»Des vlegels maatslag op den dorschvloer,—op de veldenHet vrolijk arbeidslied by spade of zeis—hoe zeldenWordt meer hun volle galm, hun heldre toon gehoord!Ach! ’t land brengt doornen meest en ruige distlen voort!”—Toen de Burchtgraaf vanMontfoorteindelijk meende den oorlogop grootere schaal te kunnen voeren, besloot hy om zich in de eerste plaats meester te maken van den zetel zijner doodvijanden, de Heeren vanIJsselsteyn. Met allen spoed, maar te gelijk met ernst en naauwlettendheid, werden de toebereidselen daartoe gemaakt—en zoo zagen de poorters der stad op dingsdag den 27enAugustus 1482, ten 4 ure in den namiddag, een leger van ongeveer 4000 man voor hunne wallen. Zeventien schouwen voerden groote en kleine donderbussen, stormtuigen, en andere krijgsbenoodigdheden aan; en alles deed zien, dat hetCleveenMontfoortmet de bestorming ernst was. Het leger werd in drie hoofdbenden verdeeld, waarvan de eerste achter langs den IJsseldijk de tenten opsloeg, de tweede den kruisweg die naarLopicvoerde bezettede, en de derde zich in en rondom het klooster der Cysteriënsen vestigde. Ofschoon er met bestormen werd getoefd, totdatReyniervanBroechusenmet de Cleefsche hulpbenden zou zijn aangekomen, liet men evenwel de stad niet met rust. De groote donderbussen, die reeds in de nacht tusschen dingsdag en woensdag by het klooster waren opgericht, wierpen spoedig een aantal vuurkogels in de stad, hoewel de schade die zy aanrichtten niet groot was, en slechts weinigen er het leven by verloren.De wakkere IJsselsteyners, vertrouwende op ontzet van den kant huns Heeren, lieten zich mede niet onbetuigd: hun geschut brandde van de wallen rusteloos op de belegeraars los; en te midden van dezen sulferdonder deden zy eenen heftigen uitval, die door de Stichtschen niet minder stout weerstaan werd, zoodat het tot een scherp gevecht kwam, waarin de laatsten natuurlijk wel den boventoon behielden, maar toch ook een niet onbeduidend verlies aan dooden en gekwetsten leden.Intusschen wasBroechusenmet zijne Clevenaars den 31enAugustus overUtrechtnaarIJsselsteyngetogen; en het leger alzoo voltallig geworden.Montfoortnaderde dus eindelijk tot het vurig gewenschte uur, waarop hy de stad zijns vijands met eene vinnige bestorming zou kunnen overmeesteren—maar toenhet er nu op aan kwam om dien storm te regelen, weigerden de aangekomen krijgsbenden volstrekt om een praam te bestijgen of een leer te beklimmen, ten zij de stad eerst gewonnen ware, »want,” zeiden deze eerlijke Duitschers, »wy zijn herwaart gekomen om strooptochten te maken en te plunderen, niet om steden te bestormen.”En de geest die in de afdeeling der Stichtenaars heerschte, was mede niet opwekkend: in die weinige dagen die het beleg nog maar duurde, had menig goede poorter der Bisschopsstad van de duisternis der regenachtige najaarsnachten gebruik gemaakt, om in alle stilte zijn warm bed binnen de veilige muren vanUtrechtweder op te zoeken, zoodat de Stedelijke Raad genoodzaakt was, op dergelijke desertie reeds den 1enSeptember eene boete van 10 pond te zetten, en dit, slechts 4 dagen later, te verhoogen op 100 pond, en 10 jaren ballingschap.De onwil der Clevenaars maakte nu aan het gantsche beleg een einde, want de Burchtgraaf wist zeer wel, datFredericteSchoonhovenlag, met een reeds niet onaanzienlijk leger, en slechts nog eenige versterking wachtte, om tot ontzet uit te rukken. Een snelle storm alleen had de stad in zijne handen kunnen brengen. Nu de gelegenheid daartoe voorby was, werd een langer vertoef zelfs gevaarlijk, en, hoe hem het hooge hart ook van verbittering moge geklopt hebben—een spoedige terugtocht was de beste handeling waartoe de fiereJohanvanMontfoortthands besluiten kon.En nu dat besluit eenmaal genomen was, werd het ook ten spoedigste uitgevoerd; maar juist die spoed werkte noodlottig: de krijgsknechten, die de oorzaak daarvan waarschijnlijk in eene mare van aanrukkenden vijand zochten, braken ten bestemden tijde (9 ure in den avond van 6 September) met zooveel overhaasting op, dat het wel eene halve vlucht scheen, en er eene menigte van krijgs- en stormtuig achtergelaten werd, waartoe het felle busvuur uit de stad, waar men van bet vertrek bespeurd had, mede niet weinig bydroeg. De Stichtschen verloren by dezen vruchteloozenaanslag, alleen aan dooden, 150 man, verwijl het verlies der Clevenaars nog meer bedroeg.Die vanIJsselsteynmaakten zich terstond van het achtergelaten krijgstuig meester; en daar zy het Cysteriënsen klooster nu als een al te voordeelige legerplaats voor den vijand hadden leeren kennen, lieten zy er den rooden haan kraaien, d. i.: zy staken het in den brand, waarna zy het vervolgends met al de daarby behoorende gebouwen ten gronde toe vernielden, en den monniken eene plaats binnen de stad inruimden.Van omstreeks dezen tijd dagteekent waarschijnlijk de aan een der wallen vanIJsselsteyningemetselde steen, die tot aan het einde der vorige eeuw nog aldaar gezien werd, en waarop men las:Wech, Uytersen met uw tuten en blasen,Doet uyt twee leuwen en set twee hasen,Want doe die van Ysselsteyn quamen in tfelt,Hebbent die van Utrecht op een loopen gestelt.Tijdens de omwenteling van 1795 werd deze steen door een hoop Utrechtenaars uitgebroken en in de gracht geworpen, waar hy misschien nog ligt.HeerFrederic, hoewel voor het verlies zijner stad thands niet meer bevreesd, brandde van verlangen, om zich op het stoutmoedigeUtrechtte verhalen. Nog altoos had de Bisschop er aanhangers, en dezen, in eene herberg »de Sleutel” samenkomende, vonden daar in de dienstboden gewillige briefdragers voor hunne samenspanning met den Hollandschen Veldheer. Het naauwlettend toezicht van den stedelijken Raad voorkwam echter de uitvoering van het plan; verschillende personen werden gevangen genomen, en, als verdacht van meêplichtigheid aan het verraad, ter stad uit gebannen.Even ongunstige uitslag volgde in 1491 op zijne poging, om de door de stedelingen herwonnen en bezette Catheryne-poort te heroveren. Hy zag zich genoodzaakt om met verlies weder te rug te trekken, en de poorters koelden hunne verbittering opnegen zijner krijgsknechten, die zy gevangen hadden gemaakt: zy deden hen door beulshanden onthalzen, en hingen daar na de lichamen en hoofden aan den toren der poort ten toon.De Geldersche oorlog, waarin zijne stadBurenoverweldigd, en het kasteel vernield werd, gaf hem daarop de handen te vol, om dezen hoon te wreken; maar in 1493 maakte hy zich van de voorstad de Weert meester, en slootUtrechtzoo naauw in, dat het weldra gedwongen werd om vrede te sluiten, zich genoodzaakt zag tot de betaling van 25000 goudgulden, en de overblijfselen der onthoofden, die nog altijd een afschuwelijk schouwspel aan de poort maakten, oogenblikkelijk te doen begraven.Een jaar te voren waren des wakkeren Ridders diensten reeds openlijk erkend door KeizerMaximiliaan, die de HeerlijkheidBurentot een Graafschap verhief, zoodat de broeders vanEgmondnu beiden den Graven-tytel voerden.FredericvanEgmond van IJsselsteyn, Graaf vanBurenenLeerdam, Heer vanIJsselsteyn,Sint Maertensdijc,Cortgene,Cranendoncq, enJaersvelt, overleed in 1500, en werd in het choor der kerk vanIJsselsteynbygezet aan de zijde zijner echtgenote, die hem reeds op den 26enJuli, 1471, in de dood was voorgegaan, en boven wier stoffelijk overschot hy een verheven tombe, die heur beeld in liggende houding draagt, deed oprichten.Hun oudste zoonFloris, gehuwd metMargaretavanZevenberghe, volgde in het bezit van het GraafschapBurenenLeerdam. De jongste,Wennemaer, kwam aan de HeerlijkhedenIJsselsteyn,St.-Maertensdijc,Cortgene,Cranendoncq, enJaersvelt; maar daar hy weldra overleed, zonder andere kinderen dan een natuurlijken zoon,WillemvanIJsselsteyn, zoo gingen de gantsche bezittingen weder onverdeeld opFlorisover, die daardoor de zelfde tytels voerde als zijn vader weleer droeg, en nog daarenboven onder de Ridders van het Gulden-vlies opgenomen was.In 1510 trachtten de Stichtschen zich vanIJsselsteynmeester te maken, ’t geen hun echter mislukte. Niet beter voerFlorisvan zijnen kant in den winter van 1511: Met den aanvang van dat jaar zocht hy zich een bondgenoot in de felle vorst, en dacht de stad over het ijs te verrassen; maar eenige Geldersche ruiters, die zich op het platte land van ’t Sticht onthielden, overmeesterden de wagens waarop de stormtuigen werden aangevoerd, en verijdelden dus den aanslag.Toen HertogKarelvanEgmonddaarop als Beschermheer vanUtrechtwas aangenomen, werden nog dat zelfde jaar de vereenigde Geldersche en Stichtsche wapenen tegenIJsselsteyngekeerd. Drie weken lang duurde het beleg, en 1600 voetknechten, 300 ruiters, en 2000 poorters vanUtrechtlagen gedurende dien tijd onder den standaart vanKarelrondom de stad gelegerd. De Lekdijk, naar den kant vanSchoonhoven, staken zy door, om van die zijde voor overval beveiligd te zijn, en de schade, door de hieruit ontstane overstrooming in de omstreken en denCrimpenerwaertveroorzaakt, kostteHollandmeer dan honderdduizend kroonen. Onderhandelingen van de zijde dezer provincie aangevangen, waren vruchteloos, en middelerwijl viel ook het kasteelJaersvelt, aan deLec, in handen der Stichtschen. Toen was het geduld vanFloristen einde. Hy vereenigde zijne vaandels met die van GraafHenricvanNassau, en noodzaakte den vijand, op den 1enJuni 1511, tot het opbreken van ’t beleg. In die zelfde maand overviel hy, in vereeniging met den Heer