The Project Gutenberg eBook ofMijn verlustigingThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: Mijn verlustigingAuthor: Willem BilderdijkRelease date: September 17, 2014 [eBook #46881]Most recently updated: October 24, 2024Language: DutchCredits: Produced by André Engels and the Online DistributedProofreading Team at http://www.pgdp.net (This file wasproduced from images from the Early Dutch Books Online andscanned by Koninklijke Bibliotheek, The Hague)*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK MIJN VERLUSTIGING ***
This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.
Title: Mijn verlustigingAuthor: Willem BilderdijkRelease date: September 17, 2014 [eBook #46881]Most recently updated: October 24, 2024Language: DutchCredits: Produced by André Engels and the Online DistributedProofreading Team at http://www.pgdp.net (This file wasproduced from images from the Early Dutch Books Online andscanned by Koninklijke Bibliotheek, The Hague)
Title: Mijn verlustiging
Author: Willem Bilderdijk
Author: Willem Bilderdijk
Release date: September 17, 2014 [eBook #46881]Most recently updated: October 24, 2024
Language: Dutch
Credits: Produced by André Engels and the Online DistributedProofreading Team at http://www.pgdp.net (This file wasproduced from images from the Early Dutch Books Online andscanned by Koninklijke Bibliotheek, The Hague)
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK MIJN VERLUSTIGING ***
OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:
De boekomslag is gemaakt door de bewerker en is in het publieke domein geplaatst.
De boekomslag is gemaakt door de bewerker en is in het publieke domein geplaatst.
De originele spelling en interpunctie is gehandhaafd. Een lijst met correcties bevindt zich aan heteinde van de tekst. Ook de inhoudsopgave bevindt zich aan heteinde van de tekst.
MECVM DIONAEO SVB ANTROQVAERE MODOS LEVIORE PLECTRO.HORAT.
MECVM DIONAEO SVB ANTROQVAERE MODOS LEVIORE PLECTRO.
HORAT.
TE LEYDEN EN AMSTERDAM,
bij C. van HOOGEVEEN, junior;
en de erven van D. KLIPPINK.
MDCCLXXXI.
CARMINA MANSVETVS LENIA QVAERIT AMOR.
PROPERTIUS.
MIJNVERLUSTIGING.
Or' si quelque imp(r)udent me vient blasmer dequoyJe ne suis plus si graue en mes vers que i'estoyA mon commencement, quand l'humeur PindariqueEnfloit empoulément ma bouche magnifique:Dy luy que les amours ne se souspirent pasD'vn vers hautement graue, ains d'vn beau stile bas,Populaire & plaisant, ainsi qu'a fait Tibulle,L'ingenieux Ouide & le docte Catulle:Le fils de Venus hait ces ostentations.RONSARD.
Or' si quelque imp(r)udent me vient blasmer dequoyJe ne suis plus si graue en mes vers que i'estoyA mon commencement, quand l'humeur PindariqueEnfloit empoulément ma bouche magnifique:Dy luy que les amours ne se souspirent pasD'vn vers hautement graue, ains d'vn beau stile bas,Populaire & plaisant, ainsi qu'a fait Tibulle,L'ingenieux Ouide & le docte Catulle:Le fils de Venus hait ces ostentations.RONSARD.
Or' si quelque imp(r)udent me vient blasmer dequoyJe ne suis plus si graue en mes vers que i'estoyA mon commencement, quand l'humeur PindariqueEnfloit empoulément ma bouche magnifique:Dy luy que les amours ne se souspirent pasD'vn vers hautement graue, ains d'vn beau stile bas,Populaire & plaisant, ainsi qu'a fait Tibulle,L'ingenieux Ouide & le docte Catulle:Le fils de Venus hait ces ostentations.RONSARD.
Or' si quelque imp(r)udent me vient blasmer dequoy
Je ne suis plus si graue en mes vers que i'estoy
A mon commencement, quand l'humeur Pindarique
Enfloit empoulément ma bouche magnifique:
Dy luy que les amours ne se souspirent pas
D'vn vers hautement graue, ains d'vn beau stile bas,
Populaire & plaisant, ainsi qu'a fait Tibulle,
L'ingenieux Ouide & le docte Catulle:
Le fils de Venus hait ces ostentations.
RONSARD.
Vraagt ge een proefje van mijn zangen, schone Juffer? eisch het vrij:'t Koomt u toe, met de eerste hulde van de schone Poëzij'.'t Koomt u toe, als 't wettig offer, 't wettig offer, toegebrachtAan de minnelijke weêrhelft van het menschelijk geslacht.Haar is 't toegewijd, geheiligd: haar, als overheerscheresVan ons hart, ons denkvermogen; onzes noodlots schikgodes.'t Leert beminnen, 't schetst de Liefde; hem, van wien ge uw macht ontleent!Die des aardrijks vierdedeelen onder uw gezag vereent!'t Leert beminnen, lieve Juffers! maar—gevoelig zijn daar bij:'t Leert meêdogenheid verbinden met den trots der heerschappij'.Lieve schonen, leest mijn zangen: leest ze met een open hart!Leert in 's minnaars boezem lezen, wat het zij, de minnesmart!Leert, hoe 't teder hart zich uitdrukt, als het van verliefdheid klopt:Ja, gevoelt het aan het uwe, wen 't gevoel het overkropt.ô Woudt ge eens een brandend zuchtje, een zuchtje dat uit wellust spruit!Woudt ge een gloeiend traantje schenken aan de tonen van mijn luit!ô Mocht eens de oprechte minnaar, als gij hem gelukkig maakt,Zich bedankenVan mijn klanken,Voor de hemelvolle weelde, die hij op uw lippen smaakt!
Vraagt ge een proefje van mijn zangen, schone Juffer? eisch het vrij:'t Koomt u toe, met de eerste hulde van de schone Poëzij'.'t Koomt u toe, als 't wettig offer, 't wettig offer, toegebrachtAan de minnelijke weêrhelft van het menschelijk geslacht.Haar is 't toegewijd, geheiligd: haar, als overheerscheresVan ons hart, ons denkvermogen; onzes noodlots schikgodes.'t Leert beminnen, 't schetst de Liefde; hem, van wien ge uw macht ontleent!Die des aardrijks vierdedeelen onder uw gezag vereent!'t Leert beminnen, lieve Juffers! maar—gevoelig zijn daar bij:'t Leert meêdogenheid verbinden met den trots der heerschappij'.Lieve schonen, leest mijn zangen: leest ze met een open hart!Leert in 's minnaars boezem lezen, wat het zij, de minnesmart!Leert, hoe 't teder hart zich uitdrukt, als het van verliefdheid klopt:Ja, gevoelt het aan het uwe, wen 't gevoel het overkropt.ô Woudt ge eens een brandend zuchtje, een zuchtje dat uit wellust spruit!Woudt ge een gloeiend traantje schenken aan de tonen van mijn luit!ô Mocht eens de oprechte minnaar, als gij hem gelukkig maakt,Zich bedankenVan mijn klanken,Voor de hemelvolle weelde, die hij op uw lippen smaakt!
Vraagt ge een proefje van mijn zangen, schone Juffer? eisch het vrij:'t Koomt u toe, met de eerste hulde van de schone Poëzij'.'t Koomt u toe, als 't wettig offer, 't wettig offer, toegebrachtAan de minnelijke weêrhelft van het menschelijk geslacht.Haar is 't toegewijd, geheiligd: haar, als overheerscheresVan ons hart, ons denkvermogen; onzes noodlots schikgodes.'t Leert beminnen, 't schetst de Liefde; hem, van wien ge uw macht ontleent!Die des aardrijks vierdedeelen onder uw gezag vereent!'t Leert beminnen, lieve Juffers! maar—gevoelig zijn daar bij:'t Leert meêdogenheid verbinden met den trots der heerschappij'.Lieve schonen, leest mijn zangen: leest ze met een open hart!Leert in 's minnaars boezem lezen, wat het zij, de minnesmart!Leert, hoe 't teder hart zich uitdrukt, als het van verliefdheid klopt:Ja, gevoelt het aan het uwe, wen 't gevoel het overkropt.ô Woudt ge eens een brandend zuchtje, een zuchtje dat uit wellust spruit!Woudt ge een gloeiend traantje schenken aan de tonen van mijn luit!ô Mocht eens de oprechte minnaar, als gij hem gelukkig maakt,Zich bedankenVan mijn klanken,Voor de hemelvolle weelde, die hij op uw lippen smaakt!
Vraagt ge een proefje van mijn zangen, schone Juffer? eisch het vrij:
't Koomt u toe, met de eerste hulde van de schone Poëzij'.
't Koomt u toe, als 't wettig offer, 't wettig offer, toegebracht
Aan de minnelijke weêrhelft van het menschelijk geslacht.
Haar is 't toegewijd, geheiligd: haar, als overheerscheres
Van ons hart, ons denkvermogen; onzes noodlots schikgodes.
't Leert beminnen, 't schetst de Liefde; hem, van wien ge uw macht ontleent!
Die des aardrijks vierdedeelen onder uw gezag vereent!
't Leert beminnen, lieve Juffers! maar—gevoelig zijn daar bij:
't Leert meêdogenheid verbinden met den trots der heerschappij'.
Lieve schonen, leest mijn zangen: leest ze met een open hart!
Leert in 's minnaars boezem lezen, wat het zij, de minnesmart!
Leert, hoe 't teder hart zich uitdrukt, als het van verliefdheid klopt:
Ja, gevoelt het aan het uwe, wen 't gevoel het overkropt.
ô Woudt ge eens een brandend zuchtje, een zuchtje dat uit wellust spruit!
Woudt ge een gloeiend traantje schenken aan de tonen van mijn luit!
ô Mocht eens de oprechte minnaar, als gij hem gelukkig maakt,
Zich bedanken
Van mijn klanken,
Voor de hemelvolle weelde, die hij op uw lippen smaakt!
Want waarlijk, zo eenige hartstocht tot 's menschen geluk dienstbaar is, gelijk ze in de daad alle zijn, 't is bij uitstekde liefde. Zij, die het hart door een' Hemelschen gloed verwarmt, uitzet, en met den zuiversten wellust vervult! die den geest opheft, en, of 't ware, met een veerkracht bedeelt, die zijne vermogens versterkt, zijnen ijver gaande maakt, zijne bedoelingen veredelt!—Welk eene aandoenlijkheid van gestel, fijnheid van gevoelen, levendigheid van beseffen, welk eene kieschheid van denken onderstelt zij niet, brengt zij te voorschijn, ja schept zij:—om die verkleefdheid aan 't geliefde voorwerp uit te werken!—die afhangkelijkheid van het zelve!—die zelfverlochening, waar door men er alles aan opoffert!—die belangeloosheid, waar door men niet bemint dan om te beminnen, dan om gelukkig te maken!—die verknochtheid, waar door zich de harten als in elkander uitstorten, als in een smelten; waar door de zielen als samenvloeien, en niet dan in elkanderen leven!—Om alle deze aandoeningen teffens te verwekken!—Aandoeningen! niet te begrijpen, dan door een' geest, van den edelsten nektar van onstoffelijke geneuchten als dronken! niet uit te denken, dan door een hart, van de zuiverste vlammen doorgloeid; en niet te gevoelen, dan van eenen boezem, door de herhaalde, door de aanhoudende kloppingen der natuur en der menschelijkheid vertederd en week gemaakt! Aandoeningen! door geen koude woorden beschrijfbaar! en die niet dan door de van weelde tintelende, van ijver vlammende oogen, van begeerte uitgedrevene zuchten, en een van overkroptheid des harte trillende stemme, zijn uit te drukken!—Voorzeker ondersteltzij deze gesteldtenis,—ja, zij brengt ze te voorschijn en schept ze. Zij weet de traagheid van vernuft, de dofheid van bevattingen, de ruwheid der denkbeelden, de logheid van gevoel te verbannen: en het is hier door, dat zij de heilzaamste uitwerksels heeft:—dat hare vlammen het hart van onwaardige driften louteren:—en dat hare zachte kluister de sterkste teugel tegen de ongebondenheid is.—En zou dan de afbeelding van een' hartstocht, zo edel, zo heilzaam, zo geschikt om het hart te verbeteren, nadeeligen invloed kunnen hebben?——Het is waar, dat een zekere wulpschheid, een zekere wellustige dartelheid in deMinnedichten, op zich-zelve beschouwd, in staat is, de beschroomdheid van zwaarmoedige zedenmeesteren op te wekken.—Doch, dat men bedenke, dat deze aandoening in goede Minnedichten aan de verhevene liefde ondergeschikt, door dezelve bepaald, en van haar afhangklijk gemaakt wordt; dat zij slechts dient om alle hare aanlokselen aan de gevoelens van 't hart, aan den onstoflijken wellust der ziele op te dragen, en als wederom van die ten leen' te ontfangen: dat, hoe verre een waar Minnedichter zich somtijds moge laten vervoeren, zijne verzen wel verre van een' trek tot ongebondenheid te ademen, dan zelfs, wanneer zij den eigen' wellust, wanneer zij het zinvermaak afschilderen, al dat zoet doen afhangen van die vereeniging van wil, van hart, van ziel, welke 't wezen der liefde is:—en dat hem, die immer een teugje uit dezen Poëtischen beker gesmaakt heeft, noodwendig van alle vermaken, waar in de ziel niet de hoofdrol speelt, van alle ongebondenheid, walgen moet.——Onuitgegevenvoorbereidende stukkentot detheorieder fraaie Wetenschappen.
In den slaap verscheen mij Venus,en zij bracht mij haren zoon:Dichter, onderwijs dit wichtje,sprak zij, in den Cythertoon.'k Stelde mijn ontsnaarde Cyther,en begon mijne eerste les.'k Zong, hoe 't fluitje wierd' gevondenvan de schone Vreêgodess':Hoe Apol de luit hanteerde:Pan het zevenmondig riet:Maar die onbesuisde jongenlettede op mijn zingen niet.Eindlijk sprak hij, arme Dichter,staak uw dorre poëzij;Geef het speeltuig mij in handen:'k weet dit beter reeds dan gij.Straks begon hij op mijn snareneen' bijzondren toon te slaan;En hief dartle minnelustjes,minnegreepjes, kusjes, aan.IJlings was ik 't al vergeten,wat ik hem had voorgespeeld,En kon verder niets meer zingen,dan het lied, door hem gekweeld.
In den slaap verscheen mij Venus,en zij bracht mij haren zoon:Dichter, onderwijs dit wichtje,sprak zij, in den Cythertoon.'k Stelde mijn ontsnaarde Cyther,en begon mijne eerste les.'k Zong, hoe 't fluitje wierd' gevondenvan de schone Vreêgodess':Hoe Apol de luit hanteerde:Pan het zevenmondig riet:Maar die onbesuisde jongenlettede op mijn zingen niet.Eindlijk sprak hij, arme Dichter,staak uw dorre poëzij;Geef het speeltuig mij in handen:'k weet dit beter reeds dan gij.Straks begon hij op mijn snareneen' bijzondren toon te slaan;En hief dartle minnelustjes,minnegreepjes, kusjes, aan.IJlings was ik 't al vergeten,wat ik hem had voorgespeeld,En kon verder niets meer zingen,dan het lied, door hem gekweeld.
In den slaap verscheen mij Venus,en zij bracht mij haren zoon:Dichter, onderwijs dit wichtje,sprak zij, in den Cythertoon.'k Stelde mijn ontsnaarde Cyther,en begon mijne eerste les.'k Zong, hoe 't fluitje wierd' gevondenvan de schone Vreêgodess':Hoe Apol de luit hanteerde:Pan het zevenmondig riet:Maar die onbesuisde jongenlettede op mijn zingen niet.Eindlijk sprak hij, arme Dichter,staak uw dorre poëzij;Geef het speeltuig mij in handen:'k weet dit beter reeds dan gij.Straks begon hij op mijn snareneen' bijzondren toon te slaan;En hief dartle minnelustjes,minnegreepjes, kusjes, aan.IJlings was ik 't al vergeten,wat ik hem had voorgespeeld,En kon verder niets meer zingen,dan het lied, door hem gekweeld.
In den slaap verscheen mij Venus,
en zij bracht mij haren zoon:
Dichter, onderwijs dit wichtje,
sprak zij, in den Cythertoon.
'k Stelde mijn ontsnaarde Cyther,
en begon mijne eerste les.
'k Zong, hoe 't fluitje wierd' gevonden
van de schone Vreêgodess':
Hoe Apol de luit hanteerde:
Pan het zevenmondig riet:
Maar die onbesuisde jongen
lettede op mijn zingen niet.
Eindlijk sprak hij, arme Dichter,
staak uw dorre poëzij;
Geef het speeltuig mij in handen:
'k weet dit beter reeds dan gij.
Straks begon hij op mijn snaren
een' bijzondren toon te slaan;
En hief dartle minnelustjes,
minnegreepjes, kusjes, aan.
