Jachtslot Het Loo.Schoon ik een open zin en een warm hart voor hetoudeheb, ben ik toch volstrekt niet ingenomen met hetverouderde, en van weinige dingen heb ik een zoo volstrekten afkeer, als van verouderde klachten.Het jachtslot Het Loo.Het jachtslot Het Loo.En niettegenstaande dit, wil ik echter nog eenmaal op eene verouderde klacht terug komen, omdat de ergelijke grond van haar ontstaan met iederen zomer weer op nieuw herleeft:»Wy—neen, Goddank! nog niet wy, maar toch, helaas! nog velen onzer—zoeken de oorspronkelijke schoonheid der natuur nog altoosbuiten, niet in ons vaderland; en wie onder ons aanspraak maakt op den naam van man van beschaving en opvoeding, kent, zoo hemZwitserlandenItaliënog vreemd zijn, ten minste deMaas- enRijn-streken door eigene aanschouwing; ook nog, by toeval, de omstreken eens buitenverblijfs van verwant of vriend, en heeft waarlijk ook wel eens hooren beweren datNederlandzelfs rijk aan natuurschoonheid is—maar onder dit laatste schrijven zijne verbaasde blikken: »quod est demonstrandum!”De arme dwaas!—Ik erger my over hem, meent ge? Waarlijk niet: den man, die ƒ 50.000 jaarlijksch inkomen bezit, en zich nog altijd misdeeld waant, omdat hy geen ƒ 500.000 heeft—beklaag ik slechts; en—in een zeer netelige luim zou ik misschien zeggen,dat hy voorMeerenbergrijp is, als zoo menige politieke Tinnegieter onzes tijds.Nederlandarm aan waarachtige natuurschoonheid!»Zou het oord misdeeld zijn, waar de rivier tusschen bloemhoven en lustwaranden kronkelt, waar de duinbeek onder het eikenloof ruischt, en de nachtegaal uit de bloeiende meidoorn zingt!—Schaduw en lommer is, ook na den val der oude bosschen, nog immer inHollandovervloedig onder boomen van allerhande soort: want ook hier vertoont zich de bevallige verscheidenheid, en onze herfst pronkt even zeer met het late groen der eiken, als onze lente met het vroege loof van olmen, beuken, linden. Waait ons van deze laatsten in den zomer een welriekende balsemgeur toe—niet minder streelt ons in het voorjaar de balsemgeur der voor den daauw zich openende berkenknoppen.—Naast de hooggetopte boomen onzer dreven tiert weelderig het lager houtgewas, met veelvuldige schakeering van elzen- en esschen- en berken- en eikenloof, in bosschen, die voor de bijl der houthakkers niet vallen, dan om blijder telkends weder uit te schieten. Tusschen deze bosschen loopen rij- en wandelwegen in bochten en kronkelingen, zoo verscheiden, datVondelze eigenaardig by die van den Cretenzer doolhof vergelijken kon. Op dezen rondgevoerd, zien wy nu dichte houtwallen, dan een open plein; hier het geboomte schilderachtig tegen de duinen opklimmen, dáar met abeelen- en berkenstammen aardig in het watervlak zich spiegelen, gints met donker loof bevallig tegen het goud der akkervelden of het malsche klavergroen der weiden afsteken.—Zoo groeien hier opHollandsbodem duizenderlei bloemen in het wilde op, en vormen onze weiden tot een veldtapijt, en onze bosschen en dreven, ja ook onze wildernissen en duinen, tot geurige lusthoven. Op klei en veen, op geest en duinzanden, op land en water, wassen hier in een kort bestek de kruiden en heesters van ver uit een liggende landstreken: de plant der Alpen en het zeewier, de boterbloem der moerassen en het varenkruid.—Over de kelken dezer in het wild verspreidebloemen zweven tallooze bontgewiekte vlinders, en dartelen en glansen in de zomerzon.—Zoo leeft en tiert dan ook by ons het bosch.—Maar als in de Hollandsche, door ons afgemaalde streken, op een schoonen lentemorgen de leeuwrik klapwiekend en zingend stijgt van uit de weide, waar het jonge lam by de moeder dartelt, en het runddier wellustig de klaver afscheert; als de liefelijke waassem van het jeugdig groen en van duizend lentebloemen ons verkwikkend tegenwaait; als in vaart of vliet, tusschen waterlisch en geurige calmus, de visschen spartelen; als uit elzen- en iepenloover het gekir van woud en tortelduiven, het gefluit der meerels, en de zang der nachtegalen zich onderling afwisselen—dan gebeurt het niet zelden, dat, by zooveel genot, ons gevoel als overstelpt wordt, en ons hart te eng schijnt om tevens al dien wellust te bevatten.”1Laat hem in den vreemde gaan reizen, die misdeeld genoeg is omHollandsweelderigen rijkdom aan schilderachtig natuurschoon te kunnen ontkennen; laat hem in den vreemde gaan reizen—hy zal ’t ook dáar niet vinden: zijn gemoed mist den open zin, den spiegel die ’t weerkaatsen moet.En valt er zooveel reeds in de natuur aan den Hollandschen duinzoom te genieten—hoeveel meer dan nog in dat uitnemend gewest, dat (door onze vervelende zucht naar vergelijking met den vreemde) den naam vanNeêrlands Zwitserland, of eener dergelijke Nederlandsche vreemdigheid, draagt!»O!” wordt er gezegd: »ook daar zijn we geen vreemdelingen; wy kennenArnhemen zijne verrukkelijke omstreken zeer goed!”Maar ge zult toch in waarheid niet meenen, dat ge het oorspronkelijk schoon vanGelderlanddáar te zoeken hebt?—Zoo ge my toestemmend andwoorden moet, dan bewijst ge daarmêe, dat ge genoegen smaakt in wandelen tusschen groene bergenen fraaie dreven, onder prachtige beuken zoowel als onder cierlijke acaciaas, door kunstelijk grotwerk zoowel als langs klaterende fonteinen—maar uw gevoel voor de natuur spreekt er nog volstrekt niet uit.—Zijt ge zoo gelukkig dit te bezitten, en weet ge alzoovruchtbaarheidvan produktiviteit,statigen ernstvan eentoonigheid,vrije natuurschakeeringvan kunstige afwisseling te onderscheiden—ga dan naar dat deel vanGelderland, dat door een zijner eigene Hertogen2werd gekenmerkt als »een wilt en bijster lant, daer veel overgrepen in geschiên plegen.”—Dáar, op deHooge-Veluwe, zal de reiziger, die gewoon is in vreemde gewesten de natuur te gaan bewonderen, zich met eigene oogen gaan overtuigen, hoe rijk ook onze vaderlandsche bodem aan natuurschoon is. Met welgevallen zal hy opmerken, welk eene bekoorlijke afwisseling van land- en veldgezichten die landstreek oplevert; hoe ook daar de kunst op eene bevallige wijze de hand reikt aan de natuur; hoe schoon, hoe schilderachtig vele dorpen en gehuchten dáar zijn gelegen; hoe ongelijk en golvend er de grond is, vooral aan den voet der zoogenaamde Woldbergen; hy zal verbaasd staan over die uitgestrekte heide, die zich over een lange keten van heuvels uitbreidt; in die heide, waarop de veelsoortige erica met hare zacht en helder purperen bloemen bloeit, eene plant, die slechts aan de eene zijde van onze planeet, te weten inJutland,Holstein,Hanover,Westfalen, enNederland, wordt gevonden:—en niet zonder belangstelling zal hy die eeuwenheugende wouden aanstaren, die zich als ware het nog in hunnen natuurstaat bevinden.En hoe vele boeiende overleveringen zijn niet verbonden aan dien belangwekkenden bodem; hoe vele herinneringen uit lang vervlogen dagen doemen dáar op voor onze verbeelding; hoe wordt daar de geest gestemd tot ernst en overdenking!—3En juist dáarom is die woeste, purperbruine, met donkergroen geschakeerdeVeluwezoo dubbel aantrekkelijk voor den beschaafden Nederlander (wie de geschiedenis zijns lands niet kent, zal men natuurlijk nietbeschaafdheeten!). En hoe eindeloos in getal, hoe veelsoortig en afwisselend zijn hier de historische herinneringen! By iederen voetstap: uit elken tijd: van toen de eerste Germaan er het zand boven de urne zijner dooden ten heuvel opwierp, tot toen de hervorming er de Sint-Jans Ridders uit hun rustig verblijf wechdreef; van dat een Koning vanEngelander ter verpoozing van staatszorg zijne valken opschoot, tot toen een Koning vanNederland, door staatszorg vermoeid, er den scepter nederleî.—Hoe veel voor het hart; hoeveel voor het hoofd! Hoe veel voor de wetenschap; hoe veel voor de poëzy!—Wie onzer schilders zal nog eenmaal by zijne gave ook wetenschappelijk genoeg gevormd zijn, om er ons de historische landschappen van te schenken? Wie onzer dichters, om die landschappen met de handelingen van het voorgeslacht te bezielen?By zoo grooten rijkdom wordt de keuze van onderwerp zeker moeielijk; maar niet alleen voor den dichter, of den schilder—ook voor den geschiedschrijver, wanneer hy zich ten taak heeft gesteld om slechts enkele onderwerpen te behandelen.Dusis het thands my, nu ik op deVeluwetusschen de eeuwen rondwandel, en niet naar eenig merkwaardig overblijfselzoek, maar deze zich by menigten aan myopdringen.En wanneer ik dan den vinger zet op eene plaats, waar de herinneringen zich ten naauwste aan het Huis vanOranjeverbinden, dan vreeze ik geenszins naar het minder belangrijke te hebben gegrepen.Een halfuur noordwaart van het grijzeApeldoornligt eene heerlijke plek gronds; niet, gelijk men ze wel eens heeft aangeduid, als eenBlinkende esmeraud, gevallen midden in het heidezand;maarAls in glansend goudgevonkel ’t flonkren van den diamant.Van heuvelige heide, en dichte, eeuwenheugende wouden omgeven, rees daar in de 16eeeuw het jachtslot van den Hertooglijken MaarschalkJohan Bentynck, uit de heldere gracht omhoog.HeerJohanwas een zoon uit het oud en edel Geslacht vanBentync, dat reeds in de veertiende eeuw in groot aanzien stond. Zijne echtgenote,Joanna, des Heeren dochter vanAppeltern, ontsproot mede uit een der edelste geslachten van hetGelreland. Zy schonk hem vier dochters, waarvan de twee oudsten in den geestelijken staat—de beide jongsten in het huwelijk traden; en vier zoons, waarvan drie ongehuwd, en de eenige die gehuwd was, toch kinderloos overleed.4Reeds in 1503 werd hy met de HeerlijkheidArensberghe(thandsBerrinkhuizen) en de tienden inEngeland, op deVeluwe, beleend, en omstreeks dien zelfden tijd verlijd met het Jagermeesterschap opVeluween in hetNederrijkswald, waarin hy vervolgends in 1511 weder bevestigd werd.Wanneer, en door wie zijn huis hetLoogesticht was, en of het leven zijner vroegere bewoners in rust of in onvrede was voorby gegaan, daarvan weet de historie, noch de overlevering te spreken. Dat het een lust- en jachtslot der Geldersche Hertogen zou geweest zijn, is eene opvatting van lateren tijd, in den onze wederlegd, en voor goed vernietigd.Onder het toenmalig kerspelApeldoirngelegen, was het tot in 1537 een vrij, eigen goed, en werd den 31enAugustus van dat jaar doorJohanin leen opgedragen aanKarelvanEgmond, zijn Hertog en Heer, dien hy sints veertig jaren getrouwelijk gediend had.De Hertog nam die opdracht willig aan, en maakte uit erkentelijkheid voor dit en menige trouwe dienst, het ambt van Jagermeester opVeluween in hetNederrijks-wald, »mit allen sijnen rechten, renten ind toebehoir” erfelijk in het Geslacht vanBentynck. Te voren was aan deze waardigheid ook het bezit van het Huis en de HeerlijkheidHoeckelomverknocht geweest; maar daar dit sedert 1481 metHermanvanHoeckelomvervallen was, verbondKareler andere, nieuwe voordeelen aan, en regelde de inkomsten van het ambt voor goed; 31 Augustus 1537. Tevens bepaalde hy de erfopvolging in dezer voege:»Ind nae sijner doet sall datselve Ampt erven ind vallen op sijnen altsten soenAdolph Bentynck, in soe voirtaen then euwigen daegen toe, soe lange dair mansgeboert is, van sijnenAdolffsindKairlssijnen sone, van lijven gekoemen. Ind ingevall die mansgebuert te eniger tijt gebreecke, soe sal dat vurscr. onse meyster Jhegerampt erven ind vallen op onsen diener ind lieven getrouwenSegervanArnhem, ind op sijne kynderen mansgebuert, die hij ind sijne huysvrouweAnna Bentynckxtoe saemen verkregen hedden. Ind gebreck van den sall datselve ampt weder aen ons, onsen erven ind naekoemelyngen koemen ind vallen.”En de omstandigheid, by deze laatste bepaling geregeld, had weldra plaats.Johan Bentynck, die als eerste Edelman uit deVeluwede overeenkomst van 27 Januari 1538, omtrent de vereeniging vanGelderenSutphenmetGulickenClevemede bezegelde, bekleedde zijne waardigheid tot in 1543, toen hy op den 16enOktober overleed, en ze, met het bezit van ’tLoo, aan zijn oudsten zoonAdolfnaliet.HeerAdolf, nu Erf-Jagermeester van deVeluwe, werdterstond beleend met de HeerlijkhedenArensbergheenWesterhof, en met de tienden vanEngeland. Het liep echter tot den 19enSeptember 1547, eer hy door KeizerKarelden Vijfde, sedert 1543 Hertog vanGelder, met het Jagermeesterschap derVeluween de Heerlijkheid hetLooverlyd werd, waarby het heergewaad, ook voor ’t vervolg, werd vastgesteld op twee witte windhonden en een jachthoorn.Hy overleefde de bevestiging van zijn erfrecht niet lang, want hy stierf reeds den 30enMei des volgenden jaars, en liet zijne kinderlooze gade,MargaretavanValck, als eene eenzame weduwe achter.Daar nu zijn broederKarel, gelijk wy gezien hebben, reeds ongehuwd overleden was, viel het Jagermeesterschap, ingevolge de door HertogKarelvanEgmondgemaakte bepalingen, op hun schoonbroederSegervanArnhem, gehuwd metAnna Bentynck, na wier (mede kinderloos) overlijden, het weder aan het Hertogdom te rug kwam.5De Heerlijkheid hetLoobleef echter nog een wijle aan de vrouwelijke zijlinie van het geslacht:Aleyde Bentynck, HeerFilipsechtgenote vanVarick, bekwam het by erfenis van haren broeder, te gelijk met de HeerlijkheidWesterhof.In hoeverre het, nu wy dit alles met zekerheid weten, nog daarenboven aan te nemen zij, datGelderlandsmeest beruchte Maarschalk,MartenvanRossum, de bouwheer van het kasteel wezen mag, kunnen wy niet meer verdedigen, al schijnt zijn wapen, met het jaartal 1538, op het binnenplein boven den ingang van den linker zijvleugel6te staan.En al moeten wy nu in de prachtige bosschen, of op de heuvelige heide rondom hetLoo, den forsch-gebouwden krijgsman en jager by uitnemendheid, den ruwen brandstichter met zijn toch zoo open en welwillend gelaat, missen—deBentyncksen hunne verwanten en vrienden (of wat Edelman, vroeger of daarna, het gezellige jachtslot moge bewoond hebben) zullen de groene wouden en paersche heivelden niet steeds eenzaam, en het ranke horendragend-, het knorrende tandmachtig-, of het schuwe kleine wild, niet steeds in rust gelaten hebben. Daarom willen wy ons dan ook eens geheel in de eigenaardige woeling rondom eenjachtslotverplaatsen,—den bezitters en hunne gasten in hun geliefkoosd vermaak volgen, en ons daar in laten geleiden door twee uitmuntende gidsen. Volgen wy eerst den HeerHaasloop Werner, wanneer hy de jacht in ’t woud vergezelt.»Een prachtige stoet van jagers en jageressen, gezeten op statige rossen en vurige telgangers, op de hand den afgerichten sperwer of den vluggen valk houdende, doortrok toen meermalen deze foreesten. De trein werd geopend door moedige en fraai gekleede edelknapen, aan lederen leibanden de slanke hazewindhonden, de brakken en speurhonden voorttrekkende, die zoo driftig en ongeduldig waren, dat het hunnen geleiders veel moeite kostte, hen in hunne vaart te betoomen. Dan weergalmde het anders zoo stille woud heinde en verre van hondgebas en horengeschal; de grond daverde van het getrappel van paarden, en onder dat alles mengde zich nog het geroep van mannen en jongens, die met stokken op het kreupelhout sloegen, om het wild uit zijne schuilplaats te verdrijven. Dan werd het majestueuze hert,—dat nog op den morgen zijn dorst aan de bron gelescht, toen zijn fieren kop opgeheven, en met een zekeren trotsch het veld (dat met heuvelen en bosschen omringd, zich zoo aanlokkend voordeed) had overzien—opgejaagd en vervolgd; zijn fijne reuk had hem reeds den naderenden vijand voorspeld; éen oogenblik had het luisterend stil gestaan; was toen met bliksemsnelheid door het geboomte gevlogen; maar denog snellere pijlen en jachtsprieten, soms afgeschoten door eene vorstelijke hand, bereikten het meestal, en stervend zonk het ter aarde, om straks door de bloeddorstige honden te worden afgemaakt.”Niet minder levendig was de hartstocht voor de valkenjacht, dat voorrecht en lievelingsbedrijf der Edelen, in het genieten waarvan de HeerVerstervanWulvenhorstons geleiden zal.»Naauwelijks heeft de rijzende zon de nevelen van den ochtendstond voor zich heen gedreven, of alles is op het binnenplein van den ridderlijken burg reeds vol leven en beweging. De knapen hebben de fiere rossen opgetoomd, en de stallingen der ongeduldige honden ontsloten; de valkeniers de valken uit het valkenhuis gedragen en, van hunne fraaie kappen en schelklinkende belletjens voorzien, op het raam geplaatst; terwijl de havikken hunne gewone plaats in de keuken, voor de vuist van den rustigen weidman hebben verwisseld.»Uit de hooge poort van het burchtgebouw treden nu de edele Vrouwen en Jonkers, door de luidblaffende spagnoelen (oude naam der spaansche honden, Espagneuls) omringd, in cierlijk gewaad te voorschijn. De eersten bestijgen de fraaie hakkenijen, of telgangers, met eerbiedige hulp der Jonkers, terwijl de geliefkoosde vogel de adelijke hand verciert. Behendig werpen zich de Ridders in den zadel der moedige rossen, en onder vrolijk jachtgeschal en het blaffen der honden trekt de statige trein over de breede ophaalbrug in het vrije veld.»Op de ruime vlakte hebben de yverige honden pas een reiger uit het moeras opgedaan, of even spoedig stijgt de edele vogel met pijlsnelle vaart van de hand der Burchtvrouw. Te vergeefs tracht de reiger in eene bespoedigde vlucht zijn heil te zoeken. Een tweede opgeworpen valk dwingt hem tot het opklimmen in het luchtruim. Immer hooger en hooger stijgende, begint, onder het bemoedigend geroep der jagers, de felle kamp. Met de scherpe neb verdedigt de reiger zich onverschrokken tegen zijne machtige aanvallers, en de zege blijft onbeslist. Een daverend gejuich van den jachtstoet kondigt het opwerpen vanden derden vogel, den ouden beproefden geervalk, aan. Een pijl gelijk, stijgt hy, terwijl aller oogen op hem gevestigd zijn, boven den reiger en diens bekampers.»In éen oogenblik heeft zijn geoefend oog het juiste punt gekozen, en eensklaps stort de reiger, door een krachtigen stoot als verlamd, van zijne overwinnaars gevolgd, uit het luchtruim. Ras ijlen de Jonkers toe; bevrijden den reiger uit de scherpe klaauwen, en bieden de buit aan hunne gebiedsters, terwijl een welgevallige blik van deze, het edel jachtvermaak verhoogt.”En wilt ge, na de bywoning dezer beide jacht-dagen, nog die van een derde, en wel de vervolging van den ever, dat grimmige dier, dat nog lang op deVeluwegevonden, en waarvan waarschijnlijk de laatste in 1826 door den Baron vanLijndenvanOldenallergeschoten werd—zoo wil ik, by gebrek aan een anderen gids, zelf u voorgaan.Het vochtige geboomt strijdt om zijn laatsten dosch,En laat het nog zoo noô van twijg en stengel los.