Chapter 14

Hassanverkocht dadels in de straten van Damaskus. Als ik zeg dat hy die verkocht, bedoel ik eigenlyk dat hy ze niet verkocht, want z’n dadels waren zoo klein, dat niemand die koopen wilde.Met verdriet en afgunst zag hy hoe ieder den rykenAouledbegunstigde, die naast hem woonde op ’n mat. Want ze woonden op matten, in Damaskus, met zeer hooge verdieping, omdat ze geen dak boven zich hadden. De rykdom vanAouledbestond dan ook niet in huizen, maar in ’n tuin die zeer vruchtbaar was, ja zóó vruchtbaar, dat de dadels die er groeiden zoo groot waren als drie gewone dadels. En daarom kochten de voorbygangers de dadels vanAouled, en niet de dadels vanHassan.Daar kwam in de stad ’n Derwisch die wysheid te veel had, en te weinig voedsel. Althans hy ruilde z’n kennis voor spyze, en men zal zien hoe onzeHassanwèlvoer by dien ruil.—Geef my te eten, gebood hem de Derwisch, dan zal ik doen wat geen Khalif voor u doen kan. Ik zal het volk dwingen uw dadels te koopen, door die groot te maken, ja, grooter dan de vruchten vanAouled. Hoe groot zyn die?—Helaas, Derwisch vanAllahgezonden—ik kus uwe voeten—de dadels vanAouled—Allah geef hem krampen—zyn driemaal grooter dan gewone dadels! Treedt binnen op m’n mat, kruis uwe beenen, wees gezegend, en leer my m’n dadels grootmaken, en het volk te dwingen die te koopen.Hassanhad kunnen vragen, waarom de Derwisch die zoo bekwaam was, spyze behoefde? Maar chicaneeren deedHassannooit. Hy zette z’n gast gekookt leder voor, alles wat hy overhad van ’n gestolen geitebok.De Derwisch at, verzadigde zich, en sprak:—Driemaal grooter dan gewone dadels zyn de vruchten van uw buurman.... hoe groot wilt ge dat de uwen worden, oHassan, zoon van ik weet niet wien?Hassanbedacht zich even, en zeide:—Allahgeve u kinderen en vee! Ik wenschte dat m’n dadels driemaal grooter waren, dan ze door u kunnen gemaakt worden.—Zeer wel, sprak de Derwisch. Zie hier ’n vogel, dien ik meebracht uit het verre Oosten. Zeg hem dat elk uwer dadels zoo groot is als drie van uw dadels.—Ik wensch u vrouwen en kameelen, o Derwisch—die aangenaam riekt als olyven—maar wat zal het baten of ik dezen vogel zeg wat niet is?—Doe naar m’n zeggen, hernam de wyze man. Daarvoor ben ik Derwisch, dat ge my niet begrypt.Hassanwenschte den vogel lengte van veeren, en noemde hemRock. Maar ’t was geenrock11. ’t Was ’n kleine vogel die wel wat op ’n raaf geleek, met losse tong en hippelenden tred. De Derwisch had hem meegenomen van Indaloes12waar hy was aangebracht door kooplieden, die over zee waren gekomen uit het land waar de menschen op negers gelyken, schoon ’t ver is van Afrika. DatHassanhet beest “rock” noemde, was omdat hy had opgemerkt dat iemand wien men iets vraagt, uitdyt. En ook ’t omgekeerde. Wie wat noodig heeft van ’n ander, krimpt in. Zoo was ’t in Damaskus.Hassankromp in, en zeide:—Ik ben uw slaaf, o vogelRock! M’n vader was ’n hond... en elk myner dadels is zoo groot als drie van m’n dadels!—’t Is wel, zei de Derwisch. Ga zóó voort, en vreesAllah!Hassanging zoo voort. Hy vreesdeAllah, en vertelde maar altyd door aan den vogel, dat z’n dadels onmogelyk groot waren.Het loon der deugd bleef niet uit. Nog geen driemaal had de Khalif al de bewoonsters van z’n harem laten ombrengen ... nog had geen moeder den tyd gehad hare dochtersbekoorlykte maken voor de markt teRoem13, nog hadHassangeen enkel verdwaald geitebokje ontmoet, om hem gezelschap en in ’t leven te houden op z’n mat, en ziedaar, de vogel riep:—Myn vader is een hond ...Dit is niet noodig, maar hy zei ’tHassanna.... m’n vader is ’n hond, kryg lengte van veeren, de dadels vanHassan Ben14...Ik weet den naam vanHassan’svader niet, en als de man ’n hond was, komt het er ook niet op aan.—De dadels vanHassanzyn driemaal grooter dan ze zyn!Toen waren er betweters inDamaskus, die dit tegenspraken. Maar ’t duurde niet lang. Er was namelyk in de stem des vogels iets dat de lucht deed trillen op ’n wyze die invloed had op de straalbreking. De dadels groeiden, groeiden ... in aller oogen!En de vogel riep maar al voort:—De dadels vanHassanzyn driemaal grooter dan ze zyn!En ze groeiden! Men overgaapte zich om er in te byten.EnAouledwerd zeer mager. MaarHassankocht veel geitebokken en lammeren en hy bouwde een dak over z’n mat. Hy werd zeer eerlyk, en vond het schande als iemand die zelf geen lammeren had, een opat van de zynen. En hy ging voortAllahte vreezen.Deze vroomheid en dien rykdom had hy te danken aan den kleinen vogel, die altyd hetzelfde zei, en leugen tot waarheid maakte door herhaling. Ieder vondHassan’sdadels groot, ieder was gedwongen die te koopen, ieder ...BehalveHassanzelf, die in stilte voorzag zich byAouled, wiens eenige klant hy was.En dit is alzoo gebleven tot op dezen dag.AAN FANCY.Ik zal voortgaan met de geschiedenissen van gezag.Er was eens ’n land, laag gelegen aan de zee, tusschenOost-Friesland en de Schelde...O,Fancymen timmert en metselt om my heen. Het huis dat ik bewoon, wordt verbreed, en hoe breeder het wordt, hoe benauwder zy ’t my maken. Men klopt en schaaft en bikt en zaagt my ’t hoofd in twee ... dit is onaangenaam. DieSilvio Pellicokon van geluk spreken. Ik ga uit, om wat rust te zoeken op de woelige straat. Misschien steel ik ’n horloge, om aanspraak te hebben op wat stilte in de cellulaire gevangenis. Adieu, en denk om den haarlok, dien ge me beloofd hebt.VAN FANCY.Neen, laat ieder z’n horloge houden, men zou weer kwaad van u spreken. Ach, wat zyn dat troostelooze geschiedenissen,die gy verhaalt. Is dat alles waar,Max? Ge hebt my treurig gestemd. O, ik bid u, zeg me in ’n volgenden brief, dat allesnietwaar is, of althans, dat nietalleswaar is. Is dat nu wysbegeerte? De vormleer is droger, maar minder verdrietig. En ook in de vaderlandsche geschiedenis vind ik ... hoe zelden ook toch hier en daar—wat ik vergeefs zoek inuwgeschiedenissen—liefde!Hoe kunt ge zoo scherp zyn,Max, gy die toch zoo goed weet lieftehebben?We zyn verhuisd, maar nog kan ’t oude kabinet de deur niet in. M’n hart ook niet.Ik heb u gevraagd my wat te leeren. Is ’t hiertoe noodig dat ik eerst worde gevoed met spyze zoo bitter als uwe vertellingen van gezag? Geef my iets liefelyks,Max... iets wat niet m’n lippen wit maakt, iets wat my ’n blos geeft van genoegen, en geen bleekheid van ergernis. Ik heb behoefte aan liefde. Moet ik de liefde verliezen door de denkbeelden die ge my geeft ... o, dan zou ik betreuren u gevraagd te hebben om wat kennis! Want ik ben eenmeisje,Max!Een meisje, ja! Maar toch is ’t waar dat iets zeer byzonders met me gebeurd is, dat zeker by weinig meisjes voorvalt. Ik zal u dat vertellen. Ei, wèl beschouwd, is ’t óók ’nGeschiedenis van Gezag, maar fraaier, liefelyker danuwgeschiedenissen. Ik was zes of zeven jaar oud ...Ik word geroepen,Max... wacht tot nieuwe maan ... de geschiedenis die ik u vertellen zal, staat daarmede in verband, en met u ook ... en met m’n haren ook ...O, schryf my iets dat me niet bleek maakt!AAN FANCY.Kleingeloovige! zoo zyt gy allen!Daar staat de boom der kennisse, gewilteten, ge wacht niet op de slang—dat eeuwig symbool van weten en onsterfelyk zyn!—gyzelf steekt de hand uit, en als ’t arme dier ter-goeder-slangentrouw, u den appel toereikt, dien gy vraagt ... dan trekt ge u schuchter terug, en rekt beddelakens!Neen,Fancy, myn geschiedenissen zynniettroosteloos! Onkunde is geen deugd, en lager dan haat, acht ik liefhebben zonder verstand! Weet, ken, kan, onderscheid enkies.Eerst na zulke keuze, is liefde iets waard.O, ik begryp hoe ge schrikt by ’t opheffen van de gordyn diemen, met voordacht en valsheid, gelaten heeft tusschen uw oog en de waarheid! Leugens ontvingen de ouders... leugens geven zy hun kinderen. Als de Oosterling die genot zoekt in verdooving door amfioen, en die ten-laatstebehoeftegevoelt aan vergif, vragenzy: “Wat dan?” zoodra men ze aantoont dat hun denkbeelden rusten op onvasten grondslag.Daar is een lek in ’t schip! roept de verschrikte gezagvoerder.En de passagier antwoordt:—Ik zal u tegenwerken in het stoppen, tenzy ge my iets dergelyks in de plaats geeft.Ik vind beter te varenzonderlek.Telkens moet ik den eisch van lekbegeerige passagiers aanhooren. Telkens is het:Toegestaan! Dàt is leugen, dàt is verzonnen, dàt is schandelyk! Maar ... wat geeft gy in de plaats?Dat wil zeggen: “welken anderen leugen zet gy ons voor, ter vervanging van ’t leugengerecht, dat ge ons ontneemt?”Ik zou kunnen antwoorden:geene... ik weet niets! Ik heb geen gif te bieden, in plaats van ’t gif, dat ik, ruw maar welmeenend, u uit de hand sla, die zich tot ’n vuist balt, uit ondankbaren wrevel over leegte.Dit zou ikkunnenantwoorden.Maar liever zeg ik: zie ik wenschte u te gevengezonde spys!Ik wenschte u te wyzen opgezagdoorliefde, opwelvaart door rechtvaardigheid, opgelukdoordeugd.Dat is één woord: ik wilde u uitnoodigenmensch te zyn! Ziedaar alles!Men bedriegt zich, en men heeft u bedrogen, door hetmensch-zynvoortestellen als iets onwaardigs. Dit doet ’n verkeerd begrepene religie ... ’t WoordGodsdienstkomt hier niet te-pas.Ik wil u dit duidelyk maken door ’n voorbeeld.Een boer zou voor het eerst den heer van ’t land zien. Hoe zal ik hem vereeren, dacht hy, om hem te toonen dat ik besef heb van myn boerschap tegenover zyn heerschap? Wel ik zal m’n knieën wat krom buigen, en m’n teenen naar binnen. Myn linker-schouder zal ik vooruit steken, en m’n hoed omdraaien als ’n molen. Wat scheefs in den hals zal hem voorzeker behagen, en ’t zal hem genoegen doen als ik m’n mond klein maak.Zóó dacht de boer, en zóó deed hy. Maar de heer van ’t dorp zei hem, dat hy niet noodig had zich zoo te verdraaien.Ik vind dat die heer van ’t dorp groot gelyk had.De roeping van den mensch is mensch te zyn.Is deze konklusie u te eenvoudig! O, ik bid u, wantrouw alle slotsommen dienieteenvoudig zyn.Zou de wysheid die een mensch behoeft,nieteenvoudig wezen? Zou ze moeilyker te vatten zyn, dan de reuk der spyzen, zoo gemakkelyk optevangen met onzen neus, dien toch de lieve Natuurheel eenvoudigboven den mond plaatste? Ik geloof zeker, dat de godsdienst-uitvinders dat orgaan ’n plaatsje aan den linkerhiel zouden hebben gegeven, als zy geraadpleegd waren ... wat gelukkig niet gebeurd is.Alles wil omslag, ingewikkeldheid, onnatuur:“Doodt de zinnen!” roepen zy die God meenen te dienen door den mensch te verdraaien, als die boer.“Doodt de zinnen!” roepen zy die gaarne wat willen genieten methunzinnen, en de slimme berekening maken dat er meer zou overschieten, naarmate er minder gebruikt werd.“Doodt de zinnen, werpt weg wat u behagen zou!” riepen ten-allen-tyde de vromen, die met veel graagte aasden op alles wat er werd weggeworpen door de onnoozele zielen, die hen geloofden.Wat zoudt ge zeggen van ’n kind,Fancy, dat meenen zou z’n vader te vereeren door iets anders te zyn dan ’n... kind?En wàt van de oudere broeders, die aan zulk kind trachtten te beduiden dat het zich inkrimpe, en weinig behoort te eten—ad majorem patris gloriam?Zoudt ge niet op ’t denkbeeld komen, dat die oudere broeders begeerte voelden naar wat ruimte en spys?Wie u zelfvernedering voorstelt als deugd is ’n bedrieger.Genot is deugd.Ziedaar ’n paarteksten,Fancy. Preekenschryfik niet. Dit deedJezusook niet. Ik denk dat hy ze vervelend vond, als ik.“Er isgeenGod, of hy moetgoedzyn!” Laat de theologen—’n grappig woord: menschen die wat weten van God ... menschen die u wat kunnen zeggen over God ... menschen die gestudeerd hebben in God,Godgeleerden—laat de theologen tegenspreken dat Hygoedis, als ze durven ...Ach ja, ze durven dit! Ze vertellen lange geschiedenissen—troosteloozer nog dan de myne,Fancy!—over verdoemenis en hel! En, let wel, zy die zulke geschiedenissennietvertellen, deugen minder dan de anderen, die ten-minste konsekwent zyn by-gebreke van wat beters, want in hun Bybelstaandie aardigheden. Zoek maar op: eeuwig vuur, tandengeknars, onsterfelyke wormen ... ’t is pleizierig!Wie nu dat eeuwige vuur en die onvermoeide wormen weggoochelt onder ’t manteltje van de moderne theologie, vertrouw ik in ’t geheel niet. De anderen zondigen tegen ’t verstand alleen. Zy tegen eerlykheid en verstand beide. Dit is erger.Er isgeenGod, of hy moetgoedzyn! Als hy er is—wat ik dolgraag weten wou, en ik blyf er by dat het zyn zaak geweest ware:te zorgen dat wy ’t wisten—dienen wy hem het best doorgenieten.Eilieve,Fancy, gy die ’n goed meisje zyt, zoudtgy’t aangenaam vinden, wanneer ge eenmaal moeder werdt, dat uw kinderen zuur keken? Zoudt ge hun voorschryven u tedienendooronthouding? Immers neen! En waarom zou die god kwaadaardiger wezen dan gy?Maar demaaten desoortvan genot?Ook dit is zeer eenvoudig. Het antwoord staat duidelyk geschreven in ’t vóór ons liggend boek derwerkelykheid, waarin geen enkele tekst vervalscht is en dat men lezen kan, zonder de minste kennis van Hebreeuwsch of Grieksch. ’t Zou ook wel ongelukkig wezen, als de weg ter zaligheid juist leiden moest langsτίπτω.In dat boek staat geschreven dat wie steenen opslikt, z’n maag bezwaart. Wie genot zoekt in overdaad, wordt ziek. Wie z’n naaste doodslaat, krygt den naam van ’n onpleizierig mensch, en wordt behandeld als zoodanig. Wie liegt, wordt niet geloofd. Wie steelt, wordt vastgebonden door personen die wat bezitten. Wie uit het venster springt, bezeert zich. Wie zich in de bres stelt voor arme drommels, lydt gebrek. En wieMinnebrievenschryft, wordt uitgejouwd.In al deze voorschriften uit het boek derwerkelykheidis niets raadselachtigs, zooals men wél vindt in de andere boeken. Dit komt wyl de menschen, die religien maakten,nietmeenden wat zezeiden, en omdat de Natuur wèl meent, wat zedoet. Ge ziet alzoo,Fancy, dat we om wys en goed te worden—wat hetzelfde is! moeten terugkeeren tot die Natuur.Ik ben benieuwd naar uw geschiedenis. Zoudt ge geschaakt zyn op uw zevende jaar? Dit ware te vroeg,Fancy! En hoe dit in-verband staat met uw haren, begryp ik niet. Kan ik u genoegen doen met ’n minnelied? Verlangt ge een verhandeling overVryen-arbeid? Stelt ge belang in ’n analyze van onze wetgeving op het stuk van ouderlyk gezag? Wilt ge weten hoe in Indie het gezag van Nederland ...Maar,Fancy, dan verval ik weer in de geschiedenissen vanGezag, die ge zoo troosteloos vindt ...Zeg me, hoe moet ik schryven om den stryd te winnen tegen de personen—en de zaken helaas!—die my uw ziel schynen te betwisten?Of zou het toch waar wezen, wat ik giste—en nog altyd hoop!—zou ’t waar wezen dat ge niet bestaat? Dat gy ’n fee zyt, die my eenmaal zult aanroeren met uwen staf, om me machtig te maken tot het verrichten van den arbeid dien ik zelf my heb opgelegd?Ik droom wakend van u, en antwoord:Fancy!als men my om geld vraagt, wat vaak gebeurt. Brengt ge my ’n koninkryk in ’t gebied der geesten ten huwelyk? Ik neem ’t gaarne van u aan, en begryp zelfs niet hoe ge ’t zoolang hebt kunnen regeeren zonder my. Zoodra wy “ingericht” zyn, en na de bruidsbezoeken, wil ik ’n blyde boodschap neerzenden op de kleine aarde, die ik vóór m’n trouwen bewoonde. Ik wil de arme menschen die daar zoo verdrietig ongetrouwd achterbleven, zeggen: datgenot deugd is, en dat niets meer genot geeft danLIEFDE!Maar ik zal er niet by zeggen:heb lief!Dan zou ’t weer ’n geschiedenis vanGezagworden, en dit komt by liefde, deugd en genot niet te pas.Toch zou ik gaarne eens zien met m’n wezenlyke oogen, met de oogen die ik gebruik om te slapen. Is hier geen kans op? Waar woont ge nu, na ’t verhuizen? Moet ik bellen aan al de deuren die kleiner zyn dan ’n kabinet? moet ik naar u zoeken in alle huizen die te bekrompen zyn voor ’n hart?Tinevraagt my of ik dikwyls met u wandel, vooral nu ’t lente is.Ik heb “ja” geantwoord, meenende dat ik waarheid sprak, maar later...Waart ge by my, of was ik alleen, toen ik my ergerde over die geslachte varkens?15Want ik begin intezien dat ik me dikwyls bedroog, als ik geloofde u te zien aan m’n zy.Er is iets raadselachtigs in m’n liefde. Ik zal er naar vragen aanTine. Zy weet alles wat my aangaat.AAN TINE.LieveTine! wees zoo goed my te zeggen wieFancyis?Maar spreek geen kwaad van haar, ook al wist ge iets kwaads. Ik zou ’t niet kunnen verdragen, want ik heb haar onbeschryfelyk lief. Vertel my alleen wie zy is.VAN TINE.BesteMax! Ik kenFancyzeer goed. Ik heb haar lang gekend, reeds vyftien jaren! Ze was toen even oud als nu. Kwaad weet ik niet van haar te zeggen. O, integendeel!Maar om haar goed te beschryven, zou ik haar by my moeten hebben. En ze is weer weg, want—dit wist ge niet—ze is hier geweest!Dikwyls was ze blond, en even dikwyls bruin, ja, vaak bruin by ’t zwarte af. Maar altyd was ze vlug als ’n sylf, huppelend als een dwaallicht, gevoelig als de mimosa, verstandig als ’n rekening, en geestig als niets.Gy kent haar ook wel,Max! Ge hebt vergeten wie zy is, omdat gy den laatsten tyd ’n heel anderen weg hebt uitgezien. Denk eens goed na! Herinner u maar dat ge haar herhaaldelyk het venster hebt uitgegooid, omdat ge meende dat onze kinderen te weinig eten kregen door hàre schuld. En hoe ze dan telkens weer binnen kwam door de deur die op ’t nachtslot was. Weet ge ’t niet meer?Ze jokt als ze zegt dat ze er niet by was, toen de aarde werd gemeten met ’n koord! Ze heeft alles bygewoond wat er gebeurd is. Ook is zy het die de psalmen heeft geschreven, en by de Chaldeen gaf ze les in de sterrenkunde. En ’t isnietwaar, dat ze verlegen is om huisvesting voor haar hart! ’t Staat aan háár om de muren uiteentezetten ...Ik begryp waarlyk niet,Max, hoe ge haar niet herkend hebt.’t Is ondankbaar van uw hart, dat meer geheugen behoorde te hebben. Wat my betreft, ik heb haar lief. Zy heeft myn leven heerlyk schoon gemaakt, en ik wyt de schrale voeding onzer kinderen niet aan haar, zoo als gy meermalen deedt in buien van onrechtvaardigheid. En als ge trouwt, kom ik op de bruiloft, metMaxenNonnidie er by hooren.Onlangs wandelden wy, en plukten bloemen. Zy was met ons. KleineMaxvraagde of de bloempjes het wisten, dat het nu wat warm zou blyven . . en, zeide hy:—Zie, ze knikken de zon toe! Ze weten dat ze er lief uitzien, en dat de zon vriendelyk voor hen is.Hoe komt hy aan dit denkbeeld, dacht ik, en vraagde het hem.—Ik heb dat vanFancy, zeide hy.Maar ze leert hem ook ondeugende dingen. Hy liegt niet, maar jokt veel. Dit leert hy van haar.Onlangs hoorde ik hem lachen, zoo-als hy lacht wanneer-i ’n guitenstuk verricht heeft. Ik zag ’n oude werkster die naast ons woont, trippelen en dansen als ’n gek mensch. KleineMaxhad haarCayenne-peper te proeven gegeven.—C’est très doux!had hy gezegd.’t Mensch brandde haar mond aan z’ndouceur. Ik wist niet of ik boos was, of moest meelachen metMax, die over den grond rolde van pleizier.—Dat hebtgygedaan,Fancy, zeide ik vry streng. Zeg me nu ook watikte doen heb, opdat m’n kind niet wreed worde, en vermaak zoeke in leed?En toen zeide ze my zachtkens deze woorden voor, die ik overluid herhaalde:—KleineMax, voel je geen smart van de pyn, die deze vrouw lydt,omdat ze op je vertrouwde?KleineMaxlachte niet meer. De tranen sprongen hem in de oogen, en hy vraagde vergeving aan de oude vrouw die zulke gekke gezichten trok.En meermalen,Max, als ik op ’t punt sta neertebuigen onder al te zwaren last, komtFancymy troosten, en als ze danschalkszegt:—Ik ontsteel u zyn hart ... bedenk dat myn rechten ouder zyn ...Dan moet ik haar gelyk geven! En zonder yverzucht hoor ik aan, wat zy gezegd heeft zonder schaamte.Ik ben waarlyk boos op u, dat ge haar zoo miskent. Maar,Max, herinnert ge u dan niet dat zy altyd uw voorspraak by my geweest is, als gy weêr iets of iemand geschaakt had, of my geslagen? Weet gy niet meer dat ze ons huwelykskontrakt—mynkontrakt!—heeft meegeteekend, precies als ’n ambachtsheer die ’t braafste boerinnetje laat trouwen met den deugdzaamsten aller boerenjongens? Herinnert ge u niet al de schilderyen die zy ons ten-geschenke gaf, genoeg om ’n museum te vullen, zoo groot als de wereld? Dagelyks nog zendt ze my stukken,’t eene fraaier dan ’t andere, neen allen even schoon ... historiestukken,genre, stillevens ... historie vooral!Maar,Max, we komen lysten te kort! Eilieve, ’t staat aan u, lysten te maken om de stukken dieFancyons geeft.Doe dit! Dit kunt ge! Dit moet ge! Dit is uw roeping!Zoo gaf ze my onlangs een teekening, waarvan ik de bedoelingniet begreep, omdat zy iets voorstelde dat nog niet gebeurd is. Javaansche meisjes legden melatiekransen op ’n graf. Dat graf was het uwe,Max! Er stond op een steen:HIER RUST WIE VEEL GEDRAGEN HEEFT.Maak ’n lyst om die teekening. MiskenFancyniet langer, haar en hare geschenken ... ge zyt zeer ondankbaar,Max.VAN FANCY.We zyn weer verhuisd, ’t Wordt al nauwer en nauwer.’t Is my of ik ’n vischfuik inreis, zonder retourbiljet. Nog kan die oude kast het huis niet in ... het eind zal wezen dat wy ’t huis in de kast zetten: dan wordt het sleutelgat, deur.Die gedurige twyfel of ik ’n meisje ben, hindert. Ik ben gesteld op myne identiteit. Zou ’tUsmaken als men zich obstineerde u aantezien voor ’n wolk? Dat men u afweerde met een paraplui. Dat uw droefheid, uw tranen, op ’t weêrglas stonden genoteerd als regen? Of dat men u tegen ’t lyf liep, in de meening door u heen te loopen? Of dat ge werd opgesnoven als aether? Zyn dat pleizierige dingen? Voor den honderdsten keer zeg ik u, dat ik ’nmeisjeben, en om u hiervan goed te overtuigen, zal ik een-en-ander verhalen van myn omgeving. Oordeel zelf of ’n geest dat zou kunnen verzinnen.M’n moeder is dood, en m’n vader hertrouwde omdat ’n vrouw zooveel gemak geeft in ’t huishouden. M’n stiefmoeder is ’n brave vrouw, en dit spyt my zeer, want ik zou ’t gemakkelyker vinden over ondeugd dan over braafheid te klagen, omdat ieder zoo party trekt voor braafheid. Nu verlies ik ’t altyd, wanneer ik zeg dat ze my ’t leven zoo vervelend maakt. Nooit heeft iemand voor haar een weefgetouw uitgevonden. Zy breit, breit ... altyd breit ze, en den overigen tyd knoopt ze, en haakt ze. Maar de uren die zy daarna vry heeft, besteedt ze aan anti-makassers voor de watersnood-lotery. En in verloren oogenblikken stopt ze kousen. Ik heb nog vergeten te zeggen dat zy ter af-wisseling kanapékussens borduurt met kraaltjes. Kent ge dat? Ik vraag niet of ge ’tkunt.Het is aldus:Men koopt of huurt ’n stuk papier dat afgedeeld is in zeer kleine ruitjes, die allen gekleurd zyn, en wel op ’n manier die, als men niet te stipt kykt, dat papier eenige gelykenis geeft met ’n teekening. Zoo iets stelt dan ’n boeket bloemen voor, of de herders in den stal, of ’n boertje dat z’n pyp rookt, of zoo iets dergelyks. Van naby moet men ’t niet zien, want dan is zoo’n pypekop een trapezium—ik “leer” m’n examen voor secondante—en de herders hebben vierkante neuzen. Daarop neemt men ’n stukdoek, ’n soort van zeildoek waarin echter de meeste draden ontbreken, zoodat de ruiten van het zeildoek nagenoeg overeenstemmen met de gekleurde ruiten op ’t papier. Men koopt wol ofzyde, en kralen van allerlei kleur, en men kan beginnen te werken. Want wat nu volgt, heet:werken!en als ik er aan denk, aan m’n gestorven moeder, aanInsulinde, aandegeschiedenissen van gezag ... dan zeggen ze dat ik “leeg”zit.Ikleeg!Welnu, dan zoekt men op ’t papier ’n punt van uitgang, naar verkiezing. Daartoe neemt men, als ’t in den stal is, de luiermand of van den boer de wang die meestal kersrood ziet, om de braafheid aantetoonen van den landelyken stand. Die braafheid is dan, byv. uitgedrukt in vier kleuren, verdeeld in dertien ruiten, hoogrood, donkerrood, rozerood, bleekrood. Men legt de wol of de kralen op de wang van den boer, om ’n model te nemen van de nuance zyner landelyke deugd, en dan brengt men die over op het doek, door den draad vasttestrikken in de geruite openingen. Het begin is dan gemaakt, en wat er nu volgt, is gemakkelyk. Men telt maar altyd van dien boer of van de luiermand af, en dan weet men precies waar de zeven zwarte kralen ’t huishooren, die de verrukking aanduiden van de herders, of de parallelogram van geelwitte zyde, die licht moet brengen in ’t oog van de kraamvrouw. Als ’t gereed is, begint men ’n ander.Maar nu moet ik u iets vragen. Ik heb ’n oom die altyd spreekt van “’n Christelyk huwelyk.”—Dit is niet de oom van “de” vrouw: ik heb veel ooms ... o!—Wat is toch ’n Christelyk huwelyk? Ik heb er m’n bybel op nageslagen, en daarvan niets gevonden. Ik zie niet dat Christus voorschriften over ’t huwelyk heeft gegeven. Hy zegt, meen ik, alleen dat het ’n wereldsche zaak is. Maar is dàt nu een Christelyk huwelyk? Ik meen dien boer, dien pypekop en de herders? M’n vader heeft aan m’n stiefmoeder vier kinderen ten-huwelyk gebracht. Zy is een brave vrouw, en zou dus niets doen dat niet goed is in zulk een gewichtige zaak. Hoe legt ge nu uit, dat zy de huwelyksgift myns vaders waardeert naar behooren, door dat eeuwige breien, stoppen, stikken, naaien, haken, borduren en knoopen?—Lieve moeder, heb ik dikwyls gezegd, we hebben kousen te veel, en gyzelf draagt maar één japon tegelyk! We gebruiken weinig pomade, en dus die anti-Makassers ... en bovendien, we zitten “fatsoenlyk” recht. Nooit raakte ons bezoedeld hoofd de kussens van de sofa ... die de deur niet inkon ...Ja ... watersnood!Eilieve ook wy zyn in nood, al is het nood door droogte! Moet dan de nood volstrekt nat wezen, om te werken op ’t gevoel? Wy, m’n zusters en m’n broertje hadden ook aanspraak op wat hulp, op wat onderricht, op wat leiding, op wat liefde! Is ’t een vereischte dat we eerst verdrinken, voor men ...Hoor eens,Max, als we weer verhuizen, hoop ik dat het ditmaal wezen zal naar de Bommelerwaard.En m’n vader! Staat er niets in de wet tegen vaders die hun kinderen verruilen tegen gestopte kousen? Ik begryp waarlyk de verhouding niet recht tusschen ouders en kinderen. Ik heb ’n liefhebbend hart,Max, en daarby behoefte aan wat kennis. Welnu, als ik m’n vader daarnaar vraag, zegt hy dat-i geen schoolmeester is, en wat het liefhebben aangaat schyn ik te moeten wachten op een aanstaanden kollega, als ik les zal geven in de vormleer.Ik begrypm’nleven niet. Inkeepsakesen muzen-almanakken is ’n meisje iets liefs, iets belangryks, iets poëtieks. Ik ben een meisje, en voel me ónlief, ónbelangryk en volstrekt niet poëtisch!Waaraan ligt dit?—Uw leeftyd, zei ’n oom—’n anderen alweer—uw leeftyd is de schoonste tyd van ’t leven!OMax, oMax, wat heb ik te denken van de rest!En ’t zyn brave menschen, m’n ouders. Spreek geen kwaad van hen. M’n vader slaat geen preekbeurt van Ds.Meyboomover, en betaalt prompt z’n rekeningen. Doe hem dit na als ge kunt!En m’n moeder is inderdaad kerksch en fatsoenlyk, maar ...Ik verbeeld me dat ’n bloempotje veel goed zou doen in ons huis.Schryf me spoedig. Ik lees uw brieven zoo gaarne! Ze maken op my den indruk van den absenten bloempot, schoon uw geschiedenissen van Gezag ...Neen, oprecht wil ik zyn, al bèn ik dan ’n meisje! Ik vond eigenlyk alleen hierom uw vertellingen zoo troosteloos, wyl ik zelf—’t kost moeite het te bekennen—wyl ’t gezag dat ge aantast ... wyl ik ... uit verveling,.. ik heb ’n katje,Max... en ... uit verveling ...Lieve hemel, wat valt het me zwaar de waarheid te zeggen... oMax, ge ziet wel dat ik ’n meisje ben!Dat beestje ... welnu, uit verveling heb ik ’t wel eens ... geknepen! ’t Is er uit! Dàt geeft lucht!Ik ben zoo bang dat m’n katje uwe geschiedenissen overGezagzal inzien, en dan ... zal ’t zich beroepen op u, en... me krabben, als ik ’t plaag ... ziedaar!P.R. Ik dank u zeer voor de lezing vanTine’slaatsten brief, schoon ik er niets van begryp. Is dat klimaat vanLaekenwel gezond? Schilderyen, lysten, ’n huwelykskontract geteekend op m’n vierde jaar als ambachtsheer—want ik was vier jaar oud, vyftien jaar geleden—ik begryp er niets van! Hebt ge my ooit het venster uitgegooid? Ik weet het niet, waarlyk ik weet het niet! En aan het meten van de aarde heb ik nooit geholpen. Is ’t welgezondte Laeken?Over ’n paar dagen: kniptyd! M’n haren ... ik word geroepen.VAN FANCY AAN TINE.Sj ... sj ... sj ... t!Wat heb ik u gedaan, dat ge my verklapt? Lààt hem zoo dom als-i is. ’t Is maar ’nman,hy die altyd roept: ze is maar ’nmeisje! Ik zou niet zooveel van hem houden, als hy minder dom was. Ik ben van plan hem ’n geschiedenis voortejokken, mooier dan vanSAARTJE BURGERHART... die de flensjes opat. Daar deed ik wèl aan, want ...SAARTJEwasik, dit begrypt ge! Maar in dien tyd sprak ik anders met de menschen, omdat de moderne theologie nog niet was uitgevonden. Ook had men de elektriciteit nog niet “in ’n lystje gezet.” Ge ziet ik neem m’n eigendom terug, de uitdrukking die ik u vóorzei, toen ge uwen laatsten—verraderlyken!—brief schreeft. Doe zoo-iets nooit weer!Toen ik by de juffrouwenWOLFenDEKENin deBeemsterlogeerde, waren de menschen nog dommer dan uw zeer, zéér dommeMax. Maar láát hem zoo! ’t Is nuttig hem te doen gelooven dat ik zwaarte heb. Zoolang hy me aanziet voor onweegbaar licht, schryft hy te wolkerig, en ik wil dat z’n brieven worden begrepen ook door de meisjes dienietin de wolken wonen ... door de meerderheid! Verklap me dus nooit weer! Wanneer ge ’t nog eens doet, zend ik u geen schilderyen meer, geen teekening, geen schets, geen streep ... ja, ik zou ...Neen!Dit zou ikNIET! Ik zal u blyven steunen in uw moeilyke taak, edele moedige verhevene vrouw ... trouwe dappere echtgenoot ... sterke moeder ... heldin!Ik zal blyven by u, naast u, in u! Ik zal u begeleiden tot de laatste ure, en die ure zal ik u zoet maken door ’t vóórhouden eener schildery van uw rein leven, dat het u zy als ’n spiegel van gelukkiger toestand! Want ik zegge u hier, wat ik nooit zeide tothem,U zegik,dat gy onsterfelyk zyt!En kan ik vóór dien tyd niet al de tranen drogen, die ge weent in ’t geheim, uit edele gierigheid op smart—menschen die zóó liefhebben, moeten lyden, deed ik hem zeggen—o, toch zal ik beletten, dat uw kinderen het zilt proeven in spyze met die tranen gedrenkt! Tóch zal ik hen blinden voor de weifeling die moeders hand onzeker maakt, wanneer ze hun brood reikt ... graag als zy is om heden te geven, maar zoo begeerig ook om te bewaren tot morgen!Tòch zal ik neerzweven op de sponde waar ge slaapt, en u droomen geven van zachtheid en kalmte, dat ge wat sterkte samelt voor den dag die komen zal, na de vermoeienis van den dag dien ge doorleedt.Tòch zal ik de kracht gieten in uw afgemat lichaam, dat het deziel niet alleen late, vóór den tyd. Ik zal de spieren van uw mond saemtrekken tot den glimlach, dienhynoodig heeft om niet te bezwyken,hydie wil dat ge de pyn niet voelt, die gezegtniet te gevoelen.Houd moed,myn kind! Zie my aan, wees wel-te-moede, zoo alsuwkinderen dat zyn, wanneer ze staren op u! Beniku minder dan gyhun? Weten ze niet datgywaakt? En weetGYniet datikwaak ...ik,Fancy?Voelt ge op uw voorhoofd den kus dien ik u zegenend zend?Wees met de kleinen gegroet ...VAN FANCY.OMax, help my! Ik zit in nood—zonder water, alweer—ik heb uw hulp noodig! Zyt ge Meester in de rechten, of prokureur of deurwaarder ... in ’t kort, iemand die verstand heeft van de wet! Want er komt veelwetin de historie die me nu overkomen is. Ik wil volstrekt weten of men ’n piano mag meenemen in ... ’t verbeterhuis? Dáárheen namelykleidtm’n eerstvolgende verhuizing ...Ik ben nog niet bekomen van den schrik. Raad me, help me, red me! Schaak me ... als ’t wezen moet. Ge zyt my dat alles schuldig,Max, want ik lyd om-uwentwil. Alsgyte Lebak hadt meegeknoeid, zouiknu geen behoefte hebben aan verbetering. Antwoord terstond of ik m’n piano mag meenemen ... hoewel die niet zal verbeteren in zoo’n gesticht. Ach,ikook niet misschien ... om ’t even! Ik speel deSaïdjahvanRichardHol“heel lief” en zou ’t niet jammer wezen als ik nu in dat tuchthuis ... ’t hoofd loopt me om. Ik word geroepen ... neen, ’t is de tocht! Daar komen ze ... ik hoor ze op den trap ... zware schreden ... hu! Agenten van policie zeker, om my te verbeteren ... neen, ’t was m’n katje ... geschoeid door m’n geweten. Nooit zal ik ’t weer knypen, nooit ... dat zweer ik! Ik weet nu wat het is geknepen te worden! Zoodra ’t nieuwe-maan wordt, zult ge ... nu word ik inderdaad geroepen! Ik heb haast, ik heb angst ... och, kon ik vliegen!Ja, was ik nu maar ’n licht meisje, zooals gy volstrekt van me maken wilt. Dan liet ik my door niemand verbeteren!Maxhelp my! Als ik dan toch verbeterd moet worden, heb ik liever datgy’t doet ... maar liever blyf ik wat ik ben.VAN EEN VADER.Wel-Edele Heer!Ik benKappelman. ’t Is niet de eerste keer, dat ik my over u te beklagen heb. Uw ongepaste uitval, tegen de soort van het bier, dat ik by myn zuurkool gebruik16heeft my volstrekt niet gedeerd. Ik veracht uw geschryf, en nooit zou ik my verwaardigd hebben, u op uw plaats te zetten, door op hetzelve te antwoorden, wanneer ik niet had bemerkt, dat gy u begint te bemoeien met myn huishouden. Myne vrouw heeft ontdekt, dat gy in briefwisseling staat, met een myner dochters—met alle misschien—waarschynlyk om dezelve te verleiden. Ik verbied u, deze verhouding voort te zetten. Ik voed myne kinderen op, in deugd en eere, en wy hebben met uw malle Donquichotterie niets te maken. Ik hoor dat gy vrouw en kinderen hebt, en dat gy dezelve gebrek laat lyden. Bemoei u dáármee, dit zou u beter voegen, dan twist en tweedracht te strooien in een deftig gezin! Ik benKappelmanen duld geen vreemdigheden in myn huis. Wat zoo is, moet zoo blyven, en als er iets moest veranderd worden, zou dit, in allen gevallen, u niet aangaan. Bovendien zyt gy slecht geinformeerd: ik heb nooit een woord gesproken overAlexanderden Groote. Als ik bemerk, dat gy voortgaat u te bemoeien met myn zaken, zal ik strenge maatregelen nemen. Gy kunt u deze moeite sparen, myne kinderen af te halen van de katechisatie. Ik benKappelman.VAN EEN ANDEREN VADER.Mynheer!Myne dochters hebben my bekend, dat zy verboden omgang met u hebben. Ik benKappelman, en verzeker u, dat ik my wenden zal tot de politie, als die gekheid niet terstond ophoudt. Er zyn wetten in het land, die de fatsoenlyke lui beschermen. Myn naam isKappelman: gy kunt gerust naar my vragen. Ook verzoek ik u myn zoontje met rust te laten.VAN EEN ANDEREN VADER.Ik ben Kappelman ...................17VAN EEN STIEFMOEDER.Wel-Edele Heer!De dochters vanmynman stoppenscheef, en stikken dat het schande is.Zymerken het onderste-boven, en de kussensloopen waren van de week ongeregen. Ik heb bemerkt dat dit alles uwe schuld is. Ik ben niet van plan toetegeven in al die gekheden, die zy zich door u in ’t hoofd laten zetten, en waarschuw u voor de gevolgen. Ik heb er de wet op nagezien, en weet wat eene stiefmoeder toekomt. Een kind moet zyne ouders eeren, dat staat er, en dàt zal gebeuren, al zou de onderste steen boven.VAN EEN ANDERE STIEFMOEDER.Mynheer!Ik verbied u alle bemoeienis met myn naaiwerk. Toen ik metKappelmantrouwde, heb ’k my voorgenomen, zyn huis te regeeren, en dit doe ik. Een stiefmoeder is geen ouwe lap. Ik wil gehoorzaamd worden, en als ik bemerk, dat gy voortgaat de kinderen van myn man tegen my op te zetten, zult gy zien, dat ik my niet laat aantasten zonder handschoenen. Ik heb er lang en breed over gesproken met myn broer, die in granen deed, maar nu stilleeft van zyn geld.Van zyn geldhoort ge! Dat is wat anders, dan rond te loopen, als een schooier, zooals ik vanuhoor.VAN EEN ANDERE STIEFMOEDER.De dochters van myn man hebben bekend ........18VAN EEN OOM.Wel-Edele Heer!Gy zyt een ellendeling! Ik heb de dochters van myn broeder voor u gewaarschuwd, en haar gezegd dat gy een dief zyt, een echtbreker, een falsaris, een dronkaard, een vrouwenbeul en een gek! En dat gy geen geld hebt, ja, dàt heb ik ook gezegd! Enook dat gy niet hebt willen schryven over vryen arbeid, dat groote schande is, en dat gy uw fortuin met voeten schopt, dat niet te-pas komt.En dat gy alle meisjes verleidt, en dat gy ... kort-om, gy zyt een ellendeling, en ik ben uw dienaar, enz.VAN EEN ANDEREN OOM.Mynheer!Met een diep gevoel van verontwaardiging heb ik van myn broeder, den heerKappelman, vernomen, dat zich sedert eenigen tyd in myn huis iets heeft geopenbaard, dat aandruischt tegen alle Christelyke beginselen van onderdanigheid, gedweeheid en orde, en naar zekere opmerkingen te oordeelen, zoudt gy daarvan de oorzaak zyn. De onwetendheid in goddelyke zaken, die u kenmerkt, en de hoofdigheid, waarmede gy in die onvergefelyke onwetendheid volhardt, hebben het my, met het oog op de voorschriften van onzen Heer en Heiland, uitgedrukt in ’t onschatbaar evangelie, voorgelicht door de profeten des ouden verbonds, en gestaafd en bevestigd door de godsonomstootelyke-genadegaven-bewyzende lessen der wereldhistorie, ten plicht gemaakt, de kinderen van mynen gezegden heer broederKappelmante waarschuwen tegen den ziellichaamzaligheidwelvaart-bedervenden invloed uwer helbevolkende denkbeelden.Ik heb in granen gedaan, en leef nu stil van myn geld. Ik geloof dus als genadedeelachtige Christen te moeten stryden voor de heiligheid van zyn alleenuitverkorenen-zaligmakend geloof, dat aan de pupillen voorschryft hun voogd onderdanig te zyn. Want ik ben de voogd van myns broeders, heersKappelman’skinderen, en zal niet verdragen, dat die kinderen, op eene verdoemenisuitlokkende wyze zich verzetten tegen het gezag, en afwyken van myn geloof.Ik raad u vreeze aan voor den toorn des liefdevollen Gods, die zich niet laat bespotten, en die een God is van gerechte wrake, gelyk te lezen staat inHebreën X vs. 31.VAN EEN ANDEREN OOM.Ik ben liberaal, en tegen alle protektie in den handel. Aan dewonderengeloof ik niet, maar dezedeleervan den bybel is mooi.En als ge de moderne theologie kendet, zoudt ge u schamen. LeesMeyboomover de wonderen, dan zult ge zien dat het geen wonderen zyn. Die kinderen van myn broerKappelman...19VAN EEN TANTE.20VAN EEN ANDERE TANTE.21VAN EEN ANDERE TANTE.22VAN TINE AAN FANCY.Dank, dank voor uwen brief, lieve, hartelyke, weldadige toovergodin! Ja, ik heb uwen kus gevoeld! En zeker voelden de kleinen dien ook: ik heb ze zien glimlachen in hun slaap.Maar, Fancy, ik smeek u, zeghemwat ge zeidet aan my! O, zeghemdat hy onsterfelyk is. O, hadt ge ’t lievermyonthouden, dat heerlyk geschenk uit uw schatkamer, om ’themte geven die er naar smacht! Hy heeft onsterfelykheidnoodig,Fancy, en daarvan de wetenschap! O, zeg hethem! Laatmyderven ... ik zal staande blyven zonder die kennis! Maar hy ... hy is geen moeder,Fancy!AAN TINE.LieveTINE, kent ge ’n familieKappelman? Ik zit in ’n wespennest. Dit komt van ’tBaunscheidtismus, ’n nieuwe leer, die alles geneest door prikken en steken! De wespen vervangen de bloedzuigers. Heel groot is de verandering niet. Of ’t genezen zal, weet ik niet, maar pyn doet het wel.Ik merk uit uw laatsten brief23dat ge weer geen geld hebt. Dit is zeer verdrietig. Wilt ge dat ik schryf voorgeld? Hoe moet ik dat doen? Ik weet waarachtig niet hoe men ’t aanlegt. Als ik m’n portret verkoop, noemen ze dat ydel, en ik vind dat ze niet geheel ongelyk hebben, maar kan ik nu m’n ziel fotografeeren, en te-koop hangen in ’n boekwinkel? Zoudt ge dat prettig vinden? Ware ’t niet om woedend te worden, als men my betastte en beduimelde met vuile handen? WantPubliekis vuil en wreed ... maar de vuilte is ’t ergst. Ik begryp heel goed dat de Jakatranen, die staan bleven zoolang er werd geschoten met lood, terstond wegliepen toenPublieksvoorvaderen begonnen te werpen met andere ammunitie!24Hy is niet ontaard, die m’nheerPubliek, dit moet men hem ter eere nazeggen.Welnu, ook ik ben niet bang voor schieten, houwen en steken, maar als men werpt met vieze dingen, loop ik weg, als een onbeschaafde Jakatraan.Nog ben ik niet geheel verzoend met dienMultatuli, die my zoo uitkleedde in dat boek over de koffi. Wat ging ’t hem aan? Had ikzelf ’t gedaan in een oogenblik van... o lieveTine, geld heb ik niet, maar ik wil u heel gaarne ’n geschiedenis oververtellen van uitkleeden, die ik vind in de noten van Mr.J. van Lennep, op zynEduard van Gelre. Hy zal er immers niet boos om worden, dat ik ditmaal wat van hèm neem? Behelp u met de geschiedenis zoo goed ge kunt, tot ik u iets anders kan zenden. Daarin komt ’n vrouw voor die van uwe familie is, geloof ik, schoon ge niet “opdrachtig” zyt van kleur. Ook zou zy waarschynlyk bleeker geweest zyn, als ze getrouwd ware met my—en dus veel te tobben had gehad—in plaats van met dien Gelderschen hertog die haar slechts verstiet.