IJlings was ik 't al vergeten,
wat ik hem had voorgespeeld,
En kon verder niets meer zingen,
dan het lied, door hem gekweeld.
Waar zijn de lauwren, waar de toovervinderijen?Geef, Thestylis, geef aan: dat we ons aan 't outer vlijen:Bekroon den drinkkop met een zwarte lammrenvacht;Dat ik den minnaar offre, om wien mijn hart versmacht;Die veertien dagen reeds mijn zijde heeft begeven,Onzeker van mijn' dood zo wel als van mijn leven.Helaas! een andre tocht en wisselzieke lustHeeft de eerste minnevlam ontwijfelbaar geblust.'k Zal morgen 't worstelperk van Timageet bezoeken,Hem smeken; heden, hem door offerdienst verkloeken.Gij, blanke Maan, schijn schoon: Godes, u zinge ik toe!—Gij, achtbre Hecaté, wier ik mijn bede doe:Voor wie de hondenwulp, van 't bloed der lijken dronken,Van killen angst' besterft in de oude grafspelonken:Ontvang mijn groet, Vorstin! sta mij ten einde bij!Schenk groter kracht dan ooit aan dees mijne artsenij:Dat ik een mengsel make, als nimmer Perimede,Of Febus wijze spruit, of Jazons Ega' dede!——Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!Flux, Thestylis, strooi meel, ons meel is reeds vergaan:Waar, achteloze, zeg, waar zweven uw gedachten?Of drijft gij meê den spot met mijn benauwde klachten?Strooi op, en zeg: ik strooi de beenders van Silvaan.Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!Silvaan bedroeft mijn hart; 'k wijd hem mijne offeranden:'k Zal dezen lauwertak op mijnen minnaar branden.Hoe kraakt dit blad in 't vuur, hoe krimpt het, en hoe draVerteerde 't in de vlam en laat geene asschen na!Niet anders staa Silvaan, na 't voorbeeld dezer bladeren,Een woedend vuur ten doel', dat ombruisch' door zijne aderen!Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!Gelijk de gloed des vuurs deez' waschklomp doet ontlaân,Zo moet hij zelf terstond van minne samenvloeien;En met nog sneller spoed naar mijnen drempel spoeien,Dan ik, met Venus hulp', dees werpschijf rond doe gaan.Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!Nu brenge ik zeemlen toe.—Godes der duisterlingen!Gij zoudt des afgronds poort van uit heur naven wringen,Ja, 's aardryks as, en 't geen nog vaster stond dan dat.ô Thestylis, reeds huilt de bloedhond door de stad.Aanvaard de bekkens, voort: verdoof het angstig janken,Door 't daverend geluid der schelle tooverklanken:De Godheid naakt: 't is tijd de koopren bom te slaan.Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!Zie daar, de zee zwijgt stil, de rust beheerscht de baren;Maar ach! mijn boezemsmart weet nimmer van bedaren:'t Geblaas der winden heeft voor kalmte plaats gemaakt;Waar rustloos woelt de vlam, die mij den boezem blaakt.Ik blijf geheel en al voor hem in liefde branden,Die mijn rampzalig hoofd gedompeld heeft in schanden.Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!'k Pleng driewerv' offerwijn, 'k roep driewerv' om Silvaan:Verkeer zijn liefde voor mijn medeminnaresse,Godes, als Theseus min voor Kretes rijksprinsesse!Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!Gelijk een ros, door 't vuur der teelzucht aangedaan,Langs berg en heuvel rent, met woest en razend wrenschen,Vlieg' mij Silvaan in d'arm op mijn mistroostig wenschen!Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!Dit koord bezoomde 't kleed van Myndiër Silvaan:'k Smijt dit ontrafeld koord met afschrik uit mijne oogen.Wat hebt ge, ô wrede min, het bloed mij uitgezogen,Als de echel, die in 't bad zich vasthecht aan de leên!Lokvogel trek mijn' Gade, en voer hem herwaart heen!'k Breng morgen u 't venijn van een verpletterde adder;Doop dan, mijn Thestylis, dees bloemen in dat zwadder,En spreng den opperkant des dorpels met dit vocht:(Des dorpels, daar mijn hart zo vast aan blijft verknocht!)En zeg, het giftig nat dus plengende onder 't huppelen:'t Gebeente van Silvaan bespreng ik met dees druppelen.Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem in mijn' schoot!Hoe thands de bron geschetst waar uit mijn liefde sproot?Hoe thands den oorsprong van mijn minnevlam beschreven?Hoe vange ik 't aan? Wie heeft dees ramp mij toegedreven?Men zou in 't heilig woud der achtbre Jachtgodinn'Het jachtspel houden van een Lybische leeuwin,Verzeld van andre vreemde en vreeselijke dieren.De jeugd kwam van alom dit zeldzaam schouwfeest vieren.Hoor d'oorsprong van mijn liefde, ô zilverblanke maan!Melixo noopte mij, om derwaart heen te gaan.En ik, (onzinnige!) ik! ik liet mij overreden,In 't linnen staatsiekleed die voedster na te treden.Hoor d'oorsprong van mijn liefde, ô zilverblanke maan!Daar kwam Eudemon zich, en, nevens hem, Silvaan,Van uit het worstelperk aan mijn gezicht vertonen.Een dons, gelijk safraan, versierde hun de konen:Hun borst blonk meer dan gij, aanbidlijke Diaan!Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!ô Hoe beschouwde ik hen! En ach! met welke ontroering'!'k Zag niets van 't schouwspel meer in deze zielsvervoering',Noch weet op welk een wijze ik t'huiswaart ben gekeerd.Mijn schoon versmolt, en 'k werd door 't hevigst vuur verteerd;Terwijl ik onder 't pak dier kwelling' neêrgezegen,Tien dagen achter een op 't krankbed bleef gelegen.Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!Mijn aanzicht nam de kleur des bleeken doodschriks aan;Mijn hoofd verloor het goud, waar mede 't plach te prijken;Men mocht mijn lichaam bij het dorre hout gelijken,En welk een kunstnarij werd niet vergeefsch bestaan!Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!De tijd verliep. In 't eind ontdekte ik mijn slavinneHet lang verheeld geheim van mijne ondoofbre minne:ô Thestylis, zoek mij een middel voor mijn kwaal.De Myndiër verwon me, en blaakt mij te eenemaal:Ga heen, en laat niet na, u alles te onderwinden,Om hem bij 't oefenperk van Timageet te vinden.(Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!)En spreek hem, doe uw' last, in 't heimlijk, hem verstaan:Dat hem Simetha toeft; dat gij hem in zult leiden:Ik zal uw wederkomst met ongeduld verbeiden.Vlieg heen, mijn Thestylis.—Dus sprak ik, en zij ging,En bracht me in mijn vertrek den schonen jongeling.Maar nauwlijks zag ik hem de kamerdeur genaken,Of 't zweet vloot als een dauw bij drupplen langs mijn kaken:(Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!)Een koude trilling greep mijn leden teffens aan:'k Verbleekte, en bleef verstijfd, als ware ik zonder leven,En was niet machtig, zelfs om 't minst geluid te geven.Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!Hij zag mij met een oog vol minnevonken aan,Trad op 't aanminnigst toe, zat op mijn sponde neder,Sloeg 't aanzicht voor zich neêr, en uitte zich dus teder:Gij zijt me, ô schone maagd, zo verr' vooruitgesneld,Als ik Filynus deed in 't roemrijk wagenveld:Gij wist me in dezen strijd den gloriepalm te onttrekken,Met aan mijn minnend hart het uwe 't eerst te ontdekken.(Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!)Want ('k roep de Liefde-zelv' ten blijk' der waarheid aan)Ik stond u dezen nacht (uw drift kon 't niet gehengen,)In 't opgebonden kleed Iäcchus ooft te brengen,Omsluierd, en omkranst met witte popelblaân.(Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!)En waar 't mij dan vergund in uw vertrek te dringen,(Want 'k voer den naam van stout bij onze jongelingen)En vond ik u het oog bezwemen door de rust:Hoe had ik in uw' slaap dien schonen mond gekust!Doch vond ik mij de deur voor 't voorhoofd toegesloten,Ik had den toegang dan door bijl en toorts genoten.(Hoor d'aanvang mijner liefde, ô achtbre Nachtvorstin!)Nu zeg ik d'eersten dank aan Cyprus koningin,Na Cytherée aan u, die met mijn' druk bewogen,Mij door uw gunstbewijs de vlammen hebt onttogen:De min blaakt feller dan de vuurpoel van Vulkaan.(Hoor d'aanvang van mijn vlam, aanbidlijke Diaan!)Maar te onrecht doet ze een maagd, ter rustbedde uitgerezen,Voor 't tintelend gezicht eens wakkren jonglings vrezen;En jaagt de bruid, wen zij haars Egaâs koets verlaat,Den blos op 't voorhoofd, van den gloênden dageraad,Dus sprak hij:—ik, wier hart in zijn begeerte stemde,Ik zonk in 't rustbed neêr, daar hij me in de armen klemde;En straks werd mond op mond en lijf op lijf gestoofd:Ons aanzicht voelde een' gloed, die opsteeg naar het hoofd:Een lief gemurmel zuisde en speelde ons op de lippen:En, om dees lieflijkheid niet verder aan te stippen,Ons heet verlangen werd van wederzij' gebluscht;En nooit werd onze min door achterdocht ontrust.Doch heden kwam Fenisse, als de eerste morgenstralenDe kim verguldden, mij zijn nieuwe vlam verhalen.Zij weet niet, wie de bron van deze drift moog zijn;Maar wel, dat hij mijn min geplengd heeft met den wijn,En dat geheel zijn huis met bloemen werd behangen.Dus was 't bericht dier vreemde, en 't mag geloof erlangen:Want, daar hij me anders staâg geschenken plach te biên,Heb ik hem heden in geen dubble week gezien.'t Gaat vast, een andre lust doet mij zijn bijzijn missen,En wist mijn beeldtenis van uit zijn' geest te wisschen.—Nu offer ik hem hier door tooverkruiderij:Dan, zo ik langer nog van zijn trouwloosheid lij',Ik zweer des afgronds deur te ontgrendlen door mijn offer:Zo sterk eene artsenij beware ik in dees koffer,Waar me een Assyriër 't gebruik van kennen deê.Maar gij, vaarwel Godes, en spoed u naar de zee!'k Voleind mijn werk met u, het is met u begonnen.Vaar wel, ô zilvren maan! en gij, ô mindre zonnen,Die door de loopbaan van 't onmeetlijk starrenveldDe schone Nachtgodes op haren tocht verzelt!
Waar zijn de lauwren, waar de toovervinderijen?Geef, Thestylis, geef aan: dat we ons aan 't outer vlijen:Bekroon den drinkkop met een zwarte lammrenvacht;Dat ik den minnaar offre, om wien mijn hart versmacht;Die veertien dagen reeds mijn zijde heeft begeven,Onzeker van mijn' dood zo wel als van mijn leven.Helaas! een andre tocht en wisselzieke lustHeeft de eerste minnevlam ontwijfelbaar geblust.'k Zal morgen 't worstelperk van Timageet bezoeken,Hem smeken; heden, hem door offerdienst verkloeken.Gij, blanke Maan, schijn schoon: Godes, u zinge ik toe!—Gij, achtbre Hecaté, wier ik mijn bede doe:Voor wie de hondenwulp, van 't bloed der lijken dronken,Van killen angst' besterft in de oude grafspelonken:Ontvang mijn groet, Vorstin! sta mij ten einde bij!Schenk groter kracht dan ooit aan dees mijne artsenij:Dat ik een mengsel make, als nimmer Perimede,Of Febus wijze spruit, of Jazons Ega' dede!——Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!Flux, Thestylis, strooi meel, ons meel is reeds vergaan:Waar, achteloze, zeg, waar zweven uw gedachten?Of drijft gij meê den spot met mijn benauwde klachten?Strooi op, en zeg: ik strooi de beenders van Silvaan.Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!Silvaan bedroeft mijn hart; 'k wijd hem mijne offeranden:'k Zal dezen lauwertak op mijnen minnaar branden.Hoe kraakt dit blad in 't vuur, hoe krimpt het, en hoe draVerteerde 't in de vlam en laat geene asschen na!Niet anders staa Silvaan, na 't voorbeeld dezer bladeren,Een woedend vuur ten doel', dat ombruisch' door zijne aderen!Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!Gelijk de gloed des vuurs deez' waschklomp doet ontlaân,Zo moet hij zelf terstond van minne samenvloeien;En met nog sneller spoed naar mijnen drempel spoeien,Dan ik, met Venus hulp', dees werpschijf rond doe gaan.Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!Nu brenge ik zeemlen toe.—Godes der duisterlingen!Gij zoudt des afgronds poort van uit heur naven wringen,Ja, 's aardryks as, en 't geen nog vaster stond dan dat.ô Thestylis, reeds huilt de bloedhond door de stad.Aanvaard de bekkens, voort: verdoof het angstig janken,Door 't daverend geluid der schelle tooverklanken:De Godheid naakt: 't is tijd de koopren bom te slaan.Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!Zie daar, de zee zwijgt stil, de rust beheerscht de baren;Maar ach! mijn boezemsmart weet nimmer van bedaren:'t Geblaas der winden heeft voor kalmte plaats gemaakt;Waar rustloos woelt de vlam, die mij den boezem blaakt.Ik blijf geheel en al voor hem in liefde branden,Die mijn rampzalig hoofd gedompeld heeft in schanden.Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!'k Pleng driewerv' offerwijn, 'k roep driewerv' om Silvaan:Verkeer zijn liefde voor mijn medeminnaresse,Godes, als Theseus min voor Kretes rijksprinsesse!Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!Gelijk een ros, door 't vuur der teelzucht aangedaan,Langs berg en heuvel rent, met woest en razend wrenschen,Vlieg' mij Silvaan in d'arm op mijn mistroostig wenschen!Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!Dit koord bezoomde 't kleed van Myndiër Silvaan:'k Smijt dit ontrafeld koord met afschrik uit mijne oogen.Wat hebt ge, ô wrede min, het bloed mij uitgezogen,Als de echel, die in 't bad zich vasthecht aan de leên!Lokvogel trek mijn' Gade, en voer hem herwaart heen!'k Breng morgen u 't venijn van een verpletterde adder;Doop dan, mijn Thestylis, dees bloemen in dat zwadder,En spreng den opperkant des dorpels met dit vocht:(Des dorpels, daar mijn hart zo vast aan blijft verknocht!)En zeg, het giftig nat dus plengende onder 't huppelen:'t Gebeente van Silvaan bespreng ik met dees druppelen.Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem in mijn' schoot!Hoe thands de bron geschetst waar uit mijn liefde sproot?Hoe thands den oorsprong van mijn minnevlam beschreven?Hoe vange ik 't aan? Wie heeft dees ramp mij toegedreven?Men zou in 't heilig woud der achtbre Jachtgodinn'Het jachtspel houden van een Lybische leeuwin,Verzeld van andre vreemde en vreeselijke dieren.De jeugd kwam van alom dit zeldzaam schouwfeest vieren.Hoor d'oorsprong van mijn liefde, ô zilverblanke maan!Melixo noopte mij, om derwaart heen te gaan.En ik, (onzinnige!) ik! ik liet mij overreden,In 't linnen staatsiekleed die voedster na te treden.Hoor d'oorsprong van mijn liefde, ô zilverblanke maan!Daar kwam Eudemon zich, en, nevens hem, Silvaan,Van uit het worstelperk aan mijn gezicht vertonen.Een dons, gelijk safraan, versierde hun de konen:Hun borst blonk meer dan gij, aanbidlijke Diaan!Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!ô Hoe beschouwde ik hen! En ach! met welke ontroering'!'k Zag niets van 't schouwspel meer in deze zielsvervoering',Noch weet op welk een wijze ik t'huiswaart ben gekeerd.Mijn schoon versmolt, en 'k werd door 't hevigst vuur verteerd;Terwijl ik onder 't pak dier kwelling' neêrgezegen,Tien dagen achter een op 't krankbed bleef gelegen.Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!Mijn aanzicht nam de kleur des bleeken doodschriks aan;Mijn hoofd verloor het goud, waar mede 't plach te prijken;Men mocht mijn lichaam bij het dorre hout gelijken,En welk een kunstnarij werd niet vergeefsch bestaan!Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!De tijd verliep. In 't eind ontdekte ik mijn slavinneHet lang verheeld geheim van mijne ondoofbre minne:ô Thestylis, zoek mij een middel voor mijn kwaal.De Myndiër verwon me, en blaakt mij te eenemaal:Ga heen, en laat niet na, u alles te onderwinden,Om hem bij 't oefenperk van Timageet te vinden.(Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!)En spreek hem, doe uw' last, in 't heimlijk, hem verstaan:Dat hem Simetha toeft; dat gij hem in zult leiden:Ik zal uw wederkomst met ongeduld verbeiden.Vlieg heen, mijn Thestylis.—Dus sprak ik, en zij ging,En bracht me in mijn vertrek den schonen jongeling.Maar nauwlijks zag ik hem de kamerdeur genaken,Of 't zweet vloot als een dauw bij drupplen langs mijn kaken:(Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!)Een koude trilling greep mijn leden teffens aan:'k Verbleekte, en bleef verstijfd, als ware ik zonder leven,En was niet machtig, zelfs om 't minst geluid te geven.Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!Hij zag mij met een oog vol minnevonken aan,Trad op 't aanminnigst toe, zat op mijn sponde neder,Sloeg 't aanzicht voor zich neêr, en uitte zich dus teder:Gij zijt me, ô schone maagd, zo verr' vooruitgesneld,Als ik Filynus deed in 't roemrijk wagenveld:Gij wist me in dezen strijd den gloriepalm te onttrekken,Met aan mijn minnend hart het uwe 't eerst te ontdekken.(Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!)Want ('k roep de Liefde-zelv' ten blijk' der waarheid aan)Ik stond u dezen nacht (uw drift kon 't niet gehengen,)In 't opgebonden kleed Iäcchus ooft te brengen,Omsluierd, en omkranst met witte popelblaân.(Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!)En waar 't mij dan vergund in uw vertrek te dringen,(Want 'k voer den naam van stout bij onze jongelingen)En vond ik u het oog bezwemen door de rust:Hoe had ik in uw' slaap dien schonen mond gekust!Doch vond ik mij de deur voor 't voorhoofd toegesloten,Ik had den toegang dan door bijl en toorts genoten.(Hoor d'aanvang mijner liefde, ô achtbre Nachtvorstin!)Nu zeg ik d'eersten dank aan Cyprus koningin,Na Cytherée aan u, die met mijn' druk bewogen,Mij door uw gunstbewijs de vlammen hebt onttogen:De min blaakt feller dan de vuurpoel van Vulkaan.(Hoor d'aanvang van mijn vlam, aanbidlijke Diaan!)Maar te onrecht doet ze een maagd, ter rustbedde uitgerezen,Voor 't tintelend gezicht eens wakkren jonglings vrezen;En jaagt de bruid, wen zij haars Egaâs koets verlaat,Den blos op 't voorhoofd, van den gloênden dageraad,Dus sprak hij:—ik, wier hart in zijn begeerte stemde,Ik zonk in 't rustbed neêr, daar hij me in de armen klemde;En straks werd mond op mond en lijf op lijf gestoofd:Ons aanzicht voelde een' gloed, die opsteeg naar het hoofd:Een lief gemurmel zuisde en speelde ons op de lippen:En, om dees lieflijkheid niet verder aan te stippen,Ons heet verlangen werd van wederzij' gebluscht;En nooit werd onze min door achterdocht ontrust.Doch heden kwam Fenisse, als de eerste morgenstralenDe kim verguldden, mij zijn nieuwe vlam verhalen.Zij weet niet, wie de bron van deze drift moog zijn;Maar wel, dat hij mijn min geplengd heeft met den wijn,En dat geheel zijn huis met bloemen werd behangen.Dus was 't bericht dier vreemde, en 't mag geloof erlangen:Want, daar hij me anders staâg geschenken plach te biên,Heb ik hem heden in geen dubble week gezien.'t Gaat vast, een andre lust doet mij zijn bijzijn missen,En wist mijn beeldtenis van uit zijn' geest te wisschen.—Nu offer ik hem hier door tooverkruiderij:Dan, zo ik langer nog van zijn trouwloosheid lij',Ik zweer des afgronds deur te ontgrendlen door mijn offer:Zo sterk eene artsenij beware ik in dees koffer,Waar me een Assyriër 't gebruik van kennen deê.Maar gij, vaarwel Godes, en spoed u naar de zee!'k Voleind mijn werk met u, het is met u begonnen.Vaar wel, ô zilvren maan! en gij, ô mindre zonnen,Die door de loopbaan van 't onmeetlijk starrenveldDe schone Nachtgodes op haren tocht verzelt!
