De schone Cypris schreeuwde om haar' verloren' zoon."Zag niemand hier de Min? hij is mijn' schoot ontvloôn.Zo iemand uwer mij zijn schuilplaats weet te melden,Zo spreekt: een waardig loon zal uwen dienst vergelden:Een kus van Venus mond! maar brengt gij 't wicht mij weêr,Gij zult geen' bloten kus ontfangen, maar nog meer.Dan, om een klaar bericht van 't zwervend kind te geven,Zie hier zijn beeldtnis in volkomenheid beschreven.—Het jongske is geenszins blank, maar gloeiend rood, van huid:Zijn oogen schieten vuur en bliksemflitsen uit:Hij is boosaartdig; maar lieftalig: in zijn sprekenGeveinsd: zijn stem is zacht en vloeit als honigbeken.Gramstorig, is hij loos, bedrieglijk, valsch, en fel:Arglistig maakt hij zich van wreedheid kinderspel.Zijn kruin moog door den zwier van 't kronklend hair bekoren,Maar 't voorhoofd heeft den blos der schaamte lang verloren:Zijn handtjes zijn zeer klein; maar treffen vreeslijk veer;Ja, tot den Acheron en 's afgronds Opperheer,Van lichaam naakt, weet hij zijne inborst loos te omkleeden;En, plegende als een duif de dunne lucht te kneden,Zweeft hij gedurig om, met onstandvasten zin,Van de een naar de andre kunne, en strijkt ten boezem in.Zijn armtje voert een' boog, en nog een' schicht daar boven:Dat schichtje, hoe gering, bereikt de Hemelhoven.Een gouden bus hangt hem ter schouder af, belaânMet pijlen, die ik-zelv somtijds ten doel moest staan.'t Is al verschriklijk, wreed: maar meest van alle zaken,Een toortsje, daar hij zelfs de zon meê weet te blaken.Indien gij 't wichtje grijpt, hou 't onbeweeglijk vast;En schreit hij, zie wel toe, eer u zijn list verrast:Of lacht hij, bind hem wel. Maar poogt hij u te kussen,Wijs, wijs zijn lippen af, daar schuilt iets giftigs tusschen.En zo de loozaart u zijn schone wapens biedt,'t Verradersch tuig draagt vuur, aanvaard zijn gaven niet".
De schone Cypris schreeuwde om haar' verloren' zoon."Zag niemand hier de Min? hij is mijn' schoot ontvloôn.Zo iemand uwer mij zijn schuilplaats weet te melden,Zo spreekt: een waardig loon zal uwen dienst vergelden:Een kus van Venus mond! maar brengt gij 't wicht mij weêr,Gij zult geen' bloten kus ontfangen, maar nog meer.Dan, om een klaar bericht van 't zwervend kind te geven,Zie hier zijn beeldtnis in volkomenheid beschreven.—Het jongske is geenszins blank, maar gloeiend rood, van huid:Zijn oogen schieten vuur en bliksemflitsen uit:Hij is boosaartdig; maar lieftalig: in zijn sprekenGeveinsd: zijn stem is zacht en vloeit als honigbeken.Gramstorig, is hij loos, bedrieglijk, valsch, en fel:Arglistig maakt hij zich van wreedheid kinderspel.Zijn kruin moog door den zwier van 't kronklend hair bekoren,Maar 't voorhoofd heeft den blos der schaamte lang verloren:Zijn handtjes zijn zeer klein; maar treffen vreeslijk veer;Ja, tot den Acheron en 's afgronds Opperheer,Van lichaam naakt, weet hij zijne inborst loos te omkleeden;En, plegende als een duif de dunne lucht te kneden,Zweeft hij gedurig om, met onstandvasten zin,Van de een naar de andre kunne, en strijkt ten boezem in.Zijn armtje voert een' boog, en nog een' schicht daar boven:Dat schichtje, hoe gering, bereikt de Hemelhoven.Een gouden bus hangt hem ter schouder af, belaânMet pijlen, die ik-zelv somtijds ten doel moest staan.'t Is al verschriklijk, wreed: maar meest van alle zaken,Een toortsje, daar hij zelfs de zon meê weet te blaken.Indien gij 't wichtje grijpt, hou 't onbeweeglijk vast;En schreit hij, zie wel toe, eer u zijn list verrast:Of lacht hij, bind hem wel. Maar poogt hij u te kussen,Wijs, wijs zijn lippen af, daar schuilt iets giftigs tusschen.En zo de loozaart u zijn schone wapens biedt,'t Verradersch tuig draagt vuur, aanvaard zijn gaven niet".
De schone Cypris schreeuwde om haar' verloren' zoon."Zag niemand hier de Min? hij is mijn' schoot ontvloôn.Zo iemand uwer mij zijn schuilplaats weet te melden,Zo spreekt: een waardig loon zal uwen dienst vergelden:Een kus van Venus mond! maar brengt gij 't wicht mij weêr,Gij zult geen' bloten kus ontfangen, maar nog meer.
De schone Cypris schreeuwde om haar' verloren' zoon.
"Zag niemand hier de Min? hij is mijn' schoot ontvloôn.
Zo iemand uwer mij zijn schuilplaats weet te melden,
Zo spreekt: een waardig loon zal uwen dienst vergelden:
Een kus van Venus mond! maar brengt gij 't wicht mij weêr,
Gij zult geen' bloten kus ontfangen, maar nog meer.
Dan, om een klaar bericht van 't zwervend kind te geven,Zie hier zijn beeldtnis in volkomenheid beschreven.—
Dan, om een klaar bericht van 't zwervend kind te geven,
Zie hier zijn beeldtnis in volkomenheid beschreven.—
Het jongske is geenszins blank, maar gloeiend rood, van huid:Zijn oogen schieten vuur en bliksemflitsen uit:Hij is boosaartdig; maar lieftalig: in zijn sprekenGeveinsd: zijn stem is zacht en vloeit als honigbeken.Gramstorig, is hij loos, bedrieglijk, valsch, en fel:Arglistig maakt hij zich van wreedheid kinderspel.Zijn kruin moog door den zwier van 't kronklend hair bekoren,Maar 't voorhoofd heeft den blos der schaamte lang verloren:Zijn handtjes zijn zeer klein; maar treffen vreeslijk veer;Ja, tot den Acheron en 's afgronds Opperheer,Van lichaam naakt, weet hij zijne inborst loos te omkleeden;En, plegende als een duif de dunne lucht te kneden,Zweeft hij gedurig om, met onstandvasten zin,Van de een naar de andre kunne, en strijkt ten boezem in.Zijn armtje voert een' boog, en nog een' schicht daar boven:Dat schichtje, hoe gering, bereikt de Hemelhoven.Een gouden bus hangt hem ter schouder af, belaânMet pijlen, die ik-zelv somtijds ten doel moest staan.'t Is al verschriklijk, wreed: maar meest van alle zaken,Een toortsje, daar hij zelfs de zon meê weet te blaken.
Het jongske is geenszins blank, maar gloeiend rood, van huid:
Zijn oogen schieten vuur en bliksemflitsen uit:
Hij is boosaartdig; maar lieftalig: in zijn spreken
Geveinsd: zijn stem is zacht en vloeit als honigbeken.
Gramstorig, is hij loos, bedrieglijk, valsch, en fel:
Arglistig maakt hij zich van wreedheid kinderspel.
Zijn kruin moog door den zwier van 't kronklend hair bekoren,
Maar 't voorhoofd heeft den blos der schaamte lang verloren:
Zijn handtjes zijn zeer klein; maar treffen vreeslijk veer;
Ja, tot den Acheron en 's afgronds Opperheer,
Van lichaam naakt, weet hij zijne inborst loos te omkleeden;
En, plegende als een duif de dunne lucht te kneden,
Zweeft hij gedurig om, met onstandvasten zin,
Van de een naar de andre kunne, en strijkt ten boezem in.
Zijn armtje voert een' boog, en nog een' schicht daar boven:
Dat schichtje, hoe gering, bereikt de Hemelhoven.
Een gouden bus hangt hem ter schouder af, belaân
Met pijlen, die ik-zelv somtijds ten doel moest staan.
't Is al verschriklijk, wreed: maar meest van alle zaken,
Een toortsje, daar hij zelfs de zon meê weet te blaken.
Indien gij 't wichtje grijpt, hou 't onbeweeglijk vast;En schreit hij, zie wel toe, eer u zijn list verrast:Of lacht hij, bind hem wel. Maar poogt hij u te kussen,Wijs, wijs zijn lippen af, daar schuilt iets giftigs tusschen.En zo de loozaart u zijn schone wapens biedt,'t Verradersch tuig draagt vuur, aanvaard zijn gaven niet".
Indien gij 't wichtje grijpt, hou 't onbeweeglijk vast;
En schreit hij, zie wel toe, eer u zijn list verrast:
Of lacht hij, bind hem wel. Maar poogt hij u te kussen,
Wijs, wijs zijn lippen af, daar schuilt iets giftigs tusschen.
En zo de loozaart u zijn schone wapens biedt,
't Verradersch tuig draagt vuur, aanvaard zijn gaven niet".
ACER EQVVS QVONDAM, MAGNAEQVE IN PVLVERE FAMAE, DEGENERAT;PALMASVETERVMQVE OBLITVS HONORVM, AD PRAESEPE GEMIT, MORBO MORITVRVS INERTI.OVID.
ACER EQVVS QVONDAM, MAGNAEQVE IN PVLVERE FAMAE, DEGENERAT;PALMASVETERVMQVE OBLITVS HONORVM, AD PRAESEPE GEMIT, MORBO MORITVRVS INERTI.
OVID.
Wat poogt ge, ô dierbre Vriend! mijn dichtluim op te wekken,Daar ze in gevoelloosheid als weggezonken ligt?Ach! wilde ik thands mijn hand naar 't stramme speeltuig strekken;Ik bracht een' rouwgalm voort, voor juichend Feestgedicht.De erkentenis ('t is waar) moest mij de borst ontgloeien;Uw voorbeeld boven al mij strekken tot een spoor;Maar ach! mijn vuur verdooft, mijn dichtaâr schroomt te vloeien,Een lome vadzigheid dringt al mijn leden door:Een aaklig aantal van bedroefde mijmeringenHoudt steeds mijn' geest geboeid, mijne aandacht opgeschort;En, daar zich 't hart verteert in wrede pijnigingen,Is 't vruchtloos dat men zich tot blijde zangen port.Zie daar mijn' staat geschetst: en kan me uw vriendschap vergen,Dat ik, mij-zelv' ten spijt', gedwongen tonen slaa?Neen, gun mij dat ik slechts mijne onmacht moog verbergen,Eer d'onbedachte mond mijn hartsgeheim verraâ!ô Hatelijk besef! Onzalig onvermogen!Korts daagde ik elk vol moeds ten fieren zangstrijd' uit;En nu, gevoeleloos en werkloos neêrgebogen,Ontziet mijn blode hand de weigerende Luit!Waar zijt gij heengevloôn, ô heuchelijke dagen!Toen ik, den Hengst' gelijk, door wapenklank verhit,In 't edel strijdperk vloog, en de eerkroon weg mocht dragen,Van Leydens Dichtrenchoor begroet als Medelid?Waar zijt gij? keert te rug, geeft mij mij-zelven weder!—Ach! 't eertijds vierig ros, in 't wagenkrijt vermaard,Stort kwijnende en vermoeid bij zijne krib ter neder,Verzaad van d'ouden roem, verbasterd van zijn' aart.—Geloofde ik 't, dat mij ooit mijn Cyther zou verveelen,Mijn Cyther! Hemel! eer, de wellust van mijn ziel!Eer waande ik dat de stem der schelle FilomeelenIn 't dichtbekroosd moerasch den Vorsch' te beurte viel:Eer, dacht ik, zal de Lent' zich van haar groen ontbloten:Eer strijkt de Wintervorst de kegels uit zijn' baard:Dan 't hoge Jaargetij' der Leydsche KunstgenotenBij 't vrolijk Feestgejuich mijn speeltuig vinde ontsnaard.Laat van uw' zangtoon af, begaafde Nachtegalen;Leer, Lyciaansch gedrocht, gepaste klanken slaan;Pronk, gure Wintervorst, met zomerzonnestralen;En, Lente, doe een kleed van Noordsche Sneeuwjacht aan!Want vruchtloos grijpt mijn hand na de afgeleerde tonen,Bezweken onder 't wicht van ziels- en lichaamssmart.Vergeeft mij dit verzuim, Apolloos echte zonen!Zijt met mijn' will' vernoegd en toegenegen' hart'!
Wat poogt ge, ô dierbre Vriend! mijn dichtluim op te wekken,Daar ze in gevoelloosheid als weggezonken ligt?Ach! wilde ik thands mijn hand naar 't stramme speeltuig strekken;Ik bracht een' rouwgalm voort, voor juichend Feestgedicht.De erkentenis ('t is waar) moest mij de borst ontgloeien;Uw voorbeeld boven al mij strekken tot een spoor;Maar ach! mijn vuur verdooft, mijn dichtaâr schroomt te vloeien,Een lome vadzigheid dringt al mijn leden door:Een aaklig aantal van bedroefde mijmeringenHoudt steeds mijn' geest geboeid, mijne aandacht opgeschort;En, daar zich 't hart verteert in wrede pijnigingen,Is 't vruchtloos dat men zich tot blijde zangen port.Zie daar mijn' staat geschetst: en kan me uw vriendschap vergen,Dat ik, mij-zelv' ten spijt', gedwongen tonen slaa?Neen, gun mij dat ik slechts mijne onmacht moog verbergen,Eer d'onbedachte mond mijn hartsgeheim verraâ!ô Hatelijk besef! Onzalig onvermogen!Korts daagde ik elk vol moeds ten fieren zangstrijd' uit;En nu, gevoeleloos en werkloos neêrgebogen,Ontziet mijn blode hand de weigerende Luit!Waar zijt gij heengevloôn, ô heuchelijke dagen!Toen ik, den Hengst' gelijk, door wapenklank verhit,In 't edel strijdperk vloog, en de eerkroon weg mocht dragen,Van Leydens Dichtrenchoor begroet als Medelid?Waar zijt gij? keert te rug, geeft mij mij-zelven weder!—Ach! 't eertijds vierig ros, in 't wagenkrijt vermaard,Stort kwijnende en vermoeid bij zijne krib ter neder,Verzaad van d'ouden roem, verbasterd van zijn' aart.—Geloofde ik 't, dat mij ooit mijn Cyther zou verveelen,Mijn Cyther! Hemel! eer, de wellust van mijn ziel!Eer waande ik dat de stem der schelle FilomeelenIn 't dichtbekroosd moerasch den Vorsch' te beurte viel:Eer, dacht ik, zal de Lent' zich van haar groen ontbloten:Eer strijkt de Wintervorst de kegels uit zijn' baard:Dan 't hoge Jaargetij' der Leydsche KunstgenotenBij 't vrolijk Feestgejuich mijn speeltuig vinde ontsnaard.Laat van uw' zangtoon af, begaafde Nachtegalen;Leer, Lyciaansch gedrocht, gepaste klanken slaan;Pronk, gure Wintervorst, met zomerzonnestralen;En, Lente, doe een kleed van Noordsche Sneeuwjacht aan!Want vruchtloos grijpt mijn hand na de afgeleerde tonen,Bezweken onder 't wicht van ziels- en lichaamssmart.Vergeeft mij dit verzuim, Apolloos echte zonen!Zijt met mijn' will' vernoegd en toegenegen' hart'!