Hassanverkocht dadels in de straten van Damaskus. Als ik zeg dat hy die verkocht, bedoel ik eigenlyk dat hy ze niet verkocht, want z’n dadels waren zoo klein, dat niemand die koopen wilde.Met verdriet en afgunst zag hy hoe ieder den rykenAouledbegunstigde, die naast hem woonde op ’n mat. Want ze woonden op matten, in Damaskus, met zeer hooge verdieping, omdat ze geen dak boven zich hadden. De rykdom vanAouledbestond dan ook niet in huizen, maar in ’n tuin die zeer vruchtbaar was, ja zóó vruchtbaar, dat de dadels die er groeiden zoo groot waren als drie gewone dadels. En daarom kochten de voorbygangers de dadels vanAouled, en niet de dadels vanHassan.Daar kwam in de stad ’n Derwisch die wysheid te veel had, en te weinig voedsel. Althans hy ruilde z’n kennis voor spyze, en men zal zien hoe onzeHassanwèlvoer by dien ruil.—Geef my te eten, gebood hem de Derwisch, dan zal ik doen wat geen Khalif voor u doen kan. Ik zal het volk dwingen uw dadels te koopen, door die groot te maken, ja, grooter dan de vruchten vanAouled. Hoe groot zyn die?—Helaas, Derwisch vanAllahgezonden—ik kus uwe voeten—de dadels vanAouled—Allah geef hem krampen—zyn driemaal grooter dan gewone dadels! Treedt binnen op m’n mat, kruis uwe beenen, wees gezegend, en leer my m’n dadels grootmaken, en het volk te dwingen die te koopen.Hassanhad kunnen vragen, waarom de Derwisch die zoo bekwaam was, spyze behoefde? Maar chicaneeren deedHassannooit. Hy zette z’n gast gekookt leder voor, alles wat hy overhad van ’n gestolen geitebok.De Derwisch at, verzadigde zich, en sprak:—Driemaal grooter dan gewone dadels zyn de vruchten van uw buurman.... hoe groot wilt ge dat de uwen worden, oHassan, zoon van ik weet niet wien?Hassanbedacht zich even, en zeide:—Allahgeve u kinderen en vee! Ik wenschte dat m’n dadels driemaal grooter waren, dan ze door u kunnen gemaakt worden.—Zeer wel, sprak de Derwisch. Zie hier ’n vogel, dien ik meebracht uit het verre Oosten. Zeg hem dat elk uwer dadels zoo groot is als drie van uw dadels.—Ik wensch u vrouwen en kameelen, o Derwisch—die aangenaam riekt als olyven—maar wat zal het baten of ik dezen vogel zeg wat niet is?—Doe naar m’n zeggen, hernam de wyze man. Daarvoor ben ik Derwisch, dat ge my niet begrypt.Hassanwenschte den vogel lengte van veeren, en noemde hemRock. Maar ’t was geenrock11. ’t Was ’n kleine vogel die wel wat op ’n raaf geleek, met losse tong en hippelenden tred. De Derwisch had hem meegenomen van Indaloes12waar hy was aangebracht door kooplieden, die over zee waren gekomen uit het land waar de menschen op negers gelyken, schoon ’t ver is van Afrika. DatHassanhet beest “rock” noemde, was omdat hy had opgemerkt dat iemand wien men iets vraagt, uitdyt. En ook ’t omgekeerde. Wie wat noodig heeft van ’n ander, krimpt in. Zoo was ’t in Damaskus.Hassankromp in, en zeide:—Ik ben uw slaaf, o vogelRock! M’n vader was ’n hond... en elk myner dadels is zoo groot als drie van m’n dadels!—’t Is wel, zei de Derwisch. Ga zóó voort, en vreesAllah!Hassanging zoo voort. Hy vreesdeAllah, en vertelde maar altyd door aan den vogel, dat z’n dadels onmogelyk groot waren.Het loon der deugd bleef niet uit. Nog geen driemaal had de Khalif al de bewoonsters van z’n harem laten ombrengen ... nog had geen moeder den tyd gehad hare dochtersbekoorlykte maken voor de markt teRoem13, nog hadHassangeen enkel verdwaald geitebokje ontmoet, om hem gezelschap en in ’t leven te houden op z’n mat, en ziedaar, de vogel riep:—Myn vader is een hond ...Dit is niet noodig, maar hy zei ’tHassanna.... m’n vader is ’n hond, kryg lengte van veeren, de dadels vanHassan Ben14...Ik weet den naam vanHassan’svader niet, en als de man ’n hond was, komt het er ook niet op aan.—De dadels vanHassanzyn driemaal grooter dan ze zyn!Toen waren er betweters inDamaskus, die dit tegenspraken. Maar ’t duurde niet lang. Er was namelyk in de stem des vogels iets dat de lucht deed trillen op ’n wyze die invloed had op de straalbreking. De dadels groeiden, groeiden ... in aller oogen!En de vogel riep maar al voort:—De dadels vanHassanzyn driemaal grooter dan ze zyn!En ze groeiden! Men overgaapte zich om er in te byten.EnAouledwerd zeer mager. MaarHassankocht veel geitebokken en lammeren en hy bouwde een dak over z’n mat. Hy werd zeer eerlyk, en vond het schande als iemand die zelf geen lammeren had, een opat van de zynen. En hy ging voortAllahte vreezen.Deze vroomheid en dien rykdom had hy te danken aan den kleinen vogel, die altyd hetzelfde zei, en leugen tot waarheid maakte door herhaling. Ieder vondHassan’sdadels groot, ieder was gedwongen die te koopen, ieder ...BehalveHassanzelf, die in stilte voorzag zich byAouled, wiens eenige klant hy was.En dit is alzoo gebleven tot op dezen dag.AAN FANCY.Ik zal voortgaan met de geschiedenissen van gezag.Er was eens ’n land, laag gelegen aan de zee, tusschenOost-Friesland en de Schelde...O,Fancymen timmert en metselt om my heen. Het huis dat ik bewoon, wordt verbreed, en hoe breeder het wordt, hoe benauwder zy ’t my maken. Men klopt en schaaft en bikt en zaagt my ’t hoofd in twee ... dit is onaangenaam. DieSilvio Pellicokon van geluk spreken. Ik ga uit, om wat rust te zoeken op de woelige straat. Misschien steel ik ’n horloge, om aanspraak te hebben op wat stilte in de cellulaire gevangenis. Adieu, en denk om den haarlok, dien ge me beloofd hebt.VAN FANCY.Neen, laat ieder z’n horloge houden, men zou weer kwaad van u spreken. Ach, wat zyn dat troostelooze geschiedenissen,die gy verhaalt. Is dat alles waar,Max? Ge hebt my treurig gestemd. O, ik bid u, zeg me in ’n volgenden brief, dat allesnietwaar is, of althans, dat nietalleswaar is. Is dat nu wysbegeerte? De vormleer is droger, maar minder verdrietig. En ook in de vaderlandsche geschiedenis vind ik ... hoe zelden ook toch hier en daar—wat ik vergeefs zoek inuwgeschiedenissen—liefde!Hoe kunt ge zoo scherp zyn,Max, gy die toch zoo goed weet lieftehebben?We zyn verhuisd, maar nog kan ’t oude kabinet de deur niet in. M’n hart ook niet.Ik heb u gevraagd my wat te leeren. Is ’t hiertoe noodig dat ik eerst worde gevoed met spyze zoo bitter als uwe vertellingen van gezag? Geef my iets liefelyks,Max... iets wat niet m’n lippen wit maakt, iets wat my ’n blos geeft van genoegen, en geen bleekheid van ergernis. Ik heb behoefte aan liefde. Moet ik de liefde verliezen door de denkbeelden die ge my geeft ... o, dan zou ik betreuren u gevraagd te hebben om wat kennis! Want ik ben eenmeisje,Max!Een meisje, ja! Maar toch is ’t waar dat iets zeer byzonders met me gebeurd is, dat zeker by weinig meisjes voorvalt. Ik zal u dat vertellen. Ei, wèl beschouwd, is ’t óók ’nGeschiedenis van Gezag, maar fraaier, liefelyker danuwgeschiedenissen. Ik was zes of zeven jaar oud ...Ik word geroepen,Max... wacht tot nieuwe maan ... de geschiedenis die ik u vertellen zal, staat daarmede in verband, en met u ook ... en met m’n haren ook ...O, schryf my iets dat me niet bleek maakt!AAN FANCY.Kleingeloovige! zoo zyt gy allen!Daar staat de boom der kennisse, gewilteten, ge wacht niet op de slang—dat eeuwig symbool van weten en onsterfelyk zyn!—gyzelf steekt de hand uit, en als ’t arme dier ter-goeder-slangentrouw, u den appel toereikt, dien gy vraagt ... dan trekt ge u schuchter terug, en rekt beddelakens!Neen,Fancy, myn geschiedenissen zynniettroosteloos! Onkunde is geen deugd, en lager dan haat, acht ik liefhebben zonder verstand! Weet, ken, kan, onderscheid enkies.Eerst na zulke keuze, is liefde iets waard.O, ik begryp hoe ge schrikt by ’t opheffen van de gordyn diemen, met voordacht en valsheid, gelaten heeft tusschen uw oog en de waarheid! Leugens ontvingen de ouders... leugens geven zy hun kinderen. Als de Oosterling die genot zoekt in verdooving door amfioen, en die ten-laatstebehoeftegevoelt aan vergif, vragenzy: “Wat dan?” zoodra men ze aantoont dat hun denkbeelden rusten op onvasten grondslag.Daar is een lek in ’t schip! roept de verschrikte gezagvoerder.En de passagier antwoordt:—Ik zal u tegenwerken in het stoppen, tenzy ge my iets dergelyks in de plaats geeft.Ik vind beter te varenzonderlek.Telkens moet ik den eisch van lekbegeerige passagiers aanhooren. Telkens is het:Toegestaan! Dàt is leugen, dàt is verzonnen, dàt is schandelyk! Maar ... wat geeft gy in de plaats?Dat wil zeggen: “welken anderen leugen zet gy ons voor, ter vervanging van ’t leugengerecht, dat ge ons ontneemt?”Ik zou kunnen antwoorden:geene... ik weet niets! Ik heb geen gif te bieden, in plaats van ’t gif, dat ik, ruw maar welmeenend, u uit de hand sla, die zich tot ’n vuist balt, uit ondankbaren wrevel over leegte.Dit zou ikkunnenantwoorden.Maar liever zeg ik: zie ik wenschte u te gevengezonde spys!Ik wenschte u te wyzen opgezagdoorliefde, opwelvaart door rechtvaardigheid, opgelukdoordeugd.Dat is één woord: ik wilde u uitnoodigenmensch te zyn! Ziedaar alles!Men bedriegt zich, en men heeft u bedrogen, door hetmensch-zynvoortestellen als iets onwaardigs. Dit doet ’n verkeerd begrepene religie ... ’t WoordGodsdienstkomt hier niet te-pas.Ik wil u dit duidelyk maken door ’n voorbeeld.Een boer zou voor het eerst den heer van ’t land zien. Hoe zal ik hem vereeren, dacht hy, om hem te toonen dat ik besef heb van myn boerschap tegenover zyn heerschap? Wel ik zal m’n knieën wat krom buigen, en m’n teenen naar binnen. Myn linker-schouder zal ik vooruit steken, en m’n hoed omdraaien als ’n molen. Wat scheefs in den hals zal hem voorzeker behagen, en ’t zal hem genoegen doen als ik m’n mond klein maak.Zóó dacht de boer, en zóó deed hy. Maar de heer van ’t dorp zei hem, dat hy niet noodig had zich zoo te verdraaien.Ik vind dat die heer van ’t dorp groot gelyk had.De roeping van den mensch is mensch te zyn.Is deze konklusie u te eenvoudig! O, ik bid u, wantrouw alle slotsommen dienieteenvoudig zyn.Zou de wysheid die een mensch behoeft,nieteenvoudig wezen? Zou ze moeilyker te vatten zyn, dan de reuk der spyzen, zoo gemakkelyk optevangen met onzen neus, dien toch de lieve Natuurheel eenvoudigboven den mond plaatste? Ik geloof zeker, dat de godsdienst-uitvinders dat orgaan ’n plaatsje aan den linkerhiel zouden hebben gegeven, als zy geraadpleegd waren ... wat gelukkig niet gebeurd is.Alles wil omslag, ingewikkeldheid, onnatuur:“Doodt de zinnen!” roepen zy die God meenen te dienen door den mensch te verdraaien, als die boer.“Doodt de zinnen!” roepen zy die gaarne wat willen genieten methunzinnen, en de slimme berekening maken dat er meer zou overschieten, naarmate er minder gebruikt werd.“Doodt de zinnen, werpt weg wat u behagen zou!” riepen ten-allen-tyde de vromen, die met veel graagte aasden op alles wat er werd weggeworpen door de onnoozele zielen, die hen geloofden.Wat zoudt ge zeggen van ’n kind,Fancy, dat meenen zou z’n vader te vereeren door iets anders te zyn dan ’n... kind?En wàt van de oudere broeders, die aan zulk kind trachtten te beduiden dat het zich inkrimpe, en weinig behoort te eten—ad majorem patris gloriam?Zoudt ge niet op ’t denkbeeld komen, dat die oudere broeders begeerte voelden naar wat ruimte en spys?Wie u zelfvernedering voorstelt als deugd is ’n bedrieger.Genot is deugd.Ziedaar ’n paarteksten,Fancy. Preekenschryfik niet. Dit deedJezusook niet. Ik denk dat hy ze vervelend vond, als ik.“Er isgeenGod, of hy moetgoedzyn!” Laat de theologen—’n grappig woord: menschen die wat weten van God ... menschen die u wat kunnen zeggen over God ... menschen die gestudeerd hebben in God,Godgeleerden—laat de theologen tegenspreken dat Hygoedis, als ze durven ...Ach ja, ze durven dit! Ze vertellen lange geschiedenissen—troosteloozer nog dan de myne,Fancy!—over verdoemenis en hel! En, let wel, zy die zulke geschiedenissennietvertellen, deugen minder dan de anderen, die ten-minste konsekwent zyn by-gebreke van wat beters, want in hun Bybelstaandie aardigheden. Zoek maar op: eeuwig vuur, tandengeknars, onsterfelyke wormen ... ’t is pleizierig!Wie nu dat eeuwige vuur en die onvermoeide wormen weggoochelt onder ’t manteltje van de moderne theologie, vertrouw ik in ’t geheel niet. De anderen zondigen tegen ’t verstand alleen. Zy tegen eerlykheid en verstand beide. Dit is erger.Er isgeenGod, of hy moetgoedzyn! Als hy er is—wat ik dolgraag weten wou, en ik blyf er by dat het zyn zaak geweest ware:te zorgen dat wy ’t wisten—dienen wy hem het best doorgenieten.Eilieve,Fancy, gy die ’n goed meisje zyt, zoudtgy’t aangenaam vinden, wanneer ge eenmaal moeder werdt, dat uw kinderen zuur keken? Zoudt ge hun voorschryven u tedienendooronthouding? Immers neen! En waarom zou die god kwaadaardiger wezen dan gy?Maar demaaten desoortvan genot?Ook dit is zeer eenvoudig. Het antwoord staat duidelyk geschreven in ’t vóór ons liggend boek derwerkelykheid, waarin geen enkele tekst vervalscht is en dat men lezen kan, zonder de minste kennis van Hebreeuwsch of Grieksch. ’t Zou ook wel ongelukkig wezen, als de weg ter zaligheid juist leiden moest langsτίπτω.In dat boek staat geschreven dat wie steenen opslikt, z’n maag bezwaart. Wie genot zoekt in overdaad, wordt ziek. Wie z’n naaste doodslaat, krygt den naam van ’n onpleizierig mensch, en wordt behandeld als zoodanig. Wie liegt, wordt niet geloofd. Wie steelt, wordt vastgebonden door personen die wat bezitten. Wie uit het venster springt, bezeert zich. Wie zich in de bres stelt voor arme drommels, lydt gebrek. En wieMinnebrievenschryft, wordt uitgejouwd.In al deze voorschriften uit het boek derwerkelykheidis niets raadselachtigs, zooals men wél vindt in de andere boeken. Dit komt wyl de menschen, die religien maakten,nietmeenden wat zezeiden, en omdat de Natuur wèl meent, wat zedoet. Ge ziet alzoo,Fancy, dat we om wys en goed te worden—wat hetzelfde is! moeten terugkeeren tot die Natuur.Ik ben benieuwd naar uw geschiedenis. Zoudt ge geschaakt zyn op uw zevende jaar? Dit ware te vroeg,Fancy! En hoe dit in-verband staat met uw haren, begryp ik niet. Kan ik u genoegen doen met ’n minnelied? Verlangt ge een verhandeling overVryen-arbeid? Stelt ge belang in ’n analyze van onze wetgeving op het stuk van ouderlyk gezag? Wilt ge weten hoe in Indie het gezag van Nederland ...Maar,Fancy, dan verval ik weer in de geschiedenissen vanGezag, die ge zoo troosteloos vindt ...Zeg me, hoe moet ik schryven om den stryd te winnen tegen de personen—en de zaken helaas!—die my uw ziel schynen te betwisten?Of zou het toch waar wezen, wat ik giste—en nog altyd hoop!—zou ’t waar wezen dat ge niet bestaat? Dat gy ’n fee zyt, die my eenmaal zult aanroeren met uwen staf, om me machtig te maken tot het verrichten van den arbeid dien ik zelf my heb opgelegd?Ik droom wakend van u, en antwoord:Fancy!als men my om geld vraagt, wat vaak gebeurt. Brengt ge my ’n koninkryk in ’t gebied der geesten ten huwelyk? Ik neem ’t gaarne van u aan, en begryp zelfs niet hoe ge ’t zoolang hebt kunnen regeeren zonder my. Zoodra wy “ingericht” zyn, en na de bruidsbezoeken, wil ik ’n blyde boodschap neerzenden op de kleine aarde, die ik vóór m’n trouwen bewoonde. Ik wil de arme menschen die daar zoo verdrietig ongetrouwd achterbleven, zeggen: datgenot deugd is, en dat niets meer genot geeft danLIEFDE!Maar ik zal er niet by zeggen:heb lief!Dan zou ’t weer ’n geschiedenis vanGezagworden, en dit komt by liefde, deugd en genot niet te pas.Toch zou ik gaarne eens zien met m’n wezenlyke oogen, met de oogen die ik gebruik om te slapen. Is hier geen kans op? Waar woont ge nu, na ’t verhuizen? Moet ik bellen aan al de deuren die kleiner zyn dan ’n kabinet? moet ik naar u zoeken in alle huizen die te bekrompen zyn voor ’n hart?Tinevraagt my of ik dikwyls met u wandel, vooral nu ’t lente is.Ik heb “ja” geantwoord, meenende dat ik waarheid sprak, maar later...Waart ge by my, of was ik alleen, toen ik my ergerde over die geslachte varkens?15Want ik begin intezien dat ik me dikwyls bedroog, als ik geloofde u te zien aan m’n zy.Er is iets raadselachtigs in m’n liefde. Ik zal er naar vragen aanTine. Zy weet alles wat my aangaat.AAN TINE.LieveTine! wees zoo goed my te zeggen wieFancyis?Maar spreek geen kwaad van haar, ook al wist ge iets kwaads. Ik zou ’t niet kunnen verdragen, want ik heb haar onbeschryfelyk lief. Vertel my alleen wie zy is.VAN TINE.BesteMax! Ik kenFancyzeer goed. Ik heb haar lang gekend, reeds vyftien jaren! Ze was toen even oud als nu. Kwaad weet ik niet van haar te zeggen. O, integendeel!Maar om haar goed te beschryven, zou ik haar by my moeten hebben. En ze is weer weg, want—dit wist ge niet—ze is hier geweest!Dikwyls was ze blond, en even dikwyls bruin, ja, vaak bruin by ’t zwarte af. Maar altyd was ze vlug als ’n sylf, huppelend als een dwaallicht, gevoelig als de mimosa, verstandig als ’n rekening, en geestig als niets.Gy kent haar ook wel,Max! Ge hebt vergeten wie zy is, omdat gy den laatsten tyd ’n heel anderen weg hebt uitgezien. Denk eens goed na! Herinner u maar dat ge haar herhaaldelyk het venster hebt uitgegooid, omdat ge meende dat onze kinderen te weinig eten kregen door hàre schuld. En hoe ze dan telkens weer binnen kwam door de deur die op ’t nachtslot was. Weet ge ’t niet meer?Ze jokt als ze zegt dat ze er niet by was, toen de aarde werd gemeten met ’n koord! Ze heeft alles bygewoond wat er gebeurd is. Ook is zy het die de psalmen heeft geschreven, en by de Chaldeen gaf ze les in de sterrenkunde. En ’t isnietwaar, dat ze verlegen is om huisvesting voor haar hart! ’t Staat aan háár om de muren uiteentezetten ...Ik begryp waarlyk niet,Max, hoe ge haar niet herkend hebt.’t Is ondankbaar van uw hart, dat meer geheugen behoorde te hebben. Wat my betreft, ik heb haar lief. Zy heeft myn leven heerlyk schoon gemaakt, en ik wyt de schrale voeding onzer kinderen niet aan haar, zoo als gy meermalen deedt in buien van onrechtvaardigheid. En als ge trouwt, kom ik op de bruiloft, metMaxenNonnidie er by hooren.Onlangs wandelden wy, en plukten bloemen. Zy was met ons. KleineMaxvraagde of de bloempjes het wisten, dat het nu wat warm zou blyven . . en, zeide hy:—Zie, ze knikken de zon toe! Ze weten dat ze er lief uitzien, en dat de zon vriendelyk voor hen is.Hoe komt hy aan dit denkbeeld, dacht ik, en vraagde het hem.—Ik heb dat vanFancy, zeide hy.Maar ze leert hem ook ondeugende dingen. Hy liegt niet, maar jokt veel. Dit leert hy van haar.Onlangs hoorde ik hem lachen, zoo-als hy lacht wanneer-i ’n guitenstuk verricht heeft. Ik zag ’n oude werkster die naast ons woont, trippelen en dansen als ’n gek mensch. KleineMaxhad haarCayenne-peper te proeven gegeven.—C’est très doux!had hy gezegd.’t Mensch brandde haar mond aan z’ndouceur. Ik wist niet of ik boos was, of moest meelachen metMax, die over den grond rolde van pleizier.—Dat hebtgygedaan,Fancy, zeide ik vry streng. Zeg me nu ook watikte doen heb, opdat m’n kind niet wreed worde, en vermaak zoeke in leed?En toen zeide ze my zachtkens deze woorden voor, die ik overluid herhaalde:—KleineMax, voel je geen smart van de pyn, die deze vrouw lydt,omdat ze op je vertrouwde?KleineMaxlachte niet meer. De tranen sprongen hem in de oogen, en hy vraagde vergeving aan de oude vrouw die zulke gekke gezichten trok.En meermalen,Max, als ik op ’t punt sta neertebuigen onder al te zwaren last, komtFancymy troosten, en als ze danschalkszegt:—Ik ontsteel u zyn hart ... bedenk dat myn rechten ouder zyn ...Dan moet ik haar gelyk geven! En zonder yverzucht hoor ik aan, wat zy gezegd heeft zonder schaamte.Ik ben waarlyk boos op u, dat ge haar zoo miskent. Maar,Max, herinnert ge u dan niet dat zy altyd uw voorspraak by my geweest is, als gy weêr iets of iemand geschaakt had, of my geslagen? Weet gy niet meer dat ze ons huwelykskontrakt—mynkontrakt!—heeft meegeteekend, precies als ’n ambachtsheer die ’t braafste boerinnetje laat trouwen met den deugdzaamsten aller boerenjongens? Herinnert ge u niet al de schilderyen die zy ons ten-geschenke gaf, genoeg om ’n museum te vullen, zoo groot als de wereld? Dagelyks nog zendt ze my stukken,’t eene fraaier dan ’t andere, neen allen even schoon ... historiestukken,genre, stillevens ... historie vooral!Maar,Max, we komen lysten te kort! Eilieve, ’t staat aan u, lysten te maken om de stukken dieFancyons geeft.Doe dit! Dit kunt ge! Dit moet ge! Dit is uw roeping!Zoo gaf ze my onlangs een teekening, waarvan ik de bedoelingniet begreep, omdat zy iets voorstelde dat nog niet gebeurd is. Javaansche meisjes legden melatiekransen op ’n graf. Dat graf was het uwe,Max! Er stond op een steen:HIER RUST WIE VEEL GEDRAGEN HEEFT.Maak ’n lyst om die teekening. MiskenFancyniet langer, haar en hare geschenken ... ge zyt zeer ondankbaar,Max.VAN FANCY.We zyn weer verhuisd, ’t Wordt al nauwer en nauwer.’t Is my of ik ’n vischfuik inreis, zonder retourbiljet. Nog kan die oude kast het huis niet in ... het eind zal wezen dat wy ’t huis in de kast zetten: dan wordt het sleutelgat, deur.Die gedurige twyfel of ik ’n meisje ben, hindert. Ik ben gesteld op myne identiteit. Zou ’tUsmaken als men zich obstineerde u aantezien voor ’n wolk? Dat men u afweerde met een paraplui. Dat uw droefheid, uw tranen, op ’t weêrglas stonden genoteerd als regen? Of dat men u tegen ’t lyf liep, in de meening door u heen te loopen? Of dat ge werd opgesnoven als aether? Zyn dat pleizierige dingen? Voor den honderdsten keer zeg ik u, dat ik ’nmeisjeben, en om u hiervan goed te overtuigen, zal ik een-en-ander verhalen van myn omgeving. Oordeel zelf of ’n geest dat zou kunnen verzinnen.M’n moeder is dood, en m’n vader hertrouwde omdat ’n vrouw zooveel gemak geeft in ’t huishouden. M’n stiefmoeder is ’n brave vrouw, en dit spyt my zeer, want ik zou ’t gemakkelyker vinden over ondeugd dan over braafheid te klagen, omdat ieder zoo party trekt voor braafheid. Nu verlies ik ’t altyd, wanneer ik zeg dat ze my ’t leven zoo vervelend maakt. Nooit heeft iemand voor haar een weefgetouw uitgevonden. Zy breit, breit ... altyd breit ze, en den overigen tyd knoopt ze, en haakt ze. Maar de uren die zy daarna vry heeft, besteedt ze aan anti-makassers voor de watersnood-lotery. En in verloren oogenblikken stopt ze kousen. Ik heb nog vergeten te zeggen dat zy ter af-wisseling kanapékussens borduurt met kraaltjes. Kent ge dat? Ik vraag niet of ge ’tkunt.Het is aldus:Men koopt of huurt ’n stuk papier dat afgedeeld is in zeer kleine ruitjes, die allen gekleurd zyn, en wel op ’n manier die, als men niet te stipt kykt, dat papier eenige gelykenis geeft met ’n teekening. Zoo iets stelt dan ’n boeket bloemen voor, of de herders in den stal, of ’n boertje dat z’n pyp rookt, of zoo iets dergelyks. Van naby moet men ’t niet zien, want dan is zoo’n pypekop een trapezium—ik “leer” m’n examen voor secondante—en de herders hebben vierkante neuzen. Daarop neemt men ’n stukdoek, ’n soort van zeildoek waarin echter de meeste draden ontbreken, zoodat de ruiten van het zeildoek nagenoeg overeenstemmen met de gekleurde ruiten op ’t papier. Men koopt wol ofzyde, en kralen van allerlei kleur, en men kan beginnen te werken. Want wat nu volgt, heet:werken!en als ik er aan denk, aan m’n gestorven moeder, aanInsulinde, aandegeschiedenissen van gezag ... dan zeggen ze dat ik “leeg”zit.Ikleeg!Welnu, dan zoekt men op ’t papier ’n punt van uitgang, naar verkiezing. Daartoe neemt men, als ’t in den stal is, de luiermand of van den boer de wang die meestal kersrood ziet, om de braafheid aantetoonen van den landelyken stand. Die braafheid is dan, byv. uitgedrukt in vier kleuren, verdeeld in dertien ruiten, hoogrood, donkerrood, rozerood, bleekrood. Men legt de wol of de kralen op de wang van den boer, om ’n model te nemen van de nuance zyner landelyke deugd, en dan brengt men die over op het doek, door den draad vasttestrikken in de geruite openingen. Het begin is dan gemaakt, en wat er nu volgt, is gemakkelyk. Men telt maar altyd van dien boer of van de luiermand af, en dan weet men precies waar de zeven zwarte kralen ’t huishooren, die de verrukking aanduiden van de herders, of de parallelogram van geelwitte zyde, die licht moet brengen in ’t oog van de kraamvrouw. Als ’t gereed is, begint men ’n ander.Maar nu moet ik u iets vragen. Ik heb ’n oom die altyd spreekt van “’n Christelyk huwelyk.”—Dit is niet de oom van “de” vrouw: ik heb veel ooms ... o!—Wat is toch ’n Christelyk huwelyk? Ik heb er m’n bybel op nageslagen, en daarvan niets gevonden. Ik zie niet dat Christus voorschriften over ’t huwelyk heeft gegeven. Hy zegt, meen ik, alleen dat het ’n wereldsche zaak is. Maar is dàt nu een Christelyk huwelyk? Ik meen dien boer, dien pypekop en de herders? M’n vader heeft aan m’n stiefmoeder vier kinderen ten-huwelyk gebracht. Zy is een brave vrouw, en zou dus niets doen dat niet goed is in zulk een gewichtige zaak. Hoe legt ge nu uit, dat zy de huwelyksgift myns vaders waardeert naar behooren, door dat eeuwige breien, stoppen, stikken, naaien, haken, borduren en knoopen?—Lieve moeder, heb ik dikwyls gezegd, we hebben kousen te veel, en gyzelf draagt maar één japon tegelyk! We gebruiken weinig pomade, en dus die anti-Makassers ... en bovendien, we zitten “fatsoenlyk” recht. Nooit raakte ons bezoedeld hoofd de kussens van de sofa ... die de deur niet inkon ...Ja ... watersnood!Eilieve ook wy zyn in nood, al is het nood door droogte! Moet dan de nood volstrekt nat wezen, om te werken op ’t gevoel? Wy, m’n zusters en m’n broertje hadden ook aanspraak op wat hulp, op wat onderricht, op wat leiding, op wat liefde! Is ’t een vereischte dat we eerst verdrinken, voor men ...Hoor eens,Max, als we weer verhuizen, hoop ik dat het ditmaal wezen zal naar de Bommelerwaard.En m’n vader! Staat er niets in de wet tegen vaders die hun kinderen verruilen tegen gestopte kousen? Ik begryp waarlyk de verhouding niet recht tusschen ouders en kinderen. Ik heb ’n liefhebbend hart,Max, en daarby behoefte aan wat kennis. Welnu, als ik m’n vader daarnaar vraag, zegt hy dat-i geen schoolmeester is, en wat het liefhebben aangaat schyn ik te moeten wachten op een aanstaanden kollega, als ik les zal geven in de vormleer.Ik begrypm’nleven niet. Inkeepsakesen muzen-almanakken is ’n meisje iets liefs, iets belangryks, iets poëtieks. Ik ben een meisje, en voel me ónlief, ónbelangryk en volstrekt niet poëtisch!Waaraan ligt dit?—Uw leeftyd, zei ’n oom—’n anderen alweer—uw leeftyd is de schoonste tyd van ’t leven!OMax, oMax, wat heb ik te denken van de rest!En ’t zyn brave menschen, m’n ouders. Spreek geen kwaad van hen. M’n vader slaat geen preekbeurt van Ds.Meyboomover, en betaalt prompt z’n rekeningen. Doe hem dit na als ge kunt!En m’n moeder is inderdaad kerksch en fatsoenlyk, maar ...Ik verbeeld me dat ’n bloempotje veel goed zou doen in ons huis.Schryf me spoedig. Ik lees uw brieven zoo gaarne! Ze maken op my den indruk van den absenten bloempot, schoon uw geschiedenissen van Gezag ...Neen, oprecht wil ik zyn, al bèn ik dan ’n meisje! Ik vond eigenlyk alleen hierom uw vertellingen zoo troosteloos, wyl ik zelf—’t kost moeite het te bekennen—wyl ’t gezag dat ge aantast ... wyl ik ... uit verveling,.. ik heb ’n katje,Max... en ... uit verveling ...Lieve hemel, wat valt het me zwaar de waarheid te zeggen... oMax, ge ziet wel dat ik ’n meisje ben!Dat beestje ... welnu, uit verveling heb ik ’t wel eens ... geknepen! ’t Is er uit! Dàt geeft lucht!Ik ben zoo bang dat m’n katje uwe geschiedenissen overGezagzal inzien, en dan ... zal ’t zich beroepen op u, en... me krabben, als ik ’t plaag ... ziedaar!P.R. Ik dank u zeer voor de lezing vanTine’slaatsten brief, schoon ik er niets van begryp. Is dat klimaat vanLaekenwel gezond? Schilderyen, lysten, ’n huwelykskontract geteekend op m’n vierde jaar als ambachtsheer—want ik was vier jaar oud, vyftien jaar geleden—ik begryp er niets van! Hebt ge my ooit het venster uitgegooid? Ik weet het niet, waarlyk ik weet het niet! En aan het meten van de aarde heb ik nooit geholpen. Is ’t welgezondte Laeken?Over ’n paar dagen: kniptyd! M’n haren ... ik word geroepen.VAN FANCY AAN TINE.Sj ... sj ... sj ... t!Wat heb ik u gedaan, dat ge my verklapt? Lààt hem zoo dom als-i is. ’t Is maar ’nman,hy die altyd roept: ze is maar ’nmeisje! Ik zou niet zooveel van hem houden, als hy minder dom was. Ik ben van plan hem ’n geschiedenis voortejokken, mooier dan vanSAARTJE BURGERHART... die de flensjes opat. Daar deed ik wèl aan, want ...SAARTJEwasik, dit begrypt ge! Maar in dien tyd sprak ik anders met de menschen, omdat de moderne theologie nog niet was uitgevonden. Ook had men de elektriciteit nog niet “in ’n lystje gezet.” Ge ziet ik neem m’n eigendom terug, de uitdrukking die ik u vóorzei, toen ge uwen laatsten—verraderlyken!—brief schreeft. Doe zoo-iets nooit weer!Toen ik by de juffrouwenWOLFenDEKENin deBeemsterlogeerde, waren de menschen nog dommer dan uw zeer, zéér dommeMax. Maar láát hem zoo! ’t Is nuttig hem te doen gelooven dat ik zwaarte heb. Zoolang hy me aanziet voor onweegbaar licht, schryft hy te wolkerig, en ik wil dat z’n brieven worden begrepen ook door de meisjes dienietin de wolken wonen ... door de meerderheid! Verklap me dus nooit weer! Wanneer ge ’t nog eens doet, zend ik u geen schilderyen meer, geen teekening, geen schets, geen streep ... ja, ik zou ...Neen!Dit zou ikNIET! Ik zal u blyven steunen in uw moeilyke taak, edele moedige verhevene vrouw ... trouwe dappere echtgenoot ... sterke moeder ... heldin!Ik zal blyven by u, naast u, in u! Ik zal u begeleiden tot de laatste ure, en die ure zal ik u zoet maken door ’t vóórhouden eener schildery van uw rein leven, dat het u zy als ’n spiegel van gelukkiger toestand! Want ik zegge u hier, wat ik nooit zeide tothem,U zegik,dat gy onsterfelyk zyt!En kan ik vóór dien tyd niet al de tranen drogen, die ge weent in ’t geheim, uit edele gierigheid op smart—menschen die zóó liefhebben, moeten lyden, deed ik hem zeggen—o, toch zal ik beletten, dat uw kinderen het zilt proeven in spyze met die tranen gedrenkt! Tóch zal ik hen blinden voor de weifeling die moeders hand onzeker maakt, wanneer ze hun brood reikt ... graag als zy is om heden te geven, maar zoo begeerig ook om te bewaren tot morgen!Tòch zal ik neerzweven op de sponde waar ge slaapt, en u droomen geven van zachtheid en kalmte, dat ge wat sterkte samelt voor den dag die komen zal, na de vermoeienis van den dag dien ge doorleedt.Tòch zal ik de kracht gieten in uw afgemat lichaam, dat het deziel niet alleen late, vóór den tyd. Ik zal de spieren van uw mond saemtrekken tot den glimlach, dienhynoodig heeft om niet te bezwyken,hydie wil dat ge de pyn niet voelt, die gezegtniet te gevoelen.Houd moed,myn kind! Zie my aan, wees wel-te-moede, zoo alsuwkinderen dat zyn, wanneer ze staren op u! Beniku minder dan gyhun? Weten ze niet datgywaakt? En weetGYniet datikwaak ...ik,Fancy?Voelt ge op uw voorhoofd den kus dien ik u zegenend zend?Wees met de kleinen gegroet ...VAN FANCY.OMax, help my! Ik zit in nood—zonder water, alweer—ik heb uw hulp noodig! Zyt ge Meester in de rechten, of prokureur of deurwaarder ... in ’t kort, iemand die verstand heeft van de wet! Want er komt veelwetin de historie die me nu overkomen is. Ik wil volstrekt weten of men ’n piano mag meenemen in ... ’t verbeterhuis? Dáárheen namelykleidtm’n eerstvolgende verhuizing ...Ik ben nog niet bekomen van den schrik. Raad me, help me, red me! Schaak me ... als ’t wezen moet. Ge zyt my dat alles schuldig,Max, want ik lyd om-uwentwil. Alsgyte Lebak hadt meegeknoeid, zouiknu geen behoefte hebben aan verbetering. Antwoord terstond of ik m’n piano mag meenemen ... hoewel die niet zal verbeteren in zoo’n gesticht. Ach,ikook niet misschien ... om ’t even! Ik speel deSaïdjahvanRichardHol“heel lief” en zou ’t niet jammer wezen als ik nu in dat tuchthuis ... ’t hoofd loopt me om. Ik word geroepen ... neen, ’t is de tocht! Daar komen ze ... ik hoor ze op den trap ... zware schreden ... hu! Agenten van policie zeker, om my te verbeteren ... neen, ’t was m’n katje ... geschoeid door m’n geweten. Nooit zal ik ’t weer knypen, nooit ... dat zweer ik! Ik weet nu wat het is geknepen te worden! Zoodra ’t nieuwe-maan wordt, zult ge ... nu word ik inderdaad geroepen! Ik heb haast, ik heb angst ... och, kon ik vliegen!Ja, was ik nu maar ’n licht meisje, zooals gy volstrekt van me maken wilt. Dan liet ik my door niemand verbeteren!Maxhelp my! Als ik dan toch verbeterd moet worden, heb ik liever datgy’t doet ... maar liever blyf ik wat ik ben.VAN EEN VADER.Wel-Edele Heer!Ik benKappelman. ’t Is niet de eerste keer, dat ik my over u te beklagen heb. Uw ongepaste uitval, tegen de soort van het bier, dat ik by myn zuurkool gebruik16heeft my volstrekt niet gedeerd. Ik veracht uw geschryf, en nooit zou ik my verwaardigd hebben, u op uw plaats te zetten, door op hetzelve te antwoorden, wanneer ik niet had bemerkt, dat gy u begint te bemoeien met myn huishouden. Myne vrouw heeft ontdekt, dat gy in briefwisseling staat, met een myner dochters—met alle misschien—waarschynlyk om dezelve te verleiden. Ik verbied u, deze verhouding voort te zetten. Ik voed myne kinderen op, in deugd en eere, en wy hebben met uw malle Donquichotterie niets te maken. Ik hoor dat gy vrouw en kinderen hebt, en dat gy dezelve gebrek laat lyden. Bemoei u dáármee, dit zou u beter voegen, dan twist en tweedracht te strooien in een deftig gezin! Ik benKappelmanen duld geen vreemdigheden in myn huis. Wat zoo is, moet zoo blyven, en als er iets moest veranderd worden, zou dit, in allen gevallen, u niet aangaan. Bovendien zyt gy slecht geinformeerd: ik heb nooit een woord gesproken overAlexanderden Groote. Als ik bemerk, dat gy voortgaat u te bemoeien met myn zaken, zal ik strenge maatregelen nemen. Gy kunt u deze moeite sparen, myne kinderen af te halen van de katechisatie. Ik benKappelman.VAN EEN ANDEREN VADER.Mynheer!Myne dochters hebben my bekend, dat zy verboden omgang met u hebben. Ik benKappelman, en verzeker u, dat ik my wenden zal tot de politie, als die gekheid niet terstond ophoudt. Er zyn wetten in het land, die de fatsoenlyke lui beschermen. Myn naam isKappelman: gy kunt gerust naar my vragen. Ook verzoek ik u myn zoontje met rust te laten.VAN EEN ANDEREN VADER.Ik ben Kappelman ...................17VAN EEN STIEFMOEDER.Wel-Edele Heer!De dochters vanmynman stoppenscheef, en stikken dat het schande is.Zymerken het onderste-boven, en de kussensloopen waren van de week ongeregen. Ik heb bemerkt dat dit alles uwe schuld is. Ik ben niet van plan toetegeven in al die gekheden, die zy zich door u in ’t hoofd laten zetten, en waarschuw u voor de gevolgen. Ik heb er de wet op nagezien, en weet wat eene stiefmoeder toekomt. Een kind moet zyne ouders eeren, dat staat er, en dàt zal gebeuren, al zou de onderste steen boven.VAN EEN ANDERE STIEFMOEDER.Mynheer!Ik verbied u alle bemoeienis met myn naaiwerk. Toen ik metKappelmantrouwde, heb ’k my voorgenomen, zyn huis te regeeren, en dit doe ik. Een stiefmoeder is geen ouwe lap. Ik wil gehoorzaamd worden, en als ik bemerk, dat gy voortgaat de kinderen van myn man tegen my op te zetten, zult gy zien, dat ik my niet laat aantasten zonder handschoenen. Ik heb er lang en breed over gesproken met myn broer, die in granen deed, maar nu stilleeft van zyn geld.Van zyn geldhoort ge! Dat is wat anders, dan rond te loopen, als een schooier, zooals ik vanuhoor.VAN EEN ANDERE STIEFMOEDER.De dochters van myn man hebben bekend ........18VAN EEN OOM.Wel-Edele Heer!Gy zyt een ellendeling! Ik heb de dochters van myn broeder voor u gewaarschuwd, en haar gezegd dat gy een dief zyt, een echtbreker, een falsaris, een dronkaard, een vrouwenbeul en een gek! En dat gy geen geld hebt, ja, dàt heb ik ook gezegd! Enook dat gy niet hebt willen schryven over vryen arbeid, dat groote schande is, en dat gy uw fortuin met voeten schopt, dat niet te-pas komt.En dat gy alle meisjes verleidt, en dat gy ... kort-om, gy zyt een ellendeling, en ik ben uw dienaar, enz.VAN EEN ANDEREN OOM.Mynheer!Met een diep gevoel van verontwaardiging heb ik van myn broeder, den heerKappelman, vernomen, dat zich sedert eenigen tyd in myn huis iets heeft geopenbaard, dat aandruischt tegen alle Christelyke beginselen van onderdanigheid, gedweeheid en orde, en naar zekere opmerkingen te oordeelen, zoudt gy daarvan de oorzaak zyn. De onwetendheid in goddelyke zaken, die u kenmerkt, en de hoofdigheid, waarmede gy in die onvergefelyke onwetendheid volhardt, hebben het my, met het oog op de voorschriften van onzen Heer en Heiland, uitgedrukt in ’t onschatbaar evangelie, voorgelicht door de profeten des ouden verbonds, en gestaafd en bevestigd door de godsonomstootelyke-genadegaven-bewyzende lessen der wereldhistorie, ten plicht gemaakt, de kinderen van mynen gezegden heer broederKappelmante waarschuwen tegen den ziellichaamzaligheidwelvaart-bedervenden invloed uwer helbevolkende denkbeelden.Ik heb in granen gedaan, en leef nu stil van myn geld. Ik geloof dus als genadedeelachtige Christen te moeten stryden voor de heiligheid van zyn alleenuitverkorenen-zaligmakend geloof, dat aan de pupillen voorschryft hun voogd onderdanig te zyn. Want ik ben de voogd van myns broeders, heersKappelman’skinderen, en zal niet verdragen, dat die kinderen, op eene verdoemenisuitlokkende wyze zich verzetten tegen het gezag, en afwyken van myn geloof.Ik raad u vreeze aan voor den toorn des liefdevollen Gods, die zich niet laat bespotten, en die een God is van gerechte wrake, gelyk te lezen staat inHebreën X vs. 31.VAN EEN ANDEREN OOM.Ik ben liberaal, en tegen alle protektie in den handel. Aan dewonderengeloof ik niet, maar dezedeleervan den bybel is mooi.En als ge de moderne theologie kendet, zoudt ge u schamen. LeesMeyboomover de wonderen, dan zult ge zien dat het geen wonderen zyn. Die kinderen van myn broerKappelman...19VAN EEN TANTE.20VAN EEN ANDERE TANTE.21VAN EEN ANDERE TANTE.22VAN TINE AAN FANCY.Dank, dank voor uwen brief, lieve, hartelyke, weldadige toovergodin! Ja, ik heb uwen kus gevoeld! En zeker voelden de kleinen dien ook: ik heb ze zien glimlachen in hun slaap.Maar, Fancy, ik smeek u, zeghemwat ge zeidet aan my! O, zeghemdat hy onsterfelyk is. O, hadt ge ’t lievermyonthouden, dat heerlyk geschenk uit uw schatkamer, om ’themte geven die er naar smacht! Hy heeft onsterfelykheidnoodig,Fancy, en daarvan de wetenschap! O, zeg hethem! Laatmyderven ... ik zal staande blyven zonder die kennis! Maar hy ... hy is geen moeder,Fancy!AAN TINE.LieveTINE, kent ge ’n familieKappelman? Ik zit in ’n wespennest. Dit komt van ’tBaunscheidtismus, ’n nieuwe leer, die alles geneest door prikken en steken! De wespen vervangen de bloedzuigers. Heel groot is de verandering niet. Of ’t genezen zal, weet ik niet, maar pyn doet het wel.Ik merk uit uw laatsten brief23dat ge weer geen geld hebt. Dit is zeer verdrietig. Wilt ge dat ik schryf voorgeld? Hoe moet ik dat doen? Ik weet waarachtig niet hoe men ’t aanlegt. Als ik m’n portret verkoop, noemen ze dat ydel, en ik vind dat ze niet geheel ongelyk hebben, maar kan ik nu m’n ziel fotografeeren, en te-koop hangen in ’n boekwinkel? Zoudt ge dat prettig vinden? Ware ’t niet om woedend te worden, als men my betastte en beduimelde met vuile handen? WantPubliekis vuil en wreed ... maar de vuilte is ’t ergst. Ik begryp heel goed dat de Jakatranen, die staan bleven zoolang er werd geschoten met lood, terstond wegliepen toenPublieksvoorvaderen begonnen te werpen met andere ammunitie!24Hy is niet ontaard, die m’nheerPubliek, dit moet men hem ter eere nazeggen.Welnu, ook ik ben niet bang voor schieten, houwen en steken, maar als men werpt met vieze dingen, loop ik weg, als een onbeschaafde Jakatraan.Nog ben ik niet geheel verzoend met dienMultatuli, die my zoo uitkleedde in dat boek over de koffi. Wat ging ’t hem aan? Had ikzelf ’t gedaan in een oogenblik van... o lieveTine, geld heb ik niet, maar ik wil u heel gaarne ’n geschiedenis oververtellen van uitkleeden, die ik vind in de noten van Mr.J. van Lennep, op zynEduard van Gelre. Hy zal er immers niet boos om worden, dat ik ditmaal wat van hèm neem? Behelp u met de geschiedenis zoo goed ge kunt, tot ik u iets anders kan zenden. Daarin komt ’n vrouw voor die van uwe familie is, geloof ik, schoon ge niet “opdrachtig” zyt van kleur. Ook zou zy waarschynlyk bleeker geweest zyn, als ze getrouwd ware met my—en dus veel te tobben had gehad—in plaats van met dien Gelderschen hertog die haar slechts verstiet.

