Het Kasteel van IJsselsteyn.Daar zijn oogenblikken in het leven, waarop men waarlijk in verzoeking komt om te wenschen, dat sommige sprookjens uit de kinderkamer zich mochten verwerkelijken. Dat zijn wel het minst oogenblikken van kortswijl en luim—meer van hoogen ernst, en verreweg de meesten onzer hebben ze wel eens doorleefd. Het zij ge koopman zijt, en u een (want ge zijt Hollander!1) rechtvaardigen mammon tracht te verwerven; krijgsman, en de rust onzer dagen verwenscht, wijl ze u belet bloedige lauweren te winnen; geleerde, en dus het recht hebt om aan alles, soms ook aan u-zelf, te twijfelen; staatsman, en zoo doordrongen van de voortreffelijkheid uws stelsels, dat ge des noods den throon uws Konings zoudt ondermijnen, om u-zelf op het republikeinsch presidents-kussen te plaatsen—ja, schoon ge dit alles te gelijk waart—dan nog is er wel eens een oogenblik in uw leven geweest, waarop ge gewenscht hebt:—»dat toch steenen eens konden spreken!”Het kasteel te Ysselsteyn.Het kasteel te Ysselsteyn.Het wasdan, wanneer ge u in de sombere, zwaarmoedige bouwvallen van de eene of andere burcht bevond, en de geschiedenis daar de geheimen van den voortijd zoo spaarzaam ontsluierde, dat ge die donkere wulfsels, die holle gangen, die ledige hallen, die gewelflooze zalen, wel zoudt hebben willen ondervragen,indien ge ook maar half verzekerd waart geweest een enkel andwoord te zullen ontfangen.Wien deze gewaarwordingen nog onbekend mochten zijn—zoo hyHollandbewoont, ga hy naar de kollossale bouwvallen vanBrederode; zoo hy Stichtenaar is, wende hy zich naar de geringe overblijfselen van het Kasteel teIJsselsteyn—en ik vrees niet, dat hy, van daar wederkeerende, mijne stelling weêrspreken zal.Intusschen, wat de geschiedenis ook maar met eenige zekerheid van het eerste vermelden kon, hebben wy reeds getracht in het geheugen te rug te roepen2; beproeven wy dit thands ook met betrekking tot het laatste.De oorsprong van het edel geslachtIJsselsteynkan met redelijkheid niet vroeger dan op het midden der dertiende eeuw worden gebracht, en wijst op eene afstamming uit het toenmaals zoo machtige Huis vanAemstel. Wel vinden wy melding gemaakt van een Heer vanIJsselsteyn, in den Grimbergschen oorlog, 1144, gesneuveld, maar dit moet eene vergissing zijn3, terwijlJanvanIJsselsteyn, wiens erfdochterBertrandemetAernoutvanAemstelzou gehuwd zijn, moedwillig uit de lucht gegrepen is, om tusschen de beide geslachten een verband te brengen, dat door historische documenten geheel wordt weêrsproken.Gaan wy de geschiedenis-zelve volgen, zonder langer stil te staan by drooge verdichtselen, die niet eens, als zoo menige dichterlijke sage of naïve volks-overlevering, een historischen grondslag hebben.HeerGijsbrecht(de Derde) vanAemstel, die in 1251 overleed, had, behalven eene dochterBadeloch, die metHermanvanWoerdengehuwd was, nog drie zoons, waarvan de oudste, de schandvlek van zijn geslacht, hem opvolgde, de jongste,Willem,Proost van St.Janwas, en de middelste,AernoutofArent, wellichtverstandigzou hebben gedaan, indien hy zich aan de Erfdochter van een of ander rijk geslacht had verbonden, omdat zijne erfgoederen, daar hy de tweede zoon was, niet groot konden zijn. Hy raadpleegde evenwel zeker meer zijn hart dan zijn hoofd, want hy huwde eene Jonkvrouwe van onbekenden stam,Janne, ofJoanna, van wie het vrij duidelijk blijkt, dat zy volstrekt geene eigendommen bezat, en na den dood haars gemaals al heur inkomen trok uit eenige goederen, die hy haar in lijftocht had na gelaten. In 1267 legde hy den grondslag tot de latere HeerlijkheidIJsselsteyn. Hy pachtte namelijk in dat jaar, van het Utrechtsche Domkapittel, eenige goederen aan denIJssel, ongeveer ter plaatse waar deze zich toen reeds met deLeckvereenigde. Het voornaamste daarvan was het oudeEyterenofHeteren, thands een gehucht, toenmaals een welvarend en uitgestrekt dorp. Hier in de nabyheid stichtte hy vóor 1279 een burch of stein, dien hyIJsselsteynnoemde, welke naam, vervolgends op hem en zijn geslacht overgedragen, zoowel in de geschiedenis van het GraafschapHolland, als in die van het BisdomUtrecht, byna even spoedig vermaard als bekend werd.Aanvankelijk legdeAernoutzich vooral op het vermeerderen en inrichten zijner bezittingen toe. In 1278 kocht hy van den Abt vanOostbroeceenige goederen in het naby gelegeneGeyn, en in het laatst des volgenden jaars pachtte hy de tienden over de landerijen rondom zijn kasteel gelegen, die aan het Maria-kapittel teUtrechtbehoorden, voor vijf jaren, tegen 154 pond ’s jaars. De vijandelijkheden over den Vreelandschen tol, door zijn broederGijsbrechteigenmachtig geheven4, hadden inmiddels een einde gemaakt aan deze rustige bemoeiïngen van het landleven.Aernout,Gijsbrechtspartij kiezende, en mede breed opgevende van de grieven, hun door den Bisschop aangedaan, ontzegde zijn leenmanschap aan het Sticht, en nam in zijnsbroeders plaats het bevelhebberschap vanVreelandop zich. GraafFloris, den 5enSeptember 1278 metUtrechteen verbond gesloten hebbende, sloeg weldra het beleg voor dat kasteel, maar zag zich doorAernoutswakkere verdediging tot den aftocht gedwongen. Maar toen de strijd byLoenenvoorgevallen, enGijsbrechtdaarby doorCostijnvanRenessegevangen genomen was, werdAernoutonmachtig om zich alleen staande te houden, en leverdeVreelandin ’s Graven handen. Daarop werd hy met zijne broeders naarZeelandgevoerd, en moest daar blijven in eerlijke gevangenschap, tot zy zich hadden onderworpen aan de voorwaarden van den strengen zoen, die op den 27enOktober 1285 bezegeld werd, waarby zy hunne goederen ten volle aanFlorismoesten opdragen, en ze slechts gedeeltelijk weêr in leen te rug ontfingen.Toen zy eenmaal het weerspannig hoofd gebogen hadden, zullen zy nogtans den dag der bezegeling van de overeenkomst niet in ’s Graven hechtenis hebben behoeven af te wachten, maar wel onder verzekerden borgtocht ontslagen zijn. Wy vindenAernoutten minste in de voorhelft dier zelfde maand reeds weder zorgende voor de goederen zijner Heerlijkheid: Vrijdag na St. Victor (12 Okt.) 1285, werd de pacht der tienden verlengd voor zestien jaren, en vergroot met het daaglijksch recht en met de visscherij, om welke voordeelen het pachtgeld met 31 pond en vijf zalmen verhoogd werd.Hy smaakte zijne herkregen vrijheid niet zeer lang, en overleed reeds in het laatst van 1290, of in het begin van 1291. VrouweJoanna(die door GraveJanin het tijdelijk bezit harer weduwgoederen bevestigd werd) had hem twee zonen geschonken, waarvan de jongste, Heer vanBenscoep, eene treurige vermaardheid in de samenzwering tegenFlorisden Vijfde verkregen heeft, en de oudste,Gijsbrecht, als tweede Heer vanIJsselsteynoptrad.GijsbrechtvanIJsselsteyn, Maarschalk van het Sticht, verbond zich op den 25enOktober, 1294, benevens tien anderevoorname Utrechtsche Edelen, met GraafFloris, om dezen, ware ’t nood, te dienen tegen elk zijner vijanden, den Bisschop vanUtrechtdaar buiten gesloten. Hy heeft zich echter niet kunnen vrijwaren van de verdenking van meêplichtigheid aan de samenzwering, schoon hy niet handdadig was aan den moord. Dat hy met den Heer vanZuylenzich voegde byLoefvanCleveen de Hollandsche benden, die de moordenaars opCronenburchbelegerden, bewijst overigens nog niets voor zijne onschuld: zijn broederBenscoeptoch was mede daar binnen, en het liet zich reeds van den beginne af wel aanzien, dat die ruwe dorpersvuisten, brandende om toe te slaan, verpletterend en vermorzelend zouden nedervallen op die adelijke verradershoofden, wie honger en gebrek tot overgave dwingen moest. En schoonArentvanBenscoepgeen beter lot verdiende danWillemvanZaenden—ter wille vanGijsbrechtsbroederhart is het ons toch lief, datLoefvanCleveden verrader nog heeft kunnen behoeden, enGijsbrechthem in veiligheid teKervenheymwist.Maar weldra werdgijsbrechtstoestand zelf hachelijk.WolfaertvanBorssele, de heerschzuchtige staatsdienaar van den kinderlijkenJanden Eerste, de bondbreukigheid van BisschopWillemvanMechelenbemerkende, begon het Graafschap te versterken, en trachtte vooral daartoe de kasteelen op de Stichtsche grenzen te bezetten. Dat gelukte hem met het slot vanAmeide, doorDircvanHerlaerby overeenkomst daartoe afgestaan. Wie zich niet zoo gemakkelijk liet vinden, wasGijsbrechtvanIJsselsteyn.»Dat ware schande!” andwoordde hy opBorsselesaanzoek: »wanneer ik den Grave vanHollandmijn huis ruimde, daar ik Maarschalk van ’t Sticht ben5, en de Bisschop mijn rechte Heere is. ’t Bracht my oneere, zoo ik dat toestond—des weiger ik, er moge van komen wat er wil!”Verbitterd over dit mannelijk betoon van trouwe, zochtWolfaertnu langs den weg des gewelds zijn doel te bereiken. Den Maarschalk werden buiten het kasteel lagen gelegd door zijne valsche geburen,HubrechtvanVyanenen diens verwanten, op aanstoken uitHolland; en werkelijk gelukte het hun zich van hem meester te maken. Doch, schoon men hem naar het Kasteel vanCulemborchbracht, en aldaar in hechtenis hield—dat vanIJsselsteynwas daarom nog niet gewonnen:Bertrade, ofBaerte, vanHeuckelom,Gijsbrechtsgemalin, was een kloekhartige vrouw, die den vijanden van haren echtgenoot zoo wel den intocht weigerde als hy ’t zelf had gedaan. Dat menhemgeen leed zou doen, daarvoor achtte zy zich ook gewaarborgd door een trouweloozen knecht vanVyanen, die zich van zijns Heeren kind meester gemaakt, en het op denIJsselsteyngebracht had. En gelukkig voor haar, die kleene gijzelaar! Wie weet aan wat zielestrijd eenWolfaertvanBorsselehaar zou hebben overgeleverd, indienVyanenniet inGijsbrechtden borg voor het leven zijns kinds hadde te beveiligen gehad.Borsseledeed ’s Graven banier voor het Kasteel planten, en het dicht en zwaar beleggen; daarop herhaalde hy zijn eisch om overgave, op den forschen toon van stormtuig en staal:Straks wordt het schaatrend aanvals-teekenVan rij tot rij in ’t rond gehoord,En onder luid gejubel brekenDe benden op en rukken voort.Als golven die het strand beklimmen,Door barsche winden voortgestuwd,Zoo stormen ze aan. Een bui van vlimmenEn werpgesteente paart en huwtZich aan ’t gedrang. ’t KlaroengeschetterEn ’t rofflen van de holle tromDreunt samen met het staalgekletterEn krijten van den strijdbren drom.De hooge trans—de borstweer—’t kraaktVan steenen, ’t werptuig uitgebraakt.De stormram beukt de poort.Het rijs, in bergen aangebracht,Bevloert welras de diepe gracht,En stijgt er tot den boord.De ladders worden saamgetast,En hechten aan den muur zich vast;De strijders dringen voort,En klautren op, met sterke hand,En klemmen zich met knie en tandAan stijl en sporten vast.En stuift een dichte pijlenregenUit schietgat en kanteel hun tegen—Het aantal groeit en wast.En ’t scherp en gierend strijdgeluidGalmt boven gil en jammer uit,Al valt er menig een.En dondert ook een raatlend heirVan keien langs de wallen nêerEn morselt hoofd en leên;En storten krakend, splintrend daarDe ladders op en door elkaâr,De klimmers onder een,Verplet, verbrijzeld of verwond—Wie kan, verrijst weêr van den grond,Ten nieuwen storm gereed.En steeds vergroot zich weêr ’t getalDat opstijgt naar kanteel en wal,Met luider oorlogskreet.MaarBertradestond (om metVondelte spreken) als eene heldin op de haar toebetrouwde post, en iedere storm, hoe fel en langdurig, hoe scherp en vernielend, werd afgeslagen; en de blyde-steenen mochten een dak verbrijzelen, of een venster in stukken doen springen, of een verdediger dooden—zy maakten geen bres in de muren, die niet werd gedekt met trouwe in ’t staal gehulde borsten, tot dat de opening weer gevuld was.Nogmaals beproefdeWolfaertden weg der onderhandeling, maar met geen beteren uitslag. De trouwe gade wilde van niets hooren, tenzij men haar eerst toestond metGijsbrecht, haar gemaal, onbeluisterd te spreken, opdat ze zijn eigen woord mocht hooren, en zijn raad innemen, dien ze zekerlijk zou opvolgen. Maar of nu de belegeraars daar een list achter zochten, of dat zyGijsbrechtgenoeg kenden om van zijn raad geene verandering te wachten—hare voorwaarde werd niet aangenomen, en—schande over het hoofd van een Edelman, die aldus eene vrouw bestreed!—er werd besloten om haar door uithongering te dwingen.Lang hield de heldin het nog vol: byna een jaar; toen had gebrek aan voedsel de krachten verteerd; toen waren er slechtszeventienweerbare mannen op ’t kasteel—en in welken toestand nog!—Zoo de vijand thands storm blies, was alles reddeloos verloren. Trachte zy ten minste nu nog te behouden, wat behouden kon worden: zy bood de overgave van het kasteel aan, op voorwaarde van vrijen aftocht voor zich en de ingenoten.Het moet wel een hatelijke, een onmenschelijke glimlach zijn geweest, waarmeêWolfaertdien voorslag ontfing. DatHubrechtvanVyanen, die mede onder de belegeraars was, de uitlevering van den kinderdief wilde bepaald hebben, daarin lag niets onbillijks; maar laaghartig was het vanBorssele, dat hy volstrekt weigerde om meer dan de helft der verdedigers lijfsgenade toe te zeggen. Op de burcht werd over dien harden eisch beraadslaagd.—»De helft die aan my komt, zal die vrij zijnen van alles kwijtgescholden?” vroegBertrade.—»Dat zal zy,” andwoordde men haar. Toen onderwierp zy zich aan den bangen nood, die haar dwong om toe te geven. De poort werd geopend, en daar de brug geheel vernield was, werden er horden gelegd, waarover ’s Graven leger binnentrok.HubrechtvanVyanensloot zijn kind ongedeerd in de armen; over den verraderlijken knecht hield hy kort recht, en deed hem op het rad leggen.Bertrademoest aanvankelijk hare burchtzaten naarDordrechtvolgen, om getuige te zijn van een tooneel, waarinWolfaertsgemoed zijn volle gruwzaamheid uitsprak.De verachtelijke Baljuw vanZuid-Holland,Aloud,Wolfaertsoogendienaar, zat daar in den richterstoel, en er moest geloot worden om dood en leven. Hy verdeelde de zestien mannen aan twee zijden. Een uit hen zou beslissen welke acht de zaal slechts zouden verlaten om te sterven, want er waren twee balletjens, even groot en gelijk van kleur, maar het een besloot een Hollandschen penning die ten leven—het ander een Leuvenschen die ter dood wees.AloudmaakteBertrademet dat doel bekend.—»Nu zie, minnelijke Vrouwe!” sprak hy: »wien de Leuvensche penning ten deele valt, hebben ’t lijf verbeurd; wien de Hollandsche komt, zullen het behouden.”—BaljuwAloud! zie wel toe op de gelaatstrekken dier zestien mannen; zie vooral dáar heen, waar ze den vreeselijken angst der onzekerheid verraden, want—nog weinige maanden, en dan zult gy zoo voor eene woedende volksmenigte staan, die ook geen barmhartigheid kent! Als ge dan de koord om den hals zult voelen, waarmeê men u hangen zal, naast den beul—zult ge dan sterven als acht van dézen: met het bewustzijn van uw plicht te hebben gedaan?...Maar niemant voorzag dit nu nog;Aloudallerminst. Het lot besliste, hoe de hand gesidderd moge hebben die de wreede keuze moest doen; de verwezene helft der trouwe bezetting werd terstond onthalsd, de andere volgdeBertradenaarHeuckelom, indienten minste dit bericht meer waarheid behelst dan de regelen van den kronijkdichter:Dandre dedemen doe ghevaen.waar hy in billijke verontwaardiging op laat volgen:Dat dochte mi onrecht ende mesdaen!