—Alleen de krachtige eik draagt fier zijn bonte blâren,Al dorden aan zijn voet de rimpelende varen,—Al slaat de braamstruik, aan een purper-groene loot,Zijn laatsten looverpronk van hel en gloeiend roodOm ’t bruin en vochtig mosch van tronk en wortlen henen.Een borstlige ever ligt daar aan den tronk te lenen,Op ’t uur des dageraads, die met zijn zilverglansReeds opstijgt tegen ’t blaauw van d’ oostelijken trans.De mistdrop kleurende aan de hooge en naakte takken,Door ’t windgeruisch verspat, laat zich door ’t loover zakkenOp ’t geelend woudriet en het hoog-gewassen kruid,Dat, weeldrig saamgegroeid, des evers kuil omsluit.Het zwart en ruige dier, half in dat groen verstoken,Ligt in zijn volle lengte, en knorrend, neêrgedoken.By wijlen steekt hy ’t oor door ’t nat gebladerte op,En richt van ’t laauwe mosch den borsteligen kop.Hy wordt onrustig. Op de schrap gezette hoevenVerheft hy ’t bovenlijf, en blijft beweegloos toeven,Met star gevesten blik, van grimmige angst vervuld,Terwijl zijn vochte lip zich om den slagtand krult:—Twee donkere oogen, door de lagere elzenstammenGenaderd, blikken scherp de zijnen toe, en vlammenHem aan:—de speurhond is aan ’t einde van zijn spoor;Hy koos zijn richting goed—en is zijn vijand voor.Het boschzwijn richt zich gants, en houdt de rollende oogenNiet van den spie meer af. Daar komt hy toegevlogen,Als tot den houw gereed. De rappe jachthond deinst,En springt gestrekt te rug. Maar de aanval is geveinsd:De listige ever schudt de borstels; wendt omzichtigEn schijnbaar traag zich af... en schiet dan, snel en schichtig,Door struiken en struweel, en stormend op de vlucht...Een blaffen schalt hem na—en plotslijk trilt de luchtVan ’t bassen van rondom, dat andwoordt. Kreten rijzen,En rossen brieschen; schelle woudhoorngalmen wijzenEn seinen plaats en spoor. ’t Gevogelt krijscht in ’t rond.Al ’t wild, vervaard, schiet op van ’t leger, langs den grond.Het dorre loover kraakt beneden; ratelt boven;De felle jachtstorm is de woudkrocht ingestoven—’t Is alles éen rumoer.’t Is alles éen rumoer.Voort, jaagt het boschzwijn, voort!De dichtste struiken in; het ruwst, moerassigst oord,De diepste wildernis en dreven om en over.Het schaaft door ’t reuzig riet; het sproeit het dorre looverMet schuim; het streeft moeras en woudstroom in en door—De drijvers marren niet, maar houden kloek het spoor.Het dreunend hoefgestamp, het schallen van den horen,Het schaatrend jachtgekrijt, klinkt altoos in zijne ooren:Dan verre, en dan naby—maar immer onvermoeid,En tot éen krijgskreet van verschrikking aangegroeid.De trillende aadren zijn den vluchteling gezwollen.Zijn gloeiende adem schijnt tot lillend schuim te stollenOm d’ opgestoken snuit. Zijn puilend oog, van bloedDoorspat, wordt haast onzeekre leidsman voor zijn voet.Zijn kracht schept voedsel uit zijn woede. Twee paar drijvers,Hem tot op ’t lijf genaakt in ’t blinde vuur huns ijvers,Zien zich besprongen van den vluchtling, snel gedraaid,En hun op ’t lijf gestort met bitse kracht. Hy zwaaitDen groven kop, en scheurt zijn houwers, fel en vlimmigGescherpt, met heesch gesnaauw, maar moordend snel en grimmig,Den heeten honden dwars door buik en ingewand,En werpt hen krimpend in ’t met bloed gekleurde zand.Maar ’t spoor blijft ongewischt. En ’t huilen der gewondenIs slechts een lokkend sein voor nieuwe koppels honden,Wier gretig bassen van hun komst reeds waarschuwt. WildVan woede en vrees, die in de ontstoken nieren lilt,Schuimt de ever voort, en door de breedst-gewassen varen,—Het rankrigst kreupelgroen,—de dichtste hazelaren,En breekt een hollen gang door ’t ruige struikgewelf.Maar in zijn listig pad vermoeit hy slechts zich-zelf:De veilige eenzaamheid is dáar ook slechts gedroomd.Als drupplen in een straal, niet scheidbaar meer, zóo stroomtDe jachtstoet altoos na.De jachtstoet altoos na.De felle drijvers winnenMet ingespannen kracht, en louter vuur van binnen.Zy naadren..... naadren..... Als een pijl schiet een hun vóor,En ’t hijgend zwijn ter zij. Het voelt in ’t siddrend oorDe heete tanden. ’t Rilt, en staat. Het rukt, en bukt zichTen doodelijken houw—maar thands vergeefs.Ten doodelijken houw—maar thands vergeefs.Daar drukt zichEen tweede hondenmuil ’t gebit in ’t ander oor....En heel de stortvloed volgt, hem nageschuimd in ’t spoor,En werpt zich op zijn leên. Het schijnt een berggevaarteVan wriemelend gediert, hem plettrend met hun zwaarte.Het zwarte bloed stroomt neer; het schuim vliegt op en om;De zweetdamp walmt in ’t rond; geblaf, gehuil, gebromGalmt schor en wild door een. De doggen slaan de tandenIn rug en schoft en zij.In rug en schoft en zij.Van dolle woede aan ’t branden,En trillende van pijn, houwt hy nog eenmaal rond,En kwetst in ’t wilde, en sleurt een enklen dog ten grond...Maar krimpt zijn spieren saam, by de ijskoû van de rillingDie hem naar ’t harte schiet—en strekt met woeste trillingDe grove leden uit, voor immer:—De grove leden uit, voor immer:—En nu toogDe jager ’t staal, dat tusschen schouderblad en oogHet hart getroffen had, te rug, en wischte ’t rustigIn ’t zweet der borstlen af.Zulke tafreelen rijzen u onwillekeurig voor den geest, wanneer ge in de ruime keuken, aan den rechter vleugel van ’t gebouw, voor den breeden met hertshorens vercierden schoorsteen staat, en nog half onder den indruk ligt van het statig en geurig lommer, dat ge pas verlaten hebt. Want, zoo als de dichter van den »Hollandschen Duinzang” zingt:Nog is jacht hier genoeglijk, en ’t weidspel in eer,By wie rustig de leden wil reppen;en de vergaderde buit wordt natuurlijk in de keuken saamgebracht, thands nog zoo wel als in de dagen der Edelen vanArnhem, vanVoorst, vanIsendoorn, vanStepradt, en vanDornick, die slot en Heerlijkheid achtereenvolgend bezaten.In het midden der zeventiende eeuw, trok het de aandacht van den Prins-StadhouderWillemden Derde, die, even als zijn vader, dikwerf op deVeluwede genoegens der jacht genoot. De toenmalige eigenaar was HeerJohan CarselisvanDornick, met wien de Prins onderhandelen deed over den verkoop, die in 1656 tot stand kwam.Willemde Derde was een te voortreffelijk jager, om niet aan de uitmuntende omstreken zijner nieuwe bezitting by voorkeur te hechten. Maar ook als lustplaats trok ze hem aan, en hy besloot tot de oprichting van een nieuw gebouw, in de nabyheid van het eerste, ’tgeen ook weldra onder het geoefend opzicht van zijn vriendGodartvanReede, later Graaf vanPortland, verrees, en naar den toenmaligen bouwtrant schoon mocht genoemd worden, al kon men niet zeggen dat die stijve bouwlijnen zoo goed met de weelderig-trotsche natuur daar rondom samenstemden, als het oude jachtslot, dat met zijn bus- en klokvormige torenspitsen zoo rustig tusschen het reusachtig geboomte in de heldere gracht lag. Het was toen echter geen smaak om de kunst met de natuur te doen harmoniëren: men waande het genialer, om de natuur naar regelen, door de kunst voorgeschreven, te vervormen, en zoo ging het ook hier. De tijdgeest vond dat schoon, vond dat prachtig—en de grootste mannen der eeuw bogen hun fier hoofd voor het corset en den hoepelrok.En de rijke en weelderige lokken van het krachtigeVeluw-landschap vielen onder de spichtige vingeren van een Franschen kapper, die ze besnoeide, verknipte, tot averechts krullen of sluik neerhangen dwong—kortom: ze ten eenenmale tot een magere pruik vernielde—alles volgends de dorre en ijskoude metriek van den vernuftigen natuur-verminkerle Notre, den toenmaligen wetgever in de hofbouwkunst.In 1672 bedreigde echter de uitgebroken oorlog al dit kunstwerkmet vernietiging. Een bende Franschen kwam stroopende in de nabyheid van hetLoo, en scheen wel voornemens zich er meester van te maken, toen zekereJan van Sprang, achter boomen en struiken verborgen, zoo wakker zijn trom roerde, dat de stroopers, geregelden weêrstand, misschien zelfs wel aanval duchtende, ijlings aftrokken. Nog wijst men er u zijn graf, op de zelfde plek, die eenmaal getuige zijner kloekmoedige beradenheid was.Toen de Prins later den troon vanEngelandbeklom, vormde hy al spoedig het plan, om zijn princelijk lusthuis tot een echt koninklijk buitenverblijf te verheffen.De gebouwen, lusthoven, beplantingen, fonteinen en waterwerken verkregen, naar den eisch des tijds, een nieuwen luister. De gantsche plaats, met al de lanen en dreven, besloeg ongeveer eene ruimte van 160 morgen lands. Drie tuinen, die de geheele breedte van het hoofdgebouw met zijne zijvleugels besloegen, van elkander afgescheiden door rechte, lommerrijke lanen, en allen omringd door terrassen en beplantingen, volgden elkander achter het paleis op, en verrukten den toenmaligen beschouwer door hunne regelmatigheid, door hunnen rijkdom van watersprongen, marmerbeelden, grotwerken, taxis-figuren, palm-pyramiden en andere hofcieraden—schoon ze ons thands, ondanks hunne schaduwloosheid, zouden doen huiveren. En om dat alles de kroon op te zetten, werd er besloten om van denAsselt, een hoogen heuvel, door middel van steenen potten, een waterleiding naar den tuin te brengen, om eene fontein te vormen, wier waterstralen zich in den sprong boven het paleis zouden verheffen. Van deze potten, die, den weg van een uur lang, in eene doorloopende richting onder den grond zitten, wordt tegenwoordig nog menig een opgegraven.De vorstelijke Stadhouder, op wiens schouderen zoo groote en zoo moeielijke staatszorgen rustten, kwam byna jaarlijks naar herwaart over, om er in zijn geliefkoosd jachtbedrijf eene verkwikkende uitspanning te vinden; en de krachtige hand, die indie dagen het evenwicht vanEuropaomklemde, enFrankrijkstrotschen Koning onverwrikt diens plaatse aanwees—schoot hier met vrolijke behendigheid den valk op, of loste het jachtroer op den borsteligen ever of het snelvoetige hert. Nog wijst men in het Gardersche bosch een op zich-zelf staanden eik aan, den Konings-eik genoemd, waarWillemzijne jachtmaaltijden hield, en die, naar het schijnt, ook wel eens voor schijf moet hebben gediend: scheuren in de schors toch, doen hier en daar menigen kogel bespeuren. Niet verre van daar, in het zoogenaamde Heidendal, ligt ook nog de hertenbron, een schilderachtige waterkom, waar, rustig en eenzaam, het statig geboomte zich weêrzijds van den rand en uit de diepte verheft, en den vlakken spiegel met een verheven lommer dekt.De reigerjacht was het evenwel by uitnemendheid, die er door den Vorst werd uitgeoefend, waartoe de ruime heivelden rondom deUdeler-meir zoo gunstige en uitlokkende gelegenheid aanboden, terwijl het vischrijk water-zelf de reigers uit hetSoerenschebosch by menigte aan zijn kalmen oeverzoom lokte.De Staten vanGelderlandgaven den Koninklijken jager intusschen een bewijs hunner hulde, door hetLooen de buurschapNoord-Apeldoorn, op de 10enDecember 1694, te verheffen tot eene hooge Heerlijkheid, ten behoeve van hem en zijne nakomelingen.Vroeger dan men vermoed had, viel deze verheffing weder in een. Zes jaren later, in de eerste dagen van Maart, deed de Koning zijn noodlottigen wandelrid naarHamptoncourt; plotselijk struikelt het paard,—de ruiter valt,—breekt het sleutelbeen—en reeds op den 19endier zelfde maand beweentEngelandhet verlies zijns Konings,—Nederlanddat zijns Stadhouders, aan wien het zoo groote, en niet altoos naar waarde erkende, verplichtingen had.DaarWillemde Derde geen kinderen naliet, werd de hooge-Heerlijkheid van hetLooook terstond vervallen verklaard, en op den 4enApril 1702 weder aan het Landdrost-ambt derVeluwegehecht.Nu behoorde hetLoo, even alsIJsselsteyn7, onder degoederender nalatenschap, waarvan het bezit door de erfgerechtigden, KoningFrederikvanPruissenenJohan Willem Friso, onderling betwist werd. Na den dood des laatsten, 1711, geraakte het slechts tot eene voorloopige bemiddeling; maar by de meerderjarigheid van PrinsWillem Carel Hendrik Frisokwam men op de zaak te rug, en deed moeite tot eene bepaalde afdoening.BaronDiederikvanLynden, Heer van dePark, ’s Princen Opperhofmeester,—BaronHobbevanAylva, Drossaat van ’t GraafschapBuren, ’s Princen Opperstalmeester, enJohan Duncan, zijn gewone Raad en Rekestmeester, en Raad en Rekenmeester zijner domeinen, werden als gevolmachtigden naarBerlijngezonden, en sloten er in ’s Princen naam eene overeenkomst, die zy vervolgends op den 16enJuni 1732 teDierenonderschreven, nadat de onderteekening van ’s koningswege reeds den 14ender vorige maand teBerlijnhad plaats gevonden.By deze schikking geraakte hetLoogelukkig in handen van den Prins, en werd alzoo weder het eigendom van den Nassauschen stam.8Na ’s Princen benoeming tot Stadhouder der geünieerde Provinciën, beschonken de Staten vanGelderlandnogmaals, en wel by besluit van 13 Januari 1748, hetLoomet de rechten eener hooge Heerlijkheid, en vergrootten er het gebied van, door de byvoeging van het geheele Ambt vanApeldoornen derUdeler-meir. Thands werd het weder levendiger in de zalen, dreven, tuinen en pleinen der lustplaats; want ookWillemde Vierde vertoefde er van tijd tot tijd, en deed verbeteren en verfraaien waar hy dat noodig rekende. En toen de wakkere en bedrijvige Vorst »die zich ook zonder den oorlog voor het Vaderland opofferde,” onder zijn onvermoeiden arbeid voor het belang derNederlanden, op den 24enOktober, 1751, bezweek, keerden stilte en eenzaamheid op hetLoote rug, en hielden er weder gedurende eenigen tijd een ongestoord verblijf.’s Princen eenige zoon, de goedaardigeWillemde Vijfde, die reeds op achttienjarigen leeftijd de waardigheden en—staatszorgen zijns vaders erfde, verpoosde zich gaarne op hetLoo, en deed er vooral de diergaarde uitbreiden, waartoe het geschenk van den Admiraal vanBraem, na de verovering vanMalabar, van twee schoone Aziatische olifanten, hem uitmuntend te stade kwam. Zijne zachte geaartheid deed hem in de jacht weinig aanlokkelijks vinden, zoodat hy die byna geheel ter zijde stelde voor zijn meer geliefkoosd vermaak der visscherij, die door de nabyheid derUdelermeir, met hare verbazend groote snoeken, steeds uitlokkende bevrediging vond. Van deze vischpartijen wist de geleider, die nog voor korte jaren den bezoeker van het paleis en der tuinen vergezelde, veel te verhalen; en de goede Prins, wiens verlangde komst telkens door hardloopers met hunne mytervormige mutsen en geslingerde staven werd aangekondigd, en die zoo lieftallig en gemeenzaam jegens allen was, stond hem, hoewel toen pas een knaap zijnde, nog helder voor den geest.Het bleven intusschen niet immer pleziertochten, die reizen naar hetLoo: Toen heerschzucht en vrijheidskoorts den Staten vanHollanddermate benevelden, dat zy het Stadhouderschap vervallen verklaarden, en den Prins daarenboven het bevel over de Haagsche bezetting ontnamen—waren het zeker geene genoeglijke denkbeelden van uitspanning en verpoozing, die den edelen Vorst door het hoofd dwaalden, toen hy de onstuimige hofplaats voor zijne stille lustplaats ontweek.Dit was nog niet de treurigste slag die hem trof.De tusschenkomst der Pruissische benden, onder den Hertog vanBrunswijk, herstelde het geschonden gezach slechts voor een tijd. Op den 18enJanuari, 1795, verliet de miskende Stadhouder het misleideNederland, en hetLoozag hem nimmer weder rustig en nadenkend door de dreven dwalen.En hoe het toen metGelderlandsprachtigst buitenverblijf geschapen stond, blijkt uit de woorden van den Baron vanSpaen, wier aandoenlijkheid in hunne eenvoudigheid spreekt: »Thands heeft deeze Heerlijkheid het lot van alle de goederen van het huis vanOranjeondergaan; en de vriend van zijn Vaderland moet de eenzaamheid van die uitgestrekte gebouwen, van die kunstige waterwerken, van die aangename wandeldreven betreuren, dewijl die, door eene talrijke Hofhouding in den zomer bewoond, vreemdelingen aanlokten en veel vertier veroorzaakten; ’twelk voor de ingezetenen der schrale hoogeVeluweeen bron van welvaart was, die nu uitgedroogd is.”En die toestand van verlatenheid was nog de ergste niet; zelfs niet de baldadigheden, door de Engelschen gepleegd, toen zy uit de zuidelijkeNederlandenterug, en hier door trokken, brachtten er zoo veel verwoesting, als de naar geld grijpende hand van het Bestuur der eerlijke Bataafsche-Republiek: De zwaarste boomen werden omgehouwen, het lood der daken en fonteinpijpen afgeworpen en opgegraven, en met de prachtige meubelen, en wat door kostbaarheid van waarde was.... te gelde gemaakt!En indien dit geschiedde door den Staat-zelf—hoe kon men dan verwachten, dat de vreemdeling minder dorre gevoelloosheid verraden zou! Zeker—wanneerJohan Bentynckzijn fieren gebieder op zijn jachtslot onthaalde, en alles daar wemelde van den rijkdom en de pracht des Hertooglijken aanhangs—dan heeft hy wel nooit, ook maar niet van verre, vermoed, dat het eenmaal tot een »armzalig hospitaal” voor soldaten zou worden verlaagd. En wanneer GraafGodartvanPortlandde door hem aangelegdezalen en vertrekken voorNederlandzag gewijd door de voetstappen van zijn vorstelijken vriend, dien men thands erkent een der grootste Koningen vanGroot-Britanjete zijn geweest—toen heeft hy zeker ook nooit gedacht, dat eenmaal een deel der armee van die zelfde Franschen, door eenWillemden Derde zoo nadrukkelijk in toom gehouden, de leden, met eene walgelijke huidziekte overdekt, daar zouden neêrstrekken, en somtijds, door verregaande onvoorzichtigheid hunne eigene krijgsgenoten, gevaar zouden loopen om met het gebouw-zelf in vlammen te verteeren.En toch—het jachtslot werd tot een hospitaal verlaagd; en toen het getal der kranken tot byna zes duizend geklommen was, vervulde het ook voor een groot deel de zalen en vertrekken van het paleis. En toen eenmaal, nog steeds in 1795,Deventer,Zutphen,DoesburgenArnhemnalatig waren in het voldoen der vorderingen ten behoeve van dat hospitaal, dreigde de Generaalvan Damme, met de volmaakte onbeschaamdheid van een Franschen veroveraar, dat hy een deel der besmettelijke huidzieken van hetLooby de burgers dier steden zou doen inlegeren.De herschepping van de NoordelijkeNederlandenin een KoninkrijkHolland, was voor hetLooeene weldaad. De goedeLodewijk—een andereWillemde Vijfde, maar met minder begrip eener voormalige Hollandsche deugd, die spaarzaamheid heette—had niet zoodra kennis met de vernielde lustplaats gemaakt, of hy verlangde dat ze in beteren staat gebracht, en weder tot een vorstelijk verblijf zou ingericht worden.Op dien koninklijken last togen nu alle handen aan het werk; en weder naar den toenmaligen, wel ietwat kleingeestigen, maar minder onnatuurlijken, smaak ingericht—was hetLooweldra in staat, zijn vroegeren roem te handhaven. Jammer slechts, datLodewijksbygeloovige zwakheid het jachtslot (waar intusschen reeds voor 1730 de peer- en klokvormige torendaken in de tegenwoordige spitsen veranderd waren) een der grootste cieraden ontnam, door het doen dempen der gracht, wijl hem gezegd was, dat hy zich in ’t algemeen voor water zou hebben te hoeden.Het voorkomen van het jachthuis is er merkelijk door verminderd, en het maakt thands meer den indruk van een zware en versterkte poort, dan van een klein kasteel. Op het paleis, weldra door zijn bekwamen bouwmeesterTibaulthersteld en verbeterd, deed hy de eetzaal tot kapel inrichten; dit is later weder veranderd en op den ouden voet gebracht, maar de gedempte gracht zal waarschijnlijk wel immer in den tegenwoordigen toestand blijven. OnderLodewijksbelangrijkste verbeteringen behoort voorzeker het aanleggen van den straatweg, die de tot op dien tijd gebezigde mulle heibaan verving. De koning, hoe wisselziek van aart ook, bevond zich dikwerf op hetLoo; en in den zomer van 1808 konden de omwoners zich elken zondag te goed doen aan het vreemde en schitterende schouwspel, dat de parade van de garde, de ruiterij, en het voetvolk hun opleverde.Maar ook dit ging weldra voorby. Het jaar 1810 was daar; het KoningrijkHollandwerd by het Keizerrijk ingelijfd, en metLodewijksvertrek bleven van den voormaligen drokken en woeligen stoet in paleis en jachtslot niet dan slechts weinige beambten over.Toen echter de groote veroveraarNapoleonin het volgende jaar doorGelderlandtrok, kreeg alles op hetLooweder voor korten tijd een vorstelijk aanzien. In de maand Oktober was de Keizerin, vergezeld van den PrinsNeufchatel, de schoone HertoginMonte-Bello, en geheel een schitterenden hofstoet, aangekomen, en men verwachtte er ook den Keizer-zelf. Deze, den 29edier maand onder het geleide van talrijke gewapenden vanZwollevertrekkende, kwam nog dien zelfden dag op het paleis aan, met den MaarschalkDuroc, Hertog vanFrioul, en een aanzienlijk gevolg, waarvan een