DERDE BEDRIJF.

DERDE BEDRIJF.In den tuin van de pastorie, den volgenden morgen. De zon schijnt, de vogels zingen lustig. De tuinmuur heeft ’n houten hek, breed genoeg om ’n rijtuig door te laten. Naast het hek hangt ’n bel aan ’n gekronkelden spiraal die in verbinding staat met ’n trekker er buiten. Het rijpad loopt tot aan het midden van den tuin en buigt dan naar links, waar het eindigt in ’n kleine begrinte ronde plaats tegenover den overdekten ingang naar de pastorie. Aan den anderen kant van het hek ziet men den stoffigen straatweg, parallel aan den muur en aan de verste zij afgezet door ’n grasrand en ’n ònomheind dennenbosch. Op het grasveld, tusschen het huis en den rijweg, staat ’n gesnoeide taxusboom, waaronder in de schaduw een tuinbank. Aan den tegenovergestelden kant is de tuin ingesloten door ’n palmhaag; op het grasveld staat een zonnewijzer en daarnaast een ijzeren stoel. Een smal paadje voert, achter den zonnewijzer, door de palmhaag heen.Frank zit op den stoel bij den zonnewijzer, waarop hij de ochtendbladen gelegd heeft en leest de Standard, (conservatief Londensch blad). Zijn vader komt ’t huis uit, rillerig en met roode oogen;—en ontmoet Franks blik wat onzeker.Frank(kijkt op z’n horloge). Half twaalf, ’n Mooi uur voor ’n dominé om te komen ontbijten.Dominé Sam.Spot niet Frank, spot niet. Ik ben ’n beetje .... è ... (hij rilt).Frank.Katterig?Dominé.Nee jongmensch;—ongesteld van ochtend. Waar is je moeder?Frank.Schrik niet, die is hier niet. Naar stad gegaan met Bessie met den trein van 11.13. Heeft verscheiden boodschappen voor je achtergelaten. Voel je je in staat om ze nu aan te hooren, of wil ik wachten tot je ontbeten hebt?Dominé.Ik hèb ontbeten, sinjeur. ’t Verwondert me, dat je moeder naar de stad is gegaan, terwijl we logé’s hebben. Die zullen ’t heel vreemd vinden.Frank.Daar zal ze mogelijk wel aan gedacht hebben. In ieder geval, als Crofts hier nog blijft en jij iederen nacht tot vier uur toe met hem op blijft zitten, om herinneringen uit je vurige jeugd op te halen, dan is ’t natuurlijk m’n moeders plicht om naar stad te gaan en ’n vatwhiskyen ’n paar honderd flesschen spuitwater te bestellen.Dominé.Ik heb niet opgemerkt, dat Jhr. George bizonder veel heeft gedronken.Frank.Daar was je niet toe in staat, ouwe heer.Dominé.Wil je te kennen geven, dat ik...?Frank(kalm). Nog nooit heb ik ’n weleerwaarden dominé minder sober gezien. De anekdoten uit je vroegere leven, die je verteld hebt, waren zòò schandelijk, dat ik zeker geloof, dat Praed den nacht niet onder je dak zou hebben doorgebracht, als ’t niet was geweest, dat hij en moeder zoo goed met elkaar waren opgeschoten.Dominé.Gekheid, jongmensch. Ik ben Jhr. George z’n gastheer. Ik moet toch over iets met hem praten, en hij heeft maar één onderwerp. Waar is mijnheer Praed nu?Frank.Die rijdt met m’n moeder en Bessie naar ’t station.Dominé.Is Crofts al op?Frank.O, al lang. Die is zoo frisch als ’n hoen; hij is veel beter geoefend dan jij:—heeft detrainingwaarschijnlijk tot nu toe bijgehouden. Hij is ergens gaan rooken. (Frank neemt z’n krant weer op. De dominé wendt zich ontstemd naar het hek toe en komt dan besluiteloos terug).Dominé.E.... Frank.Frank.Ja.Dominé.Geloof je, dat de Warren’s verwachten hier geïnviteerd te worden, na gisteravond?Frank.Zezijnal geïnviteerd. Crofts vertelde ons aan ’t ontbijt, dat je hem gezegd hadt om mevrouw Warren en Vivie vandaag hier te brengen en hun te verzoeken dit huis als het hunne te beschouwen. ’t Was na diè mededeeling, dat moeder bedacht, dat ze naar stad moest met den trein van 11.13.Dominé(met wanhopige heftigheid). Ik heb die invitatie niet gedaan. Ik heb noòit aan zoo iets gedacht.Frank(medelijdend). Hoe kun je weten, ouwe heer, wàt je gisterennacht gezegd en gedacht hebt? Allo! Hier is Praed terug.Praed(komt binnen door ’t hek). Goeie morgen.Dominé.Goeien morgen. Ik moet me verontschuldigen, dat ik u niet aan ’t ontbijt heb gezien. Ik heb ’n lichte aanval van... van...Frank.Dominé’s keelpijn, Praed. Gelukkig niet chronisch.Praed(van onderwerp veranderend). Wel, ik moet zeggen, uw huis is allerliefst gelegen, werkelijk allerliefst.Dominé.Ja, dat is ’t ook. Als u wilt, zal Frank ’n eindje met u gaan wandelen. Ik hoop dat u me zult excuseeren: ik moet de gelegenheid waarnemen om m’n preek te schrijven, terwijl mevrouw Gardnerweg is en m’n gasten zich amuseeren. U neemt me niet kwalijk, niet waar?Praed.Zeker niet, u moet voor mij niet de minste complimenten maken.Dominé.Dank u. Ik zal... è... è... (stamelend gaat hij naar den ingang en verdwijnt in huis).Praed(gaat op ’t gras zitten en pakt z’n enkels beet). Wonderlijk moet dat zijn om iedere week ’n preek te schrijven.Frank.Heel wonderlijk als hij ’t deèd. Hij koopt ze. Hij is nou spuitwater gaan drinken.Praed.Beste jongen, ik wou dat je meer respect toonde tegenover je vader. Je weet zelf hoe aardig je kunt zijn als je wìlt.Frank.M’n goeie Praeddie, je vergeet dat ik met den ouden heer moet lèven. Als twee menschen samen wonen—’t doet er niet toe of ze vader en zoon, man en vrouw of broeder en zuster zijn—dan kunnen ze onmogelijk de beleefde voor-den-gek-houderij volhouden, die zoo makkelijk valt voor ’n minuut of tien op ’n middagvisite. De oude heer nou, die aan veel bewonderenswaardige huiselijke hoedanigheden paart de besluiteloosheid van ’n schaap met de opgeblazenheid en de ongemakkelijkheid van ’n jakhals...Praed.Nee, asjeblieft, beste Frank. Bedenk toch, dat hij je vader is.Frank.Daar geef ik hem alle eer van.—Maar stel je voor, dat hij Crofts gezegd heeft om de Warrens hier te brengen!! Hij moet totaal weg zijn geweest. Je weet beste Praeddie, dat m’n moeder haar dadelijk weg zou kijken. Vivie moet hier niet komen, vòòrdatzijnaar de stad terug is.Praed.Maar je moeder weèt toch niets van mevrouw Warren, wel?Frank.Ik weet ’t niet. Haar gaan naar de staddoet me denken van wel. Niet, dat ’t m’n moeder in ’t algemeèn zou kunnen schelen. Zij heeft ’t dikwijls kranig opgenomen voor ’n massa vrouwen, die in moeilijkheden waren geraakt. Maar dat waren allemaal behoòrlijke vrouwen. Daarin zit ’em het verschil. Mevrouw Warren heeft zeker haar eigenaardige verdiensten, maar ze is zoo allemachtig lawaaiig,—en m’n moeder zou haar eenvoudig niet kunnen dulden. Daarom... Allo! (Deze uitroep wordt veroorzaakt door de wederverschijning van den dominé, die haastig en ontsteld z’n huis uitkomt).Dominé.Frank, mevrouw Warren en haar dochter komen de hei over met Crofts. Ik zag ze van uit m’n studeerkamer. Wat moèt ik zeggen van je moeder?Frank(energiek opspringend). Plak je hoed op je hoofd en ga hen tegemoet en zeg hoe allerplezierigst je ’t vindt om ze te zien;—en dat Frank in den tuin is, en dat moeder en Bessie zijn weggeroepen bij ’n ziek familielid, en dat ’t hun zoo speet dat ze niet konden blijven, en dat je hoopt, dat mevrouw Warren goed geslapen heeft en... en... zeg hun àl ’t mogelijke behalve de waarheid en laat de rest aan onzen lieven Heer over.Dominé.Maar hoe moeten we hen later kwijt raken?Frank.Daar is nou geen tijd voor om over te denken. Hier! (Hij vliegt ’t huis in en keert onmiddellijk terug met ’n vilten dominé’s hoed, die hij z’n vader op ’t hoofd duwt). Maak nu, dat je weg komt. Praed en ik zullen hier wachten, om het zaakje ’n ongezocht aanzien te geven. (De dominé, beduusd maar gehoorzaam, snelt weg door ’t hek. Praed staat op en stoft zichzelf af).Frank.We moeten de oude dame op de een of andere manier naar de stad terugzenden, Praed. Toe,zeg ’ns eerlijk, Praeddie, hoû jij er van om ze samen te zien: Vivie en de ouwe dame?Praed.Och, waarom niet?Frank(z’n tanden op elkaar). Krijg jij er geenkippenvelvan? Die kwaje oude duvel, in staat tot àlles wat gemeen is, en Vivie.... brr!Praed.Sst, asjeblieft. Daar komen ze. (De dominé en Crofts komen samen het rijpad op, gevolgd door Mevrouw Warren en Vivie, die heel innig met elkaar loopen.)Frank.Kijk, ze heeft waarachtig haar arm om het middel van de oude vrouw. ’t Is haar rechterarm; zij moet er mee begonnen zijn. God in den hemel, ze is sentimenteel geworden! Ai! jai! Krijg je nou geen kippenvel? (De dominé opent het hek en mevrouw Warren en Vivie gaan hem voorbij en blijven in het midden van den tuin naar ’t huis staan kijken. Frank, in ’n extase van veinzerij, wendt zich vroolijk naar mevrouw Warren toe en roept uit): Alleraangenaamst om u te zien, mevrouw Warren,—deze rustige, oude pastorie-tuin flatteert u bizonder.Mevr. Warren.Wel, heb je ooit! Hoor je dat George? Hij zegt dat ik er zoo goed uitzie in ’n rustigen, ouden pastorie-tuin.Dominé(houdt het hek nog open voor Crofts, die er met ’n bizonder landerig air doorheen slentert). U ziet er overal goed uit, mevrouw Warren.Frank.Bravo, ouwe heer. Luister ’ns,—laten we nou ’n gezelligen tijd er van maken vóór lunch. Eerst gaan we de kerk bekijken. Die behoort iedereen te zien. ’t Is ’n typische oude, dertiende-eeuwsche kerk, weet je. De oude heer voelt er erg voor, omdat hij indertijd ’n restauratiefonds op touw heeft gezet,—en ze zes jaar geleden totaal verbouwd is geworden. Praed zal er jullie de merkwaardigheden van aantoonen.Dominé(allerminzaamst glimlachend tegen het gezelschap). ’t Zal me bizonder aangenaam zijn, als Jhr. George en mevrouw Warren er werkelijk lust toe voelen.Mevr. Warren.Wel ja, laten we maar gaan en ’t afdoen: ’t Zal George goed doen; de kerk zal van hèm niet veel last hebben, wed ik.Crofts(terugkeerend naar ’t hek). Ik heb er niets tegen.Dominé.Neen, die weg niet. We zullen door ’t veld gaan, als u ’t goed vindt. Dèzen kant uit.Crofts.O, mij goed. (Hij gaat met den dominé. Praed volgt met mevrouw Warren. Vivie beweegt zich niet, maar kijkt hen na met de lijnen van vastberadenheid scherp geteekend op haar gezicht).Frank.Kom je niet?Vivie.Nee. Ik wil je ’n waarschuwing geven, Frank. Je stak daarnet den draak met m’n moeder, toen je dat zei over den pastorie-tuin. Dat is voortaan taboe. Behandel m’n moeder asjeblieft met hetzelfde respect waarmee je je eigen moeder behandelt.Frank.M’n beste Vivie, dat zou ze niet apprecieëren. Ze is heel anders dan m’n moeder: dezelfde behandeling zou voor die twee niet deugen. Maar wat ter wereld is er met je gebeurd? Gisterenavond waren we ’t samen volmaakt eens over je moeder en haar kliek. En van morgen stel je je sentimenteel aan met je arm om haar middel heen.Vivie(rood wordend). Me aanstellen!Frank.Dièn indruk maakte ’t op me. Den eèrsten keer dat ik je iets zag doen van twijfelachtig allooi.Vivie(zichzelf bedwingend). Ja, Frank; er heèft ’n verandering met me plaats gehad, maar ik geloof niet ’n verandering ten kwade. Gisteren was ik ’n ingebeeld nest.Frank.En vandaag?Vivie(haar gezicht vertrekt pijnlijk, dan ziet ze hem vast aan). Vandaag ken ik m’n moeder beter dan jij.Frank.De hemel beware je daarvoor.Vivie.Wat bedoel je daarmee?Frank.Viv,—er bestaat ’n vrijmetselarij tusschen door-en-door-onzedelijke menschen, waar jij niets van afweet. Jij hebt te veel karakter. Maar dàt is de band tusschen je moeder en mij; en dat is ook de reden, dat ik haar beter ken dan jij ooit zult doen.Vivie.Je vergist je, je weet niets van haar af. Als je de omstandigheden kende, waarmee m’n moeder te worstelen heeft gehad....Frank(ad rem haar zin voor haar afmakend). Dan zou ik weten waàrom ze is geworden, wàt ze is,—is ’t zoo niet? Wat zou er dat toe doen? Omstandigheden of geen omstandigheden Viv,—je zult nooit met je moeder kunnen opschieten.Vivie(heel boos). Waarom niet?Frank.Omdat ze ’n slecht wijf is, Viv. Als je ooit weer in mijn bijzijn je arm om haar middel slaat, dan schiet ik me op de plaats zelf voor m’n kop,—als ’n protest tegen ’n vertooning, die me in opstand brengt.Vivie.Moet ik dus kiezen tusschen jou en m’n moeder?Frank.Dat zou de oude dame ’n veel te slechte kans geven. Nee, Viv, je verwaande jongentje zal je in geen geval aan je lot overlaten. Maar daarom moet hij ook zorgen, dat je geen vergissingen begaat.—’t Geeft allemaal niks, Viv, je moeder ìs eenmaal onmogelijk. Ze mag in haar soort niet kwaad zijn,—maar ’t soort zelf ìs slecht, door en door slecht.Vivie(heftig). Frank! (Hij blijft kalm. Zij wendt zich af en gaat zitten op de bank onder den taxus,worstelend om haar zelfbeheersching te herkrijgen. Dan zegt ze). Moet ze door iedereen verlaten worden, omdat ze eenmaal is wat jij “’n slecht soort” noemt? Heeft ze geen recht om te leven?Frank.Daar hoef je niet bang voor te wezen, Viv;zijzal nooit verlaten zijn. (Hij gaat naast haar zitten op de bank).Vivie.Maarikmoet haàr zeker verlaten.Frank(sust haar op babyachtige manier en vleit haar met z’n stem). Moèt niet met haar leven. Familiegroepje van moeder en dochter zou geen succes zijn. Zou òns groepje bederven.Vivie(onder de bekoring komend). Welk groepje?Frank.De babies in ’t bosch; Vivie en haar kleine Frank. (Hij glijdt z’n arm om haar middel en nestelt zich tegen haar aan als ’n moe kind). Laten we mekaar toedekken met dorre blaâren.Vivie(hem zachtjes wiegend als ’n moeder). Vast in slaap, hand in hand, onder de boomen.Frank.Het wijze kleine meisje en naar dwaze kleine jongentje.Vivie.Het lieve kleine jongentje, met het zielige kleine meisje.Frank.Heel, hèèl rustig en bevrijd van de idiotigheid van den vader van ’t jongentje en de rarigheid van de moe....Vivie(het woord smorend tegen haar borst aan). St. st. stst! ’t Kleine meisje wil alles vergeten van haar moeder. (Zij zwijgen eenige oogenblikken elkaar wiegend. Dan komt Vivie plotseling tot bezinning en roept uit): Wat ’n paar gekken zijn we! Kom, zit overeind. Goeie hemel, je haar! (Zij strijkt ’t glad). Ik zou wel eens willen weten of alle groote menschen zoo kinderachtig doen, als er niemand bij is. Ik heb ’t nooit gedaan als kind.Frank.Ik ook niet. Jij bent m’n eerste speelkameraad. (Hij vat haar hand en wil die kussen, maar houdt eerst even op om rond te kijken. Heel onverwacht verschijnt Crofts door de palmhaag). O verdomd!Vivie.Waarom, verdomd?Frank(fluisterend). Sst! Daar komt die fielt van ’n Crofts aan. (Hij gaat verder van haar af zitten met ’n heel onschuldig gezicht).Vivie.Wees niet lomp tegen hem, Frank. Ik wil erg m’n best doen om beleefd tegen hem te zijn. Dat zal m’n moeder plezier doen. (Frank trekt ’n leelijk gezicht).Crofts.Mag ik ’n paar woorden met u spreken, juffrouw Warren?Vivie.Zeker.Crofts(tot Frank). Je excuseert me wel, Gardner.—Ze wachten op je in de kerk, als je er niets tegen hebt.Frank(staat op). Ik wil je graag van dienst zijn, Crofts, behalve met naar de kerk te gaan. Als je iets noodig hebt, Vivie, bel dan aan ’t hek, dan verschijnt een van de dienstboden. (Hij gaat ’t huis in met kalme beminnelijkheid).Crofts.(Kijkt hem met ’n sluwe uitdrukking nà, terwijl ie verdwijnt, en spreekt dan tot Vivie op ’n toon alsof hij op vertrouwelijken voet met haar is). ’n Aardige jongen, juffrouw Vivie. Jammer, dat hij geen geld heeft, hè?Vivie.Vindt u?Crofts.Wel, wat moet hij uitvoeren? Heeft geen betrekking en geen fortuin.—Waar dient hij toe?Vivie.Ik zie volkomen goed z’n zwakke punten, Jhr. George.Crofts(’n beetje van z’n stuk gebracht, omdat hij zoo volmaakt doorzien wordt). O zòò meen ik ’t niet,Maar zoolang we eenmaal op deze wereld zijn, moeten we er ook rekening mee houden,—en geld is geld. (Vivie antwoordt niet). ’n Mooie dag, vindt u niet?Vivie(met ternauwernood bedwongen minachting voor z’n poging tot conversatie). Heel mooi.Crofts(met brutale jovialiteit, alsof hij haar flinkheid bewondert). Wel, daarover wou ik anders niet praten (met voorgewende openhartigheid). Luister ’ns, juffrouw Vivie. Ik ben me volkomen bewust, dat ik geen man voor dames ben.Vivie.Heusch niet?Crofts.Nee; en om u de waarheid te zeggen, dat wil ik ook niet zijn. Maar als ik wat zeg, dan meen ik het;—als ik iets voel, dan voel ik ’t ècht,—en wat ik graag wil hebben, daar wil ik ook goed voor betalen. Dàt soort van man ben ik.Vivie.Dat doet u alle eer aan.Crofts.O, ik wil m’n eigen lof niet zingen. De hemel weet, dat ik m’n fouten heb;—geen man ziet die beter dan ik. Ik weet, dat ik niet volmaakt ben: die zelfkennis is een van de voordeelen van ’n man van middelbaren leeftijd;—want ik bèn niet jong meer en daar geef ik me niet voor uit ook. Mìjn moraal is heel eenvoudig en ik geloof goed: Eergevoel tusschen man en man, trouw tusschen man en vrouw en geen malle praatjes over den een of anderen godsdienst, maar ’n eerlijk geloof, dat de wereld geleidelijk vooruitgaat.Vivie(snijdend ironisch). “Een macht, niet wijzelf, die rechtvaardigheid wil.”Crofts(haar au sérieux nemend). O zeker, wijzelf natuurlijk niet. U begrijpt wat ik bedoel. (Hij gaat naast haar zitten, op ’n wijze alsof hij ’n verwante ziel had gevonden). En nu, wat practische zaken betreft. U zult misschien meenen, dat ik m’n geldheb weggegooid, maar dat is zoo niet. Ik ben vandaag rijker, dan toen ik indertijd m’n fortuin in handen kreeg. Ik heb van m’n wereldkennis geprofiteerd, om m’n geld te steken in zaken, die andere menschen over ’t hoofd hebben gezien; en wàt ik ook wezen mag, op ’t punt van geld ben ik ’n betrouwbaar man.Vivie.’t Is heel vriendelijk van u, me dat allemaal te vertellen.Crofts.Kom nou, juffrouw Vivie,—u hoeft u niet te houden, alsof u niet weet, waar ik heen wil. Ik verlang om me te vestigen met ’n “Lady Crofts”.—Ik vermoed, dat u me wel erg botaf vindt?Vivie.Volstrekt niet. Ik ben er u heel dankbaar voor, dat u zoo kort en zakelijk bent. Ik stel uw aanbod zeer op prijs: het geld, de positie, Lady Crofts en zoo al meer. Maar, met uwwelnemen, zal ik toch maar “nee” zeggen. Liever niet. (Zij staat en drentelt naar den zonnewijzer, om wat uit z’n onmiddellijke nabijheid te zijn).Crofts(in ’t minst niet ontmoedigd, gebruik makend van de meerdere plaats op de bank om er zich gemakkelijk op uit te strekken, vat het op alsof ’n paar voorloopige weigeringen ’n onvermijdelijk deel uitmaakten van den gewonen gang van ’n huwelijksaanzoek). Ik heb geen haast. Ik wou u dit alleen maar laten weten, voor ’t geval dat de jonge Gardner mocht probeeren u te vangen. Denk er eens over na.Vivie(scherp). Mijn neenblijftneen. Ik kom er niet op terug. (Zij ziet hem aan van uit de hoogte. Hij grijnst; buigt zich voorover met z’n elbogen op z’n knieën om met z’n stok naar ’n ongelukkig insect in ’t gras te prikken. Hij kijkt haar sluw aan. Ongeduldig wendt zij zich af).Crofts.Ik ben ’n goed beetje ouder dan u,—vijf en twintig jaar, ’n kwart eeuw. Ik heb ’t eeuwige leven niet, en ik zal zorgen, dat u goed achterblijft, als ik er niet meer zijn zal.Vivie.Zelfs tegen diè verleiding ben ik bestand, Jhr. George. Gelooft u niet, dat u beter zoudt doen met m’n antwoord te accepteeren? Er is niet de minste kans, dat ik veranderen zal.Crofts(staat op, na ’n laatsten slag naar ’n madeliefje en begint heen en weer te loopen.) Wel, ’t hindert niet. Ik zou u dingen kunnen vertellen, die u gauw genoeg van gedachten zouden doen veranderen,—maar dat wil ik niet, omdat ik u liever wil zien te winnen door eerlijke liefde. Ik ben ’n goeie vriend voor uw moeder geweest, vraag haar dat maar eens. Zij zou nooit ’t geld verdiend hebben, dat uw opvoeding betaald heeft, als ìk haar niet geraden en geholpen had. Om niet te spreken van het geld, dat ik haar heb voorgeschoten. Er zijn niet veel menschen, die haar gesteund zouden hebben, zooals ìk ’t heb gedaan. Ik heb van ’t begin tot ’t laatst toe niet minder dan 40,000 pond in haar zaak gestoken.Vivie(hem aanstarend). Wilt u zeggen, dat u m’n moeders deelgenoot geweest bent?Crofts.Ja. Bedenk dus nou ’ns wat ’n last en explicaties ’t besparen zou, als wij ’t heele geval onder ons hielden, om zoo te zeggen. Vraag uw moeder maar eens of zij ’t prettig zou vinden om uitlegging van d’r zaken te geven aan ’n totaal vreemde.Vivie.Daar zie ik de bezwaren niet van in, nu de zaken toch aan kant zijn gedaan en het geld belegd is.Crofts(blijft plotseling verbaasd staan). Aan kant gedaan? Een onderneming aan kant doen, die 35 percent uitkeert in de slechtste jaren?! Niet waarschijnlijk, hoor. Wie heeft u dàt verteld?Vivie(plotseling verbleekend). Bedoelt u dat ze nog...? (Zij houdt op eens stil en legt haar hand op den zonnewijzer om zichzelf te ondersteunen. Dan loopt ze haastig naar den ijzeren stoel en gaat zitten). Over welke onderneming spreekt u?Crofts.Wel, de kwestie is, dat ze nou niet precies als ’n zaak van den eersten rang beschouwd wordt in mijn kringen, de voorname kringen, weet u;—die ònze kringen zullen worden, als u anders over m’n aanzoek gaat denken. Niet, dat er iets niet in den haak mee is, dat moet u niet denken. U begrijpt door het feit, dat uw moeder er in is, dat ze volkomen fair en eerlijk is. Ik heb haar jaren lang gekend en ik weet van haar, dat ze liever haar hand zou afslaan, dan met iets te doen te hebben, wat niet heelemaal behoorlijk is. Als u wilt zal ik er u alles van vertellen. Ik weet niet of u wel eens ondervonden hebt, als u op reis was, hoe moeilijk ’t is, om ’n werkelijk goèd ingericht familiehotel te vinden.Vivie(wendt haar gezicht af met walging.) Ja,—ga door.Crofts.Nu, dat is alles. Uw moeder heeft ’n zeldzame gave om die dingen te besturen. We hebben er twee in Brussel, één in Berlijn, één in Weenen en twee in Buda-Pest.—Natuurlijk zijn er nog anderen behalve wij in de zaak, maar wìj hebben er het meeste kapitaal in,—en uw moeder is onmisbaar als directrice. U hebt zeker wel gemerkt, dat zij veel reist.—Maar u begrijpt,—over zulke dingen kun je in gezelschap niet spreken. Noem ’t woord “hotel” maar eens en iedereen zegt, dat je ’n publiek huis houdt. U zoudt toch niet willen, dat ze dàt van uw moeder zouden zeggen, wel? Daarom houden we ’t zoo stil. Wat ik zeggen wil, u zult ’t ook welvoòr u houden, niet? Nu ’t al zòòlang ’n geheim is geweest, is ’t beter dat ’t dat ook blijft.Vivie.En dit is dus de onderneming, waar u wilt, dat ik deel in zal nemen!Crofts.Welnee. Mijn vrouw zal niets met zaken te maken hebben. U zult er niet meer mee te maken hebben dan u altijd gedaan hebt.Vivie.Altijd gedaan heb! Wat bedoelt u?Crofts.Alleen maar dat u er altijd van geleefd hebt. Ze heeft betaald voor uw opvoeding en voor de japon die u aan uw lijf hebt. Trek uw neus maar niet op voor zaken, juffrouw Vivie. Wat zou er van uw mooie scholen worden zonder geld?Vivie(staat op, half buiten zichzelf). Pas op. Ik weet wàt voor zaak ’t is.Crofts(opschrikkend, met ’n onderdrukte vloek). Wie heeft u dat verteld?Vivie.Uw compagnon—m’n moeder.Crofts(zwart van woede). Die ouwe.... (Vivie ziet hem haastig aan. Hij slikt ’t woord in en staat stilletjes voor zich te razen en te vloeken. Dan bedenkt hij zich, dat hij sympathiek moet zijn en hij neemt z’n toevlucht tot ’n edele verontwaardiging). Zij behoorde u meer te hebben ontzien.Ikzou ’t u nooit verteld hebben.Vivie.Ik denk, dat u waarschijnlijk gewacht zoudt hebben tot we getrouwd waren. Het zou ’n makkelijk wapen voor u geweest zijn om me mee klein te krijgen.Crofts(heel oprecht). Ik had ’t nooit willen doen. Op m’n woord niet. (Vivie ziet hem verwonderd aan. Haar gevoel voor de ironie van zijn protest kalmeert haar en geeft haar kracht. Zij antwoordt met minachtende zelfbeheersching.)Vivie.’t Doet er niet toe. Ik veronderstel dat ubegrijpt, dat wanneer wij vandaag van hier weggaan, onze kennismaking tot ’n eind komt.Crofts.Waarom? Omdat ik u moeder geholpen heb?Vivie.Mijn moeder was ’n arme vrouw die geen keus had om anders te handelen dan ze gedaan heeft. Maar ù was rijk en u deed hetzelfde terwille van 35 percent. U bent mijns inziens ’n gewone, echte schurk. Dàt is m’n opinie van u.Crofts(staart haar even aan,—volstrekt niet gekwetst, en veel meer op z’n gemak, nu ze op dezen ongegeneerden voet met elkaar zijn, dan toen ze eerst wat vormelijk waren). Ha, ha, ha, ha! ga je gang, juffie, geef er me van langs; ’t hindert me niet en ’t amuseert me. Wat weerga, waarom zou ik m’n geld niet op die manier beleggen? Ik neem de interest van ’n kapitaal net als alle andere menschen. Ik hoop niet, dat je vindt, dat ik er m’n eigen handen mee vuil maak. Zeg ’ns zelf: je zoudt toch niet weigeren om kennis te maken met m’n moeders neef, den hertog van Belgravia, omdat sommige van de renten, die hij ontvangt, op ’n wat wonderlijke wijze verdiend worden? Je zoudt vermoedelijk den aartsbisschop van Canterbury niet negeeren omdat de leden van de kerkelijke commissies enkele kroeghouders en zondaren onder hun huurders hebben? Herinner je je de Croftsbeurs in Newnham? Nu, die is gesticht door m’n broer, het parlementslid. Hij krijgt z’n 22 percent van ’n fabriek met 600 meisjes, waarvan er niet één genoeg verdient om van te leven. Hoe stel je je voor, dat die rondscharrelen? Vraag ’t je moeder maar eens. En verwacht je dan, dat ik bedanken zou voor 35 percent, terwijl andere menschen in hun zak steken wàt ze maar kunnen, als verstandige lui? Zòò gek ben ik niet. Als je je kennissen wilt kiezen en uitzoeken volgens zedelijkeprincipes, dan kun je ’t land wel uittrekken, tenzij je jezelf buiten de heele fatsoenlijke maatschappij wilt houden.Vivie(met gewetenswroeging). U kunt er verder nog op wijzen, dat ik zelfs nooit gevraagd heb, waar ’t geld, dat ik uitgaf, vandaan kwam. Ik geloof, dat ik net even slecht ben als u.Crofts(geheel gerustgesteld). Natuurlijk,—en dat is maar goed ook. Wat voor kwaad doet ’t ten slotte? (met een familiare grappigheid). Nou je er verder over nadenkt, zul je me zoo’n schurk wel niet meer vinden, wèl?Vivie.Ik heb dezelfde voordeelen met u gedeeld, en ik ben al zoo ver gegaan van u op vertrouwelijke wijze te vertellen wàt ik van u denk.Crofts(met serieuze minzaamheid). Zeker, dat heb je ook.—Je zult me zoo’n kwaje niet vinden. Ik geef me niet uit voor iemand met een prima intellect, maar ik heb een goeie dozis eerlijk, humaan gevoel; en het oude ras van de Croften komt uìt in ’n zekere instinctmatige haat van alles wat min is,—waarin je zeker met me zult sympathiseeren. Geloof me, juffrouw Vivie, de wereld is zoo kwaad niet, als sommige schreeuwers wel beweren. Zoo lang je de maatschappij niet openlijk trotseert, zal ze je ook geen lastige vragen doen;—en ze maakt korte metten met de ploerten, die ’t wèl doen. Er blijven geen geheimen beter bewaard, dan dìè, die half bekend zijn. In de kringen, waarin ik je zal introduceeren, zal geen heer of dame zich zòò ver vergeten om de zaken van mij of je moeder te bespreken. Geen man kan je ’n veiliger positie aanbieden.Vivie.Ik geloof dat u heusch denkt, dat u uitstekend met me opschiet.Crofts.Wel, ik geloof, dat ik mezelf mag vleien,dat je beter over me denkt, dan je eerst hebt gedaan.Vivie(kalm). Ik vind u nu nauwelijks de moeite waard, om over te denken. (Zij staat op en gaat naar het hek toe, onderweg stilhoudend om hem te bekijken en om bijna zachtzinnig maar met diepe overtuiging tot hem te zeggen): Als ik denk aan de maatschappij die ù duldt, en de wet die ù beschermt,—als ik bedenk hoe hulpeloos overgeleverd negen van de tien meisjes zullen zijn in de handen van u en van m’n moeder:—van de vrouw met het onnoembare bedrijf en haar kapitalist-slavenjager....Crofts(wit van woede). Verdomd!Vivie.U hoèft me niet meer te verdoemen. Ik voel al of ik onder de verdoemden leef. (Zij licht den klink van ’t hek op, om het te openen en er door te gaan. Hij volgt haar en legt z’n hand zwaar op den hoogsten dwarsbalk om te beletten, dat ’t hek geopend wordt).Crofts(hijgend van woede). Denk je, dat ik dit alles van je verdraag, jij kleine duivel?Vivie(koel). Wees bedaard. Er zal iemand komen in antwoord op de bel. (Zonder even te aarzelen slaat zij tegen de bel met den rug van haar hand. ’t Klinkt hard, en Crofts schrikt onwilkeurig terug. Bijna onmiddellijk verschijnt Frank in den ingang van ’t huis met z’n geweer).Frank(met opgewekte beleefdheid). Wil jij ’t geweer hebben Viv, of zalik’t gebruiken?Vivie.Heb je geluisterd, Frank?Frank.Alleen maar naar de bel, ik verzeker ’t je,—zoodat je niet zoudt hoeven te wachten. Ik geloof, dat ik je karakter goed heb doorzien, Crofts.Crofts.Voor ’n kleinigheid zou ik dat geweer van je overnemen en ’t kapot slaan op je hoofd.Frank(voorzichtig naar hem toesluipend). Doedat niet. Ik ga heel onhandig met vuurwapenen om. Er zou stellig ’n noodlottig ongeluk plaats hebben met later ’n waarschuwing van de jury voor m’n onachtzaamheid.Vivie.Zet ’t geweer weg, Frank, ’t is volmaakt onnoodig.Frank.Groot gelijk, Viv. Veel beter jagersmanier om hem in ’n val te vangen. (Crofts, die de beleediging begrijpt, maakt ’n dreigende beweging). Crofts, er zijn vijftien kogels in ’t magazijn en ik ben ’n zekere treffer van ’n afstand als deze, op ’n schijf van jouw omvang.Crofts.O je hoeft niet bang te zijn. Ik zal je niet aanraken.Frank.Heel grootmoedig van je onder de omstandigheden. Wel bedankt.Crofts.Ik wil jullie dit nog zeggen vòor ik heenga. ’t Zal je misschien interesseeren, omdat jullie zoo op elkaar gesteld bent. Sta me toe, Frank, je voor te stellen aan je halfzuster, de oudste dochter van den eerwaarden Samuel Gardner. Juffrouw Vivie, uw halfbroer. Goeie morgen. (Hij gaat door ’t hek heen den weg op).Frank(na ’n pauze van ontdaanheid, neemt z’n geweer op). Viv, je zult voor den rechter getuigen, dat ’t een ongeluk was. (Hij mikt op de verdwijnende figuur van Crofts. Vivie grijpt den loop en draait die rond, tegen haar borst aan).Vivie.Schiet nou. Nu mag je.Frank(laat ’t eind van z’n geweer haastig vallen). Halt! Pas op! (Zij laat ’t gaan. ’t Valt op den grond). O, wat heb je je jongentje laten schrikken! Stel je voor, dat ’t af was gegaan.... O! (geheel ontdaan valt hij op de bank neer).Vivie.Ja, stel je dat voor. Begrijp je niet, dat ’teen verlichting voor me geweest zou zijn om ’n felle lichamelijke pijn in me te voelen scheuren?Frank(vleiend). Trek ’t je niet zoo aan, beste Viv. Bedenk maar, dat àls m’n geweer den vent zòò heeft verschrikt, dat hij voor ’t eerst in z’n leven de waarheid gezegd heeft, ’t ons dan in èrnst maakt tot de babies in ’t bosch. (Hij houdt z’n armen voor haar open). Kom, laten we ons weer toedekken met blaâren.Vivie(met ’n kreet van afschuw). O, dat niet, dat niet! Je laat me rillen!Frank.Waarom,—wat scheelt je?Vivie.Adieu! (Zij gaat heen door ’t hek).Frank(opspringend). Allo! Wacht even! Viv! Viv! (Zij draait zich om bij ’t hek). Waar ga je naar toe? Waar kan ik je vinden?Vivie.Op Honoria Frasers kantoor, Chancery Lane 67,—voor de rest van m’n leven. (Zij gaat heen in de tegenovergestelde richting van Crofts).Frank.Maar hoor dan toch ’ns... wacht even... Wat drommel! (hij rent haar achterna).VIERDE BEDRIJF.De kamers van Honoria Fraser in Chancery Lane. Een kantoor op de hoogste verdieping met een raam van spiegelglas; geverfde muren, electrisch licht en een vulkachel. Zaterdagmiddag. Men ziet de schoorsteenen van Lincoln’s Inn en den hemel daarachter in ’t Westen, door het venster. Er staat ’n dubbel schrijfbureau in het midden van de kamer met een kistje sigaren, aschbakjes en een verplaatsbare electrische lamp, de laatste half verborgen onder hoopen papier en boeken. Dit schrijfbureau heeft gaten voor de knieën, rechts en links ervan staan stoelen.—Het ziet er heel slordig uit. Het bureau van den klerk, gesloten en netjes, met ’n hoogen stoel er voor, staat tegen den muur aan, dicht bij ’n deur, die in verbinding staat tot de binnenkamer. In den tegenovergestelden muur is de deur, die voert naar de algemeene gang. Zijn bovenpaneel is van matglas, waarop met zwarte letters aan den buitenkant “Fraser en Warren”. Een groen baaien scherm verbergt den hoek tusschen die deur en het venster.Frank, in ’n modieus licht sport-reispak met zijn stok, handschoenen en witte hoed in z’n handen, loopt heen en weer in ’t kantoor. Iemand probeert de deur open te maken, met ’n sleutel.Frank(roept). Binnen! ’t Is niet gesloten. (Vivie komt binnen met hoed op en mantel aan. Zij blijft staan en staart hem aan).Vivie(streng). Wat voer je hier uit?Frank.Op je wachten. Ik hen hier al uren geweest. Is dat de manier om op je zaken te passen? (Hij legt zijn hoed en stok op tafel, gaat met ’n sprong boven op de klerks kruk zitten, en kijkt haar aan met al de symptomen van ’n onrustige, plagerige, lichtzinnige stemming).Vivie.Ik ben precies twintig minuten weg geweest om ’n kop thee te drinken. (Zij neemt haar hoed en mantel af en hangt die achter het scherm). Hoe ben je binnen gekomen?Frank.Het personeel was er nog toen ik kwam. ’t Is weggegaan om cricket te spelen op Primrose-hill. Waarom heb je geen vrouw in je dienst en geef je op die manier je sekse een kansje?Vivie.Waarom ben je gekomen?Frank(springt van zijn kruk af en komt naar haar toe). Viv, laten we uitgaan en ergens van den halven Zaterdagschen vacantiedag genieten, net als ’t personeel.—Wat denk je van Richmond, en daarna een tingeltangel en ’n gezellig soupétje?Vivie.Ik kan ’t niet bekostigen. Ik zal nog ’n uur of zes werken, vòòr ik naar bed ga.Frank.Niet bekostigen, hè? Aha! Kijk ’ns hier. (Hij neemt ’n handvol goudstukken uit z’n zak en rammelt er mee). Goud, Viv, goud!Vivie.Hoe ben je daaraan gekomen?Frank.Met spelen, Viv;—met spelen: Poker.Vivie.Bah! Dat is minner dan stelen. Nee; ik kom nièt. (Zij gaat aan de tafel zitten om te werken, met haar rug naar de glazen deur en begint in de papieren te bladeren.)Frank(beklaaglijk protesteerend). Maar beste Viv, ik moet heusch ’ns heel ernstig met je spreken.Vivie.Best. Ga dan op Honoria’s stoel zitten enpraat. (Hij moppert). Pruttelen helpt niet; ik ben onvermurwbaar. (Hij neemt mistroostig den tegenoverstaanden stoel). Geef me dat sigarenkistje eens aan, wil je?Frank(het kistje naar haar toeschuivend). Akelige vrouwengewoonte. Nette mannen doen ’t niet meer.Vivie.Ja, die maken bezwaar tegen de reuk in ’t kantoor,—en daarom moeten wij ons met cigaretten behelpen. Kijk! (Zij doet ’t kistje open, neemt er ’n cigaret uit en steekt die aan. Zij biedt er hem een aan, maar hij schudt z’n hoofd met ’n zuur gezicht. Zij gaat nu gemakkelijk in haar stoel zitten rooken). Ga je gang.Frank.Wel, ik verlang te weten, wat je gedaan hebt—welke schikkingen je gemaakt hebt.Vivie.Alles was geregeld in twintig minuten, nadat ik hier was gekomen. Honoria heeft dit jaar gemerkt, dat de zaak te veel voor haar werd en stond juist op ’t punt om me te laten komen en me ’n vennootschap voor te stellen, toen ik naar binnen kwam wandelen en haar vertelde, dat ik geen cent in de wereld bezat. Toen heb ik mezelf geïnstalleerd en haar weggestuurd voor ’n veertiendaagsche vacantie.—Wat is er in Haslemere gebeurd, nadat ik heen was gegaan?Frank.Absoluut niets. Ik zei dat je naar de stad was gegaan voor particuliere aangelegenheden.Vivie.En!Frank.Wel, ze waren òf te verbouwereerd om iets te zeggen òf Crofts had je moeder al voorbereid. In ieder geval, zij zei niets, en Crofts zei niets en Praeddie zette alleen groote oogen op.—Na de thee gingen ze weg en ik heb ze na dien tijd niet meer gezien.Vivie(knikt kalm, met haar ééne oog op ’n rookkringetje gericht). Uitstekend.Frank(verachtelijk rondkijkend). Ben je van plan om in deze onmogelijke plaats te blijven?Vivie(blaast den rookkring op besliste manier weg en gaat overeind zitten). Ja. Deze twee dagen hebben me al m’n kracht en zelfvertrouwen teruggegeven. Ik neem nooit meer ’n dag vacantie, zoolang als ik leef.Frank(met ’n heel zuur gezicht). Phoe!—Je ziet erg in je schik, en zoo hard als ’n bikkel.Vivie(streng). Goed, dat ik dat ben!Frank(staat op). Hoor ’ns Viv, we moeten tot ’n verklaring met elkaar komen. Wij zijn verleden van elkaar gegaan, onder den indruk van ’n totaal misverstand.Vivie(legt haar sigaret neer). Nou, helder ’t dan op.Frank.Je herinnert je wat Crofts zei?Vivie.Ja.Frank.Die onthulling werd verondersteld ’n absolute verandering teweeg te brengen in den aard van onze gevoelens voor elkaar. Ze plaatste ons op den voet van broer en zuster.Vivie.Ja.Frank.Heb jij ooit ’n broer gehad?Vivie.Nee.Frank.Dan weet je ook niet hoe ’t voèlt om broer en zuster te zijn. Nou, ik heb ’n massa zusters. Jessie en Georgina en de rest. Het broedergevoel is iets heel bekends voor me;—en ik verzeker je dat m’n gevoel voor jou er niets mee gemeen heeft. De meisjes zullen hùn weg gaan, ik den mijnen en het zal ons niets kunnen schelen, of we elkaar ooit meer terug zien. Dàt is broer- en zuster-zijn. Maar wat joù betreft ben ik niet op m’n gemak als er ’n week voorbij gaat, zonder dat ik je zie. Dat is nièt broer- en zuster-zijn. ’t Is precies wat ik voelde ’n uur vòòrdatCrofts z’n onthulling deed. In ’t kort, beste Viv, ’t is echte, jonge liefde.Vivie(bijtend). Hetzelfde gevoel Frank, dat jouw vader aan m’n moeders voeten bracht, niet waar?Frank(verontwaardigd). Ik kom er met kracht tegen op Viv, om mìjn gevoelens te vergelijken met eenige, die de eerwaarde Samuel in staat is om te koesteren, en ik protesteer nog meèr tegen eene vergelijking van jou met je moeder. Daarenboven geloof ik niets van de heele geschiedenis. Ik heb er mijn vader de duimschroeven voor aangezet en van hem verkregen wat ik synoniem beschouw met ’n ontkenning.Vivie.Wat zei ie?Frank.Hij zei, dat hij zeker was, dat het ’n vergissing moest zijn.Vivie.Geloof je hem?Frank.Ik neem aan, om zìjn woord te gelooven tegenover dat van Crofts.Vivie.Maakt dat eenig verschil? Ik meen in je verbeelding of voor je geweten;—want natuurlijk maakt het geen verschil in werkelijkheid.Frank(hoofdschuddend). Voor mij in ’t minst niet.Vivie.Voor mij ook niet.Frank(haar aanstarend). Maar dat is al heel merkwaardig! Ik dacht dat in jouw verbeelding en voor je geweten, zooals je het daarnet noemde, onze verhouding totaal was veranderd, van het oogenblik af, dat die woorden uit ’t monster zijn muil waren gekomen.Vivie.Nee, dàt was ’t niet. Ik geloofde hem niet. Ik wou dat ik ’t kon.Frank.Wat?Vivie.Ik vind dat broer en zuster een heele geschikte verhouding voor ons zou zijn.Frank.Meen je dat heusch?Vivie.Ja. ’t Is de eenige verhouding, waar ik voor voel, zelfs als we ’n andere konden bekostigen. Dat meen ik.Frank.(Trekt z’n wenkbrauwen op als iemand wien ’n licht opgaat en zegt dan met ’n ontboezeming van ridderlijk gevoel). M’n beste Viv, waarom heb je dat niet eer gezegd? ’t Spijt me zoo, dat ik je lastig ben gevallen. Ik begrijp ’t nu natuurlijk.Vivie(niet begrijpend). Wàt begrijp je?Frank.O, ik ben geen dwaas in den gewonen zin, alleen maar in den bijbelschen zin van ’t woord; dat ik nl. al de dingen doe die de wijze man voor dwaasheid uitmaakt, nadat hijzelf ze eerst allemaal op de meest uitvoerige manier had onderzocht.—Ik merk, dat ik niet langer Vivums jongetje ben.—Wees maar niet bang,—ik zal je nooit meer Vivums noemen,—tenminste.... tenzij je genoeg mocht krijgen van je nieuwe jongetje, wie hij ook zijn mag.Vivie.M’n nieuwe jongetje?Frank(met overtuiging). Er moèt een nieuw jongetje zijn. Gaat altijd zoo op die manier. Iets anders is onmogelijk.Vivie.Geen een, dien jij kent,—gelukkig voor je. (Er wordt aan de deur geklopt).Frank.Vervloekt, die bezoeker, wie hij ook zijn mag.Vivie.’t Is Praed. Hij gaat naar Italië en wou me goeiendag zeggen. Ik heb hem gevraagd om van middag te komen. Doe hem even open.Frank.We kunnen ons gesprek voortzetten na z’n vertrek. Ik zal wachten tot hij weg is. (Hij gaat naar de deur en opent die). Hoe gaat ’t Praeddie?—Prettig je te zien. Kom binnen. (Praed, gekleed voor de reis, komt binnen in ’n opgewekte stemming, opgewonden door het vooruitzicht van de reis).Praed.Hoe gaat ’t u, juffrouw Warren? (Zij drukt hem hartelijk de hand, hoewel ’n zekere sentimentaliteit in zijn verhoogde stemming haar pijnlijk aandoet). Ik vertrek over ’n uur van Holborn Viaduct. Ik wou, dat ik u kon overhalen om mee naar Italië te gaan.Vivie.Waarom?Praed.Wel, om u te verzadigen aan schoonheid en romantiek natuurlijk. (Vivie, met ’n rilling, draait haar stoel naar de tafel toe, alsof het werk, dat haar daar wacht, ’n troost en steun voor haar is. Frank plaatst ’n stoel juist achter Vivie en valt er lui en nonchalant op neer,—terwijl hij tot haar spreekt over z’n schouder heen).Frank.Geeft niets, Praeddie. Viv is ’n kleine Philistijn. Ze is onverschillig voor mìjn romantiek en ongevoelig voor m’n schoonheid.Vivie.Eens vooral, mijnheer Praed, er bestàat voor mij geen schoonheid en geen romantiek in het leven. Het leven is wat het eenmaal is;—en ik heb me voorgenomen het als zoodanig te nemen.Praed(enthousiast). Dat zoudt u niet zeggen, als u naar Verona en Venetië kwam. U zoudt schreien van verrukking om in zoo’n mooie wereld te leven.Frank.Heel welsprekend, Praeddie. Ga zoo door.Praed.O, ik verzeker u, dat ik gehuild heb—en ik hoop het weer te doen—op m’n vijftigste jaar! Op uw leeftijd, juffrouw Warren, zoudt u niet eens zoo ver hoeven te gaan als Verona. Bij het zien van Ostende al, zou uw ziel z’n vleugels uitslaan;—en u zoudt verrukt wezen over de vroolijkheid, de levendigheid, de heerlijk lichte lucht van Brussel. (Vivie schrikt terug). Wat scheelt u?Frank.Allo Viv!Vivie(totPraedmet diep verwijt). Kunt u geenbeter voorbeeld van schoonheid en romantiek voor me vinden dan Brussel?Praed(niet begrijpend). Natuurlijk,—’t is heel verschillend van Verona. Ik beweer geen oogenblik, dat....Vivie(bitter). Waarschijnlijk zullen de schoonheid en de romantiek zoowat op hetzelfde neerkomen in die twee plaatsen.Praed(nu totaal ontnuchterd en heel bezorgd). M’n beste juffrouw Warren, ik.... (ziet Frank vragend aan). Is er iets gebeurd?Frank.Zij vindt je enthousiasme lichtzinnig, Praeddie. Er is haar iets heel ernstigs overkomen.Vivie(scherp). Hoû je mond, Frank. Wees niet mal.Frank(kalm). Noem je dàt nu goede manieren,Praed?Praed(bezorgd en vriendelijk). Zal ik hem meenemen, juffrouw Warren? Ik ben er zeker van, dat we u gehinderd hebben in uw werk. (Hij wil opstaan).Vivie.Blijft u zitten; ik zal vooreerst niet aan het werk gaan. U denkt allebei, dat ik ’n aanval heb van zenuwachtigheid. Geen kwestie van. Maar er zijn twee onderwerpen, die ik, met uw goedvinden, niet aangeroerd wil hebben. Het eene is: (tot Frank) jonge liefde, in welken vorm ook, en het andere: (totPraed) de romantiek en de schoonheid van het leven,—vooral wanneer de vroolijkheid van Brussel er bij tot voorbeeld wordt genomen.—Ik gun u graag alle illusies, die u ten opzichte van deze onderwerpen mag hebben,—ikheb er geen. Als wij drieën vrienden willen blijven, moet ik behandeld worden als ’n vrouw van zaken,—onherroepelijk eenzaam (dit tot Frank) en onherroepelijk onromantisch (dit totPraed).Frank.Ik zal ook “onherroepelijk eenzaam” blijven,totdat je van opinie verandert. Praeddie, kies ’n ander onderwerp;—wees welsprekend over iets anders.Praed(beschroomd). Ik vrees dat er niets anders ter wereld, is, waar ik over kàn spreken. Het evangelie van de kunst is het eenige, dat ik preeken kan. Ik weet, dat juffrouw Warren een vurige aanhangster is van de leer: “om vooruit te komen”;—maar daàrover kunnen we niet spreken zonder jouw gevoelens te kwetsen, Frank, aangezien jij besloten bent om nièt vooruit te komen.Frank.O, bekommer je niet om mìjn gevoelens. Geef me voor mijn part wat heilzamen raad. Dat zal me goed doen. Probeer nog maar eens om een voorspoedig man van me te maken, Viv. Kom, laat ’t me allemaal nog ’ns hooren; energie, zuinigheid, overleg, zelfrespect, karakter. Je haat immers menschen, die geen karakter hebben, is ’t niet Viv?Vivie(pijnlijk). O, hoû op, hoû op; niet meer van die afschuwelijke frases. MijnheerPraed, als er werkelijk alleen maar deze twee evangelie’s in de wereld zijn, dan doen we beter met ons allemaal van kant te maken, want hetzelfde bederf is in allebei.Frank(haar kritisch aanziend). Er is vandaag ’n waas van poëzie over je, Viv, dat je vroeger steeds ontbroken heeft.Praed(vermanend). M’n beste Frank, ben je niet ’n beetje onsympathiek?Vivie(zonder genade voor zichzelf). Nee, ’t is goed voor me. ’t Weerhoudt me van sentimenteel te worden.Frank(haar plagend). Houdt je krachtige, natuurlijke neiging in dat opzicht wat in toom, niet?Vivie(bijna hysterisch). Ja, ja, ga door; spaar me niet. Eèns in m’n leven ben ik, voor één oogenblik,sentimenteel geweest,—verrukkelijk sentimenteel bij maanlicht. En nu....Frank(haastig). Zeg ’ns Viv, pas op. Verpraat je eigen niet.Vivie.O, denk je, dat mijnheer Praed niet alles van m’n moeder af weet? (totPraed). U hadt beter gedaan me dien ochtendalleste vertellen, mijnheer Praed. U bent tenslotte erg ouderwetsch geweest met al uw fijngevoeligheid.Praed.Me dunkt, dat ù wat ouderwetsch bent in uw vooroordeelen, juffrouw Warren. Ik voel me verplicht u te zeggen, sprekend als artiest, en overtuigd dat de innigste familiebanden ver buiten en boven het bereik van de wet staan, dat ik, hoewel ik weet, dat uw moeder ongetrouwd is, haar daarom niets minder respecteer. Ik respecteer er haar integendeel te meer om.Frank(luchtig). Luister, luister.Vivie(hem aanstarend). Is dat alles wat u weet?Praed.Zeker, dat is alles.Vivie.Dan weet u geen van beideniets. Uw gissingen zijn de onschuld zelf vergeleken bij de werkelijkheid.Praed(verschrikt en verontwaardigd, bewaart met moeite zijn beleefdheid). Ik hoop ’t niet (met meer nadruk). Ik hoop ’t niet, juffrouw Warren. (Franks gezicht toont nu, dat hij Praeds ongeloof niet deelt, Vivie geeft ’n uitroep van ongeduld. Praeds ridderlijkheid zakt neer tegenover hun overtuiging). Als er iets erger is... ik meen iets anders, bent u dan wel zeker, of u er goed aan doet het ons te vertellen, juffrouw Warren?Vivie.Ik ben zeker, dat àls ik den moed er toe had, ik de rest van m’n leven zou doorbrengen met hetiedereente vertellen, met het er bij hen in testampen en te branden, totdat ze hun deel van de schaamte en afschuw erover zouden voelen, zoo goed als ik. Er is niets wat ik meer veracht dan de verkeerde conventie, die die dingen beschermt door ’n vrouw te verbieden om er over te spreken. En tòch kan ik ’t u niet zeggen. De twee afschuwelijke woorden, die uitdrukken wàt m’n moeder is, klinken in m’n ooren en branden me op m’n tong, en ik kàn ze niet uitspreken: m’n instinct is me te sterk. (Zij begraaft haar gezicht in haar handen. De twee staren verbaasd, eerst elkaar aan, dan haar. Zij licht haar hoofd weer op en neemt ’n vel papier en ’n pen). Kijk dan: ik zal ’n prospectus voor u opstellen.Frank.O, ze is gek. Hoor je dat, Viv, gek. Kom, kom, niet bij de pakken neerzitten.Vivie.Dat zul je zien. (Zij schrijft). “Gestort kapitaal: niet minder dan 40.000 pond op naam van Jhr. George Crofts, de voornaamste aandeelhouder. Wat komt er dan? Ik heb ’t vergeten.—O ja: perceelen in Brussel, Berlijn, Weenen en Budapesth. De directeur: mevrouw Warren.”—En laat ik nu vooral haar titel niet vergeten,—de twee woorden. Daar! (Zij schuift ’t papier naar hen toe). O, nee, nee, lees ’t niet. (Zij trekt ’t terug en scheurt het in stukjes. Frank, die over haar schouder heen nauwkeurig heeft gezien wat zij schreef en er met groote oogen naar gestaard heeft, neemt ’n kaartje uit z’n zak, krabbelt er ’n paar woorden op en geeft het zwijgend aanPraed, die ’t met verbazing leest. Frank buigt zich dan berouwvol over Vivie heen).Frank(fluistert teeder). Beste Viv;—’t is in orde. Ik heb gelezen watje schreef; en Praeddie ook. We begrijpen het allebei. En we blijven je, met dit al, èven toegewijd als vroeger. (Vivie licht langzaam haar hoofd op).Praed.Ja, dat doen we zeker, juffrouw Warren. Ik moet zeggen, u bent de bewonderenswaardigste, moedigste vrouw, die ik ooit ontmoet heb. (Dit sentimenteele compliment geeft Vivie kracht. Zij schudt het ongeduldig van zich af, en dwingt zichzelf om op te staan, hoewel niet zonder eenigen steun van de tafel).Frank.Beweeg je niet, Viv, als het je moeilijk valt. Hoû je gemak.Vivie.Dankje. Je kunt altijd op me rekenen met twee dingen: dat ik niet huilen zal en niet flauw vallen. (Zij gaat een paar stappen naar de deur van de binnenkamer en houdt stil dicht bijPraed, om hem te zeggen:) Ik zal meer moed noodig hebben dan nu, als ik m’n moeder vertel dat onze wegen zich voortaan zullen scheiden. En nu, als u ’t goed vindt, ga ik ’n oogenblik naar binnen om me wat op te knappen.Praed.Willen wij heengaan?Vivie.Nee, ik ben dadelijk terug. ’n Oogenblik maar. (Zij gaat de andere kamer in, waarvanPraedde deur voor haar opent).Praed.Wat een merkwaardige onthulling! ’t Valt me verbazend van Crofts tegen; dat doet ’t werkelijk.Frank.Mij in ’t minst niet. Ik heb het gevoel, dat nu eindelijk bij hem de aap uit de mouw is gekomen. Maar wat ’n tegenvaller voor mij, Praeddie! Ik kan haar niet trouwen.Praed(streng). Frank! (Beiden zien elkaar aan, Frank bedaard,Praeddiep verontwaardigd). Ik moet je zeggen, Gardner, dat, als je haar nu laat zitten, je je allermìnst gedraagt.Frank.Goeie, oude Praeddie! Altijd ridderlijk! Maar je vergist je: ’t is niet de moreele kwestie van het geval,—’t is de geldkwestie. Ik zou erwaarachtig nu niet toe kunnen komen om het geld van de ouwe vrouw aan te raken.Praed.En zou je daàrop getrouwd zijn?Frank.Waarop anders?Ikheb geen geld, noch de minste kans om het te verdienen. Als ik nu met Vivie trouwde, zou zij me moeten onderhouden, en ik zou haar meer kosten dan ik waard ben.Praed.Maar me dunkt, dat ’n knappe, verstandige jongen als jij, toch zeker wel iets met z’n eigen hersenen kan verdienen.Frank.O jawel,—’n kleinigheid (hij haalt z’n geld weer te voorschijn). Dat heb ik gisteren allemaal verdiend,—in anderhalf uur tijds,—in ’n hoogst speculatieve onderneming. Nee, beste Praeddie, zelfs wanneer Jessie en Georgine met millionnairs trouwden en de oude heer stierf na ze met ’n shilling te hebben afgescheept, dàn nog zou ik maar vier honderd pond ’s jaars krijgen.—En hij zàl niet sterven, vóor hij de zeven kruisjes gehaald heeft; daar is ie niet origineel genoeg voor. Ik zal op zwart zaad zitten voor de eerste twintig jaar.—Geen zwart zaad voor Viv, als ik ’t kan helpen. Ik trek me met gratie terug en laat de plaats vrij voor de jeunesse dorée van Engeland.—Dat is dus afgesproken.—Ik zal er haar niet over lastig vallen,—ik zal haar alleen een paar regels zenden, nadat we weg zijn gegaan. Dat zal ze wel begrijpen.Praed(z’n hand grijpend). Je bent ’n beste jongen, Frank; ik vraag je van harte vergeving. Maar zul je haar nooit weerzien?Frank.Haar nooit weerzien! Wat weerga, gebruik toch je verstand. Ik zal zoo dikwijls mogelijk bij haar aankomen en een soort van broer voor haar wezen. Ik begrijp niet die dwaze gevolgtrekkingen, die jullie romantische lui maken van de meest gewonedingen. (Er wordt geklopt). Wie zou dat zijn? Zou jij de deur willen opendoen? Als het ’n cliënt is zal het ’n beteren indruk maken, dan wanneer ik verschijn.Praed.Wel zeker. (Hij gaat naar de deur en opent die. Frank gaat op Vivie’s stoel zitten om ’n paar regels te krabbelen). M’n beste Kitty, kom binnen, kom binnen.(Mevrouw Warren komt binnen, angstig rondkijkend naar Vivie. Zij heeft haar best gedaan om er moederlijk en deftig uit te zien. De opzichtige hoed is vervangen door ’n bescheiden kapotje, en de bonte blouse is bedekt door ’n kostbare zwart zijden mantel. Zij is droeviglijk-angstig en weinig op haar gemak,—blijkbaar hevig ontdaan).Mevr. Warren(tot Frank). Wat! Jij hier!Frank(ronddraaiend op z’n stoel, zonder op te staan). Ja, en bizonder verheugd om u te zien. U komt binnen als ’n lentebries.Mevr. Warren(tot Frank). Och, scheì uit met je onzin (zachtjes). Waar is Vivie?Frank(wijst nadrukkelijk op de deur van de binnenkamer, maar zegt niets).Mevr. Warren(gaat plotseling zitten en begint half te schreien). Praeddie, denk je, dat ze mij niet zal willen zien?Praed.M’n beste Kitty, maak jezelf niet van streek. Waarom zou ze dat niet?Mevr. Warren.Och, jij begrijpt niet waarom; jij bent te goedig. Mijnheer Frank, heeft ze ù iets gezegd?Frank(zijn briefje dichtvouwend). Zij moèt u zien, als (met groote nadruk) u wacht tot ze binnenkomt.Mevr. Warren(verschrikt). Waarom zou ik niet wachten? (Frank kijkt haar op komieke wijze aan;legt z’n briefje zorgvuldig op den inktpot, zoodat Vivie het moèt vinden als ze haar pen indoopt; staat dan op en wijdt z’n attentie geheel aan Mevr. Warren). M’n beste Mevr. Warren, veronderstel eens, dat u ’n musch was, zoo’n heel klein, aardig muschje, dat over den weg trippelt, en u zag in uw richting ’n groote stoompletrol aankomen, zoudt u er dan op wachten?Mevr. Warren.Och, zeur niet met je musschen.—Waarom is ze op die manier van Haslemere weggeloopen?Frank.Ik ben bang, dat ze het u vertellen zal, wanneer u wacht tot ze terugkomt.Mevr. Warren.Wil je dan dat ik heenga?Frank.Nee. Ikverlangaltijd dat u blijft. Maar ikraadu aan om heen te gaan.Mevr. Warren.Wat! En haar nooit terugzien?Frank.Juist.Mevr. Warren(weer schreiend). Praeddie,—laat hij toch niet zoo wreed tegen me zijn! (Zij bedwingt haastig haar tranen en veegt haar oogen af). Ze zal zoo boos zijn, als ze ziet, dat ik gehuild heb.Frank(met werkelijk medelijden in z’n luchtige teederheid). U weet, Mevr. Warren, dat Praeddie ’n toonbeeld van goedheid is. Praeddie, wat zeg jij: weggaan of blijven?Praed(tot Mevr. Warren). Het zou me werkelijk erg spijten om u onnoodig pijn te moeten doen;—maar ik geloof tòch misschien, dat u beter zou doen met niet te wachten. De zaak is.... (Men hoort Vivie aan de binnendeur).Frank.Sst—te laat.—Ze komt.Mevr. Warren.Zeg haar niet, dat ik gehuild heb. (Vivie komt binnen. Zij blijft ernstig staan, als ze Mevr. Warren ziet, die haar begroet met hysterischeopgewektheid). Wel lieverd, daar ben je dus eindelijk.Vivie.Ik ben blij, dat u gekomen bent; ik wou u graag spreken. Je zei, geloof ik, dat je heenging, hè Frank?Frank.Ja. Gaat u mee, mevrouw Warren? Wat zegt u van ’n uitstapje naar Richmond en van avond ’n theater? In Richmond bent u veilig; daàr is geen stoompletrol.Vivie.Gekheid, Frank. M’n moeder blijft hier.Mevr. Warren(verschrikt). Ik weet niet;—misschien doe ik beter met heen te gaan. We hinderen je in je werk.Vivie(met kalme beslistheid). Mijnheer Praed, neemt u Frank, als ’t u blieft, mee. Ga zitten moeder. (Mevrouw Warren gehoorzaamt hulpeloos).Praed.Kom Frank. Adieu, juffrouw Vivie.Vivie(hem de hand gevend). Adieu. Plezierige reis.Praed.Dank u, dank u,—dat hoop ik.Frank(tot mevrouw Warren). Adieu. U hadt beter gedaan met m’n raad te volgen. (Hij geeft haar de hand, dan luchtig tot Vivie). Boujour, Viv.Vivie.Adieu. (Hij gaat vroolijk heen zonder haar de hand te geven. Praed volgt. Vivie, bedaard en hoogst ernstig, gaat op Honoria’s stoel zitten en wacht tot haar moeder begint te spreken. Mevrouw Warren, beangst voor een pauze, verliest geen tijd voor ze begint).Mevr. Warren.Wel Vivie, waarom ben je op die manier van me weggeloopen, zonder ’n woord te zeggen? Hoe kòn je zoo iets doen? En wat heb je met dien armen George uitgevoerd? Ik had gewild, dat hij mee was gegaan, maar hij zocht er zich van af te maken. Ik kon merken, dat hij echt bang was. En verbeeld je—hij wou niet, dat ìk zou gaan. (bevend). Alsof ik bang zou zijn van jòu, lieverd.(Vivie wordt nog ernstiger). Maar natuurlijk zei ik hem, dat alles uitstekend tusschen ons in orde was en dat we beste maatjes waren (verliest opeens haar zelfbeheersching). Vivie, wat beteekent dit? (Zij neemt ’n papier uit ’n enveloppe, gaat naar de tafel en reikt het daarover heen aan Vivie). Dat kreeg ik van ochtend van de bank.Vivie.’t Is mijn maandelijksche toelage. Ze zonden me die gisteren zooals gewoonlijk. Ik heb ze toen eenvoudig teruggezonden, om in uw credit te laten boeken, en gevraagd of ze u de quitantie er van wilden sturen. Ik zal in de toekomst mezelf onderhouden.Mevr. Warren(haast niet durvende begrijpen). Was het niet genoeg? Waarom heb je me dat niet gezegd? (met ’n sluwen glans in haar oog). Ik zal ’t verdubbelen; ’t was m’n plan al om dat te doen. Zeg me alleen maar, hoeveel je noodig hebt.Vivie.U weet heel goed, dat dat er niets mee te maken heeft. Van nu af aan ga ik m’n eigen weg, in m’n eigen zaak en met m’n eigen vrienden. En u kunt den uwen gaan (zij staat op). Adieu.Mevr. Warren(ontdaan). Adieu?!Vivie.Ja, adieu. Kom, laten we geen noodelooze scène maken, u begrijpt me volmaakt goed. Jhr. George Crofts heeft me alles verteld.Mevr. Warren(boos). Zotte, ouwe... (zij slikt ’t woord in, en wordt wit van schrik, dat zij het bijna heeft uitgesproken). Z’n tong moest hem afgesneden worden!—Maar ik had je alles toch uitgelegd en je zei, dat je er niets om gaf.Vivie(vast). Pardon, ik geef er wèl om. U hebt me uitgelegd hoe de zaak tot stand kwam. Maar dat verandert er niets aan. (Mevrouw Warren, voor ’n oogenblik tot zwijgen gebracht, kijkt uit-’t-veld-geslagennaar Vivie, die zit als ’n standbeeld, in stilte hopend dat de strijd voorbij is. Maar de slimme uitdrukking komt terug op Mevr. Warren’s gelaat; en zij buigt over de tafel heen, sluw en dringend, terwijl ze fluistert:)Mevr. Warren.Weet je hoe rijk ik ben, Vivie?Vivie.Ik twijfel er niet aan, dat u hèèl rijk bent.Mevr. Warren.Maar je weet niet wat dat allemaal beteekent; daar ben je te jong voor. ’t Beteekent: iederen dag ’n nieuwe japon,—’t beteekent, avond aan avond naar theaters en bals;—’t beteekent dat je de eerste heeren van heel Europa aan je voeten kunt hebben,—’t beteekent ’n prachtig huis en ’n sleep van bedienden; ’t beteekent het fijnste eten en drinken,—’t beteekent alles wat je maar verlangt, alles wat je noodig hebt, alles wat je maar bedenken kunt.—En wat ben je hier?—Een echte sloof, die van vroeg tot laat moet sjouwen en zwoegen alleen voor d’r kost en d’r twee japonnetjes in ’t jaar. Denk daar is over. (sussend). Ik weet ’t wel, je bent gechoqueerd. Ik kan d’er best in komen in je gevoelens,—ze doen je alle eer aan. Maar geloof me, niemand zal jòu er om hard vallen,—daar geef ik je m’n woord op. Ik weet wat jonge meisjes zijn; en ik weet dat je er anders over zal gaan denken, als je nog eens nagedacht heb.Vivie.Dus op dèze manier wordt het gedaan, hê? U moet dit alles al aan heel wat vrouwen gezegd hebben, moeder, dat ’t u zoo vlot afgaat.Mevr. Warren(hartstochtelijk). Wat voor kwaad vraag ik je om te doen? (Vivie wendt zich minachtend af. Mevrouw Warren volgt haar wanhopig). Vivie, luister naar me, je begrijpt ’t allemaal niet. Ze hebben je met opzet verkeerd ingelicht; je weet niet wat de wereld eigenlijk is.Vivie(staan blijvend). Met opzet verkeerd ingelicht! Wat bedoelt u?Mevr. Warren.Ik bedoel, dat je al je kansen wilt weggooien voor niks. Je gelooft, dat de menschen zijn, zooals ze zich voordoen,—dat wat ze je op school als goed en behoorlijk hebben leeren beschouwen, dat ook werkelijk zooìs. Maar dat is zoo nièt;—’t is alleen maar ’n verzinsel om de laffe, slaafsche gewone soort van menschen d’r ònder te houden. Moet je daar pas achter komen, net als andere vrouwen, op je veertigste jaar, als je je eigen hebt weggegooid, en je kansen verkeken hebt, inplaats dat je het intijds aanneemt van je eigen moeder, die van je houdt en je zweert dat het waarheid is. De waarachtige waarheid? (dringend). Vivie, de groote lui, en de knappe lui, en de lui die zaken doen, ze weten ’t allemaal. Die doen net wat ìk doe, en die denken wat ìk denk. Ik ken er verscheidene van. Ik ken ze om met ze te praten, en om ze an je voor te stellen, en om ze met je bevrind te maken. Ik meen niks kwaads; dat wil je maar niet begrijpen. Je hebt je hoofd vol met onnoozele ideeën over me. Wat weten de menschen, die jou onderricht hebben, van ’t leven af en van menschen als ik? Wanneer hebben ze me ooit ontmoet, of met me gepraat, of van anderen over me gehoord? de gekken! Zouden ze ooit iets voor je gedaan hebben, als ìk ze niet betàald had? Heb ik je niet verteld, dat ik wil, dat je fatsoenlijk zal zijn? Heb ik je niet gròotgebracht om fatsoenlijk te wezen? En hoe kan je dat blijven zonder m’n geld en m’n invloed en Lizzie’s vrinden? Begrijpt je dan niet, dat je je eigen nek breekt en mijn hart er bij,—als je me de rug toedraait?Vivie.Dat is Crofts levenswijsheid, moeder. Ik heb ’t allemaal van hèm al gehoord, dien dag bij de Gardner’s.Mevr. Warren.Je denkt, geloof ik, dat ik je dien verloopen ouden gek wil opdringen. Maar dat wil ik niet, Vivie, op m’n woord niet.Vivie.’t Zou niet geven, of u ’t deed. ’t Zou u toch niet lukken. (Mevr. Warrens gezicht vertrekt pijnlijk, ze is diep gekwetst door de kennelijke onverschilligheid tegenover haar goede bedoeling. Vivie, die dit òf niet begrijpt, òf wie ’t niet schelen kan, gaat kalm verder). U begrijpt in ’t minst niet, moeder, wat voor soort van mensch ik ben. Ik heb niets meér tegen Crofts, dan tegen iederen anderen ordinairen man van zìjn slag. Eerlijk gezegd bewonder ik hem zelfs wat, omdat hij kracht genoeg heeft om z’n leven te genieten op z’n eigen manier en flink geld te verdienen, inplaats van het gewone leventje te leiden van: jagen, schieten, uit-dineeren-gaan, toilet maken en slenteren, alleen maar omdat de rest van z’n kliek dat eenmaal doet. En ik ben me volmaakt bewust, dat wanneer ik in dezelfde omstandigheden was geweest als m’n tante Lize, ik precies eender als zij gehandeld zou hebben. Ik geloof niet, dat ik meer bevooroordeeld of bekrompen ben dan u;—ik geloof, dat ik ’t minder ben. Ik ben zèker minder sentimenteel. Ik weet heel goed, dat de wereldsche moraliteit maar ’n voor-de-gek-houderij is, en dat, als ik uw geld aannam en m’n verdere leven doorbracht met het op rijkelui’s manier te verteren, ik even nutteloos en slecht zou kunnen zijn, als de zotste vrouw maar zou kunnen verlangen, zonder ’n woord er over te hooren. Maar ikwilniet nutteloos wezen. Ik zou geen plezier hebben, als ik ’t park ronddraafde om reclame te maken voor m’n naaister en m’n rijtuigfabrikant, of als ik me verveelde in de opera om ’n hoop diamanten uit te stallen.Mevr. Warren(verbluft). Maar....Vivie.Wacht even, ik ben nog niet klaar. Zeg me eens waarom u uw zaak nog voortzet, terwijl u er toch onafhankelijk door bent? Uw zuster, hebt u me zelf verteld, heeft met dat alles afgedaan. Waarom doet u dat ook niet?Mevr. Warren.O, dat is alles goed en wel voor Liz; die houdt van fijn gezelschap en ziet er uit als ’n dame. Maar stel je mij voor in ’n vrome stad? M’n hemel, de kraaien in de boomen zouden me zelfs in de gaten krijgen, laat staan nog, dat ik de verveling niet zou kunnen verdragen. Nee,ìkmoet werk en opwinding hebben, anders zou ik gek worden van sikkeneurigheid. En wat moet ik anders uitvoeren? Het leven bevalt me, ik ben er voor geschikt, en niet voor iets anders. Alsik’t niet deed, zou ’n ander het doen,—dus echt kwaad doe ik er niet mee. En dan brengt ’t geld in;—en ik hoû er van om geld te verdienen. Nee, dat geeft allemaal niks;—opgeven kan ik ’t niet;—voor niemand.—Maar wat hoef jìj er van af te weten? Ik zal er je nooit iets over zeggen. Ik zal Crofts uit den weg houden. Ik zal je ook niet dikwijls lastig vallen. Je moet denken, dat ik voortdurend rondtrek van de eene plaats naar de andere. Als ik dood ga, zul je voor goed met me afgedaan hebben.Vivie.Nee, ik ben m’n moeders dochter. Ik ben net als u: ik moet werk hebben en meer geld verdienen, dan ik uitgeef. Maar ùw werk is mìjn werk niet, en mijn weg niet de uwe. We moeten van elkaar scheiden. Heel veel verschil zal ’t niet voor ons maken: in plaats dat we elkaar misschien ’n paar maanden zien in twintig jaar tijds, zien we elkaar nu heelemaal niet meer, dat is alles.Mevr. Warren(met ’n door tranen verstikte stem).’t Was m’n bedoeling geweest om meer met je samen te zijn, Vivie; dat was ’t waarachtig.Vivie.Dat gaat niet, moeder. Ik laat me niet van m’n stuk brengen terwille van wat goedkoope tranen en smeekbeden, zoomin als u, daar ben ik zeker van.Mevr. Warren(heftig). Noem je de tranen van een moeder goedkoop?Vivie.Ze kosten ù niets; en u vraagt mij om in ruil daarvoor de vrede en de rust van m’n heele leven te geven? Wat zou m’n gezelschap u waard zijn, als u ’t had? Wat hebben wij twee gemeen, dat één van ons gelukkig zou maken, wanneer we bij elkaar waren?Mevr. Warren(vervalt in haar dialect). We zijn moeder en dochter. Ik wil me dochter hebbe. Ik heb recht op je. Wie mot er voor me zorge as ik oud wor’? ’n massa meisjes hebbe zich an me gehecht as dochters en hebbe gehuild as ze van me af moste. Maar ik heb ze allemaal late gaan, omdat ik an joù dacht. Ik ben alléen gebleven om jou. Je heb ’t recht niet om me nou de rug toe te draaie en te weigere je plicht as dochter te doen.Vivie(geprikkeld en vijandig, door de echo van de achterbuurten, die ze in haar moeders stem hoort). M’n plicht als dochter! Ik dacht wel, dat ’t dààrtoe zou komen! Eens vooral nu, moeder: u verlangt naar ’n dochter en Frank naar ’n vrouw. Maar ik bedànk voor ’n moeder en ik bedank voor ’n man. Ik heb noch hem, noch mezelf gespaard, toen ik hem wegzond. Denkt u nu, dat ik ù zal sparen?Mevr. Warren(hevig). O, ik weet wat je d’r voor één bent; zonder genade voor jezelf of voor een ander. Ik weet ’t. M’n ondervinding heeft me dàt tenminste geleerd: dat ik de vrome, huichelachtige, harde, zelfzuchtige vrouw kèn als ik d’r tegenkom.Wel, veel plezier met jezelf; ìk heb je niet noodig. Maar luister hier nou is na: Weet je wat ik met je doen zou, als je weer ’n kind was, zoo waarachtig als er ’n hemel boven ons is?Vivie.Me wurgen misschien.Mevr. Warren.Nee; ik zou je grootbrengen als ’n èchte dochter van me en niet als wat je nou ben, met je trots en je vooroordeelen en je fijne opvoeding, die je van me gestolen heb, ja gestolen, ontken ’t maar als je kan. Wat was ’t anders dan stelen? Ik zou je groot brengen in m’n eigen huis, dàt zou ik.Vivie(rustig). In één van uw eigen huizen.Mevr. Warren(schreeuwend). Hoor d’r ís an! Hoor es hoe ze spuwt op d’r moeders grijze haren! O, ik hoop, dat je beleven mag, dat je eigen dochter je zal verscheuren, en vertrappen, zooals je mij vertrapt hebt! En dat zal je, dat zal je! Geen vrouw had ooit geluk, die door haar moeder vervloekt werd.Vivie.Ik wou, dat u niet zoo te keer ging, moeder. Dat verhardt me alleen maar. Kom, ik vermoed, dat ik de eenige jonge vrouw ben, die u ooit in uw macht had en waar u goed voor geweest bent. Bederf ’t nu niet allemaal.Mevr. Warren.Ja, de hemel vergeve me, dat is zoo. En jij bent de eenige, die zich van me af heeft gekeerd. O, de onrechtvaardigheid ervan, de onrechtvaardigheid! Ik heb altijd ’n goeie vrouw willen zijn. Ik heb het met fatsoenlijk werk geprobeerd en ik werd zoo afgejakkerd, dat ik de dag vervloekte, waarop ik van fatsoenlijk werk gehoord had. Ik ben ’n goeie moeder geweest, en omdat ik van m’n dochter ’n fatsoenlijke vrouw heb gemaakt, stuurt ze me nou van d’r weg, alsof ik de pest heb. O! als ik me leven nog maar es kon overleven! Dan zou ik die leugen-dominé van de Zondagsschool me meening ’ns zeggen!Van nou af an—de hemel mag me bestaan in m’n laatste uurtje—zal ik alleen maar doen wat slecht is; dàt zal ik. En daar zal ik bij gedijen.Vivie.Ja, ’t is beter, dat u uw eigen richting kiest en dààr langs verder gaat. Als ik ù was geweest moeder, zou ik misschien gedaan hebben, wat ù hebt gedaan, maar ik zou niet het ééne leven leiden en gelooven in het andere. U bent in uw hàrt ’n conventioneele vrouw en daarom neem ik nu afscheid van u. Ik heb gelijk, niet waar?Mevr. Warren(van haar stuk gebracht). Gelijk, dat je al m’n geld weggooit!Vivie.Nee, gelijk dat ik van u af wil. Ik zou dwaas zijn, als ’k niet deed,—is ’t niet zoo?Mevr. Warren(norsch). Nou ja,—wat dat aangaat, misschien wel. Maar de Heer mag de wereld bijstaan, als iedereen alleen ging doen wat goed en verstandig was.—En nou ga ik liever heen, dan dat ik blijf waar ik niet gewenscht ben (zij wendt zich naar de deur).Vivie(vriendelijk). Wilt u me geen hand geven?Mevr. Warren(na haar ’n oogenblik fel te hebben aangezien, met ’n heftig verlangen, om haar ’n slag te geven). Nee, dank je. Goeien dag.Vivie(op gewoon-zakelijken toon). Goeien dag. (Mevr. Warren gaat heen en slaat de deur achter zich toe. De spanning op Vivie’s gelaat verslapt; de ernstige uitdrukking er van gaat over in een van blije tevredenheid; zij blaast haar adem uit ’n halven snik, halven lach van innige verluchting. Opgewekt gaat ze naar haar plaats aan de schrijftafel, schuift de electrische lamp wat op zij, verlegt ’n groote hoop papier en wil juist haar pen in den inkt doopen, als ze Franks briefje vindt. Ze opent het onverschillig, en leest het vlug, even lachendom ’n eigenaardige expressie er in). En adieu Frank. (Zij verscheurt het briefje en gooit de stukjes in de papiermand, zonder zich te bedenken. Dan plonst ze zich in haar werk en is gauw geheel verdiept in haar cijfers).EINDE.