Wat poogt ge, ô dierbre Vriend! mijn dichtluim op te wekken,Daar ze in gevoelloosheid als weggezonken ligt?Ach! wilde ik thands mijn hand naar 't stramme speeltuig strekken;Ik bracht een' rouwgalm voort, voor juichend Feestgedicht.De erkentenis ('t is waar) moest mij de borst ontgloeien;Uw voorbeeld boven al mij strekken tot een spoor;Maar ach! mijn vuur verdooft, mijn dichtaâr schroomt te vloeien,Een lome vadzigheid dringt al mijn leden door:Een aaklig aantal van bedroefde mijmeringenHoudt steeds mijn' geest geboeid, mijne aandacht opgeschort;En, daar zich 't hart verteert in wrede pijnigingen,Is 't vruchtloos dat men zich tot blijde zangen port.Zie daar mijn' staat geschetst: en kan me uw vriendschap vergen,Dat ik, mij-zelv' ten spijt', gedwongen tonen slaa?Neen, gun mij dat ik slechts mijne onmacht moog verbergen,Eer d'onbedachte mond mijn hartsgeheim verraâ!ô Hatelijk besef! Onzalig onvermogen!Korts daagde ik elk vol moeds ten fieren zangstrijd' uit;En nu, gevoeleloos en werkloos neêrgebogen,Ontziet mijn blode hand de weigerende Luit!Waar zijt gij heengevloôn, ô heuchelijke dagen!Toen ik, den Hengst' gelijk, door wapenklank verhit,In 't edel strijdperk vloog, en de eerkroon weg mocht dragen,Van Leydens Dichtrenchoor begroet als Medelid?Waar zijt gij? keert te rug, geeft mij mij-zelven weder!—Ach! 't eertijds vierig ros, in 't wagenkrijt vermaard,Stort kwijnende en vermoeid bij zijne krib ter neder,Verzaad van d'ouden roem, verbasterd van zijn' aart.—Geloofde ik 't, dat mij ooit mijn Cyther zou verveelen,Mijn Cyther! Hemel! eer, de wellust van mijn ziel!Eer waande ik dat de stem der schelle FilomeelenIn 't dichtbekroosd moerasch den Vorsch' te beurte viel:Eer, dacht ik, zal de Lent' zich van haar groen ontbloten:Eer strijkt de Wintervorst de kegels uit zijn' baard:Dan 't hoge Jaargetij' der Leydsche KunstgenotenBij 't vrolijk Feestgejuich mijn speeltuig vinde ontsnaard.Laat van uw' zangtoon af, begaafde Nachtegalen;Leer, Lyciaansch gedrocht, gepaste klanken slaan;Pronk, gure Wintervorst, met zomerzonnestralen;En, Lente, doe een kleed van Noordsche Sneeuwjacht aan!Want vruchtloos grijpt mijn hand na de afgeleerde tonen,Bezweken onder 't wicht van ziels- en lichaamssmart.Vergeeft mij dit verzuim, Apolloos echte zonen!Zijt met mijn' will' vernoegd en toegenegen' hart'!
Wat poogt ge, ô dierbre Vriend! mijn dichtluim op te wekken,
Daar ze in gevoelloosheid als weggezonken ligt?
Ach! wilde ik thands mijn hand naar 't stramme speeltuig strekken;
Ik bracht een' rouwgalm voort, voor juichend Feestgedicht.
De erkentenis ('t is waar) moest mij de borst ontgloeien;
Uw voorbeeld boven al mij strekken tot een spoor;
Maar ach! mijn vuur verdooft, mijn dichtaâr schroomt te vloeien,
Een lome vadzigheid dringt al mijn leden door:
Een aaklig aantal van bedroefde mijmeringen
Houdt steeds mijn' geest geboeid, mijne aandacht opgeschort;
En, daar zich 't hart verteert in wrede pijnigingen,
Is 't vruchtloos dat men zich tot blijde zangen port.
Zie daar mijn' staat geschetst: en kan me uw vriendschap vergen,
Dat ik, mij-zelv' ten spijt', gedwongen tonen slaa?
Neen, gun mij dat ik slechts mijne onmacht moog verbergen,
Eer d'onbedachte mond mijn hartsgeheim verraâ!
ô Hatelijk besef! Onzalig onvermogen!
Korts daagde ik elk vol moeds ten fieren zangstrijd' uit;
En nu, gevoeleloos en werkloos neêrgebogen,
Ontziet mijn blode hand de weigerende Luit!
Waar zijt gij heengevloôn, ô heuchelijke dagen!
Toen ik, den Hengst' gelijk, door wapenklank verhit,
In 't edel strijdperk vloog, en de eerkroon weg mocht dragen,
Van Leydens Dichtrenchoor begroet als Medelid?
Waar zijt gij? keert te rug, geeft mij mij-zelven weder!—
Ach! 't eertijds vierig ros, in 't wagenkrijt vermaard,
Stort kwijnende en vermoeid bij zijne krib ter neder,
Verzaad van d'ouden roem, verbasterd van zijn' aart.
—Geloofde ik 't, dat mij ooit mijn Cyther zou verveelen,
Mijn Cyther! Hemel! eer, de wellust van mijn ziel!
Eer waande ik dat de stem der schelle Filomeelen
In 't dichtbekroosd moerasch den Vorsch' te beurte viel:
Eer, dacht ik, zal de Lent' zich van haar groen ontbloten:
Eer strijkt de Wintervorst de kegels uit zijn' baard:
Dan 't hoge Jaargetij' der Leydsche Kunstgenoten
Bij 't vrolijk Feestgejuich mijn speeltuig vinde ontsnaard.
Laat van uw' zangtoon af, begaafde Nachtegalen;
Leer, Lyciaansch gedrocht, gepaste klanken slaan;
Pronk, gure Wintervorst, met zomerzonnestralen;
En, Lente, doe een kleed van Noordsche Sneeuwjacht aan!
Want vruchtloos grijpt mijn hand na de afgeleerde tonen,
Bezweken onder 't wicht van ziels- en lichaamssmart.
Vergeeft mij dit verzuim, Apolloos echte zonen!
Zijt met mijn' will' vernoegd en toegenegen' hart'!
De snelgewiekte God der minn'Is Cytherêaas schoot ontvloden;Die vluchtling sloop ten mijnen boezem in.Men heeft uit Venus naam drie kusjes aangebodenVoor die, haar gramschap ten gevall',Het wichtje wederbrengen zal.Hergeef, behoude ik hem—? Ik blijf in twijfel hangen;Daar trekt mij 't gastvrijrecht; hier spreken mijn belangen:Een lieve kus van Venus is zo zoet!Gij, Dafne, die hij-zelf voor zijne moeder groet.Zeg, wilt gij hem tot d'eigen' prijs ontfangen?
De snelgewiekte God der minn'Is Cytherêaas schoot ontvloden;Die vluchtling sloop ten mijnen boezem in.Men heeft uit Venus naam drie kusjes aangebodenVoor die, haar gramschap ten gevall',Het wichtje wederbrengen zal.Hergeef, behoude ik hem—? Ik blijf in twijfel hangen;Daar trekt mij 't gastvrijrecht; hier spreken mijn belangen:Een lieve kus van Venus is zo zoet!Gij, Dafne, die hij-zelf voor zijne moeder groet.Zeg, wilt gij hem tot d'eigen' prijs ontfangen?
De snelgewiekte God der minn'Is Cytherêaas schoot ontvloden;Die vluchtling sloop ten mijnen boezem in.Men heeft uit Venus naam drie kusjes aangebodenVoor die, haar gramschap ten gevall',Het wichtje wederbrengen zal.
De snelgewiekte God der minn'
Is Cytherêaas schoot ontvloden;
Die vluchtling sloop ten mijnen boezem in.
Men heeft uit Venus naam drie kusjes aangeboden
Voor die, haar gramschap ten gevall',
Het wichtje wederbrengen zal.
Hergeef, behoude ik hem—? Ik blijf in twijfel hangen;Daar trekt mij 't gastvrijrecht; hier spreken mijn belangen:Een lieve kus van Venus is zo zoet!Gij, Dafne, die hij-zelf voor zijne moeder groet.Zeg, wilt gij hem tot d'eigen' prijs ontfangen?
Hergeef, behoude ik hem—? Ik blijf in twijfel hangen;
Daar trekt mij 't gastvrijrecht; hier spreken mijn belangen:
Een lieve kus van Venus is zo zoet!
Gij, Dafne, die hij-zelf voor zijne moeder groet.
Zeg, wilt gij hem tot d'eigen' prijs ontfangen?
Waar vliedt ge, onnoosle, heen? niets kan u 't vlieden baten.Dien 't Minnewicht vervolgt, koomt geene vlucht te staâ.Streef vrij door 't bruischend zout naar verr' gelegen staten;Zoek Zuid-, zoek Noorderpool; de Liefde volgt u na.Al voerde u Pegasus, op zijnen rug verheven,Het ongemeten ruim der Hemelkreitsen door;Al mocht gij door de lucht op Perseus vleugels zweven:Niets hielp Bellêrofons, niets nutte u Perseûs spoor.De vlugge Minnegod zal u gestaâg verzellen,En houdt uw' vrijen hals gebogen onder 't juk.'t Is ijdel, dat men zich in vrijheid tracht te stellen:Dus, dat men voor zijn macht gewillig nederbukk'!Gij hebt, mijn schone, u ook uw neêrlaag niet te schamen!Waar moed noch stoutheid geldt, daar is 't vergeefsch gestreên.De Liefde kluistere ons met gouden ketens samen,En drijve in zegepraal ons voor zijn' wagen heen!Jupijn, door bliksemvuur en donderkloot te vrezen,De ontsachbre Jupiter werd door zijn' schicht gewond:En gij, mijn Cinthia! zoudt gij onkwetsbaar wezen?Ach! vlei u met geen hoop, zo dwaas, zo min gegrond!En waarom, waarom ook zijn heerschappije ontvloden,Waar onder 't alles juicht, en dartelt, altoos blij'?Waar gulle weelde ons toeft op 't feestbanket der Goden?Geen vrijheid is zo zoet als Liefdes slavernij!Ai! offer, nevens mij, der lachende DioneUw ongevoelig hart op Pâfos minaltaar;Eer zij haar mogendheid in u gehandhaafd tone,En, tweede Anaxaréte, u 't doodlijkst lot weêrvaar.Wil dan, ai wil niet meer voor mijne omhelzing vluchten;Weêrsta geen kusjes meer, waar 't heiligst vuur in gloeit:Ach! smaken we, eens van zin, de tederste genuchten,Waar van de rozenkoets der dartle Cypris bloeit!Treed met mij, hand aan hand, de heilige valleien,Het zaligend verblijf der Zanggodessen in;Ons zullen ze een tapijt van frissche bloemtjes spreien:Zij kennen ook de macht der blanke Schuimgodin.Doorwandel, aan mijn zij', dees sombre Myrtplantaadje,Plantaadje, nooit van 't groen, van 't lentegroen ontbloot!Stap, stap vrijmoedig aan; 't was hier in dees Boschaadje,Dat gij, Terpsichoré, Apolloos min genoot.Hier vlijen we ons ter neêr, ô wellust van mijn leven,Wees gij mijn Zanggodes, ik zal uw Fêbus zijn!Zie, zie rondom ons heen de koele Zêfirs zweven,Zij strooien ons met thijm en geurigen jasmijn.Zie hier van Pindus top de zilvren hoefbron vlieten,Zij lekt den vruchtbren grond van dit aanminnig dal.Hoe noodigt ge ons den lust der liefde te genieten,ô Hartverkwikkend veld! ô heldre waterval!Hier zinge ik, in uw' arm, op uwen mond gelegen,De zaligheên der min; de boschgalm baauwt mij na.Ik heb in uwen schoot de onsterflijkheid verkregen!Gantsch Helicon weêrgalm' den naam van Cinthia!Callîöpe, uw trompet verbreide de eer der Helden;Moog 't opgetogen hart met heilige ijzing' slaan.Euterpes ruispijp zal van minnarijen melden;Gij, Polyhymnia, vang van Kupîdo aan!ô Zielbetoovrende! ô welluidendste aller klanken!Waar ben ik? ach! Verrukt gelijk een Wijnpaapin,Doortinteld van 't vermaak, verstrikt in liefderanken,Verlieze ik hier mij zelv' in d'oceaan der minn'.Rust, zoete tokkling, rust! Rust, trekkende amberlippen!Rust, eer mijn matte borst zich d'ademtocht ontzegg'!Ai mij! Ik voel de ziel mijn' zwoegend' hart' ontglippen!'k Bezwijk! ik zwijm! ik sterf! ik vloei van wellust weg!
Waar vliedt ge, onnoosle, heen? niets kan u 't vlieden baten.Dien 't Minnewicht vervolgt, koomt geene vlucht te staâ.Streef vrij door 't bruischend zout naar verr' gelegen staten;Zoek Zuid-, zoek Noorderpool; de Liefde volgt u na.Al voerde u Pegasus, op zijnen rug verheven,Het ongemeten ruim der Hemelkreitsen door;Al mocht gij door de lucht op Perseus vleugels zweven:Niets hielp Bellêrofons, niets nutte u Perseûs spoor.De vlugge Minnegod zal u gestaâg verzellen,En houdt uw' vrijen hals gebogen onder 't juk.'t Is ijdel, dat men zich in vrijheid tracht te stellen:Dus, dat men voor zijn macht gewillig nederbukk'!Gij hebt, mijn schone, u ook uw neêrlaag niet te schamen!Waar moed noch stoutheid geldt, daar is 't vergeefsch gestreên.De Liefde kluistere ons met gouden ketens samen,En drijve in zegepraal ons voor zijn' wagen heen!Jupijn, door bliksemvuur en donderkloot te vrezen,De ontsachbre Jupiter werd door zijn' schicht gewond:En gij, mijn Cinthia! zoudt gij onkwetsbaar wezen?Ach! vlei u met geen hoop, zo dwaas, zo min gegrond!En waarom, waarom ook zijn heerschappije ontvloden,Waar onder 't alles juicht, en dartelt, altoos blij'?Waar gulle weelde ons toeft op 't feestbanket der Goden?Geen vrijheid is zo zoet als Liefdes slavernij!Ai! offer, nevens mij, der lachende DioneUw ongevoelig hart op Pâfos minaltaar;Eer zij haar mogendheid in u gehandhaafd tone,En, tweede Anaxaréte, u 't doodlijkst lot weêrvaar.Wil dan, ai wil niet meer voor mijne omhelzing vluchten;Weêrsta geen kusjes meer, waar 't heiligst vuur in gloeit:Ach! smaken we, eens van zin, de tederste genuchten,Waar van de rozenkoets der dartle Cypris bloeit!Treed met mij, hand aan hand, de heilige valleien,Het zaligend verblijf der Zanggodessen in;Ons zullen ze een tapijt van frissche bloemtjes spreien:Zij kennen ook de macht der blanke Schuimgodin.Doorwandel, aan mijn zij', dees sombre Myrtplantaadje,Plantaadje, nooit van 't groen, van 't lentegroen ontbloot!Stap, stap vrijmoedig aan; 't was hier in dees Boschaadje,Dat gij, Terpsichoré, Apolloos min genoot.Hier vlijen we ons ter neêr, ô wellust van mijn leven,Wees gij mijn Zanggodes, ik zal uw Fêbus zijn!Zie, zie rondom ons heen de koele Zêfirs zweven,Zij strooien ons met thijm en geurigen jasmijn.Zie hier van Pindus top de zilvren hoefbron vlieten,Zij lekt den vruchtbren grond van dit aanminnig dal.Hoe noodigt ge ons den lust der liefde te genieten,ô Hartverkwikkend veld! ô heldre waterval!Hier zinge ik, in uw' arm, op uwen mond gelegen,De zaligheên der min; de boschgalm baauwt mij na.Ik heb in uwen schoot de onsterflijkheid verkregen!Gantsch Helicon weêrgalm' den naam van Cinthia!Callîöpe, uw trompet verbreide de eer der Helden;Moog 't opgetogen hart met heilige ijzing' slaan.Euterpes ruispijp zal van minnarijen melden;Gij, Polyhymnia, vang van Kupîdo aan!ô Zielbetoovrende! ô welluidendste aller klanken!Waar ben ik? ach! Verrukt gelijk een Wijnpaapin,Doortinteld van 't vermaak, verstrikt in liefderanken,Verlieze ik hier mij zelv' in d'oceaan der minn'.Rust, zoete tokkling, rust! Rust, trekkende amberlippen!Rust, eer mijn matte borst zich d'ademtocht ontzegg'!Ai mij! Ik voel de ziel mijn' zwoegend' hart' ontglippen!'k Bezwijk! ik zwijm! ik sterf! ik vloei van wellust weg!