vanWassenaer, aan het hoofd van 200 ruiters en 600 voetknechten de vijandelijke bezetting vanJutfaes, die hy tot aan de poorten vanUtrechtvoor zich uit dreef, er velen van deed neêrsabelen, en omstreeks 400 gevangen nam.Onder dit alles had hy dikwijls met geldgebrek te worstelen, daar de Landvoogdes niet altijd in staat was, om ten behoorlijken tijde zijne krijgskas te voorzien, zoodat hy genoodzaakt was, om met de opbrengsten der Utrechtsche bezittingen inIJsselsteynde soudeniers te betalen. Misschien is het aan deze geldelijke ongelegenheden te wijten, dat hy in de wandelingFloortjenDunbier werd genoemd, schoon ’t ook zijn kan, dat hy dezenschimpnaam aan de Stichtenaren te danken had, die alles behalven ingenomen waren met den Hollandschen Kapitein-Generaal, wiens oorlogzuchtige aart hem zijne lastbrieven wel eens te buiten deed gaan, en die, wanneer de bevelen van HertogKarelvanOostenrijkof vanMargaretaniet metzijnezienswijze strookten, stoutmoedig verklaarde, dat hy een man des Keizers was, en in diens belang handelde.Des niettegenstaande steldeKarel van Oostenrijkeen groot vertrouwen in den bekwamen Ridder, die zijn Stadhouder inHollandwas, en zond hem in 1515 naarFriesland, om in zijnen naam de hulde te ontvangen van dit Gewest, dat de Gelderschen meer dan moede begon te worden. En hier wasFlorisvastheid van karakter de oorzaak, dat de Friezen, hoe lang zy ook tegenstribbelden, eindelijk genoodzaakt waren om denOostenrijkerals Erfheer en Erflandvoogd des Heiligen Roomschen Rijks inFrieslandte erkennen en aan te nemen.De huldiging geschiedde op den 1enJuni, 1515, met veel plechtigheid teLeeuwarden.Florisvertegenwoordigde er zijn hooge Heer: Voorafgegaan door den Herout (wiens dalmatiekKarelswapens droeg) en gevolgd door een stoet van Edelen, trad hy met het zwaard in de hand naar den Sint-Veits dom, waar hy de mis hoorde, daarna voor het choor de gelofte van onderdanigheid der Geestelijken, vervolgends ook den eed van hulde en manschap der Edelen en poorters ontfing, en eindelijk zelf de bevestiging van der Friezen privilegiën en vrijheden bezwoer. Na deze plechtigheid deed hy gouden en zilveren penningen onder het volk rondstrooien, en sloeg vier voorname Friesche Edelen tot Ridder, waarvan hunne vijanden schimpend zeiden, dat de vlierboom den koolstruik tot ridder geslagen had!Belangrijke diensten bewees hy daarna in de Stichtsche oneenigheden, en droeg er veel toe by, omKarel, die inmiddels (1519) de Duitsche Keizerskroon droeg, het waereldlijk bestuur over het Sticht te doen verkrijgen.Niettegenstaande zijn onrustig en zwervend leven, bereikteFloristoch den gunstigen ouderdom van 70 jaren, waarvan hy de laatsten in rust schijnt te hebben doorgebracht. Hy overleed den 20enOktober, 1539, nalatende drie kinderen, een zoon,Maximiliaen, en twee dochters,Anna(die door heur huwelyk metJozefvanMontmorencymoeder was vanFlorisenFilipsvanMontmorency, zoo bekend in onze historie) enWalburga.MaximiliaenvanEgmond vanIJsselsteyn, thands Graaf vanBurenenLeerdam, Heer vanIJsselsteyn,Jaersvelt,St.-Maertensdijc,CortgeneenCranendoncq, Ridder van het Gulden-vlies, werd een jaar na zijns vaders dood door den Keizer in de plaats van den overledenJoris Schenck van Tautenborch, benoemd tot Stadhouder en Kapitein-Generaal vanFriesland,Overijssel,Groningen, enGroningerland, waar hy rustig bestuurde en zich zeer bemind maakte. Hy deelde in hooge mate de gunst van KeizerKarel, dien hy in verschillende oorlogen volgde, en met onkreukbare trouw aanhing, zoodat hy zelfs nooit met een protestant dronk, niet uit geloofshaat, maar omdat hy in den afgewekene van de kerk den vijand zijns meesters zag. De Keizer, zegt men, wilde uit ingenomenheid met den dapperen en trouwen Graaf diens GraafschapBurentot een Hertogdom verheffen—zonder echter daarby ook de inkomsten te kunnen verhoogen; maar juist dit laatste bewoogMaximiliaentot eene dankvolle afwijzing: »Liever,” sprak hy: »wil ik eenrijkeGraaf, dan eenarmeHertog zijn.”—Eene plotselijke ongesteldheid aan de keel werd, kort nadat hy uitEngelandin een gezantschap van ’s Keizers wege was te rug gekeerd, oorzaak van zijn dood, die hem in de kracht zijns levens teBrusseloverviel. Zijn vriend, de keizerlijke lijfartsAndriesvanWesel(Vesalius), het gevaar ziende rijzen en het oogenblik van sterven naderen, achtte het zich ten plicht hem daarvan niet onkundig te laten, en verklaarde dat hy nog vijf of hoogstens zes uren leven kon. Dat was op den 22enDecember, 1548, tegen middernacht. De groothartige Ridder hoorde dit bericht met rustige bedaardheid aan, zond oogenblikkelijk om zijne twee gemeenzaamstevrienden, de Heeren vanLigneen vanGranvelle, en regelde met hen zijne belangrijkste zaken.Nu heerschte er een droevige onrust door het gantsche huis. Het onheilvol gerucht had reeds zijne dienaren, en vele aanzienlijke bekenden bovendien, in de groote zaal samen doen vloeien, om naar zijnen toestand te vernemen. Het verschijnen der priesters, die naar het slaapvertrek gaan en hem het laatste sacrament zullen toedienen, voorspelt het noodlottigste. Allen staan in angstige verwachting, en ziet, daar wordt gezegd, dat de Graaf zoo aanstonds in hun midden zal komen. En werkelijk, de deuren worden geopend, en, eene eerbiedige huivering bevangt hen—MaximiliaenvanEgmond, geheel in ’t harnas gegespt, in plechtgewaad getooid, en met den keten van het Gulden-vlies omhangen, wordt binnen gevoerd. Hy spreekt allen vriendelijk toe; beveelt zijne bedienden aan zijner vrienden zorg, bespreekt zelf hun eene gedachtenis, en reikt hun de hand ten afscheid. Nu verlangt hy nog eens den gulden beker, waaruit hy gewoon was op feestmalen te drinken; en nadat hy met korte trekken zijn leven geschetst, en daarin met warmte van de ontfangen weldaden en gunsten des Keizers gesproken heeft, reikt hy den Heer vanLignezijn Ordeteeken over, om het den Keizer te rug te geven, en brengt vervolgends, door twee lijfknapen ondersteund, zijn laatsten dronk aan zijnen Heer en Meester. Het was een plechtig, een roerend oogenblik; mannen weenden.Toen dankte hy zijne beiden vrienden voor hunne dienst, sprak allen voor het laatst een hartelijk vaarwel, omarmde den getrouwen arts, en deed zich naar zijn leger voeren. Maar de sponde ontfing alleen zijn zielloos stof: toen men hem neder legde, had de fiere geest het lichaam reeds verlaten.Zijne weduwe,Françoise, HeerHugoosErfdochter vanLannoy, overleefde hem nog lang: zy stierf in 1562. Maar voor haren dood had zy het geluk, hun eenig kind en erfdochter op achttienjarigen leeftijd door het huwelijk verbonden te zien aan een edelen jongeling van gelijken ouderdom, van VorstelijkenHuize, en sinds zijn elfde jaar aan het Keizerlijk hof teBrusselopgevoed: in 1551 huwdeWillemvanNassau-Dillenburg, Prins vanOranje, Baron vanBredaenDiest, metAnnavanEgmond van IJsselsteyn, Erfdochter vanBurenenLeerdamen der overige uitgestrekte goederen heurs vaders.Al te kort was zy met hem gelukkig. Zy overleed reeds in 1558, nadat zy hem twee kinderen had geschonken, een zoon,Filips Willem, in 1554, en een dochter,Maria, in 1556, die later de echtgenote des GravenFilipsvanHohenlowerd.Hierdoor kwamIJsselsteynalzoo in handen van het doorluchtig Huis vanOranje-Nassau, waarin het ook tot aanWillemden Derde bleef, zonder dat er gedurende al dien tijd iets merkwaardigs van werd opgeteekend, dan alleen een enkel voorval tijdens den driedubbelen oorlog van 1672. In den namiddag van 12 Juli van dat jaar rukte een groot aantal dragonders van de Fransche bezetting uitUtrechtnaarIJsselsteyn, om het te bemachtigen. Zy kwamen er in de nacht, en waarschijnlijk zeer onverwacht aan, maar werden er door de zeesoldaten zoo wel onthaald, »dat de meeste part het weder-komen vergaten”; de overige helden spoedden zich ijlings weder naarUtrecht, »blasende en trommelende voor de Poorte Alarm, waer op in haer Wachten groote alteratie ontstondt.”De kloekmoedige mariniers schijnen er echter slechts tijdelijk verblijf gehouden te hebben, want reeds binnen een week daarna waren kasteel en stad, zonder eenigen weêrstand, in ’s vijands handen overgegaan, en werden niet weder ontruimd, dan met het vertrek der Franschen uitUtrecht.Na KoningWillemsplotselijke en onvoorziene dood in 1702, ontstond er tusschenFrederikden Tweede, Koning vanPruissen, enJohan Willem Friso, een langdurig verschil over zijne nalatenschap, dat eerst door hunne erfgenamen in 1732 by overeenkomst geschikt werd.IJsselsteynkwam toen aanWillem Carel Hendrik Friso, destijds Stadhouder vanFriesland,Groningen,DrentheenGelderland, en in 1747, alsWillemde Vierde,Stadhouder der VereenigdeProvinciën. Zijne moeder, de beminnelijkeMaria LouisavanHessen-Cassel, die, na gade en zoon overleefd te hebben, eerst in 1765 teLeeuwardenoverleed, hield zich van tijd tot tijd in het kasteel op, dat zy als douairie bezat, en de IJsselsteyners spraken nog in het begin dezer eeuw met dankbare herinnering van de edele Vorstin.Gemeenlijk werd het in dien tijd bewoond door den Drost vanIJsselsteyn. By de dwaze omwenteling van 1795 werd die waardigheid bekleed door den Heerde Beaufort, die er toen afstand van moest doen, en het kasteel verlaten, dat onder de in beslag genomen goederen des Stadhouders behoorde, en als zoodanig aan de fraaie Republiek werd gebracht.Nu moest het, dàn als hospitaal—dàn als kazerne dienen, en speelde de ruwe soldaat er den meester, natuurlijk niet