Waar zijn de lauwren, waar de toovervinderijen?Geef, Thestylis, geef aan: dat we ons aan 't outer vlijen:Bekroon den drinkkop met een zwarte lammrenvacht;Dat ik den minnaar offre, om wien mijn hart versmacht;Die veertien dagen reeds mijn zijde heeft begeven,Onzeker van mijn' dood zo wel als van mijn leven.Helaas! een andre tocht en wisselzieke lustHeeft de eerste minnevlam ontwijfelbaar geblust.'k Zal morgen 't worstelperk van Timageet bezoeken,Hem smeken; heden, hem door offerdienst verkloeken.
Waar zijn de lauwren, waar de toovervinderijen?
Geef, Thestylis, geef aan: dat we ons aan 't outer vlijen:
Bekroon den drinkkop met een zwarte lammrenvacht;
Dat ik den minnaar offre, om wien mijn hart versmacht;
Die veertien dagen reeds mijn zijde heeft begeven,
Onzeker van mijn' dood zo wel als van mijn leven.
Helaas! een andre tocht en wisselzieke lust
Heeft de eerste minnevlam ontwijfelbaar geblust.
'k Zal morgen 't worstelperk van Timageet bezoeken,
Hem smeken; heden, hem door offerdienst verkloeken.
Gij, blanke Maan, schijn schoon: Godes, u zinge ik toe!—Gij, achtbre Hecaté, wier ik mijn bede doe:Voor wie de hondenwulp, van 't bloed der lijken dronken,Van killen angst' besterft in de oude grafspelonken:Ontvang mijn groet, Vorstin! sta mij ten einde bij!Schenk groter kracht dan ooit aan dees mijne artsenij:Dat ik een mengsel make, als nimmer Perimede,Of Febus wijze spruit, of Jazons Ega' dede!——
Gij, blanke Maan, schijn schoon: Godes, u zinge ik toe!—
Gij, achtbre Hecaté, wier ik mijn bede doe:
Voor wie de hondenwulp, van 't bloed der lijken dronken,
Van killen angst' besterft in de oude grafspelonken:
Ontvang mijn groet, Vorstin! sta mij ten einde bij!
Schenk groter kracht dan ooit aan dees mijne artsenij:
Dat ik een mengsel make, als nimmer Perimede,
Of Febus wijze spruit, of Jazons Ega' dede!——
Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!Flux, Thestylis, strooi meel, ons meel is reeds vergaan:Waar, achteloze, zeg, waar zweven uw gedachten?Of drijft gij meê den spot met mijn benauwde klachten?Strooi op, en zeg: ik strooi de beenders van Silvaan.
Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!
Flux, Thestylis, strooi meel, ons meel is reeds vergaan:
Waar, achteloze, zeg, waar zweven uw gedachten?
Of drijft gij meê den spot met mijn benauwde klachten?
Strooi op, en zeg: ik strooi de beenders van Silvaan.
Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!Silvaan bedroeft mijn hart; 'k wijd hem mijne offeranden:'k Zal dezen lauwertak op mijnen minnaar branden.Hoe kraakt dit blad in 't vuur, hoe krimpt het, en hoe draVerteerde 't in de vlam en laat geene asschen na!Niet anders staa Silvaan, na 't voorbeeld dezer bladeren,Een woedend vuur ten doel', dat ombruisch' door zijne aderen!
Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!
Silvaan bedroeft mijn hart; 'k wijd hem mijne offeranden:
'k Zal dezen lauwertak op mijnen minnaar branden.
Hoe kraakt dit blad in 't vuur, hoe krimpt het, en hoe dra
Verteerde 't in de vlam en laat geene asschen na!
Niet anders staa Silvaan, na 't voorbeeld dezer bladeren,
Een woedend vuur ten doel', dat ombruisch' door zijne aderen!
Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!Gelijk de gloed des vuurs deez' waschklomp doet ontlaân,Zo moet hij zelf terstond van minne samenvloeien;En met nog sneller spoed naar mijnen drempel spoeien,Dan ik, met Venus hulp', dees werpschijf rond doe gaan.
Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!
Gelijk de gloed des vuurs deez' waschklomp doet ontlaân,
Zo moet hij zelf terstond van minne samenvloeien;
En met nog sneller spoed naar mijnen drempel spoeien,
Dan ik, met Venus hulp', dees werpschijf rond doe gaan.
Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!Nu brenge ik zeemlen toe.—Godes der duisterlingen!Gij zoudt des afgronds poort van uit heur naven wringen,Ja, 's aardryks as, en 't geen nog vaster stond dan dat.ô Thestylis, reeds huilt de bloedhond door de stad.Aanvaard de bekkens, voort: verdoof het angstig janken,Door 't daverend geluid der schelle tooverklanken:De Godheid naakt: 't is tijd de koopren bom te slaan.
Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!
Nu brenge ik zeemlen toe.—Godes der duisterlingen!
Gij zoudt des afgronds poort van uit heur naven wringen,
Ja, 's aardryks as, en 't geen nog vaster stond dan dat.
ô Thestylis, reeds huilt de bloedhond door de stad.
Aanvaard de bekkens, voort: verdoof het angstig janken,
Door 't daverend geluid der schelle tooverklanken:
De Godheid naakt: 't is tijd de koopren bom te slaan.
Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!Zie daar, de zee zwijgt stil, de rust beheerscht de baren;Maar ach! mijn boezemsmart weet nimmer van bedaren:'t Geblaas der winden heeft voor kalmte plaats gemaakt;Waar rustloos woelt de vlam, die mij den boezem blaakt.Ik blijf geheel en al voor hem in liefde branden,Die mijn rampzalig hoofd gedompeld heeft in schanden.
Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!
Zie daar, de zee zwijgt stil, de rust beheerscht de baren;
Maar ach! mijn boezemsmart weet nimmer van bedaren:
't Geblaas der winden heeft voor kalmte plaats gemaakt;
Waar rustloos woelt de vlam, die mij den boezem blaakt.
Ik blijf geheel en al voor hem in liefde branden,
Die mijn rampzalig hoofd gedompeld heeft in schanden.
Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!'k Pleng driewerv' offerwijn, 'k roep driewerv' om Silvaan:Verkeer zijn liefde voor mijn medeminnaresse,Godes, als Theseus min voor Kretes rijksprinsesse!
Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!
'k Pleng driewerv' offerwijn, 'k roep driewerv' om Silvaan:
Verkeer zijn liefde voor mijn medeminnaresse,
Godes, als Theseus min voor Kretes rijksprinsesse!
Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!Gelijk een ros, door 't vuur der teelzucht aangedaan,Langs berg en heuvel rent, met woest en razend wrenschen,Vlieg' mij Silvaan in d'arm op mijn mistroostig wenschen!
Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!
Gelijk een ros, door 't vuur der teelzucht aangedaan,
Langs berg en heuvel rent, met woest en razend wrenschen,
Vlieg' mij Silvaan in d'arm op mijn mistroostig wenschen!
Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!Dit koord bezoomde 't kleed van Myndiër Silvaan:'k Smijt dit ontrafeld koord met afschrik uit mijne oogen.Wat hebt ge, ô wrede min, het bloed mij uitgezogen,Als de echel, die in 't bad zich vasthecht aan de leên!
Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!
Dit koord bezoomde 't kleed van Myndiër Silvaan:
'k Smijt dit ontrafeld koord met afschrik uit mijne oogen.
Wat hebt ge, ô wrede min, het bloed mij uitgezogen,
Als de echel, die in 't bad zich vasthecht aan de leên!
Lokvogel trek mijn' Gade, en voer hem herwaart heen!'k Breng morgen u 't venijn van een verpletterde adder;Doop dan, mijn Thestylis, dees bloemen in dat zwadder,En spreng den opperkant des dorpels met dit vocht:(Des dorpels, daar mijn hart zo vast aan blijft verknocht!)En zeg, het giftig nat dus plengende onder 't huppelen:'t Gebeente van Silvaan bespreng ik met dees druppelen.
Lokvogel trek mijn' Gade, en voer hem herwaart heen!
'k Breng morgen u 't venijn van een verpletterde adder;
Doop dan, mijn Thestylis, dees bloemen in dat zwadder,
En spreng den opperkant des dorpels met dit vocht:
(Des dorpels, daar mijn hart zo vast aan blijft verknocht!)
En zeg, het giftig nat dus plengende onder 't huppelen:
't Gebeente van Silvaan bespreng ik met dees druppelen.
Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem in mijn' schoot!Hoe thands de bron geschetst waar uit mijn liefde sproot?Hoe thands den oorsprong van mijn minnevlam beschreven?Hoe vange ik 't aan? Wie heeft dees ramp mij toegedreven?
Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem in mijn' schoot!
Hoe thands de bron geschetst waar uit mijn liefde sproot?
Hoe thands den oorsprong van mijn minnevlam beschreven?
Hoe vange ik 't aan? Wie heeft dees ramp mij toegedreven?
Men zou in 't heilig woud der achtbre Jachtgodinn'Het jachtspel houden van een Lybische leeuwin,Verzeld van andre vreemde en vreeselijke dieren.De jeugd kwam van alom dit zeldzaam schouwfeest vieren.
Men zou in 't heilig woud der achtbre Jachtgodinn'
Het jachtspel houden van een Lybische leeuwin,
Verzeld van andre vreemde en vreeselijke dieren.
De jeugd kwam van alom dit zeldzaam schouwfeest vieren.
Hoor d'oorsprong van mijn liefde, ô zilverblanke maan!Melixo noopte mij, om derwaart heen te gaan.En ik, (onzinnige!) ik! ik liet mij overreden,In 't linnen staatsiekleed die voedster na te treden.
Hoor d'oorsprong van mijn liefde, ô zilverblanke maan!
Melixo noopte mij, om derwaart heen te gaan.
En ik, (onzinnige!) ik! ik liet mij overreden,
In 't linnen staatsiekleed die voedster na te treden.
Hoor d'oorsprong van mijn liefde, ô zilverblanke maan!Daar kwam Eudemon zich, en, nevens hem, Silvaan,Van uit het worstelperk aan mijn gezicht vertonen.Een dons, gelijk safraan, versierde hun de konen:Hun borst blonk meer dan gij, aanbidlijke Diaan!
Hoor d'oorsprong van mijn liefde, ô zilverblanke maan!
Daar kwam Eudemon zich, en, nevens hem, Silvaan,
Van uit het worstelperk aan mijn gezicht vertonen.
Een dons, gelijk safraan, versierde hun de konen:
Hun borst blonk meer dan gij, aanbidlijke Diaan!
Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!ô Hoe beschouwde ik hen! En ach! met welke ontroering'!'k Zag niets van 't schouwspel meer in deze zielsvervoering',Noch weet op welk een wijze ik t'huiswaart ben gekeerd.Mijn schoon versmolt, en 'k werd door 't hevigst vuur verteerd;Terwijl ik onder 't pak dier kwelling' neêrgezegen,Tien dagen achter een op 't krankbed bleef gelegen.
Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!
ô Hoe beschouwde ik hen! En ach! met welke ontroering'!
'k Zag niets van 't schouwspel meer in deze zielsvervoering',
Noch weet op welk een wijze ik t'huiswaart ben gekeerd.
Mijn schoon versmolt, en 'k werd door 't hevigst vuur verteerd;
Terwijl ik onder 't pak dier kwelling' neêrgezegen,
Tien dagen achter een op 't krankbed bleef gelegen.
Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!Mijn aanzicht nam de kleur des bleeken doodschriks aan;Mijn hoofd verloor het goud, waar mede 't plach te prijken;Men mocht mijn lichaam bij het dorre hout gelijken,En welk een kunstnarij werd niet vergeefsch bestaan!
Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!
Mijn aanzicht nam de kleur des bleeken doodschriks aan;
Mijn hoofd verloor het goud, waar mede 't plach te prijken;
Men mocht mijn lichaam bij het dorre hout gelijken,
En welk een kunstnarij werd niet vergeefsch bestaan!
Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!De tijd verliep. In 't eind ontdekte ik mijn slavinneHet lang verheeld geheim van mijne ondoofbre minne:ô Thestylis, zoek mij een middel voor mijn kwaal.De Myndiër verwon me, en blaakt mij te eenemaal:Ga heen, en laat niet na, u alles te onderwinden,Om hem bij 't oefenperk van Timageet te vinden.
Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!
De tijd verliep. In 't eind ontdekte ik mijn slavinne
Het lang verheeld geheim van mijne ondoofbre minne:
ô Thestylis, zoek mij een middel voor mijn kwaal.
De Myndiër verwon me, en blaakt mij te eenemaal:
Ga heen, en laat niet na, u alles te onderwinden,
Om hem bij 't oefenperk van Timageet te vinden.
(Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!)En spreek hem, doe uw' last, in 't heimlijk, hem verstaan:Dat hem Simetha toeft; dat gij hem in zult leiden:Ik zal uw wederkomst met ongeduld verbeiden.Vlieg heen, mijn Thestylis.—Dus sprak ik, en zij ging,En bracht me in mijn vertrek den schonen jongeling.Maar nauwlijks zag ik hem de kamerdeur genaken,Of 't zweet vloot als een dauw bij drupplen langs mijn kaken:
(Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!)
En spreek hem, doe uw' last, in 't heimlijk, hem verstaan:
Dat hem Simetha toeft; dat gij hem in zult leiden:
Ik zal uw wederkomst met ongeduld verbeiden.
Vlieg heen, mijn Thestylis.—Dus sprak ik, en zij ging,
En bracht me in mijn vertrek den schonen jongeling.
Maar nauwlijks zag ik hem de kamerdeur genaken,
Of 't zweet vloot als een dauw bij drupplen langs mijn kaken:
(Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!)Een koude trilling greep mijn leden teffens aan:'k Verbleekte, en bleef verstijfd, als ware ik zonder leven,En was niet machtig, zelfs om 't minst geluid te geven.
(Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!)
Een koude trilling greep mijn leden teffens aan:
'k Verbleekte, en bleef verstijfd, als ware ik zonder leven,
En was niet machtig, zelfs om 't minst geluid te geven.
Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!Hij zag mij met een oog vol minnevonken aan,Trad op 't aanminnigst toe, zat op mijn sponde neder,Sloeg 't aanzicht voor zich neêr, en uitte zich dus teder:Gij zijt me, ô schone maagd, zo verr' vooruitgesneld,Als ik Filynus deed in 't roemrijk wagenveld:Gij wist me in dezen strijd den gloriepalm te onttrekken,Met aan mijn minnend hart het uwe 't eerst te ontdekken.
Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!
Hij zag mij met een oog vol minnevonken aan,
Trad op 't aanminnigst toe, zat op mijn sponde neder,
Sloeg 't aanzicht voor zich neêr, en uitte zich dus teder:
Gij zijt me, ô schone maagd, zo verr' vooruitgesneld,
Als ik Filynus deed in 't roemrijk wagenveld:
Gij wist me in dezen strijd den gloriepalm te onttrekken,
Met aan mijn minnend hart het uwe 't eerst te ontdekken.
(Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!)Want ('k roep de Liefde-zelv' ten blijk' der waarheid aan)Ik stond u dezen nacht (uw drift kon 't niet gehengen,)In 't opgebonden kleed Iäcchus ooft te brengen,Omsluierd, en omkranst met witte popelblaân.
(Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!)
Want ('k roep de Liefde-zelv' ten blijk' der waarheid aan)
Ik stond u dezen nacht (uw drift kon 't niet gehengen,)
In 't opgebonden kleed Iäcchus ooft te brengen,
Omsluierd, en omkranst met witte popelblaân.
(Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!)En waar 't mij dan vergund in uw vertrek te dringen,(Want 'k voer den naam van stout bij onze jongelingen)En vond ik u het oog bezwemen door de rust:Hoe had ik in uw' slaap dien schonen mond gekust!Doch vond ik mij de deur voor 't voorhoofd toegesloten,Ik had den toegang dan door bijl en toorts genoten.
(Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!)
En waar 't mij dan vergund in uw vertrek te dringen,
(Want 'k voer den naam van stout bij onze jongelingen)
En vond ik u het oog bezwemen door de rust:
Hoe had ik in uw' slaap dien schonen mond gekust!
Doch vond ik mij de deur voor 't voorhoofd toegesloten,
Ik had den toegang dan door bijl en toorts genoten.
(Hoor d'aanvang mijner liefde, ô achtbre Nachtvorstin!)Nu zeg ik d'eersten dank aan Cyprus koningin,Na Cytherée aan u, die met mijn' druk bewogen,Mij door uw gunstbewijs de vlammen hebt onttogen:De min blaakt feller dan de vuurpoel van Vulkaan.
(Hoor d'aanvang mijner liefde, ô achtbre Nachtvorstin!)
Nu zeg ik d'eersten dank aan Cyprus koningin,
Na Cytherée aan u, die met mijn' druk bewogen,
Mij door uw gunstbewijs de vlammen hebt onttogen:
De min blaakt feller dan de vuurpoel van Vulkaan.
(Hoor d'aanvang van mijn vlam, aanbidlijke Diaan!)Maar te onrecht doet ze een maagd, ter rustbedde uitgerezen,Voor 't tintelend gezicht eens wakkren jonglings vrezen;En jaagt de bruid, wen zij haars Egaâs koets verlaat,Den blos op 't voorhoofd, van den gloênden dageraad,
(Hoor d'aanvang van mijn vlam, aanbidlijke Diaan!)
Maar te onrecht doet ze een maagd, ter rustbedde uitgerezen,
Voor 't tintelend gezicht eens wakkren jonglings vrezen;
En jaagt de bruid, wen zij haars Egaâs koets verlaat,
Den blos op 't voorhoofd, van den gloênden dageraad,
Dus sprak hij:—ik, wier hart in zijn begeerte stemde,Ik zonk in 't rustbed neêr, daar hij me in de armen klemde;En straks werd mond op mond en lijf op lijf gestoofd:Ons aanzicht voelde een' gloed, die opsteeg naar het hoofd:Een lief gemurmel zuisde en speelde ons op de lippen:En, om dees lieflijkheid niet verder aan te stippen,Ons heet verlangen werd van wederzij' gebluscht;En nooit werd onze min door achterdocht ontrust.Doch heden kwam Fenisse, als de eerste morgenstralenDe kim verguldden, mij zijn nieuwe vlam verhalen.Zij weet niet, wie de bron van deze drift moog zijn;Maar wel, dat hij mijn min geplengd heeft met den wijn,En dat geheel zijn huis met bloemen werd behangen.Dus was 't bericht dier vreemde, en 't mag geloof erlangen:Want, daar hij me anders staâg geschenken plach te biên,Heb ik hem heden in geen dubble week gezien.'t Gaat vast, een andre lust doet mij zijn bijzijn missen,En wist mijn beeldtenis van uit zijn' geest te wisschen.—Nu offer ik hem hier door tooverkruiderij:Dan, zo ik langer nog van zijn trouwloosheid lij',Ik zweer des afgronds deur te ontgrendlen door mijn offer:Zo sterk eene artsenij beware ik in dees koffer,Waar me een Assyriër 't gebruik van kennen deê.
Dus sprak hij:—ik, wier hart in zijn begeerte stemde,
Ik zonk in 't rustbed neêr, daar hij me in de armen klemde;
En straks werd mond op mond en lijf op lijf gestoofd:
Ons aanzicht voelde een' gloed, die opsteeg naar het hoofd:
Een lief gemurmel zuisde en speelde ons op de lippen:
En, om dees lieflijkheid niet verder aan te stippen,
Ons heet verlangen werd van wederzij' gebluscht;
En nooit werd onze min door achterdocht ontrust.
Doch heden kwam Fenisse, als de eerste morgenstralen
De kim verguldden, mij zijn nieuwe vlam verhalen.
Zij weet niet, wie de bron van deze drift moog zijn;
Maar wel, dat hij mijn min geplengd heeft met den wijn,
En dat geheel zijn huis met bloemen werd behangen.
Dus was 't bericht dier vreemde, en 't mag geloof erlangen:
Want, daar hij me anders staâg geschenken plach te biên,
Heb ik hem heden in geen dubble week gezien.
't Gaat vast, een andre lust doet mij zijn bijzijn missen,
En wist mijn beeldtenis van uit zijn' geest te wisschen.—
Nu offer ik hem hier door tooverkruiderij:
Dan, zo ik langer nog van zijn trouwloosheid lij',
Ik zweer des afgronds deur te ontgrendlen door mijn offer:
Zo sterk eene artsenij beware ik in dees koffer,
Waar me een Assyriër 't gebruik van kennen deê.
Maar gij, vaarwel Godes, en spoed u naar de zee!'k Voleind mijn werk met u, het is met u begonnen.Vaar wel, ô zilvren maan! en gij, ô mindre zonnen,Die door de loopbaan van 't onmeetlijk starrenveldDe schone Nachtgodes op haren tocht verzelt!
Maar gij, vaarwel Godes, en spoed u naar de zee!
'k Voleind mijn werk met u, het is met u begonnen.
Vaar wel, ô zilvren maan! en gij, ô mindre zonnen,
Die door de loopbaan van 't onmeetlijk starrenveld
De schone Nachtgodes op haren tocht verzelt!
Volschone Cinthia! maar schoner duizendmalenDoor zuiverheid van hart, begaafdheên van den geest,En wat volmaaktheên meer in 't alvolmaakte pralen,Dan 's lichaams juistgevormde en minnelijke leest!Gun een' verwonneling', aan uw aantreklijkhedenGekluisterd, gun een' slaaf die in uw boeien bukt,Met sidderende schreên tot uwen throon te treden,En zie meêdogend neêr op 't onheil dat hem drukt.Maar ach! wat zegge ik u, wie 't alles waar gebleken,Zo slechts uw boezem niet, ontrefbaar voor mijn smart,De uitdrukkelijke taal die oog en boezem spreken,Den vrijen toegang had verboden tot uw hart?Of, daar 't ontzag der min mijn rede in d'aanvang smoorde,Getuigde 't brandend oog de vlam die mij versmelt,Verraadde een doffe zucht, die uit mijn' boezem boorde,De schroevende angst u niet, die mij inwendig knelt?Ach! moest de doodsche verw, zich spreidende op mijn kaken,De ontroering, die de kracht vermeestert van mijn' geest,Moest zelfs mijn spraakloosheid den staat niet kenbaar makenEens harts, dat in het uwe een' strengen rechter vreest?ô Vreeselijke dag, als uw betoovrende oogen,Gewapend met een vuur van onweêrstaanbre kracht',Mij tevens rust en vreugd met eenen wenk onttoogen,Mij leevrend tot een' prooi aan eindeloze klacht.Ik zag u! en, verrukt door uw aanminnigheden,Dronk mijn begeerig oog die minnevlammen in!Straks zaagt ge uw mogendheid volstandig aangebeden,Straks werd mijn hart de throon en 't outer van de min.Onze aandacht zie aan 't zwerk de dagtoorts vierig blinken;Mijn borst voedt heeter vlam, een vlam van groter duur:Haar zien we in d'oceaan bij beurten nederzinken;Mij blaakt een strenger, een onafgewisseld vuur.Schoon Klytie eindeloos blijft staren op uw' luister,Apol; de nacht verschijnt, zij wendt het aangezicht:Maar 't oog van Cinthia blijft stralende in het duister,En 't mijne is zonder eind op zijnen glans gericht.Vergeefsch houdt de afstand ons in onderscheiden strekenDoor beemden, stromen, en muuraadjen afgesneên:De min weet door den vloed van Hellaas zee te breken;Zij dringt door 't metselwerk der bouwgevaarten heen:Zij heft zich boven 't zwerk, daalt in den afgrond neder:Vermurwt de harde rots, versmelt het kille staal:—Maar, wat haar macht bereik', haar heilig vuur verteder'!De ontrefbre Cinthia belacht heur zegepraal.ô Te ongevoelige! ô te wrede! wat vermogenBevrijdt u voor de macht, die 't alles overheert?Ach! wil niet roekeloos op uw verwinning bogen:De min doet meer geweld, wordt ze eenmaal afgeweerd.ô Liefde, ô tederheid! ô Liefde, die mij 't harteVerscheurt! waar om op mij uw krachten uitgeput?Die fiere, die tot nog uw pijlen strafloos tartte,Zal eedler doelwit zijn voor uw gevreesd geschut.Haar voegt het u (niet mij, rampzaalge!) te bestrijden.Zij is uw zege waard: wat toeft gij? wet uw' schicht.Of zoude u nevens mij de stugge moed ontglijdenBij d'eersten opslag van 't aanbidlijk aangezicht?Dat aanzicht, dat, bestierd door teder mededogen,Met eenen enklen lach den hemel open stelt:Maar, met een wrede wolk van strengheid overtoogen,Geheel 't geschapendom met doodschen rouw' beknelt!Gewis, dit fier gelaat, die oogstraal van Minerve,Vervult de Liefde-zelv' met Godgewijd ontzag:Die boezem, die in glans, gevoelloosheid, en verve,Het eedle albast braveert, braveert Kupidoos slag.Maar, al te onnoosle Min! bij Pallas hemelsche oogenVoegt zij dat kwijnend vuur, daar Venus oog van gloeit;En 't marmer van haar borst, door d'ademtocht bewogen,Toont purpren druiven, op zijn heuveltjes gegroeid.Leer des, bedeesde min, uit dees voldoende blijken,Dat Cinthia, hoe fier van hartsgesteldteniss'!En welk een strengheid ook op heur gelaat moog prijken!Dat Cinthia noch rots, noch wrede Pallas is.Gewis, zij is, zij kan niet gantsch ontrefbaar wezen.Zij is gevoelig, ja! voor teêre minnepijn;Schep moed, mijn hart:—maar neen, vermeer uw angstig vrezen:Een teder hart kan zelfs voor u gevoelloos zijn.Gevoelloos zijn voor mij,—en teder voor een' ander'!ô Hemel! welk een taal! ik ijs, ik gruuw daar van!Waar is op 't wareldrond die trotsche tegenstander,Die bij mijn min, zijn min slechts vergelijken kan?Spreek: wie gij wezen moogt, die zo veel heils zoudt wachten:Vermeetle spreek, en meld me uw' fellen boezemgloed:Beschrijf me uw kwijning, angst; verhaal me uw jammerklachten,Noem me al uw zuchtjes op, en toon me uw' tranenvloed.Zeg, of uw gloed den gloed van d'Etna oversteiger';Zeg, of een knagend gift u door uw aders kruip',Zeg me, of de nacht u rust, de dag genoegen weiger',Uw boezem eindloos zwoeg', uw oog oneindig druip'?En kunt gij 't oeverzand, de blaauwe pekelbaren,De zilvren druppelen van 's uchtends milden daauw,Door 't bruischend tranenvocht in menigte evenaren;Noem dan uw liefde nog bij mijne liefde flaauw.Kom, wrede, kom en zie, mijn eindloos smeltende oogen,Verdronken, afgewaakt, verduisterd, uitgeknaagd:Mijn borst, door zucht op zucht het krimpend hart ontvlogen,Verscheurd, betoont wie 't zij, die waarlijk liefde draagt,'k Zwijg van een uitzicht, dat door wanhoop is verwilderd;Gelaat, waar op de dood met eigen rechterhandIn bleeke lijkaschverv' zijn beeldtnis heeft geschilderd;En voorhoofd, dat van 't vuur der felste woede brandt.Zie dit, en durf u dan van uwe vlamm' beroemen!Of schroomt gij 't echte merk van een' oprechten gloed,Uit spoorloos onverstand, bewijs van minn' te noemen;Nog één onwraakbaar blijk is me over in mijn' bloed'.Aanvaard dit blijk: treed toe: zie hier den toets der minne.Stel u voor mijnen arm, ik geef mijn borst u bloot.Gelukkig! zo ik slechts dit gunstbewijs verwinne,Dat Cinthia alleen een' zucht loost om mijn' dood.Thands moet het kloppend hart het weemlend oog vervangen;Een stroom van gudzend bloed het lekend tranenbad:Een andre daauw vall' neêr, droogt op, bedaauwde wangen!—Maar ach! waar dwale ik heen, door 't woeden afgemat.Verwarde geest, te rug! betoomt u, dolle zinnen!Een ijdle hersenschim spoort uw verwoedheid aan.Dien immer Cinthia verwaardigt te beminnen,Waar toch zou in 't heelal dat waardig hoofd bestaan?Dien immer Cinthia met hare minn' verwaardigt!—Wat kan beminnenswaard in eenig voorwerp zijn,Dat, lichtgeloovig brein! een achterdocht rechtvaardigt,Zo honend voor heur hart, als foltrend voor het mijn?Zou afkomst, zou geboorte, of ijdele eeretittelen,Die zich de hoogmoed delft uit grootvaârs heilige assch',(Ontleend blanketsel slechts!) het edel harte kittelen,Dat, aan zich-zelf genoeg, in 't minst hoogmoedig was?Weg hij, die met de deugd van zijn verstorven vaderenZijne ondeugd,—met hunne eer, zijn schand te dekken tracht!Onwaardige, sta af van al hun lauwerbladeren,Of druk hun voetspoor na tot roem van uw geslacht'!—Doch, zo een brave stam, die helden heeft geschonkenAan 't Vaderland, aan de eer, heure aandacht waardig zij;Mijn stamboom mag van ouds met wakkre loten pronken,Wien meê eene eerplaats voegt bij Neêrlands burgerij:Of grondt zich geen verdienste op overleden magenEn wordt een brave telg door eigen deugd vereêld;—Kan zuiverheid van hart een zuiver hart behagen,ô Schone, lees in 't mijne, en ken uw eigen beeld.Zie of mijn boezem ooit een vurig zuchtje loosde,Dan voor de deugd, den roem, de Godheid, en—voor u:Zie of mijn voorhoofd ooit om wanbedrijven bloosde:Zie—: maar doorzoek mijn hart, van eigen glorie schuuw.Dan, mooglijk mocht de glans der fraaie wetenschappenHaar fierheid neigen tot een teder blijk van gunst.Hoe kneedde ik 't letterspoor met onvermoeide stappen,ô Hemel! waar dat heil verbonden aan de kunst.Gij die u te onbedacht met zo veel vreugd zoudt vleien,Verwaande: toon uw kracht, ontweldig mij den prijs:Of ben ik onbekend bij Neêrlands dichtrenreien,En is mijn kruin ontbloot van eenig eerbewijs?