—Het kasteel en de landerijen vanIJsselsteyn(metBenscoepenWoerdendaarby) gingen uitBertradeshanden in die eener andere Edelvrouw over: GraafJanbeleende ze, opWolfaertsbede, aan diens gemalinSybille, die er zich toch niet lang Vrouwe van schrijven mocht: 1 Augustus, 1299, viel haar echtgenoot onder de moorddadige handen der verbitterde Delftenaren, en den 21 Mei 1300 ontfingGwyvanAvennesvan zijn broeder GraafJanden Tweede in rechten leen al de goederen op Stichtschen bodem6van diegenen, die met raad of daad schuldig waren aan GraveFlorisdood, en hiertoe werd ookGijsbrechtgerekend.Deze, die na de overgave van zijn kasteel losgelaten was, loerde slechts op de gelegenheid, om zich van zijn wettig eigendom weder meester te maken. De inval der Vlamingen in 1304, en de verwarring, door de gevangenneming des Bisschops in den noodlottigen strijd opDuveland, over het gantsche Sticht heerschende, kwamen hem daartoe weldra te stade. Of hy het in vrede, dan wel met gewapender hand weder in bezit nam, is onbekend.Stokemeldt alleen in twee regels denuitslag, niet dehandelingvan het feit, en zingt, als nam hy de slotwoorden van een volkslied over,EnGhisebrechtis opIJselsteine,Dat sine hadde geweest te voren.Zeker is hem dat bezit niet betwist geworden, want reeds den 13enJuni vinden wy hem rustig voor het belang zijner inkomsten zorgen, en daartoe van het Kapittel van St. Maria voor twee jaren in pacht nemen het laag gericht (om de opbrengst der boeten en breuken) vanIJsselsteyn, vanMerlo, en vanMarnedijc, met de tienden en visscherij, tegen 126 pond ’s jaars.In Augustus daarop stierf graafJande Tweede, en bekwam de dappere en edelmoedigeWillemde Derde den stoel vanHolland.Gijsbrechthaastte zich tot eenen zoen, en werd waarschijnlijk door den Graaf tot Ridder geslagen: op den 11enAugustus 1305, by eene dagvaart te ’sGravenhagetegenwoordig, werd hy onder de »Edele luyden, ’s Graven lieve en getrouwe mannen” genoemd, en by de Ridders geteld. En toen nu zijn oudste zoon,Aernout, in ’t huwelijk trad met ’s Graven nichtMaria, bastert-dochter van BisschopGwyvanAvennes, ontfingGijsbrecht-zelf het kasteel vanIJsselsteynmet de 32 morgen lands waar ’t op stond, een zeker stuk lands aan de noordzijde van de gracht teIJsselsteyn, 7.5 hoeven in ’tGeyn, 60 morgen lands teRypikerwaert, 44 morgen teBenscoep, 75 tePolsbroec, 18 teHoenscoep, en 12 teBloclant, in rechten leen. Wanneer wy nu hierby voegen de bezittingen en pachten onder den eerstenGijsbrechtvermeld, benevens die op blz. 118 voorkomende, dan kunnen wy ons van de Heerlijkheid in haren oudsten toestand, al een vrij duidelijk denkbeeld vormen.Intusschen was het getal der houten en rieten arbeiders- en dienstmanswoningen, rondom en in de schutse van het kasteel neêrgeslagen, allengs uitgebreid, en hier en daar met de woning van dezen en genen ambachtsman vermeerderd; menig bewoner vanEyterenhad die plaats verlaten, en zich onder denIJsselsteynneêrgezet; zoodoende was de buurt een gehucht geworden, en het gehucht tot de uitgestrektheid van een dorp aangegroeid, waar men groote behoefte begon te gevoelen aan eene kerk. HeerGijsbrechtverplaatste daarom, met toestemming van BisschopGwy, en onder erkenning van het recht der Kanunnikenvan St. Maria tot de begeving, de Kerspel-kerk vanEyterennaar zijn kasteeldorp, en bevestigde daarmede voor goed den grondslag der tegenwoordige stad, die nog altijd zijn naam draagt, schoon zijn wakker Geslacht reeds lang is uitgestorven.By dit alles vergat hy de ridderlijke wapenoefening niet: nog in het zelfde jaar, 1310, op het beroemd tornier vanBergen, waar omstreeks 190 Graven, Baanderheeren, Ridders, en Knapen, uitEngeland,Frankrijk,Duitschlanden deNederlandensaamgevloeid waren, pronkte ook zijn wapenbord: een gouden schild, beladen met een balk van sabel, alles gedekt door een sint-andries-kruis, van zilver en keel geschakeerd7. Hoeveel aanzien hy aan GraafWillemshof genoot, blijkt daaruit, dat deze hem in 1314 toestond om jaarlijks in het groene woud vanHaerlemeen hert te mogen dooden, en dit voorrecht zelfs erfelijk op zijn geslacht over te brengen. Ook werd hy tot ’s Graven Raad verheven, welke waardigheid hy tevens by den Bisschop schijnt bekleed te hebben; en in Maart 1317 beleende de Graaf hem met het gerecht, de tienden, de kerkbegeving, en eenige landerijen teBenscoep, met het gerecht en de tienden vanPolsbroec, en met de helft van het gerecht en van de visscherij teOpburen. Deze bezittingen vermeerderde hy nog in November 1319 met de Cuyksche leengoederen, ook reeds door zijne ouders bezeten, strekkende, langs deze zijde desIJssels, vanOpburentotSnadelenhoec, aan gene zijde, van ’tGeyntotFellenoirde, en verder bestaande uit het hooge en lage recht in denIJssel, de putten en palen, waarden en visscherijen aldaar, met alles wat tot eene Hooge Heerlijkheid behoort.In 1326 verkocht de Heer vanCuykal zijne eigendommen in het Sticht aan GraafWillem, en deze bevestigde het volgendejaar HeerGijsbrechtin het verlij; tot hiertoe was slechts het kasteel met eenige goederen daar rondom Hollandsch leen geweest, thands kwam er ook het hooge rechtsgebied der Heerlijkheid onder, want dit was uit de Cuyksche leenen ontstaan.In 1333 had hy het verdriet, zijn wakkeren jongsten zoonHerbarn, Ridder, Heer van denBussche, door eene noodlottige gebeurtenis te verliezen.Herbarnwas metJohanvan denZandein oneenigheid geraakt, die zoo hoog liep, dat het tot een gevecht kwam, waarin beide Edellieden sneuvelden. Het onrecht schijnt aan de zijde des Heeren van denZandegeweest te zijn, want in den zoen, tusschen de aanvankelijk verbitterde geslachten der gesneuvelden door den Proost van Sint-Pieter gesloten, werd den verwanten vanJohanopgelegd om een altaar en vicary te stichten in de kerk vanIJsselsteyn, met opdracht van het begevingsrecht aanHerbarnszoonGijsbrechten diens nazaten, en daarenboven tot het vestigen eener jaarlijksche rente van veertig grooten tornois, op de Maria-kerk teUtrecht, voor het doen van zielmissen ten behoeve van HeerHerbarn.GijsbrechtvanIJsselsteynoverleed tusschen 1341 en 1344, en werd opgevolgd doorAernout, den oudsten zijner drie toen nog levende zonen8. Deze was, als wy weten, in 1308 gehuwd metMariavanAvennes, en werd kort daarop tot de Ridderlijke waardigheid verheven, schoon sommige Edelen er laag op neêr zagen, dat hy zich aan eene Jonkvrouwe uit onechten bedde verbond. Hy voer er intusschen wel by; ontfing van zijn schoonvader nog op diens onverwacht doodbed (29 Mei 1317) de voogdij van het kasteelGoye; vermeerderde zijne inkomsten met eenige dagelijksche gerichten en schout-ambten, en was reeds een gezien Edelman, toen hy de Heerlijkheid van zijn geslacht beërfde, waarmede hy zichniet alleen door GravinMargaretadeed beleenen (1346), maar ook nog daarenboven door BisschopJanvanArckel, voor zoo ver deze te eeniger tijd in het bezit dier goederen mocht komen; ten opzichte van den Bisschop verbond hy zich daarentegen om te zorgen dat een verlangd huwelijk tusschen diens broederRobbrecht, den Ruwaard van ’t Sticht, enAleyde9, HeerOttovanArckelsErfzuster vanAsperenenHagesteyn, tot stand kwam, hetgeen ook werkelijk geschiedde. De goede verstandhouding tusschen hem en den Kerkvoogd ging echter in de oneenigheden tusschen den laatste met het Beiersch Gravenhuis vanHollandten onder:Aernoutdie de Hollandsche zijde hield, verkreeg daarvoor wel van HertogWillemhet belangrijk voorrecht om Utrechtsche ballingen tot poorters vanIJsselsteynte mogen toelaten, maar de uitoefening daarvan duurde niet lang, want toen zijn bestand met BisschopJanten einde geloopen was, terwijl deze zich teRomebevond, trok de Maarschalk van het Sticht op maandag na beloken Paschen voorIJsselsteynen sloeg er zijne tenten om heen.Vijf weken lang werd de plaats met allerlei stormtuig aangetast, en toen zagAernoutzich gedwongen tot de overgave, en genoodzaakt om met eede te bezweren, dat hy en de zijnen in ’t vervolg goede en getrouwe Stichtsmannen zouden blijven, en nimmer weder tegen den Bisschop of de stad oorlog voeren. Hy hield echter zeer slecht woord, voegde zich spoedig weder aan de Hollandsche zijde, en werd door HertogWillem, die hem »zwager”10noemde, met gunsten overladen, ja zelfs, met den tytel van Baanderheer, tot Hertooglijken Raad benoemd.De Bisschop was over dit alles niet weinig verbitterd, maar te vergeefs; en inHollandwasAernoutsaanzien zoo gestegen, dat hy, met HeerJanvanDrongelenen de stadDordrecht, in 1358 gemachtigd werd tot het waarnemen der regeering, tijdens de afwezigheid van HertogAelbrecht.Zijn ouderdom en langdurige ervaring moeten hem een groot vertrouwen verworven hebben, want dikwerf werd hy in belangrijke geschillen als scheidsman geroepen: onder anderen in 1359 tusschenEduard, des Hertogen broeder vanGelre, en HertogeAelbrecht; tusschen HertogAelbrechtenJan, den Heere vanArckel; tusschen den Heer vanArckelenJan, Heer vanPolanenen van deLeck. Ook schijnt er tusschen hem en den Bisschop eene volkomene verzoening tot stand gekomen te zijn: toen hy in 1360 eenige goederen aan de kerk teIJsselsteynschonk, en de Bisschop dit goedkeurde en bevestigde, noemt deze hem »onzen bloedverwant en Baanderheer.”Hy stierf, hoog bejaard, in 1362 of 1363, en werd in het volledig bezit der Heerlijkheid en alle goederen opgevolgd door zijne ErfdochterGuyotteofGwyda11, die sedert 1330 gehuwd was met den rijken, machtigen, en onvertsaagdenJanvanEgmond, van wiens daden reeds by de behandeling derEgmonderburcht gesproken is, en die, nevens zijne echtgenote, in 1366 door HertogAelbrechtmet de Heerlijkheid verlijd werd.Ook hunnen oudsten zoon en opvolger,Aernout, behoeft hier slechts herinnerd te worden. Als Heer vanEgmondenIJsselsteynbewees hy, in 1380, BisschopFlorisvanWevelichovengroote diensten by den oorlog met den overmoedigen RidderEveraertvanEssen, en het beleg van diens kasteel vanEerde. Ook werd onder zijn bestuur de stad in 1390 merkelijk versterkt, nadat ze in 1374 door de plundering van HeerWillemvanRees, Krijgsoverste van BisschopAernoutvanHoorn, veel geleden had.HeerAernoutstierf in 1409, en liet twee zonen na, waarvan de oudste,Jan, Heer vanEgmondwerd, terwijl de tweede,Willem, in het bezit vanIJsselsteyngeraakte.WillemvanEgmond van IJsselsteyn, gehuwd metJacobvanBorssele van Brigdammesweduwe,AnnavanHennin, eene dochter vanGauthier, Heer vanBossu, werd weldra in de oneenigheden gewikkeld, die tusschen zijnen broeder enWillemden Zesde ontstaan waren, en reeds onderEgmonddoor ons vermeld zijn12. Toen namelijkJanvanEgmondonder vrij geleide voor den Hoogen-raad vanHollandwas gedaagd, maar niet verscheen, werd hy ten gevolge daarvan gevonnisd als schuldig aan hoog verraad, en, met verbeurtverklaring zijner goederen, uit den lande gebannen. Hy achtte zich daarop inHollandniet langer veilig, maar vertrok ijlings naarIJsselsteyn, en zocht er by zijn broeder eene schuilplaats. De Graaf-Hertog zond, zonder lang te toeven, zijne gezanten derwaart, en deed kasteel en stad opeischen, maar ontfing een weigerend andwoord. Hierop verzamelde hy een deel zijner Ridderen en knechten, en zond ze, omstreeks Sint-Maria Magdelena, 1416, met een groot aantal poorters uit de Hollandsche steden naar de weêrspannige plaats, om die te belegeren.Egmondsvrienden en verwanten, waaronder voornamelijk HeerJanvanVyanen, JonkerJacobvanGaesbeecen HeerHubrechtvanCulenborch, maakten zich nu over zijn lot bezorgd, wel inziende dat hy op den duur geen tegenstand zou kunnen bieden, en gevaar liep om, wanneer hy den Graaf-Hertog als gevangene in handen viel, als een landverrader het lijf te verliezen. Zy besloten om eene poging tot verzoening te wagen; begaven zich in allerijl naarSchoonhoven, waarWillemvanBeierennog vertoefde, en werkelijk gelukte het hun hem te verbidden, mits deEgmonderszich onderwierpen. Zoo terstond lieten deze zich echter niet vinden. De bemiddelaars reden menigmaal over en weêr, dàn naar den vertoornden Landsheere, dàn naar de oproerige broeders, en brachten het eindelijk tot een vergelijk. Zeker hebben zy den overmoedigen Ridders het wanhopige van een gewapenden weêrstand, en het noodlottig einde eener dwaze volharding, doen inzien, want de voorwaardender bevrediging waren zoo goed als verkoop hunner rechten en goederen:»De Heer vanEgmonden HeerWillemzijn broeder zouden rijden uitIJsselsteyn, en behouden hun reede have, die zy daar binnen hadden, en blijven uit den lande vanHollandenZeeland, en daar niet weder in komen, ten zij by wille en meêweten van HertogeWillem. En de Heer vanEgmondzou overgeven en afstaan alle recht en toezeggen, dat hy had aan den huize en aan der stede vanIJsselsteyn, en aan der Heerlijkheid, tot ’s HertogenWillemsbehoef. En de Hertog zou jaarlijks doen uitreiken aan den Heer vanEgmond, hem en den zijnen, ten eeuwigen dage, tweeduizend oude schilden; aan HeereWillem, zijnen broeder vanIJsselsteyn, zeshonderd kroonen, en hun beider moeder, VrouweJolandevanLinningen, achthonderd kroonen tot haren lijftocht.”De brieven dezer voorwaarden werden opgemaakt en van wederzijde bezegeld, en de beide broeders verlieten daarop met hun gevolg en tilbare have de stad en het kasteel vanIJsselsteyn, die onmiddellijk overgingen in handen van den Graaf-Hertog, en van zijnentwege bezet werden. De inwoners ontfingen hem voor hunnen Heer, en beloofden hem hoû en trouw te zijn, »en swoeren dat ten Heyligen.”Den 31enMei, 1417, stierfWillemde Zesde teBouchain—en toen bleek het weldra, dat de IJsselsteyners hunnen eed, schoon zelfs op geheiligde overblijfselen gedaan, als gedwongen beschouwden, en zich niet gebonden achtten om hem te houden.Naauwlijks was denEgmondersde doodsmare ter oore gekomen, of zy verzamelden in korten tijd een bende gewapenden, waarmeê HeerWillemnaarIJsselsteyntoog. Op Sacramentsnacht, by het krieken van den dageraad, kwam hy voor de stad; en zijne aanhangers daar binnen, die reeds van zijn aantocht verwittigd waren, openden hem terstond eene poort, zoodat hy er zonder slag of stoot meester werd, pas elf dagen na des Hertogen dood. De slotvoogd, die het kasteel voor de HertoginJacobabewaarde, was echter getrouw aan zijn eed, versperde allen ingang, en wachtte beleg en bestorming af, hoewel het aantal der mannen van de bezetting niet groot was. Het duurde evenwel niet lang, of hy kreeg vaste hoop op ontzet.JanvanMontfoortenWalravenvanBrederode, de natuurlijke vijanden vanIJsselsteynenEgmond, vernamen niet zoodra der broederen feit, en daarby te gelijk des slotvoogds trouw, of zy stelden alle andere zaken ter zijde, om het kasteel te ontzetten en de stad weder te winnen.Montfoort, de voormalige Domdeken, begaf zich oogenblikkelijk naarUtrecht, waar hy den volksgeest by uitnemendheid kende, en stelde den Raad voor, om zich het belang vanJacobain deze aan te trekken, hem van manschap en krijgsvoorraad te voorzien, en zonder marren tegenIJsselsteynop te trekken; hy stelde zich borg, dat de Hertogin zou goedkeuren om kasteel en stadsmuren ten bodem te werpen en geheel te slechten. Dat was een te groot lok-aas voor de goede mannen vanUtrecht, om het te kunnen weerstaan:IJsselsteynwas hun te lang een zwaard in de zijde geweest, om zich niet hoogst gaarne eene opoffering te getroosten, wanneer zy er spoedig van verlost mochten worden. En alzoo trokken de Sint-Maartens-mannen reeds op Vrijdag na Sacraments-dag voor de thands zooveel onrust barende plaats.ToenMontfoorthunne aankomst vernam, spoedde hy zich ijling mede derwaart, en sloot zich met zijne eigene wapentuurs by hen aan. Daarop zonden zy eene goed gewapende bende vooruit naar ’t kasteel, om den slotvoogd by te springen, maar—het vaandel van den trans woei hun eene slechte tijding tegen: HeerWillemhad in dien tusschentijd mede niet stil gezeten, en, wel peinzende wat er volgen mocht, zich meester van zijn voorvaderlijke burcht gemaakt.Dit viel den verbondenen zeer tegen; maar nu zy eenmaal ter plaatse waren, besloten zy, na korten raadslag, om niet onverrichter zake het veld te verlaten, maar daar by voorraad te blijven liggen. Het duurde niet lang, of ookBrederodekwammet de zijnen aan, en sloeg zich by hen neder; en toen nu weldra ook de benden der Hollandsche steden en de poorters vanAmersfoortverschenen en zich by hen voegden, werd het inderdaad een insluitings-leger, waaroverIJsselsteynzich wel verontrusten mocht. Want wanneer hy van den slottoren staarde, zag hy zich ingesloten door een zee van tenten en paviljoenen, waarvan slechts vijandelijke wimpels en banderollen woeien; en wanneer in de verte een oprijzende stofwolk, of het flitsen der zonnestralen op stormkappen en speerpunten, de aannadering van krijgsknechten vermeldden, dan moest hem dit een verdrietelijk en onrustbarend gezicht zijn:—hy had geen machtige bondgenoten, met wier hulp tot ontzet hy zich vleien mocht, en zijn broeder vanEgmond, hoe ridderlijk en onvertsaagd hy was, mocht een storm helpen afslaan, en de tuimelende vijanden doen vloeken op »Janmet de bellen.”—hy vermocht toch geen gantsch leger te vernielen, al deden dat ook zijne nobele voorbeelden: de Paladijnen der Arthur- en Karel-romans. Ook werd er yverig aan het beleg gewerkt; de Utrechtenaars vooral, »dien menich leet uyt Ysselsteyn gedaen was,” werkten onvermoeid aan loopgraven en bolwerken, zoodat zy al spoedig een der laatsten zoo naby de stad opwierpen, dat de afstand op sommige plaatsen geen boogschot ver meer was.Een deel der stede-bannelingen vanUtrecht, met den DomdekenHermanvanLochorst,Johanvan denSpiegel, en eenige vijanden van het sticht, hadden zich intusschen by HeerWillemgevoegd, en waren de bezetting van het kasteel komen versterken; maar ook de belegeraars kregen een nieuwen bondgenoot inJanvanBeieren, die, als mede zorg schijnende te dragen voor de belangen zijner nicht, zich ten spoedigste had uitgerust, en het getal der bespringers kwam vergrooten.HeerWillemskans werd meer dan hachlijk, en hy zag dit zeer wel in. Een vergelijk-alleen kon hem van gevangenschap of dood ontslaan—en hy neigde tot het eerste. De onderhandeling, door bemiddeling van HeerJanvanHeynsbergengevoerd, duurde kort, want het was als overmacht tegen onmacht.En veertien dagen na den aanvang van ’t beleg trokken de broeders, met hunne meêgebrachte goederen, en met hun gevolg en aanhang, waaronder ook de Utrechtsche ballingen, uit burcht en stede, en werden, ingevolge de voorwaarden van het verdrag, uitgeleid totNyendam, van waar zy, altoos buiten de landen der Hertoginne, een goed heenkomen moesten zoeken.De arme poorters intusschen, die met een nieuwen eed van hulde waanden vrij te komen, werden, zoodra de overwinnaars binnen waren getrokken, gevangen genomen, en ter beschikking vanJacobagesteld, met uitzondering van een gedeelte, waarover de Elect zich meester stelde.Toen de Hertoginne kort daarna inHollandkwam, herinnerden de StichtschenMontfoortaan zijne belofte omtrent de vernieling vanIJsselsteyn; en werkelijk wist de Burchtgraaf door tusschenkomst vanBrederodehet daarheen te brengen, datJacoba, die nog weinig blik in ’s Lands toestand had, aan de willekeurige voorwaarde hare goedkeuring schonk. Vervolgends kwam HeerWalravenop Sint Pieter en Pauwels daarna teUtrecht, en nam een hoop volks van daar met zich naarIJsselsteyn, om den arbeid der verwoesting aan te vangen. Nu speelden moker en houweel een spel, dat den sloopers uit onze dagen zoû doen watertanden: de eene toren na den andere stortte in; de eene poort na de andere viel te zamen; het eene muurvak na het andere bedekte den bodem; en dat alles onder het woest en spottend gejuich der baldadige poorters vanUtrecht, die in hunne dwaze en hoovaardige vreugde aan niets dan aan het koelen van hun wrok dachten—zonder er zich over te bekommeren of het Geslacht, dat zy zich op deze wijze ten