ten voordeele van het eerwaardig gebouw, dat veel van die bewoners te lijden had. Vervolgends werd het eenige jaren lang aan zich-zelf en den tijd overgelaten, en stond geheel ledig, toen Mevrouw de Weduwe van deCapelleals huurderesse optrad, en er met een aanverwant van den Heer van derDuin van Maasdamheur verblijf vestigde.Eindelijk werd het, na het overlijden van Mevrouw van deCapelle, in 1812 door het Rijk verkocht, en ging toen over in handen van Jonkheer Mr.Nicolaas Hendrik Strick van Linschoten, Heer vanBunnikenVechten, wiens Geslacht het nog steeds in bezit heeft.Intusschen heeft de uitwendige vorm van denIJsselsteynnatuurlijk veel in stoutheid en rijkdom verloren. Eene afbeelding van den tegenwoordigen toestand wordt gevonden inRobidé van der Aas»Oud-Nederland,” en geeft de hoofdvormen nog kennelijk te rug. Men kan zich een denkbeeld maken van de voormalige sterkte dezer burcht, wanneer men ziet, dat de dikte van den overgebleven voormuur meer dan eene Ned. el bedraagt, terwijl de muur des torens, zelfs wel 1.5 N. el dikte heeft.De nog bestaande onderaardsche gangen zijn, door de stiklucht die zich daarin ontwikkelt, nooit geheel onderzocht, hoewenschelijk dit ook ware. Men verhaalt elkander, dat zy weleer hebben gediend »om, onder het water door, de gemeenschap met de stad en het aldaar gevestigde klooster te onderhouden.” De ondervinding heeft evenwel reeds dikwerf geleerd, hoe zeldzaam dergelijke verhalen, die in menigte van kasteelen en bouwvallen voorkomen, by onderzoek op waarheid gegrond zijn.Waarlijk, ook by het overschot der IJsselsteynsche burcht, mag men met den dichter spreken:Wel, zeker, wie ’t herdenken mintVan lang voorleden, schooner dagen—Wie een weemoedig-zoet behagenIn de eeuwig groene Erinring vindt,Heeft slechts die muren te ondervragen,Die ’t merk van koninklijke pracht,Van oude—eilaas! verlamde—kracht—In reuzenschrift aan ’t voorhoofd dragen.o, Fluisterstem van dat Voorleden,Hoe heeft mij dáar uw klank bekoord,Die, als een zangrig harpaccoord,Ter helft geraden, half gehoord,Den avondwandlaar langs gegleden,De stilte van den bouwval stoort!Hoe woei mij dàar de Erinring tegenVan Liefde en Haat, van Zwakte en Kracht,Van Riddereer en Riddermagt,Van Lust en Last, van Ramp en Zegen!Dan rijst voor mijn verwonderd oogOp nieuw het burggewelf omhoog,Zoo als ’et prijkte in vroeger dagen;Dan krijgt die slotpoort als weleerZijn ijzren vleugeldeuren weêr;Dán wappert van den hoogen torenOp nieuw de slanke baanrol uit;Dan is ’t, of ’t avondzonneglorenOp ’t blankgeslepen borstschild stuit,En blikkert op de stormhelmetten,En ’t flikkrend staal der krijgsgenetten,Die zich verdringen in het krijtEn joken naar den strijd!Dán treedt een sleep die hallen binnenVan Edelvrouwen, jonk en schoon,Van Ridders, vurig in ’t beminnen,Van Knapen, vrij en hoofsch van zinnen,En Minstreels, die den zang beginnenVoor Vrouwengunst en Minneloon!Waar is uw luister heêngevaren,En, sombre Puinhoop, wáar uw praal?Gij spreekt de vreeselijke taalVan moeilijke Opkomst, vroeg Verderven,Van korten Bloei en langzaam Sterven;Gij zingt het slepend grafgezangVan eeuwgen, eeuwgen Ondergang!Doch neen, geen Dood!De geest blijft leven,Die, eens dier stichting ingedreven,Nog scheemrig in den bouwval gloort.—Want wat des menschen vinding stichtte,Want wat de kracht zijns wils verrigtte,De daad die is duurt altoos voort!1In de ruime beteekenis vanNederlander.2Zie Dl. I. blz. 49–80.3Zal het misschien een Heer vanIJsselborchzijn geweest?4Zie Blz. 61–63.5Maarschalk, niet in de beteekenis vanVeldheer, maar vanRechter, gelijk staande metBaljuwinHolland.6Met uitzondering van ’t reigerbosch in »Aemstellelant,” en de manschap der beleende goederen in ’t algemeen, die de Graaf aan zich behield.7De andere Nederlandsche Heeren waren die vanVoorn, van derLecke(AelbrechtenPieter) vanArckel, vanMerode,OttovanCuyk,DaniëlvanGoor,RobbrechtvanAppeltern,WarnaervanMerode,PetervanDiestenWalramvanLuxemborch.8HeerGijsbrechthad in ’t geheel zeven kinderen, vijf zoons en twee dochters gehad. Twee dier zonen, de genoemdeHerbarn, enJan, Domproost teUtrecht, waren hem in den dood voorgegaan.9Zy wordt ookElisabeth, en zelfsJennegenoemd.10d. i. Aangehuwde bloedverwant; toen gold het b. v. evenzeer voor schoonzoonals thands alleen voor schoonbroeder.11VanCatharynevanIJsselsteyn, die mede in dezen tijd leefde, is het onzeker of zy eenedochterof wel eenezustervan HeerAernoutgeweest zij.—Gwydais, Dl. I. blz. 35, ten onrechte, in navolging van anderen, Erfzustergeschreven.12Dl. I. blz. 38.13Gorcumbehoorde aan den Grave vanCharlois,Karelden Stoute, en lag op Hollandsch grondgebied, dat doorOthovanWeerengeschonden was.14Zie Dl. I, blz. 41.15Blz. 29, enz.
»Des vlegels maatslag op den dorschvloer,—op de veldenHet vrolijk arbeidslied by spade of zeis—hoe zeldenWordt meer hun volle galm, hun heldre toon gehoord!Ach! ’t land brengt doornen meest en ruige distlen voort!”—Toen de Burchtgraaf vanMontfoorteindelijk meende den oorlogop grootere schaal te kunnen voeren, besloot hy om zich in de eerste plaats meester te maken van den zetel zijner doodvijanden, de Heeren vanIJsselsteyn. Met allen spoed, maar te gelijk met ernst en naauwlettendheid, werden de toebereidselen daartoe gemaakt—en zoo zagen de poorters der stad op dingsdag den 27enAugustus 1482, ten 4 ure in den namiddag, een leger van ongeveer 4000 man voor hunne wallen. Zeventien schouwen voerden groote en kleine donderbussen, stormtuigen, en andere krijgsbenoodigdheden aan; en alles deed zien, dat hetCleveenMontfoortmet de bestorming ernst was. Het leger werd in drie hoofdbenden verdeeld, waarvan de eerste achter langs den IJsseldijk de tenten opsloeg, de tweede den kruisweg die naarLopicvoerde bezettede, en de derde zich in en rondom het klooster der Cysteriënsen vestigde. Ofschoon er met bestormen werd getoefd, totdatReyniervanBroechusenmet de Cleefsche hulpbenden zou zijn aangekomen, liet men evenwel de stad niet met rust. De groote donderbussen, die reeds in de nacht tusschen dingsdag en woensdag by het klooster waren opgericht, wierpen spoedig een aantal vuurkogels in de stad, hoewel de schade die zy aanrichtten niet groot was, en slechts weinigen er het leven by verloren.De wakkere IJsselsteyners, vertrouwende op ontzet van den kant huns Heeren, lieten zich mede niet onbetuigd: hun geschut brandde van de wallen rusteloos op de belegeraars los; en te midden van dezen sulferdonder deden zy eenen heftigen uitval, die door de Stichtschen niet minder stout weerstaan werd, zoodat het tot een scherp gevecht kwam, waarin de laatsten natuurlijk wel den boventoon behielden, maar toch ook een niet onbeduidend verlies aan dooden en gekwetsten leden.Intusschen wasBroechusenmet zijne Clevenaars den 31enAugustus overUtrechtnaarIJsselsteyngetogen; en het leger alzoo voltallig geworden.Montfoortnaderde dus eindelijk tot het vurig gewenschte uur, waarop hy de stad zijns vijands met eene vinnige bestorming zou kunnen overmeesteren—maar toenhet er nu op aan kwam om dien storm te regelen, weigerden de aangekomen krijgsbenden volstrekt om een praam te bestijgen of een leer te beklimmen, ten zij de stad eerst gewonnen ware, »want,” zeiden deze eerlijke Duitschers, »wy zijn herwaart gekomen om strooptochten te maken en te plunderen, niet om steden te bestormen.”En de geest die in de afdeeling der Stichtenaars heerschte, was mede niet opwekkend: in die weinige dagen die het beleg nog maar duurde, had menig goede poorter der Bisschopsstad van de duisternis der regenachtige najaarsnachten gebruik gemaakt, om in alle stilte zijn warm bed binnen de veilige muren vanUtrechtweder op te zoeken, zoodat de Stedelijke Raad genoodzaakt was, op dergelijke desertie reeds den 1enSeptember eene boete van 10 pond te zetten, en dit, slechts 4 dagen later, te verhoogen op 100 pond, en 10 jaren ballingschap.De onwil der Clevenaars maakte nu aan het gantsche beleg een einde, want de Burchtgraaf wist zeer wel, datFredericteSchoonhovenlag, met een reeds niet onaanzienlijk leger, en slechts nog eenige versterking wachtte, om tot ontzet uit te rukken. Een snelle storm alleen had de stad in zijne handen kunnen brengen. Nu de gelegenheid daartoe voorby was, werd een langer vertoef zelfs gevaarlijk, en, hoe hem het hooge hart ook van verbittering moge geklopt hebben—een spoedige terugtocht was de beste handeling waartoe de fiereJohanvanMontfoortthands besluiten kon.En nu dat besluit eenmaal genomen was, werd het ook ten spoedigste uitgevoerd; maar juist die spoed werkte noodlottig: de krijgsknechten, die de oorzaak daarvan waarschijnlijk in eene mare van aanrukkenden vijand zochten, braken ten bestemden tijde (9 ure in den avond van 6 September) met zooveel overhaasting op, dat het wel eene halve vlucht scheen, en er eene menigte van krijgs- en stormtuig achtergelaten werd, waartoe het felle busvuur uit de stad, waar men van bet vertrek bespeurd had, mede niet weinig bydroeg. De Stichtschen verloren by dezen vruchteloozenaanslag, alleen aan dooden, 150 man, verwijl het verlies der Clevenaars nog meer bedroeg.Die vanIJsselsteynmaakten zich terstond van het achtergelaten krijgstuig meester; en daar zy het Cysteriënsen klooster nu als een al te voordeelige legerplaats voor den vijand hadden leeren kennen, lieten zy er den rooden haan kraaien, d. i.: zy staken het in den brand, waarna zy het vervolgends met al de daarby behoorende gebouwen