitraasde, riep ’r stemmetje smartelijk zwak en moe:

—Mooie poone, aldegoar nuut goed!

Ze huiverde in ’r kale vodjes. Slaperige loomte kroop over ’r oogleden, die brandden. Bang werd ze plots in de stormende herrie, bang en eenzaam, als ze even achter ’r stalletje uitkeek, den stikduisteren poldernacht in.—[310]

Van de polderbrug af bij Spoordijk kwam vuurkronkel van lampions weer opslangen. Roode adem gloeihijgend tegen zwart azuur en ronddonkerende hemelwijdte.

De stoet kwam nader.—In ’n storm van kreten trillend nasaalden de mirlitons, stootten de pikolo’s en fluitjes, en doffe bange trommels roffelden demonische somberte door ’t schelle orgellawaai.

Als ’n gedrocht, waarvan ’t lijf nog woelde in ’t duister, adem-rood vooruitblazend tegen luchtzwart, zoo rumoerde lampionsstoet in ’t donker áán, tot schoenen, beenen, lijven, armen en koppen langzaam opgloeiden in den eersten fakkelbrand van ’t alleen staand paardenspul, opdoemden met reuzig geweld in den schrik van ’t rossig-oranje walmlicht, in ’t flambouwende toortsgeel, woest en oproerig vervlammend over de tronies. Stel bij stel, rij bij rij, ingekluwd en omkettingd met armenknel, sloeg in den schroei van ’t licht, dat geelrossiger àl verder overgolfde de koppen en lijven. Mutsen, in kleurige woestheid gloeiden áán, beschminkte en bemombakkeste tronies, burlesk en infernaal in den vlammigen gloed vergroeiend.

Fakkelend, de voorste slingerrij, fel wadend in oranjegelen mist van schijnsels, hief hoog boven koppendrom de lampions, die in prachtvurigen gloei weer een kronkel streepten van vuur, vreemd verwilderd rood nu in de toortsenhel. Achter den weer wijkenden stoet werd gevochten, geraasd, gescholden. Maar voort rende de inééngekettingde massa, in een wrong-drom van stapelgekke hossers, in vaart voorbij de tenten, òpdoemend in wemel van bevlamde kleuren, wegdonkerend in nacht-duistere hoeken waar geen kramen lichtten. En weer, in helschen ommegang, verwaanzind van passie, renden ze den kermisbrand uit, stikduister laandiep in van Lemperweg. En rood, prachtrood, bleef geheven, boven het verwoelend wegtrampelend massagedrocht in ’t duister, de vuurslang z’n rooden adem den diep-donkeren hemel inhijgend.[311]


Back to IndexNext