doodvijand maakten, niet te eeniger tijd by machte van weêrvergelding zou kunnen komen. Zy arbeidden, naar hun eigen inzien, als goede en verstandige Sint-Maartens-mannen, voor de eere en het welzijn hunner stad, onvermoeid als onbevreesd, en zetteden, naalle steen tot puin gestort te hebben, hun werk de kroon op, door de geschonden plaats aan de vlammen ter prooi te geven, waarvan slechts de kerk en het klooster verschoond werden. Op beide deze gebouwen na, was hetIJsselsteynvan 1417 hetEgmondvan 1315 gelijk geworden.HeerWillemvanEgmond van IJsselsteynoverleed op den 31enDecember 1451, nalatende twee natuurlijke kinderen, eene dochter,Belia, gehuwd metBerthoutvanRietwijc, en een zoon,AernoutvanIJsselsteyngenoemd, die in den echt trad metBarbaravanBorssele, en in wien wy den schraapzieken Slotvoogd vanWoerdenhervinden, wiens vrekkige aart het der kloekheid vanJohanvanMontfoortzoo gemakkelijk maakte, om hem op tweede kersnacht, 1488, te verschalken.Na HeerWillemsdood viel, by gebrek alzoo van een wettigen telg, de Heerlijkheid op zijn neef en naamgenootWillem, tweede zoon van den vurigenJanvanEgmond, dien wy nu reeds herhaaldelijk als den krijgshaften »Janmet de Bellen” hebben leeren kennen.WillemvanEgmondwas reeds door zijn ouderen broeder, HertogAernoutvanGelder, beschonken met de goederen vanWillemvanBuren, in 1430 ontzet, en voerde den tytel van Heer vanBuren,Leerdam,SchonerwoertenHaestrecht, en des lands vanMechelen. In den slag met HertogGerhardvanBerg, 10 November, 1444, die vooral door de lafhartigheid vanGeraertvanCulenborchverloren ging, toondeWillemvanEgmondeen ridderlijken en onvertsaagden moed, maar zag zich, door de overmacht gedwongen, eindelijk met zijn getrouwen Drossaat tot de overgave genoodzaakt. De onbescheidenheid van zijn aartsvijandWillemvanBuren, sints 1430 Veldheer van den Hertog vanBerg, was gelukkig oorzaak van zijn bespoedigden loskoop. Hy was reeds een vol jaar krijgsgevangen, en HertogAernoutsgeldelijke toestand had het betalen van den losprijs nog niet gedoogd, toonBurenhem op den 13 November, 1445, een brief zond, waarin hy hem gelasttezich over acht maanden na Sint-Jacob, toen volgende, naar de stadBerchemte begeven, er leisting, of verblijf om schuld, te houden in het huis van zijn tollenaarKoenraedvanBoelendorp, en niet van daar te vertrekken buiten zijne bewilliging, of hy zou hem met woorden en schandbrieven voor de gantsche waereld als eerloos en meineedig verklaren.Eene dergelijke leisting had voor Geldersche Ridders niets vreemds, maar de wijze waarop zy nu gedaagd werd, was krenkend voorEgmondenGelderbeiden. HertogAernoutnam daarop zijne maatregelen, en de loskooping volgde eerstdaags.Toen de laaghartigeAdolf, HertogAernoutszoon, in verbond met zijne onnatuurlijke moederCatherinevanCleveen een deel verraderlijke Edelen, zijn vader in 1465 teGravegevangen nam, deed hy ook den niets kwaads vermoedendenFredericvanEgmond, HeerWillemszoon, in hechtenis nemen. Vergeefs trachtte HeerWillem, die ter goeder trouw maar al te dikwijlsAdolfsvoorspraak by diens vader was geweest, thands voor broeder en zoon te spreken: hoe zouhy, die devaderlijkeweldaden met den gruwelijksten ondank vergold, herinnering hebben voor de weldaden van denoom!Het duurde zelfs niet lang, ofAdolf, die de wederspannigheid der Roermonders aan heimelijk opstooken van zijn oom toeschreef, liet al diens leenen inGelderlandaanslaan, en viel hem met allerlei betichtingen lastig. GraafVincentvanMeurs, HeerWillemsschoonbroeder, wist voor hem nog vrijgeleide te verkrijgen; maar toenWillemteArnhemkwam om zich te verandwoorden, en daartoe metVincentnaar ’s Hertogen hof ging, keerde de woesteling hun den rug toe en liet hen staan. En toen de Graaf in een afzonderlijk gesprek er op aan drong, om te weten hoe het dan toch met HeerWillemszaak gaan moest, voerAdolftoornig uit: »Wy beboeten hem voor 20000 Rijnsche goudgulden—tenzij hy de inkomsten van den tol teIJsseloordzal betalen, of dien tol laten varen.”Toen de Graaf dit woord overbracht, sprakWillemmet bitterheid:»Zie, dit is dan de dank, dat ik zijn vader zoo dikwerf heb verbeden, en de verschillen tusschen zijne steden beslecht: hy, die my mijn lieven broeder (zijn eigen vader!) en mijn zoon ontroofd heeft, dreigt my thands ook van mijne inkomsten te berooven.”—En nadat hy den Grave gemachtigd had om met den overweldiger nader te onderhandelen, wierp hy zich netelig in ’t zaal, en reed, van een enkelen dienaar vergezeld, naar zijn Slot vanBaer, waar hy zich terstond maatregelen nam, om HertogJanvanCleve, de stedeWageningen, en eenige anderen, met de meineedige handelwijze en onverdraaglijke trotschheid vanAdolfbekend te maken.Gedurende den daarop gevolgden oorlog met den Clevenaar, zondAdolfeene bende krijgslieden onderOthovanWeerennaarIJsselsteyn, waar men allengs weder was beginnen aan te bouwen, maar nog altoos zonder beschutting van muren lag. Het viel den Geldersman derhalven niet moeielijk de plaats te overrompelen. De kerk en het klooster, door de Stichtenaars nog gespaard, werden thands met de herbouwde woningen en hutten mede aan de vlammen overgegeven, en de weerlooze menigte werd schandelijk en laaghartig mishandeld. Deze boosaartigheid bleef niet gants ongestraft: vijfenveertig der plunderaars op hun keertocht toevende binnenGorcum, waar zy zich veilig waanden13, werden onverhoeds gevangen genomen en in de ijzers gezet. Negentien hunner, uit den stok brekende, zochten deels in het Minoritenklooster, voor een ander deel in de H. Geesthuiskerk een toevlucht. Maar te vergeefs: de stadhouder vanHollanddeed hen van daar en naar ’sGravenhagevoeren, waar zy op den 26enen 29enMei, 1466, ondanks alle smeekingen en voorbeden hunner verwanten en betrekkingen, onthalsd en geraderd werden.JonkheerFredericwas intusschen zijne gevangenis door list ontsnapt, en by zijnen vader aangekomen, waarop zy-beiden hunnevolgers gewapend, en zich by het leger des Hertogen vanClevegevoegd hadden, van waar zy hunnen vijandelijken bloedverwant menige schade toe brachten, en zelfsArnhemverrasten.Na den vrede vanGent, 1469, begon de roekeloozeAdolfweder de oude treken tegen zijnen oom. HeerWillem, evenzeer verontwaardigd als verraderij duchtend, begaf zich onmiddelijk naar HertogKarelvanBorgondië, door wiens ernstige tusschenkomst eindelijk de rollen werden verwisseld:Adolfin hechtenis geraakte, enAernoutop vrije voeten kwam. De oude Vorst erkende de trouw en gehechtheid van zijn broeder en diens zoon: Hy beschonk den eerste met de tollen vanIJsseloortenArnhem, en begiftigde den tweede met de stad en het kasteel vanBuren, geheel en al, met tollen, dorpen, inkomsten, en rechten; daarenboven benoemde hy hem later tot Slotvoogd van het kasteel teGrave, waar hy, na zijn afstand van het Hertogdom aanKarel, gewoonlijk verblijf hield en ook, op den 23enFebruari 1473, overleed.By het verzet der Gelderschen tegen HertogKarel, sloot HeerWillemzich der partij van den laatste aan, en verscheen met zijne drie zonen en hunne wapenknechten zelf in ’t Hertooglijk heir, waar hy groote diensten bewees, en in het beleg vanNymegen, 1473, zijne tenten opsloeg aan de overzijde van deWaalin ’t dorpLent, aan de zijde van zijn ouden vriend den Hertog vanCleve, met wien hy de overmoedige stad zeer in de engte bracht. HertogKareltoonde hoezeer hy de diensten en bekwaamheden vanWillemop prijs stelde, en stelde hem, na de onderwerping vanGelderland, tot zijnen Ruwaard over dat gewest aan.De dood vanKarelden Stoute, 5 Januari 1477, brachtWillemin ongelegenheid met de Gelderschen, die hem wantrouwden, enCatharynevanGelre, op verlangen van heur geslaakten broederAdolf(kort daarna echter voorDoornicgesneuveld) als Voogdesse aannamen. In de vijandelijkheden, hieruit metterdaad ontstaan, werden zijne beide jongere zonenFredericenWillemdoor de poorters vanNymegengevangen, en drie jaren lang in den zwaren toren tegen over hetValkhofin hechtenis gehouden.De Aarts-HertogMaximiliaan, in deze zaak gemoeid, wierp zelf een oog op het bestreden Hertogdom, en nam HeerWillem, om hem aan zich te verbinden, in 1478, teBrugge, onder de Ridders van het Gulden-vlies op. De grijze Ridder, in wien wy thands moeielijk den ranken Edelman met de zwarte krullende hairen kunnen herkennen, dien wy in 1451 op het kasteel teEgmondaantroffen14, droeg het vorstelijk onderscheidingsteeken nog byna vijf jaren op de fiere borst. Toen overleed hy op het kasteel vanGrave, 19 Januari 1483, en werd aan de zijde van zijnen broederAernoutbegraven.FredericvanEgmond, zijn opvolger als Heer vanIJsselsteyn, en gehuwd met JonkvrouweAleyde, HeerGeraertsdochter vanCulenborch, had intusschen reeds overvloedig van zich doen spreken. Ook wy hebben hem reeds ontmoet by de Utrechtsche onlusten, waarin de Burchtgraaf vanMontfoort, zijn erfvijand, zulk een overmoedige rol speelde15, enFredericals Opperbevelhebber het leger des Bisschops aanvoerde.Hy begon de vijandelijkheden met het verbranden van eenige huizen aan de Catrynepoort buitenUtrecht, het rooven van vee uit de landerijen aan denRijn, en het gevangennemen van eenige Stichtschen, die hy deed uitschudden en naarIJsselsteynvoeren, dat door hem reeds onderKarelden Stoute, en met diens goedkeuring, opgebouwd en versterkt was geworden. Een inval der Montfoorters onderJanvanMiddachtenwerd door den IJsselsteynschen BevelhebberLambrecht Myllinckgekeerd. In de nabyheid van het steedjen had een hevig gevecht plaats, waarbyMiddachtenmet negen ruiters en zeven poorters gevangen genomen werd, terwijlMyllinck, zijn behaald voordeelvervolgende, de landen vanMontfoortenUtrechtmet vuur en staal verwoestte. Eene onderneming der IJsselsteynschen in het volgende jaar gelukte volkomen. Van het kasteelOudegein, aan de vereeniging vanLecenIJsselgelegen, en wel op den noordelijken oever der laatste rivier, werden een tijd lang de hinderlagen bespied, die de ruiters vanIJsselsteynlangs den vaartschenRijnlegden, wanneer zy den voorraad, die van tijd tot tijd naar het blokhuis aan deVaartwerd gevoerd, wilden onderscheppen. Zoodra men de loerende krijgsknechten bespeurd had, werd het sein gegeven aan het kasteelVronesteynen aan deVaart, en de vaartuigen die beladen waren zetteden hunne reis niet verder voort. Te vergeefs mochten die vanIJsselsteynzich een poos afmatten, wie hun dezen trek speelde. Eindelijk ontdekten zy de ware toedracht, en besloten zich van den steenen spie te ontdoen. Op zondag, 16 Juni 1482, overvielen zy denOudegein, verjoegen de bezetting, plunderden en verbrandden de burcht, en keerden met de behaalde buit triomfantelijk in hunne stad te rug. De Stichtschen leden door dit verlies grooten last, want van nu aan legden HeerFredericsmannen hunne hinderlagen weer onbespied, en maakten zich zoowel van de vijandelijke krijgslieden, als van mond- en krijgsvoorraad meester.De bebouwde en bloeiende vallei van het Sticht werd door deze onophoudelijke en wederkeerige invallen een woestenij, waar netel en klisbloem welig tusschen de zwartgebrande puinhoopen opschoten, en het rijpe koren den paarden der vernielzuchtige ruiters tot voedsel diende. En zoo mocht de geplaagde Stichtenaar van 1482 wel met den verdrukten Kennemer van 885 klagen:
Het Kasteel van IJsselsteyn.Daar zijn oogenblikken in het leven, waarop men waarlijk in verzoeking komt om te wenschen, dat sommige sprookjens uit de kinderkamer zich mochten verwerkelijken. Dat zijn wel het minst oogenblikken van kortswijl en luim—meer van hoogen ernst, en verreweg de meesten onzer hebben ze wel eens doorleefd. Het zij ge koopman zijt, en u een (want ge zijt Hollander!1) rechtvaardigen mammon tracht te verwerven; krijgsman, en de rust onzer dagen verwenscht, wijl ze u belet bloedige lauweren te winnen; geleerde, en dus het recht hebt om aan alles, soms ook aan u-zelf, te twijfelen; staatsman, en zoo doordrongen van de voortreffelijkheid uws stelsels, dat ge des noods den throon uws Konings zoudt ondermijnen, om u-zelf op het republikeinsch presidents-kussen te plaatsen—ja, schoon ge dit alles te gelijk waart—dan nog is er wel eens een oogenblik in uw leven geweest, waarop ge gewenscht hebt:—»dat toch steenen eens konden spreken!”Het kasteel te Ysselsteyn.Het kasteel te Ysselsteyn.Het wasdan, wanneer ge u in de sombere, zwaarmoedige bouwvallen van de eene of andere burcht bevond, en de geschiedenis daar de geheimen van den voortijd zoo spaarzaam ontsluierde, dat ge die donkere wulfsels, die holle gangen, die ledige hallen, die gewelflooze zalen, wel zoudt hebben willen ondervragen,indien ge ook maar half verzekerd waart geweest een enkel andwoord te zullen ontfangen.Wien deze gewaarwordingen nog onbekend mochten zijn—zoo hyHollandbewoont, ga hy naar de kollossale bouwvallen vanBrederode; zoo hy Stichtenaar is, wende hy zich naar de geringe overblijfselen van het Kasteel teIJsselsteyn—en ik vrees niet, dat hy, van daar wederkeerende, mijne stelling weêrspreken zal.Intusschen, wat de geschiedenis ook maar met eenige zekerheid van het eerste vermelden kon, hebben wy reeds getracht in het geheugen te rug te roepen2; beproeven wy dit thands ook met betrekking tot het laatste.De oorsprong van het edel geslachtIJsselsteynkan met redelijkheid niet vroeger dan op het midden der dertiende eeuw worden gebracht, en wijst op eene afstamming uit het toenmaals zoo machtige Huis vanAemstel. Wel vinden wy melding gemaakt van een Heer vanIJsselsteyn, in den Grimbergschen oorlog, 1144, gesneuveld, maar dit moet eene vergissing zijn3, terwijlJanvanIJsselsteyn, wiens erfdochterBertrandemetAernoutvanAemstelzou gehuwd zijn, moedwillig uit de lucht gegrepen is, om tusschen de beide geslachten een verband te brengen, dat door historische documenten geheel wordt weêrsproken.Gaan wy de geschiedenis-zelve volgen, zonder langer stil te staan by drooge verdichtselen, die niet eens, als zoo menige dichterlijke sage of naïve volks-overlevering, een historischen grondslag hebben.HeerGijsbrecht(de Derde) vanAemstel, die in 1251 overleed, had, behalven eene dochterBadeloch, die metHermanvanWoerdengehuwd was, nog drie zoons, waarvan de oudste, de schandvlek van zijn geslacht, hem opvolgde, de jongste,Willem,Proost van St.Janwas, en de middelste,AernoutofArent, wellichtverstandigzou hebben gedaan, indien hy zich aan de Erfdochter van een of ander rijk geslacht had verbonden, omdat zijne erfgoederen, daar hy de tweede zoon was, niet groot konden zijn. Hy raadpleegde evenwel zeker meer zijn hart dan zijn hoofd, want hy huwde eene Jonkvrouwe van onbekenden stam,Janne, ofJoanna, van wie het vrij duidelijk blijkt, dat zy volstrekt geene eigendommen bezat, en na den dood haars gemaals al heur inkomen trok uit eenige goederen, die hy haar in lijftocht had na gelaten. In 1267 legde hy den grondslag tot de latere HeerlijkheidIJsselsteyn. Hy pachtte namelijk in dat jaar, van het Utrechtsche Domkapittel, eenige goederen aan denIJssel, ongeveer ter plaatse waar deze zich toen reeds met deLeckvereenigde. Het voornaamste daarvan was het oudeEyterenofHeteren, thands een gehucht, toenmaals een welvarend en uitgestrekt dorp. Hier in de nabyheid stichtte hy vóor 1279 een burch of stein, dien hyIJsselsteynnoemde, welke naam, vervolgends op hem en zijn geslacht overgedragen, zoowel in de geschiedenis van het GraafschapHolland, als in die van het BisdomUtrecht, byna even spoedig vermaard als bekend werd.Aanvankelijk legdeAernoutzich vooral op het vermeerderen en inrichten zijner bezittingen toe. In 1278 kocht hy van den Abt vanOostbroeceenige goederen in het naby gelegeneGeyn, en in het laatst des volgenden jaars pachtte hy de tienden over de landerijen rondom zijn kasteel gelegen, die aan het Maria-kapittel teUtrechtbehoorden, voor vijf jaren, tegen 154 pond ’s jaars. De vijandelijkheden over den Vreelandschen tol, door zijn broederGijsbrechteigenmachtig geheven4, hadden inmiddels een einde gemaakt aan deze rustige bemoeiïngen van het landleven.Aernout,Gijsbrechtspartij kiezende, en mede breed opgevende van de grieven, hun door den Bisschop aangedaan, ontzegde zijn leenmanschap aan het Sticht, en nam in zijnsbroeders plaats het bevelhebberschap vanVreelandop zich. GraafFloris, den 5enSeptember 1278 metUtrechteen verbond gesloten hebbende, sloeg weldra het beleg voor dat kasteel, maar zag zich doorAernoutswakkere verdediging tot den aftocht gedwongen. Maar toen de strijd byLoenenvoorgevallen, enGijsbrechtdaarby doorCostijnvanRenessegevangen genomen was, werdAernoutonmachtig om zich alleen staande te houden, en leverdeVreelandin ’s Graven handen. Daarop werd hy met zijne broeders naarZeelandgevoerd, en moest daar blijven in eerlijke gevangenschap, tot zy zich hadden onderworpen aan de voorwaarden van den strengen zoen, die op den 27enOktober 1285 bezegeld werd, waarby zy hunne goederen ten volle aanFlorismoesten opdragen, en ze slechts gedeeltelijk weêr in leen te rug ontfingen.Toen zy eenmaal het weerspannig hoofd gebogen hadden, zullen zy nogtans den dag der bezegeling van de overeenkomst niet in ’s Graven hechtenis hebben behoeven af te wachten, maar wel onder verzekerden borgtocht ontslagen zijn. Wy vindenAernoutten minste in de voorhelft dier zelfde maand reeds weder zorgende voor de goederen zijner Heerlijkheid: Vrijdag na St. Victor (12 Okt.) 1285, werd de pacht der tienden verlengd voor zestien jaren, en vergroot met het daaglijksch recht en met de visscherij, om welke voordeelen het pachtgeld met 31 pond en vijf zalmen verhoogd