TWEEDE BEDRIJF.In de villa na donker. Naar ’t Oosten kijkend van binnen uit, in plaats van naar ’t Westen van buiten af, ziet men het raam met kleine ruitjes waarvoor de gordijnen zijn dichtgetrokken, nu midden in den voormuur van het villatje, met de entreedeur links er van. In den linkermuur is de deur, die naar den uitbouw leidt. Op den achtergrond tegen denzelfden muur is ’n klein plat buffet met ’n kaars en lucifers er op, en Franks geweer, waarvan de loop in ’n bordenrek rust, er tegen aangezet. In het midden een tafel met ’n aangestoken lamp er op. Vivie’s boeken en schrijfgerei liggen op ’n tafel rechts van ’t raam, tegen den muur aan. De haard is rechts met ’n klein bankje er voor; er is geen vuur in. Twee van de stoelen zijn rechts en links van de tafel geplaatst.De entree-deur gaat open, waardoor men buiten ’n mooie sterrenlucht ziet, en mevrouw Warren gewikkeld in ’n shawl van Vivie, komt binnen, gevolgd door Frank. Ze heeft genoeg van wandelen en blaast ’n zucht van verlichting uit, terwijl zij de pennen uit haar hoed neemt, die daarna afzet, de pennen door den bol steekt en den hoed op tafel legt.Mevr. Warren.O Heere! Ik weet niet wàt ’t ergste is van ’t buiten zijn; het wandelen of ’t thuiszitten zonder iets uit te voeren. Ik zou nou veel geven voor ’n whisky met spuitwater, als er zoo iets maar te krijgen was in dit gat.Frank(helpt haar om haar shawl af te doen en geeft onder de hand haar schouders eventjes ’n lichte liefkoozing). Misschien heeft Vivie wel wat.Mevr. Warren(keert zich om en kijkt even naar hem van uit den hoek van haar oog, als ze het kneepje voelt). Gekheid! Wat zou ’n jong meisje als zij daarmee doen.—Enfin, komt er niet op aan. (Ze valt vermoeid neer op ’n stoel bij de tafel). Ik begrijp niet hoe ze haar tijd hier zoek brengt. Ik zou veel liever in Weenen zitten.Frank.Laat mij u daar mee naar toenemen. (Hij vouwt de shawl netjes op, hangt die over den rug van den anderen stoel en gaat tegenover haar zitten).Mevr. Warren.Loop heen! Bij jou is ’t geloof ik ook: ’n aardje naar z’n vaartje.Frank.Precies de oude heer, hè?Mevr. Warren.Houd je daar buiten. Wat weet je van die dingen af? Je bent nog maar ’n kuiken.Frank.Toe, ga met me mee naar Weenen. ’t Zou zoo allemachtig leuk zijn.Mevr. Warren.Dank je wel. Weenen is geen plaats voor jou, tenminste niet vòòr je wat ouder bent. (Zij knikt tegen hem om kracht bij te zetten aan deze raadgeving. Hij zet ’n kwasi-droevig gezicht, terwijl z’n oogen lachen. Zij kijkt hem aan, staat dan op en komt naar hem toe). Kijk ’ns hier, kleine vent—(neemt z’n gezicht en licht ’t op). Ik ken je van haver tot gort door de gelijkenis met je vader, beter dan jij jezelf kent. Haal je nou, wat mìj betreft, geen dwaze ideeën in je kop, versta je?Frank(haar galant ’t hof makend met z’n stem). Kan ’t niet helpen, lieve mevrouw Warren, ’t zit in ’t bloed. (Zij doet alsof ze hem om z’n ooren wil slaan; kijkt dan, ’n oogenblik in verzoeking gebracht, naar ’t lachende, aardige, naar haar toegewende gezicht;—ten slotte kust ze hem en wendt zich onmiddellijk af, knorrig op zichzelf).Mevr. Warren.Daar! Dat had ik niet moeten doen. Ik bèn ook slecht.—Neem er maar geen notitie van jongenlief, ’t was maar ’n moederlijke zoen. Ga heen en flirt met Vivie.Frank.Dat doe ik al.Mevr. Warren(keert zich haastig naar hem toe met ’n scherpen toon van angst in haar stem). Wat?Frank.Vivie en ik zijn dikke vrinden.Mevr. Warren.Wat meen je daarmee? Hoor ès; ik duld niet, dat eenige kwajongen scharrelt met mijn kleine meid. Begrepen? Dat wil ik nièt hebben.Frank(in ’t minst niet beschaamd). M’n beste mevrouw Warren, wees toch niet zoo ontdaan. Ik heb eerlijke bedoelingen, zoo eerlijk mogelijk. En jouw kleine meid is best in staat om op zich zelf te passen. Je hoeft haar lang niet zoo onder ’n stolpje te zetten als haar moeder. Ze is niet zoo mooi, weet je.Mevr. Warren(perplext van z’n zekerheid). Nou, jij hebt ook ’n flinke, aardige, twee-duim-dikke-laag brutaligheid over je. Van wièn je ’t hebt weet ik niet,—van je vader zeker niet. (Stemmen en voetstappen bij den ingang). Sst! Ik hoor de anderen binnen komen. (Zij gaat haastig zitten). Onthoud ’t nou; je bent gewaarschuwd (De eerwaarde Samuel komt binnen gevolgd door Crofts). Zoo, wat hebben jullie uitgevoerd? En waar zijn Praeddie en Vivie?Crofts(zet zijn hoed op het bankje en z’n stok in den hoek van den schoorsteen). Zij zijn den heuvel opgegaan. En wij ’t dorp in. Ik had ’n hartversterking noodig. (Hij gaat op de bank zitten).Mevr. Warren.Nou, ze moest er niet zoo van doorgaan, zonder me iets te zeggen (tot Frank). Krijg’n stoel voor je vader; waar zijn je manieren? (Frank springt op en biedt z’n vader op hoffelijke wijze een stoel aan. Krijgt dan ’n andere van den muur vandaan en gaat midden aan de tafel zitten, met z’n vader rechts en mevrouw Warren links van hem). George, waar zul jij van nacht blijven? Hier kunnen wij je niet bergen. En wat zal Praeddie doen?Crofts.Gardner brengt me onder dak.Mevr. Warren.O natuurlijk. Jij zult wel voor jezelf gezorgd hebben. Maar waar blijft Praeddie?Crofts.’k Weet niet. Ik veronderstel, dat hij in ’t logement kan slapen.Mevr. Warren.Heb jij geen plaats voor hem, Sam?Dominé.Wel... è... als dominé hier weet je, ben ik niet vrij om te doen wat ik precies wil... è... Wat is Praed z’n maatschappelijke positie?Mevr. Warren.O, laat dat maar loopen; hij is ’n architect. Wat ’n oude sok ben je toch, Sam.Frank.Ja, dat ’s in orde, oude heer. Hij heeft dat ding gebouwd, daar in Monmouthshire voor den hertog van Beaufort. Tintern Abbey heet ’t. Je zult er wel van gehoord hebben. (Hij wenkt mevr. Warren toe met bliksemsnelle behendigheid en ziet z’n vader onschuldig aan).Dominé.O, in dat geval zal ’t ons natuurlijk zeer aangenaam wezen. Ik vermoed, dat hij den hertog van Beaufort persoonlijk kent?Frank.O... heel intiem zelfs! We kunnen hem in Georgina’s oude kamer plakken.Mevr. Warren.Zoo, dat is dus afgesproken. Als nou die twee maar wouen komen en wij ons soupé konden hebben. ’t Komt niet te pas, om zoo lang na donker uit te blijven.Crofts(ruziemakerig). Wat voor kwaad doen ze je?Mevr. Warren.Kwaad of niet, ’t bevalt me niet.Frank.U doet beter met niet op hen te wachten, mevrouw Warren. Praed zal zoo lang mogelijk uitblijven. Hij heeft nooit geweten, wat ’t zeggen wil om op ’n zomernacht over de hei te dwalen met mijn Vivie.Crofts(gaat ontsteld overeind zitten). Zeg is even...!Dominé(uit z’n professionneele manieren opgeschrikt tot echte kracht en ernst). Frank, eens en voor al, dat is buiten de kwestie. Mevrouw Warren zal je vertellen, dat daar niet aan te denken valt.Crofts.Natuurlijk niet.Frank(met innemende kalmte). Is dat zoo, mevrouw Warren?Mevr. Warren(nadenkend). Wel, ik weet ’t niet, Sam. Als ’t kind wil trouwen, kan er geen goed van komen om haar òngetrouwd te laten.Dominé(perplext). Maar getrouwd met hèm! Jouw dochter metmijnzoon. Denk dan toch eens: dat is onmogelijk.Crofts.Natuurlijk is ’t onmogelijk. Wees niet mal, Kitty.Mevr. Warren(geprikkeld). Waarom niet? Is mijn dochter niet goed genoeg voor jouw zoon?Dominé.Maar waarlijk, beste mevrouw Warren, je weet toch de reden....Mevr. Warren(uitdagend). Ik weèt van geen reden. Als jìj er een weet, kun je hem aan den jongen vertellen, of aan haàr, of aan je gemeente, als je wilt.Dominé(hulpeloos). Je weet heel goed, dat ik niemand de reden vertellen kan. Maar m’n jongen zal me wel gelooven, als ik hem zeg, dát er redenenzijn.Frank.Zeker oude, dat zal hij. Maar heeft jouw jongen zich ooit laten leiden door jouw redenen?Crofts.Je kùnt haar niet trouwen, en daarmeeuit. (Hij staat op en gaat voor den haard staan, met z’n rug er naar toe, beslist wenkbrauwfronsend).Mevr. Warren(zich vinnig naar hem omkeerend). Wat heb jij er mee te maken, zeg?Frank(met z’n liefelijksten lyrischen stemval). Juist watiku wou vragen op m’n eigen, beminnelijke manier.Crofts(tot mevr. Warren). Ik vermoed, dat je je dochter niet verlangt te laten trouwen met ’n man jonger dan zij,—zonder ’n beroep, of ’n duit geld om haar te onderhouden. Vraag ’t Sam, als je mij niet wilt gelooven (tot den dominé). Hoeveel geld denk je hem mee te geven?Dominé.Geen cent. Hij heeft z’n erfdeel al gehad en het laatste ervan opgemaakt in Juli. (Mevrouw Warren’s gezicht betrekt).Crofts(haar observeerend). Heb ik ’t je niet gezegd? (Hij herneemt z’n plaats op de bank en zet z’n beenen weer op de zitting, alsof nu voor goed met ’t onderwerp is afgedaan).Frank(beklaaglijk). Dat is nou echt kruieniersachtig. Denk je, dat juffrouw Warren om geld wil trouwen? Alswijvan elkaar houden....Mevr. Warren.Wel bedankt. Je liefde is ’n aardig, goedkoop artikel, jongenlief. Als jij niet de middelen hebt om ’n vrouw te onderhouden, dan is de zaak beslist; dan krijg je Vivieniet.Frank(hoogelijk geamuseerd). Wat zeg jij er van oude heer, hè?Dominé.Ik ben ’t met mevrouw Warren eens.Frank.En die goeie, oude Crofts heeft z’n meening al gezegd.Crofts(wendt zich boos om op z’n elboog). Hoor ’ns: ik ben niet gediend van jouw onbeschaamdheid.Frank(gevat). ’t Spijt me verbazend, dat ik jeonaangenaam ben Crofts,—maar jij permitteerde jezelf daarnet de vrijheid om als ’n vader tegen me te spreken. Eén vader is genoeg, wel bedankt hoor.Crofts(verachtelijk). Phoe! (Hij draait zich weer om).Frank(opstaand). Mevrouw Warren,—ik kan geen afstand doen van Vivie, zelfs niet ter wille van u.Mevr. Warren(mompelend). Zoo’n kwajongen!Frank.En daar u ongetwijfeld van plan bent om andere vooruitzichten voor haar te openen, zal ik geen tijd verliezen met m’n zaak bij haar te bepleiten. (Zij staren allemaal naar hem, en hij begint op bekoorlijke wijze te declameeren):“Of wel hij vreest zijn lot te zeer,Of acht zijn waarde kleen,Wie niet den worp waagt: op òf neer,Zijn àl op éénen steen!”(De voordeur wordt geopend, terwijl hij reciteert en Vivie en Praed komen binnen. Hij houdt op. Praed legt z’n hoed op ’t buffetje. Er is onmiddellijk ’n verbetering merkbaar in de manieren van het gezelschap. Crofts neemt z’n beenen van de bank af en gaat overeind zitten, als Praed zich bij hem voegt bij den haard. Mevrouw Warren verliest haar losheid van manieren en verschuilt zich in knorrigheid).Mevr. Warren.Waar ter wereld ben je geweest, Vivie?Vivie(neemt haar hoed af en gooit hem achteloos op tafel). Den heuvel op.Mevr. Warren.Nou, je behoorde niet zoo weg te loopen, zonder me iets te laten zeggen. Hoe kon ik weten, wat er van je geworden was, en dat nogal bijna in den nacht!Vivie(gaat naar de deur van de binnenkamer enopent die zonder op haar moeder te letten). En nu ’t soupé!—Ik ben bang, dat we hier nogal opgepropt zullen zitten.Mevr. Warren.Hoorde je niet, wat ik zei, Vivie?Vivie(kalm). Ja moeder. (Weer terugkomend op de moeielijkheid van ’t soupé) Met de hoevelen zijn we? (tellende). Een, twee, drie, vier, vijf, zes.... Wel, twee zullen er moeten wachten tot de rest klaar is. Juffrouw Alison heeft maar borden en messen voor vier.Praed.O, voor mij komt ’t er niet opaan. Ik....Vivie.U hebt ’n lange wandeling gemaakt en u hebt honger, mijnheer Praed; u zult dàdelijk soupeeren. ’t Is noodig, dat er een met me wacht. Frank, heb jij honger?Frank.In ’t minst niet;—absoluut geen trek zelfs.Mevr. Warren.En jij ook niet George. Jij kan wachten.Crofts.Och, loop heen. Ik heb niets gegeten sinds theetijd. Kan Sam ’t niet doen?Frank.Wou u m’n arme vader laten verhongeren?Dominé(knorrig). Sta me toe voor me zelf te spreken, jongmensch.Vivie(beslist). Dat hoeft niet. Er zijn er maar twee noodig. (Ze opent de deur naar de binnenkamer). Wilt u m’n moeder mee naar binnen nemen, mijnheer Gardner? (de dominé geleidt mevrouw Warren en gaat met haar naar de andere kamer. Praed en Crofts volgen. Allen, behalve Praed, zijn blijkbaar weinig ingenomen met deze schikking, maar weten niet hoe er zich tegen te verzetten. Vivie blijft bij de deur staan en kijkt naar hen). Kunt u u doorpersen tot aan dien hoek, mijnheer Praed,—’t past maar net aan. Pas op voor uw jas tegen de gewitte muur,—mooi zoo. Zit u nu allemaal goed?Praed(van binnen af). Heel goed, dank u.Mevr. Warren(van binnen af). Laat de deur open, liefje. (Frank kijkt naar Vivie, sluipt dan naar de buitendeur en zet die zachtjes wijd open). O Heere, wat ’n tocht! Doe hem toch maar liever dicht, kind. (Vivie sluit de deur dadelijk, Frank sluit zachtjes de buitendeur).Frank(juichend). Ha! Ze kwijtgeraakt! Vivie, wat vind je van m’n ouden heer?Vivie(gepreoccupeerd en ernstig). Ik heb hem ternauwernood gesproken. Hij geeft me niet den indruk van ’n bizonder intelligent man.Frank.Och, weet je, de oude is, over ’t geheel genomen, niet zòò dwaas als hij er uitziet. Je moet denken, hij is nou eenmaal dominé hier, en doordat hij ’t ook wil schijnen, stelt hij zich veel stommer aan dan hij eigenlijk is. Nee, de oude heer is zoo kwaad niet, en ik heb volstrekt ’t land zoo niet aan hem als je misschien zou denken. Hij meent ’t goed. Hoe denk je, dat je met hem op zult schieten?Vivie(bijtend sarcastisch). Ik geloof niet, dat hij ’n groote plaats in m’n toekomstig leven zal innemen, noch een van m’n moeders ouden kring, behalve Praed misschien. Wat denk jij van m’n moeder?Frank.Eerlijk en oprecht?Vivie.Ja, eerlijk en oprecht.Frank.Wel, ze is allemachtig leuk.—Maar ’t is me er eentje, niet? En Crofts. Groote goden, die Crofts!Vivie.Wat ’n troep, Frank!Frank.Wat ’n zootje!Vivie(met de diepste verachting voor hen). Als ik dacht, dat ik zòò was, dat ik ’n doorbrengster zou worden, die doelloos haar tijd verslabakt van den eenen maaltijd tot den anderen, zonder karakteren zonder pit in me,—dan zou ik me ’n aâr openen en me dood laten bloeden, zonder ’n oogenblik aarzelen.Frank.Welnee, dat zou je niet. Waarom zouden zij aan den zwoeg gaan, als ze ’t niet hoèven te doen? Ik wou, dat ìk zoo gelukkig was. Nee, waar ik op tegen heb, dat zijn hun manieren. ’t Is niet de leeglooperij zelf. Hun manieren zijn schunnig, echt ordinair.Vivie.Geloof je, dat jouw manieren ’n haar beter zullen wezen, als je zoo oud zult zijn als Crofts,—wanneer je niet werkt?Frank.Natuurlijk geloof ik dat,—oneindig veel beter. Vivums moet niet preeken; haar kleine jongen is onverbeterlijk. (Hij tracht haar gezicht liefkoozend tusschen z’n handen te nemen).Vivie.Weg er mee! Vivums is niet in de stemming om haar jongentje te vertroetelen.Frank.Hoe onvriendelijk!Vivie(stampend). Wees ernstig.Ikben ernstig.Frank.Goed. Laten we geleerd spreken. Juffrouw Warren, weet u wel, dat al de meest liberale denkers hièrin overeenstemmen, dat de helft van de ziekten der moderne beschaving moeten toegeschreven worden aan verhongering der affecties in de jeugd? Ik nu...Vivie(hem kortaf onderbrekend).Je wordt vervelend. (Zij opent de binnendeur.) Is er nog plaats voor Frank? Hij klaagt dat hij verhongert.Mevr. Warren(van binnenaf). Zeker is er. (Gekletter van messen en glazen, als zij die op tafel verschuift). Hier, er is nù plaats naast mij. Kom, Frank!Frank(zachtjes tot Vivie als hij gaat). D’r kleine jongen zal dit z’n Vivums goed betaald zetten. (Hij gaat de andere kamer binnen).Mevr. Warren(van binnenuit). Hier Vivie, kom jij ook binnen, kind. Je zult wel uitgehongerd zijn. (Zij komt binnen, gevolgd door Crofts, die de deur voor Vivie openhoudt met kennelijk ontzag. Zij gaat heen zonder hem aan te zien en hij sluit de deur achter haar). Wel George, jij kunt nog niet klaar zijn. Je hebt niks gegeten.George.O, ik had alleen maar trek om wat te drinken. (Hij steekt z’n handen in z’n zakken en begint door de kamer te draaien, onrustig en stuursch).Mevr. Warren.Nou, ik hoû er van om genoeg te krijgen,—maar met wat koud vleesch, met sla en kaas, kom je al ’n heel eind. (Met ’n zucht van slechts halve verzadiging gaat ze lui neerzitten bij de tafel).Crofts.Waarom blijf je die snotneus aanmoedigen?Mevr. Warren(dadelijk op haar qui-vive). Hoor is George: wat wìl je nou met m’n dochter? Ik heb gezien op wat voor manier je haar aankijkt. Weet wel: ik ken je en ik weet wat je blikken beteekenen.Crofts.’t Kan toch geen kwaad om naar d’r te kijken, wel?Mevr. Warren.Ik zou je heel gauw de deur uitzetten en naar Londen terugsturen als ik iets van jouw onzin in de gaten kreeg. Mijn dochters pink is me meer waard dan jouw heele lichaam en ziel. (Crofts hoort dit aan met ’n grijns. Mevrouw Warren, even blozend door haar onmacht om indruk op hem te maken als ’n theatrale moeder vol toewijding, voegt er zachtjes aan toe): Wees maar gerust, de jonge snotneus heeft niet meer kans dan jij.Crofts.Mag ’n man zich dan niet voor ’n meisje interesseeren?Mevr. Warren.Niet ’n man als jij.Crofts.Hoe oud is ze?Mevr. Warren.Dat gaat je niet an.Crofts.Waarom maak je daar zoo’n geheim van?Mevr. Warren.Omdat ik ’t verkies.Crofts.Nou, ik ben nog geen vijftig. En m’n bezittingen zijn in zoo’n goeien staat als ooit....Mevr. Warren(hem in de rede vallend). Ja, omdat je even gierig als gemeen bent.Crofts(vervolgend). En ’n jonkheer is niet iederen dag te krijgen. Niet één andere man in mijn positie zou genoegen nemen met ’n schoonmoeder als jij. Waarom zou ze me niet trouwen?Mevr. Warren.Jou?Crofts.We zouden met z’n drieën lekkertjes kunnen leven. Ik zou vòòr haar sterven en haar achterlaten als ’n zwierig weeuwtje met overvloed van geld. Waarom niet? De gedachte daaraan is aldoor sterker in me geworden, terwijl ik met dien gek van daarbinnen liep te wandelen.Mevr. Warren(in opstand komend). Ja, juist ’t soort van gedachte om in joù op te komen. (Hij houdt op met rondsluipen en de twee kijken elkaar aan; zij vast, met ’n zekeren angst verscholen achter haar verachting en afschuw, hij heimelijk met ’n zinnelijken grijns en oogenglimp, waarmee hij haar tracht te verlokken).Crofts(wordt plotseling bezorgd en dringend, als hij geen teeken van sympathie bij haar ziet). Hoor ’is Kitty, je bent ’n verstandige vrouw, stel je nou niet braaf an.—Ik zal niet meer vragen en jij hoeft niet meer te antwoorden. Ik zal m’n heele bezitting op haar vastzetten. En als jij op den huwelijksdag voor jezelf ’n wissel verlangt, dan kun je de som noemen, die jezelf wilt,—altijd in ’t redelijke.Mevr. Warren.Bah! Daartoe is ’t dus met jegekomen, George, net als met alle andere afgesjouwde ouwe kerels.Crofts(woest). Verdomd! (Zij staat op en keert zich heftig naar hem toe,—maar de deur van de binnenkamer wordt dan juist geopend en men hoort de stemmen van de anderen, die terugkomen. Crofts, niet in staat zich te beheerschen, snelt naar buiten. De dominé komt terug).De Dominé(rondkijkend). Waar is Jhr. George?Mevr. Warren.Naar buiten gegaan om z’n pijp te rooken. (Zij gaat naar den haard, met haar rug naar hem toe, om tot bedaren te komen. De dominé gaat naar de tafel om z’n hoed te krijgen. Onderwijl komt Vivie binnen, gevolgd door Frank, die met ’n vertoon van diepe uitputting in den meest nabijzijnden stoel neervalt. Mevrouw Warren kijkt rond naar Vivie en zegt met haar affectatie van moederlijke bezorgdheid nog gemaakter dan gewoonlijk). Wel lieverd, heb je lekker gesoupeerd?Vivie.U weet wat juffrouw Alisons soupé’s waard zijn! (Zij keert zich tot Frank en troetelt hem). Arme Frank, was al ’t vleesch dan op? Heeft hij niets gehad dan brood en kaas en gemberbier? (weer ernstig, alsof ze al genoeg gekheid heeft gemaakt voor één avond). Haar boter is heusch afschuwelijk. Ik moet wat boter van Londen laten komen.Frank.Doe dat in ’s hemelsnaam. (Vivie gaat naar de schrijftafel en noteert de bestelling van de boter. Praed komt binnen van de andere kamer,—z’n zakdoek opvouwend, die hij als servet gebruikt had).Dominé.Frank, m’n jongen, ’t is tijd voor ons om naar huis te gaan. Je moeder weet nog niet, dat we gasten krijgen.Praed.Ik ben bang, dat we moeite zullen geven.Frank.In ’t minst niet, Praed; m’n moeder zal ’t heerlijk vinden om kennis met je te maken. Ze is ’n echt intellectueele, artistieke vrouw, en ziet hier niemand van ’t begin tot ’t eind van het jaar behalve den ouden heer. Je kunt je dus voorstellen hoe suf dat voor haar is (tot den dominé). Jij bent niet intellectueel of artistiek, wel piepa? Neem Praed dus dadelijk mee naar huis; dan zal ik hier blijven om mevrouw Warren gezelschap te houden. Je zult Crofts in den tuin vinden. Hij zal uitstekend gezelschap zijn voor onzen jongen bulhond.Praed(neemt z’n hoed van het buffetje en komt dicht naar Frank toe). Kom met ons mee, Frank. Mevrouw Warren heeft juffrouw Vivie in zoo lang niet gezien en tot nu toe hebben wij ze belet om maar ’n oogenblik samen te zijn.Frank (geheel verteederd, kijkt op naar Praed met romantische bewondering). Natuurlijk, dat vergat ik. Wel bedankt voor je vermaning. Bent ’n echte gentleman, Praeddie. Altijd geweest—m’n levensideaal! (Hij staat op om te gaan, maar blijft ’n oogenblik staan tusschen de twee oude heeren en legt z’n hand op Praeds schouder). Och, als jij maar m’n vader was geweest, inplaats van dezen onwaardigen, ouden man! (Hij legt z’n andere hand op z’n vaders schouder).Dominé(lawaaiig). Zwijg jongmensch, zwijg; je bent profaan.Mevr. Warren(lacht hartelijk). Je moest hem beter in toom houden, Sam. Goeie nacht. Hier, geef George z’n hoed en stok met m’n complimenten.Dominé(ze aannemend). Goeien nacht. (Zij geven elkaar de hand. Als hij langs Vivie gaat, geeft hij die ook de hand en zegt haar goeden nacht. Daarna, bulderend commandeerend tot Frank): Komaan jongmensch,vlug wat. (Hij gaat heen. Frank heeft onderwijl z’n pet van de aanrecht genomen en z’n geweer uit het rek. Praed geeft mevrouw Warren en Vivie de hand en gaat heen,—mevrouw Warren begeleidt hem op haar gemak en kijkt hem achterna door den tuin. Frank bedelt stilletjes om ’n kus van Vivie, maar zij zendt hem weg met ’n strengen blik, neemt dan ’n paar boeken en wat papier van de schrijftafel en gaat er mee zitten aan de tafel, in ’t midden, om het schijnsel van de lamp te hebben).Frank(bij de deur, vat mevrouw Warrens hand). Goeie nacht, liève mevrouw Warren. (Hij knijpt haar hand. Zij trekt die haastig weg, klemt haar lippen samen en ziet er meer dan half geneigd uit om hem om z’n ooren te slaan. Hij lacht ondeugend en rent weg, de deur achter zich toeslaand).Mevr. Warren(keert terug naar haar plaats aan de tafel, tegenover Vivie, blijkbaar berustend in ’t vooruitzicht van ’n vervelenden avond, na het vertrek van de heeren). Heb je ooit in je leven iemand zòò hooren kakelen? (zij gaat zitten). Wat ’n plaag is ’t-ie, hè? Nou ik er aan denk liefje, moedig jij hem niet an, hoor. Ik ben zeker, dat hij ’n echte deugniet is.Vivie.Ja, ik ben wel bang, dat hij ’n echte deugnietis. Ik zal hem moeten zien kwijt te raken. Maar ’t zal me erg voor hem spijten, al is hij ’t niet waard, de arme jongen.—Die Crofts schijnt me ook niet veel zaaks te zijn, wel?Mevr. Warren(gekwetst door haar toon). Wat weet jij van de mannen af, kind, om op die manier over ze te praten? Je kunt je er op voorbereiden om Jhr. George hier dikwijls te zien,—omdat hij ’n vrind van me is.Vivie(volmaakt koel). Waarom? Verwacht u, dat we veel samen zullen zijn,—u en ik, meen ik?Mevr. Warren(haar aanstarend). Natuurlijk, totdat je getrouwd bent. Je gaat niet meer naar je colleges terug.Vivie.Gelooft u dan, dat mijn manier van leven u zou bevallen? Ik betwijfel het.Mevr. Warren.Jouw manier van leven? Wat meen je?Vivie(terwijl zij ’n pagina van haar boek opensnijdt met het vouwbeen van haar chatelaine). Is ’t heusch nooit bij u opgekomen, moeder, dat ik ’n manier van leven heb zoo goed als andere menschen?Mevr. Warren.Wat ’n onzin probeer je nou te praten! Wil je me soms je onafhankelijkheid toonen, omdat je nou op school ’n persoontje van belang bent geworden? Wees niet mal, kind.Vivie(op toegevenden toon). Is dat alles wat u over het onderwerp te zeggen hebt, moeder?Mevr. Warren(verbijsterd, daarna boos). Ga nou niet door me zoo te ondervragen (heftig). Hoû je mond. (Vivie gaat door met haar werk, zonder tijd te verliezen of iets te zeggen). Jij met je manier van leven! Wat nog meer? (Zij kijkt naar Vivie; geen antwoord). Jouw manier van leven zal zijn wat mij bevalt;—dàt zal-die (weer ’n pauze). Ik heb die pretenties van je al opgelet, van af dat je die tripos gekregen hebt, of hoe dat examen heeten mag.—Als je denkt, dat ik daarmee genoegen neem, dan vergis je je, en hoe eerder je dat merkt, des te beter (pruttelend). Al wat ìk er over te zeggen heb,—wel zeker! (weer haar stem verheffend, boos).Weet je wel, tegen wie je spreekt, juffertje?Vivie(haar aankijkend, zonder haar hoofd van haar boek op te heffen). Nee. Wie bent u? Wàt bent u?Mevr. Warren(staat ademloos op). Jouw brutaal nest!Vivie.Iedereen kent mìjn reputatie, mìjn maatschappelijke positie en het beroep, dat ik wil volgen. Ik daarentegen weet niets van u af. Wat is dat soort van leven, dat u verlangt, dat ik deelen zal met u en Jhr. George?Mevr. Warren.Pas op! Ik zal iets doen, waar ik later spijt van zal hebben, en jij ook.Vivie(haar boek op zij schuivend met koele beslistheid). Wel, laten we dan ’t onderwerp laten rusten, tot u ’t beter aan zult durven (bekijkt haar moeder kritisch). U moet eens flink wandelen en tennissen om weer op streek te komen. U bent in ’n allertreurigste conditie; u was vandaag niet eens in staat om twintig meter te klimmen zonder te hijgen;—en uw polsen zijn net rolletjes vet. Kijk de mijne eens (zij steekt haar polsen uit).Mevr. Warren(ziet haar eerst hulpeloos aan, begint dan te huilen). Vivie....Vivie(springt haastig op). Begin nou asjeblieft niet te huilen. Alles liever dan dat. Ik kan wezenlijk geen gegrien verdragen. Als u dat doet, zal ik de kamer uitgaan.Mevr. Warren(beklaaglijk). O m’n lieveling, hoe kàn je zoo hard tegen me zijn? Heb ik dan geen rechten op je als moeder?Vivie.Bènt u m’n moeder?Mevr. Warren(hevig ontdaan). Bèn ik je moeder! O Vivie!Vivie.Waar zijn dan m’n bloedverwanten, m’n vader—onze familievrienden? U eischt de rechten van ’n moeder; het recht om me ’n dwaas en ’n kind te noemen, om tegen me te spreken, zooals niet één vrouw, die boven me stond op school, ooittegen me durfde te spreken,—om me een levenswijs voor te schrijven en me de kennismaking op te dringen van ’n vent, van wien iedereen kan zien, dat hij tot het gemeenste soort van viveurs behoort. Vòòr ik mezelf nu de moeite geef om me tegen die eischen te verzetten, doe ik, dunkt me, beter, er eerst achter te komen of ze eenig recht van bestaan hebben.Mevr. Warren(op haar knieën neervallend). O nee, nee, hoû op, hou op! Ik bèn je moeder, ik zweer het! O je zult je toch niet tègen me willen keeren,—m’n eigen kind;—’t is niet natuurlijk! Je gelooft me, niet waar? Zeg dat je me gelooft?Vivie.Wie was m’n vader?Mevr. Warren.Je weet niet wat je vraagt. Dat kan ik je niet vertellen.Vivie(beslist). O ja, dat kunt u wel, als u wilt. Ik heb ’t recht dat te weten.—En u weet heel goed, dat ik dat recht hèb. U kunt weigeren om ’t me te zeggen, als u verkiest,—maar àls u dat doet, zult u me morgenochtend voor ’t laatst gezien hebben.Mevr. Warren.O, ’t is vreeselijk je zòò te hooren praten. Je zoudt me niet.... je kùnt me niet verlaten.Vivie(meedoogenloos). Ja, zonder ’n oogenblik te aarzelen, als u me op dàt punt aan ’t lijntje blijft houden (rillend van afschuw). Hoe kan ik zeker zijn, dat ik niet ’t bedorven bloed van dien gemeenen doorbrenger in m’n lichaam heb?Mevr. Warren.Nee, nee. Ik zweer je, dat hij ’t niet is, zoomin als een van de andere die je ontmoet hebt. Daàrvan tenminste ben ik zeker. (Vivie’s oogen vestigen zich streng op haar moeder als de beteekenis hiervan voor haar opgaat).Vivie(langzaam). “Daarvan tenminste bent u zeker.” Ah! U meent, dat dàt ’t eenige is, waar u zeker van bent (peinzend). Ik begrijp ’t. (Mevrouw Warren verbergt haar gezicht in haar handen). Doe dat niet moeder;—u weet, dat u ’t volstrekt zoo niet voelt. (Mevrouw Warren neemt haar handen weg en kijkt droevig op naar Vivie, die haar horloge uithaalt en zegt) Nu, dat is genoeg voor van avond.—Hoe laat wilt u ontbijten? Is half negen te vroeg voor u?Mevr. Warren(verbijsterd). M’n God, wat voor soort van vrouw ben je?Vivie(koel). Van ’t soort, waar de wereld voor ’t meerendeel uit bestaat, hoop ik. Anders begrijp ik niet hoe ze d’r werk gedaan zou krijgen. Kom, (vat haar moeder bij de polsen en trekt haar op;—met beslistheid) ’n beetje flink nu. Zoo is ’t goed.Mevr. Warren(knorrig). Je bent erg ruw tegen me, Vivie.Vivie.Gekheid. Wat denkt u van naar bed gaan? ’t Is over tienen.Mevr. Warren(hartstochtelijk). Wat geeft ’t of ik naar bed ga. Denk je, dat ik zou kunnen slapen?Vivie.Waarom niet? Ik wel.Mevr. Warren.Jij! Je hebt geen hart! (plotseling barst zij heftig los in haar eigen spraak: het dialect van ’n vrouw uit het volk,—al haar affectaties van moederlijk gezag en conventioneele manieren verdwenen, en met ’n overstelpende inspiratie van echte overtuiging en toorn). O, ik verdraàg ’t niet langer! Ik bedank voor die onrechtvaardigheid! Wat voor recht heb jij om je zoo boven me te plaatsen? Je bluft tegen me op wat je bent, tegen mij, die je in staat heb gesteld om te wòrden wat je bent. Welke kans had ik? Je moest je schamen om zoo’n slechte dochter en ingebeelde preutsche juf te zijn!Vivie(koel en beslist, maar niet langer met zelfvertrouwen, want haar antwoorden, die haar tot dusver overtuigend verstandig en krachtig hebben toegeschenen, beginnen nu tamelijk houterig en pedant te klinken tegenover den nieuwen toon van haar moeder). Geloof u geen oogenblik, dat ik me op eenigerlei wijs boven u plaats. U viel me aan met het conventioneele gezag van ’n moeder, en ìk verdedigde me met de conventioneele meerderheid van ’n fatsoenlijke vrouw. Ronduit gezegd, ben ik niet van plan, om iets van uw onzin te verdragen, en wanneer ù die laat schieten, verlang ik niet van u, dat u iets van de mijne verdraagt.