ten gronde toe vernielden, en den monniken eene plaats binnen de stad inruimden.Van omstreeks dezen tijd dagteekent waarschijnlijk de aan een der wallen vanIJsselsteyningemetselde steen, die tot aan het einde der vorige eeuw nog aldaar gezien werd, en waarop men las:Wech, Uytersen met uw tuten en blasen,Doet uyt twee leuwen en set twee hasen,Want doe die van Ysselsteyn quamen in tfelt,Hebbent die van Utrecht op een loopen gestelt.Tijdens de omwenteling van 1795 werd deze steen door een hoop Utrechtenaars uitgebroken en in de gracht geworpen, waar hy misschien nog ligt.HeerFrederic, hoewel voor het verlies zijner stad thands niet meer bevreesd, brandde van verlangen, om zich op het stoutmoedigeUtrechtte verhalen. Nog altoos had de Bisschop er aanhangers, en dezen, in eene herberg »de Sleutel” samenkomende, vonden daar in de dienstboden gewillige briefdragers voor hunne samenspanning met den Hollandschen Veldheer. Het naauwlettend toezicht van den stedelijken Raad voorkwam echter de uitvoering van het plan; verschillende personen werden gevangen genomen, en, als verdacht van meêplichtigheid aan het verraad, ter stad uit gebannen.Even ongunstige uitslag volgde in 1491 op zijne poging, om de door de stedelingen herwonnen en bezette Catheryne-poort te heroveren. Hy zag zich genoodzaakt om met verlies weder te rug te trekken, en de poorters koelden hunne verbittering opnegen zijner krijgsknechten, die zy gevangen hadden gemaakt: zy deden hen door beulshanden onthalzen, en hingen daar na de lichamen en hoofden aan den toren der poort ten toon.De Geldersche oorlog, waarin zijne stadBurenoverweldigd, en het kasteel vernield werd, gaf hem daarop de handen te vol, om dezen hoon te wreken; maar in 1493 maakte hy zich van de voorstad de Weert meester, en slootUtrechtzoo naauw in, dat het weldra gedwongen werd om vrede te sluiten, zich genoodzaakt zag tot de betaling van 25000 goudgulden, en de overblijfselen der onthoofden, die nog altijd een afschuwelijk schouwspel aan de poort maakten, oogenblikkelijk te doen begraven.Een jaar te voren waren des wakkeren Ridders diensten reeds openlijk erkend door KeizerMaximiliaan, die de HeerlijkheidBurentot een Graafschap verhief, zoodat de broeders vanEgmondnu beiden den Graven-tytel voerden.FredericvanEgmond van IJsselsteyn, Graaf vanBurenenLeerdam, Heer vanIJsselsteyn,Sint Maertensdijc,Cortgene,Cranendoncq, enJaersvelt, overleed in 1500, en werd in het choor der kerk vanIJsselsteynbygezet aan de zijde zijner echtgenote, die hem reeds op den 26enJuli, 1471, in de dood was voorgegaan, en boven wier stoffelijk overschot hy een verheven tombe, die heur beeld in liggende houding draagt, deed oprichten.Hun oudste zoonFloris, gehuwd metMargaretavanZevenberghe, volgde in het bezit van het GraafschapBurenenLeerdam. De jongste,Wennemaer, kwam aan de HeerlijkhedenIJsselsteyn,St.-Maertensdijc,Cortgene,Cranendoncq, enJaersvelt; maar daar hy weldra overleed, zonder andere kinderen dan een natuurlijken zoon,WillemvanIJsselsteyn, zoo gingen de gantsche bezittingen weder onverdeeld opFlorisover, die daardoor de zelfde tytels voerde als zijn vader weleer droeg, en nog daarenboven onder de Ridders van het Gulden-vlies opgenomen was.In 1510 trachtten de Stichtschen zich vanIJsselsteynmeester te maken, ’t geen hun echter mislukte. Niet beter voerFlorisvan zijnen kant in den winter van 1511: Met den aanvang van dat jaar zocht hy zich een bondgenoot in de felle vorst, en dacht de stad over het ijs te verrassen; maar eenige Geldersche ruiters, die zich op het platte land van ’t Sticht onthielden, overmeesterden de wagens waarop de stormtuigen werden aangevoerd, en verijdelden dus den aanslag.Toen HertogKarelvanEgmonddaarop als Beschermheer vanUtrechtwas aangenomen, werden nog dat zelfde jaar de vereenigde Geldersche en Stichtsche wapenen tegenIJsselsteyngekeerd. Drie weken lang duurde het beleg, en 1600 voetknechten, 300 ruiters, en 2000 poorters vanUtrechtlagen gedurende dien tijd onder den standaart vanKarelrondom de stad gelegerd. De Lekdijk, naar den kant vanSchoonhoven, staken zy door, om van die zijde voor overval beveiligd te zijn, en de schade, door de hieruit ontstane overstrooming in de omstreken en denCrimpenerwaertveroorzaakt, kostteHollandmeer dan honderdduizend kroonen. Onderhandelingen van de zijde dezer provincie aangevangen, waren vruchteloos, en middelerwijl viel ook het kasteelJaersvelt, aan deLec, in handen der Stichtschen. Toen was het geduld vanFloristen einde. Hy vereenigde zijne vaandels met die van GraafHenricvanNassau, en noodzaakte den vijand, op den 1enJuni 1511, tot het opbreken van ’t beleg. In die zelfde maand overviel hy, in vereeniging met den Heer vanWassenaer, aan het hoofd van 200 ruiters en 600 voetknechten de vijandelijke bezetting vanJutfaes, die hy tot aan de poorten vanUtrechtvoor zich uit dreef, er velen van deed neêrsabelen, en omstreeks 400 gevangen nam.Onder dit alles had hy dikwijls met geldgebrek te worstelen, daar de Landvoogdes niet altijd in staat was, om ten behoorlijken tijde zijne krijgskas te voorzien, zoodat hy genoodzaakt was, om met de opbrengsten der Utrechtsche bezittingen inIJsselsteynde soudeniers te betalen. Misschien is het aan deze geldelijke ongelegenheden te wijten, dat hy in de wandelingFloortjenDunbier werd genoemd, schoon ’t ook zijn kan, dat hy dezenschimpnaam aan de Stichtenaren te danken had, die alles behalven ingenomen waren met den Hollandschen Kapitein-Generaal, wiens oorlogzuchtige aart hem zijne lastbrieven wel eens te buiten deed gaan, en die, wanneer de bevelen van HertogKarelvanOostenrijkof vanMargaretaniet metzijnezienswijze strookten, stoutmoedig verklaarde, dat hy een man des Keizers was, en in diens belang handelde.Des niettegenstaande steldeKarel van Oostenrijkeen groot vertrouwen in den bekwamen Ridder, die zijn Stadhouder inHollandwas, en zond hem in 1515 naarFriesland, om in zijnen naam de hulde te ontvangen van dit Gewest, dat de Gelderschen meer dan moede begon te worden. En hier wasFlorisvastheid van karakter de oorzaak, dat de Friezen, hoe lang zy ook tegenstribbelden, eindelijk genoodzaakt waren om denOostenrijkerals Erfheer en Erflandvoogd des Heiligen Roomschen Rijks inFrieslandte erkennen en aan te nemen.De huldiging geschiedde op den 1enJuni, 1515, met veel plechtigheid teLeeuwarden.Florisvertegenwoordigde er zijn hooge Heer: Voorafgegaan door den Herout (wiens dalmatiekKarelswapens droeg) en gevolgd door een stoet van Edelen, trad hy met het zwaard in de hand naar den Sint-Veits dom, waar hy de mis hoorde, daarna voor het choor de gelofte van onderdanigheid der Geestelijken, vervolgends ook den eed van hulde en manschap der Edelen en poorters ontfing, en eindelijk zelf de bevestiging van der Friezen privilegiën en vrijheden bezwoer. Na deze plechtigheid deed hy gouden en zilveren penningen onder het volk rondstrooien, en sloeg vier voorname Friesche Edelen tot Ridder, waarvan hunne vijanden schimpend zeiden, dat de vlierboom den koolstruik tot ridder geslagen had!Belangrijke diensten bewees hy daarna in de Stichtsche oneenigheden, en droeg er veel toe by, omKarel, die inmiddels (1519) de Duitsche Keizerskroon droeg, het waereldlijk bestuur over het Sticht te doen verkrijgen.Niettegenstaande zijn onrustig en zwervend leven, bereikteFloristoch den gunstigen ouderdom van 70 jaren, waarvan hy de laatsten in rust schijnt te hebben doorgebracht. Hy overleed den 20enOktober, 1539, nalatende drie kinderen, een zoon,Maximiliaen, en twee dochters,Anna(die door heur huwelyk metJozefvanMontmorencymoeder was vanFlorisenFilipsvanMontmorency, zoo bekend in onze historie) enWalburga.MaximiliaenvanEgmond vanIJsselsteyn, thands Graaf vanBurenenLeerdam, Heer vanIJsselsteyn,Jaersvelt,St.-Maertensdijc,CortgeneenCranendoncq, Ridder van het Gulden-vlies, werd een jaar na zijns vaders dood door den Keizer in de plaats van den overledenJoris Schenck van Tautenborch, benoemd tot Stadhouder en Kapitein-Generaal vanFriesland,Overijssel,Groningen, enGroningerland, waar hy rustig bestuurde en zich zeer bemind maakte. Hy deelde in hooge mate de gunst van KeizerKarel, dien hy in verschillende oorlogen volgde, en met onkreukbare trouw aanhing, zoodat hy zelfs nooit met een protestant dronk, niet uit geloofshaat, maar omdat hy in den afgewekene van de kerk den vijand zijns meesters zag. De Keizer, zegt men, wilde uit ingenomenheid met den dapperen en trouwen Graaf diens GraafschapBurentot een Hertogdom verheffen—zonder echter daarby ook de inkomsten te kunnen verhoogen; maar juist dit laatste bewoogMaximiliaentot eene dankvolle afwijzing: »Liever,” sprak hy: »wil ik eenrijkeGraaf, dan eenarmeHertog zijn.”