Waar vliedt ge, onnoosle, heen? niets kan u 't vlieden baten.Dien 't Minnewicht vervolgt, koomt geene vlucht te staâ.Streef vrij door 't bruischend zout naar verr' gelegen staten;Zoek Zuid-, zoek Noorderpool; de Liefde volgt u na.Al voerde u Pegasus, op zijnen rug verheven,Het ongemeten ruim der Hemelkreitsen door;Al mocht gij door de lucht op Perseus vleugels zweven:Niets hielp Bellêrofons, niets nutte u Perseûs spoor.De vlugge Minnegod zal u gestaâg verzellen,En houdt uw' vrijen hals gebogen onder 't juk.'t Is ijdel, dat men zich in vrijheid tracht te stellen:Dus, dat men voor zijn macht gewillig nederbukk'!Gij hebt, mijn schone, u ook uw neêrlaag niet te schamen!Waar moed noch stoutheid geldt, daar is 't vergeefsch gestreên.De Liefde kluistere ons met gouden ketens samen,En drijve in zegepraal ons voor zijn' wagen heen!Jupijn, door bliksemvuur en donderkloot te vrezen,De ontsachbre Jupiter werd door zijn' schicht gewond:En gij, mijn Cinthia! zoudt gij onkwetsbaar wezen?Ach! vlei u met geen hoop, zo dwaas, zo min gegrond!En waarom, waarom ook zijn heerschappije ontvloden,Waar onder 't alles juicht, en dartelt, altoos blij'?Waar gulle weelde ons toeft op 't feestbanket der Goden?Geen vrijheid is zo zoet als Liefdes slavernij!Ai! offer, nevens mij, der lachende DioneUw ongevoelig hart op Pâfos minaltaar;Eer zij haar mogendheid in u gehandhaafd tone,En, tweede Anaxaréte, u 't doodlijkst lot weêrvaar.Wil dan, ai wil niet meer voor mijne omhelzing vluchten;Weêrsta geen kusjes meer, waar 't heiligst vuur in gloeit:Ach! smaken we, eens van zin, de tederste genuchten,Waar van de rozenkoets der dartle Cypris bloeit!Treed met mij, hand aan hand, de heilige valleien,Het zaligend verblijf der Zanggodessen in;Ons zullen ze een tapijt van frissche bloemtjes spreien:Zij kennen ook de macht der blanke Schuimgodin.Doorwandel, aan mijn zij', dees sombre Myrtplantaadje,Plantaadje, nooit van 't groen, van 't lentegroen ontbloot!Stap, stap vrijmoedig aan; 't was hier in dees Boschaadje,Dat gij, Terpsichoré, Apolloos min genoot.Hier vlijen we ons ter neêr, ô wellust van mijn leven,Wees gij mijn Zanggodes, ik zal uw Fêbus zijn!Zie, zie rondom ons heen de koele Zêfirs zweven,Zij strooien ons met thijm en geurigen jasmijn.Zie hier van Pindus top de zilvren hoefbron vlieten,Zij lekt den vruchtbren grond van dit aanminnig dal.Hoe noodigt ge ons den lust der liefde te genieten,ô Hartverkwikkend veld! ô heldre waterval!Hier zinge ik, in uw' arm, op uwen mond gelegen,De zaligheên der min; de boschgalm baauwt mij na.Ik heb in uwen schoot de onsterflijkheid verkregen!Gantsch Helicon weêrgalm' den naam van Cinthia!Callîöpe, uw trompet verbreide de eer der Helden;Moog 't opgetogen hart met heilige ijzing' slaan.Euterpes ruispijp zal van minnarijen melden;Gij, Polyhymnia, vang van Kupîdo aan!ô Zielbetoovrende! ô welluidendste aller klanken!Waar ben ik? ach! Verrukt gelijk een Wijnpaapin,Doortinteld van 't vermaak, verstrikt in liefderanken,Verlieze ik hier mij zelv' in d'oceaan der minn'.Rust, zoete tokkling, rust! Rust, trekkende amberlippen!Rust, eer mijn matte borst zich d'ademtocht ontzegg'!Ai mij! Ik voel de ziel mijn' zwoegend' hart' ontglippen!'k Bezwijk! ik zwijm! ik sterf! ik vloei van wellust weg!
Waar vliedt ge, onnoosle, heen? niets kan u 't vlieden baten.
Dien 't Minnewicht vervolgt, koomt geene vlucht te staâ.
Streef vrij door 't bruischend zout naar verr' gelegen staten;
Zoek Zuid-, zoek Noorderpool; de Liefde volgt u na.
Al voerde u Pegasus, op zijnen rug verheven,
Het ongemeten ruim der Hemelkreitsen door;
Al mocht gij door de lucht op Perseus vleugels zweven:
Niets hielp Bellêrofons, niets nutte u Perseûs spoor.
De vlugge Minnegod zal u gestaâg verzellen,
En houdt uw' vrijen hals gebogen onder 't juk.
't Is ijdel, dat men zich in vrijheid tracht te stellen:
Dus, dat men voor zijn macht gewillig nederbukk'!
Gij hebt, mijn schone, u ook uw neêrlaag niet te schamen!
Waar moed noch stoutheid geldt, daar is 't vergeefsch gestreên.
De Liefde kluistere ons met gouden ketens samen,
En drijve in zegepraal ons voor zijn' wagen heen!
Jupijn, door bliksemvuur en donderkloot te vrezen,
De ontsachbre Jupiter werd door zijn' schicht gewond:
En gij, mijn Cinthia! zoudt gij onkwetsbaar wezen?
Ach! vlei u met geen hoop, zo dwaas, zo min gegrond!
En waarom, waarom ook zijn heerschappije ontvloden,
Waar onder 't alles juicht, en dartelt, altoos blij'?
Waar gulle weelde ons toeft op 't feestbanket der Goden?
Geen vrijheid is zo zoet als Liefdes slavernij!
Ai! offer, nevens mij, der lachende Dione
Uw ongevoelig hart op Pâfos minaltaar;
Eer zij haar mogendheid in u gehandhaafd tone,
En, tweede Anaxaréte, u 't doodlijkst lot weêrvaar.
Wil dan, ai wil niet meer voor mijne omhelzing vluchten;
Weêrsta geen kusjes meer, waar 't heiligst vuur in gloeit:
Ach! smaken we, eens van zin, de tederste genuchten,
Waar van de rozenkoets der dartle Cypris bloeit!
Treed met mij, hand aan hand, de heilige valleien,
Het zaligend verblijf der Zanggodessen in;
Ons zullen ze een tapijt van frissche bloemtjes spreien:
Zij kennen ook de macht der blanke Schuimgodin.
Doorwandel, aan mijn zij', dees sombre Myrtplantaadje,
Plantaadje, nooit van 't groen, van 't lentegroen ontbloot!
Stap, stap vrijmoedig aan; 't was hier in dees Boschaadje,
Dat gij, Terpsichoré, Apolloos min genoot.
Hier vlijen we ons ter neêr, ô wellust van mijn leven,
Wees gij mijn Zanggodes, ik zal uw Fêbus zijn!
Zie, zie rondom ons heen de koele Zêfirs zweven,
Zij strooien ons met thijm en geurigen jasmijn.
Zie hier van Pindus top de zilvren hoefbron vlieten,
Zij lekt den vruchtbren grond van dit aanminnig dal.
Hoe noodigt ge ons den lust der liefde te genieten,
ô Hartverkwikkend veld! ô heldre waterval!
Hier zinge ik, in uw' arm, op uwen mond gelegen,
De zaligheên der min; de boschgalm baauwt mij na.
Ik heb in uwen schoot de onsterflijkheid verkregen!
Gantsch Helicon weêrgalm' den naam van Cinthia!
Callîöpe, uw trompet verbreide de eer der Helden;
Moog 't opgetogen hart met heilige ijzing' slaan.
Euterpes ruispijp zal van minnarijen melden;
Gij, Polyhymnia, vang van Kupîdo aan!
ô Zielbetoovrende! ô welluidendste aller klanken!
Waar ben ik? ach! Verrukt gelijk een Wijnpaapin,
Doortinteld van 't vermaak, verstrikt in liefderanken,
Verlieze ik hier mij zelv' in d'oceaan der minn'.
Rust, zoete tokkling, rust! Rust, trekkende amberlippen!
Rust, eer mijn matte borst zich d'ademtocht ontzegg'!
Ai mij! Ik voel de ziel mijn' zwoegend' hart' ontglippen!
'k Bezwijk! ik zwijm! ik sterf! ik vloei van wellust weg!
De Herder Thyrsis dreef in de eigen klaverweideMet Egle, 't wollig vee door thijm en boterbloem:Beide even teêr van hart', gelijk van jaren beide,Was hij der knapen, zij der herderinnen roem.Men zag de middagzon in 't brandend hoofdpunt blinken,Wanneer ze in frissche schaâuw van lommrige IJpenblaân,Op wisselende beurt' hun ruischpijp deden klinken;En dus hief Thyrsis 't eerst zijn' zoeten veldzang aan.THYRSIS.Spaar, hongerige wolf, mijn geitjes: spaar mijn schapen:Wet, wet uw tanden niet op mijn geringe kooi.Tracht eer van groter stal een' vetter roof te rapen.Verschoon mijn lammren slechts; 'k vergun u rijker prooi.EGLE.Mijn Lobbes, 'k stel dees kudde in uw getrouwe hoede:Maar waak voor 't weerloos vee, dat u bevolen wordt;Ontdek door luid geblaf den vijand in zijn woede.Daar ik, in deze grot, in Thyrsis armen stort'.THYRSIS.Schoon Fêbus zomergloed, en wei- en akkerstreken,De Hondstar 't teedre kruid, verzengt en blaakt en brandt;Daar vee en grond en meir in heete dorst ontsteken;Mij zweeft veel feller vlam door 't gloeiende ingewand.EGLE.Gelijk een vuur, verspreid op vruchtbre korenlanden,Als 't woên des Noordenwinds de vlam onbluschbaar maakt:Gelijk na ruimen oogst de ontstoken stopplen branden;Zo is 't, dat dees mijn borst voor u, mijn Thyrsis! blaakt.THYRSIS.Schoon gulden Cytherê mij liefde kwam verklaren;'k Verachtte om uwen wil Idaaljes rijksvorstin.Al mocht ik de oude kraai in leeftijd evenaren;Mijn Egle is Thyrsis eerste, en blijft zijn laatste min.EGLE.Zo God Apollo-zelf zijn min mij aan kwam bieden,Hij, door zijn gouden lier en blonde kruin vermaard;(Geloof me op onze min!) 'k zou zijne omhelzing vlieden:Mijn Thyrsis is mij meer dan Fébus Godheid waard.THYRSIS.Ge ontrooft me, ô Egle, 't hart door uw bevallige oogen:Mijn hart versmelt in uwe omhelzing', al te teêr!Wend, wend dat aanzicht af: 'k bezwijk voor zijn vermogen:Weêrhoud die stralen vuurs: mijn boezem kan niet meer!EGLE.Bij 't knikkend olmenloof, op jonge wijngaardloten,Ontfing u 't schomlend wiegje uit moeders blanken schoot:Daar laagt ge, ô schone telg, de hoop der stamgenoten!Gelijk de lenteroos bij 't maagdlijk boezemrood.THYRSIS.Geen appel, door den beet van lieve maagdetandenGekliefd, geen veldviool, is met zoo'n geur bedeeld;Geen balsem, geen kaneel, in Ganges kruidwaranden;Als 't hair, dat om uw' hals met blonde golfjes speelt.EGLE.Och of mij waar vergund de naam van uwe Zuster!Och had en u en mij een zelfde borst gezoogd!Mocht gij mijn Broeder zijn!—zo ware ik veel geruster:Mijn kusjes wierden zelfs in 't open veld gedoogd.THYRSIS.Gij zijt mijn Zuster; ja, mijne Egle! ik ben uw Broeder:Één Vader teelde ons beide, één bed is ons gemeen.Dus zegt ons 't minnewicht, dus spreekt zijn teedre moeder:Ach, strenglen wij gerust onze armen onder een!EGLE.Laat af, mijn speelnoots, mij, met blijde feestgezangen,Te leiden naar den dans: weg luit en rinkelbom!De Idalische Godin, de Min heeft mij gevangen:Ik ben, ik ben geheel mijns Thyrsis eigendom.THYRSIS.Mag ik, mijn welbeminde, u in deze armen klemmen!Is 't purper van uw borst geschonken aan mijn' lust!En mag ik in uw' schoot in gulle weelde zwemmen!Bezwijmen aan uw' mond!—Rust met mij, liefde, rust!EGLE.Zoude ik u weigren, mij in uwen arm te omvangen?Den wellust van mijn' schoot ontzeggen aan uw min?—Neen, kleef mij om den hals, blijf aan mijn lippen hangen,Zwijm op mijn zwoegend hart: gij woont, gij heerscht daar in.THYRSIS.Zo pronkt Eurotas boord, met schonen myrth omgeven;Zo, de eedle muskadel, die oog en tong vergast;Zo, 't kostlijk nardusvat, uit onyxsteen gedreven;Gelijk uw zuivre borst met levendig albast.EGLE.ô Windtje, dat de blaân van 't klavergroen doet ruischen,ô Zêfyr! koel de lucht, dat Thyrsis wellust raap:En, vlietend beekje, gij! doe zacht uw water bruischen,Roep met een zoet gezuis den wellustvollen slaap.THYRSIS.Dus zaagt ge in Venus arm, Sabeesche tempelwouden!Adoon van weelde ontzield, wegzinkende in heur' schoot,(En dit kon machtloos zijn, zijn' jachtlust in te houden!)Tot Morfeus zachte hand hem 't zwijmende ooglid sloot.EGLE.Gelijk in lentetijd, de purperrode rozen;Of, als de korentjes in d' Oosterschen granaat,Die met een' zachten gloed door hun bekleedzels blozen;Zo is de purpren blos, die zweeft op uw gelaat.THYRSIS.Hoe gloeien, ô mijn schone, ô wellust van mijn leven!Uw lipjes, menigwerv' zo minnelijk gedrukt!Geen' purpren druiventross' is zulk een glans gegeven;Geen honigzoete kers, ten rechten tijd' geplukt.EGLE.Gelijk 't geboomte boogt op blaadren; 't veld op bloemen;De duif op 't zilverwit, dat haar de veders siert;Zo mag mijn Thyrsis meê op zijne haarlok roemen,Die kunstloos, van natuur, hem om de schoudren zwiert.THYRSIS.Hier zag ik u het eerst in kinderlijke jaren,Terwijl ge een korfje droegt, vervuld met lelieblaân;'k Was bezig, lelies tot een bloemfestoen te gaâren:Ach! gij bekoordet mij; de liefde gloor mij aan.EGLE.'k Herdenk nog, hoe we ons 't eerst ontmoeteden met de oogen!Wij dreven 't grazend vee aan gindsche beek bij een.Toen is mij 't minnewicht ten boezem ingevlogen,Terwijl gij kus op kus vermengdet met uw reên.THYRSIS.ô Egle, bloeiender dan Tempes myrthenhoven!Mij zoeter dan de keur van liefelijken wijn!Gij gaat, in zuiverheid, de blanke wol te boven;In helderheid, de beek; in rijzigheid, den pijn.EGLE.'k Zal u een rozengaard, een majoleintuin wezen;Wees gij mijn Westenwind, zo bloeie ik u ter eer'.Ontbreekt mijn Zéfyrus; de roos, hoe uitgelezen,Verlept; de majolein verspreidt haar geur niet meer.THYRSIS.Kupîdo! dees abeel zal een gedichtje voeren;Een dichtje, ô Minnegod, dat u geheiligd is:Zo lang ik Egle, mij mijne Egle 't hart mag roeren,Zo lang blijve ook uw naam ons in gedachteniss'!EGLE.Ik wil u dezen myrth, ô blanke Venus! wijden;Deez' schonen myrth, geplant aan d'oever van dien stroom:Hoe schudt hij 't bladrijk hoofd verwaand naar wederzijden!—Zo bloeie ook onze min, gelijk dees myrtheboom!Terwijl ze op deze wijze elkanders toon vervangen,Trekt de avondstar 't gestarnte uit de Oosterluchtkimm' voor.Dus 't hart zich zalvende met zoete beurtgezangen,Geleidden zij de zon heur wijde loopbaan door.