—Ik zal altijd eerbiedigen het recht dat u hebt op uw eigen meeningen en uw eigen manier van leven.Mevr. Warren.M’n eigen meeningen en m’n eigen manier van leven! Hoor d’r is an!—Denk je, dat ik groot ben gebracht als jij,—in staat om m’n eigen manier van leven te zoeken en te kiezen? Denk je, dat ik deê, wàt ik deê, omdat ik ’t prettig of goed vond, of dat ik niet liever na school zou zijn gegaan en ’n dametje geweest zijn, as ik er kans toe gezien had?Vivie.Ieder mensch heeft eènige keus, moeder. De armste meid ter wereld mag niet in staat zijn om te kiezen of ze koningin van Engeland of hoofd van ’n school wil worden, maar ze kan wèl kiezen tusschen lompen uitzoeken en bloemen verkoopen, alnaar dat haar smaak is. De menschen geven altijd de schuld aan de omstandigheden voor wat ze zijn. Ik geloof niet aan de omstandigheden. De menschen, die vooruit komen in de wereld, zijn de menschen die opstaan en uitkijken naar de omstandigheden die ze noodig hebben,—en vinden ze die niet, danmakenzij ze.Mevr. Warren.O, praten is makkelijk, heel gemakkelijk, hè? Nou! Wil je weten wat mijn omstandigheden waren?Vivie.Ja, ’t is beter, dat u ’t me vertelt. Wilt u niet gaan zitten?Mevr. Warren.Ja, ik zàl gaan zitten; wees maar gerust. (Zij plant haar stoel meer naar voren neer met ijzeren energie en gaat zitten. Vivie komt, ondanks haarzelf, onder den indruk). Weet je wie je groomoe was?Vivie.Nee.Mevr. Warren.Nee, dat weet je niet. Ik wel. Ze noemde d’r eigen een weduwvrouw en ze had ’n winkel van gebakken visch ergens bij de Munt en daar onderhield ze d’r eigen en d’r vier dochters van. Twee van ons ware zusters, dat ware Lies en ik, en we zage d’r allebei goed uit, met knappe figure. Ik vermoed, dat onze vader ’n goedgevoede man was. Moeder beweerde, dat ’t een heer was, maar dà weet ik niet. De andere twee ware maar halfzusters: kleine, leelijke, magere, slovende, eerlijke onderkruipsels. Lies en ik zouen ze half vermoord hebben, als moeder òns niet half vermoord had, om onze handen van ze af te houden.Zijwaren de fatsoenlijken van ons. Nou, weet je wat ze kregen voor d’r fatsoen? De eene werkte in ’n loodwitfabriek,—12 uur daags voor 9 shilling in de week, totdat ze stierf an loodwitvergiftiging. Ze dacht, dat ze alleen maar d’r handen wat verlamd zou krijgen, maar ze ging er van dood. De ander werd ons altijd voorgehouden als ’n voorbeeld, omdat ze met ’n werkman van de rijkswerf trouwde en d’r kamer en d’r drie kinderen netjes en zuiver hield van 18 shilling in de week, totdat hij aan de drank raakte. Dat was de moeite waard om fatsoenlijk voor te zijn, niet?Vivie(nu pensief-aandachtig). Dachten u en uw zuster dat?Mevr. Warren.Lies niet, dat kan ik je vertellen, diè was wijzer. We gingen allebei na ’n kerkelijke school,—dat hoorde zoo bij de damesachtige manieren die we ons gaven om meer te zijn dan de kinderen, die niks wisten en nergens heengingen,—en daar bleven we, totdat Lies eens op ’n nacht wegliep en nooit terug kwam. Ik weet, dat de schooljuffrouw dacht, dat ik wel gauw d’r voorbeeld zou volgen,—want de dominé waarschuwde me aldoor, dat Lies zou eindigen met van Waterloo-brug af te springen.—Arme hals,—dat was àl wat hij er van wist! Maar ik had meer angst voor de loodwitfabriek dan voor de rivier, en dat zou jij ook gehad hebben in mijn plaats.—De dominé wist ’n betrekking voor me te krijgen, as bijhulp in de keuken van ’n afschaffersrestauratie, waar ze uitzonden met alles wat je hebben wou.—Toen ben ik kellnerin geworden en daarna ging ik an ’t buffet van ’t Waterloostation,—veertien uur per dag drank bedienen en glazen omwasschen voor 4 shillings in de week en de kost. Dat werd toen beschouwd as ’n groote vooruitgang voor me.—Nou, op ’n kouwe, ellendige nacht, toen ik zòò moe was, dat ik nauwelijks wakker kon blijven, wie denk je dat er binnen kwam voor ’n halve schotsche? Lizzie;—in ’n lange, bonte mantel, elegant en lekker, met ’n hoop goudstukke in d’r beurs!Vivie(grimmig). Tante Lizzie.Mevr. Warren.Ja, en ’n beste tante òok om te hebben. Ze woont nou in Winchester, vlak bij de kathedraal, een van de meest geziene dames dáar.—Ze begeleidt jonge meisjes naar ’t bal van de gouverneur,—asjeblieft hoor! Geen rivier voor Lies, dankje wel.—Jij doet me wat an Lies denken: ze was ’n eerste zakevrouw,—spaarde geld op van de beginne af,—liet nooit te veel zien wat ze was,—raakte nooit ’r hoofd kwijt, of liet ’n gelegenheid voorbijgaan.—Toen ze zag, dat ik knap op zou groeien, zei ze tegen me, zoo over de toonbank heen: “Wat doe jij hier, malle meid,—je gezondheid en je uiterlijk verwoesten voor ’n andermans profijt?” Lies was toen an ’t opsparen, om ’n huis voor d’r eigen te nemen, in Brussel, en ze dacht, dat we samen gauwer zouen sparen, dan ieder voor zich. Daarom leende ze me wat geld en hielp me aan de gang; en ik spaarde geregeld an en betaalde d’r eerst af en begon toen ’n zaak met haàr als deelgenoot. Waarom zou ik ’t nièt gedaan hebben? ’t Huis in Brussel was er een van de eerste rang,—’n heel wat beter plaats voor ’n vrouw, dan de fabriek, waar Annemie vergiftigd werd. Geen één van onze meisjes werd ooit behandeld zoo als ik behandeld werd in de bijkeuken van die afschaffersboel, of as an ’t buffet,—of as thuis: Had je gewild dat ik daar was gebleven en ’n afgewerkte ouwe sloof was geworden vòòr m’n 40ste jaar?Vivie(nu geweldig geïnteresseerd). Nee, maar waarom koos u diè zaak. Met spaarzaamheid en goed beheer kun je elke zaak er boven op werken.Mevr. Warren.Ja, geld opsparen. Maar in welke zaak kàn ’n vrouw geld opspare? Zou jij kenne sparen van 4 shillings in de week en je d’r van kleeje ook? Jij niet. Natuurlijk, as je ’n dood gewoon mensch ben en niks anders kan verdienen, of as je idee heb in muziek of ’t tooneel, of krantegeschrijf,—dan is ’t iets anders. Maar zoomin Lies as ik hadden eenig benul van die dingen; alles wat wij hadden was ons uiterlijk en onze slag om de mannen in tepakken. Denk je, dat wij zulke gekken waren, om andere menschen zaken te laten doen met ònze mooie oogen, door òns te gebruiken as winkelmeisjes, of buffetjuffrouwen, of kellnerinnen, as wij zèlf er zaken mee konden doen en al ’t profijt in ònze zak steken, inplaats van hongerloonen?Wìjniet, hoor.Vivie.U was zeker volkomen gerechtvaardigd uit ’n zakenoogpunt.Mevr. Warren.Ja, en uit ieder ànder oogpunt ook. Waartoe wordt ieder fatsoenlijk meisje anders grootgebracht als om ’n rijke man in te palmen en het voordeel van z’n geld te hebben door hem te trouwen? Asof ’n huwelijksceremonie eenig verschil maakt in het goeie of het slechte van de zaak! O, de huichelarij van de wereld maakt me misselijk! Lies en ik hadden te werke en te spare en te berekene net zoo goed als andere menschen; anders zouen we nou even arm zijn als iedere nikswaardige dronken doorbrengster van ’n vrouw, die denkt dat d’r goeie tijd altijd zal duren (met groote energie). Ik veracht dat soort menschen;—ze hebben geen karakter. En as d’r iets is, dat ik haat in ’n vrouw, dan is ’t gebrek an karakter.Vivie.Kom nou, moeder, wees ’ns eerlijk! Is ’t niet voor ’n deel wat je noemt karakter in ’n vrouw, dat haar die afschuw moet geven van dèze manier van geld verdienen.Mevr. Warren.O natuurlijk. Iedereen vindt ’t onaangenaam om te moeten werken en geld te verdienen, maar d’r is geen keus. Waarachtig, ik weet wel, dat ik dikwijls genoeg meêlijen heb gehad met ’n arm meisje, dat moe was en landerig, als ze probeeren moest ’n man te amuseeren, om wie ze niks niemendal gaf—zoo’n halfdronken idioot, die denkt, dat ie zich aangenaam maakt wanneer hij ’n vrouwplaagt en lastig valt en half doet walgen, op ’n manier, die met geen gèld is goed te maken. Maar ze heeft die onaangename dingen nou eenmaal te verdrage, en ’t zoete zoowel as ’t zure te slikke, net even goed als ’n ziekenhuis-zuster of ieder ander. De hemel mag wete, dat ’t geen werk is, dat eenige vrouw voor d’r plezier zou doen, al zou je, as je de vromen hoort praten, denken dat ’t ’n bed van rozen was.Vivie.U beschouwt het toch als de moeite waard. Het betaalt.Mevr. Warren.Natuurlijk is ’t de moeite waard voor ’n arm meisje, dat d’r eigen niet weggooit en er goed uitziet en zich verstandig en netjes gedraagt. ’t Is oneindig beter dan eenige andere betrekking, die ze hebben kan. Ik heb altijd gevonden dat dat zoo niet moest zijn. ’t Kàn niet rechtvaardig zijn, Vivie, dat ’n vrouw geen betere kansen zou hebben. Ik blijf er bij: dat is verkeerd. Maar goed of verkeerd, ’t is eenmaal zoo, en ’n meisje moet ’t neme zooas ’t is. Maar natuurlijk is ’t niet de moeite waard voor ’n dame. Als jij die kant uitging, zou je dwaas zijn; maar ìk zou dwaas geweest zijn, as ik ’t nièt had gedaan.Vivie(meer en meer werkelijk ontroerd). Moeder, veronderstel eens, dat we allebei zoo arm waren als ù was in die ellendige dagen van vroeger, bent u zeker, dat u me dan niet raden zou om ’t stationsbuffet te probeeren, of om ’n werkman te trouwen, of om zelfs in ’n fabriek te gaan?Mevr. Warren(verontwaardigd). Natuurlijk niet. Voor wat voor soort moeder zie je me an! Hoe zou jij je zelfrespect kenne beware bij zòò ’n hongerlijë en gesloof. En wat is ’n vrouw waard, wat is ’t lèven waard, zonder zelfrespect? Waarom benikonafhankelijk en in staat om m’n dochter ’n piekfijne opvoeding te geven, terwijl andere vrouwen, die net dezelfde kansen hadden, nou in de goot legge? Omdat ik m’n eigen altijd heb wete te respecteere en te beheersche. Waarom kijke ze op tegen Lies in ’n vrome stad? Om dezelfde reden. En waar zouden we nou an toe zijn, als we ons gestoord hadden an de malligheid van die dominé? An vloeren schrobben voor anderhalve shilling per dag en niks in ’t vooruitzicht as ’t armhuis. Laat jij je niet van de wijs brengen door menschen die de wereld niet kennen. De eenige manier voor ’n vrouw om fatsoenlijk voor d’r eigen te zorgen is om goed te zijn voor ’n man, die ’t betalen kan om goed voor haar te wezen. Als ze van zìjn stand is, laat ze dan zorgen, dat-ie haar trouwt, maar is ze dat niet, dan kan ze dat niet verwachten.—Hoe zou ze? ’t Zou niet voor d’r eigen geluk weze. Vraag-t-er iedere dame in de Londensche wereld na, die dochters heeft,—en ze zal je hetzelfde zegge,—behalve dat ik ’t je ronduit zeg, en zij verdraaid.—Daarin zit ’em ’t eenige verschil.Vivie(geboeid,—staart haar aan). Beste moeder,—u bent ’n merkwaardige vrouw, u bent sterker dan heel Engeland. En voelt u nu werkelijk en waarachtig niet ’n sikkepitje twijfel ... of ... of schaamte?Mevr. Warren.Wel natuurlijk, lieverd,—’t hoort er zoo bij om je te schame,—dat wordt eenmaal verwacht van ’n vrouw. Vrouwen moeten zich altijd houe of ze ’n heeleboel voele wat ze niet doen. Lies was dikwijls kwaad op me, as ik zoo botweg de waarheid er over zei. Zij zei altijd, dat, omdat iedere vrouw genoeg kon leere van wat ze voor d’r ooge in de wereld ziet gebeure, ’t nergens toe dient om er over te prate. Maar Lies was ook open top ’n dame. Ze had er ’t echte instinct van; terwijl je an mijn altijd m’n lage kom-afkon merken: Ik plach zoo in m’n schik te zijn, wanneer je me je portretten zond en ik zag, dat je opgroeide als Lies. Je hebt nèt haar damesachtige, positieve manier van doen.—Maar ik kan ’t niet uitstaan, om ’t ééne te zeggen, als iedereen weet, dat ik ’t andere meen. Waar dient dat gehuichel toe? Als de menschen de wereld op diè manier voor de vrouwen inrichten, geeft ’t niks om net te doen, of ze anders is ingericht. Ronduit gezegd heb ik me nooit in ’t minst geschaamd. Ik beweer, dat ik ’t recht heb om trotsch te zijn, dat we alles zoo goed bedistelden, en er nooit iets op ons te zeggen was, en dat de meisjes zoo goed behandeld werden. ’n Paar ervan kwamen best terecht: één trouwde er met ’n gezant. Maar natuurlijk, daar mag ik nou niet meer van spreken, wat zouen ze wel van me denken! (Zij geeuwt). O Heere, ik geloof, dat ik tenslotte toch slaperig ben geworden. (Zij rekt zichzelf luid uit, echt opgelucht door haar uitbarsting, en kalmpjes bereid voor haar nachtrust).Vivie.Ik geloof, dat ik ’t zal zijn, die nu niet zal kunnen slapen. (Zij gaat naar ’t buffetje en steekt de kaars aan. Dan doet ze de lamp uit, waardoor de kamer veel donkerder wordt). We zullen wat frissche lucht in laten vòòr we sluiten. (Zij opent de buitendeur en ziet dat ’t heldere maan is). Kijk eens! (Zij trekt de gordijnen van ’t raam open. Men ziet het landschap badend in de stralen van ’n nazomermaan, die boven Blackdown rijst).Mevr. Warren(met ’n vluchtigen blik naar buiten). Ja liefje, maar pas op, dat je geen kou vat van de nachtlucht.Vivie(minachtend). Gekheid!Mevr. Warren(knorrig). Welzeker, alles wat ik zeg is gekheid volgens jou.Vivie(keert zich haastig naar haar toe). Nee, dat is volstrekt niet waar, moeder. U hebt ’t vannacht totaal van me gewonnen, hoewel ìk gewild had, dat ’t andersom zou zijn geweest. Laten we nu goeie vrienden zijn.Mevr. Warren(wat droevig haar hoofd schuddend). Dus ’t is andersom geweest. Maar tòch zal ik wel de kleinste motten wezen. Ik trok met Lies altijd an ’t kortste eindje, en ik denk, dat ’t nou wel ’tzelfde met jou zal worden.Vivie.Dat hindert niet... Kom, goeie nacht goeie, oude moeder. (Zij omarmt haar moeder).Mevr. Warren(teeder). Ik heb je goed grootgebracht, heb ik niet, lieverd?Vivie.Ja, dat hebt u.Mevr. Warren.En je zult goed zijn voor je arme, ouwe moeder, niet waar?Vivie.Zeker moederlief (kust haar). Goeie nacht.Mevr. Warren(zalvend). M’n zegen over m’n eigen lieveling!—’n moeders zegen! (Zij omhelst haar dochter beschermend, terwijl zij opziet naar boven, alsof zij ’n zegening over Vivie af wil smeeken).
TWEEDE BEDRIJF.In de villa na donker. Naar ’t Oosten kijkend van binnen uit, in plaats van naar ’t Westen van buiten af, ziet men het raam met kleine ruitjes waarvoor de gordijnen zijn dichtgetrokken, nu midden in den voormuur van het villatje, met de entreedeur links er van. In den linkermuur is de deur, die naar den uitbouw leidt. Op den achtergrond tegen denzelfden muur is ’n klein plat buffet met ’n kaars en lucifers er op, en Franks geweer, waarvan de loop in ’n bordenrek rust, er tegen aangezet. In het midden een tafel met ’n aangestoken lamp er op. Vivie’s boeken en schrijfgerei liggen op ’n tafel rechts van ’t raam, tegen den muur aan. De haard is rechts met ’n klein bankje er voor; er is geen vuur in. Twee van de stoelen zijn rechts en links van de tafel geplaatst.De entree-deur gaat open, waardoor men buiten ’n mooie sterrenlucht ziet, en mevrouw Warren gewikkeld in ’n shawl van Vivie, komt binnen, gevolgd door Frank. Ze heeft genoeg van wandelen en blaast ’n zucht van verlichting uit, terwijl zij de pennen uit haar hoed neemt, die daarna afzet, de pennen door den bol steekt en den hoed op tafel legt.Mevr. Warren.O Heere! Ik weet niet wàt ’t ergste is van ’t buiten zijn; het wandelen of ’t thuiszitten zonder iets uit te voeren. Ik zou nou veel geven voor ’n whisky met spuitwater, als er zoo iets maar te krijgen was in dit gat.Frank(helpt haar om haar shawl af te doen en geeft onder de hand haar schouders eventjes ’n lichte liefkoozing). Misschien heeft Vivie wel wat.Mevr. Warren(keert zich om en kijkt even naar hem van uit den hoek van haar oog, als ze het kneepje voelt). Gekheid! Wat zou ’n jong meisje als zij daarmee doen.—Enfin, komt er niet op aan. (Ze valt vermoeid neer op ’n stoel bij de tafel). Ik begrijp niet hoe ze haar tijd hier zoek brengt. Ik zou veel liever in Weenen zitten.Frank.Laat mij u daar mee naar toenemen. (Hij vouwt de shawl netjes op, hangt die over den rug van den anderen stoel en gaat tegenover haar zitten).Mevr. Warren.Loop heen! Bij jou is ’t geloof ik ook: ’n aardje naar z’n vaartje.Frank.Precies de oude heer, hè?Mevr. Warren.Houd je daar buiten. Wat weet je van die dingen af? Je bent nog maar ’n kuiken.Frank.Toe, ga met me mee naar Weenen. ’t Zou zoo allemachtig leuk zijn.Mevr. Warren.Dank je wel. Weenen is geen plaats voor jou, tenminste niet vòòr je wat ouder bent. (Zij knikt tegen hem om kracht bij te zetten aan deze raadgeving. Hij zet ’n kwasi-droevig gezicht, terwijl z’n oogen lachen. Zij kijkt hem aan, staat dan op en komt naar hem toe). Kijk ’ns hier, kleine vent—(neemt z’n gezicht en licht ’t op). Ik ken je van haver tot gort door de gelijkenis met je vader, beter dan jij jezelf kent. Haal je nou, wat mìj betreft, geen dwaze ideeën in je kop, versta je?Frank(haar galant ’t hof makend met z’n stem). Kan ’t niet helpen, lieve mevrouw Warren, ’t zit in ’t bloed. (Zij doet alsof ze hem om z’n ooren wil slaan; kijkt dan, ’n oogenblik in verzoeking gebracht, naar ’t lachende, aardige, naar haar toegewende gezicht;—ten slotte kust ze hem en wendt zich onmiddellijk af, knorrig op zichzelf).Mevr. Warren.Daar! Dat had ik niet moeten doen. Ik bèn ook slecht.—Neem er maar geen notitie van jongenlief, ’t was maar ’n moederlijke zoen. Ga heen en flirt met Vivie.Frank.Dat doe ik al.Mevr. Warren(keert zich haastig naar hem toe met ’n scherpen toon van angst in haar stem). Wat?Frank.Vivie en ik zijn dikke vrinden.Mevr. Warren.Wat meen je daarmee? Hoor ès; ik duld niet, dat eenige kwajongen scharrelt met mijn kleine meid. Begrepen? Dat wil ik nièt hebben.Frank(in ’t minst niet beschaamd). M’n beste mevrouw Warren, wees toch niet zoo ontdaan. Ik heb eerlijke bedoelingen, zoo eerlijk mogelijk. En jouw kleine meid is best in staat om op zich zelf te passen. Je hoeft haar lang niet zoo onder ’n stolpje te zetten als haar moeder. Ze is niet zoo mooi, weet je.Mevr. Warren(perplext van z’n zekerheid). Nou, jij hebt ook ’n flinke, aardige, twee-duim-dikke-laag brutaligheid over je. Van wièn je ’t hebt weet ik niet,—van je vader zeker niet. (Stemmen en voetstappen bij den ingang). Sst! Ik hoor de anderen binnen komen. (Zij gaat haastig zitten). Onthoud ’t nou; je bent gewaarschuwd (De eerwaarde Samuel komt binnen gevolgd door Crofts). Zoo, wat hebben jullie uitgevoerd? En waar zijn Praeddie en Vivie?Crofts(zet zijn hoed op het bankje en z’n stok in den hoek van den schoorsteen). Zij zijn den heuvel opgegaan. En wij ’t dorp in. Ik had ’n hartversterking noodig. (Hij gaat op de bank zitten).Mevr. Warren.Nou, ze moest er niet zoo van doorgaan, zonder me iets te zeggen (tot Frank). Krijg’n stoel voor je vader; waar zijn je manieren? (Frank springt op en biedt z’n vader op hoffelijke wijze een stoel aan. Krijgt dan ’n andere van den muur vandaan en gaat midden aan de tafel zitten, met z’n vader rechts en mevrouw Warren links van hem). George, waar zul jij van nacht blijven? Hier kunnen wij je niet bergen. En wat zal Praeddie doen?Crofts.Gardner brengt me onder dak.Mevr. Warren.O natuurlijk. Jij zult wel voor jezelf gezorgd hebben. Maar waar blijft Praeddie?Crofts.’k Weet niet. Ik veronderstel, dat hij in ’t logement kan slapen.Mevr. Warren.Heb jij geen plaats voor hem, Sam?Dominé.Wel... è... als dominé hier weet je, ben ik niet vrij om te doen wat ik precies wil... è... Wat is Praed z’n maatschappelijke positie?Mevr. Warren.O, laat dat maar loopen; hij is ’n architect. Wat ’n oude sok ben je toch, Sam.Frank.Ja, dat ’s in orde, oude heer. Hij heeft dat ding gebouwd, daar in Monmouthshire voor den hertog van Beaufort. Tintern Abbey heet ’t. Je zult er wel van gehoord hebben. (Hij wenkt mevr. Warren toe met bliksemsnelle behendigheid en ziet z’n vader onschuldig aan).Dominé.O, in dat geval zal ’t ons natuurlijk zeer aangenaam wezen. Ik vermoed, dat hij den hertog van Beaufort persoonlijk kent?Frank.O... heel intiem zelfs! We kunnen hem in Georgina’s oude kamer plakken.Mevr. Warren.Zoo, dat is dus afgesproken. Als nou die twee maar wouen komen en wij ons soupé konden hebben. ’t Komt niet te pas, om zoo lang na donker uit te blijven.Crofts(ruziemakerig). Wat voor kwaad doen ze je?Mevr. Warren.Kwaad of niet, ’t bevalt me niet.Frank.U doet beter met niet op hen te wachten, mevrouw Warren. Praed zal zoo lang mogelijk uitblijven. Hij heeft nooit geweten, wat ’t zeggen wil om op ’n zomernacht over de hei te dwalen met mijn Vivie.Crofts(gaat ontsteld overeind zitten). Zeg is even...!Dominé(uit z’n professionneele manieren opgeschrikt tot echte kracht en ernst). Frank, eens en voor al, dat is buiten de kwestie. Mevrouw Warren zal je vertellen, dat daar niet aan te denken valt.Crofts.Natuurlijk niet.Frank(met innemende kalmte). Is dat zoo, mevrouw Warren?Mevr. Warren(nadenkend). Wel, ik weet ’t niet, Sam. Als ’t kind wil trouwen, kan er geen goed van komen om haar òngetrouwd te laten.Dominé(perplext). Maar getrouwd met hèm! Jouw dochter metmijnzoon. Denk dan toch eens: dat is onmogelijk.Crofts.Natuurlijk is ’t onmogelijk. Wees niet mal, Kitty.Mevr. Warren(geprikkeld). Waarom niet? Is mijn dochter niet goed genoeg voor jouw zoon?Dominé.Maar waarlijk, beste mevrouw Warren, je weet toch de reden....Mevr. Warren(uitdagend). Ik weèt van geen reden. Als jìj er een weet, kun je hem aan den jongen vertellen, of aan haàr, of aan je gemeente, als je wilt.Dominé(hulpeloos). Je weet heel goed, dat ik niemand de reden vertellen kan. Maar m’n jongen zal me wel gelooven, als ik hem zeg, dát er redenenzijn.Frank.Zeker oude, dat zal hij. Maar heeft jouw jongen zich ooit laten leiden door jouw redenen?Crofts.Je kùnt haar niet trouwen, en daarmeeuit. (Hij staat op en gaat voor den haard staan, met z’n rug er naar toe, beslist wenkbrauwfronsend).Mevr. Warren(zich vinnig naar hem omkeerend). Wat heb jij er mee te maken, zeg?Frank(met z’n liefelijksten lyrischen stemval). Juist watiku wou vragen op m’n eigen, beminnelijke manier.Crofts(tot mevr. Warren). Ik vermoed, dat je je dochter niet verlangt te laten trouwen met ’n man jonger dan zij,—zonder ’n beroep, of ’n duit geld om haar te onderhouden. Vraag ’t Sam, als je mij niet wilt gelooven (tot den dominé). Hoeveel geld denk je hem mee te geven?Dominé.Geen cent. Hij heeft z’n erfdeel al gehad en het laatste ervan opgemaakt in Juli. (Mevrouw Warren’s gezicht betrekt).Crofts(haar observeerend). Heb ik ’t je niet gezegd? (Hij herneemt z’n plaats op de bank en zet z’n beenen weer op de zitting, alsof nu voor goed met ’t onderwerp is afgedaan).Frank(beklaaglijk). Dat is nou echt kruieniersachtig. Denk je, dat juffrouw Warren om geld wil trouwen? Alswijvan elkaar houden....Mevr. Warren.Wel bedankt. Je liefde is ’n aardig, goedkoop artikel, jongenlief. Als jij niet de middelen hebt om ’n vrouw te onderhouden, dan is de zaak beslist; dan krijg je Vivieniet.Frank(hoogelijk geamuseerd). Wat zeg jij er van oude heer, hè?Dominé.Ik ben ’t met mevrouw Warren eens.Frank.En die goeie, oude Crofts heeft z’n meening al gezegd.Crofts(wendt zich boos om op z’n elboog). Hoor ’ns: ik ben niet gediend van jouw onbeschaamdheid.Frank(gevat). ’t Spijt me verbazend, dat ik jeonaangenaam ben Crofts,—maar jij permitteerde jezelf daarnet de vrijheid om als ’n vader tegen me te spreken. Eén vader is genoeg, wel bedankt hoor.Crofts(verachtelijk). Phoe! (Hij draait zich weer om).Frank(opstaand). Mevrouw Warren,—ik kan geen afstand doen van Vivie, zelfs niet ter wille van u.Mevr. Warren(mompelend). Zoo’n kwajongen!Frank.En daar u ongetwijfeld van plan bent om andere vooruitzichten voor haar te openen, zal ik geen tijd verliezen met m’n zaak bij haar te bepleiten. (Zij staren allemaal naar hem, en hij begint op bekoorlijke wijze te declameeren):“Of wel hij vreest zijn lot te zeer,Of acht zijn waarde kleen,Wie niet den worp waagt: op òf neer,Zijn àl op éénen steen!”(De voordeur wordt geopend, terwijl hij reciteert en Vivie en Praed komen binnen. Hij houdt op. Praed legt z’n hoed op ’t buffetje. Er is onmiddellijk ’n verbetering merkbaar in de manieren van het gezelschap. Crofts neemt z’n beenen van de bank af en gaat overeind zitten, als Praed zich bij hem voegt bij den haard. Mevrouw Warren verliest haar losheid van manieren en verschuilt zich in knorrigheid).Mevr. Warren.Waar ter wereld ben je geweest, Vivie?Vivie(neemt haar hoed af en gooit hem achteloos op tafel). Den heuvel op.Mevr. Warren.Nou, je behoorde niet zoo weg te loopen, zonder me iets te laten zeggen. Hoe kon ik weten, wat er van je geworden was, en dat nogal bijna in den nacht!Vivie(gaat naar de deur van de binnenkamer enopent die zonder op haar moeder te letten). En nu ’t soupé!—Ik ben bang, dat we hier nogal opgepropt zullen zitten.Mevr. Warren.Hoorde je niet, wat ik zei, Vivie?Vivie(kalm). Ja moeder. (Weer terugkomend op de moeielijkheid van ’t soupé) Met de hoevelen zijn we? (tellende). Een, twee, drie, vier, vijf, zes.... Wel, twee zullen er moeten wachten tot de rest klaar is. Juffrouw Alison heeft maar borden en messen voor vier.Praed.O, voor mij komt ’t er niet opaan. Ik....Vivie.U hebt ’n lange wandeling gemaakt en u hebt honger, mijnheer Praed; u zult dàdelijk soupeeren. ’t Is noodig, dat er een met me wacht. Frank, heb jij honger?Frank.In ’t minst niet;—absoluut geen trek zelfs.Mevr. Warren.En jij ook niet George. Jij kan wachten.Crofts.Och, loop heen. Ik heb niets gegeten sinds theetijd. Kan Sam ’t niet doen?Frank.Wou u m’n arme vader laten verhongeren?Dominé(knorrig). Sta me toe voor me zelf te spreken, jongmensch.Vivie(beslist). Dat hoeft niet. Er zijn er maar twee noodig. (Ze opent de deur naar de binnenkamer). Wilt u m’n moeder mee naar binnen nemen, mijnheer Gardner? (de dominé geleidt mevrouw Warren en gaat met haar naar de andere kamer. Praed en Crofts volgen. Allen, behalve Praed, zijn blijkbaar weinig ingenomen met deze schikking, maar weten niet hoe er zich tegen te verzetten. Vivie blijft bij de deur staan en kijkt naar hen). Kunt u u doorpersen tot aan dien hoek, mijnheer Praed,—’t past maar net aan. Pas op voor uw jas tegen de gewitte muur,—mooi zoo. Zit u nu allemaal goed?Praed(van binnen af). Heel goed, dank u.Mevr. Warren(van binnen af). Laat de deur open, liefje. (Frank kijkt naar Vivie, sluipt dan naar de buitendeur en zet die zachtjes wijd open). O Heere, wat ’n tocht! Doe hem toch maar liever dicht, kind. (Vivie sluit de deur dadelijk, Frank sluit zachtjes de buitendeur).Frank(juichend). Ha! Ze kwijtgeraakt! Vivie, wat vind je van m’n ouden heer?Vivie(gepreoccupeerd en ernstig). Ik heb hem ternauwernood gesproken. Hij geeft me niet den indruk van ’n bizonder intelligent man.Frank.Och, weet je, de oude is, over ’t geheel genomen, niet zòò dwaas als hij er uitziet. Je moet denken, hij is nou eenmaal dominé hier, en doordat hij ’t ook wil schijnen, stelt hij zich veel stommer aan dan hij eigenlijk is. Nee, de oude heer is zoo kwaad niet, en ik heb volstrekt ’t land zoo niet aan hem als je misschien zou denken. Hij meent ’t goed. Hoe denk je, dat je met hem op zult schieten?Vivie(bijtend sarcastisch). Ik geloof niet, dat hij ’n groote plaats in m’n toekomstig leven zal innemen, noch een van m’n moeders ouden kring, behalve Praed misschien. Wat denk jij van m’n moeder?Frank.Eerlijk en oprecht?Vivie.Ja, eerlijk en oprecht.Frank.Wel, ze is allemachtig leuk.