Hassanverkocht dadels in de straten van Damaskus. Als ik zeg dat hy die verkocht, bedoel ik eigenlyk dat hy ze niet verkocht, want z’n dadels waren zoo klein, dat niemand die koopen wilde.Met verdriet en afgunst zag hy hoe ieder den rykenAouledbegunstigde, die naast hem woonde op ’n mat. Want ze woonden op matten, in Damaskus, met zeer hooge verdieping, omdat ze geen dak boven zich hadden. De rykdom vanAouledbestond dan ook niet in huizen, maar in ’n tuin die zeer vruchtbaar was, ja zóó vruchtbaar, dat de dadels die er groeiden zoo groot waren als drie gewone dadels. En daarom kochten de voorbygangers de dadels vanAouled, en niet de dadels vanHassan.Daar kwam in de stad ’n Derwisch die wysheid te veel had, en te weinig voedsel. Althans hy ruilde z’n kennis voor spyze, en men zal zien hoe onzeHassanwèlvoer by dien ruil.—Geef my te eten, gebood hem de Derwisch, dan zal ik doen wat geen Khalif voor u doen kan. Ik zal het volk dwingen uw dadels te koopen, door die groot te maken, ja, grooter dan de vruchten vanAouled. Hoe groot zyn die?—Helaas, Derwisch vanAllahgezonden—ik kus uwe voeten—de dadels vanAouled—Allah geef hem krampen—zyn driemaal grooter dan gewone dadels! Treedt binnen op m’n mat, kruis uwe beenen, wees gezegend, en leer my m’n dadels grootmaken, en het volk te dwingen die te koopen.Hassanhad kunnen vragen, waarom de Derwisch die zoo bekwaam was, spyze behoefde? Maar chicaneeren deedHassannooit. Hy zette z’n gast gekookt leder voor, alles wat hy overhad van ’n gestolen geitebok.De Derwisch at, verzadigde zich, en sprak:—Driemaal grooter dan gewone dadels zyn de vruchten van uw buurman.... hoe groot wilt ge dat de uwen worden, oHassan, zoon van ik weet niet wien?Hassanbedacht zich even, en zeide:—Allahgeve u kinderen en vee! Ik wenschte dat m’n dadels driemaal grooter waren, dan ze door u kunnen gemaakt worden.—Zeer wel, sprak de Derwisch. Zie hier ’n vogel, dien ik meebracht uit het verre Oosten. Zeg hem dat elk uwer dadels zoo groot is als drie van uw dadels.—Ik wensch u vrouwen en kameelen, o Derwisch—die aangenaam riekt als olyven—maar wat zal het baten of ik dezen vogel zeg wat niet is?—Doe naar m’n zeggen, hernam de wyze man. Daarvoor ben ik Derwisch, dat ge my niet begrypt.Hassanwenschte den vogel lengte van veeren, en noemde hemRock. Maar ’t was geenrock11. ’t Was ’n kleine vogel die wel wat op ’n raaf geleek, met losse tong en hippelenden tred. De Derwisch had hem meegenomen van Indaloes12waar hy was aangebracht door kooplieden, die over zee waren gekomen uit het land waar de menschen op negers gelyken, schoon ’t ver is van Afrika. DatHassanhet beest “rock” noemde, was omdat hy had opgemerkt dat iemand wien men iets vraagt, uitdyt. En ook ’t omgekeerde. Wie wat noodig heeft van ’n ander, krimpt in. Zoo was ’t in Damaskus.Hassankromp in, en zeide:—Ik ben uw slaaf, o vogelRock! M’n vader was ’n hond... en elk myner dadels is zoo groot als drie van m’n dadels!—’t Is wel, zei de Derwisch. Ga zóó voort, en vreesAllah!Hassanging zoo voort. Hy vreesdeAllah, en vertelde maar altyd door aan den vogel, dat z’n dadels onmogelyk groot waren.Het loon der deugd bleef niet uit. Nog geen driemaal had de Khalif al de bewoonsters van z’n harem laten ombrengen ... nog had geen moeder den tyd gehad hare dochtersbekoorlykte maken voor de markt teRoem13, nog hadHassangeen enkel verdwaald geitebokje ontmoet, om hem gezelschap en in ’t leven te houden op z’n mat, en ziedaar, de vogel riep:—Myn vader is een hond ...Dit is niet noodig, maar hy zei ’tHassanna.... m’n vader is ’n hond, kryg lengte van veeren, de dadels vanHassan Ben14...Ik weet den naam vanHassan’svader niet, en als de man ’n hond was, komt het er ook niet op aan.—De dadels vanHassanzyn driemaal grooter dan ze zyn!Toen waren er betweters inDamaskus, die dit tegenspraken. Maar ’t duurde niet lang. Er was namelyk in de stem des vogels iets dat de lucht deed trillen op ’n wyze die invloed had op de straalbreking. De dadels groeiden, groeiden ... in aller oogen!En de vogel riep maar al voort:—De dadels vanHassanzyn driemaal grooter dan ze zyn!En ze groeiden! Men overgaapte zich om er in te byten.EnAouledwerd zeer mager. MaarHassankocht veel geitebokken en lammeren en hy bouwde een dak over z’n mat. Hy werd zeer eerlyk, en vond het schande als iemand die zelf geen lammeren had, een opat van de zynen. En hy ging voortAllahte vreezen.Deze vroomheid en dien rykdom had hy te danken aan den kleinen vogel, die altyd hetzelfde zei, en leugen tot waarheid maakte door herhaling. Ieder vondHassan’sdadels groot, ieder was gedwongen die te koopen, ieder ...BehalveHassanzelf, die in stilte voorzag zich byAouled, wiens eenige klant hy was.En dit is alzoo gebleven tot op dezen dag.AAN FANCY.Ik zal voortgaan met de geschiedenissen van gezag.Er was eens ’n land, laag gelegen aan de zee, tusschenOost-Friesland en de Schelde...O,Fancymen timmert en metselt om my heen. Het huis dat ik bewoon, wordt verbreed, en hoe breeder het wordt, hoe benauwder zy ’t my maken. Men klopt en schaaft en bikt en zaagt my ’t hoofd in twee ... dit is onaangenaam. DieSilvio Pellicokon van geluk spreken. Ik ga uit, om wat rust te zoeken op de woelige straat. Misschien steel ik ’n horloge, om aanspraak te hebben op wat stilte in de cellulaire gevangenis. Adieu, en denk om den haarlok, dien ge me beloofd hebt.VAN FANCY.Neen, laat ieder z’n horloge houden, men zou weer kwaad van u spreken. Ach, wat zyn dat troostelooze geschiedenissen,die gy verhaalt. Is dat alles waar,Max? Ge hebt my treurig gestemd. O, ik bid u, zeg me in ’n volgenden brief, dat allesnietwaar is, of althans, dat nietalleswaar is. Is dat nu wysbegeerte? De vormleer is droger, maar minder verdrietig. En ook in de vaderlandsche geschiedenis vind ik ... hoe zelden ook toch hier en daar—wat ik vergeefs zoek inuwgeschiedenissen—liefde!Hoe kunt ge zoo scherp zyn,Max, gy die toch zoo goed weet lieftehebben?We zyn verhuisd, maar nog kan ’t oude kabinet de deur niet in. M’n hart ook niet.Ik heb u gevraagd my wat te leeren. Is ’t hiertoe noodig dat ik eerst worde gevoed met spyze zoo bitter als uwe vertellingen van gezag? Geef my iets liefelyks,Max... iets wat niet m’n lippen wit maakt, iets wat my ’n blos geeft van genoegen, en geen bleekheid van ergernis. Ik heb behoefte aan liefde. Moet ik de liefde verliezen door de denkbeelden die ge my geeft ... o, dan zou ik betreuren u gevraagd te hebben om wat kennis! Want ik ben eenmeisje,Max!Een meisje, ja! Maar toch is ’t waar dat iets zeer byzonders met me gebeurd is, dat zeker by weinig meisjes voorvalt. Ik zal u dat vertellen. Ei, wèl beschouwd, is ’t óók ’nGeschiedenis van Gezag, maar fraaier, liefelyker danuwgeschiedenissen. Ik was zes of zeven jaar oud ...Ik word geroepen,Max... wacht tot nieuwe maan ... de geschiedenis die ik u vertellen zal, staat daarmede in verband, en met u ook ... en met m’n haren ook ...O, schryf my iets dat me niet bleek maakt!AAN FANCY.Kleingeloovige! zoo zyt gy allen!Daar staat de boom der kennisse, gewilteten, ge wacht niet op de slang—dat eeuwig symbool van weten en onsterfelyk zyn!—gyzelf steekt de hand uit, en als ’t arme dier ter-goeder-slangentrouw, u den appel toereikt, dien gy vraagt ... dan trekt ge u schuchter terug, en rekt beddelakens!Neen,Fancy, myn geschiedenissen zynniettroosteloos! Onkunde is geen deugd, en lager dan haat, acht ik liefhebben zonder verstand! Weet, ken, kan, onderscheid enkies.Eerst na zulke keuze, is liefde iets waard.O, ik begryp hoe ge schrikt by ’t opheffen van de gordyn diemen, met voordacht en valsheid, gelaten heeft tusschen uw oog en de waarheid! Leugens ontvingen de ouders... leugens geven zy hun kinderen. Als de Oosterling die genot zoekt in verdooving door amfioen, en die ten-laatstebehoeftegevoelt aan vergif, vragenzy: “Wat dan?” zoodra men ze aantoont dat hun denkbeelden rusten op onvasten grondslag.Daar is een lek in ’t schip! roept de verschrikte gezagvoerder.En de passagier antwoordt:—Ik zal u tegenwerken in het stoppen, tenzy ge my iets dergelyks in de plaats geeft.Ik vind beter te varenzonderlek.Telkens moet ik den eisch van lekbegeerige passagiers aanhooren. Telkens is het:Toegestaan! Dàt is leugen, dàt is verzonnen, dàt is schandelyk! Maar ... wat geeft gy in de plaats?Dat wil zeggen: “welken anderen leugen zet gy ons voor, ter vervanging van ’t leugengerecht, dat ge ons ontneemt?”Ik zou kunnen antwoorden:geene... ik weet niets! Ik heb geen gif te bieden, in plaats van ’t gif, dat ik, ruw maar welmeenend, u uit de hand sla, die zich tot ’n vuist balt, uit ondankbaren wrevel over leegte.Dit zou ikkunnenantwoorden.Maar liever zeg ik: zie ik wenschte u te gevengezonde spys!Ik wenschte u te wyzen opgezagdoorliefde, opwelvaart door rechtvaardigheid, opgelukdoordeugd.Dat is één woord: ik wilde u uitnoodigenmensch te zyn! Ziedaar alles!Men bedriegt zich, en men heeft u bedrogen, door hetmensch-zynvoortestellen als iets onwaardigs. Dit doet ’n verkeerd begrepene religie ... ’t WoordGodsdienstkomt hier niet te-pas.Ik wil u dit duidelyk maken door ’n voorbeeld.Een boer zou voor het eerst den heer van ’t land zien. Hoe zal ik hem vereeren, dacht hy, om hem te toonen dat ik besef heb van myn boerschap tegenover zyn heerschap? Wel ik zal m’n knieën wat krom buigen, en m’n teenen naar binnen. Myn linker-schouder zal ik vooruit steken, en m’n hoed omdraaien als ’n molen. Wat scheefs in den hals zal hem voorzeker behagen, en ’t zal hem genoegen doen als ik m’n mond klein maak.Zóó dacht de boer, en zóó deed hy. Maar de heer van ’t dorp zei hem, dat hy niet noodig had zich zoo te verdraaien.Ik vind dat die heer van ’t dorp groot gelyk had.De roeping van den mensch is mensch te zyn.Is deze konklusie u te eenvoudig! O, ik bid u, wantrouw alle slotsommen dienieteenvoudig zyn.Zou de wysheid die een mensch behoeft,nieteenvoudig wezen? Zou ze moeilyker te vatten zyn, dan de reuk der spyzen, zoo gemakkelyk optevangen met onzen neus, dien toch de lieve Natuurheel eenvoudigboven den mond plaatste? Ik geloof zeker, dat de godsdienst-uitvinders dat orgaan ’n plaatsje aan den linkerhiel zouden hebben gegeven, als zy geraadpleegd waren ... wat gelukkig niet gebeurd is.Alles wil omslag, ingewikkeldheid, onnatuur:“Doodt de zinnen!” roepen zy die God meenen te dienen door den mensch te verdraaien, als die boer.“Doodt de zinnen!” roepen zy die gaarne wat willen genieten methunzinnen, en de slimme berekening maken dat er meer zou overschieten, naarmate er minder gebruikt werd.“Doodt de zinnen, werpt weg wat u behagen zou!” riepen ten-allen-tyde de vromen, die met veel graagte aasden op alles wat er werd weggeworpen door de onnoozele zielen, die hen geloofden.Wat zoudt ge zeggen van ’n kind,Fancy, dat meenen zou z’n vader te vereeren door iets anders te zyn dan ’n... kind?En wàt van de oudere broeders, die aan zulk kind trachtten te beduiden dat het zich inkrimpe, en weinig behoort te eten—ad majorem patris gloriam?Zoudt ge niet op ’t denkbeeld komen, dat die oudere broeders begeerte voelden naar wat ruimte en spys?Wie u zelfvernedering voorstelt als deugd is ’n bedrieger.Genot is deugd.Ziedaar ’n paarteksten,Fancy. Preekenschryfik niet. Dit deedJezusook niet. Ik denk dat hy ze vervelend vond, als ik.“Er isgeenGod, of hy moetgoedzyn!” Laat de theologen—’n grappig woord: menschen die wat weten van God ... menschen die u wat kunnen zeggen over God ... menschen die gestudeerd hebben in God,Godgeleerden—laat de theologen tegenspreken dat Hygoedis, als ze durven ...Ach ja, ze durven dit! Ze vertellen lange geschiedenissen—troosteloozer nog dan de myne,Fancy!—over verdoemenis en hel! En, let wel, zy die zulke geschiedenissennietvertellen, deugen minder dan de anderen, die ten-minste konsekwent zyn by-gebreke van wat beters, want in hun Bybelstaandie aardigheden. Zoek maar op: eeuwig vuur, tandengeknars, onsterfelyke wormen ... ’t is pleizierig!Wie nu dat eeuwige vuur en die onvermoeide wormen weggoochelt onder ’t manteltje van de moderne theologie, vertrouw ik in ’t geheel niet. De anderen zondigen tegen ’t verstand alleen. Zy tegen eerlykheid en verstand beide. Dit is erger.Er isgeenGod, of hy moetgoedzyn! Als hy er is—wat ik dolgraag weten wou, en ik blyf er by dat het zyn zaak geweest ware:te zorgen dat wy ’t wisten—dienen wy hem het best doorgenieten.Eilieve,Fancy, gy die ’n goed meisje zyt, zoudtgy’t aangenaam vinden, wanneer ge eenmaal moeder werdt, dat uw kinderen zuur keken? Zoudt ge hun voorschryven u tedienendooronthouding? Immers neen! En waarom zou die god kwaadaardiger wezen dan gy?Maar demaaten desoortvan genot?Ook dit is zeer eenvoudig. Het antwoord staat duidelyk geschreven in ’t vóór ons liggend boek derwerkelykheid, waarin geen enkele tekst vervalscht is en dat men lezen kan, zonder de minste kennis van Hebreeuwsch of Grieksch. ’t Zou ook wel ongelukkig wezen, als de weg ter zaligheid juist leiden moest langsτίπτω.In dat boek staat geschreven dat wie steenen opslikt, z’n maag bezwaart. Wie genot zoekt in overdaad, wordt ziek. Wie z’n naaste doodslaat, krygt den naam van ’n onpleizierig mensch, en wordt behandeld als zoodanig. Wie liegt, wordt niet geloofd. Wie steelt, wordt vastgebonden door personen die wat bezitten. Wie uit het venster springt, bezeert zich. Wie zich in de bres stelt voor arme drommels, lydt gebrek. En wieMinnebrievenschryft, wordt uitgejouwd.In al deze voorschriften uit het boek derwerkelykheidis niets raadselachtigs, zooals men wél vindt in de andere boeken. Dit komt wyl de menschen, die religien maakten,nietmeenden wat zezeiden, en omdat de Natuur wèl meent, wat zedoet. Ge ziet alzoo,Fancy, dat we om wys en goed te worden—wat hetzelfde is! moeten terugkeeren tot die Natuur.Ik ben benieuwd naar uw geschiedenis. Zoudt ge geschaakt zyn op uw zevende jaar? Dit ware te vroeg,Fancy! En hoe dit in-verband staat met uw haren, begryp ik niet. Kan ik u genoegen doen met ’n minnelied? Verlangt ge een verhandeling overVryen-arbeid? Stelt ge belang in ’n analyze van onze wetgeving op het stuk van ouderlyk gezag? Wilt ge weten hoe in Indie het gezag van Nederland ...Maar,Fancy, dan verval ik weer in de geschiedenissen vanGezag, die ge zoo troosteloos vindt ...Zeg me, hoe moet ik schryven om den stryd te winnen tegen de personen—en de zaken helaas!—die my uw ziel schynen te betwisten?Of zou het toch waar wezen, wat ik giste—en nog altyd hoop!—zou ’t waar wezen dat ge niet bestaat? Dat gy ’n fee zyt, die my eenmaal zult aanroeren met uwen staf, om me machtig te maken tot het verrichten van den arbeid dien ik zelf my heb opgelegd?Ik droom wakend van u, en antwoord:Fancy!als men my om geld vraagt, wat vaak gebeurt. Brengt ge my ’n koninkryk in ’t gebied der geesten ten huwelyk? Ik neem ’t gaarne van u aan, en begryp zelfs niet hoe ge ’t zoolang hebt kunnen regeeren zonder my. Zoodra wy “ingericht” zyn, en na de bruidsbezoeken, wil ik ’n blyde boodschap neerzenden op de kleine aarde, die ik vóór m’n trouwen bewoonde. Ik wil de arme menschen die daar zoo verdrietig ongetrouwd achterbleven, zeggen: datgenot deugd is, en dat niets meer genot geeft danLIEFDE!Maar ik zal er niet by zeggen:heb lief!Dan zou ’t weer ’n geschiedenis vanGezagworden, en dit komt by liefde, deugd en genot niet te pas.Toch zou ik gaarne eens zien met m’n wezenlyke oogen, met de oogen die ik gebruik om te slapen. Is hier geen kans op? Waar woont ge nu, na ’t verhuizen? Moet ik bellen aan al de deuren die kleiner zyn dan ’n kabinet? moet ik naar u zoeken in alle huizen die te bekrompen zyn voor ’n hart?Tinevraagt my of ik dikwyls met u wandel, vooral nu ’t lente is.Ik heb “ja” geantwoord, meenende dat ik waarheid sprak, maar later...Waart ge by my, of was ik alleen, toen ik my ergerde over die geslachte varkens?15Want ik begin intezien dat ik me dikwyls bedroog, als ik geloofde u te zien aan m’n zy.Er is iets raadselachtigs in m’n liefde. Ik zal er naar vragen aanTine. Zy weet alles wat my aangaat.AAN TINE.LieveTine! wees zoo goed my te zeggen wieFancyis?Maar spreek geen kwaad van haar, ook al wist ge iets kwaads. Ik zou ’t niet kunnen verdragen, want ik heb haar onbeschryfelyk lief. Vertel my alleen wie zy is.VAN TINE.BesteMax! Ik kenFancyzeer goed. Ik heb haar lang gekend, reeds vyftien jaren! Ze was toen even oud als nu. Kwaad weet ik niet van haar te zeggen. O, integendeel!Maar om haar goed te beschryven, zou ik haar by my moeten hebben. En ze is weer weg, want—dit wist ge niet—ze is hier geweest!Dikwyls was ze blond, en even dikwyls bruin, ja, vaak bruin by ’t zwarte af. Maar altyd was ze vlug als ’n sylf, huppelend als een dwaallicht, gevoelig als de mimosa, verstandig als ’n rekening, en geestig als niets.Gy kent haar ook wel,Max! Ge hebt vergeten wie zy is, omdat gy den laatsten tyd ’n heel anderen weg hebt uitgezien. Denk eens goed na! Herinner u maar dat ge haar herhaaldelyk het venster hebt uitgegooid, omdat ge meende dat onze kinderen te weinig eten kregen door hàre schuld. En hoe ze dan telkens weer binnen kwam door de deur die op ’t nachtslot was. Weet ge ’t niet meer?Ze jokt als ze zegt dat ze er niet by was, toen de aarde werd gemeten met ’n koord! Ze heeft alles bygewoond wat er gebeurd is. Ook is zy het die de psalmen heeft geschreven, en by de Chaldeen gaf ze les in de sterrenkunde. En ’t isnietwaar, dat ze verlegen is om huisvesting voor haar hart! ’t Staat aan háár om de muren uiteentezetten ...Ik begryp waarlyk niet,Max, hoe ge haar niet herkend hebt.’t Is ondankbaar van uw hart, dat meer geheugen behoorde te hebben. Wat my betreft, ik heb haar lief. Zy heeft myn leven heerlyk schoon gemaakt, en ik wyt de schrale voeding onzer kinderen niet aan haar, zoo als gy meermalen deedt in buien van onrechtvaardigheid. En als ge trouwt, kom ik op de bruiloft, metMaxenNonnidie er by hooren.Onlangs wandelden wy, en plukten bloemen. Zy was met ons. KleineMaxvraagde of de bloempjes het wisten, dat het nu wat warm zou blyven . . en, zeide hy:—Zie, ze knikken de zon toe! Ze weten dat ze er lief uitzien, en dat de zon vriendelyk voor hen is.Hoe komt hy aan dit denkbeeld, dacht ik, en vraagde het hem.—Ik heb dat vanFancy, zeide hy.Maar ze leert hem ook ondeugende dingen. Hy liegt niet, maar jokt veel. Dit leert hy van haar.Onlangs hoorde ik hem lachen, zoo-als hy lacht wanneer-i ’n guitenstuk verricht heeft. Ik zag ’n oude werkster die naast ons woont, trippelen en dansen als ’n gek mensch. KleineMaxhad haarCayenne-peper te proeven gegeven.—C’est très doux!had hy gezegd.’t Mensch brandde haar mond aan z’ndouceur. Ik wist niet of ik boos was, of moest meelachen metMax, die over den grond rolde van pleizier.—Dat hebtgygedaan,Fancy, zeide ik vry streng. Zeg me nu ook watikte doen heb, opdat m’n kind niet wreed worde, en vermaak zoeke in leed?En toen zeide ze my zachtkens deze woorden voor, die ik overluid herhaalde:—KleineMax, voel je geen smart van de pyn, die deze vrouw lydt,omdat ze op je vertrouwde?KleineMaxlachte niet meer. De tranen sprongen hem in de oogen, en hy vraagde vergeving aan de oude vrouw die zulke gekke gezichten trok.En meermalen,Max, als ik op ’t punt sta neertebuigen onder al te zwaren last, komtFancymy troosten, en als ze danschalkszegt:—Ik ontsteel u zyn hart ... bedenk dat myn rechten ouder zyn ...Dan moet ik haar gelyk geven! En zonder yverzucht hoor ik aan, wat zy gezegd heeft zonder schaamte.Ik ben waarlyk boos op u, dat ge haar zoo miskent. Maar,Max, herinnert ge u dan niet dat zy altyd uw voorspraak by my geweest is, als gy weêr iets of iemand geschaakt had, of my geslagen? Weet gy niet meer dat ze ons huwelykskontrakt—mynkontrakt!—heeft meegeteekend, precies als ’n ambachtsheer die ’t braafste boerinnetje laat trouwen met den deugdzaamsten aller boerenjongens? Herinnert ge u niet al de schilderyen die zy ons ten-geschenke gaf, genoeg om ’n museum te vullen, zoo groot als de wereld? Dagelyks nog zendt ze my stukken,’t eene fraaier dan ’t andere, neen allen even schoon ... historiestukken,genre, stillevens ... historie vooral!Maar,Max, we komen lysten te kort! Eilieve, ’t staat aan u, lysten te maken om de stukken dieFancyons geeft.Doe dit! Dit kunt ge! Dit moet ge! Dit is uw roeping!Zoo gaf ze my onlangs een teekening, waarvan ik de bedoelingniet begreep, omdat zy iets voorstelde dat nog niet gebeurd is. Javaansche meisjes legden melatiekransen op ’n graf. Dat graf was het uwe,Max! Er stond op een steen:HIER RUST WIE VEEL GEDRAGEN HEEFT.Maak ’n lyst om die teekening. MiskenFancyniet langer, haar en hare geschenken ... ge zyt zeer ondankbaar,Max.VAN FANCY.We zyn weer verhuisd, ’t Wordt al nauwer en nauwer.’t Is my of ik ’n vischfuik inreis, zonder retourbiljet. Nog kan die oude kast het huis niet in ... het eind zal wezen dat wy ’t huis in de kast zetten: dan wordt het sleutelgat, deur.Die gedurige twyfel of ik ’n meisje ben, hindert. Ik ben gesteld op myne identiteit. Zou ’tUsmaken als men zich obstineerde u aantezien voor ’n wolk? Dat men u afweerde met een paraplui. Dat uw droefheid, uw tranen, op ’t weêrglas stonden genoteerd als regen? Of dat men u tegen ’t lyf liep, in de meening door u heen te loopen? Of dat ge werd opgesnoven als aether? Zyn dat pleizierige dingen? Voor den honderdsten keer zeg ik u, dat ik ’nmeisjeben, en om u hiervan goed te overtuigen, zal ik een-en-ander verhalen van myn omgeving. Oordeel zelf of ’n geest dat zou kunnen verzinnen.M’n moeder is dood, en m’n vader hertrouwde omdat ’n vrouw zooveel gemak geeft in ’t huishouden. M’n stiefmoeder is ’n brave vrouw, en dit spyt my zeer, want ik zou ’t gemakkelyker vinden over ondeugd dan over braafheid te klagen, omdat ieder zoo party trekt voor braafheid. Nu verlies ik ’t altyd, wanneer ik zeg dat ze my ’t leven zoo vervelend maakt. Nooit heeft iemand voor haar een weefgetouw uitgevonden. Zy breit, breit ... altyd breit ze, en den overigen tyd knoopt ze, en haakt ze. Maar de uren die zy daarna vry heeft, besteedt ze aan anti-makassers voor de watersnood-lotery. En in verloren oogenblikken stopt ze kousen. Ik heb nog vergeten te zeggen dat zy ter af-wisseling kanapékussens borduurt met kraaltjes. Kent ge dat? Ik vraag niet of ge ’tkunt.Het is aldus:Men koopt of huurt ’n stuk papier dat afgedeeld is in zeer kleine ruitjes, die allen gekleurd zyn, en wel op ’n manier die, als men niet te stipt kykt, dat papier eenige gelykenis geeft met ’n teekening. Zoo iets stelt dan ’n boeket bloemen voor, of de herders in den stal, of ’n boertje dat z’n pyp rookt, of zoo iets dergelyks. Van naby moet men ’t niet zien, want dan is zoo’n pypekop een trapezium—ik “leer” m’n examen voor secondante—en de herders hebben vierkante neuzen. Daarop neemt men ’n stukdoek, ’n soort van zeildoek waarin echter de meeste draden ontbreken, zoodat de ruiten van het zeildoek nagenoeg overeenstemmen met de gekleurde ruiten op ’t papier. Men koopt wol ofzyde, en kralen van allerlei kleur, en men kan beginnen te werken. Want wat nu volgt, heet:werken!en als ik er aan denk, aan m’n gestorven moeder, aanInsulinde, aandegeschiedenissen van gezag ... dan zeggen ze dat ik “leeg”zit.Ikleeg!Welnu, dan zoekt men op ’t papier ’n punt van uitgang, naar verkiezing. Daartoe neemt men, als ’t in den stal is, de luiermand of van den boer de wang die meestal kersrood ziet, om de braafheid aantetoonen van den landelyken stand. Die braafheid is dan, byv. uitgedrukt in vier kleuren, verdeeld in dertien ruiten, hoogrood, donkerrood, rozerood, bleekrood. Men legt de wol of de kralen op de wang van den boer, om ’n model te nemen van de nuance zyner landelyke deugd, en dan brengt men die over op het doek, door den draad vasttestrikken in de geruite openingen. Het begin is dan gemaakt, en wat er nu volgt, is gemakkelyk. Men telt maar altyd van dien boer of van de luiermand af, en dan weet men precies waar de zeven zwarte kralen ’t huishooren, die de verrukking aanduiden van de herders, of de parallelogram van geelwitte zyde, die licht moet brengen in ’t oog van de kraamvrouw. Als ’t gereed is, begint men ’n ander.Maar nu moet ik u iets vragen. Ik heb ’n oom die altyd spreekt van “’n Christelyk huwelyk.”—Dit is niet de oom van “de” vrouw: ik heb veel ooms ... o!—Wat is toch ’n Christelyk huwelyk? Ik heb er m’n bybel op nageslagen, en daarvan niets gevonden. Ik zie niet dat Christus voorschriften over ’t huwelyk heeft gegeven. Hy zegt, meen ik, alleen dat het ’n wereldsche zaak is. Maar is dàt nu een Christelyk huwelyk? Ik meen dien boer, dien pypekop en de herders? M’n vader heeft aan m’n stiefmoeder vier kinderen ten-huwelyk gebracht. Zy is een brave vrouw, en zou dus niets doen dat niet goed is in zulk een gewichtige zaak. Hoe legt ge nu uit, dat zy de huwelyksgift myns vaders waardeert naar behooren, door dat eeuwige breien, stoppen, stikken, naaien, haken, borduren en knoopen?—Lieve moeder, heb ik dikwyls gezegd, we hebben kousen te veel, en gyzelf draagt maar één japon tegelyk! We gebruiken weinig pomade, en dus die anti-Makassers ... en bovendien, we zitten “fatsoenlyk” recht. Nooit raakte ons bezoedeld hoofd de kussens van de sofa ... die de deur niet inkon ...Ja ... watersnood!Eilieve ook wy zyn in nood, al is het nood door droogte! Moet dan de nood volstrekt nat wezen, om te werken op ’t gevoel? Wy, m’n zusters en m’n broertje hadden ook aanspraak op wat hulp, op wat onderricht, op wat leiding, op wat liefde! Is ’t een vereischte dat we eerst verdrinken, voor men ...Hoor eens,Max, als we weer verhuizen, hoop ik dat het ditmaal wezen zal naar de Bommelerwaard.En m’n vader! Staat er niets in de wet tegen vaders die hun kinderen verruilen tegen gestopte kousen? Ik begryp waarlyk de verhouding niet recht tusschen ouders en kinderen. Ik heb ’n liefhebbend hart,Max, en daarby behoefte aan wat kennis. Welnu, als ik m’n vader daarnaar vraag, zegt hy dat-i geen schoolmeester is, en wat het liefhebben aangaat schyn ik te moeten wachten op een aanstaanden kollega, als ik les zal geven in de vormleer.Ik begrypm’nleven niet. Inkeepsakesen muzen-almanakken is ’n meisje iets liefs, iets belangryks, iets poëtieks. Ik ben een meisje, en voel me ónlief, ónbelangryk en volstrekt niet poëtisch!Waaraan ligt dit?—Uw leeftyd, zei ’n oom—’n anderen alweer—uw leeftyd is de schoonste tyd van ’t leven!OMax, oMax, wat heb ik te denken van de rest!En ’t zyn brave menschen, m’n ouders. Spreek geen kwaad van hen. M’n vader slaat geen preekbeurt van Ds.Meyboomover, en betaalt prompt z’n rekeningen. Doe hem dit na als ge kunt!En m’n moeder is inderdaad kerksch en fatsoenlyk, maar ...Ik verbeeld me dat ’n bloempotje veel goed zou doen in ons huis.Schryf me spoedig. Ik lees uw brieven zoo gaarne! Ze maken op my den indruk van den absenten bloempot, schoon uw geschiedenissen van Gezag ...Neen, oprecht wil ik zyn, al bèn ik dan ’n meisje! Ik vond eigenlyk alleen hierom uw vertellingen zoo troosteloos, wyl ik zelf—’t kost moeite het te bekennen—wyl ’t gezag dat ge aantast ... wyl ik ... uit verveling,.. ik heb ’n katje,Max... en ... uit verveling ...Lieve hemel, wat valt het me zwaar de waarheid te zeggen... oMax, ge ziet wel dat ik ’n meisje ben!Dat beestje ... welnu, uit verveling heb ik ’t wel eens ... geknepen! ’t Is er uit! Dàt geeft lucht!Ik ben zoo bang dat m’n katje uwe geschiedenissen overGezagzal inzien, en dan ... zal ’t zich beroepen op u, en... me krabben, als ik ’t plaag ... ziedaar!P.R. Ik dank u zeer voor de lezing vanTine’slaatsten brief, schoon ik er niets van begryp. Is dat klimaat vanLaekenwel gezond? Schilderyen, lysten, ’n huwelykskontract geteekend op m’n vierde jaar als ambachtsheer—want ik was vier jaar oud, vyftien jaar geleden—ik begryp er niets van! Hebt ge my ooit het venster uitgegooid? Ik weet het niet, waarlyk ik weet het niet! En aan het meten van de aarde heb ik nooit geholpen. Is ’t welgezondte Laeken?Over ’n paar dagen: kniptyd! M’n haren ... ik word geroepen.VAN FANCY AAN TINE.Sj ... sj ... sj ... t!Wat heb ik u gedaan, dat ge my verklapt? Lààt hem zoo dom als-i is. ’t Is maar ’nman,hy die altyd roept: ze is maar ’nmeisje! Ik zou niet zooveel van hem houden, als hy minder dom was. Ik ben van plan hem ’n geschiedenis voortejokken, mooier dan vanSAARTJE BURGERHART... die de flensjes opat. Daar deed ik wèl aan, want ...SAARTJEwasik, dit begrypt ge! Maar in dien tyd sprak ik anders met de menschen, omdat de moderne theologie nog niet was uitgevonden. Ook had men de elektriciteit nog niet “in ’n lystje gezet.” Ge ziet ik neem m’n eigendom terug, de uitdrukking die ik u vóorzei, toen ge uwen laatsten—verraderlyken!—brief schreeft. Doe zoo-iets nooit weer!Toen ik by de juffrouwenWOLFenDEKENin deBeemsterlogeerde, waren de menschen nog dommer dan uw zeer, zéér dommeMax. Maar láát hem zoo! ’t Is nuttig hem te doen gelooven dat ik zwaarte heb. Zoolang hy me aanziet voor onweegbaar licht, schryft hy te wolkerig, en ik wil dat z’n brieven worden begrepen ook door de meisjes dienietin de wolken wonen ... door de meerderheid! Verklap me dus nooit weer! Wanneer ge ’t nog eens doet, zend ik u geen schilderyen meer, geen teekening, geen schets, geen streep ... ja, ik zou ...Neen!Dit zou ikNIET! Ik zal u blyven steunen in uw moeilyke taak, edele moedige verhevene vrouw ... trouwe dappere echtgenoot ... sterke moeder ... heldin!Ik zal blyven by u, naast u, in u! Ik zal u begeleiden tot de laatste ure, en die ure zal ik u zoet maken door ’t vóórhouden eener schildery van uw rein leven, dat het u zy als ’n spiegel van gelukkiger toestand! Want ik zegge u hier, wat ik nooit zeide tothem,U zegik,dat gy onsterfelyk zyt!En kan ik vóór dien tyd niet al de tranen drogen, die ge weent in ’t geheim, uit edele gierigheid op smart—menschen die zóó liefhebben, moeten lyden, deed ik hem zeggen—o, toch zal ik beletten, dat uw kinderen het zilt proeven in spyze met die tranen gedrenkt! Tóch zal ik hen blinden voor de weifeling die moeders hand onzeker maakt, wanneer ze hun brood reikt ... graag als zy is om heden te geven, maar zoo begeerig ook om te bewaren tot morgen!Tòch zal ik neerzweven op de sponde waar ge slaapt, en u droomen geven van zachtheid en kalmte, dat ge wat sterkte samelt voor den dag die komen zal, na de vermoeienis van den dag dien ge doorleedt.Tòch zal ik de kracht gieten in uw afgemat lichaam, dat het deziel niet alleen late, vóór den tyd. Ik zal de spieren van uw mond saemtrekken tot den glimlach, dienhynoodig heeft om niet te bezwyken,hydie wil dat ge de pyn niet voelt, die gezegtniet te gevoelen.Houd moed,myn kind! Zie my aan, wees wel-te-moede, zoo alsuwkinderen dat zyn, wanneer ze staren op u! Beniku minder dan gyhun? Weten ze niet datgywaakt? En weetGYniet datikwaak ...ik,Fancy?Voelt ge op uw voorhoofd den kus dien ik u zegenend zend?Wees met de kleinen gegroet ...VAN FANCY.OMax, help my! Ik zit in nood—zonder water, alweer—ik heb uw hulp noodig! Zyt ge Meester in de rechten, of prokureur of deurwaarder ... in ’t kort, iemand die verstand heeft van de wet! Want er komt veelwetin de historie die me nu overkomen is. Ik wil volstrekt weten of men ’n piano mag meenemen in ... ’t verbeterhuis? Dáárheen namelykleidtm’n eerstvolgende verhuizing ...Ik ben nog niet bekomen van den schrik. Raad me, help me, red me! Schaak me ... als ’t wezen moet. Ge zyt my dat alles schuldig,Max, want ik lyd om-uwentwil. Alsgyte Lebak hadt meegeknoeid, zouiknu geen behoefte hebben aan verbetering. Antwoord terstond of ik m’n piano mag meenemen ... hoewel die niet zal verbeteren in zoo’n gesticht. Ach,ikook niet misschien ... om ’t even! Ik speel deSaïdjahvanRichardHol“heel lief” en zou ’t niet jammer wezen als ik nu in dat tuchthuis ... ’t hoofd loopt me om. Ik word geroepen ... neen, ’t is de tocht! Daar komen ze ... ik hoor ze op den trap ... zware schreden ... hu! Agenten van policie zeker, om my te verbeteren ... neen, ’t was m’n katje ... geschoeid door m’n geweten. Nooit zal ik ’t weer knypen, nooit ... dat zweer ik! Ik weet nu wat het is geknepen te worden! Zoodra ’t nieuwe-maan wordt, zult ge ... nu word ik inderdaad geroepen! Ik heb haast, ik heb angst ... och, kon ik vliegen!Ja, was ik nu maar ’n licht meisje, zooals gy volstrekt van me maken wilt. Dan liet ik my door niemand verbeteren!Maxhelp my! Als ik dan toch verbeterd moet worden, heb ik liever datgy’t doet ... maar liever blyf ik wat ik ben.VAN EEN VADER.Wel-Edele Heer!Ik benKappelman. ’t Is niet de eerste keer, dat ik my over u te beklagen heb. Uw ongepaste uitval, tegen de soort van het bier, dat ik by myn zuurkool gebruik16heeft my volstrekt niet gedeerd. Ik veracht uw geschryf, en nooit zou ik my verwaardigd hebben, u op uw plaats te zetten, door op hetzelve te antwoorden, wanneer ik niet had bemerkt, dat gy u begint te bemoeien met myn huishouden. Myne vrouw heeft ontdekt, dat gy in briefwisseling staat, met een myner dochters—met alle misschien—waarschynlyk om dezelve te verleiden. Ik verbied u, deze verhouding voort te zetten. Ik voed myne kinderen op, in deugd en eere, en wy hebben met uw malle Donquichotterie niets te maken. Ik hoor dat gy vrouw en kinderen hebt, en dat gy dezelve gebrek laat lyden. Bemoei u dáármee, dit zou u beter voegen, dan twist en tweedracht te strooien in een deftig gezin! Ik benKappelmanen duld geen vreemdigheden in myn huis. Wat zoo is, moet zoo blyven, en als er iets moest veranderd worden, zou dit, in allen gevallen, u niet aangaan. Bovendien zyt gy slecht geinformeerd: ik heb nooit een woord gesproken overAlexanderden Groote. Als ik bemerk, dat gy voortgaat u te bemoeien met myn zaken, zal ik strenge maatregelen nemen. Gy kunt u deze moeite sparen, myne kinderen af te halen van de katechisatie. Ik benKappelman.VAN EEN ANDEREN VADER.Mynheer!Myne dochters hebben my bekend, dat zy verboden omgang met u hebben. Ik benKappelman, en verzeker u, dat ik my wenden zal tot de politie, als die gekheid niet terstond ophoudt. Er zyn wetten in het land, die de fatsoenlyke lui beschermen. Myn naam isKappelman: gy kunt gerust naar my vragen. Ook verzoek ik u myn zoontje met rust te laten.VAN EEN ANDEREN VADER.Ik ben Kappelman ...................17VAN EEN STIEFMOEDER.Wel-Edele Heer!De dochters vanmynman stoppenscheef, en stikken dat het schande is.Zymerken het onderste-boven, en de kussensloopen waren van de week ongeregen. Ik heb bemerkt dat dit alles uwe schuld is. Ik ben niet van plan toetegeven in al die gekheden, die zy zich door u in ’t hoofd laten zetten, en waarschuw u voor de gevolgen. Ik heb er de wet op nagezien, en weet wat eene stiefmoeder toekomt. Een kind moet zyne ouders eeren, dat staat er, en dàt zal gebeuren, al zou de onderste steen boven.VAN EEN ANDERE STIEFMOEDER.Mynheer!Ik verbied u alle bemoeienis met myn naaiwerk. Toen ik metKappelmantrouwde, heb ’k my voorgenomen, zyn huis te regeeren, en dit doe ik. Een stiefmoeder is geen ouwe lap. Ik wil gehoorzaamd worden, en als ik bemerk, dat gy voortgaat de kinderen van myn man tegen my op te zetten, zult gy zien, dat ik my niet laat aantasten zonder handschoenen. Ik heb er lang en breed over gesproken met myn broer, die in granen deed, maar nu stilleeft van zyn geld.Van zyn geldhoort ge! Dat is wat anders, dan rond te loopen, als een schooier, zooals ik vanuhoor.VAN EEN ANDERE STIEFMOEDER.De dochters van myn man hebben bekend ........18VAN EEN OOM.Wel-Edele Heer!Gy zyt een ellendeling! Ik heb de dochters van myn broeder voor u gewaarschuwd, en haar gezegd dat gy een dief zyt, een echtbreker, een falsaris, een dronkaard, een vrouwenbeul en een gek! En dat gy geen geld hebt, ja, dàt heb ik ook gezegd! Enook dat gy niet hebt willen schryven over vryen arbeid, dat groote schande is, en dat gy uw fortuin met voeten schopt, dat niet te-pas komt.En dat gy alle meisjes verleidt, en dat gy ... kort-om, gy zyt een ellendeling, en ik ben uw dienaar, enz.VAN EEN ANDEREN OOM.Mynheer!Met een diep gevoel van verontwaardiging heb ik van myn broeder, den heerKappelman, vernomen, dat zich sedert eenigen tyd in myn huis iets heeft geopenbaard, dat aandruischt tegen alle Christelyke beginselen van onderdanigheid, gedweeheid en orde, en naar zekere opmerkingen te oordeelen, zoudt gy daarvan de oorzaak zyn. De onwetendheid in goddelyke zaken, die u kenmerkt, en de hoofdigheid, waarmede gy in die onvergefelyke onwetendheid volhardt, hebben het my, met het oog op de voorschriften van onzen Heer en Heiland, uitgedrukt in ’t onschatbaar evangelie, voorgelicht door de profeten des ouden verbonds, en gestaafd en bevestigd door de godsonomstootelyke-genadegaven-bewyzende lessen der wereldhistorie, ten plicht gemaakt, de kinderen van mynen gezegden heer broederKappelmante waarschuwen tegen den ziellichaamzaligheidwelvaart-bedervenden invloed uwer helbevolkende denkbeelden.Ik heb in granen gedaan, en leef nu stil van myn geld. Ik geloof dus als genadedeelachtige Christen te moeten stryden voor de heiligheid van zyn alleenuitverkorenen-zaligmakend geloof, dat aan de pupillen voorschryft hun voogd onderdanig te zyn. Want ik ben de voogd van myns broeders, heersKappelman’skinderen, en zal niet verdragen, dat die kinderen, op eene verdoemenisuitlokkende wyze zich verzetten tegen het gezag, en afwyken van myn geloof.Ik raad u vreeze aan voor den toorn des liefdevollen Gods, die zich niet laat bespotten, en die een God is van gerechte wrake, gelyk te lezen staat inHebreën X vs. 31.VAN EEN ANDEREN OOM.Ik ben liberaal, en tegen alle protektie in den handel. Aan dewonderengeloof ik niet, maar dezedeleervan den bybel is mooi.En als ge de moderne theologie kendet, zoudt ge u schamen. LeesMeyboomover de wonderen, dan zult ge zien dat het geen wonderen zyn. Die kinderen van myn broerKappelman...19VAN EEN TANTE.20VAN EEN ANDERE TANTE.21VAN EEN ANDERE TANTE.22VAN TINE AAN FANCY.Dank, dank voor uwen brief, lieve, hartelyke, weldadige toovergodin! Ja, ik heb uwen kus gevoeld! En zeker voelden de kleinen dien ook: ik heb ze zien glimlachen in hun slaap.Maar, Fancy, ik smeek u, zeghemwat ge zeidet aan my! O, zeghemdat hy onsterfelyk is. O, hadt ge ’t lievermyonthouden, dat heerlyk geschenk uit uw schatkamer, om ’themte geven die er naar smacht! Hy heeft onsterfelykheidnoodig,Fancy, en daarvan de wetenschap! O, zeg hethem! Laatmyderven ... ik zal staande blyven zonder die kennis! Maar hy ... hy is geen moeder,Fancy!AAN TINE.LieveTINE, kent ge ’n familieKappelman? Ik zit in ’n wespennest. Dit komt van ’tBaunscheidtismus, ’n nieuwe leer, die alles geneest door prikken en steken! De wespen vervangen de bloedzuigers. Heel groot is de verandering niet. Of ’t genezen zal, weet ik niet, maar pyn doet het wel.Ik merk uit uw laatsten brief23dat ge weer geen geld hebt. Dit is zeer verdrietig. Wilt ge dat ik schryf voorgeld? Hoe moet ik dat doen? Ik weet waarachtig niet hoe men ’t aanlegt. Als ik m’n portret verkoop, noemen ze dat ydel, en ik vind dat ze niet geheel ongelyk hebben, maar kan ik nu m’n ziel fotografeeren, en te-koop hangen in ’n boekwinkel? Zoudt ge dat prettig vinden? Ware ’t niet om woedend te worden, als men my betastte en beduimelde met vuile handen? WantPubliekis vuil en wreed ... maar de vuilte is ’t ergst. Ik begryp heel goed dat de Jakatranen, die staan bleven zoolang er werd geschoten met lood, terstond wegliepen toenPublieksvoorvaderen begonnen te werpen met andere ammunitie!24Hy is niet ontaard, die m’nheerPubliek, dit moet men hem ter eere nazeggen.Welnu, ook ik ben niet bang voor schieten, houwen en steken, maar als men werpt met vieze dingen, loop ik weg, als een onbeschaafde Jakatraan.Nog ben ik niet geheel verzoend met dienMultatuli, die my zoo uitkleedde in dat boek over de koffi. Wat ging ’t hem aan? Had ikzelf ’t gedaan in een oogenblik van... o lieveTine, geld heb ik niet, maar ik wil u heel gaarne ’n geschiedenis oververtellen van uitkleeden, die ik vind in de noten van Mr.J. van Lennep, op zynEduard van Gelre. Hy zal er immers niet boos om worden, dat ik ditmaal wat van hèm neem? Behelp u met de geschiedenis zoo goed ge kunt, tot ik u iets anders kan zenden. Daarin komt ’n vrouw voor die van uwe familie is, geloof ik, schoon ge niet “opdrachtig” zyt van kleur. Ook zou zy waarschynlyk bleeker geweest zyn, als ze getrouwd ware met my—en dus veel te tobben had gehad—in plaats van met dien Gelderschen hertog die haar slechts verstiet.