deel hem op zijne wandelingen door de lustplaats vergezelde, nadat alvorens de paden en lanen van tuin en park door eene gewapende wacht van alle andere bezoekers was ontruimd. Geen arbeider zelfs was dan het blijven vergund. »Zoo bevreesd was de man, op wiens wenk duizenden zich in het stof bogen, dat de Hollanders, dien hy onlangs deweldaad bewezen had, van hen met het Groote Rijk te vereenigen, hem met ondank beloonen, en wellicht door gehuurde moordenaars een aanslag op zijn leven ondernemen zouden.”9—In de nacht tusschen 30 en 31 Oktober kwamen twee koeriers, met haastigen spoed, op hetLooaan, en de rust in de koninklijke slaapkamer, waar slechts de wit-satijnen ledikant-gordijnenNapoleonssluimer bespiedden, werd voor goed gestoord. Onverwacht gaf de Keizer bevel om nog dien zelfden dag te vertrekken; en op den avond sprak men er van zijne kortstondige verschijning, als van een bonten en wonderlijken droom, die van eene zonderlinge rust was opgevolgd. Kort daarna was de rust van geheelEuropaweder gestoord, en werden alom de geduchte toebereidselen gemaakt tot den tocht naarRusland.En deze tocht naarRuslandlegde den grondslag tot de opeenvolging van gebeurtenissen, die den oranjeboomen op hetLooweder eene eigenaardige en vrolijke beteekenis gaven: in 1813 zette het Huis vanOranjevasten voet op den Nederlandschen bodem, enWillemde Eerste kende weldra geen uitlokkender oord tot ontspanning en rust, dan de schepping vanWillemden Derde.»Sedert dien tijd werd hetLoode geliefkoosde lustplaats onzer vorstelijke familië, die hier meer dan op het kasteel teLaekenaan hare zucht voor eene burgerlijke levenswijze gehoor gaf.” Nog toont de gids die u er rond leidt »al de plekjens aan, waar KoningWillemvan zijne wandelingen door het park uitrustte, vooral aan den grooten vijver, in de nabyheid van een zacht-ruischenden waterval, en maakt u opmerkzaam op het kleine eilandjen, waar de Vorstelijke familië dikwijls op schoone zomeravonden in de open lucht de thee gebruikte. De regtschapen Vorst, die steeds het goede wilde, ook schoon hy misschien dikwijls faalde in de keuze der middelen om het te bereiken, zocht hier, vooral gedurende het laatste tiental jaren zijner regeering,dikwerf verpoozing van de zorgen, die by voorkeur de hooggewelfde paleizen omzwerven.”Voorwaar! Wie ook thands dat prachtige park doorwandelt, hy zal nog het woord bestemmen, reeds in 1841 gesproken: Het is zoo aangenaam er rond te dolen met iemant, die er zich thuis vindt, en nog iets weet te verhalen van gintsche tijden, toen PrincesLouizehier nog haar geliefkoosd verblijf hield, en een dier bekoorlijke tentjens bewoonde; toen onze Koningin met zooveel blijdschap hare rust genoot in deze stille afgescheidenheid van de waereld; toen PrincesMariannezich nog in het liefelijk hofjen verblijdde, dat ter zijde van het paleis nog de dagen harer kindsheid vertoont; toen de boerderij, die zoo vriendelijk door het groen bedekt is, haar een zoo beminnelijk Nederlandsch karakter deed bezitten.—O, hetLoobevat een waereld van gedachten, niet uit te spreken, maar die menigmaal een traan in ons oog deed opwellen!—OnderWillemden Eerste werden ook de ruime vijvers gegraven, wier oevers zulk een prachtig gezicht opleveren, en die in onze dagen door zijn kleinzoon aanmerkelijk werden verbeterd en verfraaid, zoodat zy thands een der grootste cieraden van het trotsche park uitmaken.Ook de oude en reeds lang vergeten valkenjacht werd er weder in het leven terug geroepen, en met koninklijke vergunning aangelegd door den Baron d’Offemont, SirCharles Stuart Wortley, en de beide HeerenNewcombe, en wel van den 1enJuni 1839, tot in den aanvang der volgende maand.—Tot den jachtstoet behoorden 16 edelvalken en 2 tertsels, onder het opzicht der gebroedersBoth, Valkeniers vanValkenswaard. De heide rondom de Soerensche bosschen was ook weder de streek die door de ervaren jagers gekozen was. Wanneer regen, of te sterke wind, den valken het snel vliegen niet verhinderden, en de jacht alzoo onbelemmerd plaats kon vinden, werden de terugkeerende reigers op een kwartier afstands van het woud, en onder den wind daarvan, opgewacht: gedurende het tijdsverloopvan 2 ure in den namiddag, tot aan het vallen van den avond. Telkens werden er twee valken naar een reiger geworpen, waarvan er echter altoos éen hem ving, en nooit beiden te zamen; somtijds werd er slechts een enkele valk opgeworpen, die om zijne byzondere vlugheid en kracht Bulldog heette. Het getal der gevangen reigers bedroeg in het geheel 104.Ernstiger herinnering bewaart hetLoovan het volgende jaar 1840. De Koning, moede van de zorgen eener regeering, die sedert 1830 vooral door de schandelijke trouweloosheid der Mogendheden verbitterd was, en vergeefs worstelende tegen een tijdgeest, waarmede hy zich niet vereenigen kon, kwam tot een besluit, zeldsaam onder gekroonde hoofden: hy wilde van zijn kroon afstand doen. In het laatst van September vertrok hy uit’s Gravenhagenaar hetLoo. En op Woensdag den 7enOktober daaraanvolgende, ten 12 ure op den middag, stond hy in de groote receptie-zaal van het paleis voor de marmeren tafel, omgeven van zijne kinderen en kleinkinderen, in tegenwoordigheid van de Ministers, de Leden van den Raad van State, en die van den Geheimen-Raad voorLuxemburg, en teekende er de acte van abdicatie, ten behoeven van zijnen oudsten zoon, wienNederlandsints by voorkeur zijn ridderlijken Koning noemt.Zonderling is men te moede, wanneer men in die rijke zaal staat, en zich dat belangrijk en plechtig oogenblik voor den geest stelt. Maar als ge dan door de spiegelheldere glasschijven over het ruime met acaciaas beplante voorplein, tusschen de zware eiken tegenover den ingang, door de lange beukenlaan staart—dan gevoelt ge zoo levendig, hoe de door zorgen beknelde borst vrij en ruim ademen moest, nu ze het persende harnas had afgegespt.KoningWillemde Tweede had eene voorliefde voor het door hem byna omgeschapeneTilburg, en was derhalven niet zoo dikwerf als zijn vorstelijke vader op de oude lustplaats derOranjeste vinden, schoon de valkenjachten nog eenigen tijd in wezen bleven. Toen echter zijn onverwachte en te vroege doodhem wech nam van een volk dat hem vereerde en liefhad; en dat diep en ongekunsteld rouwe droeg by de mare van zijn spoedigen dood—toen werd op hetLooweder eene oude herinnering als opgewekt met den naam vanWillemden Derde.Met dezen Vorst is ook werkelijk weder een nieuw tijdperk van bloei voor hetLooaangevangen. Talloos zijn de veranderingen en verfraaiïngen, door hem aan dit uitstekende landgoed aangebracht, waarvan, behalven de reeds gemelde opluistering der groote vijvers achter in het park, vooral de verbetering der wegen opmerking verdient. Natuur en kunst gaan thands op de uitnemendste wijze hand aan hand; en by het eenzaam omdwalen onder dat prachtig geboomte, die trotsche beuken, die eerwaardige eiken, die statige linden, die donkere dennen: allen reusachtige scheppingen der krachtige natuur, vergeet ge haast, dat de kunst juist daar is geweest, om u dat alles in die weelde te doen genieten. Byna 400 bunders grond zijn thands omperkt; en de moestuin, die geen gelijke inEuropaheeft, beslaat 7 bunders.Een geheel nieuw schouwspel vertoonde zich op hetLooin 1851, door den wedstrijd der Boogschutterijen, die op het ruime, daartoe opzettelijk ten vorigen jare ingerichte grasperk by den ijskelder, de proeven hunner behendigheid aflegden,—feestelijk werden onthaald, en uit de Vorstelijke hand de hun toegezegde prijzen ontfingen. Later diende dit perk voor de tentoonstelling, door de Geldersche maatschappij van landbouw gehouden. In het zelfde jaar 1851, werd ook de smaakvolle schouwburgzaal ingewijd, die onder ’s Konings toezicht aan den rechter vleugel der voorgebouwen is opgericht.Alzoo is hetLooeen kolossaal en prachtig gedenkteeken, dat de geschiedenis van het Huis vanOranjeomvat, van den eerstenWillemden Derde af, tot aan den tweedenWillemden Derde toe, van wien het nageslacht eenmaal moge kunnen getuigen, als het thands van zijnen grooten voorvader doet. En gaarne spreekt de rechtschapen Nederlander den dichter na, die den Vorst uit de warmte zijns harten toebidt:Een derdeWillemstichtte ’tLoo.Wordt ook Uw naam niet dus gelezen?—O DerdeWillem! moge ook zooDe naam Uws Vaders op U wezen!Hy was het borstschild vanEuroop—Wees gyOud-Nederlandsbeschermer!En Gy,Oud-NederlandsOntfermer!Vervul doorWillemNeêrlandshoop!—1Zie Prof.van Lennepsboeiende Verhandeling over het belangrijkevanHollands grond en oudheden voor gevoel en verbeelding.2HertogArnold.3Haasloop Werner.4Henrick Bentynckoverleed in 1530.—Margaretawas Prioresse van het klooster teSutphen.—Fennewerd Non in het klooster teYsendoorn.—Adolfvolgde zijn vader op.—Janwerd Proost vanArnhem, en Deken vanDeventer.—Annahuwde met HeerSegervanArnhem; enAleydemetFilipsvanVarick.Kareloverleed in 1536 ongehuwd.5FilipsvanLalaing, Grave vanHoogstraten, ’s Keizers Stadhouder overGelderland, en na hem zijne opvolgers ook onder het bestuur der Staten, hebben er tytel en voordeelen van genoten, tot op de omwenteling van 1795.6En niet, zoo als men, zelfs by Gelderschen, geschreven vindt, in den voorgevel.7Zie blz. 141.8De zoon en opvolger des konings vanPruissen,Frederikde Derde, heeft in ’t jaar 1754, alles wat zijn vader by dit verdrag in de ProvincieHollandtoebedeeld was (zijnde de Heerlijkheden derHooge-enLage ZwaluwemetKlein-WaspikenTwintighoeven, en de HeerlijkhedenNaaltwijk,Hoenderland,Wateringen,Oranje-polder,’s GravesandeenZand-ambacht, het Huis in denHage, genaamd het Oude-Hof, en het Huis teHondsholredijk), ten behoeve van den zoon en opvolger des Prinsen vanOranje, PrinsWillemden Vijfde, voor ƒ 700,000 verkocht.—Wagenaar.9Engelen.
Jachtslot Het Loo.Schoon ik een open zin en een warm hart voor hetoudeheb, ben ik toch volstrekt niet ingenomen met hetverouderde, en van weinige dingen heb ik een zoo volstrekten afkeer, als van verouderde klachten.Het jachtslot Het Loo.Het jachtslot Het Loo.En niettegenstaande dit, wil ik echter nog eenmaal op eene verouderde klacht terug komen, omdat de ergelijke grond van haar ontstaan met iederen zomer weer op nieuw herleeft:»Wy—neen, Goddank! nog niet wy, maar toch, helaas! nog velen onzer—zoeken de oorspronkelijke schoonheid der natuur nog altoosbuiten, niet in ons vaderland; en wie onder ons aanspraak maakt op den naam van man van beschaving en opvoeding, kent, zoo hemZwitserlandenItaliënog vreemd zijn, ten minste deMaas- enRijn-streken door eigene aanschouwing; ook nog, by toeval, de omstreken eens buitenverblijfs van verwant of vriend, en heeft waarlijk ook wel eens hooren beweren datNederlandzelfs rijk aan natuurschoonheid is—maar onder dit laatste schrijven zijne verbaasde blikken: »quod est demonstrandum!”De arme dwaas!—Ik erger my over hem, meent ge? Waarlijk niet: den man, die ƒ 50.000 jaarlijksch inkomen bezit, en zich nog altijd misdeeld waant, omdat hy geen ƒ 500.000 heeft—beklaag ik slechts; en—in een zeer netelige luim zou ik misschien zeggen,dat hy voorMeerenbergrijp is, als zoo menige politieke Tinnegieter onzes tijds.Nederlandarm aan waarachtige natuurschoonheid!»Zou het oord misdeeld zijn, waar de rivier tusschen bloemhoven en lustwaranden kronkelt, waar de duinbeek onder het eikenloof ruischt, en de nachtegaal uit de bloeiende meidoorn zingt!—Schaduw en lommer is, ook na den val der oude bosschen, nog immer inHollandovervloedig onder boomen van allerhande soort: want ook hier vertoont zich de bevallige verscheidenheid, en onze herfst pronkt even zeer met het late groen der eiken, als onze lente met het vroege loof van olmen, beuken, linden. Waait ons van deze laatsten in den zomer een welriekende balsemgeur toe—niet minder streelt ons in het voorjaar de balsemgeur der voor den daauw zich openende berkenknoppen.—Naast de hooggetopte boomen onzer dreven tiert weelderig het lager houtgewas, met veelvuldige schakeering van elzen- en esschen- en berken- en eikenloof, in bosschen, die voor de bijl der houthakkers niet vallen, dan om blijder telkends weder uit te schieten. Tusschen deze bosschen loopen rij- en wandelwegen in bochten en kronkelingen, zoo verscheiden, datVondelze eigenaardig by die van den Cretenzer doolhof vergelijken kon. Op dezen rondgevoerd, zien wy nu dichte houtwallen, dan een open plein; hier het geboomte schilderachtig tegen de duinen opklimmen, dáar met abeelen- en berkenstammen aardig in het watervlak zich spiegelen, gints met donker loof bevallig tegen het goud der akkervelden of het malsche klavergroen der weiden afsteken.—Zoo groeien hier opHollandsbodem duizenderlei bloemen in het wilde op, en vormen onze weiden tot een veldtapijt, en onze bosschen en dreven, ja ook onze wildernissen en duinen, tot geurige lusthoven. Op klei en veen, op geest en duinzanden, op land en water, wassen hier in een kort bestek de kruiden en heesters van ver uit een liggende landstreken: de plant der Alpen en het zeewier, de boterbloem der moerassen en het varenkruid.—Over de kelken dezer in het wild verspreidebloemen zweven tallooze bontgewiekte vlinders, en dartelen en glansen in de zomerzon.—Zoo leeft en tiert dan ook by ons het bosch.—Maar als in de Hollandsche, door ons afgemaalde streken, op een schoonen lentemorgen de leeuwrik klapwiekend en zingend stijgt van uit de weide, waar het jonge lam by de moeder dartelt, en het runddier wellustig de klaver afscheert; als de liefelijke waassem van het jeugdig groen en van duizend lentebloemen ons verkwikkend tegenwaait; als in vaart of vliet, tusschen waterlisch en geurige calmus, de visschen spartelen; als uit elzen- en iepenloover het gekir van woud en tortelduiven, het gefluit der meerels, en de zang der nachtegalen zich onderling afwisselen—dan gebeurt het niet zelden, dat, by zooveel genot, ons gevoel als overstelpt wordt, en ons hart te eng schijnt om tevens al dien wellust te bevatten.”1Laat hem in den vreemde gaan reizen, die misdeeld genoeg is omHollandsweelderigen rijkdom aan schilderachtig natuurschoon te kunnen ontkennen; laat hem in den vreemde gaan reizen—hy zal ’t ook dáar niet vinden: zijn gemoed mist den open zin, den spiegel die ’t weerkaatsen moet.En valt er zooveel reeds in de natuur aan den Hollandschen duinzoom te genieten—hoeveel meer dan nog in dat uitnemend gewest, dat (door onze vervelende zucht naar vergelijking met den vreemde) den naam vanNeêrlands Zwitserland, of eener dergelijke Nederlandsche vreemdigheid, draagt!»O!” wordt er gezegd: »ook daar zijn we geen vreemdelingen; wy kennenArnhemen zijne verrukkelijke omstreken zeer goed!”Maar ge zult toch in waarheid niet meenen, dat ge het oorspronkelijk schoon vanGelderlanddáar te zoeken hebt?—Zoo ge my toestemmend andwoorden moet, dan bewijst ge daarmêe, dat ge genoegen smaakt in wandelen tusschen groene bergenen fraaie dreven, onder prachtige beuken zoowel als onder cierlijke acaciaas, door kunstelijk grotwerk zoowel als langs klaterende fonteinen—maar uw gevoel voor de natuur spreekt er nog volstrekt niet uit.—Zijt ge zoo gelukkig dit te bezitten, en weet ge alzoovruchtbaarheidvan produktiviteit,statigen ernstvan eentoonigheid,vrije natuurschakeeringvan kunstige afwisseling te onderscheiden—ga dan naar dat deel vanGelderland, dat door een zijner eigene Hertogen2werd gekenmerkt als »een wilt en bijster lant, daer veel overgrepen in geschiên plegen.”—Dáar, op deHooge-Veluwe, zal de reiziger, die gewoon is in vreemde gewesten de natuur te gaan bewonderen, zich met eigene oogen gaan overtuigen, hoe rijk ook onze vaderlandsche bodem aan natuurschoon is. Met welgevallen zal hy opmerken, welk eene bekoorlijke afwisseling van land- en veldgezichten die landstreek oplevert; hoe ook daar de kunst op eene bevallige wijze de hand reikt aan de natuur; hoe schoon, hoe schilderachtig vele dorpen en gehuchten dáar zijn gelegen; hoe ongelijk en golvend er de grond is, vooral aan den voet der zoogenaamde Woldbergen; hy zal verbaasd staan over die uitgestrekte heide, die zich over een lange keten van heuvels uitbreidt; in die heide, waarop de veelsoortige erica met hare zacht en helder purperen bloemen bloeit, eene plant, die slechts aan de eene zijde van onze planeet, te weten inJutland,Holstein,Hanover,Westfalen, enNederland, wordt gevonden:—en niet zonder belangstelling zal hy die eeuwenheugende wouden aanstaren, die zich als ware het nog in hunnen natuurstaat bevinden.En hoe vele boeiende overleveringen zijn niet verbonden aan dien belangwekkenden bodem; hoe vele herinneringen uit lang vervlogen dagen doemen dáar op voor onze verbeelding; hoe wordt daar de geest gestemd tot ernst en overdenking!—3En juist dáarom is die woeste, purperbruine, met donkergroen geschakeerdeVeluwezoo dubbel aantrekkelijk voor den beschaafden Nederlander (wie de geschiedenis zijns lands niet kent, zal men natuurlijk nietbeschaafdheeten!). En hoe eindeloos in getal, hoe veelsoortig en afwisselend zijn hier de historische herinneringen! By iederen voetstap: uit elken tijd: van toen de eerste Germaan er het zand boven de urne zijner dooden ten heuvel opwierp, tot toen de hervorming er de Sint-Jans Ridders uit hun rustig verblijf wechdreef; van dat een Koning vanEngelander ter verpoozing van staatszorg zijne valken opschoot, tot toen een Koning vanNederland, door staatszorg vermoeid, er den scepter nederleî.—Hoe veel voor het hart; hoeveel voor het hoofd! Hoe veel voor de wetenschap; hoe veel voor de poëzy!