—Maar ’t is me er eentje, niet? En Crofts. Groote goden, die Crofts!Vivie.Wat ’n troep, Frank!Frank.Wat ’n zootje!Vivie(met de diepste verachting voor hen). Als ik dacht, dat ik zòò was, dat ik ’n doorbrengster zou worden, die doelloos haar tijd verslabakt van den eenen maaltijd tot den anderen, zonder karakteren zonder pit in me,—dan zou ik me ’n aâr openen en me dood laten bloeden, zonder ’n oogenblik aarzelen.Frank.Welnee, dat zou je niet. Waarom zouden zij aan den zwoeg gaan, als ze ’t niet hoèven te doen? Ik wou, dat ìk zoo gelukkig was. Nee, waar ik op tegen heb, dat zijn hun manieren. ’t Is niet de leeglooperij zelf. Hun manieren zijn schunnig, echt ordinair.Vivie.Geloof je, dat jouw manieren ’n haar beter zullen wezen, als je zoo oud zult zijn als Crofts,—wanneer je niet werkt?Frank.Natuurlijk geloof ik dat,—oneindig veel beter. Vivums moet niet preeken; haar kleine jongen is onverbeterlijk. (Hij tracht haar gezicht liefkoozend tusschen z’n handen te nemen).Vivie.Weg er mee! Vivums is niet in de stemming om haar jongentje te vertroetelen.Frank.Hoe onvriendelijk!Vivie(stampend). Wees ernstig.Ikben ernstig.Frank.Goed. Laten we geleerd spreken. Juffrouw Warren, weet u wel, dat al de meest liberale denkers hièrin overeenstemmen, dat de helft van de ziekten der moderne beschaving moeten toegeschreven worden aan verhongering der affecties in de jeugd? Ik nu...Vivie(hem kortaf onderbrekend).Je wordt vervelend. (Zij opent de binnendeur.) Is er nog plaats voor Frank? Hij klaagt dat hij verhongert.Mevr. Warren(van binnenaf). Zeker is er. (Gekletter van messen en glazen, als zij die op tafel verschuift). Hier, er is nù plaats naast mij. Kom, Frank!Frank(zachtjes tot Vivie als hij gaat). D’r kleine jongen zal dit z’n Vivums goed betaald zetten. (Hij gaat de andere kamer binnen).Mevr. Warren(van binnenuit). Hier Vivie, kom jij ook binnen, kind. Je zult wel uitgehongerd zijn. (Zij komt binnen, gevolgd door Crofts, die de deur voor Vivie openhoudt met kennelijk ontzag. Zij gaat heen zonder hem aan te zien en hij sluit de deur achter haar). Wel George, jij kunt nog niet klaar zijn. Je hebt niks gegeten.George.O, ik had alleen maar trek om wat te drinken. (Hij steekt z’n handen in z’n zakken en begint door de kamer te draaien, onrustig en stuursch).Mevr. Warren.Nou, ik hoû er van om genoeg te krijgen,—maar met wat koud vleesch, met sla en kaas, kom je al ’n heel eind. (Met ’n zucht van slechts halve verzadiging gaat ze lui neerzitten bij de tafel).Crofts.Waarom blijf je die snotneus aanmoedigen?Mevr. Warren(dadelijk op haar qui-vive). Hoor is George: wat wìl je nou met m’n dochter? Ik heb gezien op wat voor manier je haar aankijkt. Weet wel: ik ken je en ik weet wat je blikken beteekenen.Crofts.’t Kan toch geen kwaad om naar d’r te kijken, wel?Mevr. Warren.Ik zou je heel gauw de deur uitzetten en naar Londen terugsturen als ik iets van jouw onzin in de gaten kreeg. Mijn dochters pink is me meer waard dan jouw heele lichaam en ziel. (Crofts hoort dit aan met ’n grijns. Mevrouw Warren, even blozend door haar onmacht om indruk op hem te maken als ’n theatrale moeder vol toewijding, voegt er zachtjes aan toe): Wees maar gerust, de jonge snotneus heeft niet meer kans dan jij.Crofts.Mag ’n man zich dan niet voor ’n meisje interesseeren?Mevr. Warren.Niet ’n man als jij.Crofts.Hoe oud is ze?Mevr. Warren.Dat gaat je niet an.Crofts.Waarom maak je daar zoo’n geheim van?Mevr. Warren.Omdat ik ’t verkies.Crofts.Nou, ik ben nog geen vijftig. En m’n bezittingen zijn in zoo’n goeien staat als ooit....Mevr. Warren(hem in de rede vallend). Ja, omdat je even gierig als gemeen bent.Crofts(vervolgend). En ’n jonkheer is niet iederen dag te krijgen. Niet één andere man in mijn positie zou genoegen nemen met ’n schoonmoeder als jij. Waarom zou ze me niet trouwen?Mevr. Warren.Jou?Crofts.We zouden met z’n drieën lekkertjes kunnen leven. Ik zou vòòr haar sterven en haar achterlaten als ’n zwierig weeuwtje met overvloed van geld. Waarom niet? De gedachte daaraan is aldoor sterker in me geworden, terwijl ik met dien gek van daarbinnen liep te wandelen.Mevr. Warren(in opstand komend). Ja, juist ’t soort van gedachte om in joù op te komen. (Hij houdt op met rondsluipen en de twee kijken elkaar aan; zij vast, met ’n zekeren angst verscholen achter haar verachting en afschuw, hij heimelijk met ’n zinnelijken grijns en oogenglimp, waarmee hij haar tracht te verlokken).Crofts(wordt plotseling bezorgd en dringend, als hij geen teeken van sympathie bij haar ziet). Hoor ’is Kitty, je bent ’n verstandige vrouw, stel je nou niet braaf an.—Ik zal niet meer vragen en jij hoeft niet meer te antwoorden. Ik zal m’n heele bezitting op haar vastzetten. En als jij op den huwelijksdag voor jezelf ’n wissel verlangt, dan kun je de som noemen, die jezelf wilt,—altijd in ’t redelijke.Mevr. Warren.Bah! Daartoe is ’t dus met jegekomen, George, net als met alle andere afgesjouwde ouwe kerels.Crofts(woest). Verdomd! (Zij staat op en keert zich heftig naar hem toe,—maar de deur van de binnenkamer wordt dan juist geopend en men hoort de stemmen van de anderen, die terugkomen. Crofts, niet in staat zich te beheerschen, snelt naar buiten. De dominé komt terug).De Dominé(rondkijkend). Waar is Jhr. George?Mevr. Warren.Naar buiten gegaan om z’n pijp te rooken. (Zij gaat naar den haard, met haar rug naar hem toe, om tot bedaren te komen. De dominé gaat naar de tafel om z’n hoed te krijgen. Onderwijl komt Vivie binnen, gevolgd door Frank, die met ’n vertoon van diepe uitputting in den meest nabijzijnden stoel neervalt. Mevrouw Warren kijkt rond naar Vivie en zegt met haar affectatie van moederlijke bezorgdheid nog gemaakter dan gewoonlijk). Wel lieverd, heb je lekker gesoupeerd?Vivie.U weet wat juffrouw Alisons soupé’s waard zijn! (Zij keert zich tot Frank en troetelt hem). Arme Frank, was al ’t vleesch dan op? Heeft hij niets gehad dan brood en kaas en gemberbier? (weer ernstig, alsof ze al genoeg gekheid heeft gemaakt voor één avond). Haar boter is heusch afschuwelijk. Ik moet wat boter van Londen laten komen.Frank.Doe dat in ’s hemelsnaam. (Vivie gaat naar de schrijftafel en noteert de bestelling van de boter. Praed komt binnen van de andere kamer,—z’n zakdoek opvouwend, die hij als servet gebruikt had).Dominé.Frank, m’n jongen, ’t is tijd voor ons om naar huis te gaan. Je moeder weet nog niet, dat we gasten krijgen.Praed.Ik ben bang, dat we moeite zullen geven.Frank.In ’t minst niet, Praed; m’n moeder zal ’t heerlijk vinden om kennis met je te maken. Ze is ’n echt intellectueele, artistieke vrouw, en ziet hier niemand van ’t begin tot ’t eind van het jaar behalve den ouden heer. Je kunt je dus voorstellen hoe suf dat voor haar is (tot den dominé). Jij bent niet intellectueel of artistiek, wel piepa? Neem Praed dus dadelijk mee naar huis; dan zal ik hier blijven om mevrouw Warren gezelschap te houden. Je zult Crofts in den tuin vinden. Hij zal uitstekend gezelschap zijn voor onzen jongen bulhond.Praed(neemt z’n hoed van het buffetje en komt dicht naar Frank toe). Kom met ons mee, Frank. Mevrouw Warren heeft juffrouw Vivie in zoo lang niet gezien en tot nu toe hebben wij ze belet om maar ’n oogenblik samen te zijn.Frank (geheel verteederd, kijkt op naar Praed met romantische bewondering). Natuurlijk, dat vergat ik. Wel bedankt voor je vermaning. Bent ’n echte gentleman, Praeddie. Altijd geweest—m’n levensideaal! (Hij staat op om te gaan, maar blijft ’n oogenblik staan tusschen de twee oude heeren en legt z’n hand op Praeds schouder). Och, als jij maar m’n vader was geweest, inplaats van dezen onwaardigen, ouden man! (Hij legt z’n andere hand op z’n vaders schouder).Dominé(lawaaiig). Zwijg jongmensch, zwijg; je bent profaan.Mevr. Warren(lacht hartelijk). Je moest hem beter in toom houden, Sam. Goeie nacht. Hier, geef George z’n hoed en stok met m’n complimenten.Dominé(ze aannemend). Goeien nacht. (Zij geven elkaar de hand. Als hij langs Vivie gaat, geeft hij die ook de hand en zegt haar goeden nacht. Daarna, bulderend commandeerend tot Frank): Komaan jongmensch,vlug wat. (Hij gaat heen. Frank heeft onderwijl z’n pet van de aanrecht genomen en z’n geweer uit het rek. Praed geeft mevrouw Warren en Vivie de hand en gaat heen,—mevrouw Warren begeleidt hem op haar gemak en kijkt hem achterna door den tuin. Frank bedelt stilletjes om ’n kus van Vivie, maar zij zendt hem weg met ’n strengen blik, neemt dan ’n paar boeken en wat papier van de schrijftafel en gaat er mee zitten aan de tafel, in ’t midden, om het schijnsel van de lamp te hebben).Frank(bij de deur, vat mevrouw Warrens hand). Goeie nacht, liève mevrouw Warren. (Hij knijpt haar hand. Zij trekt die haastig weg, klemt haar lippen samen en ziet er meer dan half geneigd uit om hem om z’n ooren te slaan. Hij lacht ondeugend en rent weg, de deur achter zich toeslaand).Mevr. Warren(keert terug naar haar plaats aan de tafel, tegenover Vivie, blijkbaar berustend in ’t vooruitzicht van ’n vervelenden avond, na het vertrek van de heeren). Heb je ooit in je leven iemand zòò hooren kakelen? (zij gaat zitten). Wat ’n plaag is ’t-ie, hè? Nou ik er aan denk liefje, moedig jij hem niet an, hoor. Ik ben zeker, dat hij ’n echte deugniet is.Vivie.Ja, ik ben wel bang, dat hij ’n echte deugnietis. Ik zal hem moeten zien kwijt te raken. Maar ’t zal me erg voor hem spijten, al is hij ’t niet waard, de arme jongen.—Die Crofts schijnt me ook niet veel zaaks te zijn, wel?Mevr. Warren(gekwetst door haar toon). Wat weet jij van de mannen af, kind, om op die manier over ze te praten? Je kunt je er op voorbereiden om Jhr. George hier dikwijls te zien,—omdat hij ’n vrind van me is.Vivie(volmaakt koel). Waarom? Verwacht u, dat we veel samen zullen zijn,—u en ik, meen ik?Mevr. Warren(haar aanstarend). Natuurlijk, totdat je getrouwd bent. Je gaat niet meer naar je colleges terug.Vivie.Gelooft u dan, dat mijn manier van leven u zou bevallen? Ik betwijfel het.Mevr. Warren.Jouw manier van leven? Wat meen je?Vivie(terwijl zij ’n pagina van haar boek opensnijdt met het vouwbeen van haar chatelaine). Is ’t heusch nooit bij u opgekomen, moeder, dat ik ’n manier van leven heb zoo goed als andere menschen?Mevr. Warren.Wat ’n onzin probeer je nou te praten! Wil je me soms je onafhankelijkheid toonen, omdat je nou op school ’n persoontje van belang bent geworden? Wees niet mal, kind.Vivie(op toegevenden toon). Is dat alles wat u over het onderwerp te zeggen hebt, moeder?Mevr. Warren(verbijsterd, daarna boos). Ga nou niet door me zoo te ondervragen (heftig). Hoû je mond. (Vivie gaat door met haar werk, zonder tijd te verliezen of iets te zeggen). Jij met je manier van leven! Wat nog meer? (Zij kijkt naar Vivie; geen antwoord). Jouw manier van leven zal zijn wat mij bevalt;—dàt zal-die (weer ’n pauze). Ik heb die pretenties van je al opgelet, van af dat je die tripos gekregen hebt, of hoe dat examen heeten mag.—Als je denkt, dat ik daarmee genoegen neem, dan vergis je je, en hoe eerder je dat merkt, des te beter (pruttelend). Al wat ìk er over te zeggen heb,—wel zeker! (weer haar stem verheffend, boos).Weet je wel, tegen wie je spreekt, juffertje?Vivie(haar aankijkend, zonder haar hoofd van haar boek op te heffen). Nee. Wie bent u? Wàt bent u?Mevr. Warren(staat ademloos op). Jouw brutaal nest!Vivie.Iedereen kent mìjn reputatie, mìjn maatschappelijke positie en het beroep, dat ik wil volgen. Ik daarentegen weet niets van u af. Wat is dat soort van leven, dat u verlangt, dat ik deelen zal met u en Jhr. George?Mevr. Warren.Pas op! Ik zal iets doen, waar ik later spijt van zal hebben, en jij ook.Vivie(haar boek op zij schuivend met koele beslistheid). Wel, laten we dan ’t onderwerp laten rusten, tot u ’t beter aan zult durven (bekijkt haar moeder kritisch). U moet eens flink wandelen en tennissen om weer op streek te komen. U bent in ’n allertreurigste conditie; u was vandaag niet eens in staat om twintig meter te klimmen zonder te hijgen;—en uw polsen zijn net rolletjes vet. Kijk de mijne eens (zij steekt haar polsen uit).Mevr. Warren(ziet haar eerst hulpeloos aan, begint dan te huilen). Vivie....Vivie(springt haastig op). Begin nou asjeblieft niet te huilen. Alles liever dan dat. Ik kan wezenlijk geen gegrien verdragen. Als u dat doet, zal ik de kamer uitgaan.Mevr. Warren(beklaaglijk). O m’n lieveling, hoe kàn je zoo hard tegen me zijn? Heb ik dan geen rechten op je als moeder?Vivie.Bènt u m’n moeder?Mevr. Warren(hevig ontdaan). Bèn ik je moeder! O Vivie!Vivie.Waar zijn dan m’n bloedverwanten, m’n vader—onze familievrienden? U eischt de rechten van ’n moeder; het recht om me ’n dwaas en ’n kind te noemen, om tegen me te spreken, zooals niet één vrouw, die boven me stond op school, ooittegen me durfde te spreken,—om me een levenswijs voor te schrijven en me de kennismaking op te dringen van ’n vent, van wien iedereen kan zien, dat hij tot het gemeenste soort van viveurs behoort. Vòòr ik mezelf nu de moeite geef om me tegen die eischen te verzetten, doe ik, dunkt me, beter, er eerst achter te komen of ze eenig recht van bestaan hebben.Mevr. Warren(op haar knieën neervallend). O nee, nee, hoû op, hou op! Ik bèn je moeder, ik zweer het! O je zult je toch niet tègen me willen keeren,—m’n eigen kind;—’t is niet natuurlijk! Je gelooft me, niet waar? Zeg dat je me gelooft?Vivie.Wie was m’n vader?Mevr. Warren.Je weet niet wat je vraagt. Dat kan ik je niet vertellen.Vivie(beslist). O ja, dat kunt u wel, als u wilt. Ik heb ’t recht dat te weten.—En u weet heel goed, dat ik dat recht hèb. U kunt weigeren om ’t me te zeggen, als u verkiest,—maar àls u dat doet, zult u me morgenochtend voor ’t laatst gezien hebben.Mevr. Warren.O, ’t is vreeselijk je zòò te hooren praten. Je zoudt me niet.... je kùnt me niet verlaten.Vivie(meedoogenloos). Ja, zonder ’n oogenblik te aarzelen, als u me op dàt punt aan ’t lijntje blijft houden (rillend van afschuw). Hoe kan ik zeker zijn, dat ik niet ’t bedorven bloed van dien gemeenen doorbrenger in m’n lichaam heb?Mevr. Warren.Nee, nee. Ik zweer je, dat hij ’t niet is, zoomin als een van de andere die je ontmoet hebt. Daàrvan tenminste ben ik zeker. (Vivie’s oogen vestigen zich streng op haar moeder als de beteekenis hiervan voor haar opgaat).Vivie(langzaam). “Daarvan tenminste bent u zeker.” Ah! U meent, dat dàt ’t eenige is, waar u zeker van bent (peinzend). Ik begrijp ’t. (Mevrouw Warren verbergt haar gezicht in haar handen). Doe dat niet moeder;—u weet, dat u ’t volstrekt zoo niet voelt. (Mevrouw Warren neemt haar handen weg en kijkt droevig op naar Vivie, die haar horloge uithaalt en zegt) Nu, dat is genoeg voor van avond.—Hoe laat wilt u ontbijten? Is half negen te vroeg voor u?Mevr. Warren(verbijsterd). M’n God, wat voor soort van vrouw ben je?Vivie(koel). Van ’t soort, waar de wereld voor ’t meerendeel uit bestaat, hoop ik. Anders begrijp ik niet hoe ze d’r werk gedaan zou krijgen. Kom, (vat haar moeder bij de polsen en trekt haar op;—met beslistheid) ’n beetje flink nu. Zoo is ’t goed.Mevr. Warren(knorrig). Je bent erg ruw tegen me, Vivie.Vivie.Gekheid. Wat denkt u van naar bed gaan? ’t Is over tienen.Mevr. Warren(hartstochtelijk). Wat geeft ’t of ik naar bed ga. Denk je, dat ik zou kunnen slapen?Vivie.Waarom niet? Ik wel.Mevr. Warren.Jij! Je hebt geen hart! (plotseling barst zij heftig los in haar eigen spraak: het dialect van ’n vrouw uit het volk,—al haar affectaties van moederlijk gezag en conventioneele manieren verdwenen, en met ’n overstelpende inspiratie van echte overtuiging en toorn). O, ik verdraàg ’t niet langer! Ik bedank voor die onrechtvaardigheid! Wat voor recht heb jij om je zoo boven me te plaatsen? Je bluft tegen me op wat je bent, tegen mij, die je in staat heb gesteld om te wòrden wat je bent. Welke kans had ik? Je moest je schamen om zoo’n slechte dochter en ingebeelde preutsche juf te zijn!Vivie(koel en beslist, maar niet langer met zelfvertrouwen, want haar antwoorden, die haar tot dusver overtuigend verstandig en krachtig hebben toegeschenen, beginnen nu tamelijk houterig en pedant te klinken tegenover den nieuwen toon van haar moeder). Geloof u geen oogenblik, dat ik me op eenigerlei wijs boven u plaats. U viel me aan met het conventioneele gezag van ’n moeder, en ìk verdedigde me met de conventioneele meerderheid van ’n fatsoenlijke vrouw. Ronduit gezegd, ben ik niet van plan, om iets van uw onzin te verdragen, en wanneer ù die laat schieten, verlang ik niet van u, dat u iets van de mijne verdraagt.—Ik zal altijd eerbiedigen het recht dat u hebt op uw eigen meeningen en uw eigen manier van leven.Mevr. Warren.M’n eigen meeningen en m’n eigen manier van leven! Hoor d’r is an!—Denk je, dat ik groot ben gebracht als jij,—in staat om m’n eigen manier van leven te zoeken en te kiezen? Denk je, dat ik deê, wàt ik deê, omdat ik ’t prettig of goed vond, of dat ik niet liever na school zou zijn gegaan en ’n dametje geweest zijn, as ik er kans toe gezien had?Vivie.Ieder mensch heeft eènige keus, moeder. De armste meid ter wereld mag niet in staat zijn om te kiezen of ze koningin van Engeland of hoofd van ’n school wil worden, maar ze kan wèl kiezen tusschen lompen uitzoeken en bloemen verkoopen, alnaar dat haar smaak is. De menschen geven altijd de schuld aan de omstandigheden voor wat ze zijn. Ik geloof niet aan de omstandigheden. De menschen, die vooruit komen in de wereld, zijn de menschen die opstaan en uitkijken naar de omstandigheden die ze noodig hebben,—en vinden ze die niet, danmakenzij ze.Mevr. Warren.O, praten is makkelijk, heel gemakkelijk, hè? Nou! Wil je weten wat mijn omstandigheden waren?Vivie.Ja, ’t is beter, dat u ’t me vertelt. Wilt u niet gaan zitten?Mevr. Warren.Ja, ik zàl gaan zitten; wees maar gerust. (Zij plant haar stoel meer naar voren neer met ijzeren energie en gaat zitten. Vivie komt, ondanks haarzelf, onder den indruk). Weet je wie je groomoe was?Vivie.Nee.Mevr. Warren.Nee, dat weet je niet. Ik wel. Ze noemde d’r eigen een weduwvrouw en ze had ’n winkel van gebakken visch ergens bij de Munt en daar onderhield ze d’r eigen en d’r vier dochters van. Twee van ons ware zusters, dat ware Lies en ik, en we zage d’r allebei goed uit, met knappe figure. Ik vermoed, dat onze vader ’n goedgevoede man was. Moeder beweerde, dat ’t een heer was, maar dà weet ik niet. De andere twee ware maar halfzusters: kleine, leelijke, magere, slovende, eerlijke onderkruipsels. Lies en ik zouen ze half vermoord hebben, als moeder òns niet half vermoord had, om onze handen van ze af te houden.Zijwaren de fatsoenlijken van ons. Nou, weet je wat ze kregen voor d’r fatsoen? De eene werkte in ’n loodwitfabriek,—12 uur daags voor 9 shilling in de week, totdat ze stierf an loodwitvergiftiging. Ze dacht, dat ze alleen maar d’r handen wat verlamd zou krijgen, maar ze ging er van dood. De ander werd ons altijd voorgehouden als ’n voorbeeld, omdat ze met ’n werkman van de rijkswerf trouwde en d’r kamer en d’r drie kinderen netjes en zuiver hield van 18 shilling in de week, totdat hij aan de drank raakte. Dat was de moeite waard om fatsoenlijk voor te zijn, niet?Vivie(nu pensief-aandachtig). Dachten u en uw zuster dat?Mevr. Warren.Lies niet, dat kan ik je vertellen, diè was wijzer. We gingen allebei na ’n kerkelijke school,—dat hoorde zoo bij de damesachtige manieren die we ons gaven om meer te zijn dan de kinderen, die niks wisten en nergens heengingen,—en daar bleven we, totdat Lies eens op ’n nacht wegliep en nooit terug kwam. Ik weet, dat de schooljuffrouw dacht, dat ik wel gauw d’r voorbeeld zou volgen,—want de dominé waarschuwde me aldoor, dat Lies zou eindigen met van Waterloo-brug af te springen.—Arme hals,—dat was àl wat hij er van wist! Maar ik had meer angst voor de loodwitfabriek dan voor de rivier, en dat zou jij ook gehad hebben in mijn plaats.—De dominé wist ’n betrekking voor me te krijgen, as bijhulp in de keuken van ’n afschaffersrestauratie, waar ze uitzonden met alles wat je hebben wou.—Toen ben ik kellnerin geworden en daarna ging ik an ’t buffet van ’t Waterloostation,—veertien uur per dag drank bedienen en glazen omwasschen voor 4 shillings in de week en de kost. Dat werd toen beschouwd as ’n groote vooruitgang voor me.—Nou, op ’n kouwe, ellendige nacht, toen ik zòò moe was, dat ik nauwelijks wakker kon blijven, wie denk je dat er binnen kwam voor ’n halve schotsche? Lizzie;—in ’n lange, bonte mantel, elegant en lekker, met ’n hoop goudstukke in d’r beurs!Vivie(grimmig). Tante Lizzie.Mevr. Warren.Ja, en ’n beste tante òok om te hebben. Ze woont nou in Winchester, vlak bij de kathedraal, een van de meest geziene dames dáar.—Ze begeleidt jonge meisjes naar ’t bal van de gouverneur,—asjeblieft hoor! Geen rivier voor Lies, dankje wel.—Jij doet me wat an Lies denken: ze was ’n eerste zakevrouw,—spaarde geld op van de beginne af,—liet nooit te veel zien wat ze was,—raakte nooit ’r hoofd kwijt, of liet ’n gelegenheid voorbijgaan.—Toen ze zag, dat ik knap op zou groeien, zei ze tegen me, zoo over de toonbank heen: “Wat doe jij hier, malle meid,—je gezondheid en je uiterlijk verwoesten voor ’n andermans profijt?” Lies was toen an ’t opsparen, om ’n huis voor d’r eigen te nemen, in Brussel, en ze dacht, dat we samen gauwer zouen sparen, dan ieder voor zich. Daarom leende ze me wat geld en hielp me aan de gang; en ik spaarde geregeld an en betaalde d’r eerst af en begon toen ’n zaak met haàr als deelgenoot. Waarom zou ik ’t nièt gedaan hebben? ’t Huis in Brussel was er een van de eerste rang,—’n heel wat beter plaats voor ’n vrouw, dan de fabriek, waar Annemie vergiftigd werd. Geen één van onze meisjes werd ooit behandeld zoo als ik behandeld werd in de bijkeuken van die afschaffersboel, of as an ’t buffet,—of as thuis: Had je gewild dat ik daar was gebleven en ’n afgewerkte ouwe sloof was geworden vòòr m’n 40ste jaar?Vivie(nu geweldig geïnteresseerd). Nee, maar waarom koos u diè zaak. Met spaarzaamheid en goed beheer kun je elke zaak er boven op werken.Mevr. Warren.Ja, geld opsparen. Maar in welke zaak kàn ’n vrouw geld opspare? Zou jij kenne sparen van 4 shillings in de week en je d’r van kleeje ook? Jij niet. Natuurlijk, as je ’n dood gewoon mensch ben en niks anders kan verdienen, of as je idee heb in muziek of ’t tooneel, of krantegeschrijf,—dan is ’t iets anders. Maar zoomin Lies as ik hadden eenig benul van die dingen; alles wat wij hadden was ons uiterlijk en onze slag om de mannen in tepakken. Denk je, dat wij zulke gekken waren, om andere menschen zaken te laten doen met ònze mooie oogen, door òns te gebruiken as winkelmeisjes, of buffetjuffrouwen, of kellnerinnen, as wij zèlf er zaken mee konden doen en al ’t profijt in ònze zak steken, inplaats van hongerloonen?Wìjniet, hoor.Vivie.U was zeker volkomen gerechtvaardigd uit ’n zakenoogpunt.Mevr. Warren.Ja, en uit ieder ànder oogpunt ook. Waartoe wordt ieder fatsoenlijk meisje anders grootgebracht als om ’n rijke man in te palmen en het voordeel van z’n geld te hebben door hem te trouwen? Asof ’n huwelijksceremonie eenig verschil maakt in het goeie of het slechte van de zaak! O, de huichelarij van de wereld maakt me misselijk! Lies en ik hadden te werke en te spare en te berekene net zoo goed als andere menschen; anders zouen we nou even arm zijn als iedere nikswaardige dronken doorbrengster van ’n vrouw, die denkt dat d’r goeie tijd altijd zal duren (met groote energie). Ik veracht dat soort menschen;—ze hebben geen karakter. En as d’r iets is, dat ik haat in ’n vrouw, dan is ’t gebrek an karakter.Vivie.Kom nou, moeder, wees ’ns eerlijk! Is ’t niet voor ’n deel wat je noemt karakter in ’n vrouw, dat haar die afschuw moet geven van dèze manier van geld verdienen.Mevr. Warren.O natuurlijk. Iedereen vindt ’t onaangenaam om te moeten werken en geld te verdienen, maar d’r is geen keus. Waarachtig, ik weet wel, dat ik dikwijls genoeg meêlijen heb gehad met ’n arm meisje, dat moe was en landerig, als ze probeeren moest ’n man te amuseeren, om wie ze niks niemendal gaf—zoo’n halfdronken idioot, die denkt, dat ie zich aangenaam maakt wanneer hij ’n vrouwplaagt en lastig valt en half doet walgen, op ’n manier, die met geen gèld is goed te maken. Maar ze heeft die onaangename dingen nou eenmaal te verdrage, en ’t zoete zoowel as ’t zure te slikke, net even goed als ’n ziekenhuis-zuster of ieder ander. De hemel mag wete, dat ’t geen werk is, dat eenige vrouw voor d’r plezier zou doen, al zou je, as je de vromen hoort praten, denken dat ’t ’n bed van rozen was.Vivie.U beschouwt het toch als de moeite waard. Het betaalt.Mevr. Warren.Natuurlijk is ’t de moeite waard voor ’n arm meisje, dat d’r eigen niet weggooit en er goed uitziet en zich verstandig en netjes gedraagt. ’t Is oneindig beter dan eenige andere betrekking, die ze hebben kan. Ik heb altijd gevonden dat dat zoo niet moest zijn. ’t Kàn niet rechtvaardig zijn, Vivie, dat ’n vrouw geen betere kansen zou hebben. Ik blijf er bij: dat is verkeerd. Maar goed of verkeerd, ’t is eenmaal zoo, en ’n meisje moet ’t neme zooas ’t is. Maar natuurlijk is ’t niet de moeite waard voor ’n dame. Als jij die kant uitging, zou je dwaas zijn; maar ìk zou dwaas geweest zijn, as ik ’t nièt had gedaan.Vivie(meer en meer werkelijk ontroerd). Moeder, veronderstel eens, dat we allebei zoo arm waren als ù was in die ellendige dagen van vroeger, bent u zeker, dat u me dan niet raden zou om ’t stationsbuffet te probeeren, of om ’n werkman te trouwen, of om zelfs in ’n fabriek te gaan?Mevr. Warren(verontwaardigd). Natuurlijk niet. Voor wat voor soort moeder zie je me an! Hoe zou jij je zelfrespect kenne beware bij zòò ’n hongerlijë en gesloof. En wat is ’n vrouw waard, wat is ’t lèven waard, zonder zelfrespect? Waarom benikonafhankelijk en in staat om m’n dochter ’n piekfijne opvoeding te geven, terwijl andere vrouwen, die net dezelfde kansen hadden, nou in de goot legge? Omdat ik m’n eigen altijd heb wete te respecteere en te beheersche. Waarom kijke ze op tegen Lies in ’n vrome stad? Om dezelfde reden. En waar zouden we nou an toe zijn, als we ons gestoord hadden an de malligheid van die dominé? An vloeren schrobben voor anderhalve shilling per dag en niks in ’t vooruitzicht as ’t armhuis. Laat jij je niet van de wijs brengen door menschen die de wereld niet kennen. De eenige manier voor ’n vrouw om fatsoenlijk voor d’r eigen te zorgen is om goed te zijn voor ’n man, die ’t betalen kan om goed voor haar te wezen. Als ze van zìjn stand is, laat ze dan zorgen, dat-ie haar trouwt, maar is ze dat niet, dan kan ze dat niet verwachten.—Hoe zou ze? ’t Zou niet voor d’r eigen geluk weze. Vraag-t-er iedere dame in de Londensche wereld na, die dochters heeft,—en ze zal je hetzelfde zegge,—behalve dat ik ’t je ronduit zeg, en zij verdraaid.—Daarin zit ’em ’t eenige verschil.Vivie(geboeid,—staart haar aan). Beste moeder,—u bent ’n merkwaardige vrouw, u bent sterker dan heel Engeland. En voelt u nu werkelijk en waarachtig niet ’n sikkepitje twijfel ... of ... of schaamte?Mevr. Warren.Wel natuurlijk, lieverd,—’t hoort er zoo bij om je te schame,—dat wordt eenmaal verwacht van ’n vrouw. Vrouwen moeten zich altijd houe of ze ’n heeleboel voele wat ze niet doen. Lies was dikwijls kwaad op me, as ik zoo botweg de waarheid er over zei. Zij zei altijd, dat, omdat iedere vrouw genoeg kon leere van wat ze voor d’r ooge in de wereld ziet gebeure, ’t nergens toe dient om er over te prate. Maar Lies was ook open top ’n dame. Ze had er ’t echte instinct van; terwijl je an mijn altijd m’n lage kom-afkon merken: Ik plach zoo in m’n schik te zijn, wanneer je me je portretten zond en ik zag, dat je opgroeide als Lies. Je hebt nèt haar damesachtige, positieve manier van doen.—Maar ik kan ’t niet uitstaan, om ’t ééne te zeggen, als iedereen weet, dat ik ’t andere meen. Waar dient dat gehuichel toe? Als de menschen de wereld op diè manier voor de vrouwen inrichten, geeft ’t niks om net te doen, of ze anders is ingericht. Ronduit gezegd heb ik me nooit in ’t minst geschaamd. Ik beweer, dat ik ’t recht heb om trotsch te zijn, dat we alles zoo goed bedistelden, en er nooit iets op ons te zeggen was, en dat de meisjes zoo goed behandeld werden. ’n Paar ervan kwamen best terecht: één trouwde er met ’n gezant. Maar natuurlijk, daar mag ik nou niet meer van spreken, wat zouen ze wel van me denken! (Zij geeuwt). O Heere, ik geloof, dat ik tenslotte toch slaperig ben geworden. (Zij rekt zichzelf luid uit, echt opgelucht door haar uitbarsting, en kalmpjes bereid voor haar nachtrust).Vivie.Ik geloof, dat ik ’t zal zijn, die nu niet zal kunnen slapen. (Zij gaat naar ’t buffetje en steekt de kaars aan. Dan doet ze de lamp uit, waardoor de kamer veel donkerder wordt). We zullen wat frissche lucht in laten vòòr we sluiten. (Zij opent de buitendeur en ziet dat ’t heldere maan is). Kijk eens! (Zij trekt de gordijnen van ’t raam open. Men ziet het landschap badend in de stralen van ’n nazomermaan, die boven Blackdown rijst).Mevr. Warren(met ’n vluchtigen blik naar buiten). Ja liefje, maar pas op, dat je geen kou vat van de nachtlucht.Vivie(minachtend). Gekheid!Mevr. Warren(knorrig). Welzeker, alles wat ik zeg is gekheid volgens jou.Vivie(keert zich haastig naar haar toe). Nee, dat is volstrekt niet waar, moeder. U hebt ’t vannacht totaal van me gewonnen, hoewel ìk gewild had, dat ’t andersom zou zijn geweest. Laten we nu goeie vrienden zijn.Mevr. Warren(wat droevig haar hoofd schuddend). Dus ’t is andersom geweest. Maar tòch zal ik wel de kleinste motten wezen. Ik trok met Lies altijd an ’t kortste eindje, en ik denk, dat ’t nou wel ’tzelfde met jou zal worden.Vivie.Dat hindert niet... Kom, goeie nacht goeie, oude moeder. (Zij omarmt haar moeder).Mevr. Warren(teeder). Ik heb je goed grootgebracht, heb ik niet, lieverd?Vivie.Ja, dat hebt u.Mevr. Warren.En je zult goed zijn voor je arme, ouwe moeder, niet waar?Vivie.Zeker moederlief (kust haar). Goeie nacht.Mevr. Warren(zalvend). M’n zegen over m’n eigen lieveling!—’n moeders zegen! (Zij omhelst haar dochter beschermend, terwijl zij opziet naar boven, alsof zij ’n zegening over Vivie af wil smeeken).