—Of zou de glans der weelde, op één gehoopte schatten...?Zwijg, onbedachte tong! wat denkbeeld! welk een woord!Zou 't blinkend stof der aarde aantreklijkheên bevatten,Waar door 't verheven hart dier schone wierd bekoord?'t Gemeen blijve aan den schijn van grootheid zich vergapen!Het goud bezit geen waarde in 't welverlicht gezicht.De wijze weet zijn heil uit beter goed te rapen;Uit zelfgenoegzaamheid en liefde tot zijn' plicht.Of, zo iets buiten ons, verdient het hart te raken,'t Is de achting, die verdienste onscheidbaar vergezelt.Door deugd, door wetenschap, door moed, naar eer te haken,Is 't kenmerk van den brave, en kunst- en oorlogsheld.Volschone, is dit, is roem behaaglijk in uw oogen,Gebied, en 'k offer u driedubble lauwerblaân;Één lonkje, één lachje slechts, vernieuw' mijn kunstvermogen,En 'k brenge u op een nieuw een dubble zangkroon aan.Hoe moedloos, hoe verslapt, hoe kwijnend, hoe verslagen.Daar me uw verachting als een bliksem heeft verplet;Zal niemand mij den prijs, den prijs der eere, ontdragen,Door de enkle hoop op u ten zangstrijde aangezet.Of zoude ik twijflen? ik—! Wie zet de liefde palen?Quintijn, uw grove vuist, om d'ijzren bout gekromd,Greep op haar stem 't penceel om Fyllis af te malen,En ijlings was Natuur verwonnen en verstomd.Dit wrocht, dit wrocht ge, ô Min! Uw macht is hier gebleken;Gij vormde uit dien Cykloop Apol een' wonderzoon;Elk werkstuk van zijn hand is u een zegeteeken:De kunsten buigen neêr voor uw' geduchten throon:Uw invloed is genoeg om glorierijk te pralen:Maar—zo een lieve lonk dien invloed kracht verleent—!ô Dierbre, laat uw gunst mijn liefde slechts bestralen,En zie, wat min vermag, met blijde hoop vereend.Of mint gij oorlogsroem, bemorste krijgslauwrieren,Bij 't grimmen van den dood, door 't blikkrend heldenstaalVan d'overstroomden boord der purpren bloedrivierenGeöogst, en 't aaklig schoon van Mavors wapenpraal?Beveel, en dees mijn arm zal d'oorlogsbliksem zwaaien;Op 't rokend moordtoneel van woede en razernij'Met opgeheven kling een' tas van lijken maaien,En sneuvlen u ter eer'—ach! ware 't aan uw zij'!ô Mocht ik door een woud gevelde legersperenU rukken, Cinthia, uit 's vijands overmacht!Of tegen duizenden door 't blanke staal verweeren,Ik trotste Achilles moed,—Alcîdes reuzenkracht!ô Mocht ik voor uw oog, met wond op wond doorregen,En vruchtloos hijgend naar den ademtocht, vergaan!Mocht, mocht mijn vlotte ziel uw koelheid slechts bewegen,En, glippende uit de borst, uw wedermin verstaan!ô Hemel! zulk een dood waar ruim een leven waardig.Wat zeg ik! zulk een dood waar mij de onsterflijkheid.Neen, mijn geboortestar, nooit noemde ik u kwaadaartdig,Zo zulk een uitvaart mij door 't noodlot waar bereid.Maar neen! bedrieglijkheid der wenschen! neen: mijn leven,Een schakel van verdriet, heeft zo veel heils niet in.Ach! mocht ik dan voor 't minst gelijk uw minnaar sneven,Van 's medeminnaars hand, begunstigd met uw min!Helaas! ook zelfs die gunst wordt mij door 't lot verboden,Te sterven van een hand, door Cinthia geliefd!ô Foltring! die mij meer dan duizendduizend dodenDe borst en 't ingewand, 't gebeente en merg, doorgrieft!ô Machteloze woede! ô ijselijke slagen!Ik wensch me (ô hemel!) zelf een' medeminnaar toe!Een' die den draad verkort van mijn gevloekte dagen?——Neen, op wiens rokend lijk ik mijne wraak voldoe.Zoude ik lafhartig—? neen.—Waar zijt gij, wuste zinnen?Ja: 'k staaf dit gruwzaam woord, 'k herhaal het andermaal:Die 't aangebeden hart wanhopig moet beminnen,Wat rest, wat rest dien meer, dan 't leedverkortend staal?ô Cinthia, beschouw, zie neêr op mijn ellenden:Mijn leven en mijn dood hangt van uw wenken af.Of laat één lieve lonk mijn angstig lijden enden:Of één vergramde blik mij domplen in het graf!
Volschone Cinthia! maar schoner duizendmalenDoor zuiverheid van hart, begaafdheên van den geest,En wat volmaaktheên meer in 't alvolmaakte pralen,Dan 's lichaams juistgevormde en minnelijke leest!Gun een' verwonneling', aan uw aantreklijkhedenGekluisterd, gun een' slaaf die in uw boeien bukt,Met sidderende schreên tot uwen throon te treden,En zie meêdogend neêr op 't onheil dat hem drukt.Maar ach! wat zegge ik u, wie 't alles waar gebleken,Zo slechts uw boezem niet, ontrefbaar voor mijn smart,De uitdrukkelijke taal die oog en boezem spreken,Den vrijen toegang had verboden tot uw hart?Of, daar 't ontzag der min mijn rede in d'aanvang smoorde,Getuigde 't brandend oog de vlam die mij versmelt,Verraadde een doffe zucht, die uit mijn' boezem boorde,De schroevende angst u niet, die mij inwendig knelt?Ach! moest de doodsche verw, zich spreidende op mijn kaken,De ontroering, die de kracht vermeestert van mijn' geest,Moest zelfs mijn spraakloosheid den staat niet kenbaar makenEens harts, dat in het uwe een' strengen rechter vreest?ô Vreeselijke dag, als uw betoovrende oogen,Gewapend met een vuur van onweêrstaanbre kracht',Mij tevens rust en vreugd met eenen wenk onttoogen,Mij leevrend tot een' prooi aan eindeloze klacht.Ik zag u! en, verrukt door uw aanminnigheden,Dronk mijn begeerig oog die minnevlammen in!Straks zaagt ge uw mogendheid volstandig aangebeden,Straks werd mijn hart de throon en 't outer van de min.Onze aandacht zie aan 't zwerk de dagtoorts vierig blinken;Mijn borst voedt heeter vlam, een vlam van groter duur:Haar zien we in d'oceaan bij beurten nederzinken;Mij blaakt een strenger, een onafgewisseld vuur.Schoon Klytie eindeloos blijft staren op uw' luister,Apol; de nacht verschijnt, zij wendt het aangezicht:Maar 't oog van Cinthia blijft stralende in het duister,En 't mijne is zonder eind op zijnen glans gericht.Vergeefsch houdt de afstand ons in onderscheiden strekenDoor beemden, stromen, en muuraadjen afgesneên:De min weet door den vloed van Hellaas zee te breken;Zij dringt door 't metselwerk der bouwgevaarten heen:Zij heft zich boven 't zwerk, daalt in den afgrond neder:Vermurwt de harde rots, versmelt het kille staal:—Maar, wat haar macht bereik', haar heilig vuur verteder'!De ontrefbre Cinthia belacht heur zegepraal.ô Te ongevoelige! ô te wrede! wat vermogenBevrijdt u voor de macht, die 't alles overheert?Ach! wil niet roekeloos op uw verwinning bogen:De min doet meer geweld, wordt ze eenmaal afgeweerd.ô Liefde, ô tederheid! ô Liefde, die mij 't harteVerscheurt! waar om op mij uw krachten uitgeput?Die fiere, die tot nog uw pijlen strafloos tartte,Zal eedler doelwit zijn voor uw gevreesd geschut.Haar voegt het u (niet mij, rampzaalge!) te bestrijden.Zij is uw zege waard: wat toeft gij? wet uw' schicht.Of zoude u nevens mij de stugge moed ontglijdenBij d'eersten opslag van 't aanbidlijk aangezicht?Dat aanzicht, dat, bestierd door teder mededogen,Met eenen enklen lach den hemel open stelt:Maar, met een wrede wolk van strengheid overtoogen,Geheel 't geschapendom met doodschen rouw' beknelt!Gewis, dit fier gelaat, die oogstraal van Minerve,Vervult de Liefde-zelv' met Godgewijd ontzag:Die boezem, die in glans, gevoelloosheid, en verve,Het eedle albast braveert, braveert Kupidoos slag.Maar, al te onnoosle Min! bij Pallas hemelsche oogenVoegt zij dat kwijnend vuur, daar Venus oog van gloeit;En 't marmer van haar borst, door d'ademtocht bewogen,Toont purpren druiven, op zijn heuveltjes gegroeid.Leer des, bedeesde min, uit dees voldoende blijken,Dat Cinthia, hoe fier van hartsgesteldteniss'!En welk een strengheid ook op heur gelaat moog prijken!Dat Cinthia noch rots, noch wrede Pallas is.Gewis, zij is, zij kan niet gantsch ontrefbaar wezen.Zij is gevoelig, ja! voor teêre minnepijn;Schep moed, mijn hart:—maar neen, vermeer uw angstig vrezen:Een teder hart kan zelfs voor u gevoelloos zijn.Gevoelloos zijn voor mij,—en teder voor een' ander'!ô Hemel! welk een taal! ik ijs, ik gruuw daar van!Waar is op 't wareldrond die trotsche tegenstander,Die bij mijn min, zijn min slechts vergelijken kan?Spreek: wie gij wezen moogt, die zo veel heils zoudt wachten:Vermeetle spreek, en meld me uw' fellen boezemgloed:Beschrijf me uw kwijning, angst; verhaal me uw jammerklachten,Noem me al uw zuchtjes op, en toon me uw' tranenvloed.Zeg, of uw gloed den gloed van d'Etna oversteiger';Zeg, of een knagend gift u door uw aders kruip',Zeg me, of de nacht u rust, de dag genoegen weiger',Uw boezem eindloos zwoeg', uw oog oneindig druip'?En kunt gij 't oeverzand, de blaauwe pekelbaren,De zilvren druppelen van 's uchtends milden daauw,Door 't bruischend tranenvocht in menigte evenaren;Noem dan uw liefde nog bij mijne liefde flaauw.Kom, wrede, kom en zie, mijn eindloos smeltende oogen,Verdronken, afgewaakt, verduisterd, uitgeknaagd:Mijn borst, door zucht op zucht het krimpend hart ontvlogen,Verscheurd, betoont wie 't zij, die waarlijk liefde draagt,'k Zwijg van een uitzicht, dat door wanhoop is verwilderd;Gelaat, waar op de dood met eigen rechterhandIn bleeke lijkaschverv' zijn beeldtnis heeft geschilderd;En voorhoofd, dat van 't vuur der felste woede brandt.Zie dit, en durf u dan van uwe vlamm' beroemen!Of schroomt gij 't echte merk van een' oprechten gloed,Uit spoorloos onverstand, bewijs van minn' te noemen;Nog één onwraakbaar blijk is me over in mijn' bloed'.Aanvaard dit blijk: treed toe: zie hier den toets der minne.Stel u voor mijnen arm, ik geef mijn borst u bloot.Gelukkig! zo ik slechts dit gunstbewijs verwinne,Dat Cinthia alleen een' zucht loost om mijn' dood.Thands moet het kloppend hart het weemlend oog vervangen;Een stroom van gudzend bloed het lekend tranenbad:Een andre daauw vall' neêr, droogt op, bedaauwde wangen!—Maar ach! waar dwale ik heen, door 't woeden afgemat.Verwarde geest, te rug! betoomt u, dolle zinnen!Een ijdle hersenschim spoort uw verwoedheid aan.Dien immer Cinthia verwaardigt te beminnen,Waar toch zou in 't heelal dat waardig hoofd bestaan?Dien immer Cinthia met hare minn' verwaardigt!—Wat kan beminnenswaard in eenig voorwerp zijn,Dat, lichtgeloovig brein! een achterdocht rechtvaardigt,Zo honend voor heur hart, als foltrend voor het mijn?Zou afkomst, zou geboorte, of ijdele eeretittelen,Die zich de hoogmoed delft uit grootvaârs heilige assch',(Ontleend blanketsel slechts!) het edel harte kittelen,Dat, aan zich-zelf genoeg, in 't minst hoogmoedig was?Weg hij, die met de deugd van zijn verstorven vaderenZijne ondeugd,—met hunne eer, zijn schand te dekken tracht!Onwaardige, sta af van al hun lauwerbladeren,Of druk hun voetspoor na tot roem van uw geslacht'!—Doch, zo een brave stam, die helden heeft geschonkenAan 't Vaderland, aan de eer, heure aandacht waardig zij;Mijn stamboom mag van ouds met wakkre loten pronken,Wien meê eene eerplaats voegt bij Neêrlands burgerij:Of grondt zich geen verdienste op overleden magenEn wordt een brave telg door eigen deugd vereêld;—Kan zuiverheid van hart een zuiver hart behagen,ô Schone, lees in 't mijne, en ken uw eigen beeld.Zie of mijn boezem ooit een vurig zuchtje loosde,Dan voor de deugd, den roem, de Godheid, en—voor u:Zie of mijn voorhoofd ooit om wanbedrijven bloosde:Zie—: maar doorzoek mijn hart, van eigen glorie schuuw.Dan, mooglijk mocht de glans der fraaie wetenschappenHaar fierheid neigen tot een teder blijk van gunst.Hoe kneedde ik 't letterspoor met onvermoeide stappen,ô Hemel! waar dat heil verbonden aan de kunst.Gij die u te onbedacht met zo veel vreugd zoudt vleien,Verwaande: toon uw kracht, ontweldig mij den prijs:Of ben ik onbekend bij Neêrlands dichtrenreien,En is mijn kruin ontbloot van eenig eerbewijs?—Of zou de glans der weelde, op één gehoopte schatten...?Zwijg, onbedachte tong! wat denkbeeld! welk een woord!Zou 't blinkend stof der aarde aantreklijkheên bevatten,Waar door 't verheven hart dier schone wierd bekoord?'t Gemeen blijve aan den schijn van grootheid zich vergapen!Het goud bezit geen waarde in 't welverlicht gezicht.De wijze weet zijn heil uit beter goed te rapen;Uit zelfgenoegzaamheid en liefde tot zijn' plicht.Of, zo iets buiten ons, verdient het hart te raken,'t Is de achting, die verdienste onscheidbaar vergezelt.Door deugd, door wetenschap, door moed, naar eer te haken,Is 't kenmerk van den brave, en kunst- en oorlogsheld.Volschone, is dit, is roem behaaglijk in uw oogen,Gebied, en 'k offer u driedubble lauwerblaân;Één lonkje, één lachje slechts, vernieuw' mijn kunstvermogen,En 'k brenge u op een nieuw een dubble zangkroon aan.Hoe moedloos, hoe verslapt, hoe kwijnend, hoe verslagen.Daar me uw verachting als een bliksem heeft verplet;Zal niemand mij den prijs, den prijs der eere, ontdragen,Door de enkle hoop op u ten zangstrijde aangezet.Of zoude ik twijflen? ik—! Wie zet de liefde palen?Quintijn, uw grove vuist, om d'ijzren bout gekromd,Greep op haar stem 't penceel om Fyllis af te malen,En ijlings was Natuur verwonnen en verstomd.Dit wrocht, dit wrocht ge, ô Min! Uw macht is hier gebleken;Gij vormde uit dien Cykloop Apol een' wonderzoon;Elk werkstuk van zijn hand is u een zegeteeken:De kunsten buigen neêr voor uw' geduchten throon:Uw invloed is genoeg om glorierijk te pralen:Maar—zo een lieve lonk dien invloed kracht verleent—!ô Dierbre, laat uw gunst mijn liefde slechts bestralen,En zie, wat min vermag, met blijde hoop vereend.Of mint gij oorlogsroem, bemorste krijgslauwrieren,Bij 't grimmen van den dood, door 't blikkrend heldenstaalVan d'overstroomden boord der purpren bloedrivierenGeöogst, en 't aaklig schoon van Mavors wapenpraal?Beveel, en dees mijn arm zal d'oorlogsbliksem zwaaien;Op 't rokend moordtoneel van woede en razernij'Met opgeheven kling een' tas van lijken maaien,En sneuvlen u ter eer'—ach! ware 't aan uw zij'!ô Mocht ik door een woud gevelde legersperenU rukken, Cinthia, uit 's vijands overmacht!Of tegen duizenden door 't blanke staal verweeren,Ik trotste Achilles moed,—Alcîdes reuzenkracht!ô Mocht ik voor uw oog, met wond op wond doorregen,En vruchtloos hijgend naar den ademtocht, vergaan!Mocht, mocht mijn vlotte ziel uw koelheid slechts bewegen,En, glippende uit de borst, uw wedermin verstaan!ô Hemel! zulk een dood waar ruim een leven waardig.Wat zeg ik! zulk een dood waar mij de onsterflijkheid.Neen, mijn geboortestar, nooit noemde ik u kwaadaartdig,Zo zulk een uitvaart mij door 't noodlot waar bereid.Maar neen! bedrieglijkheid der wenschen! neen: mijn leven,Een schakel van verdriet, heeft zo veel heils niet in.Ach! mocht ik dan voor 't minst gelijk uw minnaar sneven,Van 's medeminnaars hand, begunstigd met uw min!Helaas! ook zelfs die gunst wordt mij door 't lot verboden,Te sterven van een hand, door Cinthia geliefd!ô Foltring! die mij meer dan duizendduizend dodenDe borst en 't ingewand, 't gebeente en merg, doorgrieft!ô Machteloze woede! ô ijselijke slagen!Ik wensch me (ô hemel!) zelf een' medeminnaar toe!Een' die den draad verkort van mijn gevloekte dagen?——Neen, op wiens rokend lijk ik mijne wraak voldoe.Zoude ik lafhartig—? neen.—Waar zijt gij, wuste zinnen?Ja: 'k staaf dit gruwzaam woord, 'k herhaal het andermaal:Die 't aangebeden hart wanhopig moet beminnen,Wat rest, wat rest dien meer, dan 't leedverkortend staal?ô Cinthia, beschouw, zie neêr op mijn ellenden:Mijn leven en mijn dood hangt van uw wenken af.Of laat één lieve lonk mijn angstig lijden enden:Of één vergramde blik mij domplen in het graf!