—Wie onzer schilders zal nog eenmaal by zijne gave ook wetenschappelijk genoeg gevormd zijn, om er ons de historische landschappen van te schenken? Wie onzer dichters, om die landschappen met de handelingen van het voorgeslacht te bezielen?By zoo grooten rijkdom wordt de keuze van onderwerp zeker moeielijk; maar niet alleen voor den dichter, of den schilder—ook voor den geschiedschrijver, wanneer hy zich ten taak heeft gesteld om slechts enkele onderwerpen te behandelen.Dusis het thands my, nu ik op deVeluwetusschen de eeuwen rondwandel, en niet naar eenig merkwaardig overblijfselzoek, maar deze zich by menigten aan myopdringen.En wanneer ik dan den vinger zet op eene plaats, waar de herinneringen zich ten naauwste aan het Huis vanOranjeverbinden, dan vreeze ik geenszins naar het minder belangrijke te hebben gegrepen.Een halfuur noordwaart van het grijzeApeldoornligt eene heerlijke plek gronds; niet, gelijk men ze wel eens heeft aangeduid, als eenBlinkende esmeraud, gevallen midden in het heidezand;maarAls in glansend goudgevonkel ’t flonkren van den diamant.Van heuvelige heide, en dichte, eeuwenheugende wouden omgeven, rees daar in de 16eeeuw het jachtslot van den Hertooglijken MaarschalkJohan Bentynck, uit de heldere gracht omhoog.HeerJohanwas een zoon uit het oud en edel Geslacht vanBentync, dat reeds in de veertiende eeuw in groot aanzien stond. Zijne echtgenote,Joanna, des Heeren dochter vanAppeltern, ontsproot mede uit een der edelste geslachten van hetGelreland. Zy schonk hem vier dochters, waarvan de twee oudsten in den geestelijken staat—de beide jongsten in het huwelijk traden; en vier zoons, waarvan drie ongehuwd, en de eenige die gehuwd was, toch kinderloos overleed.4Reeds in 1503 werd hy met de HeerlijkheidArensberghe(thandsBerrinkhuizen) en de tienden inEngeland, op deVeluwe, beleend, en omstreeks dien zelfden tijd verlijd met het Jagermeesterschap opVeluween in hetNederrijkswald, waarin hy vervolgends in 1511 weder bevestigd werd.Wanneer, en door wie zijn huis hetLoogesticht was, en of het leven zijner vroegere bewoners in rust of in onvrede was voorby gegaan, daarvan weet de historie, noch de overlevering te spreken. Dat het een lust- en jachtslot der Geldersche Hertogen zou geweest zijn, is eene opvatting van lateren tijd, in den onze wederlegd, en voor goed vernietigd.Onder het toenmalig kerspelApeldoirngelegen, was het tot in 1537 een vrij, eigen goed, en werd den 31enAugustus van dat jaar doorJohanin leen opgedragen aanKarelvanEgmond, zijn Hertog en Heer, dien hy sints veertig jaren getrouwelijk gediend had.De Hertog nam die opdracht willig aan, en maakte uit erkentelijkheid voor dit en menige trouwe dienst, het ambt van Jagermeester opVeluween in hetNederrijks-wald, »mit allen sijnen rechten, renten ind toebehoir” erfelijk in het Geslacht vanBentynck. Te voren was aan deze waardigheid ook het bezit van het Huis en de HeerlijkheidHoeckelomverknocht geweest; maar daar dit sedert 1481 metHermanvanHoeckelomvervallen was, verbondKareler andere, nieuwe voordeelen aan, en regelde de inkomsten van het ambt voor goed; 31 Augustus 1537. Tevens bepaalde hy de erfopvolging in dezer voege:»Ind nae sijner doet sall datselve Ampt erven ind vallen op sijnen altsten soenAdolph Bentynck, in soe voirtaen then euwigen daegen toe, soe lange dair mansgeboert is, van sijnenAdolffsindKairlssijnen sone, van lijven gekoemen. Ind ingevall die mansgebuert te eniger tijt gebreecke, soe sal dat vurscr. onse meyster Jhegerampt erven ind vallen op onsen diener ind lieven getrouwenSegervanArnhem, ind op sijne kynderen mansgebuert, die hij ind sijne huysvrouweAnna Bentynckxtoe saemen verkregen hedden. Ind gebreck van den sall datselve ampt weder aen ons, onsen erven ind naekoemelyngen koemen ind vallen.”En de omstandigheid, by deze laatste bepaling geregeld, had weldra plaats.Johan Bentynck, die als eerste Edelman uit deVeluwede overeenkomst van 27 Januari 1538, omtrent de vereeniging vanGelderenSutphenmetGulickenClevemede bezegelde, bekleedde zijne waardigheid tot in 1543, toen hy op den 16enOktober overleed, en ze, met het bezit van ’tLoo, aan zijn oudsten zoonAdolfnaliet.HeerAdolf, nu Erf-Jagermeester van deVeluwe, werdterstond beleend met de HeerlijkhedenArensbergheenWesterhof, en met de tienden vanEngeland. Het liep echter tot den 19enSeptember 1547, eer hy door KeizerKarelden Vijfde, sedert 1543 Hertog vanGelder, met het Jagermeesterschap derVeluween de Heerlijkheid hetLooverlyd werd, waarby het heergewaad, ook voor ’t vervolg, werd vastgesteld op twee witte windhonden en een jachthoorn.Hy overleefde de bevestiging van zijn erfrecht niet lang, want hy stierf reeds den 30enMei des volgenden jaars, en liet zijne kinderlooze gade,MargaretavanValck, als eene eenzame weduwe achter.Daar nu zijn broederKarel, gelijk wy gezien hebben, reeds ongehuwd overleden was, viel het Jagermeesterschap, ingevolge de door HertogKarelvanEgmondgemaakte bepalingen, op hun schoonbroederSegervanArnhem, gehuwd metAnna Bentynck, na wier (mede kinderloos) overlijden, het weder aan het Hertogdom te rug kwam.5De Heerlijkheid hetLoobleef echter nog een wijle aan de vrouwelijke zijlinie van het geslacht:Aleyde Bentynck, HeerFilipsechtgenote vanVarick, bekwam het by erfenis van haren broeder, te gelijk met de HeerlijkheidWesterhof.In hoeverre het, nu wy dit alles met zekerheid weten, nog daarenboven aan te nemen zij, datGelderlandsmeest beruchte Maarschalk,MartenvanRossum, de bouwheer van het kasteel wezen mag, kunnen wy niet meer verdedigen, al schijnt zijn wapen, met het jaartal 1538, op het binnenplein boven den ingang van den linker zijvleugel6te staan.En al moeten wy nu in de prachtige bosschen, of op de heuvelige heide rondom hetLoo, den forsch-gebouwden krijgsman en jager by uitnemendheid, den ruwen brandstichter met zijn toch zoo open en welwillend gelaat, missen—deBentyncksen hunne verwanten en vrienden (of wat Edelman, vroeger of daarna, het gezellige jachtslot moge bewoond hebben) zullen de groene wouden en paersche heivelden niet steeds eenzaam, en het ranke horendragend-, het knorrende tandmachtig-, of het schuwe kleine wild, niet steeds in rust gelaten hebben. Daarom willen wy ons dan ook eens geheel in de eigenaardige woeling rondom eenjachtslotverplaatsen,—den bezitters en hunne gasten in hun geliefkoosd vermaak volgen, en ons daar in laten geleiden door twee uitmuntende gidsen. Volgen wy eerst den HeerHaasloop Werner, wanneer hy de jacht in ’t woud vergezelt.»Een prachtige stoet van jagers en jageressen, gezeten op statige rossen en vurige telgangers, op de hand den afgerichten sperwer of den vluggen valk houdende, doortrok toen meermalen deze foreesten. De trein werd geopend door moedige en fraai gekleede edelknapen, aan lederen leibanden de slanke hazewindhonden, de brakken en speurhonden voorttrekkende, die zoo driftig en ongeduldig waren, dat het hunnen geleiders veel moeite kostte, hen in hunne vaart te betoomen. Dan weergalmde het anders zoo stille woud heinde en verre van hondgebas en horengeschal; de grond daverde van het getrappel van paarden, en onder dat alles mengde zich nog het geroep van mannen en jongens, die met stokken op het kreupelhout sloegen, om het wild uit zijne schuilplaats te verdrijven. Dan werd het majestueuze hert,—dat nog op den morgen zijn dorst aan de bron gelescht, toen zijn fieren kop opgeheven, en met een zekeren trotsch het veld (dat met heuvelen en bosschen omringd, zich zoo aanlokkend voordeed) had overzien—opgejaagd en vervolgd; zijn fijne reuk had hem reeds den naderenden vijand voorspeld; éen oogenblik had het luisterend stil gestaan; was toen met bliksemsnelheid door het geboomte gevlogen; maar denog snellere pijlen en jachtsprieten, soms afgeschoten door eene vorstelijke hand, bereikten het meestal, en stervend zonk het ter aarde, om straks door de bloeddorstige honden te worden afgemaakt.”Niet minder levendig was de hartstocht voor de valkenjacht, dat voorrecht en lievelingsbedrijf der Edelen, in het genieten waarvan de HeerVerstervanWulvenhorstons geleiden zal.»Naauwelijks heeft de rijzende zon de nevelen van den ochtendstond voor zich heen gedreven, of alles is op het binnenplein van den ridderlijken burg reeds vol leven en beweging. De knapen hebben de fiere rossen opgetoomd, en de stallingen der ongeduldige honden ontsloten; de valkeniers de valken uit het valkenhuis gedragen en, van hunne fraaie kappen en schelklinkende belletjens voorzien, op het raam geplaatst; terwijl de havikken hunne gewone plaats in de keuken, voor de vuist van den rustigen weidman hebben verwisseld.»Uit de hooge poort van het burchtgebouw treden nu de edele Vrouwen en Jonkers, door de luidblaffende spagnoelen (oude naam der spaansche honden, Espagneuls) omringd, in cierlijk gewaad te voorschijn. De eersten bestijgen de fraaie hakkenijen, of telgangers, met eerbiedige hulp der Jonkers, terwijl de geliefkoosde vogel de adelijke hand verciert. Behendig werpen zich de Ridders in den zadel der moedige rossen, en onder vrolijk jachtgeschal en het blaffen der honden trekt de statige trein over de breede ophaalbrug in het vrije veld.»Op de ruime vlakte hebben de yverige honden pas een reiger uit het moeras opgedaan, of even spoedig stijgt de edele vogel met pijlsnelle vaart van de hand der Burchtvrouw. Te vergeefs tracht de reiger in eene bespoedigde vlucht zijn heil te zoeken. Een tweede opgeworpen valk dwingt hem tot het opklimmen in het luchtruim. Immer hooger en hooger stijgende, begint, onder het bemoedigend geroep der jagers, de felle kamp. Met de scherpe neb verdedigt de reiger zich onverschrokken tegen zijne machtige aanvallers, en de zege blijft onbeslist. Een daverend gejuich van den jachtstoet kondigt het opwerpen vanden derden vogel, den ouden beproefden geervalk, aan. Een pijl gelijk, stijgt hy, terwijl aller oogen op hem gevestigd zijn, boven den reiger en diens bekampers.»In éen oogenblik heeft zijn geoefend oog het juiste punt gekozen, en eensklaps stort de reiger, door een krachtigen stoot als verlamd, van zijne overwinnaars gevolgd, uit het luchtruim. Ras ijlen de Jonkers toe; bevrijden den reiger uit de scherpe klaauwen, en bieden de buit aan hunne gebiedsters, terwijl een welgevallige blik van deze, het edel jachtvermaak verhoogt.”En wilt ge, na de bywoning dezer beide jacht-dagen, nog die van een derde, en wel de vervolging van den ever, dat grimmige dier, dat nog lang op deVeluwegevonden, en waarvan waarschijnlijk de laatste in 1826 door den Baron vanLijndenvanOldenallergeschoten werd—zoo wil ik, by gebrek aan een anderen gids, zelf u voorgaan.Het vochtige geboomt strijdt om zijn laatsten dosch,En laat het nog zoo noô van twijg en stengel los.—Alleen de krachtige eik draagt fier zijn bonte blâren,Al dorden aan zijn voet de rimpelende varen,—Al slaat de braamstruik, aan een purper-groene loot,Zijn laatsten looverpronk van hel en gloeiend roodOm ’t bruin en vochtig mosch van tronk en wortlen henen.Een borstlige ever ligt daar aan den tronk te lenen,Op ’t uur des dageraads, die met zijn zilverglansReeds opstijgt tegen ’t blaauw van d’ oostelijken trans.De mistdrop kleurende aan de hooge en naakte takken,Door ’t windgeruisch verspat, laat zich door ’t loover zakkenOp ’t geelend woudriet en het hoog-gewassen kruid,Dat, weeldrig saamgegroeid, des evers kuil omsluit.Het zwart en ruige dier, half in dat groen verstoken,Ligt in zijn volle lengte, en knorrend, neêrgedoken.By wijlen steekt hy ’t oor door ’t nat gebladerte op,En richt van ’t laauwe mosch den borsteligen kop.Hy wordt onrustig. Op de schrap gezette hoevenVerheft hy ’t bovenlijf, en blijft beweegloos toeven,Met star gevesten blik, van grimmige angst vervuld,Terwijl zijn vochte lip zich om den slagtand krult:—Twee donkere oogen, door de lagere elzenstammenGenaderd, blikken scherp de zijnen toe, en vlammenHem aan:—de speurhond is aan ’t einde van zijn spoor;Hy koos zijn richting goed—en is zijn vijand voor.Het boschzwijn richt zich gants, en houdt de rollende oogenNiet van den spie meer af. Daar komt hy toegevlogen,Als tot den houw gereed. De rappe jachthond deinst,En springt gestrekt te rug. Maar de aanval is geveinsd:De listige ever schudt de borstels; wendt omzichtigEn schijnbaar traag zich af... en schiet dan, snel en schichtig,Door struiken en struweel, en stormend op de vlucht...Een blaffen schalt hem na—en plotslijk trilt de luchtVan ’t bassen van rondom, dat andwoordt. Kreten rijzen,En rossen brieschen; schelle woudhoorngalmen wijzenEn seinen plaats en spoor. ’t Gevogelt krijscht in ’t rond.Al ’t wild, vervaard, schiet op van ’t leger, langs den grond.Het dorre loover kraakt beneden; ratelt boven;De felle jachtstorm is de woudkrocht ingestoven—’t Is alles éen rumoer.’t Is alles éen rumoer.Voort, jaagt het boschzwijn, voort!De dichtste struiken in; het ruwst, moerassigst oord,De diepste wildernis en dreven om en over.Het schaaft door ’t reuzig riet; het sproeit het dorre looverMet schuim; het streeft moeras en woudstroom in en door—De drijvers marren niet, maar houden kloek het spoor.Het dreunend hoefgestamp, het schallen van den horen,Het schaatrend jachtgekrijt, klinkt altoos in zijne ooren:Dan verre, en dan naby—maar immer onvermoeid,En tot éen krijgskreet van verschrikking aangegroeid.De trillende aadren zijn den vluchteling gezwollen.Zijn gloeiende adem schijnt tot lillend schuim te stollenOm d’ opgestoken snuit. Zijn puilend oog, van bloedDoorspat, wordt haast onzeekre leidsman voor zijn voet.Zijn kracht schept voedsel uit zijn woede. Twee paar drijvers,Hem tot op ’t lijf genaakt in ’t blinde vuur huns ijvers,Zien zich besprongen van den vluchtling, snel gedraaid,En hun op ’t lijf gestort met bitse kracht. Hy zwaaitDen groven kop, en scheurt zijn houwers, fel en vlimmigGescherpt, met heesch gesnaauw, maar moordend snel en grimmig,Den heeten honden dwars door buik en ingewand,En werpt hen krimpend in ’t met bloed gekleurde zand.Maar ’t spoor blijft ongewischt. En ’t huilen der gewondenIs slechts een lokkend sein voor nieuwe koppels honden,Wier gretig bassen van hun komst reeds waarschuwt. WildVan woede en vrees, die in de ontstoken nieren lilt,Schuimt de ever voort, en door de breedst-gewassen varen,—Het rankrigst kreupelgroen,—de dichtste hazelaren,En breekt een hollen gang door ’t ruige struikgewelf.Maar in zijn listig pad vermoeit hy slechts zich-zelf:De veilige eenzaamheid is dáar ook slechts gedroomd.Als drupplen in een straal, niet scheidbaar meer, zóo stroomtDe jachtstoet altoos na.De jachtstoet altoos na.De felle drijvers winnenMet ingespannen kracht, en louter vuur van binnen.Zy naadren..... naadren..... Als een pijl schiet een hun vóor,En ’t hijgend zwijn ter zij. Het voelt in ’t siddrend oorDe heete tanden. ’t Rilt, en staat. Het rukt, en bukt zichTen doodelijken houw—maar thands vergeefs.Ten doodelijken houw—maar thands vergeefs.Daar drukt zichEen tweede hondenmuil ’t gebit in ’t ander oor....En heel de stortvloed volgt, hem nageschuimd in ’t spoor,En werpt zich op zijn leên. Het schijnt een berggevaarteVan wriemelend gediert, hem plettrend met hun zwaarte.Het zwarte bloed stroomt neer; het schuim vliegt op en om;De zweetdamp walmt in ’t rond; geblaf, gehuil, gebromGalmt schor en wild door een. De doggen slaan de tandenIn rug en schoft en zij.In rug en schoft en zij.Van dolle woede aan ’t branden,En trillende van pijn, houwt hy nog eenmaal rond,En kwetst in ’t wilde, en sleurt een enklen dog ten grond...Maar krimpt zijn spieren saam, by de ijskoû van de rillingDie hem naar ’t harte schiet—en strekt met woeste trillingDe grove leden uit, voor immer:—De grove leden uit, voor immer:—En nu toogDe jager ’t staal, dat tusschen schouderblad en oogHet hart getroffen had, te rug, en wischte ’t rustigIn ’t zweet der borstlen af.Zulke tafreelen rijzen u onwillekeurig voor den geest, wanneer ge in de ruime keuken, aan den rechter vleugel van ’t gebouw, voor den breeden met hertshorens vercierden schoorsteen staat, en nog half onder den indruk ligt van het statig en geurig lommer, dat ge pas verlaten hebt. Want, zoo als de dichter van den »Hollandschen Duinzang” zingt:Nog is jacht hier genoeglijk, en ’t weidspel in eer,By wie rustig de leden wil reppen;en de vergaderde buit wordt natuurlijk in de keuken saamgebracht, thands nog zoo wel als in de dagen der Edelen vanArnhem, vanVoorst, vanIsendoorn, vanStepradt, en vanDornick, die slot en Heerlijkheid achtereenvolgend bezaten.In het midden der zeventiende eeuw, trok het de aandacht van den Prins-StadhouderWillemden Derde, die, even als zijn vader, dikwerf op deVeluwede genoegens der jacht genoot. De toenmalige eigenaar was HeerJohan CarselisvanDornick, met wien de Prins onderhandelen deed over den verkoop, die in 1656 tot stand kwam.Willemde Derde was een te voortreffelijk jager, om niet aan de uitmuntende omstreken zijner nieuwe bezitting by voorkeur te hechten. Maar ook als lustplaats trok ze hem aan, en hy besloot tot de oprichting van een nieuw gebouw, in de nabyheid van het eerste, ’tgeen ook weldra onder het geoefend opzicht van zijn vriendGodartvanReede, later Graaf vanPortland, verrees, en naar den toenmaligen bouwtrant schoon mocht genoemd worden, al kon men niet zeggen dat die stijve bouwlijnen zoo goed met de weelderig-trotsche natuur daar rondom samenstemden, als het oude jachtslot, dat met zijn bus- en klokvormige torenspitsen zoo rustig tusschen het reusachtig geboomte in de heldere gracht lag. Het was toen echter geen smaak om de kunst met de natuur te doen harmoniëren: men waande het genialer, om de natuur naar regelen, door de kunst voorgeschreven, te vervormen, en zoo ging het ook hier. De tijdgeest vond dat schoon, vond dat prachtig—en de grootste mannen der eeuw bogen hun fier hoofd voor het corset en den hoepelrok.En de rijke en weelderige lokken van het krachtigeVeluw-landschap vielen onder de spichtige vingeren van een Franschen kapper, die ze besnoeide, verknipte, tot averechts krullen of sluik neerhangen dwong—kortom: ze ten eenenmale tot een magere pruik vernielde—alles volgends de dorre en ijskoude metriek van den vernuftigen natuur-verminkerle Notre, den toenmaligen wetgever in de hofbouwkunst.In 1672 bedreigde echter de uitgebroken oorlog al dit kunstwerkmet vernietiging. Een bende Franschen kwam stroopende in de nabyheid van hetLoo, en scheen wel voornemens zich er meester van te maken, toen zekereJan van Sprang, achter boomen en struiken verborgen, zoo wakker zijn trom roerde, dat de stroopers, geregelden weêrstand, misschien zelfs wel aanval duchtende, ijlings aftrokken. Nog wijst men er u zijn graf, op de zelfde plek, die eenmaal getuige zijner kloekmoedige beradenheid was.Toen de Prins later den troon vanEngelandbeklom, vormde hy al spoedig het plan, om zijn princelijk lusthuis tot een echt koninklijk buitenverblijf te verheffen.De gebouwen, lusthoven, beplantingen, fonteinen en waterwerken verkregen, naar den eisch des tijds, een nieuwen luister. De gantsche plaats, met al de lanen en dreven, besloeg ongeveer eene ruimte van 160 morgen lands. Drie tuinen, die de geheele breedte van het hoofdgebouw met zijne zijvleugels besloegen, van elkander afgescheiden door rechte, lommerrijke lanen, en allen omringd door terrassen en beplantingen, volgden elkander achter het paleis op, en verrukten den toenmaligen beschouwer door hunne regelmatigheid, door hunnen rijkdom van watersprongen, marmerbeelden, grotwerken, taxis-figuren, palm-pyramiden en andere hofcieraden—schoon ze ons thands, ondanks hunne schaduwloosheid, zouden doen huiveren. En om dat alles de kroon op te zetten, werd er besloten om van denAsselt, een hoogen heuvel, door middel van steenen potten, een waterleiding naar den tuin te brengen, om eene fontein te vormen, wier waterstralen zich in den sprong boven het paleis zouden verheffen. Van deze potten, die, den weg van een uur lang, in eene doorloopende richting onder den grond zitten, wordt tegenwoordig nog menig een opgegraven.De vorstelijke Stadhouder, op wiens schouderen zoo groote en zoo moeielijke staatszorgen rustten, kwam byna jaarlijks naar herwaart over, om er in zijn geliefkoosd jachtbedrijf eene verkwikkende uitspanning te vinden; en de krachtige hand, die indie dagen het evenwicht vanEuropaomklemde, enFrankrijkstrotschen Koning onverwrikt diens plaatse aanwees—schoot hier met vrolijke behendigheid den valk op, of loste het jachtroer op den borsteligen ever of het snelvoetige hert. Nog wijst men in het Gardersche bosch een op zich-zelf staanden eik aan, den Konings-eik genoemd, waarWillemzijne jachtmaaltijden hield, en die, naar het schijnt, ook wel eens voor schijf moet hebben gediend: scheuren in de schors toch, doen hier en daar menigen kogel bespeuren. Niet verre van daar, in het zoogenaamde Heidendal, ligt ook nog de hertenbron, een schilderachtige waterkom, waar, rustig en eenzaam, het statig geboomte zich weêrzijds van den rand en uit de diepte verheft, en den vlakken spiegel met een verheven lommer dekt.De reigerjacht was het evenwel by uitnemendheid, die er door den Vorst werd uitgeoefend, waartoe de ruime heivelden rondom deUdeler-meir zoo gunstige en uitlokkende gelegenheid aanboden, terwijl het vischrijk water-zelf de reigers uit hetSoerenschebosch by menigte aan zijn kalmen oeverzoom lokte.De Staten vanGelderlandgaven den Koninklijken jager intusschen een bewijs hunner hulde, door hetLooen de buurschapNoord-Apeldoorn, op de 10enDecember 1694, te verheffen tot eene hooge