Hassanverkocht dadels in de straten van Damaskus. Als ik zeg dat hy die verkocht, bedoel ik eigenlyk dat hy ze niet verkocht, want z’n dadels waren zoo klein, dat niemand die koopen wilde.Met verdriet en afgunst zag hy hoe ieder den rykenAouledbegunstigde, die naast hem woonde op ’n mat. Want ze woonden op matten, in Damaskus, met zeer hooge verdieping, omdat ze geen dak boven zich hadden. De rykdom vanAouledbestond dan ook niet in huizen, maar in ’n tuin die zeer vruchtbaar was, ja zóó vruchtbaar, dat de dadels die er groeiden zoo groot waren als drie gewone dadels. En daarom kochten de voorbygangers de dadels vanAouled, en niet de dadels vanHassan.Daar kwam in de stad ’n Derwisch die wysheid te veel had, en te weinig voedsel. Althans hy ruilde z’n kennis voor spyze, en men zal zien hoe onzeHassanwèlvoer by dien ruil.—Geef my te eten, gebood hem de Derwisch, dan zal ik doen wat geen Khalif voor u doen kan. Ik zal het volk dwingen uw dadels te koopen, door die groot te maken, ja, grooter dan de vruchten vanAouled. Hoe groot zyn die?—Helaas, Derwisch vanAllahgezonden—ik kus uwe voeten—de dadels vanAouled—Allah geef hem krampen—zyn driemaal grooter dan gewone dadels! Treedt binnen op m’n mat, kruis uwe beenen, wees gezegend, en leer my m’n dadels grootmaken, en het volk te dwingen die te koopen.Hassanhad kunnen vragen, waarom de Derwisch die zoo bekwaam was, spyze behoefde? Maar chicaneeren deedHassannooit. Hy zette z’n gast gekookt leder voor, alles wat hy overhad van ’n gestolen geitebok.De Derwisch at, verzadigde zich, en sprak:—Driemaal grooter dan gewone dadels zyn de vruchten van uw buurman.... hoe groot wilt ge dat de uwen worden, oHassan, zoon van ik weet niet wien?Hassanbedacht zich even, en zeide:—Allahgeve u kinderen en vee! Ik wenschte dat m’n dadels driemaal grooter waren, dan ze door u kunnen gemaakt worden.—Zeer wel, sprak de Derwisch. Zie hier ’n vogel, dien ik meebracht uit het verre Oosten. Zeg hem dat elk uwer dadels zoo groot is als drie van uw dadels.—Ik wensch u vrouwen en kameelen, o Derwisch—die aangenaam riekt als olyven—maar wat zal het baten of ik dezen vogel zeg wat niet is?—Doe naar m’n zeggen, hernam de wyze man. Daarvoor ben ik Derwisch, dat ge my niet begrypt.Hassanwenschte den vogel lengte van veeren, en noemde hemRock. Maar ’t was geenrock11. ’t Was ’n kleine vogel die wel wat op ’n raaf geleek, met losse tong en hippelenden tred. De Derwisch had hem meegenomen van Indaloes12waar hy was aangebracht door kooplieden, die over zee waren gekomen uit het land waar de menschen op negers gelyken, schoon ’t ver is van Afrika. DatHassanhet beest “rock” noemde, was omdat hy had opgemerkt dat iemand wien men iets vraagt, uitdyt. En ook ’t omgekeerde. Wie wat noodig heeft van ’n ander, krimpt in. Zoo was ’t in Damaskus.Hassankromp in, en zeide:—Ik ben uw slaaf, o vogelRock! M’n vader was ’n hond... en elk myner dadels is zoo groot als drie van m’n dadels!—’t Is wel, zei de Derwisch. Ga zóó voort, en vreesAllah!Hassanging zoo voort. Hy vreesdeAllah, en vertelde maar altyd door aan den vogel, dat z’n dadels onmogelyk groot waren.Het loon der deugd bleef niet uit. Nog geen driemaal had de Khalif al de bewoonsters van z’n harem laten ombrengen ... nog had geen moeder den tyd gehad hare dochtersbekoorlykte maken voor de markt teRoem13, nog hadHassangeen enkel verdwaald geitebokje ontmoet, om hem gezelschap en in ’t leven te houden op z’n mat, en ziedaar, de vogel riep:—Myn vader is een hond ...Dit is niet noodig, maar hy zei ’tHassanna.... m’n vader is ’n hond, kryg lengte van veeren, de dadels vanHassan Ben14...Ik weet den naam vanHassan’svader niet, en als de man ’n hond was, komt het er ook niet op aan.—De dadels vanHassanzyn driemaal grooter dan ze zyn!Toen waren er betweters inDamaskus, die dit tegenspraken. Maar ’t duurde niet lang. Er was namelyk in de stem des vogels iets dat de lucht deed trillen op ’n wyze die invloed had op de straalbreking. De dadels groeiden, groeiden ... in aller oogen!En de vogel riep maar al voort:—De dadels vanHassanzyn driemaal grooter dan ze zyn!En ze groeiden! Men overgaapte zich om er in te byten.EnAouledwerd zeer mager. MaarHassankocht veel geitebokken en lammeren en hy bouwde een dak over z’n mat. Hy werd zeer eerlyk, en vond het schande als iemand die zelf geen lammeren had, een opat van de zynen. En hy ging voortAllahte vreezen.Deze vroomheid en dien rykdom had hy te danken aan den kleinen vogel, die altyd hetzelfde zei, en leugen tot waarheid maakte door herhaling. Ieder vondHassan’sdadels groot, ieder was gedwongen die te koopen, ieder ...BehalveHassanzelf, die in stilte voorzag zich byAouled, wiens eenige klant hy was.En dit is alzoo gebleven tot op dezen dag.AAN FANCY.Ik zal voortgaan met de geschiedenissen van gezag.Er was eens ’n land, laag gelegen aan de zee, tusschenOost-Friesland en de Schelde...O,Fancymen timmert en metselt om my heen. Het huis dat ik bewoon, wordt verbreed, en hoe breeder het wordt, hoe benauwder zy ’t my maken. Men klopt en schaaft en bikt en zaagt my ’t hoofd in twee ... dit is onaangenaam. DieSilvio Pellicokon van geluk spreken. Ik ga uit, om wat rust te zoeken op de woelige straat. Misschien steel ik ’n horloge, om aanspraak te hebben op wat stilte in de cellulaire gevangenis. Adieu, en denk om den haarlok, dien ge me beloofd hebt.VAN FANCY.Neen, laat ieder z’n horloge houden, men zou weer kwaad van u spreken. Ach, wat zyn dat troostelooze geschiedenissen,die gy verhaalt. Is dat alles waar,Max? Ge hebt my treurig gestemd. O, ik bid u, zeg me in ’n volgenden brief, dat allesnietwaar is, of althans, dat nietalleswaar is. Is dat nu wysbegeerte? De vormleer is droger, maar minder verdrietig. En ook in de vaderlandsche geschiedenis vind ik ... hoe zelden ook toch hier en daar—wat ik vergeefs zoek inuwgeschiedenissen—liefde!Hoe kunt ge zoo scherp zyn,Max, gy die toch zoo goed weet lieftehebben?We zyn verhuisd, maar nog kan ’t oude kabinet de deur niet in. M’n hart ook niet.Ik heb u gevraagd my wat te leeren. Is ’t hiertoe noodig dat ik eerst worde gevoed met spyze zoo bitter als uwe vertellingen van gezag? Geef my iets liefelyks,Max... iets wat niet m’n lippen wit maakt, iets wat my ’n blos geeft van genoegen, en geen bleekheid van ergernis. Ik heb behoefte aan liefde. Moet ik de liefde verliezen door de denkbeelden die ge my geeft ... o, dan zou ik betreuren u gevraagd te hebben om wat kennis! Want ik ben eenmeisje,Max!Een meisje, ja! Maar toch is ’t waar dat iets zeer byzonders met me gebeurd is, dat zeker by weinig meisjes voorvalt. Ik zal u dat vertellen. Ei, wèl beschouwd, is ’t óók ’nGeschiedenis van Gezag, maar fraaier, liefelyker danuwgeschiedenissen. Ik was zes of zeven jaar oud ...Ik word geroepen,Max... wacht tot nieuwe maan ... de geschiedenis die ik u vertellen zal, staat daarmede in verband, en met u ook ... en met m’n haren ook ...O, schryf my iets dat me niet bleek maakt!AAN FANCY.Kleingeloovige! zoo zyt gy allen!Daar staat de boom der kennisse, gewilteten, ge wacht niet op de slang—dat eeuwig symbool van weten en onsterfelyk zyn!—gyzelf steekt de hand uit, en als ’t arme dier ter-goeder-slangentrouw, u den appel toereikt, dien gy vraagt ... dan trekt ge u schuchter terug, en rekt beddelakens!Neen,Fancy, myn geschiedenissen zynniettroosteloos! Onkunde is geen deugd, en lager dan haat, acht ik liefhebben zonder verstand! Weet, ken, kan, onderscheid enkies.Eerst na zulke keuze, is liefde iets waard.O, ik begryp hoe ge schrikt by ’t opheffen van de gordyn diemen, met voordacht en valsheid, gelaten heeft tusschen uw oog en de waarheid! Leugens ontvingen de ouders... leugens geven zy hun kinderen. Als de Oosterling die genot zoekt in verdooving door amfioen, en die ten-laatstebehoeftegevoelt aan vergif, vragenzy: “Wat dan?” zoodra men ze aantoont dat hun denkbeelden rusten op onvasten grondslag.Daar is een lek in ’t schip! roept de verschrikte gezagvoerder.En de passagier antwoordt:—Ik zal u tegenwerken in het stoppen, tenzy ge my iets dergelyks in de plaats geeft.Ik vind beter te varenzonderlek.Telkens moet ik den eisch van lekbegeerige passagiers aanhooren. Telkens is het:Toegestaan! Dàt is leugen, dàt is verzonnen, dàt is schandelyk! Maar ... wat geeft gy in de plaats?Dat wil zeggen: “welken anderen leugen zet gy ons voor, ter vervanging van ’t leugengerecht, dat ge ons ontneemt?”Ik zou kunnen antwoorden:geene... ik weet niets! Ik heb geen gif te bieden, in plaats van ’t gif, dat ik, ruw maar welmeenend, u uit de hand sla, die zich tot ’n vuist balt, uit ondankbaren wrevel over leegte.Dit zou ikkunnenantwoorden.Maar liever zeg ik: zie ik wenschte u te gevengezonde spys!Ik wenschte u te wyzen opgezagdoorliefde, opwelvaart door rechtvaardigheid, opgelukdoordeugd.Dat is één woord: ik wilde u uitnoodigenmensch te zyn! Ziedaar alles!Men bedriegt zich, en men heeft u bedrogen, door hetmensch-zynvoortestellen als iets onwaardigs. Dit doet ’n verkeerd begrepene religie ... ’t WoordGodsdienstkomt hier niet te-pas.Ik wil u dit duidelyk maken door ’n voorbeeld.Een boer zou voor het eerst den heer van ’t land zien. Hoe zal ik hem vereeren, dacht hy, om hem te toonen dat ik besef heb van myn boerschap tegenover zyn heerschap? Wel ik zal m’n knieën wat krom buigen, en m’n teenen naar binnen. Myn linker-schouder zal ik vooruit steken, en m’n hoed omdraaien als ’n molen. Wat scheefs in den hals zal hem voorzeker behagen, en ’t zal hem genoegen doen als ik m’n mond klein maak.Zóó dacht de boer, en zóó deed hy. Maar de heer van ’t dorp zei hem, dat hy niet noodig had zich zoo te verdraaien.Ik vind dat die heer van ’t dorp groot gelyk had.De roeping van den mensch is mensch te zyn.Is deze konklusie u te eenvoudig! O, ik bid u, wantrouw alle slotsommen dienieteenvoudig zyn.Zou de wysheid die een mensch behoeft,nieteenvoudig wezen? Zou ze moeilyker te vatten zyn, dan de reuk der spyzen, zoo gemakkelyk optevangen met onzen neus, dien toch de lieve Natuurheel eenvoudigboven den mond plaatste? Ik geloof zeker, dat de godsdienst-uitvinders dat orgaan ’n plaatsje aan den linkerhiel zouden hebben gegeven, als zy geraadpleegd waren ... wat gelukkig niet gebeurd is.Alles wil omslag, ingewikkeldheid, onnatuur:“Doodt de zinnen!” roepen zy die God meenen te dienen door den mensch te verdraaien, als die boer.“Doodt de zinnen!” roepen zy die gaarne wat willen genieten methunzinnen, en de slimme berekening maken dat er meer zou overschieten, naarmate er minder gebruikt werd.“Doodt de zinnen, werpt weg wat u behagen zou!” riepen ten-allen-tyde de vromen, die met veel graagte aasden op alles wat er werd weggeworpen door de onnoozele zielen, die hen geloofden.Wat zoudt ge zeggen van ’n kind,Fancy, dat meenen zou z’n vader te vereeren door iets anders te zyn dan ’n... kind?En wàt van de oudere broeders, die aan zulk kind trachtten te beduiden dat het zich inkrimpe, en weinig behoort te eten—ad majorem patris gloriam?Zoudt ge niet op ’t denkbeeld komen, dat die oudere broeders begeerte voelden naar wat ruimte en spys?Wie u zelfvernedering voorstelt als deugd is ’n bedrieger.Genot is deugd.Ziedaar ’n paarteksten,Fancy. Preekenschryfik niet. Dit deedJezusook niet. Ik denk dat hy ze vervelend vond, als ik.“Er isgeenGod, of hy moetgoedzyn!” Laat de theologen—’n grappig woord: menschen die wat weten van God ... menschen die u wat kunnen zeggen over God ... menschen die gestudeerd hebben in God,Godgeleerden—laat de theologen tegenspreken dat Hygoedis, als ze durven ...Ach ja, ze durven dit! Ze vertellen lange geschiedenissen—troosteloozer nog dan de myne,Fancy!—over verdoemenis en hel! En, let wel, zy die zulke geschiedenissennietvertellen, deugen minder dan de anderen, die ten-minste konsekwent zyn by-gebreke van wat beters, want in hun Bybelstaandie aardigheden. Zoek maar op: eeuwig vuur, tandengeknars, onsterfelyke wormen ... ’t is pleizierig!Wie nu dat eeuwige vuur en die onvermoeide wormen weggoochelt onder ’t manteltje van de moderne theologie, vertrouw ik in ’t geheel niet. De anderen zondigen tegen ’t verstand alleen. Zy tegen eerlykheid en verstand beide. Dit is erger.Er isgeenGod, of hy moetgoedzyn! Als hy er is—wat ik dolgraag weten wou, en ik blyf er by dat het zyn zaak geweest ware:te zorgen dat wy ’t wisten—dienen wy hem het best doorgenieten.Eilieve,Fancy, gy die ’n goed meisje zyt, zoudtgy’t aangenaam vinden, wanneer ge eenmaal moeder werdt, dat uw kinderen zuur keken? Zoudt ge hun voorschryven u tedienendooronthouding? Immers neen! En waarom zou die god kwaadaardiger wezen dan gy?Maar demaaten desoortvan genot?Ook dit is zeer eenvoudig. Het antwoord staat duidelyk geschreven in ’t vóór ons liggend boek derwerkelykheid, waarin geen enkele tekst vervalscht is en dat men lezen kan, zonder de minste kennis van Hebreeuwsch of Grieksch. ’t Zou ook wel ongelukkig wezen, als de weg ter zaligheid juist leiden moest langsτίπτω.In dat boek staat geschreven dat wie steenen opslikt, z’n maag bezwaart. Wie genot zoekt in overdaad, wordt ziek. Wie z’n naaste doodslaat, krygt den naam van ’n onpleizierig mensch, en wordt behandeld als zoodanig. Wie liegt, wordt niet geloofd. Wie steelt, wordt vastgebonden door personen die wat bezitten. Wie uit het venster springt, bezeert zich. Wie zich in de bres stelt voor arme drommels, lydt gebrek. En wieMinnebrievenschryft, wordt uitgejouwd.In al deze voorschriften uit het boek derwerkelykheidis niets raadselachtigs, zooals men wél vindt in de andere boeken. Dit komt wyl de menschen, die religien maakten,nietmeenden wat zezeiden, en omdat de Natuur wèl meent, wat zedoet. Ge ziet alzoo,Fancy, dat we om wys en goed te worden—wat hetzelfde is! moeten terugkeeren tot die Natuur.Ik ben benieuwd naar uw geschiedenis. Zoudt ge geschaakt zyn op uw zevende jaar? Dit ware te vroeg,Fancy! En hoe dit in-verband staat met uw haren, begryp ik niet. Kan ik u genoegen doen met ’n minnelied? Verlangt ge een verhandeling overVryen-arbeid? Stelt ge belang in ’n analyze van onze wetgeving op het stuk van ouderlyk gezag? Wilt ge weten hoe in Indie het gezag van Nederland ...Maar,Fancy, dan verval ik weer in de geschiedenissen vanGezag, die ge zoo troosteloos vindt ...Zeg me, hoe moet ik schryven om den stryd te winnen tegen de personen—en de zaken helaas!—die my uw ziel schynen te betwisten?Of zou het toch waar wezen, wat ik giste—en nog altyd hoop!—zou ’t waar wezen dat ge niet bestaat? Dat gy ’n fee zyt, die my eenmaal zult aanroeren met uwen staf, om me machtig te maken tot het verrichten van den arbeid dien ik zelf my heb opgelegd?Ik droom wakend van u, en antwoord:Fancy!als men my om geld vraagt, wat vaak gebeurt. Brengt ge my ’n koninkryk in ’t gebied der geesten ten huwelyk? Ik neem ’t gaarne van u aan, en begryp zelfs niet hoe ge ’t zoolang hebt kunnen regeeren zonder my. Zoodra wy “ingericht” zyn, en na de bruidsbezoeken, wil ik ’n blyde boodschap neerzenden op de kleine aarde, die ik vóór m’n trouwen bewoonde. Ik wil de arme menschen die daar zoo verdrietig ongetrouwd achterbleven, zeggen: datgenot deugd is, en dat niets meer genot geeft danLIEFDE!Maar ik zal er niet by zeggen:heb lief!Dan zou ’t weer ’n geschiedenis vanGezagworden, en dit komt by liefde, deugd en genot niet te pas.Toch zou ik gaarne eens zien met m’n wezenlyke oogen, met de oogen die ik gebruik om te slapen. Is hier geen kans op? Waar woont ge nu, na ’t verhuizen? Moet ik bellen aan al de deuren die kleiner zyn dan ’n kabinet? moet ik naar u zoeken in alle huizen die te bekrompen zyn voor ’n hart?Tinevraagt my of ik dikwyls met u wandel, vooral nu ’t lente is.Ik heb “ja” geantwoord, meenende dat ik waarheid sprak, maar later...Waart ge by my, of was ik alleen, toen ik my ergerde over die geslachte varkens?15Want ik begin intezien dat ik me dikwyls bedroog, als ik geloofde u te zien aan m’n zy.Er is iets raadselachtigs in m’n liefde. Ik zal er naar vragen aanTine. Zy weet alles wat my aangaat.AAN TINE.LieveTine! wees zoo goed my te zeggen wieFancyis?Maar spreek geen kwaad van haar, ook al wist ge iets kwaads. Ik zou ’t niet kunnen verdragen, want ik heb haar onbeschryfelyk lief. Vertel my alleen wie zy is.VAN TINE.BesteMax! Ik kenFancyzeer goed. Ik heb haar lang gekend, reeds vyftien jaren! Ze was toen even oud als nu. Kwaad weet ik niet van haar te zeggen. O, integendeel!Maar om haar goed te beschryven, zou ik haar by my moeten hebben. En ze is weer weg, want—dit wist ge niet—ze is hier geweest!Dikwyls was ze blond, en even dikwyls bruin, ja, vaak bruin by ’t zwarte af. Maar altyd was ze vlug als ’n sylf, huppelend als een dwaallicht, gevoelig als de mimosa, verstandig als ’n rekening, en geestig als niets.Gy kent haar ook wel,Max! Ge hebt vergeten wie zy is, omdat gy den laatsten tyd ’n heel anderen weg hebt uitgezien. Denk eens goed na! Herinner u maar dat ge haar herhaaldelyk het venster hebt uitgegooid, omdat ge meende dat onze kinderen te weinig eten kregen door hàre schuld. En hoe ze dan telkens weer binnen kwam door de deur die op ’t nachtslot was. Weet ge ’t niet meer?Ze jokt als ze zegt dat ze er niet by was, toen de aarde werd gemeten met ’n koord! Ze heeft alles bygewoond wat er gebeurd is. Ook is zy het die de psalmen heeft geschreven, en by de Chaldeen gaf ze les in de sterrenkunde. En ’t isnietwaar, dat ze verlegen is om huisvesting voor haar hart! ’t Staat aan háár om de muren uiteentezetten ...Ik begryp waarlyk niet,Max, hoe ge haar niet herkend hebt.’t Is ondankbaar van uw hart, dat meer geheugen behoorde te hebben. Wat my betreft, ik heb haar lief. Zy heeft myn leven heerlyk schoon gemaakt, en ik wyt de schrale voeding onzer kinderen niet aan haar, zoo als gy meermalen deedt in buien van onrechtvaardigheid. En als ge trouwt, kom ik op de bruiloft, metMaxenNonnidie er by hooren.Onlangs wandelden wy, en plukten bloemen. Zy was met ons. KleineMaxvraagde of de bloempjes het wisten, dat het nu wat warm zou blyven . . en, zeide hy:—Zie, ze knikken de zon toe! Ze weten dat ze er lief uitzien, en dat de zon vriendelyk voor hen is.Hoe komt hy aan dit denkbeeld, dacht ik, en vraagde het hem.—Ik heb dat vanFancy, zeide hy.Maar ze leert hem ook ondeugende dingen. Hy liegt niet, maar jokt veel. Dit leert hy van haar.Onlangs hoorde ik hem lachen, zoo-als hy lacht wanneer-i ’n guitenstuk verricht heeft. Ik zag ’n oude werkster die naast ons woont, trippelen en dansen als ’n gek mensch. KleineMaxhad haarCayenne-peper te proeven gegeven.—C’est très doux!had hy gezegd.’t Mensch brandde haar mond aan z’ndouceur. Ik wist niet of ik boos was, of moest meelachen metMax, die over den grond rolde van pleizier.—Dat hebtgygedaan,Fancy, zeide ik vry streng. Zeg me nu ook watikte doen heb, opdat m’n kind niet wreed worde, en vermaak zoeke in leed?En toen zeide ze my zachtkens deze woorden voor, die ik overluid herhaalde:—KleineMax, voel je geen smart van de pyn, die deze vrouw lydt,omdat ze op je vertrouwde?KleineMaxlachte niet meer. De tranen sprongen hem in de oogen, en hy vraagde vergeving aan de oude vrouw die zulke gekke gezichten trok.En meermalen,Max, als ik op ’t punt sta neertebuigen onder al te zwaren last, komtFancymy troosten, en als ze danschalkszegt:—Ik ontsteel u zyn hart ... bedenk dat myn rechten ouder zyn ...Dan moet ik haar gelyk geven! En zonder yverzucht hoor ik aan, wat zy gezegd heeft zonder schaamte.Ik ben waarlyk boos op u, dat ge haar zoo miskent. Maar,Max, herinnert ge u dan niet dat zy altyd uw voorspraak by my geweest is, als gy weêr iets of iemand geschaakt had, of my geslagen? Weet gy niet meer dat ze ons huwelykskontrakt—mynkontrakt!—heeft meegeteekend, precies als ’n ambachtsheer die ’t braafste boerinnetje laat trouwen met den deugdzaamsten aller boerenjongens? Herinnert ge u niet al de schilderyen die zy ons ten-geschenke gaf, genoeg om ’n museum te vullen, zoo groot als de wereld? Dagelyks nog zendt ze my stukken,’t eene fraaier dan ’t andere, neen allen even schoon ... historiestukken,genre, stillevens ... historie vooral!Maar,Max, we komen lysten te kort! Eilieve, ’t staat aan u, lysten te maken om de stukken dieFancyons geeft.Doe dit! Dit kunt ge! Dit moet ge! Dit is uw roeping!Zoo gaf ze my onlangs een teekening, waarvan ik de bedoelingniet begreep, omdat zy iets voorstelde dat nog niet gebeurd is. Javaansche meisjes legden melatiekransen op ’n graf. Dat graf was het uwe,Max! Er stond op een steen:HIER RUST WIE VEEL GEDRAGEN HEEFT.Maak ’n lyst om die teekening. MiskenFancyniet langer, haar en hare geschenken ... ge zyt zeer ondankbaar,Max.VAN FANCY.We zyn weer verhuisd, ’t Wordt al nauwer en nauwer.’t Is my of ik ’n vischfuik inreis, zonder retourbiljet. Nog kan die oude kast het huis niet in ... het eind zal wezen dat wy ’t huis in de kast zetten: dan wordt het sleutelgat, deur.Die gedurige twyfel of ik ’n meisje ben, hindert. Ik ben gesteld op myne identiteit. Zou ’tUsmaken als men zich obstineerde u aantezien voor ’n wolk? Dat men u afweerde met een paraplui. Dat uw droefheid, uw tranen, op ’t weêrglas stonden genoteerd als regen? Of dat men u tegen ’t lyf liep, in de meening door u heen te loopen? Of dat ge werd opgesnoven als aether? Zyn dat pleizierige dingen? Voor den honderdsten keer zeg ik u, dat ik ’nmeisjeben, en om u hiervan goed te overtuigen, zal ik een-en-ander verhalen van myn omgeving. Oordeel zelf of ’n geest dat zou kunnen verzinnen.M’n moeder is dood, en m’n vader hertrouwde omdat ’n vrouw zooveel gemak geeft in ’t huishouden. M’n stiefmoeder is ’n brave vrouw, en dit spyt my zeer, want ik zou ’t gemakkelyker vinden over ondeugd dan over braafheid te klagen, omdat ieder zoo party trekt voor braafheid. Nu verlies ik ’t altyd, wanneer ik zeg dat ze my ’t leven zoo vervelend maakt. Nooit heeft iemand voor haar een weefgetouw uitgevonden. Zy breit, breit ... altyd breit ze, en den overigen tyd knoopt ze, en haakt ze. Maar de uren die zy daarna vry heeft, besteedt ze aan anti-makassers voor de watersnood-lotery. En in verloren oogenblikken stopt ze kousen. Ik heb nog vergeten te zeggen dat zy ter af-wisseling kanapékussens borduurt met kraaltjes. Kent ge dat? Ik vraag niet of ge ’tkunt.Het is aldus:Men koopt of huurt ’n stuk papier dat afgedeeld is in zeer kleine ruitjes, die allen gekleurd zyn, en wel op ’n manier die, als men niet te stipt kykt, dat papier eenige gelykenis geeft met ’n teekening. Zoo iets stelt dan ’n boeket bloemen voor, of de herders in den stal, of ’n boertje dat z’n pyp rookt, of zoo iets dergelyks. Van naby moet men ’t niet zien, want dan is zoo’n pypekop een trapezium—ik “leer” m’n examen voor secondante—en de herders hebben vierkante neuzen. Daarop neemt men ’n stukdoek, ’n soort van zeildoek waarin echter de meeste draden ontbreken, zoodat de ruiten van het zeildoek nagenoeg overeenstemmen met de gekleurde ruiten op ’t papier. Men koopt wol ofzyde, en kralen van allerlei kleur, en men kan beginnen te werken. Want wat nu volgt, heet:werken!en als ik er aan denk, aan m’n gestorven moeder, aanInsulinde, aandegeschiedenissen van gezag ... dan zeggen ze dat ik “leeg”zit.Ikleeg!Welnu, dan zoekt men op ’t papier ’n punt van uitgang, naar verkiezing. Daartoe neemt men, als ’t in den stal is, de luiermand of van den boer de wang die meestal kersrood ziet, om de braafheid aantetoonen van den landelyken stand. Die braafheid is dan, byv. uitgedrukt in vier kleuren, verdeeld in dertien ruiten, hoogrood, donkerrood, rozerood, bleekrood. Men legt de wol of de kralen op de wang van den boer, om ’n model te nemen van de nuance zyner landelyke deugd, en dan brengt men die over op het doek, door den draad vasttestrikken in de geruite openingen. Het begin is dan gemaakt, en wat er nu volgt, is gemakkelyk. Men telt maar altyd van dien boer of van de luiermand af, en dan weet men precies waar de zeven zwarte kralen ’t huishooren, die de verrukking aanduiden van de herders, of de parallelogram van geelwitte zyde, die licht moet brengen in ’t oog van de kraamvrouw. Als ’t gereed is, begint men ’n ander.Maar nu moet ik u iets vragen. Ik heb ’n oom die altyd spreekt van “’n Christelyk huwelyk.”—Dit is niet de oom van “de” vrouw: ik heb veel ooms ... o!—Wat is toch ’n Christelyk huwelyk? Ik heb er m’n bybel op nageslagen, en daarvan niets gevonden. Ik zie niet dat Christus voorschriften over ’t huwelyk heeft gegeven. Hy zegt, meen ik, alleen dat het ’n wereldsche zaak is. Maar is dàt nu een Christelyk huwelyk? Ik meen dien boer, dien pypekop en de herders? M’n vader heeft aan m’n stiefmoeder vier kinderen ten-huwelyk gebracht. Zy is een brave vrouw, en zou dus niets doen dat niet goed is in zulk een gewichtige zaak. Hoe legt ge nu uit, dat zy de huwelyksgift myns vaders waardeert naar behooren, door dat eeuwige breien, stoppen, stikken, naaien, haken, borduren en knoopen?—Lieve moeder, heb ik dikwyls gezegd, we hebben kousen te veel, en gyzelf draagt maar één japon tegelyk! We gebruiken weinig pomade, en dus die anti-Makassers ... en bovendien, we zitten “fatsoenlyk” recht. Nooit raakte ons bezoedeld hoofd de kussens van de sofa ... die de deur niet inkon ...Ja ... watersnood!Eilieve ook wy zyn in nood, al is het nood door droogte! Moet dan de nood volstrekt nat wezen, om te werken op ’t gevoel? Wy, m’n zusters en m’n broertje hadden ook aanspraak op wat hulp, op wat onderricht, op wat leiding, op wat liefde! Is ’t een vereischte dat we eerst verdrinken, voor men ...Hoor eens,Max, als we weer verhuizen, hoop ik dat het ditmaal wezen zal naar de Bommelerwaard.En m’n vader! Staat er niets in de wet tegen vaders die hun kinderen verruilen tegen gestopte kousen? Ik begryp waarlyk de verhouding niet recht tusschen ouders en kinderen. Ik heb ’n liefhebbend hart,Max, en daarby behoefte aan wat kennis. Welnu, als ik m’n vader daarnaar vraag, zegt hy dat-i geen schoolmeester is, en wat het liefhebben aangaat schyn ik te moeten wachten op een aanstaanden kollega, als ik les zal geven in de vormleer.Ik begrypm’nleven niet. Inkeepsakesen muzen-almanakken is ’n meisje iets liefs, iets belangryks, iets poëtieks. Ik ben een meisje, en voel me ónlief, ónbelangryk en volstrekt niet poëtisch!Waaraan ligt dit?—Uw leeftyd, zei ’n oom—’n anderen alweer—uw leeftyd is de schoonste tyd van ’t leven!OMax, oMax, wat heb ik te denken van de rest!En ’t zyn brave menschen, m’n ouders. Spreek geen kwaad van hen. M’n vader slaat geen preekbeurt van Ds.Meyboomover, en betaalt prompt z’n rekeningen. Doe hem dit na als ge kunt!En m’n moeder is inderdaad kerksch en fatsoenlyk, maar ...Ik verbeeld me dat ’n bloempotje veel goed zou doen in ons huis.Schryf me spoedig. Ik lees uw brieven zoo gaarne! Ze maken op my den indruk van den absenten bloempot, schoon uw geschiedenissen van Gezag ...Neen, oprecht wil ik zyn, al bèn ik dan ’n meisje! Ik vond eigenlyk alleen hierom uw vertellingen zoo troosteloos, wyl ik zelf—’t kost moeite het te bekennen—wyl ’t gezag dat ge aantast ... wyl ik ... uit verveling,.. ik heb ’n katje,Max... en ... uit verveling ...Lieve hemel, wat valt het me zwaar de waarheid te zeggen... oMax, ge ziet wel dat ik ’n meisje ben!Dat beestje ... welnu, uit verveling heb ik ’t wel eens ... geknepen! ’t Is er uit! Dàt geeft lucht!Ik ben zoo bang dat m’n katje uwe geschiedenissen overGezagzal inzien, en dan ... zal ’t zich beroepen op u, en... me krabben, als ik ’t plaag ... ziedaar!P.R. Ik dank u zeer voor de lezing vanTine’slaatsten brief, schoon ik er niets van begryp. Is dat klimaat vanLaekenwel gezond? Schilderyen, lysten, ’n huwelykskontract geteekend op m’n vierde jaar als ambachtsheer—want ik was vier jaar oud, vyftien jaar geleden—ik begryp er niets van! Hebt ge my ooit het venster uitgegooid? Ik weet het niet, waarlyk ik weet het niet! En aan het meten van de aarde heb ik nooit geholpen. Is ’t welgezondte Laeken?Over ’n paar dagen: kniptyd! M’n haren ... ik word geroepen.VAN FANCY AAN TINE.Sj ... sj ... sj ... t!Wat heb ik u gedaan, dat ge my verklapt? Lààt hem zoo dom als-i is. ’t Is maar ’nman,hy die altyd roept: ze is maar ’nmeisje! Ik zou niet zooveel van hem houden, als hy minder dom was. Ik ben van plan hem ’n geschiedenis voortejokken, mooier dan vanSAARTJE BURGERHART... die de flensjes opat. Daar deed ik wèl aan, want ...SAARTJEwasik, dit begrypt ge! Maar in dien tyd sprak ik anders met de menschen, omdat de moderne theologie nog niet was uitgevonden. Ook had men de elektriciteit nog niet “in ’n lystje gezet.” Ge ziet ik neem m’n eigendom terug, de uitdrukking die ik u vóorzei, toen ge uwen laatsten—verraderlyken!—brief schreeft. Doe zoo-iets nooit weer!Toen ik by de juffrouwenWOLFenDEKENin deBeemsterlogeerde, waren de menschen nog dommer dan uw zeer, zéér dommeMax. Maar láát hem zoo! ’t Is nuttig hem te doen gelooven dat ik zwaarte heb. Zoolang hy me aanziet voor onweegbaar licht, schryft hy te wolkerig, en ik wil dat z’n brieven worden begrepen ook door de meisjes dienietin de wolken wonen ... door de meerderheid! Verklap me dus nooit weer! Wanneer ge ’t nog eens doet, zend ik u geen schilderyen meer, geen teekening, geen schets, geen streep ... ja, ik zou ...Neen!Dit zou ikNIET! Ik zal u blyven steunen in uw moeilyke taak, edele moedige verhevene vrouw ... trouwe dappere echtgenoot ... sterke moeder ... heldin!Ik zal blyven by u, naast u, in u! Ik zal u begeleiden tot de laatste ure, en die ure zal ik u zoet maken door ’t vóórhouden eener schildery van uw rein leven, dat het u zy als ’n spiegel van gelukkiger toestand! Want ik zegge u hier, wat ik nooit zeide tothem,U zegik,dat gy onsterfelyk zyt!En kan ik vóór dien tyd niet al de tranen drogen, die ge weent in ’t geheim, uit edele gierigheid op smart—menschen die zóó liefhebben, moeten lyden, deed ik hem zeggen—o, toch zal ik beletten, dat uw kinderen het zilt proeven in spyze met die tranen gedrenkt! Tóch zal ik hen blinden voor de weifeling die moeders hand onzeker maakt, wanneer ze hun brood reikt ... graag als zy is om heden te geven, maar zoo begeerig ook om te bewaren tot morgen!Tòch zal ik neerzweven op de sponde waar ge slaapt, en u droomen geven van zachtheid en kalmte, dat ge wat sterkte samelt voor den dag die komen zal, na de vermoeienis van den dag dien ge doorleedt.Tòch zal ik de kracht gieten in uw afgemat lichaam, dat het deziel niet alleen late, vóór den tyd. Ik zal de spieren van uw mond saemtrekken tot den glimlach, dienhynoodig heeft om niet te bezwyken,hydie wil dat ge de pyn niet voelt, die gezegtniet te gevoelen.Houd moed,myn kind! Zie my aan, wees wel-te-moede, zoo alsuwkinderen dat zyn, wanneer ze staren op u! Beniku minder dan gyhun? Weten ze niet datgywaakt? En weetGYniet datikwaak ...ik,Fancy?Voelt ge op uw voorhoofd den kus dien ik u zegenend zend?Wees met de kleinen gegroet ...VAN FANCY.OMax, help my! Ik zit in nood—zonder water, alweer—ik heb uw hulp noodig! Zyt ge Meester in de rechten, of prokureur of deurwaarder ... in ’t kort, iemand die verstand heeft van de wet! Want er komt veelwetin de historie die me nu overkomen is. Ik wil volstrekt weten of men ’n piano mag meenemen in ... ’t verbeterhuis? Dáárheen namelykleidtm’n eerstvolgende verhuizing ...Ik ben nog niet bekomen van den schrik. Raad me, help me, red me! Schaak me ... als ’t wezen moet. Ge zyt my dat alles schuldig,Max, want ik lyd om-uwentwil. Alsgyte Lebak hadt meegeknoeid, zouiknu geen behoefte hebben aan verbetering. Antwoord terstond of ik m’n piano mag meenemen ... hoewel die niet zal verbeteren in zoo’n gesticht. Ach,ikook niet misschien ... om ’t even! Ik speel deSaïdjahvanRichardHol“heel lief” en zou ’t niet jammer wezen als ik nu in dat tuchthuis ... ’t hoofd loopt me om. Ik word geroepen ... neen, ’t is de tocht! Daar komen ze ... ik hoor ze op den trap ... zware schreden ... hu! Agenten van policie zeker, om my te verbeteren ... neen, ’t was m’n katje ... geschoeid door m’n geweten. Nooit zal ik ’t weer knypen, nooit ... dat zweer ik! Ik weet nu wat het is geknepen te worden! Zoodra ’t nieuwe-maan wordt, zult ge ... nu word ik inderdaad geroepen! Ik heb haast, ik heb angst ... och, kon ik vliegen!Ja, was ik nu maar ’n licht meisje, zooals gy volstrekt van me maken wilt. Dan liet ik my door niemand verbeteren!Maxhelp my! Als ik dan toch verbeterd moet worden, heb ik liever datgy’t doet ... maar liever blyf ik wat ik ben.VAN EEN VADER.Wel-Edele Heer!Ik benKappelman. ’t Is niet de eerste keer, dat ik my over u te beklagen heb. Uw ongepaste uitval, tegen de soort van het bier, dat ik by myn zuurkool gebruik16heeft my volstrekt niet gedeerd. Ik veracht uw geschryf, en nooit zou ik my verwaardigd hebben, u op uw plaats te zetten, door op hetzelve te antwoorden, wanneer ik niet had bemerkt, dat gy u begint te bemoeien met myn huishouden. Myne vrouw heeft ontdekt, dat gy in briefwisseling staat, met een myner dochters—met alle misschien—waarschynlyk om dezelve te verleiden. Ik verbied u, deze verhouding voort te zetten. Ik voed myne kinderen op, in deugd en eere, en wy hebben met uw malle Donquichotterie niets te maken. Ik hoor dat gy vrouw en kinderen hebt, en dat gy dezelve gebrek laat lyden. Bemoei u dáármee, dit zou u beter voegen, dan twist en tweedracht te strooien in een deftig gezin! Ik benKappelmanen duld geen vreemdigheden in myn huis. Wat zoo is, moet zoo blyven, en als er iets moest veranderd worden, zou dit, in allen gevallen, u niet aangaan. Bovendien zyt gy slecht geinformeerd: ik heb nooit een woord gesproken overAlexanderden Groote. Als ik bemerk, dat gy voortgaat u te bemoeien met myn zaken, zal ik strenge maatregelen nemen. Gy kunt u deze moeite sparen, myne kinderen af te halen van de katechisatie. Ik benKappelman.VAN EEN ANDEREN VADER.Mynheer!Myne dochters hebben my bekend, dat zy verboden omgang met u hebben. Ik benKappelman, en verzeker u, dat ik my wenden zal tot de politie, als die gekheid niet terstond ophoudt. Er zyn wetten in het land, die de fatsoenlyke lui beschermen. Myn naam isKappelman: gy kunt gerust naar my vragen. Ook verzoek ik u myn zoontje met rust te laten.VAN EEN ANDEREN VADER.Ik ben Kappelman ...................17VAN EEN STIEFMOEDER.Wel-Edele Heer!De dochters vanmynman stoppenscheef, en stikken dat het schande is.Zymerken het onderste-boven, en de kussensloopen waren van de week ongeregen. Ik heb bemerkt dat dit alles uwe schuld is. Ik ben niet van plan toetegeven in al die gekheden, die zy zich door u in ’t hoofd laten zetten, en waarschuw u voor de gevolgen. Ik heb er de wet op nagezien, en weet wat eene stiefmoeder toekomt. Een kind moet zyne ouders eeren, dat staat er, en dàt zal gebeuren, al zou de onderste steen boven.VAN EEN ANDERE STIEFMOEDER.Mynheer!Ik verbied u alle bemoeienis met myn naaiwerk. Toen ik metKappelmantrouwde, heb ’k my voorgenomen, zyn huis te regeeren, en dit doe ik. Een stiefmoeder is geen ouwe lap. Ik wil gehoorzaamd worden, en als ik bemerk, dat gy voortgaat de kinderen van myn man tegen my op te zetten, zult gy zien, dat ik my niet laat aantasten zonder handschoenen. Ik heb er lang en breed over gesproken met myn broer, die in granen deed, maar nu stilleeft van zyn geld.Van zyn geldhoort ge! Dat is wat anders, dan rond te loopen, als een schooier, zooals ik vanuhoor.VAN EEN ANDERE STIEFMOEDER.De dochters van myn man hebben bekend ........18VAN EEN OOM.Wel-Edele Heer!Gy zyt een ellendeling! Ik heb de dochters van myn broeder voor u gewaarschuwd, en haar gezegd dat gy een dief zyt, een echtbreker, een falsaris, een dronkaard, een vrouwenbeul en een gek! En dat gy geen geld hebt, ja, dàt heb ik ook gezegd! Enook dat gy niet hebt willen schryven over vryen arbeid, dat groote schande is, en dat gy uw fortuin met voeten schopt, dat niet te-pas komt.En dat gy alle meisjes verleidt, en dat gy ... kort-om, gy zyt een ellendeling, en ik ben uw dienaar, enz.VAN EEN ANDEREN OOM.Mynheer!Met een diep gevoel van verontwaardiging heb ik van myn broeder, den heerKappelman, vernomen, dat zich sedert eenigen tyd in myn huis iets heeft geopenbaard, dat aandruischt tegen alle Christelyke beginselen van onderdanigheid, gedweeheid en orde, en naar zekere opmerkingen te oordeelen, zoudt gy daarvan de oorzaak zyn. De onwetendheid in goddelyke zaken, die u kenmerkt, en de hoofdigheid, waarmede gy in die onvergefelyke onwetendheid volhardt, hebben het my, met het oog op de voorschriften van onzen Heer en Heiland, uitgedrukt in ’t onschatbaar evangelie, voorgelicht door de profeten des ouden verbonds, en gestaafd en bevestigd door de godsonomstootelyke-genadegaven-bewyzende lessen der wereldhistorie, ten plicht gemaakt, de kinderen van mynen gezegden heer broederKappelmante waarschuwen tegen den ziellichaamzaligheidwelvaart-bedervenden invloed uwer helbevolkende denkbeelden.Ik heb in granen gedaan, en leef nu stil van myn geld. Ik geloof dus als genadedeelachtige Christen te moeten stryden voor de heiligheid van zyn alleenuitverkorenen-zaligmakend geloof, dat aan de pupillen voorschryft hun voogd onderdanig te zyn. Want ik ben de voogd van myns broeders, heersKappelman’skinderen, en zal niet verdragen, dat die kinderen, op eene verdoemenisuitlokkende wyze zich verzetten tegen het gezag, en afwyken van myn geloof.Ik raad u vreeze aan voor den toorn des liefdevollen Gods, die zich niet laat bespotten, en die een God is van gerechte wrake, gelyk te lezen staat inHebreën X vs. 31.VAN EEN ANDEREN OOM.Ik ben liberaal, en tegen alle protektie in den handel. Aan dewonderengeloof ik niet, maar dezedeleervan den bybel is mooi.En als ge de moderne theologie kendet, zoudt ge u schamen. LeesMeyboomover de wonderen, dan zult ge zien dat het geen wonderen zyn. Die kinderen van myn broerKappelman...19VAN EEN TANTE.20VAN EEN ANDERE TANTE.21VAN EEN ANDERE TANTE.22VAN TINE AAN FANCY.Dank, dank voor uwen brief, lieve, hartelyke, weldadige toovergodin! Ja, ik heb uwen kus gevoeld! En zeker voelden de kleinen dien ook: ik heb ze zien glimlachen in hun slaap.Maar, Fancy, ik smeek u, zeghemwat ge zeidet aan my! O, zeghemdat hy onsterfelyk is. O, hadt ge ’t lievermyonthouden, dat heerlyk geschenk uit uw schatkamer, om ’themte geven die er naar smacht! Hy heeft onsterfelykheidnoodig,Fancy, en daarvan de wetenschap! O, zeg hethem! Laatmyderven ... ik zal staande blyven zonder die kennis! Maar hy ... hy is geen moeder,Fancy!AAN TINE.LieveTINE, kent ge ’n familieKappelman? Ik zit in ’n wespennest. Dit komt van ’tBaunscheidtismus, ’n nieuwe leer, die alles geneest door prikken en steken! De wespen vervangen de bloedzuigers. Heel groot is de verandering niet. Of ’t genezen zal, weet ik niet, maar pyn doet het wel.Ik merk uit uw laatsten brief23dat ge weer geen geld hebt. Dit is zeer verdrietig. Wilt ge dat ik schryf voorgeld? Hoe moet ik dat doen? Ik weet waarachtig niet hoe men ’t aanlegt. Als ik m’n portret verkoop, noemen ze dat ydel, en ik vind dat ze niet geheel ongelyk hebben, maar kan ik nu m’n ziel fotografeeren, en te-koop hangen in ’n boekwinkel? Zoudt ge dat prettig vinden? Ware ’t niet om woedend te worden, als men my betastte en beduimelde met vuile handen? WantPubliekis vuil en wreed ... maar de vuilte is ’t ergst. Ik begryp heel goed dat de Jakatranen, die staan bleven zoolang er werd geschoten met lood, terstond wegliepen toenPublieksvoorvaderen begonnen te werpen met andere ammunitie!24Hy is niet ontaard, die m’nheerPubliek, dit moet men hem ter eere nazeggen.Welnu, ook ik ben niet bang voor schieten, houwen en steken, maar als men werpt met vieze dingen, loop ik weg, als een onbeschaafde Jakatraan.Nog ben ik niet geheel verzoend met dienMultatuli, die my zoo uitkleedde in dat boek over de koffi. Wat ging ’t hem aan? Had ikzelf ’t gedaan in een oogenblik van... o lieveTine, geld heb ik niet, maar ik wil u heel gaarne ’n geschiedenis oververtellen van uitkleeden, die ik vind in de noten van Mr.J. van Lennep, op zynEduard van Gelre. Hy zal er immers niet boos om worden, dat ik ditmaal wat van hèm neem? Behelp u met de geschiedenis zoo goed ge kunt, tot ik u iets anders kan zenden. Daarin komt ’n vrouw voor die van uwe familie is, geloof ik, schoon ge niet “opdrachtig” zyt van kleur. Ook zou zy waarschynlyk bleeker geweest zyn, als ze getrouwd ware met my—en dus veel te tobben had gehad—in plaats van met dien Gelderschen hertog die haar slechts verstiet.