TWEEDE BEDRIJF.In de villa na donker. Naar ’t Oosten kijkend van binnen uit, in plaats van naar ’t Westen van buiten af, ziet men het raam met kleine ruitjes waarvoor de gordijnen zijn dichtgetrokken, nu midden in den voormuur van het villatje, met de entreedeur links er van. In den linkermuur is de deur, die naar den uitbouw leidt. Op den achtergrond tegen denzelfden muur is ’n klein plat buffet met ’n kaars en lucifers er op, en Franks geweer, waarvan de loop in ’n bordenrek rust, er tegen aangezet. In het midden een tafel met ’n aangestoken lamp er op. Vivie’s boeken en schrijfgerei liggen op ’n tafel rechts van ’t raam, tegen den muur aan. De haard is rechts met ’n klein bankje er voor; er is geen vuur in. Twee van de stoelen zijn rechts en links van de tafel geplaatst.De entree-deur gaat open, waardoor men buiten ’n mooie sterrenlucht ziet, en mevrouw Warren gewikkeld in ’n shawl van Vivie, komt binnen, gevolgd door Frank. Ze heeft genoeg van wandelen en blaast ’n zucht van verlichting uit, terwijl zij de pennen uit haar hoed neemt, die daarna afzet, de pennen door den bol steekt en den hoed op tafel legt.Mevr. Warren.O Heere! Ik weet niet wàt ’t ergste is van ’t buiten zijn; het wandelen of ’t thuiszitten zonder iets uit te voeren. Ik zou nou veel geven voor ’n whisky met spuitwater, als er zoo iets maar te krijgen was in dit gat.Frank(helpt haar om haar shawl af te doen en geeft onder de hand haar schouders eventjes ’n lichte liefkoozing). Misschien heeft Vivie wel wat.Mevr. Warren(keert zich om en kijkt even naar hem van uit den hoek van haar oog, als ze het kneepje voelt). Gekheid! Wat zou ’n jong meisje als zij daarmee doen.—Enfin, komt er niet op aan. (Ze valt vermoeid neer op ’n stoel bij de tafel). Ik begrijp niet hoe ze haar tijd hier zoek brengt. Ik zou veel liever in Weenen zitten.Frank.Laat mij u daar mee naar toenemen. (Hij vouwt de shawl netjes op, hangt die over den rug van den anderen stoel en gaat tegenover haar zitten).Mevr. Warren.Loop heen! Bij jou is ’t geloof ik ook: ’n aardje naar z’n vaartje.Frank.Precies de oude heer, hè?Mevr. Warren.Houd je daar buiten. Wat weet je van die dingen af? Je bent nog maar ’n kuiken.Frank.Toe, ga met me mee naar Weenen. ’t Zou zoo allemachtig leuk zijn.Mevr. Warren.Dank je wel. Weenen is geen plaats voor jou, tenminste niet vòòr je wat ouder bent. (Zij knikt tegen hem om kracht bij te zetten aan deze raadgeving. Hij zet ’n kwasi-droevig gezicht, terwijl z’n oogen lachen. Zij kijkt hem aan, staat dan op en komt naar hem toe). Kijk ’ns hier, kleine vent—(neemt z’n gezicht en licht ’t op). Ik ken je van haver tot gort door de gelijkenis met je vader, beter dan jij jezelf kent. Haal je nou, wat mìj betreft, geen dwaze ideeën in je kop, versta je?Frank(haar galant ’t hof makend met z’n stem). Kan ’t niet helpen, lieve mevrouw Warren, ’t zit in ’t bloed. (Zij doet alsof ze hem om z’n ooren wil slaan; kijkt dan, ’n oogenblik in verzoeking gebracht, naar ’t lachende, aardige, naar haar toegewende gezicht;—ten slotte kust ze hem en wendt zich onmiddellijk af, knorrig op zichzelf).Mevr. Warren.Daar! Dat had ik niet moeten doen. Ik bèn ook slecht.—Neem er maar geen notitie van jongenlief, ’t was maar ’n moederlijke zoen. Ga heen en flirt met Vivie.Frank.Dat doe ik al.Mevr. Warren(keert zich haastig naar hem toe met ’n scherpen toon van angst in haar stem). Wat?Frank.Vivie en ik zijn dikke vrinden.Mevr. Warren.Wat meen je daarmee? Hoor ès; ik duld niet, dat eenige kwajongen scharrelt met mijn kleine meid. Begrepen? Dat wil ik nièt hebben.Frank(in ’t minst niet beschaamd). M’n beste mevrouw Warren, wees toch niet zoo ontdaan. Ik heb eerlijke bedoelingen, zoo eerlijk mogelijk. En jouw kleine meid is best in staat om op zich zelf te passen. Je hoeft haar lang niet zoo onder ’n stolpje te zetten als haar moeder. Ze is niet zoo mooi, weet je.Mevr. Warren(perplext van z’n zekerheid). Nou, jij hebt ook ’n flinke, aardige, twee-duim-dikke-laag brutaligheid over je. Van wièn je ’t hebt weet ik niet,—van je vader zeker niet. (Stemmen en voetstappen bij den ingang). Sst! Ik hoor de anderen binnen komen. (Zij gaat haastig zitten). Onthoud ’t nou; je bent gewaarschuwd (De eerwaarde Samuel komt binnen gevolgd door Crofts). Zoo, wat hebben jullie uitgevoerd? En waar zijn Praeddie en Vivie?Crofts(zet zijn hoed op het bankje en z’n stok in den hoek van den schoorsteen). Zij zijn den heuvel opgegaan. En wij ’t dorp in. Ik had ’n hartversterking noodig. (Hij gaat op de bank zitten).Mevr. Warren.Nou, ze moest er niet zoo van doorgaan, zonder me iets te zeggen (tot Frank). Krijg’n stoel voor je vader; waar zijn je manieren? (Frank springt op en biedt z’n vader op hoffelijke wijze een stoel aan. Krijgt dan ’n andere van den muur vandaan en gaat midden aan de tafel zitten, met z’n vader rechts en mevrouw Warren links van hem). George, waar zul jij van nacht blijven? Hier kunnen wij je niet bergen. En wat zal Praeddie doen?Crofts.Gardner brengt me onder dak.Mevr. Warren.O natuurlijk. Jij zult wel voor jezelf gezorgd hebben. Maar waar blijft Praeddie?Crofts.’k Weet niet. Ik veronderstel, dat hij in ’t logement kan slapen.Mevr. Warren.Heb jij geen plaats voor hem, Sam?Dominé.Wel... è... als dominé hier weet je, ben ik niet vrij om te doen wat ik precies wil... è... Wat is Praed z’n maatschappelijke positie?Mevr. Warren.O, laat dat maar loopen; hij is ’n architect. Wat ’n oude sok ben je toch, Sam.Frank.Ja, dat ’s in orde, oude heer. Hij heeft dat ding gebouwd, daar in Monmouthshire voor den hertog van Beaufort. Tintern Abbey heet ’t. Je zult er wel van gehoord hebben. (Hij wenkt mevr. Warren toe met bliksemsnelle behendigheid en ziet z’n vader onschuldig aan).Dominé.O, in dat geval zal ’t ons natuurlijk zeer aangenaam wezen. Ik vermoed, dat hij den hertog van Beaufort persoonlijk kent?Frank.O... heel intiem zelfs! We kunnen hem in Georgina’s oude kamer plakken.Mevr. Warren.Zoo, dat is dus afgesproken. Als nou die twee maar wouen komen en wij ons soupé konden hebben. ’t Komt niet te pas, om zoo lang na donker uit te blijven.Crofts(ruziemakerig). Wat voor kwaad doen ze je?Mevr. Warren.Kwaad of niet, ’t bevalt me niet.Frank.U doet beter met niet op hen te wachten, mevrouw Warren. Praed zal zoo lang mogelijk uitblijven. Hij heeft nooit geweten, wat ’t zeggen wil om op ’n zomernacht over de hei te dwalen met mijn Vivie.Crofts(gaat ontsteld overeind zitten). Zeg is even...!Dominé(uit z’n professionneele manieren opgeschrikt tot echte kracht en ernst). Frank, eens en voor al, dat is buiten de kwestie. Mevrouw Warren zal je vertellen, dat daar niet aan te denken valt.Crofts.Natuurlijk niet.Frank(met innemende kalmte). Is dat zoo, mevrouw Warren?Mevr. Warren(nadenkend). Wel, ik weet ’t niet, Sam. Als ’t kind wil trouwen, kan er geen goed van komen om haar òngetrouwd te laten.Dominé(perplext). Maar getrouwd met hèm! Jouw dochter metmijnzoon. Denk dan toch eens: dat is onmogelijk.Crofts.Natuurlijk is ’t onmogelijk. Wees niet mal, Kitty.Mevr. Warren(geprikkeld). Waarom niet? Is mijn dochter niet goed genoeg voor jouw zoon?Dominé.Maar waarlijk, beste mevrouw Warren, je weet toch de reden....Mevr. Warren(uitdagend). Ik weèt van geen reden. Als jìj er een weet, kun je hem aan den jongen vertellen, of aan haàr, of aan je gemeente, als je wilt.Dominé(hulpeloos). Je weet heel goed, dat ik niemand de reden vertellen kan. Maar m’n jongen zal me wel gelooven, als ik hem zeg, dát er redenenzijn.Frank.Zeker oude, dat zal hij. Maar heeft jouw jongen zich ooit laten leiden door jouw redenen?Crofts.Je kùnt haar niet trouwen, en daarmeeuit. (Hij staat op en gaat voor den haard staan, met z’n rug er naar toe, beslist wenkbrauwfronsend).Mevr. Warren(zich vinnig naar hem omkeerend). Wat heb jij er mee te maken, zeg?Frank(met z’n liefelijksten lyrischen stemval). Juist watiku wou vragen op m’n eigen, beminnelijke manier.Crofts(tot mevr. Warren). Ik vermoed, dat je je dochter niet verlangt te laten trouwen met ’n man jonger dan zij,—zonder ’n beroep, of ’n duit geld om haar te onderhouden. Vraag ’t Sam, als je mij niet wilt gelooven (tot den dominé). Hoeveel geld denk je hem mee te geven?Dominé.Geen cent. Hij heeft z’n erfdeel al gehad en het laatste ervan opgemaakt in Juli. (Mevrouw Warren’s gezicht betrekt).Crofts(haar observeerend). Heb ik ’t je niet gezegd? (Hij herneemt z’n plaats op de bank en zet z’n beenen weer op de zitting, alsof nu voor goed met ’t onderwerp is afgedaan).Frank(beklaaglijk). Dat is nou echt kruieniersachtig. Denk je, dat juffrouw Warren om geld wil trouwen? Alswijvan elkaar houden....Mevr. Warren.Wel bedankt. Je liefde is ’n aardig, goedkoop artikel, jongenlief. Als jij niet de middelen hebt om ’n vrouw te onderhouden, dan is de zaak beslist; dan krijg je Vivieniet.Frank(hoogelijk geamuseerd). Wat zeg jij er van oude heer, hè?Dominé.Ik ben ’t met mevrouw Warren eens.Frank.En die goeie, oude Crofts heeft z’n meening al gezegd.Crofts(wendt zich boos om op z’n elboog). Hoor ’ns: ik ben niet gediend van jouw onbeschaamdheid.Frank(gevat). ’t Spijt me verbazend, dat ik jeonaangenaam ben Crofts,—maar jij permitteerde jezelf daarnet de vrijheid om als ’n vader tegen me te spreken. Eén vader is genoeg, wel bedankt hoor.Crofts(verachtelijk). Phoe! (Hij draait zich weer om).Frank(opstaand). Mevrouw Warren,—ik kan geen afstand doen van Vivie, zelfs niet ter wille van u.Mevr. Warren(mompelend). Zoo’n kwajongen!Frank.En daar u ongetwijfeld van plan bent om andere vooruitzichten voor haar te openen, zal ik geen tijd verliezen met m’n zaak bij haar te bepleiten. (Zij staren allemaal naar hem, en hij begint op bekoorlijke wijze te declameeren):“Of wel hij vreest zijn lot te zeer,Of acht zijn waarde kleen,Wie niet den worp waagt: op òf neer,Zijn àl op éénen steen!”(De voordeur wordt geopend, terwijl hij reciteert en Vivie en Praed komen binnen. Hij houdt op. Praed legt z’n hoed op ’t buffetje. Er is onmiddellijk ’n verbetering merkbaar in de manieren van het gezelschap. Crofts neemt z’n beenen van de bank af en gaat overeind zitten, als Praed zich bij hem voegt bij den haard. Mevrouw Warren verliest haar losheid van manieren en verschuilt zich in knorrigheid).Mevr. Warren.Waar ter wereld ben je geweest, Vivie?Vivie(neemt haar hoed af en gooit hem achteloos op tafel). Den heuvel op.Mevr. Warren.Nou, je behoorde niet zoo weg te loopen, zonder me iets te laten zeggen. Hoe kon ik weten, wat er van je geworden was, en dat nogal bijna in den nacht!Vivie(gaat naar de deur van de binnenkamer enopent die zonder op haar moeder te letten). En nu ’t soupé!—Ik ben bang, dat we hier nogal opgepropt zullen zitten.Mevr. Warren.Hoorde je niet, wat ik zei, Vivie?Vivie(kalm). Ja moeder. (Weer terugkomend op de moeielijkheid van ’t soupé) Met de hoevelen zijn we? (tellende). Een, twee, drie, vier, vijf, zes.... Wel, twee zullen er moeten wachten tot de rest klaar is. Juffrouw Alison heeft maar borden en messen voor vier.Praed.O, voor mij komt ’t er niet opaan. Ik....Vivie.U hebt ’n lange wandeling gemaakt en u hebt honger, mijnheer Praed; u zult dàdelijk soupeeren. ’t Is noodig, dat er een met me wacht. Frank, heb jij honger?Frank.In ’t minst niet;—absoluut geen trek zelfs.Mevr. Warren.En jij ook niet George. Jij kan wachten.Crofts.Och, loop heen. Ik heb niets gegeten sinds theetijd. Kan Sam ’t niet doen?Frank.Wou u m’n arme vader laten verhongeren?Dominé(knorrig). Sta me toe voor me zelf te spreken, jongmensch.Vivie(beslist). Dat hoeft niet. Er zijn er maar twee noodig. (Ze opent de deur naar de binnenkamer). Wilt u m’n moeder mee naar binnen nemen, mijnheer Gardner? (de dominé geleidt mevrouw Warren en gaat met haar naar de andere kamer. Praed en Crofts volgen. Allen, behalve Praed, zijn blijkbaar weinig ingenomen met deze schikking, maar weten niet hoe er zich tegen te verzetten. Vivie blijft bij de deur staan en kijkt naar hen). Kunt u u doorpersen tot aan dien hoek, mijnheer Praed,—’t past maar net aan. Pas op voor uw jas tegen de gewitte muur,—mooi zoo. Zit u nu allemaal goed?Praed(van binnen af). Heel goed, dank u.Mevr. Warren(van binnen af). Laat de deur open, liefje. (Frank kijkt naar Vivie, sluipt dan naar de buitendeur en zet die zachtjes wijd open). O Heere, wat ’n tocht! Doe hem toch maar liever dicht, kind. (Vivie sluit de deur dadelijk, Frank sluit zachtjes de buitendeur).Frank(juichend). Ha! Ze kwijtgeraakt! Vivie, wat vind je van m’n ouden heer?Vivie(gepreoccupeerd en ernstig). Ik heb hem ternauwernood gesproken. Hij geeft me niet den indruk van ’n bizonder intelligent man.Frank.Och, weet je, de oude is, over ’t geheel genomen, niet zòò dwaas als hij er uitziet. Je moet denken, hij is nou eenmaal dominé hier, en doordat hij ’t ook wil schijnen, stelt hij zich veel stommer aan dan hij eigenlijk is. Nee, de oude heer is zoo kwaad niet, en ik heb volstrekt ’t land zoo niet aan hem als je misschien zou denken. Hij meent ’t goed. Hoe denk je, dat je met hem op zult schieten?Vivie(bijtend sarcastisch). Ik geloof niet, dat hij ’n groote plaats in m’n toekomstig leven zal innemen, noch een van m’n moeders ouden kring, behalve Praed misschien. Wat denk jij van m’n moeder?Frank.Eerlijk en oprecht?Vivie.Ja, eerlijk en oprecht.Frank.Wel, ze is allemachtig leuk.—Maar ’t is me er eentje, niet? En Crofts. Groote goden, die Crofts!Vivie.Wat ’n troep, Frank!Frank.Wat ’n zootje!Vivie(met de diepste verachting voor hen). Als ik dacht, dat ik zòò was, dat ik ’n doorbrengster zou worden, die doelloos haar tijd verslabakt van den eenen maaltijd tot den anderen, zonder karakteren zonder pit in me,—dan zou ik me ’n aâr openen en me dood laten bloeden, zonder ’n oogenblik aarzelen.Frank.Welnee, dat zou je niet. Waarom zouden zij aan den zwoeg gaan, als ze ’t niet hoèven te doen? Ik wou, dat ìk zoo gelukkig was. Nee, waar ik op tegen heb, dat zijn hun manieren. ’t Is niet de leeglooperij zelf. Hun manieren zijn schunnig, echt ordinair.Vivie.Geloof je, dat jouw manieren ’n haar beter zullen wezen, als je zoo oud zult zijn als Crofts,—wanneer je niet werkt?Frank.Natuurlijk geloof ik dat,—oneindig veel beter. Vivums moet niet preeken; haar kleine jongen is onverbeterlijk. (Hij tracht haar gezicht liefkoozend tusschen z’n handen te nemen).Vivie.Weg er mee! Vivums is niet in de stemming om haar jongentje te vertroetelen.Frank.Hoe onvriendelijk!Vivie(stampend). Wees ernstig.Ikben ernstig.Frank.Goed. Laten we geleerd spreken. Juffrouw Warren, weet u wel, dat al de meest liberale denkers hièrin overeenstemmen, dat de helft van de ziekten der moderne beschaving moeten toegeschreven worden aan verhongering der affecties in de jeugd? Ik nu...Vivie(hem kortaf onderbrekend).Je wordt vervelend. (Zij opent de binnendeur.) Is er nog plaats voor Frank? Hij klaagt dat hij verhongert.Mevr. Warren(van binnenaf). Zeker is er. (Gekletter van messen en glazen, als zij die op tafel verschuift). Hier, er is nù plaats naast mij. Kom, Frank!Frank(zachtjes tot Vivie als hij gaat). D’r kleine jongen zal dit z’n Vivums goed betaald zetten. (Hij gaat de andere kamer binnen).Mevr. Warren(van binnenuit). Hier Vivie, kom jij ook binnen, kind. Je zult wel uitgehongerd zijn. (Zij komt binnen, gevolgd door Crofts, die de deur voor Vivie openhoudt met kennelijk ontzag. Zij gaat heen zonder hem aan te zien en hij sluit de deur achter haar). Wel George, jij kunt nog niet klaar zijn. Je hebt niks gegeten.George.O, ik had alleen maar trek om wat te drinken. (Hij steekt z’n handen in z’n zakken en begint door de kamer te draaien, onrustig en stuursch).Mevr. Warren.Nou, ik hoû er van om genoeg te krijgen,—maar met wat koud vleesch, met sla en kaas, kom je al ’n heel eind. (Met ’n zucht van slechts halve verzadiging gaat ze lui neerzitten bij de tafel).Crofts.Waarom blijf je die snotneus aanmoedigen?Mevr. Warren(dadelijk op haar qui-vive). Hoor is George: wat wìl je nou met m’n dochter? Ik heb gezien op wat voor manier je haar aankijkt. Weet wel: ik ken je en ik weet wat je blikken beteekenen.Crofts.’t Kan toch geen kwaad om naar d’r te kijken, wel?Mevr. Warren.Ik zou je heel gauw de deur uitzetten en naar Londen terugsturen als ik iets van jouw onzin in de gaten kreeg. Mijn dochters pink is me meer waard dan jouw heele lichaam en ziel. (Crofts hoort dit aan met ’n grijns. Mevrouw Warren, even blozend door haar onmacht om indruk op hem te maken als ’n theatrale moeder vol toewijding, voegt er zachtjes aan toe): Wees maar gerust, de jonge snotneus heeft niet meer kans dan jij.Crofts.Mag ’n man zich dan niet voor ’n meisje interesseeren?Mevr. Warren.Niet ’n man als jij.Crofts.Hoe oud is ze?Mevr. Warren.Dat gaat je niet an.Crofts.Waarom maak je daar zoo’n geheim van?Mevr. Warren.Omdat ik ’t verkies.Crofts.Nou, ik ben nog geen vijftig. En m’n bezittingen zijn in zoo’n goeien staat als ooit....Mevr. Warren(hem in de rede vallend). Ja, omdat je even gierig als gemeen bent.Crofts(vervolgend). En ’n jonkheer is niet iederen dag te krijgen. Niet één andere man in mijn positie zou genoegen nemen met ’n schoonmoeder als jij. Waarom zou ze me niet trouwen?Mevr. Warren.Jou?Crofts.We zouden met z’n drieën lekkertjes kunnen leven. Ik zou vòòr haar sterven en haar achterlaten als ’n zwierig weeuwtje met overvloed van geld. Waarom niet? De gedachte daaraan is aldoor sterker in me geworden, terwijl ik met dien gek van daarbinnen liep te wandelen.Mevr. Warren(in opstand komend). Ja, juist ’t soort van gedachte om in joù op te komen. (Hij houdt op met rondsluipen en de twee kijken elkaar aan; zij vast, met ’n zekeren angst verscholen achter haar verachting en afschuw, hij heimelijk met ’n zinnelijken grijns en oogenglimp, waarmee hij haar tracht te verlokken).Crofts(wordt plotseling bezorgd en dringend, als hij geen teeken van sympathie bij haar ziet). Hoor ’is Kitty, je bent ’n verstandige vrouw, stel je nou niet braaf an.—Ik zal niet meer vragen en jij hoeft niet meer te antwoorden. Ik zal m’n heele bezitting op haar vastzetten. En als jij op den huwelijksdag voor jezelf ’n wissel verlangt, dan kun je de som noemen, die jezelf wilt,—altijd in ’t redelijke.Mevr. Warren.Bah! Daartoe is ’t dus met jegekomen, George, net als met alle andere afgesjouwde ouwe kerels.Crofts(woest). Verdomd! (Zij staat op en keert zich heftig naar hem toe,—maar de deur van de binnenkamer wordt dan juist geopend en men hoort de stemmen van de anderen, die terugkomen. Crofts, niet in staat zich te beheerschen, snelt naar buiten. De dominé komt terug).De Dominé(rondkijkend). Waar is Jhr. George?Mevr. Warren.Naar buiten gegaan om z’n pijp te rooken. (Zij gaat naar den haard, met haar rug naar hem toe, om tot bedaren te komen. De dominé gaat naar de tafel om z’n hoed te krijgen. Onderwijl komt Vivie binnen, gevolgd door Frank, die met ’n vertoon van diepe uitputting in den meest nabijzijnden stoel neervalt. Mevrouw Warren kijkt rond naar Vivie en zegt met haar affectatie van moederlijke bezorgdheid nog gemaakter dan gewoonlijk). Wel lieverd, heb je lekker gesoupeerd?Vivie.U weet wat juffrouw Alisons soupé’s waard zijn! (Zij keert zich tot Frank en troetelt hem). Arme Frank, was al ’t vleesch dan op? Heeft hij niets gehad dan brood en kaas en gemberbier? (weer ernstig, alsof ze al genoeg gekheid heeft gemaakt voor één avond). Haar boter is heusch afschuwelijk. Ik moet wat boter van Londen laten komen.Frank.Doe dat in ’s hemelsnaam. (Vivie gaat naar de schrijftafel en noteert de bestelling van de boter. Praed komt binnen van de andere kamer,—z’n zakdoek opvouwend, die hij als servet gebruikt had).Dominé.Frank, m’n jongen, ’t is tijd voor ons om naar huis te gaan. Je moeder weet nog niet, dat we gasten krijgen.Praed.Ik ben bang, dat we moeite zullen geven.Frank.In ’t minst niet, Praed; m’n moeder zal ’t heerlijk vinden om kennis met je te maken. Ze is ’n echt intellectueele, artistieke vrouw, en ziet hier niemand van ’t begin tot ’t eind van het jaar behalve den ouden heer. Je kunt je dus voorstellen hoe suf dat voor haar is (tot den dominé). Jij bent niet intellectueel of artistiek, wel piepa? Neem Praed dus dadelijk mee naar huis; dan zal ik hier blijven om mevrouw Warren gezelschap te houden. Je zult Crofts in den tuin vinden. Hij zal uitstekend gezelschap zijn voor onzen jongen bulhond.Praed(neemt z’n hoed van het buffetje en komt dicht naar Frank toe). Kom met ons mee, Frank. Mevrouw Warren heeft juffrouw Vivie in zoo lang niet gezien en tot nu toe hebben wij ze belet om maar ’n oogenblik samen te zijn.Frank (geheel verteederd, kijkt op naar Praed met romantische bewondering). Natuurlijk, dat vergat ik. Wel bedankt voor je vermaning. Bent ’n echte gentleman, Praeddie. Altijd geweest—m’n levensideaal! (Hij staat op om te gaan, maar blijft ’n oogenblik staan tusschen de twee oude heeren en legt z’n hand op Praeds schouder). Och, als jij maar m’n vader was geweest, inplaats van dezen onwaardigen, ouden man! (Hij legt z’n andere hand op z’n vaders schouder).Dominé(lawaaiig). Zwijg jongmensch, zwijg; je bent profaan.Mevr. Warren(lacht hartelijk). Je moest hem beter in toom houden, Sam. Goeie nacht. Hier, geef George z’n hoed en stok met m’n complimenten.Dominé(ze aannemend). Goeien nacht. (Zij geven elkaar de hand. Als hij langs Vivie gaat, geeft hij die ook de hand en zegt haar goeden nacht. Daarna, bulderend commandeerend tot Frank): Komaan jongmensch,vlug wat. (Hij gaat heen. Frank heeft onderwijl z’n pet van de aanrecht genomen en z’n geweer uit het rek. Praed geeft mevrouw Warren en Vivie de hand en gaat heen,—mevrouw Warren begeleidt hem op haar gemak en kijkt hem achterna door den tuin. Frank bedelt stilletjes om ’n kus van Vivie, maar zij zendt hem weg met ’n strengen blik, neemt dan ’n paar boeken en wat papier van de schrijftafel en gaat er mee zitten aan de tafel, in ’t midden, om het schijnsel van de lamp te hebben).Frank(bij de deur, vat mevrouw Warrens hand). Goeie nacht, liève mevrouw Warren. (Hij knijpt haar hand. Zij trekt die haastig weg, klemt haar lippen samen en ziet er meer dan half geneigd uit om hem om z’n ooren te slaan. Hij lacht ondeugend en rent weg, de deur achter zich toeslaand).Mevr. Warren(keert terug naar haar plaats aan de tafel, tegenover Vivie, blijkbaar berustend in ’t vooruitzicht van ’n vervelenden avond, na het vertrek van de heeren). Heb je ooit in je leven iemand zòò hooren kakelen? (zij gaat zitten). Wat ’n plaag is ’t-ie, hè? Nou ik er aan denk liefje, moedig jij hem niet an, hoor. Ik ben zeker, dat hij ’n echte deugniet is.Vivie.Ja, ik ben wel bang, dat hij ’n echte deugnietis. Ik zal hem moeten zien kwijt te raken. Maar ’t zal me erg voor hem spijten, al is hij ’t niet waard, de arme jongen.