werd.Hy smaakte zijne herkregen vrijheid niet zeer lang, en overleed reeds in het laatst van 1290, of in het begin van 1291. VrouweJoanna(die door GraveJanin het tijdelijk bezit harer weduwgoederen bevestigd werd) had hem twee zonen geschonken, waarvan de jongste, Heer vanBenscoep, eene treurige vermaardheid in de samenzwering tegenFlorisden Vijfde verkregen heeft, en de oudste,Gijsbrecht, als tweede Heer vanIJsselsteynoptrad.GijsbrechtvanIJsselsteyn, Maarschalk van het Sticht, verbond zich op den 25enOktober, 1294, benevens tien anderevoorname Utrechtsche Edelen, met GraafFloris, om dezen, ware ’t nood, te dienen tegen elk zijner vijanden, den Bisschop vanUtrechtdaar buiten gesloten. Hy heeft zich echter niet kunnen vrijwaren van de verdenking van meêplichtigheid aan de samenzwering, schoon hy niet handdadig was aan den moord. Dat hy met den Heer vanZuylenzich voegde byLoefvanCleveen de Hollandsche benden, die de moordenaars opCronenburchbelegerden, bewijst overigens nog niets voor zijne onschuld: zijn broederBenscoeptoch was mede daar binnen, en het liet zich reeds van den beginne af wel aanzien, dat die ruwe dorpersvuisten, brandende om toe te slaan, verpletterend en vermorzelend zouden nedervallen op die adelijke verradershoofden, wie honger en gebrek tot overgave dwingen moest. En schoonArentvanBenscoepgeen beter lot verdiende danWillemvanZaenden—ter wille vanGijsbrechtsbroederhart is het ons toch lief, datLoefvanCleveden verrader nog heeft kunnen behoeden, enGijsbrechthem in veiligheid teKervenheymwist.Maar weldra werdgijsbrechtstoestand zelf hachelijk.WolfaertvanBorssele, de heerschzuchtige staatsdienaar van den kinderlijkenJanden Eerste, de bondbreukigheid van BisschopWillemvanMechelenbemerkende, begon het Graafschap te versterken, en trachtte vooral daartoe de kasteelen op de Stichtsche grenzen te bezetten. Dat gelukte hem met het slot vanAmeide, doorDircvanHerlaerby overeenkomst daartoe afgestaan. Wie zich niet zoo gemakkelijk liet vinden, wasGijsbrechtvanIJsselsteyn.»Dat ware schande!” andwoordde hy opBorsselesaanzoek: »wanneer ik den Grave vanHollandmijn huis ruimde, daar ik Maarschalk van ’t Sticht ben5, en de Bisschop mijn rechte Heere is. ’t Bracht my oneere, zoo ik dat toestond—des weiger ik, er moge van komen wat er wil!”Verbitterd over dit mannelijk betoon van trouwe, zochtWolfaertnu langs den weg des gewelds zijn doel te bereiken. Den Maarschalk werden buiten het kasteel lagen gelegd door zijne valsche geburen,HubrechtvanVyanenen diens verwanten, op aanstoken uitHolland; en werkelijk gelukte het hun zich van hem meester te maken. Doch, schoon men hem naar het Kasteel vanCulemborchbracht, en aldaar in hechtenis hield—dat vanIJsselsteynwas daarom nog niet gewonnen:Bertrade, ofBaerte, vanHeuckelom,Gijsbrechtsgemalin, was een kloekhartige vrouw, die den vijanden van haren echtgenoot zoo wel den intocht weigerde als hy ’t zelf had gedaan. Dat menhemgeen leed zou doen, daarvoor achtte zy zich ook gewaarborgd door een trouweloozen knecht vanVyanen, die zich van zijns Heeren kind meester gemaakt, en het op denIJsselsteyngebracht had. En gelukkig voor haar, die kleene gijzelaar! Wie weet aan wat zielestrijd eenWolfaertvanBorsselehaar zou hebben overgeleverd, indienVyanenniet inGijsbrechtden borg voor het leven zijns kinds hadde te beveiligen gehad.Borsseledeed ’s Graven banier voor het Kasteel planten, en het dicht en zwaar beleggen; daarop herhaalde hy zijn eisch om overgave, op den forschen toon van stormtuig en staal:Straks wordt het schaatrend aanvals-teekenVan rij tot rij in ’t rond gehoord,En onder luid gejubel brekenDe benden op en rukken voort.Als golven die het strand beklimmen,Door barsche winden voortgestuwd,Zoo stormen ze aan. Een bui van vlimmenEn werpgesteente paart en huwtZich aan ’t gedrang. ’t KlaroengeschetterEn ’t rofflen van de holle tromDreunt samen met het staalgekletterEn krijten van den strijdbren drom.De hooge trans—de borstweer—’t kraaktVan steenen, ’t werptuig uitgebraakt.De stormram beukt de poort.Het rijs, in bergen aangebracht,Bevloert welras de diepe gracht,En stijgt er tot den boord.De ladders worden saamgetast,En hechten aan den muur zich vast;De strijders dringen voort,En klautren op, met sterke hand,En klemmen zich met knie en tandAan stijl en sporten vast.En stuift een dichte pijlenregenUit schietgat en kanteel hun tegen—Het aantal groeit en wast.En ’t scherp en gierend strijdgeluidGalmt boven gil en jammer uit,Al valt er menig een.En dondert ook een raatlend heirVan keien langs de wallen nêerEn morselt hoofd en leên;En storten krakend, splintrend daarDe ladders op en door elkaâr,De klimmers onder een,Verplet, verbrijzeld of verwond—Wie kan, verrijst weêr van den grond,Ten nieuwen storm gereed.En steeds vergroot zich weêr ’t getalDat opstijgt naar kanteel en wal,Met luider oorlogskreet.MaarBertradestond (om metVondelte spreken) als eene heldin op de haar toebetrouwde post, en iedere storm, hoe fel en langdurig, hoe scherp en vernielend, werd afgeslagen; en de blyde-steenen mochten een dak verbrijzelen, of een venster in stukken doen springen, of een verdediger dooden—zy maakten geen bres in de muren, die niet werd gedekt met trouwe in ’t staal gehulde borsten, tot dat de opening weer gevuld was.Nogmaals beproefdeWolfaertden weg der onderhandeling, maar met geen beteren uitslag. De trouwe gade wilde van niets hooren, tenzij men haar eerst toestond metGijsbrecht, haar gemaal, onbeluisterd te spreken, opdat ze zijn eigen woord mocht hooren, en zijn raad innemen, dien ze zekerlijk zou opvolgen. Maar of nu de belegeraars daar een list achter zochten, of dat zyGijsbrechtgenoeg kenden om van zijn raad geene verandering te wachten—hare voorwaarde werd niet aangenomen, en—schande over het hoofd van een Edelman, die aldus eene vrouw bestreed!—er werd besloten om haar door uithongering te dwingen.Lang hield de heldin het nog vol: byna een jaar; toen had gebrek aan voedsel de krachten verteerd; toen waren er slechtszeventienweerbare mannen op ’t kasteel—en in welken toestand nog!—Zoo de vijand thands storm blies, was alles reddeloos verloren. Trachte zy ten minste nu nog te behouden, wat behouden kon worden: zy bood de overgave van het kasteel aan, op voorwaarde van vrijen aftocht voor zich en de ingenoten.Het moet wel een hatelijke, een onmenschelijke glimlach zijn geweest, waarmeêWolfaertdien voorslag ontfing. DatHubrechtvanVyanen, die mede onder de belegeraars was, de uitlevering van den kinderdief wilde bepaald hebben, daarin lag niets onbillijks; maar laaghartig was het vanBorssele, dat hy volstrekt weigerde om meer dan de helft der verdedigers lijfsgenade toe te zeggen. Op de burcht werd over dien harden eisch beraadslaagd.—»De helft die aan my komt, zal die vrij zijnen van alles kwijtgescholden?” vroegBertrade.—»Dat zal zy,” andwoordde men haar. Toen onderwierp zy zich aan den bangen nood, die haar dwong om toe te geven. De poort werd geopend, en daar de brug geheel vernield was, werden er horden gelegd, waarover ’s Graven leger binnentrok.HubrechtvanVyanensloot zijn kind ongedeerd in de armen; over den verraderlijken knecht hield hy kort recht, en deed hem op het rad leggen.Bertrademoest aanvankelijk hare burchtzaten naarDordrechtvolgen, om getuige te zijn van een tooneel, waarinWolfaertsgemoed zijn volle gruwzaamheid uitsprak.De verachtelijke Baljuw vanZuid-Holland,Aloud,Wolfaertsoogendienaar, zat daar in den richterstoel, en er moest geloot worden om dood en leven. Hy verdeelde de zestien mannen aan twee zijden. Een uit hen zou beslissen welke acht de zaal slechts zouden verlaten om te sterven, want er waren twee balletjens, even groot en gelijk van kleur, maar het een besloot een Hollandschen penning die ten leven—het ander een Leuvenschen die ter dood wees.AloudmaakteBertrademet dat doel bekend.—»Nu zie, minnelijke Vrouwe!” sprak hy: »wien de Leuvensche penning ten deele valt, hebben ’t lijf verbeurd; wien de Hollandsche komt, zullen het behouden.”—BaljuwAloud! zie wel toe op de gelaatstrekken dier zestien mannen; zie vooral dáar heen, waar ze den vreeselijken angst der onzekerheid verraden, want—nog weinige maanden, en dan zult gy zoo voor eene woedende volksmenigte staan, die ook geen barmhartigheid kent! Als ge dan de koord om den hals zult voelen, waarmeê men u hangen zal, naast den beul—zult ge dan sterven als acht van dézen: met het bewustzijn van uw plicht te hebben gedaan?...Maar niemant voorzag dit nu nog;Aloudallerminst. Het lot besliste, hoe de hand gesidderd moge hebben die de wreede keuze moest doen; de verwezene helft der trouwe bezetting werd terstond onthalsd, de andere volgdeBertradenaarHeuckelom, indienten minste dit bericht meer waarheid behelst dan de regelen van den kronijkdichter:Dandre dedemen doe ghevaen.waar hy in billijke verontwaardiging op laat volgen:Dat dochte mi onrecht ende mesdaen!—Het kasteel en de landerijen vanIJsselsteyn(metBenscoepenWoerdendaarby) gingen uitBertradeshanden in die eener andere Edelvrouw over: GraafJanbeleende ze, opWolfaertsbede, aan diens gemalinSybille, die er zich toch niet lang Vrouwe van schrijven mocht: 1 Augustus, 1299, viel haar echtgenoot onder de moorddadige handen der verbitterde Delftenaren, en den 21 Mei 1300 ontfingGwyvanAvennesvan zijn broeder GraafJanden Tweede in rechten leen al de goederen op Stichtschen bodem6van diegenen, die met raad of daad schuldig waren aan GraveFlorisdood, en hiertoe werd ookGijsbrechtgerekend.Deze, die na de overgave van zijn kasteel losgelaten was, loerde slechts op de gelegenheid, om zich van zijn wettig eigendom weder meester te maken. De inval der Vlamingen in 1304, en de verwarring, door de gevangenneming des Bisschops in den noodlottigen strijd opDuveland, over het gantsche Sticht heerschende, kwamen hem daartoe weldra te stade. Of hy het in vrede, dan wel met gewapender hand weder in bezit nam, is onbekend.Stokemeldt alleen in twee regels denuitslag, niet dehandelingvan het feit, en zingt, als nam hy de slotwoorden van een volkslied over,EnGhisebrechtis opIJselsteine,Dat sine hadde geweest te voren.Zeker is hem dat bezit niet betwist geworden, want reeds den 13enJuni vinden wy hem rustig voor het belang zijner inkomsten zorgen, en daartoe van het Kapittel van St. Maria voor twee jaren in pacht nemen het laag gericht (om de opbrengst der boeten en breuken) vanIJsselsteyn, vanMerlo, en vanMarnedijc, met de tienden en visscherij, tegen 126 pond ’s jaars.In Augustus daarop stierf graafJande Tweede, en bekwam de dappere en edelmoedigeWillemde Derde den stoel vanHolland.Gijsbrechthaastte zich tot eenen zoen, en werd waarschijnlijk door den Graaf tot Ridder geslagen: op den 11enAugustus 1305, by eene dagvaart te ’sGravenhagetegenwoordig, werd hy onder de »Edele luyden, ’s Graven lieve en getrouwe mannen” genoemd, en by de Ridders geteld. En toen nu zijn oudste zoon,Aernout, in ’t huwelijk trad met ’s Graven nichtMaria, bastert-dochter van BisschopGwyvanAvennes, ontfingGijsbrecht-zelf het kasteel vanIJsselsteynmet de 32 morgen lands waar ’t op stond, een zeker stuk lands aan de noordzijde van de gracht teIJsselsteyn, 7.5 hoeven in ’tGeyn, 60 morgen lands teRypikerwaert, 44 morgen teBenscoep, 75 tePolsbroec, 18 teHoenscoep, en 12 teBloclant, in rechten leen. Wanneer wy nu hierby voegen de bezittingen en pachten onder den eerstenGijsbrechtvermeld, benevens die op blz. 118 voorkomende, dan kunnen wy ons van de Heerlijkheid in haren oudsten toestand, al een vrij duidelijk denkbeeld vormen.Intusschen was het getal der houten en rieten arbeiders- en dienstmanswoningen, rondom en in de schutse van het kasteel neêrgeslagen, allengs uitgebreid, en hier en daar met de woning van dezen en genen ambachtsman vermeerderd; menig bewoner vanEyterenhad die plaats verlaten, en zich onder denIJsselsteynneêrgezet; zoodoende was de buurt een gehucht geworden, en het gehucht tot de uitgestrektheid van een dorp aangegroeid, waar men groote behoefte begon te gevoelen aan eene kerk. HeerGijsbrechtverplaatste daarom, met toestemming van BisschopGwy, en onder erkenning van het recht der Kanunnikenvan St. Maria tot de begeving, de Kerspel-kerk vanEyterennaar zijn kasteeldorp, en bevestigde daarmede voor goed den grondslag der tegenwoordige stad, die nog altijd zijn naam draagt, schoon zijn wakker Geslacht reeds lang is uitgestorven.By dit alles vergat hy de ridderlijke wapenoefening niet: nog in het zelfde jaar, 1310, op het beroemd tornier vanBergen, waar omstreeks 190 Graven, Baanderheeren, Ridders, en Knapen, uitEngeland,Frankrijk,Duitschlanden deNederlandensaamgevloeid waren, pronkte ook zijn wapenbord: een gouden schild, beladen met een balk van sabel, alles gedekt door een sint-andries-kruis, van zilver en keel geschakeerd7. Hoeveel aanzien hy aan GraafWillemshof genoot, blijkt daaruit, dat deze hem in 1314 toestond om jaarlijks in het groene woud vanHaerlemeen hert te mogen dooden, en dit voorrecht zelfs erfelijk op zijn geslacht over te brengen. Ook werd hy tot ’s Graven Raad verheven, welke waardigheid hy tevens by den Bisschop schijnt bekleed te hebben; en in Maart 1317 beleende de Graaf hem met het gerecht, de tienden, de kerkbegeving, en eenige landerijen teBenscoep, met het gerecht en de tienden vanPolsbroec, en met de helft van het gerecht en van de visscherij teOpburen. Deze bezittingen vermeerderde hy nog in November 1319 met de Cuyksche leengoederen, ook reeds door zijne ouders bezeten, strekkende, langs deze zijde desIJssels, vanOpburentotSnadelenhoec, aan gene zijde, van ’tGeyntotFellenoirde, en verder bestaande uit het hooge en lage recht in denIJssel, de putten en palen, waarden en visscherijen aldaar, met alles wat tot eene Hooge Heerlijkheid behoort.In 1326 verkocht de Heer vanCuykal zijne eigendommen in het Sticht aan GraafWillem, en deze bevestigde het volgendejaar HeerGijsbrechtin het verlij; tot hiertoe was slechts het kasteel met eenige goederen daar rondom Hollandsch leen geweest, thands kwam er ook het hooge rechtsgebied der Heerlijkheid onder, want dit was uit de Cuyksche leenen ontstaan.In 1333 had hy het verdriet, zijn wakkeren jongsten zoonHerbarn, Ridder, Heer van denBussche, door eene noodlottige gebeurtenis te verliezen.Herbarnwas metJohanvan denZandein oneenigheid geraakt, die zoo hoog liep, dat het tot een gevecht kwam, waarin beide Edellieden sneuvelden. Het onrecht schijnt aan de zijde des Heeren van denZandegeweest te zijn, want in den zoen, tusschen de aanvankelijk verbitterde geslachten der gesneuvelden door den Proost van Sint-Pieter gesloten, werd den verwanten vanJohanopgelegd om een altaar en vicary te stichten in de kerk vanIJsselsteyn, met opdracht van het begevingsrecht aanHerbarnszoonGijsbrechten diens nazaten, en daarenboven tot het vestigen eener jaarlijksche rente van veertig grooten tornois, op de Maria-kerk teUtrecht, voor het doen van zielmissen ten behoeve van HeerHerbarn.GijsbrechtvanIJsselsteynoverleed tusschen 1341 en 1344, en werd opgevolgd doorAernout, den oudsten zijner drie toen nog levende zonen8. Deze was, als wy weten, in 1308 gehuwd metMariavanAvennes, en werd kort daarop tot de Ridderlijke waardigheid verheven, schoon sommige Edelen er laag op neêr zagen, dat hy zich aan eene Jonkvrouwe uit onechten bedde verbond. Hy voer er intusschen wel by; ontfing van zijn schoonvader nog op diens onverwacht doodbed (29 Mei 1317) de voogdij van het kasteelGoye; vermeerderde zijne inkomsten met eenige dagelijksche gerichten en schout-ambten, en was reeds een gezien Edelman, toen hy de Heerlijkheid van zijn geslacht beërfde, waarmede hy zichniet alleen door GravinMargaretadeed beleenen (1346), maar ook nog daarenboven door BisschopJanvanArckel, voor zoo ver deze te eeniger tijd in het bezit dier goederen mocht komen; ten opzichte van den Bisschop verbond hy zich daarentegen om te zorgen dat een verlangd huwelijk tusschen diens broederRobbrecht, den Ruwaard van ’t Sticht, enAleyde9, HeerOttovanArckelsErfzuster vanAsperenenHagesteyn, tot stand kwam, hetgeen ook werkelijk geschiedde. De goede verstandhouding tusschen hem en den Kerkvoogd ging echter in de oneenigheden tusschen den laatste met het Beiersch Gravenhuis vanHollandten onder:Aernoutdie de Hollandsche zijde hield, verkreeg daarvoor wel van HertogWillemhet belangrijk voorrecht om Utrechtsche ballingen tot poorters vanIJsselsteynte mogen toelaten, maar de uitoefening daarvan duurde niet lang, want toen zijn bestand met BisschopJanten einde geloopen was, terwijl deze zich teRomebevond, trok de Maarschalk van het Sticht op maandag na beloken Paschen voorIJsselsteynen sloeg er zijne tenten om heen.Vijf weken lang werd de plaats met allerlei stormtuig aangetast, en toen zagAernoutzich gedwongen tot de overgave, en genoodzaakt om met eede te bezweren, dat hy en de zijnen in ’t vervolg goede en getrouwe Stichtsmannen zouden blijven, en nimmer weder tegen den Bisschop of de stad oorlog voeren. Hy hield echter zeer slecht woord, voegde zich spoedig weder aan de Hollandsche zijde, en werd door HertogWillem, die hem »zwager”10noemde, met gunsten overladen, ja zelfs, met den tytel van Baanderheer, tot Hertooglijken Raad benoemd.De Bisschop was over dit alles niet weinig verbitterd, maar te vergeefs; en inHollandwasAernoutsaanzien zoo gestegen, dat hy, met HeerJanvanDrongelenen de stadDordrecht, in 1358 gemachtigd werd tot het waarnemen der regeering, tijdens de afwezigheid van HertogAelbrecht.Zijn