DERDE BEDRIJF.In den tuin van de pastorie, den volgenden morgen. De zon schijnt, de vogels zingen lustig. De tuinmuur heeft ’n houten hek, breed genoeg om ’n rijtuig door te laten. Naast het hek hangt ’n bel aan ’n gekronkelden spiraal die in verbinding staat met ’n trekker er buiten. Het rijpad loopt tot aan het midden van den tuin en buigt dan naar links, waar het eindigt in ’n kleine begrinte ronde plaats tegenover den overdekten ingang naar de pastorie. Aan den anderen kant van het hek ziet men den stoffigen straatweg, parallel aan den muur en aan de verste zij afgezet door ’n grasrand en ’n ònomheind dennenbosch. Op het grasveld, tusschen het huis en den rijweg, staat ’n gesnoeide taxusboom, waaronder in de schaduw een tuinbank. Aan den tegenovergestelden kant is de tuin ingesloten door ’n palmhaag; op het grasveld staat een zonnewijzer en daarnaast een ijzeren stoel. Een smal paadje voert, achter den zonnewijzer, door de palmhaag heen.Frank zit op den stoel bij den zonnewijzer, waarop hij de ochtendbladen gelegd heeft en leest de Standard, (conservatief Londensch blad). Zijn vader komt ’t huis uit, rillerig en met roode oogen;—en ontmoet Franks blik wat onzeker.Frank(kijkt op z’n horloge). Half twaalf, ’n Mooi uur voor ’n dominé om te komen ontbijten.Dominé Sam.Spot niet Frank, spot niet. Ik ben ’n beetje .... è ... (hij rilt).Frank.Katterig?Dominé.Nee jongmensch;—ongesteld van ochtend. Waar is je moeder?Frank.Schrik niet, die is hier niet. Naar stad gegaan met Bessie met den trein van 11.13. Heeft verscheiden boodschappen voor je achtergelaten. Voel je je in staat om ze nu aan te hooren, of wil ik wachten tot je ontbeten hebt?Dominé.Ik hèb ontbeten, sinjeur. ’t Verwondert me, dat je moeder naar de stad is gegaan, terwijl we logé’s hebben. Die zullen ’t heel vreemd vinden.Frank.Daar zal ze mogelijk wel aan gedacht hebben. In ieder geval, als Crofts hier nog blijft en jij iederen nacht tot vier uur toe met hem op blijft zitten, om herinneringen uit je vurige jeugd op te halen, dan is ’t natuurlijk m’n moeders plicht om naar stad te gaan en ’n vatwhiskyen ’n paar honderd flesschen spuitwater te bestellen.Dominé.Ik heb niet opgemerkt, dat Jhr. George bizonder veel heeft gedronken.Frank.Daar was je niet toe in staat, ouwe heer.Dominé.Wil je te kennen geven, dat ik...?Frank(kalm). Nog nooit heb ik ’n weleerwaarden dominé minder sober gezien. De anekdoten uit je vroegere leven, die je verteld hebt, waren zòò schandelijk, dat ik zeker geloof, dat Praed den nacht niet onder je dak zou hebben doorgebracht, als ’t niet was geweest, dat hij en moeder zoo goed met elkaar waren opgeschoten.Dominé.Gekheid, jongmensch. Ik ben Jhr. George z’n gastheer. Ik moet toch over iets met hem praten, en hij heeft maar één onderwerp. Waar is mijnheer Praed nu?Frank.Die rijdt met m’n moeder en Bessie naar ’t station.Dominé.Is Crofts al op?Frank.O, al lang. Die is zoo frisch als ’n hoen; hij is veel beter geoefend dan jij:—heeft detrainingwaarschijnlijk tot nu toe bijgehouden. Hij is ergens gaan rooken. (Frank neemt z’n krant weer op. De dominé wendt zich ontstemd naar het hek toe en komt dan besluiteloos terug).Dominé.E.... Frank.Frank.Ja.Dominé.Geloof je, dat de Warren’s verwachten hier geïnviteerd te worden, na gisteravond?Frank.Zezijnal geïnviteerd. Crofts vertelde ons aan ’t ontbijt, dat je hem gezegd hadt om mevrouw Warren en Vivie vandaag hier te brengen en hun te verzoeken dit huis als het hunne te beschouwen. ’t Was na diè mededeeling, dat moeder bedacht, dat ze naar stad moest met den trein van 11.13.Dominé(met wanhopige heftigheid). Ik heb die invitatie niet gedaan. Ik heb noòit aan zoo iets gedacht.Frank(medelijdend). Hoe kun je weten, ouwe heer, wàt je gisterennacht gezegd en gedacht hebt? Allo! Hier is Praed terug.Praed(komt binnen door ’t hek). Goeie morgen.Dominé.Goeien morgen. Ik moet me verontschuldigen, dat ik u niet aan ’t ontbijt heb gezien. Ik heb ’n lichte aanval van... van...Frank.Dominé’s keelpijn, Praed. Gelukkig niet chronisch.Praed(van onderwerp veranderend). Wel, ik moet zeggen, uw huis is allerliefst gelegen, werkelijk allerliefst.Dominé.Ja, dat is ’t ook. Als u wilt, zal Frank ’n eindje met u gaan wandelen. Ik hoop dat u me zult excuseeren: ik moet de gelegenheid waarnemen om m’n preek te schrijven, terwijl mevrouw Gardnerweg is en m’n gasten zich amuseeren. U neemt me niet kwalijk, niet waar?Praed.Zeker niet, u moet voor mij niet de minste complimenten maken.Dominé.Dank u. Ik zal... è... è... (stamelend gaat hij naar den ingang en verdwijnt in huis).Praed(gaat op ’t gras zitten en pakt z’n enkels beet). Wonderlijk moet dat zijn om iedere week ’n preek te schrijven.Frank.Heel wonderlijk als hij ’t deèd. Hij koopt ze. Hij is nou spuitwater gaan drinken.Praed.Beste jongen, ik wou dat je meer respect toonde tegenover je vader. Je weet zelf hoe aardig je kunt zijn als je wìlt.Frank.M’n goeie Praeddie, je vergeet dat ik met den ouden heer moet lèven. Als twee menschen samen wonen—’t doet er niet toe of ze vader en zoon, man en vrouw of broeder en zuster zijn—dan kunnen ze onmogelijk de beleefde voor-den-gek-houderij volhouden, die zoo makkelijk valt voor ’n minuut of tien op ’n middagvisite. De oude heer nou, die aan veel bewonderenswaardige huiselijke hoedanigheden paart de besluiteloosheid van ’n schaap met de opgeblazenheid en de ongemakkelijkheid van ’n jakhals...Praed.Nee, asjeblieft, beste Frank. Bedenk toch, dat hij je vader is.Frank.Daar geef ik hem alle eer van.—Maar stel je voor, dat hij Crofts gezegd heeft om de Warrens hier te brengen!! Hij moet totaal weg zijn geweest. Je weet beste Praeddie, dat m’n moeder haar dadelijk weg zou kijken. Vivie moet hier niet komen, vòòrdatzijnaar de stad terug is.Praed.Maar je moeder weèt toch niets van mevrouw Warren, wel?Frank.Ik weet ’t niet. Haar gaan naar de staddoet me denken van wel. Niet, dat ’t m’n moeder in ’t algemeèn zou kunnen schelen. Zij heeft ’t dikwijls kranig opgenomen voor ’n massa vrouwen, die in moeilijkheden waren geraakt. Maar dat waren allemaal behoòrlijke vrouwen. Daarin zit ’em het verschil. Mevrouw Warren heeft zeker haar eigenaardige verdiensten, maar ze is zoo allemachtig lawaaiig,—en m’n moeder zou haar eenvoudig niet kunnen dulden. Daarom... Allo! (Deze uitroep wordt veroorzaakt door de wederverschijning van den dominé, die haastig en ontsteld z’n huis uitkomt).Dominé.Frank, mevrouw Warren en haar dochter komen de hei over met Crofts. Ik zag ze van uit m’n studeerkamer. Wat moèt ik zeggen van je moeder?Frank(energiek opspringend). Plak je hoed op je hoofd en ga hen tegemoet en zeg hoe allerplezierigst je ’t vindt om ze te zien;—en dat Frank in den tuin is, en dat moeder en Bessie zijn weggeroepen bij ’n ziek familielid, en dat ’t hun zoo speet dat ze niet konden blijven, en dat je hoopt, dat mevrouw Warren goed geslapen heeft en... en... zeg hun àl ’t mogelijke behalve de waarheid en laat de rest aan onzen lieven Heer over.Dominé.Maar hoe moeten we hen later kwijt raken?Frank.Daar is nou geen tijd voor om over te denken. Hier! (Hij vliegt ’t huis in en keert onmiddellijk terug met ’n vilten dominé’s hoed, die hij z’n vader op ’t hoofd duwt). Maak nu, dat je weg komt. Praed en ik zullen hier wachten, om het zaakje ’n ongezocht aanzien te geven. (De dominé, beduusd maar gehoorzaam, snelt weg door ’t hek. Praed staat op en stoft zichzelf af).Frank.We moeten de oude dame op de een of andere manier naar de stad terugzenden, Praed. Toe,zeg ’ns eerlijk, Praeddie, hoû jij er van om ze samen te zien: Vivie en de ouwe dame?Praed.Och, waarom niet?Frank(z’n tanden op elkaar). Krijg jij er geenkippenvelvan? Die kwaje oude duvel, in staat tot àlles wat gemeen is, en Vivie.... brr!Praed.Sst, asjeblieft. Daar komen ze. (De dominé en Crofts komen samen het rijpad op, gevolgd door Mevrouw Warren en Vivie, die heel innig met elkaar loopen.)Frank.Kijk, ze heeft waarachtig haar arm om het middel van de oude vrouw. ’t Is haar rechterarm; zij moet er mee begonnen zijn. God in den hemel, ze is sentimenteel geworden! Ai! jai! Krijg je nou geen kippenvel? (De dominé opent het hek en mevrouw Warren en Vivie gaan hem voorbij en blijven in het midden van den tuin naar ’t huis staan kijken. Frank, in ’n extase van veinzerij, wendt zich vroolijk naar mevrouw Warren toe en roept uit): Alleraangenaamst om u te zien, mevrouw Warren,—deze rustige, oude pastorie-tuin flatteert u bizonder.Mevr. Warren.Wel, heb je ooit! Hoor je dat George? Hij zegt dat ik er zoo goed uitzie in ’n rustigen, ouden pastorie-tuin.Dominé(houdt het hek nog open voor Crofts, die er met ’n bizonder landerig air doorheen slentert). U ziet er overal goed uit, mevrouw Warren.Frank.Bravo, ouwe heer. Luister ’ns,—laten we nou ’n gezelligen tijd er van maken vóór lunch. Eerst gaan we de kerk bekijken. Die behoort iedereen te zien. ’t Is ’n typische oude, dertiende-eeuwsche kerk, weet je. De oude heer voelt er erg voor, omdat hij indertijd ’n restauratiefonds op touw heeft gezet,—en ze zes jaar geleden totaal verbouwd is geworden. Praed zal er jullie de merkwaardigheden van aantoonen.Dominé(allerminzaamst glimlachend tegen het gezelschap). ’t Zal me bizonder aangenaam zijn, als Jhr. George en mevrouw Warren er werkelijk lust toe voelen.Mevr. Warren.Wel ja, laten we maar gaan en ’t afdoen: ’t Zal George goed doen; de kerk zal van hèm niet veel last hebben, wed ik.Crofts(terugkeerend naar ’t hek). Ik heb er niets tegen.Dominé.Neen, die weg niet. We zullen door ’t veld gaan, als u ’t goed vindt. Dèzen kant uit.Crofts.O, mij goed. (Hij gaat met den dominé. Praed volgt met mevrouw Warren. Vivie beweegt zich niet, maar kijkt hen na met de lijnen van vastberadenheid scherp geteekend op haar gezicht).Frank.Kom je niet?Vivie.Nee. Ik wil je ’n waarschuwing geven, Frank. Je stak daarnet den draak met m’n moeder, toen je dat zei over den pastorie-tuin. Dat is voortaan taboe. Behandel m’n moeder asjeblieft met hetzelfde respect waarmee je je eigen moeder behandelt.Frank.M’n beste Vivie, dat zou ze niet apprecieëren. Ze is heel anders dan m’n moeder: dezelfde behandeling zou voor die twee niet deugen. Maar wat ter wereld is er met je gebeurd? Gisterenavond waren we ’t samen volmaakt eens over je moeder en haar kliek. En van morgen stel je je sentimenteel aan met je arm om haar middel heen.Vivie(rood wordend). Me aanstellen!Frank.Dièn indruk maakte ’t op me. Den eèrsten keer dat ik je iets zag doen van twijfelachtig allooi.Vivie(zichzelf bedwingend). Ja, Frank; er heèft ’n verandering met me plaats gehad, maar ik geloof niet ’n verandering ten kwade. Gisteren was ik ’n ingebeeld nest.Frank.En vandaag?Vivie(haar gezicht vertrekt pijnlijk, dan ziet ze hem vast aan). Vandaag ken ik m’n moeder beter dan jij.Frank.De hemel beware je daarvoor.Vivie.Wat bedoel je daarmee?Frank.Viv,—er bestaat ’n vrijmetselarij tusschen door-en-door-onzedelijke menschen, waar jij niets van afweet. Jij hebt te veel karakter. Maar dàt is de band tusschen je moeder en mij; en dat is ook de reden, dat ik haar beter ken dan jij ooit zult doen.Vivie.Je vergist je, je weet niets van haar af. Als je de omstandigheden kende, waarmee m’n moeder te worstelen heeft gehad....Frank(ad rem haar zin voor haar afmakend). Dan zou ik weten waàrom ze is geworden, wàt ze is,—is ’t zoo niet? Wat zou er dat toe doen? Omstandigheden of geen omstandigheden Viv,—je zult nooit met je moeder kunnen opschieten.Vivie(heel boos). Waarom niet?Frank.Omdat ze ’n slecht wijf is, Viv. Als je ooit weer in mijn bijzijn je arm om haar middel slaat, dan schiet ik me op de plaats zelf voor m’n kop,—als ’n protest tegen ’n vertooning, die me in opstand brengt.Vivie.Moet ik dus kiezen tusschen jou en m’n moeder?Frank.Dat zou de oude dame ’n veel te slechte kans geven. Nee, Viv, je verwaande jongentje zal je in geen geval aan je lot overlaten. Maar daarom moet hij ook zorgen, dat je geen vergissingen begaat.—’t Geeft allemaal niks, Viv, je moeder ìs eenmaal onmogelijk. Ze mag in haar soort niet kwaad zijn,—maar ’t soort zelf ìs slecht, door en door slecht.Vivie(heftig). Frank! (Hij blijft kalm. Zij wendt zich af en gaat zitten op de bank onder den taxus,worstelend om haar zelfbeheersching te herkrijgen. Dan zegt ze). Moet ze door iedereen verlaten worden, omdat ze eenmaal is wat jij “’n slecht soort” noemt? Heeft ze geen recht om te leven?Frank.Daar hoef je niet bang voor te wezen, Viv;zijzal nooit verlaten zijn. (Hij gaat naast haar zitten op de bank).Vivie.Maarikmoet haàr zeker verlaten.Frank(sust haar op babyachtige manier en vleit haar met z’n stem). Moèt niet met haar leven. Familiegroepje van moeder en dochter zou geen succes zijn. Zou òns groepje bederven.Vivie(onder de bekoring komend). Welk groepje?Frank.De babies in ’t bosch; Vivie en haar kleine Frank. (Hij glijdt z’n arm om haar middel en nestelt zich tegen haar aan als ’n moe kind). Laten we mekaar toedekken met dorre blaâren.Vivie(hem zachtjes wiegend als ’n moeder). Vast in slaap, hand in hand, onder de boomen.Frank.Het wijze kleine meisje en naar dwaze kleine jongentje.Vivie.Het lieve kleine jongentje, met het zielige kleine meisje.Frank.Heel, hèèl rustig en bevrijd van de idiotigheid van den vader van ’t jongentje en de rarigheid van de moe....Vivie(het woord smorend tegen haar borst aan). St. st. stst! ’t Kleine meisje wil alles vergeten van haar moeder. (Zij zwijgen eenige oogenblikken elkaar wiegend. Dan komt Vivie plotseling tot bezinning en roept uit): Wat ’n paar gekken zijn we! Kom, zit overeind. Goeie hemel, je haar! (Zij strijkt ’t glad). Ik zou wel eens willen weten of alle groote menschen zoo kinderachtig doen, als er niemand bij is. Ik heb ’t nooit gedaan als kind.Frank.Ik ook niet. Jij bent m’n eerste speelkameraad. (Hij vat haar hand en wil die kussen, maar houdt eerst even op om rond te kijken. Heel onverwacht verschijnt Crofts door de palmhaag). O verdomd!Vivie.Waarom, verdomd?Frank(fluisterend). Sst! Daar komt die fielt van ’n Crofts aan. (Hij gaat verder van haar af zitten met ’n heel onschuldig gezicht).Vivie.Wees niet lomp tegen hem, Frank. Ik wil erg m’n best doen om beleefd tegen hem te zijn. Dat zal m’n moeder plezier doen. (Frank trekt ’n leelijk gezicht).Crofts.Mag ik ’n paar woorden met u spreken, juffrouw Warren?Vivie.Zeker.Crofts(tot Frank). Je excuseert me wel, Gardner.—Ze wachten op je in de kerk, als je er niets tegen hebt.Frank(staat op). Ik wil je graag van dienst zijn, Crofts, behalve met naar de kerk te gaan. Als je iets noodig hebt, Vivie, bel dan aan ’t hek, dan verschijnt een van de dienstboden. (Hij gaat ’t huis in met kalme beminnelijkheid).Crofts.(Kijkt hem met ’n sluwe uitdrukking nà, terwijl ie verdwijnt, en spreekt dan tot Vivie op ’n toon alsof hij op vertrouwelijken voet met haar is). ’n Aardige jongen, juffrouw Vivie. Jammer, dat hij geen geld heeft, hè?Vivie.Vindt u?Crofts.Wel, wat moet hij uitvoeren? Heeft geen betrekking en geen fortuin.—Waar dient hij toe?Vivie.Ik zie volkomen goed z’n zwakke punten, Jhr. George.Crofts(’n beetje van z’n stuk gebracht, omdat hij zoo volmaakt doorzien wordt). O zòò meen ik ’t niet,Maar zoolang we eenmaal op deze wereld zijn, moeten we er ook rekening mee houden,—en geld is geld. (Vivie antwoordt niet). ’n Mooie dag, vindt u niet?Vivie(met ternauwernood bedwongen minachting voor z’n poging tot conversatie). Heel mooi.Crofts(met brutale jovialiteit, alsof hij haar flinkheid bewondert). Wel, daarover wou ik anders niet praten (met voorgewende openhartigheid). Luister ’ns, juffrouw Vivie. Ik ben me volkomen bewust, dat ik geen man voor dames ben.Vivie.Heusch niet?Crofts.Nee; en om u de waarheid te zeggen, dat wil ik ook niet zijn. Maar als ik wat zeg, dan meen ik het;—als ik iets voel, dan voel ik ’t ècht,—en wat ik graag wil hebben, daar wil ik ook goed voor betalen. Dàt soort van man ben ik.Vivie.Dat doet u alle eer aan.Crofts.O, ik wil m’n eigen lof niet zingen. De hemel weet, dat ik m’n fouten heb;—geen man ziet die beter dan ik. Ik weet, dat ik niet volmaakt ben: die zelfkennis is een van de voordeelen van ’n man van middelbaren leeftijd;—want ik bèn niet jong meer en daar geef ik me niet voor uit ook. Mìjn moraal is heel eenvoudig en ik geloof goed: Eergevoel tusschen man en man, trouw tusschen man en vrouw en geen malle praatjes over den een of anderen godsdienst, maar ’n eerlijk geloof, dat de wereld geleidelijk vooruitgaat.Vivie(snijdend ironisch). “Een macht, niet wijzelf, die rechtvaardigheid wil.”Crofts(haar au sérieux nemend). O zeker, wijzelf natuurlijk niet. U begrijpt wat ik bedoel. (Hij gaat naast haar zitten, op ’n wijze alsof hij ’n verwante ziel had gevonden). En nu, wat practische zaken betreft. U zult misschien meenen, dat ik m’n geldheb weggegooid, maar dat is zoo niet. Ik ben vandaag rijker, dan toen ik indertijd m’n fortuin in handen kreeg. Ik heb van m’n wereldkennis geprofiteerd, om m’n geld te steken in zaken, die andere menschen over ’t hoofd hebben gezien; en wàt ik ook wezen mag, op ’t punt van geld ben ik ’n betrouwbaar man.Vivie.’t Is heel vriendelijk van u, me dat allemaal te vertellen.Crofts.Kom nou, juffrouw Vivie,—u hoeft u niet te houden, alsof u niet weet, waar ik heen wil. Ik verlang om me te vestigen met ’n “Lady Crofts”.—Ik vermoed, dat u me wel erg botaf vindt?Vivie.Volstrekt niet. Ik ben er u heel dankbaar voor, dat u zoo kort en zakelijk bent. Ik stel uw aanbod zeer op prijs: het geld, de positie, Lady Crofts en zoo al meer. Maar, met uwwelnemen, zal ik toch maar “nee” zeggen. Liever niet. (Zij staat en drentelt naar den zonnewijzer, om wat uit z’n onmiddellijke nabijheid te zijn).Crofts(in ’t minst niet ontmoedigd, gebruik makend van de meerdere plaats op de bank om er zich gemakkelijk op uit te strekken, vat het op alsof ’n paar voorloopige weigeringen ’n onvermijdelijk deel uitmaakten van den gewonen gang van ’n huwelijksaanzoek). Ik heb geen haast. Ik wou u dit alleen maar laten weten, voor ’t geval dat de jonge Gardner mocht probeeren u te vangen. Denk er eens over na.Vivie(scherp). Mijn neenblijftneen. Ik kom er niet op terug. (Zij ziet hem aan van uit de hoogte. Hij grijnst; buigt zich voorover met z’n elbogen op z’n knieën om met z’n stok naar ’n ongelukkig insect in ’t gras te prikken. Hij kijkt haar sluw aan. Ongeduldig wendt zij zich af).Crofts.Ik ben ’n goed beetje ouder dan u,—vijf en twintig jaar, ’n kwart eeuw. Ik heb ’t eeuwige leven niet, en ik zal zorgen, dat u goed achterblijft, als ik er niet meer zijn zal.Vivie.Zelfs tegen diè verleiding ben ik bestand, Jhr. George. Gelooft u niet, dat u beter zoudt doen met m’n antwoord te accepteeren? Er is niet de minste kans, dat ik veranderen zal.Crofts(staat op, na ’n laatsten slag naar ’n madeliefje en begint heen en weer te loopen.) Wel, ’t hindert niet. Ik zou u dingen kunnen vertellen, die u gauw genoeg van gedachten zouden doen veranderen,—maar dat wil ik niet, omdat ik u liever wil zien te winnen door eerlijke liefde. Ik ben ’n goeie vriend voor uw moeder geweest, vraag haar dat maar eens. Zij zou nooit ’t geld verdiend hebben, dat uw opvoeding betaald heeft, als ìk haar niet geraden en geholpen had. Om niet te spreken van het geld, dat ik haar heb voorgeschoten. Er zijn niet veel menschen, die haar gesteund zouden hebben, zooals ìk ’t heb gedaan. Ik heb van ’t begin tot ’t laatst toe niet minder dan 40,000 pond in haar zaak gestoken.Vivie(hem aanstarend). Wilt u zeggen, dat u m’n moeders deelgenoot geweest bent?Crofts.Ja. Bedenk dus nou ’ns wat ’n last en explicaties ’t besparen zou, als wij ’t heele geval onder ons hielden, om zoo te zeggen. Vraag uw moeder maar eens of zij ’t prettig zou vinden om uitlegging van d’r zaken te geven aan ’n totaal vreemde.Vivie.Daar zie ik de bezwaren niet van in, nu de zaken toch aan kant zijn gedaan en het geld belegd is.Crofts(blijft plotseling verbaasd staan). Aan kant gedaan? Een onderneming aan kant doen, die 35 percent uitkeert in de slechtste jaren?! Niet waarschijnlijk, hoor. Wie heeft u dàt verteld?Vivie(plotseling verbleekend). Bedoelt u dat ze nog...? (Zij houdt op eens stil en legt haar hand op den zonnewijzer om zichzelf te ondersteunen. Dan loopt ze haastig naar den ijzeren stoel en gaat zitten). Over welke onderneming spreekt u?Crofts.Wel, de kwestie is, dat ze nou niet precies als ’n zaak van den eersten rang beschouwd wordt in mijn kringen, de voorname kringen, weet u;—die ònze kringen zullen worden, als u anders over m’n aanzoek gaat denken. Niet, dat er iets niet in den haak mee is, dat moet u niet denken. U begrijpt door het feit, dat uw moeder er in is, dat ze volkomen fair en eerlijk is. Ik heb haar jaren lang gekend en ik weet van haar, dat ze liever haar hand zou afslaan, dan met iets te doen te hebben, wat niet heelemaal behoorlijk is. Als u wilt zal ik er u alles van vertellen. Ik weet niet of u wel eens ondervonden hebt, als u op reis was, hoe moeilijk ’t is, om ’n werkelijk goèd ingericht familiehotel te vinden.Vivie(wendt haar gezicht af met walging.) Ja,—ga door.Crofts.Nu, dat is alles. Uw moeder heeft ’n zeldzame gave om die dingen te besturen. We hebben er twee in Brussel, één in Berlijn, één in Weenen en twee in Buda-Pest.—Natuurlijk zijn er nog anderen behalve wij in de zaak, maar wìj hebben er het meeste kapitaal in,—en uw moeder is onmisbaar als directrice. U hebt zeker wel gemerkt, dat zij veel reist.—Maar u begrijpt,—over zulke dingen kun je in gezelschap niet spreken. Noem ’t woord “hotel” maar eens en iedereen zegt, dat je ’n publiek huis houdt. U zoudt toch niet willen, dat ze dàt van uw moeder zouden zeggen, wel? Daarom houden we ’t zoo stil. Wat ik zeggen wil, u zult ’t ook welvoòr u houden, niet? Nu ’t al zòòlang ’n geheim is geweest, is ’t beter dat ’t dat ook blijft.Vivie.En dit is dus de onderneming, waar u wilt, dat ik deel in zal nemen!Crofts.Welnee. Mijn vrouw zal niets met zaken te maken hebben. U zult er niet meer mee te maken hebben dan u altijd gedaan hebt.Vivie.Altijd gedaan heb! Wat bedoelt u?Crofts.Alleen maar dat u er altijd van geleefd hebt. Ze heeft betaald voor uw opvoeding en voor de japon die u aan uw lijf hebt. Trek uw neus maar niet op voor zaken, juffrouw Vivie. Wat zou er van uw mooie scholen worden zonder geld?Vivie(staat op, half buiten zichzelf). Pas op. Ik weet wàt voor zaak ’t is.Crofts(opschrikkend, met ’n onderdrukte vloek). Wie heeft u dat verteld?Vivie.Uw compagnon—m’n moeder.Crofts(zwart van woede). Die ouwe.... (Vivie ziet hem haastig aan. Hij slikt ’t woord in en staat stilletjes voor zich te razen en te vloeken. Dan bedenkt hij zich, dat hij sympathiek moet zijn en hij neemt z’n toevlucht tot ’n edele verontwaardiging). Zij behoorde u meer te hebben ontzien.Ikzou ’t u nooit verteld hebben.Vivie.Ik denk, dat u waarschijnlijk gewacht zoudt hebben tot we getrouwd waren. Het zou ’n makkelijk wapen voor u geweest zijn om me mee klein te krijgen.Crofts(heel oprecht). Ik had ’t nooit willen doen. Op m’n woord niet. (Vivie ziet hem verwonderd aan. Haar gevoel voor de ironie van zijn protest kalmeert haar en geeft haar kracht. Zij antwoordt met minachtende zelfbeheersching.)Vivie.’t Doet er niet toe. Ik veronderstel dat ubegrijpt, dat wanneer wij vandaag van hier weggaan, onze kennismaking tot ’n eind komt.Crofts.Waarom? Omdat ik u moeder geholpen heb?Vivie.Mijn moeder was ’n arme vrouw die geen keus had om anders te handelen dan ze gedaan heeft. Maar ù was rijk en u deed hetzelfde terwille van 35 percent. U bent mijns inziens ’n gewone, echte schurk. Dàt is m’n opinie van u.Crofts(staart haar even aan,—volstrekt niet gekwetst, en veel meer op z’n gemak, nu ze op dezen ongegeneerden voet met elkaar zijn, dan toen ze eerst wat vormelijk waren). Ha, ha, ha, ha! ga je gang, juffie, geef er me van langs; ’t hindert me niet en ’t amuseert me. Wat weerga, waarom zou ik m’n geld niet op die manier beleggen? Ik neem de interest van ’n kapitaal net als alle andere menschen. Ik hoop niet, dat je vindt, dat ik er m’n eigen handen mee vuil maak. Zeg ’ns zelf: je zoudt toch niet weigeren om kennis te maken met m’n moeders neef, den hertog van Belgravia, omdat sommige van de renten, die hij ontvangt, op ’n wat wonderlijke wijze verdiend worden? Je zoudt vermoedelijk den aartsbisschop van Canterbury niet negeeren omdat de leden van de kerkelijke commissies enkele kroeghouders en zondaren onder hun huurders hebben? Herinner je je de Croftsbeurs in Newnham? Nu, die is gesticht door m’n broer, het parlementslid. Hij krijgt z’n 22 percent van ’n fabriek met 600 meisjes, waarvan er niet één genoeg verdient om van te leven. Hoe stel je je voor, dat die rondscharrelen? Vraag ’t je moeder maar eens. En verwacht je dan, dat ik bedanken zou voor 35 percent, terwijl andere menschen in hun zak steken wàt ze maar kunnen, als verstandige lui? Zòò gek ben ik niet. Als je je kennissen wilt kiezen en uitzoeken volgens zedelijkeprincipes, dan kun je ’t land wel uittrekken, tenzij je jezelf buiten de heele fatsoenlijke maatschappij wilt houden.Vivie(met gewetenswroeging). U kunt er verder nog op wijzen, dat ik zelfs nooit gevraagd heb, waar ’t geld, dat ik uitgaf, vandaan kwam. Ik geloof, dat ik net even slecht ben als u.Crofts(geheel gerustgesteld). Natuurlijk,—en dat is maar goed ook. Wat voor kwaad doet ’t ten slotte? (met een familiare grappigheid). Nou je er verder over nadenkt, zul je me zoo’n schurk wel niet meer vinden, wèl?Vivie.Ik heb dezelfde voordeelen met u gedeeld, en ik ben al zoo ver gegaan van u op vertrouwelijke wijze te vertellen wàt ik van u denk.Crofts(met serieuze minzaamheid). Zeker, dat heb je ook.—Je zult me zoo’n kwaje niet vinden. Ik geef me niet uit voor iemand met een prima intellect, maar ik heb een goeie dozis eerlijk, humaan gevoel; en het oude ras van de Croften komt uìt in ’n zekere instinctmatige haat van alles wat min is,—waarin je zeker met me zult sympathiseeren. Geloof me, juffrouw Vivie, de wereld is zoo kwaad niet, als sommige schreeuwers wel beweren. Zoo lang je de maatschappij niet openlijk trotseert, zal ze je ook geen lastige vragen doen;—en ze maakt korte metten met de ploerten, die ’t wèl doen. Er blijven geen geheimen beter bewaard, dan dìè, die half bekend zijn. In de kringen, waarin ik je zal introduceeren, zal geen heer of dame zich zòò ver vergeten om de zaken van mij of je moeder te bespreken. Geen man kan je ’n veiliger positie aanbieden.Vivie.Ik geloof dat u heusch denkt, dat u uitstekend met me opschiet.Crofts.Wel, ik geloof, dat ik mezelf mag vleien,dat je beter over me denkt, dan je eerst hebt gedaan.Vivie(kalm). Ik vind u nu nauwelijks de moeite waard, om over te denken. (Zij staat op en gaat naar het hek toe, onderweg stilhoudend om hem te bekijken en om bijna zachtzinnig maar met diepe overtuiging tot hem te zeggen): Als ik denk aan de maatschappij die ù duldt, en de wet die ù beschermt,—als ik bedenk hoe hulpeloos overgeleverd negen van de tien meisjes zullen zijn in de handen van u en van m’n moeder:—van de vrouw met het onnoembare bedrijf en haar kapitalist-slavenjager....Crofts(wit van woede). Verdomd!Vivie.U hoèft me niet meer te verdoemen. Ik voel al of ik onder de verdoemden leef. (Zij licht den klink van ’t hek op, om het te openen en er door te gaan. Hij volgt haar en legt z’n hand zwaar op den hoogsten dwarsbalk om te beletten, dat ’t hek geopend wordt).Crofts(hijgend van woede). Denk je, dat ik dit alles van je verdraag, jij kleine duivel?Vivie(koel). Wees bedaard. Er zal iemand komen in antwoord op de bel. (Zonder even te aarzelen slaat zij tegen de bel met den rug van haar hand. ’t Klinkt hard, en Crofts schrikt onwilkeurig terug. Bijna onmiddellijk verschijnt Frank in den ingang van ’t huis met z’n geweer).Frank(met opgewekte beleefdheid). Wil jij ’t geweer hebben Viv, of zalik’t gebruiken?Vivie.Heb je geluisterd, Frank?Frank.Alleen maar naar de bel, ik verzeker ’t je,—zoodat je niet zoudt hoeven te wachten. Ik geloof, dat ik je karakter goed heb doorzien, Crofts.Crofts.Voor ’n kleinigheid zou ik dat geweer van je overnemen en ’t kapot slaan op je hoofd.Frank(voorzichtig naar hem toesluipend). Doedat niet. Ik ga heel onhandig met vuurwapenen om. Er zou stellig ’n noodlottig ongeluk plaats hebben met later ’n waarschuwing van de jury voor m’n onachtzaamheid.Vivie.Zet ’t geweer weg, Frank, ’t is volmaakt onnoodig.Frank.Groot gelijk, Viv. Veel beter jagersmanier om hem in ’n val te vangen. (Crofts, die de beleediging begrijpt, maakt ’n dreigende beweging). Crofts, er zijn vijftien kogels in ’t magazijn en ik ben ’n zekere treffer van ’n afstand als deze, op ’n schijf van jouw omvang.Crofts.O je hoeft niet bang te zijn. Ik zal je niet aanraken.Frank.Heel grootmoedig van je onder de omstandigheden. Wel bedankt.Crofts.Ik wil jullie dit nog zeggen vòor ik heenga. ’t Zal je misschien interesseeren, omdat jullie zoo op elkaar gesteld bent. Sta me toe, Frank, je voor te stellen aan je halfzuster, de oudste dochter van den eerwaarden Samuel Gardner. Juffrouw Vivie, uw halfbroer. Goeie morgen. (Hij gaat door ’t hek heen den weg op).Frank(na ’n pauze van ontdaanheid, neemt z’n geweer op). Viv, je zult voor den rechter getuigen, dat ’t een ongeluk was. (Hij mikt op de verdwijnende figuur van Crofts. Vivie grijpt den loop en draait die rond, tegen haar borst aan).Vivie.Schiet nou. Nu mag je.Frank(laat ’t eind van z’n geweer haastig vallen). Halt! Pas op! (Zij laat ’t gaan. ’t Valt op den grond). O, wat heb je je jongentje laten schrikken! Stel je voor, dat ’t af was gegaan.... O! (geheel ontdaan valt hij op de bank neer).Vivie.Ja, stel je dat voor. Begrijp je niet, dat ’teen verlichting voor me geweest zou zijn om ’n felle lichamelijke pijn in me te voelen scheuren?Frank(vleiend). Trek ’t je niet zoo aan, beste Viv. Bedenk maar, dat àls m’n geweer den vent zòò heeft verschrikt, dat hij voor ’t eerst in z’n leven de waarheid gezegd heeft, ’t ons dan in èrnst maakt tot de babies in ’t bosch. (Hij houdt z’n armen voor haar open). Kom, laten we ons weer toedekken met blaâren.Vivie(met ’n kreet van afschuw). O, dat niet, dat niet! Je laat me rillen!Frank.Waarom,—wat scheelt je?Vivie.Adieu! (Zij gaat heen door ’t hek).Frank(opspringend). Allo! Wacht even! Viv! Viv! (Zij draait zich om bij ’t hek). Waar ga je naar toe? Waar kan ik je vinden?Vivie.Op Honoria Frasers kantoor, Chancery Lane 67,—voor de rest van m’n leven. (Zij gaat heen in de tegenovergestelde richting van Crofts).Frank.Maar hoor dan toch ’ns... wacht even... Wat drommel! (hij rent haar achterna).VIERDE BEDRIJF.De kamers van Honoria Fraser in Chancery Lane. Een kantoor op de hoogste verdieping met een raam van spiegelglas; geverfde muren, electrisch licht en een vulkachel. Zaterdagmiddag. Men ziet de schoorsteenen van Lincoln’s Inn en den hemel daarachter in ’t Westen, door het venster. Er staat ’n dubbel schrijfbureau in het midden van de kamer met een kistje sigaren, aschbakjes en een verplaatsbare electrische lamp, de laatste half verborgen onder hoopen papier en boeken. Dit schrijfbureau heeft gaten voor de knieën, rechts en links ervan staan stoelen.—Het ziet er heel slordig uit. Het bureau van den klerk, gesloten en netjes, met ’n hoogen stoel er voor, staat tegen den muur aan, dicht bij ’n deur, die in verbinding staat tot de binnenkamer. In den tegenovergestelden muur is de deur, die voert naar de algemeene gang. Zijn bovenpaneel is van matglas, waarop met zwarte letters aan den buitenkant “Fraser en Warren”. Een groen baaien scherm verbergt den hoek tusschen die deur en het venster.Frank, in ’n modieus licht sport-reispak met zijn stok, handschoenen en witte hoed in z’n handen, loopt heen en weer in ’t kantoor. Iemand probeert de deur open te maken, met ’n sleutel.Frank(roept). Binnen! ’t Is niet gesloten. (Vivie komt binnen met hoed op en mantel aan. Zij blijft staan en staart hem aan).Vivie(streng). Wat voer je hier uit?Frank.Op je wachten. Ik hen hier al uren geweest. Is dat de manier om op je zaken te passen? (Hij legt zijn hoed en stok op tafel, gaat met ’n sprong boven op de klerks kruk zitten, en kijkt haar aan met al de symptomen van ’n onrustige, plagerige, lichtzinnige stemming).Vivie.Ik ben precies twintig minuten weg geweest om ’n kop thee te drinken. (Zij neemt haar hoed en mantel af en hangt die achter het scherm). Hoe ben je binnen gekomen?Frank.Het personeel was er nog toen ik kwam. ’t Is weggegaan om cricket te spelen op Primrose-hill. Waarom heb je geen vrouw in je dienst en geef je op die manier je sekse een kansje?Vivie.Waarom ben je gekomen?Frank(springt van zijn kruk af en komt naar haar toe). Viv, laten we uitgaan en ergens van den halven Zaterdagschen vacantiedag genieten, net als ’t personeel.—Wat denk je van Richmond, en daarna een tingeltangel en ’n gezellig soupétje?Vivie.Ik kan ’t niet bekostigen. Ik zal nog ’n uur of zes werken, vòòr ik naar bed ga.Frank.Niet bekostigen, hè? Aha! Kijk ’ns hier. (Hij neemt ’n handvol goudstukken uit z’n zak en rammelt er mee). Goud, Viv, goud!Vivie.Hoe ben je daaraan gekomen?Frank.Met spelen, Viv;—met spelen: Poker.Vivie.Bah! Dat is minner dan stelen. Nee; ik kom nièt. (Zij gaat aan de tafel zitten om te werken, met haar rug naar de glazen deur en begint in de papieren te bladeren.)Frank(beklaaglijk protesteerend). Maar beste Viv, ik moet heusch ’ns heel ernstig met je spreken.Vivie.Best. Ga dan op Honoria’s stoel zitten enpraat. (Hij moppert). Pruttelen helpt niet; ik ben onvermurwbaar. (Hij neemt mistroostig den tegenoverstaanden stoel). Geef me dat sigarenkistje eens aan, wil je?Frank(het kistje naar haar toeschuivend). Akelige vrouwengewoonte. Nette mannen doen ’t niet meer.Vivie.Ja, die maken bezwaar tegen de reuk in ’t kantoor,—en daarom moeten wij ons met cigaretten behelpen. Kijk! (Zij doet ’t kistje open, neemt er ’n cigaret uit en steekt die aan. Zij biedt er hem een aan, maar hij schudt z’n hoofd met ’n zuur gezicht. Zij gaat nu gemakkelijk in haar stoel zitten rooken). Ga je gang.Frank.Wel, ik verlang te weten, wat je gedaan hebt—welke schikkingen je gemaakt hebt.Vivie.Alles was geregeld in twintig minuten, nadat ik hier was gekomen. Honoria heeft dit jaar gemerkt, dat de zaak te veel voor haar werd en stond juist op ’t punt om me te laten komen en me ’n vennootschap voor te stellen, toen ik naar binnen kwam wandelen en haar vertelde, dat ik geen cent in de wereld bezat. Toen heb ik mezelf geïnstalleerd en haar weggestuurd voor ’n veertiendaagsche vacantie.—Wat is er in Haslemere gebeurd, nadat ik heen was gegaan?Frank.Absoluut niets. Ik zei dat je naar de stad was gegaan voor particuliere aangelegenheden.Vivie.En!Frank.Wel, ze waren òf te verbouwereerd om iets te zeggen òf Crofts had je moeder al voorbereid. In ieder geval, zij zei niets, en Crofts zei niets en Praeddie zette alleen groote oogen op.—Na de thee gingen ze weg en ik heb ze na dien tijd niet meer gezien.Vivie(knikt kalm, met haar ééne oog op ’n rookkringetje gericht). Uitstekend.Frank(verachtelijk rondkijkend). Ben je van plan om in deze onmogelijke plaats te blijven?Vivie(blaast den rookkring op besliste manier weg en gaat overeind zitten). Ja. Deze twee dagen hebben me al m’n kracht en zelfvertrouwen teruggegeven. Ik neem nooit meer ’n dag vacantie, zoolang als ik leef.Frank(met ’n heel zuur gezicht). Phoe!—Je ziet erg in je schik, en zoo hard als ’n bikkel.Vivie(streng). Goed, dat ik dat ben!Frank(staat op). Hoor ’ns Viv, we moeten tot ’n verklaring met elkaar komen. Wij zijn verleden van elkaar gegaan, onder den indruk van ’n totaal misverstand.Vivie(legt haar sigaret neer). Nou, helder ’t dan op.Frank.Je herinnert je wat Crofts zei?Vivie.Ja.Frank.Die onthulling werd verondersteld ’n absolute verandering teweeg te brengen in den aard van onze gevoelens voor elkaar. Ze plaatste ons op den voet van broer en zuster.Vivie.Ja.Frank.Heb jij ooit ’n broer gehad?Vivie.Nee.Frank.Dan weet je ook niet hoe ’t voèlt om broer en zuster te zijn. Nou, ik heb ’n massa zusters. Jessie en Georgina en de rest. Het broedergevoel is iets heel bekends voor me;—en ik verzeker je dat m’n gevoel voor jou er niets mee gemeen heeft. De meisjes zullen hùn weg gaan, ik den mijnen en het zal ons niets kunnen schelen, of we elkaar ooit meer terug zien. Dàt is broer- en zuster-zijn. Maar wat joù betreft ben ik niet op m’n gemak als er ’n week voorbij gaat, zonder dat ik je zie. Dat is nièt broer- en zuster-zijn. ’t Is precies wat ik voelde ’n uur vòòrdatCrofts z’n onthulling deed. In ’t kort, beste Viv, ’t is echte, jonge liefde.Vivie(bijtend). Hetzelfde gevoel Frank, dat jouw vader aan m’n moeders voeten bracht, niet waar?Frank(verontwaardigd). Ik kom er met kracht tegen op Viv, om mìjn gevoelens te vergelijken met eenige, die de eerwaarde Samuel in staat is om te koesteren, en ik protesteer nog meèr tegen eene vergelijking van jou met je moeder. Daarenboven geloof ik niets van de heele geschiedenis. Ik heb er mijn vader de duimschroeven voor aangezet en van hem verkregen wat ik synoniem beschouw met ’n ontkenning.Vivie.Wat zei ie?Frank.Hij zei, dat hij zeker was, dat het ’n vergissing moest zijn.Vivie.Geloof je hem?Frank.Ik neem aan, om zìjn woord te gelooven tegenover dat van Crofts.Vivie.Maakt dat eenig verschil? Ik meen in je verbeelding of voor je geweten;—want natuurlijk maakt het geen verschil in werkelijkheid.Frank(hoofdschuddend). Voor mij in ’t minst niet.Vivie.Voor mij ook niet.Frank(haar aanstarend). Maar dat is al heel merkwaardig! Ik dacht dat in jouw verbeelding en voor je geweten, zooals je het daarnet noemde, onze verhouding totaal was veranderd, van het oogenblik af, dat die woorden uit ’t monster zijn muil waren gekomen.Vivie.Nee, dàt was ’t niet. Ik geloofde hem niet. Ik wou dat ik ’t kon.Frank.Wat?Vivie.Ik vind dat broer en zuster een heele geschikte verhouding voor ons zou zijn.Frank.Meen je dat heusch?Vivie.Ja. ’t Is de eenige verhouding, waar ik voor voel, zelfs als we ’n andere konden bekostigen. Dat meen ik.Frank.(Trekt z’n wenkbrauwen op als iemand wien ’n licht opgaat en zegt dan met ’n ontboezeming van ridderlijk gevoel). M’n beste Viv, waarom heb je dat niet eer gezegd? ’t Spijt me zoo, dat ik je lastig ben gevallen. Ik begrijp ’t nu natuurlijk.Vivie(niet begrijpend). Wàt begrijp je?Frank.O, ik ben geen dwaas in den gewonen zin, alleen maar in den bijbelschen zin van ’t woord; dat ik nl. al de dingen doe die de wijze man voor dwaasheid uitmaakt, nadat hijzelf ze eerst allemaal op de meest uitvoerige manier had onderzocht.—Ik merk, dat ik niet langer Vivums jongetje ben.—Wees maar niet bang,—ik zal je nooit meer Vivums noemen,—tenminste.... tenzij je genoeg mocht krijgen van je nieuwe jongetje, wie hij ook zijn mag.Vivie.M’n nieuwe jongetje?Frank(met overtuiging). Er moèt een nieuw jongetje zijn. Gaat altijd zoo op die manier. Iets anders is onmogelijk.Vivie.Geen een, dien jij kent,—gelukkig voor je. (Er wordt aan de deur geklopt).Frank.Vervloekt, die bezoeker, wie hij ook zijn mag.Vivie.’t Is Praed. Hij gaat naar Italië en wou me goeiendag zeggen. Ik heb hem gevraagd om van middag te komen. Doe hem even open.Frank.We kunnen ons gesprek voortzetten na z’n vertrek. Ik zal wachten tot hij weg is. (Hij gaat naar de deur en opent die). Hoe gaat ’t Praeddie?—Prettig je te zien. Kom binnen. (Praed, gekleed voor de reis, komt binnen in ’n opgewekte stemming, opgewonden door het vooruitzicht van de reis).Praed.Hoe gaat ’t u, juffrouw Warren? (Zij drukt hem hartelijk de hand, hoewel ’n zekere sentimentaliteit in zijn verhoogde stemming haar pijnlijk aandoet). Ik vertrek over ’n uur van Holborn Viaduct. Ik wou, dat ik u kon overhalen om mee naar Italië te gaan.Vivie.Waarom?Praed.Wel, om u te verzadigen aan schoonheid en romantiek natuurlijk. (Vivie, met ’n rilling, draait haar stoel naar de tafel toe, alsof het werk, dat haar daar wacht, ’n troost en steun voor haar is. Frank plaatst ’n stoel juist achter Vivie en valt er lui en nonchalant op neer,—terwijl hij tot haar spreekt over z’n schouder heen).Frank.Geeft niets, Praeddie. Viv is ’n kleine Philistijn. Ze is onverschillig voor mìjn romantiek en ongevoelig voor m’n schoonheid.Vivie.Eens vooral, mijnheer Praed, er bestàat voor mij geen schoonheid en geen romantiek in het leven. Het leven is wat het eenmaal is;—en ik heb me voorgenomen het als zoodanig te nemen.Praed(enthousiast). Dat zoudt u niet zeggen, als u naar Verona en Venetië kwam. U zoudt schreien van verrukking om in zoo’n mooie wereld te leven.Frank.Heel welsprekend, Praeddie. Ga zoo door.Praed.O, ik verzeker u, dat ik gehuild heb—en ik hoop het weer te doen—op m’n vijftigste jaar! Op uw leeftijd, juffrouw Warren, zoudt u niet eens zoo ver hoeven te gaan als Verona. Bij het zien van Ostende al, zou uw ziel z’n vleugels uitslaan;—en u zoudt verrukt wezen over de vroolijkheid, de levendigheid, de heerlijk lichte lucht van Brussel. (Vivie schrikt terug). Wat scheelt u?Frank.Allo Viv!Vivie(totPraedmet diep verwijt). Kunt u geenbeter voorbeeld van schoonheid en romantiek voor me vinden dan Brussel?Praed(niet begrijpend). Natuurlijk,—’t is heel verschillend van Verona. Ik beweer geen oogenblik, dat....Vivie(bitter). Waarschijnlijk zullen de schoonheid en de romantiek zoowat op hetzelfde neerkomen in die twee plaatsen.Praed(nu totaal ontnuchterd en heel bezorgd). M’n beste juffrouw Warren, ik.... (ziet Frank vragend aan). Is er iets gebeurd?Frank.Zij vindt je enthousiasme lichtzinnig, Praeddie. Er is haar iets heel ernstigs overkomen.Vivie(scherp). Hoû je mond, Frank. Wees niet mal.Frank(kalm). Noem je dàt nu goede manieren,Praed?Praed(bezorgd en vriendelijk). Zal ik hem meenemen, juffrouw Warren? Ik ben er zeker van, dat we u gehinderd hebben in uw werk. (Hij wil opstaan).Vivie.Blijft u zitten; ik zal vooreerst niet aan het werk gaan. U denkt allebei, dat ik ’n aanval heb van zenuwachtigheid. Geen kwestie van. Maar er zijn twee onderwerpen, die ik, met uw goedvinden, niet aangeroerd wil hebben. Het eene is: (tot Frank) jonge liefde, in welken vorm ook, en het andere: (totPraed) de romantiek en de schoonheid van het leven,—vooral wanneer de vroolijkheid van Brussel er bij tot voorbeeld wordt genomen.—Ik gun u graag alle illusies, die u ten opzichte van deze onderwerpen mag hebben,—ikheb er geen. Als wij drieën vrienden willen blijven, moet ik behandeld worden als ’n vrouw van zaken,—onherroepelijk eenzaam (dit tot Frank) en onherroepelijk onromantisch (dit totPraed).Frank.Ik zal ook “onherroepelijk eenzaam” blijven,totdat je van opinie verandert. Praeddie, kies ’n ander onderwerp;—wees welsprekend over iets anders.Praed(beschroomd). Ik vrees dat er niets anders ter wereld, is, waar ik over kàn spreken. Het evangelie van de kunst is het eenige, dat ik preeken kan. Ik weet, dat juffrouw Warren een vurige aanhangster is van de leer: “om vooruit te komen”;—maar daàrover kunnen we niet spreken zonder jouw gevoelens te kwetsen, Frank, aangezien jij besloten bent om nièt vooruit te komen.Frank.O, bekommer je niet om mìjn gevoelens. Geef me voor mijn part wat heilzamen raad. Dat zal me goed doen. Probeer nog maar eens om een voorspoedig man van me te maken, Viv. Kom, laat ’t me allemaal nog ’ns hooren; energie, zuinigheid, overleg, zelfrespect, karakter. Je haat immers menschen, die geen karakter hebben, is ’t niet Viv?Vivie(pijnlijk). O, hoû op, hoû op; niet meer van die afschuwelijke frases. MijnheerPraed, als er werkelijk alleen maar deze twee evangelie’s in de wereld zijn, dan doen we beter met ons allemaal van kant te maken, want hetzelfde bederf is in allebei.Frank(haar kritisch aanziend). Er is vandaag ’n waas van poëzie over je, Viv, dat je vroeger steeds ontbroken heeft.Praed(vermanend). M’n beste Frank, ben je niet ’n beetje onsympathiek?Vivie(zonder genade voor zichzelf). Nee, ’t is goed voor me. ’t Weerhoudt me van sentimenteel te worden.Frank(haar plagend). Houdt je krachtige, natuurlijke neiging in dat opzicht wat in toom, niet?Vivie(bijna hysterisch). Ja, ja, ga door; spaar me niet. Eèns in m’n leven ben ik, voor één oogenblik,sentimenteel geweest,—verrukkelijk sentimenteel bij maanlicht. En nu....Frank(haastig). Zeg ’ns Viv, pas op. Verpraat je eigen niet.Vivie.O, denk je, dat mijnheer Praed niet alles van m’n moeder af weet? (totPraed). U hadt beter gedaan me dien ochtendalleste vertellen, mijnheer Praed. U bent tenslotte erg ouderwetsch geweest met al uw fijngevoeligheid.Praed.Me dunkt, dat ù wat ouderwetsch bent in uw vooroordeelen, juffrouw Warren. Ik voel me verplicht u te zeggen, sprekend als artiest, en overtuigd dat de innigste familiebanden ver buiten en boven het bereik van de wet staan, dat ik, hoewel ik weet, dat uw moeder ongetrouwd is, haar daarom niets minder respecteer. Ik respecteer er haar integendeel te meer om.Frank(luchtig). Luister, luister.Vivie(hem aanstarend). Is dat alles wat u weet?Praed.Zeker, dat is alles.Vivie.Dan weet u geen van beideniets. Uw gissingen zijn de onschuld zelf vergeleken bij de werkelijkheid.Praed(verschrikt en verontwaardigd, bewaart met moeite zijn beleefdheid). Ik hoop ’t niet (met meer nadruk). Ik hoop ’t niet, juffrouw Warren. (Franks gezicht toont nu, dat hij Praeds ongeloof niet deelt, Vivie geeft ’n uitroep van ongeduld. Praeds ridderlijkheid zakt neer tegenover hun overtuiging). Als er iets erger is... ik meen iets anders, bent u dan wel zeker, of u er goed aan doet het ons te vertellen, juffrouw Warren?Vivie.Ik ben zeker, dat àls ik den moed er toe had, ik de rest van m’n leven zou doorbrengen met hetiedereente vertellen, met het er bij hen in testampen en te branden, totdat ze hun deel van de schaamte en afschuw erover zouden voelen, zoo goed als ik. Er is niets wat ik meer veracht dan de verkeerde conventie, die die dingen beschermt door ’n vrouw te verbieden om er over te spreken. En tòch kan ik ’t u niet zeggen. De twee afschuwelijke woorden, die uitdrukken wàt m’n moeder is, klinken in m’n ooren en branden me op m’n tong, en ik kàn ze niet uitspreken: m’n instinct is me te sterk. (Zij begraaft haar gezicht in haar handen. De twee staren verbaasd, eerst elkaar aan, dan haar. Zij licht haar hoofd weer op en neemt ’n vel papier en ’n pen). Kijk dan: ik zal ’n prospectus voor u opstellen.Frank.O, ze is gek. Hoor je dat, Viv, gek. Kom, kom, niet bij de pakken neerzitten.Vivie.Dat zul je zien. (Zij schrijft). “Gestort kapitaal: niet minder dan 40.000 pond op naam van Jhr. George Crofts, de voornaamste aandeelhouder. Wat komt er dan? Ik heb ’t vergeten.—O ja: perceelen in Brussel, Berlijn, Weenen en Budapesth. De directeur: mevrouw Warren.”—En laat ik nu vooral haar titel niet vergeten,—de twee woorden. Daar! (Zij schuift ’t papier naar hen toe). O, nee, nee, lees ’t niet. (Zij trekt ’t terug en scheurt het in stukjes. Frank, die over haar schouder heen nauwkeurig heeft gezien wat zij schreef en er met groote oogen naar gestaard heeft, neemt ’n kaartje uit z’n zak, krabbelt er ’n paar woorden op en geeft het zwijgend aanPraed, die ’t met verbazing leest. Frank buigt zich dan berouwvol over Vivie heen).Frank(fluistert teeder). Beste Viv;—’t is in orde. Ik heb gelezen watje schreef; en Praeddie ook. We begrijpen het allebei. En we blijven je, met dit al, èven toegewijd als vroeger. (Vivie licht langzaam haar hoofd op).Praed.Ja, dat doen we zeker, juffrouw Warren. Ik moet zeggen, u bent de bewonderenswaardigste, moedigste vrouw, die ik ooit ontmoet heb. (Dit sentimenteele compliment geeft Vivie kracht. Zij schudt het ongeduldig van zich af, en dwingt zichzelf om op te staan, hoewel niet zonder eenigen steun van de tafel).Frank.Beweeg je niet, Viv, als het je moeilijk valt. Hoû je gemak.Vivie.Dankje. Je kunt altijd op me rekenen met twee dingen: dat ik niet huilen zal en niet flauw vallen. (Zij gaat een paar stappen naar de deur van de binnenkamer en houdt stil dicht bijPraed, om hem te zeggen:) Ik zal meer moed noodig hebben dan nu, als ik m’n moeder vertel dat onze wegen zich voortaan zullen scheiden. En nu, als u ’t goed vindt, ga ik ’n oogenblik naar binnen om me wat op te knappen.Praed.Willen wij heengaan?Vivie.Nee, ik ben dadelijk terug. ’n Oogenblik maar. (Zij gaat de andere kamer in, waarvanPraedde deur voor haar opent).Praed.Wat een merkwaardige onthulling! ’t Valt me verbazend van Crofts tegen; dat doet ’t werkelijk.Frank.Mij in ’t minst niet. Ik heb het gevoel, dat nu eindelijk bij hem de aap uit de mouw is gekomen. Maar wat ’n tegenvaller voor mij, Praeddie! Ik kan haar niet trouwen.Praed(streng). Frank! (Beiden zien elkaar aan, Frank bedaard,Praeddiep verontwaardigd). Ik moet je zeggen, Gardner, dat, als je haar nu laat zitten, je je allermìnst gedraagt.Frank.Goeie, oude Praeddie! Altijd ridderlijk! Maar je vergist je: ’t is niet de moreele kwestie van het geval,—’t is de geldkwestie. Ik zou erwaarachtig nu niet toe kunnen komen om het geld van de ouwe vrouw aan te raken.Praed.En zou je daàrop getrouwd zijn?Frank.Waarop anders?Ikheb geen geld, noch de minste kans om het te verdienen. Als ik nu met Vivie trouwde, zou zij me moeten onderhouden, en ik zou haar meer kosten dan ik waard ben.Praed.Maar me dunkt, dat ’n knappe, verstandige jongen als jij, toch zeker wel iets met z’n eigen hersenen kan verdienen.Frank.O jawel,—’n kleinigheid (hij haalt z’n geld weer te voorschijn). Dat heb ik gisteren allemaal verdiend,—in anderhalf uur tijds,—in ’n hoogst speculatieve onderneming. Nee, beste Praeddie, zelfs wanneer Jessie en Georgine met millionnairs trouwden en de oude heer stierf na ze met ’n shilling te hebben afgescheept, dàn nog zou ik maar vier honderd pond ’s jaars krijgen.—En hij zàl niet sterven, vóor hij de zeven kruisjes gehaald heeft; daar is ie niet origineel genoeg voor. Ik zal op zwart zaad zitten voor de eerste twintig jaar.—Geen zwart zaad voor Viv, als ik ’t kan helpen. Ik trek me met gratie terug en laat de plaats vrij voor de jeunesse dorée van Engeland.—Dat is dus afgesproken.—Ik zal er haar niet over lastig vallen,—ik zal haar alleen een paar regels zenden, nadat we weg zijn gegaan. Dat zal ze wel begrijpen.Praed(z’n hand grijpend). Je bent ’n beste jongen, Frank; ik vraag je van harte vergeving. Maar zul je haar nooit weerzien?Frank.Haar nooit weerzien! Wat weerga, gebruik toch je verstand. Ik zal zoo dikwijls mogelijk bij haar aankomen en een soort van broer voor haar wezen. Ik begrijp niet die dwaze gevolgtrekkingen, die jullie romantische lui maken van de meest gewonedingen. (Er wordt geklopt). Wie zou dat zijn? Zou jij de deur willen opendoen? Als het ’n cliënt is zal het ’n beteren indruk maken, dan wanneer ik verschijn.Praed.Wel zeker. (Hij gaat naar de deur en opent die. Frank gaat op Vivie’s stoel zitten om ’n paar regels te krabbelen). M’n beste Kitty, kom binnen, kom binnen.(Mevrouw Warren komt binnen, angstig rondkijkend naar Vivie. Zij heeft haar best gedaan om er moederlijk en deftig uit te zien. De opzichtige hoed is vervangen door ’n bescheiden kapotje, en de bonte blouse is bedekt door ’n kostbare zwart zijden mantel. Zij is droeviglijk-angstig en weinig op haar gemak,—blijkbaar hevig ontdaan).Mevr. Warren(tot Frank). Wat! Jij hier!Frank(ronddraaiend op z’n stoel, zonder op te staan). Ja, en bizonder verheugd om u te zien. U komt binnen als ’n lentebries.Mevr. Warren(tot Frank). Och, scheì uit met je onzin (zachtjes). Waar is Vivie?Frank(wijst nadrukkelijk op de deur van de binnenkamer, maar zegt niets).Mevr. Warren(gaat plotseling zitten en begint half te schreien). Praeddie, denk je, dat ze mij niet zal willen zien?Praed.M’n beste Kitty, maak jezelf niet van streek. Waarom zou ze dat niet?Mevr. Warren.Och, jij begrijpt niet waarom; jij bent te goedig. Mijnheer Frank, heeft ze ù iets gezegd?Frank(zijn briefje dichtvouwend). Zij moèt u zien, als (met groote nadruk) u wacht tot ze binnenkomt.Mevr. Warren(verschrikt). Waarom zou ik niet wachten? (Frank kijkt haar op komieke wijze aan;legt z’n briefje zorgvuldig op den inktpot, zoodat Vivie het moèt vinden als ze haar pen indoopt; staat dan op en wijdt z’n attentie geheel aan Mevr. Warren). M’n beste Mevr. Warren, veronderstel eens, dat u ’n musch was, zoo’n heel klein, aardig muschje, dat over den weg trippelt, en u zag in uw richting ’n groote stoompletrol aankomen, zoudt u er dan op wachten?Mevr. Warren.Och, zeur niet met je musschen.—Waarom is ze op die manier van Haslemere weggeloopen?Frank.Ik ben bang, dat ze het u vertellen zal, wanneer u wacht tot ze terugkomt.Mevr. Warren.Wil je dan dat ik heenga?Frank.Nee. Ikverlangaltijd dat u blijft. Maar ikraadu aan om heen te gaan.Mevr. Warren.Wat! En haar nooit terugzien?Frank.Juist.Mevr. Warren(weer schreiend). Praeddie,—laat hij toch niet zoo wreed tegen me zijn! (Zij bedwingt haastig haar tranen en veegt haar oogen af). Ze zal zoo boos zijn, als ze ziet, dat ik gehuild heb.Frank(met werkelijk medelijden in z’n luchtige teederheid). U weet, Mevr. Warren, dat Praeddie ’n toonbeeld van goedheid is. Praeddie, wat zeg jij: weggaan of blijven?Praed(tot Mevr. Warren). Het zou me werkelijk erg spijten om u onnoodig pijn te moeten doen;—maar ik geloof tòch misschien, dat u beter zou doen met niet te wachten. De zaak is.... (Men hoort Vivie aan de binnendeur).Frank.Sst—te laat.—Ze komt.Mevr. Warren.Zeg haar niet, dat ik gehuild heb. (Vivie komt binnen. Zij blijft ernstig staan, als ze Mevr. Warren ziet, die haar begroet met hysterischeopgewektheid). Wel lieverd, daar ben je dus eindelijk.Vivie.Ik ben blij, dat u gekomen bent; ik wou u graag spreken. Je zei, geloof ik, dat je heenging, hè Frank?Frank.Ja. Gaat u mee, mevrouw Warren? Wat zegt u van ’n uitstapje naar Richmond en van avond ’n theater? In Richmond bent u veilig; daàr is geen stoompletrol.Vivie.Gekheid, Frank. M’n moeder blijft hier.Mevr. Warren(verschrikt). Ik weet niet;—misschien doe ik beter met heen te gaan. We hinderen je in je werk.Vivie(met kalme beslistheid). Mijnheer Praed, neemt u Frank, als ’t u blieft, mee. Ga zitten moeder. (Mevrouw Warren gehoorzaamt hulpeloos).Praed.Kom Frank. Adieu, juffrouw Vivie.Vivie(hem de hand gevend). Adieu. Plezierige reis.Praed.Dank u, dank u,—dat hoop ik.Frank(tot mevrouw Warren). Adieu. U hadt beter gedaan met m’n raad te volgen. (Hij geeft haar de hand, dan luchtig tot Vivie). Boujour, Viv.Vivie.Adieu. (Hij gaat vroolijk heen zonder haar de hand te geven. Praed volgt. Vivie, bedaard en hoogst ernstig, gaat op Honoria’s stoel zitten en wacht tot haar moeder begint te spreken. Mevrouw Warren, beangst voor een pauze, verliest geen tijd voor ze begint).Mevr. Warren.Wel Vivie, waarom ben je op die manier van me weggeloopen, zonder ’n woord te zeggen? Hoe kòn je zoo iets doen? En wat heb je met dien armen George uitgevoerd? Ik had gewild, dat hij mee was gegaan, maar hij zocht er zich van af te maken. Ik kon merken, dat hij echt bang was. En verbeeld je—hij wou niet, dat ìk zou gaan. (bevend). Alsof ik bang zou zijn van jòu, lieverd.(Vivie wordt nog ernstiger). Maar natuurlijk zei ik hem, dat alles uitstekend tusschen ons in orde was en dat we beste maatjes waren (verliest opeens haar zelfbeheersching). Vivie, wat beteekent dit? (Zij neemt ’n papier uit ’n enveloppe, gaat naar de tafel en reikt het daarover heen aan Vivie). Dat kreeg ik van ochtend van de bank.Vivie.’t Is mijn maandelijksche toelage. Ze zonden me die gisteren zooals gewoonlijk. Ik heb ze toen eenvoudig teruggezonden, om in uw credit te laten boeken, en gevraagd of ze u de quitantie er van wilden sturen. Ik zal in de toekomst mezelf onderhouden.Mevr. Warren(haast niet durvende begrijpen). Was het niet genoeg? Waarom heb je me dat niet gezegd? (met ’n sluwen glans in haar oog). Ik zal ’t verdubbelen; ’t was m’n plan al om dat te doen. Zeg me alleen maar, hoeveel je noodig hebt.Vivie.U weet heel goed, dat dat er niets mee te maken heeft. Van nu af aan ga ik m’n eigen weg, in m’n eigen zaak en met m’n eigen vrienden. En u kunt den uwen gaan (zij staat op). Adieu.Mevr. Warren(ontdaan). Adieu?!Vivie.Ja, adieu. Kom, laten we geen noodelooze scène maken, u begrijpt me volmaakt goed. Jhr. George Crofts heeft me alles verteld.Mevr. Warren(boos). Zotte, ouwe... (zij slikt ’t woord in, en wordt wit van schrik, dat zij het bijna heeft uitgesproken). Z’n tong moest hem afgesneden worden!—Maar ik had je alles toch uitgelegd en je zei, dat je er niets om gaf.Vivie(vast). Pardon, ik geef er wèl om. U hebt me uitgelegd hoe de zaak tot stand kwam. Maar dat verandert er niets aan. (Mevrouw Warren, voor ’n oogenblik tot zwijgen gebracht, kijkt uit-’t-veld-geslagennaar Vivie, die zit als ’n standbeeld, in stilte hopend dat de strijd voorbij is. Maar de slimme uitdrukking komt terug op Mevr. Warren’s gelaat; en zij buigt over de tafel heen, sluw en dringend, terwijl ze fluistert:)Mevr. Warren.Weet je hoe rijk ik ben, Vivie?Vivie.Ik twijfel er niet aan, dat u hèèl rijk bent.Mevr. Warren.Maar je weet niet wat dat allemaal beteekent; daar ben je te jong voor. ’t Beteekent: iederen dag ’n nieuwe japon,—’t beteekent, avond aan avond naar theaters en bals;—’t beteekent dat je de eerste heeren van heel Europa aan je voeten kunt hebben,—’t beteekent ’n prachtig huis en ’n sleep van bedienden; ’t beteekent het fijnste eten en drinken,—’t beteekent alles wat je maar verlangt, alles wat je noodig hebt, alles wat je maar bedenken kunt.—En wat ben je hier?—Een echte sloof, die van vroeg tot laat moet sjouwen en zwoegen alleen voor d’r kost en d’r twee japonnetjes in ’t jaar. Denk daar is over. (sussend). Ik weet ’t wel, je bent gechoqueerd. Ik kan d’er best in komen in je gevoelens,—ze doen je alle eer aan. Maar geloof me, niemand zal jòu er om hard vallen,—daar geef ik je m’n woord op. Ik weet wat jonge meisjes zijn; en ik weet dat je er anders over zal gaan denken, als je nog eens nagedacht heb.Vivie.Dus op dèze manier wordt het gedaan, hê? U moet dit alles al aan heel wat vrouwen gezegd hebben, moeder, dat ’t u zoo vlot afgaat.Mevr. Warren(hartstochtelijk). Wat voor kwaad vraag ik je om te doen? (Vivie wendt zich minachtend af. Mevrouw Warren volgt haar wanhopig). Vivie, luister naar me, je begrijpt ’t allemaal niet. Ze hebben je met opzet verkeerd ingelicht; je weet niet wat de wereld eigenlijk is.Vivie(staan blijvend). Met opzet verkeerd ingelicht! Wat bedoelt u?Mevr. Warren.Ik bedoel, dat je al je kansen wilt weggooien voor niks. Je gelooft, dat de menschen zijn, zooals ze zich voordoen,—dat wat ze je op school als goed en behoorlijk hebben leeren beschouwen, dat ook werkelijk zooìs. Maar dat is zoo nièt;—’t is alleen maar ’n verzinsel om de laffe, slaafsche gewone soort van menschen d’r ònder te houden. Moet je daar pas achter komen, net als andere vrouwen, op je veertigste jaar, als je je eigen hebt weggegooid, en je kansen verkeken hebt, inplaats dat je het intijds aanneemt van je eigen moeder, die van je houdt en je zweert dat het waarheid is. De waarachtige waarheid? (dringend). Vivie, de groote lui, en de knappe lui, en de lui die zaken doen, ze weten ’t allemaal. Die doen net wat ìk doe, en die denken wat ìk denk. Ik ken er verscheidene van. Ik ken ze om met ze te praten, en om ze an je voor te stellen, en om ze met je bevrind te maken. Ik meen niks kwaads; dat wil je maar niet begrijpen. Je hebt je hoofd vol met onnoozele ideeën over me. Wat weten de menschen, die jou onderricht hebben, van ’t leven af en van menschen als ik? Wanneer hebben ze me ooit ontmoet, of met me gepraat, of van anderen over me gehoord? de gekken! Zouden ze ooit iets voor je gedaan hebben, als ìk ze niet betàald had? Heb ik je niet verteld, dat ik wil, dat je fatsoenlijk zal zijn? Heb ik je niet gròotgebracht om fatsoenlijk te wezen? En hoe kan je dat blijven zonder m’n geld en m’n invloed en Lizzie’s vrinden? Begrijpt je dan niet, dat je je eigen nek breekt en mijn hart er bij,—als je me de rug toedraait?Vivie.Dat is Crofts levenswijsheid, moeder. Ik heb ’t allemaal van hèm al gehoord, dien dag bij de Gardner’s.Mevr. Warren.Je denkt, geloof ik, dat ik je dien verloopen ouden gek wil opdringen. Maar dat wil ik niet, Vivie, op m’n woord niet.Vivie.’t Zou niet geven, of u ’t deed. ’t Zou u toch niet lukken. (Mevr. Warrens gezicht vertrekt pijnlijk, ze is diep gekwetst door de kennelijke onverschilligheid tegenover haar goede bedoeling. Vivie, die dit òf niet begrijpt, òf wie ’t niet schelen kan, gaat kalm verder). U begrijpt in ’t minst niet, moeder, wat voor soort van mensch ik ben. Ik heb niets meér tegen Crofts, dan tegen iederen anderen ordinairen man van zìjn slag. Eerlijk gezegd bewonder ik hem zelfs wat, omdat hij kracht genoeg heeft om z’n leven te genieten op z’n eigen manier en flink geld te verdienen, inplaats van het gewone leventje te leiden van: jagen, schieten, uit-dineeren-gaan, toilet maken en slenteren, alleen maar omdat de rest van z’n kliek dat eenmaal doet. En ik ben me volmaakt bewust, dat wanneer ik in dezelfde omstandigheden was geweest als m’n tante Lize, ik precies eender als zij gehandeld zou hebben. Ik geloof niet, dat ik meer bevooroordeeld of bekrompen ben dan u;—ik geloof, dat ik ’t minder ben. Ik ben zèker minder sentimenteel. Ik weet heel goed, dat de wereldsche moraliteit maar ’n voor-de-gek-houderij is, en dat, als ik uw geld aannam en m’n verdere leven doorbracht met het op rijkelui’s manier te verteren, ik even nutteloos en slecht zou kunnen zijn, als de zotste vrouw maar zou kunnen verlangen, zonder ’n woord er over te hooren. Maar ikwilniet nutteloos wezen. Ik zou geen plezier hebben, als ik ’t park ronddraafde om reclame te maken voor m’n naaister en m’n rijtuigfabrikant, of als ik me verveelde in de opera om ’n hoop diamanten uit te stallen.Mevr. Warren(verbluft). Maar....Vivie.Wacht even, ik ben nog niet klaar. Zeg me eens waarom u uw zaak nog voortzet, terwijl u er toch onafhankelijk door bent? Uw zuster, hebt u me zelf verteld, heeft met dat alles afgedaan. Waarom doet u dat ook niet?Mevr. Warren.O, dat is alles goed en wel voor Liz; die houdt van fijn gezelschap en ziet er uit als ’n dame. Maar stel je mij voor in ’n vrome stad? M’n hemel, de kraaien in de boomen zouden me zelfs in de gaten krijgen, laat staan nog, dat ik de verveling niet zou kunnen verdragen. Nee,ìkmoet werk en opwinding hebben, anders zou ik gek worden van sikkeneurigheid. En wat moet ik anders uitvoeren? Het leven bevalt me, ik ben er voor geschikt, en niet voor iets anders. Alsik’t niet deed, zou ’n ander het doen,—dus echt kwaad doe ik er niet mee. En dan brengt ’t geld in;—en ik hoû er van om geld te verdienen. Nee, dat geeft allemaal niks;—opgeven kan ik ’t niet;—voor niemand.—Maar wat hoef jìj er van af te weten? Ik zal er je nooit iets over zeggen. Ik zal Crofts uit den weg houden. Ik zal je ook niet dikwijls lastig vallen. Je moet denken, dat ik voortdurend rondtrek van de eene plaats naar de andere. Als ik dood ga, zul je voor goed met me afgedaan hebben.Vivie.Nee, ik ben m’n moeders dochter. Ik ben net als u: ik moet werk hebben en meer geld verdienen, dan ik uitgeef. Maar ùw werk is mìjn werk niet, en mijn weg niet de uwe. We moeten van elkaar scheiden. Heel veel verschil zal ’t niet voor ons maken: in plaats dat we elkaar misschien ’n paar maanden zien in twintig jaar tijds, zien we elkaar nu heelemaal niet meer, dat is alles.Mevr. Warren(met ’n door tranen verstikte stem).’t Was m’n bedoeling geweest om meer met je samen te zijn, Vivie; dat was ’t waarachtig.Vivie.Dat gaat niet, moeder. Ik laat me niet van m’n stuk brengen terwille van wat goedkoope tranen en smeekbeden, zoomin als u, daar ben ik zeker van.Mevr. Warren(heftig). Noem je de tranen van een moeder goedkoop?Vivie.Ze kosten ù niets; en u vraagt mij om in ruil daarvoor de vrede en de rust van m’n heele leven te geven? Wat zou m’n gezelschap u waard zijn, als u ’t had? Wat hebben wij twee gemeen, dat één van ons gelukkig zou maken, wanneer we bij elkaar waren?Mevr. Warren(vervalt in haar dialect). We zijn moeder en dochter. Ik wil me dochter hebbe. Ik heb recht op je. Wie mot er voor me zorge as ik oud wor’? ’n massa meisjes hebbe zich an me gehecht as dochters en hebbe gehuild as ze van me af moste. Maar ik heb ze allemaal late gaan, omdat ik an joù dacht. Ik ben alléen gebleven om jou. Je heb ’t recht niet om me nou de rug toe te draaie en te weigere je plicht as dochter te doen.Vivie(geprikkeld en vijandig, door de echo van de achterbuurten, die ze in haar moeders stem hoort). M’n plicht als dochter! Ik dacht wel, dat ’t dààrtoe zou komen! Eens vooral nu, moeder: u verlangt naar ’n dochter en Frank naar ’n vrouw. Maar ik bedànk voor ’n moeder en ik bedank voor ’n man. Ik heb noch hem, noch mezelf gespaard, toen ik hem wegzond. Denkt u nu, dat ik ù zal sparen?Mevr. Warren(hevig). O, ik weet wat je d’r voor één bent; zonder genade voor jezelf of voor een ander. Ik weet ’t. M’n ondervinding heeft me dàt tenminste geleerd: dat ik de vrome, huichelachtige, harde, zelfzuchtige vrouw kèn als ik d’r tegenkom.Wel, veel plezier met jezelf; ìk heb je niet noodig. Maar luister hier nou is na: Weet je wat ik met je doen zou, als je weer ’n kind was, zoo waarachtig als er ’n hemel boven ons is?Vivie.Me wurgen misschien.Mevr. Warren.Nee; ik zou je grootbrengen als ’n èchte dochter van me en niet als wat je nou ben, met je trots en je vooroordeelen en je fijne opvoeding, die je van me gestolen heb, ja gestolen, ontken ’t maar als je kan. Wat was ’t anders dan stelen? Ik zou je groot brengen in m’n eigen huis, dàt zou ik.Vivie(rustig). In één van uw eigen huizen.Mevr. Warren(schreeuwend). Hoor d’r ís an! Hoor es hoe ze spuwt op d’r moeders grijze haren! O, ik hoop, dat je beleven mag, dat je eigen dochter je zal verscheuren, en vertrappen, zooals je mij vertrapt hebt! En dat zal je, dat zal je! Geen vrouw had ooit geluk, die door haar moeder vervloekt werd.Vivie.Ik wou, dat u niet zoo te keer ging, moeder. Dat verhardt me alleen maar. Kom, ik vermoed, dat ik de eenige jonge vrouw ben, die u ooit in uw macht had en waar u goed voor geweest bent. Bederf ’t nu niet allemaal.Mevr. Warren.Ja, de hemel vergeve me, dat is zoo. En jij bent de eenige, die zich van me af heeft gekeerd. O, de onrechtvaardigheid ervan, de onrechtvaardigheid! Ik heb altijd ’n goeie vrouw willen zijn. Ik heb het met fatsoenlijk werk geprobeerd en ik werd zoo afgejakkerd, dat ik de dag vervloekte, waarop ik van fatsoenlijk werk gehoord had. Ik ben ’n goeie moeder geweest, en omdat ik van m’n dochter ’n fatsoenlijke vrouw heb gemaakt, stuurt ze me nou van d’r weg, alsof ik de pest heb. O! als ik me leven nog maar es kon overleven! Dan zou ik die leugen-dominé van de Zondagsschool me meening ’ns zeggen!Van nou af an—de hemel mag me bestaan in m’n laatste uurtje—zal ik alleen maar doen wat slecht is; dàt zal ik. En daar zal ik bij gedijen.Vivie.Ja, ’t is beter, dat u uw eigen richting kiest en dààr langs verder gaat. Als ik ù was geweest moeder, zou ik misschien gedaan hebben, wat ù hebt gedaan, maar ik zou niet het ééne leven leiden en gelooven in het andere. U bent in uw hàrt ’n conventioneele vrouw en daarom neem ik nu afscheid van u. Ik heb gelijk, niet waar?Mevr. Warren(van haar stuk gebracht). Gelijk, dat je al m’n geld weggooit!Vivie.Nee, gelijk dat ik van u af wil. Ik zou dwaas zijn, als ’k niet deed,—is ’t niet zoo?Mevr. Warren(norsch). Nou ja,—wat dat aangaat, misschien wel. Maar de Heer mag de wereld bijstaan, als iedereen alleen ging doen wat goed en verstandig was.—En nou ga ik liever heen, dan dat ik blijf waar ik niet gewenscht ben (zij wendt zich naar de deur).Vivie(vriendelijk). Wilt u me geen hand geven?Mevr. Warren(na haar ’n oogenblik fel te hebben aangezien, met ’n heftig verlangen, om haar ’n slag te geven). Nee, dank je. Goeien dag.Vivie(op gewoon-zakelijken toon). Goeien dag. (Mevr. Warren gaat heen en slaat de deur achter zich toe. De spanning op Vivie’s gelaat verslapt; de ernstige uitdrukking er van gaat over in een van blije tevredenheid; zij blaast haar adem uit ’n halven snik, halven lach van innige verluchting. Opgewekt gaat ze naar haar plaats aan de schrijftafel, schuift de electrische lamp wat op zij, verlegt ’n groote hoop papier en wil juist haar pen in den inkt doopen, als ze Franks briefje vindt. Ze opent het onverschillig, en leest het vlug, even lachendom ’n eigenaardige expressie er in). En adieu Frank. (Zij verscheurt het briefje en gooit de stukjes in de papiermand, zonder zich te bedenken. Dan plonst ze zich in haar werk en is gauw geheel verdiept in haar cijfers).EINDE.