—Die Crofts schijnt me ook niet veel zaaks te zijn, wel?Mevr. Warren(gekwetst door haar toon). Wat weet jij van de mannen af, kind, om op die manier over ze te praten? Je kunt je er op voorbereiden om Jhr. George hier dikwijls te zien,—omdat hij ’n vrind van me is.Vivie(volmaakt koel). Waarom? Verwacht u, dat we veel samen zullen zijn,—u en ik, meen ik?Mevr. Warren(haar aanstarend). Natuurlijk, totdat je getrouwd bent. Je gaat niet meer naar je colleges terug.Vivie.Gelooft u dan, dat mijn manier van leven u zou bevallen? Ik betwijfel het.Mevr. Warren.Jouw manier van leven? Wat meen je?Vivie(terwijl zij ’n pagina van haar boek opensnijdt met het vouwbeen van haar chatelaine). Is ’t heusch nooit bij u opgekomen, moeder, dat ik ’n manier van leven heb zoo goed als andere menschen?Mevr. Warren.Wat ’n onzin probeer je nou te praten! Wil je me soms je onafhankelijkheid toonen, omdat je nou op school ’n persoontje van belang bent geworden? Wees niet mal, kind.Vivie(op toegevenden toon). Is dat alles wat u over het onderwerp te zeggen hebt, moeder?Mevr. Warren(verbijsterd, daarna boos). Ga nou niet door me zoo te ondervragen (heftig). Hoû je mond. (Vivie gaat door met haar werk, zonder tijd te verliezen of iets te zeggen). Jij met je manier van leven! Wat nog meer? (Zij kijkt naar Vivie; geen antwoord). Jouw manier van leven zal zijn wat mij bevalt;—dàt zal-die (weer ’n pauze). Ik heb die pretenties van je al opgelet, van af dat je die tripos gekregen hebt, of hoe dat examen heeten mag.—Als je denkt, dat ik daarmee genoegen neem, dan vergis je je, en hoe eerder je dat merkt, des te beter (pruttelend). Al wat ìk er over te zeggen heb,—wel zeker! (weer haar stem verheffend, boos).Weet je wel, tegen wie je spreekt, juffertje?Vivie(haar aankijkend, zonder haar hoofd van haar boek op te heffen). Nee. Wie bent u? Wàt bent u?Mevr. Warren(staat ademloos op). Jouw brutaal nest!Vivie.Iedereen kent mìjn reputatie, mìjn maatschappelijke positie en het beroep, dat ik wil volgen. Ik daarentegen weet niets van u af. Wat is dat soort van leven, dat u verlangt, dat ik deelen zal met u en Jhr. George?Mevr. Warren.Pas op! Ik zal iets doen, waar ik later spijt van zal hebben, en jij ook.Vivie(haar boek op zij schuivend met koele beslistheid). Wel, laten we dan ’t onderwerp laten rusten, tot u ’t beter aan zult durven (bekijkt haar moeder kritisch). U moet eens flink wandelen en tennissen om weer op streek te komen. U bent in ’n allertreurigste conditie; u was vandaag niet eens in staat om twintig meter te klimmen zonder te hijgen;—en uw polsen zijn net rolletjes vet. Kijk de mijne eens (zij steekt haar polsen uit).Mevr. Warren(ziet haar eerst hulpeloos aan, begint dan te huilen). Vivie....Vivie(springt haastig op). Begin nou asjeblieft niet te huilen. Alles liever dan dat. Ik kan wezenlijk geen gegrien verdragen. Als u dat doet, zal ik de kamer uitgaan.Mevr. Warren(beklaaglijk). O m’n lieveling, hoe kàn je zoo hard tegen me zijn? Heb ik dan geen rechten op je als moeder?Vivie.Bènt u m’n moeder?Mevr. Warren(hevig ontdaan). Bèn ik je moeder! O Vivie!Vivie.Waar zijn dan m’n bloedverwanten, m’n vader—onze familievrienden? U eischt de rechten van ’n moeder; het recht om me ’n dwaas en ’n kind te noemen, om tegen me te spreken, zooals niet één vrouw, die boven me stond op school, ooittegen me durfde te spreken,—om me een levenswijs voor te schrijven en me de kennismaking op te dringen van ’n vent, van wien iedereen kan zien, dat hij tot het gemeenste soort van viveurs behoort. Vòòr ik mezelf nu de moeite geef om me tegen die eischen te verzetten, doe ik, dunkt me, beter, er eerst achter te komen of ze eenig recht van bestaan hebben.Mevr. Warren(op haar knieën neervallend). O nee, nee, hoû op, hou op! Ik bèn je moeder, ik zweer het! O je zult je toch niet tègen me willen keeren,—m’n eigen kind;—’t is niet natuurlijk! Je gelooft me, niet waar? Zeg dat je me gelooft?Vivie.Wie was m’n vader?Mevr. Warren.Je weet niet wat je vraagt. Dat kan ik je niet vertellen.Vivie(beslist). O ja, dat kunt u wel, als u wilt. Ik heb ’t recht dat te weten.—En u weet heel goed, dat ik dat recht hèb. U kunt weigeren om ’t me te zeggen, als u verkiest,—maar àls u dat doet, zult u me morgenochtend voor ’t laatst gezien hebben.Mevr. Warren.O, ’t is vreeselijk je zòò te hooren praten. Je zoudt me niet.... je kùnt me niet verlaten.Vivie(meedoogenloos). Ja, zonder ’n oogenblik te aarzelen, als u me op dàt punt aan ’t lijntje blijft houden (rillend van afschuw). Hoe kan ik zeker zijn, dat ik niet ’t bedorven bloed van dien gemeenen doorbrenger in m’n lichaam heb?Mevr. Warren.Nee, nee. Ik zweer je, dat hij ’t niet is, zoomin als een van de andere die je ontmoet hebt. Daàrvan tenminste ben ik zeker. (Vivie’s oogen vestigen zich streng op haar moeder als de beteekenis hiervan voor haar opgaat).Vivie(langzaam). “Daarvan tenminste bent u zeker.” Ah! U meent, dat dàt ’t eenige is, waar u zeker van bent (peinzend). Ik begrijp ’t. (Mevrouw Warren verbergt haar gezicht in haar handen). Doe dat niet moeder;—u weet, dat u ’t volstrekt zoo niet voelt. (Mevrouw Warren neemt haar handen weg en kijkt droevig op naar Vivie, die haar horloge uithaalt en zegt) Nu, dat is genoeg voor van avond.—Hoe laat wilt u ontbijten? Is half negen te vroeg voor u?Mevr. Warren(verbijsterd). M’n God, wat voor soort van vrouw ben je?Vivie(koel). Van ’t soort, waar de wereld voor ’t meerendeel uit bestaat, hoop ik. Anders begrijp ik niet hoe ze d’r werk gedaan zou krijgen. Kom, (vat haar moeder bij de polsen en trekt haar op;—met beslistheid) ’n beetje flink nu. Zoo is ’t goed.Mevr. Warren(knorrig). Je bent erg ruw tegen me, Vivie.Vivie.Gekheid. Wat denkt u van naar bed gaan? ’t Is over tienen.Mevr. Warren(hartstochtelijk). Wat geeft ’t of ik naar bed ga. Denk je, dat ik zou kunnen slapen?Vivie.Waarom niet? Ik wel.Mevr. Warren.Jij! Je hebt geen hart! (plotseling barst zij heftig los in haar eigen spraak: het dialect van ’n vrouw uit het volk,—al haar affectaties van moederlijk gezag en conventioneele manieren verdwenen, en met ’n overstelpende inspiratie van echte overtuiging en toorn). O, ik verdraàg ’t niet langer! Ik bedank voor die onrechtvaardigheid! Wat voor recht heb jij om je zoo boven me te plaatsen? Je bluft tegen me op wat je bent, tegen mij, die je in staat heb gesteld om te wòrden wat je bent. Welke kans had ik? Je moest je schamen om zoo’n slechte dochter en ingebeelde preutsche juf te zijn!Vivie(koel en beslist, maar niet langer met zelfvertrouwen, want haar antwoorden, die haar tot dusver overtuigend verstandig en krachtig hebben toegeschenen, beginnen nu tamelijk houterig en pedant te klinken tegenover den nieuwen toon van haar moeder). Geloof u geen oogenblik, dat ik me op eenigerlei wijs boven u plaats. U viel me aan met het conventioneele gezag van ’n moeder, en ìk verdedigde me met de conventioneele meerderheid van ’n fatsoenlijke vrouw. Ronduit gezegd, ben ik niet van plan, om iets van uw onzin te verdragen, en wanneer ù die laat schieten, verlang ik niet van u, dat u iets van de mijne verdraagt.—Ik zal altijd eerbiedigen het recht dat u hebt op uw eigen meeningen en uw eigen manier van leven.Mevr. Warren.M’n eigen meeningen en m’n eigen manier van leven! Hoor d’r is an!—Denk je, dat ik groot ben gebracht als jij,—in staat om m’n eigen manier van leven te zoeken en te kiezen? Denk je, dat ik deê, wàt ik deê, omdat ik ’t prettig of goed vond, of dat ik niet liever na school zou zijn gegaan en ’n dametje geweest zijn, as ik er kans toe gezien had?Vivie.Ieder mensch heeft eènige keus, moeder. De armste meid ter wereld mag niet in staat zijn om te kiezen of ze koningin van Engeland of hoofd van ’n school wil worden, maar ze kan wèl kiezen tusschen lompen uitzoeken en bloemen verkoopen, alnaar dat haar smaak is. De menschen geven altijd de schuld aan de omstandigheden voor wat ze zijn. Ik geloof niet aan de omstandigheden. De menschen, die vooruit komen in de wereld, zijn de menschen die opstaan en uitkijken naar de omstandigheden die ze noodig hebben,—en vinden ze die niet, danmakenzij ze.Mevr. Warren.O, praten is makkelijk, heel gemakkelijk, hè? Nou! Wil je weten wat mijn omstandigheden waren?Vivie.Ja, ’t is beter, dat u ’t me vertelt. Wilt u niet gaan zitten?Mevr. Warren.Ja, ik zàl gaan zitten; wees maar gerust. (Zij plant haar stoel meer naar voren neer met ijzeren energie en gaat zitten. Vivie komt, ondanks haarzelf, onder den indruk). Weet je wie je groomoe was?Vivie.Nee.Mevr. Warren.Nee, dat weet je niet. Ik wel. Ze noemde d’r eigen een weduwvrouw en ze had ’n winkel van gebakken visch ergens bij de Munt en daar onderhield ze d’r eigen en d’r vier dochters van. Twee van ons ware zusters, dat ware Lies en ik, en we zage d’r allebei goed uit, met knappe figure. Ik vermoed, dat onze vader ’n goedgevoede man was. Moeder beweerde, dat ’t een heer was, maar dà weet ik niet. De andere twee ware maar halfzusters: kleine, leelijke, magere, slovende, eerlijke onderkruipsels. Lies en ik zouen ze half vermoord hebben, als moeder òns niet half vermoord had, om onze handen van ze af te houden.Zijwaren de fatsoenlijken van ons. Nou, weet je wat ze kregen voor d’r fatsoen? De eene werkte in ’n loodwitfabriek,—12 uur daags voor 9 shilling in de week, totdat ze stierf an loodwitvergiftiging. Ze dacht, dat ze alleen maar d’r handen wat verlamd zou krijgen, maar ze ging er van dood. De ander werd ons altijd voorgehouden als ’n voorbeeld, omdat ze met ’n werkman van de rijkswerf trouwde en d’r kamer en d’r drie kinderen netjes en zuiver hield van 18 shilling in de week, totdat hij aan de drank raakte. Dat was de moeite waard om fatsoenlijk voor te zijn, niet?Vivie(nu pensief-aandachtig). Dachten u en uw zuster dat?Mevr. Warren.Lies niet, dat kan ik je vertellen, diè was wijzer. We gingen allebei na ’n kerkelijke school,—dat hoorde zoo bij de damesachtige manieren die we ons gaven om meer te zijn dan de kinderen, die niks wisten en nergens heengingen,—en daar bleven we, totdat Lies eens op ’n nacht wegliep en nooit terug kwam. Ik weet, dat de schooljuffrouw dacht, dat ik wel gauw d’r voorbeeld zou volgen,—want de dominé waarschuwde me aldoor, dat Lies zou eindigen met van Waterloo-brug af te springen.—Arme hals,—dat was àl wat hij er van wist! Maar ik had meer angst voor de loodwitfabriek dan voor de rivier, en dat zou jij ook gehad hebben in mijn plaats.—De dominé wist ’n betrekking voor me te krijgen, as bijhulp in de keuken van ’n afschaffersrestauratie, waar ze uitzonden met alles wat je hebben wou.—Toen ben ik kellnerin geworden en daarna ging ik an ’t buffet van ’t Waterloostation,—veertien uur per dag drank bedienen en glazen omwasschen voor 4 shillings in de week en de kost. Dat werd toen beschouwd as ’n groote vooruitgang voor me.—Nou, op ’n kouwe, ellendige nacht, toen ik zòò moe was, dat ik nauwelijks wakker kon blijven, wie denk je dat er binnen kwam voor ’n halve schotsche? Lizzie;—in ’n lange, bonte mantel, elegant en lekker, met ’n hoop goudstukke in d’r beurs!Vivie(grimmig). Tante Lizzie.Mevr. Warren.Ja, en ’n beste tante òok om te hebben. Ze woont nou in Winchester, vlak bij de kathedraal, een van de meest geziene dames dáar.—Ze begeleidt jonge meisjes naar ’t bal van de gouverneur,—asjeblieft hoor! Geen rivier voor Lies, dankje wel.—Jij doet me wat an Lies denken: ze was ’n eerste zakevrouw,—spaarde geld op van de beginne af,—liet nooit te veel zien wat ze was,—raakte nooit ’r hoofd kwijt, of liet ’n gelegenheid voorbijgaan.—Toen ze zag, dat ik knap op zou groeien, zei ze tegen me, zoo over de toonbank heen: “Wat doe jij hier, malle meid,—je gezondheid en je uiterlijk verwoesten voor ’n andermans profijt?” Lies was toen an ’t opsparen, om ’n huis voor d’r eigen te nemen, in Brussel, en ze dacht, dat we samen gauwer zouen sparen, dan ieder voor zich. Daarom leende ze me wat geld en hielp me aan de gang; en ik spaarde geregeld an en betaalde d’r eerst af en begon toen ’n zaak met haàr als deelgenoot. Waarom zou ik ’t nièt gedaan hebben? ’t Huis in Brussel was er een van de eerste rang,—’n heel wat beter plaats voor ’n vrouw, dan de fabriek, waar Annemie vergiftigd werd. Geen één van onze meisjes werd ooit behandeld zoo als ik behandeld werd in de bijkeuken van die afschaffersboel, of as an ’t buffet,—of as thuis: Had je gewild dat ik daar was gebleven en ’n afgewerkte ouwe sloof was geworden vòòr m’n 40ste jaar?Vivie(nu geweldig geïnteresseerd). Nee, maar waarom koos u diè zaak. Met spaarzaamheid en goed beheer kun je elke zaak er boven op werken.Mevr. Warren.Ja, geld opsparen. Maar in welke zaak kàn ’n vrouw geld opspare? Zou jij kenne sparen van 4 shillings in de week en je d’r van kleeje ook? Jij niet. Natuurlijk, as je ’n dood gewoon mensch ben en niks anders kan verdienen, of as je idee heb in muziek of ’t tooneel, of krantegeschrijf,—dan is ’t iets anders. Maar zoomin Lies as ik hadden eenig benul van die dingen; alles wat wij hadden was ons uiterlijk en onze slag om de mannen in tepakken. Denk je, dat wij zulke gekken waren, om andere menschen zaken te laten doen met ònze mooie oogen, door òns te gebruiken as winkelmeisjes, of buffetjuffrouwen, of kellnerinnen, as wij zèlf er zaken mee konden doen en al ’t profijt in ònze zak steken, inplaats van hongerloonen?Wìjniet, hoor.Vivie.U was zeker volkomen gerechtvaardigd uit ’n zakenoogpunt.Mevr. Warren.Ja, en uit ieder ànder oogpunt ook. Waartoe wordt ieder fatsoenlijk meisje anders grootgebracht als om ’n rijke man in te palmen en het voordeel van z’n geld te hebben door hem te trouwen? Asof ’n huwelijksceremonie eenig verschil maakt in het goeie of het slechte van de zaak! O, de huichelarij van de wereld maakt me misselijk! Lies en ik hadden te werke en te spare en te berekene net zoo goed als andere menschen; anders zouen we nou even arm zijn als iedere nikswaardige dronken doorbrengster van ’n vrouw, die denkt dat d’r goeie tijd altijd zal duren (met groote energie). Ik veracht dat soort menschen;—ze hebben geen karakter. En as d’r iets is, dat ik haat in ’n vrouw, dan is ’t gebrek an karakter.Vivie.Kom nou, moeder, wees ’ns eerlijk! Is ’t niet voor ’n deel wat je noemt karakter in ’n vrouw, dat haar die afschuw moet geven van dèze manier van geld verdienen.Mevr. Warren.O natuurlijk. Iedereen vindt ’t onaangenaam om te moeten werken en geld te verdienen, maar d’r is geen keus. Waarachtig, ik weet wel, dat ik dikwijls genoeg meêlijen heb gehad met ’n arm meisje, dat moe was en landerig, als ze probeeren moest ’n man te amuseeren, om wie ze niks niemendal gaf—zoo’n halfdronken idioot, die denkt, dat ie zich aangenaam maakt wanneer hij ’n vrouwplaagt en lastig valt en half doet walgen, op ’n manier, die met geen gèld is goed te maken. Maar ze heeft die onaangename dingen nou eenmaal te verdrage, en ’t zoete zoowel as ’t zure te slikke, net even goed als ’n ziekenhuis-zuster of ieder ander. De hemel mag wete, dat ’t geen werk is, dat eenige vrouw voor d’r plezier zou doen, al zou je, as je de vromen hoort praten, denken dat ’t ’n bed van rozen was.Vivie.U beschouwt het toch als de moeite waard. Het betaalt.Mevr. Warren.Natuurlijk is ’t de moeite waard voor ’n arm meisje, dat d’r eigen niet weggooit en er goed uitziet en zich verstandig en netjes gedraagt. ’t Is oneindig beter dan eenige andere betrekking, die ze hebben kan. Ik heb altijd gevonden dat dat zoo niet moest zijn. ’t Kàn niet rechtvaardig zijn, Vivie, dat ’n vrouw geen betere kansen zou hebben. Ik blijf er bij: dat is verkeerd. Maar goed of verkeerd, ’t is eenmaal zoo, en ’n meisje moet ’t neme zooas ’t is. Maar natuurlijk is ’t niet de moeite waard voor ’n dame. Als jij die kant uitging, zou je dwaas zijn; maar ìk zou dwaas geweest zijn, as ik ’t nièt had gedaan.Vivie(meer en meer werkelijk ontroerd). Moeder, veronderstel eens, dat we allebei zoo arm waren als ù was in die ellendige dagen van vroeger, bent u zeker, dat u me dan niet raden zou om ’t stationsbuffet te probeeren, of om ’n werkman te trouwen, of om zelfs in ’n fabriek te gaan?Mevr. Warren(verontwaardigd). Natuurlijk niet. Voor wat voor soort moeder zie je me an! Hoe zou jij je zelfrespect kenne beware bij zòò ’n hongerlijë en gesloof. En wat is ’n vrouw waard, wat is ’t lèven waard, zonder zelfrespect? Waarom benikonafhankelijk en in staat om m’n dochter ’n piekfijne opvoeding te geven, terwijl andere vrouwen, die net dezelfde kansen hadden, nou in de goot legge? Omdat ik m’n eigen altijd heb wete te respecteere en te beheersche. Waarom kijke ze op tegen Lies in ’n vrome stad? Om dezelfde reden. En waar zouden we nou an toe zijn, als we ons gestoord hadden an de malligheid van die dominé? An vloeren schrobben voor anderhalve shilling per dag en niks in ’t vooruitzicht as ’t armhuis. Laat jij je niet van de wijs brengen door menschen die de wereld niet kennen. De eenige manier voor ’n vrouw om fatsoenlijk voor d’r eigen te zorgen is om goed te zijn voor ’n man, die ’t betalen kan om goed voor haar te wezen. Als ze van zìjn stand is, laat ze dan zorgen, dat-ie haar trouwt, maar is ze dat niet, dan kan ze dat niet verwachten.—Hoe zou ze? ’t Zou niet voor d’r eigen geluk weze. Vraag-t-er iedere dame in de Londensche wereld na, die dochters heeft,—en ze zal je hetzelfde zegge,—behalve dat ik ’t je ronduit zeg, en zij verdraaid.—Daarin zit ’em ’t eenige verschil.Vivie(geboeid,—staart haar aan). Beste moeder,—u bent ’n merkwaardige vrouw, u bent sterker dan heel Engeland. En voelt u nu werkelijk en waarachtig niet ’n sikkepitje twijfel ... of ... of schaamte?Mevr. Warren.Wel natuurlijk, lieverd,—’t hoort er zoo bij om je te schame,—dat wordt eenmaal verwacht van ’n vrouw. Vrouwen moeten zich altijd houe of ze ’n heeleboel voele wat ze niet doen. Lies was dikwijls kwaad op me, as ik zoo botweg de waarheid er over zei. Zij zei altijd, dat, omdat iedere vrouw genoeg kon leere van wat ze voor d’r ooge in de wereld ziet gebeure, ’t nergens toe dient om er over te prate. Maar Lies was ook open top ’n dame. Ze had er ’t echte instinct van; terwijl je an mijn altijd m’n lage kom-afkon merken: Ik plach zoo in m’n schik te zijn, wanneer je me je portretten zond en ik zag, dat je opgroeide als Lies. Je hebt nèt haar damesachtige, positieve manier van doen.—Maar ik kan ’t niet uitstaan, om ’t ééne te zeggen, als iedereen weet, dat ik ’t andere meen. Waar dient dat gehuichel toe? Als de menschen de wereld op diè manier voor de vrouwen inrichten, geeft ’t niks om net te doen, of ze anders is ingericht. Ronduit gezegd heb ik me nooit in ’t minst geschaamd. Ik beweer, dat ik ’t recht heb om trotsch te zijn, dat we alles zoo goed bedistelden, en er nooit iets op ons te zeggen was, en dat de meisjes zoo goed behandeld werden. ’n Paar ervan kwamen best terecht: één trouwde er met ’n gezant. Maar natuurlijk, daar mag ik nou niet meer van spreken, wat zouen ze wel van me denken! (Zij geeuwt). O Heere, ik geloof, dat ik tenslotte toch slaperig ben geworden. (Zij rekt zichzelf luid uit, echt opgelucht door haar uitbarsting, en kalmpjes bereid voor haar nachtrust).Vivie.Ik geloof, dat ik ’t zal zijn, die nu niet zal kunnen slapen. (Zij gaat naar ’t buffetje en steekt de kaars aan. Dan doet ze de lamp uit, waardoor de kamer veel donkerder wordt). We zullen wat frissche lucht in laten vòòr we sluiten. (Zij opent de buitendeur en ziet dat ’t heldere maan is). Kijk eens! (Zij trekt de gordijnen van ’t raam open. Men ziet het landschap badend in de stralen van ’n nazomermaan, die boven Blackdown rijst).Mevr. Warren(met ’n vluchtigen blik naar buiten). Ja liefje, maar pas op, dat je geen kou vat van de nachtlucht.Vivie(minachtend). Gekheid!Mevr. Warren(knorrig). Welzeker, alles wat ik zeg is gekheid volgens jou.Vivie(keert zich haastig naar haar toe). Nee, dat is volstrekt niet waar, moeder. U hebt ’t vannacht totaal van me gewonnen, hoewel ìk gewild had, dat ’t andersom zou zijn geweest. Laten we nu goeie vrienden zijn.Mevr. Warren(wat droevig haar hoofd schuddend). Dus ’t is andersom geweest. Maar tòch zal ik wel de kleinste motten wezen. Ik trok met Lies altijd an ’t kortste eindje, en ik denk, dat ’t nou wel ’tzelfde met jou zal worden.Vivie.Dat hindert niet... Kom, goeie nacht goeie, oude moeder. (Zij omarmt haar moeder).Mevr. Warren(teeder). Ik heb je goed grootgebracht, heb ik niet, lieverd?Vivie.Ja, dat hebt u.Mevr. Warren.En je zult goed zijn voor je arme, ouwe moeder, niet waar?Vivie.Zeker moederlief (kust haar). Goeie nacht.Mevr. Warren(zalvend). M’n zegen over m’n eigen lieveling!—’n moeders zegen! (Zij omhelst haar dochter beschermend, terwijl zij opziet naar boven, alsof zij ’n zegening over Vivie af wil smeeken).
TWEEDE BEDRIJF.In de villa na donker. Naar ’t Oosten kijkend van binnen uit, in plaats van naar ’t Westen van buiten af, ziet men het raam met kleine ruitjes waarvoor de gordijnen zijn dichtgetrokken, nu midden in den voormuur van het villatje, met de entreedeur links er van. In den linkermuur is de deur, die naar den uitbouw leidt. Op den achtergrond tegen denzelfden muur is ’n klein plat buffet met ’n kaars en lucifers er op, en Franks geweer, waarvan de loop in ’n bordenrek rust, er tegen aangezet. In het midden een tafel met ’n aangestoken lamp er op. Vivie’s boeken en schrijfgerei liggen op ’n tafel rechts van ’t raam, tegen den muur aan. De haard is rechts met ’n klein bankje er voor; er is geen vuur in. Twee van de stoelen zijn rechts en links van de tafel geplaatst.De entree-deur gaat open, waardoor men buiten ’n mooie sterrenlucht ziet, en mevrouw Warren gewikkeld in ’n shawl van Vivie, komt binnen, gevolgd door Frank. Ze heeft genoeg van wandelen en blaast ’n zucht van verlichting uit, terwijl zij de pennen uit haar hoed neemt, die daarna afzet, de pennen door den bol steekt en den hoed op tafel legt.
In de villa na donker. Naar ’t Oosten kijkend van binnen uit, in plaats van naar ’t Westen van buiten af, ziet men het raam met kleine ruitjes waarvoor de gordijnen zijn dichtgetrokken, nu midden in den voormuur van het villatje, met de entreedeur links er van. In den linkermuur is de deur, die naar den uitbouw leidt. Op den achtergrond tegen denzelfden muur is ’n klein plat buffet met ’n kaars en lucifers er op, en Franks geweer, waarvan de loop in ’n bordenrek rust, er tegen aangezet. In het midden een tafel met ’n aangestoken lamp er op. Vivie’s boeken en schrijfgerei liggen op ’n tafel rechts van ’t raam, tegen den muur aan. De haard is rechts met ’n klein bankje er voor; er is geen vuur in. Twee van de stoelen zijn rechts en links van de tafel geplaatst.
De entree-deur gaat open, waardoor men buiten ’n mooie sterrenlucht ziet, en mevrouw Warren gewikkeld in ’n shawl van Vivie, komt binnen, gevolgd door Frank. Ze heeft genoeg van wandelen en blaast ’n zucht van verlichting uit, terwijl zij de pennen uit haar hoed neemt, die daarna afzet, de pennen door den bol steekt en den hoed op tafel legt.