Volschone Cinthia! maar schoner duizendmalenDoor zuiverheid van hart, begaafdheên van den geest,En wat volmaaktheên meer in 't alvolmaakte pralen,Dan 's lichaams juistgevormde en minnelijke leest!Gun een' verwonneling', aan uw aantreklijkhedenGekluisterd, gun een' slaaf die in uw boeien bukt,Met sidderende schreên tot uwen throon te treden,En zie meêdogend neêr op 't onheil dat hem drukt.Maar ach! wat zegge ik u, wie 't alles waar gebleken,Zo slechts uw boezem niet, ontrefbaar voor mijn smart,De uitdrukkelijke taal die oog en boezem spreken,Den vrijen toegang had verboden tot uw hart?Of, daar 't ontzag der min mijn rede in d'aanvang smoorde,Getuigde 't brandend oog de vlam die mij versmelt,Verraadde een doffe zucht, die uit mijn' boezem boorde,De schroevende angst u niet, die mij inwendig knelt?Ach! moest de doodsche verw, zich spreidende op mijn kaken,De ontroering, die de kracht vermeestert van mijn' geest,Moest zelfs mijn spraakloosheid den staat niet kenbaar makenEens harts, dat in het uwe een' strengen rechter vreest?ô Vreeselijke dag, als uw betoovrende oogen,Gewapend met een vuur van onweêrstaanbre kracht',Mij tevens rust en vreugd met eenen wenk onttoogen,Mij leevrend tot een' prooi aan eindeloze klacht.Ik zag u! en, verrukt door uw aanminnigheden,Dronk mijn begeerig oog die minnevlammen in!Straks zaagt ge uw mogendheid volstandig aangebeden,Straks werd mijn hart de throon en 't outer van de min.Onze aandacht zie aan 't zwerk de dagtoorts vierig blinken;Mijn borst voedt heeter vlam, een vlam van groter duur:Haar zien we in d'oceaan bij beurten nederzinken;Mij blaakt een strenger, een onafgewisseld vuur.Schoon Klytie eindeloos blijft staren op uw' luister,Apol; de nacht verschijnt, zij wendt het aangezicht:Maar 't oog van Cinthia blijft stralende in het duister,En 't mijne is zonder eind op zijnen glans gericht.Vergeefsch houdt de afstand ons in onderscheiden strekenDoor beemden, stromen, en muuraadjen afgesneên:De min weet door den vloed van Hellaas zee te breken;Zij dringt door 't metselwerk der bouwgevaarten heen:Zij heft zich boven 't zwerk, daalt in den afgrond neder:Vermurwt de harde rots, versmelt het kille staal:—Maar, wat haar macht bereik', haar heilig vuur verteder'!De ontrefbre Cinthia belacht heur zegepraal.ô Te ongevoelige! ô te wrede! wat vermogenBevrijdt u voor de macht, die 't alles overheert?Ach! wil niet roekeloos op uw verwinning bogen:De min doet meer geweld, wordt ze eenmaal afgeweerd.ô Liefde, ô tederheid! ô Liefde, die mij 't harteVerscheurt! waar om op mij uw krachten uitgeput?Die fiere, die tot nog uw pijlen strafloos tartte,Zal eedler doelwit zijn voor uw gevreesd geschut.Haar voegt het u (niet mij, rampzaalge!) te bestrijden.Zij is uw zege waard: wat toeft gij? wet uw' schicht.Of zoude u nevens mij de stugge moed ontglijdenBij d'eersten opslag van 't aanbidlijk aangezicht?Dat aanzicht, dat, bestierd door teder mededogen,Met eenen enklen lach den hemel open stelt:Maar, met een wrede wolk van strengheid overtoogen,Geheel 't geschapendom met doodschen rouw' beknelt!Gewis, dit fier gelaat, die oogstraal van Minerve,Vervult de Liefde-zelv' met Godgewijd ontzag:Die boezem, die in glans, gevoelloosheid, en verve,Het eedle albast braveert, braveert Kupidoos slag.Maar, al te onnoosle Min! bij Pallas hemelsche oogenVoegt zij dat kwijnend vuur, daar Venus oog van gloeit;En 't marmer van haar borst, door d'ademtocht bewogen,Toont purpren druiven, op zijn heuveltjes gegroeid.Leer des, bedeesde min, uit dees voldoende blijken,Dat Cinthia, hoe fier van hartsgesteldteniss'!En welk een strengheid ook op heur gelaat moog prijken!Dat Cinthia noch rots, noch wrede Pallas is.Gewis, zij is, zij kan niet gantsch ontrefbaar wezen.Zij is gevoelig, ja! voor teêre minnepijn;Schep moed, mijn hart:—maar neen, vermeer uw angstig vrezen:Een teder hart kan zelfs voor u gevoelloos zijn.Gevoelloos zijn voor mij,—en teder voor een' ander'!ô Hemel! welk een taal! ik ijs, ik gruuw daar van!Waar is op 't wareldrond die trotsche tegenstander,Die bij mijn min, zijn min slechts vergelijken kan?Spreek: wie gij wezen moogt, die zo veel heils zoudt wachten:Vermeetle spreek, en meld me uw' fellen boezemgloed:Beschrijf me uw kwijning, angst; verhaal me uw jammerklachten,Noem me al uw zuchtjes op, en toon me uw' tranenvloed.Zeg, of uw gloed den gloed van d'Etna oversteiger';Zeg, of een knagend gift u door uw aders kruip',Zeg me, of de nacht u rust, de dag genoegen weiger',Uw boezem eindloos zwoeg', uw oog oneindig druip'?En kunt gij 't oeverzand, de blaauwe pekelbaren,De zilvren druppelen van 's uchtends milden daauw,Door 't bruischend tranenvocht in menigte evenaren;Noem dan uw liefde nog bij mijne liefde flaauw.Kom, wrede, kom en zie, mijn eindloos smeltende oogen,Verdronken, afgewaakt, verduisterd, uitgeknaagd:Mijn borst, door zucht op zucht het krimpend hart ontvlogen,Verscheurd, betoont wie 't zij, die waarlijk liefde draagt,'k Zwijg van een uitzicht, dat door wanhoop is verwilderd;Gelaat, waar op de dood met eigen rechterhandIn bleeke lijkaschverv' zijn beeldtnis heeft geschilderd;En voorhoofd, dat van 't vuur der felste woede brandt.Zie dit, en durf u dan van uwe vlamm' beroemen!Of schroomt gij 't echte merk van een' oprechten gloed,Uit spoorloos onverstand, bewijs van minn' te noemen;Nog één onwraakbaar blijk is me over in mijn' bloed'.Aanvaard dit blijk: treed toe: zie hier den toets der minne.Stel u voor mijnen arm, ik geef mijn borst u bloot.Gelukkig! zo ik slechts dit gunstbewijs verwinne,Dat Cinthia alleen een' zucht loost om mijn' dood.Thands moet het kloppend hart het weemlend oog vervangen;Een stroom van gudzend bloed het lekend tranenbad:Een andre daauw vall' neêr, droogt op, bedaauwde wangen!—Maar ach! waar dwale ik heen, door 't woeden afgemat.Verwarde geest, te rug! betoomt u, dolle zinnen!Een ijdle hersenschim spoort uw verwoedheid aan.Dien immer Cinthia verwaardigt te beminnen,Waar toch zou in 't heelal dat waardig hoofd bestaan?Dien immer Cinthia met hare minn' verwaardigt!—Wat kan beminnenswaard in eenig voorwerp zijn,Dat, lichtgeloovig brein! een achterdocht rechtvaardigt,Zo honend voor heur hart, als foltrend voor het mijn?Zou afkomst, zou geboorte, of ijdele eeretittelen,Die zich de hoogmoed delft uit grootvaârs heilige assch',(Ontleend blanketsel slechts!) het edel harte kittelen,Dat, aan zich-zelf genoeg, in 't minst hoogmoedig was?Weg hij, die met de deugd van zijn verstorven vaderenZijne ondeugd,—met hunne eer, zijn schand te dekken tracht!Onwaardige, sta af van al hun lauwerbladeren,Of druk hun voetspoor na tot roem van uw geslacht'!—Doch, zo een brave stam, die helden heeft geschonkenAan 't Vaderland, aan de eer, heure aandacht waardig zij;Mijn stamboom mag van ouds met wakkre loten pronken,Wien meê eene eerplaats voegt bij Neêrlands burgerij:Of grondt zich geen verdienste op overleden magenEn wordt een brave telg door eigen deugd vereêld;—Kan zuiverheid van hart een zuiver hart behagen,ô Schone, lees in 't mijne, en ken uw eigen beeld.Zie of mijn boezem ooit een vurig zuchtje loosde,Dan voor de deugd, den roem, de Godheid, en—voor u:Zie of mijn voorhoofd ooit om wanbedrijven bloosde:Zie—: maar doorzoek mijn hart, van eigen glorie schuuw.Dan, mooglijk mocht de glans der fraaie wetenschappenHaar fierheid neigen tot een teder blijk van gunst.Hoe kneedde ik 't letterspoor met onvermoeide stappen,ô Hemel! waar dat heil verbonden aan de kunst.Gij die u te onbedacht met zo veel vreugd zoudt vleien,Verwaande: toon uw kracht, ontweldig mij den prijs:Of ben ik onbekend bij Neêrlands dichtrenreien,En is mijn kruin ontbloot van eenig eerbewijs?—Of zou de glans der weelde, op één gehoopte schatten...?Zwijg, onbedachte tong! wat denkbeeld! welk een woord!Zou 't blinkend stof der aarde aantreklijkheên bevatten,Waar door 't verheven hart dier schone wierd bekoord?'t Gemeen blijve aan den schijn van grootheid zich vergapen!Het goud bezit geen waarde in 't welverlicht gezicht.De wijze weet zijn heil uit beter goed te rapen;Uit zelfgenoegzaamheid en liefde tot zijn' plicht.Of, zo iets buiten ons, verdient het hart te raken,'t Is de achting, die verdienste onscheidbaar vergezelt.Door deugd, door wetenschap, door moed, naar eer te haken,Is 't kenmerk van den brave, en kunst- en oorlogsheld.Volschone, is dit, is roem behaaglijk in uw oogen,Gebied, en 'k offer u driedubble lauwerblaân;Één lonkje, één lachje slechts, vernieuw' mijn kunstvermogen,En 'k brenge u op een nieuw een dubble zangkroon aan.Hoe moedloos, hoe verslapt, hoe kwijnend, hoe verslagen.Daar me uw verachting als een bliksem heeft verplet;Zal niemand mij den prijs, den prijs der eere, ontdragen,Door de enkle hoop op u ten zangstrijde aangezet.Of zoude ik twijflen? ik—! Wie zet de liefde palen?Quintijn, uw grove vuist, om d'ijzren bout gekromd,Greep op haar stem 't penceel om Fyllis af te malen,En ijlings was Natuur verwonnen en verstomd.Dit wrocht, dit wrocht ge, ô Min! Uw macht is hier gebleken;Gij vormde uit dien Cykloop Apol een' wonderzoon;Elk werkstuk van zijn hand is u een zegeteeken:De kunsten buigen neêr voor uw' geduchten throon:Uw invloed is genoeg om glorierijk te pralen:Maar—zo een lieve lonk dien invloed kracht verleent—!ô Dierbre, laat uw gunst mijn liefde slechts bestralen,En zie, wat min vermag, met blijde hoop vereend.Of mint gij oorlogsroem, bemorste krijgslauwrieren,Bij 't grimmen van den dood, door 't blikkrend heldenstaalVan d'overstroomden boord der purpren bloedrivierenGeöogst, en 't aaklig schoon van Mavors wapenpraal?Beveel, en dees mijn arm zal d'oorlogsbliksem zwaaien;Op 't rokend moordtoneel van woede en razernij'Met opgeheven kling een' tas van lijken maaien,En sneuvlen u ter eer'—ach! ware 't aan uw zij'!ô Mocht ik door een woud gevelde legersperenU rukken, Cinthia, uit 's vijands overmacht!Of tegen duizenden door 't blanke staal verweeren,Ik trotste Achilles moed,—Alcîdes reuzenkracht!ô Mocht ik voor uw oog, met wond op wond doorregen,En vruchtloos hijgend naar den ademtocht, vergaan!Mocht, mocht mijn vlotte ziel uw koelheid slechts bewegen,En, glippende uit de borst, uw wedermin verstaan!ô Hemel! zulk een dood waar ruim een leven waardig.Wat zeg ik! zulk een dood waar mij de onsterflijkheid.Neen, mijn geboortestar, nooit noemde ik u kwaadaartdig,Zo zulk een uitvaart mij door 't noodlot waar bereid.Maar neen! bedrieglijkheid der wenschen! neen: mijn leven,Een schakel van verdriet, heeft zo veel heils niet in.Ach! mocht ik dan voor 't minst gelijk uw minnaar sneven,Van 's medeminnaars hand, begunstigd met uw min!Helaas! ook zelfs die gunst wordt mij door 't lot verboden,Te sterven van een hand, door Cinthia geliefd!ô Foltring! die mij meer dan duizendduizend dodenDe borst en 't ingewand, 't gebeente en merg, doorgrieft!ô Machteloze woede! ô ijselijke slagen!Ik wensch me (ô hemel!) zelf een' medeminnaar toe!Een' die den draad verkort van mijn gevloekte dagen?——Neen, op wiens rokend lijk ik mijne wraak voldoe.Zoude ik lafhartig—? neen.—Waar zijt gij, wuste zinnen?Ja: 'k staaf dit gruwzaam woord, 'k herhaal het andermaal:Die 't aangebeden hart wanhopig moet beminnen,Wat rest, wat rest dien meer, dan 't leedverkortend staal?ô Cinthia, beschouw, zie neêr op mijn ellenden:Mijn leven en mijn dood hangt van uw wenken af.Of laat één lieve lonk mijn angstig lijden enden:Of één vergramde blik mij domplen in het graf!
Volschone Cinthia! maar schoner duizendmalen
Door zuiverheid van hart, begaafdheên van den geest,
En wat volmaaktheên meer in 't alvolmaakte pralen,
Dan 's lichaams juistgevormde en minnelijke leest!
Gun een' verwonneling', aan uw aantreklijkheden
Gekluisterd, gun een' slaaf die in uw boeien bukt,
Met sidderende schreên tot uwen throon te treden,
En zie meêdogend neêr op 't onheil dat hem drukt.