ouderdom en langdurige ervaring moeten hem een groot vertrouwen verworven hebben, want dikwerf werd hy in belangrijke geschillen als scheidsman geroepen: onder anderen in 1359 tusschenEduard, des Hertogen broeder vanGelre, en HertogeAelbrecht; tusschen HertogAelbrechtenJan, den Heere vanArckel; tusschen den Heer vanArckelenJan, Heer vanPolanenen van deLeck. Ook schijnt er tusschen hem en den Bisschop eene volkomene verzoening tot stand gekomen te zijn: toen hy in 1360 eenige goederen aan de kerk teIJsselsteynschonk, en de Bisschop dit goedkeurde en bevestigde, noemt deze hem »onzen bloedverwant en Baanderheer.”Hy stierf, hoog bejaard, in 1362 of 1363, en werd in het volledig bezit der Heerlijkheid en alle goederen opgevolgd door zijne ErfdochterGuyotteofGwyda11, die sedert 1330 gehuwd was met den rijken, machtigen, en onvertsaagdenJanvanEgmond, van wiens daden reeds by de behandeling derEgmonderburcht gesproken is, en die, nevens zijne echtgenote, in 1366 door HertogAelbrechtmet de Heerlijkheid verlijd werd.Ook hunnen oudsten zoon en opvolger,Aernout, behoeft hier slechts herinnerd te worden. Als Heer vanEgmondenIJsselsteynbewees hy, in 1380, BisschopFlorisvanWevelichovengroote diensten by den oorlog met den overmoedigen RidderEveraertvanEssen, en het beleg van diens kasteel vanEerde. Ook werd onder zijn bestuur de stad in 1390 merkelijk versterkt, nadat ze in 1374 door de plundering van HeerWillemvanRees, Krijgsoverste van BisschopAernoutvanHoorn, veel geleden had.HeerAernoutstierf in 1409, en liet twee zonen na, waarvan de oudste,Jan, Heer vanEgmondwerd, terwijl de tweede,Willem, in het bezit vanIJsselsteyngeraakte.WillemvanEgmond van IJsselsteyn, gehuwd metJacobvanBorssele van Brigdammesweduwe,AnnavanHennin, eene dochter vanGauthier, Heer vanBossu, werd weldra in de oneenigheden gewikkeld, die tusschen zijnen broeder enWillemden Zesde ontstaan waren, en reeds onderEgmonddoor ons vermeld zijn12. Toen namelijkJanvanEgmondonder vrij geleide voor den Hoogen-raad vanHollandwas gedaagd, maar niet verscheen, werd hy ten gevolge daarvan gevonnisd als schuldig aan hoog verraad, en, met verbeurtverklaring zijner goederen, uit den lande gebannen. Hy achtte zich daarop inHollandniet langer veilig, maar vertrok ijlings naarIJsselsteyn, en zocht er by zijn broeder eene schuilplaats. De Graaf-Hertog zond, zonder lang te toeven, zijne gezanten derwaart, en deed kasteel en stad opeischen, maar ontfing een weigerend andwoord. Hierop verzamelde hy een deel zijner Ridderen en knechten, en zond ze, omstreeks Sint-Maria Magdelena, 1416, met een groot aantal poorters uit de Hollandsche steden naar de weêrspannige plaats, om die te belegeren.Egmondsvrienden en verwanten, waaronder voornamelijk HeerJanvanVyanen, JonkerJacobvanGaesbeecen HeerHubrechtvanCulenborch, maakten zich nu over zijn lot bezorgd, wel inziende dat hy op den duur geen tegenstand zou kunnen bieden, en gevaar liep om, wanneer hy den Graaf-Hertog als gevangene in handen viel, als een landverrader het lijf te verliezen. Zy besloten om eene poging tot verzoening te wagen; begaven zich in allerijl naarSchoonhoven, waarWillemvanBeierennog vertoefde, en werkelijk gelukte het hun hem te verbidden, mits deEgmonderszich onderwierpen. Zoo terstond lieten deze zich echter niet vinden. De bemiddelaars reden menigmaal over en weêr, dàn naar den vertoornden Landsheere, dàn naar de oproerige broeders, en brachten het eindelijk tot een vergelijk. Zeker hebben zy den overmoedigen Ridders het wanhopige van een gewapenden weêrstand, en het noodlottig einde eener dwaze volharding, doen inzien, want de voorwaardender bevrediging waren zoo goed als verkoop hunner rechten en goederen:»De Heer vanEgmonden HeerWillemzijn broeder zouden rijden uitIJsselsteyn, en behouden hun reede have, die zy daar binnen hadden, en blijven uit den lande vanHollandenZeeland, en daar niet weder in komen, ten zij by wille en meêweten van HertogeWillem. En de Heer vanEgmondzou overgeven en afstaan alle recht en toezeggen, dat hy had aan den huize en aan der stede vanIJsselsteyn, en aan der Heerlijkheid, tot ’s HertogenWillemsbehoef. En de Hertog zou jaarlijks doen uitreiken aan den Heer vanEgmond, hem en den zijnen, ten eeuwigen dage, tweeduizend oude schilden; aan HeereWillem, zijnen broeder vanIJsselsteyn, zeshonderd kroonen, en hun beider moeder, VrouweJolandevanLinningen, achthonderd kroonen tot haren lijftocht.”De brieven dezer voorwaarden werden opgemaakt en van wederzijde bezegeld, en de beide broeders verlieten daarop met hun gevolg en tilbare have de stad en het kasteel vanIJsselsteyn, die onmiddellijk overgingen in handen van den Graaf-Hertog, en van zijnentwege bezet werden. De inwoners ontfingen hem voor hunnen Heer, en beloofden hem hoû en trouw te zijn, »en swoeren dat ten Heyligen.”Den 31enMei, 1417, stierfWillemde Zesde teBouchain—en toen bleek het weldra, dat de IJsselsteyners hunnen eed, schoon zelfs op geheiligde overblijfselen gedaan, als gedwongen beschouwden, en zich niet gebonden achtten om hem te houden.Naauwlijks was denEgmondersde doodsmare ter oore gekomen, of zy verzamelden in korten tijd een bende gewapenden, waarmeê HeerWillemnaarIJsselsteyntoog. Op Sacramentsnacht, by het krieken van den dageraad, kwam hy voor de stad; en zijne aanhangers daar binnen, die reeds van zijn aantocht verwittigd waren, openden hem terstond eene poort, zoodat hy er zonder slag of stoot meester werd, pas elf dagen na des Hertogen dood. De slotvoogd, die het kasteel voor de HertoginJacobabewaarde, was echter getrouw aan zijn eed, versperde allen ingang, en wachtte beleg en bestorming af, hoewel het aantal der mannen van de bezetting niet groot was. Het duurde evenwel niet lang, of hy kreeg vaste hoop op ontzet.JanvanMontfoortenWalravenvanBrederode, de natuurlijke vijanden vanIJsselsteynenEgmond, vernamen niet zoodra der broederen feit, en daarby te gelijk des slotvoogds trouw, of zy stelden alle andere zaken ter zijde, om het kasteel te ontzetten en de stad weder te winnen.Montfoort, de voormalige Domdeken, begaf zich oogenblikkelijk naarUtrecht, waar hy den volksgeest by uitnemendheid kende, en stelde den Raad voor, om zich het belang vanJacobain deze aan te trekken, hem van manschap en krijgsvoorraad te voorzien, en zonder marren tegenIJsselsteynop te trekken; hy stelde zich borg, dat de Hertogin zou goedkeuren om kasteel en stadsmuren ten bodem te werpen en geheel te slechten. Dat was een te groot lok-aas voor de goede mannen vanUtrecht, om het te kunnen weerstaan:IJsselsteynwas hun te lang een zwaard in de zijde geweest, om zich niet hoogst gaarne eene opoffering te getroosten, wanneer zy er spoedig van verlost mochten worden. En alzoo trokken de Sint-Maartens-mannen reeds op Vrijdag na Sacraments-dag voor de thands zooveel onrust barende plaats.ToenMontfoorthunne aankomst vernam, spoedde hy zich ijling mede derwaart, en sloot zich met zijne eigene wapentuurs by hen aan. Daarop zonden zy eene goed gewapende bende vooruit naar ’t kasteel, om den slotvoogd by te springen, maar—het vaandel van den trans woei hun eene slechte tijding tegen: HeerWillemhad in dien tusschentijd mede niet stil gezeten, en, wel peinzende wat er volgen mocht, zich meester van zijn voorvaderlijke burcht gemaakt.Dit viel den verbondenen zeer tegen; maar nu zy eenmaal ter plaatse waren, besloten zy, na korten raadslag, om niet onverrichter zake het veld te verlaten, maar daar by voorraad te blijven liggen. Het duurde niet lang, of ookBrederodekwammet de zijnen aan, en sloeg zich by hen neder; en toen nu weldra ook de benden der Hollandsche steden en de poorters vanAmersfoortverschenen en zich by hen voegden, werd het inderdaad een insluitings-leger, waaroverIJsselsteynzich wel verontrusten mocht. Want wanneer hy van den slottoren staarde, zag hy zich ingesloten door een zee van tenten en paviljoenen, waarvan slechts vijandelijke wimpels en banderollen woeien; en wanneer in de verte een oprijzende stofwolk, of het flitsen der zonnestralen op stormkappen en speerpunten, de aannadering van krijgsknechten vermeldden, dan moest hem dit een verdrietelijk en onrustbarend gezicht zijn:—hy had geen machtige bondgenoten, met wier hulp tot ontzet hy zich vleien mocht, en zijn broeder vanEgmond, hoe ridderlijk en onvertsaagd hy was, mocht een storm helpen afslaan, en de tuimelende vijanden doen vloeken op »Janmet de bellen.”—hy vermocht toch geen gantsch leger te vernielen, al deden dat ook zijne nobele voorbeelden: de Paladijnen der Arthur- en Karel-romans. Ook werd er yverig aan het beleg gewerkt; de Utrechtenaars vooral, »dien menich leet uyt Ysselsteyn gedaen was,” werkten onvermoeid aan loopgraven en bolwerken, zoodat zy al spoedig een der laatsten zoo naby de stad opwierpen, dat de afstand op sommige plaatsen geen boogschot ver meer was.Een deel der stede-bannelingen vanUtrecht, met den DomdekenHermanvanLochorst,Johanvan denSpiegel, en eenige vijanden van het sticht, hadden zich intusschen by HeerWillemgevoegd, en waren de bezetting van het kasteel komen versterken; maar ook de belegeraars kregen een nieuwen bondgenoot inJanvanBeieren, die, als mede zorg schijnende te dragen voor de belangen zijner nicht, zich ten spoedigste had uitgerust, en het getal der bespringers kwam vergrooten.HeerWillemskans werd meer dan hachlijk, en hy zag dit zeer wel in. Een vergelijk-alleen kon hem van gevangenschap of dood ontslaan—en hy neigde tot het eerste. De onderhandeling, door bemiddeling van HeerJanvanHeynsbergengevoerd, duurde kort, want het was als overmacht tegen onmacht.En veertien dagen na den aanvang van ’t beleg trokken de broeders, met hunne meêgebrachte goederen, en met hun gevolg en aanhang, waaronder ook de Utrechtsche ballingen, uit burcht en stede, en werden, ingevolge de voorwaarden van het verdrag, uitgeleid totNyendam, van waar zy, altoos buiten de landen der Hertoginne, een goed heenkomen moesten zoeken.De arme poorters intusschen, die met een nieuwen eed van hulde waanden vrij te komen, werden, zoodra de overwinnaars binnen waren getrokken, gevangen genomen, en ter beschikking vanJacobagesteld, met uitzondering van een gedeelte, waarover de Elect zich meester stelde.Toen de Hertoginne kort daarna inHollandkwam, herinnerden de StichtschenMontfoortaan zijne belofte omtrent de vernieling vanIJsselsteyn; en werkelijk wist de Burchtgraaf door tusschenkomst vanBrederodehet daarheen te brengen, datJacoba, die nog weinig blik in ’s Lands toestand had, aan de willekeurige voorwaarde hare goedkeuring schonk. Vervolgends kwam HeerWalravenop Sint Pieter en Pauwels daarna teUtrecht, en nam een hoop volks van daar met zich naarIJsselsteyn, om den arbeid der verwoesting aan te vangen. Nu speelden moker en houweel een spel, dat den sloopers uit onze dagen zoû doen watertanden: de eene toren na den andere stortte in; de eene poort na de andere viel te zamen; het eene muurvak na het andere bedekte den bodem; en dat alles onder het woest en spottend gejuich der baldadige poorters vanUtrecht, die in hunne dwaze en hoovaardige vreugde aan niets dan aan het koelen van hun wrok dachten—zonder er zich over te bekommeren of het Geslacht, dat zy zich op deze wijze ten doodvijand maakten, niet te eeniger tijd by machte van weêrvergelding zou kunnen komen. Zy arbeidden, naar hun eigen inzien, als goede en verstandige Sint-Maartens-mannen, voor de eere en het welzijn hunner stad, onvermoeid als onbevreesd, en zetteden, naalle steen tot puin gestort te hebben, hun werk de kroon op, door de geschonden plaats aan de vlammen ter prooi te geven, waarvan slechts de kerk en het klooster verschoond werden. Op beide deze gebouwen na, was hetIJsselsteynvan 1417 hetEgmondvan 1315 gelijk geworden.HeerWillemvanEgmond van IJsselsteynoverleed op den 31enDecember 1451, nalatende twee natuurlijke kinderen, eene dochter,Belia, gehuwd metBerthoutvanRietwijc, en een zoon,AernoutvanIJsselsteyngenoemd, die in den echt trad metBarbaravanBorssele, en in wien wy den schraapzieken Slotvoogd vanWoerdenhervinden, wiens vrekkige aart het der kloekheid vanJohanvanMontfoortzoo gemakkelijk maakte, om hem op tweede kersnacht, 1488, te verschalken.Na HeerWillemsdood viel, by gebrek alzoo van een wettigen telg, de Heerlijkheid op zijn neef en naamgenootWillem, tweede zoon van den vurigenJanvanEgmond, dien wy nu reeds herhaaldelijk als den krijgshaften »Janmet de Bellen” hebben leeren kennen.WillemvanEgmondwas reeds door zijn ouderen broeder, HertogAernoutvanGelder, beschonken met de goederen vanWillemvanBuren, in 1430 ontzet, en voerde den tytel van Heer vanBuren,Leerdam,SchonerwoertenHaestrecht, en des lands vanMechelen. In den slag met HertogGerhardvanBerg, 10 November, 1444, die vooral door de lafhartigheid vanGeraertvanCulenborchverloren ging, toondeWillemvanEgmondeen ridderlijken en onvertsaagden moed, maar zag zich, door de overmacht gedwongen, eindelijk met zijn getrouwen Drossaat tot de overgave genoodzaakt. De onbescheidenheid van zijn aartsvijandWillemvanBuren, sints 1430 Veldheer van den Hertog vanBerg, was gelukkig oorzaak van zijn bespoedigden loskoop. Hy was reeds een vol jaar krijgsgevangen, en HertogAernoutsgeldelijke toestand had het betalen van den losprijs nog niet gedoogd, toonBurenhem op den 13 November, 1445, een brief zond, waarin hy hem gelasttezich over acht maanden na Sint-Jacob, toen volgende, naar de stadBerchemte begeven, er leisting, of verblijf om schuld, te houden in het huis van zijn tollenaarKoenraedvanBoelendorp, en niet van daar te vertrekken buiten zijne bewilliging, of hy zou hem met woorden en schandbrieven voor de gantsche waereld als eerloos en meineedig verklaren.Eene dergelijke leisting had voor Geldersche Ridders niets vreemds, maar de wijze waarop zy nu gedaagd werd, was krenkend voorEgmondenGelderbeiden. HertogAernoutnam daarop zijne maatregelen, en de loskooping volgde eerstdaags.Toen de laaghartigeAdolf, HertogAernoutszoon, in verbond met zijne onnatuurlijke moederCatherinevanCleveen een deel verraderlijke Edelen, zijn vader in 1465 teGravegevangen nam, deed hy ook den niets kwaads vermoedendenFredericvanEgmond, HeerWillemszoon, in hechtenis nemen. Vergeefs trachtte HeerWillem, die ter goeder trouw maar al te dikwijlsAdolfsvoorspraak by diens vader was geweest, thands voor broeder en zoon te spreken: hoe zouhy, die devaderlijkeweldaden met den gruwelijksten ondank vergold, herinnering hebben voor de weldaden van denoom!Het duurde zelfs niet lang, ofAdolf, die de wederspannigheid der Roermonders aan heimelijk opstooken van zijn oom toeschreef, liet al diens leenen inGelderlandaanslaan, en viel hem met allerlei betichtingen lastig. GraafVincentvanMeurs, HeerWillemsschoonbroeder, wist voor hem nog vrijgeleide te verkrijgen; maar toenWillemteArnhemkwam om zich te verandwoorden, en daartoe metVincentnaar ’s Hertogen hof ging, keerde de woesteling hun den rug toe en liet hen staan. En toen de Graaf in een afzonderlijk gesprek er op aan drong, om te weten hoe het dan toch met HeerWillemszaak gaan moest, voerAdolftoornig uit: »Wy beboeten hem voor 20000 Rijnsche goudgulden—tenzij hy de inkomsten van den tol teIJsseloordzal betalen, of dien tol laten varen.”Toen de Graaf dit woord overbracht, sprakWillemmet bitterheid:»Zie, dit is dan de dank, dat ik zijn vader zoo dikwerf heb verbeden, en de verschillen tusschen zijne steden beslecht: hy, die my mijn lieven broeder (zijn eigen vader!) en mijn zoon ontroofd heeft, dreigt my thands ook van mijne inkomsten te berooven.”