DERDE BEDRIJF.In den tuin van de pastorie, den volgenden morgen. De zon schijnt, de vogels zingen lustig. De tuinmuur heeft ’n houten hek, breed genoeg om ’n rijtuig door te laten. Naast het hek hangt ’n bel aan ’n gekronkelden spiraal die in verbinding staat met ’n trekker er buiten. Het rijpad loopt tot aan het midden van den tuin en buigt dan naar links, waar het eindigt in ’n kleine begrinte ronde plaats tegenover den overdekten ingang naar de pastorie. Aan den anderen kant van het hek ziet men den stoffigen straatweg, parallel aan den muur en aan de verste zij afgezet door ’n grasrand en ’n ònomheind dennenbosch. Op het grasveld, tusschen het huis en den rijweg, staat ’n gesnoeide taxusboom, waaronder in de schaduw een tuinbank. Aan den tegenovergestelden kant is de tuin ingesloten door ’n palmhaag; op het grasveld staat een zonnewijzer en daarnaast een ijzeren stoel. Een smal paadje voert, achter den zonnewijzer, door de palmhaag heen.Frank zit op den stoel bij den zonnewijzer, waarop hij de ochtendbladen gelegd heeft en leest de Standard, (conservatief Londensch blad). Zijn vader komt ’t huis uit, rillerig en met roode oogen;—en ontmoet Franks blik wat onzeker.Frank(kijkt op z’n horloge). Half twaalf, ’n Mooi uur voor ’n dominé om te komen ontbijten.Dominé Sam.Spot niet Frank, spot niet. Ik ben ’n beetje .... è ... (hij rilt).Frank.Katterig?Dominé.Nee jongmensch;—ongesteld van ochtend. Waar is je moeder?Frank.Schrik niet, die is hier niet. Naar stad gegaan met Bessie met den trein van 11.13. Heeft verscheiden boodschappen voor je achtergelaten. Voel je je in staat om ze nu aan te hooren, of wil ik wachten tot je ontbeten hebt?Dominé.Ik hèb ontbeten, sinjeur. ’t Verwondert me, dat je moeder naar de stad is gegaan, terwijl we logé’s hebben. Die zullen ’t heel vreemd vinden.Frank.Daar zal ze mogelijk wel aan gedacht hebben. In ieder geval, als Crofts hier nog blijft en jij iederen nacht tot vier uur toe met hem op blijft zitten, om herinneringen uit je vurige jeugd op te halen, dan is ’t natuurlijk m’n moeders plicht om naar stad te gaan en ’n vatwhiskyen ’n paar honderd flesschen spuitwater te bestellen.Dominé.Ik heb niet opgemerkt, dat Jhr. George bizonder veel heeft gedronken.Frank.Daar was je niet toe in staat, ouwe heer.Dominé.Wil je te kennen geven, dat ik...?Frank(kalm). Nog nooit heb ik ’n weleerwaarden dominé minder sober gezien. De anekdoten uit je vroegere leven, die je verteld hebt, waren zòò schandelijk, dat ik zeker geloof, dat Praed den nacht niet onder je dak zou hebben doorgebracht, als ’t niet was geweest, dat hij en moeder zoo goed met elkaar waren opgeschoten.Dominé.Gekheid, jongmensch. Ik ben Jhr. George z’n gastheer. Ik moet toch over iets met hem praten, en hij heeft maar één onderwerp. Waar is mijnheer Praed nu?Frank.Die rijdt met m’n moeder en Bessie naar ’t station.Dominé.Is Crofts al op?Frank.O, al lang. Die is zoo frisch als ’n hoen; hij is veel beter geoefend dan jij:—heeft detrainingwaarschijnlijk tot nu toe bijgehouden. Hij is ergens gaan rooken. (Frank neemt z’n krant weer op. De dominé wendt zich ontstemd naar het hek toe en komt dan besluiteloos terug).Dominé.E.... Frank.Frank.Ja.Dominé.Geloof je, dat de Warren’s verwachten hier geïnviteerd te worden, na gisteravond?Frank.Zezijnal geïnviteerd. Crofts vertelde ons aan ’t ontbijt, dat je hem gezegd hadt om mevrouw Warren en Vivie vandaag hier te brengen en hun te verzoeken dit huis als het hunne te beschouwen. ’t Was na diè mededeeling, dat moeder bedacht, dat ze naar stad moest met den trein van 11.13.Dominé(met wanhopige heftigheid). Ik heb die invitatie niet gedaan. Ik heb noòit aan zoo iets gedacht.Frank(medelijdend). Hoe kun je weten, ouwe heer, wàt je gisterennacht gezegd en gedacht hebt? Allo! Hier is Praed terug.Praed(komt binnen door ’t hek). Goeie morgen.Dominé.Goeien morgen. Ik moet me verontschuldigen, dat ik u niet aan ’t ontbijt heb gezien. Ik heb ’n lichte aanval van... van...Frank.Dominé’s keelpijn, Praed. Gelukkig niet chronisch.Praed(van onderwerp veranderend). Wel, ik moet zeggen, uw huis is allerliefst gelegen, werkelijk allerliefst.Dominé.Ja, dat is ’t ook. Als u wilt, zal Frank ’n eindje met u gaan wandelen. Ik hoop dat u me zult excuseeren: ik moet de gelegenheid waarnemen om m’n preek te schrijven, terwijl mevrouw Gardnerweg is en m’n gasten zich amuseeren. U neemt me niet kwalijk, niet waar?Praed.Zeker niet, u moet voor mij niet de minste complimenten maken.Dominé.Dank u. Ik zal... è... è... (stamelend gaat hij naar den ingang en verdwijnt in huis).Praed(gaat op ’t gras zitten en pakt z’n enkels beet). Wonderlijk moet dat zijn om iedere week ’n preek te schrijven.Frank.Heel wonderlijk als hij ’t deèd. Hij koopt ze. Hij is nou spuitwater gaan drinken.Praed.Beste jongen, ik wou dat je meer respect toonde tegenover je vader. Je weet zelf hoe aardig je kunt zijn als je wìlt.Frank.M’n goeie Praeddie, je vergeet dat ik met den ouden heer moet lèven. Als twee menschen samen wonen—’t doet er niet toe of ze vader en zoon, man en vrouw of broeder en zuster zijn—dan kunnen ze onmogelijk de beleefde voor-den-gek-houderij volhouden, die zoo makkelijk valt voor ’n minuut of tien op ’n middagvisite. De oude heer nou, die aan veel bewonderenswaardige huiselijke hoedanigheden paart de besluiteloosheid van ’n schaap met de opgeblazenheid en de ongemakkelijkheid van ’n jakhals...Praed.Nee, asjeblieft, beste Frank. Bedenk toch, dat hij je vader is.Frank.Daar geef ik hem alle eer van.—Maar stel je voor, dat hij Crofts gezegd heeft om de Warrens hier te brengen!! Hij moet totaal weg zijn geweest. Je weet beste Praeddie, dat m’n moeder haar dadelijk weg zou kijken. Vivie moet hier niet komen, vòòrdatzijnaar de stad terug is.Praed.Maar je moeder weèt toch niets van mevrouw Warren, wel?Frank.Ik weet ’t niet. Haar gaan naar de staddoet me denken van wel. Niet, dat ’t m’n moeder in ’t algemeèn zou kunnen schelen. Zij heeft ’t dikwijls kranig opgenomen voor ’n massa vrouwen, die in moeilijkheden waren geraakt. Maar dat waren allemaal behoòrlijke vrouwen. Daarin zit ’em het verschil. Mevrouw Warren heeft zeker haar eigenaardige verdiensten, maar ze is zoo allemachtig lawaaiig,—en m’n moeder zou haar eenvoudig niet kunnen dulden. Daarom... Allo! (Deze uitroep wordt veroorzaakt door de wederverschijning van den dominé, die haastig en ontsteld z’n huis uitkomt).Dominé.Frank, mevrouw Warren en haar dochter komen de hei over met Crofts. Ik zag ze van uit m’n studeerkamer. Wat moèt ik zeggen van je moeder?Frank(energiek opspringend). Plak je hoed op je hoofd en ga hen tegemoet en zeg hoe allerplezierigst je ’t vindt om ze te zien;—en dat Frank in den tuin is, en dat moeder en Bessie zijn weggeroepen bij ’n ziek familielid, en dat ’t hun zoo speet dat ze niet konden blijven, en dat je hoopt, dat mevrouw Warren goed geslapen heeft en... en... zeg hun àl ’t mogelijke behalve de waarheid en laat de rest aan onzen lieven Heer over.Dominé.Maar hoe moeten we hen later kwijt raken?Frank.Daar is nou geen tijd voor om over te denken. Hier! (Hij vliegt ’t huis in en keert onmiddellijk terug met ’n vilten dominé’s hoed, die hij z’n vader op ’t hoofd duwt). Maak nu, dat je weg komt. Praed en ik zullen hier wachten, om het zaakje ’n ongezocht aanzien te geven. (De dominé, beduusd maar gehoorzaam, snelt weg door ’t hek. Praed staat op en stoft zichzelf af).Frank.We moeten de oude dame op de een of andere manier naar de stad terugzenden, Praed. Toe,zeg ’ns eerlijk, Praeddie, hoû jij er van om ze samen te zien: Vivie en de ouwe dame?Praed.Och, waarom niet?Frank(z’n tanden op elkaar). Krijg jij er geenkippenvelvan? Die kwaje oude duvel, in staat tot àlles wat gemeen is, en Vivie.... brr!Praed.Sst, asjeblieft. Daar komen ze. (De dominé en Crofts komen samen het rijpad op, gevolgd door Mevrouw Warren en Vivie, die heel innig met elkaar loopen.)Frank.Kijk, ze heeft waarachtig haar arm om het middel van de oude vrouw. ’t Is haar rechterarm; zij moet er mee begonnen zijn. God in den hemel, ze is sentimenteel geworden! Ai! jai! Krijg je nou geen kippenvel? (De dominé opent het hek en mevrouw Warren en Vivie gaan hem voorbij en blijven in het midden van den tuin naar ’t huis staan kijken. Frank, in ’n extase van veinzerij, wendt zich vroolijk naar mevrouw Warren toe en roept uit): Alleraangenaamst om u te zien, mevrouw Warren,—deze rustige, oude pastorie-tuin flatteert u bizonder.Mevr. Warren.Wel, heb je ooit! Hoor je dat George? Hij zegt dat ik er zoo goed uitzie in ’n rustigen, ouden pastorie-tuin.Dominé(houdt het hek nog open voor Crofts, die er met ’n bizonder landerig air doorheen slentert). U ziet er overal goed uit, mevrouw Warren.Frank.Bravo, ouwe heer. Luister ’ns,—laten we nou ’n gezelligen tijd er van maken vóór lunch. Eerst gaan we de kerk bekijken. Die behoort iedereen te zien. ’t Is ’n typische oude, dertiende-eeuwsche kerk, weet je. De oude heer voelt er erg voor, omdat hij indertijd ’n restauratiefonds op touw heeft gezet,—en ze zes jaar geleden totaal verbouwd is geworden. Praed zal er jullie de merkwaardigheden van aantoonen.Dominé(allerminzaamst glimlachend tegen het gezelschap). ’t Zal me bizonder aangenaam zijn, als Jhr. George en mevrouw Warren er werkelijk lust toe voelen.Mevr. Warren.Wel ja, laten we maar gaan en ’t afdoen: ’t Zal George goed doen; de kerk zal van hèm niet veel last hebben, wed ik.Crofts(terugkeerend naar ’t hek). Ik heb er niets tegen.Dominé.Neen, die weg niet. We zullen door ’t veld gaan, als u ’t goed vindt. Dèzen kant uit.Crofts.O, mij goed. (Hij gaat met den dominé. Praed volgt met mevrouw Warren. Vivie beweegt zich niet, maar kijkt hen na met de lijnen van vastberadenheid scherp geteekend op haar gezicht).Frank.Kom je niet?Vivie.Nee. Ik wil je ’n waarschuwing geven, Frank. Je stak daarnet den draak met m’n moeder, toen je dat zei over den pastorie-tuin. Dat is voortaan taboe. Behandel m’n moeder asjeblieft met hetzelfde respect waarmee je je eigen moeder behandelt.Frank.M’n beste Vivie, dat zou ze niet apprecieëren. Ze is heel anders dan m’n moeder: dezelfde behandeling zou voor die twee niet deugen. Maar wat ter wereld is er met je gebeurd? Gisterenavond waren we ’t samen volmaakt eens over je moeder en haar kliek. En van morgen stel je je sentimenteel aan met je arm om haar middel heen.Vivie(rood wordend). Me aanstellen!Frank.Dièn indruk maakte ’t op me. Den eèrsten keer dat ik je iets zag doen van twijfelachtig allooi.Vivie(zichzelf bedwingend). Ja, Frank; er heèft ’n verandering met me plaats gehad, maar ik geloof niet ’n verandering ten kwade. Gisteren was ik ’n ingebeeld nest.Frank.En vandaag?Vivie(haar gezicht vertrekt pijnlijk, dan ziet ze hem vast aan). Vandaag ken ik m’n moeder beter dan jij.Frank.De hemel beware je daarvoor.Vivie.Wat bedoel je daarmee?Frank.Viv,—er bestaat ’n vrijmetselarij tusschen door-en-door-onzedelijke menschen, waar jij niets van afweet. Jij hebt te veel karakter. Maar dàt is de band tusschen je moeder en mij; en dat is ook de reden, dat ik haar beter ken dan jij ooit zult doen.Vivie.Je vergist je, je weet niets van haar af. Als je de omstandigheden kende, waarmee m’n moeder te worstelen heeft gehad....Frank(ad rem haar zin voor haar afmakend). Dan zou ik weten waàrom ze is geworden, wàt ze is,—is ’t zoo niet? Wat zou er dat toe doen? Omstandigheden of geen omstandigheden Viv,—je zult nooit met je moeder kunnen opschieten.Vivie(heel boos). Waarom niet?Frank.Omdat ze ’n slecht wijf is, Viv. Als je ooit weer in mijn bijzijn je arm om haar middel slaat, dan schiet ik me op de plaats zelf voor m’n kop,—als ’n protest tegen ’n vertooning, die me in opstand brengt.Vivie.Moet ik dus kiezen tusschen jou en m’n moeder?Frank.Dat zou de oude dame ’n veel te slechte kans geven. Nee, Viv, je verwaande jongentje zal je in geen geval aan je lot overlaten. Maar daarom moet hij ook zorgen, dat je geen vergissingen begaat.—’t Geeft allemaal niks, Viv, je moeder ìs eenmaal onmogelijk. Ze mag in haar soort niet kwaad zijn,—maar ’t soort zelf ìs slecht, door en door slecht.Vivie(heftig). Frank! (Hij blijft kalm. Zij wendt zich af en gaat zitten op de bank onder den taxus,worstelend om haar zelfbeheersching te herkrijgen. Dan zegt ze). Moet ze door iedereen verlaten worden, omdat ze eenmaal is wat jij “’n slecht soort” noemt? Heeft ze geen recht om te leven?Frank.Daar hoef je niet bang voor te wezen, Viv;zijzal nooit verlaten zijn. (Hij gaat naast haar zitten op de bank).Vivie.Maarikmoet haàr zeker verlaten.Frank(sust haar op babyachtige manier en vleit haar met z’n stem). Moèt niet met haar leven. Familiegroepje van moeder en dochter zou geen succes zijn. Zou òns groepje bederven.Vivie(onder de bekoring komend). Welk groepje?Frank.De babies in ’t bosch; Vivie en haar kleine Frank. (Hij glijdt z’n arm om haar middel en nestelt zich tegen haar aan als ’n moe kind). Laten we mekaar toedekken met dorre blaâren.Vivie(hem zachtjes wiegend als ’n moeder). Vast in slaap, hand in hand, onder de boomen.Frank.Het wijze kleine meisje en naar dwaze kleine jongentje.Vivie.Het lieve kleine jongentje, met het zielige kleine meisje.Frank.Heel, hèèl rustig en bevrijd van de idiotigheid van den vader van ’t jongentje en de rarigheid van de moe....Vivie(het woord smorend tegen haar borst aan). St. st. stst! ’t Kleine meisje wil alles vergeten van haar moeder. (Zij zwijgen eenige oogenblikken elkaar wiegend. Dan komt Vivie plotseling tot bezinning en roept uit): Wat ’n paar gekken zijn we! Kom, zit overeind. Goeie hemel, je haar! (Zij strijkt ’t glad). Ik zou wel eens willen weten of alle groote menschen zoo kinderachtig doen, als er niemand bij is. Ik heb ’t nooit gedaan als kind.Frank.Ik ook niet. Jij bent m’n eerste speelkameraad. (Hij vat haar hand en wil die kussen, maar houdt eerst even op om rond te kijken. Heel onverwacht verschijnt Crofts door de palmhaag). O verdomd!Vivie.Waarom, verdomd?Frank(fluisterend). Sst! Daar komt die fielt van ’n Crofts aan. (Hij gaat verder van haar af zitten met ’n heel onschuldig gezicht).Vivie.Wees niet lomp tegen hem, Frank. Ik wil erg m’n best doen om beleefd tegen hem te zijn. Dat zal m’n moeder plezier doen. (Frank trekt ’n leelijk gezicht).Crofts.Mag ik ’n paar woorden met u spreken, juffrouw Warren?Vivie.Zeker.Crofts(tot Frank). Je excuseert me wel, Gardner.—Ze wachten op je in de kerk, als je er niets tegen hebt.Frank(staat op). Ik wil je graag van dienst zijn, Crofts, behalve met naar de kerk te gaan. Als je iets noodig hebt, Vivie, bel dan aan ’t hek, dan verschijnt een van de dienstboden. (Hij gaat ’t huis in met kalme beminnelijkheid).Crofts.(Kijkt hem met ’n sluwe uitdrukking nà, terwijl ie verdwijnt, en spreekt dan tot Vivie op ’n toon alsof hij op vertrouwelijken voet met haar is). ’n Aardige jongen, juffrouw Vivie. Jammer, dat hij geen geld heeft, hè?Vivie.Vindt u?Crofts.Wel, wat moet hij uitvoeren? Heeft geen betrekking en geen fortuin.—Waar dient hij toe?Vivie.Ik zie volkomen goed z’n zwakke punten, Jhr. George.Crofts(’n beetje van z’n stuk gebracht, omdat hij zoo volmaakt doorzien wordt). O zòò meen ik ’t niet,Maar zoolang we eenmaal op deze wereld zijn, moeten we er ook rekening mee houden,—en geld is geld. (Vivie antwoordt niet). ’n Mooie dag, vindt u niet?Vivie(met ternauwernood bedwongen minachting voor z’n poging tot conversatie). Heel mooi.Crofts(met brutale jovialiteit, alsof hij haar flinkheid bewondert). Wel, daarover wou ik anders niet praten (met voorgewende openhartigheid). Luister ’ns, juffrouw Vivie. Ik ben me volkomen bewust, dat ik geen man voor dames ben.Vivie.Heusch niet?Crofts.Nee; en om u de waarheid te zeggen, dat wil ik ook niet zijn. Maar als ik wat zeg, dan meen ik het;—als ik iets voel, dan voel ik ’t ècht,—en wat ik graag wil hebben, daar wil ik ook goed voor betalen. Dàt soort van man ben ik.Vivie.Dat doet u alle eer aan.Crofts.O, ik wil m’n eigen lof niet zingen. De hemel weet, dat ik m’n fouten heb;—geen man ziet die beter dan ik. Ik weet, dat ik niet volmaakt ben: die zelfkennis is een van de voordeelen van ’n man van middelbaren leeftijd;—want ik bèn niet jong meer en daar geef ik me niet voor uit ook. Mìjn moraal is heel eenvoudig en ik geloof goed: Eergevoel tusschen man en man, trouw tusschen man en vrouw en geen malle praatjes over den een of anderen godsdienst, maar ’n eerlijk geloof, dat de wereld geleidelijk vooruitgaat.Vivie(snijdend ironisch). “Een macht, niet wijzelf, die rechtvaardigheid wil.”Crofts(haar au sérieux nemend). O zeker, wijzelf natuurlijk niet. U begrijpt wat ik bedoel. (Hij gaat naast haar zitten, op ’n wijze alsof hij ’n verwante ziel had gevonden). En nu, wat practische zaken betreft. U zult misschien meenen, dat ik m’n geldheb weggegooid, maar dat is zoo niet. Ik ben vandaag rijker, dan toen ik indertijd m’n fortuin in handen kreeg. Ik heb van m’n wereldkennis geprofiteerd, om m’n geld te steken in zaken, die andere menschen over ’t hoofd hebben gezien; en wàt ik ook wezen mag, op ’t punt van geld ben ik ’n betrouwbaar man.Vivie.’t Is heel vriendelijk van u, me dat allemaal te vertellen.Crofts.Kom nou, juffrouw Vivie,—u hoeft u niet te houden, alsof u niet weet, waar ik heen wil. Ik verlang om me te vestigen met ’n “Lady Crofts”.—Ik vermoed, dat u me wel erg botaf vindt?Vivie.Volstrekt niet. Ik ben er u heel dankbaar voor, dat u zoo kort en zakelijk bent. Ik stel uw aanbod zeer op prijs: het geld, de positie, Lady Crofts en zoo al meer. Maar, met uwwelnemen, zal ik toch maar “nee” zeggen. Liever niet. (Zij staat en drentelt naar den zonnewijzer, om wat uit z’n onmiddellijke nabijheid te zijn).Crofts(in ’t minst niet ontmoedigd, gebruik makend van de meerdere plaats op de bank om er zich gemakkelijk op uit te strekken, vat het op alsof ’n paar voorloopige weigeringen ’n onvermijdelijk deel uitmaakten van den gewonen gang van ’n huwelijksaanzoek). Ik heb geen haast. Ik wou u dit alleen maar laten weten, voor ’t geval dat de jonge Gardner mocht probeeren u te vangen. Denk er eens over na.Vivie(scherp). Mijn neenblijftneen. Ik kom er niet op terug. (Zij ziet hem aan van uit de hoogte. Hij grijnst; buigt zich voorover met z’n elbogen op z’n knieën om met z’n stok naar ’n ongelukkig insect in ’t gras te prikken. Hij kijkt haar sluw aan. Ongeduldig wendt zij zich af).Crofts.Ik ben ’n goed beetje ouder dan u,—vijf en twintig jaar, ’n kwart eeuw. Ik heb ’t eeuwige leven niet, en ik zal zorgen, dat u goed achterblijft, als ik er niet meer zijn zal.Vivie.Zelfs tegen diè verleiding ben ik bestand, Jhr. George. Gelooft u niet, dat u beter zoudt doen met m’n antwoord te accepteeren? Er is niet de minste kans, dat ik veranderen zal.Crofts(staat op, na ’n laatsten slag naar ’n madeliefje en begint heen en weer te loopen.) Wel, ’t hindert niet. Ik zou u dingen kunnen vertellen, die u gauw genoeg van gedachten zouden doen veranderen,—maar dat wil ik niet, omdat ik u liever wil zien te winnen door eerlijke liefde. Ik ben ’n goeie vriend voor uw moeder geweest, vraag haar dat maar eens. Zij zou nooit ’t geld verdiend hebben, dat uw opvoeding betaald heeft, als ìk haar niet geraden en geholpen had. Om niet te spreken van het geld, dat ik haar heb voorgeschoten. Er zijn niet veel menschen, die haar gesteund zouden hebben, zooals ìk ’t heb gedaan. Ik heb van ’t begin tot ’t laatst toe niet minder dan 40,000 pond in haar zaak gestoken.Vivie(hem aanstarend). Wilt u zeggen, dat u m’n moeders deelgenoot geweest bent?Crofts.Ja. Bedenk dus nou ’ns wat ’n last en explicaties ’t besparen zou, als wij ’t heele geval onder ons hielden, om zoo te zeggen. Vraag uw moeder maar eens of zij ’t prettig zou vinden om uitlegging van d’r zaken te geven aan ’n totaal vreemde.Vivie.Daar zie ik de bezwaren niet van in, nu de zaken toch aan kant zijn gedaan en het geld belegd is.Crofts(blijft plotseling verbaasd staan). Aan kant gedaan? Een onderneming aan kant doen, die 35 percent uitkeert in de slechtste jaren?! Niet waarschijnlijk, hoor. Wie heeft u dàt verteld?Vivie(plotseling verbleekend). Bedoelt u dat ze nog...? (Zij houdt op eens stil en legt haar hand op den zonnewijzer om zichzelf te ondersteunen. Dan loopt ze haastig naar den ijzeren stoel en gaat zitten). Over welke onderneming spreekt u?Crofts.Wel, de kwestie is, dat ze nou niet precies als ’n zaak van den eersten rang beschouwd wordt in mijn kringen, de voorname kringen, weet u;—die ònze kringen zullen worden, als u anders over m’n aanzoek gaat denken. Niet, dat er iets niet in den haak mee is, dat moet u niet denken. U begrijpt door het feit, dat uw moeder er in is, dat ze volkomen fair en eerlijk is. Ik heb haar jaren lang gekend en ik weet van haar, dat ze liever haar hand zou afslaan, dan met iets te doen te hebben, wat niet heelemaal behoorlijk is. Als u wilt zal ik er u alles van vertellen. Ik weet niet of u wel eens ondervonden hebt, als u op reis was, hoe moeilijk ’t is, om ’n werkelijk goèd ingericht familiehotel te vinden.Vivie(wendt haar gezicht af met walging.) Ja,—ga door.Crofts.Nu, dat is alles. Uw moeder heeft ’n zeldzame gave om die dingen te besturen. We hebben er twee in Brussel, één in Berlijn, één in Weenen en twee in Buda-Pest.—Natuurlijk zijn er nog anderen behalve wij in de zaak, maar wìj hebben er het meeste kapitaal in,—en uw moeder is onmisbaar als directrice. U hebt zeker wel gemerkt, dat zij veel reist.—Maar u begrijpt,—over zulke dingen kun je in gezelschap niet spreken. Noem ’t woord “hotel” maar eens en iedereen zegt, dat je ’n publiek huis houdt. U zoudt toch niet willen, dat ze dàt van uw moeder zouden zeggen, wel? Daarom houden we ’t zoo stil. Wat ik zeggen wil, u zult ’t ook welvoòr u houden, niet? Nu ’t al zòòlang ’n geheim is geweest, is ’t beter dat ’t dat ook blijft.Vivie.En dit is dus de onderneming, waar u wilt, dat ik deel in zal nemen!Crofts.Welnee. Mijn vrouw zal niets met zaken te maken hebben. U zult er niet meer mee te maken hebben dan u altijd gedaan hebt.Vivie.Altijd gedaan heb! Wat bedoelt u?Crofts.Alleen maar dat u er altijd van geleefd hebt. Ze heeft betaald voor uw opvoeding en voor de japon die u aan uw lijf hebt. Trek uw neus maar niet op voor zaken, juffrouw Vivie. Wat zou er van uw mooie scholen worden zonder geld?Vivie(staat op, half buiten zichzelf). Pas op. Ik weet wàt voor zaak ’t is.Crofts(opschrikkend, met ’n onderdrukte vloek). Wie heeft u dat verteld?Vivie.Uw compagnon—m’n moeder.Crofts(zwart van woede). Die ouwe.... (Vivie ziet hem haastig aan. Hij slikt ’t woord in en staat stilletjes voor zich te razen en te vloeken. Dan bedenkt hij zich, dat hij sympathiek moet zijn en hij neemt z’n toevlucht tot ’n edele verontwaardiging). Zij behoorde u meer te hebben ontzien.Ikzou ’t u nooit verteld hebben.Vivie.Ik denk, dat u waarschijnlijk gewacht zoudt hebben tot we getrouwd waren. Het zou ’n makkelijk wapen voor u geweest zijn om me mee klein te krijgen.Crofts(heel oprecht). Ik had ’t nooit willen doen. Op m’n woord niet. (Vivie ziet hem verwonderd aan. Haar gevoel voor de ironie van zijn protest kalmeert haar en geeft haar kracht. Zij antwoordt met minachtende zelfbeheersching.)Vivie.’t Doet er niet toe. Ik veronderstel dat ubegrijpt, dat wanneer wij vandaag van hier weggaan, onze kennismaking tot ’n eind komt.Crofts.Waarom? Omdat ik u moeder geholpen heb?Vivie.Mijn moeder was ’n arme vrouw die geen keus had om anders te handelen dan ze gedaan heeft. Maar ù was rijk en u deed hetzelfde terwille van 35 percent. U bent mijns inziens ’n gewone, echte schurk. Dàt is m’n opinie van u.Crofts(staart haar even aan,—volstrekt niet gekwetst, en veel meer op z’n gemak, nu ze op dezen ongegeneerden voet met elkaar zijn, dan toen ze eerst wat vormelijk waren). Ha, ha, ha, ha! ga je gang, juffie, geef er me van langs; ’t hindert me niet en ’t amuseert me. Wat weerga, waarom zou ik m’n geld niet op die manier beleggen? Ik neem de interest van ’n kapitaal net als alle andere menschen. Ik hoop niet, dat je vindt, dat ik er m’n eigen handen mee vuil maak. Zeg ’ns zelf: je zoudt toch niet weigeren om kennis te maken met m’n moeders neef, den hertog van Belgravia, omdat sommige van de renten, die hij ontvangt, op ’n wat wonderlijke wijze verdiend worden? Je zoudt vermoedelijk den aartsbisschop van Canterbury niet negeeren omdat de leden van de kerkelijke commissies enkele kroeghouders en zondaren onder hun huurders hebben? Herinner je je de Croftsbeurs in Newnham? Nu, die is gesticht door m’n broer, het parlementslid. Hij krijgt z’n 22 percent van ’n fabriek met 600 meisjes, waarvan er niet één genoeg verdient om van te leven. Hoe stel je je voor, dat die rondscharrelen? Vraag ’t je moeder maar eens. En verwacht je dan, dat ik bedanken zou voor 35 percent, terwijl andere menschen in hun zak steken wàt ze maar kunnen, als verstandige lui? Zòò gek ben ik niet. Als je je kennissen wilt kiezen en uitzoeken volgens zedelijkeprincipes, dan kun je ’t land wel uittrekken, tenzij je jezelf buiten de heele fatsoenlijke maatschappij wilt houden.Vivie(met gewetenswroeging). U kunt er verder nog op wijzen, dat ik zelfs nooit gevraagd heb, waar ’t geld, dat ik uitgaf, vandaan kwam. Ik geloof, dat ik net even slecht ben als u.Crofts(geheel gerustgesteld). Natuurlijk,—en dat is maar goed ook. Wat voor kwaad doet ’t ten slotte? (met een familiare grappigheid). Nou je er verder over nadenkt, zul je me zoo’n schurk wel niet meer vinden, wèl?Vivie.Ik heb dezelfde voordeelen met u gedeeld, en ik ben al zoo ver gegaan van u op vertrouwelijke wijze te vertellen wàt ik van u denk.Crofts(met serieuze minzaamheid). Zeker, dat heb je ook.—Je zult me zoo’n kwaje niet vinden. Ik geef me niet uit voor iemand met een prima intellect, maar ik heb een goeie dozis eerlijk, humaan gevoel; en het oude ras van de Croften komt uìt in ’n zekere instinctmatige haat van alles wat min is,—waarin je zeker met me zult sympathiseeren. Geloof me, juffrouw Vivie, de wereld is zoo kwaad niet, als sommige schreeuwers wel beweren. Zoo lang je de maatschappij niet openlijk trotseert, zal ze je ook geen lastige vragen doen;—en ze maakt korte metten met de ploerten, die ’t wèl doen. Er blijven geen geheimen beter bewaard, dan dìè, die half bekend zijn. In de kringen, waarin ik je zal introduceeren, zal geen heer of dame zich zòò ver vergeten om de zaken van mij of je moeder te bespreken. Geen man kan je ’n veiliger positie aanbieden.Vivie.Ik geloof dat u heusch denkt, dat u uitstekend met me opschiet.Crofts.Wel, ik geloof, dat ik mezelf mag vleien,dat je beter over me denkt, dan je eerst hebt gedaan.Vivie(kalm). Ik vind u nu nauwelijks de moeite waard, om over te denken. (Zij staat op en gaat naar het hek toe, onderweg stilhoudend om hem te bekijken en om bijna zachtzinnig maar met diepe overtuiging tot hem te zeggen): Als ik denk aan de maatschappij die ù duldt, en de wet die ù beschermt,—als ik bedenk hoe hulpeloos overgeleverd negen van de tien meisjes zullen zijn in de handen van u en van m’n moeder:—van de vrouw met het onnoembare bedrijf en haar kapitalist-slavenjager....Crofts(wit van woede). Verdomd!Vivie.U hoèft me niet meer te verdoemen. Ik voel al of ik onder de verdoemden leef. (Zij licht den klink van ’t hek op, om het te openen en er door te gaan. Hij volgt haar en legt z’n hand zwaar op den hoogsten dwarsbalk om te beletten, dat ’t hek geopend wordt).Crofts(hijgend van woede). Denk je, dat ik dit alles van je verdraag, jij kleine duivel?Vivie(koel). Wees bedaard. Er zal iemand komen in antwoord op de bel. (Zonder even te aarzelen slaat zij tegen de bel met den rug van haar hand. ’t Klinkt hard, en Crofts schrikt onwilkeurig terug. Bijna onmiddellijk verschijnt Frank in den ingang van ’t huis met z’n geweer).Frank(met opgewekte beleefdheid). Wil jij ’t geweer hebben Viv, of zalik’t gebruiken?Vivie.Heb je geluisterd, Frank?Frank.Alleen maar naar de bel, ik verzeker ’t je,—zoodat je niet zoudt hoeven te wachten. Ik geloof, dat ik je karakter goed heb doorzien, Crofts.Crofts.Voor ’n kleinigheid zou ik dat geweer van je overnemen en ’t kapot slaan op je hoofd.Frank(voorzichtig naar hem toesluipend). Doedat niet. Ik ga heel onhandig met vuurwapenen om. Er zou stellig ’n noodlottig ongeluk plaats hebben met later ’n waarschuwing van de jury voor m’n onachtzaamheid.Vivie.Zet ’t geweer weg, Frank, ’t is volmaakt onnoodig.Frank.Groot gelijk, Viv. Veel beter jagersmanier om hem in ’n val te vangen. (Crofts, die de beleediging begrijpt, maakt ’n dreigende beweging). Crofts, er zijn vijftien kogels in ’t magazijn en ik ben ’n zekere treffer van ’n afstand als deze, op ’n schijf van jouw omvang.Crofts.O je hoeft niet bang te zijn. Ik zal je niet aanraken.Frank.Heel grootmoedig van je onder de omstandigheden. Wel bedankt.Crofts.Ik wil jullie dit nog zeggen vòor ik heenga. ’t Zal je misschien interesseeren, omdat jullie zoo op elkaar gesteld bent. Sta me toe, Frank, je voor te stellen aan je halfzuster, de oudste dochter van den eerwaarden Samuel Gardner. Juffrouw Vivie, uw halfbroer. Goeie morgen. (Hij gaat door ’t hek heen den weg op).Frank(na ’n pauze van ontdaanheid, neemt z’n geweer op). Viv, je zult voor den rechter getuigen, dat ’t een ongeluk was. (Hij mikt op de verdwijnende figuur van Crofts. Vivie grijpt den loop en draait die rond, tegen haar borst aan).Vivie.Schiet nou. Nu mag je.Frank(laat ’t eind van z’n geweer haastig vallen). Halt! Pas op! (Zij laat ’t gaan. ’t Valt op den grond). O, wat heb je je jongentje laten schrikken! Stel je voor, dat ’t af was gegaan.... O! (geheel ontdaan valt hij op de bank neer).Vivie.Ja, stel je dat voor. Begrijp je niet, dat ’teen verlichting voor me geweest zou zijn om ’n felle lichamelijke pijn in me te voelen scheuren?Frank(vleiend). Trek ’t je niet zoo aan, beste Viv. Bedenk maar, dat àls m’n geweer den vent zòò heeft verschrikt, dat hij voor ’t eerst in z’n leven de waarheid gezegd heeft, ’t ons dan in èrnst maakt tot de babies in ’t bosch. (Hij houdt z’n armen voor haar open). Kom, laten we ons weer toedekken met blaâren.Vivie(met ’n kreet van afschuw). O, dat niet, dat niet! Je laat me rillen!Frank.Waarom,—wat scheelt je?Vivie.Adieu! (Zij gaat heen door ’t hek).Frank(opspringend). Allo! Wacht even! Viv! Viv! (Zij draait zich om bij ’t hek). Waar ga je naar toe? Waar kan ik je vinden?Vivie.Op Honoria Frasers kantoor, Chancery Lane 67,—voor de rest van m’n leven. (Zij gaat heen in de tegenovergestelde richting van Crofts).Frank.Maar hoor dan toch ’ns... wacht even... Wat drommel! (hij rent haar achterna).