—Eene plotselijke ongesteldheid aan de keel werd, kort nadat hy uitEngelandin een gezantschap van ’s Keizers wege was te rug gekeerd, oorzaak van zijn dood, die hem in de kracht zijns levens teBrusseloverviel. Zijn vriend, de keizerlijke lijfartsAndriesvanWesel(Vesalius), het gevaar ziende rijzen en het oogenblik van sterven naderen, achtte het zich ten plicht hem daarvan niet onkundig te laten, en verklaarde dat hy nog vijf of hoogstens zes uren leven kon. Dat was op den 22enDecember, 1548, tegen middernacht. De groothartige Ridder hoorde dit bericht met rustige bedaardheid aan, zond oogenblikkelijk om zijne twee gemeenzaamstevrienden, de Heeren vanLigneen vanGranvelle, en regelde met hen zijne belangrijkste zaken.Nu heerschte er een droevige onrust door het gantsche huis. Het onheilvol gerucht had reeds zijne dienaren, en vele aanzienlijke bekenden bovendien, in de groote zaal samen doen vloeien, om naar zijnen toestand te vernemen. Het verschijnen der priesters, die naar het slaapvertrek gaan en hem het laatste sacrament zullen toedienen, voorspelt het noodlottigste. Allen staan in angstige verwachting, en ziet, daar wordt gezegd, dat de Graaf zoo aanstonds in hun midden zal komen. En werkelijk, de deuren worden geopend, en, eene eerbiedige huivering bevangt hen—MaximiliaenvanEgmond, geheel in ’t harnas gegespt, in plechtgewaad getooid, en met den keten van het Gulden-vlies omhangen, wordt binnen gevoerd. Hy spreekt allen vriendelijk toe; beveelt zijne bedienden aan zijner vrienden zorg, bespreekt zelf hun eene gedachtenis, en reikt hun de hand ten afscheid. Nu verlangt hy nog eens den gulden beker, waaruit hy gewoon was op feestmalen te drinken; en nadat hy met korte trekken zijn leven geschetst, en daarin met warmte van de ontfangen weldaden en gunsten des Keizers gesproken heeft, reikt hy den Heer vanLignezijn Ordeteeken over, om het den Keizer te rug te geven, en brengt vervolgends, door twee lijfknapen ondersteund, zijn laatsten dronk aan zijnen Heer en Meester. Het was een plechtig, een roerend oogenblik; mannen weenden.Toen dankte hy zijne beiden vrienden voor hunne dienst, sprak allen voor het laatst een hartelijk vaarwel, omarmde den getrouwen arts, en deed zich naar zijn leger voeren. Maar de sponde ontfing alleen zijn zielloos stof: toen men hem neder legde, had de fiere geest het lichaam reeds verlaten.Zijne weduwe,Françoise, HeerHugoosErfdochter vanLannoy, overleefde hem nog lang: zy stierf in 1562. Maar voor haren dood had zy het geluk, hun eenig kind en erfdochter op achttienjarigen leeftijd door het huwelijk verbonden te zien aan een edelen jongeling van gelijken ouderdom, van VorstelijkenHuize, en sinds zijn elfde jaar aan het Keizerlijk hof teBrusselopgevoed: in 1551 huwdeWillemvanNassau-Dillenburg, Prins vanOranje, Baron vanBredaenDiest, metAnnavanEgmond van IJsselsteyn, Erfdochter vanBurenenLeerdamen der overige uitgestrekte goederen heurs vaders.Al te kort was zy met hem gelukkig. Zy overleed reeds in 1558, nadat zy hem twee kinderen had geschonken, een zoon,Filips Willem, in 1554, en een dochter,Maria, in 1556, die later de echtgenote des GravenFilipsvanHohenlowerd.Hierdoor kwamIJsselsteynalzoo in handen van het doorluchtig Huis vanOranje-Nassau, waarin het ook tot aanWillemden Derde bleef, zonder dat er gedurende al dien tijd iets merkwaardigs van werd opgeteekend, dan alleen een enkel voorval tijdens den driedubbelen oorlog van 1672. In den namiddag van 12 Juli van dat jaar rukte een groot aantal dragonders van de Fransche bezetting uitUtrechtnaarIJsselsteyn, om het te bemachtigen. Zy kwamen er in de nacht, en waarschijnlijk zeer onverwacht aan, maar werden er door de zeesoldaten zoo wel onthaald, »dat de meeste part het weder-komen vergaten”; de overige helden spoedden zich ijlings weder naarUtrecht, »blasende en trommelende voor de Poorte Alarm, waer op in haer Wachten groote alteratie ontstondt.”De kloekmoedige mariniers schijnen er echter slechts tijdelijk verblijf gehouden te hebben, want reeds binnen een week daarna waren kasteel en stad, zonder eenigen weêrstand, in ’s vijands handen overgegaan, en werden niet weder ontruimd, dan met het vertrek der Franschen uitUtrecht.Na KoningWillemsplotselijke en onvoorziene dood in 1702, ontstond er tusschenFrederikden Tweede, Koning vanPruissen, enJohan Willem Friso, een langdurig verschil over zijne nalatenschap, dat eerst door hunne erfgenamen in 1732 by overeenkomst geschikt werd.IJsselsteynkwam toen aanWillem Carel Hendrik Friso, destijds Stadhouder vanFriesland,Groningen,DrentheenGelderland, en in 1747, alsWillemde Vierde,Stadhouder der VereenigdeProvinciën. Zijne moeder, de beminnelijkeMaria LouisavanHessen-Cassel, die, na gade en zoon overleefd te hebben, eerst in 1765 teLeeuwardenoverleed, hield zich van tijd tot tijd in het kasteel op, dat zy als douairie bezat, en de IJsselsteyners spraken nog in het begin dezer eeuw met dankbare herinnering van de edele Vorstin.Gemeenlijk werd het in dien tijd bewoond door den Drost vanIJsselsteyn. By de dwaze omwenteling van 1795 werd die waardigheid bekleed door den Heerde Beaufort, die er toen afstand van moest doen, en het kasteel verlaten, dat onder de in beslag genomen goederen des Stadhouders behoorde, en als zoodanig aan de fraaie Republiek werd gebracht.Nu moest het, dàn als hospitaal—dàn als kazerne dienen, en speelde de ruwe soldaat er den meester, natuurlijk niet ten voordeele van het eerwaardig gebouw, dat veel van die bewoners te lijden had. Vervolgends werd het eenige jaren lang aan zich-zelf en den tijd overgelaten, en stond geheel ledig, toen Mevrouw de Weduwe van deCapelleals huurderesse optrad, en er met een aanverwant van den Heer van derDuin van Maasdamheur verblijf vestigde.Eindelijk werd het, na het overlijden van Mevrouw van deCapelle, in 1812 door het Rijk verkocht, en ging toen over in handen van Jonkheer Mr.Nicolaas Hendrik Strick van Linschoten, Heer vanBunnikenVechten, wiens Geslacht het nog steeds in bezit heeft.Intusschen heeft de uitwendige vorm van denIJsselsteynnatuurlijk veel in stoutheid en rijkdom verloren. Eene afbeelding van den tegenwoordigen toestand wordt gevonden inRobidé van der Aas»Oud-Nederland,” en geeft de hoofdvormen nog kennelijk te rug. Men kan zich een denkbeeld maken van de voormalige sterkte dezer burcht, wanneer men ziet, dat de dikte van den overgebleven voormuur meer dan eene Ned. el bedraagt, terwijl de muur des torens, zelfs wel 1.5 N. el dikte heeft.De nog bestaande onderaardsche gangen zijn, door de stiklucht die zich daarin ontwikkelt, nooit geheel onderzocht, hoewenschelijk dit ook ware. Men verhaalt elkander, dat zy weleer hebben gediend »om, onder het water door, de gemeenschap met de stad en het aldaar gevestigde klooster te onderhouden.” De ondervinding heeft evenwel reeds dikwerf geleerd, hoe zeldzaam dergelijke verhalen, die in menigte van kasteelen en bouwvallen voorkomen, by onderzoek op waarheid gegrond zijn.Waarlijk, ook by het overschot der IJsselsteynsche burcht, mag men met den dichter spreken:Wel, zeker, wie ’t herdenken mintVan lang voorleden, schooner dagen—Wie een weemoedig-zoet behagenIn de eeuwig groene Erinring vindt,Heeft slechts die muren te ondervragen,Die ’t merk van koninklijke pracht,Van oude—eilaas! verlamde—kracht—In reuzenschrift aan ’t voorhoofd dragen.o, Fluisterstem van dat Voorleden,Hoe heeft mij dáar uw klank bekoord,Die, als een zangrig harpaccoord,Ter helft geraden, half gehoord,Den avondwandlaar langs gegleden,De stilte van den bouwval stoort!Hoe woei mij dàar de Erinring tegenVan Liefde en Haat, van Zwakte en Kracht,Van Riddereer en Riddermagt,Van Lust en Last, van Ramp en Zegen!Dan rijst voor mijn verwonderd oogOp nieuw het burggewelf omhoog,Zoo als ’et prijkte in vroeger dagen;Dan krijgt die slotpoort als weleerZijn ijzren vleugeldeuren weêr;Dán wappert van den hoogen torenOp nieuw de slanke baanrol uit;Dan is ’t, of ’t avondzonneglorenOp ’t blankgeslepen borstschild stuit,En blikkert op de stormhelmetten,En ’t flikkrend staal der krijgsgenetten,Die zich verdringen in het krijtEn joken naar den strijd!Dán treedt een sleep die hallen binnenVan Edelvrouwen, jonk en schoon,Van Ridders, vurig in ’t beminnen,Van Knapen, vrij en hoofsch van zinnen,En Minstreels, die den zang beginnenVoor Vrouwengunst en Minneloon!Waar is uw luister heêngevaren,En, sombre Puinhoop, wáar uw praal?Gij spreekt de vreeselijke taalVan moeilijke Opkomst, vroeg Verderven,Van korten Bloei en langzaam Sterven;Gij zingt het slepend grafgezangVan eeuwgen, eeuwgen Ondergang!Doch neen, geen Dood!De geest blijft leven,Die, eens dier stichting ingedreven,Nog scheemrig in den bouwval gloort.—Want wat des menschen vinding stichtte,Want wat de kracht zijns wils verrigtte,De daad die is duurt altoos voort!1In de ruime beteekenis vanNederlander.2Zie Dl. I. blz. 49–80.3Zal het misschien een Heer vanIJsselborchzijn geweest?4Zie Blz. 61–63.5Maarschalk, niet in de beteekenis vanVeldheer, maar vanRechter, gelijk staande metBaljuwinHolland.6Met uitzondering van ’t reigerbosch in »Aemstellelant,” en de manschap der beleende goederen in ’t algemeen, die de Graaf aan zich behield.7De andere Nederlandsche Heeren waren die vanVoorn, van derLecke(AelbrechtenPieter) vanArckel, vanMerode,OttovanCuyk,DaniëlvanGoor,RobbrechtvanAppeltern,WarnaervanMerode,PetervanDiestenWalramvanLuxemborch.8HeerGijsbrechthad in ’t geheel zeven kinderen, vijf zoons en twee dochters gehad. Twee dier zonen, de genoemdeHerbarn, enJan, Domproost teUtrecht, waren hem in den dood voorgegaan.9Zy wordt ookElisabeth, en zelfsJennegenoemd.10d. i. Aangehuwde bloedverwant; toen gold het b. v. evenzeer voor schoonzoonals thands alleen voor schoonbroeder.11VanCatharynevanIJsselsteyn, die mede in dezen tijd leefde, is het onzeker of zy eenedochterof wel eenezustervan HeerAernoutgeweest zij.—Gwydais, Dl. I. blz. 35, ten onrechte, in navolging van anderen, Erfzustergeschreven.12Dl. I. blz. 38.13Gorcumbehoorde aan den Grave vanCharlois,Karelden Stoute, en lag op Hollandsch grondgebied, dat doorOthovanWeerengeschonden was.14Zie Dl. I, blz. 41.15Blz. 29, enz.