—En nadat hy den Grave gemachtigd had om met den overweldiger nader te onderhandelen, wierp hy zich netelig in ’t zaal, en reed, van een enkelen dienaar vergezeld, naar zijn Slot vanBaer, waar hy zich terstond maatregelen nam, om HertogJanvanCleve, de stedeWageningen, en eenige anderen, met de meineedige handelwijze en onverdraaglijke trotschheid vanAdolfbekend te maken.Gedurende den daarop gevolgden oorlog met den Clevenaar, zondAdolfeene bende krijgslieden onderOthovanWeerennaarIJsselsteyn, waar men allengs weder was beginnen aan te bouwen, maar nog altoos zonder beschutting van muren lag. Het viel den Geldersman derhalven niet moeielijk de plaats te overrompelen. De kerk en het klooster, door de Stichtenaars nog gespaard, werden thands met de herbouwde woningen en hutten mede aan de vlammen overgegeven, en de weerlooze menigte werd schandelijk en laaghartig mishandeld. Deze boosaartigheid bleef niet gants ongestraft: vijfenveertig der plunderaars op hun keertocht toevende binnenGorcum, waar zy zich veilig waanden13, werden onverhoeds gevangen genomen en in de ijzers gezet. Negentien hunner, uit den stok brekende, zochten deels in het Minoritenklooster, voor een ander deel in de H. Geesthuiskerk een toevlucht. Maar te vergeefs: de stadhouder vanHollanddeed hen van daar en naar ’sGravenhagevoeren, waar zy op den 26enen 29enMei, 1466, ondanks alle smeekingen en voorbeden hunner verwanten en betrekkingen, onthalsd en geraderd werden.JonkheerFredericwas intusschen zijne gevangenis door list ontsnapt, en by zijnen vader aangekomen, waarop zy-beiden hunnevolgers gewapend, en zich by het leger des Hertogen vanClevegevoegd hadden, van waar zy hunnen vijandelijken bloedverwant menige schade toe brachten, en zelfsArnhemverrasten.Na den vrede vanGent, 1469, begon de roekeloozeAdolfweder de oude treken tegen zijnen oom. HeerWillem, evenzeer verontwaardigd als verraderij duchtend, begaf zich onmiddelijk naar HertogKarelvanBorgondië, door wiens ernstige tusschenkomst eindelijk de rollen werden verwisseld:Adolfin hechtenis geraakte, enAernoutop vrije voeten kwam. De oude Vorst erkende de trouw en gehechtheid van zijn broeder en diens zoon: Hy beschonk den eerste met de tollen vanIJsseloortenArnhem, en begiftigde den tweede met de stad en het kasteel vanBuren, geheel en al, met tollen, dorpen, inkomsten, en rechten; daarenboven benoemde hy hem later tot Slotvoogd van het kasteel teGrave, waar hy, na zijn afstand van het Hertogdom aanKarel, gewoonlijk verblijf hield en ook, op den 23enFebruari 1473, overleed.By het verzet der Gelderschen tegen HertogKarel, sloot HeerWillemzich der partij van den laatste aan, en verscheen met zijne drie zonen en hunne wapenknechten zelf in ’t Hertooglijk heir, waar hy groote diensten bewees, en in het beleg vanNymegen, 1473, zijne tenten opsloeg aan de overzijde van deWaalin ’t dorpLent, aan de zijde van zijn ouden vriend den Hertog vanCleve, met wien hy de overmoedige stad zeer in de engte bracht. HertogKareltoonde hoezeer hy de diensten en bekwaamheden vanWillemop prijs stelde, en stelde hem, na de onderwerping vanGelderland, tot zijnen Ruwaard over dat gewest aan.De dood vanKarelden Stoute, 5 Januari 1477, brachtWillemin ongelegenheid met de Gelderschen, die hem wantrouwden, enCatharynevanGelre, op verlangen van heur geslaakten broederAdolf(kort daarna echter voorDoornicgesneuveld) als Voogdesse aannamen. In de vijandelijkheden, hieruit metterdaad ontstaan, werden zijne beide jongere zonenFredericenWillemdoor de poorters vanNymegengevangen, en drie jaren lang in den zwaren toren tegen over hetValkhofin hechtenis gehouden.De Aarts-HertogMaximiliaan, in deze zaak gemoeid, wierp zelf een oog op het bestreden Hertogdom, en nam HeerWillem, om hem aan zich te verbinden, in 1478, teBrugge, onder de Ridders van het Gulden-vlies op. De grijze Ridder, in wien wy thands moeielijk den ranken Edelman met de zwarte krullende hairen kunnen herkennen, dien wy in 1451 op het kasteel teEgmondaantroffen14, droeg het vorstelijk onderscheidingsteeken nog byna vijf jaren op de fiere borst. Toen overleed hy op het kasteel vanGrave, 19 Januari 1483, en werd aan de zijde van zijnen broederAernoutbegraven.FredericvanEgmond, zijn opvolger als Heer vanIJsselsteyn, en gehuwd met JonkvrouweAleyde, HeerGeraertsdochter vanCulenborch, had intusschen reeds overvloedig van zich doen spreken. Ook wy hebben hem reeds ontmoet by de Utrechtsche onlusten, waarin de Burchtgraaf vanMontfoort, zijn erfvijand, zulk een overmoedige rol speelde15, enFredericals Opperbevelhebber het leger des Bisschops aanvoerde.Hy begon de vijandelijkheden met het verbranden van eenige huizen aan de Catrynepoort buitenUtrecht, het rooven van vee uit de landerijen aan denRijn, en het gevangennemen van eenige Stichtschen, die hy deed uitschudden en naarIJsselsteynvoeren, dat door hem reeds onderKarelden Stoute, en met diens goedkeuring, opgebouwd en versterkt was geworden. Een inval der Montfoorters onderJanvanMiddachtenwerd door den IJsselsteynschen BevelhebberLambrecht Myllinckgekeerd. In de nabyheid van het steedjen had een hevig gevecht plaats, waarbyMiddachtenmet negen ruiters en zeven poorters gevangen genomen werd, terwijlMyllinck, zijn behaald voordeelvervolgende, de landen vanMontfoortenUtrechtmet vuur en staal verwoestte. Eene onderneming der IJsselsteynschen in het volgende jaar gelukte volkomen. Van het kasteelOudegein, aan de vereeniging vanLecenIJsselgelegen, en wel op den noordelijken oever der laatste rivier, werden een tijd lang de hinderlagen bespied, die de ruiters vanIJsselsteynlangs den vaartschenRijnlegden, wanneer zy den voorraad, die van tijd tot tijd naar het blokhuis aan deVaartwerd gevoerd, wilden onderscheppen. Zoodra men de loerende krijgsknechten bespeurd had, werd het sein gegeven aan het kasteelVronesteynen aan deVaart, en de vaartuigen die beladen waren zetteden hunne reis niet verder voort. Te vergeefs mochten die vanIJsselsteynzich een poos afmatten, wie hun dezen trek speelde. Eindelijk ontdekten zy de ware toedracht, en besloten zich van den steenen spie te ontdoen. Op zondag, 16 Juni 1482, overvielen zy denOudegein, verjoegen de bezetting, plunderden en verbrandden de burcht, en keerden met de behaalde buit triomfantelijk in hunne stad te rug. De Stichtschen leden door dit verlies grooten last, want van nu aan legden HeerFredericsmannen hunne hinderlagen weer onbespied, en maakten zich zoowel van de vijandelijke krijgslieden, als van mond- en krijgsvoorraad meester.De bebouwde en bloeiende vallei van het Sticht werd door deze onophoudelijke en wederkeerige invallen een woestenij, waar netel en klisbloem welig tusschen de zwartgebrande puinhoopen opschoten, en het rijpe koren den paarden der vernielzuchtige ruiters tot voedsel diende. En zoo mocht de geplaagde Stichtenaar van 1482 wel met den verdrukten Kennemer van 885 klagen:
Daar zijn oogenblikken in het leven, waarop men waarlijk in verzoeking komt om te wenschen, dat sommige sprookjens uit de kinderkamer zich mochten verwerkelijken. Dat zijn wel het minst oogenblikken van kortswijl en luim—meer van hoogen ernst, en verreweg de meesten onzer hebben ze wel eens doorleefd. Het zij ge koopman zijt, en u een (want ge zijt Hollander!1) rechtvaardigen mammon tracht te verwerven; krijgsman, en de rust onzer dagen verwenscht, wijl ze u belet bloedige lauweren te winnen; geleerde, en dus het recht hebt om aan alles, soms ook aan u-zelf, te twijfelen; staatsman, en zoo doordrongen van de voortreffelijkheid uws stelsels, dat ge des noods den throon uws Konings zoudt ondermijnen, om u-zelf op het republikeinsch presidents-kussen te plaatsen—ja, schoon ge dit alles te gelijk waart—dan nog is er wel eens een oogenblik in uw leven geweest, waarop ge gewenscht hebt:—»dat toch steenen eens konden spreken!”
Het kasteel te Ysselsteyn.Het kasteel te Ysselsteyn.
Het kasteel te Ysselsteyn.
Het wasdan, wanneer ge u in de sombere, zwaarmoedige bouwvallen van de eene of andere burcht bevond, en de geschiedenis daar de geheimen van den voortijd zoo spaarzaam ontsluierde, dat ge die donkere wulfsels, die holle gangen, die ledige hallen, die gewelflooze zalen, wel zoudt hebben willen ondervragen,indien ge ook maar half verzekerd waart geweest een enkel andwoord te zullen ontfangen.
Wien deze gewaarwordingen nog onbekend mochten zijn—zoo hyHollandbewoont, ga hy naar de kollossale bouwvallen vanBrederode; zoo hy Stichtenaar is, wende hy zich naar de geringe overblijfselen van het Kasteel teIJsselsteyn—en ik vrees niet, dat hy, van daar wederkeerende, mijne stelling weêrspreken zal.
Intusschen, wat de geschiedenis ook maar met eenige zekerheid van het eerste vermelden kon, hebben wy reeds getracht in het geheugen te rug te roepen2; beproeven wy dit thands ook met betrekking tot het laatste.
De oorsprong van het edel geslachtIJsselsteynkan met redelijkheid niet vroeger dan op het midden der dertiende eeuw worden gebracht, en wijst op eene afstamming uit het toenmaals zoo machtige Huis vanAemstel. Wel vinden wy melding gemaakt van een Heer vanIJsselsteyn, in den Grimbergschen oorlog, 1144, gesneuveld, maar dit moet eene vergissing zijn3, terwijlJanvanIJsselsteyn, wiens erfdochterBertrandemetAernoutvanAemstelzou gehuwd zijn, moedwillig uit de lucht gegrepen is, om tusschen de beide geslachten een verband te brengen, dat door historische documenten geheel wordt weêrsproken.
Gaan wy de geschiedenis-zelve volgen, zonder langer stil te staan by drooge verdichtselen, die niet eens, als zoo menige dichterlijke sage of naïve volks-overlevering, een historischen grondslag hebben.
HeerGijsbrecht(de Derde) vanAemstel, die in 1251 overleed, had, behalven eene dochterBadeloch, die metHermanvanWoerdengehuwd was, nog drie zoons, waarvan de oudste, de schandvlek van zijn geslacht, hem opvolgde, de jongste,Willem,Proost van St.Janwas, en de middelste,AernoutofArent, wellichtverstandigzou hebben gedaan, indien hy zich aan de Erfdochter van een of ander rijk geslacht had verbonden, omdat zijne erfgoederen, daar hy de tweede zoon was, niet groot konden zijn. Hy raadpleegde evenwel zeker meer zijn hart dan zijn hoofd, want hy huwde eene Jonkvrouwe van onbekenden stam,Janne, ofJoanna, van wie het vrij duidelijk blijkt, dat zy volstrekt geene eigendommen bezat, en na den dood haars gemaals al heur inkomen trok uit eenige goederen, die hy haar in lijftocht had na gelaten. In 1267 legde hy den grondslag tot de latere HeerlijkheidIJsselsteyn. Hy pachtte namelijk in dat jaar, van het Utrechtsche Domkapittel, eenige goederen aan denIJssel, ongeveer ter plaatse waar deze zich toen reeds met deLeckvereenigde. Het voornaamste daarvan was het oudeEyterenofHeteren, thands een gehucht, toenmaals een welvarend en uitgestrekt dorp. Hier in de nabyheid stichtte hy vóor 1279 een burch of stein, dien hyIJsselsteynnoemde, welke naam, vervolgends op hem en zijn geslacht overgedragen, zoowel in de geschiedenis van het GraafschapHolland, als in die van het BisdomUtrecht, byna even spoedig vermaard als bekend werd.
Aanvankelijk legdeAernoutzich vooral op het vermeerderen en inrichten zijner bezittingen toe. In 1278 kocht hy van den Abt vanOostbroeceenige goederen in het naby gelegeneGeyn, en in het laatst des volgenden jaars pachtte hy de tienden over de landerijen rondom zijn kasteel gelegen, die aan het Maria-kapittel teUtrechtbehoorden, voor vijf jaren, tegen 154 pond ’s jaars. De vijandelijkheden over den Vreelandschen tol, door zijn broederGijsbrechteigenmachtig geheven4, hadden inmiddels een einde gemaakt aan deze rustige bemoeiïngen van het landleven.Aernout,Gijsbrechtspartij kiezende, en mede breed opgevende van de grieven, hun door den Bisschop aangedaan, ontzegde zijn leenmanschap aan het Sticht, en nam in zijnsbroeders plaats het bevelhebberschap vanVreelandop zich. GraafFloris, den 5enSeptember 1278 metUtrechteen verbond gesloten hebbende, sloeg weldra het beleg voor dat kasteel, maar zag zich doorAernoutswakkere verdediging tot den aftocht gedwongen. Maar toen de strijd byLoenenvoorgevallen, enGijsbrechtdaarby doorCostijnvanRenessegevangen genomen was, werdAernoutonmachtig om zich alleen staande te houden, en leverdeVreelandin ’s Graven handen. Daarop werd hy met zijne broeders naarZeelandgevoerd, en moest daar blijven in eerlijke gevangenschap, tot zy zich hadden onderworpen aan de voorwaarden van den strengen zoen, die op den 27enOktober 1285 bezegeld werd, waarby zy hunne goederen ten volle aanFlorismoesten opdragen, en ze slechts gedeeltelijk weêr in leen te rug ontfingen.
Toen zy eenmaal het weerspannig hoofd gebogen hadden, zullen zy nogtans den dag der bezegeling van de overeenkomst niet in ’s Graven hechtenis hebben behoeven af te wachten, maar wel onder verzekerden borgtocht ontslagen zijn. Wy vindenAernoutten minste in de voorhelft dier zelfde maand reeds weder zorgende voor de goederen zijner Heerlijkheid: Vrijdag na St. Victor (12 Okt.) 1285, werd de pacht der tienden verlengd voor zestien jaren, en vergroot met het daaglijksch recht en met de visscherij, om welke voordeelen het pachtgeld met 31 pond en vijf zalmen verhoogd werd.
Hy smaakte zijne herkregen vrijheid niet zeer lang, en overleed reeds in het laatst van 1290, of in het begin van 1291. VrouweJoanna(die door GraveJanin het tijdelijk bezit harer weduwgoederen bevestigd werd) had hem twee zonen geschonken, waarvan de jongste, Heer vanBenscoep, eene treurige vermaardheid in de samenzwering tegenFlorisden Vijfde verkregen heeft, en de oudste,Gijsbrecht, als tweede Heer vanIJsselsteynoptrad.
GijsbrechtvanIJsselsteyn, Maarschalk van het Sticht, verbond zich op den 25enOktober, 1294, benevens tien anderevoorname Utrechtsche Edelen, met GraafFloris, om dezen, ware ’t nood, te dienen tegen elk zijner vijanden, den Bisschop vanUtrechtdaar buiten gesloten. Hy heeft zich echter niet kunnen vrijwaren van de verdenking van meêplichtigheid aan de samenzwering, schoon hy niet handdadig was aan den moord. Dat hy met den Heer vanZuylenzich voegde byLoefvanCleveen de Hollandsche benden, die de moordenaars opCronenburchbelegerden, bewijst overigens nog niets voor zijne onschuld: zijn broederBenscoeptoch was mede daar binnen, en het liet zich reeds van den beginne af wel aanzien, dat die ruwe dorpersvuisten, brandende om toe te slaan, verpletterend en vermorzelend zouden nedervallen op die adelijke verradershoofden, wie honger en gebrek tot overgave dwingen moest. En schoonArentvanBenscoepgeen beter lot verdiende danWillemvanZaenden—ter wille vanGijsbrechtsbroederhart is het ons toch lief, datLoefvanCleveden verrader nog heeft kunnen behoeden, enGijsbrechthem in veiligheid teKervenheymwist.
Maar weldra werdgijsbrechtstoestand zelf hachelijk.WolfaertvanBorssele, de heerschzuchtige staatsdienaar van den kinderlijkenJanden Eerste, de bondbreukigheid van BisschopWillemvanMechelenbemerkende, begon het Graafschap te versterken, en trachtte vooral daartoe de kasteelen op de Stichtsche grenzen te bezetten. Dat gelukte hem met het slot vanAmeide, doorDircvanHerlaerby overeenkomst daartoe afgestaan. Wie zich niet zoo gemakkelijk liet vinden, wasGijsbrechtvanIJsselsteyn.
»Dat ware schande!” andwoordde hy opBorsselesaanzoek: »wanneer ik den Grave vanHollandmijn huis ruimde, daar ik Maarschalk van ’t Sticht ben5, en de Bisschop mijn rechte Heere is. ’t Bracht my oneere, zoo ik dat toestond—des weiger ik, er moge van komen wat er wil!”
Verbitterd over dit mannelijk betoon van trouwe, zochtWolfaertnu langs den weg des gewelds zijn doel te bereiken. Den Maarschalk werden buiten het kasteel lagen gelegd door zijne valsche geburen,HubrechtvanVyanenen diens verwanten, op aanstoken uitHolland; en werkelijk gelukte het hun zich van hem meester te maken. Doch, schoon men hem naar het Kasteel vanCulemborchbracht, en aldaar in hechtenis hield—dat vanIJsselsteynwas daarom nog niet gewonnen:Bertrade, ofBaerte, vanHeuckelom,Gijsbrechtsgemalin, was een kloekhartige vrouw, die den vijanden van haren echtgenoot zoo wel den intocht weigerde als hy ’t zelf had gedaan. Dat menhemgeen leed zou doen, daarvoor achtte zy zich ook gewaarborgd door een trouweloozen knecht vanVyanen, die zich van zijns Heeren kind meester gemaakt, en het op denIJsselsteyngebracht had. En gelukkig voor haar, die kleene gijzelaar! Wie weet aan wat zielestrijd eenWolfaertvanBorsselehaar zou hebben overgeleverd, indienVyanenniet inGijsbrechtden borg voor het leven zijns kinds hadde te beveiligen gehad.
Borsseledeed ’s Graven banier voor het Kasteel planten, en het dicht en zwaar beleggen; daarop herhaalde hy zijn eisch om overgave, op den forschen toon van stormtuig en staal:
Straks wordt het schaatrend aanvals-teekenVan rij tot rij in ’t rond gehoord,En onder luid gejubel brekenDe benden op en rukken voort.Als golven die het strand beklimmen,Door barsche winden voortgestuwd,Zoo stormen ze aan. Een bui van vlimmenEn werpgesteente paart en huwtZich aan ’t gedrang. ’t KlaroengeschetterEn ’t rofflen van de holle tromDreunt samen met het staalgekletterEn krijten van den strijdbren drom.
Straks wordt het schaatrend aanvals-teeken
Van rij tot rij in ’t rond gehoord,
En onder luid gejubel breken
De benden op en rukken voort.
Als golven die het strand beklimmen,
Door barsche winden voortgestuwd,
Zoo stormen ze aan. Een bui van vlimmen
En werpgesteente paart en huwt
Zich aan ’t gedrang. ’t Klaroengeschetter
En ’t rofflen van de holle trom
Dreunt samen met het staalgekletter
En krijten van den strijdbren drom.
De hooge trans—de borstweer—’t kraaktVan steenen, ’t werptuig uitgebraakt.De stormram beukt de poort.Het rijs, in bergen aangebracht,Bevloert welras de diepe gracht,En stijgt er tot den boord.De ladders worden saamgetast,En hechten aan den muur zich vast;De strijders dringen voort,En klautren op, met sterke hand,En klemmen zich met knie en tandAan stijl en sporten vast.En stuift een dichte pijlenregenUit schietgat en kanteel hun tegen—Het aantal groeit en wast.
De hooge trans—de borstweer—’t kraakt
Van steenen, ’t werptuig uitgebraakt.
De stormram beukt de poort.
Het rijs, in bergen aangebracht,
Bevloert welras de diepe gracht,
En stijgt er tot den boord.
De ladders worden saamgetast,
En hechten aan den muur zich vast;
De strijders dringen voort,
En klautren op, met sterke hand,
En klemmen zich met knie en tand
Aan stijl en sporten vast.
En stuift een dichte pijlenregen
Uit schietgat en kanteel hun tegen—
Het aantal groeit en wast.
En ’t scherp en gierend strijdgeluidGalmt boven gil en jammer uit,Al valt er menig een.En dondert ook een raatlend heirVan keien langs de wallen nêerEn morselt hoofd en leên;En storten krakend, splintrend daarDe ladders op en door elkaâr,De klimmers onder een,Verplet, verbrijzeld of verwond—Wie kan, verrijst weêr van den grond,Ten nieuwen storm gereed.En steeds vergroot zich weêr ’t getalDat opstijgt naar kanteel en wal,Met luider oorlogskreet.
En ’t scherp en gierend strijdgeluid
Galmt boven gil en jammer uit,
Al valt er menig een.
En dondert ook een raatlend heir
Van keien langs de wallen nêer
En morselt hoofd en leên;
En storten krakend, splintrend daar
De ladders op en door elkaâr,
De klimmers onder een,
Verplet, verbrijzeld of verwond—
Wie kan, verrijst weêr van den grond,
Ten nieuwen storm gereed.
En steeds vergroot zich weêr ’t getal
Dat opstijgt naar kanteel en wal,
Met luider oorlogskreet.