DERDE BEDRIJF.In den tuin van de pastorie, den volgenden morgen. De zon schijnt, de vogels zingen lustig. De tuinmuur heeft ’n houten hek, breed genoeg om ’n rijtuig door te laten. Naast het hek hangt ’n bel aan ’n gekronkelden spiraal die in verbinding staat met ’n trekker er buiten. Het rijpad loopt tot aan het midden van den tuin en buigt dan naar links, waar het eindigt in ’n kleine begrinte ronde plaats tegenover den overdekten ingang naar de pastorie. Aan den anderen kant van het hek ziet men den stoffigen straatweg, parallel aan den muur en aan de verste zij afgezet door ’n grasrand en ’n ònomheind dennenbosch. Op het grasveld, tusschen het huis en den rijweg, staat ’n gesnoeide taxusboom, waaronder in de schaduw een tuinbank. Aan den tegenovergestelden kant is de tuin ingesloten door ’n palmhaag; op het grasveld staat een zonnewijzer en daarnaast een ijzeren stoel. Een smal paadje voert, achter den zonnewijzer, door de palmhaag heen.Frank zit op den stoel bij den zonnewijzer, waarop hij de ochtendbladen gelegd heeft en leest de Standard, (conservatief Londensch blad). Zijn vader komt ’t huis uit, rillerig en met roode oogen;—en ontmoet Franks blik wat onzeker.

In den tuin van de pastorie, den volgenden morgen. De zon schijnt, de vogels zingen lustig. De tuinmuur heeft ’n houten hek, breed genoeg om ’n rijtuig door te laten. Naast het hek hangt ’n bel aan ’n gekronkelden spiraal die in verbinding staat met ’n trekker er buiten. Het rijpad loopt tot aan het midden van den tuin en buigt dan naar links, waar het eindigt in ’n kleine begrinte ronde plaats tegenover den overdekten ingang naar de pastorie. Aan den anderen kant van het hek ziet men den stoffigen straatweg, parallel aan den muur en aan de verste zij afgezet door ’n grasrand en ’n ònomheind dennenbosch. Op het grasveld, tusschen het huis en den rijweg, staat ’n gesnoeide taxusboom, waaronder in de schaduw een tuinbank. Aan den tegenovergestelden kant is de tuin ingesloten door ’n palmhaag; op het grasveld staat een zonnewijzer en daarnaast een ijzeren stoel. Een smal paadje voert, achter den zonnewijzer, door de palmhaag heen.

Frank zit op den stoel bij den zonnewijzer, waarop hij de ochtendbladen gelegd heeft en leest de Standard, (conservatief Londensch blad). Zijn vader komt ’t huis uit, rillerig en met roode oogen;—en ontmoet Franks blik wat onzeker.