»Des vlegels maatslag op den dorschvloer,—op de veldenHet vrolijk arbeidslied by spade of zeis—hoe zeldenWordt meer hun volle galm, hun heldre toon gehoord!Ach! ’t land brengt doornen meest en ruige distlen voort!”—
»Des vlegels maatslag op den dorschvloer,—op de velden
Het vrolijk arbeidslied by spade of zeis—hoe zelden
Wordt meer hun volle galm, hun heldre toon gehoord!
Ach! ’t land brengt doornen meest en ruige distlen voort!”—
Toen de Burchtgraaf vanMontfoorteindelijk meende den oorlogop grootere schaal te kunnen voeren, besloot hy om zich in de eerste plaats meester te maken van den zetel zijner doodvijanden, de Heeren vanIJsselsteyn. Met allen spoed, maar te gelijk met ernst en naauwlettendheid, werden de toebereidselen daartoe gemaakt—en zoo zagen de poorters der stad op dingsdag den 27enAugustus 1482, ten 4 ure in den namiddag, een leger van ongeveer 4000 man voor hunne wallen. Zeventien schouwen voerden groote en kleine donderbussen, stormtuigen, en andere krijgsbenoodigdheden aan; en alles deed zien, dat hetCleveenMontfoortmet de bestorming ernst was. Het leger werd in drie hoofdbenden verdeeld, waarvan de eerste achter langs den IJsseldijk de tenten opsloeg, de tweede den kruisweg die naarLopicvoerde bezettede, en de derde zich in en rondom het klooster der Cysteriënsen vestigde. Ofschoon er met bestormen werd getoefd, totdatReyniervanBroechusenmet de Cleefsche hulpbenden zou zijn aangekomen, liet men evenwel de stad niet met rust. De groote donderbussen, die reeds in de nacht tusschen dingsdag en woensdag by het klooster waren opgericht, wierpen spoedig een aantal vuurkogels in de stad, hoewel de schade die zy aanrichtten niet groot was, en slechts weinigen er het leven by verloren.
De wakkere IJsselsteyners, vertrouwende op ontzet van den kant huns Heeren, lieten zich mede niet onbetuigd: hun geschut brandde van de wallen rusteloos op de belegeraars los; en te midden van dezen sulferdonder deden zy eenen heftigen uitval, die door de Stichtschen niet minder stout weerstaan werd, zoodat het tot een scherp gevecht kwam, waarin de laatsten natuurlijk wel den boventoon behielden, maar toch ook een niet onbeduidend verlies aan dooden en gekwetsten leden.
Intusschen wasBroechusenmet zijne Clevenaars den 31enAugustus overUtrechtnaarIJsselsteyngetogen; en het leger alzoo voltallig geworden.Montfoortnaderde dus eindelijk tot het vurig gewenschte uur, waarop hy de stad zijns vijands met eene vinnige bestorming zou kunnen overmeesteren—maar toenhet er nu op aan kwam om dien storm te regelen, weigerden de aangekomen krijgsbenden volstrekt om een praam te bestijgen of een leer te beklimmen, ten zij de stad eerst gewonnen ware, »want,” zeiden deze eerlijke Duitschers, »wy zijn herwaart gekomen om strooptochten te maken en te plunderen, niet om steden te bestormen.”
En de geest die in de afdeeling der Stichtenaars heerschte, was mede niet opwekkend: in die weinige dagen die het beleg nog maar duurde, had menig goede poorter der Bisschopsstad van de duisternis der regenachtige najaarsnachten gebruik gemaakt, om in alle stilte zijn warm bed binnen de veilige muren vanUtrechtweder op te zoeken, zoodat de Stedelijke Raad genoodzaakt was, op dergelijke desertie reeds den 1enSeptember eene boete van 10 pond te zetten, en dit, slechts 4 dagen later, te verhoogen op 100 pond, en 10 jaren ballingschap.
De onwil der Clevenaars maakte nu aan het gantsche beleg een einde, want de Burchtgraaf wist zeer wel, datFredericteSchoonhovenlag, met een reeds niet onaanzienlijk leger, en slechts nog eenige versterking wachtte, om tot ontzet uit te rukken. Een snelle storm alleen had de stad in zijne handen kunnen brengen. Nu de gelegenheid daartoe voorby was, werd een langer vertoef zelfs gevaarlijk, en, hoe hem het hooge hart ook van verbittering moge geklopt hebben—een spoedige terugtocht was de beste handeling waartoe de fiereJohanvanMontfoortthands besluiten kon.
En nu dat besluit eenmaal genomen was, werd het ook ten spoedigste uitgevoerd; maar juist die spoed werkte noodlottig: de krijgsknechten, die de oorzaak daarvan waarschijnlijk in eene mare van aanrukkenden vijand zochten, braken ten bestemden tijde (9 ure in den avond van 6 September) met zooveel overhaasting op, dat het wel eene halve vlucht scheen, en er eene menigte van krijgs- en stormtuig achtergelaten werd, waartoe het felle busvuur uit de stad, waar men van bet vertrek bespeurd had, mede niet weinig bydroeg. De Stichtschen verloren by dezen vruchteloozenaanslag, alleen aan dooden, 150 man, verwijl het verlies der Clevenaars nog meer bedroeg.
Die vanIJsselsteynmaakten zich terstond van het achtergelaten krijgstuig meester; en daar zy het Cysteriënsen klooster nu als een al te voordeelige legerplaats voor den vijand hadden leeren kennen, lieten zy er den rooden haan kraaien, d. i.: zy staken het in den brand, waarna zy het vervolgends met al de daarby behoorende gebouwen ten gronde toe vernielden, en den monniken eene plaats binnen de stad inruimden.
Van omstreeks dezen tijd dagteekent waarschijnlijk de aan een der wallen vanIJsselsteyningemetselde steen, die tot aan het einde der vorige eeuw nog aldaar gezien werd, en waarop men las:
Wech, Uytersen met uw tuten en blasen,Doet uyt twee leuwen en set twee hasen,Want doe die van Ysselsteyn quamen in tfelt,Hebbent die van Utrecht op een loopen gestelt.
Wech, Uytersen met uw tuten en blasen,
Doet uyt twee leuwen en set twee hasen,
Want doe die van Ysselsteyn quamen in tfelt,
Hebbent die van Utrecht op een loopen gestelt.
Tijdens de omwenteling van 1795 werd deze steen door een hoop Utrechtenaars uitgebroken en in de gracht geworpen, waar hy misschien nog ligt.
HeerFrederic, hoewel voor het verlies zijner stad thands niet meer bevreesd, brandde van verlangen, om zich op het stoutmoedigeUtrechtte verhalen. Nog altoos had de Bisschop er aanhangers, en dezen, in eene herberg »de Sleutel” samenkomende, vonden daar in de dienstboden gewillige briefdragers voor hunne samenspanning met den Hollandschen Veldheer. Het naauwlettend toezicht van den stedelijken Raad voorkwam echter de uitvoering van het plan; verschillende personen werden gevangen genomen, en, als verdacht van meêplichtigheid aan het verraad, ter stad uit gebannen.
Even ongunstige uitslag volgde in 1491 op zijne poging, om de door de stedelingen herwonnen en bezette Catheryne-poort te heroveren. Hy zag zich genoodzaakt om met verlies weder te rug te trekken, en de poorters koelden hunne verbittering opnegen zijner krijgsknechten, die zy gevangen hadden gemaakt: zy deden hen door beulshanden onthalzen, en hingen daar na de lichamen en hoofden aan den toren der poort ten toon.
De Geldersche oorlog, waarin zijne stadBurenoverweldigd, en het kasteel vernield werd, gaf hem daarop de handen te vol, om dezen hoon te wreken; maar in 1493 maakte hy zich van de voorstad de Weert meester, en slootUtrechtzoo naauw in, dat het weldra gedwongen werd om vrede te sluiten, zich genoodzaakt zag tot de betaling van 25000 goudgulden, en de overblijfselen der onthoofden, die nog altijd een afschuwelijk schouwspel aan de poort maakten, oogenblikkelijk te doen begraven.
Een jaar te voren waren des wakkeren Ridders diensten reeds openlijk erkend door KeizerMaximiliaan, die de HeerlijkheidBurentot een Graafschap verhief, zoodat de broeders vanEgmondnu beiden den Graven-tytel voerden.
FredericvanEgmond van IJsselsteyn, Graaf vanBurenenLeerdam, Heer vanIJsselsteyn,Sint Maertensdijc,Cortgene,Cranendoncq, enJaersvelt, overleed in 1500, en werd in het choor der kerk vanIJsselsteynbygezet aan de zijde zijner echtgenote, die hem reeds op den 26enJuli, 1471, in de dood was voorgegaan, en boven wier stoffelijk overschot hy een verheven tombe, die heur beeld in liggende houding draagt, deed oprichten.
Hun oudste zoonFloris, gehuwd metMargaretavanZevenberghe, volgde in het bezit van het GraafschapBurenenLeerdam. De jongste,Wennemaer, kwam aan de HeerlijkhedenIJsselsteyn,St.-Maertensdijc,Cortgene,Cranendoncq, enJaersvelt; maar daar hy weldra overleed, zonder andere kinderen dan een natuurlijken zoon,WillemvanIJsselsteyn, zoo gingen de gantsche bezittingen weder onverdeeld opFlorisover, die daardoor de zelfde tytels voerde als zijn vader weleer droeg, en nog daarenboven onder de Ridders van het Gulden-vlies opgenomen was.
In 1510 trachtten de Stichtschen zich vanIJsselsteynmeester te maken, ’t geen hun echter mislukte. Niet beter voerFlorisvan zijnen kant in den winter van 1511: Met den aanvang van dat jaar zocht hy zich een bondgenoot in de felle vorst, en dacht de stad over het ijs te verrassen; maar eenige Geldersche ruiters, die zich op het platte land van ’t Sticht onthielden, overmeesterden de wagens waarop de stormtuigen werden aangevoerd, en verijdelden dus den aanslag.