Mevr. Warren.O Heere! Ik weet niet wàt ’t ergste is van ’t buiten zijn; het wandelen of ’t thuiszitten zonder iets uit te voeren. Ik zou nou veel geven voor ’n whisky met spuitwater, als er zoo iets maar te krijgen was in dit gat.Frank(helpt haar om haar shawl af te doen en geeft onder de hand haar schouders eventjes ’n lichte liefkoozing). Misschien heeft Vivie wel wat.Mevr. Warren(keert zich om en kijkt even naar hem van uit den hoek van haar oog, als ze het kneepje voelt). Gekheid! Wat zou ’n jong meisje als zij daarmee doen.—Enfin, komt er niet op aan. (Ze valt vermoeid neer op ’n stoel bij de tafel). Ik begrijp niet hoe ze haar tijd hier zoek brengt. Ik zou veel liever in Weenen zitten.Frank.Laat mij u daar mee naar toenemen. (Hij vouwt de shawl netjes op, hangt die over den rug van den anderen stoel en gaat tegenover haar zitten).Mevr. Warren.Loop heen! Bij jou is ’t geloof ik ook: ’n aardje naar z’n vaartje.Frank.Precies de oude heer, hè?Mevr. Warren.Houd je daar buiten. Wat weet je van die dingen af? Je bent nog maar ’n kuiken.Frank.Toe, ga met me mee naar Weenen. ’t Zou zoo allemachtig leuk zijn.Mevr. Warren.Dank je wel. Weenen is geen plaats voor jou, tenminste niet vòòr je wat ouder bent. (Zij knikt tegen hem om kracht bij te zetten aan deze raadgeving. Hij zet ’n kwasi-droevig gezicht, terwijl z’n oogen lachen. Zij kijkt hem aan, staat dan op en komt naar hem toe). Kijk ’ns hier, kleine vent—(neemt z’n gezicht en licht ’t op). Ik ken je van haver tot gort door de gelijkenis met je vader, beter dan jij jezelf kent. Haal je nou, wat mìj betreft, geen dwaze ideeën in je kop, versta je?Frank(haar galant ’t hof makend met z’n stem). Kan ’t niet helpen, lieve mevrouw Warren, ’t zit in ’t bloed. (Zij doet alsof ze hem om z’n ooren wil slaan; kijkt dan, ’n oogenblik in verzoeking gebracht, naar ’t lachende, aardige, naar haar toegewende gezicht;—ten slotte kust ze hem en wendt zich onmiddellijk af, knorrig op zichzelf).Mevr. Warren.Daar! Dat had ik niet moeten doen. Ik bèn ook slecht.—Neem er maar geen notitie van jongenlief, ’t was maar ’n moederlijke zoen. Ga heen en flirt met Vivie.Frank.Dat doe ik al.Mevr. Warren(keert zich haastig naar hem toe met ’n scherpen toon van angst in haar stem). Wat?Frank.Vivie en ik zijn dikke vrinden.Mevr. Warren.Wat meen je daarmee? Hoor ès; ik duld niet, dat eenige kwajongen scharrelt met mijn kleine meid. Begrepen? Dat wil ik nièt hebben.Frank(in ’t minst niet beschaamd). M’n beste mevrouw Warren, wees toch niet zoo ontdaan. Ik heb eerlijke bedoelingen, zoo eerlijk mogelijk. En jouw kleine meid is best in staat om op zich zelf te passen. Je hoeft haar lang niet zoo onder ’n stolpje te zetten als haar moeder. Ze is niet zoo mooi, weet je.Mevr. Warren(perplext van z’n zekerheid). Nou, jij hebt ook ’n flinke, aardige, twee-duim-dikke-laag brutaligheid over je. Van wièn je ’t hebt weet ik niet,—van je vader zeker niet. (Stemmen en voetstappen bij den ingang). Sst! Ik hoor de anderen binnen komen. (Zij gaat haastig zitten). Onthoud ’t nou; je bent gewaarschuwd (De eerwaarde Samuel komt binnen gevolgd door Crofts). Zoo, wat hebben jullie uitgevoerd? En waar zijn Praeddie en Vivie?Crofts(zet zijn hoed op het bankje en z’n stok in den hoek van den schoorsteen). Zij zijn den heuvel opgegaan. En wij ’t dorp in. Ik had ’n hartversterking noodig. (Hij gaat op de bank zitten).Mevr. Warren.Nou, ze moest er niet zoo van doorgaan, zonder me iets te zeggen (tot Frank). Krijg’n stoel voor je vader; waar zijn je manieren? (Frank springt op en biedt z’n vader op hoffelijke wijze een stoel aan. Krijgt dan ’n andere van den muur vandaan en gaat midden aan de tafel zitten, met z’n vader rechts en mevrouw Warren links van hem). George, waar zul jij van nacht blijven? Hier kunnen wij je niet bergen. En wat zal Praeddie doen?Crofts.Gardner brengt me onder dak.Mevr. Warren.O natuurlijk. Jij zult wel voor jezelf gezorgd hebben. Maar waar blijft Praeddie?Crofts.’k Weet niet. Ik veronderstel, dat hij in ’t logement kan slapen.Mevr. Warren.Heb jij geen plaats voor hem, Sam?Dominé.Wel... è... als dominé hier weet je, ben ik niet vrij om te doen wat ik precies wil... è... Wat is Praed z’n maatschappelijke positie?Mevr. Warren.O, laat dat maar loopen; hij is ’n architect. Wat ’n oude sok ben je toch, Sam.Frank.Ja, dat ’s in orde, oude heer. Hij heeft dat ding gebouwd, daar in Monmouthshire voor den hertog van Beaufort. Tintern Abbey heet ’t. Je zult er wel van gehoord hebben. (Hij wenkt mevr. Warren toe met bliksemsnelle behendigheid en ziet z’n vader onschuldig aan).Dominé.O, in dat geval zal ’t ons natuurlijk zeer aangenaam wezen. Ik vermoed, dat hij den hertog van Beaufort persoonlijk kent?Frank.O... heel intiem zelfs! We kunnen hem in Georgina’s oude kamer plakken.Mevr. Warren.Zoo, dat is dus afgesproken. Als nou die twee maar wouen komen en wij ons soupé konden hebben. ’t Komt niet te pas, om zoo lang na donker uit te blijven.Crofts(ruziemakerig). Wat voor kwaad doen ze je?Mevr. Warren.Kwaad of niet, ’t bevalt me niet.Frank.U doet beter met niet op hen te wachten, mevrouw Warren. Praed zal zoo lang mogelijk uitblijven. Hij heeft nooit geweten, wat ’t zeggen wil om op ’n zomernacht over de hei te dwalen met mijn Vivie.Crofts(gaat ontsteld overeind zitten). Zeg is even...!Dominé(uit z’n professionneele manieren opgeschrikt tot echte kracht en ernst). Frank, eens en voor al, dat is buiten de kwestie. Mevrouw Warren zal je vertellen, dat daar niet aan te denken valt.Crofts.Natuurlijk niet.Frank(met innemende kalmte). Is dat zoo, mevrouw Warren?Mevr. Warren(nadenkend). Wel, ik weet ’t niet, Sam. Als ’t kind wil trouwen, kan er geen goed van komen om haar òngetrouwd te laten.Dominé(perplext). Maar getrouwd met hèm! Jouw dochter metmijnzoon. Denk dan toch eens: dat is onmogelijk.Crofts.Natuurlijk is ’t onmogelijk. Wees niet mal, Kitty.Mevr. Warren(geprikkeld). Waarom niet? Is mijn dochter niet goed genoeg voor jouw zoon?Dominé.Maar waarlijk, beste mevrouw Warren, je weet toch de reden....Mevr. Warren(uitdagend). Ik weèt van geen reden. Als jìj er een weet, kun je hem aan den jongen vertellen, of aan haàr, of aan je gemeente, als je wilt.Dominé(hulpeloos). Je weet heel goed, dat ik niemand de reden vertellen kan. Maar m’n jongen zal me wel gelooven, als ik hem zeg, dát er redenenzijn.Frank.Zeker oude, dat zal hij. Maar heeft jouw jongen zich ooit laten leiden door jouw redenen?Crofts.Je kùnt haar niet trouwen, en daarmeeuit. (Hij staat op en gaat voor den haard staan, met z’n rug er naar toe, beslist wenkbrauwfronsend).Mevr. Warren(zich vinnig naar hem omkeerend). Wat heb jij er mee te maken, zeg?Frank(met z’n liefelijksten lyrischen stemval). Juist watiku wou vragen op m’n eigen, beminnelijke manier.Crofts(tot mevr. Warren). Ik vermoed, dat je je dochter niet verlangt te laten trouwen met ’n man jonger dan zij,—zonder ’n beroep, of ’n duit geld om haar te onderhouden. Vraag ’t Sam, als je mij niet wilt gelooven (tot den dominé). Hoeveel geld denk je hem mee te geven?Dominé.Geen cent. Hij heeft z’n erfdeel al gehad en het laatste ervan opgemaakt in Juli. (Mevrouw Warren’s gezicht betrekt).Crofts(haar observeerend). Heb ik ’t je niet gezegd? (Hij herneemt z’n plaats op de bank en zet z’n beenen weer op de zitting, alsof nu voor goed met ’t onderwerp is afgedaan).Frank(beklaaglijk). Dat is nou echt kruieniersachtig. Denk je, dat juffrouw Warren om geld wil trouwen? Alswijvan elkaar houden....Mevr. Warren.Wel bedankt. Je liefde is ’n aardig, goedkoop artikel, jongenlief. Als jij niet de middelen hebt om ’n vrouw te onderhouden, dan is de zaak beslist; dan krijg je Vivieniet.Frank(hoogelijk geamuseerd). Wat zeg jij er van oude heer, hè?Dominé.Ik ben ’t met mevrouw Warren eens.Frank.En die goeie, oude Crofts heeft z’n meening al gezegd.Crofts(wendt zich boos om op z’n elboog). Hoor ’ns: ik ben niet gediend van jouw onbeschaamdheid.Frank(gevat). ’t Spijt me verbazend, dat ik jeonaangenaam ben Crofts,—maar jij permitteerde jezelf daarnet de vrijheid om als ’n vader tegen me te spreken. Eén vader is genoeg, wel bedankt hoor.Crofts(verachtelijk). Phoe! (Hij draait zich weer om).Frank(opstaand). Mevrouw Warren,—ik kan geen afstand doen van Vivie, zelfs niet ter wille van u.Mevr. Warren(mompelend). Zoo’n kwajongen!Frank.En daar u ongetwijfeld van plan bent om andere vooruitzichten voor haar te openen, zal ik geen tijd verliezen met m’n zaak bij haar te bepleiten. (Zij staren allemaal naar hem, en hij begint op bekoorlijke wijze te declameeren):“Of wel hij vreest zijn lot te zeer,Of acht zijn waarde kleen,Wie niet den worp waagt: op òf neer,Zijn àl op éénen steen!”(De voordeur wordt geopend, terwijl hij reciteert en Vivie en Praed komen binnen. Hij houdt op. Praed legt z’n hoed op ’t buffetje. Er is onmiddellijk ’n verbetering merkbaar in de manieren van het gezelschap. Crofts neemt z’n beenen van de bank af en gaat overeind zitten, als Praed zich bij hem voegt bij den haard. Mevrouw Warren verliest haar losheid van manieren en verschuilt zich in knorrigheid).Mevr. Warren.Waar ter wereld ben je geweest, Vivie?Vivie(neemt haar hoed af en gooit hem achteloos op tafel). Den heuvel op.Mevr. Warren.Nou, je behoorde niet zoo weg te loopen, zonder me iets te laten zeggen. Hoe kon ik weten, wat er van je geworden was, en dat nogal bijna in den nacht!Vivie(gaat naar de deur van de binnenkamer enopent die zonder op haar moeder te letten). En nu ’t soupé!—Ik ben bang, dat we hier nogal opgepropt zullen zitten.Mevr. Warren.Hoorde je niet, wat ik zei, Vivie?Vivie(kalm). Ja moeder. (Weer terugkomend op de moeielijkheid van ’t soupé) Met de hoevelen zijn we? (tellende). Een, twee, drie, vier, vijf, zes.... Wel, twee zullen er moeten wachten tot de rest klaar is. Juffrouw Alison heeft maar borden en messen voor vier.Praed.O, voor mij komt ’t er niet opaan. Ik....Vivie.U hebt ’n lange wandeling gemaakt en u hebt honger, mijnheer Praed; u zult dàdelijk soupeeren. ’t Is noodig, dat er een met me wacht. Frank, heb jij honger?Frank.In ’t minst niet;—absoluut geen trek zelfs.Mevr. Warren.En jij ook niet George. Jij kan wachten.Crofts.Och, loop heen. Ik heb niets gegeten sinds theetijd. Kan Sam ’t niet doen?Frank.Wou u m’n arme vader laten verhongeren?Dominé(knorrig). Sta me toe voor me zelf te spreken, jongmensch.Vivie(beslist). Dat hoeft niet. Er zijn er maar twee noodig. (Ze opent de deur naar de binnenkamer). Wilt u m’n moeder mee naar binnen nemen, mijnheer Gardner? (de dominé geleidt mevrouw Warren en gaat met haar naar de andere kamer. Praed en Crofts volgen. Allen, behalve Praed, zijn blijkbaar weinig ingenomen met deze schikking, maar weten niet hoe er zich tegen te verzetten. Vivie blijft bij de deur staan en kijkt naar hen). Kunt u u doorpersen tot aan dien hoek, mijnheer Praed,—’t past maar net aan. Pas op voor uw jas tegen de gewitte muur,—mooi zoo. Zit u nu allemaal goed?Praed(van binnen af). Heel goed, dank u.Mevr. Warren(van binnen af). Laat de deur open, liefje. (Frank kijkt naar Vivie, sluipt dan naar de buitendeur en zet die zachtjes wijd open). O Heere, wat ’n tocht! Doe hem toch maar liever dicht, kind. (Vivie sluit de deur dadelijk, Frank sluit zachtjes de buitendeur).Frank(juichend). Ha! Ze kwijtgeraakt! Vivie, wat vind je van m’n ouden heer?Vivie(gepreoccupeerd en ernstig). Ik heb hem ternauwernood gesproken. Hij geeft me niet den indruk van ’n bizonder intelligent man.Frank.Och, weet je, de oude is, over ’t geheel genomen, niet zòò dwaas als hij er uitziet. Je moet denken, hij is nou eenmaal dominé hier, en doordat hij ’t ook wil schijnen, stelt hij zich veel stommer aan dan hij eigenlijk is. Nee, de oude heer is zoo kwaad niet, en ik heb volstrekt ’t land zoo niet aan hem als je misschien zou denken. Hij meent ’t goed. Hoe denk je, dat je met hem op zult schieten?Vivie(bijtend sarcastisch). Ik geloof niet, dat hij ’n groote plaats in m’n toekomstig leven zal innemen, noch een van m’n moeders ouden kring, behalve Praed misschien. Wat denk jij van m’n moeder?Frank.Eerlijk en oprecht?Vivie.Ja, eerlijk en oprecht.Frank.Wel, ze is allemachtig leuk.—Maar ’t is me er eentje, niet? En Crofts. Groote goden, die Crofts!Vivie.Wat ’n troep, Frank!Frank.Wat ’n zootje!Vivie(met de diepste verachting voor hen). Als ik dacht, dat ik zòò was, dat ik ’n doorbrengster zou worden, die doelloos haar tijd verslabakt van den eenen maaltijd tot den anderen, zonder karakteren zonder pit in me,—dan zou ik me ’n aâr openen en me dood laten bloeden, zonder ’n oogenblik aarzelen.Frank.Welnee, dat zou je niet. Waarom zouden zij aan den zwoeg gaan, als ze ’t niet hoèven te doen? Ik wou, dat ìk zoo gelukkig was. Nee, waar ik op tegen heb, dat zijn hun manieren. ’t Is niet de leeglooperij zelf. Hun manieren zijn schunnig, echt ordinair.Vivie.Geloof je, dat jouw manieren ’n haar beter zullen wezen, als je zoo oud zult zijn als Crofts,—wanneer je niet werkt?Frank.Natuurlijk geloof ik dat,—oneindig veel beter. Vivums moet niet preeken; haar kleine jongen is onverbeterlijk. (Hij tracht haar gezicht liefkoozend tusschen z’n handen te nemen).Vivie.Weg er mee! Vivums is niet in de stemming om haar jongentje te vertroetelen.Frank.Hoe onvriendelijk!Vivie(stampend). Wees ernstig.Ikben ernstig.Frank.Goed. Laten we geleerd spreken. Juffrouw Warren, weet u wel, dat al de meest liberale denkers hièrin overeenstemmen, dat de helft van de ziekten der moderne beschaving moeten toegeschreven worden aan verhongering der affecties in de jeugd? Ik nu...Vivie(hem kortaf onderbrekend).Je wordt vervelend. (Zij opent de binnendeur.) Is er nog plaats voor Frank? Hij klaagt dat hij verhongert.Mevr. Warren(van binnenaf). Zeker is er. (Gekletter van messen en glazen, als zij die op tafel verschuift). Hier, er is nù plaats naast mij. Kom, Frank!Frank(zachtjes tot Vivie als hij gaat). D’r kleine jongen zal dit z’n Vivums goed betaald zetten. (Hij gaat de andere kamer binnen).Mevr. Warren(van binnenuit). Hier Vivie, kom jij ook binnen, kind. Je zult wel uitgehongerd zijn. (Zij komt binnen, gevolgd door Crofts, die de deur voor Vivie openhoudt met kennelijk ontzag. Zij gaat heen zonder hem aan te zien en hij sluit de deur achter haar). Wel George, jij kunt nog niet klaar zijn. Je hebt niks gegeten.George.O, ik had alleen maar trek om wat te drinken. (Hij steekt z’n handen in z’n zakken en begint door de kamer te draaien, onrustig en stuursch).Mevr. Warren.Nou, ik hoû er van om genoeg te krijgen,—maar met wat koud vleesch, met sla en kaas, kom je al ’n heel eind. (Met ’n zucht van slechts halve verzadiging gaat ze lui neerzitten bij de tafel).Crofts.Waarom blijf je die snotneus aanmoedigen?Mevr. Warren(dadelijk op haar qui-vive). Hoor is George: wat wìl je nou met m’n dochter? Ik heb gezien op wat voor manier je haar aankijkt. Weet wel: ik ken je en ik weet wat je blikken beteekenen.Crofts.’t Kan toch geen kwaad om naar d’r te kijken, wel?Mevr. Warren.Ik zou je heel gauw de deur uitzetten en naar Londen terugsturen als ik iets van jouw onzin in de gaten kreeg. Mijn dochters pink is me meer waard dan jouw heele lichaam en ziel. (Crofts hoort dit aan met ’n grijns. Mevrouw Warren, even blozend door haar onmacht om indruk op hem te maken als ’n theatrale moeder vol toewijding, voegt er zachtjes aan toe): Wees maar gerust, de jonge snotneus heeft niet meer kans dan jij.Crofts.Mag ’n man zich dan niet voor ’n meisje interesseeren?Mevr. Warren.Niet ’n man als jij.Crofts.Hoe oud is ze?Mevr. Warren.Dat gaat je niet an.Crofts.Waarom maak je daar zoo’n geheim van?Mevr. Warren.Omdat ik ’t verkies.Crofts.Nou, ik ben nog geen vijftig. En m’n bezittingen zijn in zoo’n goeien staat als ooit....Mevr. Warren(hem in de rede vallend). Ja, omdat je even gierig als gemeen bent.Crofts(vervolgend). En ’n jonkheer is niet iederen dag te krijgen. Niet één andere man in mijn positie zou genoegen nemen met ’n schoonmoeder als jij. Waarom zou ze me niet trouwen?Mevr. Warren.Jou?Crofts.We zouden met z’n drieën lekkertjes kunnen leven. Ik zou vòòr haar sterven en haar achterlaten als ’n zwierig weeuwtje met overvloed van geld. Waarom niet? De gedachte daaraan is aldoor sterker in me geworden, terwijl ik met dien gek van daarbinnen liep te wandelen.Mevr. Warren(in opstand komend). Ja, juist ’t soort van gedachte om in joù op te komen. (Hij houdt op met rondsluipen en de twee kijken elkaar aan; zij vast, met ’n zekeren angst verscholen achter haar verachting en afschuw, hij heimelijk met ’n zinnelijken grijns en oogenglimp, waarmee hij haar tracht te verlokken).Crofts(wordt plotseling bezorgd en dringend, als hij geen teeken van sympathie bij haar ziet). Hoor ’is Kitty, je bent ’n verstandige vrouw, stel je nou niet braaf an.—Ik zal niet meer vragen en jij hoeft niet meer te antwoorden. Ik zal m’n heele bezitting op haar vastzetten. En als jij op den huwelijksdag voor jezelf ’n wissel verlangt, dan kun je de som noemen, die jezelf wilt,—altijd in ’t redelijke.Mevr. Warren.Bah! Daartoe is ’t dus met jegekomen, George, net als met alle andere afgesjouwde ouwe kerels.Crofts(woest). Verdomd! (Zij staat op en keert zich heftig naar hem toe,—maar de deur van de binnenkamer wordt dan juist geopend en men hoort de stemmen van de anderen, die terugkomen. Crofts, niet in staat zich te beheerschen, snelt naar buiten. De dominé komt terug).De Dominé(rondkijkend). Waar is Jhr. George?Mevr. Warren.Naar buiten gegaan om z’n pijp te rooken. (Zij gaat naar den haard, met haar rug naar hem toe, om tot bedaren te komen. De dominé gaat naar de tafel om z’n hoed te krijgen. Onderwijl komt Vivie binnen, gevolgd door Frank, die met ’n vertoon van diepe uitputting in den meest nabijzijnden stoel neervalt. Mevrouw Warren kijkt rond naar Vivie en zegt met haar affectatie van moederlijke bezorgdheid nog gemaakter dan gewoonlijk). Wel lieverd, heb je lekker gesoupeerd?Vivie.U weet wat juffrouw Alisons soupé’s waard zijn! (Zij keert zich tot Frank en troetelt hem). Arme Frank, was al ’t vleesch dan op? Heeft hij niets gehad dan brood en kaas en gemberbier? (weer ernstig, alsof ze al genoeg gekheid heeft gemaakt voor één avond). Haar boter is heusch afschuwelijk. Ik moet wat boter van Londen laten komen.Frank.Doe dat in ’s hemelsnaam. (Vivie gaat naar de schrijftafel en noteert de bestelling van de boter. Praed komt binnen van de andere kamer,—z’n zakdoek opvouwend, die hij als servet gebruikt had).Dominé.Frank, m’n jongen, ’t is tijd voor ons om naar huis te gaan. Je moeder weet nog niet, dat we gasten krijgen.Praed.Ik ben bang, dat we moeite zullen geven.Frank.In ’t minst niet, Praed; m’n moeder zal ’t heerlijk vinden om kennis met je te maken. Ze is ’n echt intellectueele, artistieke vrouw, en ziet hier niemand van ’t begin tot ’t eind van het jaar behalve den ouden heer. Je kunt je dus voorstellen hoe suf dat voor haar is (tot den dominé). Jij bent niet intellectueel of artistiek, wel piepa? Neem Praed dus dadelijk mee naar huis; dan zal ik hier blijven om mevrouw Warren gezelschap te houden. Je zult Crofts in den tuin vinden. Hij zal uitstekend gezelschap zijn voor onzen jongen bulhond.Praed(neemt z’n hoed van het buffetje en komt dicht naar Frank toe). Kom met ons mee, Frank. Mevrouw Warren heeft juffrouw Vivie in zoo lang niet gezien en tot nu toe hebben wij ze belet om maar ’n oogenblik samen te zijn.Frank (geheel verteederd, kijkt op naar Praed met romantische bewondering). Natuurlijk, dat vergat ik. Wel bedankt voor je vermaning. Bent ’n echte gentleman, Praeddie. Altijd geweest—m’n levensideaal! (Hij staat op om te gaan, maar blijft ’n oogenblik staan tusschen de twee oude heeren en legt z’n hand op Praeds schouder). Och, als jij maar m’n vader was geweest, inplaats van dezen onwaardigen, ouden man! (Hij legt z’n andere hand op z’n vaders schouder).Dominé(lawaaiig). Zwijg jongmensch, zwijg; je bent profaan.Mevr. Warren(lacht hartelijk). Je moest hem beter in toom houden, Sam. Goeie nacht. Hier, geef George z’n hoed en stok met m’n complimenten.Dominé(ze aannemend). Goeien nacht. (Zij geven elkaar de hand. Als hij langs Vivie gaat, geeft hij die ook de hand en zegt haar goeden nacht. Daarna, bulderend commandeerend tot Frank): Komaan jongmensch,vlug wat. (Hij gaat heen. Frank heeft onderwijl z’n pet van de aanrecht genomen en z’n geweer uit het rek. Praed geeft mevrouw Warren en Vivie de hand en gaat heen,—mevrouw Warren begeleidt hem op haar gemak en kijkt hem achterna door den tuin. Frank bedelt stilletjes om ’n kus van Vivie, maar zij zendt hem weg met ’n strengen blik, neemt dan ’n paar boeken en wat papier van de schrijftafel en gaat er mee zitten aan de tafel, in ’t midden, om het schijnsel van de lamp te hebben).Frank(bij de deur, vat mevrouw Warrens hand). Goeie nacht, liève mevrouw Warren. (Hij knijpt haar hand. Zij trekt die haastig weg, klemt haar lippen samen en ziet er meer dan half geneigd uit om hem om z’n ooren te slaan. Hij lacht ondeugend en rent weg, de deur achter zich toeslaand).Mevr. Warren(keert terug naar haar plaats aan de tafel, tegenover Vivie, blijkbaar berustend in ’t vooruitzicht van ’n vervelenden avond, na het vertrek van de heeren). Heb je ooit in je leven iemand zòò hooren kakelen? (zij gaat zitten). Wat ’n plaag is ’t-ie, hè? Nou ik er aan denk liefje, moedig jij hem niet an, hoor. Ik ben zeker, dat hij ’n echte deugniet is.Vivie.Ja, ik ben wel bang, dat hij ’n echte deugnietis. Ik zal hem moeten zien kwijt te raken. Maar ’t zal me erg voor hem spijten, al is hij ’t niet waard, de arme jongen.—Die Crofts schijnt me ook niet veel zaaks te zijn, wel?Mevr. Warren(gekwetst door haar toon). Wat weet jij van de mannen af, kind, om op die manier over ze te praten? Je kunt je er op voorbereiden om Jhr. George hier dikwijls te zien,—omdat hij ’n vrind van me is.Vivie(volmaakt koel). Waarom? Verwacht u, dat we veel samen zullen zijn,—u en ik, meen ik?Mevr. Warren(haar aanstarend). Natuurlijk, totdat je getrouwd bent. Je gaat niet meer naar je colleges terug.Vivie.Gelooft u dan, dat mijn manier van leven u zou bevallen? Ik betwijfel het.Mevr. Warren.Jouw manier van leven? Wat meen je?Vivie(terwijl zij ’n pagina van haar boek opensnijdt met het vouwbeen van haar chatelaine). Is ’t heusch nooit bij u opgekomen, moeder, dat ik ’n manier van leven heb zoo goed als andere menschen?Mevr. Warren.Wat ’n onzin probeer je nou te praten! Wil je me soms je onafhankelijkheid toonen, omdat je nou op school ’n persoontje van belang bent geworden? Wees niet mal, kind.Vivie(op toegevenden toon). Is dat alles wat u over het onderwerp te zeggen hebt, moeder?Mevr. Warren(verbijsterd, daarna boos). Ga nou niet door me zoo te ondervragen (heftig). Hoû je mond. (Vivie gaat door met haar werk, zonder tijd te verliezen of iets te zeggen). Jij met je manier van leven! Wat nog meer? (Zij kijkt naar Vivie; geen antwoord). Jouw manier van leven zal zijn wat mij bevalt;—dàt zal-die (weer ’n pauze). Ik heb die pretenties van je al opgelet, van af dat je die tripos gekregen hebt, of hoe dat examen heeten mag.—Als je denkt, dat ik daarmee genoegen neem, dan vergis je je, en hoe eerder je dat merkt, des te beter (pruttelend). Al wat ìk er over te zeggen heb,—wel zeker! (weer haar stem verheffend, boos).Weet je wel, tegen wie je spreekt, juffertje?Vivie(haar aankijkend, zonder haar hoofd van haar boek op te heffen). Nee. Wie bent u? Wàt bent u?Mevr. Warren(staat ademloos op). Jouw brutaal nest!Vivie.Iedereen kent mìjn reputatie, mìjn maatschappelijke positie en het beroep, dat ik wil volgen. Ik daarentegen weet niets van u af. Wat is dat soort van leven, dat u verlangt, dat ik deelen zal met u en Jhr. George?Mevr. Warren.Pas op! Ik zal iets doen, waar ik later spijt van zal hebben, en jij ook.Vivie(haar boek op zij schuivend met koele beslistheid). Wel, laten we dan ’t onderwerp laten rusten, tot u ’t beter aan zult durven (bekijkt haar moeder kritisch). U moet eens flink wandelen en tennissen om weer op streek te komen. U bent in ’n allertreurigste conditie; u was vandaag niet eens in staat om twintig meter te klimmen zonder te hijgen;—en uw polsen zijn net rolletjes vet. Kijk de mijne eens (zij steekt haar polsen uit).Mevr. Warren(ziet haar eerst hulpeloos aan, begint dan te huilen). Vivie....Vivie(springt haastig op). Begin nou asjeblieft niet te huilen. Alles liever dan dat. Ik kan wezenlijk geen gegrien verdragen. Als u dat doet, zal ik de kamer uitgaan.Mevr. Warren(beklaaglijk). O m’n lieveling, hoe kàn je zoo hard tegen me zijn? Heb ik dan geen rechten op je als moeder?Vivie.Bènt u m’n moeder?Mevr. Warren(hevig ontdaan). Bèn ik je moeder! O Vivie!Vivie.Waar zijn dan m’n bloedverwanten, m’n vader—onze familievrienden? U eischt de rechten van ’n moeder; het recht om me ’n dwaas en ’n kind te noemen, om tegen me te spreken, zooals niet één vrouw, die boven me stond op school, ooittegen me durfde te spreken,—om me een levenswijs voor te schrijven en me de kennismaking op te dringen van ’n vent, van wien iedereen kan zien, dat hij tot het gemeenste soort van viveurs behoort. Vòòr ik mezelf nu de moeite geef om me tegen die eischen te verzetten, doe ik, dunkt me, beter, er eerst achter te komen of ze eenig recht van bestaan hebben.Mevr. Warren(op haar knieën neervallend). O nee, nee, hoû op, hou op! Ik bèn je moeder, ik zweer het! O je zult je toch niet tègen me willen keeren,—m’n eigen kind;—’t is niet natuurlijk! Je gelooft me, niet waar? Zeg dat je me gelooft?Vivie.Wie was m’n vader?Mevr. Warren.Je weet niet wat je vraagt. Dat kan ik je niet vertellen.Vivie(beslist). O ja, dat kunt u wel, als u wilt. Ik heb ’t recht dat te weten.—En u weet heel goed, dat ik dat recht hèb. U kunt weigeren om ’t me te zeggen, als u verkiest,—maar àls u dat doet, zult u me morgenochtend voor ’t laatst gezien hebben.Mevr. Warren.O, ’t is vreeselijk je zòò te hooren praten. Je zoudt me niet.... je kùnt me niet verlaten.Vivie(meedoogenloos). Ja, zonder ’n oogenblik te aarzelen, als u me op dàt punt aan ’t lijntje blijft houden (rillend van afschuw). Hoe kan ik zeker zijn, dat ik niet ’t bedorven bloed van dien gemeenen doorbrenger in m’n lichaam heb?Mevr. Warren.Nee, nee. Ik zweer je, dat hij ’t niet is, zoomin als een van de andere die je ontmoet hebt. Daàrvan tenminste ben ik zeker. (Vivie’s oogen vestigen zich streng op haar moeder als de beteekenis hiervan voor haar opgaat).Vivie(langzaam). “Daarvan tenminste bent u zeker.” Ah! U meent, dat dàt ’t eenige is, waar u zeker van bent (peinzend). Ik begrijp ’t. (Mevrouw Warren verbergt haar gezicht in haar handen). Doe dat niet moeder;—u weet, dat u ’t volstrekt zoo niet voelt. (Mevrouw Warren neemt haar handen weg en kijkt droevig op naar Vivie, die haar horloge uithaalt en zegt) Nu, dat is genoeg voor van avond.—Hoe laat wilt u ontbijten? Is half negen te vroeg voor u?Mevr. Warren(verbijsterd). M’n God, wat voor soort van vrouw ben je?Vivie(koel). Van ’t soort, waar de wereld voor ’t meerendeel uit bestaat, hoop ik. Anders begrijp ik niet hoe ze d’r werk gedaan zou krijgen. Kom, (vat haar moeder bij de polsen en trekt haar op;—met beslistheid) ’n beetje flink nu. Zoo is ’t goed.Mevr. Warren(knorrig). Je bent erg ruw tegen me, Vivie.Vivie.Gekheid. Wat denkt u van naar bed gaan? ’t Is over tienen.Mevr. Warren(hartstochtelijk). Wat geeft ’t of ik naar bed ga. Denk je, dat ik zou kunnen slapen?Vivie.Waarom niet? Ik wel.Mevr. Warren.Jij! Je hebt geen hart! (plotseling barst zij heftig los in haar eigen spraak: het dialect van ’n vrouw uit het volk,—al haar affectaties van moederlijk gezag en conventioneele manieren verdwenen, en met ’n overstelpende inspiratie van echte overtuiging en toorn). O, ik verdraàg ’t niet langer! Ik bedank voor die onrechtvaardigheid! Wat voor recht heb jij om je zoo boven me te plaatsen? Je bluft tegen me op wat je bent, tegen mij, die je in staat heb gesteld om te wòrden wat je bent. Welke kans had ik? Je moest je schamen om zoo’n slechte dochter en ingebeelde preutsche juf te zijn!Vivie(koel en beslist, maar niet langer met zelfvertrouwen, want haar antwoorden, die haar tot dusver overtuigend verstandig en krachtig hebben toegeschenen, beginnen nu tamelijk houterig en pedant te klinken tegenover den nieuwen toon van haar moeder). Geloof u geen oogenblik, dat ik me op eenigerlei wijs boven u plaats. U viel me aan met het conventioneele gezag van ’n moeder, en ìk verdedigde me met de conventioneele meerderheid van ’n fatsoenlijke vrouw. Ronduit gezegd, ben ik niet van plan, om iets van uw onzin te verdragen, en wanneer ù die laat schieten, verlang ik niet van u, dat u iets van de mijne verdraagt.