Frank(kijkt op z’n horloge). Half twaalf, ’n Mooi uur voor ’n dominé om te komen ontbijten.Dominé Sam.Spot niet Frank, spot niet. Ik ben ’n beetje .... è ... (hij rilt).Frank.Katterig?Dominé.Nee jongmensch;—ongesteld van ochtend. Waar is je moeder?Frank.Schrik niet, die is hier niet. Naar stad gegaan met Bessie met den trein van 11.13. Heeft verscheiden boodschappen voor je achtergelaten. Voel je je in staat om ze nu aan te hooren, of wil ik wachten tot je ontbeten hebt?Dominé.Ik hèb ontbeten, sinjeur. ’t Verwondert me, dat je moeder naar de stad is gegaan, terwijl we logé’s hebben. Die zullen ’t heel vreemd vinden.Frank.Daar zal ze mogelijk wel aan gedacht hebben. In ieder geval, als Crofts hier nog blijft en jij iederen nacht tot vier uur toe met hem op blijft zitten, om herinneringen uit je vurige jeugd op te halen, dan is ’t natuurlijk m’n moeders plicht om naar stad te gaan en ’n vatwhiskyen ’n paar honderd flesschen spuitwater te bestellen.Dominé.Ik heb niet opgemerkt, dat Jhr. George bizonder veel heeft gedronken.Frank.Daar was je niet toe in staat, ouwe heer.Dominé.Wil je te kennen geven, dat ik...?Frank(kalm). Nog nooit heb ik ’n weleerwaarden dominé minder sober gezien. De anekdoten uit je vroegere leven, die je verteld hebt, waren zòò schandelijk, dat ik zeker geloof, dat Praed den nacht niet onder je dak zou hebben doorgebracht, als ’t niet was geweest, dat hij en moeder zoo goed met elkaar waren opgeschoten.Dominé.Gekheid, jongmensch. Ik ben Jhr. George z’n gastheer. Ik moet toch over iets met hem praten, en hij heeft maar één onderwerp. Waar is mijnheer Praed nu?Frank.Die rijdt met m’n moeder en Bessie naar ’t station.Dominé.Is Crofts al op?Frank.O, al lang. Die is zoo frisch als ’n hoen; hij is veel beter geoefend dan jij:—heeft detrainingwaarschijnlijk tot nu toe bijgehouden. Hij is ergens gaan rooken. (Frank neemt z’n krant weer op. De dominé wendt zich ontstemd naar het hek toe en komt dan besluiteloos terug).Dominé.E.... Frank.Frank.Ja.Dominé.Geloof je, dat de Warren’s verwachten hier geïnviteerd te worden, na gisteravond?Frank.Zezijnal geïnviteerd. Crofts vertelde ons aan ’t ontbijt, dat je hem gezegd hadt om mevrouw Warren en Vivie vandaag hier te brengen en hun te verzoeken dit huis als het hunne te beschouwen. ’t Was na diè mededeeling, dat moeder bedacht, dat ze naar stad moest met den trein van 11.13.Dominé(met wanhopige heftigheid). Ik heb die invitatie niet gedaan. Ik heb noòit aan zoo iets gedacht.Frank(medelijdend). Hoe kun je weten, ouwe heer, wàt je gisterennacht gezegd en gedacht hebt? Allo! Hier is Praed terug.Praed(komt binnen door ’t hek). Goeie morgen.Dominé.Goeien morgen. Ik moet me verontschuldigen, dat ik u niet aan ’t ontbijt heb gezien. Ik heb ’n lichte aanval van... van...Frank.Dominé’s keelpijn, Praed. Gelukkig niet chronisch.Praed(van onderwerp veranderend). Wel, ik moet zeggen, uw huis is allerliefst gelegen, werkelijk allerliefst.Dominé.Ja, dat is ’t ook. Als u wilt, zal Frank ’n eindje met u gaan wandelen. Ik hoop dat u me zult excuseeren: ik moet de gelegenheid waarnemen om m’n preek te schrijven, terwijl mevrouw Gardnerweg is en m’n gasten zich amuseeren. U neemt me niet kwalijk, niet waar?Praed.Zeker niet, u moet voor mij niet de minste complimenten maken.Dominé.Dank u. Ik zal... è... è... (stamelend gaat hij naar den ingang en verdwijnt in huis).Praed(gaat op ’t gras zitten en pakt z’n enkels beet). Wonderlijk moet dat zijn om iedere week ’n preek te schrijven.Frank.Heel wonderlijk als hij ’t deèd. Hij koopt ze. Hij is nou spuitwater gaan drinken.Praed.Beste jongen, ik wou dat je meer respect toonde tegenover je vader. Je weet zelf hoe aardig je kunt zijn als je wìlt.Frank.M’n goeie Praeddie, je vergeet dat ik met den ouden heer moet lèven. Als twee menschen samen wonen—’t doet er niet toe of ze vader en zoon, man en vrouw of broeder en zuster zijn—dan kunnen ze onmogelijk de beleefde voor-den-gek-houderij volhouden, die zoo makkelijk valt voor ’n minuut of tien op ’n middagvisite. De oude heer nou, die aan veel bewonderenswaardige huiselijke hoedanigheden paart de besluiteloosheid van ’n schaap met de opgeblazenheid en de ongemakkelijkheid van ’n jakhals...Praed.Nee, asjeblieft, beste Frank. Bedenk toch, dat hij je vader is.Frank.Daar geef ik hem alle eer van.—Maar stel je voor, dat hij Crofts gezegd heeft om de Warrens hier te brengen!! Hij moet totaal weg zijn geweest. Je weet beste Praeddie, dat m’n moeder haar dadelijk weg zou kijken. Vivie moet hier niet komen, vòòrdatzijnaar de stad terug is.Praed.Maar je moeder weèt toch niets van mevrouw Warren, wel?Frank.Ik weet ’t niet. Haar gaan naar de staddoet me denken van wel. Niet, dat ’t m’n moeder in ’t algemeèn zou kunnen schelen. Zij heeft ’t dikwijls kranig opgenomen voor ’n massa vrouwen, die in moeilijkheden waren geraakt. Maar dat waren allemaal behoòrlijke vrouwen. Daarin zit ’em het verschil. Mevrouw Warren heeft zeker haar eigenaardige verdiensten, maar ze is zoo allemachtig lawaaiig,—en m’n moeder zou haar eenvoudig niet kunnen dulden. Daarom... Allo! (Deze uitroep wordt veroorzaakt door de wederverschijning van den dominé, die haastig en ontsteld z’n huis uitkomt).Dominé.Frank, mevrouw Warren en haar dochter komen de hei over met Crofts. Ik zag ze van uit m’n studeerkamer. Wat moèt ik zeggen van je moeder?Frank(energiek opspringend). Plak je hoed op je hoofd en ga hen tegemoet en zeg hoe allerplezierigst je ’t vindt om ze te zien;—en dat Frank in den tuin is, en dat moeder en Bessie zijn weggeroepen bij ’n ziek familielid, en dat ’t hun zoo speet dat ze niet konden blijven, en dat je hoopt, dat mevrouw Warren goed geslapen heeft en... en... zeg hun àl ’t mogelijke behalve de waarheid en laat de rest aan onzen lieven Heer over.Dominé.Maar hoe moeten we hen later kwijt raken?Frank.Daar is nou geen tijd voor om over te denken. Hier! (Hij vliegt ’t huis in en keert onmiddellijk terug met ’n vilten dominé’s hoed, die hij z’n vader op ’t hoofd duwt). Maak nu, dat je weg komt. Praed en ik zullen hier wachten, om het zaakje ’n ongezocht aanzien te geven. (De dominé, beduusd maar gehoorzaam, snelt weg door ’t hek. Praed staat op en stoft zichzelf af).Frank.We moeten de oude dame op de een of andere manier naar de stad terugzenden, Praed. Toe,zeg ’ns eerlijk, Praeddie, hoû jij er van om ze samen te zien: Vivie en de ouwe dame?Praed.Och, waarom niet?Frank(z’n tanden op elkaar). Krijg jij er geenkippenvelvan? Die kwaje oude duvel, in staat tot àlles wat gemeen is, en Vivie.... brr!Praed.Sst, asjeblieft. Daar komen ze. (De dominé en Crofts komen samen het rijpad op, gevolgd door Mevrouw Warren en Vivie, die heel innig met elkaar loopen.)Frank.Kijk, ze heeft waarachtig haar arm om het middel van de oude vrouw. ’t Is haar rechterarm; zij moet er mee begonnen zijn. God in den hemel, ze is sentimenteel geworden! Ai! jai! Krijg je nou geen kippenvel? (De dominé opent het hek en mevrouw Warren en Vivie gaan hem voorbij en blijven in het midden van den tuin naar ’t huis staan kijken. Frank, in ’n extase van veinzerij, wendt zich vroolijk naar mevrouw Warren toe en roept uit): Alleraangenaamst om u te zien, mevrouw Warren,—deze rustige, oude pastorie-tuin flatteert u bizonder.Mevr. Warren.Wel, heb je ooit! Hoor je dat George? Hij zegt dat ik er zoo goed uitzie in ’n rustigen, ouden pastorie-tuin.Dominé(houdt het hek nog open voor Crofts, die er met ’n bizonder landerig air doorheen slentert). U ziet er overal goed uit, mevrouw Warren.Frank.Bravo, ouwe heer. Luister ’ns,—laten we nou ’n gezelligen tijd er van maken vóór lunch. Eerst gaan we de kerk bekijken. Die behoort iedereen te zien. ’t Is ’n typische oude, dertiende-eeuwsche kerk, weet je. De oude heer voelt er erg voor, omdat hij indertijd ’n restauratiefonds op touw heeft gezet,—en ze zes jaar geleden totaal verbouwd is geworden. Praed zal er jullie de merkwaardigheden van aantoonen.Dominé(allerminzaamst glimlachend tegen het gezelschap). ’t Zal me bizonder aangenaam zijn, als Jhr. George en mevrouw Warren er werkelijk lust toe voelen.Mevr. Warren.Wel ja, laten we maar gaan en ’t afdoen: ’t Zal George goed doen; de kerk zal van hèm niet veel last hebben, wed ik.Crofts(terugkeerend naar ’t hek). Ik heb er niets tegen.Dominé.Neen, die weg niet. We zullen door ’t veld gaan, als u ’t goed vindt. Dèzen kant uit.Crofts.O, mij goed. (Hij gaat met den dominé. Praed volgt met mevrouw Warren. Vivie beweegt zich niet, maar kijkt hen na met de lijnen van vastberadenheid scherp geteekend op haar gezicht).Frank.Kom je niet?Vivie.Nee. Ik wil je ’n waarschuwing geven, Frank. Je stak daarnet den draak met m’n moeder, toen je dat zei over den pastorie-tuin. Dat is voortaan taboe. Behandel m’n moeder asjeblieft met hetzelfde respect waarmee je je eigen moeder behandelt.Frank.M’n beste Vivie, dat zou ze niet apprecieëren. Ze is heel anders dan m’n moeder: dezelfde behandeling zou voor die twee niet deugen. Maar wat ter wereld is er met je gebeurd? Gisterenavond waren we ’t samen volmaakt eens over je moeder en haar kliek. En van morgen stel je je sentimenteel aan met je arm om haar middel heen.Vivie(rood wordend). Me aanstellen!Frank.Dièn indruk maakte ’t op me. Den eèrsten keer dat ik je iets zag doen van twijfelachtig allooi.Vivie(zichzelf bedwingend). Ja, Frank; er heèft ’n verandering met me plaats gehad, maar ik geloof niet ’n verandering ten kwade. Gisteren was ik ’n ingebeeld nest.Frank.En vandaag?Vivie(haar gezicht vertrekt pijnlijk, dan ziet ze hem vast aan). Vandaag ken ik m’n moeder beter dan jij.Frank.De hemel beware je daarvoor.Vivie.Wat bedoel je daarmee?Frank.Viv,—er bestaat ’n vrijmetselarij tusschen door-en-door-onzedelijke menschen, waar jij niets van afweet. Jij hebt te veel karakter. Maar dàt is de band tusschen je moeder en mij; en dat is ook de reden, dat ik haar beter ken dan jij ooit zult doen.Vivie.Je vergist je, je weet niets van haar af. Als je de omstandigheden kende, waarmee m’n moeder te worstelen heeft gehad....Frank(ad rem haar zin voor haar afmakend). Dan zou ik weten waàrom ze is geworden, wàt ze is,—is ’t zoo niet? Wat zou er dat toe doen? Omstandigheden of geen omstandigheden Viv,—je zult nooit met je moeder kunnen opschieten.Vivie(heel boos). Waarom niet?Frank.Omdat ze ’n slecht wijf is, Viv. Als je ooit weer in mijn bijzijn je arm om haar middel slaat, dan schiet ik me op de plaats zelf voor m’n kop,—als ’n protest tegen ’n vertooning, die me in opstand brengt.Vivie.Moet ik dus kiezen tusschen jou en m’n moeder?Frank.Dat zou de oude dame ’n veel te slechte kans geven. Nee, Viv, je verwaande jongentje zal je in geen geval aan je lot overlaten. Maar daarom moet hij ook zorgen, dat je geen vergissingen begaat.—’t Geeft allemaal niks, Viv, je moeder ìs eenmaal onmogelijk. Ze mag in haar soort niet kwaad zijn,—maar ’t soort zelf ìs slecht, door en door slecht.Vivie(heftig). Frank! (Hij blijft kalm. Zij wendt zich af en gaat zitten op de bank onder den taxus,worstelend om haar zelfbeheersching te herkrijgen. Dan zegt ze). Moet ze door iedereen verlaten worden, omdat ze eenmaal is wat jij “’n slecht soort” noemt? Heeft ze geen recht om te leven?Frank.Daar hoef je niet bang voor te wezen, Viv;zijzal nooit verlaten zijn. (Hij gaat naast haar zitten op de bank).Vivie.Maarikmoet haàr zeker verlaten.Frank(sust haar op babyachtige manier en vleit haar met z’n stem). Moèt niet met haar leven. Familiegroepje van moeder en dochter zou geen succes zijn. Zou òns groepje bederven.Vivie(onder de bekoring komend). Welk groepje?Frank.De babies in ’t bosch; Vivie en haar kleine Frank. (Hij glijdt z’n arm om haar middel en nestelt zich tegen haar aan als ’n moe kind). Laten we mekaar toedekken met dorre blaâren.Vivie(hem zachtjes wiegend als ’n moeder). Vast in slaap, hand in hand, onder de boomen.Frank.Het wijze kleine meisje en naar dwaze kleine jongentje.Vivie.Het lieve kleine jongentje, met het zielige kleine meisje.Frank.Heel, hèèl rustig en bevrijd van de idiotigheid van den vader van ’t jongentje en de rarigheid van de moe....Vivie(het woord smorend tegen haar borst aan). St. st. stst! ’t Kleine meisje wil alles vergeten van haar moeder. (Zij zwijgen eenige oogenblikken elkaar wiegend. Dan komt Vivie plotseling tot bezinning en roept uit): Wat ’n paar gekken zijn we! Kom, zit overeind. Goeie hemel, je haar! (Zij strijkt ’t glad). Ik zou wel eens willen weten of alle groote menschen zoo kinderachtig doen, als er niemand bij is. Ik heb ’t nooit gedaan als kind.Frank.Ik ook niet. Jij bent m’n eerste speelkameraad. (Hij vat haar hand en wil die kussen, maar houdt eerst even op om rond te kijken. Heel onverwacht verschijnt Crofts door de palmhaag). O verdomd!Vivie.Waarom, verdomd?Frank(fluisterend). Sst! Daar komt die fielt van ’n Crofts aan. (Hij gaat verder van haar af zitten met ’n heel onschuldig gezicht).Vivie.Wees niet lomp tegen hem, Frank. Ik wil erg m’n best doen om beleefd tegen hem te zijn. Dat zal m’n moeder plezier doen. (Frank trekt ’n leelijk gezicht).Crofts.Mag ik ’n paar woorden met u spreken, juffrouw Warren?Vivie.Zeker.Crofts(tot Frank). Je excuseert me wel, Gardner.—Ze wachten op je in de kerk, als je er niets tegen hebt.Frank(staat op). Ik wil je graag van dienst zijn, Crofts, behalve met naar de kerk te gaan. Als je iets noodig hebt, Vivie, bel dan aan ’t hek, dan verschijnt een van de dienstboden. (Hij gaat ’t huis in met kalme beminnelijkheid).Crofts.(Kijkt hem met ’n sluwe uitdrukking nà, terwijl ie verdwijnt, en spreekt dan tot Vivie op ’n toon alsof hij op vertrouwelijken voet met haar is). ’n Aardige jongen, juffrouw Vivie. Jammer, dat hij geen geld heeft, hè?Vivie.Vindt u?Crofts.Wel, wat moet hij uitvoeren? Heeft geen betrekking en geen fortuin.—Waar dient hij toe?Vivie.Ik zie volkomen goed z’n zwakke punten, Jhr. George.Crofts(’n beetje van z’n stuk gebracht, omdat hij zoo volmaakt doorzien wordt). O zòò meen ik ’t niet,Maar zoolang we eenmaal op deze wereld zijn, moeten we er ook rekening mee houden,—en geld is geld. (Vivie antwoordt niet). ’n Mooie dag, vindt u niet?Vivie(met ternauwernood bedwongen minachting voor z’n poging tot conversatie). Heel mooi.Crofts(met brutale jovialiteit, alsof hij haar flinkheid bewondert). Wel, daarover wou ik anders niet praten (met voorgewende openhartigheid). Luister ’ns, juffrouw Vivie. Ik ben me volkomen bewust, dat ik geen man voor dames ben.Vivie.Heusch niet?Crofts.Nee; en om u de waarheid te zeggen, dat wil ik ook niet zijn. Maar als ik wat zeg, dan meen ik het;—als ik iets voel, dan voel ik ’t ècht,—en wat ik graag wil hebben, daar wil ik ook goed voor betalen. Dàt soort van man ben ik.Vivie.Dat doet u alle eer aan.Crofts.O, ik wil m’n eigen lof niet zingen. De hemel weet, dat ik m’n fouten heb;—geen man ziet die beter dan ik. Ik weet, dat ik niet volmaakt ben: die zelfkennis is een van de voordeelen van ’n man van middelbaren leeftijd;—want ik bèn niet jong meer en daar geef ik me niet voor uit ook. Mìjn moraal is heel eenvoudig en ik geloof goed: Eergevoel tusschen man en man, trouw tusschen man en vrouw en geen malle praatjes over den een of anderen godsdienst, maar ’n eerlijk geloof, dat de wereld geleidelijk vooruitgaat.Vivie(snijdend ironisch). “Een macht, niet wijzelf, die rechtvaardigheid wil.”Crofts(haar au sérieux nemend). O zeker, wijzelf natuurlijk niet. U begrijpt wat ik bedoel. (Hij gaat naast haar zitten, op ’n wijze alsof hij ’n verwante ziel had gevonden). En nu, wat practische zaken betreft. U zult misschien meenen, dat ik m’n geldheb weggegooid, maar dat is zoo niet. Ik ben vandaag rijker, dan toen ik indertijd m’n fortuin in handen kreeg. Ik heb van m’n wereldkennis geprofiteerd, om m’n geld te steken in zaken, die andere menschen over ’t hoofd hebben gezien; en wàt ik ook wezen mag, op ’t punt van geld ben ik ’n betrouwbaar man.Vivie.’t Is heel vriendelijk van u, me dat allemaal te vertellen.Crofts.Kom nou, juffrouw Vivie,—u hoeft u niet te houden, alsof u niet weet, waar ik heen wil. Ik verlang om me te vestigen met ’n “Lady Crofts”.—Ik vermoed, dat u me wel erg botaf vindt?Vivie.Volstrekt niet. Ik ben er u heel dankbaar voor, dat u zoo kort en zakelijk bent. Ik stel uw aanbod zeer op prijs: het geld, de positie, Lady Crofts en zoo al meer. Maar, met uwwelnemen, zal ik toch maar “nee” zeggen. Liever niet. (Zij staat en drentelt naar den zonnewijzer, om wat uit z’n onmiddellijke nabijheid te zijn).Crofts(in ’t minst niet ontmoedigd, gebruik makend van de meerdere plaats op de bank om er zich gemakkelijk op uit te strekken, vat het op alsof ’n paar voorloopige weigeringen ’n onvermijdelijk deel uitmaakten van den gewonen gang van ’n huwelijksaanzoek). Ik heb geen haast. Ik wou u dit alleen maar laten weten, voor ’t geval dat de jonge Gardner mocht probeeren u te vangen. Denk er eens over na.Vivie(scherp). Mijn neenblijftneen. Ik kom er niet op terug. (Zij ziet hem aan van uit de hoogte. Hij grijnst; buigt zich voorover met z’n elbogen op z’n knieën om met z’n stok naar ’n ongelukkig insect in ’t gras te prikken. Hij kijkt haar sluw aan. Ongeduldig wendt zij zich af).Crofts.Ik ben ’n goed beetje ouder dan u,—vijf en twintig jaar, ’n kwart eeuw. Ik heb ’t eeuwige leven niet, en ik zal zorgen, dat u goed achterblijft, als ik er niet meer zijn zal.Vivie.Zelfs tegen diè verleiding ben ik bestand, Jhr. George. Gelooft u niet, dat u beter zoudt doen met m’n antwoord te accepteeren? Er is niet de minste kans, dat ik veranderen zal.Crofts(staat op, na ’n laatsten slag naar ’n madeliefje en begint heen en weer te loopen.) Wel, ’t hindert niet. Ik zou u dingen kunnen vertellen, die u gauw genoeg van gedachten zouden doen veranderen,—maar dat wil ik niet, omdat ik u liever wil zien te winnen door eerlijke liefde. Ik ben ’n goeie vriend voor uw moeder geweest, vraag haar dat maar eens. Zij zou nooit ’t geld verdiend hebben, dat uw opvoeding betaald heeft, als ìk haar niet geraden en geholpen had. Om niet te spreken van het geld, dat ik haar heb voorgeschoten. Er zijn niet veel menschen, die haar gesteund zouden hebben, zooals ìk ’t heb gedaan. Ik heb van ’t begin tot ’t laatst toe niet minder dan 40,000 pond in haar zaak gestoken.Vivie(hem aanstarend). Wilt u zeggen, dat u m’n moeders deelgenoot geweest bent?Crofts.Ja. Bedenk dus nou ’ns wat ’n last en explicaties ’t besparen zou, als wij ’t heele geval onder ons hielden, om zoo te zeggen. Vraag uw moeder maar eens of zij ’t prettig zou vinden om uitlegging van d’r zaken te geven aan ’n totaal vreemde.Vivie.Daar zie ik de bezwaren niet van in, nu de zaken toch aan kant zijn gedaan en het geld belegd is.Crofts(blijft plotseling verbaasd staan). Aan kant gedaan? Een onderneming aan kant doen, die 35 percent uitkeert in de slechtste jaren?! Niet waarschijnlijk, hoor. Wie heeft u dàt verteld?Vivie(plotseling verbleekend). Bedoelt u dat ze nog...? (Zij houdt op eens stil en legt haar hand op den zonnewijzer om zichzelf te ondersteunen. Dan loopt ze haastig naar den ijzeren stoel en gaat zitten). Over welke onderneming spreekt u?Crofts.Wel, de kwestie is, dat ze nou niet precies als ’n zaak van den eersten rang beschouwd wordt in mijn kringen, de voorname kringen, weet u;—die ònze kringen zullen worden, als u anders over m’n aanzoek gaat denken. Niet, dat er iets niet in den haak mee is, dat moet u niet denken. U begrijpt door het feit, dat uw moeder er in is, dat ze volkomen fair en eerlijk is. Ik heb haar jaren lang gekend en ik weet van haar, dat ze liever haar hand zou afslaan, dan met iets te doen te hebben, wat niet heelemaal behoorlijk is. Als u wilt zal ik er u alles van vertellen. Ik weet niet of u wel eens ondervonden hebt, als u op reis was, hoe moeilijk ’t is, om ’n werkelijk goèd ingericht familiehotel te vinden.Vivie(wendt haar gezicht af met walging.) Ja,—ga door.Crofts.Nu, dat is alles. Uw moeder heeft ’n zeldzame gave om die dingen te besturen. We hebben er twee in Brussel, één in Berlijn, één in Weenen en twee in Buda-Pest.—Natuurlijk zijn er nog anderen behalve wij in de zaak, maar wìj hebben er het meeste kapitaal in,—en uw moeder is onmisbaar als directrice. U hebt zeker wel gemerkt, dat zij veel reist.—Maar u begrijpt,—over zulke dingen kun je in gezelschap niet spreken. Noem ’t woord “hotel” maar eens en iedereen zegt, dat je ’n publiek huis houdt. U zoudt toch niet willen, dat ze dàt van uw moeder zouden zeggen, wel? Daarom houden we ’t zoo stil. Wat ik zeggen wil, u zult ’t ook welvoòr u houden, niet? Nu ’t al zòòlang ’n geheim is geweest, is ’t beter dat ’t dat ook blijft.Vivie.En dit is dus de onderneming, waar u wilt, dat ik deel in zal nemen!Crofts.Welnee. Mijn vrouw zal niets met zaken te maken hebben. U zult er niet meer mee te maken hebben dan u altijd gedaan hebt.Vivie.Altijd gedaan heb! Wat bedoelt u?Crofts.Alleen maar dat u er altijd van geleefd hebt. Ze heeft betaald voor uw opvoeding en voor de japon die u aan uw lijf hebt. Trek uw neus maar niet op voor zaken, juffrouw Vivie. Wat zou er van uw mooie scholen worden zonder geld?Vivie(staat op, half buiten zichzelf). Pas op. Ik weet wàt voor zaak ’t is.Crofts(opschrikkend, met ’n onderdrukte vloek). Wie heeft u dat verteld?Vivie.Uw compagnon—m’n moeder.Crofts(zwart van woede). Die ouwe.... (Vivie ziet hem haastig aan. Hij slikt ’t woord in en staat stilletjes voor zich te razen en te vloeken. Dan bedenkt hij zich, dat hij sympathiek moet zijn en hij neemt z’n toevlucht tot ’n edele verontwaardiging). Zij behoorde u meer te hebben ontzien.Ikzou ’t u nooit verteld hebben.Vivie.Ik denk, dat u waarschijnlijk gewacht zoudt hebben tot we getrouwd waren. Het zou ’n makkelijk wapen voor u geweest zijn om me mee klein te krijgen.Crofts(heel oprecht). Ik had ’t nooit willen doen. Op m’n woord niet. (Vivie ziet hem verwonderd aan. Haar gevoel voor de ironie van zijn protest kalmeert haar en geeft haar kracht. Zij antwoordt met minachtende zelfbeheersching.)Vivie.’t Doet er niet toe. Ik veronderstel dat ubegrijpt, dat wanneer wij vandaag van hier weggaan, onze kennismaking tot ’n eind komt.Crofts.Waarom? Omdat ik u moeder geholpen heb?Vivie.Mijn moeder was ’n arme vrouw die geen keus had om anders te handelen dan ze gedaan heeft. Maar ù was rijk en u deed hetzelfde terwille van 35 percent. U bent mijns inziens ’n gewone, echte schurk. Dàt is m’n opinie van u.Crofts(staart haar even aan,—volstrekt niet gekwetst, en veel meer op z’n gemak, nu ze op dezen ongegeneerden voet met elkaar zijn, dan toen ze eerst wat vormelijk waren). Ha, ha, ha, ha! ga je gang, juffie, geef er me van langs; ’t hindert me niet en ’t amuseert me. Wat weerga, waarom zou ik m’n geld niet op die manier beleggen? Ik neem de interest van ’n kapitaal net als alle andere menschen. Ik hoop niet, dat je vindt, dat ik er m’n eigen handen mee vuil maak. Zeg ’ns zelf: je zoudt toch niet weigeren om kennis te maken met m’n moeders neef, den hertog van Belgravia, omdat sommige van de renten, die hij ontvangt, op ’n wat wonderlijke wijze verdiend worden? Je zoudt vermoedelijk den aartsbisschop van Canterbury niet negeeren omdat de leden van de kerkelijke commissies enkele kroeghouders en zondaren onder hun huurders hebben? Herinner je je de Croftsbeurs in Newnham? Nu, die is gesticht door m’n broer, het parlementslid. Hij krijgt z’n 22 percent van ’n fabriek met 600 meisjes, waarvan er niet één genoeg verdient om van te leven. Hoe stel je je voor, dat die rondscharrelen? Vraag ’t je moeder maar eens. En verwacht je dan, dat ik bedanken zou voor 35 percent, terwijl andere menschen in hun zak steken wàt ze maar kunnen, als verstandige lui? Zòò gek ben ik niet. Als je je kennissen wilt kiezen en uitzoeken volgens zedelijkeprincipes, dan kun je ’t land wel uittrekken, tenzij je jezelf buiten de heele fatsoenlijke maatschappij wilt houden.Vivie(met gewetenswroeging). U kunt er verder nog op wijzen, dat ik zelfs nooit gevraagd heb, waar ’t geld, dat ik uitgaf, vandaan kwam. Ik geloof, dat ik net even slecht ben als u.Crofts(geheel gerustgesteld). Natuurlijk,—en dat is maar goed ook. Wat voor kwaad doet ’t ten slotte? (met een familiare grappigheid). Nou je er verder over nadenkt, zul je me zoo’n schurk wel niet meer vinden, wèl?Vivie.Ik heb dezelfde voordeelen met u gedeeld, en ik ben al zoo ver gegaan van u op vertrouwelijke wijze te vertellen wàt ik van u denk.Crofts(met serieuze minzaamheid). Zeker, dat heb je ook.—Je zult me zoo’n kwaje niet vinden. Ik geef me niet uit voor iemand met een prima intellect, maar ik heb een goeie dozis eerlijk, humaan gevoel; en het oude ras van de Croften komt uìt in ’n zekere instinctmatige haat van alles wat min is,—waarin je zeker met me zult sympathiseeren. Geloof me, juffrouw Vivie, de wereld is zoo kwaad niet, als sommige schreeuwers wel beweren. Zoo lang je de maatschappij niet openlijk trotseert, zal ze je ook geen lastige vragen doen;—en ze maakt korte metten met de ploerten, die ’t wèl doen. Er blijven geen geheimen beter bewaard, dan dìè, die half bekend zijn. In de kringen, waarin ik je zal introduceeren, zal geen heer of dame zich zòò ver vergeten om de zaken van mij of je moeder te bespreken. Geen man kan je ’n veiliger positie aanbieden.Vivie.Ik geloof dat u heusch denkt, dat u uitstekend met me opschiet.Crofts.Wel, ik geloof, dat ik mezelf mag vleien,dat je beter over me denkt, dan je eerst hebt gedaan.Vivie(kalm). Ik vind u nu nauwelijks de moeite waard, om over te denken. (Zij staat op en gaat naar het hek toe, onderweg stilhoudend om hem te bekijken en om bijna zachtzinnig maar met diepe overtuiging tot hem te zeggen): Als ik denk aan de maatschappij die ù duldt, en de wet die ù beschermt,—als ik bedenk hoe hulpeloos overgeleverd negen van de tien meisjes zullen zijn in de handen van u en van m’n moeder:—van de vrouw met het onnoembare bedrijf en haar kapitalist-slavenjager....Crofts(wit van woede). Verdomd!Vivie.U hoèft me niet meer te verdoemen. Ik voel al of ik onder de verdoemden leef. (Zij licht den klink van ’t hek op, om het te openen en er door te gaan. Hij volgt haar en legt z’n hand zwaar op den hoogsten dwarsbalk om te beletten, dat ’t hek geopend wordt).Crofts(hijgend van woede). Denk je, dat ik dit alles van je verdraag, jij kleine duivel?Vivie(koel). Wees bedaard. Er zal iemand komen in antwoord op de bel. (Zonder even te aarzelen slaat zij tegen de bel met den rug van haar hand. ’t Klinkt hard, en Crofts schrikt onwilkeurig terug. Bijna onmiddellijk verschijnt Frank in den ingang van ’t huis met z’n geweer).Frank(met opgewekte beleefdheid). Wil jij ’t geweer hebben Viv, of zalik’t gebruiken?Vivie.Heb je geluisterd, Frank?Frank.Alleen maar naar de bel, ik verzeker ’t je,—zoodat je niet zoudt hoeven te wachten. Ik geloof, dat ik je karakter goed heb doorzien, Crofts.Crofts.Voor ’n kleinigheid zou ik dat geweer van je overnemen en ’t kapot slaan op je hoofd.Frank(voorzichtig naar hem toesluipend). Doedat niet. Ik ga heel onhandig met vuurwapenen om. Er zou stellig ’n noodlottig ongeluk plaats hebben met later ’n waarschuwing van de jury voor m’n onachtzaamheid.Vivie.Zet ’t geweer weg, Frank, ’t is volmaakt onnoodig.Frank.Groot gelijk, Viv. Veel beter jagersmanier om hem in ’n val te vangen. (Crofts, die de beleediging begrijpt, maakt ’n dreigende beweging). Crofts, er zijn vijftien kogels in ’t magazijn en ik ben ’n zekere treffer van ’n afstand als deze, op ’n schijf van jouw omvang.Crofts.O je hoeft niet bang te zijn. Ik zal je niet aanraken.Frank.Heel grootmoedig van je onder de omstandigheden. Wel bedankt.Crofts.Ik wil jullie dit nog zeggen vòor ik heenga. ’t Zal je misschien interesseeren, omdat jullie zoo op elkaar gesteld bent. Sta me toe, Frank, je voor te stellen aan je halfzuster, de oudste dochter van den eerwaarden Samuel Gardner. Juffrouw Vivie, uw halfbroer. Goeie morgen. (Hij gaat door ’t hek heen den weg op).Frank(na ’n pauze van ontdaanheid, neemt z’n geweer op). Viv, je zult voor den rechter getuigen, dat ’t een ongeluk was. (Hij mikt op de verdwijnende figuur van Crofts. Vivie grijpt den loop en draait die rond, tegen haar borst aan).Vivie.Schiet nou. Nu mag je.Frank(laat ’t eind van z’n geweer haastig vallen). Halt! Pas op! (Zij laat ’t gaan. ’t Valt op den grond). O, wat heb je je jongentje laten schrikken! Stel je voor, dat ’t af was gegaan.... O! (geheel ontdaan valt hij op de bank neer).Vivie.Ja, stel je dat voor. Begrijp je niet, dat ’teen verlichting voor me geweest zou zijn om ’n felle lichamelijke pijn in me te voelen scheuren?Frank(vleiend). Trek ’t je niet zoo aan, beste Viv. Bedenk maar, dat àls m’n geweer den vent zòò heeft verschrikt, dat hij voor ’t eerst in z’n leven de waarheid gezegd heeft, ’t ons dan in èrnst maakt tot de babies in ’t bosch. (Hij houdt z’n armen voor haar open). Kom, laten we ons weer toedekken met blaâren.Vivie(met ’n kreet van afschuw). O, dat niet, dat niet! Je laat me rillen!Frank.Waarom,—wat scheelt je?Vivie.Adieu! (Zij gaat heen door ’t hek).Frank(opspringend). Allo! Wacht even! Viv! Viv! (Zij draait zich om bij ’t hek). Waar ga je naar toe? Waar kan ik je vinden?Vivie.Op Honoria Frasers kantoor, Chancery Lane 67,—voor de rest van m’n leven. (Zij gaat heen in de tegenovergestelde richting van Crofts).Frank.Maar hoor dan toch ’ns... wacht even... Wat drommel! (hij rent haar achterna).

Frank(kijkt op z’n horloge). Half twaalf, ’n Mooi uur voor ’n dominé om te komen ontbijten.

Dominé Sam.Spot niet Frank, spot niet. Ik ben ’n beetje .... è ... (hij rilt).

Frank.Katterig?

Dominé.Nee jongmensch;—ongesteld van ochtend. Waar is je moeder?

Frank.Schrik niet, die is hier niet. Naar stad gegaan met Bessie met den trein van 11.13. Heeft verscheiden boodschappen voor je achtergelaten. Voel je je in staat om ze nu aan te hooren, of wil ik wachten tot je ontbeten hebt?

Dominé.Ik hèb ontbeten, sinjeur. ’t Verwondert me, dat je moeder naar de stad is gegaan, terwijl we logé’s hebben. Die zullen ’t heel vreemd vinden.

Frank.Daar zal ze mogelijk wel aan gedacht hebben. In ieder geval, als Crofts hier nog blijft en jij iederen nacht tot vier uur toe met hem op blijft zitten, om herinneringen uit je vurige jeugd op te halen, dan is ’t natuurlijk m’n moeders plicht om naar stad te gaan en ’n vatwhiskyen ’n paar honderd flesschen spuitwater te bestellen.

Dominé.Ik heb niet opgemerkt, dat Jhr. George bizonder veel heeft gedronken.

Frank.Daar was je niet toe in staat, ouwe heer.

Dominé.Wil je te kennen geven, dat ik...?

Frank(kalm). Nog nooit heb ik ’n weleerwaarden dominé minder sober gezien. De anekdoten uit je vroegere leven, die je verteld hebt, waren zòò schandelijk, dat ik zeker geloof, dat Praed den nacht niet onder je dak zou hebben doorgebracht, als ’t niet was geweest, dat hij en moeder zoo goed met elkaar waren opgeschoten.

Dominé.Gekheid, jongmensch. Ik ben Jhr. George z’n gastheer. Ik moet toch over iets met hem praten, en hij heeft maar één onderwerp. Waar is mijnheer Praed nu?

Frank.Die rijdt met m’n moeder en Bessie naar ’t station.

Dominé.Is Crofts al op?

Frank.O, al lang. Die is zoo frisch als ’n hoen; hij is veel beter geoefend dan jij:—heeft detrainingwaarschijnlijk tot nu toe bijgehouden. Hij is ergens gaan rooken. (Frank neemt z’n krant weer op. De dominé wendt zich ontstemd naar het hek toe en komt dan besluiteloos terug).

Dominé.E.... Frank.

Frank.Ja.

Dominé.Geloof je, dat de Warren’s verwachten hier geïnviteerd te worden, na gisteravond?

Frank.Zezijnal geïnviteerd. Crofts vertelde ons aan ’t ontbijt, dat je hem gezegd hadt om mevrouw Warren en Vivie vandaag hier te brengen en hun te verzoeken dit huis als het hunne te beschouwen. ’t Was na diè mededeeling, dat moeder bedacht, dat ze naar stad moest met den trein van 11.13.

Dominé(met wanhopige heftigheid). Ik heb die invitatie niet gedaan. Ik heb noòit aan zoo iets gedacht.

Frank(medelijdend). Hoe kun je weten, ouwe heer, wàt je gisterennacht gezegd en gedacht hebt? Allo! Hier is Praed terug.

Praed(komt binnen door ’t hek). Goeie morgen.

Dominé.Goeien morgen. Ik moet me verontschuldigen, dat ik u niet aan ’t ontbijt heb gezien. Ik heb ’n lichte aanval van... van...

Frank.Dominé’s keelpijn, Praed. Gelukkig niet chronisch.

Praed(van onderwerp veranderend). Wel, ik moet zeggen, uw huis is allerliefst gelegen, werkelijk allerliefst.

Dominé.Ja, dat is ’t ook. Als u wilt, zal Frank ’n eindje met u gaan wandelen. Ik hoop dat u me zult excuseeren: ik moet de gelegenheid waarnemen om m’n preek te schrijven, terwijl mevrouw Gardnerweg is en m’n gasten zich amuseeren. U neemt me niet kwalijk, niet waar?

Praed.Zeker niet, u moet voor mij niet de minste complimenten maken.

Dominé.Dank u. Ik zal... è... è... (stamelend gaat hij naar den ingang en verdwijnt in huis).

Praed(gaat op ’t gras zitten en pakt z’n enkels beet). Wonderlijk moet dat zijn om iedere week ’n preek te schrijven.

Frank.Heel wonderlijk als hij ’t deèd. Hij koopt ze. Hij is nou spuitwater gaan drinken.

Praed.Beste jongen, ik wou dat je meer respect toonde tegenover je vader. Je weet zelf hoe aardig je kunt zijn als je wìlt.

Frank.M’n goeie Praeddie, je vergeet dat ik met den ouden heer moet lèven. Als twee menschen samen wonen—’t doet er niet toe of ze vader en zoon, man en vrouw of broeder en zuster zijn—dan kunnen ze onmogelijk de beleefde voor-den-gek-houderij volhouden, die zoo makkelijk valt voor ’n minuut of tien op ’n middagvisite. De oude heer nou, die aan veel bewonderenswaardige huiselijke hoedanigheden paart de besluiteloosheid van ’n schaap met de opgeblazenheid en de ongemakkelijkheid van ’n jakhals...

Praed.Nee, asjeblieft, beste Frank. Bedenk toch, dat hij je vader is.

Frank.Daar geef ik hem alle eer van.—Maar stel je voor, dat hij Crofts gezegd heeft om de Warrens hier te brengen!! Hij moet totaal weg zijn geweest. Je weet beste Praeddie, dat m’n moeder haar dadelijk weg zou kijken. Vivie moet hier niet komen, vòòrdatzijnaar de stad terug is.

Praed.Maar je moeder weèt toch niets van mevrouw Warren, wel?

Frank.Ik weet ’t niet. Haar gaan naar de staddoet me denken van wel. Niet, dat ’t m’n moeder in ’t algemeèn zou kunnen schelen. Zij heeft ’t dikwijls kranig opgenomen voor ’n massa vrouwen, die in moeilijkheden waren geraakt. Maar dat waren allemaal behoòrlijke vrouwen. Daarin zit ’em het verschil. Mevrouw Warren heeft zeker haar eigenaardige verdiensten, maar ze is zoo allemachtig lawaaiig,—en m’n moeder zou haar eenvoudig niet kunnen dulden. Daarom... Allo! (Deze uitroep wordt veroorzaakt door de wederverschijning van den dominé, die haastig en ontsteld z’n huis uitkomt).

Dominé.Frank, mevrouw Warren en haar dochter komen de hei over met Crofts. Ik zag ze van uit m’n studeerkamer. Wat moèt ik zeggen van je moeder?

Frank(energiek opspringend). Plak je hoed op je hoofd en ga hen tegemoet en zeg hoe allerplezierigst je ’t vindt om ze te zien;—en dat Frank in den tuin is, en dat moeder en Bessie zijn weggeroepen bij ’n ziek familielid, en dat ’t hun zoo speet dat ze niet konden blijven, en dat je hoopt, dat mevrouw Warren goed geslapen heeft en... en... zeg hun àl ’t mogelijke behalve de waarheid en laat de rest aan onzen lieven Heer over.

Dominé.Maar hoe moeten we hen later kwijt raken?

Frank.Daar is nou geen tijd voor om over te denken. Hier! (Hij vliegt ’t huis in en keert onmiddellijk terug met ’n vilten dominé’s hoed, die hij z’n vader op ’t hoofd duwt). Maak nu, dat je weg komt. Praed en ik zullen hier wachten, om het zaakje ’n ongezocht aanzien te geven. (De dominé, beduusd maar gehoorzaam, snelt weg door ’t hek. Praed staat op en stoft zichzelf af).

Frank.We moeten de oude dame op de een of andere manier naar de stad terugzenden, Praed. Toe,zeg ’ns eerlijk, Praeddie, hoû jij er van om ze samen te zien: Vivie en de ouwe dame?

Praed.Och, waarom niet?

Frank(z’n tanden op elkaar). Krijg jij er geenkippenvelvan? Die kwaje oude duvel, in staat tot àlles wat gemeen is, en Vivie.... brr!

Praed.Sst, asjeblieft. Daar komen ze. (De dominé en Crofts komen samen het rijpad op, gevolgd door Mevrouw Warren en Vivie, die heel innig met elkaar loopen.)

Frank.Kijk, ze heeft waarachtig haar arm om het middel van de oude vrouw. ’t Is haar rechterarm; zij moet er mee begonnen zijn. God in den hemel, ze is sentimenteel geworden! Ai! jai! Krijg je nou geen kippenvel? (De dominé opent het hek en mevrouw Warren en Vivie gaan hem voorbij en blijven in het midden van den tuin naar ’t huis staan kijken. Frank, in ’n extase van veinzerij, wendt zich vroolijk naar mevrouw Warren toe en roept uit): Alleraangenaamst om u te zien, mevrouw Warren,—deze rustige, oude pastorie-tuin flatteert u bizonder.

Mevr. Warren.Wel, heb je ooit! Hoor je dat George? Hij zegt dat ik er zoo goed uitzie in ’n rustigen, ouden pastorie-tuin.

Dominé(houdt het hek nog open voor Crofts, die er met ’n bizonder landerig air doorheen slentert). U ziet er overal goed uit, mevrouw Warren.

Frank.Bravo, ouwe heer. Luister ’ns,—laten we nou ’n gezelligen tijd er van maken vóór lunch. Eerst gaan we de kerk bekijken. Die behoort iedereen te zien. ’t Is ’n typische oude, dertiende-eeuwsche kerk, weet je. De oude heer voelt er erg voor, omdat hij indertijd ’n restauratiefonds op touw heeft gezet,—en ze zes jaar geleden totaal verbouwd is geworden. Praed zal er jullie de merkwaardigheden van aantoonen.

Dominé(allerminzaamst glimlachend tegen het gezelschap). ’t Zal me bizonder aangenaam zijn, als Jhr. George en mevrouw Warren er werkelijk lust toe voelen.

Mevr. Warren.Wel ja, laten we maar gaan en ’t afdoen: ’t Zal George goed doen; de kerk zal van hèm niet veel last hebben, wed ik.

Crofts(terugkeerend naar ’t hek). Ik heb er niets tegen.

Dominé.Neen, die weg niet. We zullen door ’t veld gaan, als u ’t goed vindt. Dèzen kant uit.

Crofts.O, mij goed. (Hij gaat met den dominé. Praed volgt met mevrouw Warren. Vivie beweegt zich niet, maar kijkt hen na met de lijnen van vastberadenheid scherp geteekend op haar gezicht).

Frank.Kom je niet?

Vivie.Nee. Ik wil je ’n waarschuwing geven, Frank. Je stak daarnet den draak met m’n moeder, toen je dat zei over den pastorie-tuin. Dat is voortaan taboe. Behandel m’n moeder asjeblieft met hetzelfde respect waarmee je je eigen moeder behandelt.

Frank.M’n beste Vivie, dat zou ze niet apprecieëren. Ze is heel anders dan m’n moeder: dezelfde behandeling zou voor die twee niet deugen. Maar wat ter wereld is er met je gebeurd? Gisterenavond waren we ’t samen volmaakt eens over je moeder en haar kliek. En van morgen stel je je sentimenteel aan met je arm om haar middel heen.

Vivie(rood wordend). Me aanstellen!

Frank.Dièn indruk maakte ’t op me. Den eèrsten keer dat ik je iets zag doen van twijfelachtig allooi.

Vivie(zichzelf bedwingend). Ja, Frank; er heèft ’n verandering met me plaats gehad, maar ik geloof niet ’n verandering ten kwade. Gisteren was ik ’n ingebeeld nest.

Frank.En vandaag?

Vivie(haar gezicht vertrekt pijnlijk, dan ziet ze hem vast aan). Vandaag ken ik m’n moeder beter dan jij.

Frank.De hemel beware je daarvoor.

Vivie.Wat bedoel je daarmee?

Frank.Viv,—er bestaat ’n vrijmetselarij tusschen door-en-door-onzedelijke menschen, waar jij niets van afweet. Jij hebt te veel karakter. Maar dàt is de band tusschen je moeder en mij; en dat is ook de reden, dat ik haar beter ken dan jij ooit zult doen.

Vivie.Je vergist je, je weet niets van haar af. Als je de omstandigheden kende, waarmee m’n moeder te worstelen heeft gehad....

Frank(ad rem haar zin voor haar afmakend). Dan zou ik weten waàrom ze is geworden, wàt ze is,—is ’t zoo niet? Wat zou er dat toe doen? Omstandigheden of geen omstandigheden Viv,—je zult nooit met je moeder kunnen opschieten.

Vivie(heel boos). Waarom niet?

Frank.Omdat ze ’n slecht wijf is, Viv. Als je ooit weer in mijn bijzijn je arm om haar middel slaat, dan schiet ik me op de plaats zelf voor m’n kop,—als ’n protest tegen ’n vertooning, die me in opstand brengt.

Vivie.Moet ik dus kiezen tusschen jou en m’n moeder?

Frank.Dat zou de oude dame ’n veel te slechte kans geven. Nee, Viv, je verwaande jongentje zal je in geen geval aan je lot overlaten. Maar daarom moet hij ook zorgen, dat je geen vergissingen begaat.—’t Geeft allemaal niks, Viv, je moeder ìs eenmaal onmogelijk. Ze mag in haar soort niet kwaad zijn,—maar ’t soort zelf ìs slecht, door en door slecht.

Vivie(heftig). Frank! (Hij blijft kalm. Zij wendt zich af en gaat zitten op de bank onder den taxus,worstelend om haar zelfbeheersching te herkrijgen. Dan zegt ze). Moet ze door iedereen verlaten worden, omdat ze eenmaal is wat jij “’n slecht soort” noemt? Heeft ze geen recht om te leven?

Frank.Daar hoef je niet bang voor te wezen, Viv;zijzal nooit verlaten zijn. (Hij gaat naast haar zitten op de bank).

Vivie.Maarikmoet haàr zeker verlaten.

Frank(sust haar op babyachtige manier en vleit haar met z’n stem). Moèt niet met haar leven. Familiegroepje van moeder en dochter zou geen succes zijn. Zou òns groepje bederven.

Vivie(onder de bekoring komend). Welk groepje?

Frank.De babies in ’t bosch; Vivie en haar kleine Frank. (Hij glijdt z’n arm om haar middel en nestelt zich tegen haar aan als ’n moe kind). Laten we mekaar toedekken met dorre blaâren.

Vivie(hem zachtjes wiegend als ’n moeder). Vast in slaap, hand in hand, onder de boomen.

Frank.Het wijze kleine meisje en naar dwaze kleine jongentje.

Vivie.Het lieve kleine jongentje, met het zielige kleine meisje.

Frank.Heel, hèèl rustig en bevrijd van de idiotigheid van den vader van ’t jongentje en de rarigheid van de moe....

Vivie(het woord smorend tegen haar borst aan). St. st. stst! ’t Kleine meisje wil alles vergeten van haar moeder. (Zij zwijgen eenige oogenblikken elkaar wiegend. Dan komt Vivie plotseling tot bezinning en roept uit): Wat ’n paar gekken zijn we! Kom, zit overeind. Goeie hemel, je haar! (Zij strijkt ’t glad). Ik zou wel eens willen weten of alle groote menschen zoo kinderachtig doen, als er niemand bij is. Ik heb ’t nooit gedaan als kind.

Frank.Ik ook niet. Jij bent m’n eerste speelkameraad. (Hij vat haar hand en wil die kussen, maar houdt eerst even op om rond te kijken. Heel onverwacht verschijnt Crofts door de palmhaag). O verdomd!

Vivie.Waarom, verdomd?

Frank(fluisterend). Sst! Daar komt die fielt van ’n Crofts aan. (Hij gaat verder van haar af zitten met ’n heel onschuldig gezicht).

Vivie.Wees niet lomp tegen hem, Frank. Ik wil erg m’n best doen om beleefd tegen hem te zijn. Dat zal m’n moeder plezier doen. (Frank trekt ’n leelijk gezicht).

Crofts.Mag ik ’n paar woorden met u spreken, juffrouw Warren?

Vivie.Zeker.

Crofts(tot Frank). Je excuseert me wel, Gardner.—Ze wachten op je in de kerk, als je er niets tegen hebt.

Frank(staat op). Ik wil je graag van dienst zijn, Crofts, behalve met naar de kerk te gaan. Als je iets noodig hebt, Vivie, bel dan aan ’t hek, dan verschijnt een van de dienstboden. (Hij gaat ’t huis in met kalme beminnelijkheid).

Crofts.(Kijkt hem met ’n sluwe uitdrukking nà, terwijl ie verdwijnt, en spreekt dan tot Vivie op ’n toon alsof hij op vertrouwelijken voet met haar is). ’n Aardige jongen, juffrouw Vivie. Jammer, dat hij geen geld heeft, hè?

Vivie.Vindt u?

Crofts.Wel, wat moet hij uitvoeren? Heeft geen betrekking en geen fortuin.—Waar dient hij toe?

Vivie.Ik zie volkomen goed z’n zwakke punten, Jhr. George.

Crofts(’n beetje van z’n stuk gebracht, omdat hij zoo volmaakt doorzien wordt). O zòò meen ik ’t niet,Maar zoolang we eenmaal op deze wereld zijn, moeten we er ook rekening mee houden,—en geld is geld. (Vivie antwoordt niet). ’n Mooie dag, vindt u niet?

Vivie(met ternauwernood bedwongen minachting voor z’n poging tot conversatie). Heel mooi.

Crofts(met brutale jovialiteit, alsof hij haar flinkheid bewondert). Wel, daarover wou ik anders niet praten (met voorgewende openhartigheid). Luister ’ns, juffrouw Vivie. Ik ben me volkomen bewust, dat ik geen man voor dames ben.

Vivie.Heusch niet?

Crofts.Nee; en om u de waarheid te zeggen, dat wil ik ook niet zijn. Maar als ik wat zeg, dan meen ik het;—als ik iets voel, dan voel ik ’t ècht,—en wat ik graag wil hebben, daar wil ik ook goed voor betalen. Dàt soort van man ben ik.

Vivie.Dat doet u alle eer aan.

Crofts.O, ik wil m’n eigen lof niet zingen. De hemel weet, dat ik m’n fouten heb;—geen man ziet die beter dan ik. Ik weet, dat ik niet volmaakt ben: die zelfkennis is een van de voordeelen van ’n man van middelbaren leeftijd;—want ik bèn niet jong meer en daar geef ik me niet voor uit ook. Mìjn moraal is heel eenvoudig en ik geloof goed: Eergevoel tusschen man en man, trouw tusschen man en vrouw en geen malle praatjes over den een of anderen godsdienst, maar ’n eerlijk geloof, dat de wereld geleidelijk vooruitgaat.