Toen HertogKarelvanEgmonddaarop als Beschermheer vanUtrechtwas aangenomen, werden nog dat zelfde jaar de vereenigde Geldersche en Stichtsche wapenen tegenIJsselsteyngekeerd. Drie weken lang duurde het beleg, en 1600 voetknechten, 300 ruiters, en 2000 poorters vanUtrechtlagen gedurende dien tijd onder den standaart vanKarelrondom de stad gelegerd. De Lekdijk, naar den kant vanSchoonhoven, staken zy door, om van die zijde voor overval beveiligd te zijn, en de schade, door de hieruit ontstane overstrooming in de omstreken en denCrimpenerwaertveroorzaakt, kostteHollandmeer dan honderdduizend kroonen. Onderhandelingen van de zijde dezer provincie aangevangen, waren vruchteloos, en middelerwijl viel ook het kasteelJaersvelt, aan deLec, in handen der Stichtschen. Toen was het geduld vanFloristen einde. Hy vereenigde zijne vaandels met die van GraafHenricvanNassau, en noodzaakte den vijand, op den 1enJuni 1511, tot het opbreken van ’t beleg. In die zelfde maand overviel hy, in vereeniging met den Heer vanWassenaer, aan het hoofd van 200 ruiters en 600 voetknechten de vijandelijke bezetting vanJutfaes, die hy tot aan de poorten vanUtrechtvoor zich uit dreef, er velen van deed neêrsabelen, en omstreeks 400 gevangen nam.
Onder dit alles had hy dikwijls met geldgebrek te worstelen, daar de Landvoogdes niet altijd in staat was, om ten behoorlijken tijde zijne krijgskas te voorzien, zoodat hy genoodzaakt was, om met de opbrengsten der Utrechtsche bezittingen inIJsselsteynde soudeniers te betalen. Misschien is het aan deze geldelijke ongelegenheden te wijten, dat hy in de wandelingFloortjenDunbier werd genoemd, schoon ’t ook zijn kan, dat hy dezenschimpnaam aan de Stichtenaren te danken had, die alles behalven ingenomen waren met den Hollandschen Kapitein-Generaal, wiens oorlogzuchtige aart hem zijne lastbrieven wel eens te buiten deed gaan, en die, wanneer de bevelen van HertogKarelvanOostenrijkof vanMargaretaniet metzijnezienswijze strookten, stoutmoedig verklaarde, dat hy een man des Keizers was, en in diens belang handelde.
Des niettegenstaande steldeKarel van Oostenrijkeen groot vertrouwen in den bekwamen Ridder, die zijn Stadhouder inHollandwas, en zond hem in 1515 naarFriesland, om in zijnen naam de hulde te ontvangen van dit Gewest, dat de Gelderschen meer dan moede begon te worden. En hier wasFlorisvastheid van karakter de oorzaak, dat de Friezen, hoe lang zy ook tegenstribbelden, eindelijk genoodzaakt waren om denOostenrijkerals Erfheer en Erflandvoogd des Heiligen Roomschen Rijks inFrieslandte erkennen en aan te nemen.
De huldiging geschiedde op den 1enJuni, 1515, met veel plechtigheid teLeeuwarden.Florisvertegenwoordigde er zijn hooge Heer: Voorafgegaan door den Herout (wiens dalmatiekKarelswapens droeg) en gevolgd door een stoet van Edelen, trad hy met het zwaard in de hand naar den Sint-Veits dom, waar hy de mis hoorde, daarna voor het choor de gelofte van onderdanigheid der Geestelijken, vervolgends ook den eed van hulde en manschap der Edelen en poorters ontfing, en eindelijk zelf de bevestiging van der Friezen privilegiën en vrijheden bezwoer. Na deze plechtigheid deed hy gouden en zilveren penningen onder het volk rondstrooien, en sloeg vier voorname Friesche Edelen tot Ridder, waarvan hunne vijanden schimpend zeiden, dat de vlierboom den koolstruik tot ridder geslagen had!
Belangrijke diensten bewees hy daarna in de Stichtsche oneenigheden, en droeg er veel toe by, omKarel, die inmiddels (1519) de Duitsche Keizerskroon droeg, het waereldlijk bestuur over het Sticht te doen verkrijgen.
Niettegenstaande zijn onrustig en zwervend leven, bereikteFloristoch den gunstigen ouderdom van 70 jaren, waarvan hy de laatsten in rust schijnt te hebben doorgebracht. Hy overleed den 20enOktober, 1539, nalatende drie kinderen, een zoon,Maximiliaen, en twee dochters,Anna(die door heur huwelyk metJozefvanMontmorencymoeder was vanFlorisenFilipsvanMontmorency, zoo bekend in onze historie) enWalburga.
MaximiliaenvanEgmond vanIJsselsteyn, thands Graaf vanBurenenLeerdam, Heer vanIJsselsteyn,Jaersvelt,St.-Maertensdijc,CortgeneenCranendoncq, Ridder van het Gulden-vlies, werd een jaar na zijns vaders dood door den Keizer in de plaats van den overledenJoris Schenck van Tautenborch, benoemd tot Stadhouder en Kapitein-Generaal vanFriesland,Overijssel,Groningen, enGroningerland, waar hy rustig bestuurde en zich zeer bemind maakte. Hy deelde in hooge mate de gunst van KeizerKarel, dien hy in verschillende oorlogen volgde, en met onkreukbare trouw aanhing, zoodat hy zelfs nooit met een protestant dronk, niet uit geloofshaat, maar omdat hy in den afgewekene van de kerk den vijand zijns meesters zag. De Keizer, zegt men, wilde uit ingenomenheid met den dapperen en trouwen Graaf diens GraafschapBurentot een Hertogdom verheffen—zonder echter daarby ook de inkomsten te kunnen verhoogen; maar juist dit laatste bewoogMaximiliaentot eene dankvolle afwijzing: »Liever,” sprak hy: »wil ik eenrijkeGraaf, dan eenarmeHertog zijn.”—
Eene plotselijke ongesteldheid aan de keel werd, kort nadat hy uitEngelandin een gezantschap van ’s Keizers wege was te rug gekeerd, oorzaak van zijn dood, die hem in de kracht zijns levens teBrusseloverviel. Zijn vriend, de keizerlijke lijfartsAndriesvanWesel(Vesalius), het gevaar ziende rijzen en het oogenblik van sterven naderen, achtte het zich ten plicht hem daarvan niet onkundig te laten, en verklaarde dat hy nog vijf of hoogstens zes uren leven kon. Dat was op den 22enDecember, 1548, tegen middernacht. De groothartige Ridder hoorde dit bericht met rustige bedaardheid aan, zond oogenblikkelijk om zijne twee gemeenzaamstevrienden, de Heeren vanLigneen vanGranvelle, en regelde met hen zijne belangrijkste zaken.
Nu heerschte er een droevige onrust door het gantsche huis. Het onheilvol gerucht had reeds zijne dienaren, en vele aanzienlijke bekenden bovendien, in de groote zaal samen doen vloeien, om naar zijnen toestand te vernemen. Het verschijnen der priesters, die naar het slaapvertrek gaan en hem het laatste sacrament zullen toedienen, voorspelt het noodlottigste. Allen staan in angstige verwachting, en ziet, daar wordt gezegd, dat de Graaf zoo aanstonds in hun midden zal komen. En werkelijk, de deuren worden geopend, en, eene eerbiedige huivering bevangt hen—MaximiliaenvanEgmond, geheel in ’t harnas gegespt, in plechtgewaad getooid, en met den keten van het Gulden-vlies omhangen, wordt binnen gevoerd. Hy spreekt allen vriendelijk toe; beveelt zijne bedienden aan zijner vrienden zorg, bespreekt zelf hun eene gedachtenis, en reikt hun de hand ten afscheid. Nu verlangt hy nog eens den gulden beker, waaruit hy gewoon was op feestmalen te drinken; en nadat hy met korte trekken zijn leven geschetst, en daarin met warmte van de ontfangen weldaden en gunsten des Keizers gesproken heeft, reikt hy den Heer vanLignezijn Ordeteeken over, om het den Keizer te rug te geven, en brengt vervolgends, door twee lijfknapen ondersteund, zijn laatsten dronk aan zijnen Heer en Meester. Het was een plechtig, een roerend oogenblik; mannen weenden.
Toen dankte hy zijne beiden vrienden voor hunne dienst, sprak allen voor het laatst een hartelijk vaarwel, omarmde den getrouwen arts, en deed zich naar zijn leger voeren. Maar de sponde ontfing alleen zijn zielloos stof: toen men hem neder legde, had de fiere geest het lichaam reeds verlaten.
Zijne weduwe,Françoise, HeerHugoosErfdochter vanLannoy, overleefde hem nog lang: zy stierf in 1562. Maar voor haren dood had zy het geluk, hun eenig kind en erfdochter op achttienjarigen leeftijd door het huwelijk verbonden te zien aan een edelen jongeling van gelijken ouderdom, van VorstelijkenHuize, en sinds zijn elfde jaar aan het Keizerlijk hof teBrusselopgevoed: in 1551 huwdeWillemvanNassau-Dillenburg, Prins vanOranje, Baron vanBredaenDiest, metAnnavanEgmond van IJsselsteyn, Erfdochter vanBurenenLeerdamen der overige uitgestrekte goederen heurs vaders.
Al te kort was zy met hem gelukkig. Zy overleed reeds in 1558, nadat zy hem twee kinderen had geschonken, een zoon,Filips Willem, in 1554, en een dochter,Maria, in 1556, die later de echtgenote des GravenFilipsvanHohenlowerd.
Hierdoor kwamIJsselsteynalzoo in handen van het doorluchtig Huis vanOranje-Nassau, waarin het ook tot aanWillemden Derde bleef, zonder dat er gedurende al dien tijd iets merkwaardigs van werd opgeteekend, dan alleen een enkel voorval tijdens den driedubbelen oorlog van 1672. In den namiddag van 12 Juli van dat jaar rukte een groot aantal dragonders van de Fransche bezetting uitUtrechtnaarIJsselsteyn, om het te bemachtigen. Zy kwamen er in de nacht, en waarschijnlijk zeer onverwacht aan, maar werden er door de zeesoldaten zoo wel onthaald, »dat de meeste part het weder-komen vergaten”; de overige helden spoedden zich ijlings weder naarUtrecht, »blasende en trommelende voor de Poorte Alarm, waer op in haer Wachten groote alteratie ontstondt.”
De kloekmoedige mariniers schijnen er echter slechts tijdelijk verblijf gehouden te hebben, want reeds binnen een week daarna waren kasteel en stad, zonder eenigen weêrstand, in ’s vijands handen overgegaan, en werden niet weder ontruimd, dan met het vertrek der Franschen uitUtrecht.
Na KoningWillemsplotselijke en onvoorziene dood in 1702, ontstond er tusschenFrederikden Tweede, Koning vanPruissen, enJohan Willem Friso, een langdurig verschil over zijne nalatenschap, dat eerst door hunne erfgenamen in 1732 by overeenkomst geschikt werd.IJsselsteynkwam toen aanWillem Carel Hendrik Friso, destijds Stadhouder vanFriesland,Groningen,DrentheenGelderland, en in 1747, alsWillemde Vierde,Stadhouder der VereenigdeProvinciën. Zijne moeder, de beminnelijkeMaria LouisavanHessen-Cassel, die, na gade en zoon overleefd te hebben, eerst in 1765 teLeeuwardenoverleed, hield zich van tijd tot tijd in het kasteel op, dat zy als douairie bezat, en de IJsselsteyners spraken nog in het begin dezer eeuw met dankbare herinnering van de edele Vorstin.