Heerlijkheid, ten behoeve van hem en zijne nakomelingen.Vroeger dan men vermoed had, viel deze verheffing weder in een. Zes jaren later, in de eerste dagen van Maart, deed de Koning zijn noodlottigen wandelrid naarHamptoncourt; plotselijk struikelt het paard,—de ruiter valt,—breekt het sleutelbeen—en reeds op den 19endier zelfde maand beweentEngelandhet verlies zijns Konings,—Nederlanddat zijns Stadhouders, aan wien het zoo groote, en niet altoos naar waarde erkende, verplichtingen had.DaarWillemde Derde geen kinderen naliet, werd de hooge-Heerlijkheid van hetLooook terstond vervallen verklaard, en op den 4enApril 1702 weder aan het Landdrost-ambt derVeluwegehecht.Nu behoorde hetLoo, even alsIJsselsteyn7, onder degoederender nalatenschap, waarvan het bezit door de erfgerechtigden, KoningFrederikvanPruissenenJohan Willem Friso, onderling betwist werd. Na den dood des laatsten, 1711, geraakte het slechts tot eene voorloopige bemiddeling; maar by de meerderjarigheid van PrinsWillem Carel Hendrik Frisokwam men op de zaak te rug, en deed moeite tot eene bepaalde afdoening.BaronDiederikvanLynden, Heer van dePark, ’s Princen Opperhofmeester,—BaronHobbevanAylva, Drossaat van ’t GraafschapBuren, ’s Princen Opperstalmeester, enJohan Duncan, zijn gewone Raad en Rekestmeester, en Raad en Rekenmeester zijner domeinen, werden als gevolmachtigden naarBerlijngezonden, en sloten er in ’s Princen naam eene overeenkomst, die zy vervolgends op den 16enJuni 1732 teDierenonderschreven, nadat de onderteekening van ’s koningswege reeds den 14ender vorige maand teBerlijnhad plaats gevonden.By deze schikking geraakte hetLoogelukkig in handen van den Prins, en werd alzoo weder het eigendom van den Nassauschen stam.8Na ’s Princen benoeming tot Stadhouder der geünieerde Provinciën, beschonken de Staten vanGelderlandnogmaals, en wel by besluit van 13 Januari 1748, hetLoomet de rechten eener hooge Heerlijkheid, en vergrootten er het gebied van, door de byvoeging van het geheele Ambt vanApeldoornen derUdeler-meir. Thands werd het weder levendiger in de zalen, dreven, tuinen en pleinen der lustplaats; want ookWillemde Vierde vertoefde er van tijd tot tijd, en deed verbeteren en verfraaien waar hy dat noodig rekende. En toen de wakkere en bedrijvige Vorst »die zich ook zonder den oorlog voor het Vaderland opofferde,” onder zijn onvermoeiden arbeid voor het belang derNederlanden, op den 24enOktober, 1751, bezweek, keerden stilte en eenzaamheid op hetLoote rug, en hielden er weder gedurende eenigen tijd een ongestoord verblijf.’s Princen eenige zoon, de goedaardigeWillemde Vijfde, die reeds op achttienjarigen leeftijd de waardigheden en—staatszorgen zijns vaders erfde, verpoosde zich gaarne op hetLoo, en deed er vooral de diergaarde uitbreiden, waartoe het geschenk van den Admiraal vanBraem, na de verovering vanMalabar, van twee schoone Aziatische olifanten, hem uitmuntend te stade kwam. Zijne zachte geaartheid deed hem in de jacht weinig aanlokkelijks vinden, zoodat hy die byna geheel ter zijde stelde voor zijn meer geliefkoosd vermaak der visscherij, die door de nabyheid derUdelermeir, met hare verbazend groote snoeken, steeds uitlokkende bevrediging vond. Van deze vischpartijen wist de geleider, die nog voor korte jaren den bezoeker van het paleis en der tuinen vergezelde, veel te verhalen; en de goede Prins, wiens verlangde komst telkens door hardloopers met hunne mytervormige mutsen en geslingerde staven werd aangekondigd, en die zoo lieftallig en gemeenzaam jegens allen was, stond hem, hoewel toen pas een knaap zijnde, nog helder voor den geest.Het bleven intusschen niet immer pleziertochten, die reizen naar hetLoo: Toen heerschzucht en vrijheidskoorts den Staten vanHollanddermate benevelden, dat zy het Stadhouderschap vervallen verklaarden, en den Prins daarenboven het bevel over de Haagsche bezetting ontnamen—waren het zeker geene genoeglijke denkbeelden van uitspanning en verpoozing, die den edelen Vorst door het hoofd dwaalden, toen hy de onstuimige hofplaats voor zijne stille lustplaats ontweek.Dit was nog niet de treurigste slag die hem trof.De tusschenkomst der Pruissische benden, onder den Hertog vanBrunswijk, herstelde het geschonden gezach slechts voor een tijd. Op den 18enJanuari, 1795, verliet de miskende Stadhouder het misleideNederland, en hetLoozag hem nimmer weder rustig en nadenkend door de dreven dwalen.En hoe het toen metGelderlandsprachtigst buitenverblijf geschapen stond, blijkt uit de woorden van den Baron vanSpaen, wier aandoenlijkheid in hunne eenvoudigheid spreekt: »Thands heeft deeze Heerlijkheid het lot van alle de goederen van het huis vanOranjeondergaan; en de vriend van zijn Vaderland moet de eenzaamheid van die uitgestrekte gebouwen, van die kunstige waterwerken, van die aangename wandeldreven betreuren, dewijl die, door eene talrijke Hofhouding in den zomer bewoond, vreemdelingen aanlokten en veel vertier veroorzaakten; ’twelk voor de ingezetenen der schrale hoogeVeluweeen bron van welvaart was, die nu uitgedroogd is.”En die toestand van verlatenheid was nog de ergste niet; zelfs niet de baldadigheden, door de Engelschen gepleegd, toen zy uit de zuidelijkeNederlandenterug, en hier door trokken, brachtten er zoo veel verwoesting, als de naar geld grijpende hand van het Bestuur der eerlijke Bataafsche-Republiek: De zwaarste boomen werden omgehouwen, het lood der daken en fonteinpijpen afgeworpen en opgegraven, en met de prachtige meubelen, en wat door kostbaarheid van waarde was.... te gelde gemaakt!En indien dit geschiedde door den Staat-zelf—hoe kon men dan verwachten, dat de vreemdeling minder dorre gevoelloosheid verraden zou! Zeker—wanneerJohan Bentynckzijn fieren gebieder op zijn jachtslot onthaalde, en alles daar wemelde van den rijkdom en de pracht des Hertooglijken aanhangs—dan heeft hy wel nooit, ook maar niet van verre, vermoed, dat het eenmaal tot een »armzalig hospitaal” voor soldaten zou worden verlaagd. En wanneer GraafGodartvanPortlandde door hem aangelegdezalen en vertrekken voorNederlandzag gewijd door de voetstappen van zijn vorstelijken vriend, dien men thands erkent een der grootste Koningen vanGroot-Britanjete zijn geweest—toen heeft hy zeker ook nooit gedacht, dat eenmaal een deel der armee van die zelfde Franschen, door eenWillemden Derde zoo nadrukkelijk in toom gehouden, de leden, met eene walgelijke huidziekte overdekt, daar zouden neêrstrekken, en somtijds, door verregaande onvoorzichtigheid hunne eigene krijgsgenoten, gevaar zouden loopen om met het gebouw-zelf in vlammen te verteeren.En toch—het jachtslot werd tot een hospitaal verlaagd; en toen het getal der kranken tot byna zes duizend geklommen was, vervulde het ook voor een groot deel de zalen en vertrekken van het paleis. En toen eenmaal, nog steeds in 1795,Deventer,Zutphen,DoesburgenArnhemnalatig waren in het voldoen der vorderingen ten behoeve van dat hospitaal, dreigde de Generaalvan Damme, met de volmaakte onbeschaamdheid van een Franschen veroveraar, dat hy een deel der besmettelijke huidzieken van hetLooby de burgers dier steden zou doen inlegeren.De herschepping van de NoordelijkeNederlandenin een KoninkrijkHolland, was voor hetLooeene weldaad. De goedeLodewijk—een andereWillemde Vijfde, maar met minder begrip eener voormalige Hollandsche deugd, die spaarzaamheid heette—had niet zoodra kennis met de vernielde lustplaats gemaakt, of hy verlangde dat ze in beteren staat gebracht, en weder tot een vorstelijk verblijf zou ingericht worden.Op dien koninklijken last togen nu alle handen aan het werk; en weder naar den toenmaligen, wel ietwat kleingeestigen, maar minder onnatuurlijken, smaak ingericht—was hetLooweldra in staat, zijn vroegeren roem te handhaven. Jammer slechts, datLodewijksbygeloovige zwakheid het jachtslot (waar intusschen reeds voor 1730 de peer- en klokvormige torendaken in de tegenwoordige spitsen veranderd waren) een der grootste cieraden ontnam, door het doen dempen der gracht, wijl hem gezegd was, dat hy zich in ’t algemeen voor water zou hebben te hoeden.Het voorkomen van het jachthuis is er merkelijk door verminderd, en het maakt thands meer den indruk van een zware en versterkte poort, dan van een klein kasteel. Op het paleis, weldra door zijn bekwamen bouwmeesterTibaulthersteld en verbeterd, deed hy de eetzaal tot kapel inrichten; dit is later weder veranderd en op den ouden voet gebracht, maar de gedempte gracht zal waarschijnlijk wel immer in den tegenwoordigen toestand blijven. OnderLodewijksbelangrijkste verbeteringen behoort voorzeker het aanleggen van den straatweg, die de tot op dien tijd gebezigde mulle heibaan verving. De koning, hoe wisselziek van aart ook, bevond zich dikwerf op hetLoo; en in den zomer van 1808 konden de omwoners zich elken zondag te goed doen aan het vreemde en schitterende schouwspel, dat de parade van de garde, de ruiterij, en het voetvolk hun opleverde.Maar ook dit ging weldra voorby. Het jaar 1810 was daar; het KoningrijkHollandwerd by het Keizerrijk ingelijfd, en metLodewijksvertrek bleven van den voormaligen drokken en woeligen stoet in paleis en jachtslot niet dan slechts weinige beambten over.Toen echter de groote veroveraarNapoleonin het volgende jaar doorGelderlandtrok, kreeg alles op hetLooweder voor korten tijd een vorstelijk aanzien. In de maand Oktober was de Keizerin, vergezeld van den PrinsNeufchatel, de schoone HertoginMonte-Bello, en geheel een schitterenden hofstoet, aangekomen, en men verwachtte er ook den Keizer-zelf. Deze, den 29edier maand onder het geleide van talrijke gewapenden vanZwollevertrekkende, kwam nog dien zelfden dag op het paleis aan, met den MaarschalkDuroc, Hertog vanFrioul, en een aanzienlijk gevolg, waarvan een deel hem op zijne wandelingen door de lustplaats vergezelde, nadat alvorens de paden en lanen van tuin en park door eene gewapende wacht van alle andere bezoekers was ontruimd. Geen arbeider zelfs was dan het blijven vergund. »Zoo bevreesd was de man, op wiens wenk duizenden zich in het stof bogen, dat de Hollanders, dien hy onlangs deweldaad bewezen had, van hen met het Groote Rijk te vereenigen, hem met ondank beloonen, en wellicht door gehuurde moordenaars een aanslag op zijn leven ondernemen zouden.”9—In de nacht tusschen 30 en 31 Oktober kwamen twee koeriers, met haastigen spoed, op hetLooaan, en de rust in de koninklijke slaapkamer, waar slechts de wit-satijnen ledikant-gordijnenNapoleonssluimer bespiedden, werd voor goed gestoord. Onverwacht gaf de Keizer bevel om nog dien zelfden dag te vertrekken; en op den avond sprak men er van zijne kortstondige verschijning, als van een bonten en wonderlijken droom, die van eene zonderlinge rust was opgevolgd. Kort daarna was de rust van geheelEuropaweder gestoord, en werden alom de geduchte toebereidselen gemaakt tot den tocht naarRusland.En deze tocht naarRuslandlegde den grondslag tot de opeenvolging van gebeurtenissen, die den oranjeboomen op hetLooweder eene eigenaardige en vrolijke beteekenis gaven: in 1813 zette het Huis vanOranjevasten voet op den Nederlandschen bodem, enWillemde Eerste kende weldra geen uitlokkender oord tot ontspanning en rust, dan de schepping vanWillemden Derde.»Sedert dien tijd werd hetLoode geliefkoosde lustplaats onzer vorstelijke familië, die hier meer dan op het kasteel teLaekenaan hare zucht voor eene burgerlijke levenswijze gehoor gaf.” Nog toont de gids die u er rond leidt »al de plekjens aan, waar KoningWillemvan zijne wandelingen door het park uitrustte, vooral aan den grooten vijver, in de nabyheid van een zacht-ruischenden waterval, en maakt u opmerkzaam op het kleine eilandjen, waar de Vorstelijke familië dikwijls op schoone zomeravonden in de open lucht de thee gebruikte. De regtschapen Vorst, die steeds het goede wilde, ook schoon hy misschien dikwijls faalde in de keuze der middelen om het te bereiken, zocht hier, vooral gedurende het laatste tiental jaren zijner regeering,dikwerf verpoozing van de zorgen, die by voorkeur de hooggewelfde paleizen omzwerven.”Voorwaar! Wie ook thands dat prachtige park doorwandelt, hy zal nog het woord bestemmen, reeds in 1841 gesproken: Het is zoo aangenaam er rond te dolen met iemant, die er zich thuis vindt, en nog iets weet te verhalen van gintsche tijden, toen PrincesLouizehier nog haar geliefkoosd verblijf hield, en een dier bekoorlijke tentjens bewoonde; toen onze Koningin met zooveel blijdschap hare rust genoot in deze stille afgescheidenheid van de waereld; toen PrincesMariannezich nog in het liefelijk hofjen verblijdde, dat ter zijde van het paleis nog de dagen harer kindsheid vertoont; toen de boerderij, die zoo vriendelijk door het groen bedekt is, haar een zoo beminnelijk Nederlandsch karakter deed bezitten.—O, hetLoobevat een waereld van gedachten, niet uit te spreken, maar die menigmaal een traan in ons oog deed opwellen!—OnderWillemden Eerste werden ook de ruime vijvers gegraven, wier oevers zulk een prachtig gezicht opleveren, en die in onze dagen door zijn kleinzoon aanmerkelijk werden verbeterd en verfraaid, zoodat zy thands een der grootste cieraden van het trotsche park uitmaken.Ook de oude en reeds lang vergeten valkenjacht werd er weder in het leven terug geroepen, en met koninklijke vergunning aangelegd door den Baron d’Offemont, SirCharles Stuart Wortley, en de beide HeerenNewcombe, en wel van den 1enJuni 1839, tot in den aanvang der volgende maand.—Tot den jachtstoet behoorden 16 edelvalken en 2 tertsels, onder het opzicht der gebroedersBoth, Valkeniers vanValkenswaard. De heide rondom de Soerensche bosschen was ook weder de streek die door de ervaren jagers gekozen was. Wanneer regen, of te sterke wind, den valken het snel vliegen niet verhinderden, en de jacht alzoo onbelemmerd plaats kon vinden, werden de terugkeerende reigers op een kwartier afstands van het woud, en onder den wind daarvan, opgewacht: gedurende het tijdsverloopvan 2 ure in den namiddag, tot aan het vallen van den avond. Telkens werden er twee valken naar een reiger geworpen, waarvan er echter altoos éen hem ving, en nooit beiden te zamen; somtijds werd er slechts een enkele valk opgeworpen, die om zijne byzondere vlugheid en kracht Bulldog heette. Het getal der gevangen reigers bedroeg in het geheel 104.Ernstiger herinnering bewaart hetLoovan het volgende jaar 1840. De Koning, moede van de zorgen eener regeering, die sedert 1830 vooral door de schandelijke trouweloosheid der Mogendheden verbitterd was, en vergeefs worstelende tegen een tijdgeest, waarmede hy zich niet vereenigen kon, kwam tot een besluit, zeldsaam onder gekroonde hoofden: hy wilde van zijn kroon afstand doen. In het laatst van September vertrok hy uit’s Gravenhagenaar hetLoo. En op Woensdag den 7enOktober daaraanvolgende, ten 12 ure op den middag, stond hy in de groote receptie-zaal van het paleis voor de marmeren tafel, omgeven van zijne kinderen en kleinkinderen, in tegenwoordigheid van de Ministers, de Leden van den Raad van State, en die van den Geheimen-Raad voorLuxemburg, en teekende er de acte van abdicatie, ten behoeven van zijnen oudsten zoon, wienNederlandsints by voorkeur zijn ridderlijken Koning noemt.Zonderling is men te moede, wanneer men in die rijke zaal staat, en zich dat belangrijk en plechtig oogenblik voor den geest stelt. Maar als ge dan door de spiegelheldere glasschijven over het ruime met acaciaas beplante voorplein, tusschen de zware eiken tegenover den ingang, door de lange beukenlaan staart—dan gevoelt ge zoo levendig, hoe de door zorgen beknelde borst vrij en ruim ademen moest, nu ze het persende harnas had afgegespt.KoningWillemde Tweede had eene voorliefde voor het door hem byna omgeschapeneTilburg, en was derhalven niet zoo dikwerf als zijn vorstelijke vader op de oude lustplaats derOranjeste vinden, schoon de valkenjachten nog eenigen tijd in wezen bleven. Toen echter zijn onverwachte en te vroege doodhem wech nam van een volk dat hem vereerde en liefhad; en dat diep en ongekunsteld rouwe droeg by de mare van zijn spoedigen dood—toen werd op hetLooweder eene oude herinnering als opgewekt met den naam vanWillemden Derde.Met dezen Vorst is ook werkelijk weder een nieuw tijdperk van bloei voor hetLooaangevangen. Talloos zijn de veranderingen en verfraaiïngen, door hem aan dit uitstekende landgoed aangebracht, waarvan, behalven de reeds gemelde opluistering der groote vijvers achter in het park, vooral de verbetering der wegen opmerking verdient. Natuur en kunst gaan thands op de uitnemendste wijze hand aan hand; en by het eenzaam omdwalen onder dat prachtig geboomte, die trotsche beuken, die eerwaardige eiken, die statige linden, die donkere dennen: allen reusachtige scheppingen der krachtige natuur, vergeet ge haast, dat de kunst juist daar is geweest, om u dat alles in die weelde te doen genieten. Byna 400 bunders grond zijn thands omperkt; en de moestuin, die geen gelijke inEuropaheeft, beslaat 7 bunders.Een geheel nieuw schouwspel vertoonde zich op hetLooin 1851, door den wedstrijd der Boogschutterijen, die op het ruime, daartoe opzettelijk ten vorigen jare ingerichte grasperk by den ijskelder, de proeven hunner behendigheid aflegden,—feestelijk werden onthaald, en uit de Vorstelijke hand de hun toegezegde prijzen ontfingen. Later diende dit perk voor de tentoonstelling, door de Geldersche maatschappij van landbouw gehouden. In het zelfde jaar 1851, werd ook de smaakvolle schouwburgzaal ingewijd, die onder ’s Konings toezicht aan den rechter vleugel der voorgebouwen is opgericht.Alzoo is hetLooeen kolossaal en prachtig gedenkteeken, dat de geschiedenis van het Huis vanOranjeomvat, van den eerstenWillemden Derde af, tot aan den tweedenWillemden Derde toe, van wien het nageslacht eenmaal moge kunnen getuigen, als het thands van zijnen grooten voorvader doet. En gaarne spreekt de rechtschapen Nederlander den dichter na, die den Vorst uit de warmte zijns harten toebidt:Een derdeWillemstichtte ’tLoo.Wordt ook Uw naam niet dus gelezen?—O DerdeWillem! moge ook zooDe naam Uws Vaders op U wezen!Hy was het borstschild vanEuroop—Wees gyOud-Nederlandsbeschermer!En Gy,Oud-NederlandsOntfermer!Vervul doorWillemNeêrlandshoop!—1Zie Prof.van Lennepsboeiende Verhandeling over het belangrijkevanHollands grond en oudheden voor gevoel en verbeelding.2HertogArnold.3Haasloop Werner.4Henrick Bentynckoverleed in 1530.—Margaretawas Prioresse van het klooster teSutphen.—Fennewerd Non in het klooster teYsendoorn.—Adolfvolgde zijn vader op.—Janwerd Proost vanArnhem, en Deken vanDeventer.—Annahuwde met HeerSegervanArnhem; enAleydemetFilipsvanVarick.Kareloverleed in 1536 ongehuwd.5FilipsvanLalaing, Grave vanHoogstraten, ’s Keizers Stadhouder overGelderland, en na hem zijne opvolgers ook onder het bestuur der Staten, hebben er tytel en voordeelen van genoten, tot op de omwenteling van 1795.6En niet, zoo als men, zelfs by Gelderschen, geschreven vindt, in den voorgevel.7Zie blz. 141.8De zoon en opvolger des konings vanPruissen,Frederikde Derde, heeft in ’t jaar 1754, alles wat zijn vader by dit verdrag in de ProvincieHollandtoebedeeld was (zijnde de Heerlijkheden derHooge-enLage ZwaluwemetKlein-WaspikenTwintighoeven, en de HeerlijkhedenNaaltwijk,Hoenderland,Wateringen,Oranje-polder,’s GravesandeenZand-ambacht, het Huis in denHage, genaamd het Oude-Hof, en het Huis teHondsholredijk), ten behoeve van den zoon en opvolger des Prinsen vanOranje, PrinsWillemden Vijfde, voor ƒ 700,000 verkocht.—Wagenaar.9Engelen.