—Ik zal altijd eerbiedigen het recht dat u hebt op uw eigen meeningen en uw eigen manier van leven.Mevr. Warren.M’n eigen meeningen en m’n eigen manier van leven! Hoor d’r is an!—Denk je, dat ik groot ben gebracht als jij,—in staat om m’n eigen manier van leven te zoeken en te kiezen? Denk je, dat ik deê, wàt ik deê, omdat ik ’t prettig of goed vond, of dat ik niet liever na school zou zijn gegaan en ’n dametje geweest zijn, as ik er kans toe gezien had?Vivie.Ieder mensch heeft eènige keus, moeder. De armste meid ter wereld mag niet in staat zijn om te kiezen of ze koningin van Engeland of hoofd van ’n school wil worden, maar ze kan wèl kiezen tusschen lompen uitzoeken en bloemen verkoopen, alnaar dat haar smaak is. De menschen geven altijd de schuld aan de omstandigheden voor wat ze zijn. Ik geloof niet aan de omstandigheden. De menschen, die vooruit komen in de wereld, zijn de menschen die opstaan en uitkijken naar de omstandigheden die ze noodig hebben,—en vinden ze die niet, danmakenzij ze.Mevr. Warren.O, praten is makkelijk, heel gemakkelijk, hè? Nou! Wil je weten wat mijn omstandigheden waren?Vivie.Ja, ’t is beter, dat u ’t me vertelt. Wilt u niet gaan zitten?Mevr. Warren.Ja, ik zàl gaan zitten; wees maar gerust. (Zij plant haar stoel meer naar voren neer met ijzeren energie en gaat zitten. Vivie komt, ondanks haarzelf, onder den indruk). Weet je wie je groomoe was?Vivie.Nee.Mevr. Warren.Nee, dat weet je niet. Ik wel. Ze noemde d’r eigen een weduwvrouw en ze had ’n winkel van gebakken visch ergens bij de Munt en daar onderhield ze d’r eigen en d’r vier dochters van. Twee van ons ware zusters, dat ware Lies en ik, en we zage d’r allebei goed uit, met knappe figure. Ik vermoed, dat onze vader ’n goedgevoede man was. Moeder beweerde, dat ’t een heer was, maar dà weet ik niet. De andere twee ware maar halfzusters: kleine, leelijke, magere, slovende, eerlijke onderkruipsels. Lies en ik zouen ze half vermoord hebben, als moeder òns niet half vermoord had, om onze handen van ze af te houden.Zijwaren de fatsoenlijken van ons. Nou, weet je wat ze kregen voor d’r fatsoen? De eene werkte in ’n loodwitfabriek,—12 uur daags voor 9 shilling in de week, totdat ze stierf an loodwitvergiftiging. Ze dacht, dat ze alleen maar d’r handen wat verlamd zou krijgen, maar ze ging er van dood. De ander werd ons altijd voorgehouden als ’n voorbeeld, omdat ze met ’n werkman van de rijkswerf trouwde en d’r kamer en d’r drie kinderen netjes en zuiver hield van 18 shilling in de week, totdat hij aan de drank raakte. Dat was de moeite waard om fatsoenlijk voor te zijn, niet?Vivie(nu pensief-aandachtig). Dachten u en uw zuster dat?Mevr. Warren.Lies niet, dat kan ik je vertellen, diè was wijzer. We gingen allebei na ’n kerkelijke school,—dat hoorde zoo bij de damesachtige manieren die we ons gaven om meer te zijn dan de kinderen, die niks wisten en nergens heengingen,—en daar bleven we, totdat Lies eens op ’n nacht wegliep en nooit terug kwam. Ik weet, dat de schooljuffrouw dacht, dat ik wel gauw d’r voorbeeld zou volgen,—want de dominé waarschuwde me aldoor, dat Lies zou eindigen met van Waterloo-brug af te springen.—Arme hals,—dat was àl wat hij er van wist! Maar ik had meer angst voor de loodwitfabriek dan voor de rivier, en dat zou jij ook gehad hebben in mijn plaats.—De dominé wist ’n betrekking voor me te krijgen, as bijhulp in de keuken van ’n afschaffersrestauratie, waar ze uitzonden met alles wat je hebben wou.—Toen ben ik kellnerin geworden en daarna ging ik an ’t buffet van ’t Waterloostation,—veertien uur per dag drank bedienen en glazen omwasschen voor 4 shillings in de week en de kost. Dat werd toen beschouwd as ’n groote vooruitgang voor me.—Nou, op ’n kouwe, ellendige nacht, toen ik zòò moe was, dat ik nauwelijks wakker kon blijven, wie denk je dat er binnen kwam voor ’n halve schotsche? Lizzie;—in ’n lange, bonte mantel, elegant en lekker, met ’n hoop goudstukke in d’r beurs!Vivie(grimmig). Tante Lizzie.Mevr. Warren.Ja, en ’n beste tante òok om te hebben. Ze woont nou in Winchester, vlak bij de kathedraal, een van de meest geziene dames dáar.—Ze begeleidt jonge meisjes naar ’t bal van de gouverneur,—asjeblieft hoor! Geen rivier voor Lies, dankje wel.—Jij doet me wat an Lies denken: ze was ’n eerste zakevrouw,—spaarde geld op van de beginne af,—liet nooit te veel zien wat ze was,—raakte nooit ’r hoofd kwijt, of liet ’n gelegenheid voorbijgaan.—Toen ze zag, dat ik knap op zou groeien, zei ze tegen me, zoo over de toonbank heen: “Wat doe jij hier, malle meid,—je gezondheid en je uiterlijk verwoesten voor ’n andermans profijt?” Lies was toen an ’t opsparen, om ’n huis voor d’r eigen te nemen, in Brussel, en ze dacht, dat we samen gauwer zouen sparen, dan ieder voor zich. Daarom leende ze me wat geld en hielp me aan de gang; en ik spaarde geregeld an en betaalde d’r eerst af en begon toen ’n zaak met haàr als deelgenoot. Waarom zou ik ’t nièt gedaan hebben? ’t Huis in Brussel was er een van de eerste rang,—’n heel wat beter plaats voor ’n vrouw, dan de fabriek, waar Annemie vergiftigd werd. Geen één van onze meisjes werd ooit behandeld zoo als ik behandeld werd in de bijkeuken van die afschaffersboel, of as an ’t buffet,—of as thuis: Had je gewild dat ik daar was gebleven en ’n afgewerkte ouwe sloof was geworden vòòr m’n 40ste jaar?Vivie(nu geweldig geïnteresseerd). Nee, maar waarom koos u diè zaak. Met spaarzaamheid en goed beheer kun je elke zaak er boven op werken.Mevr. Warren.Ja, geld opsparen. Maar in welke zaak kàn ’n vrouw geld opspare? Zou jij kenne sparen van 4 shillings in de week en je d’r van kleeje ook? Jij niet. Natuurlijk, as je ’n dood gewoon mensch ben en niks anders kan verdienen, of as je idee heb in muziek of ’t tooneel, of krantegeschrijf,—dan is ’t iets anders. Maar zoomin Lies as ik hadden eenig benul van die dingen; alles wat wij hadden was ons uiterlijk en onze slag om de mannen in tepakken. Denk je, dat wij zulke gekken waren, om andere menschen zaken te laten doen met ònze mooie oogen, door òns te gebruiken as winkelmeisjes, of buffetjuffrouwen, of kellnerinnen, as wij zèlf er zaken mee konden doen en al ’t profijt in ònze zak steken, inplaats van hongerloonen?Wìjniet, hoor.Vivie.U was zeker volkomen gerechtvaardigd uit ’n zakenoogpunt.Mevr. Warren.Ja, en uit ieder ànder oogpunt ook. Waartoe wordt ieder fatsoenlijk meisje anders grootgebracht als om ’n rijke man in te palmen en het voordeel van z’n geld te hebben door hem te trouwen? Asof ’n huwelijksceremonie eenig verschil maakt in het goeie of het slechte van de zaak! O, de huichelarij van de wereld maakt me misselijk! Lies en ik hadden te werke en te spare en te berekene net zoo goed als andere menschen; anders zouen we nou even arm zijn als iedere nikswaardige dronken doorbrengster van ’n vrouw, die denkt dat d’r goeie tijd altijd zal duren (met groote energie). Ik veracht dat soort menschen;—ze hebben geen karakter. En as d’r iets is, dat ik haat in ’n vrouw, dan is ’t gebrek an karakter.Vivie.Kom nou, moeder, wees ’ns eerlijk! Is ’t niet voor ’n deel wat je noemt karakter in ’n vrouw, dat haar die afschuw moet geven van dèze manier van geld verdienen.Mevr. Warren.O natuurlijk. Iedereen vindt ’t onaangenaam om te moeten werken en geld te verdienen, maar d’r is geen keus. Waarachtig, ik weet wel, dat ik dikwijls genoeg meêlijen heb gehad met ’n arm meisje, dat moe was en landerig, als ze probeeren moest ’n man te amuseeren, om wie ze niks niemendal gaf—zoo’n halfdronken idioot, die denkt, dat ie zich aangenaam maakt wanneer hij ’n vrouwplaagt en lastig valt en half doet walgen, op ’n manier, die met geen gèld is goed te maken. Maar ze heeft die onaangename dingen nou eenmaal te verdrage, en ’t zoete zoowel as ’t zure te slikke, net even goed als ’n ziekenhuis-zuster of ieder ander. De hemel mag wete, dat ’t geen werk is, dat eenige vrouw voor d’r plezier zou doen, al zou je, as je de vromen hoort praten, denken dat ’t ’n bed van rozen was.Vivie.U beschouwt het toch als de moeite waard. Het betaalt.Mevr. Warren.Natuurlijk is ’t de moeite waard voor ’n arm meisje, dat d’r eigen niet weggooit en er goed uitziet en zich verstandig en netjes gedraagt. ’t Is oneindig beter dan eenige andere betrekking, die ze hebben kan. Ik heb altijd gevonden dat dat zoo niet moest zijn. ’t Kàn niet rechtvaardig zijn, Vivie, dat ’n vrouw geen betere kansen zou hebben. Ik blijf er bij: dat is verkeerd. Maar goed of verkeerd, ’t is eenmaal zoo, en ’n meisje moet ’t neme zooas ’t is. Maar natuurlijk is ’t niet de moeite waard voor ’n dame. Als jij die kant uitging, zou je dwaas zijn; maar ìk zou dwaas geweest zijn, as ik ’t nièt had gedaan.Vivie(meer en meer werkelijk ontroerd). Moeder, veronderstel eens, dat we allebei zoo arm waren als ù was in die ellendige dagen van vroeger, bent u zeker, dat u me dan niet raden zou om ’t stationsbuffet te probeeren, of om ’n werkman te trouwen, of om zelfs in ’n fabriek te gaan?Mevr. Warren(verontwaardigd). Natuurlijk niet. Voor wat voor soort moeder zie je me an! Hoe zou jij je zelfrespect kenne beware bij zòò ’n hongerlijë en gesloof. En wat is ’n vrouw waard, wat is ’t lèven waard, zonder zelfrespect? Waarom benikonafhankelijk en in staat om m’n dochter ’n piekfijne opvoeding te geven, terwijl andere vrouwen, die net dezelfde kansen hadden, nou in de goot legge? Omdat ik m’n eigen altijd heb wete te respecteere en te beheersche. Waarom kijke ze op tegen Lies in ’n vrome stad? Om dezelfde reden. En waar zouden we nou an toe zijn, als we ons gestoord hadden an de malligheid van die dominé? An vloeren schrobben voor anderhalve shilling per dag en niks in ’t vooruitzicht as ’t armhuis. Laat jij je niet van de wijs brengen door menschen die de wereld niet kennen. De eenige manier voor ’n vrouw om fatsoenlijk voor d’r eigen te zorgen is om goed te zijn voor ’n man, die ’t betalen kan om goed voor haar te wezen. Als ze van zìjn stand is, laat ze dan zorgen, dat-ie haar trouwt, maar is ze dat niet, dan kan ze dat niet verwachten.—Hoe zou ze? ’t Zou niet voor d’r eigen geluk weze. Vraag-t-er iedere dame in de Londensche wereld na, die dochters heeft,—en ze zal je hetzelfde zegge,—behalve dat ik ’t je ronduit zeg, en zij verdraaid.—Daarin zit ’em ’t eenige verschil.Vivie(geboeid,—staart haar aan). Beste moeder,—u bent ’n merkwaardige vrouw, u bent sterker dan heel Engeland. En voelt u nu werkelijk en waarachtig niet ’n sikkepitje twijfel ... of ... of schaamte?Mevr. Warren.Wel natuurlijk, lieverd,—’t hoort er zoo bij om je te schame,—dat wordt eenmaal verwacht van ’n vrouw. Vrouwen moeten zich altijd houe of ze ’n heeleboel voele wat ze niet doen. Lies was dikwijls kwaad op me, as ik zoo botweg de waarheid er over zei. Zij zei altijd, dat, omdat iedere vrouw genoeg kon leere van wat ze voor d’r ooge in de wereld ziet gebeure, ’t nergens toe dient om er over te prate. Maar Lies was ook open top ’n dame. Ze had er ’t echte instinct van; terwijl je an mijn altijd m’n lage kom-afkon merken: Ik plach zoo in m’n schik te zijn, wanneer je me je portretten zond en ik zag, dat je opgroeide als Lies. Je hebt nèt haar damesachtige, positieve manier van doen.—Maar ik kan ’t niet uitstaan, om ’t ééne te zeggen, als iedereen weet, dat ik ’t andere meen. Waar dient dat gehuichel toe? Als de menschen de wereld op diè manier voor de vrouwen inrichten, geeft ’t niks om net te doen, of ze anders is ingericht. Ronduit gezegd heb ik me nooit in ’t minst geschaamd. Ik beweer, dat ik ’t recht heb om trotsch te zijn, dat we alles zoo goed bedistelden, en er nooit iets op ons te zeggen was, en dat de meisjes zoo goed behandeld werden. ’n Paar ervan kwamen best terecht: één trouwde er met ’n gezant. Maar natuurlijk, daar mag ik nou niet meer van spreken, wat zouen ze wel van me denken! (Zij geeuwt). O Heere, ik geloof, dat ik tenslotte toch slaperig ben geworden. (Zij rekt zichzelf luid uit, echt opgelucht door haar uitbarsting, en kalmpjes bereid voor haar nachtrust).Vivie.Ik geloof, dat ik ’t zal zijn, die nu niet zal kunnen slapen. (Zij gaat naar ’t buffetje en steekt de kaars aan. Dan doet ze de lamp uit, waardoor de kamer veel donkerder wordt). We zullen wat frissche lucht in laten vòòr we sluiten. (Zij opent de buitendeur en ziet dat ’t heldere maan is). Kijk eens! (Zij trekt de gordijnen van ’t raam open. Men ziet het landschap badend in de stralen van ’n nazomermaan, die boven Blackdown rijst).Mevr. Warren(met ’n vluchtigen blik naar buiten). Ja liefje, maar pas op, dat je geen kou vat van de nachtlucht.Vivie(minachtend). Gekheid!Mevr. Warren(knorrig). Welzeker, alles wat ik zeg is gekheid volgens jou.Vivie(keert zich haastig naar haar toe). Nee, dat is volstrekt niet waar, moeder. U hebt ’t vannacht totaal van me gewonnen, hoewel ìk gewild had, dat ’t andersom zou zijn geweest. Laten we nu goeie vrienden zijn.Mevr. Warren(wat droevig haar hoofd schuddend). Dus ’t is andersom geweest. Maar tòch zal ik wel de kleinste motten wezen. Ik trok met Lies altijd an ’t kortste eindje, en ik denk, dat ’t nou wel ’tzelfde met jou zal worden.Vivie.Dat hindert niet... Kom, goeie nacht goeie, oude moeder. (Zij omarmt haar moeder).Mevr. Warren(teeder). Ik heb je goed grootgebracht, heb ik niet, lieverd?Vivie.Ja, dat hebt u.Mevr. Warren.En je zult goed zijn voor je arme, ouwe moeder, niet waar?Vivie.Zeker moederlief (kust haar). Goeie nacht.Mevr. Warren(zalvend). M’n zegen over m’n eigen lieveling!—’n moeders zegen! (Zij omhelst haar dochter beschermend, terwijl zij opziet naar boven, alsof zij ’n zegening over Vivie af wil smeeken).
Mevr. Warren.O Heere! Ik weet niet wàt ’t ergste is van ’t buiten zijn; het wandelen of ’t thuiszitten zonder iets uit te voeren. Ik zou nou veel geven voor ’n whisky met spuitwater, als er zoo iets maar te krijgen was in dit gat.
Frank(helpt haar om haar shawl af te doen en geeft onder de hand haar schouders eventjes ’n lichte liefkoozing). Misschien heeft Vivie wel wat.
Mevr. Warren(keert zich om en kijkt even naar hem van uit den hoek van haar oog, als ze het kneepje voelt). Gekheid! Wat zou ’n jong meisje als zij daarmee doen.—Enfin, komt er niet op aan. (Ze valt vermoeid neer op ’n stoel bij de tafel). Ik begrijp niet hoe ze haar tijd hier zoek brengt. Ik zou veel liever in Weenen zitten.
Frank.Laat mij u daar mee naar toenemen. (Hij vouwt de shawl netjes op, hangt die over den rug van den anderen stoel en gaat tegenover haar zitten).
Mevr. Warren.Loop heen! Bij jou is ’t geloof ik ook: ’n aardje naar z’n vaartje.
Frank.Precies de oude heer, hè?
Mevr. Warren.Houd je daar buiten. Wat weet je van die dingen af? Je bent nog maar ’n kuiken.
Frank.Toe, ga met me mee naar Weenen. ’t Zou zoo allemachtig leuk zijn.
Mevr. Warren.Dank je wel. Weenen is geen plaats voor jou, tenminste niet vòòr je wat ouder bent. (Zij knikt tegen hem om kracht bij te zetten aan deze raadgeving. Hij zet ’n kwasi-droevig gezicht, terwijl z’n oogen lachen. Zij kijkt hem aan, staat dan op en komt naar hem toe). Kijk ’ns hier, kleine vent—(neemt z’n gezicht en licht ’t op). Ik ken je van haver tot gort door de gelijkenis met je vader, beter dan jij jezelf kent. Haal je nou, wat mìj betreft, geen dwaze ideeën in je kop, versta je?
Frank(haar galant ’t hof makend met z’n stem). Kan ’t niet helpen, lieve mevrouw Warren, ’t zit in ’t bloed. (Zij doet alsof ze hem om z’n ooren wil slaan; kijkt dan, ’n oogenblik in verzoeking gebracht, naar ’t lachende, aardige, naar haar toegewende gezicht;—ten slotte kust ze hem en wendt zich onmiddellijk af, knorrig op zichzelf).
Mevr. Warren.Daar! Dat had ik niet moeten doen. Ik bèn ook slecht.—Neem er maar geen notitie van jongenlief, ’t was maar ’n moederlijke zoen. Ga heen en flirt met Vivie.
Frank.Dat doe ik al.
Mevr. Warren(keert zich haastig naar hem toe met ’n scherpen toon van angst in haar stem). Wat?
Frank.Vivie en ik zijn dikke vrinden.
Mevr. Warren.Wat meen je daarmee? Hoor ès; ik duld niet, dat eenige kwajongen scharrelt met mijn kleine meid. Begrepen? Dat wil ik nièt hebben.
Frank(in ’t minst niet beschaamd). M’n beste mevrouw Warren, wees toch niet zoo ontdaan. Ik heb eerlijke bedoelingen, zoo eerlijk mogelijk. En jouw kleine meid is best in staat om op zich zelf te passen. Je hoeft haar lang niet zoo onder ’n stolpje te zetten als haar moeder. Ze is niet zoo mooi, weet je.
Mevr. Warren(perplext van z’n zekerheid). Nou, jij hebt ook ’n flinke, aardige, twee-duim-dikke-laag brutaligheid over je. Van wièn je ’t hebt weet ik niet,—van je vader zeker niet. (Stemmen en voetstappen bij den ingang). Sst! Ik hoor de anderen binnen komen. (Zij gaat haastig zitten). Onthoud ’t nou; je bent gewaarschuwd (De eerwaarde Samuel komt binnen gevolgd door Crofts). Zoo, wat hebben jullie uitgevoerd? En waar zijn Praeddie en Vivie?
Crofts(zet zijn hoed op het bankje en z’n stok in den hoek van den schoorsteen). Zij zijn den heuvel opgegaan. En wij ’t dorp in. Ik had ’n hartversterking noodig. (Hij gaat op de bank zitten).
Mevr. Warren.Nou, ze moest er niet zoo van doorgaan, zonder me iets te zeggen (tot Frank). Krijg’n stoel voor je vader; waar zijn je manieren? (Frank springt op en biedt z’n vader op hoffelijke wijze een stoel aan. Krijgt dan ’n andere van den muur vandaan en gaat midden aan de tafel zitten, met z’n vader rechts en mevrouw Warren links van hem). George, waar zul jij van nacht blijven? Hier kunnen wij je niet bergen. En wat zal Praeddie doen?
Crofts.Gardner brengt me onder dak.
Mevr. Warren.O natuurlijk. Jij zult wel voor jezelf gezorgd hebben. Maar waar blijft Praeddie?
Crofts.’k Weet niet. Ik veronderstel, dat hij in ’t logement kan slapen.
Mevr. Warren.Heb jij geen plaats voor hem, Sam?
Dominé.Wel... è... als dominé hier weet je, ben ik niet vrij om te doen wat ik precies wil... è... Wat is Praed z’n maatschappelijke positie?
Mevr. Warren.O, laat dat maar loopen; hij is ’n architect. Wat ’n oude sok ben je toch, Sam.
Frank.Ja, dat ’s in orde, oude heer. Hij heeft dat ding gebouwd, daar in Monmouthshire voor den hertog van Beaufort. Tintern Abbey heet ’t. Je zult er wel van gehoord hebben. (Hij wenkt mevr. Warren toe met bliksemsnelle behendigheid en ziet z’n vader onschuldig aan).
Dominé.O, in dat geval zal ’t ons natuurlijk zeer aangenaam wezen. Ik vermoed, dat hij den hertog van Beaufort persoonlijk kent?
Frank.O... heel intiem zelfs! We kunnen hem in Georgina’s oude kamer plakken.
Mevr. Warren.Zoo, dat is dus afgesproken. Als nou die twee maar wouen komen en wij ons soupé konden hebben. ’t Komt niet te pas, om zoo lang na donker uit te blijven.
Crofts(ruziemakerig). Wat voor kwaad doen ze je?
Mevr. Warren.Kwaad of niet, ’t bevalt me niet.
Frank.U doet beter met niet op hen te wachten, mevrouw Warren. Praed zal zoo lang mogelijk uitblijven. Hij heeft nooit geweten, wat ’t zeggen wil om op ’n zomernacht over de hei te dwalen met mijn Vivie.
Crofts(gaat ontsteld overeind zitten). Zeg is even...!
Dominé(uit z’n professionneele manieren opgeschrikt tot echte kracht en ernst). Frank, eens en voor al, dat is buiten de kwestie. Mevrouw Warren zal je vertellen, dat daar niet aan te denken valt.
Crofts.Natuurlijk niet.
Frank(met innemende kalmte). Is dat zoo, mevrouw Warren?
Mevr. Warren(nadenkend). Wel, ik weet ’t niet, Sam. Als ’t kind wil trouwen, kan er geen goed van komen om haar òngetrouwd te laten.
Dominé(perplext). Maar getrouwd met hèm! Jouw dochter metmijnzoon. Denk dan toch eens: dat is onmogelijk.
Crofts.Natuurlijk is ’t onmogelijk. Wees niet mal, Kitty.
Mevr. Warren(geprikkeld). Waarom niet? Is mijn dochter niet goed genoeg voor jouw zoon?
Dominé.Maar waarlijk, beste mevrouw Warren, je weet toch de reden....
Mevr. Warren(uitdagend). Ik weèt van geen reden. Als jìj er een weet, kun je hem aan den jongen vertellen, of aan haàr, of aan je gemeente, als je wilt.
Dominé(hulpeloos). Je weet heel goed, dat ik niemand de reden vertellen kan. Maar m’n jongen zal me wel gelooven, als ik hem zeg, dát er redenenzijn.
Frank.Zeker oude, dat zal hij. Maar heeft jouw jongen zich ooit laten leiden door jouw redenen?
Crofts.Je kùnt haar niet trouwen, en daarmeeuit. (Hij staat op en gaat voor den haard staan, met z’n rug er naar toe, beslist wenkbrauwfronsend).
Mevr. Warren(zich vinnig naar hem omkeerend). Wat heb jij er mee te maken, zeg?
Frank(met z’n liefelijksten lyrischen stemval). Juist watiku wou vragen op m’n eigen, beminnelijke manier.
Crofts(tot mevr. Warren). Ik vermoed, dat je je dochter niet verlangt te laten trouwen met ’n man jonger dan zij,—zonder ’n beroep, of ’n duit geld om haar te onderhouden. Vraag ’t Sam, als je mij niet wilt gelooven (tot den dominé). Hoeveel geld denk je hem mee te geven?
Dominé.Geen cent. Hij heeft z’n erfdeel al gehad en het laatste ervan opgemaakt in Juli. (Mevrouw Warren’s gezicht betrekt).
Crofts(haar observeerend). Heb ik ’t je niet gezegd? (Hij herneemt z’n plaats op de bank en zet z’n beenen weer op de zitting, alsof nu voor goed met ’t onderwerp is afgedaan).
Frank(beklaaglijk). Dat is nou echt kruieniersachtig. Denk je, dat juffrouw Warren om geld wil trouwen? Alswijvan elkaar houden....
Mevr. Warren.Wel bedankt. Je liefde is ’n aardig, goedkoop artikel, jongenlief. Als jij niet de middelen hebt om ’n vrouw te onderhouden, dan is de zaak beslist; dan krijg je Vivieniet.
Frank(hoogelijk geamuseerd). Wat zeg jij er van oude heer, hè?
Dominé.Ik ben ’t met mevrouw Warren eens.
Frank.En die goeie, oude Crofts heeft z’n meening al gezegd.
Crofts(wendt zich boos om op z’n elboog). Hoor ’ns: ik ben niet gediend van jouw onbeschaamdheid.
Frank(gevat). ’t Spijt me verbazend, dat ik jeonaangenaam ben Crofts,—maar jij permitteerde jezelf daarnet de vrijheid om als ’n vader tegen me te spreken. Eén vader is genoeg, wel bedankt hoor.
Crofts(verachtelijk). Phoe! (Hij draait zich weer om).
Frank(opstaand). Mevrouw Warren,—ik kan geen afstand doen van Vivie, zelfs niet ter wille van u.
Mevr. Warren(mompelend). Zoo’n kwajongen!
Frank.En daar u ongetwijfeld van plan bent om andere vooruitzichten voor haar te openen, zal ik geen tijd verliezen met m’n zaak bij haar te bepleiten. (Zij staren allemaal naar hem, en hij begint op bekoorlijke wijze te declameeren):
“Of wel hij vreest zijn lot te zeer,Of acht zijn waarde kleen,Wie niet den worp waagt: op òf neer,Zijn àl op éénen steen!”
“Of wel hij vreest zijn lot te zeer,
Of acht zijn waarde kleen,
Wie niet den worp waagt: op òf neer,
Zijn àl op éénen steen!”
(De voordeur wordt geopend, terwijl hij reciteert en Vivie en Praed komen binnen. Hij houdt op. Praed legt z’n hoed op ’t buffetje. Er is onmiddellijk ’n verbetering merkbaar in de manieren van het gezelschap. Crofts neemt z’n beenen van de bank af en gaat overeind zitten, als Praed zich bij hem voegt bij den haard. Mevrouw Warren verliest haar losheid van manieren en verschuilt zich in knorrigheid).
Mevr. Warren.Waar ter wereld ben je geweest, Vivie?
Vivie(neemt haar hoed af en gooit hem achteloos op tafel). Den heuvel op.
Mevr. Warren.Nou, je behoorde niet zoo weg te loopen, zonder me iets te laten zeggen. Hoe kon ik weten, wat er van je geworden was, en dat nogal bijna in den nacht!
Vivie(gaat naar de deur van de binnenkamer enopent die zonder op haar moeder te letten). En nu ’t soupé!—Ik ben bang, dat we hier nogal opgepropt zullen zitten.
Mevr. Warren.Hoorde je niet, wat ik zei, Vivie?
Vivie(kalm). Ja moeder. (Weer terugkomend op de moeielijkheid van ’t soupé) Met de hoevelen zijn we? (tellende). Een, twee, drie, vier, vijf, zes.... Wel, twee zullen er moeten wachten tot de rest klaar is. Juffrouw Alison heeft maar borden en messen voor vier.
Praed.O, voor mij komt ’t er niet opaan. Ik....
Vivie.U hebt ’n lange wandeling gemaakt en u hebt honger, mijnheer Praed; u zult dàdelijk soupeeren. ’t Is noodig, dat er een met me wacht. Frank, heb jij honger?
Frank.In ’t minst niet;—absoluut geen trek zelfs.
Mevr. Warren.En jij ook niet George. Jij kan wachten.
Crofts.Och, loop heen. Ik heb niets gegeten sinds theetijd. Kan Sam ’t niet doen?
Frank.Wou u m’n arme vader laten verhongeren?
Dominé(knorrig). Sta me toe voor me zelf te spreken, jongmensch.
Vivie(beslist). Dat hoeft niet. Er zijn er maar twee noodig. (Ze opent de deur naar de binnenkamer). Wilt u m’n moeder mee naar binnen nemen, mijnheer Gardner? (de dominé geleidt mevrouw Warren en gaat met haar naar de andere kamer. Praed en Crofts volgen. Allen, behalve Praed, zijn blijkbaar weinig ingenomen met deze schikking, maar weten niet hoe er zich tegen te verzetten. Vivie blijft bij de deur staan en kijkt naar hen). Kunt u u doorpersen tot aan dien hoek, mijnheer Praed,—’t past maar net aan. Pas op voor uw jas tegen de gewitte muur,—mooi zoo. Zit u nu allemaal goed?
Praed(van binnen af). Heel goed, dank u.
Mevr. Warren(van binnen af). Laat de deur open, liefje. (Frank kijkt naar Vivie, sluipt dan naar de buitendeur en zet die zachtjes wijd open). O Heere, wat ’n tocht! Doe hem toch maar liever dicht, kind. (Vivie sluit de deur dadelijk, Frank sluit zachtjes de buitendeur).
Frank(juichend). Ha! Ze kwijtgeraakt! Vivie, wat vind je van m’n ouden heer?
Vivie(gepreoccupeerd en ernstig). Ik heb hem ternauwernood gesproken. Hij geeft me niet den indruk van ’n bizonder intelligent man.
Frank.Och, weet je, de oude is, over ’t geheel genomen, niet zòò dwaas als hij er uitziet. Je moet denken, hij is nou eenmaal dominé hier, en doordat hij ’t ook wil schijnen, stelt hij zich veel stommer aan dan hij eigenlijk is. Nee, de oude heer is zoo kwaad niet, en ik heb volstrekt ’t land zoo niet aan hem als je misschien zou denken. Hij meent ’t goed. Hoe denk je, dat je met hem op zult schieten?
Vivie(bijtend sarcastisch). Ik geloof niet, dat hij ’n groote plaats in m’n toekomstig leven zal innemen, noch een van m’n moeders ouden kring, behalve Praed misschien. Wat denk jij van m’n moeder?
Frank.Eerlijk en oprecht?
Vivie.Ja, eerlijk en oprecht.
Frank.Wel, ze is allemachtig leuk.—Maar ’t is me er eentje, niet? En Crofts. Groote goden, die Crofts!
Vivie.Wat ’n troep, Frank!
Frank.Wat ’n zootje!
Vivie(met de diepste verachting voor hen). Als ik dacht, dat ik zòò was, dat ik ’n doorbrengster zou worden, die doelloos haar tijd verslabakt van den eenen maaltijd tot den anderen, zonder karakteren zonder pit in me,—dan zou ik me ’n aâr openen en me dood laten bloeden, zonder ’n oogenblik aarzelen.
Frank.Welnee, dat zou je niet. Waarom zouden zij aan den zwoeg gaan, als ze ’t niet hoèven te doen? Ik wou, dat ìk zoo gelukkig was. Nee, waar ik op tegen heb, dat zijn hun manieren. ’t Is niet de leeglooperij zelf. Hun manieren zijn schunnig, echt ordinair.
Vivie.Geloof je, dat jouw manieren ’n haar beter zullen wezen, als je zoo oud zult zijn als Crofts,—wanneer je niet werkt?
Frank.Natuurlijk geloof ik dat,—oneindig veel beter. Vivums moet niet preeken; haar kleine jongen is onverbeterlijk. (Hij tracht haar gezicht liefkoozend tusschen z’n handen te nemen).
Vivie.Weg er mee! Vivums is niet in de stemming om haar jongentje te vertroetelen.
Frank.Hoe onvriendelijk!
Vivie(stampend). Wees ernstig.Ikben ernstig.
Frank.Goed. Laten we geleerd spreken. Juffrouw Warren, weet u wel, dat al de meest liberale denkers hièrin overeenstemmen, dat de helft van de ziekten der moderne beschaving moeten toegeschreven worden aan verhongering der affecties in de jeugd? Ik nu...
Vivie(hem kortaf onderbrekend).Je wordt vervelend. (Zij opent de binnendeur.) Is er nog plaats voor Frank? Hij klaagt dat hij verhongert.
Mevr. Warren(van binnenaf). Zeker is er. (Gekletter van messen en glazen, als zij die op tafel verschuift). Hier, er is nù plaats naast mij. Kom, Frank!
Frank(zachtjes tot Vivie als hij gaat). D’r kleine jongen zal dit z’n Vivums goed betaald zetten. (Hij gaat de andere kamer binnen).
Mevr. Warren(van binnenuit). Hier Vivie, kom jij ook binnen, kind. Je zult wel uitgehongerd zijn. (Zij komt binnen, gevolgd door Crofts, die de deur voor Vivie openhoudt met kennelijk ontzag. Zij gaat heen zonder hem aan te zien en hij sluit de deur achter haar). Wel George, jij kunt nog niet klaar zijn. Je hebt niks gegeten.
George.O, ik had alleen maar trek om wat te drinken. (Hij steekt z’n handen in z’n zakken en begint door de kamer te draaien, onrustig en stuursch).
Mevr. Warren.Nou, ik hoû er van om genoeg te krijgen,—maar met wat koud vleesch, met sla en kaas, kom je al ’n heel eind. (Met ’n zucht van slechts halve verzadiging gaat ze lui neerzitten bij de tafel).
Crofts.Waarom blijf je die snotneus aanmoedigen?
Mevr. Warren(dadelijk op haar qui-vive). Hoor is George: wat wìl je nou met m’n dochter? Ik heb gezien op wat voor manier je haar aankijkt. Weet wel: ik ken je en ik weet wat je blikken beteekenen.
Crofts.’t Kan toch geen kwaad om naar d’r te kijken, wel?