De Herder Thyrsis dreef in de eigen klaverweideMet Egle, 't wollig vee door thijm en boterbloem:Beide even teêr van hart', gelijk van jaren beide,Was hij der knapen, zij der herderinnen roem.Men zag de middagzon in 't brandend hoofdpunt blinken,Wanneer ze in frissche schaâuw van lommrige IJpenblaân,Op wisselende beurt' hun ruischpijp deden klinken;En dus hief Thyrsis 't eerst zijn' zoeten veldzang aan.THYRSIS.Spaar, hongerige wolf, mijn geitjes: spaar mijn schapen:Wet, wet uw tanden niet op mijn geringe kooi.Tracht eer van groter stal een' vetter roof te rapen.Verschoon mijn lammren slechts; 'k vergun u rijker prooi.EGLE.Mijn Lobbes, 'k stel dees kudde in uw getrouwe hoede:Maar waak voor 't weerloos vee, dat u bevolen wordt;Ontdek door luid geblaf den vijand in zijn woede.Daar ik, in deze grot, in Thyrsis armen stort'.THYRSIS.Schoon Fêbus zomergloed, en wei- en akkerstreken,De Hondstar 't teedre kruid, verzengt en blaakt en brandt;Daar vee en grond en meir in heete dorst ontsteken;Mij zweeft veel feller vlam door 't gloeiende ingewand.EGLE.Gelijk een vuur, verspreid op vruchtbre korenlanden,Als 't woên des Noordenwinds de vlam onbluschbaar maakt:Gelijk na ruimen oogst de ontstoken stopplen branden;Zo is 't, dat dees mijn borst voor u, mijn Thyrsis! blaakt.THYRSIS.Schoon gulden Cytherê mij liefde kwam verklaren;'k Verachtte om uwen wil Idaaljes rijksvorstin.Al mocht ik de oude kraai in leeftijd evenaren;Mijn Egle is Thyrsis eerste, en blijft zijn laatste min.EGLE.Zo God Apollo-zelf zijn min mij aan kwam bieden,Hij, door zijn gouden lier en blonde kruin vermaard;(Geloof me op onze min!) 'k zou zijne omhelzing vlieden:Mijn Thyrsis is mij meer dan Fébus Godheid waard.THYRSIS.Ge ontrooft me, ô Egle, 't hart door uw bevallige oogen:Mijn hart versmelt in uwe omhelzing', al te teêr!Wend, wend dat aanzicht af: 'k bezwijk voor zijn vermogen:Weêrhoud die stralen vuurs: mijn boezem kan niet meer!EGLE.Bij 't knikkend olmenloof, op jonge wijngaardloten,Ontfing u 't schomlend wiegje uit moeders blanken schoot:Daar laagt ge, ô schone telg, de hoop der stamgenoten!Gelijk de lenteroos bij 't maagdlijk boezemrood.THYRSIS.Geen appel, door den beet van lieve maagdetandenGekliefd, geen veldviool, is met zoo'n geur bedeeld;Geen balsem, geen kaneel, in Ganges kruidwaranden;Als 't hair, dat om uw' hals met blonde golfjes speelt.EGLE.Och of mij waar vergund de naam van uwe Zuster!Och had en u en mij een zelfde borst gezoogd!Mocht gij mijn Broeder zijn!—zo ware ik veel geruster:Mijn kusjes wierden zelfs in 't open veld gedoogd.THYRSIS.Gij zijt mijn Zuster; ja, mijne Egle! ik ben uw Broeder:Één Vader teelde ons beide, één bed is ons gemeen.Dus zegt ons 't minnewicht, dus spreekt zijn teedre moeder:Ach, strenglen wij gerust onze armen onder een!EGLE.Laat af, mijn speelnoots, mij, met blijde feestgezangen,Te leiden naar den dans: weg luit en rinkelbom!De Idalische Godin, de Min heeft mij gevangen:Ik ben, ik ben geheel mijns Thyrsis eigendom.THYRSIS.Mag ik, mijn welbeminde, u in deze armen klemmen!Is 't purper van uw borst geschonken aan mijn' lust!En mag ik in uw' schoot in gulle weelde zwemmen!Bezwijmen aan uw' mond!—Rust met mij, liefde, rust!EGLE.Zoude ik u weigren, mij in uwen arm te omvangen?Den wellust van mijn' schoot ontzeggen aan uw min?—Neen, kleef mij om den hals, blijf aan mijn lippen hangen,Zwijm op mijn zwoegend hart: gij woont, gij heerscht daar in.THYRSIS.Zo pronkt Eurotas boord, met schonen myrth omgeven;Zo, de eedle muskadel, die oog en tong vergast;Zo, 't kostlijk nardusvat, uit onyxsteen gedreven;Gelijk uw zuivre borst met levendig albast.EGLE.ô Windtje, dat de blaân van 't klavergroen doet ruischen,ô Zêfyr! koel de lucht, dat Thyrsis wellust raap:En, vlietend beekje, gij! doe zacht uw water bruischen,Roep met een zoet gezuis den wellustvollen slaap.THYRSIS.Dus zaagt ge in Venus arm, Sabeesche tempelwouden!Adoon van weelde ontzield, wegzinkende in heur' schoot,(En dit kon machtloos zijn, zijn' jachtlust in te houden!)Tot Morfeus zachte hand hem 't zwijmende ooglid sloot.EGLE.Gelijk in lentetijd, de purperrode rozen;Of, als de korentjes in d' Oosterschen granaat,Die met een' zachten gloed door hun bekleedzels blozen;Zo is de purpren blos, die zweeft op uw gelaat.THYRSIS.Hoe gloeien, ô mijn schone, ô wellust van mijn leven!Uw lipjes, menigwerv' zo minnelijk gedrukt!Geen' purpren druiventross' is zulk een glans gegeven;Geen honigzoete kers, ten rechten tijd' geplukt.EGLE.Gelijk 't geboomte boogt op blaadren; 't veld op bloemen;De duif op 't zilverwit, dat haar de veders siert;Zo mag mijn Thyrsis meê op zijne haarlok roemen,Die kunstloos, van natuur, hem om de schoudren zwiert.THYRSIS.Hier zag ik u het eerst in kinderlijke jaren,Terwijl ge een korfje droegt, vervuld met lelieblaân;'k Was bezig, lelies tot een bloemfestoen te gaâren:Ach! gij bekoordet mij; de liefde gloor mij aan.EGLE.'k Herdenk nog, hoe we ons 't eerst ontmoeteden met de oogen!Wij dreven 't grazend vee aan gindsche beek bij een.Toen is mij 't minnewicht ten boezem ingevlogen,Terwijl gij kus op kus vermengdet met uw reên.THYRSIS.ô Egle, bloeiender dan Tempes myrthenhoven!Mij zoeter dan de keur van liefelijken wijn!Gij gaat, in zuiverheid, de blanke wol te boven;In helderheid, de beek; in rijzigheid, den pijn.EGLE.'k Zal u een rozengaard, een majoleintuin wezen;Wees gij mijn Westenwind, zo bloeie ik u ter eer'.Ontbreekt mijn Zéfyrus; de roos, hoe uitgelezen,Verlept; de majolein verspreidt haar geur niet meer.THYRSIS.Kupîdo! dees abeel zal een gedichtje voeren;Een dichtje, ô Minnegod, dat u geheiligd is:Zo lang ik Egle, mij mijne Egle 't hart mag roeren,Zo lang blijve ook uw naam ons in gedachteniss'!EGLE.Ik wil u dezen myrth, ô blanke Venus! wijden;Deez' schonen myrth, geplant aan d'oever van dien stroom:Hoe schudt hij 't bladrijk hoofd verwaand naar wederzijden!—Zo bloeie ook onze min, gelijk dees myrtheboom!Terwijl ze op deze wijze elkanders toon vervangen,Trekt de avondstar 't gestarnte uit de Oosterluchtkimm' voor.Dus 't hart zich zalvende met zoete beurtgezangen,Geleidden zij de zon heur wijde loopbaan door.
De Herder Thyrsis dreef in de eigen klaverweideMet Egle, 't wollig vee door thijm en boterbloem:Beide even teêr van hart', gelijk van jaren beide,Was hij der knapen, zij der herderinnen roem.Men zag de middagzon in 't brandend hoofdpunt blinken,Wanneer ze in frissche schaâuw van lommrige IJpenblaân,Op wisselende beurt' hun ruischpijp deden klinken;En dus hief Thyrsis 't eerst zijn' zoeten veldzang aan.
De Herder Thyrsis dreef in de eigen klaverweide
Met Egle, 't wollig vee door thijm en boterbloem:
Beide even teêr van hart', gelijk van jaren beide,
Was hij der knapen, zij der herderinnen roem.
Men zag de middagzon in 't brandend hoofdpunt blinken,
Wanneer ze in frissche schaâuw van lommrige IJpenblaân,
Op wisselende beurt' hun ruischpijp deden klinken;
En dus hief Thyrsis 't eerst zijn' zoeten veldzang aan.
THYRSIS.
Spaar, hongerige wolf, mijn geitjes: spaar mijn schapen:Wet, wet uw tanden niet op mijn geringe kooi.Tracht eer van groter stal een' vetter roof te rapen.Verschoon mijn lammren slechts; 'k vergun u rijker prooi.
Spaar, hongerige wolf, mijn geitjes: spaar mijn schapen:
Wet, wet uw tanden niet op mijn geringe kooi.
Tracht eer van groter stal een' vetter roof te rapen.
Verschoon mijn lammren slechts; 'k vergun u rijker prooi.
EGLE.
Mijn Lobbes, 'k stel dees kudde in uw getrouwe hoede:Maar waak voor 't weerloos vee, dat u bevolen wordt;Ontdek door luid geblaf den vijand in zijn woede.Daar ik, in deze grot, in Thyrsis armen stort'.
Mijn Lobbes, 'k stel dees kudde in uw getrouwe hoede:
Maar waak voor 't weerloos vee, dat u bevolen wordt;
Ontdek door luid geblaf den vijand in zijn woede.
Daar ik, in deze grot, in Thyrsis armen stort'.
THYRSIS.
Schoon Fêbus zomergloed, en wei- en akkerstreken,De Hondstar 't teedre kruid, verzengt en blaakt en brandt;Daar vee en grond en meir in heete dorst ontsteken;Mij zweeft veel feller vlam door 't gloeiende ingewand.
Schoon Fêbus zomergloed, en wei- en akkerstreken,
De Hondstar 't teedre kruid, verzengt en blaakt en brandt;
Daar vee en grond en meir in heete dorst ontsteken;
Mij zweeft veel feller vlam door 't gloeiende ingewand.
EGLE.
Gelijk een vuur, verspreid op vruchtbre korenlanden,Als 't woên des Noordenwinds de vlam onbluschbaar maakt:Gelijk na ruimen oogst de ontstoken stopplen branden;Zo is 't, dat dees mijn borst voor u, mijn Thyrsis! blaakt.
Gelijk een vuur, verspreid op vruchtbre korenlanden,
Als 't woên des Noordenwinds de vlam onbluschbaar maakt:
Gelijk na ruimen oogst de ontstoken stopplen branden;
Zo is 't, dat dees mijn borst voor u, mijn Thyrsis! blaakt.
THYRSIS.
Schoon gulden Cytherê mij liefde kwam verklaren;'k Verachtte om uwen wil Idaaljes rijksvorstin.Al mocht ik de oude kraai in leeftijd evenaren;Mijn Egle is Thyrsis eerste, en blijft zijn laatste min.
Schoon gulden Cytherê mij liefde kwam verklaren;
'k Verachtte om uwen wil Idaaljes rijksvorstin.
Al mocht ik de oude kraai in leeftijd evenaren;
Mijn Egle is Thyrsis eerste, en blijft zijn laatste min.
EGLE.
Zo God Apollo-zelf zijn min mij aan kwam bieden,Hij, door zijn gouden lier en blonde kruin vermaard;(Geloof me op onze min!) 'k zou zijne omhelzing vlieden:Mijn Thyrsis is mij meer dan Fébus Godheid waard.
Zo God Apollo-zelf zijn min mij aan kwam bieden,
Hij, door zijn gouden lier en blonde kruin vermaard;
(Geloof me op onze min!) 'k zou zijne omhelzing vlieden:
Mijn Thyrsis is mij meer dan Fébus Godheid waard.
THYRSIS.
Ge ontrooft me, ô Egle, 't hart door uw bevallige oogen:Mijn hart versmelt in uwe omhelzing', al te teêr!Wend, wend dat aanzicht af: 'k bezwijk voor zijn vermogen:Weêrhoud die stralen vuurs: mijn boezem kan niet meer!
Ge ontrooft me, ô Egle, 't hart door uw bevallige oogen:
Mijn hart versmelt in uwe omhelzing', al te teêr!
Wend, wend dat aanzicht af: 'k bezwijk voor zijn vermogen:
Weêrhoud die stralen vuurs: mijn boezem kan niet meer!
EGLE.
Bij 't knikkend olmenloof, op jonge wijngaardloten,Ontfing u 't schomlend wiegje uit moeders blanken schoot:Daar laagt ge, ô schone telg, de hoop der stamgenoten!Gelijk de lenteroos bij 't maagdlijk boezemrood.
Bij 't knikkend olmenloof, op jonge wijngaardloten,
Ontfing u 't schomlend wiegje uit moeders blanken schoot:
Daar laagt ge, ô schone telg, de hoop der stamgenoten!
Gelijk de lenteroos bij 't maagdlijk boezemrood.
THYRSIS.
Geen appel, door den beet van lieve maagdetandenGekliefd, geen veldviool, is met zoo'n geur bedeeld;Geen balsem, geen kaneel, in Ganges kruidwaranden;Als 't hair, dat om uw' hals met blonde golfjes speelt.