Schoon ik een open zin en een warm hart voor hetoudeheb, ben ik toch volstrekt niet ingenomen met hetverouderde, en van weinige dingen heb ik een zoo volstrekten afkeer, als van verouderde klachten.
Het jachtslot Het Loo.Het jachtslot Het Loo.
Het jachtslot Het Loo.
En niettegenstaande dit, wil ik echter nog eenmaal op eene verouderde klacht terug komen, omdat de ergelijke grond van haar ontstaan met iederen zomer weer op nieuw herleeft:
»Wy—neen, Goddank! nog niet wy, maar toch, helaas! nog velen onzer—zoeken de oorspronkelijke schoonheid der natuur nog altoosbuiten, niet in ons vaderland; en wie onder ons aanspraak maakt op den naam van man van beschaving en opvoeding, kent, zoo hemZwitserlandenItaliënog vreemd zijn, ten minste deMaas- enRijn-streken door eigene aanschouwing; ook nog, by toeval, de omstreken eens buitenverblijfs van verwant of vriend, en heeft waarlijk ook wel eens hooren beweren datNederlandzelfs rijk aan natuurschoonheid is—maar onder dit laatste schrijven zijne verbaasde blikken: »quod est demonstrandum!”
De arme dwaas!—
Ik erger my over hem, meent ge? Waarlijk niet: den man, die ƒ 50.000 jaarlijksch inkomen bezit, en zich nog altijd misdeeld waant, omdat hy geen ƒ 500.000 heeft—beklaag ik slechts; en—in een zeer netelige luim zou ik misschien zeggen,dat hy voorMeerenbergrijp is, als zoo menige politieke Tinnegieter onzes tijds.
Nederlandarm aan waarachtige natuurschoonheid!
»Zou het oord misdeeld zijn, waar de rivier tusschen bloemhoven en lustwaranden kronkelt, waar de duinbeek onder het eikenloof ruischt, en de nachtegaal uit de bloeiende meidoorn zingt!—Schaduw en lommer is, ook na den val der oude bosschen, nog immer inHollandovervloedig onder boomen van allerhande soort: want ook hier vertoont zich de bevallige verscheidenheid, en onze herfst pronkt even zeer met het late groen der eiken, als onze lente met het vroege loof van olmen, beuken, linden. Waait ons van deze laatsten in den zomer een welriekende balsemgeur toe—niet minder streelt ons in het voorjaar de balsemgeur der voor den daauw zich openende berkenknoppen.—Naast de hooggetopte boomen onzer dreven tiert weelderig het lager houtgewas, met veelvuldige schakeering van elzen- en esschen- en berken- en eikenloof, in bosschen, die voor de bijl der houthakkers niet vallen, dan om blijder telkends weder uit te schieten. Tusschen deze bosschen loopen rij- en wandelwegen in bochten en kronkelingen, zoo verscheiden, datVondelze eigenaardig by die van den Cretenzer doolhof vergelijken kon. Op dezen rondgevoerd, zien wy nu dichte houtwallen, dan een open plein; hier het geboomte schilderachtig tegen de duinen opklimmen, dáar met abeelen- en berkenstammen aardig in het watervlak zich spiegelen, gints met donker loof bevallig tegen het goud der akkervelden of het malsche klavergroen der weiden afsteken.—Zoo groeien hier opHollandsbodem duizenderlei bloemen in het wilde op, en vormen onze weiden tot een veldtapijt, en onze bosschen en dreven, ja ook onze wildernissen en duinen, tot geurige lusthoven. Op klei en veen, op geest en duinzanden, op land en water, wassen hier in een kort bestek de kruiden en heesters van ver uit een liggende landstreken: de plant der Alpen en het zeewier, de boterbloem der moerassen en het varenkruid.—Over de kelken dezer in het wild verspreidebloemen zweven tallooze bontgewiekte vlinders, en dartelen en glansen in de zomerzon.—Zoo leeft en tiert dan ook by ons het bosch.—Maar als in de Hollandsche, door ons afgemaalde streken, op een schoonen lentemorgen de leeuwrik klapwiekend en zingend stijgt van uit de weide, waar het jonge lam by de moeder dartelt, en het runddier wellustig de klaver afscheert; als de liefelijke waassem van het jeugdig groen en van duizend lentebloemen ons verkwikkend tegenwaait; als in vaart of vliet, tusschen waterlisch en geurige calmus, de visschen spartelen; als uit elzen- en iepenloover het gekir van woud en tortelduiven, het gefluit der meerels, en de zang der nachtegalen zich onderling afwisselen—dan gebeurt het niet zelden, dat, by zooveel genot, ons gevoel als overstelpt wordt, en ons hart te eng schijnt om tevens al dien wellust te bevatten.”1
Laat hem in den vreemde gaan reizen, die misdeeld genoeg is omHollandsweelderigen rijkdom aan schilderachtig natuurschoon te kunnen ontkennen; laat hem in den vreemde gaan reizen—hy zal ’t ook dáar niet vinden: zijn gemoed mist den open zin, den spiegel die ’t weerkaatsen moet.
En valt er zooveel reeds in de natuur aan den Hollandschen duinzoom te genieten—hoeveel meer dan nog in dat uitnemend gewest, dat (door onze vervelende zucht naar vergelijking met den vreemde) den naam vanNeêrlands Zwitserland, of eener dergelijke Nederlandsche vreemdigheid, draagt!
»O!” wordt er gezegd: »ook daar zijn we geen vreemdelingen; wy kennenArnhemen zijne verrukkelijke omstreken zeer goed!”
Maar ge zult toch in waarheid niet meenen, dat ge het oorspronkelijk schoon vanGelderlanddáar te zoeken hebt?—Zoo ge my toestemmend andwoorden moet, dan bewijst ge daarmêe, dat ge genoegen smaakt in wandelen tusschen groene bergenen fraaie dreven, onder prachtige beuken zoowel als onder cierlijke acaciaas, door kunstelijk grotwerk zoowel als langs klaterende fonteinen—maar uw gevoel voor de natuur spreekt er nog volstrekt niet uit.—Zijt ge zoo gelukkig dit te bezitten, en weet ge alzoovruchtbaarheidvan produktiviteit,statigen ernstvan eentoonigheid,vrije natuurschakeeringvan kunstige afwisseling te onderscheiden—ga dan naar dat deel vanGelderland, dat door een zijner eigene Hertogen2werd gekenmerkt als »een wilt en bijster lant, daer veel overgrepen in geschiên plegen.”—
Dáar, op deHooge-Veluwe, zal de reiziger, die gewoon is in vreemde gewesten de natuur te gaan bewonderen, zich met eigene oogen gaan overtuigen, hoe rijk ook onze vaderlandsche bodem aan natuurschoon is. Met welgevallen zal hy opmerken, welk eene bekoorlijke afwisseling van land- en veldgezichten die landstreek oplevert; hoe ook daar de kunst op eene bevallige wijze de hand reikt aan de natuur; hoe schoon, hoe schilderachtig vele dorpen en gehuchten dáar zijn gelegen; hoe ongelijk en golvend er de grond is, vooral aan den voet der zoogenaamde Woldbergen; hy zal verbaasd staan over die uitgestrekte heide, die zich over een lange keten van heuvels uitbreidt; in die heide, waarop de veelsoortige erica met hare zacht en helder purperen bloemen bloeit, eene plant, die slechts aan de eene zijde van onze planeet, te weten inJutland,Holstein,Hanover,Westfalen, enNederland, wordt gevonden:—en niet zonder belangstelling zal hy die eeuwenheugende wouden aanstaren, die zich als ware het nog in hunnen natuurstaat bevinden.
En hoe vele boeiende overleveringen zijn niet verbonden aan dien belangwekkenden bodem; hoe vele herinneringen uit lang vervlogen dagen doemen dáar op voor onze verbeelding; hoe wordt daar de geest gestemd tot ernst en overdenking!—3
En juist dáarom is die woeste, purperbruine, met donkergroen geschakeerdeVeluwezoo dubbel aantrekkelijk voor den beschaafden Nederlander (wie de geschiedenis zijns lands niet kent, zal men natuurlijk nietbeschaafdheeten!). En hoe eindeloos in getal, hoe veelsoortig en afwisselend zijn hier de historische herinneringen! By iederen voetstap: uit elken tijd: van toen de eerste Germaan er het zand boven de urne zijner dooden ten heuvel opwierp, tot toen de hervorming er de Sint-Jans Ridders uit hun rustig verblijf wechdreef; van dat een Koning vanEngelander ter verpoozing van staatszorg zijne valken opschoot, tot toen een Koning vanNederland, door staatszorg vermoeid, er den scepter nederleî.—Hoe veel voor het hart; hoeveel voor het hoofd! Hoe veel voor de wetenschap; hoe veel voor de poëzy!—
Wie onzer schilders zal nog eenmaal by zijne gave ook wetenschappelijk genoeg gevormd zijn, om er ons de historische landschappen van te schenken? Wie onzer dichters, om die landschappen met de handelingen van het voorgeslacht te bezielen?
By zoo grooten rijkdom wordt de keuze van onderwerp zeker moeielijk; maar niet alleen voor den dichter, of den schilder—ook voor den geschiedschrijver, wanneer hy zich ten taak heeft gesteld om slechts enkele onderwerpen te behandelen.Dusis het thands my, nu ik op deVeluwetusschen de eeuwen rondwandel, en niet naar eenig merkwaardig overblijfselzoek, maar deze zich by menigten aan myopdringen.
En wanneer ik dan den vinger zet op eene plaats, waar de herinneringen zich ten naauwste aan het Huis vanOranjeverbinden, dan vreeze ik geenszins naar het minder belangrijke te hebben gegrepen.
Een halfuur noordwaart van het grijzeApeldoornligt eene heerlijke plek gronds; niet, gelijk men ze wel eens heeft aangeduid, als een
Blinkende esmeraud, gevallen midden in het heidezand;
Blinkende esmeraud, gevallen midden in het heidezand;
maar
Als in glansend goudgevonkel ’t flonkren van den diamant.
Als in glansend goudgevonkel ’t flonkren van den diamant.
Van heuvelige heide, en dichte, eeuwenheugende wouden omgeven, rees daar in de 16eeeuw het jachtslot van den Hertooglijken MaarschalkJohan Bentynck, uit de heldere gracht omhoog.
HeerJohanwas een zoon uit het oud en edel Geslacht vanBentync, dat reeds in de veertiende eeuw in groot aanzien stond. Zijne echtgenote,Joanna, des Heeren dochter vanAppeltern, ontsproot mede uit een der edelste geslachten van hetGelreland. Zy schonk hem vier dochters, waarvan de twee oudsten in den geestelijken staat—de beide jongsten in het huwelijk traden; en vier zoons, waarvan drie ongehuwd, en de eenige die gehuwd was, toch kinderloos overleed.4
Reeds in 1503 werd hy met de HeerlijkheidArensberghe(thandsBerrinkhuizen) en de tienden inEngeland, op deVeluwe, beleend, en omstreeks dien zelfden tijd verlijd met het Jagermeesterschap opVeluween in hetNederrijkswald, waarin hy vervolgends in 1511 weder bevestigd werd.
Wanneer, en door wie zijn huis hetLoogesticht was, en of het leven zijner vroegere bewoners in rust of in onvrede was voorby gegaan, daarvan weet de historie, noch de overlevering te spreken. Dat het een lust- en jachtslot der Geldersche Hertogen zou geweest zijn, is eene opvatting van lateren tijd, in den onze wederlegd, en voor goed vernietigd.
Onder het toenmalig kerspelApeldoirngelegen, was het tot in 1537 een vrij, eigen goed, en werd den 31enAugustus van dat jaar doorJohanin leen opgedragen aanKarelvanEgmond, zijn Hertog en Heer, dien hy sints veertig jaren getrouwelijk gediend had.
De Hertog nam die opdracht willig aan, en maakte uit erkentelijkheid voor dit en menige trouwe dienst, het ambt van Jagermeester opVeluween in hetNederrijks-wald, »mit allen sijnen rechten, renten ind toebehoir” erfelijk in het Geslacht vanBentynck. Te voren was aan deze waardigheid ook het bezit van het Huis en de HeerlijkheidHoeckelomverknocht geweest; maar daar dit sedert 1481 metHermanvanHoeckelomvervallen was, verbondKareler andere, nieuwe voordeelen aan, en regelde de inkomsten van het ambt voor goed; 31 Augustus 1537. Tevens bepaalde hy de erfopvolging in dezer voege:
»Ind nae sijner doet sall datselve Ampt erven ind vallen op sijnen altsten soenAdolph Bentynck, in soe voirtaen then euwigen daegen toe, soe lange dair mansgeboert is, van sijnenAdolffsindKairlssijnen sone, van lijven gekoemen. Ind ingevall die mansgebuert te eniger tijt gebreecke, soe sal dat vurscr. onse meyster Jhegerampt erven ind vallen op onsen diener ind lieven getrouwenSegervanArnhem, ind op sijne kynderen mansgebuert, die hij ind sijne huysvrouweAnna Bentynckxtoe saemen verkregen hedden. Ind gebreck van den sall datselve ampt weder aen ons, onsen erven ind naekoemelyngen koemen ind vallen.”
»Ind nae sijner doet sall datselve Ampt erven ind vallen op sijnen altsten soenAdolph Bentynck, in soe voirtaen then euwigen daegen toe, soe lange dair mansgeboert is, van sijnenAdolffsindKairlssijnen sone, van lijven gekoemen. Ind ingevall die mansgebuert te eniger tijt gebreecke, soe sal dat vurscr. onse meyster Jhegerampt erven ind vallen op onsen diener ind lieven getrouwenSegervanArnhem, ind op sijne kynderen mansgebuert, die hij ind sijne huysvrouweAnna Bentynckxtoe saemen verkregen hedden. Ind gebreck van den sall datselve ampt weder aen ons, onsen erven ind naekoemelyngen koemen ind vallen.”
En de omstandigheid, by deze laatste bepaling geregeld, had weldra plaats.
Johan Bentynck, die als eerste Edelman uit deVeluwede overeenkomst van 27 Januari 1538, omtrent de vereeniging vanGelderenSutphenmetGulickenClevemede bezegelde, bekleedde zijne waardigheid tot in 1543, toen hy op den 16enOktober overleed, en ze, met het bezit van ’tLoo, aan zijn oudsten zoonAdolfnaliet.
HeerAdolf, nu Erf-Jagermeester van deVeluwe, werdterstond beleend met de HeerlijkhedenArensbergheenWesterhof, en met de tienden vanEngeland. Het liep echter tot den 19enSeptember 1547, eer hy door KeizerKarelden Vijfde, sedert 1543 Hertog vanGelder, met het Jagermeesterschap derVeluween de Heerlijkheid hetLooverlyd werd, waarby het heergewaad, ook voor ’t vervolg, werd vastgesteld op twee witte windhonden en een jachthoorn.
Hy overleefde de bevestiging van zijn erfrecht niet lang, want hy stierf reeds den 30enMei des volgenden jaars, en liet zijne kinderlooze gade,MargaretavanValck, als eene eenzame weduwe achter.
Daar nu zijn broederKarel, gelijk wy gezien hebben, reeds ongehuwd overleden was, viel het Jagermeesterschap, ingevolge de door HertogKarelvanEgmondgemaakte bepalingen, op hun schoonbroederSegervanArnhem, gehuwd metAnna Bentynck, na wier (mede kinderloos) overlijden, het weder aan het Hertogdom te rug kwam.5
De Heerlijkheid hetLoobleef echter nog een wijle aan de vrouwelijke zijlinie van het geslacht:Aleyde Bentynck, HeerFilipsechtgenote vanVarick, bekwam het by erfenis van haren broeder, te gelijk met de HeerlijkheidWesterhof.
In hoeverre het, nu wy dit alles met zekerheid weten, nog daarenboven aan te nemen zij, datGelderlandsmeest beruchte Maarschalk,MartenvanRossum, de bouwheer van het kasteel wezen mag, kunnen wy niet meer verdedigen, al schijnt zijn wapen, met het jaartal 1538, op het binnenplein boven den ingang van den linker zijvleugel6te staan.
En al moeten wy nu in de prachtige bosschen, of op de heuvelige heide rondom hetLoo, den forsch-gebouwden krijgsman en jager by uitnemendheid, den ruwen brandstichter met zijn toch zoo open en welwillend gelaat, missen—deBentyncksen hunne verwanten en vrienden (of wat Edelman, vroeger of daarna, het gezellige jachtslot moge bewoond hebben) zullen de groene wouden en paersche heivelden niet steeds eenzaam, en het ranke horendragend-, het knorrende tandmachtig-, of het schuwe kleine wild, niet steeds in rust gelaten hebben. Daarom willen wy ons dan ook eens geheel in de eigenaardige woeling rondom eenjachtslotverplaatsen,—den bezitters en hunne gasten in hun geliefkoosd vermaak volgen, en ons daar in laten geleiden door twee uitmuntende gidsen. Volgen wy eerst den HeerHaasloop Werner, wanneer hy de jacht in ’t woud vergezelt.
»Een prachtige stoet van jagers en jageressen, gezeten op statige rossen en vurige telgangers, op de hand den afgerichten sperwer of den vluggen valk houdende, doortrok toen meermalen deze foreesten. De trein werd geopend door moedige en fraai gekleede edelknapen, aan lederen leibanden de slanke hazewindhonden, de brakken en speurhonden voorttrekkende, die zoo driftig en ongeduldig waren, dat het hunnen geleiders veel moeite kostte, hen in hunne vaart te betoomen. Dan weergalmde het anders zoo stille woud heinde en verre van hondgebas en horengeschal; de grond daverde van het getrappel van paarden, en onder dat alles mengde zich nog het geroep van mannen en jongens, die met stokken op het kreupelhout sloegen, om het wild uit zijne schuilplaats te verdrijven. Dan werd het majestueuze hert,—dat nog op den morgen zijn dorst aan de bron gelescht, toen zijn fieren kop opgeheven, en met een zekeren trotsch het veld (dat met heuvelen en bosschen omringd, zich zoo aanlokkend voordeed) had overzien—opgejaagd en vervolgd; zijn fijne reuk had hem reeds den naderenden vijand voorspeld; éen oogenblik had het luisterend stil gestaan; was toen met bliksemsnelheid door het geboomte gevlogen; maar denog snellere pijlen en jachtsprieten, soms afgeschoten door eene vorstelijke hand, bereikten het meestal, en stervend zonk het ter aarde, om straks door de bloeddorstige honden te worden afgemaakt.”
Niet minder levendig was de hartstocht voor de valkenjacht, dat voorrecht en lievelingsbedrijf der Edelen, in het genieten waarvan de HeerVerstervanWulvenhorstons geleiden zal.
»Naauwelijks heeft de rijzende zon de nevelen van den ochtendstond voor zich heen gedreven, of alles is op het binnenplein van den ridderlijken burg reeds vol leven en beweging. De knapen hebben de fiere rossen opgetoomd, en de stallingen der ongeduldige honden ontsloten; de valkeniers de valken uit het valkenhuis gedragen en, van hunne fraaie kappen en schelklinkende belletjens voorzien, op het raam geplaatst; terwijl de havikken hunne gewone plaats in de keuken, voor de vuist van den rustigen weidman hebben verwisseld.
»Uit de hooge poort van het burchtgebouw treden nu de edele Vrouwen en Jonkers, door de luidblaffende spagnoelen (oude naam der spaansche honden, Espagneuls) omringd, in cierlijk gewaad te voorschijn. De eersten bestijgen de fraaie hakkenijen, of telgangers, met eerbiedige hulp der Jonkers, terwijl de geliefkoosde vogel de adelijke hand verciert. Behendig werpen zich de Ridders in den zadel der moedige rossen, en onder vrolijk jachtgeschal en het blaffen der honden trekt de statige trein over de breede ophaalbrug in het vrije veld.
»Op de ruime vlakte hebben de yverige honden pas een reiger uit het moeras opgedaan, of even spoedig stijgt de edele vogel met pijlsnelle vaart van de hand der Burchtvrouw. Te vergeefs tracht de reiger in eene bespoedigde vlucht zijn heil te zoeken. Een tweede opgeworpen valk dwingt hem tot het opklimmen in het luchtruim. Immer hooger en hooger stijgende, begint, onder het bemoedigend geroep der jagers, de felle kamp. Met de scherpe neb verdedigt de reiger zich onverschrokken tegen zijne machtige aanvallers, en de zege blijft onbeslist. Een daverend gejuich van den jachtstoet kondigt het opwerpen vanden derden vogel, den ouden beproefden geervalk, aan. Een pijl gelijk, stijgt hy, terwijl aller oogen op hem gevestigd zijn, boven den reiger en diens bekampers.