MaarBertradestond (om metVondelte spreken) als eene heldin op de haar toebetrouwde post, en iedere storm, hoe fel en langdurig, hoe scherp en vernielend, werd afgeslagen; en de blyde-steenen mochten een dak verbrijzelen, of een venster in stukken doen springen, of een verdediger dooden—zy maakten geen bres in de muren, die niet werd gedekt met trouwe in ’t staal gehulde borsten, tot dat de opening weer gevuld was.
Nogmaals beproefdeWolfaertden weg der onderhandeling, maar met geen beteren uitslag. De trouwe gade wilde van niets hooren, tenzij men haar eerst toestond metGijsbrecht, haar gemaal, onbeluisterd te spreken, opdat ze zijn eigen woord mocht hooren, en zijn raad innemen, dien ze zekerlijk zou opvolgen. Maar of nu de belegeraars daar een list achter zochten, of dat zyGijsbrechtgenoeg kenden om van zijn raad geene verandering te wachten—hare voorwaarde werd niet aangenomen, en—schande over het hoofd van een Edelman, die aldus eene vrouw bestreed!—er werd besloten om haar door uithongering te dwingen.
Lang hield de heldin het nog vol: byna een jaar; toen had gebrek aan voedsel de krachten verteerd; toen waren er slechtszeventienweerbare mannen op ’t kasteel—en in welken toestand nog!—Zoo de vijand thands storm blies, was alles reddeloos verloren. Trachte zy ten minste nu nog te behouden, wat behouden kon worden: zy bood de overgave van het kasteel aan, op voorwaarde van vrijen aftocht voor zich en de ingenoten.
Het moet wel een hatelijke, een onmenschelijke glimlach zijn geweest, waarmeêWolfaertdien voorslag ontfing. DatHubrechtvanVyanen, die mede onder de belegeraars was, de uitlevering van den kinderdief wilde bepaald hebben, daarin lag niets onbillijks; maar laaghartig was het vanBorssele, dat hy volstrekt weigerde om meer dan de helft der verdedigers lijfsgenade toe te zeggen. Op de burcht werd over dien harden eisch beraadslaagd.—»De helft die aan my komt, zal die vrij zijnen van alles kwijtgescholden?” vroegBertrade.—»Dat zal zy,” andwoordde men haar. Toen onderwierp zy zich aan den bangen nood, die haar dwong om toe te geven. De poort werd geopend, en daar de brug geheel vernield was, werden er horden gelegd, waarover ’s Graven leger binnentrok.HubrechtvanVyanensloot zijn kind ongedeerd in de armen; over den verraderlijken knecht hield hy kort recht, en deed hem op het rad leggen.Bertrademoest aanvankelijk hare burchtzaten naarDordrechtvolgen, om getuige te zijn van een tooneel, waarinWolfaertsgemoed zijn volle gruwzaamheid uitsprak.
De verachtelijke Baljuw vanZuid-Holland,Aloud,Wolfaertsoogendienaar, zat daar in den richterstoel, en er moest geloot worden om dood en leven. Hy verdeelde de zestien mannen aan twee zijden. Een uit hen zou beslissen welke acht de zaal slechts zouden verlaten om te sterven, want er waren twee balletjens, even groot en gelijk van kleur, maar het een besloot een Hollandschen penning die ten leven—het ander een Leuvenschen die ter dood wees.AloudmaakteBertrademet dat doel bekend.—»Nu zie, minnelijke Vrouwe!” sprak hy: »wien de Leuvensche penning ten deele valt, hebben ’t lijf verbeurd; wien de Hollandsche komt, zullen het behouden.”—
BaljuwAloud! zie wel toe op de gelaatstrekken dier zestien mannen; zie vooral dáar heen, waar ze den vreeselijken angst der onzekerheid verraden, want—nog weinige maanden, en dan zult gy zoo voor eene woedende volksmenigte staan, die ook geen barmhartigheid kent! Als ge dan de koord om den hals zult voelen, waarmeê men u hangen zal, naast den beul—zult ge dan sterven als acht van dézen: met het bewustzijn van uw plicht te hebben gedaan?...
Maar niemant voorzag dit nu nog;Aloudallerminst. Het lot besliste, hoe de hand gesidderd moge hebben die de wreede keuze moest doen; de verwezene helft der trouwe bezetting werd terstond onthalsd, de andere volgdeBertradenaarHeuckelom, indienten minste dit bericht meer waarheid behelst dan de regelen van den kronijkdichter:
Dandre dedemen doe ghevaen.
Dandre dedemen doe ghevaen.
waar hy in billijke verontwaardiging op laat volgen:
Dat dochte mi onrecht ende mesdaen!—
Dat dochte mi onrecht ende mesdaen!—
Het kasteel en de landerijen vanIJsselsteyn(metBenscoepenWoerdendaarby) gingen uitBertradeshanden in die eener andere Edelvrouw over: GraafJanbeleende ze, opWolfaertsbede, aan diens gemalinSybille, die er zich toch niet lang Vrouwe van schrijven mocht: 1 Augustus, 1299, viel haar echtgenoot onder de moorddadige handen der verbitterde Delftenaren, en den 21 Mei 1300 ontfingGwyvanAvennesvan zijn broeder GraafJanden Tweede in rechten leen al de goederen op Stichtschen bodem6van diegenen, die met raad of daad schuldig waren aan GraveFlorisdood, en hiertoe werd ookGijsbrechtgerekend.
Deze, die na de overgave van zijn kasteel losgelaten was, loerde slechts op de gelegenheid, om zich van zijn wettig eigendom weder meester te maken. De inval der Vlamingen in 1304, en de verwarring, door de gevangenneming des Bisschops in den noodlottigen strijd opDuveland, over het gantsche Sticht heerschende, kwamen hem daartoe weldra te stade. Of hy het in vrede, dan wel met gewapender hand weder in bezit nam, is onbekend.Stokemeldt alleen in twee regels denuitslag, niet dehandelingvan het feit, en zingt, als nam hy de slotwoorden van een volkslied over,
EnGhisebrechtis opIJselsteine,Dat sine hadde geweest te voren.
EnGhisebrechtis opIJselsteine,
Dat sine hadde geweest te voren.
Zeker is hem dat bezit niet betwist geworden, want reeds den 13enJuni vinden wy hem rustig voor het belang zijner inkomsten zorgen, en daartoe van het Kapittel van St. Maria voor twee jaren in pacht nemen het laag gericht (om de opbrengst der boeten en breuken) vanIJsselsteyn, vanMerlo, en vanMarnedijc, met de tienden en visscherij, tegen 126 pond ’s jaars.
In Augustus daarop stierf graafJande Tweede, en bekwam de dappere en edelmoedigeWillemde Derde den stoel vanHolland.Gijsbrechthaastte zich tot eenen zoen, en werd waarschijnlijk door den Graaf tot Ridder geslagen: op den 11enAugustus 1305, by eene dagvaart te ’sGravenhagetegenwoordig, werd hy onder de »Edele luyden, ’s Graven lieve en getrouwe mannen” genoemd, en by de Ridders geteld. En toen nu zijn oudste zoon,Aernout, in ’t huwelijk trad met ’s Graven nichtMaria, bastert-dochter van BisschopGwyvanAvennes, ontfingGijsbrecht-zelf het kasteel vanIJsselsteynmet de 32 morgen lands waar ’t op stond, een zeker stuk lands aan de noordzijde van de gracht teIJsselsteyn, 7.5 hoeven in ’tGeyn, 60 morgen lands teRypikerwaert, 44 morgen teBenscoep, 75 tePolsbroec, 18 teHoenscoep, en 12 teBloclant, in rechten leen. Wanneer wy nu hierby voegen de bezittingen en pachten onder den eerstenGijsbrechtvermeld, benevens die op blz. 118 voorkomende, dan kunnen wy ons van de Heerlijkheid in haren oudsten toestand, al een vrij duidelijk denkbeeld vormen.
Intusschen was het getal der houten en rieten arbeiders- en dienstmanswoningen, rondom en in de schutse van het kasteel neêrgeslagen, allengs uitgebreid, en hier en daar met de woning van dezen en genen ambachtsman vermeerderd; menig bewoner vanEyterenhad die plaats verlaten, en zich onder denIJsselsteynneêrgezet; zoodoende was de buurt een gehucht geworden, en het gehucht tot de uitgestrektheid van een dorp aangegroeid, waar men groote behoefte begon te gevoelen aan eene kerk. HeerGijsbrechtverplaatste daarom, met toestemming van BisschopGwy, en onder erkenning van het recht der Kanunnikenvan St. Maria tot de begeving, de Kerspel-kerk vanEyterennaar zijn kasteeldorp, en bevestigde daarmede voor goed den grondslag der tegenwoordige stad, die nog altijd zijn naam draagt, schoon zijn wakker Geslacht reeds lang is uitgestorven.
By dit alles vergat hy de ridderlijke wapenoefening niet: nog in het zelfde jaar, 1310, op het beroemd tornier vanBergen, waar omstreeks 190 Graven, Baanderheeren, Ridders, en Knapen, uitEngeland,Frankrijk,Duitschlanden deNederlandensaamgevloeid waren, pronkte ook zijn wapenbord: een gouden schild, beladen met een balk van sabel, alles gedekt door een sint-andries-kruis, van zilver en keel geschakeerd7. Hoeveel aanzien hy aan GraafWillemshof genoot, blijkt daaruit, dat deze hem in 1314 toestond om jaarlijks in het groene woud vanHaerlemeen hert te mogen dooden, en dit voorrecht zelfs erfelijk op zijn geslacht over te brengen. Ook werd hy tot ’s Graven Raad verheven, welke waardigheid hy tevens by den Bisschop schijnt bekleed te hebben; en in Maart 1317 beleende de Graaf hem met het gerecht, de tienden, de kerkbegeving, en eenige landerijen teBenscoep, met het gerecht en de tienden vanPolsbroec, en met de helft van het gerecht en van de visscherij teOpburen. Deze bezittingen vermeerderde hy nog in November 1319 met de Cuyksche leengoederen, ook reeds door zijne ouders bezeten, strekkende, langs deze zijde desIJssels, vanOpburentotSnadelenhoec, aan gene zijde, van ’tGeyntotFellenoirde, en verder bestaande uit het hooge en lage recht in denIJssel, de putten en palen, waarden en visscherijen aldaar, met alles wat tot eene Hooge Heerlijkheid behoort.
In 1326 verkocht de Heer vanCuykal zijne eigendommen in het Sticht aan GraafWillem, en deze bevestigde het volgendejaar HeerGijsbrechtin het verlij; tot hiertoe was slechts het kasteel met eenige goederen daar rondom Hollandsch leen geweest, thands kwam er ook het hooge rechtsgebied der Heerlijkheid onder, want dit was uit de Cuyksche leenen ontstaan.
In 1333 had hy het verdriet, zijn wakkeren jongsten zoonHerbarn, Ridder, Heer van denBussche, door eene noodlottige gebeurtenis te verliezen.Herbarnwas metJohanvan denZandein oneenigheid geraakt, die zoo hoog liep, dat het tot een gevecht kwam, waarin beide Edellieden sneuvelden. Het onrecht schijnt aan de zijde des Heeren van denZandegeweest te zijn, want in den zoen, tusschen de aanvankelijk verbitterde geslachten der gesneuvelden door den Proost van Sint-Pieter gesloten, werd den verwanten vanJohanopgelegd om een altaar en vicary te stichten in de kerk vanIJsselsteyn, met opdracht van het begevingsrecht aanHerbarnszoonGijsbrechten diens nazaten, en daarenboven tot het vestigen eener jaarlijksche rente van veertig grooten tornois, op de Maria-kerk teUtrecht, voor het doen van zielmissen ten behoeve van HeerHerbarn.
GijsbrechtvanIJsselsteynoverleed tusschen 1341 en 1344, en werd opgevolgd doorAernout, den oudsten zijner drie toen nog levende zonen8. Deze was, als wy weten, in 1308 gehuwd metMariavanAvennes, en werd kort daarop tot de Ridderlijke waardigheid verheven, schoon sommige Edelen er laag op neêr zagen, dat hy zich aan eene Jonkvrouwe uit onechten bedde verbond. Hy voer er intusschen wel by; ontfing van zijn schoonvader nog op diens onverwacht doodbed (29 Mei 1317) de voogdij van het kasteelGoye; vermeerderde zijne inkomsten met eenige dagelijksche gerichten en schout-ambten, en was reeds een gezien Edelman, toen hy de Heerlijkheid van zijn geslacht beërfde, waarmede hy zichniet alleen door GravinMargaretadeed beleenen (1346), maar ook nog daarenboven door BisschopJanvanArckel, voor zoo ver deze te eeniger tijd in het bezit dier goederen mocht komen; ten opzichte van den Bisschop verbond hy zich daarentegen om te zorgen dat een verlangd huwelijk tusschen diens broederRobbrecht, den Ruwaard van ’t Sticht, enAleyde9, HeerOttovanArckelsErfzuster vanAsperenenHagesteyn, tot stand kwam, hetgeen ook werkelijk geschiedde. De goede verstandhouding tusschen hem en den Kerkvoogd ging echter in de oneenigheden tusschen den laatste met het Beiersch Gravenhuis vanHollandten onder:Aernoutdie de Hollandsche zijde hield, verkreeg daarvoor wel van HertogWillemhet belangrijk voorrecht om Utrechtsche ballingen tot poorters vanIJsselsteynte mogen toelaten, maar de uitoefening daarvan duurde niet lang, want toen zijn bestand met BisschopJanten einde geloopen was, terwijl deze zich teRomebevond, trok de Maarschalk van het Sticht op maandag na beloken Paschen voorIJsselsteynen sloeg er zijne tenten om heen.
Vijf weken lang werd de plaats met allerlei stormtuig aangetast, en toen zagAernoutzich gedwongen tot de overgave, en genoodzaakt om met eede te bezweren, dat hy en de zijnen in ’t vervolg goede en getrouwe Stichtsmannen zouden blijven, en nimmer weder tegen den Bisschop of de stad oorlog voeren. Hy hield echter zeer slecht woord, voegde zich spoedig weder aan de Hollandsche zijde, en werd door HertogWillem, die hem »zwager”10noemde, met gunsten overladen, ja zelfs, met den tytel van Baanderheer, tot Hertooglijken Raad benoemd.
De Bisschop was over dit alles niet weinig verbitterd, maar te vergeefs; en inHollandwasAernoutsaanzien zoo gestegen, dat hy, met HeerJanvanDrongelenen de stadDordrecht, in 1358 gemachtigd werd tot het waarnemen der regeering, tijdens de afwezigheid van HertogAelbrecht.
Zijn ouderdom en langdurige ervaring moeten hem een groot vertrouwen verworven hebben, want dikwerf werd hy in belangrijke geschillen als scheidsman geroepen: onder anderen in 1359 tusschenEduard, des Hertogen broeder vanGelre, en HertogeAelbrecht; tusschen HertogAelbrechtenJan, den Heere vanArckel; tusschen den Heer vanArckelenJan, Heer vanPolanenen van deLeck. Ook schijnt er tusschen hem en den Bisschop eene volkomene verzoening tot stand gekomen te zijn: toen hy in 1360 eenige goederen aan de kerk teIJsselsteynschonk, en de Bisschop dit goedkeurde en bevestigde, noemt deze hem »onzen bloedverwant en Baanderheer.”
Hy stierf, hoog bejaard, in 1362 of 1363, en werd in het volledig bezit der Heerlijkheid en alle goederen opgevolgd door zijne ErfdochterGuyotteofGwyda11, die sedert 1330 gehuwd was met den rijken, machtigen, en onvertsaagdenJanvanEgmond, van wiens daden reeds by de behandeling derEgmonderburcht gesproken is, en die, nevens zijne echtgenote, in 1366 door HertogAelbrechtmet de Heerlijkheid verlijd werd.
Ook hunnen oudsten zoon en opvolger,Aernout, behoeft hier slechts herinnerd te worden. Als Heer vanEgmondenIJsselsteynbewees hy, in 1380, BisschopFlorisvanWevelichovengroote diensten by den oorlog met den overmoedigen RidderEveraertvanEssen, en het beleg van diens kasteel vanEerde. Ook werd onder zijn bestuur de stad in 1390 merkelijk versterkt, nadat ze in 1374 door de plundering van HeerWillemvanRees, Krijgsoverste van BisschopAernoutvanHoorn, veel geleden had.
HeerAernoutstierf in 1409, en liet twee zonen na, waarvan de oudste,Jan, Heer vanEgmondwerd, terwijl de tweede,Willem, in het bezit vanIJsselsteyngeraakte.
WillemvanEgmond van IJsselsteyn, gehuwd metJacobvanBorssele van Brigdammesweduwe,AnnavanHennin, eene dochter vanGauthier, Heer vanBossu, werd weldra in de oneenigheden gewikkeld, die tusschen zijnen broeder enWillemden Zesde ontstaan waren, en reeds onderEgmonddoor ons vermeld zijn12. Toen namelijkJanvanEgmondonder vrij geleide voor den Hoogen-raad vanHollandwas gedaagd, maar niet verscheen, werd hy ten gevolge daarvan gevonnisd als schuldig aan hoog verraad, en, met verbeurtverklaring zijner goederen, uit den lande gebannen. Hy achtte zich daarop inHollandniet langer veilig, maar vertrok ijlings naarIJsselsteyn, en zocht er by zijn broeder eene schuilplaats. De Graaf-Hertog zond, zonder lang te toeven, zijne gezanten derwaart, en deed kasteel en stad opeischen, maar ontfing een weigerend andwoord. Hierop verzamelde hy een deel zijner Ridderen en knechten, en zond ze, omstreeks Sint-Maria Magdelena, 1416, met een groot aantal poorters uit de Hollandsche steden naar de weêrspannige plaats, om die te belegeren.Egmondsvrienden en verwanten, waaronder voornamelijk HeerJanvanVyanen, JonkerJacobvanGaesbeecen HeerHubrechtvanCulenborch, maakten zich nu over zijn lot bezorgd, wel inziende dat hy op den duur geen tegenstand zou kunnen bieden, en gevaar liep om, wanneer hy den Graaf-Hertog als gevangene in handen viel, als een landverrader het lijf te verliezen. Zy besloten om eene poging tot verzoening te wagen; begaven zich in allerijl naarSchoonhoven, waarWillemvanBeierennog vertoefde, en werkelijk gelukte het hun hem te verbidden, mits deEgmonderszich onderwierpen. Zoo terstond lieten deze zich echter niet vinden. De bemiddelaars reden menigmaal over en weêr, dàn naar den vertoornden Landsheere, dàn naar de oproerige broeders, en brachten het eindelijk tot een vergelijk. Zeker hebben zy den overmoedigen Ridders het wanhopige van een gewapenden weêrstand, en het noodlottig einde eener dwaze volharding, doen inzien, want de voorwaardender bevrediging waren zoo goed als verkoop hunner rechten en goederen:
»De Heer vanEgmonden HeerWillemzijn broeder zouden rijden uitIJsselsteyn, en behouden hun reede have, die zy daar binnen hadden, en blijven uit den lande vanHollandenZeeland, en daar niet weder in komen, ten zij by wille en meêweten van HertogeWillem. En de Heer vanEgmondzou overgeven en afstaan alle recht en toezeggen, dat hy had aan den huize en aan der stede vanIJsselsteyn, en aan der Heerlijkheid, tot ’s HertogenWillemsbehoef. En de Hertog zou jaarlijks doen uitreiken aan den Heer vanEgmond, hem en den zijnen, ten eeuwigen dage, tweeduizend oude schilden; aan HeereWillem, zijnen broeder vanIJsselsteyn, zeshonderd kroonen, en hun beider moeder, VrouweJolandevanLinningen, achthonderd kroonen tot haren lijftocht.”
De brieven dezer voorwaarden werden opgemaakt en van wederzijde bezegeld, en de beide broeders verlieten daarop met hun gevolg en tilbare have de stad en het kasteel vanIJsselsteyn, die onmiddellijk overgingen in handen van den Graaf-Hertog, en van zijnentwege bezet werden. De inwoners ontfingen hem voor hunnen Heer, en beloofden hem hoû en trouw te zijn, »en swoeren dat ten Heyligen.”