Vivie(snijdend ironisch). “Een macht, niet wijzelf, die rechtvaardigheid wil.”

Crofts(haar au sérieux nemend). O zeker, wijzelf natuurlijk niet. U begrijpt wat ik bedoel. (Hij gaat naast haar zitten, op ’n wijze alsof hij ’n verwante ziel had gevonden). En nu, wat practische zaken betreft. U zult misschien meenen, dat ik m’n geldheb weggegooid, maar dat is zoo niet. Ik ben vandaag rijker, dan toen ik indertijd m’n fortuin in handen kreeg. Ik heb van m’n wereldkennis geprofiteerd, om m’n geld te steken in zaken, die andere menschen over ’t hoofd hebben gezien; en wàt ik ook wezen mag, op ’t punt van geld ben ik ’n betrouwbaar man.

Vivie.’t Is heel vriendelijk van u, me dat allemaal te vertellen.

Crofts.Kom nou, juffrouw Vivie,—u hoeft u niet te houden, alsof u niet weet, waar ik heen wil. Ik verlang om me te vestigen met ’n “Lady Crofts”.—Ik vermoed, dat u me wel erg botaf vindt?

Vivie.Volstrekt niet. Ik ben er u heel dankbaar voor, dat u zoo kort en zakelijk bent. Ik stel uw aanbod zeer op prijs: het geld, de positie, Lady Crofts en zoo al meer. Maar, met uwwelnemen, zal ik toch maar “nee” zeggen. Liever niet. (Zij staat en drentelt naar den zonnewijzer, om wat uit z’n onmiddellijke nabijheid te zijn).

Crofts(in ’t minst niet ontmoedigd, gebruik makend van de meerdere plaats op de bank om er zich gemakkelijk op uit te strekken, vat het op alsof ’n paar voorloopige weigeringen ’n onvermijdelijk deel uitmaakten van den gewonen gang van ’n huwelijksaanzoek). Ik heb geen haast. Ik wou u dit alleen maar laten weten, voor ’t geval dat de jonge Gardner mocht probeeren u te vangen. Denk er eens over na.

Vivie(scherp). Mijn neenblijftneen. Ik kom er niet op terug. (Zij ziet hem aan van uit de hoogte. Hij grijnst; buigt zich voorover met z’n elbogen op z’n knieën om met z’n stok naar ’n ongelukkig insect in ’t gras te prikken. Hij kijkt haar sluw aan. Ongeduldig wendt zij zich af).

Crofts.Ik ben ’n goed beetje ouder dan u,—vijf en twintig jaar, ’n kwart eeuw. Ik heb ’t eeuwige leven niet, en ik zal zorgen, dat u goed achterblijft, als ik er niet meer zijn zal.

Vivie.Zelfs tegen diè verleiding ben ik bestand, Jhr. George. Gelooft u niet, dat u beter zoudt doen met m’n antwoord te accepteeren? Er is niet de minste kans, dat ik veranderen zal.

Crofts(staat op, na ’n laatsten slag naar ’n madeliefje en begint heen en weer te loopen.) Wel, ’t hindert niet. Ik zou u dingen kunnen vertellen, die u gauw genoeg van gedachten zouden doen veranderen,—maar dat wil ik niet, omdat ik u liever wil zien te winnen door eerlijke liefde. Ik ben ’n goeie vriend voor uw moeder geweest, vraag haar dat maar eens. Zij zou nooit ’t geld verdiend hebben, dat uw opvoeding betaald heeft, als ìk haar niet geraden en geholpen had. Om niet te spreken van het geld, dat ik haar heb voorgeschoten. Er zijn niet veel menschen, die haar gesteund zouden hebben, zooals ìk ’t heb gedaan. Ik heb van ’t begin tot ’t laatst toe niet minder dan 40,000 pond in haar zaak gestoken.

Vivie(hem aanstarend). Wilt u zeggen, dat u m’n moeders deelgenoot geweest bent?

Crofts.Ja. Bedenk dus nou ’ns wat ’n last en explicaties ’t besparen zou, als wij ’t heele geval onder ons hielden, om zoo te zeggen. Vraag uw moeder maar eens of zij ’t prettig zou vinden om uitlegging van d’r zaken te geven aan ’n totaal vreemde.

Vivie.Daar zie ik de bezwaren niet van in, nu de zaken toch aan kant zijn gedaan en het geld belegd is.

Crofts(blijft plotseling verbaasd staan). Aan kant gedaan? Een onderneming aan kant doen, die 35 percent uitkeert in de slechtste jaren?! Niet waarschijnlijk, hoor. Wie heeft u dàt verteld?

Vivie(plotseling verbleekend). Bedoelt u dat ze nog...? (Zij houdt op eens stil en legt haar hand op den zonnewijzer om zichzelf te ondersteunen. Dan loopt ze haastig naar den ijzeren stoel en gaat zitten). Over welke onderneming spreekt u?

Crofts.Wel, de kwestie is, dat ze nou niet precies als ’n zaak van den eersten rang beschouwd wordt in mijn kringen, de voorname kringen, weet u;—die ònze kringen zullen worden, als u anders over m’n aanzoek gaat denken. Niet, dat er iets niet in den haak mee is, dat moet u niet denken. U begrijpt door het feit, dat uw moeder er in is, dat ze volkomen fair en eerlijk is. Ik heb haar jaren lang gekend en ik weet van haar, dat ze liever haar hand zou afslaan, dan met iets te doen te hebben, wat niet heelemaal behoorlijk is. Als u wilt zal ik er u alles van vertellen. Ik weet niet of u wel eens ondervonden hebt, als u op reis was, hoe moeilijk ’t is, om ’n werkelijk goèd ingericht familiehotel te vinden.

Vivie(wendt haar gezicht af met walging.) Ja,—ga door.

Crofts.Nu, dat is alles. Uw moeder heeft ’n zeldzame gave om die dingen te besturen. We hebben er twee in Brussel, één in Berlijn, één in Weenen en twee in Buda-Pest.—Natuurlijk zijn er nog anderen behalve wij in de zaak, maar wìj hebben er het meeste kapitaal in,—en uw moeder is onmisbaar als directrice. U hebt zeker wel gemerkt, dat zij veel reist.—Maar u begrijpt,—over zulke dingen kun je in gezelschap niet spreken. Noem ’t woord “hotel” maar eens en iedereen zegt, dat je ’n publiek huis houdt. U zoudt toch niet willen, dat ze dàt van uw moeder zouden zeggen, wel? Daarom houden we ’t zoo stil. Wat ik zeggen wil, u zult ’t ook welvoòr u houden, niet? Nu ’t al zòòlang ’n geheim is geweest, is ’t beter dat ’t dat ook blijft.

Vivie.En dit is dus de onderneming, waar u wilt, dat ik deel in zal nemen!

Crofts.Welnee. Mijn vrouw zal niets met zaken te maken hebben. U zult er niet meer mee te maken hebben dan u altijd gedaan hebt.

Vivie.Altijd gedaan heb! Wat bedoelt u?

Crofts.Alleen maar dat u er altijd van geleefd hebt. Ze heeft betaald voor uw opvoeding en voor de japon die u aan uw lijf hebt. Trek uw neus maar niet op voor zaken, juffrouw Vivie. Wat zou er van uw mooie scholen worden zonder geld?

Vivie(staat op, half buiten zichzelf). Pas op. Ik weet wàt voor zaak ’t is.

Crofts(opschrikkend, met ’n onderdrukte vloek). Wie heeft u dat verteld?

Vivie.Uw compagnon—m’n moeder.

Crofts(zwart van woede). Die ouwe.... (Vivie ziet hem haastig aan. Hij slikt ’t woord in en staat stilletjes voor zich te razen en te vloeken. Dan bedenkt hij zich, dat hij sympathiek moet zijn en hij neemt z’n toevlucht tot ’n edele verontwaardiging). Zij behoorde u meer te hebben ontzien.Ikzou ’t u nooit verteld hebben.

Vivie.Ik denk, dat u waarschijnlijk gewacht zoudt hebben tot we getrouwd waren. Het zou ’n makkelijk wapen voor u geweest zijn om me mee klein te krijgen.

Crofts(heel oprecht). Ik had ’t nooit willen doen. Op m’n woord niet. (Vivie ziet hem verwonderd aan. Haar gevoel voor de ironie van zijn protest kalmeert haar en geeft haar kracht. Zij antwoordt met minachtende zelfbeheersching.)

Vivie.’t Doet er niet toe. Ik veronderstel dat ubegrijpt, dat wanneer wij vandaag van hier weggaan, onze kennismaking tot ’n eind komt.

Crofts.Waarom? Omdat ik u moeder geholpen heb?

Vivie.Mijn moeder was ’n arme vrouw die geen keus had om anders te handelen dan ze gedaan heeft. Maar ù was rijk en u deed hetzelfde terwille van 35 percent. U bent mijns inziens ’n gewone, echte schurk. Dàt is m’n opinie van u.

Crofts(staart haar even aan,—volstrekt niet gekwetst, en veel meer op z’n gemak, nu ze op dezen ongegeneerden voet met elkaar zijn, dan toen ze eerst wat vormelijk waren). Ha, ha, ha, ha! ga je gang, juffie, geef er me van langs; ’t hindert me niet en ’t amuseert me. Wat weerga, waarom zou ik m’n geld niet op die manier beleggen? Ik neem de interest van ’n kapitaal net als alle andere menschen. Ik hoop niet, dat je vindt, dat ik er m’n eigen handen mee vuil maak. Zeg ’ns zelf: je zoudt toch niet weigeren om kennis te maken met m’n moeders neef, den hertog van Belgravia, omdat sommige van de renten, die hij ontvangt, op ’n wat wonderlijke wijze verdiend worden? Je zoudt vermoedelijk den aartsbisschop van Canterbury niet negeeren omdat de leden van de kerkelijke commissies enkele kroeghouders en zondaren onder hun huurders hebben? Herinner je je de Croftsbeurs in Newnham? Nu, die is gesticht door m’n broer, het parlementslid. Hij krijgt z’n 22 percent van ’n fabriek met 600 meisjes, waarvan er niet één genoeg verdient om van te leven. Hoe stel je je voor, dat die rondscharrelen? Vraag ’t je moeder maar eens. En verwacht je dan, dat ik bedanken zou voor 35 percent, terwijl andere menschen in hun zak steken wàt ze maar kunnen, als verstandige lui? Zòò gek ben ik niet. Als je je kennissen wilt kiezen en uitzoeken volgens zedelijkeprincipes, dan kun je ’t land wel uittrekken, tenzij je jezelf buiten de heele fatsoenlijke maatschappij wilt houden.

Vivie(met gewetenswroeging). U kunt er verder nog op wijzen, dat ik zelfs nooit gevraagd heb, waar ’t geld, dat ik uitgaf, vandaan kwam. Ik geloof, dat ik net even slecht ben als u.

Crofts(geheel gerustgesteld). Natuurlijk,—en dat is maar goed ook. Wat voor kwaad doet ’t ten slotte? (met een familiare grappigheid). Nou je er verder over nadenkt, zul je me zoo’n schurk wel niet meer vinden, wèl?

Vivie.Ik heb dezelfde voordeelen met u gedeeld, en ik ben al zoo ver gegaan van u op vertrouwelijke wijze te vertellen wàt ik van u denk.

Crofts(met serieuze minzaamheid). Zeker, dat heb je ook.—Je zult me zoo’n kwaje niet vinden. Ik geef me niet uit voor iemand met een prima intellect, maar ik heb een goeie dozis eerlijk, humaan gevoel; en het oude ras van de Croften komt uìt in ’n zekere instinctmatige haat van alles wat min is,—waarin je zeker met me zult sympathiseeren. Geloof me, juffrouw Vivie, de wereld is zoo kwaad niet, als sommige schreeuwers wel beweren. Zoo lang je de maatschappij niet openlijk trotseert, zal ze je ook geen lastige vragen doen;—en ze maakt korte metten met de ploerten, die ’t wèl doen. Er blijven geen geheimen beter bewaard, dan dìè, die half bekend zijn. In de kringen, waarin ik je zal introduceeren, zal geen heer of dame zich zòò ver vergeten om de zaken van mij of je moeder te bespreken. Geen man kan je ’n veiliger positie aanbieden.

Vivie.Ik geloof dat u heusch denkt, dat u uitstekend met me opschiet.

Crofts.Wel, ik geloof, dat ik mezelf mag vleien,dat je beter over me denkt, dan je eerst hebt gedaan.

Vivie(kalm). Ik vind u nu nauwelijks de moeite waard, om over te denken. (Zij staat op en gaat naar het hek toe, onderweg stilhoudend om hem te bekijken en om bijna zachtzinnig maar met diepe overtuiging tot hem te zeggen): Als ik denk aan de maatschappij die ù duldt, en de wet die ù beschermt,—als ik bedenk hoe hulpeloos overgeleverd negen van de tien meisjes zullen zijn in de handen van u en van m’n moeder:—van de vrouw met het onnoembare bedrijf en haar kapitalist-slavenjager....

Crofts(wit van woede). Verdomd!

Vivie.U hoèft me niet meer te verdoemen. Ik voel al of ik onder de verdoemden leef. (Zij licht den klink van ’t hek op, om het te openen en er door te gaan. Hij volgt haar en legt z’n hand zwaar op den hoogsten dwarsbalk om te beletten, dat ’t hek geopend wordt).

Crofts(hijgend van woede). Denk je, dat ik dit alles van je verdraag, jij kleine duivel?

Vivie(koel). Wees bedaard. Er zal iemand komen in antwoord op de bel. (Zonder even te aarzelen slaat zij tegen de bel met den rug van haar hand. ’t Klinkt hard, en Crofts schrikt onwilkeurig terug. Bijna onmiddellijk verschijnt Frank in den ingang van ’t huis met z’n geweer).

Frank(met opgewekte beleefdheid). Wil jij ’t geweer hebben Viv, of zalik’t gebruiken?

Vivie.Heb je geluisterd, Frank?

Frank.Alleen maar naar de bel, ik verzeker ’t je,—zoodat je niet zoudt hoeven te wachten. Ik geloof, dat ik je karakter goed heb doorzien, Crofts.

Crofts.Voor ’n kleinigheid zou ik dat geweer van je overnemen en ’t kapot slaan op je hoofd.

Frank(voorzichtig naar hem toesluipend). Doedat niet. Ik ga heel onhandig met vuurwapenen om. Er zou stellig ’n noodlottig ongeluk plaats hebben met later ’n waarschuwing van de jury voor m’n onachtzaamheid.

Vivie.Zet ’t geweer weg, Frank, ’t is volmaakt onnoodig.

Frank.Groot gelijk, Viv. Veel beter jagersmanier om hem in ’n val te vangen. (Crofts, die de beleediging begrijpt, maakt ’n dreigende beweging). Crofts, er zijn vijftien kogels in ’t magazijn en ik ben ’n zekere treffer van ’n afstand als deze, op ’n schijf van jouw omvang.

Crofts.O je hoeft niet bang te zijn. Ik zal je niet aanraken.

Frank.Heel grootmoedig van je onder de omstandigheden. Wel bedankt.

Crofts.Ik wil jullie dit nog zeggen vòor ik heenga. ’t Zal je misschien interesseeren, omdat jullie zoo op elkaar gesteld bent. Sta me toe, Frank, je voor te stellen aan je halfzuster, de oudste dochter van den eerwaarden Samuel Gardner. Juffrouw Vivie, uw halfbroer. Goeie morgen. (Hij gaat door ’t hek heen den weg op).

Frank(na ’n pauze van ontdaanheid, neemt z’n geweer op). Viv, je zult voor den rechter getuigen, dat ’t een ongeluk was. (Hij mikt op de verdwijnende figuur van Crofts. Vivie grijpt den loop en draait die rond, tegen haar borst aan).

Vivie.Schiet nou. Nu mag je.

Frank(laat ’t eind van z’n geweer haastig vallen). Halt! Pas op! (Zij laat ’t gaan. ’t Valt op den grond). O, wat heb je je jongentje laten schrikken! Stel je voor, dat ’t af was gegaan.... O! (geheel ontdaan valt hij op de bank neer).

Vivie.Ja, stel je dat voor. Begrijp je niet, dat ’teen verlichting voor me geweest zou zijn om ’n felle lichamelijke pijn in me te voelen scheuren?

Frank(vleiend). Trek ’t je niet zoo aan, beste Viv. Bedenk maar, dat àls m’n geweer den vent zòò heeft verschrikt, dat hij voor ’t eerst in z’n leven de waarheid gezegd heeft, ’t ons dan in èrnst maakt tot de babies in ’t bosch. (Hij houdt z’n armen voor haar open). Kom, laten we ons weer toedekken met blaâren.

Vivie(met ’n kreet van afschuw). O, dat niet, dat niet! Je laat me rillen!

Frank.Waarom,—wat scheelt je?

Vivie.Adieu! (Zij gaat heen door ’t hek).

Frank(opspringend). Allo! Wacht even! Viv! Viv! (Zij draait zich om bij ’t hek). Waar ga je naar toe? Waar kan ik je vinden?

Vivie.Op Honoria Frasers kantoor, Chancery Lane 67,—voor de rest van m’n leven. (Zij gaat heen in de tegenovergestelde richting van Crofts).

Frank.Maar hoor dan toch ’ns... wacht even... Wat drommel! (hij rent haar achterna).

VIERDE BEDRIJF.De kamers van Honoria Fraser in Chancery Lane. Een kantoor op de hoogste verdieping met een raam van spiegelglas; geverfde muren, electrisch licht en een vulkachel. Zaterdagmiddag. Men ziet de schoorsteenen van Lincoln’s Inn en den hemel daarachter in ’t Westen, door het venster. Er staat ’n dubbel schrijfbureau in het midden van de kamer met een kistje sigaren, aschbakjes en een verplaatsbare electrische lamp, de laatste half verborgen onder hoopen papier en boeken. Dit schrijfbureau heeft gaten voor de knieën, rechts en links ervan staan stoelen.—Het ziet er heel slordig uit. Het bureau van den klerk, gesloten en netjes, met ’n hoogen stoel er voor, staat tegen den muur aan, dicht bij ’n deur, die in verbinding staat tot de binnenkamer. In den tegenovergestelden muur is de deur, die voert naar de algemeene gang. Zijn bovenpaneel is van matglas, waarop met zwarte letters aan den buitenkant “Fraser en Warren”. Een groen baaien scherm verbergt den hoek tusschen die deur en het venster.Frank, in ’n modieus licht sport-reispak met zijn stok, handschoenen en witte hoed in z’n handen, loopt heen en weer in ’t kantoor. Iemand probeert de deur open te maken, met ’n sleutel.Frank(roept). Binnen! ’t Is niet gesloten. (Vivie komt binnen met hoed op en mantel aan. Zij blijft staan en staart hem aan).Vivie(streng). Wat voer je hier uit?Frank.Op je wachten. Ik hen hier al uren geweest. Is dat de manier om op je zaken te passen? (Hij legt zijn hoed en stok op tafel, gaat met ’n sprong boven op de klerks kruk zitten, en kijkt haar aan met al de symptomen van ’n onrustige, plagerige, lichtzinnige stemming).Vivie.Ik ben precies twintig minuten weg geweest om ’n kop thee te drinken. (Zij neemt haar hoed en mantel af en hangt die achter het scherm). Hoe ben je binnen gekomen?Frank.Het personeel was er nog toen ik kwam. ’t Is weggegaan om cricket te spelen op Primrose-hill. Waarom heb je geen vrouw in je dienst en geef je op die manier je sekse een kansje?Vivie.Waarom ben je gekomen?Frank(springt van zijn kruk af en komt naar haar toe). Viv, laten we uitgaan en ergens van den halven Zaterdagschen vacantiedag genieten, net als ’t personeel.—Wat denk je van Richmond, en daarna een tingeltangel en ’n gezellig soupétje?Vivie.Ik kan ’t niet bekostigen. Ik zal nog ’n uur of zes werken, vòòr ik naar bed ga.Frank.Niet bekostigen, hè? Aha! Kijk ’ns hier. (Hij neemt ’n handvol goudstukken uit z’n zak en rammelt er mee). Goud, Viv, goud!Vivie.Hoe ben je daaraan gekomen?Frank.Met spelen, Viv;—met spelen: Poker.Vivie.Bah! Dat is minner dan stelen. Nee; ik kom nièt. (Zij gaat aan de tafel zitten om te werken, met haar rug naar de glazen deur en begint in de papieren te bladeren.)Frank(beklaaglijk protesteerend). Maar beste Viv, ik moet heusch ’ns heel ernstig met je spreken.Vivie.Best. Ga dan op Honoria’s stoel zitten enpraat. (Hij moppert). Pruttelen helpt niet; ik ben onvermurwbaar. (Hij neemt mistroostig den tegenoverstaanden stoel). Geef me dat sigarenkistje eens aan, wil je?Frank(het kistje naar haar toeschuivend). Akelige vrouwengewoonte. Nette mannen doen ’t niet meer.Vivie.Ja, die maken bezwaar tegen de reuk in ’t kantoor,—en daarom moeten wij ons met cigaretten behelpen. Kijk! (Zij doet ’t kistje open, neemt er ’n cigaret uit en steekt die aan. Zij biedt er hem een aan, maar hij schudt z’n hoofd met ’n zuur gezicht. Zij gaat nu gemakkelijk in haar stoel zitten rooken). Ga je gang.Frank.Wel, ik verlang te weten, wat je gedaan hebt—welke schikkingen je gemaakt hebt.Vivie.Alles was geregeld in twintig minuten, nadat ik hier was gekomen. Honoria heeft dit jaar gemerkt, dat de zaak te veel voor haar werd en stond juist op ’t punt om me te laten komen en me ’n vennootschap voor te stellen, toen ik naar binnen kwam wandelen en haar vertelde, dat ik geen cent in de wereld bezat. Toen heb ik mezelf geïnstalleerd en haar weggestuurd voor ’n veertiendaagsche vacantie.—Wat is er in Haslemere gebeurd, nadat ik heen was gegaan?Frank.Absoluut niets. Ik zei dat je naar de stad was gegaan voor particuliere aangelegenheden.Vivie.En!Frank.Wel, ze waren òf te verbouwereerd om iets te zeggen òf Crofts had je moeder al voorbereid. In ieder geval, zij zei niets, en Crofts zei niets en Praeddie zette alleen groote oogen op.—Na de thee gingen ze weg en ik heb ze na dien tijd niet meer gezien.Vivie(knikt kalm, met haar ééne oog op ’n rookkringetje gericht). Uitstekend.Frank(verachtelijk rondkijkend). Ben je van plan om in deze onmogelijke plaats te blijven?Vivie(blaast den rookkring op besliste manier weg en gaat overeind zitten). Ja. Deze twee dagen hebben me al m’n kracht en zelfvertrouwen teruggegeven. Ik neem nooit meer ’n dag vacantie, zoolang als ik leef.Frank(met ’n heel zuur gezicht). Phoe!—Je ziet erg in je schik, en zoo hard als ’n bikkel.Vivie(streng). Goed, dat ik dat ben!Frank(staat op). Hoor ’ns Viv, we moeten tot ’n verklaring met elkaar komen. Wij zijn verleden van elkaar gegaan, onder den indruk van ’n totaal misverstand.Vivie(legt haar sigaret neer). Nou, helder ’t dan op.Frank.Je herinnert je wat Crofts zei?Vivie.Ja.Frank.Die onthulling werd verondersteld ’n absolute verandering teweeg te brengen in den aard van onze gevoelens voor elkaar. Ze plaatste ons op den voet van broer en zuster.Vivie.Ja.Frank.Heb jij ooit ’n broer gehad?Vivie.Nee.Frank.Dan weet je ook niet hoe ’t voèlt om broer en zuster te zijn. Nou, ik heb ’n massa zusters. Jessie en Georgina en de rest. Het broedergevoel is iets heel bekends voor me;—en ik verzeker je dat m’n gevoel voor jou er niets mee gemeen heeft. De meisjes zullen hùn weg gaan, ik den mijnen en het zal ons niets kunnen schelen, of we elkaar ooit meer terug zien. Dàt is broer- en zuster-zijn. Maar wat joù betreft ben ik niet op m’n gemak als er ’n week voorbij gaat, zonder dat ik je zie. Dat is nièt broer- en zuster-zijn. ’t Is precies wat ik voelde ’n uur vòòrdatCrofts z’n onthulling deed. In ’t kort, beste Viv, ’t is echte, jonge liefde.Vivie(bijtend). Hetzelfde gevoel Frank, dat jouw vader aan m’n moeders voeten bracht, niet waar?Frank(verontwaardigd). Ik kom er met kracht tegen op Viv, om mìjn gevoelens te vergelijken met eenige, die de eerwaarde Samuel in staat is om te koesteren, en ik protesteer nog meèr tegen eene vergelijking van jou met je moeder. Daarenboven geloof ik niets van de heele geschiedenis. Ik heb er mijn vader de duimschroeven voor aangezet en van hem verkregen wat ik synoniem beschouw met ’n ontkenning.Vivie.Wat zei ie?Frank.Hij zei, dat hij zeker was, dat het ’n vergissing moest zijn.Vivie.Geloof je hem?Frank.Ik neem aan, om zìjn woord te gelooven tegenover dat van Crofts.Vivie.Maakt dat eenig verschil? Ik meen in je verbeelding of voor je geweten;—want natuurlijk maakt het geen verschil in werkelijkheid.Frank(hoofdschuddend). Voor mij in ’t minst niet.Vivie.Voor mij ook niet.Frank(haar aanstarend). Maar dat is al heel merkwaardig! Ik dacht dat in jouw verbeelding en voor je geweten, zooals je het daarnet noemde, onze verhouding totaal was veranderd, van het oogenblik af, dat die woorden uit ’t monster zijn muil waren gekomen.Vivie.Nee, dàt was ’t niet. Ik geloofde hem niet. Ik wou dat ik ’t kon.Frank.Wat?Vivie.Ik vind dat broer en zuster een heele geschikte verhouding voor ons zou zijn.Frank.Meen je dat heusch?Vivie.Ja. ’t Is de eenige verhouding, waar ik voor voel, zelfs als we ’n andere konden bekostigen. Dat meen ik.Frank.(Trekt z’n wenkbrauwen op als iemand wien ’n licht opgaat en zegt dan met ’n ontboezeming van ridderlijk gevoel). M’n beste Viv, waarom heb je dat niet eer gezegd? ’t Spijt me zoo, dat ik je lastig ben gevallen. Ik begrijp ’t nu natuurlijk.Vivie(niet begrijpend). Wàt begrijp je?Frank.O, ik ben geen dwaas in den gewonen zin, alleen maar in den bijbelschen zin van ’t woord; dat ik nl. al de dingen doe die de wijze man voor dwaasheid uitmaakt, nadat hijzelf ze eerst allemaal op de meest uitvoerige manier had onderzocht.—Ik merk, dat ik niet langer Vivums jongetje ben.—Wees maar niet bang,—ik zal je nooit meer Vivums noemen,—tenminste.... tenzij je genoeg mocht krijgen van je nieuwe jongetje, wie hij ook zijn mag.Vivie.M’n nieuwe jongetje?Frank(met overtuiging). Er moèt een nieuw jongetje zijn. Gaat altijd zoo op die manier. Iets anders is onmogelijk.Vivie.Geen een, dien jij kent,—gelukkig voor je. (Er wordt aan de deur geklopt).Frank.Vervloekt, die bezoeker, wie hij ook zijn mag.Vivie.’t Is Praed. Hij gaat naar Italië en wou me goeiendag zeggen. Ik heb hem gevraagd om van middag te komen. Doe hem even open.Frank.We kunnen ons gesprek voortzetten na z’n vertrek. Ik zal wachten tot hij weg is. (Hij gaat naar de deur en opent die). Hoe gaat ’t Praeddie?—Prettig je te zien. Kom binnen. (Praed, gekleed voor de reis, komt binnen in ’n opgewekte stemming, opgewonden door het vooruitzicht van de reis).Praed.Hoe gaat ’t u, juffrouw Warren? (Zij drukt hem hartelijk de hand, hoewel ’n zekere sentimentaliteit in zijn verhoogde stemming haar pijnlijk aandoet). Ik vertrek over ’n uur van Holborn Viaduct. Ik wou, dat ik u kon overhalen om mee naar Italië te gaan.Vivie.Waarom?Praed.Wel, om u te verzadigen aan schoonheid en romantiek natuurlijk. (Vivie, met ’n rilling, draait haar stoel naar de tafel toe, alsof het werk, dat haar daar wacht, ’n troost en steun voor haar is. Frank plaatst ’n stoel juist achter Vivie en valt er lui en nonchalant op neer,—terwijl hij tot haar spreekt over z’n schouder heen).Frank.Geeft niets, Praeddie. Viv is ’n kleine Philistijn. Ze is onverschillig voor mìjn romantiek en ongevoelig voor m’n schoonheid.Vivie.Eens vooral, mijnheer Praed, er bestàat voor mij geen schoonheid en geen romantiek in het leven. Het leven is wat het eenmaal is;—en ik heb me voorgenomen het als zoodanig te nemen.Praed(enthousiast). Dat zoudt u niet zeggen, als u naar Verona en Venetië kwam. U zoudt schreien van verrukking om in zoo’n mooie wereld te leven.Frank.Heel welsprekend, Praeddie. Ga zoo door.Praed.O, ik verzeker u, dat ik gehuild heb—en ik hoop het weer te doen—op m’n vijftigste jaar! Op uw leeftijd, juffrouw Warren, zoudt u niet eens zoo ver hoeven te gaan als Verona. Bij het zien van Ostende al, zou uw ziel z’n vleugels uitslaan;—en u zoudt verrukt wezen over de vroolijkheid, de levendigheid, de heerlijk lichte lucht van Brussel. (Vivie schrikt terug). Wat scheelt u?Frank.Allo Viv!Vivie(totPraedmet diep verwijt). Kunt u geenbeter voorbeeld van schoonheid en romantiek voor me vinden dan Brussel?Praed(niet begrijpend). Natuurlijk,—’t is heel verschillend van Verona. Ik beweer geen oogenblik, dat....Vivie(bitter). Waarschijnlijk zullen de schoonheid en de romantiek zoowat op hetzelfde neerkomen in die twee plaatsen.Praed(nu totaal ontnuchterd en heel bezorgd). M’n beste juffrouw Warren, ik.... (ziet Frank vragend aan). Is er iets gebeurd?Frank.Zij vindt je enthousiasme lichtzinnig, Praeddie. Er is haar iets heel ernstigs overkomen.Vivie(scherp). Hoû je mond, Frank. Wees niet mal.Frank(kalm). Noem je dàt nu goede manieren,Praed?Praed(bezorgd en vriendelijk). Zal ik hem meenemen, juffrouw Warren? Ik ben er zeker van, dat we u gehinderd hebben in uw werk. (Hij wil opstaan).Vivie.Blijft u zitten; ik zal vooreerst niet aan het werk gaan. U denkt allebei, dat ik ’n aanval heb van zenuwachtigheid. Geen kwestie van. Maar er zijn twee onderwerpen, die ik, met uw goedvinden, niet aangeroerd wil hebben. Het eene is: (tot Frank) jonge liefde, in welken vorm ook, en het andere: (totPraed) de romantiek en de schoonheid van het leven,—vooral wanneer de vroolijkheid van Brussel er bij tot voorbeeld wordt genomen.—Ik gun u graag alle illusies, die u ten opzichte van deze onderwerpen mag hebben,—ikheb er geen. Als wij drieën vrienden willen blijven, moet ik behandeld worden als ’n vrouw van zaken,—onherroepelijk eenzaam (dit tot Frank) en onherroepelijk onromantisch (dit totPraed).Frank.Ik zal ook “onherroepelijk eenzaam” blijven,totdat je van opinie verandert. Praeddie, kies ’n ander onderwerp;—wees welsprekend over iets anders.Praed(beschroomd). Ik vrees dat er niets anders ter wereld, is, waar ik over kàn spreken. Het evangelie van de kunst is het eenige, dat ik preeken kan. Ik weet, dat juffrouw Warren een vurige aanhangster is van de leer: “om vooruit te komen”;—maar daàrover kunnen we niet spreken zonder jouw gevoelens te kwetsen, Frank, aangezien jij besloten bent om nièt vooruit te komen.Frank.O, bekommer je niet om mìjn gevoelens. Geef me voor mijn part wat heilzamen raad. Dat zal me goed doen. Probeer nog maar eens om een voorspoedig man van me te maken, Viv. Kom, laat ’t me allemaal nog ’ns hooren; energie, zuinigheid, overleg, zelfrespect, karakter. Je haat immers menschen, die geen karakter hebben, is ’t niet Viv?Vivie(pijnlijk). O, hoû op, hoû op; niet meer van die afschuwelijke frases. MijnheerPraed, als er werkelijk alleen maar deze twee evangelie’s in de wereld zijn, dan doen we beter met ons allemaal van kant te maken, want hetzelfde bederf is in allebei.Frank(haar kritisch aanziend). Er is vandaag ’n waas van poëzie over je, Viv, dat je vroeger steeds ontbroken heeft.Praed(vermanend). M’n beste Frank, ben je niet ’n beetje onsympathiek?Vivie(zonder genade voor zichzelf). Nee, ’t is goed voor me. ’t Weerhoudt me van sentimenteel te worden.Frank(haar plagend). Houdt je krachtige, natuurlijke neiging in dat opzicht wat in toom, niet?Vivie(bijna hysterisch). Ja, ja, ga door; spaar me niet. Eèns in m’n leven ben ik, voor één oogenblik,sentimenteel geweest,—verrukkelijk sentimenteel bij maanlicht. En nu....Frank(haastig). Zeg ’ns Viv, pas op. Verpraat je eigen niet.Vivie.O, denk je, dat mijnheer Praed niet alles van m’n moeder af weet? (totPraed). U hadt beter gedaan me dien ochtendalleste vertellen, mijnheer Praed. U bent tenslotte erg ouderwetsch geweest met al uw fijngevoeligheid.Praed.Me dunkt, dat ù wat ouderwetsch bent in uw vooroordeelen, juffrouw Warren. Ik voel me verplicht u te zeggen, sprekend als artiest, en overtuigd dat de innigste familiebanden ver buiten en boven het bereik van de wet staan, dat ik, hoewel ik weet, dat uw moeder ongetrouwd is, haar daarom niets minder respecteer. Ik respecteer er haar integendeel te meer om.Frank(luchtig). Luister, luister.Vivie(hem aanstarend). Is dat alles wat u weet?Praed.Zeker, dat is alles.Vivie.Dan weet u geen van beideniets. Uw gissingen zijn de onschuld zelf vergeleken bij de werkelijkheid.Praed(verschrikt en verontwaardigd, bewaart met moeite zijn beleefdheid). Ik hoop ’t niet (met meer nadruk). Ik hoop ’t niet, juffrouw Warren. (Franks gezicht toont nu, dat hij Praeds ongeloof niet deelt, Vivie geeft ’n uitroep van ongeduld. Praeds ridderlijkheid zakt neer tegenover hun overtuiging). Als er iets erger is... ik meen iets anders, bent u dan wel zeker, of u er goed aan doet het ons te vertellen, juffrouw Warren?Vivie.Ik ben zeker, dat àls ik den moed er toe had, ik de rest van m’n leven zou doorbrengen met hetiedereente vertellen, met het er bij hen in testampen en te branden, totdat ze hun deel van de schaamte en afschuw erover zouden voelen, zoo goed als ik. Er is niets wat ik meer veracht dan de verkeerde conventie, die die dingen beschermt door ’n vrouw te verbieden om er over te spreken. En tòch kan ik ’t u niet zeggen. De twee afschuwelijke woorden, die uitdrukken wàt m’n moeder is, klinken in m’n ooren en branden me op m’n tong, en ik kàn ze niet uitspreken: m’n instinct is me te sterk. (Zij begraaft haar gezicht in haar handen. De twee staren verbaasd, eerst elkaar aan, dan haar. Zij licht haar hoofd weer op en neemt ’n vel papier en ’n pen). Kijk dan: ik zal ’n prospectus voor u opstellen.Frank.O, ze is gek. Hoor je dat, Viv, gek. Kom, kom, niet bij de pakken neerzitten.Vivie.Dat zul je zien. (Zij schrijft). “Gestort kapitaal: niet minder dan 40.000 pond op naam van Jhr. George Crofts, de voornaamste aandeelhouder. Wat komt er dan? Ik heb ’t vergeten.—O ja: perceelen in Brussel, Berlijn, Weenen en Budapesth. De directeur: mevrouw Warren.”—En laat ik nu vooral haar titel niet vergeten,—de twee woorden. Daar! (Zij schuift ’t papier naar hen toe). O, nee, nee, lees ’t niet. (Zij trekt ’t terug en scheurt het in stukjes. Frank, die over haar schouder heen nauwkeurig heeft gezien wat zij schreef en er met groote oogen naar gestaard heeft, neemt ’n kaartje uit z’n zak, krabbelt er ’n paar woorden op en geeft het zwijgend aanPraed, die ’t met verbazing leest. Frank buigt zich dan berouwvol over Vivie heen).Frank(fluistert teeder). Beste Viv;—’t is in orde. Ik heb gelezen watje schreef; en Praeddie ook. We begrijpen het allebei. En we blijven je, met dit al, èven toegewijd als vroeger. (Vivie licht langzaam haar hoofd op).Praed.Ja, dat doen we zeker, juffrouw Warren. Ik moet zeggen, u bent de bewonderenswaardigste, moedigste vrouw, die ik ooit ontmoet heb. (Dit sentimenteele compliment geeft Vivie kracht. Zij schudt het ongeduldig van zich af, en dwingt zichzelf om op te staan, hoewel niet zonder eenigen steun van de tafel).Frank.Beweeg je niet, Viv, als het je moeilijk valt. Hoû je gemak.Vivie.Dankje. Je kunt altijd op me rekenen met twee dingen: dat ik niet huilen zal en niet flauw vallen. (Zij gaat een paar stappen naar de deur van de binnenkamer en houdt stil dicht bijPraed, om hem te zeggen:) Ik zal meer moed noodig hebben dan nu, als ik m’n moeder vertel dat onze wegen zich voortaan zullen scheiden. En nu, als u ’t goed vindt, ga ik ’n oogenblik naar binnen om me wat op te knappen.Praed.Willen wij heengaan?Vivie.Nee, ik ben dadelijk terug. ’n Oogenblik maar. (Zij gaat de andere kamer in, waarvanPraedde deur voor haar opent).Praed.Wat een merkwaardige onthulling! ’t Valt me verbazend van Crofts tegen; dat doet ’t werkelijk.Frank.Mij in ’t minst niet. Ik heb het gevoel, dat nu eindelijk bij hem de aap uit de mouw is gekomen. Maar wat ’n tegenvaller voor mij, Praeddie! Ik kan haar niet trouwen.Praed(streng). Frank! (Beiden zien elkaar aan, Frank bedaard,Praeddiep verontwaardigd). Ik moet je zeggen, Gardner, dat, als je haar nu laat zitten, je je allermìnst gedraagt.Frank.Goeie, oude Praeddie! Altijd ridderlijk! Maar je vergist je: ’t is niet de moreele kwestie van het geval,—’t is de geldkwestie. Ik zou erwaarachtig nu niet toe kunnen komen om het geld van de ouwe vrouw aan te raken.Praed.En zou je daàrop getrouwd zijn?Frank.Waarop anders?Ikheb geen geld, noch de minste kans om het te verdienen. Als ik nu met Vivie trouwde, zou zij me moeten onderhouden, en ik zou haar meer kosten dan ik waard ben.Praed.Maar me dunkt, dat ’n knappe, verstandige jongen als jij, toch zeker wel iets met z’n eigen hersenen kan verdienen.Frank.O jawel,—’n kleinigheid (hij haalt z’n geld weer te voorschijn). Dat heb ik gisteren allemaal verdiend,—in anderhalf uur tijds,—in ’n hoogst speculatieve onderneming. Nee, beste Praeddie, zelfs wanneer Jessie en Georgine met millionnairs trouwden en de oude heer stierf na ze met ’n shilling te hebben afgescheept, dàn nog zou ik maar vier honderd pond ’s jaars krijgen.—En hij zàl niet sterven, vóor hij de zeven kruisjes gehaald heeft; daar is ie niet origineel genoeg voor. Ik zal op zwart zaad zitten voor de eerste twintig jaar.—Geen zwart zaad voor Viv, als ik ’t kan helpen. Ik trek me met gratie terug en laat de plaats vrij voor de jeunesse dorée van Engeland.—Dat is dus afgesproken.—Ik zal er haar niet over lastig vallen,—ik zal haar alleen een paar regels zenden, nadat we weg zijn gegaan. Dat zal ze wel begrijpen.Praed(z’n hand grijpend). Je bent ’n beste jongen, Frank; ik vraag je van harte vergeving. Maar zul je haar nooit weerzien?Frank.Haar nooit weerzien! Wat weerga, gebruik toch je verstand. Ik zal zoo dikwijls mogelijk bij haar aankomen en een soort van broer voor haar wezen. Ik begrijp niet die dwaze gevolgtrekkingen, die jullie romantische lui maken van de meest gewonedingen. (Er wordt geklopt). Wie zou dat zijn? Zou jij de deur willen opendoen? Als het ’n cliënt is zal het ’n beteren indruk maken, dan wanneer ik verschijn.Praed.Wel zeker. (Hij gaat naar de deur en opent die. Frank gaat op Vivie’s stoel zitten om ’n paar regels te krabbelen). M’n beste Kitty, kom binnen, kom binnen.(Mevrouw Warren komt binnen, angstig rondkijkend naar Vivie. Zij heeft haar best gedaan om er moederlijk en deftig uit te zien. De opzichtige hoed is vervangen door ’n bescheiden kapotje, en de bonte blouse is bedekt door ’n kostbare zwart zijden mantel. Zij is droeviglijk-angstig en weinig op haar gemak,—blijkbaar hevig ontdaan).Mevr. Warren(tot Frank). Wat! Jij hier!Frank(ronddraaiend op z’n stoel, zonder op te staan). Ja, en bizonder verheugd om u te zien. U komt binnen als ’n lentebries.Mevr. Warren(tot Frank). Och, scheì uit met je onzin (zachtjes). Waar is Vivie?Frank(wijst nadrukkelijk op de deur van de binnenkamer, maar zegt niets).Mevr. Warren(gaat plotseling zitten en begint half te schreien). Praeddie, denk je, dat ze mij niet zal willen zien?Praed.M’n beste Kitty, maak jezelf niet van streek. Waarom zou ze dat niet?Mevr. Warren.Och, jij begrijpt niet waarom; jij bent te goedig. Mijnheer Frank, heeft ze ù iets gezegd?Frank(zijn briefje dichtvouwend). Zij moèt u zien, als (met groote nadruk) u wacht tot ze binnenkomt.Mevr. Warren(verschrikt). Waarom zou ik niet wachten? (Frank kijkt haar op komieke wijze aan;legt z’n briefje zorgvuldig op den inktpot, zoodat Vivie het moèt vinden als ze haar pen indoopt; staat dan op en wijdt z’n attentie geheel aan Mevr. Warren). M’n beste Mevr. Warren, veronderstel eens, dat u ’n musch was, zoo’n heel klein, aardig muschje, dat over den weg trippelt, en u zag in uw richting ’n groote stoompletrol aankomen, zoudt u er dan op wachten?Mevr. Warren.Och, zeur niet met je musschen.—Waarom is ze op die manier van Haslemere weggeloopen?Frank.Ik ben bang, dat ze het u vertellen zal, wanneer u wacht tot ze terugkomt.Mevr. Warren.Wil je dan dat ik heenga?Frank.Nee. Ikverlangaltijd dat u blijft. Maar ikraadu aan om heen te gaan.Mevr. Warren.Wat! En haar nooit terugzien?Frank.Juist.Mevr. Warren(weer schreiend). Praeddie,—laat hij toch niet zoo wreed tegen me zijn! (Zij bedwingt haastig haar tranen en veegt haar oogen af). Ze zal zoo boos zijn, als ze ziet, dat ik gehuild heb.Frank(met werkelijk medelijden in z’n luchtige teederheid). U weet, Mevr. Warren, dat Praeddie ’n toonbeeld van goedheid is. Praeddie, wat zeg jij: weggaan of blijven?Praed(tot Mevr. Warren). Het zou me werkelijk erg spijten om u onnoodig pijn te moeten doen;—maar ik geloof tòch misschien, dat u beter zou doen met niet te wachten. De zaak is.... (Men hoort Vivie aan de binnendeur).Frank.Sst—te laat.—Ze komt.Mevr. Warren.Zeg haar niet, dat ik gehuild heb. (Vivie komt binnen. Zij blijft ernstig staan, als ze Mevr. Warren ziet, die haar begroet met hysterischeopgewektheid). Wel lieverd, daar ben je dus eindelijk.Vivie.Ik ben blij, dat u gekomen bent; ik wou u graag spreken. Je zei, geloof ik, dat je heenging, hè Frank?Frank.Ja. Gaat u mee, mevrouw Warren? Wat zegt u van ’n uitstapje naar Richmond en van avond ’n theater? In Richmond bent u veilig; daàr is geen stoompletrol.Vivie.Gekheid, Frank. M’n moeder blijft hier.Mevr. Warren(verschrikt). Ik weet niet;—misschien doe ik beter met heen te gaan. We hinderen je in je werk.Vivie(met kalme beslistheid). Mijnheer Praed, neemt u Frank, als ’t u blieft, mee. Ga zitten moeder. (Mevrouw Warren gehoorzaamt hulpeloos).Praed.Kom Frank. Adieu, juffrouw Vivie.Vivie(hem de hand gevend). Adieu. Plezierige reis.Praed.Dank u, dank u,—dat hoop ik.Frank(tot mevrouw Warren). Adieu. U hadt beter gedaan met m’n raad te volgen. (Hij geeft haar de hand, dan luchtig tot Vivie). Boujour, Viv.Vivie.Adieu. (Hij gaat vroolijk heen zonder haar de hand te geven. Praed volgt. Vivie, bedaard en hoogst ernstig, gaat op Honoria’s stoel zitten en wacht tot haar moeder begint te spreken. Mevrouw Warren, beangst voor een pauze, verliest geen tijd voor ze begint).Mevr. Warren.Wel Vivie, waarom ben je op die manier van me weggeloopen, zonder ’n woord te zeggen? Hoe kòn je zoo iets doen? En wat heb je met dien armen George uitgevoerd? Ik had gewild, dat hij mee was gegaan, maar hij zocht er zich van af te maken. Ik kon merken, dat hij echt bang was. En verbeeld je—hij wou niet, dat ìk zou gaan. (bevend). Alsof ik bang zou zijn van jòu, lieverd.(Vivie wordt nog ernstiger). Maar natuurlijk zei ik hem, dat alles uitstekend tusschen ons in orde was en dat we beste maatjes waren (verliest opeens haar zelfbeheersching). Vivie, wat beteekent dit? (Zij neemt ’n papier uit ’n enveloppe, gaat naar de tafel en reikt het daarover heen aan Vivie). Dat kreeg ik van ochtend van de bank.Vivie.’t Is mijn maandelijksche toelage. Ze zonden me die gisteren zooals gewoonlijk. Ik heb ze toen eenvoudig teruggezonden, om in uw credit te laten boeken, en gevraagd of ze u de quitantie er van wilden sturen. Ik zal in de toekomst mezelf onderhouden.Mevr. Warren(haast niet durvende begrijpen). Was het niet genoeg? Waarom heb je me dat niet gezegd? (met ’n sluwen glans in haar oog). Ik zal ’t verdubbelen; ’t was m’n plan al om dat te doen. Zeg me alleen maar, hoeveel je noodig hebt.Vivie.U weet heel goed, dat dat er niets mee te maken heeft. Van nu af aan ga ik m’n eigen weg, in m’n eigen zaak en met m’n eigen vrienden. En u kunt den uwen gaan (zij staat op). Adieu.Mevr. Warren(ontdaan). Adieu?!Vivie.Ja, adieu. Kom, laten we geen noodelooze scène maken, u begrijpt me volmaakt goed. Jhr. George Crofts heeft me alles verteld.Mevr. Warren(boos). Zotte, ouwe... (zij slikt ’t woord in, en wordt wit van schrik, dat zij het bijna heeft uitgesproken). Z’n tong moest hem afgesneden worden!—Maar ik had je alles toch uitgelegd en je zei, dat je er niets om gaf.Vivie(vast). Pardon, ik geef er wèl om. U hebt me uitgelegd hoe de zaak tot stand kwam. Maar dat verandert er niets aan. (Mevrouw Warren, voor ’n oogenblik tot zwijgen gebracht, kijkt uit-’t-veld-geslagennaar Vivie, die zit als ’n standbeeld, in stilte hopend dat de strijd voorbij is. Maar de slimme uitdrukking komt terug op Mevr. Warren’s gelaat; en zij buigt over de tafel heen, sluw en dringend, terwijl ze fluistert:)Mevr. Warren.Weet je hoe rijk ik ben, Vivie?Vivie.Ik twijfel er niet aan, dat u hèèl rijk bent.Mevr. Warren.Maar je weet niet wat dat allemaal beteekent; daar ben je te jong voor. ’t Beteekent: iederen dag ’n nieuwe japon,—’t beteekent, avond aan avond naar theaters en bals;—’t beteekent dat je de eerste heeren van heel Europa aan je voeten kunt hebben,—’t beteekent ’n prachtig huis en ’n sleep van bedienden; ’t beteekent het fijnste eten en drinken,—’t beteekent alles wat je maar verlangt, alles wat je noodig hebt, alles wat je maar bedenken kunt.—En wat ben je hier?—Een echte sloof, die van vroeg tot laat moet sjouwen en zwoegen alleen voor d’r kost en d’r twee japonnetjes in ’t jaar. Denk daar is over. (sussend). Ik weet ’t wel, je bent gechoqueerd. Ik kan d’er best in komen in je gevoelens,—ze doen je alle eer aan. Maar geloof me, niemand zal jòu er om hard vallen,—daar geef ik je m’n woord op. Ik weet wat jonge meisjes zijn; en ik weet dat je er anders over zal gaan denken, als je nog eens nagedacht heb.Vivie.Dus op dèze manier wordt het gedaan, hê? U moet dit alles al aan heel wat vrouwen gezegd hebben, moeder, dat ’t u zoo vlot afgaat.Mevr. Warren(hartstochtelijk). Wat voor kwaad vraag ik je om te doen? (Vivie wendt zich minachtend af. Mevrouw Warren volgt haar wanhopig). Vivie, luister naar me, je begrijpt ’t allemaal niet. Ze hebben je met opzet verkeerd ingelicht; je weet niet wat de wereld eigenlijk is.Vivie(staan blijvend). Met opzet verkeerd ingelicht! Wat bedoelt u?Mevr. Warren.Ik bedoel, dat je al je kansen wilt weggooien voor niks. Je gelooft, dat de menschen zijn, zooals ze zich voordoen,—dat wat ze je op school als goed en behoorlijk hebben leeren beschouwen, dat ook werkelijk zooìs. Maar dat is zoo nièt;—’t is alleen maar ’n verzinsel om de laffe, slaafsche gewone soort van menschen d’r ònder te houden. Moet je daar pas achter komen, net als andere vrouwen, op je veertigste jaar, als je je eigen hebt weggegooid, en je kansen verkeken hebt, inplaats dat je het intijds aanneemt van je eigen moeder, die van je houdt en je zweert dat het waarheid is. De waarachtige waarheid? (dringend). Vivie, de groote lui, en de knappe lui, en de lui die zaken doen, ze weten ’t allemaal. Die doen net wat ìk doe, en die denken wat ìk denk. Ik ken er verscheidene van. Ik ken ze om met ze te praten, en om ze an je voor te stellen, en om ze met je bevrind te maken. Ik meen niks kwaads; dat wil je maar niet begrijpen. Je hebt je hoofd vol met onnoozele ideeën over me. Wat weten de menschen, die jou onderricht hebben, van ’t leven af en van menschen als ik? Wanneer hebben ze me ooit ontmoet, of met me gepraat, of van anderen over me gehoord? de gekken! Zouden ze ooit iets voor je gedaan hebben, als ìk ze niet betàald had? Heb ik je niet verteld, dat ik wil, dat je fatsoenlijk zal zijn? Heb ik je niet gròotgebracht om fatsoenlijk te wezen? En hoe kan je dat blijven zonder m’n geld en m’n invloed en Lizzie’s vrinden? Begrijpt je dan niet, dat je je eigen nek breekt en mijn hart er bij,—als je me de rug toedraait?Vivie.Dat is Crofts levenswijsheid, moeder. Ik heb ’t allemaal van hèm al gehoord, dien dag bij de Gardner’s.Mevr. Warren.Je denkt, geloof ik, dat ik je dien verloopen ouden gek wil opdringen. Maar dat wil ik niet, Vivie, op m’n woord niet.Vivie.’t Zou niet geven, of u ’t deed. ’t Zou u toch niet lukken. (Mevr. Warrens gezicht vertrekt pijnlijk, ze is diep gekwetst door de kennelijke onverschilligheid tegenover haar goede bedoeling. Vivie, die dit òf niet begrijpt, òf wie ’t niet schelen kan, gaat kalm verder). U begrijpt in ’t minst niet, moeder, wat voor soort van mensch ik ben. Ik heb niets meér tegen Crofts, dan tegen iederen anderen ordinairen man van zìjn slag. Eerlijk gezegd bewonder ik hem zelfs wat, omdat hij kracht genoeg heeft om z’n leven te genieten op z’n eigen manier en flink geld te verdienen, inplaats van het gewone leventje te leiden van: jagen, schieten, uit-dineeren-gaan, toilet maken en slenteren, alleen maar omdat de rest van z’n kliek dat eenmaal doet. En ik ben me volmaakt bewust, dat wanneer ik in dezelfde omstandigheden was geweest als m’n tante Lize, ik precies eender als zij gehandeld zou hebben. Ik geloof niet, dat ik meer bevooroordeeld of bekrompen ben dan u;—ik geloof, dat ik ’t minder ben. Ik ben zèker minder sentimenteel. Ik weet heel goed, dat de wereldsche moraliteit maar ’n voor-de-gek-houderij is, en dat, als ik uw geld aannam en m’n verdere leven doorbracht met het op rijkelui’s manier te verteren, ik even nutteloos en slecht zou kunnen zijn, als de zotste vrouw maar zou kunnen verlangen, zonder ’n woord er over te hooren. Maar ikwilniet nutteloos wezen. Ik zou geen plezier hebben, als ik ’t park ronddraafde om reclame te maken voor m’n naaister en m’n rijtuigfabrikant, of als ik me verveelde in de opera om ’n hoop diamanten uit te stallen.Mevr. Warren(verbluft). Maar....Vivie.Wacht even, ik ben nog niet klaar. Zeg me eens waarom u uw zaak nog voortzet, terwijl u er toch onafhankelijk door bent? Uw zuster, hebt u me zelf verteld, heeft met dat alles afgedaan. Waarom doet u dat ook niet?Mevr. Warren.O, dat is alles goed en wel voor Liz; die houdt van fijn gezelschap en ziet er uit als ’n dame. Maar stel je mij voor in ’n vrome stad? M’n hemel, de kraaien in de boomen zouden me zelfs in de gaten krijgen, laat staan nog, dat ik de verveling niet zou kunnen verdragen. Nee,ìkmoet werk en opwinding hebben, anders zou ik gek worden van sikkeneurigheid. En wat moet ik anders uitvoeren? Het leven bevalt me, ik ben er voor geschikt, en niet voor iets anders. Alsik’t niet deed, zou ’n ander het doen,—dus echt kwaad doe ik er niet mee. En dan brengt ’t geld in;—en ik hoû er van om geld te verdienen. Nee, dat geeft allemaal niks;—opgeven kan ik ’t niet;—voor niemand.—Maar wat hoef jìj er van af te weten? Ik zal er je nooit iets over zeggen. Ik zal Crofts uit den weg houden. Ik zal je ook niet dikwijls lastig vallen. Je moet denken, dat ik voortdurend rondtrek van de eene plaats naar de andere. Als ik dood ga, zul je voor goed met me afgedaan hebben.Vivie.Nee, ik ben m’n moeders dochter. Ik ben net als u: ik moet werk hebben en meer geld verdienen, dan ik uitgeef. Maar ùw werk is mìjn werk niet, en mijn weg niet de uwe. We moeten van elkaar scheiden. Heel veel verschil zal ’t niet voor ons maken: in plaats dat we elkaar misschien ’n paar maanden zien in twintig jaar tijds, zien we elkaar nu heelemaal niet meer, dat is alles.Mevr. Warren(met ’n door tranen verstikte stem).’t Was m’n bedoeling geweest om meer met je samen te zijn, Vivie; dat was ’t waarachtig.Vivie.Dat gaat niet, moeder. Ik laat me niet van m’n stuk brengen terwille van wat goedkoope tranen en smeekbeden, zoomin als u, daar ben ik zeker van.Mevr. Warren(heftig). Noem je de tranen van een moeder goedkoop?Vivie.Ze kosten ù niets; en u vraagt mij om in ruil daarvoor de vrede en de rust van m’n heele leven te geven? Wat zou m’n gezelschap u waard zijn, als u ’t had? Wat hebben wij twee gemeen, dat één van ons gelukkig zou maken, wanneer we bij elkaar waren?Mevr. Warren(vervalt in haar dialect). We zijn moeder en dochter. Ik wil me dochter hebbe. Ik heb recht op je. Wie mot er voor me zorge as ik oud wor’? ’n massa meisjes hebbe zich an me gehecht as dochters en hebbe gehuild as ze van me af moste. Maar ik heb ze allemaal late gaan, omdat ik an joù dacht. Ik ben alléen gebleven om jou. Je heb ’t recht niet om me nou de rug toe te draaie en te weigere je plicht as dochter te doen.Vivie(geprikkeld en vijandig, door de echo van de achterbuurten, die ze in haar moeders stem hoort). M’n plicht als dochter! Ik dacht wel, dat ’t dààrtoe zou komen! Eens vooral nu, moeder: u verlangt naar ’n dochter en Frank naar ’n vrouw. Maar ik bedànk voor ’n moeder en ik bedank voor ’n man. Ik heb noch hem, noch mezelf gespaard, toen ik hem wegzond. Denkt u nu, dat ik ù zal sparen?Mevr. Warren(hevig). O, ik weet wat je d’r voor één bent; zonder genade voor jezelf of voor een ander. Ik weet ’t. M’n ondervinding heeft me dàt tenminste geleerd: dat ik de vrome, huichelachtige, harde, zelfzuchtige vrouw kèn als ik d’r tegenkom.Wel, veel plezier met jezelf; ìk heb je niet noodig. Maar luister hier nou is na: Weet je wat ik met je doen zou, als je weer ’n kind was, zoo waarachtig als er ’n hemel boven ons is?Vivie.Me wurgen misschien.Mevr. Warren.Nee; ik zou je grootbrengen als ’n èchte dochter van me en niet als wat je nou ben, met je trots en je vooroordeelen en je fijne opvoeding, die je van me gestolen heb, ja gestolen, ontken ’t maar als je kan. Wat was ’t anders dan stelen? Ik zou je groot brengen in m’n eigen huis, dàt zou ik.Vivie(rustig). In één van uw eigen huizen.Mevr. Warren(schreeuwend). Hoor d’r ís an! Hoor es hoe ze spuwt op d’r moeders grijze haren! O, ik hoop, dat je beleven mag, dat je eigen dochter je zal verscheuren, en vertrappen, zooals je mij vertrapt hebt! En dat zal je, dat zal je! Geen vrouw had ooit geluk, die door haar moeder vervloekt werd.Vivie.Ik wou, dat u niet zoo te keer ging, moeder. Dat verhardt me alleen maar. Kom, ik vermoed, dat ik de eenige jonge vrouw ben, die u ooit in uw macht had en waar u goed voor geweest bent. Bederf ’t nu niet allemaal.Mevr. Warren.Ja, de hemel vergeve me, dat is zoo. En jij bent de eenige, die zich van me af heeft gekeerd. O, de onrechtvaardigheid ervan, de onrechtvaardigheid! Ik heb altijd ’n goeie vrouw willen zijn. Ik heb het met fatsoenlijk werk geprobeerd en ik werd zoo afgejakkerd, dat ik de dag vervloekte, waarop ik van fatsoenlijk werk gehoord had. Ik ben ’n goeie moeder geweest, en omdat ik van m’n dochter ’n fatsoenlijke vrouw heb gemaakt, stuurt ze me nou van d’r weg, alsof ik de pest heb. O! als ik me leven nog maar es kon overleven! Dan zou ik die leugen-dominé van de Zondagsschool me meening ’ns zeggen!Van nou af an—de hemel mag me bestaan in m’n laatste uurtje—zal ik alleen maar doen wat slecht is; dàt zal ik. En daar zal ik bij gedijen.Vivie.Ja, ’t is beter, dat u uw eigen richting kiest en dààr langs verder gaat. Als ik ù was geweest moeder, zou ik misschien gedaan hebben, wat ù hebt gedaan, maar ik zou niet het ééne leven leiden en gelooven in het andere. U bent in uw hàrt ’n conventioneele vrouw en daarom neem ik nu afscheid van u. Ik heb gelijk, niet waar?Mevr. Warren(van haar stuk gebracht). Gelijk, dat je al m’n geld weggooit!Vivie.Nee, gelijk dat ik van u af wil. Ik zou dwaas zijn, als ’k niet deed,—is ’t niet zoo?Mevr. Warren(norsch). Nou ja,—wat dat aangaat, misschien wel. Maar de Heer mag de wereld bijstaan, als iedereen alleen ging doen wat goed en verstandig was.—En nou ga ik liever heen, dan dat ik blijf waar ik niet gewenscht ben (zij wendt zich naar de deur).Vivie(vriendelijk). Wilt u me geen hand geven?Mevr. Warren(na haar ’n oogenblik fel te hebben aangezien, met ’n heftig verlangen, om haar ’n slag te geven). Nee, dank je. Goeien dag.Vivie(op gewoon-zakelijken toon). Goeien dag. (Mevr. Warren gaat heen en slaat de deur achter zich toe. De spanning op Vivie’s gelaat verslapt; de ernstige uitdrukking er van gaat over in een van blije tevredenheid; zij blaast haar adem uit ’n halven snik, halven lach van innige verluchting. Opgewekt gaat ze naar haar plaats aan de schrijftafel, schuift de electrische lamp wat op zij, verlegt ’n groote hoop papier en wil juist haar pen in den inkt doopen, als ze Franks briefje vindt. Ze opent het onverschillig, en leest het vlug, even lachendom ’n eigenaardige expressie er in). En adieu Frank. (Zij verscheurt het briefje en gooit de stukjes in de papiermand, zonder zich te bedenken. Dan plonst ze zich in haar werk en is gauw geheel verdiept in haar cijfers).EINDE.

VIERDE BEDRIJF.De kamers van Honoria Fraser in Chancery Lane. Een kantoor op de hoogste verdieping met een raam van spiegelglas; geverfde muren, electrisch licht en een vulkachel. Zaterdagmiddag. Men ziet de schoorsteenen van Lincoln’s Inn en den hemel daarachter in ’t Westen, door het venster. Er staat ’n dubbel schrijfbureau in het midden van de kamer met een kistje sigaren, aschbakjes en een verplaatsbare electrische lamp, de laatste half verborgen onder hoopen papier en boeken. Dit schrijfbureau heeft gaten voor de knieën, rechts en links ervan staan stoelen.—Het ziet er heel slordig uit. Het bureau van den klerk, gesloten en netjes, met ’n hoogen stoel er voor, staat tegen den muur aan, dicht bij ’n deur, die in verbinding staat tot de binnenkamer. In den tegenovergestelden muur is de deur, die voert naar de algemeene gang. Zijn bovenpaneel is van matglas, waarop met zwarte letters aan den buitenkant “Fraser en Warren”. Een groen baaien scherm verbergt den hoek tusschen die deur en het venster.Frank, in ’n modieus licht sport-reispak met zijn stok, handschoenen en witte hoed in z’n handen, loopt heen en weer in ’t kantoor. Iemand probeert de deur open te maken, met ’n sleutel.

De kamers van Honoria Fraser in Chancery Lane. Een kantoor op de hoogste verdieping met een raam van spiegelglas; geverfde muren, electrisch licht en een vulkachel. Zaterdagmiddag. Men ziet de schoorsteenen van Lincoln’s Inn en den hemel daarachter in ’t Westen, door het venster. Er staat ’n dubbel schrijfbureau in het midden van de kamer met een kistje sigaren, aschbakjes en een verplaatsbare electrische lamp, de laatste half verborgen onder hoopen papier en boeken. Dit schrijfbureau heeft gaten voor de knieën, rechts en links ervan staan stoelen.—Het ziet er heel slordig uit. Het bureau van den klerk, gesloten en netjes, met ’n hoogen stoel er voor, staat tegen den muur aan, dicht bij ’n deur, die in verbinding staat tot de binnenkamer. In den tegenovergestelden muur is de deur, die voert naar de algemeene gang. Zijn bovenpaneel is van matglas, waarop met zwarte letters aan den buitenkant “Fraser en Warren”. Een groen baaien scherm verbergt den hoek tusschen die deur en het venster.

Frank, in ’n modieus licht sport-reispak met zijn stok, handschoenen en witte hoed in z’n handen, loopt heen en weer in ’t kantoor. Iemand probeert de deur open te maken, met ’n sleutel.

Frank(roept). Binnen! ’t Is niet gesloten. (Vivie komt binnen met hoed op en mantel aan. Zij blijft staan en staart hem aan).Vivie(streng). Wat voer je hier uit?Frank.Op je wachten. Ik hen hier al uren geweest. Is dat de manier om op je zaken te passen? (Hij legt zijn hoed en stok op tafel, gaat met ’n sprong boven op de klerks kruk zitten, en kijkt haar aan met al de symptomen van ’n onrustige, plagerige, lichtzinnige stemming).Vivie.Ik ben precies twintig minuten weg geweest om ’n kop thee te drinken. (Zij neemt haar hoed en mantel af en hangt die achter het scherm). Hoe ben je binnen gekomen?Frank.Het personeel was er nog toen ik kwam. ’t Is weggegaan om cricket te spelen op Primrose-hill. Waarom heb je geen vrouw in je dienst en geef je op die manier je sekse een kansje?Vivie.Waarom ben je gekomen?Frank(springt van zijn kruk af en komt naar haar toe). Viv, laten we uitgaan en ergens van den halven Zaterdagschen vacantiedag genieten, net als ’t personeel.—Wat denk je van Richmond, en daarna een tingeltangel en ’n gezellig soupétje?Vivie.Ik kan ’t niet bekostigen. Ik zal nog ’n uur of zes werken, vòòr ik naar bed ga.Frank.Niet bekostigen, hè? Aha! Kijk ’ns hier. (Hij neemt ’n handvol goudstukken uit z’n zak en rammelt er mee). Goud, Viv, goud!Vivie.Hoe ben je daaraan gekomen?Frank.Met spelen, Viv;—met spelen: Poker.Vivie.Bah! Dat is minner dan stelen. Nee; ik kom nièt. (Zij gaat aan de tafel zitten om te werken, met haar rug naar de glazen deur en begint in de papieren te bladeren.)Frank(beklaaglijk protesteerend). Maar beste Viv, ik moet heusch ’ns heel ernstig met je spreken.Vivie.Best. Ga dan op Honoria’s stoel zitten enpraat. (Hij moppert). Pruttelen helpt niet; ik ben onvermurwbaar. (Hij neemt mistroostig den tegenoverstaanden stoel). Geef me dat sigarenkistje eens aan, wil je?Frank(het kistje naar haar toeschuivend). Akelige vrouwengewoonte. Nette mannen doen ’t niet meer.Vivie.Ja, die maken bezwaar tegen de reuk in ’t kantoor,—en daarom moeten wij ons met cigaretten behelpen. Kijk! (Zij doet ’t kistje open, neemt er ’n cigaret uit en steekt die aan. Zij biedt er hem een aan, maar hij schudt z’n hoofd met ’n zuur gezicht. Zij gaat nu gemakkelijk in haar stoel zitten rooken). Ga je gang.Frank.Wel, ik verlang te weten, wat je gedaan hebt—welke schikkingen je gemaakt hebt.Vivie.Alles was geregeld in twintig minuten, nadat ik hier was gekomen. Honoria heeft dit jaar gemerkt, dat de zaak te veel voor haar werd en stond juist op ’t punt om me te laten komen en me ’n vennootschap voor te stellen, toen ik naar binnen kwam wandelen en haar vertelde, dat ik geen cent in de wereld bezat. Toen heb ik mezelf geïnstalleerd en haar weggestuurd voor ’n veertiendaagsche vacantie.—Wat is er in Haslemere gebeurd, nadat ik heen was gegaan?Frank.Absoluut niets. Ik zei dat je naar de stad was gegaan voor particuliere aangelegenheden.Vivie.En!Frank.Wel, ze waren òf te verbouwereerd om iets te zeggen òf Crofts had je moeder al voorbereid. In ieder geval, zij zei niets, en Crofts zei niets en Praeddie zette alleen groote oogen op.—Na de thee gingen ze weg en ik heb ze na dien tijd niet meer gezien.Vivie(knikt kalm, met haar ééne oog op ’n rookkringetje gericht). Uitstekend.Frank(verachtelijk rondkijkend). Ben je van plan om in deze onmogelijke plaats te blijven?Vivie(blaast den rookkring op besliste manier weg en gaat overeind zitten). Ja. Deze twee dagen hebben me al m’n kracht en zelfvertrouwen teruggegeven. Ik neem nooit meer ’n dag vacantie, zoolang als ik leef.Frank(met ’n heel zuur gezicht). Phoe!—Je ziet erg in je schik, en zoo hard als ’n bikkel.Vivie(streng). Goed, dat ik dat ben!Frank(staat op). Hoor ’ns Viv, we moeten tot ’n verklaring met elkaar komen. Wij zijn verleden van elkaar gegaan, onder den indruk van ’n totaal misverstand.Vivie(legt haar sigaret neer). Nou, helder ’t dan op.Frank.Je herinnert je wat Crofts zei?Vivie.Ja.Frank.Die onthulling werd verondersteld ’n absolute verandering teweeg te brengen in den aard van onze gevoelens voor elkaar. Ze plaatste ons op den voet van broer en zuster.Vivie.Ja.Frank.Heb jij ooit ’n broer gehad?Vivie.Nee.Frank.Dan weet je ook niet hoe ’t voèlt om broer en zuster te zijn. Nou, ik heb ’n massa zusters. Jessie en Georgina en de rest. Het broedergevoel is iets heel bekends voor me;—en ik verzeker je dat m’n gevoel voor jou er niets mee gemeen heeft. De meisjes zullen hùn weg gaan, ik den mijnen en het zal ons niets kunnen schelen, of we elkaar ooit meer terug zien. Dàt is broer- en zuster-zijn. Maar wat joù betreft ben ik niet op m’n gemak als er ’n week voorbij gaat, zonder dat ik je zie. Dat is nièt broer- en zuster-zijn. ’t Is precies wat ik voelde ’n uur vòòrdatCrofts z’n onthulling deed. In ’t kort, beste Viv, ’t is echte, jonge liefde.Vivie(bijtend). Hetzelfde gevoel Frank, dat jouw vader aan m’n moeders voeten bracht, niet waar?Frank(verontwaardigd). Ik kom er met kracht tegen op Viv, om mìjn gevoelens te vergelijken met eenige, die de eerwaarde Samuel in staat is om te koesteren, en ik protesteer nog meèr tegen eene vergelijking van jou met je moeder. Daarenboven geloof ik niets van de heele geschiedenis. Ik heb er mijn vader de duimschroeven voor aangezet en van hem verkregen wat ik synoniem beschouw met ’n ontkenning.Vivie.Wat zei ie?Frank.Hij zei, dat hij zeker was, dat het ’n vergissing moest zijn.Vivie.Geloof je hem?Frank.Ik neem aan, om zìjn woord te gelooven tegenover dat van Crofts.Vivie.Maakt dat eenig verschil? Ik meen in je verbeelding of voor je geweten;—want natuurlijk maakt het geen verschil in werkelijkheid.Frank(hoofdschuddend). Voor mij in ’t minst niet.Vivie.Voor mij ook niet.Frank(haar aanstarend). Maar dat is al heel merkwaardig! Ik dacht dat in jouw verbeelding en voor je geweten, zooals je het daarnet noemde, onze verhouding totaal was veranderd, van het oogenblik af, dat die woorden uit ’t monster zijn muil waren gekomen.Vivie.Nee, dàt was ’t niet. Ik geloofde hem niet. Ik wou dat ik ’t kon.Frank.Wat?Vivie.Ik vind dat broer en zuster een heele geschikte verhouding voor ons zou zijn.Frank.Meen je dat heusch?Vivie.Ja. ’t Is de eenige verhouding, waar ik voor voel, zelfs als we ’n andere konden bekostigen. Dat meen ik.Frank.(Trekt z’n wenkbrauwen op als iemand wien ’n licht opgaat en zegt dan met ’n ontboezeming van ridderlijk gevoel). M’n beste Viv, waarom heb je dat niet eer gezegd? ’t Spijt me zoo, dat ik je lastig ben gevallen. Ik begrijp ’t nu natuurlijk.Vivie(niet begrijpend). Wàt begrijp je?Frank.O, ik ben geen dwaas in den gewonen zin, alleen maar in den bijbelschen zin van ’t woord; dat ik nl. al de dingen doe die de wijze man voor dwaasheid uitmaakt, nadat hijzelf ze eerst allemaal op de meest uitvoerige manier had onderzocht.—Ik merk, dat ik niet langer Vivums jongetje ben.—Wees maar niet bang,—ik zal je nooit meer Vivums noemen,—tenminste.... tenzij je genoeg mocht krijgen van je nieuwe jongetje, wie hij ook zijn mag.Vivie.M’n nieuwe jongetje?Frank(met overtuiging). Er moèt een nieuw jongetje zijn. Gaat altijd zoo op die manier. Iets anders is onmogelijk.Vivie.Geen een, dien jij kent,—gelukkig voor je. (Er wordt aan de deur geklopt).Frank.Vervloekt, die bezoeker, wie hij ook zijn mag.Vivie.’t Is Praed. Hij gaat naar Italië en wou me goeiendag zeggen. Ik heb hem gevraagd om van middag te komen. Doe hem even open.Frank.We kunnen ons gesprek voortzetten na z’n vertrek. Ik zal wachten tot hij weg is. (Hij gaat naar de deur en opent die). Hoe gaat ’t Praeddie?—Prettig je te zien. Kom binnen. (Praed, gekleed voor de reis, komt binnen in ’n opgewekte stemming, opgewonden door het vooruitzicht van de reis).Praed.Hoe gaat ’t u, juffrouw Warren? (Zij drukt hem hartelijk de hand, hoewel ’n zekere sentimentaliteit in zijn verhoogde stemming haar pijnlijk aandoet). Ik vertrek over ’n uur van Holborn Viaduct. Ik wou, dat ik u kon overhalen om mee naar Italië te gaan.Vivie.Waarom?Praed.Wel, om u te verzadigen aan schoonheid en romantiek natuurlijk. (Vivie, met ’n rilling, draait haar stoel naar de tafel toe, alsof het werk, dat haar daar wacht, ’n troost en steun voor haar is. Frank plaatst ’n stoel juist achter Vivie en valt er lui en nonchalant op neer,—terwijl hij tot haar spreekt over z’n schouder heen).Frank.Geeft niets, Praeddie. Viv is ’n kleine Philistijn. Ze is onverschillig voor mìjn romantiek en ongevoelig voor m’n schoonheid.Vivie.Eens vooral, mijnheer Praed, er bestàat voor mij geen schoonheid en geen romantiek in het leven. Het leven is wat het eenmaal is;—en ik heb me voorgenomen het als zoodanig te nemen.Praed(enthousiast). Dat zoudt u niet zeggen, als u naar Verona en Venetië kwam. U zoudt schreien van verrukking om in zoo’n mooie wereld te leven.Frank.Heel welsprekend, Praeddie. Ga zoo door.Praed.O, ik verzeker u, dat ik gehuild heb—en ik hoop het weer te doen—op m’n vijftigste jaar! Op uw leeftijd, juffrouw Warren, zoudt u niet eens zoo ver hoeven te gaan als Verona. Bij het zien van Ostende al, zou uw ziel z’n vleugels uitslaan;—en u zoudt verrukt wezen over de vroolijkheid, de levendigheid, de heerlijk lichte lucht van Brussel. (Vivie schrikt terug). Wat scheelt u?Frank.Allo Viv!Vivie(totPraedmet diep verwijt). Kunt u geenbeter voorbeeld van schoonheid en romantiek voor me vinden dan Brussel?Praed(niet begrijpend). Natuurlijk,—’t is heel verschillend van Verona. Ik beweer geen oogenblik, dat....Vivie(bitter). Waarschijnlijk zullen de schoonheid en de romantiek zoowat op hetzelfde neerkomen in die twee plaatsen.Praed(nu totaal ontnuchterd en heel bezorgd). M’n beste juffrouw Warren, ik.... (ziet Frank vragend aan). Is er iets gebeurd?Frank.Zij vindt je enthousiasme lichtzinnig, Praeddie. Er is haar iets heel ernstigs overkomen.Vivie(scherp). Hoû je mond, Frank. Wees niet mal.Frank(kalm). Noem je dàt nu goede manieren,Praed?Praed(bezorgd en vriendelijk). Zal ik hem meenemen, juffrouw Warren? Ik ben er zeker van, dat we u gehinderd hebben in uw werk. (Hij wil opstaan).Vivie.Blijft u zitten; ik zal vooreerst niet aan het werk gaan. U denkt allebei, dat ik ’n aanval heb van zenuwachtigheid. Geen kwestie van. Maar er zijn twee onderwerpen, die ik, met uw goedvinden, niet aangeroerd wil hebben. Het eene is: (tot Frank) jonge liefde, in welken vorm ook, en het andere: (totPraed) de romantiek en de schoonheid van het leven,—vooral wanneer de vroolijkheid van Brussel er bij tot voorbeeld wordt genomen.—Ik gun u graag alle illusies, die u ten opzichte van deze onderwerpen mag hebben,—ikheb er geen. Als wij drieën vrienden willen blijven, moet ik behandeld worden als ’n vrouw van zaken,—onherroepelijk eenzaam (dit tot Frank) en onherroepelijk onromantisch (dit totPraed).Frank.Ik zal ook “onherroepelijk eenzaam” blijven,totdat je van opinie verandert. Praeddie, kies ’n ander onderwerp;—wees welsprekend over iets anders.Praed(beschroomd). Ik vrees dat er niets anders ter wereld, is, waar ik over kàn spreken. Het evangelie van de kunst is het eenige, dat ik preeken kan. Ik weet, dat juffrouw Warren een vurige aanhangster is van de leer: “om vooruit te komen”;—maar daàrover kunnen we niet spreken zonder jouw gevoelens te kwetsen, Frank, aangezien jij besloten bent om nièt vooruit te komen.Frank.O, bekommer je niet om mìjn gevoelens. Geef me voor mijn part wat heilzamen raad. Dat zal me goed doen. Probeer nog maar eens om een voorspoedig man van me te maken, Viv. Kom, laat ’t me allemaal nog ’ns hooren; energie, zuinigheid, overleg, zelfrespect, karakter. Je haat immers menschen, die geen karakter hebben, is ’t niet Viv?Vivie(pijnlijk). O, hoû op, hoû op; niet meer van die afschuwelijke frases. MijnheerPraed, als er werkelijk alleen maar deze twee evangelie’s in de wereld zijn, dan doen we beter met ons allemaal van kant te maken, want hetzelfde bederf is in allebei.Frank(haar kritisch aanziend). Er is vandaag ’n waas van poëzie over je, Viv, dat je vroeger steeds ontbroken heeft.Praed(vermanend). M’n beste Frank, ben je niet ’n beetje onsympathiek?Vivie(zonder genade voor zichzelf). Nee, ’t is goed voor me. ’t Weerhoudt me van sentimenteel te worden.Frank(haar plagend). Houdt je krachtige, natuurlijke neiging in dat opzicht wat in toom, niet?Vivie(bijna hysterisch). Ja, ja, ga door; spaar me niet. Eèns in m’n leven ben ik, voor één oogenblik,sentimenteel geweest,—verrukkelijk sentimenteel bij maanlicht. En nu....Frank(haastig). Zeg ’ns Viv, pas op. Verpraat je eigen niet.Vivie.O, denk je, dat mijnheer Praed niet alles van m’n moeder af weet? (totPraed). U hadt beter gedaan me dien ochtendalleste vertellen, mijnheer Praed. U bent tenslotte erg ouderwetsch geweest met al uw fijngevoeligheid.Praed.Me dunkt, dat ù wat ouderwetsch bent in uw vooroordeelen, juffrouw Warren. Ik voel me verplicht u te zeggen, sprekend als artiest, en overtuigd dat de innigste familiebanden ver buiten en boven het bereik van de wet staan, dat ik, hoewel ik weet, dat uw moeder ongetrouwd is, haar daarom niets minder respecteer. Ik respecteer er haar integendeel te meer om.Frank(luchtig). Luister, luister.Vivie(hem aanstarend). Is dat alles wat u weet?Praed.Zeker, dat is alles.Vivie.Dan weet u geen van beideniets. Uw gissingen zijn de onschuld zelf vergeleken bij de werkelijkheid.Praed(verschrikt en verontwaardigd, bewaart met moeite zijn beleefdheid). Ik hoop ’t niet (met meer nadruk). Ik hoop ’t niet, juffrouw Warren. (Franks gezicht toont nu, dat hij Praeds ongeloof niet deelt, Vivie geeft ’n uitroep van ongeduld. Praeds ridderlijkheid zakt neer tegenover hun overtuiging). Als er iets erger is... ik meen iets anders, bent u dan wel zeker, of u er goed aan doet het ons te vertellen, juffrouw Warren?Vivie.Ik ben zeker, dat àls ik den moed er toe had, ik de rest van m’n leven zou doorbrengen met hetiedereente vertellen, met het er bij hen in testampen en te branden, totdat ze hun deel van de schaamte en afschuw erover zouden voelen, zoo goed als ik. Er is niets wat ik meer veracht dan de verkeerde conventie, die die dingen beschermt door ’n vrouw te verbieden om er over te spreken. En tòch kan ik ’t u niet zeggen. De twee afschuwelijke woorden, die uitdrukken wàt m’n moeder is, klinken in m’n ooren en branden me op m’n tong, en ik kàn ze niet uitspreken: m’n instinct is me te sterk. (Zij begraaft haar gezicht in haar handen. De twee staren verbaasd, eerst elkaar aan, dan haar. Zij licht haar hoofd weer op en neemt ’n vel papier en ’n pen). Kijk dan: ik zal ’n prospectus voor u opstellen.Frank.O, ze is gek. Hoor je dat, Viv, gek. Kom, kom, niet bij de pakken neerzitten.Vivie.Dat zul je zien. (Zij schrijft). “Gestort kapitaal: niet minder dan 40.000 pond op naam van Jhr. George Crofts, de voornaamste aandeelhouder. Wat komt er dan? Ik heb ’t vergeten.—O ja: perceelen in Brussel, Berlijn, Weenen en Budapesth. De directeur: mevrouw Warren.”—En laat ik nu vooral haar titel niet vergeten,—de twee woorden. Daar! (Zij schuift ’t papier naar hen toe). O, nee, nee, lees ’t niet. (Zij trekt ’t terug en scheurt het in stukjes. Frank, die over haar schouder heen nauwkeurig heeft gezien wat zij schreef en er met groote oogen naar gestaard heeft, neemt ’n kaartje uit z’n zak, krabbelt er ’n paar woorden op en geeft het zwijgend aanPraed, die ’t met verbazing leest. Frank buigt zich dan berouwvol over Vivie heen).Frank(fluistert teeder). Beste Viv;—’t is in orde. Ik heb gelezen watje schreef; en Praeddie ook. We begrijpen het allebei. En we blijven je, met dit al, èven toegewijd als vroeger. (Vivie licht langzaam haar hoofd op).Praed.Ja, dat doen we zeker, juffrouw Warren. Ik moet zeggen, u bent de bewonderenswaardigste, moedigste vrouw, die ik ooit ontmoet heb. (Dit sentimenteele compliment geeft Vivie kracht. Zij schudt het ongeduldig van zich af, en dwingt zichzelf om op te staan, hoewel niet zonder eenigen steun van de tafel).Frank.Beweeg je niet, Viv, als het je moeilijk valt. Hoû je gemak.Vivie.Dankje. Je kunt altijd op me rekenen met twee dingen: dat ik niet huilen zal en niet flauw vallen. (Zij gaat een paar stappen naar de deur van de binnenkamer en houdt stil dicht bijPraed, om hem te zeggen:) Ik zal meer moed noodig hebben dan nu, als ik m’n moeder vertel dat onze wegen zich voortaan zullen scheiden. En nu, als u ’t goed vindt, ga ik ’n oogenblik naar binnen om me wat op te knappen.Praed.Willen wij heengaan?Vivie.Nee, ik ben dadelijk terug. ’n Oogenblik maar. (Zij gaat de andere kamer in, waarvanPraedde deur voor haar opent).Praed.Wat een merkwaardige onthulling! ’t Valt me verbazend van Crofts tegen; dat doet ’t werkelijk.Frank.Mij in ’t minst niet. Ik heb het gevoel, dat nu eindelijk bij hem de aap uit de mouw is gekomen. Maar wat ’n tegenvaller voor mij, Praeddie! Ik kan haar niet trouwen.Praed(streng). Frank! (Beiden zien elkaar aan, Frank bedaard,Praeddiep verontwaardigd). Ik moet je zeggen, Gardner, dat, als je haar nu laat zitten, je je allermìnst gedraagt.Frank.Goeie, oude Praeddie! Altijd ridderlijk! Maar je vergist je: ’t is niet de moreele kwestie van het geval,—’t is de geldkwestie. Ik zou erwaarachtig nu niet toe kunnen komen om het geld van de ouwe vrouw aan te raken.Praed.En zou je daàrop getrouwd zijn?Frank.Waarop anders?Ikheb geen geld, noch de minste kans om het te verdienen. Als ik nu met Vivie trouwde, zou zij me moeten onderhouden, en ik zou haar meer kosten dan ik waard ben.Praed.Maar me dunkt, dat ’n knappe, verstandige jongen als jij, toch zeker wel iets met z’n eigen hersenen kan verdienen.Frank.O jawel,—’n kleinigheid (hij haalt z’n geld weer te voorschijn). Dat heb ik gisteren allemaal verdiend,—in anderhalf uur tijds,—in ’n hoogst speculatieve onderneming. Nee, beste Praeddie, zelfs wanneer Jessie en Georgine met millionnairs trouwden en de oude heer stierf na ze met ’n shilling te hebben afgescheept, dàn nog zou ik maar vier honderd pond ’s jaars krijgen.—En hij zàl niet sterven, vóor hij de zeven kruisjes gehaald heeft; daar is ie niet origineel genoeg voor. Ik zal op zwart zaad zitten voor de eerste twintig jaar.—Geen zwart zaad voor Viv, als ik ’t kan helpen. Ik trek me met gratie terug en laat de plaats vrij voor de jeunesse dorée van Engeland.—Dat is dus afgesproken.—Ik zal er haar niet over lastig vallen,—ik zal haar alleen een paar regels zenden, nadat we weg zijn gegaan. Dat zal ze wel begrijpen.Praed(z’n hand grijpend). Je bent ’n beste jongen, Frank; ik vraag je van harte vergeving. Maar zul je haar nooit weerzien?Frank.Haar nooit weerzien! Wat weerga, gebruik toch je verstand. Ik zal zoo dikwijls mogelijk bij haar aankomen en een soort van broer voor haar wezen. Ik begrijp niet die dwaze gevolgtrekkingen, die jullie romantische lui maken van de meest gewonedingen. (Er wordt geklopt). Wie zou dat zijn? Zou jij de deur willen opendoen? Als het ’n cliënt is zal het ’n beteren indruk maken, dan wanneer ik verschijn.Praed.Wel zeker. (Hij gaat naar de deur en opent die. Frank gaat op Vivie’s stoel zitten om ’n paar regels te krabbelen). M’n beste Kitty, kom binnen, kom binnen.(Mevrouw Warren komt binnen, angstig rondkijkend naar Vivie. Zij heeft haar best gedaan om er moederlijk en deftig uit te zien. De opzichtige hoed is vervangen door ’n bescheiden kapotje, en de bonte blouse is bedekt door ’n kostbare zwart zijden mantel. Zij is droeviglijk-angstig en weinig op haar gemak,—blijkbaar hevig ontdaan).Mevr. Warren(tot Frank). Wat! Jij hier!Frank(ronddraaiend op z’n stoel, zonder op te staan). Ja, en bizonder verheugd om u te zien. U komt binnen als ’n lentebries.Mevr. Warren(tot Frank). Och, scheì uit met je onzin (zachtjes). Waar is Vivie?Frank(wijst nadrukkelijk op de deur van de binnenkamer, maar zegt niets).Mevr. Warren(gaat plotseling zitten en begint half te schreien). Praeddie, denk je, dat ze mij niet zal willen zien?Praed.M’n beste Kitty, maak jezelf niet van streek. Waarom zou ze dat niet?Mevr. Warren.Och, jij begrijpt niet waarom; jij bent te goedig. Mijnheer Frank, heeft ze ù iets gezegd?Frank(zijn briefje dichtvouwend). Zij moèt u zien, als (met groote nadruk) u wacht tot ze binnenkomt.Mevr. Warren(verschrikt). Waarom zou ik niet wachten? (Frank kijkt haar op komieke wijze aan;legt z’n briefje zorgvuldig op den inktpot, zoodat Vivie het moèt vinden als ze haar pen indoopt; staat dan op en wijdt z’n attentie geheel aan Mevr. Warren). M’n beste Mevr. Warren, veronderstel eens, dat u ’n musch was, zoo’n heel klein, aardig muschje, dat over den weg trippelt, en u zag in uw richting ’n groote stoompletrol aankomen, zoudt u er dan op wachten?Mevr. Warren.Och, zeur niet met je musschen.—Waarom is ze op die manier van Haslemere weggeloopen?Frank.Ik ben bang, dat ze het u vertellen zal, wanneer u wacht tot ze terugkomt.Mevr. Warren.Wil je dan dat ik heenga?Frank.Nee. Ikverlangaltijd dat u blijft. Maar ikraadu aan om heen te gaan.Mevr. Warren.Wat! En haar nooit terugzien?Frank.Juist.Mevr. Warren(weer schreiend). Praeddie,—laat hij toch niet zoo wreed tegen me zijn! (Zij bedwingt haastig haar tranen en veegt haar oogen af). Ze zal zoo boos zijn, als ze ziet, dat ik gehuild heb.Frank(met werkelijk medelijden in z’n luchtige teederheid). U weet, Mevr. Warren, dat Praeddie ’n toonbeeld van goedheid is. Praeddie, wat zeg jij: weggaan of blijven?Praed(tot Mevr. Warren). Het zou me werkelijk erg spijten om u onnoodig pijn te moeten doen;—maar ik geloof tòch misschien, dat u beter zou doen met niet te wachten. De zaak is.... (Men hoort Vivie aan de binnendeur).Frank.Sst—te laat.—Ze komt.Mevr. Warren.Zeg haar niet, dat ik gehuild heb. (Vivie komt binnen. Zij blijft ernstig staan, als ze Mevr. Warren ziet, die haar begroet met hysterischeopgewektheid). Wel lieverd, daar ben je dus eindelijk.Vivie.Ik ben blij, dat u gekomen bent; ik wou u graag spreken. Je zei, geloof ik, dat je heenging, hè Frank?Frank.Ja. Gaat u mee, mevrouw Warren? Wat zegt u van ’n uitstapje naar Richmond en van avond ’n theater? In Richmond bent u veilig; daàr is geen stoompletrol.Vivie.Gekheid, Frank. M’n moeder blijft hier.Mevr. Warren(verschrikt). Ik weet niet;—misschien doe ik beter met heen te gaan. We hinderen je in je werk.Vivie(met kalme beslistheid). Mijnheer Praed, neemt u Frank, als ’t u blieft, mee. Ga zitten moeder. (Mevrouw Warren gehoorzaamt hulpeloos).Praed.Kom Frank. Adieu, juffrouw Vivie.Vivie(hem de hand gevend). Adieu. Plezierige reis.Praed.Dank u, dank u,—dat hoop ik.Frank(tot mevrouw Warren). Adieu. U hadt beter gedaan met m’n raad te volgen. (Hij geeft haar de hand, dan luchtig tot Vivie). Boujour, Viv.Vivie.Adieu. (Hij gaat vroolijk heen zonder haar de hand te geven. Praed volgt. Vivie, bedaard en hoogst ernstig, gaat op Honoria’s stoel zitten en wacht tot haar moeder begint te spreken. Mevrouw Warren, beangst voor een pauze, verliest geen tijd voor ze begint).Mevr. Warren.Wel Vivie, waarom ben je op die manier van me weggeloopen, zonder ’n woord te zeggen? Hoe kòn je zoo iets doen? En wat heb je met dien armen George uitgevoerd? Ik had gewild, dat hij mee was gegaan, maar hij zocht er zich van af te maken. Ik kon merken, dat hij echt bang was. En verbeeld je—hij wou niet, dat ìk zou gaan. (bevend). Alsof ik bang zou zijn van jòu, lieverd.(Vivie wordt nog ernstiger). Maar natuurlijk zei ik hem, dat alles uitstekend tusschen ons in orde was en dat we beste maatjes waren (verliest opeens haar zelfbeheersching). Vivie, wat beteekent dit? (Zij neemt ’n papier uit ’n enveloppe, gaat naar de tafel en reikt het daarover heen aan Vivie). Dat kreeg ik van ochtend van de bank.Vivie.’t Is mijn maandelijksche toelage. Ze zonden me die gisteren zooals gewoonlijk. Ik heb ze toen eenvoudig teruggezonden, om in uw credit te laten boeken, en gevraagd of ze u de quitantie er van wilden sturen. Ik zal in de toekomst mezelf onderhouden.Mevr. Warren(haast niet durvende begrijpen). Was het niet genoeg? Waarom heb je me dat niet gezegd? (met ’n sluwen glans in haar oog). Ik zal ’t verdubbelen; ’t was m’n plan al om dat te doen. Zeg me alleen maar, hoeveel je noodig hebt.Vivie.U weet heel goed, dat dat er niets mee te maken heeft. Van nu af aan ga ik m’n eigen weg, in m’n eigen zaak en met m’n eigen vrienden. En u kunt den uwen gaan (zij staat op). Adieu.Mevr. Warren(ontdaan). Adieu?!Vivie.Ja, adieu. Kom, laten we geen noodelooze scène maken, u begrijpt me volmaakt goed. Jhr. George Crofts heeft me alles verteld.Mevr. Warren(boos). Zotte, ouwe... (zij slikt ’t woord in, en wordt wit van schrik, dat zij het bijna heeft uitgesproken). Z’n tong moest hem afgesneden worden!—Maar ik had je alles toch uitgelegd en je zei, dat je er niets om gaf.Vivie(vast). Pardon, ik geef er wèl om. U hebt me uitgelegd hoe de zaak tot stand kwam. Maar dat verandert er niets aan. (Mevrouw Warren, voor ’n oogenblik tot zwijgen gebracht, kijkt uit-’t-veld-geslagennaar Vivie, die zit als ’n standbeeld, in stilte hopend dat de strijd voorbij is. Maar de slimme uitdrukking komt terug op Mevr. Warren’s gelaat; en zij buigt over de tafel heen, sluw en dringend, terwijl ze fluistert:)Mevr. Warren.Weet je hoe rijk ik ben, Vivie?Vivie.Ik twijfel er niet aan, dat u hèèl rijk bent.Mevr. Warren.Maar je weet niet wat dat allemaal beteekent; daar ben je te jong voor. ’t Beteekent: iederen dag ’n nieuwe japon,—’t beteekent, avond aan avond naar theaters en bals;—’t beteekent dat je de eerste heeren van heel Europa aan je voeten kunt hebben,—’t beteekent ’n prachtig huis en ’n sleep van bedienden; ’t beteekent het fijnste eten en drinken,—’t beteekent alles wat je maar verlangt, alles wat je noodig hebt, alles wat je maar bedenken kunt.—En wat ben je hier?—Een echte sloof, die van vroeg tot laat moet sjouwen en zwoegen alleen voor d’r kost en d’r twee japonnetjes in ’t jaar. Denk daar is over. (sussend). Ik weet ’t wel, je bent gechoqueerd. Ik kan d’er best in komen in je gevoelens,—ze doen je alle eer aan. Maar geloof me, niemand zal jòu er om hard vallen,—daar geef ik je m’n woord op. Ik weet wat jonge meisjes zijn; en ik weet dat je er anders over zal gaan denken, als je nog eens nagedacht heb.Vivie.Dus op dèze manier wordt het gedaan, hê? U moet dit alles al aan heel wat vrouwen gezegd hebben, moeder, dat ’t u zoo vlot afgaat.Mevr. Warren(hartstochtelijk). Wat voor kwaad vraag ik je om te doen? (Vivie wendt zich minachtend af. Mevrouw Warren volgt haar wanhopig). Vivie, luister naar me, je begrijpt ’t allemaal niet. Ze hebben je met opzet verkeerd ingelicht; je weet niet wat de wereld eigenlijk is.Vivie(staan blijvend). Met opzet verkeerd ingelicht! Wat bedoelt u?Mevr. Warren.Ik bedoel, dat je al je kansen wilt weggooien voor niks. Je gelooft, dat de menschen zijn, zooals ze zich voordoen,—dat wat ze je op school als goed en behoorlijk hebben leeren beschouwen, dat ook werkelijk zooìs. Maar dat is zoo nièt;—’t is alleen maar ’n verzinsel om de laffe, slaafsche gewone soort van menschen d’r ònder te houden. Moet je daar pas achter komen, net als andere vrouwen, op je veertigste jaar, als je je eigen hebt weggegooid, en je kansen verkeken hebt, inplaats dat je het intijds aanneemt van je eigen moeder, die van je houdt en je zweert dat het waarheid is. De waarachtige waarheid? (dringend). Vivie, de groote lui, en de knappe lui, en de lui die zaken doen, ze weten ’t allemaal. Die doen net wat ìk doe, en die denken wat ìk denk. Ik ken er verscheidene van. Ik ken ze om met ze te praten, en om ze an je voor te stellen, en om ze met je bevrind te maken. Ik meen niks kwaads; dat wil je maar niet begrijpen. Je hebt je hoofd vol met onnoozele ideeën over me. Wat weten de menschen, die jou onderricht hebben, van ’t leven af en van menschen als ik? Wanneer hebben ze me ooit ontmoet, of met me gepraat, of van anderen over me gehoord? de gekken! Zouden ze ooit iets voor je gedaan hebben, als ìk ze niet betàald had? Heb ik je niet verteld, dat ik wil, dat je fatsoenlijk zal zijn? Heb ik je niet gròotgebracht om fatsoenlijk te wezen? En hoe kan je dat blijven zonder m’n geld en m’n invloed en Lizzie’s vrinden? Begrijpt je dan niet, dat je je eigen nek breekt en mijn hart er bij,—als je me de rug toedraait?Vivie.Dat is Crofts levenswijsheid, moeder. Ik heb ’t allemaal van hèm al gehoord, dien dag bij de Gardner’s.Mevr. Warren.Je denkt, geloof ik, dat ik je dien verloopen ouden gek wil opdringen. Maar dat wil ik niet, Vivie, op m’n woord niet.Vivie.’t Zou niet geven, of u ’t deed. ’t Zou u toch niet lukken. (Mevr. Warrens gezicht vertrekt pijnlijk, ze is diep gekwetst door de kennelijke onverschilligheid tegenover haar goede bedoeling. Vivie, die dit òf niet begrijpt, òf wie ’t niet schelen kan, gaat kalm verder). U begrijpt in ’t minst niet, moeder, wat voor soort van mensch ik ben. Ik heb niets meér tegen Crofts, dan tegen iederen anderen ordinairen man van zìjn slag. Eerlijk gezegd bewonder ik hem zelfs wat, omdat hij kracht genoeg heeft om z’n leven te genieten op z’n eigen manier en flink geld te verdienen, inplaats van het gewone leventje te leiden van: jagen, schieten, uit-dineeren-gaan, toilet maken en slenteren, alleen maar omdat de rest van z’n kliek dat eenmaal doet. En ik ben me volmaakt bewust, dat wanneer ik in dezelfde omstandigheden was geweest als m’n tante Lize, ik precies eender als zij gehandeld zou hebben. Ik geloof niet, dat ik meer bevooroordeeld of bekrompen ben dan u;—ik geloof, dat ik ’t minder ben. Ik ben zèker minder sentimenteel. Ik weet heel goed, dat de wereldsche moraliteit maar ’n voor-de-gek-houderij is, en dat, als ik uw geld aannam en m’n verdere leven doorbracht met het op rijkelui’s manier te verteren, ik even nutteloos en slecht zou kunnen zijn, als de zotste vrouw maar zou kunnen verlangen, zonder ’n woord er over te hooren. Maar ikwilniet nutteloos wezen. Ik zou geen plezier hebben, als ik ’t park ronddraafde om reclame te maken voor m’n naaister en m’n rijtuigfabrikant, of als ik me verveelde in de opera om ’n hoop diamanten uit te stallen.Mevr. Warren(verbluft). Maar....Vivie.Wacht even, ik ben nog niet klaar. Zeg me eens waarom u uw zaak nog voortzet, terwijl u er toch onafhankelijk door bent? Uw zuster, hebt u me zelf verteld, heeft met dat alles afgedaan. Waarom doet u dat ook niet?Mevr. Warren.O, dat is alles goed en wel voor Liz; die houdt van fijn gezelschap en ziet er uit als ’n dame. Maar stel je mij voor in ’n vrome stad? M’n hemel, de kraaien in de boomen zouden me zelfs in de gaten krijgen, laat staan nog, dat ik de verveling niet zou kunnen verdragen. Nee,ìkmoet werk en opwinding hebben, anders zou ik gek worden van sikkeneurigheid. En wat moet ik anders uitvoeren? Het leven bevalt me, ik ben er voor geschikt, en niet voor iets anders. Alsik’t niet deed, zou ’n ander het doen,—dus echt kwaad doe ik er niet mee. En dan brengt ’t geld in;—en ik hoû er van om geld te verdienen. Nee, dat geeft allemaal niks;—opgeven kan ik ’t niet;—voor niemand.—Maar wat hoef jìj er van af te weten? Ik zal er je nooit iets over zeggen. Ik zal Crofts uit den weg houden. Ik zal je ook niet dikwijls lastig vallen. Je moet denken, dat ik voortdurend rondtrek van de eene plaats naar de andere. Als ik dood ga, zul je voor goed met me afgedaan hebben.Vivie.Nee, ik ben m’n moeders dochter. Ik ben net als u: ik moet werk hebben en meer geld verdienen, dan ik uitgeef. Maar ùw werk is mìjn werk niet, en mijn weg niet de uwe. We moeten van elkaar scheiden. Heel veel verschil zal ’t niet voor ons maken: in plaats dat we elkaar misschien ’n paar maanden zien in twintig jaar tijds, zien we elkaar nu heelemaal niet meer, dat is alles.Mevr. Warren(met ’n door tranen verstikte stem).’t Was m’n bedoeling geweest om meer met je samen te zijn, Vivie; dat was ’t waarachtig.Vivie.Dat gaat niet, moeder. Ik laat me niet van m’n stuk brengen terwille van wat goedkoope tranen en smeekbeden, zoomin als u, daar ben ik zeker van.Mevr. Warren(heftig). Noem je de tranen van een moeder goedkoop?Vivie.Ze kosten ù niets; en u vraagt mij om in ruil daarvoor de vrede en de rust van m’n heele leven te geven? Wat zou m’n gezelschap u waard zijn, als u ’t had? Wat hebben wij twee gemeen, dat één van ons gelukkig zou maken, wanneer we bij elkaar waren?Mevr. Warren(vervalt in haar dialect). We zijn moeder en dochter. Ik wil me dochter hebbe. Ik heb recht op je. Wie mot er voor me zorge as ik oud wor’? ’n massa meisjes hebbe zich an me gehecht as dochters en hebbe gehuild as ze van me af moste. Maar ik heb ze allemaal late gaan, omdat ik an joù dacht. Ik ben alléen gebleven om jou. Je heb ’t recht niet om me nou de rug toe te draaie en te weigere je plicht as dochter te doen.Vivie(geprikkeld en vijandig, door de echo van de achterbuurten, die ze in haar moeders stem hoort). M’n plicht als dochter! Ik dacht wel, dat ’t dààrtoe zou komen! Eens vooral nu, moeder: u verlangt naar ’n dochter en Frank naar ’n vrouw. Maar ik bedànk voor ’n moeder en ik bedank voor ’n man. Ik heb noch hem, noch mezelf gespaard, toen ik hem wegzond. Denkt u nu, dat ik ù zal sparen?Mevr. Warren(hevig). O, ik weet wat je d’r voor één bent; zonder genade voor jezelf of voor een ander. Ik weet ’t. M’n ondervinding heeft me dàt tenminste geleerd: dat ik de vrome, huichelachtige, harde, zelfzuchtige vrouw kèn als ik d’r tegenkom.Wel, veel plezier met jezelf; ìk heb je niet noodig. Maar luister hier nou is na: Weet je wat ik met je doen zou, als je weer ’n kind was, zoo waarachtig als er ’n hemel boven ons is?Vivie.Me wurgen misschien.Mevr. Warren.Nee; ik zou je grootbrengen als ’n èchte dochter van me en niet als wat je nou ben, met je trots en je vooroordeelen en je fijne opvoeding, die je van me gestolen heb, ja gestolen, ontken ’t maar als je kan. Wat was ’t anders dan stelen? Ik zou je groot brengen in m’n eigen huis, dàt zou ik.Vivie(rustig). In één van uw eigen huizen.Mevr. Warren(schreeuwend). Hoor d’r ís an! Hoor es hoe ze spuwt op d’r moeders grijze haren! O, ik hoop, dat je beleven mag, dat je eigen dochter je zal verscheuren, en vertrappen, zooals je mij vertrapt hebt! En dat zal je, dat zal je! Geen vrouw had ooit geluk, die door haar moeder vervloekt werd.Vivie.Ik wou, dat u niet zoo te keer ging, moeder. Dat verhardt me alleen maar. Kom, ik vermoed, dat ik de eenige jonge vrouw ben, die u ooit in uw macht had en waar u goed voor geweest bent. Bederf ’t nu niet allemaal.Mevr. Warren.Ja, de hemel vergeve me, dat is zoo. En jij bent de eenige, die zich van me af heeft gekeerd. O, de onrechtvaardigheid ervan, de onrechtvaardigheid! Ik heb altijd ’n goeie vrouw willen zijn. Ik heb het met fatsoenlijk werk geprobeerd en ik werd zoo afgejakkerd, dat ik de dag vervloekte, waarop ik van fatsoenlijk werk gehoord had. Ik ben ’n goeie moeder geweest, en omdat ik van m’n dochter ’n fatsoenlijke vrouw heb gemaakt, stuurt ze me nou van d’r weg, alsof ik de pest heb. O! als ik me leven nog maar es kon overleven! Dan zou ik die leugen-dominé van de Zondagsschool me meening ’ns zeggen!Van nou af an—de hemel mag me bestaan in m’n laatste uurtje—zal ik alleen maar doen wat slecht is; dàt zal ik. En daar zal ik bij gedijen.Vivie.Ja, ’t is beter, dat u uw eigen richting kiest en dààr langs verder gaat. Als ik ù was geweest moeder, zou ik misschien gedaan hebben, wat ù hebt gedaan, maar ik zou niet het ééne leven leiden en gelooven in het andere. U bent in uw hàrt ’n conventioneele vrouw en daarom neem ik nu afscheid van u. Ik heb gelijk, niet waar?Mevr. Warren(van haar stuk gebracht). Gelijk, dat je al m’n geld weggooit!Vivie.Nee, gelijk dat ik van u af wil. Ik zou dwaas zijn, als ’k niet deed,—is ’t niet zoo?Mevr. Warren(norsch). Nou ja,—wat dat aangaat, misschien wel. Maar de Heer mag de wereld bijstaan, als iedereen alleen ging doen wat goed en verstandig was.—En nou ga ik liever heen, dan dat ik blijf waar ik niet gewenscht ben (zij wendt zich naar de deur).Vivie(vriendelijk). Wilt u me geen hand geven?Mevr. Warren(na haar ’n oogenblik fel te hebben aangezien, met ’n heftig verlangen, om haar ’n slag te geven). Nee, dank je. Goeien dag.Vivie(op gewoon-zakelijken toon). Goeien dag. (Mevr. Warren gaat heen en slaat de deur achter zich toe. De spanning op Vivie’s gelaat verslapt; de ernstige uitdrukking er van gaat over in een van blije tevredenheid; zij blaast haar adem uit ’n halven snik, halven lach van innige verluchting. Opgewekt gaat ze naar haar plaats aan de schrijftafel, schuift de electrische lamp wat op zij, verlegt ’n groote hoop papier en wil juist haar pen in den inkt doopen, als ze Franks briefje vindt. Ze opent het onverschillig, en leest het vlug, even lachendom ’n eigenaardige expressie er in). En adieu Frank. (Zij verscheurt het briefje en gooit de stukjes in de papiermand, zonder zich te bedenken. Dan plonst ze zich in haar werk en is gauw geheel verdiept in haar cijfers).EINDE.

Frank(roept). Binnen! ’t Is niet gesloten. (Vivie komt binnen met hoed op en mantel aan. Zij blijft staan en staart hem aan).

Vivie(streng). Wat voer je hier uit?

Frank.Op je wachten. Ik hen hier al uren geweest. Is dat de manier om op je zaken te passen? (Hij legt zijn hoed en stok op tafel, gaat met ’n sprong boven op de klerks kruk zitten, en kijkt haar aan met al de symptomen van ’n onrustige, plagerige, lichtzinnige stemming).

Vivie.Ik ben precies twintig minuten weg geweest om ’n kop thee te drinken. (Zij neemt haar hoed en mantel af en hangt die achter het scherm). Hoe ben je binnen gekomen?

Frank.Het personeel was er nog toen ik kwam. ’t Is weggegaan om cricket te spelen op Primrose-hill. Waarom heb je geen vrouw in je dienst en geef je op die manier je sekse een kansje?

Vivie.Waarom ben je gekomen?

Frank(springt van zijn kruk af en komt naar haar toe). Viv, laten we uitgaan en ergens van den halven Zaterdagschen vacantiedag genieten, net als ’t personeel.—Wat denk je van Richmond, en daarna een tingeltangel en ’n gezellig soupétje?

Vivie.Ik kan ’t niet bekostigen. Ik zal nog ’n uur of zes werken, vòòr ik naar bed ga.

Frank.Niet bekostigen, hè? Aha! Kijk ’ns hier. (Hij neemt ’n handvol goudstukken uit z’n zak en rammelt er mee). Goud, Viv, goud!

Vivie.Hoe ben je daaraan gekomen?

Frank.Met spelen, Viv;—met spelen: Poker.

Vivie.Bah! Dat is minner dan stelen. Nee; ik kom nièt. (Zij gaat aan de tafel zitten om te werken, met haar rug naar de glazen deur en begint in de papieren te bladeren.)

Frank(beklaaglijk protesteerend). Maar beste Viv, ik moet heusch ’ns heel ernstig met je spreken.

Vivie.Best. Ga dan op Honoria’s stoel zitten enpraat. (Hij moppert). Pruttelen helpt niet; ik ben onvermurwbaar. (Hij neemt mistroostig den tegenoverstaanden stoel). Geef me dat sigarenkistje eens aan, wil je?

Frank(het kistje naar haar toeschuivend). Akelige vrouwengewoonte. Nette mannen doen ’t niet meer.

Vivie.Ja, die maken bezwaar tegen de reuk in ’t kantoor,—en daarom moeten wij ons met cigaretten behelpen. Kijk! (Zij doet ’t kistje open, neemt er ’n cigaret uit en steekt die aan. Zij biedt er hem een aan, maar hij schudt z’n hoofd met ’n zuur gezicht. Zij gaat nu gemakkelijk in haar stoel zitten rooken). Ga je gang.

Frank.Wel, ik verlang te weten, wat je gedaan hebt—welke schikkingen je gemaakt hebt.

Vivie.Alles was geregeld in twintig minuten, nadat ik hier was gekomen. Honoria heeft dit jaar gemerkt, dat de zaak te veel voor haar werd en stond juist op ’t punt om me te laten komen en me ’n vennootschap voor te stellen, toen ik naar binnen kwam wandelen en haar vertelde, dat ik geen cent in de wereld bezat. Toen heb ik mezelf geïnstalleerd en haar weggestuurd voor ’n veertiendaagsche vacantie.—Wat is er in Haslemere gebeurd, nadat ik heen was gegaan?

Frank.Absoluut niets. Ik zei dat je naar de stad was gegaan voor particuliere aangelegenheden.

Vivie.En!

Frank.Wel, ze waren òf te verbouwereerd om iets te zeggen òf Crofts had je moeder al voorbereid. In ieder geval, zij zei niets, en Crofts zei niets en Praeddie zette alleen groote oogen op.—Na de thee gingen ze weg en ik heb ze na dien tijd niet meer gezien.

Vivie(knikt kalm, met haar ééne oog op ’n rookkringetje gericht). Uitstekend.

Frank(verachtelijk rondkijkend). Ben je van plan om in deze onmogelijke plaats te blijven?

Vivie(blaast den rookkring op besliste manier weg en gaat overeind zitten). Ja. Deze twee dagen hebben me al m’n kracht en zelfvertrouwen teruggegeven. Ik neem nooit meer ’n dag vacantie, zoolang als ik leef.

Frank(met ’n heel zuur gezicht). Phoe!—Je ziet erg in je schik, en zoo hard als ’n bikkel.

Vivie(streng). Goed, dat ik dat ben!

Frank(staat op). Hoor ’ns Viv, we moeten tot ’n verklaring met elkaar komen. Wij zijn verleden van elkaar gegaan, onder den indruk van ’n totaal misverstand.

Vivie(legt haar sigaret neer). Nou, helder ’t dan op.

Frank.Je herinnert je wat Crofts zei?

Vivie.Ja.

Frank.Die onthulling werd verondersteld ’n absolute verandering teweeg te brengen in den aard van onze gevoelens voor elkaar. Ze plaatste ons op den voet van broer en zuster.

Vivie.Ja.

Frank.Heb jij ooit ’n broer gehad?

Vivie.Nee.

Frank.Dan weet je ook niet hoe ’t voèlt om broer en zuster te zijn. Nou, ik heb ’n massa zusters. Jessie en Georgina en de rest. Het broedergevoel is iets heel bekends voor me;—en ik verzeker je dat m’n gevoel voor jou er niets mee gemeen heeft. De meisjes zullen hùn weg gaan, ik den mijnen en het zal ons niets kunnen schelen, of we elkaar ooit meer terug zien. Dàt is broer- en zuster-zijn. Maar wat joù betreft ben ik niet op m’n gemak als er ’n week voorbij gaat, zonder dat ik je zie. Dat is nièt broer- en zuster-zijn. ’t Is precies wat ik voelde ’n uur vòòrdatCrofts z’n onthulling deed. In ’t kort, beste Viv, ’t is echte, jonge liefde.

Vivie(bijtend). Hetzelfde gevoel Frank, dat jouw vader aan m’n moeders voeten bracht, niet waar?

Frank(verontwaardigd). Ik kom er met kracht tegen op Viv, om mìjn gevoelens te vergelijken met eenige, die de eerwaarde Samuel in staat is om te koesteren, en ik protesteer nog meèr tegen eene vergelijking van jou met je moeder. Daarenboven geloof ik niets van de heele geschiedenis. Ik heb er mijn vader de duimschroeven voor aangezet en van hem verkregen wat ik synoniem beschouw met ’n ontkenning.

Vivie.Wat zei ie?

Frank.Hij zei, dat hij zeker was, dat het ’n vergissing moest zijn.

Vivie.Geloof je hem?

Frank.Ik neem aan, om zìjn woord te gelooven tegenover dat van Crofts.

Vivie.Maakt dat eenig verschil? Ik meen in je verbeelding of voor je geweten;—want natuurlijk maakt het geen verschil in werkelijkheid.

Frank(hoofdschuddend). Voor mij in ’t minst niet.

Vivie.Voor mij ook niet.

Frank(haar aanstarend). Maar dat is al heel merkwaardig! Ik dacht dat in jouw verbeelding en voor je geweten, zooals je het daarnet noemde, onze verhouding totaal was veranderd, van het oogenblik af, dat die woorden uit ’t monster zijn muil waren gekomen.

Vivie.Nee, dàt was ’t niet. Ik geloofde hem niet. Ik wou dat ik ’t kon.

Frank.Wat?

Vivie.Ik vind dat broer en zuster een heele geschikte verhouding voor ons zou zijn.

Frank.Meen je dat heusch?

Vivie.Ja. ’t Is de eenige verhouding, waar ik voor voel, zelfs als we ’n andere konden bekostigen. Dat meen ik.

Frank.(Trekt z’n wenkbrauwen op als iemand wien ’n licht opgaat en zegt dan met ’n ontboezeming van ridderlijk gevoel). M’n beste Viv, waarom heb je dat niet eer gezegd? ’t Spijt me zoo, dat ik je lastig ben gevallen. Ik begrijp ’t nu natuurlijk.

Vivie(niet begrijpend). Wàt begrijp je?

Frank.O, ik ben geen dwaas in den gewonen zin, alleen maar in den bijbelschen zin van ’t woord; dat ik nl. al de dingen doe die de wijze man voor dwaasheid uitmaakt, nadat hijzelf ze eerst allemaal op de meest uitvoerige manier had onderzocht.—Ik merk, dat ik niet langer Vivums jongetje ben.—Wees maar niet bang,—ik zal je nooit meer Vivums noemen,—tenminste.... tenzij je genoeg mocht krijgen van je nieuwe jongetje, wie hij ook zijn mag.

Vivie.M’n nieuwe jongetje?

Frank(met overtuiging). Er moèt een nieuw jongetje zijn. Gaat altijd zoo op die manier. Iets anders is onmogelijk.

Vivie.Geen een, dien jij kent,—gelukkig voor je. (Er wordt aan de deur geklopt).

Frank.Vervloekt, die bezoeker, wie hij ook zijn mag.

Vivie.’t Is Praed. Hij gaat naar Italië en wou me goeiendag zeggen. Ik heb hem gevraagd om van middag te komen. Doe hem even open.

Frank.We kunnen ons gesprek voortzetten na z’n vertrek. Ik zal wachten tot hij weg is. (Hij gaat naar de deur en opent die). Hoe gaat ’t Praeddie?—Prettig je te zien. Kom binnen. (Praed, gekleed voor de reis, komt binnen in ’n opgewekte stemming, opgewonden door het vooruitzicht van de reis).

Praed.Hoe gaat ’t u, juffrouw Warren? (Zij drukt hem hartelijk de hand, hoewel ’n zekere sentimentaliteit in zijn verhoogde stemming haar pijnlijk aandoet). Ik vertrek over ’n uur van Holborn Viaduct. Ik wou, dat ik u kon overhalen om mee naar Italië te gaan.

Vivie.Waarom?

Praed.Wel, om u te verzadigen aan schoonheid en romantiek natuurlijk. (Vivie, met ’n rilling, draait haar stoel naar de tafel toe, alsof het werk, dat haar daar wacht, ’n troost en steun voor haar is. Frank plaatst ’n stoel juist achter Vivie en valt er lui en nonchalant op neer,—terwijl hij tot haar spreekt over z’n schouder heen).

Frank.Geeft niets, Praeddie. Viv is ’n kleine Philistijn. Ze is onverschillig voor mìjn romantiek en ongevoelig voor m’n schoonheid.

Vivie.Eens vooral, mijnheer Praed, er bestàat voor mij geen schoonheid en geen romantiek in het leven. Het leven is wat het eenmaal is;—en ik heb me voorgenomen het als zoodanig te nemen.

Praed(enthousiast). Dat zoudt u niet zeggen, als u naar Verona en Venetië kwam. U zoudt schreien van verrukking om in zoo’n mooie wereld te leven.

Frank.Heel welsprekend, Praeddie. Ga zoo door.

Praed.O, ik verzeker u, dat ik gehuild heb—en ik hoop het weer te doen—op m’n vijftigste jaar! Op uw leeftijd, juffrouw Warren, zoudt u niet eens zoo ver hoeven te gaan als Verona. Bij het zien van Ostende al, zou uw ziel z’n vleugels uitslaan;—en u zoudt verrukt wezen over de vroolijkheid, de levendigheid, de heerlijk lichte lucht van Brussel. (Vivie schrikt terug). Wat scheelt u?

Frank.Allo Viv!

Vivie(totPraedmet diep verwijt). Kunt u geenbeter voorbeeld van schoonheid en romantiek voor me vinden dan Brussel?

Praed(niet begrijpend). Natuurlijk,—’t is heel verschillend van Verona. Ik beweer geen oogenblik, dat....

Vivie(bitter). Waarschijnlijk zullen de schoonheid en de romantiek zoowat op hetzelfde neerkomen in die twee plaatsen.

Praed(nu totaal ontnuchterd en heel bezorgd). M’n beste juffrouw Warren, ik.... (ziet Frank vragend aan). Is er iets gebeurd?

Frank.Zij vindt je enthousiasme lichtzinnig, Praeddie. Er is haar iets heel ernstigs overkomen.

Vivie(scherp). Hoû je mond, Frank. Wees niet mal.

Frank(kalm). Noem je dàt nu goede manieren,Praed?

Praed(bezorgd en vriendelijk). Zal ik hem meenemen, juffrouw Warren? Ik ben er zeker van, dat we u gehinderd hebben in uw werk. (Hij wil opstaan).

Vivie.Blijft u zitten; ik zal vooreerst niet aan het werk gaan. U denkt allebei, dat ik ’n aanval heb van zenuwachtigheid. Geen kwestie van. Maar er zijn twee onderwerpen, die ik, met uw goedvinden, niet aangeroerd wil hebben. Het eene is: (tot Frank) jonge liefde, in welken vorm ook, en het andere: (totPraed) de romantiek en de schoonheid van het leven,—vooral wanneer de vroolijkheid van Brussel er bij tot voorbeeld wordt genomen.—Ik gun u graag alle illusies, die u ten opzichte van deze onderwerpen mag hebben,—ikheb er geen. Als wij drieën vrienden willen blijven, moet ik behandeld worden als ’n vrouw van zaken,—onherroepelijk eenzaam (dit tot Frank) en onherroepelijk onromantisch (dit totPraed).

Frank.Ik zal ook “onherroepelijk eenzaam” blijven,totdat je van opinie verandert. Praeddie, kies ’n ander onderwerp;—wees welsprekend over iets anders.

Praed(beschroomd). Ik vrees dat er niets anders ter wereld, is, waar ik over kàn spreken. Het evangelie van de kunst is het eenige, dat ik preeken kan. Ik weet, dat juffrouw Warren een vurige aanhangster is van de leer: “om vooruit te komen”;—maar daàrover kunnen we niet spreken zonder jouw gevoelens te kwetsen, Frank, aangezien jij besloten bent om nièt vooruit te komen.

Frank.O, bekommer je niet om mìjn gevoelens. Geef me voor mijn part wat heilzamen raad. Dat zal me goed doen. Probeer nog maar eens om een voorspoedig man van me te maken, Viv. Kom, laat ’t me allemaal nog ’ns hooren; energie, zuinigheid, overleg, zelfrespect, karakter. Je haat immers menschen, die geen karakter hebben, is ’t niet Viv?

Vivie(pijnlijk). O, hoû op, hoû op; niet meer van die afschuwelijke frases. MijnheerPraed, als er werkelijk alleen maar deze twee evangelie’s in de wereld zijn, dan doen we beter met ons allemaal van kant te maken, want hetzelfde bederf is in allebei.

Frank(haar kritisch aanziend). Er is vandaag ’n waas van poëzie over je, Viv, dat je vroeger steeds ontbroken heeft.

Praed(vermanend). M’n beste Frank, ben je niet ’n beetje onsympathiek?

Vivie(zonder genade voor zichzelf). Nee, ’t is goed voor me. ’t Weerhoudt me van sentimenteel te worden.

Frank(haar plagend). Houdt je krachtige, natuurlijke neiging in dat opzicht wat in toom, niet?

Vivie(bijna hysterisch). Ja, ja, ga door; spaar me niet. Eèns in m’n leven ben ik, voor één oogenblik,sentimenteel geweest,—verrukkelijk sentimenteel bij maanlicht. En nu....

Frank(haastig). Zeg ’ns Viv, pas op. Verpraat je eigen niet.

Vivie.O, denk je, dat mijnheer Praed niet alles van m’n moeder af weet? (totPraed). U hadt beter gedaan me dien ochtendalleste vertellen, mijnheer Praed. U bent tenslotte erg ouderwetsch geweest met al uw fijngevoeligheid.

Praed.Me dunkt, dat ù wat ouderwetsch bent in uw vooroordeelen, juffrouw Warren. Ik voel me verplicht u te zeggen, sprekend als artiest, en overtuigd dat de innigste familiebanden ver buiten en boven het bereik van de wet staan, dat ik, hoewel ik weet, dat uw moeder ongetrouwd is, haar daarom niets minder respecteer. Ik respecteer er haar integendeel te meer om.

Frank(luchtig). Luister, luister.

Vivie(hem aanstarend). Is dat alles wat u weet?

Praed.Zeker, dat is alles.

Vivie.Dan weet u geen van beideniets. Uw gissingen zijn de onschuld zelf vergeleken bij de werkelijkheid.

Praed(verschrikt en verontwaardigd, bewaart met moeite zijn beleefdheid). Ik hoop ’t niet (met meer nadruk). Ik hoop ’t niet, juffrouw Warren. (Franks gezicht toont nu, dat hij Praeds ongeloof niet deelt, Vivie geeft ’n uitroep van ongeduld. Praeds ridderlijkheid zakt neer tegenover hun overtuiging). Als er iets erger is... ik meen iets anders, bent u dan wel zeker, of u er goed aan doet het ons te vertellen, juffrouw Warren?

Vivie.Ik ben zeker, dat àls ik den moed er toe had, ik de rest van m’n leven zou doorbrengen met hetiedereente vertellen, met het er bij hen in testampen en te branden, totdat ze hun deel van de schaamte en afschuw erover zouden voelen, zoo goed als ik. Er is niets wat ik meer veracht dan de verkeerde conventie, die die dingen beschermt door ’n vrouw te verbieden om er over te spreken. En tòch kan ik ’t u niet zeggen. De twee afschuwelijke woorden, die uitdrukken wàt m’n moeder is, klinken in m’n ooren en branden me op m’n tong, en ik kàn ze niet uitspreken: m’n instinct is me te sterk. (Zij begraaft haar gezicht in haar handen. De twee staren verbaasd, eerst elkaar aan, dan haar. Zij licht haar hoofd weer op en neemt ’n vel papier en ’n pen). Kijk dan: ik zal ’n prospectus voor u opstellen.

Frank.O, ze is gek. Hoor je dat, Viv, gek. Kom, kom, niet bij de pakken neerzitten.

Vivie.Dat zul je zien. (Zij schrijft). “Gestort kapitaal: niet minder dan 40.000 pond op naam van Jhr. George Crofts, de voornaamste aandeelhouder. Wat komt er dan? Ik heb ’t vergeten.—O ja: perceelen in Brussel, Berlijn, Weenen en Budapesth. De directeur: mevrouw Warren.”—En laat ik nu vooral haar titel niet vergeten,—de twee woorden. Daar! (Zij schuift ’t papier naar hen toe). O, nee, nee, lees ’t niet. (Zij trekt ’t terug en scheurt het in stukjes. Frank, die over haar schouder heen nauwkeurig heeft gezien wat zij schreef en er met groote oogen naar gestaard heeft, neemt ’n kaartje uit z’n zak, krabbelt er ’n paar woorden op en geeft het zwijgend aanPraed, die ’t met verbazing leest. Frank buigt zich dan berouwvol over Vivie heen).

Frank(fluistert teeder). Beste Viv;—’t is in orde. Ik heb gelezen watje schreef; en Praeddie ook. We begrijpen het allebei. En we blijven je, met dit al, èven toegewijd als vroeger. (Vivie licht langzaam haar hoofd op).

Praed.Ja, dat doen we zeker, juffrouw Warren. Ik moet zeggen, u bent de bewonderenswaardigste, moedigste vrouw, die ik ooit ontmoet heb. (Dit sentimenteele compliment geeft Vivie kracht. Zij schudt het ongeduldig van zich af, en dwingt zichzelf om op te staan, hoewel niet zonder eenigen steun van de tafel).

Frank.Beweeg je niet, Viv, als het je moeilijk valt. Hoû je gemak.

Vivie.Dankje. Je kunt altijd op me rekenen met twee dingen: dat ik niet huilen zal en niet flauw vallen. (Zij gaat een paar stappen naar de deur van de binnenkamer en houdt stil dicht bijPraed, om hem te zeggen:) Ik zal meer moed noodig hebben dan nu, als ik m’n moeder vertel dat onze wegen zich voortaan zullen scheiden. En nu, als u ’t goed vindt, ga ik ’n oogenblik naar binnen om me wat op te knappen.

Praed.Willen wij heengaan?

Vivie.Nee, ik ben dadelijk terug. ’n Oogenblik maar. (Zij gaat de andere kamer in, waarvanPraedde deur voor haar opent).

Praed.Wat een merkwaardige onthulling! ’t Valt me verbazend van Crofts tegen; dat doet ’t werkelijk.

Frank.Mij in ’t minst niet. Ik heb het gevoel, dat nu eindelijk bij hem de aap uit de mouw is gekomen. Maar wat ’n tegenvaller voor mij, Praeddie! Ik kan haar niet trouwen.

Praed(streng). Frank! (Beiden zien elkaar aan, Frank bedaard,Praeddiep verontwaardigd). Ik moet je zeggen, Gardner, dat, als je haar nu laat zitten, je je allermìnst gedraagt.

Frank.Goeie, oude Praeddie! Altijd ridderlijk! Maar je vergist je: ’t is niet de moreele kwestie van het geval,—’t is de geldkwestie. Ik zou erwaarachtig nu niet toe kunnen komen om het geld van de ouwe vrouw aan te raken.

Praed.En zou je daàrop getrouwd zijn?

Frank.Waarop anders?Ikheb geen geld, noch de minste kans om het te verdienen. Als ik nu met Vivie trouwde, zou zij me moeten onderhouden, en ik zou haar meer kosten dan ik waard ben.

Praed.Maar me dunkt, dat ’n knappe, verstandige jongen als jij, toch zeker wel iets met z’n eigen hersenen kan verdienen.

Frank.O jawel,—’n kleinigheid (hij haalt z’n geld weer te voorschijn). Dat heb ik gisteren allemaal verdiend,—in anderhalf uur tijds,—in ’n hoogst speculatieve onderneming. Nee, beste Praeddie, zelfs wanneer Jessie en Georgine met millionnairs trouwden en de oude heer stierf na ze met ’n shilling te hebben afgescheept, dàn nog zou ik maar vier honderd pond ’s jaars krijgen.—En hij zàl niet sterven, vóor hij de zeven kruisjes gehaald heeft; daar is ie niet origineel genoeg voor. Ik zal op zwart zaad zitten voor de eerste twintig jaar.—Geen zwart zaad voor Viv, als ik ’t kan helpen. Ik trek me met gratie terug en laat de plaats vrij voor de jeunesse dorée van Engeland.—Dat is dus afgesproken.—Ik zal er haar niet over lastig vallen,—ik zal haar alleen een paar regels zenden, nadat we weg zijn gegaan. Dat zal ze wel begrijpen.

Praed(z’n hand grijpend). Je bent ’n beste jongen, Frank; ik vraag je van harte vergeving. Maar zul je haar nooit weerzien?

Frank.Haar nooit weerzien! Wat weerga, gebruik toch je verstand. Ik zal zoo dikwijls mogelijk bij haar aankomen en een soort van broer voor haar wezen. Ik begrijp niet die dwaze gevolgtrekkingen, die jullie romantische lui maken van de meest gewonedingen. (Er wordt geklopt). Wie zou dat zijn? Zou jij de deur willen opendoen? Als het ’n cliënt is zal het ’n beteren indruk maken, dan wanneer ik verschijn.

Praed.Wel zeker. (Hij gaat naar de deur en opent die. Frank gaat op Vivie’s stoel zitten om ’n paar regels te krabbelen). M’n beste Kitty, kom binnen, kom binnen.

(Mevrouw Warren komt binnen, angstig rondkijkend naar Vivie. Zij heeft haar best gedaan om er moederlijk en deftig uit te zien. De opzichtige hoed is vervangen door ’n bescheiden kapotje, en de bonte blouse is bedekt door ’n kostbare zwart zijden mantel. Zij is droeviglijk-angstig en weinig op haar gemak,—blijkbaar hevig ontdaan).

Mevr. Warren(tot Frank). Wat! Jij hier!

Frank(ronddraaiend op z’n stoel, zonder op te staan). Ja, en bizonder verheugd om u te zien. U komt binnen als ’n lentebries.

Mevr. Warren(tot Frank). Och, scheì uit met je onzin (zachtjes). Waar is Vivie?

Frank(wijst nadrukkelijk op de deur van de binnenkamer, maar zegt niets).

Mevr. Warren(gaat plotseling zitten en begint half te schreien). Praeddie, denk je, dat ze mij niet zal willen zien?

Praed.M’n beste Kitty, maak jezelf niet van streek. Waarom zou ze dat niet?

Mevr. Warren.Och, jij begrijpt niet waarom; jij bent te goedig. Mijnheer Frank, heeft ze ù iets gezegd?

Frank(zijn briefje dichtvouwend). Zij moèt u zien, als (met groote nadruk) u wacht tot ze binnenkomt.

Mevr. Warren(verschrikt). Waarom zou ik niet wachten? (Frank kijkt haar op komieke wijze aan;legt z’n briefje zorgvuldig op den inktpot, zoodat Vivie het moèt vinden als ze haar pen indoopt; staat dan op en wijdt z’n attentie geheel aan Mevr. Warren). M’n beste Mevr. Warren, veronderstel eens, dat u ’n musch was, zoo’n heel klein, aardig muschje, dat over den weg trippelt, en u zag in uw richting ’n groote stoompletrol aankomen, zoudt u er dan op wachten?

Mevr. Warren.Och, zeur niet met je musschen.—Waarom is ze op die manier van Haslemere weggeloopen?

Frank.Ik ben bang, dat ze het u vertellen zal, wanneer u wacht tot ze terugkomt.

Mevr. Warren.Wil je dan dat ik heenga?

Frank.Nee. Ikverlangaltijd dat u blijft. Maar ikraadu aan om heen te gaan.

Mevr. Warren.Wat! En haar nooit terugzien?

Frank.Juist.

Mevr. Warren(weer schreiend). Praeddie,—laat hij toch niet zoo wreed tegen me zijn! (Zij bedwingt haastig haar tranen en veegt haar oogen af). Ze zal zoo boos zijn, als ze ziet, dat ik gehuild heb.

Frank(met werkelijk medelijden in z’n luchtige teederheid). U weet, Mevr. Warren, dat Praeddie ’n toonbeeld van goedheid is. Praeddie, wat zeg jij: weggaan of blijven?

Praed(tot Mevr. Warren). Het zou me werkelijk erg spijten om u onnoodig pijn te moeten doen;—maar ik geloof tòch misschien, dat u beter zou doen met niet te wachten. De zaak is.... (Men hoort Vivie aan de binnendeur).

Frank.Sst—te laat.—Ze komt.

Mevr. Warren.Zeg haar niet, dat ik gehuild heb. (Vivie komt binnen. Zij blijft ernstig staan, als ze Mevr. Warren ziet, die haar begroet met hysterischeopgewektheid). Wel lieverd, daar ben je dus eindelijk.

Vivie.Ik ben blij, dat u gekomen bent; ik wou u graag spreken. Je zei, geloof ik, dat je heenging, hè Frank?

Frank.Ja. Gaat u mee, mevrouw Warren? Wat zegt u van ’n uitstapje naar Richmond en van avond ’n theater? In Richmond bent u veilig; daàr is geen stoompletrol.

Vivie.Gekheid, Frank. M’n moeder blijft hier.

Mevr. Warren(verschrikt). Ik weet niet;—misschien doe ik beter met heen te gaan. We hinderen je in je werk.

Vivie(met kalme beslistheid). Mijnheer Praed, neemt u Frank, als ’t u blieft, mee. Ga zitten moeder. (Mevrouw Warren gehoorzaamt hulpeloos).

Praed.Kom Frank. Adieu, juffrouw Vivie.

Vivie(hem de hand gevend). Adieu. Plezierige reis.

Praed.Dank u, dank u,—dat hoop ik.

Frank(tot mevrouw Warren). Adieu. U hadt beter gedaan met m’n raad te volgen. (Hij geeft haar de hand, dan luchtig tot Vivie). Boujour, Viv.

Vivie.Adieu. (Hij gaat vroolijk heen zonder haar de hand te geven. Praed volgt. Vivie, bedaard en hoogst ernstig, gaat op Honoria’s stoel zitten en wacht tot haar moeder begint te spreken. Mevrouw Warren, beangst voor een pauze, verliest geen tijd voor ze begint).

Mevr. Warren.Wel Vivie, waarom ben je op die manier van me weggeloopen, zonder ’n woord te zeggen? Hoe kòn je zoo iets doen? En wat heb je met dien armen George uitgevoerd? Ik had gewild, dat hij mee was gegaan, maar hij zocht er zich van af te maken. Ik kon merken, dat hij echt bang was. En verbeeld je—hij wou niet, dat ìk zou gaan. (bevend). Alsof ik bang zou zijn van jòu, lieverd.(Vivie wordt nog ernstiger). Maar natuurlijk zei ik hem, dat alles uitstekend tusschen ons in orde was en dat we beste maatjes waren (verliest opeens haar zelfbeheersching). Vivie, wat beteekent dit? (Zij neemt ’n papier uit ’n enveloppe, gaat naar de tafel en reikt het daarover heen aan Vivie). Dat kreeg ik van ochtend van de bank.

Vivie.’t Is mijn maandelijksche toelage. Ze zonden me die gisteren zooals gewoonlijk. Ik heb ze toen eenvoudig teruggezonden, om in uw credit te laten boeken, en gevraagd of ze u de quitantie er van wilden sturen. Ik zal in de toekomst mezelf onderhouden.

Mevr. Warren(haast niet durvende begrijpen). Was het niet genoeg? Waarom heb je me dat niet gezegd? (met ’n sluwen glans in haar oog). Ik zal ’t verdubbelen; ’t was m’n plan al om dat te doen. Zeg me alleen maar, hoeveel je noodig hebt.

Vivie.U weet heel goed, dat dat er niets mee te maken heeft. Van nu af aan ga ik m’n eigen weg, in m’n eigen zaak en met m’n eigen vrienden. En u kunt den uwen gaan (zij staat op). Adieu.

Mevr. Warren(ontdaan). Adieu?!

Vivie.Ja, adieu. Kom, laten we geen noodelooze scène maken, u begrijpt me volmaakt goed. Jhr. George Crofts heeft me alles verteld.

Mevr. Warren(boos). Zotte, ouwe... (zij slikt ’t woord in, en wordt wit van schrik, dat zij het bijna heeft uitgesproken). Z’n tong moest hem afgesneden worden!—Maar ik had je alles toch uitgelegd en je zei, dat je er niets om gaf.

Vivie(vast). Pardon, ik geef er wèl om. U hebt me uitgelegd hoe de zaak tot stand kwam. Maar dat verandert er niets aan. (Mevrouw Warren, voor ’n oogenblik tot zwijgen gebracht, kijkt uit-’t-veld-geslagennaar Vivie, die zit als ’n standbeeld, in stilte hopend dat de strijd voorbij is. Maar de slimme uitdrukking komt terug op Mevr. Warren’s gelaat; en zij buigt over de tafel heen, sluw en dringend, terwijl ze fluistert:)

Mevr. Warren.Weet je hoe rijk ik ben, Vivie?

Vivie.Ik twijfel er niet aan, dat u hèèl rijk bent.

Mevr. Warren.Maar je weet niet wat dat allemaal beteekent; daar ben je te jong voor. ’t Beteekent: iederen dag ’n nieuwe japon,—’t beteekent, avond aan avond naar theaters en bals;—’t beteekent dat je de eerste heeren van heel Europa aan je voeten kunt hebben,—’t beteekent ’n prachtig huis en ’n sleep van bedienden; ’t beteekent het fijnste eten en drinken,—’t beteekent alles wat je maar verlangt, alles wat je noodig hebt, alles wat je maar bedenken kunt.—En wat ben je hier?—Een echte sloof, die van vroeg tot laat moet sjouwen en zwoegen alleen voor d’r kost en d’r twee japonnetjes in ’t jaar. Denk daar is over. (sussend). Ik weet ’t wel, je bent gechoqueerd. Ik kan d’er best in komen in je gevoelens,—ze doen je alle eer aan. Maar geloof me, niemand zal jòu er om hard vallen,—daar geef ik je m’n woord op. Ik weet wat jonge meisjes zijn; en ik weet dat je er anders over zal gaan denken, als je nog eens nagedacht heb.

Vivie.Dus op dèze manier wordt het gedaan, hê? U moet dit alles al aan heel wat vrouwen gezegd hebben, moeder, dat ’t u zoo vlot afgaat.

Mevr. Warren(hartstochtelijk). Wat voor kwaad vraag ik je om te doen? (Vivie wendt zich minachtend af. Mevrouw Warren volgt haar wanhopig). Vivie, luister naar me, je begrijpt ’t allemaal niet. Ze hebben je met opzet verkeerd ingelicht; je weet niet wat de wereld eigenlijk is.

Vivie(staan blijvend). Met opzet verkeerd ingelicht! Wat bedoelt u?

Mevr. Warren.Ik bedoel, dat je al je kansen wilt weggooien voor niks. Je gelooft, dat de menschen zijn, zooals ze zich voordoen,—dat wat ze je op school als goed en behoorlijk hebben leeren beschouwen, dat ook werkelijk zooìs. Maar dat is zoo nièt;—’t is alleen maar ’n verzinsel om de laffe, slaafsche gewone soort van menschen d’r ònder te houden. Moet je daar pas achter komen, net als andere vrouwen, op je veertigste jaar, als je je eigen hebt weggegooid, en je kansen verkeken hebt, inplaats dat je het intijds aanneemt van je eigen moeder, die van je houdt en je zweert dat het waarheid is. De waarachtige waarheid? (dringend). Vivie, de groote lui, en de knappe lui, en de lui die zaken doen, ze weten ’t allemaal. Die doen net wat ìk doe, en die denken wat ìk denk. Ik ken er verscheidene van. Ik ken ze om met ze te praten, en om ze an je voor te stellen, en om ze met je bevrind te maken. Ik meen niks kwaads; dat wil je maar niet begrijpen. Je hebt je hoofd vol met onnoozele ideeën over me. Wat weten de menschen, die jou onderricht hebben, van ’t leven af en van menschen als ik? Wanneer hebben ze me ooit ontmoet, of met me gepraat, of van anderen over me gehoord? de gekken! Zouden ze ooit iets voor je gedaan hebben, als ìk ze niet betàald had? Heb ik je niet verteld, dat ik wil, dat je fatsoenlijk zal zijn? Heb ik je niet gròotgebracht om fatsoenlijk te wezen? En hoe kan je dat blijven zonder m’n geld en m’n invloed en Lizzie’s vrinden? Begrijpt je dan niet, dat je je eigen nek breekt en mijn hart er bij,—als je me de rug toedraait?

Vivie.Dat is Crofts levenswijsheid, moeder. Ik heb ’t allemaal van hèm al gehoord, dien dag bij de Gardner’s.

Mevr. Warren.Je denkt, geloof ik, dat ik je dien verloopen ouden gek wil opdringen. Maar dat wil ik niet, Vivie, op m’n woord niet.

Vivie.’t Zou niet geven, of u ’t deed. ’t Zou u toch niet lukken. (Mevr. Warrens gezicht vertrekt pijnlijk, ze is diep gekwetst door de kennelijke onverschilligheid tegenover haar goede bedoeling. Vivie, die dit òf niet begrijpt, òf wie ’t niet schelen kan, gaat kalm verder). U begrijpt in ’t minst niet, moeder, wat voor soort van mensch ik ben. Ik heb niets meér tegen Crofts, dan tegen iederen anderen ordinairen man van zìjn slag. Eerlijk gezegd bewonder ik hem zelfs wat, omdat hij kracht genoeg heeft om z’n leven te genieten op z’n eigen manier en flink geld te verdienen, inplaats van het gewone leventje te leiden van: jagen, schieten, uit-dineeren-gaan, toilet maken en slenteren, alleen maar omdat de rest van z’n kliek dat eenmaal doet. En ik ben me volmaakt bewust, dat wanneer ik in dezelfde omstandigheden was geweest als m’n tante Lize, ik precies eender als zij gehandeld zou hebben. Ik geloof niet, dat ik meer bevooroordeeld of bekrompen ben dan u;—ik geloof, dat ik ’t minder ben. Ik ben zèker minder sentimenteel. Ik weet heel goed, dat de wereldsche moraliteit maar ’n voor-de-gek-houderij is, en dat, als ik uw geld aannam en m’n verdere leven doorbracht met het op rijkelui’s manier te verteren, ik even nutteloos en slecht zou kunnen zijn, als de zotste vrouw maar zou kunnen verlangen, zonder ’n woord er over te hooren. Maar ikwilniet nutteloos wezen. Ik zou geen plezier hebben, als ik ’t park ronddraafde om reclame te maken voor m’n naaister en m’n rijtuigfabrikant, of als ik me verveelde in de opera om ’n hoop diamanten uit te stallen.

Mevr. Warren(verbluft). Maar....

Vivie.Wacht even, ik ben nog niet klaar. Zeg me eens waarom u uw zaak nog voortzet, terwijl u er toch onafhankelijk door bent? Uw zuster, hebt u me zelf verteld, heeft met dat alles afgedaan. Waarom doet u dat ook niet?

Mevr. Warren.O, dat is alles goed en wel voor Liz; die houdt van fijn gezelschap en ziet er uit als ’n dame. Maar stel je mij voor in ’n vrome stad? M’n hemel, de kraaien in de boomen zouden me zelfs in de gaten krijgen, laat staan nog, dat ik de verveling niet zou kunnen verdragen. Nee,ìkmoet werk en opwinding hebben, anders zou ik gek worden van sikkeneurigheid. En wat moet ik anders uitvoeren? Het leven bevalt me, ik ben er voor geschikt, en niet voor iets anders. Alsik’t niet deed, zou ’n ander het doen,—dus echt kwaad doe ik er niet mee. En dan brengt ’t geld in;—en ik hoû er van om geld te verdienen. Nee, dat geeft allemaal niks;—opgeven kan ik ’t niet;—voor niemand.—Maar wat hoef jìj er van af te weten? Ik zal er je nooit iets over zeggen. Ik zal Crofts uit den weg houden. Ik zal je ook niet dikwijls lastig vallen. Je moet denken, dat ik voortdurend rondtrek van de eene plaats naar de andere. Als ik dood ga, zul je voor goed met me afgedaan hebben.

Vivie.Nee, ik ben m’n moeders dochter. Ik ben net als u: ik moet werk hebben en meer geld verdienen, dan ik uitgeef. Maar ùw werk is mìjn werk niet, en mijn weg niet de uwe. We moeten van elkaar scheiden. Heel veel verschil zal ’t niet voor ons maken: in plaats dat we elkaar misschien ’n paar maanden zien in twintig jaar tijds, zien we elkaar nu heelemaal niet meer, dat is alles.

Mevr. Warren(met ’n door tranen verstikte stem).’t Was m’n bedoeling geweest om meer met je samen te zijn, Vivie; dat was ’t waarachtig.

Vivie.Dat gaat niet, moeder. Ik laat me niet van m’n stuk brengen terwille van wat goedkoope tranen en smeekbeden, zoomin als u, daar ben ik zeker van.

Mevr. Warren(heftig). Noem je de tranen van een moeder goedkoop?

Vivie.Ze kosten ù niets; en u vraagt mij om in ruil daarvoor de vrede en de rust van m’n heele leven te geven? Wat zou m’n gezelschap u waard zijn, als u ’t had? Wat hebben wij twee gemeen, dat één van ons gelukkig zou maken, wanneer we bij elkaar waren?

Mevr. Warren(vervalt in haar dialect). We zijn moeder en dochter. Ik wil me dochter hebbe. Ik heb recht op je. Wie mot er voor me zorge as ik oud wor’? ’n massa meisjes hebbe zich an me gehecht as dochters en hebbe gehuild as ze van me af moste. Maar ik heb ze allemaal late gaan, omdat ik an joù dacht. Ik ben alléen gebleven om jou. Je heb ’t recht niet om me nou de rug toe te draaie en te weigere je plicht as dochter te doen.

Vivie(geprikkeld en vijandig, door de echo van de achterbuurten, die ze in haar moeders stem hoort). M’n plicht als dochter! Ik dacht wel, dat ’t dààrtoe zou komen! Eens vooral nu, moeder: u verlangt naar ’n dochter en Frank naar ’n vrouw. Maar ik bedànk voor ’n moeder en ik bedank voor ’n man. Ik heb noch hem, noch mezelf gespaard, toen ik hem wegzond. Denkt u nu, dat ik ù zal sparen?

Mevr. Warren(hevig). O, ik weet wat je d’r voor één bent; zonder genade voor jezelf of voor een ander. Ik weet ’t. M’n ondervinding heeft me dàt tenminste geleerd: dat ik de vrome, huichelachtige, harde, zelfzuchtige vrouw kèn als ik d’r tegenkom.Wel, veel plezier met jezelf; ìk heb je niet noodig. Maar luister hier nou is na: Weet je wat ik met je doen zou, als je weer ’n kind was, zoo waarachtig als er ’n hemel boven ons is?

Vivie.Me wurgen misschien.

Mevr. Warren.Nee; ik zou je grootbrengen als ’n èchte dochter van me en niet als wat je nou ben, met je trots en je vooroordeelen en je fijne opvoeding, die je van me gestolen heb, ja gestolen, ontken ’t maar als je kan. Wat was ’t anders dan stelen? Ik zou je groot brengen in m’n eigen huis, dàt zou ik.

Vivie(rustig). In één van uw eigen huizen.

Mevr. Warren(schreeuwend). Hoor d’r ís an! Hoor es hoe ze spuwt op d’r moeders grijze haren! O, ik hoop, dat je beleven mag, dat je eigen dochter je zal verscheuren, en vertrappen, zooals je mij vertrapt hebt! En dat zal je, dat zal je! Geen vrouw had ooit geluk, die door haar moeder vervloekt werd.

Vivie.Ik wou, dat u niet zoo te keer ging, moeder. Dat verhardt me alleen maar. Kom, ik vermoed, dat ik de eenige jonge vrouw ben, die u ooit in uw macht had en waar u goed voor geweest bent. Bederf ’t nu niet allemaal.

Mevr. Warren.Ja, de hemel vergeve me, dat is zoo. En jij bent de eenige, die zich van me af heeft gekeerd. O, de onrechtvaardigheid ervan, de onrechtvaardigheid! Ik heb altijd ’n goeie vrouw willen zijn. Ik heb het met fatsoenlijk werk geprobeerd en ik werd zoo afgejakkerd, dat ik de dag vervloekte, waarop ik van fatsoenlijk werk gehoord had. Ik ben ’n goeie moeder geweest, en omdat ik van m’n dochter ’n fatsoenlijke vrouw heb gemaakt, stuurt ze me nou van d’r weg, alsof ik de pest heb. O! als ik me leven nog maar es kon overleven! Dan zou ik die leugen-dominé van de Zondagsschool me meening ’ns zeggen!Van nou af an—de hemel mag me bestaan in m’n laatste uurtje—zal ik alleen maar doen wat slecht is; dàt zal ik. En daar zal ik bij gedijen.

Vivie.Ja, ’t is beter, dat u uw eigen richting kiest en dààr langs verder gaat. Als ik ù was geweest moeder, zou ik misschien gedaan hebben, wat ù hebt gedaan, maar ik zou niet het ééne leven leiden en gelooven in het andere. U bent in uw hàrt ’n conventioneele vrouw en daarom neem ik nu afscheid van u. Ik heb gelijk, niet waar?

Mevr. Warren(van haar stuk gebracht). Gelijk, dat je al m’n geld weggooit!

Vivie.Nee, gelijk dat ik van u af wil. Ik zou dwaas zijn, als ’k niet deed,—is ’t niet zoo?

Mevr. Warren(norsch). Nou ja,—wat dat aangaat, misschien wel. Maar de Heer mag de wereld bijstaan, als iedereen alleen ging doen wat goed en verstandig was.—En nou ga ik liever heen, dan dat ik blijf waar ik niet gewenscht ben (zij wendt zich naar de deur).

Vivie(vriendelijk). Wilt u me geen hand geven?

Mevr. Warren(na haar ’n oogenblik fel te hebben aangezien, met ’n heftig verlangen, om haar ’n slag te geven). Nee, dank je. Goeien dag.

Vivie(op gewoon-zakelijken toon). Goeien dag. (Mevr. Warren gaat heen en slaat de deur achter zich toe. De spanning op Vivie’s gelaat verslapt; de ernstige uitdrukking er van gaat over in een van blije tevredenheid; zij blaast haar adem uit ’n halven snik, halven lach van innige verluchting. Opgewekt gaat ze naar haar plaats aan de schrijftafel, schuift de electrische lamp wat op zij, verlegt ’n groote hoop papier en wil juist haar pen in den inkt doopen, als ze Franks briefje vindt. Ze opent het onverschillig, en leest het vlug, even lachendom ’n eigenaardige expressie er in). En adieu Frank. (Zij verscheurt het briefje en gooit de stukjes in de papiermand, zonder zich te bedenken. Dan plonst ze zich in haar werk en is gauw geheel verdiept in haar cijfers).

EINDE.


Back to IndexNext