»In éen oogenblik heeft zijn geoefend oog het juiste punt gekozen, en eensklaps stort de reiger, door een krachtigen stoot als verlamd, van zijne overwinnaars gevolgd, uit het luchtruim. Ras ijlen de Jonkers toe; bevrijden den reiger uit de scherpe klaauwen, en bieden de buit aan hunne gebiedsters, terwijl een welgevallige blik van deze, het edel jachtvermaak verhoogt.”
En wilt ge, na de bywoning dezer beide jacht-dagen, nog die van een derde, en wel de vervolging van den ever, dat grimmige dier, dat nog lang op deVeluwegevonden, en waarvan waarschijnlijk de laatste in 1826 door den Baron vanLijndenvanOldenallergeschoten werd—zoo wil ik, by gebrek aan een anderen gids, zelf u voorgaan.
Het vochtige geboomt strijdt om zijn laatsten dosch,En laat het nog zoo noô van twijg en stengel los.—Alleen de krachtige eik draagt fier zijn bonte blâren,Al dorden aan zijn voet de rimpelende varen,—Al slaat de braamstruik, aan een purper-groene loot,Zijn laatsten looverpronk van hel en gloeiend roodOm ’t bruin en vochtig mosch van tronk en wortlen henen.
Het vochtige geboomt strijdt om zijn laatsten dosch,
En laat het nog zoo noô van twijg en stengel los.—
Alleen de krachtige eik draagt fier zijn bonte blâren,
Al dorden aan zijn voet de rimpelende varen,—
Al slaat de braamstruik, aan een purper-groene loot,
Zijn laatsten looverpronk van hel en gloeiend rood
Om ’t bruin en vochtig mosch van tronk en wortlen henen.
Een borstlige ever ligt daar aan den tronk te lenen,Op ’t uur des dageraads, die met zijn zilverglansReeds opstijgt tegen ’t blaauw van d’ oostelijken trans.De mistdrop kleurende aan de hooge en naakte takken,Door ’t windgeruisch verspat, laat zich door ’t loover zakkenOp ’t geelend woudriet en het hoog-gewassen kruid,Dat, weeldrig saamgegroeid, des evers kuil omsluit.Het zwart en ruige dier, half in dat groen verstoken,Ligt in zijn volle lengte, en knorrend, neêrgedoken.By wijlen steekt hy ’t oor door ’t nat gebladerte op,En richt van ’t laauwe mosch den borsteligen kop.Hy wordt onrustig. Op de schrap gezette hoevenVerheft hy ’t bovenlijf, en blijft beweegloos toeven,Met star gevesten blik, van grimmige angst vervuld,Terwijl zijn vochte lip zich om den slagtand krult:—Twee donkere oogen, door de lagere elzenstammenGenaderd, blikken scherp de zijnen toe, en vlammenHem aan:—de speurhond is aan ’t einde van zijn spoor;Hy koos zijn richting goed—en is zijn vijand voor.
Een borstlige ever ligt daar aan den tronk te lenen,
Op ’t uur des dageraads, die met zijn zilverglans
Reeds opstijgt tegen ’t blaauw van d’ oostelijken trans.
De mistdrop kleurende aan de hooge en naakte takken,
Door ’t windgeruisch verspat, laat zich door ’t loover zakken
Op ’t geelend woudriet en het hoog-gewassen kruid,
Dat, weeldrig saamgegroeid, des evers kuil omsluit.
Het zwart en ruige dier, half in dat groen verstoken,
Ligt in zijn volle lengte, en knorrend, neêrgedoken.
By wijlen steekt hy ’t oor door ’t nat gebladerte op,
En richt van ’t laauwe mosch den borsteligen kop.
Hy wordt onrustig. Op de schrap gezette hoeven
Verheft hy ’t bovenlijf, en blijft beweegloos toeven,
Met star gevesten blik, van grimmige angst vervuld,
Terwijl zijn vochte lip zich om den slagtand krult:—
Twee donkere oogen, door de lagere elzenstammen
Genaderd, blikken scherp de zijnen toe, en vlammen
Hem aan:—de speurhond is aan ’t einde van zijn spoor;
Hy koos zijn richting goed—en is zijn vijand voor.
Het boschzwijn richt zich gants, en houdt de rollende oogenNiet van den spie meer af. Daar komt hy toegevlogen,Als tot den houw gereed. De rappe jachthond deinst,En springt gestrekt te rug. Maar de aanval is geveinsd:De listige ever schudt de borstels; wendt omzichtigEn schijnbaar traag zich af... en schiet dan, snel en schichtig,Door struiken en struweel, en stormend op de vlucht...
Het boschzwijn richt zich gants, en houdt de rollende oogen
Niet van den spie meer af. Daar komt hy toegevlogen,
Als tot den houw gereed. De rappe jachthond deinst,
En springt gestrekt te rug. Maar de aanval is geveinsd:
De listige ever schudt de borstels; wendt omzichtig
En schijnbaar traag zich af... en schiet dan, snel en schichtig,
Door struiken en struweel, en stormend op de vlucht...
Een blaffen schalt hem na—en plotslijk trilt de luchtVan ’t bassen van rondom, dat andwoordt. Kreten rijzen,En rossen brieschen; schelle woudhoorngalmen wijzenEn seinen plaats en spoor. ’t Gevogelt krijscht in ’t rond.Al ’t wild, vervaard, schiet op van ’t leger, langs den grond.Het dorre loover kraakt beneden; ratelt boven;De felle jachtstorm is de woudkrocht ingestoven—’t Is alles éen rumoer.
Een blaffen schalt hem na—en plotslijk trilt de lucht
Van ’t bassen van rondom, dat andwoordt. Kreten rijzen,
En rossen brieschen; schelle woudhoorngalmen wijzen
En seinen plaats en spoor. ’t Gevogelt krijscht in ’t rond.
Al ’t wild, vervaard, schiet op van ’t leger, langs den grond.
Het dorre loover kraakt beneden; ratelt boven;
De felle jachtstorm is de woudkrocht ingestoven—
’t Is alles éen rumoer.
’t Is alles éen rumoer.Voort, jaagt het boschzwijn, voort!De dichtste struiken in; het ruwst, moerassigst oord,De diepste wildernis en dreven om en over.Het schaaft door ’t reuzig riet; het sproeit het dorre looverMet schuim; het streeft moeras en woudstroom in en door—De drijvers marren niet, maar houden kloek het spoor.Het dreunend hoefgestamp, het schallen van den horen,Het schaatrend jachtgekrijt, klinkt altoos in zijne ooren:Dan verre, en dan naby—maar immer onvermoeid,En tot éen krijgskreet van verschrikking aangegroeid.
’t Is alles éen rumoer.Voort, jaagt het boschzwijn, voort!
De dichtste struiken in; het ruwst, moerassigst oord,
De diepste wildernis en dreven om en over.
Het schaaft door ’t reuzig riet; het sproeit het dorre loover
Met schuim; het streeft moeras en woudstroom in en door—
De drijvers marren niet, maar houden kloek het spoor.
Het dreunend hoefgestamp, het schallen van den horen,
Het schaatrend jachtgekrijt, klinkt altoos in zijne ooren:
Dan verre, en dan naby—maar immer onvermoeid,
En tot éen krijgskreet van verschrikking aangegroeid.
De trillende aadren zijn den vluchteling gezwollen.Zijn gloeiende adem schijnt tot lillend schuim te stollenOm d’ opgestoken snuit. Zijn puilend oog, van bloedDoorspat, wordt haast onzeekre leidsman voor zijn voet.Zijn kracht schept voedsel uit zijn woede. Twee paar drijvers,Hem tot op ’t lijf genaakt in ’t blinde vuur huns ijvers,Zien zich besprongen van den vluchtling, snel gedraaid,En hun op ’t lijf gestort met bitse kracht. Hy zwaaitDen groven kop, en scheurt zijn houwers, fel en vlimmigGescherpt, met heesch gesnaauw, maar moordend snel en grimmig,Den heeten honden dwars door buik en ingewand,En werpt hen krimpend in ’t met bloed gekleurde zand.
De trillende aadren zijn den vluchteling gezwollen.
Zijn gloeiende adem schijnt tot lillend schuim te stollen
Om d’ opgestoken snuit. Zijn puilend oog, van bloed
Doorspat, wordt haast onzeekre leidsman voor zijn voet.
Zijn kracht schept voedsel uit zijn woede. Twee paar drijvers,
Hem tot op ’t lijf genaakt in ’t blinde vuur huns ijvers,
Zien zich besprongen van den vluchtling, snel gedraaid,
En hun op ’t lijf gestort met bitse kracht. Hy zwaait
Den groven kop, en scheurt zijn houwers, fel en vlimmig
Gescherpt, met heesch gesnaauw, maar moordend snel en grimmig,
Den heeten honden dwars door buik en ingewand,
En werpt hen krimpend in ’t met bloed gekleurde zand.
Maar ’t spoor blijft ongewischt. En ’t huilen der gewondenIs slechts een lokkend sein voor nieuwe koppels honden,Wier gretig bassen van hun komst reeds waarschuwt. WildVan woede en vrees, die in de ontstoken nieren lilt,Schuimt de ever voort, en door de breedst-gewassen varen,—Het rankrigst kreupelgroen,—de dichtste hazelaren,En breekt een hollen gang door ’t ruige struikgewelf.Maar in zijn listig pad vermoeit hy slechts zich-zelf:De veilige eenzaamheid is dáar ook slechts gedroomd.Als drupplen in een straal, niet scheidbaar meer, zóo stroomtDe jachtstoet altoos na.
Maar ’t spoor blijft ongewischt. En ’t huilen der gewonden
Is slechts een lokkend sein voor nieuwe koppels honden,
Wier gretig bassen van hun komst reeds waarschuwt. Wild
Van woede en vrees, die in de ontstoken nieren lilt,
Schuimt de ever voort, en door de breedst-gewassen varen,—
Het rankrigst kreupelgroen,—de dichtste hazelaren,
En breekt een hollen gang door ’t ruige struikgewelf.
Maar in zijn listig pad vermoeit hy slechts zich-zelf:
De veilige eenzaamheid is dáar ook slechts gedroomd.
Als drupplen in een straal, niet scheidbaar meer, zóo stroomt
De jachtstoet altoos na.
De jachtstoet altoos na.De felle drijvers winnenMet ingespannen kracht, en louter vuur van binnen.Zy naadren..... naadren..... Als een pijl schiet een hun vóor,En ’t hijgend zwijn ter zij. Het voelt in ’t siddrend oorDe heete tanden. ’t Rilt, en staat. Het rukt, en bukt zichTen doodelijken houw—maar thands vergeefs.
De jachtstoet altoos na.De felle drijvers winnen
Met ingespannen kracht, en louter vuur van binnen.
Zy naadren..... naadren..... Als een pijl schiet een hun vóor,
En ’t hijgend zwijn ter zij. Het voelt in ’t siddrend oor
De heete tanden. ’t Rilt, en staat. Het rukt, en bukt zich
Ten doodelijken houw—maar thands vergeefs.
Ten doodelijken houw—maar thands vergeefs.Daar drukt zichEen tweede hondenmuil ’t gebit in ’t ander oor....En heel de stortvloed volgt, hem nageschuimd in ’t spoor,En werpt zich op zijn leên. Het schijnt een berggevaarteVan wriemelend gediert, hem plettrend met hun zwaarte.Het zwarte bloed stroomt neer; het schuim vliegt op en om;De zweetdamp walmt in ’t rond; geblaf, gehuil, gebromGalmt schor en wild door een. De doggen slaan de tandenIn rug en schoft en zij.
Ten doodelijken houw—maar thands vergeefs.Daar drukt zich
Een tweede hondenmuil ’t gebit in ’t ander oor....
En heel de stortvloed volgt, hem nageschuimd in ’t spoor,
En werpt zich op zijn leên. Het schijnt een berggevaarte
Van wriemelend gediert, hem plettrend met hun zwaarte.
Het zwarte bloed stroomt neer; het schuim vliegt op en om;
De zweetdamp walmt in ’t rond; geblaf, gehuil, gebrom
Galmt schor en wild door een. De doggen slaan de tanden
In rug en schoft en zij.
In rug en schoft en zij.Van dolle woede aan ’t branden,En trillende van pijn, houwt hy nog eenmaal rond,En kwetst in ’t wilde, en sleurt een enklen dog ten grond...Maar krimpt zijn spieren saam, by de ijskoû van de rillingDie hem naar ’t harte schiet—en strekt met woeste trillingDe grove leden uit, voor immer:—
In rug en schoft en zij.Van dolle woede aan ’t branden,
En trillende van pijn, houwt hy nog eenmaal rond,
En kwetst in ’t wilde, en sleurt een enklen dog ten grond...
Maar krimpt zijn spieren saam, by de ijskoû van de rilling
Die hem naar ’t harte schiet—en strekt met woeste trilling
De grove leden uit, voor immer:—
De grove leden uit, voor immer:—En nu toogDe jager ’t staal, dat tusschen schouderblad en oogHet hart getroffen had, te rug, en wischte ’t rustigIn ’t zweet der borstlen af.
De grove leden uit, voor immer:—En nu toog
De jager ’t staal, dat tusschen schouderblad en oog
Het hart getroffen had, te rug, en wischte ’t rustig
In ’t zweet der borstlen af.
Zulke tafreelen rijzen u onwillekeurig voor den geest, wanneer ge in de ruime keuken, aan den rechter vleugel van ’t gebouw, voor den breeden met hertshorens vercierden schoorsteen staat, en nog half onder den indruk ligt van het statig en geurig lommer, dat ge pas verlaten hebt. Want, zoo als de dichter van den »Hollandschen Duinzang” zingt:
Nog is jacht hier genoeglijk, en ’t weidspel in eer,By wie rustig de leden wil reppen;
Nog is jacht hier genoeglijk, en ’t weidspel in eer,
By wie rustig de leden wil reppen;
en de vergaderde buit wordt natuurlijk in de keuken saamgebracht, thands nog zoo wel als in de dagen der Edelen vanArnhem, vanVoorst, vanIsendoorn, vanStepradt, en vanDornick, die slot en Heerlijkheid achtereenvolgend bezaten.
In het midden der zeventiende eeuw, trok het de aandacht van den Prins-StadhouderWillemden Derde, die, even als zijn vader, dikwerf op deVeluwede genoegens der jacht genoot. De toenmalige eigenaar was HeerJohan CarselisvanDornick, met wien de Prins onderhandelen deed over den verkoop, die in 1656 tot stand kwam.
Willemde Derde was een te voortreffelijk jager, om niet aan de uitmuntende omstreken zijner nieuwe bezitting by voorkeur te hechten. Maar ook als lustplaats trok ze hem aan, en hy besloot tot de oprichting van een nieuw gebouw, in de nabyheid van het eerste, ’tgeen ook weldra onder het geoefend opzicht van zijn vriendGodartvanReede, later Graaf vanPortland, verrees, en naar den toenmaligen bouwtrant schoon mocht genoemd worden, al kon men niet zeggen dat die stijve bouwlijnen zoo goed met de weelderig-trotsche natuur daar rondom samenstemden, als het oude jachtslot, dat met zijn bus- en klokvormige torenspitsen zoo rustig tusschen het reusachtig geboomte in de heldere gracht lag. Het was toen echter geen smaak om de kunst met de natuur te doen harmoniëren: men waande het genialer, om de natuur naar regelen, door de kunst voorgeschreven, te vervormen, en zoo ging het ook hier. De tijdgeest vond dat schoon, vond dat prachtig—en de grootste mannen der eeuw bogen hun fier hoofd voor het corset en den hoepelrok.
En de rijke en weelderige lokken van het krachtigeVeluw-landschap vielen onder de spichtige vingeren van een Franschen kapper, die ze besnoeide, verknipte, tot averechts krullen of sluik neerhangen dwong—kortom: ze ten eenenmale tot een magere pruik vernielde—alles volgends de dorre en ijskoude metriek van den vernuftigen natuur-verminkerle Notre, den toenmaligen wetgever in de hofbouwkunst.
In 1672 bedreigde echter de uitgebroken oorlog al dit kunstwerkmet vernietiging. Een bende Franschen kwam stroopende in de nabyheid van hetLoo, en scheen wel voornemens zich er meester van te maken, toen zekereJan van Sprang, achter boomen en struiken verborgen, zoo wakker zijn trom roerde, dat de stroopers, geregelden weêrstand, misschien zelfs wel aanval duchtende, ijlings aftrokken. Nog wijst men er u zijn graf, op de zelfde plek, die eenmaal getuige zijner kloekmoedige beradenheid was.
Toen de Prins later den troon vanEngelandbeklom, vormde hy al spoedig het plan, om zijn princelijk lusthuis tot een echt koninklijk buitenverblijf te verheffen.
De gebouwen, lusthoven, beplantingen, fonteinen en waterwerken verkregen, naar den eisch des tijds, een nieuwen luister. De gantsche plaats, met al de lanen en dreven, besloeg ongeveer eene ruimte van 160 morgen lands. Drie tuinen, die de geheele breedte van het hoofdgebouw met zijne zijvleugels besloegen, van elkander afgescheiden door rechte, lommerrijke lanen, en allen omringd door terrassen en beplantingen, volgden elkander achter het paleis op, en verrukten den toenmaligen beschouwer door hunne regelmatigheid, door hunnen rijkdom van watersprongen, marmerbeelden, grotwerken, taxis-figuren, palm-pyramiden en andere hofcieraden—schoon ze ons thands, ondanks hunne schaduwloosheid, zouden doen huiveren. En om dat alles de kroon op te zetten, werd er besloten om van denAsselt, een hoogen heuvel, door middel van steenen potten, een waterleiding naar den tuin te brengen, om eene fontein te vormen, wier waterstralen zich in den sprong boven het paleis zouden verheffen. Van deze potten, die, den weg van een uur lang, in eene doorloopende richting onder den grond zitten, wordt tegenwoordig nog menig een opgegraven.
De vorstelijke Stadhouder, op wiens schouderen zoo groote en zoo moeielijke staatszorgen rustten, kwam byna jaarlijks naar herwaart over, om er in zijn geliefkoosd jachtbedrijf eene verkwikkende uitspanning te vinden; en de krachtige hand, die indie dagen het evenwicht vanEuropaomklemde, enFrankrijkstrotschen Koning onverwrikt diens plaatse aanwees—schoot hier met vrolijke behendigheid den valk op, of loste het jachtroer op den borsteligen ever of het snelvoetige hert. Nog wijst men in het Gardersche bosch een op zich-zelf staanden eik aan, den Konings-eik genoemd, waarWillemzijne jachtmaaltijden hield, en die, naar het schijnt, ook wel eens voor schijf moet hebben gediend: scheuren in de schors toch, doen hier en daar menigen kogel bespeuren. Niet verre van daar, in het zoogenaamde Heidendal, ligt ook nog de hertenbron, een schilderachtige waterkom, waar, rustig en eenzaam, het statig geboomte zich weêrzijds van den rand en uit de diepte verheft, en den vlakken spiegel met een verheven lommer dekt.
De reigerjacht was het evenwel by uitnemendheid, die er door den Vorst werd uitgeoefend, waartoe de ruime heivelden rondom deUdeler-meir zoo gunstige en uitlokkende gelegenheid aanboden, terwijl het vischrijk water-zelf de reigers uit hetSoerenschebosch by menigte aan zijn kalmen oeverzoom lokte.
De Staten vanGelderlandgaven den Koninklijken jager intusschen een bewijs hunner hulde, door hetLooen de buurschapNoord-Apeldoorn, op de 10enDecember 1694, te verheffen tot eene hooge Heerlijkheid, ten behoeve van hem en zijne nakomelingen.
Vroeger dan men vermoed had, viel deze verheffing weder in een. Zes jaren later, in de eerste dagen van Maart, deed de Koning zijn noodlottigen wandelrid naarHamptoncourt; plotselijk struikelt het paard,—de ruiter valt,—breekt het sleutelbeen—en reeds op den 19endier zelfde maand beweentEngelandhet verlies zijns Konings,—Nederlanddat zijns Stadhouders, aan wien het zoo groote, en niet altoos naar waarde erkende, verplichtingen had.
DaarWillemde Derde geen kinderen naliet, werd de hooge-Heerlijkheid van hetLooook terstond vervallen verklaard, en op den 4enApril 1702 weder aan het Landdrost-ambt derVeluwegehecht.
Nu behoorde hetLoo, even alsIJsselsteyn7, onder degoederender nalatenschap, waarvan het bezit door de erfgerechtigden, KoningFrederikvanPruissenenJohan Willem Friso, onderling betwist werd. Na den dood des laatsten, 1711, geraakte het slechts tot eene voorloopige bemiddeling; maar by de meerderjarigheid van PrinsWillem Carel Hendrik Frisokwam men op de zaak te rug, en deed moeite tot eene bepaalde afdoening.
BaronDiederikvanLynden, Heer van dePark, ’s Princen Opperhofmeester,—BaronHobbevanAylva, Drossaat van ’t GraafschapBuren, ’s Princen Opperstalmeester, enJohan Duncan, zijn gewone Raad en Rekestmeester, en Raad en Rekenmeester zijner domeinen, werden als gevolmachtigden naarBerlijngezonden, en sloten er in ’s Princen naam eene overeenkomst, die zy vervolgends op den 16enJuni 1732 teDierenonderschreven, nadat de onderteekening van ’s koningswege reeds den 14ender vorige maand teBerlijnhad plaats gevonden.