Maar ach! wat zegge ik u, wie 't alles waar gebleken,
Zo slechts uw boezem niet, ontrefbaar voor mijn smart,
De uitdrukkelijke taal die oog en boezem spreken,
Den vrijen toegang had verboden tot uw hart?
Of, daar 't ontzag der min mijn rede in d'aanvang smoorde,
Getuigde 't brandend oog de vlam die mij versmelt,
Verraadde een doffe zucht, die uit mijn' boezem boorde,
De schroevende angst u niet, die mij inwendig knelt?
Ach! moest de doodsche verw, zich spreidende op mijn kaken,
De ontroering, die de kracht vermeestert van mijn' geest,
Moest zelfs mijn spraakloosheid den staat niet kenbaar maken
Eens harts, dat in het uwe een' strengen rechter vreest?
ô Vreeselijke dag, als uw betoovrende oogen,
Gewapend met een vuur van onweêrstaanbre kracht',
Mij tevens rust en vreugd met eenen wenk onttoogen,
Mij leevrend tot een' prooi aan eindeloze klacht.
Ik zag u! en, verrukt door uw aanminnigheden,
Dronk mijn begeerig oog die minnevlammen in!
Straks zaagt ge uw mogendheid volstandig aangebeden,
Straks werd mijn hart de throon en 't outer van de min.
Onze aandacht zie aan 't zwerk de dagtoorts vierig blinken;
Mijn borst voedt heeter vlam, een vlam van groter duur:
Haar zien we in d'oceaan bij beurten nederzinken;
Mij blaakt een strenger, een onafgewisseld vuur.
Schoon Klytie eindeloos blijft staren op uw' luister,
Apol; de nacht verschijnt, zij wendt het aangezicht:
Maar 't oog van Cinthia blijft stralende in het duister,
En 't mijne is zonder eind op zijnen glans gericht.
Vergeefsch houdt de afstand ons in onderscheiden streken
Door beemden, stromen, en muuraadjen afgesneên:
De min weet door den vloed van Hellaas zee te breken;
Zij dringt door 't metselwerk der bouwgevaarten heen:
Zij heft zich boven 't zwerk, daalt in den afgrond neder:
Vermurwt de harde rots, versmelt het kille staal:—
Maar, wat haar macht bereik', haar heilig vuur verteder'!
De ontrefbre Cinthia belacht heur zegepraal.
ô Te ongevoelige! ô te wrede! wat vermogen
Bevrijdt u voor de macht, die 't alles overheert?
Ach! wil niet roekeloos op uw verwinning bogen:
De min doet meer geweld, wordt ze eenmaal afgeweerd.
ô Liefde, ô tederheid! ô Liefde, die mij 't harte
Verscheurt! waar om op mij uw krachten uitgeput?
Die fiere, die tot nog uw pijlen strafloos tartte,
Zal eedler doelwit zijn voor uw gevreesd geschut.
Haar voegt het u (niet mij, rampzaalge!) te bestrijden.
Zij is uw zege waard: wat toeft gij? wet uw' schicht.
Of zoude u nevens mij de stugge moed ontglijden
Bij d'eersten opslag van 't aanbidlijk aangezicht?
Dat aanzicht, dat, bestierd door teder mededogen,
Met eenen enklen lach den hemel open stelt:
Maar, met een wrede wolk van strengheid overtoogen,
Geheel 't geschapendom met doodschen rouw' beknelt!
Gewis, dit fier gelaat, die oogstraal van Minerve,
Vervult de Liefde-zelv' met Godgewijd ontzag:
Die boezem, die in glans, gevoelloosheid, en verve,
Het eedle albast braveert, braveert Kupidoos slag.
Maar, al te onnoosle Min! bij Pallas hemelsche oogen
Voegt zij dat kwijnend vuur, daar Venus oog van gloeit;
En 't marmer van haar borst, door d'ademtocht bewogen,
Toont purpren druiven, op zijn heuveltjes gegroeid.
Leer des, bedeesde min, uit dees voldoende blijken,
Dat Cinthia, hoe fier van hartsgesteldteniss'!
En welk een strengheid ook op heur gelaat moog prijken!
Dat Cinthia noch rots, noch wrede Pallas is.
Gewis, zij is, zij kan niet gantsch ontrefbaar wezen.
Zij is gevoelig, ja! voor teêre minnepijn;
Schep moed, mijn hart:—maar neen, vermeer uw angstig vrezen:
Een teder hart kan zelfs voor u gevoelloos zijn.
Gevoelloos zijn voor mij,—en teder voor een' ander'!
ô Hemel! welk een taal! ik ijs, ik gruuw daar van!
Waar is op 't wareldrond die trotsche tegenstander,
Die bij mijn min, zijn min slechts vergelijken kan?
Spreek: wie gij wezen moogt, die zo veel heils zoudt wachten:
Vermeetle spreek, en meld me uw' fellen boezemgloed:
Beschrijf me uw kwijning, angst; verhaal me uw jammerklachten,
Noem me al uw zuchtjes op, en toon me uw' tranenvloed.
Zeg, of uw gloed den gloed van d'Etna oversteiger';
Zeg, of een knagend gift u door uw aders kruip',
Zeg me, of de nacht u rust, de dag genoegen weiger',
Uw boezem eindloos zwoeg', uw oog oneindig druip'?
En kunt gij 't oeverzand, de blaauwe pekelbaren,
De zilvren druppelen van 's uchtends milden daauw,
Door 't bruischend tranenvocht in menigte evenaren;
Noem dan uw liefde nog bij mijne liefde flaauw.
Kom, wrede, kom en zie, mijn eindloos smeltende oogen,
Verdronken, afgewaakt, verduisterd, uitgeknaagd:
Mijn borst, door zucht op zucht het krimpend hart ontvlogen,
Verscheurd, betoont wie 't zij, die waarlijk liefde draagt,
'k Zwijg van een uitzicht, dat door wanhoop is verwilderd;
Gelaat, waar op de dood met eigen rechterhand
In bleeke lijkaschverv' zijn beeldtnis heeft geschilderd;
En voorhoofd, dat van 't vuur der felste woede brandt.
Zie dit, en durf u dan van uwe vlamm' beroemen!
Of schroomt gij 't echte merk van een' oprechten gloed,
Uit spoorloos onverstand, bewijs van minn' te noemen;
Nog één onwraakbaar blijk is me over in mijn' bloed'.
Aanvaard dit blijk: treed toe: zie hier den toets der minne.
Stel u voor mijnen arm, ik geef mijn borst u bloot.
Gelukkig! zo ik slechts dit gunstbewijs verwinne,
Dat Cinthia alleen een' zucht loost om mijn' dood.
Thands moet het kloppend hart het weemlend oog vervangen;
Een stroom van gudzend bloed het lekend tranenbad:
Een andre daauw vall' neêr, droogt op, bedaauwde wangen!
—Maar ach! waar dwale ik heen, door 't woeden afgemat.
Verwarde geest, te rug! betoomt u, dolle zinnen!
Een ijdle hersenschim spoort uw verwoedheid aan.
Dien immer Cinthia verwaardigt te beminnen,
Waar toch zou in 't heelal dat waardig hoofd bestaan?
Dien immer Cinthia met hare minn' verwaardigt!—
Wat kan beminnenswaard in eenig voorwerp zijn,
Dat, lichtgeloovig brein! een achterdocht rechtvaardigt,
Zo honend voor heur hart, als foltrend voor het mijn?
Zou afkomst, zou geboorte, of ijdele eeretittelen,
Die zich de hoogmoed delft uit grootvaârs heilige assch',
(Ontleend blanketsel slechts!) het edel harte kittelen,
Dat, aan zich-zelf genoeg, in 't minst hoogmoedig was?
Weg hij, die met de deugd van zijn verstorven vaderen
Zijne ondeugd,—met hunne eer, zijn schand te dekken tracht!
Onwaardige, sta af van al hun lauwerbladeren,
Of druk hun voetspoor na tot roem van uw geslacht'!—
Doch, zo een brave stam, die helden heeft geschonken
Aan 't Vaderland, aan de eer, heure aandacht waardig zij;
Mijn stamboom mag van ouds met wakkre loten pronken,
Wien meê eene eerplaats voegt bij Neêrlands burgerij:
Of grondt zich geen verdienste op overleden magen
En wordt een brave telg door eigen deugd vereêld;—
Kan zuiverheid van hart een zuiver hart behagen,
ô Schone, lees in 't mijne, en ken uw eigen beeld.
Zie of mijn boezem ooit een vurig zuchtje loosde,
Dan voor de deugd, den roem, de Godheid, en—voor u:
Zie of mijn voorhoofd ooit om wanbedrijven bloosde:
Zie—: maar doorzoek mijn hart, van eigen glorie schuuw.
Dan, mooglijk mocht de glans der fraaie wetenschappen
Haar fierheid neigen tot een teder blijk van gunst.
Hoe kneedde ik 't letterspoor met onvermoeide stappen,
ô Hemel! waar dat heil verbonden aan de kunst.
Gij die u te onbedacht met zo veel vreugd zoudt vleien,
Verwaande: toon uw kracht, ontweldig mij den prijs:
Of ben ik onbekend bij Neêrlands dichtrenreien,
En is mijn kruin ontbloot van eenig eerbewijs?—
Of zou de glans der weelde, op één gehoopte schatten...?
Zwijg, onbedachte tong! wat denkbeeld! welk een woord!
Zou 't blinkend stof der aarde aantreklijkheên bevatten,
Waar door 't verheven hart dier schone wierd bekoord?
't Gemeen blijve aan den schijn van grootheid zich vergapen!
Het goud bezit geen waarde in 't welverlicht gezicht.
De wijze weet zijn heil uit beter goed te rapen;
Uit zelfgenoegzaamheid en liefde tot zijn' plicht.
Of, zo iets buiten ons, verdient het hart te raken,
't Is de achting, die verdienste onscheidbaar vergezelt.
Door deugd, door wetenschap, door moed, naar eer te haken,
Is 't kenmerk van den brave, en kunst- en oorlogsheld.
Volschone, is dit, is roem behaaglijk in uw oogen,
Gebied, en 'k offer u driedubble lauwerblaân;
Één lonkje, één lachje slechts, vernieuw' mijn kunstvermogen,
En 'k brenge u op een nieuw een dubble zangkroon aan.
Hoe moedloos, hoe verslapt, hoe kwijnend, hoe verslagen.
Daar me uw verachting als een bliksem heeft verplet;
Zal niemand mij den prijs, den prijs der eere, ontdragen,
Door de enkle hoop op u ten zangstrijde aangezet.
Of zoude ik twijflen? ik—! Wie zet de liefde palen?
Quintijn, uw grove vuist, om d'ijzren bout gekromd,
Greep op haar stem 't penceel om Fyllis af te malen,
En ijlings was Natuur verwonnen en verstomd.
Dit wrocht, dit wrocht ge, ô Min! Uw macht is hier gebleken;
Gij vormde uit dien Cykloop Apol een' wonderzoon;
Elk werkstuk van zijn hand is u een zegeteeken:
De kunsten buigen neêr voor uw' geduchten throon:
Uw invloed is genoeg om glorierijk te pralen:
Maar—zo een lieve lonk dien invloed kracht verleent—!
ô Dierbre, laat uw gunst mijn liefde slechts bestralen,
En zie, wat min vermag, met blijde hoop vereend.
Of mint gij oorlogsroem, bemorste krijgslauwrieren,
Bij 't grimmen van den dood, door 't blikkrend heldenstaal
Van d'overstroomden boord der purpren bloedrivieren
Geöogst, en 't aaklig schoon van Mavors wapenpraal?
Beveel, en dees mijn arm zal d'oorlogsbliksem zwaaien;
Op 't rokend moordtoneel van woede en razernij'
Met opgeheven kling een' tas van lijken maaien,
En sneuvlen u ter eer'—ach! ware 't aan uw zij'!
ô Mocht ik door een woud gevelde legersperen
U rukken, Cinthia, uit 's vijands overmacht!
Of tegen duizenden door 't blanke staal verweeren,
Ik trotste Achilles moed,—Alcîdes reuzenkracht!
ô Mocht ik voor uw oog, met wond op wond doorregen,
En vruchtloos hijgend naar den ademtocht, vergaan!
Mocht, mocht mijn vlotte ziel uw koelheid slechts bewegen,
En, glippende uit de borst, uw wedermin verstaan!
ô Hemel! zulk een dood waar ruim een leven waardig.
Wat zeg ik! zulk een dood waar mij de onsterflijkheid.
Neen, mijn geboortestar, nooit noemde ik u kwaadaartdig,
Zo zulk een uitvaart mij door 't noodlot waar bereid.
Maar neen! bedrieglijkheid der wenschen! neen: mijn leven,
Een schakel van verdriet, heeft zo veel heils niet in.
Ach! mocht ik dan voor 't minst gelijk uw minnaar sneven,
Van 's medeminnaars hand, begunstigd met uw min!
Helaas! ook zelfs die gunst wordt mij door 't lot verboden,
Te sterven van een hand, door Cinthia geliefd!
ô Foltring! die mij meer dan duizendduizend doden
De borst en 't ingewand, 't gebeente en merg, doorgrieft!
ô Machteloze woede! ô ijselijke slagen!
Ik wensch me (ô hemel!) zelf een' medeminnaar toe!
Een' die den draad verkort van mijn gevloekte dagen?—
—Neen, op wiens rokend lijk ik mijne wraak voldoe.
Zoude ik lafhartig—? neen.—Waar zijt gij, wuste zinnen?
Ja: 'k staaf dit gruwzaam woord, 'k herhaal het andermaal:
Die 't aangebeden hart wanhopig moet beminnen,
Wat rest, wat rest dien meer, dan 't leedverkortend staal?
ô Cinthia, beschouw, zie neêr op mijn ellenden:
Mijn leven en mijn dood hangt van uw wenken af.
Of laat één lieve lonk mijn angstig lijden enden:
Of één vergramde blik mij domplen in het graf!
Bleven de leerzame dochters van Mîneus weleer aan de lippenHarer welsprekende zuster in luisterende aandacht geketend,Wen ze d'oplettenden kring de onzaligste liefde verhaalde;Liefde, gekweekt in den wrok van twee vijandlijke stammen,t' Ondergebracht en vernield door hunne vereenigde telgen:'t Was met dezelfde verrukking', met d'eigensten wellust des harteDat mijn begochelde zinnen zich in de beschouwing' verlorenVan het ontzetlijk tafreel dier tederverknochte gelieven,De offers des woedenden haats, die beider geslachten verdeelde.Teder, beminnelijk paar, wier harten, te samengestrengeldDoor d'onverbreekbaarsten band, eenstemmige bewegingen voelden,Eenerlei zuchtjes ontlastten, in de eigene kwelling' verteerden,Zich in elkander vernietigden en in elkander vernieuwden!Teder, beminnelijk paar! hoe heeft me uw noodlot getroffen!Hoe mijne ziel uw liefde, en hoe uw rampen verzwolgen!Hoe uw liefde benijd, ja zelfs uw rampen gezegend!Rômeo, 'k zie u nog, met de verwe des doods op de kaken,'t Staamlend vaarwel, eer gij 't uit, met afschrik en ijzing herroepen.Ai mij, hoe dobbert uw ziel met dit woord op uw siddrende lippen!'k Zie uwen boezem bedaauwd met brandende, blakende tranen.'k Zie hoe gij spraakloos, geschokt, versmoord, door bruischende tochten,De armen, verstijfd om den hals der minlijke Julia, los rukt,Vol van het aaklig gevoelen des naadrenden onheils.—ô Hemel!Moest dan zo veel min zo gruwzame ellenden ten doel' staan!Julia, 'k zie u nog, en gevoele de maat van uw lijden.Wanhoop, vertwijfling,—wat naam, wat naam aan uw' toestand gegeven?Bevend beschouwe ik de schaal die 't doodlijk bereidzel u aanbiedt.'t Doodlijk bereidzel? Gewis: om voor eeuwig uwe oogen te sluitenMoest het u eenmaal het licht, 't noodlottige daglicht hergeven!Al te lichtzinnige Lijfarts, wat baat uw te roekloos beloven?Waar toe de ontwaking bereid, daar de eindloze slaap op zal volgen?Waarom bedroogt gij haar niet, die zich uwer kunde betrouwde?Zulk een bedrog ware een weldaad; een weldaad, die al hare ellendenKortte, en haar einde 't besef van 't smartelijk sterven bespaarde.Hemel, wat zeg ik!—ô Neen: onzalige! 't Angstig herlevenIn de verblijfplaats des doods, wordt rijklijk, ja dubbeld, vergoldenDoor het geluk van in d'arm van die u waard is te sneven.Rômeo, welk een geluk! gij kent, gij proeft het volkomen:Dank zij 't knagend vergift. Te gelukkig in d' arm uwer schone,Sterft ge in de blakende minne, om geene verkoeling te vrezen:Sterft ge, en het aardrijk ontsluit u 't herbergzaam verblijf van de ruste.Rômeo, weet ge uw geluk naar eisch, naar waarde, te schatten?Kent gij 't?—het aardrijk verschaffe u een zachte en vredige rustplaats!Julia, 'k zie uwe drift de verwilderende oogen ontgloeien:'k Hoor u den noodkreet, den galm der vertwijfeling uiten!—Wat doet ge?'t Einde is nabij van uw leed. Zijn ziel zweeft om uwen boezem,Om uwe lippen, in 't rond: zij zoekt met vurig verlangenDe uwe te ontmoeten; zij zoekt met de uwe te samen te vloeien:Ja, gij erkent haar begeerte, en zult haar begeerte genoegen.'k Sidder!—gij stort in uw bloed! en ik! waan met u te sneven.Schilder der min, der natuur! wie heeft het penceel u gegeven,Om ons de driften des harte met zo veel waarheid te malen?Wie toch, wie leerde u 't gemoed dus door uwe klanken beroeren?Wie de geheimen der liefde, de kwellingen, de angsten, de pijnen,De onvergelijklijke zoetheid der hoop die zij ingeeft, te kennen?—Liefde bestierde uwe vingren in 't schetsen dier levende trekken:Trekken, daar 't tedere hart zich-zelve in herkent en beoefent.Zij, die de schrijfstift van Naso geleidde om haar krachten te schetsen,Zij gaf zelv u de taal, de eenvoudige taal van een hart in,Even gevoelig als 't mijne, en licht...! Doch, dat we ons bedwingen:Treffend genoegen, zich-zelv' in 's lotgenoots ramp te beschreien!Onder het masker van medegevoeligheid, zonder beschroomdheid,Vrijlijk d'opborlende tranen een' ruimeren loop te vergunnen!Edel vermaak! 't is in u, dat zich mijn geest mag verpoozenVan de geduurzame plagen, verknocht aan het menschelijk leven.