Hassanverkocht dadels in de straten van Damaskus. Als ik zeg dat hy die verkocht, bedoel ik eigenlyk dat hy ze niet verkocht, want z’n dadels waren zoo klein, dat niemand die koopen wilde.Met verdriet en afgunst zag hy hoe ieder den rykenAouledbegunstigde, die naast hem woonde op ’n mat. Want ze woonden op matten, in Damaskus, met zeer hooge verdieping, omdat ze geen dak boven zich hadden. De rykdom vanAouledbestond dan ook niet in huizen, maar in ’n tuin die zeer vruchtbaar was, ja zóó vruchtbaar, dat de dadels die er groeiden zoo groot waren als drie gewone dadels. En daarom kochten de voorbygangers de dadels vanAouled, en niet de dadels vanHassan.Daar kwam in de stad ’n Derwisch die wysheid te veel had, en te weinig voedsel. Althans hy ruilde z’n kennis voor spyze, en men zal zien hoe onzeHassanwèlvoer by dien ruil.—Geef my te eten, gebood hem de Derwisch, dan zal ik doen wat geen Khalif voor u doen kan. Ik zal het volk dwingen uw dadels te koopen, door die groot te maken, ja, grooter dan de vruchten vanAouled. Hoe groot zyn die?—Helaas, Derwisch vanAllahgezonden—ik kus uwe voeten—de dadels vanAouled—Allah geef hem krampen—zyn driemaal grooter dan gewone dadels! Treedt binnen op m’n mat, kruis uwe beenen, wees gezegend, en leer my m’n dadels grootmaken, en het volk te dwingen die te koopen.Hassanhad kunnen vragen, waarom de Derwisch die zoo bekwaam was, spyze behoefde? Maar chicaneeren deedHassannooit. Hy zette z’n gast gekookt leder voor, alles wat hy overhad van ’n gestolen geitebok.De Derwisch at, verzadigde zich, en sprak:—Driemaal grooter dan gewone dadels zyn de vruchten van uw buurman.... hoe groot wilt ge dat de uwen worden, oHassan, zoon van ik weet niet wien?Hassanbedacht zich even, en zeide:—Allahgeve u kinderen en vee! Ik wenschte dat m’n dadels driemaal grooter waren, dan ze door u kunnen gemaakt worden.—Zeer wel, sprak de Derwisch. Zie hier ’n vogel, dien ik meebracht uit het verre Oosten. Zeg hem dat elk uwer dadels zoo groot is als drie van uw dadels.—Ik wensch u vrouwen en kameelen, o Derwisch—die aangenaam riekt als olyven—maar wat zal het baten of ik dezen vogel zeg wat niet is?—Doe naar m’n zeggen, hernam de wyze man. Daarvoor ben ik Derwisch, dat ge my niet begrypt.Hassanwenschte den vogel lengte van veeren, en noemde hemRock. Maar ’t was geenrock11. ’t Was ’n kleine vogel die wel wat op ’n raaf geleek, met losse tong en hippelenden tred. De Derwisch had hem meegenomen van Indaloes12waar hy was aangebracht door kooplieden, die over zee waren gekomen uit het land waar de menschen op negers gelyken, schoon ’t ver is van Afrika. DatHassanhet beest “rock” noemde, was omdat hy had opgemerkt dat iemand wien men iets vraagt, uitdyt. En ook ’t omgekeerde. Wie wat noodig heeft van ’n ander, krimpt in. Zoo was ’t in Damaskus.Hassankromp in, en zeide:—Ik ben uw slaaf, o vogelRock! M’n vader was ’n hond... en elk myner dadels is zoo groot als drie van m’n dadels!—’t Is wel, zei de Derwisch. Ga zóó voort, en vreesAllah!Hassanging zoo voort. Hy vreesdeAllah, en vertelde maar altyd door aan den vogel, dat z’n dadels onmogelyk groot waren.Het loon der deugd bleef niet uit. Nog geen driemaal had de Khalif al de bewoonsters van z’n harem laten ombrengen ... nog had geen moeder den tyd gehad hare dochtersbekoorlykte maken voor de markt teRoem13, nog hadHassangeen enkel verdwaald geitebokje ontmoet, om hem gezelschap en in ’t leven te houden op z’n mat, en ziedaar, de vogel riep:—Myn vader is een hond ...Dit is niet noodig, maar hy zei ’tHassanna.... m’n vader is ’n hond, kryg lengte van veeren, de dadels vanHassan Ben14...Ik weet den naam vanHassan’svader niet, en als de man ’n hond was, komt het er ook niet op aan.—De dadels vanHassanzyn driemaal grooter dan ze zyn!Toen waren er betweters inDamaskus, die dit tegenspraken. Maar ’t duurde niet lang. Er was namelyk in de stem des vogels iets dat de lucht deed trillen op ’n wyze die invloed had op de straalbreking. De dadels groeiden, groeiden ... in aller oogen!En de vogel riep maar al voort:—De dadels vanHassanzyn driemaal grooter dan ze zyn!En ze groeiden! Men overgaapte zich om er in te byten.EnAouledwerd zeer mager. MaarHassankocht veel geitebokken en lammeren en hy bouwde een dak over z’n mat. Hy werd zeer eerlyk, en vond het schande als iemand die zelf geen lammeren had, een opat van de zynen. En hy ging voortAllahte vreezen.Deze vroomheid en dien rykdom had hy te danken aan den kleinen vogel, die altyd hetzelfde zei, en leugen tot waarheid maakte door herhaling. Ieder vondHassan’sdadels groot, ieder was gedwongen die te koopen, ieder ...BehalveHassanzelf, die in stilte voorzag zich byAouled, wiens eenige klant hy was.En dit is alzoo gebleven tot op dezen dag.AAN FANCY.Ik zal voortgaan met de geschiedenissen van gezag.Er was eens ’n land, laag gelegen aan de zee, tusschenOost-Friesland en de Schelde...O,Fancymen timmert en metselt om my heen. Het huis dat ik bewoon, wordt verbreed, en hoe breeder het wordt, hoe benauwder zy ’t my maken. Men klopt en schaaft en bikt en zaagt my ’t hoofd in twee ... dit is onaangenaam. DieSilvio Pellicokon van geluk spreken. Ik ga uit, om wat rust te zoeken op de woelige straat. Misschien steel ik ’n horloge, om aanspraak te hebben op wat stilte in de cellulaire gevangenis. Adieu, en denk om den haarlok, dien ge me beloofd hebt.VAN FANCY.Neen, laat ieder z’n horloge houden, men zou weer kwaad van u spreken. Ach, wat zyn dat troostelooze geschiedenissen,die gy verhaalt. Is dat alles waar,Max? Ge hebt my treurig gestemd. O, ik bid u, zeg me in ’n volgenden brief, dat allesnietwaar is, of althans, dat nietalleswaar is. Is dat nu wysbegeerte? De vormleer is droger, maar minder verdrietig. En ook in de vaderlandsche geschiedenis vind ik ... hoe zelden ook toch hier en daar—wat ik vergeefs zoek inuwgeschiedenissen—liefde!Hoe kunt ge zoo scherp zyn,Max, gy die toch zoo goed weet lieftehebben?We zyn verhuisd, maar nog kan ’t oude kabinet de deur niet in. M’n hart ook niet.Ik heb u gevraagd my wat te leeren. Is ’t hiertoe noodig dat ik eerst worde gevoed met spyze zoo bitter als uwe vertellingen van gezag? Geef my iets liefelyks,Max... iets wat niet m’n lippen wit maakt, iets wat my ’n blos geeft van genoegen, en geen bleekheid van ergernis. Ik heb behoefte aan liefde. Moet ik de liefde verliezen door de denkbeelden die ge my geeft ... o, dan zou ik betreuren u gevraagd te hebben om wat kennis! Want ik ben eenmeisje,Max!Een meisje, ja! Maar toch is ’t waar dat iets zeer byzonders met me gebeurd is, dat zeker by weinig meisjes voorvalt. Ik zal u dat vertellen. Ei, wèl beschouwd, is ’t óók ’nGeschiedenis van Gezag, maar fraaier, liefelyker danuwgeschiedenissen. Ik was zes of zeven jaar oud ...Ik word geroepen,Max... wacht tot nieuwe maan ... de geschiedenis die ik u vertellen zal, staat daarmede in verband, en met u ook ... en met m’n haren ook ...O, schryf my iets dat me niet bleek maakt!AAN FANCY.Kleingeloovige! zoo zyt gy allen!Daar staat de boom der kennisse, gewilteten, ge wacht niet op de slang—dat eeuwig symbool van weten en onsterfelyk zyn!—gyzelf steekt de hand uit, en als ’t arme dier ter-goeder-slangentrouw, u den appel toereikt, dien gy vraagt ... dan trekt ge u schuchter terug, en rekt beddelakens!Neen,Fancy, myn geschiedenissen zynniettroosteloos! Onkunde is geen deugd, en lager dan haat, acht ik liefhebben zonder verstand! Weet, ken, kan, onderscheid enkies.Eerst na zulke keuze, is liefde iets waard.O, ik begryp hoe ge schrikt by ’t opheffen van de gordyn diemen, met voordacht en valsheid, gelaten heeft tusschen uw oog en de waarheid! Leugens ontvingen de ouders... leugens geven zy hun kinderen. Als de Oosterling die genot zoekt in verdooving door amfioen, en die ten-laatstebehoeftegevoelt aan vergif, vragenzy: “Wat dan?” zoodra men ze aantoont dat hun denkbeelden rusten op onvasten grondslag.Daar is een lek in ’t schip! roept de verschrikte gezagvoerder.En de passagier antwoordt:—Ik zal u tegenwerken in het stoppen, tenzy ge my iets dergelyks in de plaats geeft.Ik vind beter te varenzonderlek.Telkens moet ik den eisch van lekbegeerige passagiers aanhooren. Telkens is het:Toegestaan! Dàt is leugen, dàt is verzonnen, dàt is schandelyk! Maar ... wat geeft gy in de plaats?Dat wil zeggen: “welken anderen leugen zet gy ons voor, ter vervanging van ’t leugengerecht, dat ge ons ontneemt?”Ik zou kunnen antwoorden:geene... ik weet niets! Ik heb geen gif te bieden, in plaats van ’t gif, dat ik, ruw maar welmeenend, u uit de hand sla, die zich tot ’n vuist balt, uit ondankbaren wrevel over leegte.Dit zou ikkunnenantwoorden.Maar liever zeg ik: zie ik wenschte u te gevengezonde spys!Ik wenschte u te wyzen opgezagdoorliefde, opwelvaart door rechtvaardigheid, opgelukdoordeugd.Dat is één woord: ik wilde u uitnoodigenmensch te zyn! Ziedaar alles!Men bedriegt zich, en men heeft u bedrogen, door hetmensch-zynvoortestellen als iets onwaardigs. Dit doet ’n verkeerd begrepene religie ... ’t WoordGodsdienstkomt hier niet te-pas.Ik wil u dit duidelyk maken door ’n voorbeeld.Een boer zou voor het eerst den heer van ’t land zien. Hoe zal ik hem vereeren, dacht hy, om hem te toonen dat ik besef heb van myn boerschap tegenover zyn heerschap? Wel ik zal m’n knieën wat krom buigen, en m’n teenen naar binnen. Myn linker-schouder zal ik vooruit steken, en m’n hoed omdraaien als ’n molen. Wat scheefs in den hals zal hem voorzeker behagen, en ’t zal hem genoegen doen als ik m’n mond klein maak.Zóó dacht de boer, en zóó deed hy. Maar de heer van ’t dorp zei hem, dat hy niet noodig had zich zoo te verdraaien.Ik vind dat die heer van ’t dorp groot gelyk had.De roeping van den mensch is mensch te zyn.Is deze konklusie u te eenvoudig! O, ik bid u, wantrouw alle slotsommen dienieteenvoudig zyn.Zou de wysheid die een mensch behoeft,nieteenvoudig wezen? Zou ze moeilyker te vatten zyn, dan de reuk der spyzen, zoo gemakkelyk optevangen met onzen neus, dien toch de lieve Natuurheel eenvoudigboven den mond plaatste? Ik geloof zeker, dat de godsdienst-uitvinders dat orgaan ’n plaatsje aan den linkerhiel zouden hebben gegeven, als zy geraadpleegd waren ... wat gelukkig niet gebeurd is.Alles wil omslag, ingewikkeldheid, onnatuur:“Doodt de zinnen!” roepen zy die God meenen te dienen door den mensch te verdraaien, als die boer.“Doodt de zinnen!” roepen zy die gaarne wat willen genieten methunzinnen, en de slimme berekening maken dat er meer zou overschieten, naarmate er minder gebruikt werd.“Doodt de zinnen, werpt weg wat u behagen zou!” riepen ten-allen-tyde de vromen, die met veel graagte aasden op alles wat er werd weggeworpen door de onnoozele zielen, die hen geloofden.Wat zoudt ge zeggen van ’n kind,Fancy, dat meenen zou z’n vader te vereeren door iets anders te zyn dan ’n... kind?En wàt van de oudere broeders, die aan zulk kind trachtten te beduiden dat het zich inkrimpe, en weinig behoort te eten—ad majorem patris gloriam?Zoudt ge niet op ’t denkbeeld komen, dat die oudere broeders begeerte voelden naar wat ruimte en spys?Wie u zelfvernedering voorstelt als deugd is ’n bedrieger.Genot is deugd.Ziedaar ’n paarteksten,Fancy. Preekenschryfik niet. Dit deedJezusook niet. Ik denk dat hy ze vervelend vond, als ik.“Er isgeenGod, of hy moetgoedzyn!” Laat de theologen—’n grappig woord: menschen die wat weten van God ... menschen die u wat kunnen zeggen over God ... menschen die gestudeerd hebben in God,Godgeleerden—laat de theologen tegenspreken dat Hygoedis, als ze durven ...Ach ja, ze durven dit! Ze vertellen lange geschiedenissen—troosteloozer nog dan de myne,Fancy!—over verdoemenis en hel! En, let wel, zy die zulke geschiedenissennietvertellen, deugen minder dan de anderen, die ten-minste konsekwent zyn by-gebreke van wat beters, want in hun Bybelstaandie aardigheden. Zoek maar op: eeuwig vuur, tandengeknars, onsterfelyke wormen ... ’t is pleizierig!Wie nu dat eeuwige vuur en die onvermoeide wormen weggoochelt onder ’t manteltje van de moderne theologie, vertrouw ik in ’t geheel niet. De anderen zondigen tegen ’t verstand alleen. Zy tegen eerlykheid en verstand beide. Dit is erger.Er isgeenGod, of hy moetgoedzyn! Als hy er is—wat ik dolgraag weten wou, en ik blyf er by dat het zyn zaak geweest ware:te zorgen dat wy ’t wisten—dienen wy hem het best doorgenieten.Eilieve,Fancy, gy die ’n goed meisje zyt, zoudtgy’t aangenaam vinden, wanneer ge eenmaal moeder werdt, dat uw kinderen zuur keken? Zoudt ge hun voorschryven u tedienendooronthouding? Immers neen! En waarom zou die god kwaadaardiger wezen dan gy?Maar demaaten desoortvan genot?Ook dit is zeer eenvoudig. Het antwoord staat duidelyk geschreven in ’t vóór ons liggend boek derwerkelykheid, waarin geen enkele tekst vervalscht is en dat men lezen kan, zonder de minste kennis van Hebreeuwsch of Grieksch. ’t Zou ook wel ongelukkig wezen, als de weg ter zaligheid juist leiden moest langsτίπτω.In dat boek staat geschreven dat wie steenen opslikt, z’n maag bezwaart. Wie genot zoekt in overdaad, wordt ziek. Wie z’n naaste doodslaat, krygt den naam van ’n onpleizierig mensch, en wordt behandeld als zoodanig. Wie liegt, wordt niet geloofd. Wie steelt, wordt vastgebonden door personen die wat bezitten. Wie uit het venster springt, bezeert zich. Wie zich in de bres stelt voor arme drommels, lydt gebrek. En wieMinnebrievenschryft, wordt uitgejouwd.In al deze voorschriften uit het boek derwerkelykheidis niets raadselachtigs, zooals men wél vindt in de andere boeken. Dit komt wyl de menschen, die religien maakten,nietmeenden wat zezeiden, en omdat de Natuur wèl meent, wat zedoet. Ge ziet alzoo,Fancy, dat we om wys en goed te worden—wat hetzelfde is! moeten terugkeeren tot die Natuur.Ik ben benieuwd naar uw geschiedenis. Zoudt ge geschaakt zyn op uw zevende jaar? Dit ware te vroeg,Fancy! En hoe dit in-verband staat met uw haren, begryp ik niet. Kan ik u genoegen doen met ’n minnelied? Verlangt ge een verhandeling overVryen-arbeid? Stelt ge belang in ’n analyze van onze wetgeving op het stuk van ouderlyk gezag? Wilt ge weten hoe in Indie het gezag van Nederland ...Maar,Fancy, dan verval ik weer in de geschiedenissen vanGezag, die ge zoo troosteloos vindt ...Zeg me, hoe moet ik schryven om den stryd te winnen tegen de personen—en de zaken helaas!—die my uw ziel schynen te betwisten?Of zou het toch waar wezen, wat ik giste—en nog altyd hoop!—zou ’t waar wezen dat ge niet bestaat? Dat gy ’n fee zyt, die my eenmaal zult aanroeren met uwen staf, om me machtig te maken tot het verrichten van den arbeid dien ik zelf my heb opgelegd?Ik droom wakend van u, en antwoord:Fancy!als men my om geld vraagt, wat vaak gebeurt. Brengt ge my ’n koninkryk in ’t gebied der geesten ten huwelyk? Ik neem ’t gaarne van u aan, en begryp zelfs niet hoe ge ’t zoolang hebt kunnen regeeren zonder my. Zoodra wy “ingericht” zyn, en na de bruidsbezoeken, wil ik ’n blyde boodschap neerzenden op de kleine aarde, die ik vóór m’n trouwen bewoonde. Ik wil de arme menschen die daar zoo verdrietig ongetrouwd achterbleven, zeggen: datgenot deugd is, en dat niets meer genot geeft danLIEFDE!Maar ik zal er niet by zeggen:heb lief!Dan zou ’t weer ’n geschiedenis vanGezagworden, en dit komt by liefde, deugd en genot niet te pas.Toch zou ik gaarne eens zien met m’n wezenlyke oogen, met de oogen die ik gebruik om te slapen. Is hier geen kans op? Waar woont ge nu, na ’t verhuizen? Moet ik bellen aan al de deuren die kleiner zyn dan ’n kabinet? moet ik naar u zoeken in alle huizen die te bekrompen zyn voor ’n hart?Tinevraagt my of ik dikwyls met u wandel, vooral nu ’t lente is.Ik heb “ja” geantwoord, meenende dat ik waarheid sprak, maar later...Waart ge by my, of was ik alleen, toen ik my ergerde over die geslachte varkens?15Want ik begin intezien dat ik me dikwyls bedroog, als ik geloofde u te zien aan m’n zy.Er is iets raadselachtigs in m’n liefde. Ik zal er naar vragen aanTine. Zy weet alles wat my aangaat.AAN TINE.LieveTine! wees zoo goed my te zeggen wieFancyis?Maar spreek geen kwaad van haar, ook al wist ge iets kwaads. Ik zou ’t niet kunnen verdragen, want ik heb haar onbeschryfelyk lief. Vertel my alleen wie zy is.VAN TINE.BesteMax! Ik kenFancyzeer goed. Ik heb haar lang gekend, reeds vyftien jaren! Ze was toen even oud als nu. Kwaad weet ik niet van haar te zeggen. O, integendeel!Maar om haar goed te beschryven, zou ik haar by my moeten hebben. En ze is weer weg, want—dit wist ge niet—ze is hier geweest!Dikwyls was ze blond, en even dikwyls bruin, ja, vaak bruin by ’t zwarte af. Maar altyd was ze vlug als ’n sylf, huppelend als een dwaallicht, gevoelig als de mimosa, verstandig als ’n rekening, en geestig als niets.Gy kent haar ook wel,Max! Ge hebt vergeten wie zy is, omdat gy den laatsten tyd ’n heel anderen weg hebt uitgezien. Denk eens goed na! Herinner u maar dat ge haar herhaaldelyk het venster hebt uitgegooid, omdat ge meende dat onze kinderen te weinig eten kregen door hàre schuld. En hoe ze dan telkens weer binnen kwam door de deur die op ’t nachtslot was. Weet ge ’t niet meer?Ze jokt als ze zegt dat ze er niet by was, toen de aarde werd gemeten met ’n koord! Ze heeft alles bygewoond wat er gebeurd is. Ook is zy het die de psalmen heeft geschreven, en by de Chaldeen gaf ze les in de sterrenkunde. En ’t isnietwaar, dat ze verlegen is om huisvesting voor haar hart! ’t Staat aan háár om de muren uiteentezetten ...Ik begryp waarlyk niet,Max, hoe ge haar niet herkend hebt.’t Is ondankbaar van uw hart, dat meer geheugen behoorde te hebben. Wat my betreft, ik heb haar lief. Zy heeft myn leven heerlyk schoon gemaakt, en ik wyt de schrale voeding onzer kinderen niet aan haar, zoo als gy meermalen deedt in buien van onrechtvaardigheid. En als ge trouwt, kom ik op de bruiloft, metMaxenNonnidie er by hooren.Onlangs wandelden wy, en plukten bloemen. Zy was met ons. KleineMaxvraagde of de bloempjes het wisten, dat het nu wat warm zou blyven . . en, zeide hy:—Zie, ze knikken de zon toe! Ze weten dat ze er lief uitzien, en dat de zon vriendelyk voor hen is.Hoe komt hy aan dit denkbeeld, dacht ik, en vraagde het hem.—Ik heb dat vanFancy, zeide hy.Maar ze leert hem ook ondeugende dingen. Hy liegt niet, maar jokt veel. Dit leert hy van haar.Onlangs hoorde ik hem lachen, zoo-als hy lacht wanneer-i ’n guitenstuk verricht heeft. Ik zag ’n oude werkster die naast ons woont, trippelen en dansen als ’n gek mensch. KleineMaxhad haarCayenne-peper te proeven gegeven.—C’est très doux!had hy gezegd.’t Mensch brandde haar mond aan z’ndouceur. Ik wist niet of ik boos was, of moest meelachen metMax, die over den grond rolde van pleizier.—Dat hebtgygedaan,Fancy, zeide ik vry streng. Zeg me nu ook watikte doen heb, opdat m’n kind niet wreed worde, en vermaak zoeke in leed?En toen zeide ze my zachtkens deze woorden voor, die ik overluid herhaalde:—KleineMax, voel je geen smart van de pyn, die deze vrouw lydt,omdat ze op je vertrouwde?KleineMaxlachte niet meer. De tranen sprongen hem in de oogen, en hy vraagde vergeving aan de oude vrouw die zulke gekke gezichten trok.En meermalen,Max, als ik op ’t punt sta neertebuigen onder al te zwaren last, komtFancymy troosten, en als ze danschalkszegt:—Ik ontsteel u zyn hart ... bedenk dat myn rechten ouder zyn ...Dan moet ik haar gelyk geven! En zonder yverzucht hoor ik aan, wat zy gezegd heeft zonder schaamte.Ik ben waarlyk boos op u, dat ge haar zoo miskent. Maar,Max, herinnert ge u dan niet dat zy altyd uw voorspraak by my geweest is, als gy weêr iets of iemand geschaakt had, of my geslagen? Weet gy niet meer dat ze ons huwelykskontrakt—mynkontrakt!—heeft meegeteekend, precies als ’n ambachtsheer die ’t braafste boerinnetje laat trouwen met den deugdzaamsten aller boerenjongens? Herinnert ge u niet al de schilderyen die zy ons ten-geschenke gaf, genoeg om ’n museum te vullen, zoo groot als de wereld? Dagelyks nog zendt ze my stukken,’t eene fraaier dan ’t andere, neen allen even schoon ... historiestukken,genre, stillevens ... historie vooral!Maar,Max, we komen lysten te kort! Eilieve, ’t staat aan u, lysten te maken om de stukken dieFancyons geeft.Doe dit! Dit kunt ge! Dit moet ge! Dit is uw roeping!Zoo gaf ze my onlangs een teekening, waarvan ik de bedoelingniet begreep, omdat zy iets voorstelde dat nog niet gebeurd is. Javaansche meisjes legden melatiekransen op ’n graf. Dat graf was het uwe,Max! Er stond op een steen:HIER RUST WIE VEEL GEDRAGEN HEEFT.Maak ’n lyst om die teekening. MiskenFancyniet langer, haar en hare geschenken ... ge zyt zeer ondankbaar,Max.VAN FANCY.We zyn weer verhuisd, ’t Wordt al nauwer en nauwer.’t Is my of ik ’n vischfuik inreis, zonder retourbiljet. Nog kan die oude kast het huis niet in ... het eind zal wezen dat wy ’t huis in de kast zetten: dan wordt het sleutelgat, deur.Die gedurige twyfel of ik ’n meisje ben, hindert. Ik ben gesteld op myne identiteit. Zou ’tUsmaken als men zich obstineerde u aantezien voor ’n wolk? Dat men u afweerde met een paraplui. Dat uw droefheid, uw tranen, op ’t weêrglas stonden genoteerd als regen? Of dat men u tegen ’t lyf liep, in de meening door u heen te loopen? Of dat ge werd opgesnoven als aether? Zyn dat pleizierige dingen? Voor den honderdsten keer zeg ik u, dat ik ’nmeisjeben, en om u hiervan goed te overtuigen, zal ik een-en-ander verhalen van myn omgeving. Oordeel zelf of ’n geest dat zou kunnen verzinnen.M’n moeder is dood, en m’n vader hertrouwde omdat ’n vrouw zooveel gemak geeft in ’t huishouden. M’n stiefmoeder is ’n brave vrouw, en dit spyt my zeer, want ik zou ’t gemakkelyker vinden over ondeugd dan over braafheid te klagen, omdat ieder zoo party trekt voor braafheid. Nu verlies ik ’t altyd, wanneer ik zeg dat ze my ’t leven zoo vervelend maakt. Nooit heeft iemand voor haar een weefgetouw uitgevonden. Zy breit, breit ... altyd breit ze, en den overigen tyd knoopt ze, en haakt ze. Maar de uren die zy daarna vry heeft, besteedt ze aan anti-makassers voor de watersnood-lotery. En in verloren oogenblikken stopt ze kousen. Ik heb nog vergeten te zeggen dat zy ter af-wisseling kanapékussens borduurt met kraaltjes. Kent ge dat? Ik vraag niet of ge ’tkunt.Het is aldus:Men koopt of huurt ’n stuk papier dat afgedeeld is in zeer kleine ruitjes, die allen gekleurd zyn, en wel op ’n manier die, als men niet te stipt kykt, dat papier eenige gelykenis geeft met ’n teekening. Zoo iets stelt dan ’n boeket bloemen voor, of de herders in den stal, of ’n boertje dat z’n pyp rookt, of zoo iets dergelyks. Van naby moet men ’t niet zien, want dan is zoo’n pypekop een trapezium—ik “leer” m’n examen voor secondante—en de herders hebben vierkante neuzen. Daarop neemt men ’n stukdoek, ’n soort van zeildoek waarin echter de meeste draden ontbreken, zoodat de ruiten van het zeildoek nagenoeg overeenstemmen met de gekleurde ruiten op ’t papier. Men koopt wol ofzyde, en kralen van allerlei kleur, en men kan beginnen te werken. Want wat nu volgt, heet:werken!en als ik er aan denk, aan m’n gestorven moeder, aanInsulinde, aandegeschiedenissen van gezag ... dan zeggen ze dat ik “leeg”zit.Ikleeg!Welnu, dan zoekt men op ’t papier ’n punt van uitgang, naar verkiezing. Daartoe neemt men, als ’t in den stal is, de luiermand of van den boer de wang die meestal kersrood ziet, om de braafheid aantetoonen van den landelyken stand. Die braafheid is dan, byv. uitgedrukt in vier kleuren, verdeeld in dertien ruiten, hoogrood, donkerrood, rozerood, bleekrood. Men legt de wol of de kralen op de wang van den boer, om ’n model te nemen van de nuance zyner landelyke deugd, en dan brengt men die over op het doek, door den draad vasttestrikken in de geruite openingen. Het begin is dan gemaakt, en wat er nu volgt, is gemakkelyk. Men telt maar altyd van dien boer of van de luiermand af, en dan weet men precies waar de zeven zwarte kralen ’t huishooren, die de verrukking aanduiden van de herders, of de parallelogram van geelwitte zyde, die licht moet brengen in ’t oog van de kraamvrouw. Als ’t gereed is, begint men ’n ander.Maar nu moet ik u iets vragen. Ik heb ’n oom die altyd spreekt van “’n Christelyk huwelyk.”—Dit is niet de oom van “de” vrouw: ik heb veel ooms ... o!—Wat is toch ’n Christelyk huwelyk? Ik heb er m’n bybel op nageslagen, en daarvan niets gevonden. Ik zie niet dat Christus voorschriften over ’t huwelyk heeft gegeven. Hy zegt, meen ik, alleen dat het ’n wereldsche zaak is. Maar is dàt nu een Christelyk huwelyk? Ik meen dien boer, dien pypekop en de herders? M’n vader heeft aan m’n stiefmoeder vier kinderen ten-huwelyk gebracht. Zy is een brave vrouw, en zou dus niets doen dat niet goed is in zulk een gewichtige zaak. Hoe legt ge nu uit, dat zy de huwelyksgift myns vaders waardeert naar behooren, door dat eeuwige breien, stoppen, stikken, naaien, haken, borduren en knoopen?—Lieve moeder, heb ik dikwyls gezegd, we hebben kousen te veel, en gyzelf draagt maar één japon tegelyk! We gebruiken weinig pomade, en dus die anti-Makassers ... en bovendien, we zitten “fatsoenlyk” recht. Nooit raakte ons bezoedeld hoofd de kussens van de sofa ... die de deur niet inkon ...Ja ... watersnood!Eilieve ook wy zyn in nood, al is het nood door droogte! Moet dan de nood volstrekt nat wezen, om te werken op ’t gevoel? Wy, m’n zusters en m’n broertje hadden ook aanspraak op wat hulp, op wat onderricht, op wat leiding, op wat liefde! Is ’t een vereischte dat we eerst verdrinken, voor men ...Hoor eens,Max, als we weer verhuizen, hoop ik dat het ditmaal wezen zal naar de Bommelerwaard.En m’n vader! Staat er niets in de wet tegen vaders die hun kinderen verruilen tegen gestopte kousen? Ik begryp waarlyk de verhouding niet recht tusschen ouders en kinderen. Ik heb ’n liefhebbend hart,Max, en daarby behoefte aan wat kennis. Welnu, als ik m’n vader daarnaar vraag, zegt hy dat-i geen schoolmeester is, en wat het liefhebben aangaat schyn ik te moeten wachten op een aanstaanden kollega, als ik les zal geven in de vormleer.Ik begrypm’nleven niet. Inkeepsakesen muzen-almanakken is ’n meisje iets liefs, iets belangryks, iets poëtieks. Ik ben een meisje, en voel me ónlief, ónbelangryk en volstrekt niet poëtisch!Waaraan ligt dit?—Uw leeftyd, zei ’n oom—’n anderen alweer—uw leeftyd is de schoonste tyd van ’t leven!OMax, oMax, wat heb ik te denken van de rest!En ’t zyn brave menschen, m’n ouders. Spreek geen kwaad van hen. M’n vader slaat geen preekbeurt van Ds.Meyboomover, en betaalt prompt z’n rekeningen. Doe hem dit na als ge kunt!En m’n moeder is inderdaad kerksch en fatsoenlyk, maar ...Ik verbeeld me dat ’n bloempotje veel goed zou doen in ons huis.Schryf me spoedig. Ik lees uw brieven zoo gaarne! Ze maken op my den indruk van den absenten bloempot, schoon uw geschiedenissen van Gezag ...Neen, oprecht wil ik zyn, al bèn ik dan ’n meisje! Ik vond eigenlyk alleen hierom uw vertellingen zoo troosteloos, wyl ik zelf—’t kost moeite het te bekennen—wyl ’t gezag dat ge aantast ... wyl ik ... uit verveling,.. ik heb ’n katje,Max... en ... uit verveling ...Lieve hemel, wat valt het me zwaar de waarheid te zeggen... oMax, ge ziet wel dat ik ’n meisje ben!Dat beestje ... welnu, uit verveling heb ik ’t wel eens ... geknepen! ’t Is er uit! Dàt geeft lucht!Ik ben zoo bang dat m’n katje uwe geschiedenissen overGezagzal inzien, en dan ... zal ’t zich beroepen op u, en... me krabben, als ik ’t plaag ... ziedaar!P.R. Ik dank u zeer voor de lezing vanTine’slaatsten brief, schoon ik er niets van begryp. Is dat klimaat vanLaekenwel gezond? Schilderyen, lysten, ’n huwelykskontract geteekend op m’n vierde jaar als ambachtsheer—want ik was vier jaar oud, vyftien jaar geleden—ik begryp er niets van! Hebt ge my ooit het venster uitgegooid? Ik weet het niet, waarlyk ik weet het niet! En aan het meten van de aarde heb ik nooit geholpen. Is ’t welgezondte Laeken?Over ’n paar dagen: kniptyd! M’n haren ... ik word geroepen.VAN FANCY AAN TINE.Sj ... sj ... sj ... t!Wat heb ik u gedaan, dat ge my verklapt? Lààt hem zoo dom als-i is. ’t Is maar ’nman,hy die altyd roept: ze is maar ’nmeisje! Ik zou niet zooveel van hem houden, als hy minder dom was. Ik ben van plan hem ’n geschiedenis voortejokken, mooier dan vanSAARTJE BURGERHART... die de flensjes opat. Daar deed ik wèl aan, want ...SAARTJEwasik, dit begrypt ge! Maar in dien tyd sprak ik anders met de menschen, omdat de moderne theologie nog niet was uitgevonden. Ook had men de elektriciteit nog niet “in ’n lystje gezet.” Ge ziet ik neem m’n eigendom terug, de uitdrukking die ik u vóorzei, toen ge uwen laatsten—verraderlyken!—brief schreeft. Doe zoo-iets nooit weer!Toen ik by de juffrouwenWOLFenDEKENin deBeemsterlogeerde, waren de menschen nog dommer dan uw zeer, zéér dommeMax. Maar láát hem zoo! ’t Is nuttig hem te doen gelooven dat ik zwaarte heb. Zoolang hy me aanziet voor onweegbaar licht, schryft hy te wolkerig, en ik wil dat z’n brieven worden begrepen ook door de meisjes dienietin de wolken wonen ... door de meerderheid! Verklap me dus nooit weer! Wanneer ge ’t nog eens doet, zend ik u geen schilderyen meer, geen teekening, geen schets, geen streep ... ja, ik zou ...Neen!Dit zou ikNIET! Ik zal u blyven steunen in uw moeilyke taak, edele moedige verhevene vrouw ... trouwe dappere echtgenoot ... sterke moeder ... heldin!Ik zal blyven by u, naast u, in u! Ik zal u begeleiden tot de laatste ure, en die ure zal ik u zoet maken door ’t vóórhouden eener schildery van uw rein leven, dat het u zy als ’n spiegel van gelukkiger toestand! Want ik zegge u hier, wat ik nooit zeide tothem,U zegik,dat gy onsterfelyk zyt!En kan ik vóór dien tyd niet al de tranen drogen, die ge weent in ’t geheim, uit edele gierigheid op smart—menschen die zóó liefhebben, moeten lyden, deed ik hem zeggen—o, toch zal ik beletten, dat uw kinderen het zilt proeven in spyze met die tranen gedrenkt! Tóch zal ik hen blinden voor de weifeling die moeders hand onzeker maakt, wanneer ze hun brood reikt ... graag als zy is om heden te geven, maar zoo begeerig ook om te bewaren tot morgen!Tòch zal ik neerzweven op de sponde waar ge slaapt, en u droomen geven van zachtheid en kalmte, dat ge wat sterkte samelt voor den dag die komen zal, na de vermoeienis van den dag dien ge doorleedt.Tòch zal ik de kracht gieten in uw afgemat lichaam, dat het deziel niet alleen late, vóór den tyd. Ik zal de spieren van uw mond saemtrekken tot den glimlach, dienhynoodig heeft om niet te bezwyken,hydie wil dat ge de pyn niet voelt, die gezegtniet te gevoelen.Houd moed,myn kind! Zie my aan, wees wel-te-moede, zoo alsuwkinderen dat zyn, wanneer ze staren op u! Beniku minder dan gyhun? Weten ze niet datgywaakt? En weetGYniet datikwaak ...ik,Fancy?Voelt ge op uw voorhoofd den kus dien ik u zegenend zend?Wees met de kleinen gegroet ...VAN FANCY.OMax, help my! Ik zit in nood—zonder water, alweer—ik heb uw hulp noodig! Zyt ge Meester in de rechten, of prokureur of deurwaarder ... in ’t kort, iemand die verstand heeft van de wet! Want er komt veelwetin de historie die me nu overkomen is. Ik wil volstrekt weten of men ’n piano mag meenemen in ... ’t verbeterhuis? Dáárheen namelykleidtm’n eerstvolgende verhuizing ...Ik ben nog niet bekomen van den schrik. Raad me, help me, red me! Schaak me ... als ’t wezen moet. Ge zyt my dat alles schuldig,Max, want ik lyd om-uwentwil. Alsgyte Lebak hadt meegeknoeid, zouiknu geen behoefte hebben aan verbetering. Antwoord terstond of ik m’n piano mag meenemen ... hoewel die niet zal verbeteren in zoo’n gesticht. Ach,ikook niet misschien ... om ’t even! Ik speel deSaïdjahvanRichardHol“heel lief” en zou ’t niet jammer wezen als ik nu in dat tuchthuis ... ’t hoofd loopt me om. Ik word geroepen ... neen, ’t is de tocht! Daar komen ze ... ik hoor ze op den trap ... zware schreden ... hu! Agenten van policie zeker, om my te verbeteren ... neen, ’t was m’n katje ... geschoeid door m’n geweten. Nooit zal ik ’t weer knypen, nooit ... dat zweer ik! Ik weet nu wat het is geknepen te worden! Zoodra ’t nieuwe-maan wordt, zult ge ... nu word ik inderdaad geroepen! Ik heb haast, ik heb angst ... och, kon ik vliegen!Ja, was ik nu maar ’n licht meisje, zooals gy volstrekt van me maken wilt. Dan liet ik my door niemand verbeteren!Maxhelp my! Als ik dan toch verbeterd moet worden, heb ik liever datgy’t doet ... maar liever blyf ik wat ik ben.VAN EEN VADER.Wel-Edele Heer!Ik benKappelman. ’t Is niet de eerste keer, dat ik my over u te beklagen heb. Uw ongepaste uitval, tegen de soort van het bier, dat ik by myn zuurkool gebruik16heeft my volstrekt niet gedeerd. Ik veracht uw geschryf, en nooit zou ik my verwaardigd hebben, u op uw plaats te zetten, door op hetzelve te antwoorden, wanneer ik niet had bemerkt, dat gy u begint te bemoeien met myn huishouden. Myne vrouw heeft ontdekt, dat gy in briefwisseling staat, met een myner dochters—met alle misschien—waarschynlyk om dezelve te verleiden. Ik verbied u, deze verhouding voort te zetten. Ik voed myne kinderen op, in deugd en eere, en wy hebben met uw malle Donquichotterie niets te maken. Ik hoor dat gy vrouw en kinderen hebt, en dat gy dezelve gebrek laat lyden. Bemoei u dáármee, dit zou u beter voegen, dan twist en tweedracht te strooien in een deftig gezin! Ik benKappelmanen duld geen vreemdigheden in myn huis. Wat zoo is, moet zoo blyven, en als er iets moest veranderd worden, zou dit, in allen gevallen, u niet aangaan. Bovendien zyt gy slecht geinformeerd: ik heb nooit een woord gesproken overAlexanderden Groote. Als ik bemerk, dat gy voortgaat u te bemoeien met myn zaken, zal ik strenge maatregelen nemen. Gy kunt u deze moeite sparen, myne kinderen af te halen van de katechisatie. Ik benKappelman.VAN EEN ANDEREN VADER.Mynheer!Myne dochters hebben my bekend, dat zy verboden omgang met u hebben. Ik benKappelman, en verzeker u, dat ik my wenden zal tot de politie, als die gekheid niet terstond ophoudt. Er zyn wetten in het land, die de fatsoenlyke lui beschermen. Myn naam isKappelman: gy kunt gerust naar my vragen. Ook verzoek ik u myn zoontje met rust te laten.VAN EEN ANDEREN VADER.Ik ben Kappelman ...................17VAN EEN STIEFMOEDER.Wel-Edele Heer!De dochters vanmynman stoppenscheef, en stikken dat het schande is.Zymerken het onderste-boven, en de kussensloopen waren van de week ongeregen. Ik heb bemerkt dat dit alles uwe schuld is. Ik ben niet van plan toetegeven in al die gekheden, die zy zich door u in ’t hoofd laten zetten, en waarschuw u voor de gevolgen. Ik heb er de wet op nagezien, en weet wat eene stiefmoeder toekomt. Een kind moet zyne ouders eeren, dat staat er, en dàt zal gebeuren, al zou de onderste steen boven.VAN EEN ANDERE STIEFMOEDER.Mynheer!Ik verbied u alle bemoeienis met myn naaiwerk. Toen ik metKappelmantrouwde, heb ’k my voorgenomen, zyn huis te regeeren, en dit doe ik. Een stiefmoeder is geen ouwe lap. Ik wil gehoorzaamd worden, en als ik bemerk, dat gy voortgaat de kinderen van myn man tegen my op te zetten, zult gy zien, dat ik my niet laat aantasten zonder handschoenen. Ik heb er lang en breed over gesproken met myn broer, die in granen deed, maar nu stilleeft van zyn geld.Van zyn geldhoort ge! Dat is wat anders, dan rond te loopen, als een schooier, zooals ik vanuhoor.VAN EEN ANDERE STIEFMOEDER.De dochters van myn man hebben bekend ........18VAN EEN OOM.Wel-Edele Heer!Gy zyt een ellendeling! Ik heb de dochters van myn broeder voor u gewaarschuwd, en haar gezegd dat gy een dief zyt, een echtbreker, een falsaris, een dronkaard, een vrouwenbeul en een gek! En dat gy geen geld hebt, ja, dàt heb ik ook gezegd! Enook dat gy niet hebt willen schryven over vryen arbeid, dat groote schande is, en dat gy uw fortuin met voeten schopt, dat niet te-pas komt.En dat gy alle meisjes verleidt, en dat gy ... kort-om, gy zyt een ellendeling, en ik ben uw dienaar, enz.VAN EEN ANDEREN OOM.Mynheer!Met een diep gevoel van verontwaardiging heb ik van myn broeder, den heerKappelman, vernomen, dat zich sedert eenigen tyd in myn huis iets heeft geopenbaard, dat aandruischt tegen alle Christelyke beginselen van onderdanigheid, gedweeheid en orde, en naar zekere opmerkingen te oordeelen, zoudt gy daarvan de oorzaak zyn. De onwetendheid in goddelyke zaken, die u kenmerkt, en de hoofdigheid, waarmede gy in die onvergefelyke onwetendheid volhardt, hebben het my, met het oog op de voorschriften van onzen Heer en Heiland, uitgedrukt in ’t onschatbaar evangelie, voorgelicht door de profeten des ouden verbonds, en gestaafd en bevestigd door de godsonomstootelyke-genadegaven-bewyzende lessen der wereldhistorie, ten plicht gemaakt, de kinderen van mynen gezegden heer broederKappelmante waarschuwen tegen den ziellichaamzaligheidwelvaart-bedervenden invloed uwer helbevolkende denkbeelden.Ik heb in granen gedaan, en leef nu stil van myn geld. Ik geloof dus als genadedeelachtige Christen te moeten stryden voor de heiligheid van zyn alleenuitverkorenen-zaligmakend geloof, dat aan de pupillen voorschryft hun voogd onderdanig te zyn. Want ik ben de voogd van myns broeders, heersKappelman’skinderen, en zal niet verdragen, dat die kinderen, op eene verdoemenisuitlokkende wyze zich verzetten tegen het gezag, en afwyken van myn geloof.Ik raad u vreeze aan voor den toorn des liefdevollen Gods, die zich niet laat bespotten, en die een God is van gerechte wrake, gelyk te lezen staat inHebreën X vs. 31.VAN EEN ANDEREN OOM.Ik ben liberaal, en tegen alle protektie in den handel. Aan dewonderengeloof ik niet, maar dezedeleervan den bybel is mooi.En als ge de moderne theologie kendet, zoudt ge u schamen. LeesMeyboomover de wonderen, dan zult ge zien dat het geen wonderen zyn. Die kinderen van myn broerKappelman...19VAN EEN TANTE.20VAN EEN ANDERE TANTE.21VAN EEN ANDERE TANTE.22VAN TINE AAN FANCY.Dank, dank voor uwen brief, lieve, hartelyke, weldadige toovergodin! Ja, ik heb uwen kus gevoeld! En zeker voelden de kleinen dien ook: ik heb ze zien glimlachen in hun slaap.Maar, Fancy, ik smeek u, zeghemwat ge zeidet aan my! O, zeghemdat hy onsterfelyk is. O, hadt ge ’t lievermyonthouden, dat heerlyk geschenk uit uw schatkamer, om ’themte geven die er naar smacht! Hy heeft onsterfelykheidnoodig,Fancy, en daarvan de wetenschap! O, zeg hethem! Laatmyderven ... ik zal staande blyven zonder die kennis! Maar hy ... hy is geen moeder,Fancy!AAN TINE.LieveTINE, kent ge ’n familieKappelman? Ik zit in ’n wespennest. Dit komt van ’tBaunscheidtismus, ’n nieuwe leer, die alles geneest door prikken en steken! De wespen vervangen de bloedzuigers. Heel groot is de verandering niet. Of ’t genezen zal, weet ik niet, maar pyn doet het wel.Ik merk uit uw laatsten brief23dat ge weer geen geld hebt. Dit is zeer verdrietig. Wilt ge dat ik schryf voorgeld? Hoe moet ik dat doen? Ik weet waarachtig niet hoe men ’t aanlegt. Als ik m’n portret verkoop, noemen ze dat ydel, en ik vind dat ze niet geheel ongelyk hebben, maar kan ik nu m’n ziel fotografeeren, en te-koop hangen in ’n boekwinkel? Zoudt ge dat prettig vinden? Ware ’t niet om woedend te worden, als men my betastte en beduimelde met vuile handen? WantPubliekis vuil en wreed ... maar de vuilte is ’t ergst. Ik begryp heel goed dat de Jakatranen, die staan bleven zoolang er werd geschoten met lood, terstond wegliepen toenPublieksvoorvaderen begonnen te werpen met andere ammunitie!24Hy is niet ontaard, die m’nheerPubliek, dit moet men hem ter eere nazeggen.Welnu, ook ik ben niet bang voor schieten, houwen en steken, maar als men werpt met vieze dingen, loop ik weg, als een onbeschaafde Jakatraan.Nog ben ik niet geheel verzoend met dienMultatuli, die my zoo uitkleedde in dat boek over de koffi. Wat ging ’t hem aan? Had ikzelf ’t gedaan in een oogenblik van... o lieveTine, geld heb ik niet, maar ik wil u heel gaarne ’n geschiedenis oververtellen van uitkleeden, die ik vind in de noten van Mr.J. van Lennep, op zynEduard van Gelre. Hy zal er immers niet boos om worden, dat ik ditmaal wat van hèm neem? Behelp u met de geschiedenis zoo goed ge kunt, tot ik u iets anders kan zenden. Daarin komt ’n vrouw voor die van uwe familie is, geloof ik, schoon ge niet “opdrachtig” zyt van kleur. Ook zou zy waarschynlyk bleeker geweest zyn, als ze getrouwd ware met my—en dus veel te tobben had gehad—in plaats van met dien Gelderschen hertog die haar slechts verstiet.