Den 31enMei, 1417, stierfWillemde Zesde teBouchain—en toen bleek het weldra, dat de IJsselsteyners hunnen eed, schoon zelfs op geheiligde overblijfselen gedaan, als gedwongen beschouwden, en zich niet gebonden achtten om hem te houden.
Naauwlijks was denEgmondersde doodsmare ter oore gekomen, of zy verzamelden in korten tijd een bende gewapenden, waarmeê HeerWillemnaarIJsselsteyntoog. Op Sacramentsnacht, by het krieken van den dageraad, kwam hy voor de stad; en zijne aanhangers daar binnen, die reeds van zijn aantocht verwittigd waren, openden hem terstond eene poort, zoodat hy er zonder slag of stoot meester werd, pas elf dagen na des Hertogen dood. De slotvoogd, die het kasteel voor de HertoginJacobabewaarde, was echter getrouw aan zijn eed, versperde allen ingang, en wachtte beleg en bestorming af, hoewel het aantal der mannen van de bezetting niet groot was. Het duurde evenwel niet lang, of hy kreeg vaste hoop op ontzet.
JanvanMontfoortenWalravenvanBrederode, de natuurlijke vijanden vanIJsselsteynenEgmond, vernamen niet zoodra der broederen feit, en daarby te gelijk des slotvoogds trouw, of zy stelden alle andere zaken ter zijde, om het kasteel te ontzetten en de stad weder te winnen.Montfoort, de voormalige Domdeken, begaf zich oogenblikkelijk naarUtrecht, waar hy den volksgeest by uitnemendheid kende, en stelde den Raad voor, om zich het belang vanJacobain deze aan te trekken, hem van manschap en krijgsvoorraad te voorzien, en zonder marren tegenIJsselsteynop te trekken; hy stelde zich borg, dat de Hertogin zou goedkeuren om kasteel en stadsmuren ten bodem te werpen en geheel te slechten. Dat was een te groot lok-aas voor de goede mannen vanUtrecht, om het te kunnen weerstaan:IJsselsteynwas hun te lang een zwaard in de zijde geweest, om zich niet hoogst gaarne eene opoffering te getroosten, wanneer zy er spoedig van verlost mochten worden. En alzoo trokken de Sint-Maartens-mannen reeds op Vrijdag na Sacraments-dag voor de thands zooveel onrust barende plaats.
ToenMontfoorthunne aankomst vernam, spoedde hy zich ijling mede derwaart, en sloot zich met zijne eigene wapentuurs by hen aan. Daarop zonden zy eene goed gewapende bende vooruit naar ’t kasteel, om den slotvoogd by te springen, maar—het vaandel van den trans woei hun eene slechte tijding tegen: HeerWillemhad in dien tusschentijd mede niet stil gezeten, en, wel peinzende wat er volgen mocht, zich meester van zijn voorvaderlijke burcht gemaakt.
Dit viel den verbondenen zeer tegen; maar nu zy eenmaal ter plaatse waren, besloten zy, na korten raadslag, om niet onverrichter zake het veld te verlaten, maar daar by voorraad te blijven liggen. Het duurde niet lang, of ookBrederodekwammet de zijnen aan, en sloeg zich by hen neder; en toen nu weldra ook de benden der Hollandsche steden en de poorters vanAmersfoortverschenen en zich by hen voegden, werd het inderdaad een insluitings-leger, waaroverIJsselsteynzich wel verontrusten mocht. Want wanneer hy van den slottoren staarde, zag hy zich ingesloten door een zee van tenten en paviljoenen, waarvan slechts vijandelijke wimpels en banderollen woeien; en wanneer in de verte een oprijzende stofwolk, of het flitsen der zonnestralen op stormkappen en speerpunten, de aannadering van krijgsknechten vermeldden, dan moest hem dit een verdrietelijk en onrustbarend gezicht zijn:—hy had geen machtige bondgenoten, met wier hulp tot ontzet hy zich vleien mocht, en zijn broeder vanEgmond, hoe ridderlijk en onvertsaagd hy was, mocht een storm helpen afslaan, en de tuimelende vijanden doen vloeken op »Janmet de bellen.”—hy vermocht toch geen gantsch leger te vernielen, al deden dat ook zijne nobele voorbeelden: de Paladijnen der Arthur- en Karel-romans. Ook werd er yverig aan het beleg gewerkt; de Utrechtenaars vooral, »dien menich leet uyt Ysselsteyn gedaen was,” werkten onvermoeid aan loopgraven en bolwerken, zoodat zy al spoedig een der laatsten zoo naby de stad opwierpen, dat de afstand op sommige plaatsen geen boogschot ver meer was.
Een deel der stede-bannelingen vanUtrecht, met den DomdekenHermanvanLochorst,Johanvan denSpiegel, en eenige vijanden van het sticht, hadden zich intusschen by HeerWillemgevoegd, en waren de bezetting van het kasteel komen versterken; maar ook de belegeraars kregen een nieuwen bondgenoot inJanvanBeieren, die, als mede zorg schijnende te dragen voor de belangen zijner nicht, zich ten spoedigste had uitgerust, en het getal der bespringers kwam vergrooten.
HeerWillemskans werd meer dan hachlijk, en hy zag dit zeer wel in. Een vergelijk-alleen kon hem van gevangenschap of dood ontslaan—en hy neigde tot het eerste. De onderhandeling, door bemiddeling van HeerJanvanHeynsbergengevoerd, duurde kort, want het was als overmacht tegen onmacht.
En veertien dagen na den aanvang van ’t beleg trokken de broeders, met hunne meêgebrachte goederen, en met hun gevolg en aanhang, waaronder ook de Utrechtsche ballingen, uit burcht en stede, en werden, ingevolge de voorwaarden van het verdrag, uitgeleid totNyendam, van waar zy, altoos buiten de landen der Hertoginne, een goed heenkomen moesten zoeken.
De arme poorters intusschen, die met een nieuwen eed van hulde waanden vrij te komen, werden, zoodra de overwinnaars binnen waren getrokken, gevangen genomen, en ter beschikking vanJacobagesteld, met uitzondering van een gedeelte, waarover de Elect zich meester stelde.
Toen de Hertoginne kort daarna inHollandkwam, herinnerden de StichtschenMontfoortaan zijne belofte omtrent de vernieling vanIJsselsteyn; en werkelijk wist de Burchtgraaf door tusschenkomst vanBrederodehet daarheen te brengen, datJacoba, die nog weinig blik in ’s Lands toestand had, aan de willekeurige voorwaarde hare goedkeuring schonk. Vervolgends kwam HeerWalravenop Sint Pieter en Pauwels daarna teUtrecht, en nam een hoop volks van daar met zich naarIJsselsteyn, om den arbeid der verwoesting aan te vangen. Nu speelden moker en houweel een spel, dat den sloopers uit onze dagen zoû doen watertanden: de eene toren na den andere stortte in; de eene poort na de andere viel te zamen; het eene muurvak na het andere bedekte den bodem; en dat alles onder het woest en spottend gejuich der baldadige poorters vanUtrecht, die in hunne dwaze en hoovaardige vreugde aan niets dan aan het koelen van hun wrok dachten—zonder er zich over te bekommeren of het Geslacht, dat zy zich op deze wijze ten doodvijand maakten, niet te eeniger tijd by machte van weêrvergelding zou kunnen komen. Zy arbeidden, naar hun eigen inzien, als goede en verstandige Sint-Maartens-mannen, voor de eere en het welzijn hunner stad, onvermoeid als onbevreesd, en zetteden, naalle steen tot puin gestort te hebben, hun werk de kroon op, door de geschonden plaats aan de vlammen ter prooi te geven, waarvan slechts de kerk en het klooster verschoond werden. Op beide deze gebouwen na, was hetIJsselsteynvan 1417 hetEgmondvan 1315 gelijk geworden.
HeerWillemvanEgmond van IJsselsteynoverleed op den 31enDecember 1451, nalatende twee natuurlijke kinderen, eene dochter,Belia, gehuwd metBerthoutvanRietwijc, en een zoon,AernoutvanIJsselsteyngenoemd, die in den echt trad metBarbaravanBorssele, en in wien wy den schraapzieken Slotvoogd vanWoerdenhervinden, wiens vrekkige aart het der kloekheid vanJohanvanMontfoortzoo gemakkelijk maakte, om hem op tweede kersnacht, 1488, te verschalken.
Na HeerWillemsdood viel, by gebrek alzoo van een wettigen telg, de Heerlijkheid op zijn neef en naamgenootWillem, tweede zoon van den vurigenJanvanEgmond, dien wy nu reeds herhaaldelijk als den krijgshaften »Janmet de Bellen” hebben leeren kennen.
WillemvanEgmondwas reeds door zijn ouderen broeder, HertogAernoutvanGelder, beschonken met de goederen vanWillemvanBuren, in 1430 ontzet, en voerde den tytel van Heer vanBuren,Leerdam,SchonerwoertenHaestrecht, en des lands vanMechelen. In den slag met HertogGerhardvanBerg, 10 November, 1444, die vooral door de lafhartigheid vanGeraertvanCulenborchverloren ging, toondeWillemvanEgmondeen ridderlijken en onvertsaagden moed, maar zag zich, door de overmacht gedwongen, eindelijk met zijn getrouwen Drossaat tot de overgave genoodzaakt. De onbescheidenheid van zijn aartsvijandWillemvanBuren, sints 1430 Veldheer van den Hertog vanBerg, was gelukkig oorzaak van zijn bespoedigden loskoop. Hy was reeds een vol jaar krijgsgevangen, en HertogAernoutsgeldelijke toestand had het betalen van den losprijs nog niet gedoogd, toonBurenhem op den 13 November, 1445, een brief zond, waarin hy hem gelasttezich over acht maanden na Sint-Jacob, toen volgende, naar de stadBerchemte begeven, er leisting, of verblijf om schuld, te houden in het huis van zijn tollenaarKoenraedvanBoelendorp, en niet van daar te vertrekken buiten zijne bewilliging, of hy zou hem met woorden en schandbrieven voor de gantsche waereld als eerloos en meineedig verklaren.
Eene dergelijke leisting had voor Geldersche Ridders niets vreemds, maar de wijze waarop zy nu gedaagd werd, was krenkend voorEgmondenGelderbeiden. HertogAernoutnam daarop zijne maatregelen, en de loskooping volgde eerstdaags.
Toen de laaghartigeAdolf, HertogAernoutszoon, in verbond met zijne onnatuurlijke moederCatherinevanCleveen een deel verraderlijke Edelen, zijn vader in 1465 teGravegevangen nam, deed hy ook den niets kwaads vermoedendenFredericvanEgmond, HeerWillemszoon, in hechtenis nemen. Vergeefs trachtte HeerWillem, die ter goeder trouw maar al te dikwijlsAdolfsvoorspraak by diens vader was geweest, thands voor broeder en zoon te spreken: hoe zouhy, die devaderlijkeweldaden met den gruwelijksten ondank vergold, herinnering hebben voor de weldaden van denoom!
Het duurde zelfs niet lang, ofAdolf, die de wederspannigheid der Roermonders aan heimelijk opstooken van zijn oom toeschreef, liet al diens leenen inGelderlandaanslaan, en viel hem met allerlei betichtingen lastig. GraafVincentvanMeurs, HeerWillemsschoonbroeder, wist voor hem nog vrijgeleide te verkrijgen; maar toenWillemteArnhemkwam om zich te verandwoorden, en daartoe metVincentnaar ’s Hertogen hof ging, keerde de woesteling hun den rug toe en liet hen staan. En toen de Graaf in een afzonderlijk gesprek er op aan drong, om te weten hoe het dan toch met HeerWillemszaak gaan moest, voerAdolftoornig uit: »Wy beboeten hem voor 20000 Rijnsche goudgulden—tenzij hy de inkomsten van den tol teIJsseloordzal betalen, of dien tol laten varen.”
Toen de Graaf dit woord overbracht, sprakWillemmet bitterheid:»Zie, dit is dan de dank, dat ik zijn vader zoo dikwerf heb verbeden, en de verschillen tusschen zijne steden beslecht: hy, die my mijn lieven broeder (zijn eigen vader!) en mijn zoon ontroofd heeft, dreigt my thands ook van mijne inkomsten te berooven.”—En nadat hy den Grave gemachtigd had om met den overweldiger nader te onderhandelen, wierp hy zich netelig in ’t zaal, en reed, van een enkelen dienaar vergezeld, naar zijn Slot vanBaer, waar hy zich terstond maatregelen nam, om HertogJanvanCleve, de stedeWageningen, en eenige anderen, met de meineedige handelwijze en onverdraaglijke trotschheid vanAdolfbekend te maken.
Gedurende den daarop gevolgden oorlog met den Clevenaar, zondAdolfeene bende krijgslieden onderOthovanWeerennaarIJsselsteyn, waar men allengs weder was beginnen aan te bouwen, maar nog altoos zonder beschutting van muren lag. Het viel den Geldersman derhalven niet moeielijk de plaats te overrompelen. De kerk en het klooster, door de Stichtenaars nog gespaard, werden thands met de herbouwde woningen en hutten mede aan de vlammen overgegeven, en de weerlooze menigte werd schandelijk en laaghartig mishandeld. Deze boosaartigheid bleef niet gants ongestraft: vijfenveertig der plunderaars op hun keertocht toevende binnenGorcum, waar zy zich veilig waanden13, werden onverhoeds gevangen genomen en in de ijzers gezet. Negentien hunner, uit den stok brekende, zochten deels in het Minoritenklooster, voor een ander deel in de H. Geesthuiskerk een toevlucht. Maar te vergeefs: de stadhouder vanHollanddeed hen van daar en naar ’sGravenhagevoeren, waar zy op den 26enen 29enMei, 1466, ondanks alle smeekingen en voorbeden hunner verwanten en betrekkingen, onthalsd en geraderd werden.
JonkheerFredericwas intusschen zijne gevangenis door list ontsnapt, en by zijnen vader aangekomen, waarop zy-beiden hunnevolgers gewapend, en zich by het leger des Hertogen vanClevegevoegd hadden, van waar zy hunnen vijandelijken bloedverwant menige schade toe brachten, en zelfsArnhemverrasten.
Na den vrede vanGent, 1469, begon de roekeloozeAdolfweder de oude treken tegen zijnen oom. HeerWillem, evenzeer verontwaardigd als verraderij duchtend, begaf zich onmiddelijk naar HertogKarelvanBorgondië, door wiens ernstige tusschenkomst eindelijk de rollen werden verwisseld:Adolfin hechtenis geraakte, enAernoutop vrije voeten kwam. De oude Vorst erkende de trouw en gehechtheid van zijn broeder en diens zoon: Hy beschonk den eerste met de tollen vanIJsseloortenArnhem, en begiftigde den tweede met de stad en het kasteel vanBuren, geheel en al, met tollen, dorpen, inkomsten, en rechten; daarenboven benoemde hy hem later tot Slotvoogd van het kasteel teGrave, waar hy, na zijn afstand van het Hertogdom aanKarel, gewoonlijk verblijf hield en ook, op den 23enFebruari 1473, overleed.
By het verzet der Gelderschen tegen HertogKarel, sloot HeerWillemzich der partij van den laatste aan, en verscheen met zijne drie zonen en hunne wapenknechten zelf in ’t Hertooglijk heir, waar hy groote diensten bewees, en in het beleg vanNymegen, 1473, zijne tenten opsloeg aan de overzijde van deWaalin ’t dorpLent, aan de zijde van zijn ouden vriend den Hertog vanCleve, met wien hy de overmoedige stad zeer in de engte bracht. HertogKareltoonde hoezeer hy de diensten en bekwaamheden vanWillemop prijs stelde, en stelde hem, na de onderwerping vanGelderland, tot zijnen Ruwaard over dat gewest aan.
De dood vanKarelden Stoute, 5 Januari 1477, brachtWillemin ongelegenheid met de Gelderschen, die hem wantrouwden, enCatharynevanGelre, op verlangen van heur geslaakten broederAdolf(kort daarna echter voorDoornicgesneuveld) als Voogdesse aannamen. In de vijandelijkheden, hieruit metterdaad ontstaan, werden zijne beide jongere zonenFredericenWillemdoor de poorters vanNymegengevangen, en drie jaren lang in den zwaren toren tegen over hetValkhofin hechtenis gehouden.
De Aarts-HertogMaximiliaan, in deze zaak gemoeid, wierp zelf een oog op het bestreden Hertogdom, en nam HeerWillem, om hem aan zich te verbinden, in 1478, teBrugge, onder de Ridders van het Gulden-vlies op. De grijze Ridder, in wien wy thands moeielijk den ranken Edelman met de zwarte krullende hairen kunnen herkennen, dien wy in 1451 op het kasteel teEgmondaantroffen14, droeg het vorstelijk onderscheidingsteeken nog byna vijf jaren op de fiere borst. Toen overleed hy op het kasteel vanGrave, 19 Januari 1483, en werd aan de zijde van zijnen broederAernoutbegraven.
FredericvanEgmond, zijn opvolger als Heer vanIJsselsteyn, en gehuwd met JonkvrouweAleyde, HeerGeraertsdochter vanCulenborch, had intusschen reeds overvloedig van zich doen spreken. Ook wy hebben hem reeds ontmoet by de Utrechtsche onlusten, waarin de Burchtgraaf vanMontfoort, zijn erfvijand, zulk een overmoedige rol speelde15, enFredericals Opperbevelhebber het leger des Bisschops aanvoerde.
Hy begon de vijandelijkheden met het verbranden van eenige huizen aan de Catrynepoort buitenUtrecht, het rooven van vee uit de landerijen aan denRijn, en het gevangennemen van eenige Stichtschen, die hy deed uitschudden en naarIJsselsteynvoeren, dat door hem reeds onderKarelden Stoute, en met diens goedkeuring, opgebouwd en versterkt was geworden. Een inval der Montfoorters onderJanvanMiddachtenwerd door den IJsselsteynschen BevelhebberLambrecht Myllinckgekeerd. In de nabyheid van het steedjen had een hevig gevecht plaats, waarbyMiddachtenmet negen ruiters en zeven poorters gevangen genomen werd, terwijlMyllinck, zijn behaald voordeelvervolgende, de landen vanMontfoortenUtrechtmet vuur en staal verwoestte. Eene onderneming der IJsselsteynschen in het volgende jaar gelukte volkomen. Van het kasteelOudegein, aan de vereeniging vanLecenIJsselgelegen, en wel op den noordelijken oever der laatste rivier, werden een tijd lang de hinderlagen bespied, die de ruiters vanIJsselsteynlangs den vaartschenRijnlegden, wanneer zy den voorraad, die van tijd tot tijd naar het blokhuis aan deVaartwerd gevoerd, wilden onderscheppen. Zoodra men de loerende krijgsknechten bespeurd had, werd het sein gegeven aan het kasteelVronesteynen aan deVaart, en de vaartuigen die beladen waren zetteden hunne reis niet verder voort. Te vergeefs mochten die vanIJsselsteynzich een poos afmatten, wie hun dezen trek speelde. Eindelijk ontdekten zy de ware toedracht, en besloten zich van den steenen spie te ontdoen. Op zondag, 16 Juni 1482, overvielen zy denOudegein, verjoegen de bezetting, plunderden en verbrandden de burcht, en keerden met de behaalde buit triomfantelijk in hunne stad te rug. De Stichtschen leden door dit verlies grooten last, want van nu aan legden HeerFredericsmannen hunne hinderlagen weer onbespied, en maakten zich zoowel van de vijandelijke krijgslieden, als van mond- en krijgsvoorraad meester.
De bebouwde en bloeiende vallei van het Sticht werd door deze onophoudelijke en wederkeerige invallen een woestenij, waar netel en klisbloem welig tusschen de zwartgebrande puinhoopen opschoten, en het rijpe koren den paarden der vernielzuchtige ruiters tot voedsel diende. En zoo mocht de geplaagde Stichtenaar van 1482 wel met den verdrukten Kennemer van 885 klagen: