Chapter 23

Vrye arbeid of Kultuurstelsel... de kwestie van den dag.Neen, niet van dendag... de kwestie vanjaren!Sedert jaren betaalt de natie haar Ministers, en zendt Afgevaardigden naar den Haag, om te beslissen of de Javaan moet worden uitgezogen op liberale of réactionaire, op behoudende of onbehoudende wyze.Zeg iets van beschaving ... men noemt u ’n dwaas, en antwoordt: vrye arbeid.Spreek van vooruitgang—van wezenlyken vooruitgang ditmaal—domheid! Men vraagt uw opinie over ’t Kultuurstelsel.Deel iets mede over misbruik van gezag, afpersing, roof en moord ... ei, is ’t antwoord, vertel ons iets van Vryen-Arbeid.Roep hulp in voor vertrapt menschenrecht. Men verstaat die taal niet.Zeg iets over deugd, eer, gevoel, loyauteit, waarheid, gezond verstand ... alles te vergeefs. Men “doet” niet in die dingen.Ja, sterker nog, wijs op het BELANG, op “MEN”’S EIGEN BELANG—iets waarin “men” toch wél “doet”—dan nog bekomt gy geen gehoor voor ge aan dat eigen belang van “men” eenige frazen weet vastteknoopen overVryen Arbeid of Kultuurstelsel.Ik wil voor ditmaal toegeven in de monomanie van ’t oogenblik, en zal iets schryven over Vryen-Arbeid.In ’t begin zal ’t misschien den schyn hebben dat ik schryf over iets anders. En dit is natuurlyk. De kwestie over Vryen-Arbeidisgeen kwestie. Ik ben dus genoodzaakt, by ’t behandelen van dit voorgeschoven vraagstuk, gedurig te wyzen op andere zaken die wel de kwestie zyn. Goochelaars lokken uwe blikkenlinks, als ze iets willen wegmoffelen aan derechter-zyde. Dit weet ge, niet waar? Welnu, ik zal trachten uwe blikken te richten naar den kant dien de goochelaars willen dat genietziet. Over Vryen-Arbeid heb ik dus eigenlyk weinig te zeggen.Niemand kan me verwyten dat ik te veel schryf. Misschien zelfs schreef ik te weinig. Ik ben al over de veertig, en tot nog toe zyn er van my slechts ’n paar kleine boekjes verschenen. GeenMuzen-Almanakhad ooit last van me, schoon ik al verzen en verhandelingen beging voor Belgien’s afval. Al m’n “aan-haars” heb ik flink verbrand, en erzynal grootmoeders onder. Niemand dan ikzelf heeft geleden onder de eerste liefelyke maar bedwelmende aandoeningen van ’n jong vurig hart. En toen ik eindelyk mymoestopenbaren aan ’t Publiek, heeft men my bovenmatig geprezen over m’nwyzevan schryven.Dit was onbillyk.Ik had meer recht op wat lofs over m’n zwygen. Ik zeg dit in vollen ernst. In veel geschryfs is veel dwaasheid. ’t Is lichter honderd boekdeelen te vullen, dan de aandoeningen die honderd boekdeelen vullenzouden, te bewaren tot het juiste oogenblik, of—zoo noodig—ze te smoren tot er de dood na volgt. Hebt ge wel eens overwogen, lezer, hoeveel geestkracht er noodig was voormy, om niet optetreden voor m’n veertigste jaar? Ge kunt nagenoeg weten hoe ik menschen en zaken beschouw. Ge kunt weten “dat ik het leven niet ben doorgegaan zonder de indrukken optevangen die ’t my aanbood.”1Welnu, ik hebdeze indrukken opgezameld voor myzelf, voor m’n allernaaste omgeving, vreezende dat ze niet ryp waren, dat ik morgen zou moeten terugnemen wat ik heden gaf, dat er gebrek aan harmonie wezen zou tusschen jeugd, mannelyken leeftyd en ouderdom. In één woord: Ik heb gespaard, en waarmede ik vrygevig moge geweest zyn of verkwistend, met m’n denkbeelden was ik nooit verkwistend of vrygevig.Na de uitgave van denMax Havelaarevenwel, had m’n zwygen meestal ’n anderen grond dan schroom. Van twee geheel tegenoverstaande zyden op staatkundig terrein, had men my hulp toegezegd. Ik geloofde, vertrouwde en ... wachtte. Ik heb gezegd datHavelaarnaïf was. Van beide kanten ben ik bedrogen. Van één kant zelfs bestolen.Noch van de zyde des behouds, noch van die der oppositie, werd het minste bewys gegeven dat men zich de zaak van den mishandelden Javaan, dat ismynezaak, aantrok. De prys van die hulp zou geweest zyn, dat ik my geschaard had onder ’n banier. Dit kon ik niet.Je lève bannière, n’en suivre ne peux.Wat geschryf over—d. i. vóór—Vryen-Arbeid zou me brood en ’n positie gegeven hebben. Ook had ik m’n kinderen kunnen kleeden met wat lof over ’t Kultuurstelsel. En zie, ik had talent genoeg daartoe. Wie nu meenen mocht dat ik myzelf verhef door me dit talent toetekennen, antwoord ik dat er geen zelfverheffing ligt in ’t aanspraak-maken op ’n hoedanigheid die me walgt. Hoe dit zy, dat zoogenaamd talent had ik. Wie anders oordeelt, heeft het maar te zeggen. Maar óók had ik—en ditmaal verhef ik myzelf inderdaad—ook had ik ’n gemoed dat zich verzette tegen de minste afwyking van de waarheid, vooral wanneer die waarheid nadeelig of gevaarlyk was voor myzelf. Al wat moeielijk is, lokt my aan. Iets toegeven in ’n onverschillige zaak, of zelfs waar dat toegeven schadelyk werken zou voor myzelf ... ik zou ’t kunnen. Maar tegen de waarheid in, voor overmacht te wyken in ’nhoofdkwestie, waar de straf van ’t weigeren, zoo-als by my het geval is, zwaar wezen zou, dit kan ik niet, dit wil ik niet en dit zal ik niet.Al wat moeielyk is lokt my aan, heb ik gezegd. Ik erken evenwel dat ik by ’t aangaan van den stryd niet verdacht was op desoortvan moeielykheden die my wachtten. Ik meende slechts—als m’n arme voorganger!—vergiftigd te worden met vrouw en kind. In plaats daarvan, scheldt men my uit. M’n tegenstanders hebben den stryd weten overtebrengen op ’n terrein dat aan den uitroep der Jakatranen herinnert—’t is historisch, lezer!—”die honden van Hollanders vechten met drek!” Dáárop had ik niet gerekend. Of ik anders zou gehandeld hebben, wanneer ik dit wèl had voorzien ... neen, neen,duizendmaal neen! Maar ik zou in dit geval den stryd hebben aangevangen met minder genoegen.Men beschuldige my niet van platheid by ’t aanhalen van den Jakatraschen uitroep. Kanik’t helpen, Nederlanders, dat uw geschiedenis in Indie platis, gemeenis? Kunt ge die woorden ongesproken laten, en de handeling die ze uitlokte? Wie is triviaal, iemand die gemeene dingendoet, of de man die met al de kracht zyner zielopstaattegen die gemeene dingen?De ondersteuning dan, die me werd toegezegd, na ’t verschynen van denMax Havelaar, was aanvankelyk niet verbonden aan onteerende voorwaarden. Van behoudenden en van liberalen kant beide, gaf men voor belang te stellen in myn zaak, zonder meer. Eerst later, toen men den indruk van denMax Havelaarversleten waande, toen men hoopte dat ’n beroep op het Volk zonder vrucht blyven zou, werd er onedele dienst geëischt voor hulp. Ik heb brieven die uitwyzen dat men maanden, maanden lang—heel onnoodig voorzeker!—my inscherpte moed te houden, zonder daarby te gewagen van Vryen-Arbeid, Kultuurstelsel of dergelyke byzaken. Men veinsde menschelykheid en rechtvaardigheid op den voorgrond te stellen als ik. En eerst nadat ik lang had gewacht, nadat men goed overtuigd was dat ik by ondervinding wist wat het zeggen wil, te worstelen met gebrek, nadat men zich had verzekerd dat de nood aan de lippen was, kwam men schoorvoetende tot de veelbeteekenende uitnoodiging: schryf eens iets in den geest van...Ik zou wat schryven in den geest van die heeren. Ga er eens toe zitten, m’nheeren, en beproef eens te schryven inmyngeest. Dit zou u zwaar vallen. Ziehier nu ’t verschil. Inmyngeest schryven zoudt ge nietkunnen. Inuwgeest schryvenwilik niet, schoon ik ’tkunnenzou. Dit hebt gy gezien inWawelaar’spreek, en in de redeneeringen vanDroogstoppel, een persoon waarin, naar ik met genoegen ontwaar, vele Kamerleden zichvice-versaherkend hebben. In de laatste zittingen toch riep men gedurig over-en-weêr: “Gy zyt de man!” Ieder wildeNathanwezen, de berispende profeet. Niemand woûDavidzyn, de betrapte misdadige koning.Ik zou wat schryven in den geest...In den geest! Ik schryf inmyngeest, myne heeren vry-arbeiders en kultuurstelselaars! Gy woont inuwevilla’s, gy geniet vanuwgeld, gy pronkt metuweprincipes, gy liegt metuweleugens, gy schippert metuwegewetens! gy huichelt metuwengeest, maar ... inmyngeest schryfik.Dit moet ge my laten!De eerste reden alzoo van m’n zwygen na denMax Havelaar, was ’n ydel wachten op een toegezegd herstel. En de uitgave van deMinnebrievenmaakte in-zooverre hierop geen uitzondering. Men heeft kunnen zien dat ik die schreef om ’n arm gezin dat ik niet kende, uit den nood te helpen. ’t Was ’n luim zooals ik er vroeger veel had, en die ik meestal opvolgde. Ditmaal slechts ’n herinnering aan vroeger tyd.Maar uit dit voortdurend zwygend wachten moge tevens blyken dat ik geen agitateur ben tot elken prys. Ik had aangetoond hoe schandelyk er werd huisgehouden met het leven en de bezittingen der Javanen... men beloofde beterschap, en ik zweeg geduldig.En reeds vóór denMax Havelaarhad ik ’n doorslaand bewys gegeven, dat het me niet te-doen was om effect, om beroering of schandaal, maar om herstel alleen. M’n voorganger was, om te voorkomen dat-i z’n plicht deed, vermoord in November 1855. Myn mislukte pogingen om den Gouverneur-GeneraalDuymaer van Twistaantesporen tot het vervullen vanzynplicht, dateeren van den aanvang des jaars 1856. DeMax Havelaar, het agitante boek, verscheen eerst in Mei 1860.Dit zyn sprekende dagteekeningen! Daar liggen vier volle jaren tusschen de voorvallen teLebak, en den oogenblik waarop ik de Natie uitnoodigde inzage te nemen van de wyze waarop zy gerepresenteerd wordt in Indie. Er zyn er die beweren dat m’n handelingen teLebakvoortsproten uit eerzucht, uit begeerte om naam te maken. Ik heb op die beschuldigingen tweeërlei antwoord. Vooreerst: dat het te wenschen ware veel en vaak zulke eerzucht aantetreffen by de dienaren van den Staat. Het zou zoo kwaad niet zyn, meen ik, als plichtsbetrachting tot roem en welvaart leidde. Ik geloof, al ware er by my zucht in ’t spel geweest tot het maken van een naam, dat die zucht zeer overwinnend de vergelyking zou kunnen doorstaan met zooveel andere begeerten als we dagelyks bevredigd zien op makkelyker wyze, de begeerte naar geld, naar gemak, naar weelde, de begeerte om welvaart, eer en roem te behalen door ’tnietvervullen van z’n plicht. Ik voor my zie niet in, welke schande er liggen zou in ’t handhaven van de rechten myner onderhoorigen—mynernaasten, hoort gy,christenen?—tegen roofzuchtige onderdrukkers. Ik zie niet in, dat ik my vernederd heb: door ’t staande-houden der eeuwige aanspraken van recht en billykheid, tegen-over de gewetenlooze, maar machtige bestryders van dat recht. Ik zie niet in, wat er laakbaars liggen zou in ’t handhaven myner, onder zoogenaamde aanroeping van God, bezworen instruktiën, die voorschreven den Javaan te beschermen tegen de hebzucht zyner Hoofden, evenmin als ik eer kan geven aan ’tverkrachten van gelyke eeden door anderen, die datzelfde bezwoeren onder aanroeping van denzelfden God. (Zie ’t Regeerings-reglement, waarin den Gouverneur-Generaal als ’nEERSTEverplichting wordt voorgeschreven de Bevolking te vrywaren tegen willekeur.Dit alles zie ik niet in. En ik beweer dus, al ware ik gedreven geweest door eerzucht, dat dit my niet had mogen worden voorgeworpen als verwyt.En ten-tweede: zy die dit verwyt tot me richten, bekennen dan toch dat er eer làg in myne wyze van doen, dat er roem te behalen wàs door m’n handelingen. Ik neem nota van die erkentenis. Tot-nog-toe heb ik niet vernomen dat menvan Twistbeschuldigde z’n plicht uiteerzuchtverzuimd te hebben. De hefboomen waarmeê zóó’n wezen in beweging wordt gebracht, zyn van eenigszins ànderen aard.Maar... ik zocht geen eer. Zie de dagteekeningen. Vier jaren heb ik gezwegen. Is dit sprekend?Toen de heervan Vliet, eenigen tyd geleden, meende zich te moeten beklagen over ’t Indisch bestuur, werd z’n zaak terstond openbaar.Na ’t vertrek van den Heervan Hoevelluit Indië in 1848, heeft de Natie zéér spoedig, jaterstondgelegenheid gehad aandeel te nemen in den stryd dien hy met het bestaande had aangevangen.En onlangs, toen de heerenModdermanenvan den Biesenin hunne belangen waren gekrenkt, bracht elke mail vertoogen en redeneeringen mee, over de dingen die er met die heeren waren voorgevallen.Ik zou de voorbeelden van personen die, inlitigemet het Indisch Gouvernement, zichoogenblikkelykwenden tot de Natie, kunnen vermeerderen tot in ’t oneindige. En ik beweer geenszins dat zy die met den meesten spoed zich op het Volk beriepen als rechter, daarom zouden schuldig zyn aan te groote haast. Maar zeker is ’t dat iemand die in ’n belangrijke zaak als de myne,vier jaren wachtvoor hy de mishandeling die hem en de zynen prys gaf aan gebrek, bloot legt voor ’t Publiek, niet verdient beschuldigd te worden vanzucht om naam te maken.WanneerDuymaer van Twisthadde kunnen goedvinden my te hooren, en daarna recht te doen—gelyk zyn plicht was—zou nooit iemand iets vernomen hebben van die treurige Lebaksche zaken.En zelfs later, nooit zou deMax Havelaarverschenen zyn,wanneer die man had geantwoord op myn schryven vanJanuari1858.2Wanneer hy behoorlyk gevolg had gegeven aan wat ik hem daarin verzocht. Wanneer hy tot den koning was gegaan, en gezegd had:Sire, ik heb me vergist tydens ik namens U Indië bestuurde. Gehoor gevende aan partydige raadgevers, verblind door eigenwaan, toegevende aan gemakzucht, en tegewoonom te kunnen vatten dat er iemand bestaan kon die wat minder gewoon was dan ik... hoe dit zy, ik zie in dat ik niet heb beantwoord aan de meening die gy van me hadt, toen ge my genoeg «yver,kundeengoede trouw» toekende, om me ’t bestuur in-handen te geven over die kostbare bezittingen.Sire, ik beken schuld, en daar ik er prys op stel gehouden te worden voor ’n eerlyk man, wil ik zooveel mogelyk die schuld boeten, en herstellen wat er te herstellen is.’t Is me onmogelyk de personen die door myn verzuim zyn omgekomen, in ’t leven terug te roepen. Ook kan ik niet de bezittingen weêrgeven aan allen die door myn traagheid, achteloosheid en onwil die bezittingen verloren hebben. Want,Sire, hoe zuinig en oplettend ik gulden by gulden samelde van ’t vorstelyk inkomen dat my de Natie betaalde... heb ik nog geen vol millioen by elkaêr, en gy begrypt,Sire, dat dit op-verre-na niet toereikt tot volledige schadeloosstelling. Maar ik zal doen wat ik kan,Sire. Ziehier al wat ik bezit. Ik smeek U, laat Uw Minister van Koloniën daarvan, zoover het strekt, iets teruggeven aan de arme beroofden. Ik wil voor ’n braaf man gehouden worden,Sire, en... ik beken dat de vloek van die arme lieden my drukt. Hoe ik me zal afhelpen van den vloek op de stervende lippen van al de menschen die onder en door myn wanbestuur vermoord zyn, weet ik niet.En dan,Sire, gy die Keizer zyt van Insulinde, ik bidde U, laat U nooit weêr bewegen ’n Landvoogd daarheen te zenden, zoo onbekwaam als ik. Tracht iemand te vinden,Sire, die wat begrip heeft van menschenrecht, van deugd, van eer, van moed, en meer zulke zaken die my wat vreemd waren,Sire, omdat ik prokureur was geweest, en te veel praktyk had om kennis optedoen van dingen die zoo in ’t dagelyksch leven niet voorkomen.Onderzoek ook, o Keizer, voor ge iemand het bestuur in-handen geeft overveertig millioenMENSCHEN, of de man dien ge daartoe uitkiest, zich inderdaad van denmensch’nstudieheeft gemaakt, diehoofdstudie, zooals ’n Engelsch dichter zegt... naar ik hoor. WantSire, ik lees geen Engelsch, en geen dichters ook. Dit begrypt ge.En geeft dan zoo’n nieuwen Landvoogd stipten last,Sire, dat hy zich niet bemoeie met de zoogenaamd-politieke vragen van den dag over Vryen-Arbeid en Kultuurstelsel, maar dat hy zorgedat ieder z’n plicht doe naar de geschreven en bezworen bepalingen, opdat de arme Javaan het zyne kryge, al is ’t dan wat weinig. Want,Sire, ik zie in dat ik verkeerd deed my zoo-wat bezig-te-houden met het beoordeelen van desystemen der wetten, en daardoor verzuimde acht te geven op ’tschendender wetten, die misschien zoo kwaad niet wezen zouden als ze maar worden gehandhaafd.Beveel ook myn opvolgers,Sire, wat eerbied te hebben voor iemand die den moed heeft zyn plicht te doen in hoogst moeielyke omstandigheden, en zeg hun dat ze zoo iemand geen verwytingen toevoegen, zoo-als ik gedaan heb, omdat ik niet begrypen kon dat er zulke menschen bestonden.Vergeef me ook,Sire, dat ik na m’n terugkomst uit Indië, my veroorloofd heb den schyn aantenemen als-of ik verstand had van Indische Zaken. Want,Sire, ik erken nu dat men op Buitenzorg daarvan weinig of niets te zien krygt, en niet anders dan wat de Raden van Indië en de kommiezen der Secretarie wel gelieven te geven. Vergeef me, dat ikpour me donner un genre, my heb laten verleiden tot het verdedigen van ’n opinie over Vryen-Arbeid,Sire. Ik erken dat ik er niets van weet, en dat ik maar iets napraat van wat me is voorgezegd door anderen die belang hebben by Vryen-Arbeid. Vergeef me dit,Sire, en bedenk dat ikzelf in Indië nooit ietspersoonlykheb kunnen onderzoeken, omdat ik in vyf jaren tyds niet geleerd heb «goeden morgen» te zeggen in ’t Maleisch, en dus nooit in-staat was, door kruisvragen en ruggespraak met de betrokkenen, in ’t bezit te geraken van ’n eigen meening over zulke diepzinnigheden.Vergeef me dit alles,Sire! Vergeef me dien onnoodigen oorlog opBanjermassindie zooveel menschenlevens gekost heeft. Vergeef my den smaad dien ik Uwe Marine aandeed door ’t schryven eener circulaire waarin ik de publieke liefdadigheid inriep voor de nagelaten betrekkingen van weggeroofde of vermoorde menschen, die meenden te mogen vertrouwen op de bescherming van die Marine welker Opperbevelhebber ik was.3Vergeef me,Sire, dat ik oorzaak ben van al de ellende dieHavelaaruitstaat met z’n gezin, omdat hy in den ongerymden waan verkeerde dat ik m’n plicht zou doen, gelyk hy.Vergeef my ’t slechte voorbeeld dat ik gaf door ’t verzuimen van dien plicht, en ’t uitdooven van allen edelen yver in de besturende beambten op Java, die na het lot datHavelaartrof, nog meer moed zouden behoeven dan hy, om te doen wat hy deed.Vergeef my al de afpersingen, al de rooveryen, al de moorden die na m’n vertrek, boven ’t gewoon contingent, het gevolg zyn geweest van myn sanctioneeren der misdaden waartegenHavelaarzich verzette.Vergeef me dit alles, o Keizer van Insulinde, en meer nog, dat ik het nu niet aanroer, omdat ik niet verstaanbaar spreken kan nadat ik lid ben geworden van de Tweede-Kamer. Vergeef, vergeef, o Keizer, en laat me terugkeeren naarDeventer, waar ik ’n betrekking weet te vervullen, die me beter past dan die van Landvoogd, en die ik nooit had moeten verlaten...Zoo omtrent hadvan Twistkunnen spreken na ’t ontvangen myner memorie vanJanuari1858, en ik ben overtuigd dat z’n speech opgang zou gemaakt hebben, meer dan de speeches die hy nu van-tyd tot-tyd—naar men meent te verstaan—durft houden over Vryen-Arbeid.Maar, zegt men, om aldus te spreken zou die man een held van deugd moeten zyn, en helden zyn zeldzaam.Ik zeg niet neen. Ik vorder noch verwacht heldhaftigheid in den eersten den besten. Doch daargelaten wat die manzougeweest zyn, wanneer-i aldus gesproken had, durf ik vragen wat hyis, doornietste zeggen, doornietste verrichten na ’t ontvangen van dat gemoedelyk stuk vanJanuari1858?Ik verzoek ieder belangstellende dien brief te lezen, en zich aftevragen wat men te denken hebbe van den man die bedaard en “rustig” zoo’n stuk kan ter-zyde leggen, zonder op ’t denkbeeld te komen, dat zyn plicht ’n antwoord eischt, ’n antwoord indadenvooral.Men moge voorwenden te gelooven dat deMax Havelaar’n roman is... die brief aan den Gouverneur-Generaal in rusteisgeenroman. Die brief is geschreven aan den persoon die instaat zou moeten zyn te weêrleggen wat er zou te weêrleggen vallen in myn relaas van ’t voorgevallene teLebak. By dien brief waren bylagen die punt voor punt de waarheid aantoonden van alles wat ik zeide. Ik had daarby overgelegd extrakten uit de conduite-rapporten onder myn voorgangers waaruit bleek dat de regent dien ik aanklaagde,aanhoudendwas beschuldigd van knevelary. ’t Was dus ’nLEUGENvanvan Twist, my in z’n kabinetsbrief van 23 Maart 18564te schryven dat er over dien Regent altyd gunstige rapporten waren ingekomen, dat trouwens niets zou beduid hebben, al ware het zoo geweest.Ik gaf afschriften van stukken, waaruit bleek hoe de schoonzoonvan dat Hoofd, de man ten wiens huize m’n voorganger kort voor z’n dood z’n laatste middagmaal gebruikt had, reeds vóór myn komst inLebakwas gestraft wegensroof op den publieken weg. Ik legde kopie over van de verklaringen des Kontrôleurs—die ik later publiceerde5—verklaringen die afgelegd warennadater gebleken was dat de Gouverneur-Generaal den Resident vanBantamwilde steunen in ’t schipperen, en dusnadatdie Kontrôleur weten kon dat-i van my niets te hopen of te vreezen had. Ik toonde door ’t overleggen van andere stukken, op menschkundige gronden ten duidelykste aan, dat ik m’n ondergeschikten wist te dwingen totwaarheid, en dat ik van dien invloed gebruik maakte, onverschillig of ’t my baatte of schade deed.6By dien brief aanvan Twistwaren vele stukken gevoegd, alle aantoonende dat ik volkomen in myn recht was.7’t Is me onmogelyk thans optegeven welke, maar als ’t vereischt wordt, zal ik ’t kunnen. Ik ben in ’t bezit van ’n autentiek uittreksel uit ’n policie-register, dat aantoont hoe er op-eenmaal 57 of 59 personen—ik meen tePandeglang—zyn afgestraft metGEESELING, en gevankelyk teruggevoerd naarLebak, dat ze, alsSaïdjah’svader, hadden verlaten “zonder pas” om den druk hunner hoofden te ontgaan. Dat waren dagelyksche zaken. Men herleze die vertelling vanSaïdjah, waar ik in korte woorden samengryp wat me gelegenheid zou gegeven hebben tot uitvoerige schilderingen, als ik daarin lust had gevoeld. In denHavelaarheb ik de werkelykheid verkort, verzacht, teruggebracht tot de eenvoudigste uitdrukking. Laatvan Twisthet tegendeel beweren, als-i durft! Laat hem zeggen dat ik overdreven heb. Dan zal ik, in-stede van uit de lucht gegrepen namen, de juiste, de letterlyk juiste namen opgeven van de arme lieden die door verdrukking waren verdreven uit hun land. Ik zal die namen opgeven met vermelding van geboorte- en woonplaats, dagteekening, beroep... ach, ’t waren allen landbouwers alsSaïdjah’svader. Verlangt men meer?Laatvan Twistontkennen als-i durft, dat zy die klaagden en vluchten òm de mishandeling, daarna op-nieuw werden mishandeld òmdat ze geklaagd hadden of gevlucht waren. Laat hem ontkennen dat de kern der opstandelingen in deLampongsuit gevluchte martelaren uitBantambestond. Laat hem ontkennen dat bij elken opstand, de moed van ons leger te stryden heeft met de razerny van lang mishandelde, tot het uiterste gedreven menschen, die zacht en goedig waren wel-eer, maar tot woestamokwerden aangevuurd door wanhoop. Laat hem ontkennen dat by elken stryd, zoo bloedig meestal, het grootst gedeelte der verslagenenaan-weerszy, de slachtoffers zyn van politieke fouten, begaan door welbetaalde, maar domme slymerige vormelyke schipperende ambt- en pensioenjagende oogendienaars van gemaklievende Gouverneurs-Generaal. Laat hem ontkennen dat men de kracht van ons leger, het leven van officieren en soldaten beter kon besteden, dan door ’t vermoorden der armen die niets misdeden dan dat ze zich, na lang dulden, eindelyk verzetten tegen àl te zware geweldenary.Ja, er waren veel bylagen by dien brief, ’t was ’n bundel! Nog herinner ik my hoe zwaar ’t me viel daartoe het noodige papier te bekomen, en een plaatsje waar ik zitten kon om ze afteschryven. En toch was dat alles te-vergeefs! De man heeft niet geantwoord. Dit iszynzaak.Maar ’t is myn zaak te wyzen op dendatumvan dien brief. Ik schreef dien inJanuari1858, dus byna twee jaren na m’n vertrek uitLebak. Is die dagteekening niet ’n bewys dat m’n deel met het handhaven van recht,niet was ’t maken van een naam?Ennadien brief wachtte ik weder twee jaren, voor ik denMax Havelaarschreef. Ik was lang geperst, lang had ik getracht verbetering aantebrengen zonder schandaal, lang had ik aan den anderen kant beproefd myn gezin te bewaren voor hongersnood, voor ik ’n beroep deed op de rechtvaardigheid van Koning en Natie. Jazelfs, toen deMax Havelaarreeds geschreven, reeds gedeeltelyk gedrukt was, heb ik my tot den Koning gewend met verzoek om herstel. Zelfs toen nog, als deze had kunnen goedvinden verbetering te brengen in den ellendigen toestand vanIndië, had ik m’n boek verbrand.8Ik zal dien brief later uitgeven, na nog eenmaal aan den Koning geschreven te hebben.Ik vraag daarin niet voor myzelf. Ik blyf vasthouden aan de reeds tot den heervan Twistgerichte betuiging:anders dienen dan ik diende teLebakkan ik niet!Maar ook de Koning kon niet besluiten krachtig integrypen in ’t weefsel van leugens en bedrog, dat den Nederlandschen naam eerlang maken zal tot een walg der volken. Ik meen toch dat dit ingrypen een heerlyke roeping zou geweest zyn voor ’n Koning!En eerst na lang wachten op dat antwoord, na de volkomen zekerheid dat dit antwoord niet komen zou, verscheen in Mei 1860 het boek over de “koffiveilingen” dat, naar de uitdrukking van een Lid der Kamer, ’n “rilling deed gaan door het land”.Dit was zoo. Er is inderdaad ’n rilling door ’t land gegaan. Maar wanneer? In 1860. Dat is: vier jaren nadat ik, arm en onmachtig,Lebakverliet met vrouw en kind.Als een geduldige Javaan had ik my vier jaren laten mishandelen. Vier jaren had ik van-dag tot-dag gestreden met kommer van heden, met angst voor morgen, voor ik die rilling opwekte. Vier jaren lang wasSjaalmanbespot en gesard doorDroogstoppel, voorMultatulibeslootHavelaar’sparty tegen dien vanDroogstoppeloptenemen.Dat ik ’t toen deed, krachtig forsch... wie zal ’t laken? Bovendien ik ben zoo. Ik versta geen halve dingen. Dit zal men zien in de toekomst, als ik ’t leven houd. En al ware het... doch, neen, voor die toekomst is gezorgd.Vier jaren dus. Jaren van bittere smart. Vier moeielyke, zware jaren...Zou ik zóólang gewacht hebben, als ’t my ware te doen geweest om opgang of schandaal?Ik wenschte herstel van grieven voor m’n arme beschermelingen, en als me dit gelukt ware, zou de Javaan zelf nooit hebben geweten wat-i my te danken had, noch Nederland hoe ik, met al wat ik dierbaars had, my opofferde voor zyn eer.Maar, ik erken dit, zoowel voor als na ’t schryven van denMax Havelaar, bestond er vaak ’n andere reden die my noodzaakte te zwygen. De ellendelingen dieIndiëverwoesten, hebben een bondgenoot die dikwyls, ja meestal, de kracht heeft my de pen uit de hand te slaan. De Natie weet dit, en schynt het goedtekeuren. Dit ishareschande, demyneniet.De naam van dien bondgenoot is:het gebrek. Niet altyd heb ik papier. Niet altyd heb ik de stukken by me, waarin ik iets zou moeten naslaan, daar ’t meermalen gebeurt dat ik kist of koffer hier-of-daar moest achterlaten omdat ik den prys van ’t vervoer niet betalen kan. Daaraan heeft nu byv.van Twistte danken dat ik niet inditstuk de namen opgeef van de 57 of 59 personen die met geeselslagen vanPandeglangwerden teruggedreven naarLebak. Menigmaal heb ik geen plaats waar ik me rustig kan neerzetten tot schryven. Heeft men dit niet gelezen in deMinnebrieven... tusschen de regels vooral?En eindelyk, meestal, ja altyd byna, wordt me elke voorkomende gedachte weggestolen door ’n spook dat me in Gouverneur-Generaal kostuum, of in de gestalte van een dikbuikig vry-arbeider, de sarrende vraag voorhoudt:Wat zullen morgen uw kinderen eten? Waar zult ge uw gezin huisvesten over een maand, over een week, over een dag?Want meermalen is ’t zoover geweest, dat die vraag ’n vraag was van weken of dagen... ja, van uren!In m’nKruisliednoem ik me taai. Ik zeg altyd de waarheid, en ook daar zeide ik de waarheid: ik bèn taai.Maar ik moet erkennen dat ik werk met tegenzin en inspanning... dat ik zelfs niet werken kan in ’t geheel, als my de gedachte overvalt myn lief gezin uitgehongerd te zien, en omkomende van gebrek aan ’s Heeren weg.Overdryving, meent men? Eilieve, hoe zou ’tanderszyn? Ik bezit niets, en ontvang niets. En laat u nu eens voorleggen—ge hebt het recht daartoe, Nederlanders—denStaat van Indische pensioenen, waarop posten voorkomen, wat hooger dan eigenlyk behooren zou—zelfs zy erkennen dit, die ze toelegden—omdat de betrokkene zekere betrekkingNIETbekleed heeft.” Zóó staat er. Ga eens na welke sommen er jaarlyks op uwe begrooting worden gebracht om menschen in het leven te houden, die nooit iets belangryks uitvoerden, en wier geheel leven zonder schâe voor iemand best achterwege had kunnen blyven. Tel eens hoeveel gepensioneerde Slymeringen gy vetmest, en vraag dan uzelf af, of ’t billyk is, datikvan uur tot uur heb te worstelen met gebrek?Overdryving? Ik antwoord nog-eens; hoe zou ’tanderswezen kunnen? Ik heb niets en ontvang niets. Maar als ’t u moeite kost, lezer, u duidelyk voortestellen hoe ’n vader gestemd is, die z’n gezin moet voeden metniets... dan zal ik uw begrip te-hulp komen door ’t vertoonen van ’n certificaat, waaruit blyken kan hoe eens ’n Belgische dorpsburgemeester me twee dagen tyd gunde om te voorkomen dat ik als vagebond met vrouw en kinderen door maréchaussées zou worden weggevoerd over de grenzen...Zie in zulke omstandigheden voel ik me “wat moê” zoo-als op ’t slot van m’nKruislied!Dit is weêruweschande, Nederlanders, en dit is nietmyneschande. Daarvan worstelt ge u niet los, als zoudt ge ’t begin van de week vastbidden en vastpreêken aan ’t eind.En wie nu meent dat ik genoegen schep in ’t mededeelen van de ellende die ik ondergingomdat ik myn plicht deed—dat ik er trotsch op ben, is waar!—bedenke hoe lang ik zweeg vóór ik iets openbaarde.En dat ik eindelyk daarvan sprak, was om aantetoonen dat ik zeer duur het recht heb gekocht en betaald, ommeetespreken over de vragen van den dag. Men onderzoeke eens nauwkeurig wat anderen hebben betaald voor dat recht? Jazelfs, ofzy ietsbetaald hebben,ietsten-offer gebracht in ’t geheel? En of niet vaak hunne opiniën voordeel aanbrachten in-steê van offer te eischen?DE KWESTIE OVER VRYEN ARBEID IS GEEN KWESTIE.DE TEGENWOORDIGE AGITATIE OVER DE KOLONIALE ZAKEN IS EENE GEMAAKTE AGITATIE.De Geschiedenis leert ons dat overal waar groote bewegingen voor de deur stonden, de leiders der algemeene belangen zich beyverden byzaken voor-op te schuiven, om de aandacht der Natiën aftetrekken van de hoofdzaak.Dit noemen kleine bestuursmannen:Kunst van regeeren.En vaak komt de loop der dingen de Regeeringen te hulp in ’t verschaffen van zulke afleidingen. Het volk bemerkt instinctmatig dat alles niet is zoo-als ’t behoort, en stelt zich, meer dan anders, by elk opgeworpen denkbeeld de vraag voor: “zou dit misschien de oorzaak myner malaise wezen?”Nooit waren er zooveel staathuishoudkundige kwestiën aan de orde van den dag, als kort voor de Fransche revolutie. Ik bedoel de eerste, de ware, de voorloopster van de groote Wereldrevolutie die onzen kinderen wacht, en waarby de hoofdvraag wezen zal:hebben of niet hebben. Boeren-oorlogen enJacqueriënzyn periodiek als de saizoenen. Dit zal zoo blyven zoo lang menschen menschen zyn. En ook zal men altyd blind genoeg wezen om die onvermydelyke schuddingen niet te voorzien.De wegbereiders van zulke revolutiën, zy die het eerst nieuwe denkbeelden verkondigen, bedoelden juist niet altyd ’n omwenteling. Zy waren, zoo-alsiederin zekeren zin, de uitdrukking van hun tyd. Zy stuwden niet, ze werden aangetrokken. “l’Homme ne manque jamais aux circonstances”heeftMONTESQUIEUgezegd, en wáár is het, even zeker als dat er nooit lucht ontbreekt om de leegte aantevullen die ontstond door verplaatsing van andere lucht. Maar diep ligt de waarheid vanMONTESQUIEU’Suitspraak niet. ’t Is als-of men zeide: “geen muskaatnoot zonder foelie.” Ik geloof ’t graag, ’t is dezelfde vrucht.Want zoodra ’n Volk behoefte voelt aan zekere indrukken zal dezelfde oorzaak die deze behoefte te-weeg bracht, sommigen aanzetten tot het meedeelen van die indrukken. De mannen die ’n omwenteling vooraf-gingen,bewerktendie niet, maar werden, juist omgekeerd, voortgebracht door dezelfde omstandigheden die de revolutie ten-gevolge hadden. ’t Is hier nochpost, nochpropter, ’t issimul. Dit is even begrypelyk als dat men geen scheepsbouwmeesters vindt in de bergen, noch tuinlui opNova Zembla.Men zal dan ook kunnen opmerken dat de personen die vaak worden aangezien als de bewerkers eener omwenteling, omdat ze kort te-voren ’n belangryke rol speelden, die belangrykheid inderdaad meer te danken hadden aan de behoefte en de voorbeschiktheid des Volks om wat nieuws te hooren, dat licht geven zou in de duisternis, dan wel aan de onderwerpen die zy behandelen, of de inrichting die zy aanwyzen als de juiste. Om zich hiervan te overtuigen, behoeft men de zaken slechts te bezien van ’n later standpunt, als wanneer er een groot verschil in ’t oog springt tusschen den loop der gebeurtenissen, en de meeningen of uitingen die de verandering van dien loopwaren voorafgegaan. Deterreurder Fransche revolutie gelykt niets op ’tContrat SocialvanRousseau.Wanneer nu echter hervormers dieter-goeder-trouwzyn, een zoo willigen bodem vinden voor nieuwe begrippen, onverschillig of hunne ideën uitvoerbaar blyken of niet, onverschillig of ze voldoen aan de behoefte des oogenbliks, en alleen omdat het Volk voelt:qu’il y a quelque chose dans l’air—met hoeveel te-meer graagte dan zullen opgeworpen twistpunten worden aangenomen, wanneer zy die ze opperennietter goeder-trouw zyn, wanneer ze met meer of min kunst zulke punten van geschil uitvinden, scheppen, op den voorgrond schuiven, met hetdoelom ’t Volk bezig te houden.Dit nu, Nederlanders, is by u sedert jaren het geval.Liever dan my te bepalen tot den kleinen kring onzer belangen, zou ik u voorbeelden aanhalen uit de Wereldhistorie. Maar ik begryp dat ik beter doe my te bepalen tot dingen die u meer van naby raken, en u klaar voor den geest zullen liggen naar ik gis. Eén voorbeeld dus uit velen:Herinnert ge u, Nederlanders, hoe men eenige jaren geleden u heeft bezig-gehouden metindisch-muntstelselenduitenplaatjes? Ge hebt die plaatjes goedmoedig geslikt. Dáárover zyn wat verhandelingen gehouden, wat brochures geschreven!Dááraan is wat geleerdheid en redenary ten-koste gelegd! Men voedde u met millimeters van den omtrek der indische guldens, gy ontbeet met beeldenaars, en uw avondmaal vloeide over van circuleerende medium’s. Hoe ’t mogelyk was, u zoo erg en zoo lang te bedriegen met ’n zaak zoo eenvoudig als ’n muntstelsel, begryp ik niet, maar geluktishet. Eilieve, hoe is die zaak, die belangryke zaak, waarvan ’t wel of wee uwer indische bezittingen scheen aftehangen, dan toch eindelyk uitgewezen? Weet ge ’t wel eens? Ditmoestge toch weten, indien de vraag zoo belangryk was als ze scheen in die dagen...De opheldering dier muntkwestie is eenvoudig. Op den oogenblik toen men u bezig-hield met koperen duiten, recepissen, zilvergehalte, agio en dergelyke,was de Bevolking van Indië op ’t punt uit te bersten in algemeenen opstand, die dan ook partiëel uitgebrokenis, maar overal in bloed gesmoord.Hebt ge ’t niet in de couranten gezien hoe elke mail heldendaden meêbrengt? En ziet ge niet tevens hoe er altyd-door meer suppletie-troepen noodig zyn? Hebt ge er niet op gelet hoe men in Europa te-kort schiet met werven, in-weerwil van ’t bovenmatig verhoogen der handgelden, en hoe men de beschermers en verdedigers vanNederlandschebelangen weêr, als vroeger, moet zoeken inAfrika?Zyn we ooit in vrede daarginder? Volgt niet oorlog op oorlog, roering op roering, onrust op onrust?Komt ge nooit op ’t denkbeeld dat er wat verdachts is in die stereotype telegrammen: “op Java volmaakte rust?”Vindt ge ’t niet vreemd dat de Landvoogden, die zoo met overstoorbare eentonigheid die rustigheid proclameeren en telegrafeeren, altyd-door méér soldaten noodig hebben om niet weggejaagd te worden?Ziet ge, dit bevreemdt my. Dat men u bedriegen wil, heeft z’n redenen. Dat ge zoo gemakkelyk toegeeft in dit bedrog, vind ik zonderling en jammer.Het aantal opgeworpen kwestiën waarmede men u aandachtig bezig-houdt, is zeer groot, en daaronder behoort ook de vraag die thans in Nederland aan de orde van den dag schynt; de vraag overVryen-ArbeidenKultuurstelsel, waarvan die kibbelaryen over consignatiestelsel, kultuur-emolumenten, enz. onderdeelen zyn.Dewarevraag van den dag is deze:Wordt de Javaan mishandeld?Zal hy dit voortdurend verdragen?Wat moet er gedaan worden om een eind te maken aan die mishandeling?Maar deze vragen legt men u niet voor. Er zal ’n tyd komen dat ge u schamen zult over uw gebrek aan doorzicht. Het zal u onverklaarbaar zyn dat ge u aanhoudend liet verlokken tot het behandelen van andere vragen.Want ik stelde u in-staat dit bedrog te doorzien en te ontwyken. In denMax Havelaarheb ik aangetoond dat de Javaan mishandeld wordt. Wie heeft dit weersproken? Dagbladen, tydschriften, brochures stelden ten-klaarste in ’t licht dat ik niet overdreven heb, dat ik beneden de waarheid ben gebleven. Zie denIndiër,den Gids, hetNeêrlandsch Indisch tijdschrift... in ’t kort, alle organen van deliberaleparty.Of die organen zoo volmondig zouden verklaard hebben dat ik de waarheid sprak, indien ze hadden geweten dat ik geen partyman was, mag betwyfeld worden. Maar wat geschreven staat: staat geschreven. ’t Is zoo, ik ben beneden de waarheid gebleven. Ik vreesde en vermeed àl de waarheid te zeggen, uit kunstgevoel. Ik wilde sympathie opwekken, geen walging. En dit zou ’t geval geweest zyn, indien ik, in-plaats der eenvoudige geschiedenis vanSaïdjah, de ellende geschetst had van ’n hongersnood, zooals er van-tyd tot-tyd opJavavoorkomt, ten-gevolge der overdryving van ’t Kultuurstelsel...“Ziet ge wel, roept hier de Vry-arbeider... ’t Kultuurstelsel!”Een oogenblik, m’nheeren. Ik heb inIndiëgruwelen gezien onder Gouverneurs-Generaal van allerlei kleur, gruwelen waarmeê ’t Kultuurstelsel niets te maken had. InLebakbyv. werkte geen Kultuurstelsel, en dáár was tochjaarlijks hongersnood. En ook elders is de toestand van de Bevolking die overgeleverd wordt aan Vry-arbeiders in compliciteit met de Hoofden, verre van benydenswaardig. Of erger nog, ik heb dorpen gezien die uitgemoord waren door zeeroovers, die alles meêvoerden wat kracht tot roeien had, en een geslacht achterlieten wat tot roeien te zwak was. Hierby immers komt noch Stelsel van kultuur, noch Vrye-arbeid te-pas, niet waar!Waarlyk, m’nheeren partymannen,gyhebt het recht niet, elkaêr aanteklagen.Ikheb het rechtu beidente roepen voor de rechtbank der openbare meening. En dit doe ik. My zult ge niet afleiden met uw duitenplatery over Vry-arbeid of Consignatiestelsel...“Onderuweleiding is de Javaan bestolen, mishandeld, vermoord, dit kan ik bewyzen!”Zoo spreekt de liberaal tot den behouder.“Ik zeg dat de Javaan mishandeld en vermoord wordt onderuweleiding... dit kanikbewyzen!”Zoo antwoordt de behouder den liberaal. En vervolgens:“Gy zytoorzaak datIndiëvoor ons zal verloren gaan! Als weIndiëverliezen, is ’tuweschuld!”“Neen,uweschuld!”“Neen,uwe... sjt!Daar komt het volk aan... ik zeide dan, m’nheer, dat uwe begrippen over Vryen-arbeid...”“Juist! Ik meen dan dat die cyfers in ’t boek vanMoney...”“Inderdaad! Maar lees eenSay,Malthus,Scialoia... En let eens op de opinie van den geachten spreker uit ...”En ’t Volk gaat naar-huis, en meent in z’n onnoozelheid dat de Heeren ’n verschil van opinie hebben over Staathuishoudkunde.En ’t Volk neemt het voorgegoocheld onderwerp voor ’t ware, en koopt zich ’n boekje vanMoney, en gelooft aandeel te nemen in de behandeling der publieke zaak, door ’t narekenen van de cyfers die daarin staan.En alzoo... wat te-huis hooren zou voor een crimineele rechtbank, wordt behandeld als diepzinnig systeem van bestuur, en de hoofdzaak, deware eenige hoofdzaakis weer gesmoord voor ’n tyd!Voor den honderdsten keer: de kwestie over Vryen-arbeid is geen kwestie! Het eindeloos gekibbel daarover is slechts de dwaalweg waarop ’t Volk zich laat brengen door de slotwoorden van de heeren die bezig waren zichvice versate beschuldigen van diefstal en doodslag, maar gaarne hunlinge salewillen wasschenen famille, en daarna aan ’t Volk wat opgeworpen verschilpunten ten-beste geven. Aan ’t Volk, dat ten-laatste—al waar ’t uit zucht tot verandering alleen—die schandalen niet verdragen zou. Het wachtwoord van die heeren is: zwygen!En ik sprak hier niet van Ministers alleen.Ik vraag u, lezer, of ’t niet in de rede zou gelegen hebben dat men in de Tweede Kamer—of ook in de Eerste, waarom niet?—aan de Regeering had gevraagd of deMax Havelaarwaarheid bevat? We hebben behoudende en liberale ministeriën gehad sedert de verschyning van dat boek, maar geen opposant heeft aan ’n behoudende Regeering, geen behouder heeft aan ’n liberaal bewind durven vragen of ik de waarheid gezegd had. Ieder voelde dat het antwoord even nadeelig luiden zou voor z’n eigen party als voor de vyandelyke. Ieder begreep dat er niets viel te winnen door ’t staven van beschuldigingen, die terstond daarop met gelyk recht zouden worden ingebracht tegen hemzelf. ’t Scheelt me weinig of ik triviaal schyn... ik neem m’n uitdrukkingen waar ik ze vind ... Het volk zal my verstaan:’t is diefje met diefjes maat!Dit komt er van, kiezers, wanneer ge u niet bemoeit met uw zaken.Zwygen dus, smoren!Ja, smoren! Maar toch zyn erenfants terriblesdie in de hitte van den stryd geen acht-geven op ’tsjt!dat het Volk moest buitensluiten van de waarheid. Onlangs by de behandeling der koloniale begrooting heeft men elkaêr over-en-weerDroogstoppelgenoemd. Men kan ’t nalezen in ’t verslag der zittingen van de Tweede-Kamer.Droogstoppelnu—ikheb dien man gemaakt,ikheb ’t recht te zeggenhoe,watenwiehy is—Droogstoppelis de gemeene dief,minusden moed om intebreken.Droogstoppelis deFariseërdie weduwen en weezen op-eet, en kushandjes toewerpt aan ’n eigengemaakt godje dat hem helpt in de digestie.Droogstoppelis de bloedzuiger die opzwelt van onrechtvaardig verkregen goed, maar ’n veerkrachtige magerheid bewaart om z’n vooze opgeblazenheid binnentepersen door de enge poort.Droogstoppelis de femelende laffe gierige schriftuurlijke gauwdief...Eilieve, ik heb vergeten te zeggen ofDroogstoppelliberaal of behoudend is...In de Kamer heeft men de goedheid gehad deze gapingaan-te-vullen.Liberalen hebben tot behouders gezegd:“gy Droogstoppel!”En behouders hebben geantwoord:“Droogstoppel, gy!”En ik? Watikantwoord?Ach, ik zie in dat ik ’n profetischen geest had op het oogenblik toen ik in deMinnebrievende vertelling gaf van ’n paar twisters opAmboina, die elkaêr onaangenaam hadden bejegend. “Ga gerust naar huis, oJozefenAbraham... ofEzechiël, gy beiden hebt volkomen gelyk!”Ik verklaar overigens my geheel te vereenigen met de opinie van den heerWintgens, die de vraag deed, of niet de ergsteDroogstoppelsde zoogenaamde vry-arbeiders waren, wyl ze den Javaan meer rechtstreeks uitzuigen dan hun confraters op de Lauriergracht?Ik zeg volmondig ja op die vraag.—Maar ik constateer tevens dat de heerWintgens, door z’n superlatieven gradus—“of dat niet deergsteDroogstoppels waren?”