Mevr. Warren.Ik zou je heel gauw de deur uitzetten en naar Londen terugsturen als ik iets van jouw onzin in de gaten kreeg. Mijn dochters pink is me meer waard dan jouw heele lichaam en ziel. (Crofts hoort dit aan met ’n grijns. Mevrouw Warren, even blozend door haar onmacht om indruk op hem te maken als ’n theatrale moeder vol toewijding, voegt er zachtjes aan toe): Wees maar gerust, de jonge snotneus heeft niet meer kans dan jij.
Crofts.Mag ’n man zich dan niet voor ’n meisje interesseeren?
Mevr. Warren.Niet ’n man als jij.
Crofts.Hoe oud is ze?
Mevr. Warren.Dat gaat je niet an.
Crofts.Waarom maak je daar zoo’n geheim van?
Mevr. Warren.Omdat ik ’t verkies.
Crofts.Nou, ik ben nog geen vijftig. En m’n bezittingen zijn in zoo’n goeien staat als ooit....
Mevr. Warren(hem in de rede vallend). Ja, omdat je even gierig als gemeen bent.
Crofts(vervolgend). En ’n jonkheer is niet iederen dag te krijgen. Niet één andere man in mijn positie zou genoegen nemen met ’n schoonmoeder als jij. Waarom zou ze me niet trouwen?
Mevr. Warren.Jou?
Crofts.We zouden met z’n drieën lekkertjes kunnen leven. Ik zou vòòr haar sterven en haar achterlaten als ’n zwierig weeuwtje met overvloed van geld. Waarom niet? De gedachte daaraan is aldoor sterker in me geworden, terwijl ik met dien gek van daarbinnen liep te wandelen.
Mevr. Warren(in opstand komend). Ja, juist ’t soort van gedachte om in joù op te komen. (Hij houdt op met rondsluipen en de twee kijken elkaar aan; zij vast, met ’n zekeren angst verscholen achter haar verachting en afschuw, hij heimelijk met ’n zinnelijken grijns en oogenglimp, waarmee hij haar tracht te verlokken).
Crofts(wordt plotseling bezorgd en dringend, als hij geen teeken van sympathie bij haar ziet). Hoor ’is Kitty, je bent ’n verstandige vrouw, stel je nou niet braaf an.—Ik zal niet meer vragen en jij hoeft niet meer te antwoorden. Ik zal m’n heele bezitting op haar vastzetten. En als jij op den huwelijksdag voor jezelf ’n wissel verlangt, dan kun je de som noemen, die jezelf wilt,—altijd in ’t redelijke.
Mevr. Warren.Bah! Daartoe is ’t dus met jegekomen, George, net als met alle andere afgesjouwde ouwe kerels.
Crofts(woest). Verdomd! (Zij staat op en keert zich heftig naar hem toe,—maar de deur van de binnenkamer wordt dan juist geopend en men hoort de stemmen van de anderen, die terugkomen. Crofts, niet in staat zich te beheerschen, snelt naar buiten. De dominé komt terug).
De Dominé(rondkijkend). Waar is Jhr. George?
Mevr. Warren.Naar buiten gegaan om z’n pijp te rooken. (Zij gaat naar den haard, met haar rug naar hem toe, om tot bedaren te komen. De dominé gaat naar de tafel om z’n hoed te krijgen. Onderwijl komt Vivie binnen, gevolgd door Frank, die met ’n vertoon van diepe uitputting in den meest nabijzijnden stoel neervalt. Mevrouw Warren kijkt rond naar Vivie en zegt met haar affectatie van moederlijke bezorgdheid nog gemaakter dan gewoonlijk). Wel lieverd, heb je lekker gesoupeerd?
Vivie.U weet wat juffrouw Alisons soupé’s waard zijn! (Zij keert zich tot Frank en troetelt hem). Arme Frank, was al ’t vleesch dan op? Heeft hij niets gehad dan brood en kaas en gemberbier? (weer ernstig, alsof ze al genoeg gekheid heeft gemaakt voor één avond). Haar boter is heusch afschuwelijk. Ik moet wat boter van Londen laten komen.
Frank.Doe dat in ’s hemelsnaam. (Vivie gaat naar de schrijftafel en noteert de bestelling van de boter. Praed komt binnen van de andere kamer,—z’n zakdoek opvouwend, die hij als servet gebruikt had).
Dominé.Frank, m’n jongen, ’t is tijd voor ons om naar huis te gaan. Je moeder weet nog niet, dat we gasten krijgen.
Praed.Ik ben bang, dat we moeite zullen geven.
Frank.In ’t minst niet, Praed; m’n moeder zal ’t heerlijk vinden om kennis met je te maken. Ze is ’n echt intellectueele, artistieke vrouw, en ziet hier niemand van ’t begin tot ’t eind van het jaar behalve den ouden heer. Je kunt je dus voorstellen hoe suf dat voor haar is (tot den dominé). Jij bent niet intellectueel of artistiek, wel piepa? Neem Praed dus dadelijk mee naar huis; dan zal ik hier blijven om mevrouw Warren gezelschap te houden. Je zult Crofts in den tuin vinden. Hij zal uitstekend gezelschap zijn voor onzen jongen bulhond.
Praed(neemt z’n hoed van het buffetje en komt dicht naar Frank toe). Kom met ons mee, Frank. Mevrouw Warren heeft juffrouw Vivie in zoo lang niet gezien en tot nu toe hebben wij ze belet om maar ’n oogenblik samen te zijn.
Frank (geheel verteederd, kijkt op naar Praed met romantische bewondering). Natuurlijk, dat vergat ik. Wel bedankt voor je vermaning. Bent ’n echte gentleman, Praeddie. Altijd geweest—m’n levensideaal! (Hij staat op om te gaan, maar blijft ’n oogenblik staan tusschen de twee oude heeren en legt z’n hand op Praeds schouder). Och, als jij maar m’n vader was geweest, inplaats van dezen onwaardigen, ouden man! (Hij legt z’n andere hand op z’n vaders schouder).
Dominé(lawaaiig). Zwijg jongmensch, zwijg; je bent profaan.
Mevr. Warren(lacht hartelijk). Je moest hem beter in toom houden, Sam. Goeie nacht. Hier, geef George z’n hoed en stok met m’n complimenten.
Dominé(ze aannemend). Goeien nacht. (Zij geven elkaar de hand. Als hij langs Vivie gaat, geeft hij die ook de hand en zegt haar goeden nacht. Daarna, bulderend commandeerend tot Frank): Komaan jongmensch,vlug wat. (Hij gaat heen. Frank heeft onderwijl z’n pet van de aanrecht genomen en z’n geweer uit het rek. Praed geeft mevrouw Warren en Vivie de hand en gaat heen,—mevrouw Warren begeleidt hem op haar gemak en kijkt hem achterna door den tuin. Frank bedelt stilletjes om ’n kus van Vivie, maar zij zendt hem weg met ’n strengen blik, neemt dan ’n paar boeken en wat papier van de schrijftafel en gaat er mee zitten aan de tafel, in ’t midden, om het schijnsel van de lamp te hebben).
Frank(bij de deur, vat mevrouw Warrens hand). Goeie nacht, liève mevrouw Warren. (Hij knijpt haar hand. Zij trekt die haastig weg, klemt haar lippen samen en ziet er meer dan half geneigd uit om hem om z’n ooren te slaan. Hij lacht ondeugend en rent weg, de deur achter zich toeslaand).
Mevr. Warren(keert terug naar haar plaats aan de tafel, tegenover Vivie, blijkbaar berustend in ’t vooruitzicht van ’n vervelenden avond, na het vertrek van de heeren). Heb je ooit in je leven iemand zòò hooren kakelen? (zij gaat zitten). Wat ’n plaag is ’t-ie, hè? Nou ik er aan denk liefje, moedig jij hem niet an, hoor. Ik ben zeker, dat hij ’n echte deugniet is.
Vivie.Ja, ik ben wel bang, dat hij ’n echte deugnietis. Ik zal hem moeten zien kwijt te raken. Maar ’t zal me erg voor hem spijten, al is hij ’t niet waard, de arme jongen.—Die Crofts schijnt me ook niet veel zaaks te zijn, wel?
Mevr. Warren(gekwetst door haar toon). Wat weet jij van de mannen af, kind, om op die manier over ze te praten? Je kunt je er op voorbereiden om Jhr. George hier dikwijls te zien,—omdat hij ’n vrind van me is.
Vivie(volmaakt koel). Waarom? Verwacht u, dat we veel samen zullen zijn,—u en ik, meen ik?
Mevr. Warren(haar aanstarend). Natuurlijk, totdat je getrouwd bent. Je gaat niet meer naar je colleges terug.
Vivie.Gelooft u dan, dat mijn manier van leven u zou bevallen? Ik betwijfel het.
Mevr. Warren.Jouw manier van leven? Wat meen je?
Vivie(terwijl zij ’n pagina van haar boek opensnijdt met het vouwbeen van haar chatelaine). Is ’t heusch nooit bij u opgekomen, moeder, dat ik ’n manier van leven heb zoo goed als andere menschen?
Mevr. Warren.Wat ’n onzin probeer je nou te praten! Wil je me soms je onafhankelijkheid toonen, omdat je nou op school ’n persoontje van belang bent geworden? Wees niet mal, kind.
Vivie(op toegevenden toon). Is dat alles wat u over het onderwerp te zeggen hebt, moeder?
Mevr. Warren(verbijsterd, daarna boos). Ga nou niet door me zoo te ondervragen (heftig). Hoû je mond. (Vivie gaat door met haar werk, zonder tijd te verliezen of iets te zeggen). Jij met je manier van leven! Wat nog meer? (Zij kijkt naar Vivie; geen antwoord). Jouw manier van leven zal zijn wat mij bevalt;—dàt zal-die (weer ’n pauze). Ik heb die pretenties van je al opgelet, van af dat je die tripos gekregen hebt, of hoe dat examen heeten mag.—Als je denkt, dat ik daarmee genoegen neem, dan vergis je je, en hoe eerder je dat merkt, des te beter (pruttelend). Al wat ìk er over te zeggen heb,—wel zeker! (weer haar stem verheffend, boos).Weet je wel, tegen wie je spreekt, juffertje?
Vivie(haar aankijkend, zonder haar hoofd van haar boek op te heffen). Nee. Wie bent u? Wàt bent u?
Mevr. Warren(staat ademloos op). Jouw brutaal nest!
Vivie.Iedereen kent mìjn reputatie, mìjn maatschappelijke positie en het beroep, dat ik wil volgen. Ik daarentegen weet niets van u af. Wat is dat soort van leven, dat u verlangt, dat ik deelen zal met u en Jhr. George?
Mevr. Warren.Pas op! Ik zal iets doen, waar ik later spijt van zal hebben, en jij ook.
Vivie(haar boek op zij schuivend met koele beslistheid). Wel, laten we dan ’t onderwerp laten rusten, tot u ’t beter aan zult durven (bekijkt haar moeder kritisch). U moet eens flink wandelen en tennissen om weer op streek te komen. U bent in ’n allertreurigste conditie; u was vandaag niet eens in staat om twintig meter te klimmen zonder te hijgen;—en uw polsen zijn net rolletjes vet. Kijk de mijne eens (zij steekt haar polsen uit).
Mevr. Warren(ziet haar eerst hulpeloos aan, begint dan te huilen). Vivie....
Vivie(springt haastig op). Begin nou asjeblieft niet te huilen. Alles liever dan dat. Ik kan wezenlijk geen gegrien verdragen. Als u dat doet, zal ik de kamer uitgaan.
Mevr. Warren(beklaaglijk). O m’n lieveling, hoe kàn je zoo hard tegen me zijn? Heb ik dan geen rechten op je als moeder?
Vivie.Bènt u m’n moeder?
Mevr. Warren(hevig ontdaan). Bèn ik je moeder! O Vivie!
Vivie.Waar zijn dan m’n bloedverwanten, m’n vader—onze familievrienden? U eischt de rechten van ’n moeder; het recht om me ’n dwaas en ’n kind te noemen, om tegen me te spreken, zooals niet één vrouw, die boven me stond op school, ooittegen me durfde te spreken,—om me een levenswijs voor te schrijven en me de kennismaking op te dringen van ’n vent, van wien iedereen kan zien, dat hij tot het gemeenste soort van viveurs behoort. Vòòr ik mezelf nu de moeite geef om me tegen die eischen te verzetten, doe ik, dunkt me, beter, er eerst achter te komen of ze eenig recht van bestaan hebben.
Mevr. Warren(op haar knieën neervallend). O nee, nee, hoû op, hou op! Ik bèn je moeder, ik zweer het! O je zult je toch niet tègen me willen keeren,—m’n eigen kind;—’t is niet natuurlijk! Je gelooft me, niet waar? Zeg dat je me gelooft?
Vivie.Wie was m’n vader?
Mevr. Warren.Je weet niet wat je vraagt. Dat kan ik je niet vertellen.
Vivie(beslist). O ja, dat kunt u wel, als u wilt. Ik heb ’t recht dat te weten.—En u weet heel goed, dat ik dat recht hèb. U kunt weigeren om ’t me te zeggen, als u verkiest,—maar àls u dat doet, zult u me morgenochtend voor ’t laatst gezien hebben.
Mevr. Warren.O, ’t is vreeselijk je zòò te hooren praten. Je zoudt me niet.... je kùnt me niet verlaten.
Vivie(meedoogenloos). Ja, zonder ’n oogenblik te aarzelen, als u me op dàt punt aan ’t lijntje blijft houden (rillend van afschuw). Hoe kan ik zeker zijn, dat ik niet ’t bedorven bloed van dien gemeenen doorbrenger in m’n lichaam heb?
Mevr. Warren.Nee, nee. Ik zweer je, dat hij ’t niet is, zoomin als een van de andere die je ontmoet hebt. Daàrvan tenminste ben ik zeker. (Vivie’s oogen vestigen zich streng op haar moeder als de beteekenis hiervan voor haar opgaat).
Vivie(langzaam). “Daarvan tenminste bent u zeker.” Ah! U meent, dat dàt ’t eenige is, waar u zeker van bent (peinzend). Ik begrijp ’t. (Mevrouw Warren verbergt haar gezicht in haar handen). Doe dat niet moeder;—u weet, dat u ’t volstrekt zoo niet voelt. (Mevrouw Warren neemt haar handen weg en kijkt droevig op naar Vivie, die haar horloge uithaalt en zegt) Nu, dat is genoeg voor van avond.—Hoe laat wilt u ontbijten? Is half negen te vroeg voor u?
Mevr. Warren(verbijsterd). M’n God, wat voor soort van vrouw ben je?
Vivie(koel). Van ’t soort, waar de wereld voor ’t meerendeel uit bestaat, hoop ik. Anders begrijp ik niet hoe ze d’r werk gedaan zou krijgen. Kom, (vat haar moeder bij de polsen en trekt haar op;—met beslistheid) ’n beetje flink nu. Zoo is ’t goed.
Mevr. Warren(knorrig). Je bent erg ruw tegen me, Vivie.
Vivie.Gekheid. Wat denkt u van naar bed gaan? ’t Is over tienen.
Mevr. Warren(hartstochtelijk). Wat geeft ’t of ik naar bed ga. Denk je, dat ik zou kunnen slapen?
Vivie.Waarom niet? Ik wel.
Mevr. Warren.Jij! Je hebt geen hart! (plotseling barst zij heftig los in haar eigen spraak: het dialect van ’n vrouw uit het volk,—al haar affectaties van moederlijk gezag en conventioneele manieren verdwenen, en met ’n overstelpende inspiratie van echte overtuiging en toorn). O, ik verdraàg ’t niet langer! Ik bedank voor die onrechtvaardigheid! Wat voor recht heb jij om je zoo boven me te plaatsen? Je bluft tegen me op wat je bent, tegen mij, die je in staat heb gesteld om te wòrden wat je bent. Welke kans had ik? Je moest je schamen om zoo’n slechte dochter en ingebeelde preutsche juf te zijn!
Vivie(koel en beslist, maar niet langer met zelfvertrouwen, want haar antwoorden, die haar tot dusver overtuigend verstandig en krachtig hebben toegeschenen, beginnen nu tamelijk houterig en pedant te klinken tegenover den nieuwen toon van haar moeder). Geloof u geen oogenblik, dat ik me op eenigerlei wijs boven u plaats. U viel me aan met het conventioneele gezag van ’n moeder, en ìk verdedigde me met de conventioneele meerderheid van ’n fatsoenlijke vrouw. Ronduit gezegd, ben ik niet van plan, om iets van uw onzin te verdragen, en wanneer ù die laat schieten, verlang ik niet van u, dat u iets van de mijne verdraagt.—Ik zal altijd eerbiedigen het recht dat u hebt op uw eigen meeningen en uw eigen manier van leven.
Mevr. Warren.M’n eigen meeningen en m’n eigen manier van leven! Hoor d’r is an!—Denk je, dat ik groot ben gebracht als jij,—in staat om m’n eigen manier van leven te zoeken en te kiezen? Denk je, dat ik deê, wàt ik deê, omdat ik ’t prettig of goed vond, of dat ik niet liever na school zou zijn gegaan en ’n dametje geweest zijn, as ik er kans toe gezien had?
Vivie.Ieder mensch heeft eènige keus, moeder. De armste meid ter wereld mag niet in staat zijn om te kiezen of ze koningin van Engeland of hoofd van ’n school wil worden, maar ze kan wèl kiezen tusschen lompen uitzoeken en bloemen verkoopen, alnaar dat haar smaak is. De menschen geven altijd de schuld aan de omstandigheden voor wat ze zijn. Ik geloof niet aan de omstandigheden. De menschen, die vooruit komen in de wereld, zijn de menschen die opstaan en uitkijken naar de omstandigheden die ze noodig hebben,—en vinden ze die niet, danmakenzij ze.
Mevr. Warren.O, praten is makkelijk, heel gemakkelijk, hè? Nou! Wil je weten wat mijn omstandigheden waren?
Vivie.Ja, ’t is beter, dat u ’t me vertelt. Wilt u niet gaan zitten?
Mevr. Warren.Ja, ik zàl gaan zitten; wees maar gerust. (Zij plant haar stoel meer naar voren neer met ijzeren energie en gaat zitten. Vivie komt, ondanks haarzelf, onder den indruk). Weet je wie je groomoe was?
Vivie.Nee.
Mevr. Warren.Nee, dat weet je niet. Ik wel. Ze noemde d’r eigen een weduwvrouw en ze had ’n winkel van gebakken visch ergens bij de Munt en daar onderhield ze d’r eigen en d’r vier dochters van. Twee van ons ware zusters, dat ware Lies en ik, en we zage d’r allebei goed uit, met knappe figure. Ik vermoed, dat onze vader ’n goedgevoede man was. Moeder beweerde, dat ’t een heer was, maar dà weet ik niet. De andere twee ware maar halfzusters: kleine, leelijke, magere, slovende, eerlijke onderkruipsels. Lies en ik zouen ze half vermoord hebben, als moeder òns niet half vermoord had, om onze handen van ze af te houden.Zijwaren de fatsoenlijken van ons. Nou, weet je wat ze kregen voor d’r fatsoen? De eene werkte in ’n loodwitfabriek,—12 uur daags voor 9 shilling in de week, totdat ze stierf an loodwitvergiftiging. Ze dacht, dat ze alleen maar d’r handen wat verlamd zou krijgen, maar ze ging er van dood. De ander werd ons altijd voorgehouden als ’n voorbeeld, omdat ze met ’n werkman van de rijkswerf trouwde en d’r kamer en d’r drie kinderen netjes en zuiver hield van 18 shilling in de week, totdat hij aan de drank raakte. Dat was de moeite waard om fatsoenlijk voor te zijn, niet?
Vivie(nu pensief-aandachtig). Dachten u en uw zuster dat?
Mevr. Warren.Lies niet, dat kan ik je vertellen, diè was wijzer. We gingen allebei na ’n kerkelijke school,—dat hoorde zoo bij de damesachtige manieren die we ons gaven om meer te zijn dan de kinderen, die niks wisten en nergens heengingen,—en daar bleven we, totdat Lies eens op ’n nacht wegliep en nooit terug kwam. Ik weet, dat de schooljuffrouw dacht, dat ik wel gauw d’r voorbeeld zou volgen,—want de dominé waarschuwde me aldoor, dat Lies zou eindigen met van Waterloo-brug af te springen.—Arme hals,—dat was àl wat hij er van wist! Maar ik had meer angst voor de loodwitfabriek dan voor de rivier, en dat zou jij ook gehad hebben in mijn plaats.—De dominé wist ’n betrekking voor me te krijgen, as bijhulp in de keuken van ’n afschaffersrestauratie, waar ze uitzonden met alles wat je hebben wou.—Toen ben ik kellnerin geworden en daarna ging ik an ’t buffet van ’t Waterloostation,—veertien uur per dag drank bedienen en glazen omwasschen voor 4 shillings in de week en de kost. Dat werd toen beschouwd as ’n groote vooruitgang voor me.—Nou, op ’n kouwe, ellendige nacht, toen ik zòò moe was, dat ik nauwelijks wakker kon blijven, wie denk je dat er binnen kwam voor ’n halve schotsche? Lizzie;—in ’n lange, bonte mantel, elegant en lekker, met ’n hoop goudstukke in d’r beurs!
Vivie(grimmig). Tante Lizzie.
Mevr. Warren.Ja, en ’n beste tante òok om te hebben. Ze woont nou in Winchester, vlak bij de kathedraal, een van de meest geziene dames dáar.—Ze begeleidt jonge meisjes naar ’t bal van de gouverneur,—asjeblieft hoor! Geen rivier voor Lies, dankje wel.—Jij doet me wat an Lies denken: ze was ’n eerste zakevrouw,—spaarde geld op van de beginne af,—liet nooit te veel zien wat ze was,—raakte nooit ’r hoofd kwijt, of liet ’n gelegenheid voorbijgaan.—Toen ze zag, dat ik knap op zou groeien, zei ze tegen me, zoo over de toonbank heen: “Wat doe jij hier, malle meid,—je gezondheid en je uiterlijk verwoesten voor ’n andermans profijt?” Lies was toen an ’t opsparen, om ’n huis voor d’r eigen te nemen, in Brussel, en ze dacht, dat we samen gauwer zouen sparen, dan ieder voor zich. Daarom leende ze me wat geld en hielp me aan de gang; en ik spaarde geregeld an en betaalde d’r eerst af en begon toen ’n zaak met haàr als deelgenoot. Waarom zou ik ’t nièt gedaan hebben? ’t Huis in Brussel was er een van de eerste rang,—’n heel wat beter plaats voor ’n vrouw, dan de fabriek, waar Annemie vergiftigd werd. Geen één van onze meisjes werd ooit behandeld zoo als ik behandeld werd in de bijkeuken van die afschaffersboel, of as an ’t buffet,—of as thuis: Had je gewild dat ik daar was gebleven en ’n afgewerkte ouwe sloof was geworden vòòr m’n 40ste jaar?
Vivie(nu geweldig geïnteresseerd). Nee, maar waarom koos u diè zaak. Met spaarzaamheid en goed beheer kun je elke zaak er boven op werken.
Mevr. Warren.Ja, geld opsparen. Maar in welke zaak kàn ’n vrouw geld opspare? Zou jij kenne sparen van 4 shillings in de week en je d’r van kleeje ook? Jij niet. Natuurlijk, as je ’n dood gewoon mensch ben en niks anders kan verdienen, of as je idee heb in muziek of ’t tooneel, of krantegeschrijf,—dan is ’t iets anders. Maar zoomin Lies as ik hadden eenig benul van die dingen; alles wat wij hadden was ons uiterlijk en onze slag om de mannen in tepakken. Denk je, dat wij zulke gekken waren, om andere menschen zaken te laten doen met ònze mooie oogen, door òns te gebruiken as winkelmeisjes, of buffetjuffrouwen, of kellnerinnen, as wij zèlf er zaken mee konden doen en al ’t profijt in ònze zak steken, inplaats van hongerloonen?Wìjniet, hoor.
Vivie.U was zeker volkomen gerechtvaardigd uit ’n zakenoogpunt.
Mevr. Warren.Ja, en uit ieder ànder oogpunt ook. Waartoe wordt ieder fatsoenlijk meisje anders grootgebracht als om ’n rijke man in te palmen en het voordeel van z’n geld te hebben door hem te trouwen? Asof ’n huwelijksceremonie eenig verschil maakt in het goeie of het slechte van de zaak! O, de huichelarij van de wereld maakt me misselijk! Lies en ik hadden te werke en te spare en te berekene net zoo goed als andere menschen; anders zouen we nou even arm zijn als iedere nikswaardige dronken doorbrengster van ’n vrouw, die denkt dat d’r goeie tijd altijd zal duren (met groote energie). Ik veracht dat soort menschen;—ze hebben geen karakter. En as d’r iets is, dat ik haat in ’n vrouw, dan is ’t gebrek an karakter.
Vivie.Kom nou, moeder, wees ’ns eerlijk! Is ’t niet voor ’n deel wat je noemt karakter in ’n vrouw, dat haar die afschuw moet geven van dèze manier van geld verdienen.
Mevr. Warren.O natuurlijk. Iedereen vindt ’t onaangenaam om te moeten werken en geld te verdienen, maar d’r is geen keus. Waarachtig, ik weet wel, dat ik dikwijls genoeg meêlijen heb gehad met ’n arm meisje, dat moe was en landerig, als ze probeeren moest ’n man te amuseeren, om wie ze niks niemendal gaf—zoo’n halfdronken idioot, die denkt, dat ie zich aangenaam maakt wanneer hij ’n vrouwplaagt en lastig valt en half doet walgen, op ’n manier, die met geen gèld is goed te maken. Maar ze heeft die onaangename dingen nou eenmaal te verdrage, en ’t zoete zoowel as ’t zure te slikke, net even goed als ’n ziekenhuis-zuster of ieder ander. De hemel mag wete, dat ’t geen werk is, dat eenige vrouw voor d’r plezier zou doen, al zou je, as je de vromen hoort praten, denken dat ’t ’n bed van rozen was.
Vivie.U beschouwt het toch als de moeite waard. Het betaalt.
Mevr. Warren.Natuurlijk is ’t de moeite waard voor ’n arm meisje, dat d’r eigen niet weggooit en er goed uitziet en zich verstandig en netjes gedraagt. ’t Is oneindig beter dan eenige andere betrekking, die ze hebben kan. Ik heb altijd gevonden dat dat zoo niet moest zijn. ’t Kàn niet rechtvaardig zijn, Vivie, dat ’n vrouw geen betere kansen zou hebben. Ik blijf er bij: dat is verkeerd. Maar goed of verkeerd, ’t is eenmaal zoo, en ’n meisje moet ’t neme zooas ’t is. Maar natuurlijk is ’t niet de moeite waard voor ’n dame. Als jij die kant uitging, zou je dwaas zijn; maar ìk zou dwaas geweest zijn, as ik ’t nièt had gedaan.
Vivie(meer en meer werkelijk ontroerd). Moeder, veronderstel eens, dat we allebei zoo arm waren als ù was in die ellendige dagen van vroeger, bent u zeker, dat u me dan niet raden zou om ’t stationsbuffet te probeeren, of om ’n werkman te trouwen, of om zelfs in ’n fabriek te gaan?
Mevr. Warren(verontwaardigd). Natuurlijk niet. Voor wat voor soort moeder zie je me an! Hoe zou jij je zelfrespect kenne beware bij zòò ’n hongerlijë en gesloof. En wat is ’n vrouw waard, wat is ’t lèven waard, zonder zelfrespect? Waarom benikonafhankelijk en in staat om m’n dochter ’n piekfijne opvoeding te geven, terwijl andere vrouwen, die net dezelfde kansen hadden, nou in de goot legge? Omdat ik m’n eigen altijd heb wete te respecteere en te beheersche. Waarom kijke ze op tegen Lies in ’n vrome stad? Om dezelfde reden. En waar zouden we nou an toe zijn, als we ons gestoord hadden an de malligheid van die dominé? An vloeren schrobben voor anderhalve shilling per dag en niks in ’t vooruitzicht as ’t armhuis. Laat jij je niet van de wijs brengen door menschen die de wereld niet kennen. De eenige manier voor ’n vrouw om fatsoenlijk voor d’r eigen te zorgen is om goed te zijn voor ’n man, die ’t betalen kan om goed voor haar te wezen. Als ze van zìjn stand is, laat ze dan zorgen, dat-ie haar trouwt, maar is ze dat niet, dan kan ze dat niet verwachten.—Hoe zou ze? ’t Zou niet voor d’r eigen geluk weze. Vraag-t-er iedere dame in de Londensche wereld na, die dochters heeft,—en ze zal je hetzelfde zegge,—behalve dat ik ’t je ronduit zeg, en zij verdraaid.—Daarin zit ’em ’t eenige verschil.
Vivie(geboeid,—staart haar aan). Beste moeder,—u bent ’n merkwaardige vrouw, u bent sterker dan heel Engeland. En voelt u nu werkelijk en waarachtig niet ’n sikkepitje twijfel ... of ... of schaamte?
Mevr. Warren.Wel natuurlijk, lieverd,—’t hoort er zoo bij om je te schame,—dat wordt eenmaal verwacht van ’n vrouw. Vrouwen moeten zich altijd houe of ze ’n heeleboel voele wat ze niet doen. Lies was dikwijls kwaad op me, as ik zoo botweg de waarheid er over zei. Zij zei altijd, dat, omdat iedere vrouw genoeg kon leere van wat ze voor d’r ooge in de wereld ziet gebeure, ’t nergens toe dient om er over te prate. Maar Lies was ook open top ’n dame. Ze had er ’t echte instinct van; terwijl je an mijn altijd m’n lage kom-afkon merken: Ik plach zoo in m’n schik te zijn, wanneer je me je portretten zond en ik zag, dat je opgroeide als Lies. Je hebt nèt haar damesachtige, positieve manier van doen.—Maar ik kan ’t niet uitstaan, om ’t ééne te zeggen, als iedereen weet, dat ik ’t andere meen. Waar dient dat gehuichel toe? Als de menschen de wereld op diè manier voor de vrouwen inrichten, geeft ’t niks om net te doen, of ze anders is ingericht. Ronduit gezegd heb ik me nooit in ’t minst geschaamd. Ik beweer, dat ik ’t recht heb om trotsch te zijn, dat we alles zoo goed bedistelden, en er nooit iets op ons te zeggen was, en dat de meisjes zoo goed behandeld werden. ’n Paar ervan kwamen best terecht: één trouwde er met ’n gezant. Maar natuurlijk, daar mag ik nou niet meer van spreken, wat zouen ze wel van me denken! (Zij geeuwt). O Heere, ik geloof, dat ik tenslotte toch slaperig ben geworden. (Zij rekt zichzelf luid uit, echt opgelucht door haar uitbarsting, en kalmpjes bereid voor haar nachtrust).
Vivie.Ik geloof, dat ik ’t zal zijn, die nu niet zal kunnen slapen. (Zij gaat naar ’t buffetje en steekt de kaars aan. Dan doet ze de lamp uit, waardoor de kamer veel donkerder wordt). We zullen wat frissche lucht in laten vòòr we sluiten. (Zij opent de buitendeur en ziet dat ’t heldere maan is). Kijk eens! (Zij trekt de gordijnen van ’t raam open. Men ziet het landschap badend in de stralen van ’n nazomermaan, die boven Blackdown rijst).
Mevr. Warren(met ’n vluchtigen blik naar buiten). Ja liefje, maar pas op, dat je geen kou vat van de nachtlucht.
Vivie(minachtend). Gekheid!
Mevr. Warren(knorrig). Welzeker, alles wat ik zeg is gekheid volgens jou.
Vivie(keert zich haastig naar haar toe). Nee, dat is volstrekt niet waar, moeder. U hebt ’t vannacht totaal van me gewonnen, hoewel ìk gewild had, dat ’t andersom zou zijn geweest. Laten we nu goeie vrienden zijn.
Mevr. Warren(wat droevig haar hoofd schuddend). Dus ’t is andersom geweest. Maar tòch zal ik wel de kleinste motten wezen. Ik trok met Lies altijd an ’t kortste eindje, en ik denk, dat ’t nou wel ’tzelfde met jou zal worden.
Vivie.Dat hindert niet... Kom, goeie nacht goeie, oude moeder. (Zij omarmt haar moeder).
Mevr. Warren(teeder). Ik heb je goed grootgebracht, heb ik niet, lieverd?
Vivie.Ja, dat hebt u.
Mevr. Warren.En je zult goed zijn voor je arme, ouwe moeder, niet waar?
Vivie.Zeker moederlief (kust haar). Goeie nacht.
Mevr. Warren(zalvend). M’n zegen over m’n eigen lieveling!—’n moeders zegen! (Zij omhelst haar dochter beschermend, terwijl zij opziet naar boven, alsof zij ’n zegening over Vivie af wil smeeken).