Bleven de leerzame dochters van Mîneus weleer aan de lippenHarer welsprekende zuster in luisterende aandacht geketend,Wen ze d'oplettenden kring de onzaligste liefde verhaalde;Liefde, gekweekt in den wrok van twee vijandlijke stammen,t' Ondergebracht en vernield door hunne vereenigde telgen:'t Was met dezelfde verrukking', met d'eigensten wellust des harteDat mijn begochelde zinnen zich in de beschouwing' verlorenVan het ontzetlijk tafreel dier tederverknochte gelieven,De offers des woedenden haats, die beider geslachten verdeelde.Teder, beminnelijk paar, wier harten, te samengestrengeldDoor d'onverbreekbaarsten band, eenstemmige bewegingen voelden,Eenerlei zuchtjes ontlastten, in de eigene kwelling' verteerden,Zich in elkander vernietigden en in elkander vernieuwden!Teder, beminnelijk paar! hoe heeft me uw noodlot getroffen!Hoe mijne ziel uw liefde, en hoe uw rampen verzwolgen!Hoe uw liefde benijd, ja zelfs uw rampen gezegend!Rômeo, 'k zie u nog, met de verwe des doods op de kaken,'t Staamlend vaarwel, eer gij 't uit, met afschrik en ijzing herroepen.Ai mij, hoe dobbert uw ziel met dit woord op uw siddrende lippen!'k Zie uwen boezem bedaauwd met brandende, blakende tranen.'k Zie hoe gij spraakloos, geschokt, versmoord, door bruischende tochten,De armen, verstijfd om den hals der minlijke Julia, los rukt,Vol van het aaklig gevoelen des naadrenden onheils.—ô Hemel!Moest dan zo veel min zo gruwzame ellenden ten doel' staan!Julia, 'k zie u nog, en gevoele de maat van uw lijden.Wanhoop, vertwijfling,—wat naam, wat naam aan uw' toestand gegeven?Bevend beschouwe ik de schaal die 't doodlijk bereidzel u aanbiedt.'t Doodlijk bereidzel? Gewis: om voor eeuwig uwe oogen te sluitenMoest het u eenmaal het licht, 't noodlottige daglicht hergeven!Al te lichtzinnige Lijfarts, wat baat uw te roekloos beloven?Waar toe de ontwaking bereid, daar de eindloze slaap op zal volgen?Waarom bedroogt gij haar niet, die zich uwer kunde betrouwde?Zulk een bedrog ware een weldaad; een weldaad, die al hare ellendenKortte, en haar einde 't besef van 't smartelijk sterven bespaarde.Hemel, wat zeg ik!—ô Neen: onzalige! 't Angstig herlevenIn de verblijfplaats des doods, wordt rijklijk, ja dubbeld, vergoldenDoor het geluk van in d'arm van die u waard is te sneven.Rômeo, welk een geluk! gij kent, gij proeft het volkomen:Dank zij 't knagend vergift. Te gelukkig in d' arm uwer schone,Sterft ge in de blakende minne, om geene verkoeling te vrezen:Sterft ge, en het aardrijk ontsluit u 't herbergzaam verblijf van de ruste.Rômeo, weet ge uw geluk naar eisch, naar waarde, te schatten?Kent gij 't?—het aardrijk verschaffe u een zachte en vredige rustplaats!Julia, 'k zie uwe drift de verwilderende oogen ontgloeien:'k Hoor u den noodkreet, den galm der vertwijfeling uiten!—Wat doet ge?'t Einde is nabij van uw leed. Zijn ziel zweeft om uwen boezem,Om uwe lippen, in 't rond: zij zoekt met vurig verlangenDe uwe te ontmoeten; zij zoekt met de uwe te samen te vloeien:Ja, gij erkent haar begeerte, en zult haar begeerte genoegen.'k Sidder!—gij stort in uw bloed! en ik! waan met u te sneven.Schilder der min, der natuur! wie heeft het penceel u gegeven,Om ons de driften des harte met zo veel waarheid te malen?Wie toch, wie leerde u 't gemoed dus door uwe klanken beroeren?Wie de geheimen der liefde, de kwellingen, de angsten, de pijnen,De onvergelijklijke zoetheid der hoop die zij ingeeft, te kennen?—Liefde bestierde uwe vingren in 't schetsen dier levende trekken:Trekken, daar 't tedere hart zich-zelve in herkent en beoefent.Zij, die de schrijfstift van Naso geleidde om haar krachten te schetsen,Zij gaf zelv u de taal, de eenvoudige taal van een hart in,Even gevoelig als 't mijne, en licht...! Doch, dat we ons bedwingen:Treffend genoegen, zich-zelv' in 's lotgenoots ramp te beschreien!Onder het masker van medegevoeligheid, zonder beschroomdheid,Vrijlijk d'opborlende tranen een' ruimeren loop te vergunnen!Edel vermaak! 't is in u, dat zich mijn geest mag verpoozenVan de geduurzame plagen, verknocht aan het menschelijk leven.
Bleven de leerzame dochters van Mîneus weleer aan de lippenHarer welsprekende zuster in luisterende aandacht geketend,Wen ze d'oplettenden kring de onzaligste liefde verhaalde;Liefde, gekweekt in den wrok van twee vijandlijke stammen,t' Ondergebracht en vernield door hunne vereenigde telgen:'t Was met dezelfde verrukking', met d'eigensten wellust des harteDat mijn begochelde zinnen zich in de beschouwing' verlorenVan het ontzetlijk tafreel dier tederverknochte gelieven,De offers des woedenden haats, die beider geslachten verdeelde.
Bleven de leerzame dochters van Mîneus weleer aan de lippen
Harer welsprekende zuster in luisterende aandacht geketend,
Wen ze d'oplettenden kring de onzaligste liefde verhaalde;
Liefde, gekweekt in den wrok van twee vijandlijke stammen,
t' Ondergebracht en vernield door hunne vereenigde telgen:
't Was met dezelfde verrukking', met d'eigensten wellust des harte
Dat mijn begochelde zinnen zich in de beschouwing' verloren
Van het ontzetlijk tafreel dier tederverknochte gelieven,
De offers des woedenden haats, die beider geslachten verdeelde.
Teder, beminnelijk paar, wier harten, te samengestrengeldDoor d'onverbreekbaarsten band, eenstemmige bewegingen voelden,Eenerlei zuchtjes ontlastten, in de eigene kwelling' verteerden,Zich in elkander vernietigden en in elkander vernieuwden!Teder, beminnelijk paar! hoe heeft me uw noodlot getroffen!Hoe mijne ziel uw liefde, en hoe uw rampen verzwolgen!Hoe uw liefde benijd, ja zelfs uw rampen gezegend!
Teder, beminnelijk paar, wier harten, te samengestrengeld
Door d'onverbreekbaarsten band, eenstemmige bewegingen voelden,
Eenerlei zuchtjes ontlastten, in de eigene kwelling' verteerden,
Zich in elkander vernietigden en in elkander vernieuwden!
Teder, beminnelijk paar! hoe heeft me uw noodlot getroffen!
Hoe mijne ziel uw liefde, en hoe uw rampen verzwolgen!
Hoe uw liefde benijd, ja zelfs uw rampen gezegend!
Rômeo, 'k zie u nog, met de verwe des doods op de kaken,'t Staamlend vaarwel, eer gij 't uit, met afschrik en ijzing herroepen.Ai mij, hoe dobbert uw ziel met dit woord op uw siddrende lippen!'k Zie uwen boezem bedaauwd met brandende, blakende tranen.'k Zie hoe gij spraakloos, geschokt, versmoord, door bruischende tochten,De armen, verstijfd om den hals der minlijke Julia, los rukt,Vol van het aaklig gevoelen des naadrenden onheils.—ô Hemel!Moest dan zo veel min zo gruwzame ellenden ten doel' staan!
Rômeo, 'k zie u nog, met de verwe des doods op de kaken,
't Staamlend vaarwel, eer gij 't uit, met afschrik en ijzing herroepen.
Ai mij, hoe dobbert uw ziel met dit woord op uw siddrende lippen!
'k Zie uwen boezem bedaauwd met brandende, blakende tranen.
'k Zie hoe gij spraakloos, geschokt, versmoord, door bruischende tochten,
De armen, verstijfd om den hals der minlijke Julia, los rukt,
Vol van het aaklig gevoelen des naadrenden onheils.—ô Hemel!
Moest dan zo veel min zo gruwzame ellenden ten doel' staan!
Julia, 'k zie u nog, en gevoele de maat van uw lijden.Wanhoop, vertwijfling,—wat naam, wat naam aan uw' toestand gegeven?Bevend beschouwe ik de schaal die 't doodlijk bereidzel u aanbiedt.'t Doodlijk bereidzel? Gewis: om voor eeuwig uwe oogen te sluitenMoest het u eenmaal het licht, 't noodlottige daglicht hergeven!Al te lichtzinnige Lijfarts, wat baat uw te roekloos beloven?Waar toe de ontwaking bereid, daar de eindloze slaap op zal volgen?Waarom bedroogt gij haar niet, die zich uwer kunde betrouwde?Zulk een bedrog ware een weldaad; een weldaad, die al hare ellendenKortte, en haar einde 't besef van 't smartelijk sterven bespaarde.Hemel, wat zeg ik!—ô Neen: onzalige! 't Angstig herlevenIn de verblijfplaats des doods, wordt rijklijk, ja dubbeld, vergoldenDoor het geluk van in d'arm van die u waard is te sneven.Rômeo, welk een geluk! gij kent, gij proeft het volkomen:Dank zij 't knagend vergift. Te gelukkig in d' arm uwer schone,Sterft ge in de blakende minne, om geene verkoeling te vrezen:Sterft ge, en het aardrijk ontsluit u 't herbergzaam verblijf van de ruste.Rômeo, weet ge uw geluk naar eisch, naar waarde, te schatten?Kent gij 't?—het aardrijk verschaffe u een zachte en vredige rustplaats!Julia, 'k zie uwe drift de verwilderende oogen ontgloeien:'k Hoor u den noodkreet, den galm der vertwijfeling uiten!—Wat doet ge?'t Einde is nabij van uw leed. Zijn ziel zweeft om uwen boezem,Om uwe lippen, in 't rond: zij zoekt met vurig verlangenDe uwe te ontmoeten; zij zoekt met de uwe te samen te vloeien:Ja, gij erkent haar begeerte, en zult haar begeerte genoegen.'k Sidder!—gij stort in uw bloed! en ik! waan met u te sneven.
Julia, 'k zie u nog, en gevoele de maat van uw lijden.
Wanhoop, vertwijfling,—wat naam, wat naam aan uw' toestand gegeven?
Bevend beschouwe ik de schaal die 't doodlijk bereidzel u aanbiedt.
't Doodlijk bereidzel? Gewis: om voor eeuwig uwe oogen te sluiten
Moest het u eenmaal het licht, 't noodlottige daglicht hergeven!
Al te lichtzinnige Lijfarts, wat baat uw te roekloos beloven?
Waar toe de ontwaking bereid, daar de eindloze slaap op zal volgen?
Waarom bedroogt gij haar niet, die zich uwer kunde betrouwde?
Zulk een bedrog ware een weldaad; een weldaad, die al hare ellenden
Kortte, en haar einde 't besef van 't smartelijk sterven bespaarde.
Hemel, wat zeg ik!—ô Neen: onzalige! 't Angstig herleven
In de verblijfplaats des doods, wordt rijklijk, ja dubbeld, vergolden
Door het geluk van in d'arm van die u waard is te sneven.
Rômeo, welk een geluk! gij kent, gij proeft het volkomen:
Dank zij 't knagend vergift. Te gelukkig in d' arm uwer schone,
Sterft ge in de blakende minne, om geene verkoeling te vrezen:
Sterft ge, en het aardrijk ontsluit u 't herbergzaam verblijf van de ruste.
Rômeo, weet ge uw geluk naar eisch, naar waarde, te schatten?
Kent gij 't?—het aardrijk verschaffe u een zachte en vredige rustplaats!
Julia, 'k zie uwe drift de verwilderende oogen ontgloeien:
'k Hoor u den noodkreet, den galm der vertwijfeling uiten!—Wat doet ge?
't Einde is nabij van uw leed. Zijn ziel zweeft om uwen boezem,
Om uwe lippen, in 't rond: zij zoekt met vurig verlangen
De uwe te ontmoeten; zij zoekt met de uwe te samen te vloeien:
Ja, gij erkent haar begeerte, en zult haar begeerte genoegen.
'k Sidder!—gij stort in uw bloed! en ik! waan met u te sneven.
Schilder der min, der natuur! wie heeft het penceel u gegeven,Om ons de driften des harte met zo veel waarheid te malen?Wie toch, wie leerde u 't gemoed dus door uwe klanken beroeren?Wie de geheimen der liefde, de kwellingen, de angsten, de pijnen,De onvergelijklijke zoetheid der hoop die zij ingeeft, te kennen?—Liefde bestierde uwe vingren in 't schetsen dier levende trekken:Trekken, daar 't tedere hart zich-zelve in herkent en beoefent.Zij, die de schrijfstift van Naso geleidde om haar krachten te schetsen,Zij gaf zelv u de taal, de eenvoudige taal van een hart in,Even gevoelig als 't mijne, en licht...! Doch, dat we ons bedwingen:Treffend genoegen, zich-zelv' in 's lotgenoots ramp te beschreien!Onder het masker van medegevoeligheid, zonder beschroomdheid,Vrijlijk d'opborlende tranen een' ruimeren loop te vergunnen!Edel vermaak! 't is in u, dat zich mijn geest mag verpoozenVan de geduurzame plagen, verknocht aan het menschelijk leven.
Schilder der min, der natuur! wie heeft het penceel u gegeven,
Om ons de driften des harte met zo veel waarheid te malen?
Wie toch, wie leerde u 't gemoed dus door uwe klanken beroeren?
Wie de geheimen der liefde, de kwellingen, de angsten, de pijnen,
De onvergelijklijke zoetheid der hoop die zij ingeeft, te kennen?—
Liefde bestierde uwe vingren in 't schetsen dier levende trekken:
Trekken, daar 't tedere hart zich-zelve in herkent en beoefent.
Zij, die de schrijfstift van Naso geleidde om haar krachten te schetsen,
Zij gaf zelv u de taal, de eenvoudige taal van een hart in,
Even gevoelig als 't mijne, en licht...! Doch, dat we ons bedwingen:
Treffend genoegen, zich-zelv' in 's lotgenoots ramp te beschreien!
Onder het masker van medegevoeligheid, zonder beschroomdheid,
Vrijlijk d'opborlende tranen een' ruimeren loop te vergunnen!
Edel vermaak! 't is in u, dat zich mijn geest mag verpoozen
Van de geduurzame plagen, verknocht aan het menschelijk leven.