Gemeenlijk werd het in dien tijd bewoond door den Drost vanIJsselsteyn. By de dwaze omwenteling van 1795 werd die waardigheid bekleed door den Heerde Beaufort, die er toen afstand van moest doen, en het kasteel verlaten, dat onder de in beslag genomen goederen des Stadhouders behoorde, en als zoodanig aan de fraaie Republiek werd gebracht.
Nu moest het, dàn als hospitaal—dàn als kazerne dienen, en speelde de ruwe soldaat er den meester, natuurlijk niet ten voordeele van het eerwaardig gebouw, dat veel van die bewoners te lijden had. Vervolgends werd het eenige jaren lang aan zich-zelf en den tijd overgelaten, en stond geheel ledig, toen Mevrouw de Weduwe van deCapelleals huurderesse optrad, en er met een aanverwant van den Heer van derDuin van Maasdamheur verblijf vestigde.
Eindelijk werd het, na het overlijden van Mevrouw van deCapelle, in 1812 door het Rijk verkocht, en ging toen over in handen van Jonkheer Mr.Nicolaas Hendrik Strick van Linschoten, Heer vanBunnikenVechten, wiens Geslacht het nog steeds in bezit heeft.
Intusschen heeft de uitwendige vorm van denIJsselsteynnatuurlijk veel in stoutheid en rijkdom verloren. Eene afbeelding van den tegenwoordigen toestand wordt gevonden inRobidé van der Aas»Oud-Nederland,” en geeft de hoofdvormen nog kennelijk te rug. Men kan zich een denkbeeld maken van de voormalige sterkte dezer burcht, wanneer men ziet, dat de dikte van den overgebleven voormuur meer dan eene Ned. el bedraagt, terwijl de muur des torens, zelfs wel 1.5 N. el dikte heeft.
De nog bestaande onderaardsche gangen zijn, door de stiklucht die zich daarin ontwikkelt, nooit geheel onderzocht, hoewenschelijk dit ook ware. Men verhaalt elkander, dat zy weleer hebben gediend »om, onder het water door, de gemeenschap met de stad en het aldaar gevestigde klooster te onderhouden.” De ondervinding heeft evenwel reeds dikwerf geleerd, hoe zeldzaam dergelijke verhalen, die in menigte van kasteelen en bouwvallen voorkomen, by onderzoek op waarheid gegrond zijn.
Waarlijk, ook by het overschot der IJsselsteynsche burcht, mag men met den dichter spreken:
Wel, zeker, wie ’t herdenken mintVan lang voorleden, schooner dagen—Wie een weemoedig-zoet behagenIn de eeuwig groene Erinring vindt,Heeft slechts die muren te ondervragen,Die ’t merk van koninklijke pracht,Van oude—eilaas! verlamde—kracht—In reuzenschrift aan ’t voorhoofd dragen.
Wel, zeker, wie ’t herdenken mint
Van lang voorleden, schooner dagen—
Wie een weemoedig-zoet behagen
In de eeuwig groene Erinring vindt,
Heeft slechts die muren te ondervragen,
Die ’t merk van koninklijke pracht,
Van oude—eilaas! verlamde—kracht—
In reuzenschrift aan ’t voorhoofd dragen.
o, Fluisterstem van dat Voorleden,Hoe heeft mij dáar uw klank bekoord,Die, als een zangrig harpaccoord,Ter helft geraden, half gehoord,Den avondwandlaar langs gegleden,De stilte van den bouwval stoort!Hoe woei mij dàar de Erinring tegenVan Liefde en Haat, van Zwakte en Kracht,Van Riddereer en Riddermagt,Van Lust en Last, van Ramp en Zegen!
o, Fluisterstem van dat Voorleden,
Hoe heeft mij dáar uw klank bekoord,
Die, als een zangrig harpaccoord,
Ter helft geraden, half gehoord,
Den avondwandlaar langs gegleden,
De stilte van den bouwval stoort!
Hoe woei mij dàar de Erinring tegen
Van Liefde en Haat, van Zwakte en Kracht,
Van Riddereer en Riddermagt,
Van Lust en Last, van Ramp en Zegen!
Dan rijst voor mijn verwonderd oogOp nieuw het burggewelf omhoog,Zoo als ’et prijkte in vroeger dagen;Dan krijgt die slotpoort als weleerZijn ijzren vleugeldeuren weêr;Dán wappert van den hoogen torenOp nieuw de slanke baanrol uit;Dan is ’t, of ’t avondzonneglorenOp ’t blankgeslepen borstschild stuit,En blikkert op de stormhelmetten,En ’t flikkrend staal der krijgsgenetten,Die zich verdringen in het krijtEn joken naar den strijd!
Dan rijst voor mijn verwonderd oog
Op nieuw het burggewelf omhoog,
Zoo als ’et prijkte in vroeger dagen;
Dan krijgt die slotpoort als weleer
Zijn ijzren vleugeldeuren weêr;
Dán wappert van den hoogen toren
Op nieuw de slanke baanrol uit;
Dan is ’t, of ’t avondzonnegloren
Op ’t blankgeslepen borstschild stuit,
En blikkert op de stormhelmetten,
En ’t flikkrend staal der krijgsgenetten,
Die zich verdringen in het krijt
En joken naar den strijd!
Dán treedt een sleep die hallen binnenVan Edelvrouwen, jonk en schoon,Van Ridders, vurig in ’t beminnen,Van Knapen, vrij en hoofsch van zinnen,En Minstreels, die den zang beginnenVoor Vrouwengunst en Minneloon!
Dán treedt een sleep die hallen binnen
Van Edelvrouwen, jonk en schoon,
Van Ridders, vurig in ’t beminnen,
Van Knapen, vrij en hoofsch van zinnen,
En Minstreels, die den zang beginnen
Voor Vrouwengunst en Minneloon!
Waar is uw luister heêngevaren,En, sombre Puinhoop, wáar uw praal?
Waar is uw luister heêngevaren,
En, sombre Puinhoop, wáar uw praal?
Gij spreekt de vreeselijke taalVan moeilijke Opkomst, vroeg Verderven,Van korten Bloei en langzaam Sterven;Gij zingt het slepend grafgezangVan eeuwgen, eeuwgen Ondergang!
Gij spreekt de vreeselijke taal
Van moeilijke Opkomst, vroeg Verderven,
Van korten Bloei en langzaam Sterven;
Gij zingt het slepend grafgezang
Van eeuwgen, eeuwgen Ondergang!
Doch neen, geen Dood!De geest blijft leven,Die, eens dier stichting ingedreven,Nog scheemrig in den bouwval gloort.—Want wat des menschen vinding stichtte,Want wat de kracht zijns wils verrigtte,De daad die is duurt altoos voort!
Doch neen, geen Dood!
De geest blijft leven,
Die, eens dier stichting ingedreven,
Nog scheemrig in den bouwval gloort.—
Want wat des menschen vinding stichtte,
Want wat de kracht zijns wils verrigtte,
De daad die is duurt altoos voort!
1In de ruime beteekenis vanNederlander.2Zie Dl. I. blz. 49–80.3Zal het misschien een Heer vanIJsselborchzijn geweest?4Zie Blz. 61–63.5Maarschalk, niet in de beteekenis vanVeldheer, maar vanRechter, gelijk staande metBaljuwinHolland.6Met uitzondering van ’t reigerbosch in »Aemstellelant,” en de manschap der beleende goederen in ’t algemeen, die de Graaf aan zich behield.7De andere Nederlandsche Heeren waren die vanVoorn, van derLecke(AelbrechtenPieter) vanArckel, vanMerode,OttovanCuyk,DaniëlvanGoor,RobbrechtvanAppeltern,WarnaervanMerode,PetervanDiestenWalramvanLuxemborch.8HeerGijsbrechthad in ’t geheel zeven kinderen, vijf zoons en twee dochters gehad. Twee dier zonen, de genoemdeHerbarn, enJan, Domproost teUtrecht, waren hem in den dood voorgegaan.9Zy wordt ookElisabeth, en zelfsJennegenoemd.10d. i. Aangehuwde bloedverwant; toen gold het b. v. evenzeer voor schoonzoonals thands alleen voor schoonbroeder.11VanCatharynevanIJsselsteyn, die mede in dezen tijd leefde, is het onzeker of zy eenedochterof wel eenezustervan HeerAernoutgeweest zij.—Gwydais, Dl. I. blz. 35, ten onrechte, in navolging van anderen, Erfzustergeschreven.12Dl. I. blz. 38.13Gorcumbehoorde aan den Grave vanCharlois,Karelden Stoute, en lag op Hollandsch grondgebied, dat doorOthovanWeerengeschonden was.14Zie Dl. I, blz. 41.15Blz. 29, enz.
1In de ruime beteekenis vanNederlander.
2Zie Dl. I. blz. 49–80.
3Zal het misschien een Heer vanIJsselborchzijn geweest?
4Zie Blz. 61–63.
5Maarschalk, niet in de beteekenis vanVeldheer, maar vanRechter, gelijk staande metBaljuwinHolland.
6Met uitzondering van ’t reigerbosch in »Aemstellelant,” en de manschap der beleende goederen in ’t algemeen, die de Graaf aan zich behield.
7De andere Nederlandsche Heeren waren die vanVoorn, van derLecke(AelbrechtenPieter) vanArckel, vanMerode,OttovanCuyk,DaniëlvanGoor,RobbrechtvanAppeltern,WarnaervanMerode,PetervanDiestenWalramvanLuxemborch.
8HeerGijsbrechthad in ’t geheel zeven kinderen, vijf zoons en twee dochters gehad. Twee dier zonen, de genoemdeHerbarn, enJan, Domproost teUtrecht, waren hem in den dood voorgegaan.
9Zy wordt ookElisabeth, en zelfsJennegenoemd.
10d. i. Aangehuwde bloedverwant; toen gold het b. v. evenzeer voor schoonzoonals thands alleen voor schoonbroeder.
11VanCatharynevanIJsselsteyn, die mede in dezen tijd leefde, is het onzeker of zy eenedochterof wel eenezustervan HeerAernoutgeweest zij.—Gwydais, Dl. I. blz. 35, ten onrechte, in navolging van anderen, Erfzustergeschreven.
12Dl. I. blz. 38.
13Gorcumbehoorde aan den Grave vanCharlois,Karelden Stoute, en lag op Hollandsch grondgebied, dat doorOthovanWeerengeschonden was.
14Zie Dl. I, blz. 41.
15Blz. 29, enz.