Hassanverkocht dadels in de straten van Damaskus. Als ik zeg dat hy die verkocht, bedoel ik eigenlyk dat hy ze niet verkocht, want z’n dadels waren zoo klein, dat niemand die koopen wilde.Met verdriet en afgunst zag hy hoe ieder den rykenAouledbegunstigde, die naast hem woonde op ’n mat. Want ze woonden op matten, in Damaskus, met zeer hooge verdieping, omdat ze geen dak boven zich hadden. De rykdom vanAouledbestond dan ook niet in huizen, maar in ’n tuin die zeer vruchtbaar was, ja zóó vruchtbaar, dat de dadels die er groeiden zoo groot waren als drie gewone dadels. En daarom kochten de voorbygangers de dadels vanAouled, en niet de dadels vanHassan.Daar kwam in de stad ’n Derwisch die wysheid te veel had, en te weinig voedsel. Althans hy ruilde z’n kennis voor spyze, en men zal zien hoe onzeHassanwèlvoer by dien ruil.—Geef my te eten, gebood hem de Derwisch, dan zal ik doen wat geen Khalif voor u doen kan. Ik zal het volk dwingen uw dadels te koopen, door die groot te maken, ja, grooter dan de vruchten vanAouled. Hoe groot zyn die?—Helaas, Derwisch vanAllahgezonden—ik kus uwe voeten—de dadels vanAouled—Allah geef hem krampen—zyn driemaal grooter dan gewone dadels! Treedt binnen op m’n mat, kruis uwe beenen, wees gezegend, en leer my m’n dadels grootmaken, en het volk te dwingen die te koopen.Hassanhad kunnen vragen, waarom de Derwisch die zoo bekwaam was, spyze behoefde? Maar chicaneeren deedHassannooit. Hy zette z’n gast gekookt leder voor, alles wat hy overhad van ’n gestolen geitebok.De Derwisch at, verzadigde zich, en sprak:—Driemaal grooter dan gewone dadels zyn de vruchten van uw buurman.... hoe groot wilt ge dat de uwen worden, oHassan, zoon van ik weet niet wien?Hassanbedacht zich even, en zeide:—Allahgeve u kinderen en vee! Ik wenschte dat m’n dadels driemaal grooter waren, dan ze door u kunnen gemaakt worden.—Zeer wel, sprak de Derwisch. Zie hier ’n vogel, dien ik meebracht uit het verre Oosten. Zeg hem dat elk uwer dadels zoo groot is als drie van uw dadels.—Ik wensch u vrouwen en kameelen, o Derwisch—die aangenaam riekt als olyven—maar wat zal het baten of ik dezen vogel zeg wat niet is?—Doe naar m’n zeggen, hernam de wyze man. Daarvoor ben ik Derwisch, dat ge my niet begrypt.Hassanwenschte den vogel lengte van veeren, en noemde hemRock. Maar ’t was geenrock11. ’t Was ’n kleine vogel die wel wat op ’n raaf geleek, met losse tong en hippelenden tred. De Derwisch had hem meegenomen van Indaloes12waar hy was aangebracht door kooplieden, die over zee waren gekomen uit het land waar de menschen op negers gelyken, schoon ’t ver is van Afrika. DatHassanhet beest “rock” noemde, was omdat hy had opgemerkt dat iemand wien men iets vraagt, uitdyt. En ook ’t omgekeerde. Wie wat noodig heeft van ’n ander, krimpt in. Zoo was ’t in Damaskus.Hassankromp in, en zeide:—Ik ben uw slaaf, o vogelRock! M’n vader was ’n hond... en elk myner dadels is zoo groot als drie van m’n dadels!—’t Is wel, zei de Derwisch. Ga zóó voort, en vreesAllah!Hassanging zoo voort. Hy vreesdeAllah, en vertelde maar altyd door aan den vogel, dat z’n dadels onmogelyk groot waren.Het loon der deugd bleef niet uit. Nog geen driemaal had de Khalif al de bewoonsters van z’n harem laten ombrengen ... nog had geen moeder den tyd gehad hare dochtersbekoorlykte maken voor de markt teRoem13, nog hadHassangeen enkel verdwaald geitebokje ontmoet, om hem gezelschap en in ’t leven te houden op z’n mat, en ziedaar, de vogel riep:—Myn vader is een hond ...Dit is niet noodig, maar hy zei ’tHassanna.... m’n vader is ’n hond, kryg lengte van veeren, de dadels vanHassan Ben14...Ik weet den naam vanHassan’svader niet, en als de man ’n hond was, komt het er ook niet op aan.—De dadels vanHassanzyn driemaal grooter dan ze zyn!Toen waren er betweters inDamaskus, die dit tegenspraken. Maar ’t duurde niet lang. Er was namelyk in de stem des vogels iets dat de lucht deed trillen op ’n wyze die invloed had op de straalbreking. De dadels groeiden, groeiden ... in aller oogen!En de vogel riep maar al voort:—De dadels vanHassanzyn driemaal grooter dan ze zyn!En ze groeiden! Men overgaapte zich om er in te byten.EnAouledwerd zeer mager. MaarHassankocht veel geitebokken en lammeren en hy bouwde een dak over z’n mat. Hy werd zeer eerlyk, en vond het schande als iemand die zelf geen lammeren had, een opat van de zynen. En hy ging voortAllahte vreezen.Deze vroomheid en dien rykdom had hy te danken aan den kleinen vogel, die altyd hetzelfde zei, en leugen tot waarheid maakte door herhaling. Ieder vondHassan’sdadels groot, ieder was gedwongen die te koopen, ieder ...BehalveHassanzelf, die in stilte voorzag zich byAouled, wiens eenige klant hy was.En dit is alzoo gebleven tot op dezen dag.AAN FANCY.Ik zal voortgaan met de geschiedenissen van gezag.Er was eens ’n land, laag gelegen aan de zee, tusschenOost-Friesland en de Schelde...O,Fancymen timmert en metselt om my heen. Het huis dat ik bewoon, wordt verbreed, en hoe breeder het wordt, hoe benauwder zy ’t my maken. Men klopt en schaaft en bikt en zaagt my ’t hoofd in twee ... dit is onaangenaam. DieSilvio Pellicokon van geluk spreken. Ik ga uit, om wat rust te zoeken op de woelige straat. Misschien steel ik ’n horloge, om aanspraak te hebben op wat stilte in de cellulaire gevangenis. Adieu, en denk om den haarlok, dien ge me beloofd hebt.VAN FANCY.Neen, laat ieder z’n horloge houden, men zou weer kwaad van u spreken. Ach, wat zyn dat troostelooze geschiedenissen,die gy verhaalt. Is dat alles waar,Max? Ge hebt my treurig gestemd. O, ik bid u, zeg me in ’n volgenden brief, dat allesnietwaar is, of althans, dat nietalleswaar is. Is dat nu wysbegeerte? De vormleer is droger, maar minder verdrietig. En ook in de vaderlandsche geschiedenis vind ik ... hoe zelden ook toch hier en daar—wat ik vergeefs zoek inuwgeschiedenissen—liefde!Hoe kunt ge zoo scherp zyn,Max, gy die toch zoo goed weet lieftehebben?We zyn verhuisd, maar nog kan ’t oude kabinet de deur niet in. M’n hart ook niet.Ik heb u gevraagd my wat te leeren. Is ’t hiertoe noodig dat ik eerst worde gevoed met spyze zoo bitter als uwe vertellingen van gezag? Geef my iets liefelyks,Max... iets wat niet m’n lippen wit maakt, iets wat my ’n blos geeft van genoegen, en geen bleekheid van ergernis. Ik heb behoefte aan liefde. Moet ik de liefde verliezen door de denkbeelden die ge my geeft ... o, dan zou ik betreuren u gevraagd te hebben om wat kennis! Want ik ben eenmeisje,Max!Een meisje, ja! Maar toch is ’t waar dat iets zeer byzonders met me gebeurd is, dat zeker by weinig meisjes voorvalt. Ik zal u dat vertellen. Ei, wèl beschouwd, is ’t óók ’nGeschiedenis van Gezag, maar fraaier, liefelyker danuwgeschiedenissen. Ik was zes of zeven jaar oud ...Ik word geroepen,Max... wacht tot nieuwe maan ... de geschiedenis die ik u vertellen zal, staat daarmede in verband, en met u ook ... en met m’n haren ook ...O, schryf my iets dat me niet bleek maakt!AAN FANCY.Kleingeloovige! zoo zyt gy allen!Daar staat de boom der kennisse, gewilteten, ge wacht niet op de slang—dat eeuwig symbool van weten en onsterfelyk zyn!—gyzelf steekt de hand uit, en als ’t arme dier ter-goeder-slangentrouw, u den appel toereikt, dien gy vraagt ... dan trekt ge u schuchter terug, en rekt beddelakens!Neen,Fancy, myn geschiedenissen zynniettroosteloos! Onkunde is geen deugd, en lager dan haat, acht ik liefhebben zonder verstand! Weet, ken, kan, onderscheid enkies.Eerst na zulke keuze, is liefde iets waard.O, ik begryp hoe ge schrikt by ’t opheffen van de gordyn diemen, met voordacht en valsheid, gelaten heeft tusschen uw oog en de waarheid! Leugens ontvingen de ouders... leugens geven zy hun kinderen. Als de Oosterling die genot zoekt in verdooving door amfioen, en die ten-laatstebehoeftegevoelt aan vergif, vragenzy: “Wat dan?” zoodra men ze aantoont dat hun denkbeelden rusten op onvasten grondslag.Daar is een lek in ’t schip! roept de verschrikte gezagvoerder.En de passagier antwoordt:—Ik zal u tegenwerken in het stoppen, tenzy ge my iets dergelyks in de plaats geeft.Ik vind beter te varenzonderlek.Telkens moet ik den eisch van lekbegeerige passagiers aanhooren. Telkens is het:Toegestaan! Dàt is leugen, dàt is verzonnen, dàt is schandelyk! Maar ... wat geeft gy in de plaats?Dat wil zeggen: “welken anderen leugen zet gy ons voor, ter vervanging van ’t leugengerecht, dat ge ons ontneemt?”Ik zou kunnen antwoorden:geene... ik weet niets! Ik heb geen gif te bieden, in plaats van ’t gif, dat ik, ruw maar welmeenend, u uit de hand sla, die zich tot ’n vuist balt, uit ondankbaren wrevel over leegte.Dit zou ikkunnenantwoorden.Maar liever zeg ik: zie ik wenschte u te gevengezonde spys!Ik wenschte u te wyzen opgezagdoorliefde, opwelvaart door rechtvaardigheid, opgelukdoordeugd.Dat is één woord: ik wilde u uitnoodigenmensch te zyn! Ziedaar alles!Men bedriegt zich, en men heeft u bedrogen, door hetmensch-zynvoortestellen als iets onwaardigs. Dit doet ’n verkeerd begrepene religie ... ’t WoordGodsdienstkomt hier niet te-pas.Ik wil u dit duidelyk maken door ’n voorbeeld.Een boer zou voor het eerst den heer van ’t land zien. Hoe zal ik hem vereeren, dacht hy, om hem te toonen dat ik besef heb van myn boerschap tegenover zyn heerschap? Wel ik zal m’n knieën wat krom buigen, en m’n teenen naar binnen. Myn linker-schouder zal ik vooruit steken, en m’n hoed omdraaien als ’n molen. Wat scheefs in den hals zal hem voorzeker behagen, en ’t zal hem genoegen doen als ik m’n mond klein maak.Zóó dacht de boer, en zóó deed hy. Maar de heer van ’t dorp zei hem, dat hy niet noodig had zich zoo te verdraaien.Ik vind dat die heer van ’t dorp groot gelyk had.De roeping van den mensch is mensch te zyn.Is deze konklusie u te eenvoudig! O, ik bid u, wantrouw alle slotsommen dienieteenvoudig zyn.Zou de wysheid die een mensch behoeft,nieteenvoudig wezen? Zou ze moeilyker te vatten zyn, dan de reuk der spyzen, zoo gemakkelyk optevangen met onzen neus, dien toch de lieve Natuurheel eenvoudigboven den mond plaatste? Ik geloof zeker, dat de godsdienst-uitvinders dat orgaan ’n plaatsje aan den linkerhiel zouden hebben gegeven, als zy geraadpleegd waren ... wat gelukkig niet gebeurd is.Alles wil omslag, ingewikkeldheid, onnatuur:“Doodt de zinnen!” roepen zy die God meenen te dienen door den mensch te verdraaien, als die boer.“Doodt de zinnen!” roepen zy die gaarne wat willen genieten methunzinnen, en de slimme berekening maken dat er meer zou overschieten, naarmate er minder gebruikt werd.“Doodt de zinnen, werpt weg wat u behagen zou!” riepen ten-allen-tyde de vromen, die met veel graagte aasden op alles wat er werd weggeworpen door de onnoozele zielen, die hen geloofden.Wat zoudt ge zeggen van ’n kind,Fancy, dat meenen zou z’n vader te vereeren door iets anders te zyn dan ’n... kind?En wàt van de oudere broeders, die aan zulk kind trachtten te beduiden dat het zich inkrimpe, en weinig behoort te eten—ad majorem patris gloriam?Zoudt ge niet op ’t denkbeeld komen, dat die oudere broeders begeerte voelden naar wat ruimte en spys?Wie u zelfvernedering voorstelt als deugd is ’n bedrieger.Genot is deugd.Ziedaar ’n paarteksten,Fancy. Preekenschryfik niet. Dit deedJezusook niet. Ik denk dat hy ze vervelend vond, als ik.“Er isgeenGod, of hy moetgoedzyn!” Laat de theologen—’n grappig woord: menschen die wat weten van God ... menschen die u wat kunnen zeggen over God ... menschen die gestudeerd hebben in God,Godgeleerden—laat de theologen tegenspreken dat Hygoedis, als ze durven ...Ach ja, ze durven dit! Ze vertellen lange geschiedenissen—troosteloozer nog dan de myne,Fancy!—over verdoemenis en hel! En, let wel, zy die zulke geschiedenissennietvertellen, deugen minder dan de anderen, die ten-minste konsekwent zyn by-gebreke van wat beters, want in hun Bybelstaandie aardigheden. Zoek maar op: eeuwig vuur, tandengeknars, onsterfelyke wormen ... ’t is pleizierig!Wie nu dat eeuwige vuur en die onvermoeide wormen weggoochelt onder ’t manteltje van de moderne theologie, vertrouw ik in ’t geheel niet. De anderen zondigen tegen ’t verstand alleen. Zy tegen eerlykheid en verstand beide. Dit is erger.Er isgeenGod, of hy moetgoedzyn! Als hy er is—wat ik dolgraag weten wou, en ik blyf er by dat het zyn zaak geweest ware:te zorgen dat wy ’t wisten—dienen wy hem het best doorgenieten.Eilieve,Fancy, gy die ’n goed meisje zyt, zoudtgy’t aangenaam vinden, wanneer ge eenmaal moeder werdt, dat uw kinderen zuur keken? Zoudt ge hun voorschryven u tedienendooronthouding? Immers neen! En waarom zou die god kwaadaardiger wezen dan gy?Maar demaaten desoortvan genot?Ook dit is zeer eenvoudig. Het antwoord staat duidelyk geschreven in ’t vóór ons liggend boek derwerkelykheid, waarin geen enkele tekst vervalscht is en dat men lezen kan, zonder de minste kennis van Hebreeuwsch of Grieksch. ’t Zou ook wel ongelukkig wezen, als de weg ter zaligheid juist leiden moest langsτίπτω.In dat boek staat geschreven dat wie steenen opslikt, z’n maag bezwaart. Wie genot zoekt in overdaad, wordt ziek. Wie z’n naaste doodslaat, krygt den naam van ’n onpleizierig mensch, en wordt behandeld als zoodanig. Wie liegt, wordt niet geloofd. Wie steelt, wordt vastgebonden door personen die wat bezitten. Wie uit het venster springt, bezeert zich. Wie zich in de bres stelt voor arme drommels, lydt gebrek. En wieMinnebrievenschryft, wordt uitgejouwd.In al deze voorschriften uit het boek derwerkelykheidis niets raadselachtigs, zooals men wél vindt in de andere boeken. Dit komt wyl de menschen, die religien maakten,nietmeenden wat zezeiden, en omdat de Natuur wèl meent, wat zedoet. Ge ziet alzoo,Fancy, dat we om wys en goed te worden—wat hetzelfde is! moeten terugkeeren tot die Natuur.Ik ben benieuwd naar uw geschiedenis. Zoudt ge geschaakt zyn op uw zevende jaar? Dit ware te vroeg,Fancy! En hoe dit in-verband staat met uw haren, begryp ik niet. Kan ik u genoegen doen met ’n minnelied? Verlangt ge een verhandeling overVryen-arbeid? Stelt ge belang in ’n analyze van onze wetgeving op het stuk van ouderlyk gezag? Wilt ge weten hoe in Indie het gezag van Nederland ...Maar,Fancy, dan verval ik weer in de geschiedenissen vanGezag, die ge zoo troosteloos vindt ...Zeg me, hoe moet ik schryven om den stryd te winnen tegen de personen—en de zaken helaas!—die my uw ziel schynen te betwisten?Of zou het toch waar wezen, wat ik giste—en nog altyd hoop!—zou ’t waar wezen dat ge niet bestaat? Dat gy ’n fee zyt, die my eenmaal zult aanroeren met uwen staf, om me machtig te maken tot het verrichten van den arbeid dien ik zelf my heb opgelegd?Ik droom wakend van u, en antwoord:Fancy!als men my om geld vraagt, wat vaak gebeurt. Brengt ge my ’n koninkryk in ’t gebied der geesten ten huwelyk? Ik neem ’t gaarne van u aan, en begryp zelfs niet hoe ge ’t zoolang hebt kunnen regeeren zonder my. Zoodra wy “ingericht” zyn, en na de bruidsbezoeken, wil ik ’n blyde boodschap neerzenden op de kleine aarde, die ik vóór m’n trouwen bewoonde. Ik wil de arme menschen die daar zoo verdrietig ongetrouwd achterbleven, zeggen: datgenot deugd is, en dat niets meer genot geeft danLIEFDE!Maar ik zal er niet by zeggen:heb lief!Dan zou ’t weer ’n geschiedenis vanGezagworden, en dit komt by liefde, deugd en genot niet te pas.Toch zou ik gaarne eens zien met m’n wezenlyke oogen, met de oogen die ik gebruik om te slapen. Is hier geen kans op? Waar woont ge nu, na ’t verhuizen? Moet ik bellen aan al de deuren die kleiner zyn dan ’n kabinet? moet ik naar u zoeken in alle huizen die te bekrompen zyn voor ’n hart?Tinevraagt my of ik dikwyls met u wandel, vooral nu ’t lente is.Ik heb “ja” geantwoord, meenende dat ik waarheid sprak, maar later...Waart ge by my, of was ik alleen, toen ik my ergerde over die geslachte varkens?15Want ik begin intezien dat ik me dikwyls bedroog, als ik geloofde u te zien aan m’n zy.Er is iets raadselachtigs in m’n liefde. Ik zal er naar vragen aanTine. Zy weet alles wat my aangaat.AAN TINE.LieveTine! wees zoo goed my te zeggen wieFancyis?Maar spreek geen kwaad van haar, ook al wist ge iets kwaads. Ik zou ’t niet kunnen verdragen, want ik heb haar onbeschryfelyk lief. Vertel my alleen wie zy is.VAN TINE.BesteMax! Ik kenFancyzeer goed. Ik heb haar lang gekend, reeds vyftien jaren! Ze was toen even oud als nu. Kwaad weet ik niet van haar te zeggen. O, integendeel!Maar om haar goed te beschryven, zou ik haar by my moeten hebben. En ze is weer weg, want—dit wist ge niet—ze is hier geweest!Dikwyls was ze blond, en even dikwyls bruin, ja, vaak bruin by ’t zwarte af. Maar altyd was ze vlug als ’n sylf, huppelend als een dwaallicht, gevoelig als de mimosa, verstandig als ’n rekening, en geestig als niets.Gy kent haar ook wel,Max! Ge hebt vergeten wie zy is, omdat gy den laatsten tyd ’n heel anderen weg hebt uitgezien. Denk eens goed na! Herinner u maar dat ge haar herhaaldelyk het venster hebt uitgegooid, omdat ge meende dat onze kinderen te weinig eten kregen door hàre schuld. En hoe ze dan telkens weer binnen kwam door de deur die op ’t nachtslot was. Weet ge ’t niet meer?Ze jokt als ze zegt dat ze er niet by was, toen de aarde werd gemeten met ’n koord! Ze heeft alles bygewoond wat er gebeurd is. Ook is zy het die de psalmen heeft geschreven, en by de Chaldeen gaf ze les in de sterrenkunde. En ’t isnietwaar, dat ze verlegen is om huisvesting voor haar hart! ’t Staat aan háár om de muren uiteentezetten ...Ik begryp waarlyk niet,Max, hoe ge haar niet herkend hebt.’t Is ondankbaar van uw hart, dat meer geheugen behoorde te hebben. Wat my betreft, ik heb haar lief. Zy heeft myn leven heerlyk schoon gemaakt, en ik wyt de schrale voeding onzer kinderen niet aan haar, zoo als gy meermalen deedt in buien van onrechtvaardigheid. En als ge trouwt, kom ik op de bruiloft, metMaxenNonnidie er by hooren.Onlangs wandelden wy, en plukten bloemen. Zy was met ons. KleineMaxvraagde of de bloempjes het wisten, dat het nu wat warm zou blyven . . en, zeide hy:—Zie, ze knikken de zon toe! Ze weten dat ze er lief uitzien, en dat de zon vriendelyk voor hen is.Hoe komt hy aan dit denkbeeld, dacht ik, en vraagde het hem.—Ik heb dat vanFancy, zeide hy.Maar ze leert hem ook ondeugende dingen. Hy liegt niet, maar jokt veel. Dit leert hy van haar.Onlangs hoorde ik hem lachen, zoo-als hy lacht wanneer-i ’n guitenstuk verricht heeft. Ik zag ’n oude werkster die naast ons woont, trippelen en dansen als ’n gek mensch. KleineMaxhad haarCayenne-peper te proeven gegeven.—C’est très doux!had hy gezegd.’t Mensch brandde haar mond aan z’ndouceur. Ik wist niet of ik boos was, of moest meelachen metMax, die over den grond rolde van pleizier.—Dat hebtgygedaan,Fancy, zeide ik vry streng. Zeg me nu ook watikte doen heb, opdat m’n kind niet wreed worde, en vermaak zoeke in leed?En toen zeide ze my zachtkens deze woorden voor, die ik overluid herhaalde:—KleineMax, voel je geen smart van de pyn, die deze vrouw lydt,omdat ze op je vertrouwde?KleineMaxlachte niet meer. De tranen sprongen hem in de oogen, en hy vraagde vergeving aan de oude vrouw die zulke gekke gezichten trok.En meermalen,Max, als ik op ’t punt sta neertebuigen onder al te zwaren last, komtFancymy troosten, en als ze danschalkszegt:—Ik ontsteel u zyn hart ... bedenk dat myn rechten ouder zyn ...Dan moet ik haar gelyk geven! En zonder yverzucht hoor ik aan, wat zy gezegd heeft zonder schaamte.Ik ben waarlyk boos op u, dat ge haar zoo miskent. Maar,Max, herinnert ge u dan niet dat zy altyd uw voorspraak by my geweest is, als gy weêr iets of iemand geschaakt had, of my geslagen? Weet gy niet meer dat ze ons huwelykskontrakt—mynkontrakt!—heeft meegeteekend, precies als ’n ambachtsheer die ’t braafste boerinnetje laat trouwen met den deugdzaamsten aller boerenjongens? Herinnert ge u niet al de schilderyen die zy ons ten-geschenke gaf, genoeg om ’n museum te vullen, zoo groot als de wereld? Dagelyks nog zendt ze my stukken,’t eene fraaier dan ’t andere, neen allen even schoon ... historiestukken,genre, stillevens ... historie vooral!Maar,Max, we komen lysten te kort! Eilieve, ’t staat aan u, lysten te maken om de stukken dieFancyons geeft.Doe dit! Dit kunt ge! Dit moet ge! Dit is uw roeping!Zoo gaf ze my onlangs een teekening, waarvan ik de bedoelingniet begreep, omdat zy iets voorstelde dat nog niet gebeurd is. Javaansche meisjes legden melatiekransen op ’n graf. Dat graf was het uwe,Max! Er stond op een steen:HIER RUST WIE VEEL GEDRAGEN HEEFT.Maak ’n lyst om die teekening. MiskenFancyniet langer, haar en hare geschenken ... ge zyt zeer ondankbaar,Max.VAN FANCY.We zyn weer verhuisd, ’t Wordt al nauwer en nauwer.’t Is my of ik ’n vischfuik inreis, zonder retourbiljet. Nog kan die oude kast het huis niet in ... het eind zal wezen dat wy ’t huis in de kast zetten: dan wordt het sleutelgat, deur.Die gedurige twyfel of ik ’n meisje ben, hindert. Ik ben gesteld op myne identiteit. Zou ’tUsmaken als men zich obstineerde u aantezien voor ’n wolk? Dat men u afweerde met een paraplui. Dat uw droefheid, uw tranen, op ’t weêrglas stonden genoteerd als regen? Of dat men u tegen ’t lyf liep, in de meening door u heen te loopen? Of dat ge werd opgesnoven als aether? Zyn dat pleizierige dingen? Voor den honderdsten keer zeg ik u, dat ik ’nmeisjeben, en om u hiervan goed te overtuigen, zal ik een-en-ander verhalen van myn omgeving. Oordeel zelf of ’n geest dat zou kunnen verzinnen.M’n moeder is dood, en m’n vader hertrouwde omdat ’n vrouw zooveel gemak geeft in ’t huishouden. M’n stiefmoeder is ’n brave vrouw, en dit spyt my zeer, want ik zou ’t gemakkelyker vinden over ondeugd dan over braafheid te klagen, omdat ieder zoo party trekt voor braafheid. Nu verlies ik ’t altyd, wanneer ik zeg dat ze my ’t leven zoo vervelend maakt. Nooit heeft iemand voor haar een weefgetouw uitgevonden. Zy breit, breit ... altyd breit ze, en den overigen tyd knoopt ze, en haakt ze. Maar de uren die zy daarna vry heeft, besteedt ze aan anti-makassers voor de watersnood-lotery. En in verloren oogenblikken stopt ze kousen. Ik heb nog vergeten te zeggen dat zy ter af-wisseling kanapékussens borduurt met kraaltjes. Kent ge dat? Ik vraag niet of ge ’tkunt.Het is aldus:Men koopt of huurt ’n stuk papier dat afgedeeld is in zeer kleine ruitjes, die allen gekleurd zyn, en wel op ’n manier die, als men niet te stipt kykt, dat papier eenige gelykenis geeft met ’n teekening. Zoo iets stelt dan ’n boeket bloemen voor, of de herders in den stal, of ’n boertje dat z’n pyp rookt, of zoo iets dergelyks. Van naby moet men ’t niet zien, want dan is zoo’n pypekop een trapezium—ik “leer” m’n examen voor secondante—en de herders hebben vierkante neuzen. Daarop neemt men ’n stukdoek, ’n soort van zeildoek waarin echter de meeste draden ontbreken, zoodat de ruiten van het zeildoek nagenoeg overeenstemmen met de gekleurde ruiten op ’t papier. Men koopt wol ofzyde, en kralen van allerlei kleur, en men kan beginnen te werken. Want wat nu volgt, heet:werken!en als ik er aan denk, aan m’n gestorven moeder, aanInsulinde, aandegeschiedenissen van gezag ... dan zeggen ze dat ik “leeg”zit.Ikleeg!Welnu, dan zoekt men op ’t papier ’n punt van uitgang, naar verkiezing. Daartoe neemt men, als ’t in den stal is, de luiermand of van den boer de wang die meestal kersrood ziet, om de braafheid aantetoonen van den landelyken stand. Die braafheid is dan, byv. uitgedrukt in vier kleuren, verdeeld in dertien ruiten, hoogrood, donkerrood, rozerood, bleekrood. Men legt de wol of de kralen op de wang van den boer, om ’n model te nemen van de nuance zyner landelyke deugd, en dan brengt men die over op het doek, door den draad vasttestrikken in de geruite openingen. Het begin is dan gemaakt, en wat er nu volgt, is gemakkelyk. Men telt maar altyd van dien boer of van de luiermand af, en dan weet men precies waar de zeven zwarte kralen ’t huishooren, die de verrukking aanduiden van de herders, of de parallelogram van geelwitte zyde, die licht moet brengen in ’t oog van de kraamvrouw. Als ’t gereed is, begint men ’n ander.Maar nu moet ik u iets vragen. Ik heb ’n oom die altyd spreekt van “’n Christelyk huwelyk.”—Dit is niet de oom van “de” vrouw: ik heb veel ooms ... o!—Wat is toch ’n Christelyk huwelyk? Ik heb er m’n bybel op nageslagen, en daarvan niets gevonden. Ik zie niet dat Christus voorschriften over ’t huwelyk heeft gegeven. Hy zegt, meen ik, alleen dat het ’n wereldsche zaak is. Maar is dàt nu een Christelyk huwelyk? Ik meen dien boer, dien pypekop en de herders? M’n vader heeft aan m’n stiefmoeder vier kinderen ten-huwelyk gebracht. Zy is een brave vrouw, en zou dus niets doen dat niet goed is in zulk een gewichtige zaak. Hoe legt ge nu uit, dat zy de huwelyksgift myns vaders waardeert naar behooren, door dat eeuwige breien, stoppen, stikken, naaien, haken, borduren en knoopen?—Lieve moeder, heb ik dikwyls gezegd, we hebben kousen te veel, en gyzelf draagt maar één japon tegelyk! We gebruiken weinig pomade, en dus die anti-Makassers ... en bovendien, we zitten “fatsoenlyk” recht. Nooit raakte ons bezoedeld hoofd de kussens van de sofa ... die de deur niet inkon ...Ja ... watersnood!Eilieve ook wy zyn in nood, al is het nood door droogte! Moet dan de nood volstrekt nat wezen, om te werken op ’t gevoel? Wy, m’n zusters en m’n broertje hadden ook aanspraak op wat hulp, op wat onderricht, op wat leiding, op wat liefde! Is ’t een vereischte dat we eerst verdrinken, voor men ...Hoor eens,Max, als we weer verhuizen, hoop ik dat het ditmaal wezen zal naar de Bommelerwaard.En m’n vader! Staat er niets in de wet tegen vaders die hun kinderen verruilen tegen gestopte kousen? Ik begryp waarlyk de verhouding niet recht tusschen ouders en kinderen. Ik heb ’n liefhebbend hart,Max, en daarby behoefte aan wat kennis. Welnu, als ik m’n vader daarnaar vraag, zegt hy dat-i geen schoolmeester is, en wat het liefhebben aangaat schyn ik te moeten wachten op een aanstaanden kollega, als ik les zal geven in de vormleer.Ik begrypm’nleven niet. Inkeepsakesen muzen-almanakken is ’n meisje iets liefs, iets belangryks, iets poëtieks. Ik ben een meisje, en voel me ónlief, ónbelangryk en volstrekt niet poëtisch!Waaraan ligt dit?—Uw leeftyd, zei ’n oom—’n anderen alweer—uw leeftyd is de schoonste tyd van ’t leven!OMax, oMax, wat heb ik te denken van de rest!En ’t zyn brave menschen, m’n ouders. Spreek geen kwaad van hen. M’n vader slaat geen preekbeurt van Ds.Meyboomover, en betaalt prompt z’n rekeningen. Doe hem dit na als ge kunt!En m’n moeder is inderdaad kerksch en fatsoenlyk, maar ...Ik verbeeld me dat ’n bloempotje veel goed zou doen in ons huis.Schryf me spoedig. Ik lees uw brieven zoo gaarne! Ze maken op my den indruk van den absenten bloempot, schoon uw geschiedenissen van Gezag ...Neen, oprecht wil ik zyn, al bèn ik dan ’n meisje! Ik vond eigenlyk alleen hierom uw vertellingen zoo troosteloos, wyl ik zelf—’t kost moeite het te bekennen—wyl ’t gezag dat ge aantast ... wyl ik ... uit verveling,.. ik heb ’n katje,Max... en ... uit verveling ...Lieve hemel, wat valt het me zwaar de waarheid te zeggen... oMax, ge ziet wel dat ik ’n meisje ben!Dat beestje ... welnu, uit verveling heb ik ’t wel eens ... geknepen! ’t Is er uit! Dàt geeft lucht!Ik ben zoo bang dat m’n katje uwe geschiedenissen overGezagzal inzien, en dan ... zal ’t zich beroepen op u, en... me krabben, als ik ’t plaag ... ziedaar!P.R. Ik dank u zeer voor de lezing vanTine’slaatsten brief, schoon ik er niets van begryp. Is dat klimaat vanLaekenwel gezond? Schilderyen, lysten, ’n huwelykskontract geteekend op m’n vierde jaar als ambachtsheer—want ik was vier jaar oud, vyftien jaar geleden—ik begryp er niets van! Hebt ge my ooit het venster uitgegooid? Ik weet het niet, waarlyk ik weet het niet! En aan het meten van de aarde heb ik nooit geholpen. Is ’t welgezondte Laeken?Over ’n paar dagen: kniptyd! M’n haren ... ik word geroepen.VAN FANCY AAN TINE.Sj ... sj ... sj ... t!Wat heb ik u gedaan, dat ge my verklapt? Lààt hem zoo dom als-i is. ’t Is maar ’nman,hy die altyd roept: ze is maar ’nmeisje! Ik zou niet zooveel van hem houden, als hy minder dom was. Ik ben van plan hem ’n geschiedenis voortejokken, mooier dan vanSAARTJE BURGERHART... die de flensjes opat. Daar deed ik wèl aan, want ...SAARTJEwasik, dit begrypt ge! Maar in dien tyd sprak ik anders met de menschen, omdat de moderne theologie nog niet was uitgevonden. Ook had men de elektriciteit nog niet “in ’n lystje gezet.” Ge ziet ik neem m’n eigendom terug, de uitdrukking die ik u vóorzei, toen ge uwen laatsten—verraderlyken!—brief schreeft. Doe zoo-iets nooit weer!Toen ik by de juffrouwenWOLFenDEKENin deBeemsterlogeerde, waren de menschen nog dommer dan uw zeer, zéér dommeMax. Maar láát hem zoo! ’t Is nuttig hem te doen gelooven dat ik zwaarte heb. Zoolang hy me aanziet voor onweegbaar licht, schryft hy te wolkerig, en ik wil dat z’n brieven worden begrepen ook door de meisjes dienietin de wolken wonen ... door de meerderheid! Verklap me dus nooit weer! Wanneer ge ’t nog eens doet, zend ik u geen schilderyen meer, geen teekening, geen schets, geen streep ... ja, ik zou ...Neen!Dit zou ikNIET! Ik zal u blyven steunen in uw moeilyke taak, edele moedige verhevene vrouw ... trouwe dappere echtgenoot ... sterke moeder ... heldin!Ik zal blyven by u, naast u, in u! Ik zal u begeleiden tot de laatste ure, en die ure zal ik u zoet maken door ’t vóórhouden eener schildery van uw rein leven, dat het u zy als ’n spiegel van gelukkiger toestand! Want ik zegge u hier, wat ik nooit zeide tothem,U zegik,dat gy onsterfelyk zyt!En kan ik vóór dien tyd niet al de tranen drogen, die ge weent in ’t geheim, uit edele gierigheid op smart—menschen die zóó liefhebben, moeten lyden, deed ik hem zeggen—o, toch zal ik beletten, dat uw kinderen het zilt proeven in spyze met die tranen gedrenkt! Tóch zal ik hen blinden voor de weifeling die moeders hand onzeker maakt, wanneer ze hun brood reikt ... graag als zy is om heden te geven, maar zoo begeerig ook om te bewaren tot morgen!Tòch zal ik neerzweven op de sponde waar ge slaapt, en u droomen geven van zachtheid en kalmte, dat ge wat sterkte samelt voor den dag die komen zal, na de vermoeienis van den dag dien ge doorleedt.Tòch zal ik de kracht gieten in uw afgemat lichaam, dat het deziel niet alleen late, vóór den tyd. Ik zal de spieren van uw mond saemtrekken tot den glimlach, dienhynoodig heeft om niet te bezwyken,hydie wil dat ge de pyn niet voelt, die gezegtniet te gevoelen.Houd moed,myn kind! Zie my aan, wees wel-te-moede, zoo alsuwkinderen dat zyn, wanneer ze staren op u! Beniku minder dan gyhun? Weten ze niet datgywaakt? En weetGYniet datikwaak ...ik,Fancy?Voelt ge op uw voorhoofd den kus dien ik u zegenend zend?Wees met de kleinen gegroet ...VAN FANCY.OMax, help my! Ik zit in nood—zonder water, alweer—ik heb uw hulp noodig! Zyt ge Meester in de rechten, of prokureur of deurwaarder ... in ’t kort, iemand die verstand heeft van de wet! Want er komt veelwetin de historie die me nu overkomen is. Ik wil volstrekt weten of men ’n piano mag meenemen in ... ’t verbeterhuis? Dáárheen namelykleidtm’n eerstvolgende verhuizing ...Ik ben nog niet bekomen van den schrik. Raad me, help me, red me! Schaak me ... als ’t wezen moet. Ge zyt my dat alles schuldig,Max, want ik lyd om-uwentwil. Alsgyte Lebak hadt meegeknoeid, zouiknu geen behoefte hebben aan verbetering. Antwoord terstond of ik m’n piano mag meenemen ... hoewel die niet zal verbeteren in zoo’n gesticht. Ach,ikook niet misschien ... om ’t even! Ik speel deSaïdjahvanRichardHol“heel lief” en zou ’t niet jammer wezen als ik nu in dat tuchthuis ... ’t hoofd loopt me om. Ik word geroepen ... neen, ’t is de tocht! Daar komen ze ... ik hoor ze op den trap ... zware schreden ... hu! Agenten van policie zeker, om my te verbeteren ... neen, ’t was m’n katje ... geschoeid door m’n geweten. Nooit zal ik ’t weer knypen, nooit ... dat zweer ik! Ik weet nu wat het is geknepen te worden! Zoodra ’t nieuwe-maan wordt, zult ge ... nu word ik inderdaad geroepen! Ik heb haast, ik heb angst ... och, kon ik vliegen!Ja, was ik nu maar ’n licht meisje, zooals gy volstrekt van me maken wilt. Dan liet ik my door niemand verbeteren!Maxhelp my! Als ik dan toch verbeterd moet worden, heb ik liever datgy’t doet ... maar liever blyf ik wat ik ben.VAN EEN VADER.Wel-Edele Heer!Ik benKappelman. ’t Is niet de eerste keer, dat ik my over u te beklagen heb. Uw ongepaste uitval, tegen de soort van het bier, dat ik by myn zuurkool gebruik16heeft my volstrekt niet gedeerd. Ik veracht uw geschryf, en nooit zou ik my verwaardigd hebben, u op uw plaats te zetten, door op hetzelve te antwoorden, wanneer ik niet had bemerkt, dat gy u begint te bemoeien met myn huishouden. Myne vrouw heeft ontdekt, dat gy in briefwisseling staat, met een myner dochters—met alle misschien—waarschynlyk om dezelve te verleiden. Ik verbied u, deze verhouding voort te zetten. Ik voed myne kinderen op, in deugd en eere, en wy hebben met uw malle Donquichotterie niets te maken. Ik hoor dat gy vrouw en kinderen hebt, en dat gy dezelve gebrek laat lyden. Bemoei u dáármee, dit zou u beter voegen, dan twist en tweedracht te strooien in een deftig gezin! Ik benKappelmanen duld geen vreemdigheden in myn huis. Wat zoo is, moet zoo blyven, en als er iets moest veranderd worden, zou dit, in allen gevallen, u niet aangaan. Bovendien zyt gy slecht geinformeerd: ik heb nooit een woord gesproken overAlexanderden Groote. Als ik bemerk, dat gy voortgaat u te bemoeien met myn zaken, zal ik strenge maatregelen nemen. Gy kunt u deze moeite sparen, myne kinderen af te halen van de katechisatie. Ik benKappelman.VAN EEN ANDEREN VADER.Mynheer!Myne dochters hebben my bekend, dat zy verboden omgang met u hebben. Ik benKappelman, en verzeker u, dat ik my wenden zal tot de politie, als die gekheid niet terstond ophoudt. Er zyn wetten in het land, die de fatsoenlyke lui beschermen. Myn naam isKappelman: gy kunt gerust naar my vragen. Ook verzoek ik u myn zoontje met rust te laten.VAN EEN ANDEREN VADER.Ik ben Kappelman ...................17VAN EEN STIEFMOEDER.Wel-Edele Heer!De dochters vanmynman stoppenscheef, en stikken dat het schande is.Zymerken het onderste-boven, en de kussensloopen waren van de week ongeregen. Ik heb bemerkt dat dit alles uwe schuld is. Ik ben niet van plan toetegeven in al die gekheden, die zy zich door u in ’t hoofd laten zetten, en waarschuw u voor de gevolgen. Ik heb er de wet op nagezien, en weet wat eene stiefmoeder toekomt. Een kind moet zyne ouders eeren, dat staat er, en dàt zal gebeuren, al zou de onderste steen boven.VAN EEN ANDERE STIEFMOEDER.Mynheer!Ik verbied u alle bemoeienis met myn naaiwerk. Toen ik metKappelmantrouwde, heb ’k my voorgenomen, zyn huis te regeeren, en dit doe ik. Een stiefmoeder is geen ouwe lap. Ik wil gehoorzaamd worden, en als ik bemerk, dat gy voortgaat de kinderen van myn man tegen my op te zetten, zult gy zien, dat ik my niet laat aantasten zonder handschoenen. Ik heb er lang en breed over gesproken met myn broer, die in granen deed, maar nu stilleeft van zyn geld.Van zyn geldhoort ge! Dat is wat anders, dan rond te loopen, als een schooier, zooals ik vanuhoor.VAN EEN ANDERE STIEFMOEDER.De dochters van myn man hebben bekend ........18VAN EEN OOM.Wel-Edele Heer!Gy zyt een ellendeling! Ik heb de dochters van myn broeder voor u gewaarschuwd, en haar gezegd dat gy een dief zyt, een echtbreker, een falsaris, een dronkaard, een vrouwenbeul en een gek! En dat gy geen geld hebt, ja, dàt heb ik ook gezegd! Enook dat gy niet hebt willen schryven over vryen arbeid, dat groote schande is, en dat gy uw fortuin met voeten schopt, dat niet te-pas komt.En dat gy alle meisjes verleidt, en dat gy ... kort-om, gy zyt een ellendeling, en ik ben uw dienaar, enz.VAN EEN ANDEREN OOM.Mynheer!Met een diep gevoel van verontwaardiging heb ik van myn broeder, den heerKappelman, vernomen, dat zich sedert eenigen tyd in myn huis iets heeft geopenbaard, dat aandruischt tegen alle Christelyke beginselen van onderdanigheid, gedweeheid en orde, en naar zekere opmerkingen te oordeelen, zoudt gy daarvan de oorzaak zyn. De onwetendheid in goddelyke zaken, die u kenmerkt, en de hoofdigheid, waarmede gy in die onvergefelyke onwetendheid volhardt, hebben het my, met het oog op de voorschriften van onzen Heer en Heiland, uitgedrukt in ’t onschatbaar evangelie, voorgelicht door de profeten des ouden verbonds, en gestaafd en bevestigd door de godsonomstootelyke-genadegaven-bewyzende lessen der wereldhistorie, ten plicht gemaakt, de kinderen van mynen gezegden heer broederKappelmante waarschuwen tegen den ziellichaamzaligheidwelvaart-bedervenden invloed uwer helbevolkende denkbeelden.Ik heb in granen gedaan, en leef nu stil van myn geld. Ik geloof dus als genadedeelachtige Christen te moeten stryden voor de heiligheid van zyn alleenuitverkorenen-zaligmakend geloof, dat aan de pupillen voorschryft hun voogd onderdanig te zyn. Want ik ben de voogd van myns broeders, heersKappelman’skinderen, en zal niet verdragen, dat die kinderen, op eene verdoemenisuitlokkende wyze zich verzetten tegen het gezag, en afwyken van myn geloof.Ik raad u vreeze aan voor den toorn des liefdevollen Gods, die zich niet laat bespotten, en die een God is van gerechte wrake, gelyk te lezen staat inHebreën X vs. 31.VAN EEN ANDEREN OOM.Ik ben liberaal, en tegen alle protektie in den handel. Aan dewonderengeloof ik niet, maar dezedeleervan den bybel is mooi.En als ge de moderne theologie kendet, zoudt ge u schamen. LeesMeyboomover de wonderen, dan zult ge zien dat het geen wonderen zyn. Die kinderen van myn broerKappelman...19VAN EEN TANTE.20VAN EEN ANDERE TANTE.21VAN EEN ANDERE TANTE.22VAN TINE AAN FANCY.Dank, dank voor uwen brief, lieve, hartelyke, weldadige toovergodin! Ja, ik heb uwen kus gevoeld! En zeker voelden de kleinen dien ook: ik heb ze zien glimlachen in hun slaap.Maar, Fancy, ik smeek u, zeghemwat ge zeidet aan my! O, zeghemdat hy onsterfelyk is. O, hadt ge ’t lievermyonthouden, dat heerlyk geschenk uit uw schatkamer, om ’themte geven die er naar smacht! Hy heeft onsterfelykheidnoodig,Fancy, en daarvan de wetenschap! O, zeg hethem! Laatmyderven ... ik zal staande blyven zonder die kennis! Maar hy ... hy is geen moeder,Fancy!AAN TINE.LieveTINE, kent ge ’n familieKappelman? Ik zit in ’n wespennest. Dit komt van ’tBaunscheidtismus, ’n nieuwe leer, die alles geneest door prikken en steken! De wespen vervangen de bloedzuigers. Heel groot is de verandering niet. Of ’t genezen zal, weet ik niet, maar pyn doet het wel.Ik merk uit uw laatsten brief23dat ge weer geen geld hebt. Dit is zeer verdrietig. Wilt ge dat ik schryf voorgeld? Hoe moet ik dat doen? Ik weet waarachtig niet hoe men ’t aanlegt. Als ik m’n portret verkoop, noemen ze dat ydel, en ik vind dat ze niet geheel ongelyk hebben, maar kan ik nu m’n ziel fotografeeren, en te-koop hangen in ’n boekwinkel? Zoudt ge dat prettig vinden? Ware ’t niet om woedend te worden, als men my betastte en beduimelde met vuile handen? WantPubliekis vuil en wreed ... maar de vuilte is ’t ergst. Ik begryp heel goed dat de Jakatranen, die staan bleven zoolang er werd geschoten met lood, terstond wegliepen toenPublieksvoorvaderen begonnen te werpen met andere ammunitie!24Hy is niet ontaard, die m’nheerPubliek, dit moet men hem ter eere nazeggen.Welnu, ook ik ben niet bang voor schieten, houwen en steken, maar als men werpt met vieze dingen, loop ik weg, als een onbeschaafde Jakatraan.Nog ben ik niet geheel verzoend met dienMultatuli, die my zoo uitkleedde in dat boek over de koffi. Wat ging ’t hem aan? Had ikzelf ’t gedaan in een oogenblik van... o lieveTine, geld heb ik niet, maar ik wil u heel gaarne ’n geschiedenis oververtellen van uitkleeden, die ik vind in de noten van Mr.J. van Lennep, op zynEduard van Gelre. Hy zal er immers niet boos om worden, dat ik ditmaal wat van hèm neem? Behelp u met de geschiedenis zoo goed ge kunt, tot ik u iets anders kan zenden. Daarin komt ’n vrouw voor die van uwe familie is, geloof ik, schoon ge niet “opdrachtig” zyt van kleur. Ook zou zy waarschynlyk bleeker geweest zyn, als ze getrouwd ware met my—en dus veel te tobben had gehad—in plaats van met dien Gelderschen hertog die haar slechts verstiet.

Hassanverkocht dadels in de straten van Damaskus. Als ik zeg dat hy die verkocht, bedoel ik eigenlyk dat hy ze niet verkocht, want z’n dadels waren zoo klein, dat niemand die koopen wilde.

Met verdriet en afgunst zag hy hoe ieder den rykenAouledbegunstigde, die naast hem woonde op ’n mat. Want ze woonden op matten, in Damaskus, met zeer hooge verdieping, omdat ze geen dak boven zich hadden. De rykdom vanAouledbestond dan ook niet in huizen, maar in ’n tuin die zeer vruchtbaar was, ja zóó vruchtbaar, dat de dadels die er groeiden zoo groot waren als drie gewone dadels. En daarom kochten de voorbygangers de dadels vanAouled, en niet de dadels vanHassan.

Daar kwam in de stad ’n Derwisch die wysheid te veel had, en te weinig voedsel. Althans hy ruilde z’n kennis voor spyze, en men zal zien hoe onzeHassanwèlvoer by dien ruil.

—Geef my te eten, gebood hem de Derwisch, dan zal ik doen wat geen Khalif voor u doen kan. Ik zal het volk dwingen uw dadels te koopen, door die groot te maken, ja, grooter dan de vruchten vanAouled. Hoe groot zyn die?

—Helaas, Derwisch vanAllahgezonden—ik kus uwe voeten—de dadels vanAouled—Allah geef hem krampen—zyn driemaal grooter dan gewone dadels! Treedt binnen op m’n mat, kruis uwe beenen, wees gezegend, en leer my m’n dadels grootmaken, en het volk te dwingen die te koopen.

Hassanhad kunnen vragen, waarom de Derwisch die zoo bekwaam was, spyze behoefde? Maar chicaneeren deedHassannooit. Hy zette z’n gast gekookt leder voor, alles wat hy overhad van ’n gestolen geitebok.

De Derwisch at, verzadigde zich, en sprak:

—Driemaal grooter dan gewone dadels zyn de vruchten van uw buurman.... hoe groot wilt ge dat de uwen worden, oHassan, zoon van ik weet niet wien?

Hassanbedacht zich even, en zeide:

—Allahgeve u kinderen en vee! Ik wenschte dat m’n dadels driemaal grooter waren, dan ze door u kunnen gemaakt worden.

—Zeer wel, sprak de Derwisch. Zie hier ’n vogel, dien ik meebracht uit het verre Oosten. Zeg hem dat elk uwer dadels zoo groot is als drie van uw dadels.

—Ik wensch u vrouwen en kameelen, o Derwisch—die aangenaam riekt als olyven—maar wat zal het baten of ik dezen vogel zeg wat niet is?

—Doe naar m’n zeggen, hernam de wyze man. Daarvoor ben ik Derwisch, dat ge my niet begrypt.

Hassanwenschte den vogel lengte van veeren, en noemde hemRock. Maar ’t was geenrock11. ’t Was ’n kleine vogel die wel wat op ’n raaf geleek, met losse tong en hippelenden tred. De Derwisch had hem meegenomen van Indaloes12waar hy was aangebracht door kooplieden, die over zee waren gekomen uit het land waar de menschen op negers gelyken, schoon ’t ver is van Afrika. DatHassanhet beest “rock” noemde, was omdat hy had opgemerkt dat iemand wien men iets vraagt, uitdyt. En ook ’t omgekeerde. Wie wat noodig heeft van ’n ander, krimpt in. Zoo was ’t in Damaskus.

Hassankromp in, en zeide:

—Ik ben uw slaaf, o vogelRock! M’n vader was ’n hond... en elk myner dadels is zoo groot als drie van m’n dadels!

—’t Is wel, zei de Derwisch. Ga zóó voort, en vreesAllah!

Hassanging zoo voort. Hy vreesdeAllah, en vertelde maar altyd door aan den vogel, dat z’n dadels onmogelyk groot waren.

Het loon der deugd bleef niet uit. Nog geen driemaal had de Khalif al de bewoonsters van z’n harem laten ombrengen ... nog had geen moeder den tyd gehad hare dochtersbekoorlykte maken voor de markt teRoem13, nog hadHassangeen enkel verdwaald geitebokje ontmoet, om hem gezelschap en in ’t leven te houden op z’n mat, en ziedaar, de vogel riep:

—Myn vader is een hond ...

Dit is niet noodig, maar hy zei ’tHassanna.

... m’n vader is ’n hond, kryg lengte van veeren, de dadels vanHassan Ben14...

Ik weet den naam vanHassan’svader niet, en als de man ’n hond was, komt het er ook niet op aan.

—De dadels vanHassanzyn driemaal grooter dan ze zyn!

Toen waren er betweters inDamaskus, die dit tegenspraken. Maar ’t duurde niet lang. Er was namelyk in de stem des vogels iets dat de lucht deed trillen op ’n wyze die invloed had op de straalbreking. De dadels groeiden, groeiden ... in aller oogen!

En de vogel riep maar al voort:

—De dadels vanHassanzyn driemaal grooter dan ze zyn!

En ze groeiden! Men overgaapte zich om er in te byten.

EnAouledwerd zeer mager. MaarHassankocht veel geitebokken en lammeren en hy bouwde een dak over z’n mat. Hy werd zeer eerlyk, en vond het schande als iemand die zelf geen lammeren had, een opat van de zynen. En hy ging voortAllahte vreezen.

Deze vroomheid en dien rykdom had hy te danken aan den kleinen vogel, die altyd hetzelfde zei, en leugen tot waarheid maakte door herhaling. Ieder vondHassan’sdadels groot, ieder was gedwongen die te koopen, ieder ...

BehalveHassanzelf, die in stilte voorzag zich byAouled, wiens eenige klant hy was.

En dit is alzoo gebleven tot op dezen dag.

AAN FANCY.

Ik zal voortgaan met de geschiedenissen van gezag.

Er was eens ’n land, laag gelegen aan de zee, tusschenOost-Friesland en de Schelde...

O,Fancymen timmert en metselt om my heen. Het huis dat ik bewoon, wordt verbreed, en hoe breeder het wordt, hoe benauwder zy ’t my maken. Men klopt en schaaft en bikt en zaagt my ’t hoofd in twee ... dit is onaangenaam. DieSilvio Pellicokon van geluk spreken. Ik ga uit, om wat rust te zoeken op de woelige straat. Misschien steel ik ’n horloge, om aanspraak te hebben op wat stilte in de cellulaire gevangenis. Adieu, en denk om den haarlok, dien ge me beloofd hebt.

VAN FANCY.

Neen, laat ieder z’n horloge houden, men zou weer kwaad van u spreken. Ach, wat zyn dat troostelooze geschiedenissen,die gy verhaalt. Is dat alles waar,Max? Ge hebt my treurig gestemd. O, ik bid u, zeg me in ’n volgenden brief, dat allesnietwaar is, of althans, dat nietalleswaar is. Is dat nu wysbegeerte? De vormleer is droger, maar minder verdrietig. En ook in de vaderlandsche geschiedenis vind ik ... hoe zelden ook toch hier en daar—wat ik vergeefs zoek inuwgeschiedenissen—liefde!

Hoe kunt ge zoo scherp zyn,Max, gy die toch zoo goed weet lieftehebben?

We zyn verhuisd, maar nog kan ’t oude kabinet de deur niet in. M’n hart ook niet.

Ik heb u gevraagd my wat te leeren. Is ’t hiertoe noodig dat ik eerst worde gevoed met spyze zoo bitter als uwe vertellingen van gezag? Geef my iets liefelyks,Max... iets wat niet m’n lippen wit maakt, iets wat my ’n blos geeft van genoegen, en geen bleekheid van ergernis. Ik heb behoefte aan liefde. Moet ik de liefde verliezen door de denkbeelden die ge my geeft ... o, dan zou ik betreuren u gevraagd te hebben om wat kennis! Want ik ben eenmeisje,Max!

Een meisje, ja! Maar toch is ’t waar dat iets zeer byzonders met me gebeurd is, dat zeker by weinig meisjes voorvalt. Ik zal u dat vertellen. Ei, wèl beschouwd, is ’t óók ’nGeschiedenis van Gezag, maar fraaier, liefelyker danuwgeschiedenissen. Ik was zes of zeven jaar oud ...

Ik word geroepen,Max... wacht tot nieuwe maan ... de geschiedenis die ik u vertellen zal, staat daarmede in verband, en met u ook ... en met m’n haren ook ...

O, schryf my iets dat me niet bleek maakt!

AAN FANCY.

Kleingeloovige! zoo zyt gy allen!

Daar staat de boom der kennisse, gewilteten, ge wacht niet op de slang—dat eeuwig symbool van weten en onsterfelyk zyn!—gyzelf steekt de hand uit, en als ’t arme dier ter-goeder-slangentrouw, u den appel toereikt, dien gy vraagt ... dan trekt ge u schuchter terug, en rekt beddelakens!

Neen,Fancy, myn geschiedenissen zynniettroosteloos! Onkunde is geen deugd, en lager dan haat, acht ik liefhebben zonder verstand! Weet, ken, kan, onderscheid enkies.

Eerst na zulke keuze, is liefde iets waard.

O, ik begryp hoe ge schrikt by ’t opheffen van de gordyn diemen, met voordacht en valsheid, gelaten heeft tusschen uw oog en de waarheid! Leugens ontvingen de ouders... leugens geven zy hun kinderen. Als de Oosterling die genot zoekt in verdooving door amfioen, en die ten-laatstebehoeftegevoelt aan vergif, vragenzy: “Wat dan?” zoodra men ze aantoont dat hun denkbeelden rusten op onvasten grondslag.

Daar is een lek in ’t schip! roept de verschrikte gezagvoerder.

En de passagier antwoordt:

—Ik zal u tegenwerken in het stoppen, tenzy ge my iets dergelyks in de plaats geeft.

Ik vind beter te varenzonderlek.

Telkens moet ik den eisch van lekbegeerige passagiers aanhooren. Telkens is het:

Toegestaan! Dàt is leugen, dàt is verzonnen, dàt is schandelyk! Maar ... wat geeft gy in de plaats?

Dat wil zeggen: “welken anderen leugen zet gy ons voor, ter vervanging van ’t leugengerecht, dat ge ons ontneemt?”

Ik zou kunnen antwoorden:geene... ik weet niets! Ik heb geen gif te bieden, in plaats van ’t gif, dat ik, ruw maar welmeenend, u uit de hand sla, die zich tot ’n vuist balt, uit ondankbaren wrevel over leegte.

Dit zou ikkunnenantwoorden.

Maar liever zeg ik: zie ik wenschte u te gevengezonde spys!

Ik wenschte u te wyzen opgezagdoorliefde, opwelvaart door rechtvaardigheid, opgelukdoordeugd.

Dat is één woord: ik wilde u uitnoodigenmensch te zyn! Ziedaar alles!

Men bedriegt zich, en men heeft u bedrogen, door hetmensch-zynvoortestellen als iets onwaardigs. Dit doet ’n verkeerd begrepene religie ... ’t WoordGodsdienstkomt hier niet te-pas.

Ik wil u dit duidelyk maken door ’n voorbeeld.

Een boer zou voor het eerst den heer van ’t land zien. Hoe zal ik hem vereeren, dacht hy, om hem te toonen dat ik besef heb van myn boerschap tegenover zyn heerschap? Wel ik zal m’n knieën wat krom buigen, en m’n teenen naar binnen. Myn linker-schouder zal ik vooruit steken, en m’n hoed omdraaien als ’n molen. Wat scheefs in den hals zal hem voorzeker behagen, en ’t zal hem genoegen doen als ik m’n mond klein maak.

Zóó dacht de boer, en zóó deed hy. Maar de heer van ’t dorp zei hem, dat hy niet noodig had zich zoo te verdraaien.

Ik vind dat die heer van ’t dorp groot gelyk had.

De roeping van den mensch is mensch te zyn.

Is deze konklusie u te eenvoudig! O, ik bid u, wantrouw alle slotsommen dienieteenvoudig zyn.

Zou de wysheid die een mensch behoeft,nieteenvoudig wezen? Zou ze moeilyker te vatten zyn, dan de reuk der spyzen, zoo gemakkelyk optevangen met onzen neus, dien toch de lieve Natuurheel eenvoudigboven den mond plaatste? Ik geloof zeker, dat de godsdienst-uitvinders dat orgaan ’n plaatsje aan den linkerhiel zouden hebben gegeven, als zy geraadpleegd waren ... wat gelukkig niet gebeurd is.Alles wil omslag, ingewikkeldheid, onnatuur:

“Doodt de zinnen!” roepen zy die God meenen te dienen door den mensch te verdraaien, als die boer.

“Doodt de zinnen!” roepen zy die gaarne wat willen genieten methunzinnen, en de slimme berekening maken dat er meer zou overschieten, naarmate er minder gebruikt werd.

“Doodt de zinnen, werpt weg wat u behagen zou!” riepen ten-allen-tyde de vromen, die met veel graagte aasden op alles wat er werd weggeworpen door de onnoozele zielen, die hen geloofden.

Wat zoudt ge zeggen van ’n kind,Fancy, dat meenen zou z’n vader te vereeren door iets anders te zyn dan ’n... kind?

En wàt van de oudere broeders, die aan zulk kind trachtten te beduiden dat het zich inkrimpe, en weinig behoort te eten—ad majorem patris gloriam?

Zoudt ge niet op ’t denkbeeld komen, dat die oudere broeders begeerte voelden naar wat ruimte en spys?

Wie u zelfvernedering voorstelt als deugd is ’n bedrieger.

Genot is deugd.

Ziedaar ’n paarteksten,Fancy. Preekenschryfik niet. Dit deedJezusook niet. Ik denk dat hy ze vervelend vond, als ik.

“Er isgeenGod, of hy moetgoedzyn!” Laat de theologen—’n grappig woord: menschen die wat weten van God ... menschen die u wat kunnen zeggen over God ... menschen die gestudeerd hebben in God,Godgeleerden—laat de theologen tegenspreken dat Hygoedis, als ze durven ...

Ach ja, ze durven dit! Ze vertellen lange geschiedenissen—troosteloozer nog dan de myne,Fancy!—over verdoemenis en hel! En, let wel, zy die zulke geschiedenissennietvertellen, deugen minder dan de anderen, die ten-minste konsekwent zyn by-gebreke van wat beters, want in hun Bybelstaandie aardigheden. Zoek maar op: eeuwig vuur, tandengeknars, onsterfelyke wormen ... ’t is pleizierig!

Wie nu dat eeuwige vuur en die onvermoeide wormen weggoochelt onder ’t manteltje van de moderne theologie, vertrouw ik in ’t geheel niet. De anderen zondigen tegen ’t verstand alleen. Zy tegen eerlykheid en verstand beide. Dit is erger.

Er isgeenGod, of hy moetgoedzyn! Als hy er is—wat ik dolgraag weten wou, en ik blyf er by dat het zyn zaak geweest ware:te zorgen dat wy ’t wisten—dienen wy hem het best doorgenieten.

Eilieve,Fancy, gy die ’n goed meisje zyt, zoudtgy’t aangenaam vinden, wanneer ge eenmaal moeder werdt, dat uw kinderen zuur keken? Zoudt ge hun voorschryven u tedienendooronthouding? Immers neen! En waarom zou die god kwaadaardiger wezen dan gy?

Maar demaaten desoortvan genot?

Ook dit is zeer eenvoudig. Het antwoord staat duidelyk geschreven in ’t vóór ons liggend boek derwerkelykheid, waarin geen enkele tekst vervalscht is en dat men lezen kan, zonder de minste kennis van Hebreeuwsch of Grieksch. ’t Zou ook wel ongelukkig wezen, als de weg ter zaligheid juist leiden moest langsτίπτω.

In dat boek staat geschreven dat wie steenen opslikt, z’n maag bezwaart. Wie genot zoekt in overdaad, wordt ziek. Wie z’n naaste doodslaat, krygt den naam van ’n onpleizierig mensch, en wordt behandeld als zoodanig. Wie liegt, wordt niet geloofd. Wie steelt, wordt vastgebonden door personen die wat bezitten. Wie uit het venster springt, bezeert zich. Wie zich in de bres stelt voor arme drommels, lydt gebrek. En wieMinnebrievenschryft, wordt uitgejouwd.

In al deze voorschriften uit het boek derwerkelykheidis niets raadselachtigs, zooals men wél vindt in de andere boeken. Dit komt wyl de menschen, die religien maakten,nietmeenden wat zezeiden, en omdat de Natuur wèl meent, wat zedoet. Ge ziet alzoo,Fancy, dat we om wys en goed te worden—wat hetzelfde is! moeten terugkeeren tot die Natuur.

Ik ben benieuwd naar uw geschiedenis. Zoudt ge geschaakt zyn op uw zevende jaar? Dit ware te vroeg,Fancy! En hoe dit in-verband staat met uw haren, begryp ik niet. Kan ik u genoegen doen met ’n minnelied? Verlangt ge een verhandeling overVryen-arbeid? Stelt ge belang in ’n analyze van onze wetgeving op het stuk van ouderlyk gezag? Wilt ge weten hoe in Indie het gezag van Nederland ...

Maar,Fancy, dan verval ik weer in de geschiedenissen vanGezag, die ge zoo troosteloos vindt ...

Zeg me, hoe moet ik schryven om den stryd te winnen tegen de personen—en de zaken helaas!—die my uw ziel schynen te betwisten?

Of zou het toch waar wezen, wat ik giste—en nog altyd hoop!—zou ’t waar wezen dat ge niet bestaat? Dat gy ’n fee zyt, die my eenmaal zult aanroeren met uwen staf, om me machtig te maken tot het verrichten van den arbeid dien ik zelf my heb opgelegd?

Ik droom wakend van u, en antwoord:Fancy!als men my om geld vraagt, wat vaak gebeurt. Brengt ge my ’n koninkryk in ’t gebied der geesten ten huwelyk? Ik neem ’t gaarne van u aan, en begryp zelfs niet hoe ge ’t zoolang hebt kunnen regeeren zonder my. Zoodra wy “ingericht” zyn, en na de bruidsbezoeken, wil ik ’n blyde boodschap neerzenden op de kleine aarde, die ik vóór m’n trouwen bewoonde. Ik wil de arme menschen die daar zoo verdrietig ongetrouwd achterbleven, zeggen: datgenot deugd is, en dat niets meer genot geeft danLIEFDE!

Maar ik zal er niet by zeggen:heb lief!Dan zou ’t weer ’n geschiedenis vanGezagworden, en dit komt by liefde, deugd en genot niet te pas.

Toch zou ik gaarne eens zien met m’n wezenlyke oogen, met de oogen die ik gebruik om te slapen. Is hier geen kans op? Waar woont ge nu, na ’t verhuizen? Moet ik bellen aan al de deuren die kleiner zyn dan ’n kabinet? moet ik naar u zoeken in alle huizen die te bekrompen zyn voor ’n hart?

Tinevraagt my of ik dikwyls met u wandel, vooral nu ’t lente is.Ik heb “ja” geantwoord, meenende dat ik waarheid sprak, maar later...

Waart ge by my, of was ik alleen, toen ik my ergerde over die geslachte varkens?15

Want ik begin intezien dat ik me dikwyls bedroog, als ik geloofde u te zien aan m’n zy.

Er is iets raadselachtigs in m’n liefde. Ik zal er naar vragen aanTine. Zy weet alles wat my aangaat.

AAN TINE.

LieveTine! wees zoo goed my te zeggen wieFancyis?Maar spreek geen kwaad van haar, ook al wist ge iets kwaads. Ik zou ’t niet kunnen verdragen, want ik heb haar onbeschryfelyk lief. Vertel my alleen wie zy is.

VAN TINE.

BesteMax! Ik kenFancyzeer goed. Ik heb haar lang gekend, reeds vyftien jaren! Ze was toen even oud als nu. Kwaad weet ik niet van haar te zeggen. O, integendeel!

Maar om haar goed te beschryven, zou ik haar by my moeten hebben. En ze is weer weg, want—dit wist ge niet—ze is hier geweest!

Dikwyls was ze blond, en even dikwyls bruin, ja, vaak bruin by ’t zwarte af. Maar altyd was ze vlug als ’n sylf, huppelend als een dwaallicht, gevoelig als de mimosa, verstandig als ’n rekening, en geestig als niets.

Gy kent haar ook wel,Max! Ge hebt vergeten wie zy is, omdat gy den laatsten tyd ’n heel anderen weg hebt uitgezien. Denk eens goed na! Herinner u maar dat ge haar herhaaldelyk het venster hebt uitgegooid, omdat ge meende dat onze kinderen te weinig eten kregen door hàre schuld. En hoe ze dan telkens weer binnen kwam door de deur die op ’t nachtslot was. Weet ge ’t niet meer?

Ze jokt als ze zegt dat ze er niet by was, toen de aarde werd gemeten met ’n koord! Ze heeft alles bygewoond wat er gebeurd is. Ook is zy het die de psalmen heeft geschreven, en by de Chaldeen gaf ze les in de sterrenkunde. En ’t isnietwaar, dat ze verlegen is om huisvesting voor haar hart! ’t Staat aan háár om de muren uiteentezetten ...

Ik begryp waarlyk niet,Max, hoe ge haar niet herkend hebt.’t Is ondankbaar van uw hart, dat meer geheugen behoorde te hebben. Wat my betreft, ik heb haar lief. Zy heeft myn leven heerlyk schoon gemaakt, en ik wyt de schrale voeding onzer kinderen niet aan haar, zoo als gy meermalen deedt in buien van onrechtvaardigheid. En als ge trouwt, kom ik op de bruiloft, metMaxenNonnidie er by hooren.

Onlangs wandelden wy, en plukten bloemen. Zy was met ons. KleineMaxvraagde of de bloempjes het wisten, dat het nu wat warm zou blyven . . en, zeide hy:

—Zie, ze knikken de zon toe! Ze weten dat ze er lief uitzien, en dat de zon vriendelyk voor hen is.

Hoe komt hy aan dit denkbeeld, dacht ik, en vraagde het hem.

—Ik heb dat vanFancy, zeide hy.

Maar ze leert hem ook ondeugende dingen. Hy liegt niet, maar jokt veel. Dit leert hy van haar.

Onlangs hoorde ik hem lachen, zoo-als hy lacht wanneer-i ’n guitenstuk verricht heeft. Ik zag ’n oude werkster die naast ons woont, trippelen en dansen als ’n gek mensch. KleineMaxhad haarCayenne-peper te proeven gegeven.

—C’est très doux!had hy gezegd.

’t Mensch brandde haar mond aan z’ndouceur. Ik wist niet of ik boos was, of moest meelachen metMax, die over den grond rolde van pleizier.

—Dat hebtgygedaan,Fancy, zeide ik vry streng. Zeg me nu ook watikte doen heb, opdat m’n kind niet wreed worde, en vermaak zoeke in leed?

En toen zeide ze my zachtkens deze woorden voor, die ik overluid herhaalde:

—KleineMax, voel je geen smart van de pyn, die deze vrouw lydt,omdat ze op je vertrouwde?

KleineMaxlachte niet meer. De tranen sprongen hem in de oogen, en hy vraagde vergeving aan de oude vrouw die zulke gekke gezichten trok.

En meermalen,Max, als ik op ’t punt sta neertebuigen onder al te zwaren last, komtFancymy troosten, en als ze danschalkszegt:

—Ik ontsteel u zyn hart ... bedenk dat myn rechten ouder zyn ...

Dan moet ik haar gelyk geven! En zonder yverzucht hoor ik aan, wat zy gezegd heeft zonder schaamte.

Ik ben waarlyk boos op u, dat ge haar zoo miskent. Maar,Max, herinnert ge u dan niet dat zy altyd uw voorspraak by my geweest is, als gy weêr iets of iemand geschaakt had, of my geslagen? Weet gy niet meer dat ze ons huwelykskontrakt—mynkontrakt!—heeft meegeteekend, precies als ’n ambachtsheer die ’t braafste boerinnetje laat trouwen met den deugdzaamsten aller boerenjongens? Herinnert ge u niet al de schilderyen die zy ons ten-geschenke gaf, genoeg om ’n museum te vullen, zoo groot als de wereld? Dagelyks nog zendt ze my stukken,’t eene fraaier dan ’t andere, neen allen even schoon ... historiestukken,genre, stillevens ... historie vooral!

Maar,Max, we komen lysten te kort! Eilieve, ’t staat aan u, lysten te maken om de stukken dieFancyons geeft.Doe dit! Dit kunt ge! Dit moet ge! Dit is uw roeping!

Zoo gaf ze my onlangs een teekening, waarvan ik de bedoelingniet begreep, omdat zy iets voorstelde dat nog niet gebeurd is. Javaansche meisjes legden melatiekransen op ’n graf. Dat graf was het uwe,Max! Er stond op een steen:HIER RUST WIE VEEL GEDRAGEN HEEFT.

Maak ’n lyst om die teekening. MiskenFancyniet langer, haar en hare geschenken ... ge zyt zeer ondankbaar,Max.

VAN FANCY.

We zyn weer verhuisd, ’t Wordt al nauwer en nauwer.’t Is my of ik ’n vischfuik inreis, zonder retourbiljet. Nog kan die oude kast het huis niet in ... het eind zal wezen dat wy ’t huis in de kast zetten: dan wordt het sleutelgat, deur.

Die gedurige twyfel of ik ’n meisje ben, hindert. Ik ben gesteld op myne identiteit. Zou ’tUsmaken als men zich obstineerde u aantezien voor ’n wolk? Dat men u afweerde met een paraplui. Dat uw droefheid, uw tranen, op ’t weêrglas stonden genoteerd als regen? Of dat men u tegen ’t lyf liep, in de meening door u heen te loopen? Of dat ge werd opgesnoven als aether? Zyn dat pleizierige dingen? Voor den honderdsten keer zeg ik u, dat ik ’nmeisjeben, en om u hiervan goed te overtuigen, zal ik een-en-ander verhalen van myn omgeving. Oordeel zelf of ’n geest dat zou kunnen verzinnen.

M’n moeder is dood, en m’n vader hertrouwde omdat ’n vrouw zooveel gemak geeft in ’t huishouden. M’n stiefmoeder is ’n brave vrouw, en dit spyt my zeer, want ik zou ’t gemakkelyker vinden over ondeugd dan over braafheid te klagen, omdat ieder zoo party trekt voor braafheid. Nu verlies ik ’t altyd, wanneer ik zeg dat ze my ’t leven zoo vervelend maakt. Nooit heeft iemand voor haar een weefgetouw uitgevonden. Zy breit, breit ... altyd breit ze, en den overigen tyd knoopt ze, en haakt ze. Maar de uren die zy daarna vry heeft, besteedt ze aan anti-makassers voor de watersnood-lotery. En in verloren oogenblikken stopt ze kousen. Ik heb nog vergeten te zeggen dat zy ter af-wisseling kanapékussens borduurt met kraaltjes. Kent ge dat? Ik vraag niet of ge ’tkunt.Het is aldus:

Men koopt of huurt ’n stuk papier dat afgedeeld is in zeer kleine ruitjes, die allen gekleurd zyn, en wel op ’n manier die, als men niet te stipt kykt, dat papier eenige gelykenis geeft met ’n teekening. Zoo iets stelt dan ’n boeket bloemen voor, of de herders in den stal, of ’n boertje dat z’n pyp rookt, of zoo iets dergelyks. Van naby moet men ’t niet zien, want dan is zoo’n pypekop een trapezium—ik “leer” m’n examen voor secondante—en de herders hebben vierkante neuzen. Daarop neemt men ’n stukdoek, ’n soort van zeildoek waarin echter de meeste draden ontbreken, zoodat de ruiten van het zeildoek nagenoeg overeenstemmen met de gekleurde ruiten op ’t papier. Men koopt wol ofzyde, en kralen van allerlei kleur, en men kan beginnen te werken. Want wat nu volgt, heet:werken!en als ik er aan denk, aan m’n gestorven moeder, aanInsulinde, aandegeschiedenissen van gezag ... dan zeggen ze dat ik “leeg”zit.Ikleeg!

Welnu, dan zoekt men op ’t papier ’n punt van uitgang, naar verkiezing. Daartoe neemt men, als ’t in den stal is, de luiermand of van den boer de wang die meestal kersrood ziet, om de braafheid aantetoonen van den landelyken stand. Die braafheid is dan, byv. uitgedrukt in vier kleuren, verdeeld in dertien ruiten, hoogrood, donkerrood, rozerood, bleekrood. Men legt de wol of de kralen op de wang van den boer, om ’n model te nemen van de nuance zyner landelyke deugd, en dan brengt men die over op het doek, door den draad vasttestrikken in de geruite openingen. Het begin is dan gemaakt, en wat er nu volgt, is gemakkelyk. Men telt maar altyd van dien boer of van de luiermand af, en dan weet men precies waar de zeven zwarte kralen ’t huishooren, die de verrukking aanduiden van de herders, of de parallelogram van geelwitte zyde, die licht moet brengen in ’t oog van de kraamvrouw. Als ’t gereed is, begint men ’n ander.

Maar nu moet ik u iets vragen. Ik heb ’n oom die altyd spreekt van “’n Christelyk huwelyk.”—Dit is niet de oom van “de” vrouw: ik heb veel ooms ... o!—Wat is toch ’n Christelyk huwelyk? Ik heb er m’n bybel op nageslagen, en daarvan niets gevonden. Ik zie niet dat Christus voorschriften over ’t huwelyk heeft gegeven. Hy zegt, meen ik, alleen dat het ’n wereldsche zaak is. Maar is dàt nu een Christelyk huwelyk? Ik meen dien boer, dien pypekop en de herders? M’n vader heeft aan m’n stiefmoeder vier kinderen ten-huwelyk gebracht. Zy is een brave vrouw, en zou dus niets doen dat niet goed is in zulk een gewichtige zaak. Hoe legt ge nu uit, dat zy de huwelyksgift myns vaders waardeert naar behooren, door dat eeuwige breien, stoppen, stikken, naaien, haken, borduren en knoopen?

—Lieve moeder, heb ik dikwyls gezegd, we hebben kousen te veel, en gyzelf draagt maar één japon tegelyk! We gebruiken weinig pomade, en dus die anti-Makassers ... en bovendien, we zitten “fatsoenlyk” recht. Nooit raakte ons bezoedeld hoofd de kussens van de sofa ... die de deur niet inkon ...

Ja ... watersnood!

Eilieve ook wy zyn in nood, al is het nood door droogte! Moet dan de nood volstrekt nat wezen, om te werken op ’t gevoel? Wy, m’n zusters en m’n broertje hadden ook aanspraak op wat hulp, op wat onderricht, op wat leiding, op wat liefde! Is ’t een vereischte dat we eerst verdrinken, voor men ...

Hoor eens,Max, als we weer verhuizen, hoop ik dat het ditmaal wezen zal naar de Bommelerwaard.

En m’n vader! Staat er niets in de wet tegen vaders die hun kinderen verruilen tegen gestopte kousen? Ik begryp waarlyk de verhouding niet recht tusschen ouders en kinderen. Ik heb ’n liefhebbend hart,Max, en daarby behoefte aan wat kennis. Welnu, als ik m’n vader daarnaar vraag, zegt hy dat-i geen schoolmeester is, en wat het liefhebben aangaat schyn ik te moeten wachten op een aanstaanden kollega, als ik les zal geven in de vormleer.

Ik begrypm’nleven niet. Inkeepsakesen muzen-almanakken is ’n meisje iets liefs, iets belangryks, iets poëtieks. Ik ben een meisje, en voel me ónlief, ónbelangryk en volstrekt niet poëtisch!

Waaraan ligt dit?

—Uw leeftyd, zei ’n oom—’n anderen alweer—uw leeftyd is de schoonste tyd van ’t leven!

OMax, oMax, wat heb ik te denken van de rest!

En ’t zyn brave menschen, m’n ouders. Spreek geen kwaad van hen. M’n vader slaat geen preekbeurt van Ds.Meyboomover, en betaalt prompt z’n rekeningen. Doe hem dit na als ge kunt!

En m’n moeder is inderdaad kerksch en fatsoenlyk, maar ...

Ik verbeeld me dat ’n bloempotje veel goed zou doen in ons huis.

Schryf me spoedig. Ik lees uw brieven zoo gaarne! Ze maken op my den indruk van den absenten bloempot, schoon uw geschiedenissen van Gezag ...

Neen, oprecht wil ik zyn, al bèn ik dan ’n meisje! Ik vond eigenlyk alleen hierom uw vertellingen zoo troosteloos, wyl ik zelf—’t kost moeite het te bekennen—wyl ’t gezag dat ge aantast ... wyl ik ... uit verveling,.. ik heb ’n katje,Max... en ... uit verveling ...

Lieve hemel, wat valt het me zwaar de waarheid te zeggen... oMax, ge ziet wel dat ik ’n meisje ben!

Dat beestje ... welnu, uit verveling heb ik ’t wel eens ... geknepen! ’t Is er uit! Dàt geeft lucht!

Ik ben zoo bang dat m’n katje uwe geschiedenissen overGezagzal inzien, en dan ... zal ’t zich beroepen op u, en... me krabben, als ik ’t plaag ... ziedaar!

P.R. Ik dank u zeer voor de lezing vanTine’slaatsten brief, schoon ik er niets van begryp. Is dat klimaat vanLaekenwel gezond? Schilderyen, lysten, ’n huwelykskontract geteekend op m’n vierde jaar als ambachtsheer—want ik was vier jaar oud, vyftien jaar geleden—ik begryp er niets van! Hebt ge my ooit het venster uitgegooid? Ik weet het niet, waarlyk ik weet het niet! En aan het meten van de aarde heb ik nooit geholpen. Is ’t welgezondte Laeken?Over ’n paar dagen: kniptyd! M’n haren ... ik word geroepen.

P.R. Ik dank u zeer voor de lezing vanTine’slaatsten brief, schoon ik er niets van begryp. Is dat klimaat vanLaekenwel gezond? Schilderyen, lysten, ’n huwelykskontract geteekend op m’n vierde jaar als ambachtsheer—want ik was vier jaar oud, vyftien jaar geleden—ik begryp er niets van! Hebt ge my ooit het venster uitgegooid? Ik weet het niet, waarlyk ik weet het niet! En aan het meten van de aarde heb ik nooit geholpen. Is ’t welgezondte Laeken?

Over ’n paar dagen: kniptyd! M’n haren ... ik word geroepen.

VAN FANCY AAN TINE.

Sj ... sj ... sj ... t!

Wat heb ik u gedaan, dat ge my verklapt? Lààt hem zoo dom als-i is. ’t Is maar ’nman,hy die altyd roept: ze is maar ’nmeisje! Ik zou niet zooveel van hem houden, als hy minder dom was. Ik ben van plan hem ’n geschiedenis voortejokken, mooier dan vanSAARTJE BURGERHART... die de flensjes opat. Daar deed ik wèl aan, want ...SAARTJEwasik, dit begrypt ge! Maar in dien tyd sprak ik anders met de menschen, omdat de moderne theologie nog niet was uitgevonden. Ook had men de elektriciteit nog niet “in ’n lystje gezet.” Ge ziet ik neem m’n eigendom terug, de uitdrukking die ik u vóorzei, toen ge uwen laatsten—verraderlyken!—brief schreeft. Doe zoo-iets nooit weer!

Toen ik by de juffrouwenWOLFenDEKENin deBeemsterlogeerde, waren de menschen nog dommer dan uw zeer, zéér dommeMax. Maar láát hem zoo! ’t Is nuttig hem te doen gelooven dat ik zwaarte heb. Zoolang hy me aanziet voor onweegbaar licht, schryft hy te wolkerig, en ik wil dat z’n brieven worden begrepen ook door de meisjes dienietin de wolken wonen ... door de meerderheid! Verklap me dus nooit weer! Wanneer ge ’t nog eens doet, zend ik u geen schilderyen meer, geen teekening, geen schets, geen streep ... ja, ik zou ...

Neen!Dit zou ikNIET! Ik zal u blyven steunen in uw moeilyke taak, edele moedige verhevene vrouw ... trouwe dappere echtgenoot ... sterke moeder ... heldin!

Ik zal blyven by u, naast u, in u! Ik zal u begeleiden tot de laatste ure, en die ure zal ik u zoet maken door ’t vóórhouden eener schildery van uw rein leven, dat het u zy als ’n spiegel van gelukkiger toestand! Want ik zegge u hier, wat ik nooit zeide tothem,U zegik,dat gy onsterfelyk zyt!

En kan ik vóór dien tyd niet al de tranen drogen, die ge weent in ’t geheim, uit edele gierigheid op smart—menschen die zóó liefhebben, moeten lyden, deed ik hem zeggen—o, toch zal ik beletten, dat uw kinderen het zilt proeven in spyze met die tranen gedrenkt! Tóch zal ik hen blinden voor de weifeling die moeders hand onzeker maakt, wanneer ze hun brood reikt ... graag als zy is om heden te geven, maar zoo begeerig ook om te bewaren tot morgen!

Tòch zal ik neerzweven op de sponde waar ge slaapt, en u droomen geven van zachtheid en kalmte, dat ge wat sterkte samelt voor den dag die komen zal, na de vermoeienis van den dag dien ge doorleedt.

Tòch zal ik de kracht gieten in uw afgemat lichaam, dat het deziel niet alleen late, vóór den tyd. Ik zal de spieren van uw mond saemtrekken tot den glimlach, dienhynoodig heeft om niet te bezwyken,hydie wil dat ge de pyn niet voelt, die gezegtniet te gevoelen.

Houd moed,myn kind! Zie my aan, wees wel-te-moede, zoo alsuwkinderen dat zyn, wanneer ze staren op u! Beniku minder dan gyhun? Weten ze niet datgywaakt? En weetGYniet datikwaak ...ik,Fancy?

Voelt ge op uw voorhoofd den kus dien ik u zegenend zend?

Wees met de kleinen gegroet ...

VAN FANCY.

OMax, help my! Ik zit in nood—zonder water, alweer—ik heb uw hulp noodig! Zyt ge Meester in de rechten, of prokureur of deurwaarder ... in ’t kort, iemand die verstand heeft van de wet! Want er komt veelwetin de historie die me nu overkomen is. Ik wil volstrekt weten of men ’n piano mag meenemen in ... ’t verbeterhuis? Dáárheen namelykleidtm’n eerstvolgende verhuizing ...

Ik ben nog niet bekomen van den schrik. Raad me, help me, red me! Schaak me ... als ’t wezen moet. Ge zyt my dat alles schuldig,Max, want ik lyd om-uwentwil. Alsgyte Lebak hadt meegeknoeid, zouiknu geen behoefte hebben aan verbetering. Antwoord terstond of ik m’n piano mag meenemen ... hoewel die niet zal verbeteren in zoo’n gesticht. Ach,ikook niet misschien ... om ’t even! Ik speel deSaïdjahvanRichardHol“heel lief” en zou ’t niet jammer wezen als ik nu in dat tuchthuis ... ’t hoofd loopt me om. Ik word geroepen ... neen, ’t is de tocht! Daar komen ze ... ik hoor ze op den trap ... zware schreden ... hu! Agenten van policie zeker, om my te verbeteren ... neen, ’t was m’n katje ... geschoeid door m’n geweten. Nooit zal ik ’t weer knypen, nooit ... dat zweer ik! Ik weet nu wat het is geknepen te worden! Zoodra ’t nieuwe-maan wordt, zult ge ... nu word ik inderdaad geroepen! Ik heb haast, ik heb angst ... och, kon ik vliegen!

Ja, was ik nu maar ’n licht meisje, zooals gy volstrekt van me maken wilt. Dan liet ik my door niemand verbeteren!Maxhelp my! Als ik dan toch verbeterd moet worden, heb ik liever datgy’t doet ... maar liever blyf ik wat ik ben.

VAN EEN VADER.

Wel-Edele Heer!

Ik benKappelman. ’t Is niet de eerste keer, dat ik my over u te beklagen heb. Uw ongepaste uitval, tegen de soort van het bier, dat ik by myn zuurkool gebruik16heeft my volstrekt niet gedeerd. Ik veracht uw geschryf, en nooit zou ik my verwaardigd hebben, u op uw plaats te zetten, door op hetzelve te antwoorden, wanneer ik niet had bemerkt, dat gy u begint te bemoeien met myn huishouden. Myne vrouw heeft ontdekt, dat gy in briefwisseling staat, met een myner dochters—met alle misschien—waarschynlyk om dezelve te verleiden. Ik verbied u, deze verhouding voort te zetten. Ik voed myne kinderen op, in deugd en eere, en wy hebben met uw malle Donquichotterie niets te maken. Ik hoor dat gy vrouw en kinderen hebt, en dat gy dezelve gebrek laat lyden. Bemoei u dáármee, dit zou u beter voegen, dan twist en tweedracht te strooien in een deftig gezin! Ik benKappelmanen duld geen vreemdigheden in myn huis. Wat zoo is, moet zoo blyven, en als er iets moest veranderd worden, zou dit, in allen gevallen, u niet aangaan. Bovendien zyt gy slecht geinformeerd: ik heb nooit een woord gesproken overAlexanderden Groote. Als ik bemerk, dat gy voortgaat u te bemoeien met myn zaken, zal ik strenge maatregelen nemen. Gy kunt u deze moeite sparen, myne kinderen af te halen van de katechisatie. Ik benKappelman.

VAN EEN ANDEREN VADER.

Mynheer!

Myne dochters hebben my bekend, dat zy verboden omgang met u hebben. Ik benKappelman, en verzeker u, dat ik my wenden zal tot de politie, als die gekheid niet terstond ophoudt. Er zyn wetten in het land, die de fatsoenlyke lui beschermen. Myn naam isKappelman: gy kunt gerust naar my vragen. Ook verzoek ik u myn zoontje met rust te laten.

VAN EEN ANDEREN VADER.

Ik ben Kappelman ...................17

VAN EEN STIEFMOEDER.

Wel-Edele Heer!

De dochters vanmynman stoppenscheef, en stikken dat het schande is.Zymerken het onderste-boven, en de kussensloopen waren van de week ongeregen. Ik heb bemerkt dat dit alles uwe schuld is. Ik ben niet van plan toetegeven in al die gekheden, die zy zich door u in ’t hoofd laten zetten, en waarschuw u voor de gevolgen. Ik heb er de wet op nagezien, en weet wat eene stiefmoeder toekomt. Een kind moet zyne ouders eeren, dat staat er, en dàt zal gebeuren, al zou de onderste steen boven.

VAN EEN ANDERE STIEFMOEDER.

Mynheer!

Ik verbied u alle bemoeienis met myn naaiwerk. Toen ik metKappelmantrouwde, heb ’k my voorgenomen, zyn huis te regeeren, en dit doe ik. Een stiefmoeder is geen ouwe lap. Ik wil gehoorzaamd worden, en als ik bemerk, dat gy voortgaat de kinderen van myn man tegen my op te zetten, zult gy zien, dat ik my niet laat aantasten zonder handschoenen. Ik heb er lang en breed over gesproken met myn broer, die in granen deed, maar nu stilleeft van zyn geld.Van zyn geldhoort ge! Dat is wat anders, dan rond te loopen, als een schooier, zooals ik vanuhoor.

VAN EEN ANDERE STIEFMOEDER.

De dochters van myn man hebben bekend ........18

VAN EEN OOM.

Wel-Edele Heer!

Gy zyt een ellendeling! Ik heb de dochters van myn broeder voor u gewaarschuwd, en haar gezegd dat gy een dief zyt, een echtbreker, een falsaris, een dronkaard, een vrouwenbeul en een gek! En dat gy geen geld hebt, ja, dàt heb ik ook gezegd! Enook dat gy niet hebt willen schryven over vryen arbeid, dat groote schande is, en dat gy uw fortuin met voeten schopt, dat niet te-pas komt.En dat gy alle meisjes verleidt, en dat gy ... kort-om, gy zyt een ellendeling, en ik ben uw dienaar, enz.

VAN EEN ANDEREN OOM.

Mynheer!

Met een diep gevoel van verontwaardiging heb ik van myn broeder, den heerKappelman, vernomen, dat zich sedert eenigen tyd in myn huis iets heeft geopenbaard, dat aandruischt tegen alle Christelyke beginselen van onderdanigheid, gedweeheid en orde, en naar zekere opmerkingen te oordeelen, zoudt gy daarvan de oorzaak zyn. De onwetendheid in goddelyke zaken, die u kenmerkt, en de hoofdigheid, waarmede gy in die onvergefelyke onwetendheid volhardt, hebben het my, met het oog op de voorschriften van onzen Heer en Heiland, uitgedrukt in ’t onschatbaar evangelie, voorgelicht door de profeten des ouden verbonds, en gestaafd en bevestigd door de godsonomstootelyke-genadegaven-bewyzende lessen der wereldhistorie, ten plicht gemaakt, de kinderen van mynen gezegden heer broederKappelmante waarschuwen tegen den ziellichaamzaligheidwelvaart-bedervenden invloed uwer helbevolkende denkbeelden.

Ik heb in granen gedaan, en leef nu stil van myn geld. Ik geloof dus als genadedeelachtige Christen te moeten stryden voor de heiligheid van zyn alleenuitverkorenen-zaligmakend geloof, dat aan de pupillen voorschryft hun voogd onderdanig te zyn. Want ik ben de voogd van myns broeders, heersKappelman’skinderen, en zal niet verdragen, dat die kinderen, op eene verdoemenisuitlokkende wyze zich verzetten tegen het gezag, en afwyken van myn geloof.

Ik raad u vreeze aan voor den toorn des liefdevollen Gods, die zich niet laat bespotten, en die een God is van gerechte wrake, gelyk te lezen staat inHebreën X vs. 31.

VAN EEN ANDEREN OOM.

Ik ben liberaal, en tegen alle protektie in den handel. Aan dewonderengeloof ik niet, maar dezedeleervan den bybel is mooi.En als ge de moderne theologie kendet, zoudt ge u schamen. LeesMeyboomover de wonderen, dan zult ge zien dat het geen wonderen zyn. Die kinderen van myn broerKappelman...19

VAN EEN TANTE.20

VAN EEN ANDERE TANTE.21

VAN EEN ANDERE TANTE.22

VAN TINE AAN FANCY.

Dank, dank voor uwen brief, lieve, hartelyke, weldadige toovergodin! Ja, ik heb uwen kus gevoeld! En zeker voelden de kleinen dien ook: ik heb ze zien glimlachen in hun slaap.

Maar, Fancy, ik smeek u, zeghemwat ge zeidet aan my! O, zeghemdat hy onsterfelyk is. O, hadt ge ’t lievermyonthouden, dat heerlyk geschenk uit uw schatkamer, om ’themte geven die er naar smacht! Hy heeft onsterfelykheidnoodig,Fancy, en daarvan de wetenschap! O, zeg hethem! Laatmyderven ... ik zal staande blyven zonder die kennis! Maar hy ... hy is geen moeder,Fancy!

AAN TINE.

LieveTINE, kent ge ’n familieKappelman? Ik zit in ’n wespennest. Dit komt van ’tBaunscheidtismus, ’n nieuwe leer, die alles geneest door prikken en steken! De wespen vervangen de bloedzuigers. Heel groot is de verandering niet. Of ’t genezen zal, weet ik niet, maar pyn doet het wel.

Ik merk uit uw laatsten brief23dat ge weer geen geld hebt. Dit is zeer verdrietig. Wilt ge dat ik schryf voorgeld? Hoe moet ik dat doen? Ik weet waarachtig niet hoe men ’t aanlegt. Als ik m’n portret verkoop, noemen ze dat ydel, en ik vind dat ze niet geheel ongelyk hebben, maar kan ik nu m’n ziel fotografeeren, en te-koop hangen in ’n boekwinkel? Zoudt ge dat prettig vinden? Ware ’t niet om woedend te worden, als men my betastte en beduimelde met vuile handen? WantPubliekis vuil en wreed ... maar de vuilte is ’t ergst. Ik begryp heel goed dat de Jakatranen, die staan bleven zoolang er werd geschoten met lood, terstond wegliepen toenPublieksvoorvaderen begonnen te werpen met andere ammunitie!24Hy is niet ontaard, die m’nheerPubliek, dit moet men hem ter eere nazeggen.

Welnu, ook ik ben niet bang voor schieten, houwen en steken, maar als men werpt met vieze dingen, loop ik weg, als een onbeschaafde Jakatraan.

Nog ben ik niet geheel verzoend met dienMultatuli, die my zoo uitkleedde in dat boek over de koffi. Wat ging ’t hem aan? Had ikzelf ’t gedaan in een oogenblik van... o lieveTine, geld heb ik niet, maar ik wil u heel gaarne ’n geschiedenis oververtellen van uitkleeden, die ik vind in de noten van Mr.J. van Lennep, op zynEduard van Gelre. Hy zal er immers niet boos om worden, dat ik ditmaal wat van hèm neem? Behelp u met de geschiedenis zoo goed ge kunt, tot ik u iets anders kan zenden. Daarin komt ’n vrouw voor die van uwe familie is, geloof ik, schoon ge niet “opdrachtig” zyt van kleur. Ook zou zy waarschynlyk bleeker geweest zyn, als ze getrouwd ware met my—en dus veel te tobben had gehad—in plaats van met dien Gelderschen hertog die haar slechts verstiet.


Back to IndexNext