Geen appel, door den beet van lieve maagdetanden
Gekliefd, geen veldviool, is met zoo'n geur bedeeld;
Geen balsem, geen kaneel, in Ganges kruidwaranden;
Als 't hair, dat om uw' hals met blonde golfjes speelt.
EGLE.
Och of mij waar vergund de naam van uwe Zuster!Och had en u en mij een zelfde borst gezoogd!Mocht gij mijn Broeder zijn!—zo ware ik veel geruster:Mijn kusjes wierden zelfs in 't open veld gedoogd.
Och of mij waar vergund de naam van uwe Zuster!
Och had en u en mij een zelfde borst gezoogd!
Mocht gij mijn Broeder zijn!—zo ware ik veel geruster:
Mijn kusjes wierden zelfs in 't open veld gedoogd.
THYRSIS.
Gij zijt mijn Zuster; ja, mijne Egle! ik ben uw Broeder:Één Vader teelde ons beide, één bed is ons gemeen.Dus zegt ons 't minnewicht, dus spreekt zijn teedre moeder:Ach, strenglen wij gerust onze armen onder een!
Gij zijt mijn Zuster; ja, mijne Egle! ik ben uw Broeder:
Één Vader teelde ons beide, één bed is ons gemeen.
Dus zegt ons 't minnewicht, dus spreekt zijn teedre moeder:
Ach, strenglen wij gerust onze armen onder een!
EGLE.
Laat af, mijn speelnoots, mij, met blijde feestgezangen,Te leiden naar den dans: weg luit en rinkelbom!De Idalische Godin, de Min heeft mij gevangen:Ik ben, ik ben geheel mijns Thyrsis eigendom.
Laat af, mijn speelnoots, mij, met blijde feestgezangen,
Te leiden naar den dans: weg luit en rinkelbom!
De Idalische Godin, de Min heeft mij gevangen:
Ik ben, ik ben geheel mijns Thyrsis eigendom.
THYRSIS.
Mag ik, mijn welbeminde, u in deze armen klemmen!Is 't purper van uw borst geschonken aan mijn' lust!En mag ik in uw' schoot in gulle weelde zwemmen!Bezwijmen aan uw' mond!—Rust met mij, liefde, rust!
Mag ik, mijn welbeminde, u in deze armen klemmen!
Is 't purper van uw borst geschonken aan mijn' lust!
En mag ik in uw' schoot in gulle weelde zwemmen!
Bezwijmen aan uw' mond!—Rust met mij, liefde, rust!
EGLE.
Zoude ik u weigren, mij in uwen arm te omvangen?Den wellust van mijn' schoot ontzeggen aan uw min?—Neen, kleef mij om den hals, blijf aan mijn lippen hangen,Zwijm op mijn zwoegend hart: gij woont, gij heerscht daar in.
Zoude ik u weigren, mij in uwen arm te omvangen?
Den wellust van mijn' schoot ontzeggen aan uw min?—
Neen, kleef mij om den hals, blijf aan mijn lippen hangen,
Zwijm op mijn zwoegend hart: gij woont, gij heerscht daar in.
THYRSIS.
Zo pronkt Eurotas boord, met schonen myrth omgeven;Zo, de eedle muskadel, die oog en tong vergast;Zo, 't kostlijk nardusvat, uit onyxsteen gedreven;Gelijk uw zuivre borst met levendig albast.
Zo pronkt Eurotas boord, met schonen myrth omgeven;
Zo, de eedle muskadel, die oog en tong vergast;
Zo, 't kostlijk nardusvat, uit onyxsteen gedreven;
Gelijk uw zuivre borst met levendig albast.
EGLE.
ô Windtje, dat de blaân van 't klavergroen doet ruischen,ô Zêfyr! koel de lucht, dat Thyrsis wellust raap:En, vlietend beekje, gij! doe zacht uw water bruischen,Roep met een zoet gezuis den wellustvollen slaap.
ô Windtje, dat de blaân van 't klavergroen doet ruischen,
ô Zêfyr! koel de lucht, dat Thyrsis wellust raap:
En, vlietend beekje, gij! doe zacht uw water bruischen,
Roep met een zoet gezuis den wellustvollen slaap.
THYRSIS.
Dus zaagt ge in Venus arm, Sabeesche tempelwouden!Adoon van weelde ontzield, wegzinkende in heur' schoot,(En dit kon machtloos zijn, zijn' jachtlust in te houden!)Tot Morfeus zachte hand hem 't zwijmende ooglid sloot.
Dus zaagt ge in Venus arm, Sabeesche tempelwouden!
Adoon van weelde ontzield, wegzinkende in heur' schoot,
(En dit kon machtloos zijn, zijn' jachtlust in te houden!)
Tot Morfeus zachte hand hem 't zwijmende ooglid sloot.
EGLE.
Gelijk in lentetijd, de purperrode rozen;Of, als de korentjes in d' Oosterschen granaat,Die met een' zachten gloed door hun bekleedzels blozen;Zo is de purpren blos, die zweeft op uw gelaat.
Gelijk in lentetijd, de purperrode rozen;
Of, als de korentjes in d' Oosterschen granaat,
Die met een' zachten gloed door hun bekleedzels blozen;
Zo is de purpren blos, die zweeft op uw gelaat.
THYRSIS.
Hoe gloeien, ô mijn schone, ô wellust van mijn leven!Uw lipjes, menigwerv' zo minnelijk gedrukt!Geen' purpren druiventross' is zulk een glans gegeven;Geen honigzoete kers, ten rechten tijd' geplukt.
Hoe gloeien, ô mijn schone, ô wellust van mijn leven!
Uw lipjes, menigwerv' zo minnelijk gedrukt!
Geen' purpren druiventross' is zulk een glans gegeven;
Geen honigzoete kers, ten rechten tijd' geplukt.
EGLE.
Gelijk 't geboomte boogt op blaadren; 't veld op bloemen;De duif op 't zilverwit, dat haar de veders siert;Zo mag mijn Thyrsis meê op zijne haarlok roemen,Die kunstloos, van natuur, hem om de schoudren zwiert.
Gelijk 't geboomte boogt op blaadren; 't veld op bloemen;
De duif op 't zilverwit, dat haar de veders siert;
Zo mag mijn Thyrsis meê op zijne haarlok roemen,
Die kunstloos, van natuur, hem om de schoudren zwiert.
THYRSIS.
Hier zag ik u het eerst in kinderlijke jaren,Terwijl ge een korfje droegt, vervuld met lelieblaân;'k Was bezig, lelies tot een bloemfestoen te gaâren:Ach! gij bekoordet mij; de liefde gloor mij aan.
Hier zag ik u het eerst in kinderlijke jaren,
Terwijl ge een korfje droegt, vervuld met lelieblaân;
'k Was bezig, lelies tot een bloemfestoen te gaâren:
Ach! gij bekoordet mij; de liefde gloor mij aan.
EGLE.
'k Herdenk nog, hoe we ons 't eerst ontmoeteden met de oogen!Wij dreven 't grazend vee aan gindsche beek bij een.Toen is mij 't minnewicht ten boezem ingevlogen,Terwijl gij kus op kus vermengdet met uw reên.
'k Herdenk nog, hoe we ons 't eerst ontmoeteden met de oogen!
Wij dreven 't grazend vee aan gindsche beek bij een.
Toen is mij 't minnewicht ten boezem ingevlogen,
Terwijl gij kus op kus vermengdet met uw reên.
THYRSIS.
ô Egle, bloeiender dan Tempes myrthenhoven!Mij zoeter dan de keur van liefelijken wijn!Gij gaat, in zuiverheid, de blanke wol te boven;In helderheid, de beek; in rijzigheid, den pijn.
ô Egle, bloeiender dan Tempes myrthenhoven!
Mij zoeter dan de keur van liefelijken wijn!
Gij gaat, in zuiverheid, de blanke wol te boven;
In helderheid, de beek; in rijzigheid, den pijn.
EGLE.
'k Zal u een rozengaard, een majoleintuin wezen;Wees gij mijn Westenwind, zo bloeie ik u ter eer'.Ontbreekt mijn Zéfyrus; de roos, hoe uitgelezen,Verlept; de majolein verspreidt haar geur niet meer.
'k Zal u een rozengaard, een majoleintuin wezen;
Wees gij mijn Westenwind, zo bloeie ik u ter eer'.
Ontbreekt mijn Zéfyrus; de roos, hoe uitgelezen,
Verlept; de majolein verspreidt haar geur niet meer.
THYRSIS.
Kupîdo! dees abeel zal een gedichtje voeren;Een dichtje, ô Minnegod, dat u geheiligd is:Zo lang ik Egle, mij mijne Egle 't hart mag roeren,Zo lang blijve ook uw naam ons in gedachteniss'!
Kupîdo! dees abeel zal een gedichtje voeren;
Een dichtje, ô Minnegod, dat u geheiligd is:
Zo lang ik Egle, mij mijne Egle 't hart mag roeren,
Zo lang blijve ook uw naam ons in gedachteniss'!
EGLE.
Ik wil u dezen myrth, ô blanke Venus! wijden;Deez' schonen myrth, geplant aan d'oever van dien stroom:Hoe schudt hij 't bladrijk hoofd verwaand naar wederzijden!—Zo bloeie ook onze min, gelijk dees myrtheboom!
Ik wil u dezen myrth, ô blanke Venus! wijden;
Deez' schonen myrth, geplant aan d'oever van dien stroom:
Hoe schudt hij 't bladrijk hoofd verwaand naar wederzijden!—
Zo bloeie ook onze min, gelijk dees myrtheboom!
Terwijl ze op deze wijze elkanders toon vervangen,Trekt de avondstar 't gestarnte uit de Oosterluchtkimm' voor.Dus 't hart zich zalvende met zoete beurtgezangen,Geleidden zij de zon heur wijde loopbaan door.
Terwijl ze op deze wijze elkanders toon vervangen,
Trekt de avondstar 't gestarnte uit de Oosterluchtkimm' voor.
Dus 't hart zich zalvende met zoete beurtgezangen,
Geleidden zij de zon heur wijde loopbaan door.
DEVS, DEVS NAM ME VETATINCEPTOS, OLIM PROMISSVM CARMEN, JAMBOSAD VMBILICVM ADDVCERE.
HORAT.
Welk eene werkeloosheid mijne zinnen aldus heeft betooverd,Dat ik mij-zelven vergeet;Of mij 't bedwelmende water van Lethe met gretige teugen't Dorstige hart hadd' gelescht?Wat mijne dichtaâr belet, voor u, voor de vriendschap te vloeien?Vraagt ge ten onrecht', mijn Vriend.Ach! eene Godheid, een Godheid verbiedt mij de Cyther te roeren:Liefde beneemt mij de kracht.Zo heeft de Thêïsche Dichter geblaakt door de dartele vlammen,Die hij zo kunstloos bezong.Zo heeft de Leeraar der liefde de liefde in Leander geschilderd,Zo ook in Isis gemaald.Zo hebt ge-zelf uwe borst (hoe fier ook!) voelen ontgloeien,Voor een beminlijke Gaâ.Juich in uw redding, mijn Vriend! maar toon u gevoelig voor 't lijden;'t Welk gij ontworstelen mocht!
Welk eene werkeloosheid mijne zinnen aldus heeft betooverd,Dat ik mij-zelven vergeet;Of mij 't bedwelmende water van Lethe met gretige teugen't Dorstige hart hadd' gelescht?Wat mijne dichtaâr belet, voor u, voor de vriendschap te vloeien?Vraagt ge ten onrecht', mijn Vriend.Ach! eene Godheid, een Godheid verbiedt mij de Cyther te roeren:Liefde beneemt mij de kracht.Zo heeft de Thêïsche Dichter geblaakt door de dartele vlammen,Die hij zo kunstloos bezong.Zo heeft de Leeraar der liefde de liefde in Leander geschilderd,Zo ook in Isis gemaald.Zo hebt ge-zelf uwe borst (hoe fier ook!) voelen ontgloeien,Voor een beminlijke Gaâ.Juich in uw redding, mijn Vriend! maar toon u gevoelig voor 't lijden;'t Welk gij ontworstelen mocht!
Welk eene werkeloosheid mijne zinnen aldus heeft betooverd,Dat ik mij-zelven vergeet;Of mij 't bedwelmende water van Lethe met gretige teugen't Dorstige hart hadd' gelescht?Wat mijne dichtaâr belet, voor u, voor de vriendschap te vloeien?Vraagt ge ten onrecht', mijn Vriend.Ach! eene Godheid, een Godheid verbiedt mij de Cyther te roeren:Liefde beneemt mij de kracht.Zo heeft de Thêïsche Dichter geblaakt door de dartele vlammen,Die hij zo kunstloos bezong.Zo heeft de Leeraar der liefde de liefde in Leander geschilderd,Zo ook in Isis gemaald.Zo hebt ge-zelf uwe borst (hoe fier ook!) voelen ontgloeien,Voor een beminlijke Gaâ.Juich in uw redding, mijn Vriend! maar toon u gevoelig voor 't lijden;'t Welk gij ontworstelen mocht!
Welk eene werkeloosheid mijne zinnen aldus heeft betooverd,
Dat ik mij-zelven vergeet;
Of mij 't bedwelmende water van Lethe met gretige teugen
't Dorstige hart hadd' gelescht?
Wat mijne dichtaâr belet, voor u, voor de vriendschap te vloeien?
Vraagt ge ten onrecht', mijn Vriend.
Ach! eene Godheid, een Godheid verbiedt mij de Cyther te roeren:
Liefde beneemt mij de kracht.
Zo heeft de Thêïsche Dichter geblaakt door de dartele vlammen,
Die hij zo kunstloos bezong.
Zo heeft de Leeraar der liefde de liefde in Leander geschilderd,
Zo ook in Isis gemaald.
Zo hebt ge-zelf uwe borst (hoe fier ook!) voelen ontgloeien,
Voor een beminlijke Gaâ.
Juich in uw redding, mijn Vriend! maar toon u gevoelig voor 't lijden;
't Welk gij ontworstelen mocht!
Dat we ten minste beminnen, indien we niet mogen genieten!Andren genieten?—Welaan: 'k draag hun geene afgunst, geen' nijd.Vruchtloos verteeren ze in kwelling', die 't heil van een' ander' benijden,Venus vergunt het genot, dien zij begunstigen wil.Andren verkleven aan 't purper van knijpende, zuigende lipjes;Leppen het tederste zoet uit een' bekoorlijken mond:Scheppen de brandendste kusjes van blozende, gloeiende wangen,Tergen het zwoegend albast van een aanbidlijke borst:Blijven op 't dons, door den wellust, aan poezele tedere ledenSamengeschakeld, geklemd, boezem op boezem gedrukt:Daar de begeerlijkste weelde, bij 't zuizende lippengemurmel,'t Lichaam naar 't kittlen der smart' slingert, en buigt, en verwringt:Zinken in koesterende armen, bij 't plukken der maagdlijke rozen;Ploegen den lieflijken beemd, d'akker, aan Cypris gewijd:Vellen den drillenden thyrs in den bloeienden hof van Kupîdo:Drinken het vuur met het oog, boezem, en lendenen, in:Zweeten een' vruchtbaren daauw op Venus wellustigen gaarden:Zwijmen, van oogleên en ziel even vermoeid en vermast:Deze, en nog andre, nog meer, nog onuitspreekbrer genuchten,Zijn aan de zulken vergund, wie Cytheréa bemint!Minder gelukkig dan zij, ô genieten wij 't ijdel genoegenVan eene onvruchtbare minn', zo ons 't genot is verboôn.