By deze schikking geraakte hetLoogelukkig in handen van den Prins, en werd alzoo weder het eigendom van den Nassauschen stam.8
Na ’s Princen benoeming tot Stadhouder der geünieerde Provinciën, beschonken de Staten vanGelderlandnogmaals, en wel by besluit van 13 Januari 1748, hetLoomet de rechten eener hooge Heerlijkheid, en vergrootten er het gebied van, door de byvoeging van het geheele Ambt vanApeldoornen derUdeler-meir. Thands werd het weder levendiger in de zalen, dreven, tuinen en pleinen der lustplaats; want ookWillemde Vierde vertoefde er van tijd tot tijd, en deed verbeteren en verfraaien waar hy dat noodig rekende. En toen de wakkere en bedrijvige Vorst »die zich ook zonder den oorlog voor het Vaderland opofferde,” onder zijn onvermoeiden arbeid voor het belang derNederlanden, op den 24enOktober, 1751, bezweek, keerden stilte en eenzaamheid op hetLoote rug, en hielden er weder gedurende eenigen tijd een ongestoord verblijf.
’s Princen eenige zoon, de goedaardigeWillemde Vijfde, die reeds op achttienjarigen leeftijd de waardigheden en—staatszorgen zijns vaders erfde, verpoosde zich gaarne op hetLoo, en deed er vooral de diergaarde uitbreiden, waartoe het geschenk van den Admiraal vanBraem, na de verovering vanMalabar, van twee schoone Aziatische olifanten, hem uitmuntend te stade kwam. Zijne zachte geaartheid deed hem in de jacht weinig aanlokkelijks vinden, zoodat hy die byna geheel ter zijde stelde voor zijn meer geliefkoosd vermaak der visscherij, die door de nabyheid derUdelermeir, met hare verbazend groote snoeken, steeds uitlokkende bevrediging vond. Van deze vischpartijen wist de geleider, die nog voor korte jaren den bezoeker van het paleis en der tuinen vergezelde, veel te verhalen; en de goede Prins, wiens verlangde komst telkens door hardloopers met hunne mytervormige mutsen en geslingerde staven werd aangekondigd, en die zoo lieftallig en gemeenzaam jegens allen was, stond hem, hoewel toen pas een knaap zijnde, nog helder voor den geest.
Het bleven intusschen niet immer pleziertochten, die reizen naar hetLoo: Toen heerschzucht en vrijheidskoorts den Staten vanHollanddermate benevelden, dat zy het Stadhouderschap vervallen verklaarden, en den Prins daarenboven het bevel over de Haagsche bezetting ontnamen—waren het zeker geene genoeglijke denkbeelden van uitspanning en verpoozing, die den edelen Vorst door het hoofd dwaalden, toen hy de onstuimige hofplaats voor zijne stille lustplaats ontweek.
Dit was nog niet de treurigste slag die hem trof.
De tusschenkomst der Pruissische benden, onder den Hertog vanBrunswijk, herstelde het geschonden gezach slechts voor een tijd. Op den 18enJanuari, 1795, verliet de miskende Stadhouder het misleideNederland, en hetLoozag hem nimmer weder rustig en nadenkend door de dreven dwalen.
En hoe het toen metGelderlandsprachtigst buitenverblijf geschapen stond, blijkt uit de woorden van den Baron vanSpaen, wier aandoenlijkheid in hunne eenvoudigheid spreekt: »Thands heeft deeze Heerlijkheid het lot van alle de goederen van het huis vanOranjeondergaan; en de vriend van zijn Vaderland moet de eenzaamheid van die uitgestrekte gebouwen, van die kunstige waterwerken, van die aangename wandeldreven betreuren, dewijl die, door eene talrijke Hofhouding in den zomer bewoond, vreemdelingen aanlokten en veel vertier veroorzaakten; ’twelk voor de ingezetenen der schrale hoogeVeluweeen bron van welvaart was, die nu uitgedroogd is.”
En die toestand van verlatenheid was nog de ergste niet; zelfs niet de baldadigheden, door de Engelschen gepleegd, toen zy uit de zuidelijkeNederlandenterug, en hier door trokken, brachtten er zoo veel verwoesting, als de naar geld grijpende hand van het Bestuur der eerlijke Bataafsche-Republiek: De zwaarste boomen werden omgehouwen, het lood der daken en fonteinpijpen afgeworpen en opgegraven, en met de prachtige meubelen, en wat door kostbaarheid van waarde was.... te gelde gemaakt!
En indien dit geschiedde door den Staat-zelf—hoe kon men dan verwachten, dat de vreemdeling minder dorre gevoelloosheid verraden zou! Zeker—wanneerJohan Bentynckzijn fieren gebieder op zijn jachtslot onthaalde, en alles daar wemelde van den rijkdom en de pracht des Hertooglijken aanhangs—dan heeft hy wel nooit, ook maar niet van verre, vermoed, dat het eenmaal tot een »armzalig hospitaal” voor soldaten zou worden verlaagd. En wanneer GraafGodartvanPortlandde door hem aangelegdezalen en vertrekken voorNederlandzag gewijd door de voetstappen van zijn vorstelijken vriend, dien men thands erkent een der grootste Koningen vanGroot-Britanjete zijn geweest—toen heeft hy zeker ook nooit gedacht, dat eenmaal een deel der armee van die zelfde Franschen, door eenWillemden Derde zoo nadrukkelijk in toom gehouden, de leden, met eene walgelijke huidziekte overdekt, daar zouden neêrstrekken, en somtijds, door verregaande onvoorzichtigheid hunne eigene krijgsgenoten, gevaar zouden loopen om met het gebouw-zelf in vlammen te verteeren.
En toch—het jachtslot werd tot een hospitaal verlaagd; en toen het getal der kranken tot byna zes duizend geklommen was, vervulde het ook voor een groot deel de zalen en vertrekken van het paleis. En toen eenmaal, nog steeds in 1795,Deventer,Zutphen,DoesburgenArnhemnalatig waren in het voldoen der vorderingen ten behoeve van dat hospitaal, dreigde de Generaalvan Damme, met de volmaakte onbeschaamdheid van een Franschen veroveraar, dat hy een deel der besmettelijke huidzieken van hetLooby de burgers dier steden zou doen inlegeren.
De herschepping van de NoordelijkeNederlandenin een KoninkrijkHolland, was voor hetLooeene weldaad. De goedeLodewijk—een andereWillemde Vijfde, maar met minder begrip eener voormalige Hollandsche deugd, die spaarzaamheid heette—had niet zoodra kennis met de vernielde lustplaats gemaakt, of hy verlangde dat ze in beteren staat gebracht, en weder tot een vorstelijk verblijf zou ingericht worden.
Op dien koninklijken last togen nu alle handen aan het werk; en weder naar den toenmaligen, wel ietwat kleingeestigen, maar minder onnatuurlijken, smaak ingericht—was hetLooweldra in staat, zijn vroegeren roem te handhaven. Jammer slechts, datLodewijksbygeloovige zwakheid het jachtslot (waar intusschen reeds voor 1730 de peer- en klokvormige torendaken in de tegenwoordige spitsen veranderd waren) een der grootste cieraden ontnam, door het doen dempen der gracht, wijl hem gezegd was, dat hy zich in ’t algemeen voor water zou hebben te hoeden.Het voorkomen van het jachthuis is er merkelijk door verminderd, en het maakt thands meer den indruk van een zware en versterkte poort, dan van een klein kasteel. Op het paleis, weldra door zijn bekwamen bouwmeesterTibaulthersteld en verbeterd, deed hy de eetzaal tot kapel inrichten; dit is later weder veranderd en op den ouden voet gebracht, maar de gedempte gracht zal waarschijnlijk wel immer in den tegenwoordigen toestand blijven. OnderLodewijksbelangrijkste verbeteringen behoort voorzeker het aanleggen van den straatweg, die de tot op dien tijd gebezigde mulle heibaan verving. De koning, hoe wisselziek van aart ook, bevond zich dikwerf op hetLoo; en in den zomer van 1808 konden de omwoners zich elken zondag te goed doen aan het vreemde en schitterende schouwspel, dat de parade van de garde, de ruiterij, en het voetvolk hun opleverde.
Maar ook dit ging weldra voorby. Het jaar 1810 was daar; het KoningrijkHollandwerd by het Keizerrijk ingelijfd, en metLodewijksvertrek bleven van den voormaligen drokken en woeligen stoet in paleis en jachtslot niet dan slechts weinige beambten over.
Toen echter de groote veroveraarNapoleonin het volgende jaar doorGelderlandtrok, kreeg alles op hetLooweder voor korten tijd een vorstelijk aanzien. In de maand Oktober was de Keizerin, vergezeld van den PrinsNeufchatel, de schoone HertoginMonte-Bello, en geheel een schitterenden hofstoet, aangekomen, en men verwachtte er ook den Keizer-zelf. Deze, den 29edier maand onder het geleide van talrijke gewapenden vanZwollevertrekkende, kwam nog dien zelfden dag op het paleis aan, met den MaarschalkDuroc, Hertog vanFrioul, en een aanzienlijk gevolg, waarvan een deel hem op zijne wandelingen door de lustplaats vergezelde, nadat alvorens de paden en lanen van tuin en park door eene gewapende wacht van alle andere bezoekers was ontruimd. Geen arbeider zelfs was dan het blijven vergund. »Zoo bevreesd was de man, op wiens wenk duizenden zich in het stof bogen, dat de Hollanders, dien hy onlangs deweldaad bewezen had, van hen met het Groote Rijk te vereenigen, hem met ondank beloonen, en wellicht door gehuurde moordenaars een aanslag op zijn leven ondernemen zouden.”9—In de nacht tusschen 30 en 31 Oktober kwamen twee koeriers, met haastigen spoed, op hetLooaan, en de rust in de koninklijke slaapkamer, waar slechts de wit-satijnen ledikant-gordijnenNapoleonssluimer bespiedden, werd voor goed gestoord. Onverwacht gaf de Keizer bevel om nog dien zelfden dag te vertrekken; en op den avond sprak men er van zijne kortstondige verschijning, als van een bonten en wonderlijken droom, die van eene zonderlinge rust was opgevolgd. Kort daarna was de rust van geheelEuropaweder gestoord, en werden alom de geduchte toebereidselen gemaakt tot den tocht naarRusland.
En deze tocht naarRuslandlegde den grondslag tot de opeenvolging van gebeurtenissen, die den oranjeboomen op hetLooweder eene eigenaardige en vrolijke beteekenis gaven: in 1813 zette het Huis vanOranjevasten voet op den Nederlandschen bodem, enWillemde Eerste kende weldra geen uitlokkender oord tot ontspanning en rust, dan de schepping vanWillemden Derde.
»Sedert dien tijd werd hetLoode geliefkoosde lustplaats onzer vorstelijke familië, die hier meer dan op het kasteel teLaekenaan hare zucht voor eene burgerlijke levenswijze gehoor gaf.” Nog toont de gids die u er rond leidt »al de plekjens aan, waar KoningWillemvan zijne wandelingen door het park uitrustte, vooral aan den grooten vijver, in de nabyheid van een zacht-ruischenden waterval, en maakt u opmerkzaam op het kleine eilandjen, waar de Vorstelijke familië dikwijls op schoone zomeravonden in de open lucht de thee gebruikte. De regtschapen Vorst, die steeds het goede wilde, ook schoon hy misschien dikwijls faalde in de keuze der middelen om het te bereiken, zocht hier, vooral gedurende het laatste tiental jaren zijner regeering,dikwerf verpoozing van de zorgen, die by voorkeur de hooggewelfde paleizen omzwerven.”
Voorwaar! Wie ook thands dat prachtige park doorwandelt, hy zal nog het woord bestemmen, reeds in 1841 gesproken: Het is zoo aangenaam er rond te dolen met iemant, die er zich thuis vindt, en nog iets weet te verhalen van gintsche tijden, toen PrincesLouizehier nog haar geliefkoosd verblijf hield, en een dier bekoorlijke tentjens bewoonde; toen onze Koningin met zooveel blijdschap hare rust genoot in deze stille afgescheidenheid van de waereld; toen PrincesMariannezich nog in het liefelijk hofjen verblijdde, dat ter zijde van het paleis nog de dagen harer kindsheid vertoont; toen de boerderij, die zoo vriendelijk door het groen bedekt is, haar een zoo beminnelijk Nederlandsch karakter deed bezitten.—O, hetLoobevat een waereld van gedachten, niet uit te spreken, maar die menigmaal een traan in ons oog deed opwellen!—
OnderWillemden Eerste werden ook de ruime vijvers gegraven, wier oevers zulk een prachtig gezicht opleveren, en die in onze dagen door zijn kleinzoon aanmerkelijk werden verbeterd en verfraaid, zoodat zy thands een der grootste cieraden van het trotsche park uitmaken.
Ook de oude en reeds lang vergeten valkenjacht werd er weder in het leven terug geroepen, en met koninklijke vergunning aangelegd door den Baron d’Offemont, SirCharles Stuart Wortley, en de beide HeerenNewcombe, en wel van den 1enJuni 1839, tot in den aanvang der volgende maand.—Tot den jachtstoet behoorden 16 edelvalken en 2 tertsels, onder het opzicht der gebroedersBoth, Valkeniers vanValkenswaard. De heide rondom de Soerensche bosschen was ook weder de streek die door de ervaren jagers gekozen was. Wanneer regen, of te sterke wind, den valken het snel vliegen niet verhinderden, en de jacht alzoo onbelemmerd plaats kon vinden, werden de terugkeerende reigers op een kwartier afstands van het woud, en onder den wind daarvan, opgewacht: gedurende het tijdsverloopvan 2 ure in den namiddag, tot aan het vallen van den avond. Telkens werden er twee valken naar een reiger geworpen, waarvan er echter altoos éen hem ving, en nooit beiden te zamen; somtijds werd er slechts een enkele valk opgeworpen, die om zijne byzondere vlugheid en kracht Bulldog heette. Het getal der gevangen reigers bedroeg in het geheel 104.
Ernstiger herinnering bewaart hetLoovan het volgende jaar 1840. De Koning, moede van de zorgen eener regeering, die sedert 1830 vooral door de schandelijke trouweloosheid der Mogendheden verbitterd was, en vergeefs worstelende tegen een tijdgeest, waarmede hy zich niet vereenigen kon, kwam tot een besluit, zeldsaam onder gekroonde hoofden: hy wilde van zijn kroon afstand doen. In het laatst van September vertrok hy uit’s Gravenhagenaar hetLoo. En op Woensdag den 7enOktober daaraanvolgende, ten 12 ure op den middag, stond hy in de groote receptie-zaal van het paleis voor de marmeren tafel, omgeven van zijne kinderen en kleinkinderen, in tegenwoordigheid van de Ministers, de Leden van den Raad van State, en die van den Geheimen-Raad voorLuxemburg, en teekende er de acte van abdicatie, ten behoeven van zijnen oudsten zoon, wienNederlandsints by voorkeur zijn ridderlijken Koning noemt.
Zonderling is men te moede, wanneer men in die rijke zaal staat, en zich dat belangrijk en plechtig oogenblik voor den geest stelt. Maar als ge dan door de spiegelheldere glasschijven over het ruime met acaciaas beplante voorplein, tusschen de zware eiken tegenover den ingang, door de lange beukenlaan staart—dan gevoelt ge zoo levendig, hoe de door zorgen beknelde borst vrij en ruim ademen moest, nu ze het persende harnas had afgegespt.
KoningWillemde Tweede had eene voorliefde voor het door hem byna omgeschapeneTilburg, en was derhalven niet zoo dikwerf als zijn vorstelijke vader op de oude lustplaats derOranjeste vinden, schoon de valkenjachten nog eenigen tijd in wezen bleven. Toen echter zijn onverwachte en te vroege doodhem wech nam van een volk dat hem vereerde en liefhad; en dat diep en ongekunsteld rouwe droeg by de mare van zijn spoedigen dood—toen werd op hetLooweder eene oude herinnering als opgewekt met den naam vanWillemden Derde.
Met dezen Vorst is ook werkelijk weder een nieuw tijdperk van bloei voor hetLooaangevangen. Talloos zijn de veranderingen en verfraaiïngen, door hem aan dit uitstekende landgoed aangebracht, waarvan, behalven de reeds gemelde opluistering der groote vijvers achter in het park, vooral de verbetering der wegen opmerking verdient. Natuur en kunst gaan thands op de uitnemendste wijze hand aan hand; en by het eenzaam omdwalen onder dat prachtig geboomte, die trotsche beuken, die eerwaardige eiken, die statige linden, die donkere dennen: allen reusachtige scheppingen der krachtige natuur, vergeet ge haast, dat de kunst juist daar is geweest, om u dat alles in die weelde te doen genieten. Byna 400 bunders grond zijn thands omperkt; en de moestuin, die geen gelijke inEuropaheeft, beslaat 7 bunders.
Een geheel nieuw schouwspel vertoonde zich op hetLooin 1851, door den wedstrijd der Boogschutterijen, die op het ruime, daartoe opzettelijk ten vorigen jare ingerichte grasperk by den ijskelder, de proeven hunner behendigheid aflegden,—feestelijk werden onthaald, en uit de Vorstelijke hand de hun toegezegde prijzen ontfingen. Later diende dit perk voor de tentoonstelling, door de Geldersche maatschappij van landbouw gehouden. In het zelfde jaar 1851, werd ook de smaakvolle schouwburgzaal ingewijd, die onder ’s Konings toezicht aan den rechter vleugel der voorgebouwen is opgericht.
Alzoo is hetLooeen kolossaal en prachtig gedenkteeken, dat de geschiedenis van het Huis vanOranjeomvat, van den eerstenWillemden Derde af, tot aan den tweedenWillemden Derde toe, van wien het nageslacht eenmaal moge kunnen getuigen, als het thands van zijnen grooten voorvader doet. En gaarne spreekt de rechtschapen Nederlander den dichter na, die den Vorst uit de warmte zijns harten toebidt:
Een derdeWillemstichtte ’tLoo.Wordt ook Uw naam niet dus gelezen?—O DerdeWillem! moge ook zooDe naam Uws Vaders op U wezen!Hy was het borstschild vanEuroop—Wees gyOud-Nederlandsbeschermer!
Een derdeWillemstichtte ’tLoo.
Wordt ook Uw naam niet dus gelezen?—
O DerdeWillem! moge ook zoo
De naam Uws Vaders op U wezen!
Hy was het borstschild vanEuroop—
Wees gyOud-Nederlandsbeschermer!
En Gy,Oud-NederlandsOntfermer!Vervul doorWillemNeêrlandshoop!—
En Gy,Oud-NederlandsOntfermer!
Vervul doorWillemNeêrlandshoop!—
1Zie Prof.van Lennepsboeiende Verhandeling over het belangrijkevanHollands grond en oudheden voor gevoel en verbeelding.2HertogArnold.3Haasloop Werner.4Henrick Bentynckoverleed in 1530.—Margaretawas Prioresse van het klooster teSutphen.—Fennewerd Non in het klooster teYsendoorn.—Adolfvolgde zijn vader op.—Janwerd Proost vanArnhem, en Deken vanDeventer.—Annahuwde met HeerSegervanArnhem; enAleydemetFilipsvanVarick.Kareloverleed in 1536 ongehuwd.5FilipsvanLalaing, Grave vanHoogstraten, ’s Keizers Stadhouder overGelderland, en na hem zijne opvolgers ook onder het bestuur der Staten, hebben er tytel en voordeelen van genoten, tot op de omwenteling van 1795.6En niet, zoo als men, zelfs by Gelderschen, geschreven vindt, in den voorgevel.7Zie blz. 141.8De zoon en opvolger des konings vanPruissen,Frederikde Derde, heeft in ’t jaar 1754, alles wat zijn vader by dit verdrag in de ProvincieHollandtoebedeeld was (zijnde de Heerlijkheden derHooge-enLage ZwaluwemetKlein-WaspikenTwintighoeven, en de HeerlijkhedenNaaltwijk,Hoenderland,Wateringen,Oranje-polder,’s GravesandeenZand-ambacht, het Huis in denHage, genaamd het Oude-Hof, en het Huis teHondsholredijk), ten behoeve van den zoon en opvolger des Prinsen vanOranje, PrinsWillemden Vijfde, voor ƒ 700,000 verkocht.—Wagenaar.9Engelen.
1Zie Prof.van Lennepsboeiende Verhandeling over het belangrijkevanHollands grond en oudheden voor gevoel en verbeelding.
2HertogArnold.
3Haasloop Werner.
4Henrick Bentynckoverleed in 1530.—Margaretawas Prioresse van het klooster teSutphen.—Fennewerd Non in het klooster teYsendoorn.—Adolfvolgde zijn vader op.—Janwerd Proost vanArnhem, en Deken vanDeventer.—Annahuwde met HeerSegervanArnhem; enAleydemetFilipsvanVarick.Kareloverleed in 1536 ongehuwd.
5FilipsvanLalaing, Grave vanHoogstraten, ’s Keizers Stadhouder overGelderland, en na hem zijne opvolgers ook onder het bestuur der Staten, hebben er tytel en voordeelen van genoten, tot op de omwenteling van 1795.
6En niet, zoo als men, zelfs by Gelderschen, geschreven vindt, in den voorgevel.
7Zie blz. 141.
8De zoon en opvolger des konings vanPruissen,Frederikde Derde, heeft in ’t jaar 1754, alles wat zijn vader by dit verdrag in de ProvincieHollandtoebedeeld was (zijnde de Heerlijkheden derHooge-enLage ZwaluwemetKlein-WaspikenTwintighoeven, en de HeerlijkhedenNaaltwijk,Hoenderland,Wateringen,Oranje-polder,’s GravesandeenZand-ambacht, het Huis in denHage, genaamd het Oude-Hof, en het Huis teHondsholredijk), ten behoeve van den zoon en opvolger des Prinsen vanOranje, PrinsWillemden Vijfde, voor ƒ 700,000 verkocht.—Wagenaar.
9Engelen.