Dat we ten minste beminnen, indien we niet mogen genieten!Andren genieten?—Welaan: 'k draag hun geene afgunst, geen' nijd.Vruchtloos verteeren ze in kwelling', die 't heil van een' ander' benijden,Venus vergunt het genot, dien zij begunstigen wil.Andren verkleven aan 't purper van knijpende, zuigende lipjes;Leppen het tederste zoet uit een' bekoorlijken mond:Scheppen de brandendste kusjes van blozende, gloeiende wangen,Tergen het zwoegend albast van een aanbidlijke borst:Blijven op 't dons, door den wellust, aan poezele tedere ledenSamengeschakeld, geklemd, boezem op boezem gedrukt:Daar de begeerlijkste weelde, bij 't zuizende lippengemurmel,'t Lichaam naar 't kittlen der smart' slingert, en buigt, en verwringt:Zinken in koesterende armen, bij 't plukken der maagdlijke rozen;Ploegen den lieflijken beemd, d'akker, aan Cypris gewijd:Vellen den drillenden thyrs in den bloeienden hof van Kupîdo:Drinken het vuur met het oog, boezem, en lendenen, in:Zweeten een' vruchtbaren daauw op Venus wellustigen gaarden:Zwijmen, van oogleên en ziel even vermoeid en vermast:Deze, en nog andre, nog meer, nog onuitspreekbrer genuchten,Zijn aan de zulken vergund, wie Cytheréa bemint!Minder gelukkig dan zij, ô genieten wij 't ijdel genoegenVan eene onvruchtbare minn', zo ons 't genot is verboôn.
Dat we ten minste beminnen, indien we niet mogen genieten!Andren genieten?—Welaan: 'k draag hun geene afgunst, geen' nijd.Vruchtloos verteeren ze in kwelling', die 't heil van een' ander' benijden,Venus vergunt het genot, dien zij begunstigen wil.Andren verkleven aan 't purper van knijpende, zuigende lipjes;Leppen het tederste zoet uit een' bekoorlijken mond:Scheppen de brandendste kusjes van blozende, gloeiende wangen,Tergen het zwoegend albast van een aanbidlijke borst:Blijven op 't dons, door den wellust, aan poezele tedere ledenSamengeschakeld, geklemd, boezem op boezem gedrukt:Daar de begeerlijkste weelde, bij 't zuizende lippengemurmel,'t Lichaam naar 't kittlen der smart' slingert, en buigt, en verwringt:Zinken in koesterende armen, bij 't plukken der maagdlijke rozen;Ploegen den lieflijken beemd, d'akker, aan Cypris gewijd:Vellen den drillenden thyrs in den bloeienden hof van Kupîdo:Drinken het vuur met het oog, boezem, en lendenen, in:Zweeten een' vruchtbaren daauw op Venus wellustigen gaarden:Zwijmen, van oogleên en ziel even vermoeid en vermast:Deze, en nog andre, nog meer, nog onuitspreekbrer genuchten,Zijn aan de zulken vergund, wie Cytheréa bemint!Minder gelukkig dan zij, ô genieten wij 't ijdel genoegenVan eene onvruchtbare minn', zo ons 't genot is verboôn.
Dat we ten minste beminnen, indien we niet mogen genieten!
Andren genieten?—Welaan: 'k draag hun geene afgunst, geen' nijd.
Vruchtloos verteeren ze in kwelling', die 't heil van een' ander' benijden,
Venus vergunt het genot, dien zij begunstigen wil.
Andren verkleven aan 't purper van knijpende, zuigende lipjes;
Leppen het tederste zoet uit een' bekoorlijken mond:
Scheppen de brandendste kusjes van blozende, gloeiende wangen,
Tergen het zwoegend albast van een aanbidlijke borst:
Blijven op 't dons, door den wellust, aan poezele tedere leden
Samengeschakeld, geklemd, boezem op boezem gedrukt:
Daar de begeerlijkste weelde, bij 't zuizende lippengemurmel,
't Lichaam naar 't kittlen der smart' slingert, en buigt, en verwringt:
Zinken in koesterende armen, bij 't plukken der maagdlijke rozen;
Ploegen den lieflijken beemd, d'akker, aan Cypris gewijd:
Vellen den drillenden thyrs in den bloeienden hof van Kupîdo:
Drinken het vuur met het oog, boezem, en lendenen, in:
Zweeten een' vruchtbaren daauw op Venus wellustigen gaarden:
Zwijmen, van oogleên en ziel even vermoeid en vermast:
Deze, en nog andre, nog meer, nog onuitspreekbrer genuchten,
Zijn aan de zulken vergund, wie Cytheréa bemint!
Minder gelukkig dan zij, ô genieten wij 't ijdel genoegen
Van eene onvruchtbare minn', zo ons 't genot is verboôn.
Is ons 't genot verboôn, wel, dat we slechts beminnen!Zijn andren in 't genot, 'k misgun, 'k benij' hun niet:Die andrer heil aanschouwt met wrevelige zinnen,Verteert zich-zelven slechts in vruchteloos verdriet.De Idalische Godin doet haren wellust smakenAan hem, aan hem alleen, die in haar gunsten deelt;Ontzegt Kupîdo ons zijn gloeiende vermaken,Genoeg is 't, dat de min ons 't harte vleit en streelt.Laat andren honigdaauw van malsche lipjes leppen,En 't smeltend mondkoraal met zachte tanden kneên;Van boezem, hals, en wang, verliefde kusjes scheppen,En schaaklen zich op 't dons in poezle maagdeleên:Laat andren, mond aan mond, en borst aan boezem hangen;Bij 't staamlen van de tong' en 't zwoegen van het hart',De maagdelijke heup' in dij' en armen prangen;En wringen 't lijf naar eisch der kittelende smart':Laat andren, boezemooft en rozebloesems plukken;Met opgeheven' thyrs', in 't heiligdom der minn',In 't binnenst lustprieel van Cypris hoven rukken,En drinken 't vuur, met oog, met borst, en lenden, in:Laat andren, Venus beemd met vruchtbaar zweet bedaauwen,En moede en afgemat door 't slingren van den lust,In dartle omhelzingen, van weelde en wellust flaauwen;En zijgen in den schoot der liefelijkste rust'.Dat dit, en hoger lust, zo iemand dien kan smaken,ô Gij, wie Venus mint, aan u beschoren zij!Maar ons, ontzegt ons 't lot die gloeiende vermaken,Voor 't minst beminnen wij!
Is ons 't genot verboôn, wel, dat we slechts beminnen!Zijn andren in 't genot, 'k misgun, 'k benij' hun niet:Die andrer heil aanschouwt met wrevelige zinnen,Verteert zich-zelven slechts in vruchteloos verdriet.De Idalische Godin doet haren wellust smakenAan hem, aan hem alleen, die in haar gunsten deelt;Ontzegt Kupîdo ons zijn gloeiende vermaken,Genoeg is 't, dat de min ons 't harte vleit en streelt.Laat andren honigdaauw van malsche lipjes leppen,En 't smeltend mondkoraal met zachte tanden kneên;Van boezem, hals, en wang, verliefde kusjes scheppen,En schaaklen zich op 't dons in poezle maagdeleên:Laat andren, mond aan mond, en borst aan boezem hangen;Bij 't staamlen van de tong' en 't zwoegen van het hart',De maagdelijke heup' in dij' en armen prangen;En wringen 't lijf naar eisch der kittelende smart':Laat andren, boezemooft en rozebloesems plukken;Met opgeheven' thyrs', in 't heiligdom der minn',In 't binnenst lustprieel van Cypris hoven rukken,En drinken 't vuur, met oog, met borst, en lenden, in:Laat andren, Venus beemd met vruchtbaar zweet bedaauwen,En moede en afgemat door 't slingren van den lust,In dartle omhelzingen, van weelde en wellust flaauwen;En zijgen in den schoot der liefelijkste rust'.Dat dit, en hoger lust, zo iemand dien kan smaken,ô Gij, wie Venus mint, aan u beschoren zij!Maar ons, ontzegt ons 't lot die gloeiende vermaken,Voor 't minst beminnen wij!
Is ons 't genot verboôn, wel, dat we slechts beminnen!Zijn andren in 't genot, 'k misgun, 'k benij' hun niet:Die andrer heil aanschouwt met wrevelige zinnen,Verteert zich-zelven slechts in vruchteloos verdriet.De Idalische Godin doet haren wellust smakenAan hem, aan hem alleen, die in haar gunsten deelt;Ontzegt Kupîdo ons zijn gloeiende vermaken,Genoeg is 't, dat de min ons 't harte vleit en streelt.Laat andren honigdaauw van malsche lipjes leppen,En 't smeltend mondkoraal met zachte tanden kneên;Van boezem, hals, en wang, verliefde kusjes scheppen,En schaaklen zich op 't dons in poezle maagdeleên:Laat andren, mond aan mond, en borst aan boezem hangen;Bij 't staamlen van de tong' en 't zwoegen van het hart',De maagdelijke heup' in dij' en armen prangen;En wringen 't lijf naar eisch der kittelende smart':Laat andren, boezemooft en rozebloesems plukken;Met opgeheven' thyrs', in 't heiligdom der minn',In 't binnenst lustprieel van Cypris hoven rukken,En drinken 't vuur, met oog, met borst, en lenden, in:Laat andren, Venus beemd met vruchtbaar zweet bedaauwen,En moede en afgemat door 't slingren van den lust,In dartle omhelzingen, van weelde en wellust flaauwen;En zijgen in den schoot der liefelijkste rust'.Dat dit, en hoger lust, zo iemand dien kan smaken,ô Gij, wie Venus mint, aan u beschoren zij!Maar ons, ontzegt ons 't lot die gloeiende vermaken,Voor 't minst beminnen wij!
Is ons 't genot verboôn, wel, dat we slechts beminnen!
Zijn andren in 't genot, 'k misgun, 'k benij' hun niet:
Die andrer heil aanschouwt met wrevelige zinnen,
Verteert zich-zelven slechts in vruchteloos verdriet.
De Idalische Godin doet haren wellust smaken
Aan hem, aan hem alleen, die in haar gunsten deelt;
Ontzegt Kupîdo ons zijn gloeiende vermaken,
Genoeg is 't, dat de min ons 't harte vleit en streelt.
Laat andren honigdaauw van malsche lipjes leppen,
En 't smeltend mondkoraal met zachte tanden kneên;
Van boezem, hals, en wang, verliefde kusjes scheppen,
En schaaklen zich op 't dons in poezle maagdeleên:
Laat andren, mond aan mond, en borst aan boezem hangen;
Bij 't staamlen van de tong' en 't zwoegen van het hart',
De maagdelijke heup' in dij' en armen prangen;
En wringen 't lijf naar eisch der kittelende smart':
Laat andren, boezemooft en rozebloesems plukken;
Met opgeheven' thyrs', in 't heiligdom der minn',
In 't binnenst lustprieel van Cypris hoven rukken,
En drinken 't vuur, met oog, met borst, en lenden, in:
Laat andren, Venus beemd met vruchtbaar zweet bedaauwen,
En moede en afgemat door 't slingren van den lust,
In dartle omhelzingen, van weelde en wellust flaauwen;
En zijgen in den schoot der liefelijkste rust'.
Dat dit, en hoger lust, zo iemand dien kan smaken,
ô Gij, wie Venus mint, aan u beschoren zij!
Maar ons, ontzegt ons 't lot die gloeiende vermaken,
Voor 't minst beminnen wij!
Geen overmaat van kunstgedienstigheden,Op 't winnen van een schoonheid toegelegd;Geen teedre taal, of diergezworen eeden,Zijn 't kenmerk, dat den liefdegloed beslecht.Maar, zonder hoop, zich-zelven weg te schenken;Van 't diepst ontzag voor 't voorwerp aangedaan,Verwarringvol te staren op heur wenken;Door 't brandend oog zijn' boezem te verraân:Standvastig, teêr, en vurig, zelfs in 't middenDer teistring' van de doodelijkste smart',De vlam, waar in men wegsmelt, aan te bidden:Zie daar de min! zij huisvest in mijn' hart'.
Geen overmaat van kunstgedienstigheden,Op 't winnen van een schoonheid toegelegd;Geen teedre taal, of diergezworen eeden,Zijn 't kenmerk, dat den liefdegloed beslecht.Maar, zonder hoop, zich-zelven weg te schenken;Van 't diepst ontzag voor 't voorwerp aangedaan,Verwarringvol te staren op heur wenken;Door 't brandend oog zijn' boezem te verraân:Standvastig, teêr, en vurig, zelfs in 't middenDer teistring' van de doodelijkste smart',De vlam, waar in men wegsmelt, aan te bidden:Zie daar de min! zij huisvest in mijn' hart'.
Geen overmaat van kunstgedienstigheden,Op 't winnen van een schoonheid toegelegd;Geen teedre taal, of diergezworen eeden,Zijn 't kenmerk, dat den liefdegloed beslecht.Maar, zonder hoop, zich-zelven weg te schenken;Van 't diepst ontzag voor 't voorwerp aangedaan,Verwarringvol te staren op heur wenken;Door 't brandend oog zijn' boezem te verraân:Standvastig, teêr, en vurig, zelfs in 't middenDer teistring' van de doodelijkste smart',De vlam, waar in men wegsmelt, aan te bidden:Zie daar de min! zij huisvest in mijn' hart'.
Geen overmaat van kunstgedienstigheden,
Op 't winnen van een schoonheid toegelegd;
Geen teedre taal, of diergezworen eeden,
Zijn 't kenmerk, dat den liefdegloed beslecht.
Maar, zonder hoop, zich-zelven weg te schenken;
Van 't diepst ontzag voor 't voorwerp aangedaan,
Verwarringvol te staren op heur wenken;
Door 't brandend oog zijn' boezem te verraân:
Standvastig, teêr, en vurig, zelfs in 't midden
Der teistring' van de doodelijkste smart',
De vlam, waar in men wegsmelt, aan te bidden:
Zie daar de min! zij huisvest in mijn' hart'.
DE LIEFDE.Wijd toch eens, ô lieve Dichter,wijd toch eens een lied aan mij.Zeg wat loon gij wilt ontfangen,'k schenk u alles, eisch het vrij,DE DICHTER.Ik ter uwer eere zingen!Ik heb niets van u dan pijn.—Spreek nochthands, vermetel wichtje,zeg mij, wat mijn loon zou zijn.DE LIEFDE.Voor mijn Moeders staatsiewagenstaan twee tortels in 't gareel,'t Liefste paar dat ge ooit beschoudet!zo ik u daar een van steel?DE DICHTER.Hoe! twee duifjes, 't een voor 't anderzo getrouw, zo lief, zo teêr,Van elkander aftescheuren!Dwingland, schaamt ge u dan niets meer?DE LIEFDE.Nu dan, 't is mij toch om 't even:dat ik u de zwanenvluchtVan haar wolkenkoets vereerde?Die vloog met u door de lucht.DE DICHTER.Mij die zwanen? schone gaven!of ik ooit ten Hemel steeg!Maar waar of ik voor die vogelsambrozijn of nektar kreeg?DE LIEFDE.'k Zal u dan mijn' oogband schenken,door mijn Moeders eigen handVan de fijnste zij' geweven.Voel, hoe zacht is deze band.DE DICHTER.Dat die wil, zich de oogen blinde;mij geen sluiers voor 't gelaat!Ik staar altoos op Selene,En mijn oog wordt nooit verzaad.DE LIEFDE.Zie dan hier de minnepijlen,die mijn wapenbus besluit,Die door maagdenboezems vlijmen.kies er u den snelsten uit.DE DICHTER.Neen: hij maakt te wreede wonden:houd hem, Liefde, 'k gruuw er van.Welk een wreedaart, die den boezem,dien hij aanbidt, grieven kan!DE LIEFDE.Wel, voor 't laatst dan, wreevle Dichter!wijst gij 't alles van de hand,Neem dan 't peesje van mijn boogje,dat gij 't op uw Cyther spant.DE DICHTER.Geef, ja geef het, lieve Liefde!geef mij 't minnepeesje hier:Trof uw boog er harten mede,'t geev' die kracht ook aan mijn Lier!
DE LIEFDE.Wijd toch eens, ô lieve Dichter,wijd toch eens een lied aan mij.Zeg wat loon gij wilt ontfangen,'k schenk u alles, eisch het vrij,DE DICHTER.Ik ter uwer eere zingen!Ik heb niets van u dan pijn.—Spreek nochthands, vermetel wichtje,zeg mij, wat mijn loon zou zijn.DE LIEFDE.Voor mijn Moeders staatsiewagenstaan twee tortels in 't gareel,'t Liefste paar dat ge ooit beschoudet!zo ik u daar een van steel?DE DICHTER.Hoe! twee duifjes, 't een voor 't anderzo getrouw, zo lief, zo teêr,Van elkander aftescheuren!Dwingland, schaamt ge u dan niets meer?DE LIEFDE.Nu dan, 't is mij toch om 't even:dat ik u de zwanenvluchtVan haar wolkenkoets vereerde?Die vloog met u door de lucht.DE DICHTER.Mij die zwanen? schone gaven!of ik ooit ten Hemel steeg!Maar waar of ik voor die vogelsambrozijn of nektar kreeg?DE LIEFDE.'k Zal u dan mijn' oogband schenken,door mijn Moeders eigen handVan de fijnste zij' geweven.Voel, hoe zacht is deze band.DE DICHTER.Dat die wil, zich de oogen blinde;mij geen sluiers voor 't gelaat!Ik staar altoos op Selene,En mijn oog wordt nooit verzaad.DE LIEFDE.Zie dan hier de minnepijlen,die mijn wapenbus besluit,Die door maagdenboezems vlijmen.kies er u den snelsten uit.DE DICHTER.Neen: hij maakt te wreede wonden:houd hem, Liefde, 'k gruuw er van.Welk een wreedaart, die den boezem,dien hij aanbidt, grieven kan!DE LIEFDE.Wel, voor 't laatst dan, wreevle Dichter!wijst gij 't alles van de hand,Neem dan 't peesje van mijn boogje,dat gij 't op uw Cyther spant.DE DICHTER.Geef, ja geef het, lieve Liefde!geef mij 't minnepeesje hier:Trof uw boog er harten mede,'t geev' die kracht ook aan mijn Lier!
DE LIEFDE.
Wijd toch eens, ô lieve Dichter,wijd toch eens een lied aan mij.Zeg wat loon gij wilt ontfangen,'k schenk u alles, eisch het vrij,
Wijd toch eens, ô lieve Dichter,
wijd toch eens een lied aan mij.
Zeg wat loon gij wilt ontfangen,
'k schenk u alles, eisch het vrij,
DE DICHTER.
Ik ter uwer eere zingen!Ik heb niets van u dan pijn.—Spreek nochthands, vermetel wichtje,zeg mij, wat mijn loon zou zijn.
Ik ter uwer eere zingen!
Ik heb niets van u dan pijn.
—Spreek nochthands, vermetel wichtje,
zeg mij, wat mijn loon zou zijn.
DE LIEFDE.
Voor mijn Moeders staatsiewagenstaan twee tortels in 't gareel,'t Liefste paar dat ge ooit beschoudet!zo ik u daar een van steel?
Voor mijn Moeders staatsiewagen
staan twee tortels in 't gareel,
't Liefste paar dat ge ooit beschoudet!
zo ik u daar een van steel?
DE DICHTER.
Hoe! twee duifjes, 't een voor 't anderzo getrouw, zo lief, zo teêr,Van elkander aftescheuren!Dwingland, schaamt ge u dan niets meer?
Hoe! twee duifjes, 't een voor 't ander
zo getrouw, zo lief, zo teêr,
Van elkander aftescheuren!
Dwingland, schaamt ge u dan niets meer?
DE LIEFDE.
Nu dan, 't is mij toch om 't even:dat ik u de zwanenvluchtVan haar wolkenkoets vereerde?Die vloog met u door de lucht.
Nu dan, 't is mij toch om 't even:
dat ik u de zwanenvlucht
Van haar wolkenkoets vereerde?
Die vloog met u door de lucht.
DE DICHTER.
Mij die zwanen? schone gaven!of ik ooit ten Hemel steeg!Maar waar of ik voor die vogelsambrozijn of nektar kreeg?
Mij die zwanen? schone gaven!
of ik ooit ten Hemel steeg!
Maar waar of ik voor die vogels
ambrozijn of nektar kreeg?
DE LIEFDE.
'k Zal u dan mijn' oogband schenken,door mijn Moeders eigen handVan de fijnste zij' geweven.Voel, hoe zacht is deze band.
'k Zal u dan mijn' oogband schenken,
door mijn Moeders eigen hand
Van de fijnste zij' geweven.
Voel, hoe zacht is deze band.
DE DICHTER.
Dat die wil, zich de oogen blinde;mij geen sluiers voor 't gelaat!Ik staar altoos op Selene,En mijn oog wordt nooit verzaad.
Dat die wil, zich de oogen blinde;
mij geen sluiers voor 't gelaat!
Ik staar altoos op Selene,
En mijn oog wordt nooit verzaad.
DE LIEFDE.
Zie dan hier de minnepijlen,die mijn wapenbus besluit,Die door maagdenboezems vlijmen.kies er u den snelsten uit.
Zie dan hier de minnepijlen,
die mijn wapenbus besluit,
Die door maagdenboezems vlijmen.
kies er u den snelsten uit.
DE DICHTER.
Neen: hij maakt te wreede wonden:houd hem, Liefde, 'k gruuw er van.Welk een wreedaart, die den boezem,dien hij aanbidt, grieven kan!
Neen: hij maakt te wreede wonden:
houd hem, Liefde, 'k gruuw er van.
Welk een wreedaart, die den boezem,
dien hij aanbidt, grieven kan!
DE LIEFDE.
Wel, voor 't laatst dan, wreevle Dichter!wijst gij 't alles van de hand,Neem dan 't peesje van mijn boogje,dat gij 't op uw Cyther spant.
Wel, voor 't laatst dan, wreevle Dichter!
wijst gij 't alles van de hand,
Neem dan 't peesje van mijn boogje,
dat gij 't op uw Cyther spant.
DE DICHTER.
Geef, ja geef het, lieve Liefde!geef mij 't minnepeesje hier:Trof uw boog er harten mede,'t geev' die kracht ook aan mijn Lier!
Geef, ja geef het, lieve Liefde!
geef mij 't minnepeesje hier:
Trof uw boog er harten mede,
't geev' die kracht ook aan mijn Lier!
Bij welken Leeraar, inWat Hogeschool, ô Min!Is uwe kunst te leren?Wat onderwijs kan ons ontleênHaar heilige verborgenheên,Die 't fijnst vernuft trotseeren?Wat taal, wat tong, ons doenBevroên;Wat spraaktuig, leren kennen;Het geen de vlugge geest beseft,Wanneer hij op uw ZwanenpennenZich boven lucht en zwerk verheft?Minerve kon met alDe wijzen van haar' walUw gronden nooit doordringen.Ja Febus-zelf is op ParnasEen kunsteloze Marfyas,In u te willen zingen.Dan trilt, dan heeft zijn stemGeen klem,Geen kracht, geen vuur, geen leven:Dan kruipt, dan sleept zijn geest langs de aard,Onmachtig om u na te zwevenMet eene vlucht, uw grootheid waard.Gij, Min! gij zelve, zijtAlleen, ten allen tijd',Uw eigen onderrichtingEn Leeraar.—Uw ervaren handSchenkt zelfs het duisterste verstandEen Hemelsche verlichting.Ge ontvonkt den ruwsten geest?Hij leestIn uw geheimenissen,In 't onbegrijpbaar wonderschrift,Met trekken, nimmer uit te wissen,Door u, in 's minnaars oog gegrift.Uw gunstige invloed maaktDe lippen welbespraakt,En weet de tong te kneden.Ja, dikwijls maalt, (ô vreemd beleidVan 's Minnegods welsprekendheid!)Een afgebroken reden,Een uitroep, hoe verward,Het hartMet levendiger verven,Dan de allerrijkste woordenpraal:Ja 't zwijgen zelfs is menigwervenDe krachtigste, de teêrste taal!ô Min! laat andren danDe schrandre lessen vanEen' Sokrates doorzoeken.Twee lonkende oogen leren mij,Wat warelijk beminnen zij,Beschamende alle Boeken.En de allerwijsste dicht-pen zwichtIn 't rijk van d'Albedwinger(Het Zanggodinnendom ten spijt')Voor vaarsjes, die een ruwe vingerIn ruwe beukenschorsen snijdt.
Bij welken Leeraar, inWat Hogeschool, ô Min!Is uwe kunst te leren?Wat onderwijs kan ons ontleênHaar heilige verborgenheên,Die 't fijnst vernuft trotseeren?Wat taal, wat tong, ons doenBevroên;Wat spraaktuig, leren kennen;Het geen de vlugge geest beseft,Wanneer hij op uw ZwanenpennenZich boven lucht en zwerk verheft?Minerve kon met alDe wijzen van haar' walUw gronden nooit doordringen.Ja Febus-zelf is op ParnasEen kunsteloze Marfyas,In u te willen zingen.Dan trilt, dan heeft zijn stemGeen klem,Geen kracht, geen vuur, geen leven:Dan kruipt, dan sleept zijn geest langs de aard,Onmachtig om u na te zwevenMet eene vlucht, uw grootheid waard.Gij, Min! gij zelve, zijtAlleen, ten allen tijd',Uw eigen onderrichtingEn Leeraar.—Uw ervaren handSchenkt zelfs het duisterste verstandEen Hemelsche verlichting.Ge ontvonkt den ruwsten geest?Hij leestIn uw geheimenissen,In 't onbegrijpbaar wonderschrift,Met trekken, nimmer uit te wissen,Door u, in 's minnaars oog gegrift.Uw gunstige invloed maaktDe lippen welbespraakt,En weet de tong te kneden.Ja, dikwijls maalt, (ô vreemd beleidVan 's Minnegods welsprekendheid!)Een afgebroken reden,Een uitroep, hoe verward,Het hartMet levendiger verven,Dan de allerrijkste woordenpraal:Ja 't zwijgen zelfs is menigwervenDe krachtigste, de teêrste taal!ô Min! laat andren danDe schrandre lessen vanEen' Sokrates doorzoeken.Twee lonkende oogen leren mij,Wat warelijk beminnen zij,Beschamende alle Boeken.En de allerwijsste dicht-pen zwichtIn 't rijk van d'Albedwinger(Het Zanggodinnendom ten spijt')Voor vaarsjes, die een ruwe vingerIn ruwe beukenschorsen snijdt.
Bij welken Leeraar, inWat Hogeschool, ô Min!Is uwe kunst te leren?Wat onderwijs kan ons ontleênHaar heilige verborgenheên,Die 't fijnst vernuft trotseeren?Wat taal, wat tong, ons doenBevroên;Wat spraaktuig, leren kennen;Het geen de vlugge geest beseft,Wanneer hij op uw ZwanenpennenZich boven lucht en zwerk verheft?
Bij welken Leeraar, in
Wat Hogeschool, ô Min!
Is uwe kunst te leren?
Wat onderwijs kan ons ontleên
Haar heilige verborgenheên,
Die 't fijnst vernuft trotseeren?
Wat taal, wat tong, ons doen
Bevroên;
Wat spraaktuig, leren kennen;
Het geen de vlugge geest beseft,
Wanneer hij op uw Zwanenpennen
Zich boven lucht en zwerk verheft?
Minerve kon met alDe wijzen van haar' walUw gronden nooit doordringen.Ja Febus-zelf is op ParnasEen kunsteloze Marfyas,In u te willen zingen.Dan trilt, dan heeft zijn stemGeen klem,Geen kracht, geen vuur, geen leven:Dan kruipt, dan sleept zijn geest langs de aard,Onmachtig om u na te zwevenMet eene vlucht, uw grootheid waard.
Minerve kon met al
De wijzen van haar' wal
Uw gronden nooit doordringen.
Ja Febus-zelf is op Parnas
Een kunsteloze Marfyas,
In u te willen zingen.
Dan trilt, dan heeft zijn stem
Geen klem,
Geen kracht, geen vuur, geen leven:
Dan kruipt, dan sleept zijn geest langs de aard,
Onmachtig om u na te zweven
Met eene vlucht, uw grootheid waard.
Gij, Min! gij zelve, zijtAlleen, ten allen tijd',Uw eigen onderrichtingEn Leeraar.—Uw ervaren handSchenkt zelfs het duisterste verstandEen Hemelsche verlichting.Ge ontvonkt den ruwsten geest?Hij leestIn uw geheimenissen,In 't onbegrijpbaar wonderschrift,Met trekken, nimmer uit te wissen,Door u, in 's minnaars oog gegrift.
Gij, Min! gij zelve, zijt
Alleen, ten allen tijd',
Uw eigen onderrichting
En Leeraar.—Uw ervaren hand
Schenkt zelfs het duisterste verstand
Een Hemelsche verlichting.
Ge ontvonkt den ruwsten geest?
Hij leest
In uw geheimenissen,
In 't onbegrijpbaar wonderschrift,
Met trekken, nimmer uit te wissen,
Door u, in 's minnaars oog gegrift.
Uw gunstige invloed maaktDe lippen welbespraakt,En weet de tong te kneden.Ja, dikwijls maalt, (ô vreemd beleidVan 's Minnegods welsprekendheid!)Een afgebroken reden,Een uitroep, hoe verward,Het hartMet levendiger verven,Dan de allerrijkste woordenpraal:Ja 't zwijgen zelfs is menigwervenDe krachtigste, de teêrste taal!
Uw gunstige invloed maakt
De lippen welbespraakt,
En weet de tong te kneden.
Ja, dikwijls maalt, (ô vreemd beleid
Van 's Minnegods welsprekendheid!)
Een afgebroken reden,
Een uitroep, hoe verward,
Het hart
Met levendiger verven,
Dan de allerrijkste woordenpraal:
Ja 't zwijgen zelfs is menigwerven
De krachtigste, de teêrste taal!
ô Min! laat andren danDe schrandre lessen vanEen' Sokrates doorzoeken.Twee lonkende oogen leren mij,Wat warelijk beminnen zij,Beschamende alle Boeken.En de allerwijsste dicht-pen zwichtIn 't rijk van d'Albedwinger(Het Zanggodinnendom ten spijt')Voor vaarsjes, die een ruwe vingerIn ruwe beukenschorsen snijdt.
ô Min! laat andren dan
De schrandre lessen van
Een' Sokrates doorzoeken.
Twee lonkende oogen leren mij,
Wat warelijk beminnen zij,
Beschamende alle Boeken.
En de allerwijsste dicht-
pen zwicht
In 't rijk van d'Albedwinger
(Het Zanggodinnendom ten spijt')
Voor vaarsjes, die een ruwe vinger
In ruwe beukenschorsen snijdt.
De Muzen betrapten de Min in heur bosschen,Terwijl hij haar dacht te verschalken in 't groen.Zij bonden den loosaart met rozelaartrossen,En gaven hem voorts aan de schoonheid te hoên.Zijn Moeder kwam vaardig om 't wichtje te lossen,En bood aan zijn wachtster een' kus tot rantzoen.Maar 't dartele boefje vond groter behagenDe lieflijke kluisters der Muzen te dragen,En bad dat ze er nooit hem van wilden ontdoen.En zou dan een minnaar zijn boeiens beklagen?Neen; liefde vereert ze, bemint ze, en bidt ze aan.ô Fyllis! houd me altoos in de uwe geslagen:Verbraakt gij ze, ik zou weêr naar andere jagen.Hoe duur zou de vrijheid het harte niet staan!
De Muzen betrapten de Min in heur bosschen,Terwijl hij haar dacht te verschalken in 't groen.Zij bonden den loosaart met rozelaartrossen,En gaven hem voorts aan de schoonheid te hoên.Zijn Moeder kwam vaardig om 't wichtje te lossen,En bood aan zijn wachtster een' kus tot rantzoen.Maar 't dartele boefje vond groter behagenDe lieflijke kluisters der Muzen te dragen,En bad dat ze er nooit hem van wilden ontdoen.En zou dan een minnaar zijn boeiens beklagen?Neen; liefde vereert ze, bemint ze, en bidt ze aan.ô Fyllis! houd me altoos in de uwe geslagen:Verbraakt gij ze, ik zou weêr naar andere jagen.Hoe duur zou de vrijheid het harte niet staan!
De Muzen betrapten de Min in heur bosschen,Terwijl hij haar dacht te verschalken in 't groen.Zij bonden den loosaart met rozelaartrossen,En gaven hem voorts aan de schoonheid te hoên.Zijn Moeder kwam vaardig om 't wichtje te lossen,En bood aan zijn wachtster een' kus tot rantzoen.Maar 't dartele boefje vond groter behagenDe lieflijke kluisters der Muzen te dragen,En bad dat ze er nooit hem van wilden ontdoen.
De Muzen betrapten de Min in heur bosschen,
Terwijl hij haar dacht te verschalken in 't groen.
Zij bonden den loosaart met rozelaartrossen,
En gaven hem voorts aan de schoonheid te hoên.
Zijn Moeder kwam vaardig om 't wichtje te lossen,
En bood aan zijn wachtster een' kus tot rantzoen.
Maar 't dartele boefje vond groter behagen
De lieflijke kluisters der Muzen te dragen,
En bad dat ze er nooit hem van wilden ontdoen.
En zou dan een minnaar zijn boeiens beklagen?Neen; liefde vereert ze, bemint ze, en bidt ze aan.ô Fyllis! houd me altoos in de uwe geslagen:Verbraakt gij ze, ik zou weêr naar andere jagen.Hoe duur zou de vrijheid het harte niet staan!
En zou dan een minnaar zijn boeiens beklagen?
Neen; liefde vereert ze, bemint ze, en bidt ze aan.
ô Fyllis! houd me altoos in de uwe geslagen:
Verbraakt gij ze, ik zou weêr naar andere jagen.
Hoe duur zou de vrijheid het harte niet staan!
Van waar, ô strelend Zangvermogen,In wederzijdsche zusterminMet de eedle Dichtkunste opgetoogen,Die in hare afkomste uit den hogenOp d' eigen' grond met u mag bogen:Van waar toch zoog uw ziel zo dwaas een trotschheid in?Zo dwaas een trotschheid?—Ja, volschone!Voegt dit verwijt u niet met recht,Die 't deelgenootschap uwer kroneDer teêrste Bloedverwante ontzegt?Hoe heeft zij, vroeger rijp in krachten,Uw kindsche zwakheid niet geschraagd!Ja zelfs, om u, heur ArendsschachtenAan 't lijm der werkloosheid gewaagd!Hoe kroop zij soms den voet der bergen,Om uwe grilligheden, rond;En ging de steilste rotsen tergen,Daar uw belang 't zich dienstig vond!Wat waart gij, had ze uw wankle schreden,Met zusterlijke tederheid,Niet eertijds door de onzekerhedenDer hobbeligste paân geleid?Maar, thands, geleerd, met vaste voetenDoor 't ongebaande heen te spoên:In 't diep van 's menschen borst te wroeten:Het ongenaakbaarste aan te doen:Thands, dwinglandes van 't vrije harte,Voertge, aangebeden van al de aard,'t Volstrektst gezag op vreugde en smarte,Zo verre uw hand de Cymbel snaart.Ja, ge onderstaat Natuur te dwingen,En de Echo, die tot de oogen spreekt,'t Penceel van uit de hand te wringen;En weinig! dat er aan ontbreekt.Dus, dus heeft ook uw drift de palenVan 't rijk der Dichtkunste overschreên.—Zij deed u aan haar zijde pralen;En gij, gij eischt haar' throon alleen.ô Zinnestreelster, zo uw klankenDe wellust zijn van al wat leeft;Herdenk, wie ge alles hebt te danken,Tot zelfs den rang waar naar gij streeft.De bloemen, die uw borst versieren,Zijn door uw zuster-zelv geplukt:En prijktet ge ooit met prijslaurieren,Zij-zelv heeft ze op uw hoofd gedrukt.En gij, op 't volksgejuich vermeten,Gij hebt door redenlozen tocht,Den liefdeband van een gereten,Die beider glorie hield verknocht,Keer van die maatloze eerzucht weder,En huuw uw' galm aan 's Dichters stem:Wel verre dat u zulks verneder,Het geeft uw' klanken de echte klem.Of, houdt een valsche schaamte u tegen.Te buigen voor een nieuwe wet:Hoor Dichtkunst-zelv, u steeds genegen,Daar ze op uw' toon haar vaarzen zet.
Van waar, ô strelend Zangvermogen,In wederzijdsche zusterminMet de eedle Dichtkunste opgetoogen,Die in hare afkomste uit den hogenOp d' eigen' grond met u mag bogen:Van waar toch zoog uw ziel zo dwaas een trotschheid in?Zo dwaas een trotschheid?—Ja, volschone!Voegt dit verwijt u niet met recht,Die 't deelgenootschap uwer kroneDer teêrste Bloedverwante ontzegt?Hoe heeft zij, vroeger rijp in krachten,Uw kindsche zwakheid niet geschraagd!Ja zelfs, om u, heur ArendsschachtenAan 't lijm der werkloosheid gewaagd!Hoe kroop zij soms den voet der bergen,Om uwe grilligheden, rond;En ging de steilste rotsen tergen,Daar uw belang 't zich dienstig vond!Wat waart gij, had ze uw wankle schreden,Met zusterlijke tederheid,Niet eertijds door de onzekerhedenDer hobbeligste paân geleid?Maar, thands, geleerd, met vaste voetenDoor 't ongebaande heen te spoên:In 't diep van 's menschen borst te wroeten:Het ongenaakbaarste aan te doen:Thands, dwinglandes van 't vrije harte,Voertge, aangebeden van al de aard,'t Volstrektst gezag op vreugde en smarte,Zo verre uw hand de Cymbel snaart.Ja, ge onderstaat Natuur te dwingen,En de Echo, die tot de oogen spreekt,'t Penceel van uit de hand te wringen;En weinig! dat er aan ontbreekt.Dus, dus heeft ook uw drift de palenVan 't rijk der Dichtkunste overschreên.—Zij deed u aan haar zijde pralen;En gij, gij eischt haar' throon alleen.ô Zinnestreelster, zo uw klankenDe wellust zijn van al wat leeft;Herdenk, wie ge alles hebt te danken,Tot zelfs den rang waar naar gij streeft.De bloemen, die uw borst versieren,Zijn door uw zuster-zelv geplukt:En prijktet ge ooit met prijslaurieren,Zij-zelv heeft ze op uw hoofd gedrukt.En gij, op 't volksgejuich vermeten,Gij hebt door redenlozen tocht,Den liefdeband van een gereten,Die beider glorie hield verknocht,Keer van die maatloze eerzucht weder,En huuw uw' galm aan 's Dichters stem:Wel verre dat u zulks verneder,Het geeft uw' klanken de echte klem.Of, houdt een valsche schaamte u tegen.Te buigen voor een nieuwe wet:Hoor Dichtkunst-zelv, u steeds genegen,Daar ze op uw' toon haar vaarzen zet.
Van waar, ô strelend Zangvermogen,In wederzijdsche zusterminMet de eedle Dichtkunste opgetoogen,Die in hare afkomste uit den hogenOp d' eigen' grond met u mag bogen:Van waar toch zoog uw ziel zo dwaas een trotschheid in?
Van waar, ô strelend Zangvermogen,
In wederzijdsche zustermin
Met de eedle Dichtkunste opgetoogen,
Die in hare afkomste uit den hogen
Op d' eigen' grond met u mag bogen:
Van waar toch zoog uw ziel zo dwaas een trotschheid in?
Zo dwaas een trotschheid?—Ja, volschone!Voegt dit verwijt u niet met recht,Die 't deelgenootschap uwer kroneDer teêrste Bloedverwante ontzegt?
Zo dwaas een trotschheid?—Ja, volschone!
Voegt dit verwijt u niet met recht,
Die 't deelgenootschap uwer krone
Der teêrste Bloedverwante ontzegt?
Hoe heeft zij, vroeger rijp in krachten,Uw kindsche zwakheid niet geschraagd!Ja zelfs, om u, heur ArendsschachtenAan 't lijm der werkloosheid gewaagd!
Hoe heeft zij, vroeger rijp in krachten,
Uw kindsche zwakheid niet geschraagd!
Ja zelfs, om u, heur Arendsschachten
Aan 't lijm der werkloosheid gewaagd!
Hoe kroop zij soms den voet der bergen,Om uwe grilligheden, rond;En ging de steilste rotsen tergen,Daar uw belang 't zich dienstig vond!
Hoe kroop zij soms den voet der bergen,
Om uwe grilligheden, rond;
En ging de steilste rotsen tergen,
Daar uw belang 't zich dienstig vond!
Wat waart gij, had ze uw wankle schreden,Met zusterlijke tederheid,Niet eertijds door de onzekerhedenDer hobbeligste paân geleid?
Wat waart gij, had ze uw wankle schreden,
Met zusterlijke tederheid,
Niet eertijds door de onzekerheden
Der hobbeligste paân geleid?
Maar, thands, geleerd, met vaste voetenDoor 't ongebaande heen te spoên:In 't diep van 's menschen borst te wroeten:Het ongenaakbaarste aan te doen:
Maar, thands, geleerd, met vaste voeten
Door 't ongebaande heen te spoên:
In 't diep van 's menschen borst te wroeten:
Het ongenaakbaarste aan te doen:
Thands, dwinglandes van 't vrije harte,Voertge, aangebeden van al de aard,'t Volstrektst gezag op vreugde en smarte,Zo verre uw hand de Cymbel snaart.
Thands, dwinglandes van 't vrije harte,
Voertge, aangebeden van al de aard,
't Volstrektst gezag op vreugde en smarte,
Zo verre uw hand de Cymbel snaart.
Ja, ge onderstaat Natuur te dwingen,En de Echo, die tot de oogen spreekt,'t Penceel van uit de hand te wringen;En weinig! dat er aan ontbreekt.
Ja, ge onderstaat Natuur te dwingen,
En de Echo, die tot de oogen spreekt,
't Penceel van uit de hand te wringen;
En weinig! dat er aan ontbreekt.
Dus, dus heeft ook uw drift de palenVan 't rijk der Dichtkunste overschreên.—Zij deed u aan haar zijde pralen;En gij, gij eischt haar' throon alleen.
Dus, dus heeft ook uw drift de palen
Van 't rijk der Dichtkunste overschreên.—
Zij deed u aan haar zijde pralen;
En gij, gij eischt haar' throon alleen.
ô Zinnestreelster, zo uw klankenDe wellust zijn van al wat leeft;Herdenk, wie ge alles hebt te danken,Tot zelfs den rang waar naar gij streeft.
ô Zinnestreelster, zo uw klanken
De wellust zijn van al wat leeft;
Herdenk, wie ge alles hebt te danken,
Tot zelfs den rang waar naar gij streeft.
De bloemen, die uw borst versieren,Zijn door uw zuster-zelv geplukt:En prijktet ge ooit met prijslaurieren,Zij-zelv heeft ze op uw hoofd gedrukt.
De bloemen, die uw borst versieren,
Zijn door uw zuster-zelv geplukt:
En prijktet ge ooit met prijslaurieren,
Zij-zelv heeft ze op uw hoofd gedrukt.
En gij, op 't volksgejuich vermeten,Gij hebt door redenlozen tocht,Den liefdeband van een gereten,Die beider glorie hield verknocht,
En gij, op 't volksgejuich vermeten,
Gij hebt door redenlozen tocht,
Den liefdeband van een gereten,
Die beider glorie hield verknocht,
Keer van die maatloze eerzucht weder,En huuw uw' galm aan 's Dichters stem:Wel verre dat u zulks verneder,Het geeft uw' klanken de echte klem.
Keer van die maatloze eerzucht weder,
En huuw uw' galm aan 's Dichters stem:
Wel verre dat u zulks verneder,
Het geeft uw' klanken de echte klem.
Of, houdt een valsche schaamte u tegen.Te buigen voor een nieuwe wet:Hoor Dichtkunst-zelv, u steeds genegen,Daar ze op uw' toon haar vaarzen zet.
Of, houdt een valsche schaamte u tegen.
Te buigen voor een nieuwe wet:
Hoor Dichtkunst-zelv, u steeds genegen,
Daar ze op uw' toon haar vaarzen zet.
Ik wil Alkménes groten zoonVerbreiden op een' fieren toon,Zijn deugd ten loon:Maar ach! al te onervarenIn 't hartverheffend Heldendicht,Weêrgalmen mijne snarenVan Pafos dartel minnewicht.—'k Span nieuwe koorden op mijn Lier,En zing van Mavors Veldbanier:Maar ach! wat onvermogen!Mijn Cyther klinkt van Venus spruit,Weêrspannig aan mijn pogen.—Welaan dan, mijn geliefde Luit!Druk teêre minnelustjes uit,In plaats' van bloedige orelogen.
Ik wil Alkménes groten zoonVerbreiden op een' fieren toon,Zijn deugd ten loon:Maar ach! al te onervarenIn 't hartverheffend Heldendicht,Weêrgalmen mijne snarenVan Pafos dartel minnewicht.—'k Span nieuwe koorden op mijn Lier,En zing van Mavors Veldbanier:Maar ach! wat onvermogen!Mijn Cyther klinkt van Venus spruit,Weêrspannig aan mijn pogen.—Welaan dan, mijn geliefde Luit!Druk teêre minnelustjes uit,In plaats' van bloedige orelogen.
Ik wil Alkménes groten zoonVerbreiden op een' fieren toon,Zijn deugd ten loon:Maar ach! al te onervarenIn 't hartverheffend Heldendicht,Weêrgalmen mijne snarenVan Pafos dartel minnewicht.—'k Span nieuwe koorden op mijn Lier,En zing van Mavors Veldbanier:Maar ach! wat onvermogen!Mijn Cyther klinkt van Venus spruit,Weêrspannig aan mijn pogen.—Welaan dan, mijn geliefde Luit!Druk teêre minnelustjes uit,In plaats' van bloedige orelogen.
Ik wil Alkménes groten zoon
Verbreiden op een' fieren toon,
Zijn deugd ten loon:
Maar ach! al te onervaren
In 't hartverheffend Heldendicht,
Weêrgalmen mijne snaren
Van Pafos dartel minnewicht.—
'k Span nieuwe koorden op mijn Lier,
En zing van Mavors Veldbanier:
Maar ach! wat onvermogen!
Mijn Cyther klinkt van Venus spruit,
Weêrspannig aan mijn pogen.—
Welaan dan, mijn geliefde Luit!
Druk teêre minnelustjes uit,
In plaats' van bloedige orelogen.