—zich beweegt in den omtrek der paragrafen onzer schoolboekjes, waar boven stond, “over de trappen vanvergelyking” en dat hier dus maar sprake is van watmeerofminDroogstoppelig...Nederlanders, ge staat my toe, hoop ik, voorDroogstoppelte lezen:Ellendeling? Welnu, in uwe Vertegenwoordigende Kamers is de vraag geopperd: onder welke der beide dusgenoemde Staatspartyen, de ergste ellendelingen zyn.Wat geschreven staat, staat geschreven. Het byblad, waarin deze vraag voorkomt, zal wel reeds gedrukt en verspreid wezen. En al ware dit zoo niet, de vraag wordt meêgedeeld in de verkorte verslagen die de dagbladen van de zittingen gaven, waarin de koloniale begrooting is behandeld.Ik tart de leden der Staten-Generaal die te vernietigen, en voor ’t Nageslacht te verbergen dat in 1861 in hunne vergadering de vraag geopperd is, welk staatkundig gedeelte des Nederlandschen Volks ’t meest productief was in huichelende gauwdieven.Ja, dat zyn deenfants terriblesvan de partyen! En men meene niet dat dit ’n toeval was, ’nlapsus linguae, ’n oratorische wending van den heerWintgens... volstrekt niet.Herhaaldelyk is ’t scheldwoordDroogstoppel—dat is: ellendeling—over-en-weergebruikt. Ik heb dit woord in ’n zeer verkort verslag der zittingen, tien of twaalf malen gevonden in één alinea. ’t Is zelfs ontelbare malen gebruikt door den heerP. Myer, den man die ’n zoo hoog pensioen trekt: “omdat hy—ikciteer—zekere betrekkingnietbekleed heeft.” En ook na den HeerWintgenshebben weer anderen zich beyverd aantetoonen dat deDroogstoppels...O God, O God, is ’t genoeg, Nederlanders? My is ’t te veel.Had ik niet recht,Hamletsuitroep te kiezen tot motto dezer brochure? Waarlyk:There is something rotten in the state!Maar, zeggen misschien sommigen, wat is dan toch dat Kultuurstelsel, wat verstaat men onder Vryen-arbeid?Ik weet dat deze vraag nog altyd door velen gedaan wordt, en dit is ’n bewys te-meer van de waarheid myner stelling dat de voorgewende punten van verschil niet raken aan de hoofdzaak. Als er waarheid lag in al de beweringen vóór en tegen die systemen van Indischbestuur, zou men, na al wat daarover is gesproken en geschreven, nu dan toch wel zóóver gevorderd zyn, dat men wist waarover de kwestie liep. En dit is het geval niet. Er is zorg gedragen de zaak zoo te verwarren, dat de goê-gemeente zich verliest in ’n zee van kunsttermen over staathuishoudkundige wysheid, en moedeloos tot het besluit komt, de heeren moeten ’t weten! Ja, en dan hebben de “heeren” weêrloisirom ’t gesprekvoorttezettenover de zaak die hen bezig-hield, toen ’t Volk er bykwam: over de mishandeling van den Javaan, en den opstand die daarvan ’t gevolg wezen moet.Toen ik denMax Havelaarschreef, dacht ik niet aan vryen arbeid. Ik behandelde daarin ’nhoofdzaak, en het heeft my zeer verwonderd dat boek te zien misbruiken als ’n wapen tegen hetKultuurstelsel. Zelfs in ’t buitenland is men in die dwaling vervallen. In denAnnuaire des deux Mondesvan 1860, wordt myn werk behandeld als ’n pleidooi voor Vryen-arbeid, dat het zyne toebracht tot den val van ’n behoudend—kultuurstelselig—ministerie. En ’t een, en ’t ander is onjuist. Ik heb noch in denHavelaar, noch later, my ingelaten met de voddige voorgehuichelde geschilpunten die men in den Haag gebruikt om ministeriën te ondermynen. Even als ik ieder mensch goed noem die goed handelt, zonder te vragen naar z’n geloof, evenzoo zou ik ’n Minister aanhangen die rechtvaardigheid beoefent, onverschillig of-i oude stelsels aankleeft, of nieuwe verkondigt. Die rechtvaardigheid nu heb ik tot-nog-toe zoowel aan de zyde van ’t behoud, als aan den kant der zoogenoemde liberalen tevergeefsgezocht. En zoolang dit niet verandert, is ’t me onverschillig wie er regeert. En den Javaan ook.Geheel alleen echter sta ik niet met m’n opinie over de ledigheid, de nutteloosheid, de ontydigheid der kwestiën van den dag. Ik las in ’n brochure, onlangs uitgekomen byGünstteAmsterdam10de volgende eenvoudige maar veel beteekenende woorden:

Vrye arbeid of Kultuurstelsel... de kwestie van den dag.Neen, niet van dendag... de kwestie vanjaren!Sedert jaren betaalt de natie haar Ministers, en zendt Afgevaardigden naar den Haag, om te beslissen of de Javaan moet worden uitgezogen op liberale of réactionaire, op behoudende of onbehoudende wyze.Zeg iets van beschaving ... men noemt u ’n dwaas, en antwoordt: vrye arbeid.Spreek van vooruitgang—van wezenlyken vooruitgang ditmaal—domheid! Men vraagt uw opinie over ’t Kultuurstelsel.Deel iets mede over misbruik van gezag, afpersing, roof en moord ... ei, is ’t antwoord, vertel ons iets van Vryen-Arbeid.Roep hulp in voor vertrapt menschenrecht. Men verstaat die taal niet.Zeg iets over deugd, eer, gevoel, loyauteit, waarheid, gezond verstand ... alles te vergeefs. Men “doet” niet in die dingen.Ja, sterker nog, wijs op het BELANG, op “MEN”’S EIGEN BELANG—iets waarin “men” toch wél “doet”—dan nog bekomt gy geen gehoor voor ge aan dat eigen belang van “men” eenige frazen weet vastteknoopen overVryen Arbeid of Kultuurstelsel.Ik wil voor ditmaal toegeven in de monomanie van ’t oogenblik, en zal iets schryven over Vryen-Arbeid.In ’t begin zal ’t misschien den schyn hebben dat ik schryf over iets anders. En dit is natuurlyk. De kwestie over Vryen-Arbeidisgeen kwestie. Ik ben dus genoodzaakt, by ’t behandelen van dit voorgeschoven vraagstuk, gedurig te wyzen op andere zaken die wel de kwestie zyn. Goochelaars lokken uwe blikkenlinks, als ze iets willen wegmoffelen aan derechter-zyde. Dit weet ge, niet waar? Welnu, ik zal trachten uwe blikken te richten naar den kant dien de goochelaars willen dat genietziet. Over Vryen-Arbeid heb ik dus eigenlyk weinig te zeggen.Niemand kan me verwyten dat ik te veel schryf. Misschien zelfs schreef ik te weinig. Ik ben al over de veertig, en tot nog toe zyn er van my slechts ’n paar kleine boekjes verschenen. GeenMuzen-Almanakhad ooit last van me, schoon ik al verzen en verhandelingen beging voor Belgien’s afval. Al m’n “aan-haars” heb ik flink verbrand, en erzynal grootmoeders onder. Niemand dan ikzelf heeft geleden onder de eerste liefelyke maar bedwelmende aandoeningen van ’n jong vurig hart. En toen ik eindelyk mymoestopenbaren aan ’t Publiek, heeft men my bovenmatig geprezen over m’nwyzevan schryven.Dit was onbillyk.Ik had meer recht op wat lofs over m’n zwygen. Ik zeg dit in vollen ernst. In veel geschryfs is veel dwaasheid. ’t Is lichter honderd boekdeelen te vullen, dan de aandoeningen die honderd boekdeelen vullenzouden, te bewaren tot het juiste oogenblik, of—zoo noodig—ze te smoren tot er de dood na volgt. Hebt ge wel eens overwogen, lezer, hoeveel geestkracht er noodig was voormy, om niet optetreden voor m’n veertigste jaar? Ge kunt nagenoeg weten hoe ik menschen en zaken beschouw. Ge kunt weten “dat ik het leven niet ben doorgegaan zonder de indrukken optevangen die ’t my aanbood.”1Welnu, ik hebdeze indrukken opgezameld voor myzelf, voor m’n allernaaste omgeving, vreezende dat ze niet ryp waren, dat ik morgen zou moeten terugnemen wat ik heden gaf, dat er gebrek aan harmonie wezen zou tusschen jeugd, mannelyken leeftyd en ouderdom. In één woord: Ik heb gespaard, en waarmede ik vrygevig moge geweest zyn of verkwistend, met m’n denkbeelden was ik nooit verkwistend of vrygevig.Na de uitgave van denMax Havelaarevenwel, had m’n zwygen meestal ’n anderen grond dan schroom. Van twee geheel tegenoverstaande zyden op staatkundig terrein, had men my hulp toegezegd. Ik geloofde, vertrouwde en ... wachtte. Ik heb gezegd datHavelaarnaïf was. Van beide kanten ben ik bedrogen. Van één kant zelfs bestolen.Noch van de zyde des behouds, noch van die der oppositie, werd het minste bewys gegeven dat men zich de zaak van den mishandelden Javaan, dat ismynezaak, aantrok. De prys van die hulp zou geweest zyn, dat ik my geschaard had onder ’n banier. Dit kon ik niet.Je lève bannière, n’en suivre ne peux.Wat geschryf over—d. i. vóór—Vryen-Arbeid zou me brood en ’n positie gegeven hebben. Ook had ik m’n kinderen kunnen kleeden met wat lof over ’t Kultuurstelsel. En zie, ik had talent genoeg daartoe. Wie nu meenen mocht dat ik myzelf verhef door me dit talent toetekennen, antwoord ik dat er geen zelfverheffing ligt in ’t aanspraak-maken op ’n hoedanigheid die me walgt. Hoe dit zy, dat zoogenaamd talent had ik. Wie anders oordeelt, heeft het maar te zeggen. Maar óók had ik—en ditmaal verhef ik myzelf inderdaad—ook had ik ’n gemoed dat zich verzette tegen de minste afwyking van de waarheid, vooral wanneer die waarheid nadeelig of gevaarlyk was voor myzelf. Al wat moeielijk is, lokt my aan. Iets toegeven in ’n onverschillige zaak, of zelfs waar dat toegeven schadelyk werken zou voor myzelf ... ik zou ’t kunnen. Maar tegen de waarheid in, voor overmacht te wyken in ’nhoofdkwestie, waar de straf van ’t weigeren, zoo-als by my het geval is, zwaar wezen zou, dit kan ik niet, dit wil ik niet en dit zal ik niet.Al wat moeielyk is lokt my aan, heb ik gezegd. Ik erken evenwel dat ik by ’t aangaan van den stryd niet verdacht was op desoortvan moeielykheden die my wachtten. Ik meende slechts—als m’n arme voorganger!—vergiftigd te worden met vrouw en kind. In plaats daarvan, scheldt men my uit. M’n tegenstanders hebben den stryd weten overtebrengen op ’n terrein dat aan den uitroep der Jakatranen herinnert—’t is historisch, lezer!—”die honden van Hollanders vechten met drek!” Dáárop had ik niet gerekend. Of ik anders zou gehandeld hebben, wanneer ik dit wèl had voorzien ... neen, neen,duizendmaal neen! Maar ik zou in dit geval den stryd hebben aangevangen met minder genoegen.Men beschuldige my niet van platheid by ’t aanhalen van den Jakatraschen uitroep. Kanik’t helpen, Nederlanders, dat uw geschiedenis in Indie platis, gemeenis? Kunt ge die woorden ongesproken laten, en de handeling die ze uitlokte? Wie is triviaal, iemand die gemeene dingendoet, of de man die met al de kracht zyner zielopstaattegen die gemeene dingen?De ondersteuning dan, die me werd toegezegd, na ’t verschynen van denMax Havelaar, was aanvankelyk niet verbonden aan onteerende voorwaarden. Van behoudenden en van liberalen kant beide, gaf men voor belang te stellen in myn zaak, zonder meer. Eerst later, toen men den indruk van denMax Havelaarversleten waande, toen men hoopte dat ’n beroep op het Volk zonder vrucht blyven zou, werd er onedele dienst geëischt voor hulp. Ik heb brieven die uitwyzen dat men maanden, maanden lang—heel onnoodig voorzeker!—my inscherpte moed te houden, zonder daarby te gewagen van Vryen-Arbeid, Kultuurstelsel of dergelyke byzaken. Men veinsde menschelykheid en rechtvaardigheid op den voorgrond te stellen als ik. En eerst nadat ik lang had gewacht, nadat men goed overtuigd was dat ik by ondervinding wist wat het zeggen wil, te worstelen met gebrek, nadat men zich had verzekerd dat de nood aan de lippen was, kwam men schoorvoetende tot de veelbeteekenende uitnoodiging: schryf eens iets in den geest van...Ik zou wat schryven in den geest van die heeren. Ga er eens toe zitten, m’nheeren, en beproef eens te schryven inmyngeest. Dit zou u zwaar vallen. Ziehier nu ’t verschil. Inmyngeest schryven zoudt ge nietkunnen. Inuwgeest schryvenwilik niet, schoon ik ’tkunnenzou. Dit hebt gy gezien inWawelaar’spreek, en in de redeneeringen vanDroogstoppel, een persoon waarin, naar ik met genoegen ontwaar, vele Kamerleden zichvice-versaherkend hebben. In de laatste zittingen toch riep men gedurig over-en-weêr: “Gy zyt de man!” Ieder wildeNathanwezen, de berispende profeet. Niemand woûDavidzyn, de betrapte misdadige koning.Ik zou wat schryven in den geest...In den geest! Ik schryf inmyngeest, myne heeren vry-arbeiders en kultuurstelselaars! Gy woont inuwevilla’s, gy geniet vanuwgeld, gy pronkt metuweprincipes, gy liegt metuweleugens, gy schippert metuwegewetens! gy huichelt metuwengeest, maar ... inmyngeest schryfik.Dit moet ge my laten!De eerste reden alzoo van m’n zwygen na denMax Havelaar, was ’n ydel wachten op een toegezegd herstel. En de uitgave van deMinnebrievenmaakte in-zooverre hierop geen uitzondering. Men heeft kunnen zien dat ik die schreef om ’n arm gezin dat ik niet kende, uit den nood te helpen. ’t Was ’n luim zooals ik er vroeger veel had, en die ik meestal opvolgde. Ditmaal slechts ’n herinnering aan vroeger tyd.Maar uit dit voortdurend zwygend wachten moge tevens blyken dat ik geen agitateur ben tot elken prys. Ik had aangetoond hoe schandelyk er werd huisgehouden met het leven en de bezittingen der Javanen... men beloofde beterschap, en ik zweeg geduldig.En reeds vóór denMax Havelaarhad ik ’n doorslaand bewys gegeven, dat het me niet te-doen was om effect, om beroering of schandaal, maar om herstel alleen. M’n voorganger was, om te voorkomen dat-i z’n plicht deed, vermoord in November 1855. Myn mislukte pogingen om den Gouverneur-GeneraalDuymaer van Twistaantesporen tot het vervullen vanzynplicht, dateeren van den aanvang des jaars 1856. DeMax Havelaar, het agitante boek, verscheen eerst in Mei 1860.Dit zyn sprekende dagteekeningen! Daar liggen vier volle jaren tusschen de voorvallen teLebak, en den oogenblik waarop ik de Natie uitnoodigde inzage te nemen van de wyze waarop zy gerepresenteerd wordt in Indie. Er zyn er die beweren dat m’n handelingen teLebakvoortsproten uit eerzucht, uit begeerte om naam te maken. Ik heb op die beschuldigingen tweeërlei antwoord. Vooreerst: dat het te wenschen ware veel en vaak zulke eerzucht aantetreffen by de dienaren van den Staat. Het zou zoo kwaad niet zyn, meen ik, als plichtsbetrachting tot roem en welvaart leidde. Ik geloof, al ware er by my zucht in ’t spel geweest tot het maken van een naam, dat die zucht zeer overwinnend de vergelyking zou kunnen doorstaan met zooveel andere begeerten als we dagelyks bevredigd zien op makkelyker wyze, de begeerte naar geld, naar gemak, naar weelde, de begeerte om welvaart, eer en roem te behalen door ’tnietvervullen van z’n plicht. Ik voor my zie niet in, welke schande er liggen zou in ’t handhaven van de rechten myner onderhoorigen—mynernaasten, hoort gy,christenen?—tegen roofzuchtige onderdrukkers. Ik zie niet in, dat ik my vernederd heb: door ’t staande-houden der eeuwige aanspraken van recht en billykheid, tegen-over de gewetenlooze, maar machtige bestryders van dat recht. Ik zie niet in, wat er laakbaars liggen zou in ’t handhaven myner, onder zoogenaamde aanroeping van God, bezworen instruktiën, die voorschreven den Javaan te beschermen tegen de hebzucht zyner Hoofden, evenmin als ik eer kan geven aan ’tverkrachten van gelyke eeden door anderen, die datzelfde bezwoeren onder aanroeping van denzelfden God. (Zie ’t Regeerings-reglement, waarin den Gouverneur-Generaal als ’nEERSTEverplichting wordt voorgeschreven de Bevolking te vrywaren tegen willekeur.Dit alles zie ik niet in. En ik beweer dus, al ware ik gedreven geweest door eerzucht, dat dit my niet had mogen worden voorgeworpen als verwyt.En ten-tweede: zy die dit verwyt tot me richten, bekennen dan toch dat er eer làg in myne wyze van doen, dat er roem te behalen wàs door m’n handelingen. Ik neem nota van die erkentenis. Tot-nog-toe heb ik niet vernomen dat menvan Twistbeschuldigde z’n plicht uiteerzuchtverzuimd te hebben. De hefboomen waarmeê zóó’n wezen in beweging wordt gebracht, zyn van eenigszins ànderen aard.Maar... ik zocht geen eer. Zie de dagteekeningen. Vier jaren heb ik gezwegen. Is dit sprekend?Toen de heervan Vliet, eenigen tyd geleden, meende zich te moeten beklagen over ’t Indisch bestuur, werd z’n zaak terstond openbaar.Na ’t vertrek van den Heervan Hoevelluit Indië in 1848, heeft de Natie zéér spoedig, jaterstondgelegenheid gehad aandeel te nemen in den stryd dien hy met het bestaande had aangevangen.En onlangs, toen de heerenModdermanenvan den Biesenin hunne belangen waren gekrenkt, bracht elke mail vertoogen en redeneeringen mee, over de dingen die er met die heeren waren voorgevallen.Ik zou de voorbeelden van personen die, inlitigemet het Indisch Gouvernement, zichoogenblikkelykwenden tot de Natie, kunnen vermeerderen tot in ’t oneindige. En ik beweer geenszins dat zy die met den meesten spoed zich op het Volk beriepen als rechter, daarom zouden schuldig zyn aan te groote haast. Maar zeker is ’t dat iemand die in ’n belangrijke zaak als de myne,vier jaren wachtvoor hy de mishandeling die hem en de zynen prys gaf aan gebrek, bloot legt voor ’t Publiek, niet verdient beschuldigd te worden vanzucht om naam te maken.WanneerDuymaer van Twisthadde kunnen goedvinden my te hooren, en daarna recht te doen—gelyk zyn plicht was—zou nooit iemand iets vernomen hebben van die treurige Lebaksche zaken.En zelfs later, nooit zou deMax Havelaarverschenen zyn,wanneer die man had geantwoord op myn schryven vanJanuari1858.2Wanneer hy behoorlyk gevolg had gegeven aan wat ik hem daarin verzocht. Wanneer hy tot den koning was gegaan, en gezegd had:Sire, ik heb me vergist tydens ik namens U Indië bestuurde. Gehoor gevende aan partydige raadgevers, verblind door eigenwaan, toegevende aan gemakzucht, en tegewoonom te kunnen vatten dat er iemand bestaan kon die wat minder gewoon was dan ik... hoe dit zy, ik zie in dat ik niet heb beantwoord aan de meening die gy van me hadt, toen ge my genoeg «yver,kundeengoede trouw» toekende, om me ’t bestuur in-handen te geven over die kostbare bezittingen.Sire, ik beken schuld, en daar ik er prys op stel gehouden te worden voor ’n eerlyk man, wil ik zooveel mogelyk die schuld boeten, en herstellen wat er te herstellen is.’t Is me onmogelyk de personen die door myn verzuim zyn omgekomen, in ’t leven terug te roepen. Ook kan ik niet de bezittingen weêrgeven aan allen die door myn traagheid, achteloosheid en onwil die bezittingen verloren hebben. Want,Sire, hoe zuinig en oplettend ik gulden by gulden samelde van ’t vorstelyk inkomen dat my de Natie betaalde... heb ik nog geen vol millioen by elkaêr, en gy begrypt,Sire, dat dit op-verre-na niet toereikt tot volledige schadeloosstelling. Maar ik zal doen wat ik kan,Sire. Ziehier al wat ik bezit. Ik smeek U, laat Uw Minister van Koloniën daarvan, zoover het strekt, iets teruggeven aan de arme beroofden. Ik wil voor ’n braaf man gehouden worden,Sire, en... ik beken dat de vloek van die arme lieden my drukt. Hoe ik me zal afhelpen van den vloek op de stervende lippen van al de menschen die onder en door myn wanbestuur vermoord zyn, weet ik niet.En dan,Sire, gy die Keizer zyt van Insulinde, ik bidde U, laat U nooit weêr bewegen ’n Landvoogd daarheen te zenden, zoo onbekwaam als ik. Tracht iemand te vinden,Sire, die wat begrip heeft van menschenrecht, van deugd, van eer, van moed, en meer zulke zaken die my wat vreemd waren,Sire, omdat ik prokureur was geweest, en te veel praktyk had om kennis optedoen van dingen die zoo in ’t dagelyksch leven niet voorkomen.Onderzoek ook, o Keizer, voor ge iemand het bestuur in-handen geeft overveertig millioenMENSCHEN, of de man dien ge daartoe uitkiest, zich inderdaad van denmensch’nstudieheeft gemaakt, diehoofdstudie, zooals ’n Engelsch dichter zegt... naar ik hoor. WantSire, ik lees geen Engelsch, en geen dichters ook. Dit begrypt ge.En geeft dan zoo’n nieuwen Landvoogd stipten last,Sire, dat hy zich niet bemoeie met de zoogenaamd-politieke vragen van den dag over Vryen-Arbeid en Kultuurstelsel, maar dat hy zorgedat ieder z’n plicht doe naar de geschreven en bezworen bepalingen, opdat de arme Javaan het zyne kryge, al is ’t dan wat weinig. Want,Sire, ik zie in dat ik verkeerd deed my zoo-wat bezig-te-houden met het beoordeelen van desystemen der wetten, en daardoor verzuimde acht te geven op ’tschendender wetten, die misschien zoo kwaad niet wezen zouden als ze maar worden gehandhaafd.Beveel ook myn opvolgers,Sire, wat eerbied te hebben voor iemand die den moed heeft zyn plicht te doen in hoogst moeielyke omstandigheden, en zeg hun dat ze zoo iemand geen verwytingen toevoegen, zoo-als ik gedaan heb, omdat ik niet begrypen kon dat er zulke menschen bestonden.Vergeef me ook,Sire, dat ik na m’n terugkomst uit Indië, my veroorloofd heb den schyn aantenemen als-of ik verstand had van Indische Zaken. Want,Sire, ik erken nu dat men op Buitenzorg daarvan weinig of niets te zien krygt, en niet anders dan wat de Raden van Indië en de kommiezen der Secretarie wel gelieven te geven. Vergeef me, dat ikpour me donner un genre, my heb laten verleiden tot het verdedigen van ’n opinie over Vryen-Arbeid,Sire. Ik erken dat ik er niets van weet, en dat ik maar iets napraat van wat me is voorgezegd door anderen die belang hebben by Vryen-Arbeid. Vergeef me dit,Sire, en bedenk dat ikzelf in Indië nooit ietspersoonlykheb kunnen onderzoeken, omdat ik in vyf jaren tyds niet geleerd heb «goeden morgen» te zeggen in ’t Maleisch, en dus nooit in-staat was, door kruisvragen en ruggespraak met de betrokkenen, in ’t bezit te geraken van ’n eigen meening over zulke diepzinnigheden.Vergeef me dit alles,Sire! Vergeef me dien onnoodigen oorlog opBanjermassindie zooveel menschenlevens gekost heeft. Vergeef my den smaad dien ik Uwe Marine aandeed door ’t schryven eener circulaire waarin ik de publieke liefdadigheid inriep voor de nagelaten betrekkingen van weggeroofde of vermoorde menschen, die meenden te mogen vertrouwen op de bescherming van die Marine welker Opperbevelhebber ik was.3Vergeef me,Sire, dat ik oorzaak ben van al de ellende dieHavelaaruitstaat met z’n gezin, omdat hy in den ongerymden waan verkeerde dat ik m’n plicht zou doen, gelyk hy.Vergeef my ’t slechte voorbeeld dat ik gaf door ’t verzuimen van dien plicht, en ’t uitdooven van allen edelen yver in de besturende beambten op Java, die na het lot datHavelaartrof, nog meer moed zouden behoeven dan hy, om te doen wat hy deed.Vergeef my al de afpersingen, al de rooveryen, al de moorden die na m’n vertrek, boven ’t gewoon contingent, het gevolg zyn geweest van myn sanctioneeren der misdaden waartegenHavelaarzich verzette.Vergeef me dit alles, o Keizer van Insulinde, en meer nog, dat ik het nu niet aanroer, omdat ik niet verstaanbaar spreken kan nadat ik lid ben geworden van de Tweede-Kamer. Vergeef, vergeef, o Keizer, en laat me terugkeeren naarDeventer, waar ik ’n betrekking weet te vervullen, die me beter past dan die van Landvoogd, en die ik nooit had moeten verlaten...Zoo omtrent hadvan Twistkunnen spreken na ’t ontvangen myner memorie vanJanuari1858, en ik ben overtuigd dat z’n speech opgang zou gemaakt hebben, meer dan de speeches die hy nu van-tyd tot-tyd—naar men meent te verstaan—durft houden over Vryen-Arbeid.Maar, zegt men, om aldus te spreken zou die man een held van deugd moeten zyn, en helden zyn zeldzaam.Ik zeg niet neen. Ik vorder noch verwacht heldhaftigheid in den eersten den besten. Doch daargelaten wat die manzougeweest zyn, wanneer-i aldus gesproken had, durf ik vragen wat hyis, doornietste zeggen, doornietste verrichten na ’t ontvangen van dat gemoedelyk stuk vanJanuari1858?Ik verzoek ieder belangstellende dien brief te lezen, en zich aftevragen wat men te denken hebbe van den man die bedaard en “rustig” zoo’n stuk kan ter-zyde leggen, zonder op ’t denkbeeld te komen, dat zyn plicht ’n antwoord eischt, ’n antwoord indadenvooral.Men moge voorwenden te gelooven dat deMax Havelaar’n roman is... die brief aan den Gouverneur-Generaal in rusteisgeenroman. Die brief is geschreven aan den persoon die instaat zou moeten zyn te weêrleggen wat er zou te weêrleggen vallen in myn relaas van ’t voorgevallene teLebak. By dien brief waren bylagen die punt voor punt de waarheid aantoonden van alles wat ik zeide. Ik had daarby overgelegd extrakten uit de conduite-rapporten onder myn voorgangers waaruit bleek dat de regent dien ik aanklaagde,aanhoudendwas beschuldigd van knevelary. ’t Was dus ’nLEUGENvanvan Twist, my in z’n kabinetsbrief van 23 Maart 18564te schryven dat er over dien Regent altyd gunstige rapporten waren ingekomen, dat trouwens niets zou beduid hebben, al ware het zoo geweest.Ik gaf afschriften van stukken, waaruit bleek hoe de schoonzoonvan dat Hoofd, de man ten wiens huize m’n voorganger kort voor z’n dood z’n laatste middagmaal gebruikt had, reeds vóór myn komst inLebakwas gestraft wegensroof op den publieken weg. Ik legde kopie over van de verklaringen des Kontrôleurs—die ik later publiceerde5—verklaringen die afgelegd warennadater gebleken was dat de Gouverneur-Generaal den Resident vanBantamwilde steunen in ’t schipperen, en dusnadatdie Kontrôleur weten kon dat-i van my niets te hopen of te vreezen had. Ik toonde door ’t overleggen van andere stukken, op menschkundige gronden ten duidelykste aan, dat ik m’n ondergeschikten wist te dwingen totwaarheid, en dat ik van dien invloed gebruik maakte, onverschillig of ’t my baatte of schade deed.6By dien brief aanvan Twistwaren vele stukken gevoegd, alle aantoonende dat ik volkomen in myn recht was.7’t Is me onmogelyk thans optegeven welke, maar als ’t vereischt wordt, zal ik ’t kunnen. Ik ben in ’t bezit van ’n autentiek uittreksel uit ’n policie-register, dat aantoont hoe er op-eenmaal 57 of 59 personen—ik meen tePandeglang—zyn afgestraft metGEESELING, en gevankelyk teruggevoerd naarLebak, dat ze, alsSaïdjah’svader, hadden verlaten “zonder pas” om den druk hunner hoofden te ontgaan. Dat waren dagelyksche zaken. Men herleze die vertelling vanSaïdjah, waar ik in korte woorden samengryp wat me gelegenheid zou gegeven hebben tot uitvoerige schilderingen, als ik daarin lust had gevoeld. In denHavelaarheb ik de werkelykheid verkort, verzacht, teruggebracht tot de eenvoudigste uitdrukking. Laatvan Twisthet tegendeel beweren, als-i durft! Laat hem zeggen dat ik overdreven heb. Dan zal ik, in-stede van uit de lucht gegrepen namen, de juiste, de letterlyk juiste namen opgeven van de arme lieden die door verdrukking waren verdreven uit hun land. Ik zal die namen opgeven met vermelding van geboorte- en woonplaats, dagteekening, beroep... ach, ’t waren allen landbouwers alsSaïdjah’svader. Verlangt men meer?Laatvan Twistontkennen als-i durft, dat zy die klaagden en vluchten òm de mishandeling, daarna op-nieuw werden mishandeld òmdat ze geklaagd hadden of gevlucht waren. Laat hem ontkennen dat de kern der opstandelingen in deLampongsuit gevluchte martelaren uitBantambestond. Laat hem ontkennen dat bij elken opstand, de moed van ons leger te stryden heeft met de razerny van lang mishandelde, tot het uiterste gedreven menschen, die zacht en goedig waren wel-eer, maar tot woestamokwerden aangevuurd door wanhoop. Laat hem ontkennen dat by elken stryd, zoo bloedig meestal, het grootst gedeelte der verslagenenaan-weerszy, de slachtoffers zyn van politieke fouten, begaan door welbetaalde, maar domme slymerige vormelyke schipperende ambt- en pensioenjagende oogendienaars van gemaklievende Gouverneurs-Generaal. Laat hem ontkennen dat men de kracht van ons leger, het leven van officieren en soldaten beter kon besteden, dan door ’t vermoorden der armen die niets misdeden dan dat ze zich, na lang dulden, eindelyk verzetten tegen àl te zware geweldenary.Ja, er waren veel bylagen by dien brief, ’t was ’n bundel! Nog herinner ik my hoe zwaar ’t me viel daartoe het noodige papier te bekomen, en een plaatsje waar ik zitten kon om ze afteschryven. En toch was dat alles te-vergeefs! De man heeft niet geantwoord. Dit iszynzaak.Maar ’t is myn zaak te wyzen op dendatumvan dien brief. Ik schreef dien inJanuari1858, dus byna twee jaren na m’n vertrek uitLebak. Is die dagteekening niet ’n bewys dat m’n deel met het handhaven van recht,niet was ’t maken van een naam?Ennadien brief wachtte ik weder twee jaren, voor ik denMax Havelaarschreef. Ik was lang geperst, lang had ik getracht verbetering aantebrengen zonder schandaal, lang had ik aan den anderen kant beproefd myn gezin te bewaren voor hongersnood, voor ik ’n beroep deed op de rechtvaardigheid van Koning en Natie. Jazelfs, toen deMax Havelaarreeds geschreven, reeds gedeeltelyk gedrukt was, heb ik my tot den Koning gewend met verzoek om herstel. Zelfs toen nog, als deze had kunnen goedvinden verbetering te brengen in den ellendigen toestand vanIndië, had ik m’n boek verbrand.8Ik zal dien brief later uitgeven, na nog eenmaal aan den Koning geschreven te hebben.Ik vraag daarin niet voor myzelf. Ik blyf vasthouden aan de reeds tot den heervan Twistgerichte betuiging:anders dienen dan ik diende teLebakkan ik niet!Maar ook de Koning kon niet besluiten krachtig integrypen in ’t weefsel van leugens en bedrog, dat den Nederlandschen naam eerlang maken zal tot een walg der volken. Ik meen toch dat dit ingrypen een heerlyke roeping zou geweest zyn voor ’n Koning!En eerst na lang wachten op dat antwoord, na de volkomen zekerheid dat dit antwoord niet komen zou, verscheen in Mei 1860 het boek over de “koffiveilingen” dat, naar de uitdrukking van een Lid der Kamer, ’n “rilling deed gaan door het land”.Dit was zoo. Er is inderdaad ’n rilling door ’t land gegaan. Maar wanneer? In 1860. Dat is: vier jaren nadat ik, arm en onmachtig,Lebakverliet met vrouw en kind.Als een geduldige Javaan had ik my vier jaren laten mishandelen. Vier jaren had ik van-dag tot-dag gestreden met kommer van heden, met angst voor morgen, voor ik die rilling opwekte. Vier jaren lang wasSjaalmanbespot en gesard doorDroogstoppel, voorMultatulibeslootHavelaar’sparty tegen dien vanDroogstoppeloptenemen.Dat ik ’t toen deed, krachtig forsch... wie zal ’t laken? Bovendien ik ben zoo. Ik versta geen halve dingen. Dit zal men zien in de toekomst, als ik ’t leven houd. En al ware het... doch, neen, voor die toekomst is gezorgd.Vier jaren dus. Jaren van bittere smart. Vier moeielyke, zware jaren...Zou ik zóólang gewacht hebben, als ’t my ware te doen geweest om opgang of schandaal?Ik wenschte herstel van grieven voor m’n arme beschermelingen, en als me dit gelukt ware, zou de Javaan zelf nooit hebben geweten wat-i my te danken had, noch Nederland hoe ik, met al wat ik dierbaars had, my opofferde voor zyn eer.Maar, ik erken dit, zoowel voor als na ’t schryven van denMax Havelaar, bestond er vaak ’n andere reden die my noodzaakte te zwygen. De ellendelingen dieIndiëverwoesten, hebben een bondgenoot die dikwyls, ja meestal, de kracht heeft my de pen uit de hand te slaan. De Natie weet dit, en schynt het goedtekeuren. Dit ishareschande, demyneniet.De naam van dien bondgenoot is:het gebrek. Niet altyd heb ik papier. Niet altyd heb ik de stukken by me, waarin ik iets zou moeten naslaan, daar ’t meermalen gebeurt dat ik kist of koffer hier-of-daar moest achterlaten omdat ik den prys van ’t vervoer niet betalen kan. Daaraan heeft nu byv.van Twistte danken dat ik niet inditstuk de namen opgeef van de 57 of 59 personen die met geeselslagen vanPandeglangwerden teruggedreven naarLebak. Menigmaal heb ik geen plaats waar ik me rustig kan neerzetten tot schryven. Heeft men dit niet gelezen in deMinnebrieven... tusschen de regels vooral?En eindelyk, meestal, ja altyd byna, wordt me elke voorkomende gedachte weggestolen door ’n spook dat me in Gouverneur-Generaal kostuum, of in de gestalte van een dikbuikig vry-arbeider, de sarrende vraag voorhoudt:Wat zullen morgen uw kinderen eten? Waar zult ge uw gezin huisvesten over een maand, over een week, over een dag?Want meermalen is ’t zoover geweest, dat die vraag ’n vraag was van weken of dagen... ja, van uren!In m’nKruisliednoem ik me taai. Ik zeg altyd de waarheid, en ook daar zeide ik de waarheid: ik bèn taai.Maar ik moet erkennen dat ik werk met tegenzin en inspanning... dat ik zelfs niet werken kan in ’t geheel, als my de gedachte overvalt myn lief gezin uitgehongerd te zien, en omkomende van gebrek aan ’s Heeren weg.Overdryving, meent men? Eilieve, hoe zou ’tanderszyn? Ik bezit niets, en ontvang niets. En laat u nu eens voorleggen—ge hebt het recht daartoe, Nederlanders—denStaat van Indische pensioenen, waarop posten voorkomen, wat hooger dan eigenlyk behooren zou—zelfs zy erkennen dit, die ze toelegden—omdat de betrokkene zekere betrekkingNIETbekleed heeft.” Zóó staat er. Ga eens na welke sommen er jaarlyks op uwe begrooting worden gebracht om menschen in het leven te houden, die nooit iets belangryks uitvoerden, en wier geheel leven zonder schâe voor iemand best achterwege had kunnen blyven. Tel eens hoeveel gepensioneerde Slymeringen gy vetmest, en vraag dan uzelf af, of ’t billyk is, datikvan uur tot uur heb te worstelen met gebrek?Overdryving? Ik antwoord nog-eens; hoe zou ’tanderswezen kunnen? Ik heb niets en ontvang niets. Maar als ’t u moeite kost, lezer, u duidelyk voortestellen hoe ’n vader gestemd is, die z’n gezin moet voeden metniets... dan zal ik uw begrip te-hulp komen door ’t vertoonen van ’n certificaat, waaruit blyken kan hoe eens ’n Belgische dorpsburgemeester me twee dagen tyd gunde om te voorkomen dat ik als vagebond met vrouw en kinderen door maréchaussées zou worden weggevoerd over de grenzen...Zie in zulke omstandigheden voel ik me “wat moê” zoo-als op ’t slot van m’nKruislied!Dit is weêruweschande, Nederlanders, en dit is nietmyneschande. Daarvan worstelt ge u niet los, als zoudt ge ’t begin van de week vastbidden en vastpreêken aan ’t eind.En wie nu meent dat ik genoegen schep in ’t mededeelen van de ellende die ik ondergingomdat ik myn plicht deed—dat ik er trotsch op ben, is waar!—bedenke hoe lang ik zweeg vóór ik iets openbaarde.En dat ik eindelyk daarvan sprak, was om aantetoonen dat ik zeer duur het recht heb gekocht en betaald, ommeetespreken over de vragen van den dag. Men onderzoeke eens nauwkeurig wat anderen hebben betaald voor dat recht? Jazelfs, ofzy ietsbetaald hebben,ietsten-offer gebracht in ’t geheel? En of niet vaak hunne opiniën voordeel aanbrachten in-steê van offer te eischen?DE KWESTIE OVER VRYEN ARBEID IS GEEN KWESTIE.DE TEGENWOORDIGE AGITATIE OVER DE KOLONIALE ZAKEN IS EENE GEMAAKTE AGITATIE.De Geschiedenis leert ons dat overal waar groote bewegingen voor de deur stonden, de leiders der algemeene belangen zich beyverden byzaken voor-op te schuiven, om de aandacht der Natiën aftetrekken van de hoofdzaak.Dit noemen kleine bestuursmannen:Kunst van regeeren.En vaak komt de loop der dingen de Regeeringen te hulp in ’t verschaffen van zulke afleidingen. Het volk bemerkt instinctmatig dat alles niet is zoo-als ’t behoort, en stelt zich, meer dan anders, by elk opgeworpen denkbeeld de vraag voor: “zou dit misschien de oorzaak myner malaise wezen?”Nooit waren er zooveel staathuishoudkundige kwestiën aan de orde van den dag, als kort voor de Fransche revolutie. Ik bedoel de eerste, de ware, de voorloopster van de groote Wereldrevolutie die onzen kinderen wacht, en waarby de hoofdvraag wezen zal:hebben of niet hebben. Boeren-oorlogen enJacqueriënzyn periodiek als de saizoenen. Dit zal zoo blyven zoo lang menschen menschen zyn. En ook zal men altyd blind genoeg wezen om die onvermydelyke schuddingen niet te voorzien.De wegbereiders van zulke revolutiën, zy die het eerst nieuwe denkbeelden verkondigen, bedoelden juist niet altyd ’n omwenteling. Zy waren, zoo-alsiederin zekeren zin, de uitdrukking van hun tyd. Zy stuwden niet, ze werden aangetrokken. “l’Homme ne manque jamais aux circonstances”heeftMONTESQUIEUgezegd, en wáár is het, even zeker als dat er nooit lucht ontbreekt om de leegte aantevullen die ontstond door verplaatsing van andere lucht. Maar diep ligt de waarheid vanMONTESQUIEU’Suitspraak niet. ’t Is als-of men zeide: “geen muskaatnoot zonder foelie.” Ik geloof ’t graag, ’t is dezelfde vrucht.Want zoodra ’n Volk behoefte voelt aan zekere indrukken zal dezelfde oorzaak die deze behoefte te-weeg bracht, sommigen aanzetten tot het meedeelen van die indrukken. De mannen die ’n omwenteling vooraf-gingen,bewerktendie niet, maar werden, juist omgekeerd, voortgebracht door dezelfde omstandigheden die de revolutie ten-gevolge hadden. ’t Is hier nochpost, nochpropter, ’t issimul. Dit is even begrypelyk als dat men geen scheepsbouwmeesters vindt in de bergen, noch tuinlui opNova Zembla.Men zal dan ook kunnen opmerken dat de personen die vaak worden aangezien als de bewerkers eener omwenteling, omdat ze kort te-voren ’n belangryke rol speelden, die belangrykheid inderdaad meer te danken hadden aan de behoefte en de voorbeschiktheid des Volks om wat nieuws te hooren, dat licht geven zou in de duisternis, dan wel aan de onderwerpen die zy behandelen, of de inrichting die zy aanwyzen als de juiste. Om zich hiervan te overtuigen, behoeft men de zaken slechts te bezien van ’n later standpunt, als wanneer er een groot verschil in ’t oog springt tusschen den loop der gebeurtenissen, en de meeningen of uitingen die de verandering van dien loopwaren voorafgegaan. Deterreurder Fransche revolutie gelykt niets op ’tContrat SocialvanRousseau.Wanneer nu echter hervormers dieter-goeder-trouwzyn, een zoo willigen bodem vinden voor nieuwe begrippen, onverschillig of hunne ideën uitvoerbaar blyken of niet, onverschillig of ze voldoen aan de behoefte des oogenbliks, en alleen omdat het Volk voelt:qu’il y a quelque chose dans l’air—met hoeveel te-meer graagte dan zullen opgeworpen twistpunten worden aangenomen, wanneer zy die ze opperennietter goeder-trouw zyn, wanneer ze met meer of min kunst zulke punten van geschil uitvinden, scheppen, op den voorgrond schuiven, met hetdoelom ’t Volk bezig te houden.Dit nu, Nederlanders, is by u sedert jaren het geval.Liever dan my te bepalen tot den kleinen kring onzer belangen, zou ik u voorbeelden aanhalen uit de Wereldhistorie. Maar ik begryp dat ik beter doe my te bepalen tot dingen die u meer van naby raken, en u klaar voor den geest zullen liggen naar ik gis. Eén voorbeeld dus uit velen:Herinnert ge u, Nederlanders, hoe men eenige jaren geleden u heeft bezig-gehouden metindisch-muntstelselenduitenplaatjes? Ge hebt die plaatjes goedmoedig geslikt. Dáárover zyn wat verhandelingen gehouden, wat brochures geschreven!Dááraan is wat geleerdheid en redenary ten-koste gelegd! Men voedde u met millimeters van den omtrek der indische guldens, gy ontbeet met beeldenaars, en uw avondmaal vloeide over van circuleerende medium’s. Hoe ’t mogelyk was, u zoo erg en zoo lang te bedriegen met ’n zaak zoo eenvoudig als ’n muntstelsel, begryp ik niet, maar geluktishet. Eilieve, hoe is die zaak, die belangryke zaak, waarvan ’t wel of wee uwer indische bezittingen scheen aftehangen, dan toch eindelyk uitgewezen? Weet ge ’t wel eens? Ditmoestge toch weten, indien de vraag zoo belangryk was als ze scheen in die dagen...De opheldering dier muntkwestie is eenvoudig. Op den oogenblik toen men u bezig-hield met koperen duiten, recepissen, zilvergehalte, agio en dergelyke,was de Bevolking van Indië op ’t punt uit te bersten in algemeenen opstand, die dan ook partiëel uitgebrokenis, maar overal in bloed gesmoord.Hebt ge ’t niet in de couranten gezien hoe elke mail heldendaden meêbrengt? En ziet ge niet tevens hoe er altyd-door meer suppletie-troepen noodig zyn? Hebt ge er niet op gelet hoe men in Europa te-kort schiet met werven, in-weerwil van ’t bovenmatig verhoogen der handgelden, en hoe men de beschermers en verdedigers vanNederlandschebelangen weêr, als vroeger, moet zoeken inAfrika?Zyn we ooit in vrede daarginder? Volgt niet oorlog op oorlog, roering op roering, onrust op onrust?Komt ge nooit op ’t denkbeeld dat er wat verdachts is in die stereotype telegrammen: “op Java volmaakte rust?”Vindt ge ’t niet vreemd dat de Landvoogden, die zoo met overstoorbare eentonigheid die rustigheid proclameeren en telegrafeeren, altyd-door méér soldaten noodig hebben om niet weggejaagd te worden?Ziet ge, dit bevreemdt my. Dat men u bedriegen wil, heeft z’n redenen. Dat ge zoo gemakkelyk toegeeft in dit bedrog, vind ik zonderling en jammer.Het aantal opgeworpen kwestiën waarmede men u aandachtig bezig-houdt, is zeer groot, en daaronder behoort ook de vraag die thans in Nederland aan de orde van den dag schynt; de vraag overVryen-ArbeidenKultuurstelsel, waarvan die kibbelaryen over consignatiestelsel, kultuur-emolumenten, enz. onderdeelen zyn.Dewarevraag van den dag is deze:Wordt de Javaan mishandeld?Zal hy dit voortdurend verdragen?Wat moet er gedaan worden om een eind te maken aan die mishandeling?Maar deze vragen legt men u niet voor. Er zal ’n tyd komen dat ge u schamen zult over uw gebrek aan doorzicht. Het zal u onverklaarbaar zyn dat ge u aanhoudend liet verlokken tot het behandelen van andere vragen.Want ik stelde u in-staat dit bedrog te doorzien en te ontwyken. In denMax Havelaarheb ik aangetoond dat de Javaan mishandeld wordt. Wie heeft dit weersproken? Dagbladen, tydschriften, brochures stelden ten-klaarste in ’t licht dat ik niet overdreven heb, dat ik beneden de waarheid ben gebleven. Zie denIndiër,den Gids, hetNeêrlandsch Indisch tijdschrift... in ’t kort, alle organen van deliberaleparty.Of die organen zoo volmondig zouden verklaard hebben dat ik de waarheid sprak, indien ze hadden geweten dat ik geen partyman was, mag betwyfeld worden. Maar wat geschreven staat: staat geschreven. ’t Is zoo, ik ben beneden de waarheid gebleven. Ik vreesde en vermeed àl de waarheid te zeggen, uit kunstgevoel. Ik wilde sympathie opwekken, geen walging. En dit zou ’t geval geweest zyn, indien ik, in-plaats der eenvoudige geschiedenis vanSaïdjah, de ellende geschetst had van ’n hongersnood, zooals er van-tyd tot-tyd opJavavoorkomt, ten-gevolge der overdryving van ’t Kultuurstelsel...“Ziet ge wel, roept hier de Vry-arbeider... ’t Kultuurstelsel!”Een oogenblik, m’nheeren. Ik heb inIndiëgruwelen gezien onder Gouverneurs-Generaal van allerlei kleur, gruwelen waarmeê ’t Kultuurstelsel niets te maken had. InLebakbyv. werkte geen Kultuurstelsel, en dáár was tochjaarlijks hongersnood. En ook elders is de toestand van de Bevolking die overgeleverd wordt aan Vry-arbeiders in compliciteit met de Hoofden, verre van benydenswaardig. Of erger nog, ik heb dorpen gezien die uitgemoord waren door zeeroovers, die alles meêvoerden wat kracht tot roeien had, en een geslacht achterlieten wat tot roeien te zwak was. Hierby immers komt noch Stelsel van kultuur, noch Vrye-arbeid te-pas, niet waar!Waarlyk, m’nheeren partymannen,gyhebt het recht niet, elkaêr aanteklagen.Ikheb het rechtu beidente roepen voor de rechtbank der openbare meening. En dit doe ik. My zult ge niet afleiden met uw duitenplatery over Vry-arbeid of Consignatiestelsel...“Onderuweleiding is de Javaan bestolen, mishandeld, vermoord, dit kan ik bewyzen!”Zoo spreekt de liberaal tot den behouder.“Ik zeg dat de Javaan mishandeld en vermoord wordt onderuweleiding... dit kanikbewyzen!”Zoo antwoordt de behouder den liberaal. En vervolgens:“Gy zytoorzaak datIndiëvoor ons zal verloren gaan! Als weIndiëverliezen, is ’tuweschuld!”“Neen,uweschuld!”“Neen,uwe... sjt!Daar komt het volk aan... ik zeide dan, m’nheer, dat uwe begrippen over Vryen-arbeid...”“Juist! Ik meen dan dat die cyfers in ’t boek vanMoney...”“Inderdaad! Maar lees eenSay,Malthus,Scialoia... En let eens op de opinie van den geachten spreker uit ...”En ’t Volk gaat naar-huis, en meent in z’n onnoozelheid dat de Heeren ’n verschil van opinie hebben over Staathuishoudkunde.En ’t Volk neemt het voorgegoocheld onderwerp voor ’t ware, en koopt zich ’n boekje vanMoney, en gelooft aandeel te nemen in de behandeling der publieke zaak, door ’t narekenen van de cyfers die daarin staan.En alzoo... wat te-huis hooren zou voor een crimineele rechtbank, wordt behandeld als diepzinnig systeem van bestuur, en de hoofdzaak, deware eenige hoofdzaakis weer gesmoord voor ’n tyd!Voor den honderdsten keer: de kwestie over Vryen-arbeid is geen kwestie! Het eindeloos gekibbel daarover is slechts de dwaalweg waarop ’t Volk zich laat brengen door de slotwoorden van de heeren die bezig waren zichvice versate beschuldigen van diefstal en doodslag, maar gaarne hunlinge salewillen wasschenen famille, en daarna aan ’t Volk wat opgeworpen verschilpunten ten-beste geven. Aan ’t Volk, dat ten-laatste—al waar ’t uit zucht tot verandering alleen—die schandalen niet verdragen zou. Het wachtwoord van die heeren is: zwygen!En ik sprak hier niet van Ministers alleen.Ik vraag u, lezer, of ’t niet in de rede zou gelegen hebben dat men in de Tweede Kamer—of ook in de Eerste, waarom niet?—aan de Regeering had gevraagd of deMax Havelaarwaarheid bevat? We hebben behoudende en liberale ministeriën gehad sedert de verschyning van dat boek, maar geen opposant heeft aan ’n behoudende Regeering, geen behouder heeft aan ’n liberaal bewind durven vragen of ik de waarheid gezegd had. Ieder voelde dat het antwoord even nadeelig luiden zou voor z’n eigen party als voor de vyandelyke. Ieder begreep dat er niets viel te winnen door ’t staven van beschuldigingen, die terstond daarop met gelyk recht zouden worden ingebracht tegen hemzelf. ’t Scheelt me weinig of ik triviaal schyn... ik neem m’n uitdrukkingen waar ik ze vind ... Het volk zal my verstaan:’t is diefje met diefjes maat!Dit komt er van, kiezers, wanneer ge u niet bemoeit met uw zaken.Zwygen dus, smoren!Ja, smoren! Maar toch zyn erenfants terriblesdie in de hitte van den stryd geen acht-geven op ’tsjt!dat het Volk moest buitensluiten van de waarheid. Onlangs by de behandeling der koloniale begrooting heeft men elkaêr over-en-weerDroogstoppelgenoemd. Men kan ’t nalezen in ’t verslag der zittingen van de Tweede-Kamer.Droogstoppelnu—ikheb dien man gemaakt,ikheb ’t recht te zeggenhoe,watenwiehy is—Droogstoppelis de gemeene dief,minusden moed om intebreken.Droogstoppelis deFariseërdie weduwen en weezen op-eet, en kushandjes toewerpt aan ’n eigengemaakt godje dat hem helpt in de digestie.Droogstoppelis de bloedzuiger die opzwelt van onrechtvaardig verkregen goed, maar ’n veerkrachtige magerheid bewaart om z’n vooze opgeblazenheid binnentepersen door de enge poort.Droogstoppelis de femelende laffe gierige schriftuurlijke gauwdief...Eilieve, ik heb vergeten te zeggen ofDroogstoppelliberaal of behoudend is...In de Kamer heeft men de goedheid gehad deze gapingaan-te-vullen.Liberalen hebben tot behouders gezegd:“gy Droogstoppel!”En behouders hebben geantwoord:“Droogstoppel, gy!”En ik? Watikantwoord?Ach, ik zie in dat ik ’n profetischen geest had op het oogenblik toen ik in deMinnebrievende vertelling gaf van ’n paar twisters opAmboina, die elkaêr onaangenaam hadden bejegend. “Ga gerust naar huis, oJozefenAbraham... ofEzechiël, gy beiden hebt volkomen gelyk!”Ik verklaar overigens my geheel te vereenigen met de opinie van den heerWintgens, die de vraag deed, of niet de ergsteDroogstoppelsde zoogenaamde vry-arbeiders waren, wyl ze den Javaan meer rechtstreeks uitzuigen dan hun confraters op de Lauriergracht?Ik zeg volmondig ja op die vraag.—Maar ik constateer tevens dat de heerWintgens, door z’n superlatieven gradus—“of dat niet deergsteDroogstoppels waren?”—zich beweegt in den omtrek der paragrafen onzer schoolboekjes, waar boven stond, “over de trappen vanvergelyking” en dat hier dus maar sprake is van watmeerofminDroogstoppelig...Nederlanders, ge staat my toe, hoop ik, voorDroogstoppelte lezen:Ellendeling? Welnu, in uwe Vertegenwoordigende Kamers is de vraag geopperd: onder welke der beide dusgenoemde Staatspartyen, de ergste ellendelingen zyn.Wat geschreven staat, staat geschreven. Het byblad, waarin deze vraag voorkomt, zal wel reeds gedrukt en verspreid wezen. En al ware dit zoo niet, de vraag wordt meêgedeeld in de verkorte verslagen die de dagbladen van de zittingen gaven, waarin de koloniale begrooting is behandeld.Ik tart de leden der Staten-Generaal die te vernietigen, en voor ’t Nageslacht te verbergen dat in 1861 in hunne vergadering de vraag geopperd is, welk staatkundig gedeelte des Nederlandschen Volks ’t meest productief was in huichelende gauwdieven.Ja, dat zyn deenfants terriblesvan de partyen! En men meene niet dat dit ’n toeval was, ’nlapsus linguae, ’n oratorische wending van den heerWintgens... volstrekt niet.Herhaaldelyk is ’t scheldwoordDroogstoppel—dat is: ellendeling—over-en-weergebruikt. Ik heb dit woord in ’n zeer verkort verslag der zittingen, tien of twaalf malen gevonden in één alinea. ’t Is zelfs ontelbare malen gebruikt door den heerP. Myer, den man die ’n zoo hoog pensioen trekt: “omdat hy—ikciteer—zekere betrekkingnietbekleed heeft.” En ook na den HeerWintgenshebben weer anderen zich beyverd aantetoonen dat deDroogstoppels...O God, O God, is ’t genoeg, Nederlanders? My is ’t te veel.Had ik niet recht,Hamletsuitroep te kiezen tot motto dezer brochure? Waarlyk:There is something rotten in the state!Maar, zeggen misschien sommigen, wat is dan toch dat Kultuurstelsel, wat verstaat men onder Vryen-arbeid?Ik weet dat deze vraag nog altyd door velen gedaan wordt, en dit is ’n bewys te-meer van de waarheid myner stelling dat de voorgewende punten van verschil niet raken aan de hoofdzaak. Als er waarheid lag in al de beweringen vóór en tegen die systemen van Indischbestuur, zou men, na al wat daarover is gesproken en geschreven, nu dan toch wel zóóver gevorderd zyn, dat men wist waarover de kwestie liep. En dit is het geval niet. Er is zorg gedragen de zaak zoo te verwarren, dat de goê-gemeente zich verliest in ’n zee van kunsttermen over staathuishoudkundige wysheid, en moedeloos tot het besluit komt, de heeren moeten ’t weten! Ja, en dan hebben de “heeren” weêrloisirom ’t gesprekvoorttezettenover de zaak die hen bezig-hield, toen ’t Volk er bykwam: over de mishandeling van den Javaan, en den opstand die daarvan ’t gevolg wezen moet.Toen ik denMax Havelaarschreef, dacht ik niet aan vryen arbeid. Ik behandelde daarin ’nhoofdzaak, en het heeft my zeer verwonderd dat boek te zien misbruiken als ’n wapen tegen hetKultuurstelsel. Zelfs in ’t buitenland is men in die dwaling vervallen. In denAnnuaire des deux Mondesvan 1860, wordt myn werk behandeld als ’n pleidooi voor Vryen-arbeid, dat het zyne toebracht tot den val van ’n behoudend—kultuurstelselig—ministerie. En ’t een, en ’t ander is onjuist. Ik heb noch in denHavelaar, noch later, my ingelaten met de voddige voorgehuichelde geschilpunten die men in den Haag gebruikt om ministeriën te ondermynen. Even als ik ieder mensch goed noem die goed handelt, zonder te vragen naar z’n geloof, evenzoo zou ik ’n Minister aanhangen die rechtvaardigheid beoefent, onverschillig of-i oude stelsels aankleeft, of nieuwe verkondigt. Die rechtvaardigheid nu heb ik tot-nog-toe zoowel aan de zyde van ’t behoud, als aan den kant der zoogenoemde liberalen tevergeefsgezocht. En zoolang dit niet verandert, is ’t me onverschillig wie er regeert. En den Javaan ook.Geheel alleen echter sta ik niet met m’n opinie over de ledigheid, de nutteloosheid, de ontydigheid der kwestiën van den dag. Ik las in ’n brochure, onlangs uitgekomen byGünstteAmsterdam10de volgende eenvoudige maar veel beteekenende woorden:

Vrye arbeid of Kultuurstelsel... de kwestie van den dag.Neen, niet van dendag... de kwestie vanjaren!Sedert jaren betaalt de natie haar Ministers, en zendt Afgevaardigden naar den Haag, om te beslissen of de Javaan moet worden uitgezogen op liberale of réactionaire, op behoudende of onbehoudende wyze.Zeg iets van beschaving ... men noemt u ’n dwaas, en antwoordt: vrye arbeid.Spreek van vooruitgang—van wezenlyken vooruitgang ditmaal—domheid! Men vraagt uw opinie over ’t Kultuurstelsel.Deel iets mede over misbruik van gezag, afpersing, roof en moord ... ei, is ’t antwoord, vertel ons iets van Vryen-Arbeid.Roep hulp in voor vertrapt menschenrecht. Men verstaat die taal niet.Zeg iets over deugd, eer, gevoel, loyauteit, waarheid, gezond verstand ... alles te vergeefs. Men “doet” niet in die dingen.Ja, sterker nog, wijs op het BELANG, op “MEN”’S EIGEN BELANG—iets waarin “men” toch wél “doet”—dan nog bekomt gy geen gehoor voor ge aan dat eigen belang van “men” eenige frazen weet vastteknoopen overVryen Arbeid of Kultuurstelsel.Ik wil voor ditmaal toegeven in de monomanie van ’t oogenblik, en zal iets schryven over Vryen-Arbeid.In ’t begin zal ’t misschien den schyn hebben dat ik schryf over iets anders. En dit is natuurlyk. De kwestie over Vryen-Arbeidisgeen kwestie. Ik ben dus genoodzaakt, by ’t behandelen van dit voorgeschoven vraagstuk, gedurig te wyzen op andere zaken die wel de kwestie zyn. Goochelaars lokken uwe blikkenlinks, als ze iets willen wegmoffelen aan derechter-zyde. Dit weet ge, niet waar? Welnu, ik zal trachten uwe blikken te richten naar den kant dien de goochelaars willen dat genietziet. Over Vryen-Arbeid heb ik dus eigenlyk weinig te zeggen.Niemand kan me verwyten dat ik te veel schryf. Misschien zelfs schreef ik te weinig. Ik ben al over de veertig, en tot nog toe zyn er van my slechts ’n paar kleine boekjes verschenen. GeenMuzen-Almanakhad ooit last van me, schoon ik al verzen en verhandelingen beging voor Belgien’s afval. Al m’n “aan-haars” heb ik flink verbrand, en erzynal grootmoeders onder. Niemand dan ikzelf heeft geleden onder de eerste liefelyke maar bedwelmende aandoeningen van ’n jong vurig hart. En toen ik eindelyk mymoestopenbaren aan ’t Publiek, heeft men my bovenmatig geprezen over m’nwyzevan schryven.Dit was onbillyk.Ik had meer recht op wat lofs over m’n zwygen. Ik zeg dit in vollen ernst. In veel geschryfs is veel dwaasheid. ’t Is lichter honderd boekdeelen te vullen, dan de aandoeningen die honderd boekdeelen vullenzouden, te bewaren tot het juiste oogenblik, of—zoo noodig—ze te smoren tot er de dood na volgt. Hebt ge wel eens overwogen, lezer, hoeveel geestkracht er noodig was voormy, om niet optetreden voor m’n veertigste jaar? Ge kunt nagenoeg weten hoe ik menschen en zaken beschouw. Ge kunt weten “dat ik het leven niet ben doorgegaan zonder de indrukken optevangen die ’t my aanbood.”1Welnu, ik hebdeze indrukken opgezameld voor myzelf, voor m’n allernaaste omgeving, vreezende dat ze niet ryp waren, dat ik morgen zou moeten terugnemen wat ik heden gaf, dat er gebrek aan harmonie wezen zou tusschen jeugd, mannelyken leeftyd en ouderdom. In één woord: Ik heb gespaard, en waarmede ik vrygevig moge geweest zyn of verkwistend, met m’n denkbeelden was ik nooit verkwistend of vrygevig.Na de uitgave van denMax Havelaarevenwel, had m’n zwygen meestal ’n anderen grond dan schroom. Van twee geheel tegenoverstaande zyden op staatkundig terrein, had men my hulp toegezegd. Ik geloofde, vertrouwde en ... wachtte. Ik heb gezegd datHavelaarnaïf was. Van beide kanten ben ik bedrogen. Van één kant zelfs bestolen.Noch van de zyde des behouds, noch van die der oppositie, werd het minste bewys gegeven dat men zich de zaak van den mishandelden Javaan, dat ismynezaak, aantrok. De prys van die hulp zou geweest zyn, dat ik my geschaard had onder ’n banier. Dit kon ik niet.Je lève bannière, n’en suivre ne peux.Wat geschryf over—d. i. vóór—Vryen-Arbeid zou me brood en ’n positie gegeven hebben. Ook had ik m’n kinderen kunnen kleeden met wat lof over ’t Kultuurstelsel. En zie, ik had talent genoeg daartoe. Wie nu meenen mocht dat ik myzelf verhef door me dit talent toetekennen, antwoord ik dat er geen zelfverheffing ligt in ’t aanspraak-maken op ’n hoedanigheid die me walgt. Hoe dit zy, dat zoogenaamd talent had ik. Wie anders oordeelt, heeft het maar te zeggen. Maar óók had ik—en ditmaal verhef ik myzelf inderdaad—ook had ik ’n gemoed dat zich verzette tegen de minste afwyking van de waarheid, vooral wanneer die waarheid nadeelig of gevaarlyk was voor myzelf. Al wat moeielijk is, lokt my aan. Iets toegeven in ’n onverschillige zaak, of zelfs waar dat toegeven schadelyk werken zou voor myzelf ... ik zou ’t kunnen. Maar tegen de waarheid in, voor overmacht te wyken in ’nhoofdkwestie, waar de straf van ’t weigeren, zoo-als by my het geval is, zwaar wezen zou, dit kan ik niet, dit wil ik niet en dit zal ik niet.Al wat moeielyk is lokt my aan, heb ik gezegd. Ik erken evenwel dat ik by ’t aangaan van den stryd niet verdacht was op desoortvan moeielykheden die my wachtten. Ik meende slechts—als m’n arme voorganger!—vergiftigd te worden met vrouw en kind. In plaats daarvan, scheldt men my uit. M’n tegenstanders hebben den stryd weten overtebrengen op ’n terrein dat aan den uitroep der Jakatranen herinnert—’t is historisch, lezer!—”die honden van Hollanders vechten met drek!” Dáárop had ik niet gerekend. Of ik anders zou gehandeld hebben, wanneer ik dit wèl had voorzien ... neen, neen,duizendmaal neen! Maar ik zou in dit geval den stryd hebben aangevangen met minder genoegen.Men beschuldige my niet van platheid by ’t aanhalen van den Jakatraschen uitroep. Kanik’t helpen, Nederlanders, dat uw geschiedenis in Indie platis, gemeenis? Kunt ge die woorden ongesproken laten, en de handeling die ze uitlokte? Wie is triviaal, iemand die gemeene dingendoet, of de man die met al de kracht zyner zielopstaattegen die gemeene dingen?De ondersteuning dan, die me werd toegezegd, na ’t verschynen van denMax Havelaar, was aanvankelyk niet verbonden aan onteerende voorwaarden. Van behoudenden en van liberalen kant beide, gaf men voor belang te stellen in myn zaak, zonder meer. Eerst later, toen men den indruk van denMax Havelaarversleten waande, toen men hoopte dat ’n beroep op het Volk zonder vrucht blyven zou, werd er onedele dienst geëischt voor hulp. Ik heb brieven die uitwyzen dat men maanden, maanden lang—heel onnoodig voorzeker!—my inscherpte moed te houden, zonder daarby te gewagen van Vryen-Arbeid, Kultuurstelsel of dergelyke byzaken. Men veinsde menschelykheid en rechtvaardigheid op den voorgrond te stellen als ik. En eerst nadat ik lang had gewacht, nadat men goed overtuigd was dat ik by ondervinding wist wat het zeggen wil, te worstelen met gebrek, nadat men zich had verzekerd dat de nood aan de lippen was, kwam men schoorvoetende tot de veelbeteekenende uitnoodiging: schryf eens iets in den geest van...Ik zou wat schryven in den geest van die heeren. Ga er eens toe zitten, m’nheeren, en beproef eens te schryven inmyngeest. Dit zou u zwaar vallen. Ziehier nu ’t verschil. Inmyngeest schryven zoudt ge nietkunnen. Inuwgeest schryvenwilik niet, schoon ik ’tkunnenzou. Dit hebt gy gezien inWawelaar’spreek, en in de redeneeringen vanDroogstoppel, een persoon waarin, naar ik met genoegen ontwaar, vele Kamerleden zichvice-versaherkend hebben. In de laatste zittingen toch riep men gedurig over-en-weêr: “Gy zyt de man!” Ieder wildeNathanwezen, de berispende profeet. Niemand woûDavidzyn, de betrapte misdadige koning.Ik zou wat schryven in den geest...In den geest! Ik schryf inmyngeest, myne heeren vry-arbeiders en kultuurstelselaars! Gy woont inuwevilla’s, gy geniet vanuwgeld, gy pronkt metuweprincipes, gy liegt metuweleugens, gy schippert metuwegewetens! gy huichelt metuwengeest, maar ... inmyngeest schryfik.Dit moet ge my laten!De eerste reden alzoo van m’n zwygen na denMax Havelaar, was ’n ydel wachten op een toegezegd herstel. En de uitgave van deMinnebrievenmaakte in-zooverre hierop geen uitzondering. Men heeft kunnen zien dat ik die schreef om ’n arm gezin dat ik niet kende, uit den nood te helpen. ’t Was ’n luim zooals ik er vroeger veel had, en die ik meestal opvolgde. Ditmaal slechts ’n herinnering aan vroeger tyd.Maar uit dit voortdurend zwygend wachten moge tevens blyken dat ik geen agitateur ben tot elken prys. Ik had aangetoond hoe schandelyk er werd huisgehouden met het leven en de bezittingen der Javanen... men beloofde beterschap, en ik zweeg geduldig.En reeds vóór denMax Havelaarhad ik ’n doorslaand bewys gegeven, dat het me niet te-doen was om effect, om beroering of schandaal, maar om herstel alleen. M’n voorganger was, om te voorkomen dat-i z’n plicht deed, vermoord in November 1855. Myn mislukte pogingen om den Gouverneur-GeneraalDuymaer van Twistaantesporen tot het vervullen vanzynplicht, dateeren van den aanvang des jaars 1856. DeMax Havelaar, het agitante boek, verscheen eerst in Mei 1860.Dit zyn sprekende dagteekeningen! Daar liggen vier volle jaren tusschen de voorvallen teLebak, en den oogenblik waarop ik de Natie uitnoodigde inzage te nemen van de wyze waarop zy gerepresenteerd wordt in Indie. Er zyn er die beweren dat m’n handelingen teLebakvoortsproten uit eerzucht, uit begeerte om naam te maken. Ik heb op die beschuldigingen tweeërlei antwoord. Vooreerst: dat het te wenschen ware veel en vaak zulke eerzucht aantetreffen by de dienaren van den Staat. Het zou zoo kwaad niet zyn, meen ik, als plichtsbetrachting tot roem en welvaart leidde. Ik geloof, al ware er by my zucht in ’t spel geweest tot het maken van een naam, dat die zucht zeer overwinnend de vergelyking zou kunnen doorstaan met zooveel andere begeerten als we dagelyks bevredigd zien op makkelyker wyze, de begeerte naar geld, naar gemak, naar weelde, de begeerte om welvaart, eer en roem te behalen door ’tnietvervullen van z’n plicht. Ik voor my zie niet in, welke schande er liggen zou in ’t handhaven van de rechten myner onderhoorigen—mynernaasten, hoort gy,christenen?—tegen roofzuchtige onderdrukkers. Ik zie niet in, dat ik my vernederd heb: door ’t staande-houden der eeuwige aanspraken van recht en billykheid, tegen-over de gewetenlooze, maar machtige bestryders van dat recht. Ik zie niet in, wat er laakbaars liggen zou in ’t handhaven myner, onder zoogenaamde aanroeping van God, bezworen instruktiën, die voorschreven den Javaan te beschermen tegen de hebzucht zyner Hoofden, evenmin als ik eer kan geven aan ’tverkrachten van gelyke eeden door anderen, die datzelfde bezwoeren onder aanroeping van denzelfden God. (Zie ’t Regeerings-reglement, waarin den Gouverneur-Generaal als ’nEERSTEverplichting wordt voorgeschreven de Bevolking te vrywaren tegen willekeur.Dit alles zie ik niet in. En ik beweer dus, al ware ik gedreven geweest door eerzucht, dat dit my niet had mogen worden voorgeworpen als verwyt.En ten-tweede: zy die dit verwyt tot me richten, bekennen dan toch dat er eer làg in myne wyze van doen, dat er roem te behalen wàs door m’n handelingen. Ik neem nota van die erkentenis. Tot-nog-toe heb ik niet vernomen dat menvan Twistbeschuldigde z’n plicht uiteerzuchtverzuimd te hebben. De hefboomen waarmeê zóó’n wezen in beweging wordt gebracht, zyn van eenigszins ànderen aard.Maar... ik zocht geen eer. Zie de dagteekeningen. Vier jaren heb ik gezwegen. Is dit sprekend?Toen de heervan Vliet, eenigen tyd geleden, meende zich te moeten beklagen over ’t Indisch bestuur, werd z’n zaak terstond openbaar.Na ’t vertrek van den Heervan Hoevelluit Indië in 1848, heeft de Natie zéér spoedig, jaterstondgelegenheid gehad aandeel te nemen in den stryd dien hy met het bestaande had aangevangen.En onlangs, toen de heerenModdermanenvan den Biesenin hunne belangen waren gekrenkt, bracht elke mail vertoogen en redeneeringen mee, over de dingen die er met die heeren waren voorgevallen.Ik zou de voorbeelden van personen die, inlitigemet het Indisch Gouvernement, zichoogenblikkelykwenden tot de Natie, kunnen vermeerderen tot in ’t oneindige. En ik beweer geenszins dat zy die met den meesten spoed zich op het Volk beriepen als rechter, daarom zouden schuldig zyn aan te groote haast. Maar zeker is ’t dat iemand die in ’n belangrijke zaak als de myne,vier jaren wachtvoor hy de mishandeling die hem en de zynen prys gaf aan gebrek, bloot legt voor ’t Publiek, niet verdient beschuldigd te worden vanzucht om naam te maken.WanneerDuymaer van Twisthadde kunnen goedvinden my te hooren, en daarna recht te doen—gelyk zyn plicht was—zou nooit iemand iets vernomen hebben van die treurige Lebaksche zaken.En zelfs later, nooit zou deMax Havelaarverschenen zyn,wanneer die man had geantwoord op myn schryven vanJanuari1858.2Wanneer hy behoorlyk gevolg had gegeven aan wat ik hem daarin verzocht. Wanneer hy tot den koning was gegaan, en gezegd had:Sire, ik heb me vergist tydens ik namens U Indië bestuurde. Gehoor gevende aan partydige raadgevers, verblind door eigenwaan, toegevende aan gemakzucht, en tegewoonom te kunnen vatten dat er iemand bestaan kon die wat minder gewoon was dan ik... hoe dit zy, ik zie in dat ik niet heb beantwoord aan de meening die gy van me hadt, toen ge my genoeg «yver,kundeengoede trouw» toekende, om me ’t bestuur in-handen te geven over die kostbare bezittingen.Sire, ik beken schuld, en daar ik er prys op stel gehouden te worden voor ’n eerlyk man, wil ik zooveel mogelyk die schuld boeten, en herstellen wat er te herstellen is.’t Is me onmogelyk de personen die door myn verzuim zyn omgekomen, in ’t leven terug te roepen. Ook kan ik niet de bezittingen weêrgeven aan allen die door myn traagheid, achteloosheid en onwil die bezittingen verloren hebben. Want,Sire, hoe zuinig en oplettend ik gulden by gulden samelde van ’t vorstelyk inkomen dat my de Natie betaalde... heb ik nog geen vol millioen by elkaêr, en gy begrypt,Sire, dat dit op-verre-na niet toereikt tot volledige schadeloosstelling. Maar ik zal doen wat ik kan,Sire. Ziehier al wat ik bezit. Ik smeek U, laat Uw Minister van Koloniën daarvan, zoover het strekt, iets teruggeven aan de arme beroofden. Ik wil voor ’n braaf man gehouden worden,Sire, en... ik beken dat de vloek van die arme lieden my drukt. Hoe ik me zal afhelpen van den vloek op de stervende lippen van al de menschen die onder en door myn wanbestuur vermoord zyn, weet ik niet.En dan,Sire, gy die Keizer zyt van Insulinde, ik bidde U, laat U nooit weêr bewegen ’n Landvoogd daarheen te zenden, zoo onbekwaam als ik. Tracht iemand te vinden,Sire, die wat begrip heeft van menschenrecht, van deugd, van eer, van moed, en meer zulke zaken die my wat vreemd waren,Sire, omdat ik prokureur was geweest, en te veel praktyk had om kennis optedoen van dingen die zoo in ’t dagelyksch leven niet voorkomen.Onderzoek ook, o Keizer, voor ge iemand het bestuur in-handen geeft overveertig millioenMENSCHEN, of de man dien ge daartoe uitkiest, zich inderdaad van denmensch’nstudieheeft gemaakt, diehoofdstudie, zooals ’n Engelsch dichter zegt... naar ik hoor. WantSire, ik lees geen Engelsch, en geen dichters ook. Dit begrypt ge.En geeft dan zoo’n nieuwen Landvoogd stipten last,Sire, dat hy zich niet bemoeie met de zoogenaamd-politieke vragen van den dag over Vryen-Arbeid en Kultuurstelsel, maar dat hy zorgedat ieder z’n plicht doe naar de geschreven en bezworen bepalingen, opdat de arme Javaan het zyne kryge, al is ’t dan wat weinig. Want,Sire, ik zie in dat ik verkeerd deed my zoo-wat bezig-te-houden met het beoordeelen van desystemen der wetten, en daardoor verzuimde acht te geven op ’tschendender wetten, die misschien zoo kwaad niet wezen zouden als ze maar worden gehandhaafd.Beveel ook myn opvolgers,Sire, wat eerbied te hebben voor iemand die den moed heeft zyn plicht te doen in hoogst moeielyke omstandigheden, en zeg hun dat ze zoo iemand geen verwytingen toevoegen, zoo-als ik gedaan heb, omdat ik niet begrypen kon dat er zulke menschen bestonden.Vergeef me ook,Sire, dat ik na m’n terugkomst uit Indië, my veroorloofd heb den schyn aantenemen als-of ik verstand had van Indische Zaken. Want,Sire, ik erken nu dat men op Buitenzorg daarvan weinig of niets te zien krygt, en niet anders dan wat de Raden van Indië en de kommiezen der Secretarie wel gelieven te geven. Vergeef me, dat ikpour me donner un genre, my heb laten verleiden tot het verdedigen van ’n opinie over Vryen-Arbeid,Sire. Ik erken dat ik er niets van weet, en dat ik maar iets napraat van wat me is voorgezegd door anderen die belang hebben by Vryen-Arbeid. Vergeef me dit,Sire, en bedenk dat ikzelf in Indië nooit ietspersoonlykheb kunnen onderzoeken, omdat ik in vyf jaren tyds niet geleerd heb «goeden morgen» te zeggen in ’t Maleisch, en dus nooit in-staat was, door kruisvragen en ruggespraak met de betrokkenen, in ’t bezit te geraken van ’n eigen meening over zulke diepzinnigheden.Vergeef me dit alles,Sire! Vergeef me dien onnoodigen oorlog opBanjermassindie zooveel menschenlevens gekost heeft. Vergeef my den smaad dien ik Uwe Marine aandeed door ’t schryven eener circulaire waarin ik de publieke liefdadigheid inriep voor de nagelaten betrekkingen van weggeroofde of vermoorde menschen, die meenden te mogen vertrouwen op de bescherming van die Marine welker Opperbevelhebber ik was.3Vergeef me,Sire, dat ik oorzaak ben van al de ellende dieHavelaaruitstaat met z’n gezin, omdat hy in den ongerymden waan verkeerde dat ik m’n plicht zou doen, gelyk hy.Vergeef my ’t slechte voorbeeld dat ik gaf door ’t verzuimen van dien plicht, en ’t uitdooven van allen edelen yver in de besturende beambten op Java, die na het lot datHavelaartrof, nog meer moed zouden behoeven dan hy, om te doen wat hy deed.Vergeef my al de afpersingen, al de rooveryen, al de moorden die na m’n vertrek, boven ’t gewoon contingent, het gevolg zyn geweest van myn sanctioneeren der misdaden waartegenHavelaarzich verzette.Vergeef me dit alles, o Keizer van Insulinde, en meer nog, dat ik het nu niet aanroer, omdat ik niet verstaanbaar spreken kan nadat ik lid ben geworden van de Tweede-Kamer. Vergeef, vergeef, o Keizer, en laat me terugkeeren naarDeventer, waar ik ’n betrekking weet te vervullen, die me beter past dan die van Landvoogd, en die ik nooit had moeten verlaten...Zoo omtrent hadvan Twistkunnen spreken na ’t ontvangen myner memorie vanJanuari1858, en ik ben overtuigd dat z’n speech opgang zou gemaakt hebben, meer dan de speeches die hy nu van-tyd tot-tyd—naar men meent te verstaan—durft houden over Vryen-Arbeid.Maar, zegt men, om aldus te spreken zou die man een held van deugd moeten zyn, en helden zyn zeldzaam.Ik zeg niet neen. Ik vorder noch verwacht heldhaftigheid in den eersten den besten. Doch daargelaten wat die manzougeweest zyn, wanneer-i aldus gesproken had, durf ik vragen wat hyis, doornietste zeggen, doornietste verrichten na ’t ontvangen van dat gemoedelyk stuk vanJanuari1858?Ik verzoek ieder belangstellende dien brief te lezen, en zich aftevragen wat men te denken hebbe van den man die bedaard en “rustig” zoo’n stuk kan ter-zyde leggen, zonder op ’t denkbeeld te komen, dat zyn plicht ’n antwoord eischt, ’n antwoord indadenvooral.Men moge voorwenden te gelooven dat deMax Havelaar’n roman is... die brief aan den Gouverneur-Generaal in rusteisgeenroman. Die brief is geschreven aan den persoon die instaat zou moeten zyn te weêrleggen wat er zou te weêrleggen vallen in myn relaas van ’t voorgevallene teLebak. By dien brief waren bylagen die punt voor punt de waarheid aantoonden van alles wat ik zeide. Ik had daarby overgelegd extrakten uit de conduite-rapporten onder myn voorgangers waaruit bleek dat de regent dien ik aanklaagde,aanhoudendwas beschuldigd van knevelary. ’t Was dus ’nLEUGENvanvan Twist, my in z’n kabinetsbrief van 23 Maart 18564te schryven dat er over dien Regent altyd gunstige rapporten waren ingekomen, dat trouwens niets zou beduid hebben, al ware het zoo geweest.Ik gaf afschriften van stukken, waaruit bleek hoe de schoonzoonvan dat Hoofd, de man ten wiens huize m’n voorganger kort voor z’n dood z’n laatste middagmaal gebruikt had, reeds vóór myn komst inLebakwas gestraft wegensroof op den publieken weg. Ik legde kopie over van de verklaringen des Kontrôleurs—die ik later publiceerde5—verklaringen die afgelegd warennadater gebleken was dat de Gouverneur-Generaal den Resident vanBantamwilde steunen in ’t schipperen, en dusnadatdie Kontrôleur weten kon dat-i van my niets te hopen of te vreezen had. Ik toonde door ’t overleggen van andere stukken, op menschkundige gronden ten duidelykste aan, dat ik m’n ondergeschikten wist te dwingen totwaarheid, en dat ik van dien invloed gebruik maakte, onverschillig of ’t my baatte of schade deed.6By dien brief aanvan Twistwaren vele stukken gevoegd, alle aantoonende dat ik volkomen in myn recht was.7’t Is me onmogelyk thans optegeven welke, maar als ’t vereischt wordt, zal ik ’t kunnen. Ik ben in ’t bezit van ’n autentiek uittreksel uit ’n policie-register, dat aantoont hoe er op-eenmaal 57 of 59 personen—ik meen tePandeglang—zyn afgestraft metGEESELING, en gevankelyk teruggevoerd naarLebak, dat ze, alsSaïdjah’svader, hadden verlaten “zonder pas” om den druk hunner hoofden te ontgaan. Dat waren dagelyksche zaken. Men herleze die vertelling vanSaïdjah, waar ik in korte woorden samengryp wat me gelegenheid zou gegeven hebben tot uitvoerige schilderingen, als ik daarin lust had gevoeld. In denHavelaarheb ik de werkelykheid verkort, verzacht, teruggebracht tot de eenvoudigste uitdrukking. Laatvan Twisthet tegendeel beweren, als-i durft! Laat hem zeggen dat ik overdreven heb. Dan zal ik, in-stede van uit de lucht gegrepen namen, de juiste, de letterlyk juiste namen opgeven van de arme lieden die door verdrukking waren verdreven uit hun land. Ik zal die namen opgeven met vermelding van geboorte- en woonplaats, dagteekening, beroep... ach, ’t waren allen landbouwers alsSaïdjah’svader. Verlangt men meer?Laatvan Twistontkennen als-i durft, dat zy die klaagden en vluchten òm de mishandeling, daarna op-nieuw werden mishandeld òmdat ze geklaagd hadden of gevlucht waren. Laat hem ontkennen dat de kern der opstandelingen in deLampongsuit gevluchte martelaren uitBantambestond. Laat hem ontkennen dat bij elken opstand, de moed van ons leger te stryden heeft met de razerny van lang mishandelde, tot het uiterste gedreven menschen, die zacht en goedig waren wel-eer, maar tot woestamokwerden aangevuurd door wanhoop. Laat hem ontkennen dat by elken stryd, zoo bloedig meestal, het grootst gedeelte der verslagenenaan-weerszy, de slachtoffers zyn van politieke fouten, begaan door welbetaalde, maar domme slymerige vormelyke schipperende ambt- en pensioenjagende oogendienaars van gemaklievende Gouverneurs-Generaal. Laat hem ontkennen dat men de kracht van ons leger, het leven van officieren en soldaten beter kon besteden, dan door ’t vermoorden der armen die niets misdeden dan dat ze zich, na lang dulden, eindelyk verzetten tegen àl te zware geweldenary.Ja, er waren veel bylagen by dien brief, ’t was ’n bundel! Nog herinner ik my hoe zwaar ’t me viel daartoe het noodige papier te bekomen, en een plaatsje waar ik zitten kon om ze afteschryven. En toch was dat alles te-vergeefs! De man heeft niet geantwoord. Dit iszynzaak.Maar ’t is myn zaak te wyzen op dendatumvan dien brief. Ik schreef dien inJanuari1858, dus byna twee jaren na m’n vertrek uitLebak. Is die dagteekening niet ’n bewys dat m’n deel met het handhaven van recht,niet was ’t maken van een naam?Ennadien brief wachtte ik weder twee jaren, voor ik denMax Havelaarschreef. Ik was lang geperst, lang had ik getracht verbetering aantebrengen zonder schandaal, lang had ik aan den anderen kant beproefd myn gezin te bewaren voor hongersnood, voor ik ’n beroep deed op de rechtvaardigheid van Koning en Natie. Jazelfs, toen deMax Havelaarreeds geschreven, reeds gedeeltelyk gedrukt was, heb ik my tot den Koning gewend met verzoek om herstel. Zelfs toen nog, als deze had kunnen goedvinden verbetering te brengen in den ellendigen toestand vanIndië, had ik m’n boek verbrand.8Ik zal dien brief later uitgeven, na nog eenmaal aan den Koning geschreven te hebben.Ik vraag daarin niet voor myzelf. Ik blyf vasthouden aan de reeds tot den heervan Twistgerichte betuiging:anders dienen dan ik diende teLebakkan ik niet!Maar ook de Koning kon niet besluiten krachtig integrypen in ’t weefsel van leugens en bedrog, dat den Nederlandschen naam eerlang maken zal tot een walg der volken. Ik meen toch dat dit ingrypen een heerlyke roeping zou geweest zyn voor ’n Koning!En eerst na lang wachten op dat antwoord, na de volkomen zekerheid dat dit antwoord niet komen zou, verscheen in Mei 1860 het boek over de “koffiveilingen” dat, naar de uitdrukking van een Lid der Kamer, ’n “rilling deed gaan door het land”.Dit was zoo. Er is inderdaad ’n rilling door ’t land gegaan. Maar wanneer? In 1860. Dat is: vier jaren nadat ik, arm en onmachtig,Lebakverliet met vrouw en kind.Als een geduldige Javaan had ik my vier jaren laten mishandelen. Vier jaren had ik van-dag tot-dag gestreden met kommer van heden, met angst voor morgen, voor ik die rilling opwekte. Vier jaren lang wasSjaalmanbespot en gesard doorDroogstoppel, voorMultatulibeslootHavelaar’sparty tegen dien vanDroogstoppeloptenemen.Dat ik ’t toen deed, krachtig forsch... wie zal ’t laken? Bovendien ik ben zoo. Ik versta geen halve dingen. Dit zal men zien in de toekomst, als ik ’t leven houd. En al ware het... doch, neen, voor die toekomst is gezorgd.Vier jaren dus. Jaren van bittere smart. Vier moeielyke, zware jaren...Zou ik zóólang gewacht hebben, als ’t my ware te doen geweest om opgang of schandaal?Ik wenschte herstel van grieven voor m’n arme beschermelingen, en als me dit gelukt ware, zou de Javaan zelf nooit hebben geweten wat-i my te danken had, noch Nederland hoe ik, met al wat ik dierbaars had, my opofferde voor zyn eer.Maar, ik erken dit, zoowel voor als na ’t schryven van denMax Havelaar, bestond er vaak ’n andere reden die my noodzaakte te zwygen. De ellendelingen dieIndiëverwoesten, hebben een bondgenoot die dikwyls, ja meestal, de kracht heeft my de pen uit de hand te slaan. De Natie weet dit, en schynt het goedtekeuren. Dit ishareschande, demyneniet.De naam van dien bondgenoot is:het gebrek. Niet altyd heb ik papier. Niet altyd heb ik de stukken by me, waarin ik iets zou moeten naslaan, daar ’t meermalen gebeurt dat ik kist of koffer hier-of-daar moest achterlaten omdat ik den prys van ’t vervoer niet betalen kan. Daaraan heeft nu byv.van Twistte danken dat ik niet inditstuk de namen opgeef van de 57 of 59 personen die met geeselslagen vanPandeglangwerden teruggedreven naarLebak. Menigmaal heb ik geen plaats waar ik me rustig kan neerzetten tot schryven. Heeft men dit niet gelezen in deMinnebrieven... tusschen de regels vooral?En eindelyk, meestal, ja altyd byna, wordt me elke voorkomende gedachte weggestolen door ’n spook dat me in Gouverneur-Generaal kostuum, of in de gestalte van een dikbuikig vry-arbeider, de sarrende vraag voorhoudt:Wat zullen morgen uw kinderen eten? Waar zult ge uw gezin huisvesten over een maand, over een week, over een dag?Want meermalen is ’t zoover geweest, dat die vraag ’n vraag was van weken of dagen... ja, van uren!In m’nKruisliednoem ik me taai. Ik zeg altyd de waarheid, en ook daar zeide ik de waarheid: ik bèn taai.Maar ik moet erkennen dat ik werk met tegenzin en inspanning... dat ik zelfs niet werken kan in ’t geheel, als my de gedachte overvalt myn lief gezin uitgehongerd te zien, en omkomende van gebrek aan ’s Heeren weg.Overdryving, meent men? Eilieve, hoe zou ’tanderszyn? Ik bezit niets, en ontvang niets. En laat u nu eens voorleggen—ge hebt het recht daartoe, Nederlanders—denStaat van Indische pensioenen, waarop posten voorkomen, wat hooger dan eigenlyk behooren zou—zelfs zy erkennen dit, die ze toelegden—omdat de betrokkene zekere betrekkingNIETbekleed heeft.” Zóó staat er. Ga eens na welke sommen er jaarlyks op uwe begrooting worden gebracht om menschen in het leven te houden, die nooit iets belangryks uitvoerden, en wier geheel leven zonder schâe voor iemand best achterwege had kunnen blyven. Tel eens hoeveel gepensioneerde Slymeringen gy vetmest, en vraag dan uzelf af, of ’t billyk is, datikvan uur tot uur heb te worstelen met gebrek?Overdryving? Ik antwoord nog-eens; hoe zou ’tanderswezen kunnen? Ik heb niets en ontvang niets. Maar als ’t u moeite kost, lezer, u duidelyk voortestellen hoe ’n vader gestemd is, die z’n gezin moet voeden metniets... dan zal ik uw begrip te-hulp komen door ’t vertoonen van ’n certificaat, waaruit blyken kan hoe eens ’n Belgische dorpsburgemeester me twee dagen tyd gunde om te voorkomen dat ik als vagebond met vrouw en kinderen door maréchaussées zou worden weggevoerd over de grenzen...Zie in zulke omstandigheden voel ik me “wat moê” zoo-als op ’t slot van m’nKruislied!Dit is weêruweschande, Nederlanders, en dit is nietmyneschande. Daarvan worstelt ge u niet los, als zoudt ge ’t begin van de week vastbidden en vastpreêken aan ’t eind.En wie nu meent dat ik genoegen schep in ’t mededeelen van de ellende die ik ondergingomdat ik myn plicht deed—dat ik er trotsch op ben, is waar!—bedenke hoe lang ik zweeg vóór ik iets openbaarde.En dat ik eindelyk daarvan sprak, was om aantetoonen dat ik zeer duur het recht heb gekocht en betaald, ommeetespreken over de vragen van den dag. Men onderzoeke eens nauwkeurig wat anderen hebben betaald voor dat recht? Jazelfs, ofzy ietsbetaald hebben,ietsten-offer gebracht in ’t geheel? En of niet vaak hunne opiniën voordeel aanbrachten in-steê van offer te eischen?DE KWESTIE OVER VRYEN ARBEID IS GEEN KWESTIE.DE TEGENWOORDIGE AGITATIE OVER DE KOLONIALE ZAKEN IS EENE GEMAAKTE AGITATIE.De Geschiedenis leert ons dat overal waar groote bewegingen voor de deur stonden, de leiders der algemeene belangen zich beyverden byzaken voor-op te schuiven, om de aandacht der Natiën aftetrekken van de hoofdzaak.Dit noemen kleine bestuursmannen:Kunst van regeeren.En vaak komt de loop der dingen de Regeeringen te hulp in ’t verschaffen van zulke afleidingen. Het volk bemerkt instinctmatig dat alles niet is zoo-als ’t behoort, en stelt zich, meer dan anders, by elk opgeworpen denkbeeld de vraag voor: “zou dit misschien de oorzaak myner malaise wezen?”Nooit waren er zooveel staathuishoudkundige kwestiën aan de orde van den dag, als kort voor de Fransche revolutie. Ik bedoel de eerste, de ware, de voorloopster van de groote Wereldrevolutie die onzen kinderen wacht, en waarby de hoofdvraag wezen zal:hebben of niet hebben. Boeren-oorlogen enJacqueriënzyn periodiek als de saizoenen. Dit zal zoo blyven zoo lang menschen menschen zyn. En ook zal men altyd blind genoeg wezen om die onvermydelyke schuddingen niet te voorzien.De wegbereiders van zulke revolutiën, zy die het eerst nieuwe denkbeelden verkondigen, bedoelden juist niet altyd ’n omwenteling. Zy waren, zoo-alsiederin zekeren zin, de uitdrukking van hun tyd. Zy stuwden niet, ze werden aangetrokken. “l’Homme ne manque jamais aux circonstances”heeftMONTESQUIEUgezegd, en wáár is het, even zeker als dat er nooit lucht ontbreekt om de leegte aantevullen die ontstond door verplaatsing van andere lucht. Maar diep ligt de waarheid vanMONTESQUIEU’Suitspraak niet. ’t Is als-of men zeide: “geen muskaatnoot zonder foelie.” Ik geloof ’t graag, ’t is dezelfde vrucht.Want zoodra ’n Volk behoefte voelt aan zekere indrukken zal dezelfde oorzaak die deze behoefte te-weeg bracht, sommigen aanzetten tot het meedeelen van die indrukken. De mannen die ’n omwenteling vooraf-gingen,bewerktendie niet, maar werden, juist omgekeerd, voortgebracht door dezelfde omstandigheden die de revolutie ten-gevolge hadden. ’t Is hier nochpost, nochpropter, ’t issimul. Dit is even begrypelyk als dat men geen scheepsbouwmeesters vindt in de bergen, noch tuinlui opNova Zembla.Men zal dan ook kunnen opmerken dat de personen die vaak worden aangezien als de bewerkers eener omwenteling, omdat ze kort te-voren ’n belangryke rol speelden, die belangrykheid inderdaad meer te danken hadden aan de behoefte en de voorbeschiktheid des Volks om wat nieuws te hooren, dat licht geven zou in de duisternis, dan wel aan de onderwerpen die zy behandelen, of de inrichting die zy aanwyzen als de juiste. Om zich hiervan te overtuigen, behoeft men de zaken slechts te bezien van ’n later standpunt, als wanneer er een groot verschil in ’t oog springt tusschen den loop der gebeurtenissen, en de meeningen of uitingen die de verandering van dien loopwaren voorafgegaan. Deterreurder Fransche revolutie gelykt niets op ’tContrat SocialvanRousseau.Wanneer nu echter hervormers dieter-goeder-trouwzyn, een zoo willigen bodem vinden voor nieuwe begrippen, onverschillig of hunne ideën uitvoerbaar blyken of niet, onverschillig of ze voldoen aan de behoefte des oogenbliks, en alleen omdat het Volk voelt:qu’il y a quelque chose dans l’air—met hoeveel te-meer graagte dan zullen opgeworpen twistpunten worden aangenomen, wanneer zy die ze opperennietter goeder-trouw zyn, wanneer ze met meer of min kunst zulke punten van geschil uitvinden, scheppen, op den voorgrond schuiven, met hetdoelom ’t Volk bezig te houden.Dit nu, Nederlanders, is by u sedert jaren het geval.Liever dan my te bepalen tot den kleinen kring onzer belangen, zou ik u voorbeelden aanhalen uit de Wereldhistorie. Maar ik begryp dat ik beter doe my te bepalen tot dingen die u meer van naby raken, en u klaar voor den geest zullen liggen naar ik gis. Eén voorbeeld dus uit velen:Herinnert ge u, Nederlanders, hoe men eenige jaren geleden u heeft bezig-gehouden metindisch-muntstelselenduitenplaatjes? Ge hebt die plaatjes goedmoedig geslikt. Dáárover zyn wat verhandelingen gehouden, wat brochures geschreven!Dááraan is wat geleerdheid en redenary ten-koste gelegd! Men voedde u met millimeters van den omtrek der indische guldens, gy ontbeet met beeldenaars, en uw avondmaal vloeide over van circuleerende medium’s. Hoe ’t mogelyk was, u zoo erg en zoo lang te bedriegen met ’n zaak zoo eenvoudig als ’n muntstelsel, begryp ik niet, maar geluktishet. Eilieve, hoe is die zaak, die belangryke zaak, waarvan ’t wel of wee uwer indische bezittingen scheen aftehangen, dan toch eindelyk uitgewezen? Weet ge ’t wel eens? Ditmoestge toch weten, indien de vraag zoo belangryk was als ze scheen in die dagen...De opheldering dier muntkwestie is eenvoudig. Op den oogenblik toen men u bezig-hield met koperen duiten, recepissen, zilvergehalte, agio en dergelyke,was de Bevolking van Indië op ’t punt uit te bersten in algemeenen opstand, die dan ook partiëel uitgebrokenis, maar overal in bloed gesmoord.Hebt ge ’t niet in de couranten gezien hoe elke mail heldendaden meêbrengt? En ziet ge niet tevens hoe er altyd-door meer suppletie-troepen noodig zyn? Hebt ge er niet op gelet hoe men in Europa te-kort schiet met werven, in-weerwil van ’t bovenmatig verhoogen der handgelden, en hoe men de beschermers en verdedigers vanNederlandschebelangen weêr, als vroeger, moet zoeken inAfrika?Zyn we ooit in vrede daarginder? Volgt niet oorlog op oorlog, roering op roering, onrust op onrust?Komt ge nooit op ’t denkbeeld dat er wat verdachts is in die stereotype telegrammen: “op Java volmaakte rust?”Vindt ge ’t niet vreemd dat de Landvoogden, die zoo met overstoorbare eentonigheid die rustigheid proclameeren en telegrafeeren, altyd-door méér soldaten noodig hebben om niet weggejaagd te worden?Ziet ge, dit bevreemdt my. Dat men u bedriegen wil, heeft z’n redenen. Dat ge zoo gemakkelyk toegeeft in dit bedrog, vind ik zonderling en jammer.Het aantal opgeworpen kwestiën waarmede men u aandachtig bezig-houdt, is zeer groot, en daaronder behoort ook de vraag die thans in Nederland aan de orde van den dag schynt; de vraag overVryen-ArbeidenKultuurstelsel, waarvan die kibbelaryen over consignatiestelsel, kultuur-emolumenten, enz. onderdeelen zyn.Dewarevraag van den dag is deze:Wordt de Javaan mishandeld?Zal hy dit voortdurend verdragen?Wat moet er gedaan worden om een eind te maken aan die mishandeling?Maar deze vragen legt men u niet voor. Er zal ’n tyd komen dat ge u schamen zult over uw gebrek aan doorzicht. Het zal u onverklaarbaar zyn dat ge u aanhoudend liet verlokken tot het behandelen van andere vragen.Want ik stelde u in-staat dit bedrog te doorzien en te ontwyken. In denMax Havelaarheb ik aangetoond dat de Javaan mishandeld wordt. Wie heeft dit weersproken? Dagbladen, tydschriften, brochures stelden ten-klaarste in ’t licht dat ik niet overdreven heb, dat ik beneden de waarheid ben gebleven. Zie denIndiër,den Gids, hetNeêrlandsch Indisch tijdschrift... in ’t kort, alle organen van deliberaleparty.Of die organen zoo volmondig zouden verklaard hebben dat ik de waarheid sprak, indien ze hadden geweten dat ik geen partyman was, mag betwyfeld worden. Maar wat geschreven staat: staat geschreven. ’t Is zoo, ik ben beneden de waarheid gebleven. Ik vreesde en vermeed àl de waarheid te zeggen, uit kunstgevoel. Ik wilde sympathie opwekken, geen walging. En dit zou ’t geval geweest zyn, indien ik, in-plaats der eenvoudige geschiedenis vanSaïdjah, de ellende geschetst had van ’n hongersnood, zooals er van-tyd tot-tyd opJavavoorkomt, ten-gevolge der overdryving van ’t Kultuurstelsel...“Ziet ge wel, roept hier de Vry-arbeider... ’t Kultuurstelsel!”Een oogenblik, m’nheeren. Ik heb inIndiëgruwelen gezien onder Gouverneurs-Generaal van allerlei kleur, gruwelen waarmeê ’t Kultuurstelsel niets te maken had. InLebakbyv. werkte geen Kultuurstelsel, en dáár was tochjaarlijks hongersnood. En ook elders is de toestand van de Bevolking die overgeleverd wordt aan Vry-arbeiders in compliciteit met de Hoofden, verre van benydenswaardig. Of erger nog, ik heb dorpen gezien die uitgemoord waren door zeeroovers, die alles meêvoerden wat kracht tot roeien had, en een geslacht achterlieten wat tot roeien te zwak was. Hierby immers komt noch Stelsel van kultuur, noch Vrye-arbeid te-pas, niet waar!Waarlyk, m’nheeren partymannen,gyhebt het recht niet, elkaêr aanteklagen.Ikheb het rechtu beidente roepen voor de rechtbank der openbare meening. En dit doe ik. My zult ge niet afleiden met uw duitenplatery over Vry-arbeid of Consignatiestelsel...“Onderuweleiding is de Javaan bestolen, mishandeld, vermoord, dit kan ik bewyzen!”Zoo spreekt de liberaal tot den behouder.“Ik zeg dat de Javaan mishandeld en vermoord wordt onderuweleiding... dit kanikbewyzen!”Zoo antwoordt de behouder den liberaal. En vervolgens:“Gy zytoorzaak datIndiëvoor ons zal verloren gaan! Als weIndiëverliezen, is ’tuweschuld!”“Neen,uweschuld!”“Neen,uwe... sjt!Daar komt het volk aan... ik zeide dan, m’nheer, dat uwe begrippen over Vryen-arbeid...”“Juist! Ik meen dan dat die cyfers in ’t boek vanMoney...”“Inderdaad! Maar lees eenSay,Malthus,Scialoia... En let eens op de opinie van den geachten spreker uit ...”En ’t Volk gaat naar-huis, en meent in z’n onnoozelheid dat de Heeren ’n verschil van opinie hebben over Staathuishoudkunde.En ’t Volk neemt het voorgegoocheld onderwerp voor ’t ware, en koopt zich ’n boekje vanMoney, en gelooft aandeel te nemen in de behandeling der publieke zaak, door ’t narekenen van de cyfers die daarin staan.En alzoo... wat te-huis hooren zou voor een crimineele rechtbank, wordt behandeld als diepzinnig systeem van bestuur, en de hoofdzaak, deware eenige hoofdzaakis weer gesmoord voor ’n tyd!Voor den honderdsten keer: de kwestie over Vryen-arbeid is geen kwestie! Het eindeloos gekibbel daarover is slechts de dwaalweg waarop ’t Volk zich laat brengen door de slotwoorden van de heeren die bezig waren zichvice versate beschuldigen van diefstal en doodslag, maar gaarne hunlinge salewillen wasschenen famille, en daarna aan ’t Volk wat opgeworpen verschilpunten ten-beste geven. Aan ’t Volk, dat ten-laatste—al waar ’t uit zucht tot verandering alleen—die schandalen niet verdragen zou. Het wachtwoord van die heeren is: zwygen!En ik sprak hier niet van Ministers alleen.Ik vraag u, lezer, of ’t niet in de rede zou gelegen hebben dat men in de Tweede Kamer—of ook in de Eerste, waarom niet?—aan de Regeering had gevraagd of deMax Havelaarwaarheid bevat? We hebben behoudende en liberale ministeriën gehad sedert de verschyning van dat boek, maar geen opposant heeft aan ’n behoudende Regeering, geen behouder heeft aan ’n liberaal bewind durven vragen of ik de waarheid gezegd had. Ieder voelde dat het antwoord even nadeelig luiden zou voor z’n eigen party als voor de vyandelyke. Ieder begreep dat er niets viel te winnen door ’t staven van beschuldigingen, die terstond daarop met gelyk recht zouden worden ingebracht tegen hemzelf. ’t Scheelt me weinig of ik triviaal schyn... ik neem m’n uitdrukkingen waar ik ze vind ... Het volk zal my verstaan:’t is diefje met diefjes maat!Dit komt er van, kiezers, wanneer ge u niet bemoeit met uw zaken.Zwygen dus, smoren!Ja, smoren! Maar toch zyn erenfants terriblesdie in de hitte van den stryd geen acht-geven op ’tsjt!dat het Volk moest buitensluiten van de waarheid. Onlangs by de behandeling der koloniale begrooting heeft men elkaêr over-en-weerDroogstoppelgenoemd. Men kan ’t nalezen in ’t verslag der zittingen van de Tweede-Kamer.Droogstoppelnu—ikheb dien man gemaakt,ikheb ’t recht te zeggenhoe,watenwiehy is—Droogstoppelis de gemeene dief,minusden moed om intebreken.Droogstoppelis deFariseërdie weduwen en weezen op-eet, en kushandjes toewerpt aan ’n eigengemaakt godje dat hem helpt in de digestie.Droogstoppelis de bloedzuiger die opzwelt van onrechtvaardig verkregen goed, maar ’n veerkrachtige magerheid bewaart om z’n vooze opgeblazenheid binnentepersen door de enge poort.Droogstoppelis de femelende laffe gierige schriftuurlijke gauwdief...Eilieve, ik heb vergeten te zeggen ofDroogstoppelliberaal of behoudend is...In de Kamer heeft men de goedheid gehad deze gapingaan-te-vullen.Liberalen hebben tot behouders gezegd:“gy Droogstoppel!”En behouders hebben geantwoord:“Droogstoppel, gy!”En ik? Watikantwoord?Ach, ik zie in dat ik ’n profetischen geest had op het oogenblik toen ik in deMinnebrievende vertelling gaf van ’n paar twisters opAmboina, die elkaêr onaangenaam hadden bejegend. “Ga gerust naar huis, oJozefenAbraham... ofEzechiël, gy beiden hebt volkomen gelyk!”Ik verklaar overigens my geheel te vereenigen met de opinie van den heerWintgens, die de vraag deed, of niet de ergsteDroogstoppelsde zoogenaamde vry-arbeiders waren, wyl ze den Javaan meer rechtstreeks uitzuigen dan hun confraters op de Lauriergracht?Ik zeg volmondig ja op die vraag.—Maar ik constateer tevens dat de heerWintgens, door z’n superlatieven gradus—“of dat niet deergsteDroogstoppels waren?”—zich beweegt in den omtrek der paragrafen onzer schoolboekjes, waar boven stond, “over de trappen vanvergelyking” en dat hier dus maar sprake is van watmeerofminDroogstoppelig...Nederlanders, ge staat my toe, hoop ik, voorDroogstoppelte lezen:Ellendeling? Welnu, in uwe Vertegenwoordigende Kamers is de vraag geopperd: onder welke der beide dusgenoemde Staatspartyen, de ergste ellendelingen zyn.Wat geschreven staat, staat geschreven. Het byblad, waarin deze vraag voorkomt, zal wel reeds gedrukt en verspreid wezen. En al ware dit zoo niet, de vraag wordt meêgedeeld in de verkorte verslagen die de dagbladen van de zittingen gaven, waarin de koloniale begrooting is behandeld.Ik tart de leden der Staten-Generaal die te vernietigen, en voor ’t Nageslacht te verbergen dat in 1861 in hunne vergadering de vraag geopperd is, welk staatkundig gedeelte des Nederlandschen Volks ’t meest productief was in huichelende gauwdieven.Ja, dat zyn deenfants terriblesvan de partyen! En men meene niet dat dit ’n toeval was, ’nlapsus linguae, ’n oratorische wending van den heerWintgens... volstrekt niet.Herhaaldelyk is ’t scheldwoordDroogstoppel—dat is: ellendeling—over-en-weergebruikt. Ik heb dit woord in ’n zeer verkort verslag der zittingen, tien of twaalf malen gevonden in één alinea. ’t Is zelfs ontelbare malen gebruikt door den heerP. Myer, den man die ’n zoo hoog pensioen trekt: “omdat hy—ikciteer—zekere betrekkingnietbekleed heeft.” En ook na den HeerWintgenshebben weer anderen zich beyverd aantetoonen dat deDroogstoppels...O God, O God, is ’t genoeg, Nederlanders? My is ’t te veel.Had ik niet recht,Hamletsuitroep te kiezen tot motto dezer brochure? Waarlyk:There is something rotten in the state!Maar, zeggen misschien sommigen, wat is dan toch dat Kultuurstelsel, wat verstaat men onder Vryen-arbeid?Ik weet dat deze vraag nog altyd door velen gedaan wordt, en dit is ’n bewys te-meer van de waarheid myner stelling dat de voorgewende punten van verschil niet raken aan de hoofdzaak. Als er waarheid lag in al de beweringen vóór en tegen die systemen van Indischbestuur, zou men, na al wat daarover is gesproken en geschreven, nu dan toch wel zóóver gevorderd zyn, dat men wist waarover de kwestie liep. En dit is het geval niet. Er is zorg gedragen de zaak zoo te verwarren, dat de goê-gemeente zich verliest in ’n zee van kunsttermen over staathuishoudkundige wysheid, en moedeloos tot het besluit komt, de heeren moeten ’t weten! Ja, en dan hebben de “heeren” weêrloisirom ’t gesprekvoorttezettenover de zaak die hen bezig-hield, toen ’t Volk er bykwam: over de mishandeling van den Javaan, en den opstand die daarvan ’t gevolg wezen moet.Toen ik denMax Havelaarschreef, dacht ik niet aan vryen arbeid. Ik behandelde daarin ’nhoofdzaak, en het heeft my zeer verwonderd dat boek te zien misbruiken als ’n wapen tegen hetKultuurstelsel. Zelfs in ’t buitenland is men in die dwaling vervallen. In denAnnuaire des deux Mondesvan 1860, wordt myn werk behandeld als ’n pleidooi voor Vryen-arbeid, dat het zyne toebracht tot den val van ’n behoudend—kultuurstelselig—ministerie. En ’t een, en ’t ander is onjuist. Ik heb noch in denHavelaar, noch later, my ingelaten met de voddige voorgehuichelde geschilpunten die men in den Haag gebruikt om ministeriën te ondermynen. Even als ik ieder mensch goed noem die goed handelt, zonder te vragen naar z’n geloof, evenzoo zou ik ’n Minister aanhangen die rechtvaardigheid beoefent, onverschillig of-i oude stelsels aankleeft, of nieuwe verkondigt. Die rechtvaardigheid nu heb ik tot-nog-toe zoowel aan de zyde van ’t behoud, als aan den kant der zoogenoemde liberalen tevergeefsgezocht. En zoolang dit niet verandert, is ’t me onverschillig wie er regeert. En den Javaan ook.Geheel alleen echter sta ik niet met m’n opinie over de ledigheid, de nutteloosheid, de ontydigheid der kwestiën van den dag. Ik las in ’n brochure, onlangs uitgekomen byGünstteAmsterdam10de volgende eenvoudige maar veel beteekenende woorden:

Vrye arbeid of Kultuurstelsel... de kwestie van den dag.Neen, niet van dendag... de kwestie vanjaren!Sedert jaren betaalt de natie haar Ministers, en zendt Afgevaardigden naar den Haag, om te beslissen of de Javaan moet worden uitgezogen op liberale of réactionaire, op behoudende of onbehoudende wyze.Zeg iets van beschaving ... men noemt u ’n dwaas, en antwoordt: vrye arbeid.Spreek van vooruitgang—van wezenlyken vooruitgang ditmaal—domheid! Men vraagt uw opinie over ’t Kultuurstelsel.Deel iets mede over misbruik van gezag, afpersing, roof en moord ... ei, is ’t antwoord, vertel ons iets van Vryen-Arbeid.Roep hulp in voor vertrapt menschenrecht. Men verstaat die taal niet.Zeg iets over deugd, eer, gevoel, loyauteit, waarheid, gezond verstand ... alles te vergeefs. Men “doet” niet in die dingen.Ja, sterker nog, wijs op het BELANG, op “MEN”’S EIGEN BELANG—iets waarin “men” toch wél “doet”—dan nog bekomt gy geen gehoor voor ge aan dat eigen belang van “men” eenige frazen weet vastteknoopen overVryen Arbeid of Kultuurstelsel.Ik wil voor ditmaal toegeven in de monomanie van ’t oogenblik, en zal iets schryven over Vryen-Arbeid.In ’t begin zal ’t misschien den schyn hebben dat ik schryf over iets anders. En dit is natuurlyk. De kwestie over Vryen-Arbeidisgeen kwestie. Ik ben dus genoodzaakt, by ’t behandelen van dit voorgeschoven vraagstuk, gedurig te wyzen op andere zaken die wel de kwestie zyn. Goochelaars lokken uwe blikkenlinks, als ze iets willen wegmoffelen aan derechter-zyde. Dit weet ge, niet waar? Welnu, ik zal trachten uwe blikken te richten naar den kant dien de goochelaars willen dat genietziet. Over Vryen-Arbeid heb ik dus eigenlyk weinig te zeggen.Niemand kan me verwyten dat ik te veel schryf. Misschien zelfs schreef ik te weinig. Ik ben al over de veertig, en tot nog toe zyn er van my slechts ’n paar kleine boekjes verschenen. GeenMuzen-Almanakhad ooit last van me, schoon ik al verzen en verhandelingen beging voor Belgien’s afval. Al m’n “aan-haars” heb ik flink verbrand, en erzynal grootmoeders onder. Niemand dan ikzelf heeft geleden onder de eerste liefelyke maar bedwelmende aandoeningen van ’n jong vurig hart. En toen ik eindelyk mymoestopenbaren aan ’t Publiek, heeft men my bovenmatig geprezen over m’nwyzevan schryven.Dit was onbillyk.Ik had meer recht op wat lofs over m’n zwygen. Ik zeg dit in vollen ernst. In veel geschryfs is veel dwaasheid. ’t Is lichter honderd boekdeelen te vullen, dan de aandoeningen die honderd boekdeelen vullenzouden, te bewaren tot het juiste oogenblik, of—zoo noodig—ze te smoren tot er de dood na volgt. Hebt ge wel eens overwogen, lezer, hoeveel geestkracht er noodig was voormy, om niet optetreden voor m’n veertigste jaar? Ge kunt nagenoeg weten hoe ik menschen en zaken beschouw. Ge kunt weten “dat ik het leven niet ben doorgegaan zonder de indrukken optevangen die ’t my aanbood.”1Welnu, ik hebdeze indrukken opgezameld voor myzelf, voor m’n allernaaste omgeving, vreezende dat ze niet ryp waren, dat ik morgen zou moeten terugnemen wat ik heden gaf, dat er gebrek aan harmonie wezen zou tusschen jeugd, mannelyken leeftyd en ouderdom. In één woord: Ik heb gespaard, en waarmede ik vrygevig moge geweest zyn of verkwistend, met m’n denkbeelden was ik nooit verkwistend of vrygevig.Na de uitgave van denMax Havelaarevenwel, had m’n zwygen meestal ’n anderen grond dan schroom. Van twee geheel tegenoverstaande zyden op staatkundig terrein, had men my hulp toegezegd. Ik geloofde, vertrouwde en ... wachtte. Ik heb gezegd datHavelaarnaïf was. Van beide kanten ben ik bedrogen. Van één kant zelfs bestolen.Noch van de zyde des behouds, noch van die der oppositie, werd het minste bewys gegeven dat men zich de zaak van den mishandelden Javaan, dat ismynezaak, aantrok. De prys van die hulp zou geweest zyn, dat ik my geschaard had onder ’n banier. Dit kon ik niet.Je lève bannière, n’en suivre ne peux.Wat geschryf over—d. i. vóór—Vryen-Arbeid zou me brood en ’n positie gegeven hebben. Ook had ik m’n kinderen kunnen kleeden met wat lof over ’t Kultuurstelsel. En zie, ik had talent genoeg daartoe. Wie nu meenen mocht dat ik myzelf verhef door me dit talent toetekennen, antwoord ik dat er geen zelfverheffing ligt in ’t aanspraak-maken op ’n hoedanigheid die me walgt. Hoe dit zy, dat zoogenaamd talent had ik. Wie anders oordeelt, heeft het maar te zeggen. Maar óók had ik—en ditmaal verhef ik myzelf inderdaad—ook had ik ’n gemoed dat zich verzette tegen de minste afwyking van de waarheid, vooral wanneer die waarheid nadeelig of gevaarlyk was voor myzelf. Al wat moeielijk is, lokt my aan. Iets toegeven in ’n onverschillige zaak, of zelfs waar dat toegeven schadelyk werken zou voor myzelf ... ik zou ’t kunnen. Maar tegen de waarheid in, voor overmacht te wyken in ’nhoofdkwestie, waar de straf van ’t weigeren, zoo-als by my het geval is, zwaar wezen zou, dit kan ik niet, dit wil ik niet en dit zal ik niet.Al wat moeielyk is lokt my aan, heb ik gezegd. Ik erken evenwel dat ik by ’t aangaan van den stryd niet verdacht was op desoortvan moeielykheden die my wachtten. Ik meende slechts—als m’n arme voorganger!—vergiftigd te worden met vrouw en kind. In plaats daarvan, scheldt men my uit. M’n tegenstanders hebben den stryd weten overtebrengen op ’n terrein dat aan den uitroep der Jakatranen herinnert—’t is historisch, lezer!—”die honden van Hollanders vechten met drek!” Dáárop had ik niet gerekend. Of ik anders zou gehandeld hebben, wanneer ik dit wèl had voorzien ... neen, neen,duizendmaal neen! Maar ik zou in dit geval den stryd hebben aangevangen met minder genoegen.Men beschuldige my niet van platheid by ’t aanhalen van den Jakatraschen uitroep. Kanik’t helpen, Nederlanders, dat uw geschiedenis in Indie platis, gemeenis? Kunt ge die woorden ongesproken laten, en de handeling die ze uitlokte? Wie is triviaal, iemand die gemeene dingendoet, of de man die met al de kracht zyner zielopstaattegen die gemeene dingen?De ondersteuning dan, die me werd toegezegd, na ’t verschynen van denMax Havelaar, was aanvankelyk niet verbonden aan onteerende voorwaarden. Van behoudenden en van liberalen kant beide, gaf men voor belang te stellen in myn zaak, zonder meer. Eerst later, toen men den indruk van denMax Havelaarversleten waande, toen men hoopte dat ’n beroep op het Volk zonder vrucht blyven zou, werd er onedele dienst geëischt voor hulp. Ik heb brieven die uitwyzen dat men maanden, maanden lang—heel onnoodig voorzeker!—my inscherpte moed te houden, zonder daarby te gewagen van Vryen-Arbeid, Kultuurstelsel of dergelyke byzaken. Men veinsde menschelykheid en rechtvaardigheid op den voorgrond te stellen als ik. En eerst nadat ik lang had gewacht, nadat men goed overtuigd was dat ik by ondervinding wist wat het zeggen wil, te worstelen met gebrek, nadat men zich had verzekerd dat de nood aan de lippen was, kwam men schoorvoetende tot de veelbeteekenende uitnoodiging: schryf eens iets in den geest van...Ik zou wat schryven in den geest van die heeren. Ga er eens toe zitten, m’nheeren, en beproef eens te schryven inmyngeest. Dit zou u zwaar vallen. Ziehier nu ’t verschil. Inmyngeest schryven zoudt ge nietkunnen. Inuwgeest schryvenwilik niet, schoon ik ’tkunnenzou. Dit hebt gy gezien inWawelaar’spreek, en in de redeneeringen vanDroogstoppel, een persoon waarin, naar ik met genoegen ontwaar, vele Kamerleden zichvice-versaherkend hebben. In de laatste zittingen toch riep men gedurig over-en-weêr: “Gy zyt de man!” Ieder wildeNathanwezen, de berispende profeet. Niemand woûDavidzyn, de betrapte misdadige koning.Ik zou wat schryven in den geest...In den geest! Ik schryf inmyngeest, myne heeren vry-arbeiders en kultuurstelselaars! Gy woont inuwevilla’s, gy geniet vanuwgeld, gy pronkt metuweprincipes, gy liegt metuweleugens, gy schippert metuwegewetens! gy huichelt metuwengeest, maar ... inmyngeest schryfik.Dit moet ge my laten!De eerste reden alzoo van m’n zwygen na denMax Havelaar, was ’n ydel wachten op een toegezegd herstel. En de uitgave van deMinnebrievenmaakte in-zooverre hierop geen uitzondering. Men heeft kunnen zien dat ik die schreef om ’n arm gezin dat ik niet kende, uit den nood te helpen. ’t Was ’n luim zooals ik er vroeger veel had, en die ik meestal opvolgde. Ditmaal slechts ’n herinnering aan vroeger tyd.Maar uit dit voortdurend zwygend wachten moge tevens blyken dat ik geen agitateur ben tot elken prys. Ik had aangetoond hoe schandelyk er werd huisgehouden met het leven en de bezittingen der Javanen... men beloofde beterschap, en ik zweeg geduldig.En reeds vóór denMax Havelaarhad ik ’n doorslaand bewys gegeven, dat het me niet te-doen was om effect, om beroering of schandaal, maar om herstel alleen. M’n voorganger was, om te voorkomen dat-i z’n plicht deed, vermoord in November 1855. Myn mislukte pogingen om den Gouverneur-GeneraalDuymaer van Twistaantesporen tot het vervullen vanzynplicht, dateeren van den aanvang des jaars 1856. DeMax Havelaar, het agitante boek, verscheen eerst in Mei 1860.Dit zyn sprekende dagteekeningen! Daar liggen vier volle jaren tusschen de voorvallen teLebak, en den oogenblik waarop ik de Natie uitnoodigde inzage te nemen van de wyze waarop zy gerepresenteerd wordt in Indie. Er zyn er die beweren dat m’n handelingen teLebakvoortsproten uit eerzucht, uit begeerte om naam te maken. Ik heb op die beschuldigingen tweeërlei antwoord. Vooreerst: dat het te wenschen ware veel en vaak zulke eerzucht aantetreffen by de dienaren van den Staat. Het zou zoo kwaad niet zyn, meen ik, als plichtsbetrachting tot roem en welvaart leidde. Ik geloof, al ware er by my zucht in ’t spel geweest tot het maken van een naam, dat die zucht zeer overwinnend de vergelyking zou kunnen doorstaan met zooveel andere begeerten als we dagelyks bevredigd zien op makkelyker wyze, de begeerte naar geld, naar gemak, naar weelde, de begeerte om welvaart, eer en roem te behalen door ’tnietvervullen van z’n plicht. Ik voor my zie niet in, welke schande er liggen zou in ’t handhaven van de rechten myner onderhoorigen—mynernaasten, hoort gy,christenen?—tegen roofzuchtige onderdrukkers. Ik zie niet in, dat ik my vernederd heb: door ’t staande-houden der eeuwige aanspraken van recht en billykheid, tegen-over de gewetenlooze, maar machtige bestryders van dat recht. Ik zie niet in, wat er laakbaars liggen zou in ’t handhaven myner, onder zoogenaamde aanroeping van God, bezworen instruktiën, die voorschreven den Javaan te beschermen tegen de hebzucht zyner Hoofden, evenmin als ik eer kan geven aan ’tverkrachten van gelyke eeden door anderen, die datzelfde bezwoeren onder aanroeping van denzelfden God. (Zie ’t Regeerings-reglement, waarin den Gouverneur-Generaal als ’nEERSTEverplichting wordt voorgeschreven de Bevolking te vrywaren tegen willekeur.Dit alles zie ik niet in. En ik beweer dus, al ware ik gedreven geweest door eerzucht, dat dit my niet had mogen worden voorgeworpen als verwyt.En ten-tweede: zy die dit verwyt tot me richten, bekennen dan toch dat er eer làg in myne wyze van doen, dat er roem te behalen wàs door m’n handelingen. Ik neem nota van die erkentenis. Tot-nog-toe heb ik niet vernomen dat menvan Twistbeschuldigde z’n plicht uiteerzuchtverzuimd te hebben. De hefboomen waarmeê zóó’n wezen in beweging wordt gebracht, zyn van eenigszins ànderen aard.Maar... ik zocht geen eer. Zie de dagteekeningen. Vier jaren heb ik gezwegen. Is dit sprekend?Toen de heervan Vliet, eenigen tyd geleden, meende zich te moeten beklagen over ’t Indisch bestuur, werd z’n zaak terstond openbaar.Na ’t vertrek van den Heervan Hoevelluit Indië in 1848, heeft de Natie zéér spoedig, jaterstondgelegenheid gehad aandeel te nemen in den stryd dien hy met het bestaande had aangevangen.En onlangs, toen de heerenModdermanenvan den Biesenin hunne belangen waren gekrenkt, bracht elke mail vertoogen en redeneeringen mee, over de dingen die er met die heeren waren voorgevallen.Ik zou de voorbeelden van personen die, inlitigemet het Indisch Gouvernement, zichoogenblikkelykwenden tot de Natie, kunnen vermeerderen tot in ’t oneindige. En ik beweer geenszins dat zy die met den meesten spoed zich op het Volk beriepen als rechter, daarom zouden schuldig zyn aan te groote haast. Maar zeker is ’t dat iemand die in ’n belangrijke zaak als de myne,vier jaren wachtvoor hy de mishandeling die hem en de zynen prys gaf aan gebrek, bloot legt voor ’t Publiek, niet verdient beschuldigd te worden vanzucht om naam te maken.WanneerDuymaer van Twisthadde kunnen goedvinden my te hooren, en daarna recht te doen—gelyk zyn plicht was—zou nooit iemand iets vernomen hebben van die treurige Lebaksche zaken.En zelfs later, nooit zou deMax Havelaarverschenen zyn,wanneer die man had geantwoord op myn schryven vanJanuari1858.2Wanneer hy behoorlyk gevolg had gegeven aan wat ik hem daarin verzocht. Wanneer hy tot den koning was gegaan, en gezegd had:Sire, ik heb me vergist tydens ik namens U Indië bestuurde. Gehoor gevende aan partydige raadgevers, verblind door eigenwaan, toegevende aan gemakzucht, en tegewoonom te kunnen vatten dat er iemand bestaan kon die wat minder gewoon was dan ik... hoe dit zy, ik zie in dat ik niet heb beantwoord aan de meening die gy van me hadt, toen ge my genoeg «yver,kundeengoede trouw» toekende, om me ’t bestuur in-handen te geven over die kostbare bezittingen.Sire, ik beken schuld, en daar ik er prys op stel gehouden te worden voor ’n eerlyk man, wil ik zooveel mogelyk die schuld boeten, en herstellen wat er te herstellen is.’t Is me onmogelyk de personen die door myn verzuim zyn omgekomen, in ’t leven terug te roepen. Ook kan ik niet de bezittingen weêrgeven aan allen die door myn traagheid, achteloosheid en onwil die bezittingen verloren hebben. Want,Sire, hoe zuinig en oplettend ik gulden by gulden samelde van ’t vorstelyk inkomen dat my de Natie betaalde... heb ik nog geen vol millioen by elkaêr, en gy begrypt,Sire, dat dit op-verre-na niet toereikt tot volledige schadeloosstelling. Maar ik zal doen wat ik kan,Sire. Ziehier al wat ik bezit. Ik smeek U, laat Uw Minister van Koloniën daarvan, zoover het strekt, iets teruggeven aan de arme beroofden. Ik wil voor ’n braaf man gehouden worden,Sire, en... ik beken dat de vloek van die arme lieden my drukt. Hoe ik me zal afhelpen van den vloek op de stervende lippen van al de menschen die onder en door myn wanbestuur vermoord zyn, weet ik niet.En dan,Sire, gy die Keizer zyt van Insulinde, ik bidde U, laat U nooit weêr bewegen ’n Landvoogd daarheen te zenden, zoo onbekwaam als ik. Tracht iemand te vinden,Sire, die wat begrip heeft van menschenrecht, van deugd, van eer, van moed, en meer zulke zaken die my wat vreemd waren,Sire, omdat ik prokureur was geweest, en te veel praktyk had om kennis optedoen van dingen die zoo in ’t dagelyksch leven niet voorkomen.Onderzoek ook, o Keizer, voor ge iemand het bestuur in-handen geeft overveertig millioenMENSCHEN, of de man dien ge daartoe uitkiest, zich inderdaad van denmensch’nstudieheeft gemaakt, diehoofdstudie, zooals ’n Engelsch dichter zegt... naar ik hoor. WantSire, ik lees geen Engelsch, en geen dichters ook. Dit begrypt ge.En geeft dan zoo’n nieuwen Landvoogd stipten last,Sire, dat hy zich niet bemoeie met de zoogenaamd-politieke vragen van den dag over Vryen-Arbeid en Kultuurstelsel, maar dat hy zorgedat ieder z’n plicht doe naar de geschreven en bezworen bepalingen, opdat de arme Javaan het zyne kryge, al is ’t dan wat weinig. Want,Sire, ik zie in dat ik verkeerd deed my zoo-wat bezig-te-houden met het beoordeelen van desystemen der wetten, en daardoor verzuimde acht te geven op ’tschendender wetten, die misschien zoo kwaad niet wezen zouden als ze maar worden gehandhaafd.Beveel ook myn opvolgers,Sire, wat eerbied te hebben voor iemand die den moed heeft zyn plicht te doen in hoogst moeielyke omstandigheden, en zeg hun dat ze zoo iemand geen verwytingen toevoegen, zoo-als ik gedaan heb, omdat ik niet begrypen kon dat er zulke menschen bestonden.Vergeef me ook,Sire, dat ik na m’n terugkomst uit Indië, my veroorloofd heb den schyn aantenemen als-of ik verstand had van Indische Zaken. Want,Sire, ik erken nu dat men op Buitenzorg daarvan weinig of niets te zien krygt, en niet anders dan wat de Raden van Indië en de kommiezen der Secretarie wel gelieven te geven. Vergeef me, dat ikpour me donner un genre, my heb laten verleiden tot het verdedigen van ’n opinie over Vryen-Arbeid,Sire. Ik erken dat ik er niets van weet, en dat ik maar iets napraat van wat me is voorgezegd door anderen die belang hebben by Vryen-Arbeid. Vergeef me dit,Sire, en bedenk dat ikzelf in Indië nooit ietspersoonlykheb kunnen onderzoeken, omdat ik in vyf jaren tyds niet geleerd heb «goeden morgen» te zeggen in ’t Maleisch, en dus nooit in-staat was, door kruisvragen en ruggespraak met de betrokkenen, in ’t bezit te geraken van ’n eigen meening over zulke diepzinnigheden.Vergeef me dit alles,Sire! Vergeef me dien onnoodigen oorlog opBanjermassindie zooveel menschenlevens gekost heeft. Vergeef my den smaad dien ik Uwe Marine aandeed door ’t schryven eener circulaire waarin ik de publieke liefdadigheid inriep voor de nagelaten betrekkingen van weggeroofde of vermoorde menschen, die meenden te mogen vertrouwen op de bescherming van die Marine welker Opperbevelhebber ik was.3Vergeef me,Sire, dat ik oorzaak ben van al de ellende dieHavelaaruitstaat met z’n gezin, omdat hy in den ongerymden waan verkeerde dat ik m’n plicht zou doen, gelyk hy.Vergeef my ’t slechte voorbeeld dat ik gaf door ’t verzuimen van dien plicht, en ’t uitdooven van allen edelen yver in de besturende beambten op Java, die na het lot datHavelaartrof, nog meer moed zouden behoeven dan hy, om te doen wat hy deed.Vergeef my al de afpersingen, al de rooveryen, al de moorden die na m’n vertrek, boven ’t gewoon contingent, het gevolg zyn geweest van myn sanctioneeren der misdaden waartegenHavelaarzich verzette.Vergeef me dit alles, o Keizer van Insulinde, en meer nog, dat ik het nu niet aanroer, omdat ik niet verstaanbaar spreken kan nadat ik lid ben geworden van de Tweede-Kamer. Vergeef, vergeef, o Keizer, en laat me terugkeeren naarDeventer, waar ik ’n betrekking weet te vervullen, die me beter past dan die van Landvoogd, en die ik nooit had moeten verlaten...Zoo omtrent hadvan Twistkunnen spreken na ’t ontvangen myner memorie vanJanuari1858, en ik ben overtuigd dat z’n speech opgang zou gemaakt hebben, meer dan de speeches die hy nu van-tyd tot-tyd—naar men meent te verstaan—durft houden over Vryen-Arbeid.Maar, zegt men, om aldus te spreken zou die man een held van deugd moeten zyn, en helden zyn zeldzaam.Ik zeg niet neen. Ik vorder noch verwacht heldhaftigheid in den eersten den besten. Doch daargelaten wat die manzougeweest zyn, wanneer-i aldus gesproken had, durf ik vragen wat hyis, doornietste zeggen, doornietste verrichten na ’t ontvangen van dat gemoedelyk stuk vanJanuari1858?Ik verzoek ieder belangstellende dien brief te lezen, en zich aftevragen wat men te denken hebbe van den man die bedaard en “rustig” zoo’n stuk kan ter-zyde leggen, zonder op ’t denkbeeld te komen, dat zyn plicht ’n antwoord eischt, ’n antwoord indadenvooral.Men moge voorwenden te gelooven dat deMax Havelaar’n roman is... die brief aan den Gouverneur-Generaal in rusteisgeenroman. Die brief is geschreven aan den persoon die instaat zou moeten zyn te weêrleggen wat er zou te weêrleggen vallen in myn relaas van ’t voorgevallene teLebak. By dien brief waren bylagen die punt voor punt de waarheid aantoonden van alles wat ik zeide. Ik had daarby overgelegd extrakten uit de conduite-rapporten onder myn voorgangers waaruit bleek dat de regent dien ik aanklaagde,aanhoudendwas beschuldigd van knevelary. ’t Was dus ’nLEUGENvanvan Twist, my in z’n kabinetsbrief van 23 Maart 18564te schryven dat er over dien Regent altyd gunstige rapporten waren ingekomen, dat trouwens niets zou beduid hebben, al ware het zoo geweest.Ik gaf afschriften van stukken, waaruit bleek hoe de schoonzoonvan dat Hoofd, de man ten wiens huize m’n voorganger kort voor z’n dood z’n laatste middagmaal gebruikt had, reeds vóór myn komst inLebakwas gestraft wegensroof op den publieken weg. Ik legde kopie over van de verklaringen des Kontrôleurs—die ik later publiceerde5—verklaringen die afgelegd warennadater gebleken was dat de Gouverneur-Generaal den Resident vanBantamwilde steunen in ’t schipperen, en dusnadatdie Kontrôleur weten kon dat-i van my niets te hopen of te vreezen had. Ik toonde door ’t overleggen van andere stukken, op menschkundige gronden ten duidelykste aan, dat ik m’n ondergeschikten wist te dwingen totwaarheid, en dat ik van dien invloed gebruik maakte, onverschillig of ’t my baatte of schade deed.6By dien brief aanvan Twistwaren vele stukken gevoegd, alle aantoonende dat ik volkomen in myn recht was.7’t Is me onmogelyk thans optegeven welke, maar als ’t vereischt wordt, zal ik ’t kunnen. Ik ben in ’t bezit van ’n autentiek uittreksel uit ’n policie-register, dat aantoont hoe er op-eenmaal 57 of 59 personen—ik meen tePandeglang—zyn afgestraft metGEESELING, en gevankelyk teruggevoerd naarLebak, dat ze, alsSaïdjah’svader, hadden verlaten “zonder pas” om den druk hunner hoofden te ontgaan. Dat waren dagelyksche zaken. Men herleze die vertelling vanSaïdjah, waar ik in korte woorden samengryp wat me gelegenheid zou gegeven hebben tot uitvoerige schilderingen, als ik daarin lust had gevoeld. In denHavelaarheb ik de werkelykheid verkort, verzacht, teruggebracht tot de eenvoudigste uitdrukking. Laatvan Twisthet tegendeel beweren, als-i durft! Laat hem zeggen dat ik overdreven heb. Dan zal ik, in-stede van uit de lucht gegrepen namen, de juiste, de letterlyk juiste namen opgeven van de arme lieden die door verdrukking waren verdreven uit hun land. Ik zal die namen opgeven met vermelding van geboorte- en woonplaats, dagteekening, beroep... ach, ’t waren allen landbouwers alsSaïdjah’svader. Verlangt men meer?Laatvan Twistontkennen als-i durft, dat zy die klaagden en vluchten òm de mishandeling, daarna op-nieuw werden mishandeld òmdat ze geklaagd hadden of gevlucht waren. Laat hem ontkennen dat de kern der opstandelingen in deLampongsuit gevluchte martelaren uitBantambestond. Laat hem ontkennen dat bij elken opstand, de moed van ons leger te stryden heeft met de razerny van lang mishandelde, tot het uiterste gedreven menschen, die zacht en goedig waren wel-eer, maar tot woestamokwerden aangevuurd door wanhoop. Laat hem ontkennen dat by elken stryd, zoo bloedig meestal, het grootst gedeelte der verslagenenaan-weerszy, de slachtoffers zyn van politieke fouten, begaan door welbetaalde, maar domme slymerige vormelyke schipperende ambt- en pensioenjagende oogendienaars van gemaklievende Gouverneurs-Generaal. Laat hem ontkennen dat men de kracht van ons leger, het leven van officieren en soldaten beter kon besteden, dan door ’t vermoorden der armen die niets misdeden dan dat ze zich, na lang dulden, eindelyk verzetten tegen àl te zware geweldenary.Ja, er waren veel bylagen by dien brief, ’t was ’n bundel! Nog herinner ik my hoe zwaar ’t me viel daartoe het noodige papier te bekomen, en een plaatsje waar ik zitten kon om ze afteschryven. En toch was dat alles te-vergeefs! De man heeft niet geantwoord. Dit iszynzaak.Maar ’t is myn zaak te wyzen op dendatumvan dien brief. Ik schreef dien inJanuari1858, dus byna twee jaren na m’n vertrek uitLebak. Is die dagteekening niet ’n bewys dat m’n deel met het handhaven van recht,niet was ’t maken van een naam?Ennadien brief wachtte ik weder twee jaren, voor ik denMax Havelaarschreef. Ik was lang geperst, lang had ik getracht verbetering aantebrengen zonder schandaal, lang had ik aan den anderen kant beproefd myn gezin te bewaren voor hongersnood, voor ik ’n beroep deed op de rechtvaardigheid van Koning en Natie. Jazelfs, toen deMax Havelaarreeds geschreven, reeds gedeeltelyk gedrukt was, heb ik my tot den Koning gewend met verzoek om herstel. Zelfs toen nog, als deze had kunnen goedvinden verbetering te brengen in den ellendigen toestand vanIndië, had ik m’n boek verbrand.8Ik zal dien brief later uitgeven, na nog eenmaal aan den Koning geschreven te hebben.Ik vraag daarin niet voor myzelf. Ik blyf vasthouden aan de reeds tot den heervan Twistgerichte betuiging:anders dienen dan ik diende teLebakkan ik niet!Maar ook de Koning kon niet besluiten krachtig integrypen in ’t weefsel van leugens en bedrog, dat den Nederlandschen naam eerlang maken zal tot een walg der volken. Ik meen toch dat dit ingrypen een heerlyke roeping zou geweest zyn voor ’n Koning!En eerst na lang wachten op dat antwoord, na de volkomen zekerheid dat dit antwoord niet komen zou, verscheen in Mei 1860 het boek over de “koffiveilingen” dat, naar de uitdrukking van een Lid der Kamer, ’n “rilling deed gaan door het land”.Dit was zoo. Er is inderdaad ’n rilling door ’t land gegaan. Maar wanneer? In 1860. Dat is: vier jaren nadat ik, arm en onmachtig,Lebakverliet met vrouw en kind.Als een geduldige Javaan had ik my vier jaren laten mishandelen. Vier jaren had ik van-dag tot-dag gestreden met kommer van heden, met angst voor morgen, voor ik die rilling opwekte. Vier jaren lang wasSjaalmanbespot en gesard doorDroogstoppel, voorMultatulibeslootHavelaar’sparty tegen dien vanDroogstoppeloptenemen.Dat ik ’t toen deed, krachtig forsch... wie zal ’t laken? Bovendien ik ben zoo. Ik versta geen halve dingen. Dit zal men zien in de toekomst, als ik ’t leven houd. En al ware het... doch, neen, voor die toekomst is gezorgd.Vier jaren dus. Jaren van bittere smart. Vier moeielyke, zware jaren...Zou ik zóólang gewacht hebben, als ’t my ware te doen geweest om opgang of schandaal?Ik wenschte herstel van grieven voor m’n arme beschermelingen, en als me dit gelukt ware, zou de Javaan zelf nooit hebben geweten wat-i my te danken had, noch Nederland hoe ik, met al wat ik dierbaars had, my opofferde voor zyn eer.Maar, ik erken dit, zoowel voor als na ’t schryven van denMax Havelaar, bestond er vaak ’n andere reden die my noodzaakte te zwygen. De ellendelingen dieIndiëverwoesten, hebben een bondgenoot die dikwyls, ja meestal, de kracht heeft my de pen uit de hand te slaan. De Natie weet dit, en schynt het goedtekeuren. Dit ishareschande, demyneniet.De naam van dien bondgenoot is:het gebrek. Niet altyd heb ik papier. Niet altyd heb ik de stukken by me, waarin ik iets zou moeten naslaan, daar ’t meermalen gebeurt dat ik kist of koffer hier-of-daar moest achterlaten omdat ik den prys van ’t vervoer niet betalen kan. Daaraan heeft nu byv.van Twistte danken dat ik niet inditstuk de namen opgeef van de 57 of 59 personen die met geeselslagen vanPandeglangwerden teruggedreven naarLebak. Menigmaal heb ik geen plaats waar ik me rustig kan neerzetten tot schryven. Heeft men dit niet gelezen in deMinnebrieven... tusschen de regels vooral?En eindelyk, meestal, ja altyd byna, wordt me elke voorkomende gedachte weggestolen door ’n spook dat me in Gouverneur-Generaal kostuum, of in de gestalte van een dikbuikig vry-arbeider, de sarrende vraag voorhoudt:Wat zullen morgen uw kinderen eten? Waar zult ge uw gezin huisvesten over een maand, over een week, over een dag?Want meermalen is ’t zoover geweest, dat die vraag ’n vraag was van weken of dagen... ja, van uren!In m’nKruisliednoem ik me taai. Ik zeg altyd de waarheid, en ook daar zeide ik de waarheid: ik bèn taai.Maar ik moet erkennen dat ik werk met tegenzin en inspanning... dat ik zelfs niet werken kan in ’t geheel, als my de gedachte overvalt myn lief gezin uitgehongerd te zien, en omkomende van gebrek aan ’s Heeren weg.Overdryving, meent men? Eilieve, hoe zou ’tanderszyn? Ik bezit niets, en ontvang niets. En laat u nu eens voorleggen—ge hebt het recht daartoe, Nederlanders—denStaat van Indische pensioenen, waarop posten voorkomen, wat hooger dan eigenlyk behooren zou—zelfs zy erkennen dit, die ze toelegden—omdat de betrokkene zekere betrekkingNIETbekleed heeft.” Zóó staat er. Ga eens na welke sommen er jaarlyks op uwe begrooting worden gebracht om menschen in het leven te houden, die nooit iets belangryks uitvoerden, en wier geheel leven zonder schâe voor iemand best achterwege had kunnen blyven. Tel eens hoeveel gepensioneerde Slymeringen gy vetmest, en vraag dan uzelf af, of ’t billyk is, datikvan uur tot uur heb te worstelen met gebrek?Overdryving? Ik antwoord nog-eens; hoe zou ’tanderswezen kunnen? Ik heb niets en ontvang niets. Maar als ’t u moeite kost, lezer, u duidelyk voortestellen hoe ’n vader gestemd is, die z’n gezin moet voeden metniets... dan zal ik uw begrip te-hulp komen door ’t vertoonen van ’n certificaat, waaruit blyken kan hoe eens ’n Belgische dorpsburgemeester me twee dagen tyd gunde om te voorkomen dat ik als vagebond met vrouw en kinderen door maréchaussées zou worden weggevoerd over de grenzen...Zie in zulke omstandigheden voel ik me “wat moê” zoo-als op ’t slot van m’nKruislied!Dit is weêruweschande, Nederlanders, en dit is nietmyneschande. Daarvan worstelt ge u niet los, als zoudt ge ’t begin van de week vastbidden en vastpreêken aan ’t eind.En wie nu meent dat ik genoegen schep in ’t mededeelen van de ellende die ik ondergingomdat ik myn plicht deed—dat ik er trotsch op ben, is waar!—bedenke hoe lang ik zweeg vóór ik iets openbaarde.En dat ik eindelyk daarvan sprak, was om aantetoonen dat ik zeer duur het recht heb gekocht en betaald, ommeetespreken over de vragen van den dag. Men onderzoeke eens nauwkeurig wat anderen hebben betaald voor dat recht? Jazelfs, ofzy ietsbetaald hebben,ietsten-offer gebracht in ’t geheel? En of niet vaak hunne opiniën voordeel aanbrachten in-steê van offer te eischen?DE KWESTIE OVER VRYEN ARBEID IS GEEN KWESTIE.DE TEGENWOORDIGE AGITATIE OVER DE KOLONIALE ZAKEN IS EENE GEMAAKTE AGITATIE.De Geschiedenis leert ons dat overal waar groote bewegingen voor de deur stonden, de leiders der algemeene belangen zich beyverden byzaken voor-op te schuiven, om de aandacht der Natiën aftetrekken van de hoofdzaak.Dit noemen kleine bestuursmannen:Kunst van regeeren.En vaak komt de loop der dingen de Regeeringen te hulp in ’t verschaffen van zulke afleidingen. Het volk bemerkt instinctmatig dat alles niet is zoo-als ’t behoort, en stelt zich, meer dan anders, by elk opgeworpen denkbeeld de vraag voor: “zou dit misschien de oorzaak myner malaise wezen?”Nooit waren er zooveel staathuishoudkundige kwestiën aan de orde van den dag, als kort voor de Fransche revolutie. Ik bedoel de eerste, de ware, de voorloopster van de groote Wereldrevolutie die onzen kinderen wacht, en waarby de hoofdvraag wezen zal:hebben of niet hebben. Boeren-oorlogen enJacqueriënzyn periodiek als de saizoenen. Dit zal zoo blyven zoo lang menschen menschen zyn. En ook zal men altyd blind genoeg wezen om die onvermydelyke schuddingen niet te voorzien.De wegbereiders van zulke revolutiën, zy die het eerst nieuwe denkbeelden verkondigen, bedoelden juist niet altyd ’n omwenteling. Zy waren, zoo-alsiederin zekeren zin, de uitdrukking van hun tyd. Zy stuwden niet, ze werden aangetrokken. “l’Homme ne manque jamais aux circonstances”heeftMONTESQUIEUgezegd, en wáár is het, even zeker als dat er nooit lucht ontbreekt om de leegte aantevullen die ontstond door verplaatsing van andere lucht. Maar diep ligt de waarheid vanMONTESQUIEU’Suitspraak niet. ’t Is als-of men zeide: “geen muskaatnoot zonder foelie.” Ik geloof ’t graag, ’t is dezelfde vrucht.Want zoodra ’n Volk behoefte voelt aan zekere indrukken zal dezelfde oorzaak die deze behoefte te-weeg bracht, sommigen aanzetten tot het meedeelen van die indrukken. De mannen die ’n omwenteling vooraf-gingen,bewerktendie niet, maar werden, juist omgekeerd, voortgebracht door dezelfde omstandigheden die de revolutie ten-gevolge hadden. ’t Is hier nochpost, nochpropter, ’t issimul. Dit is even begrypelyk als dat men geen scheepsbouwmeesters vindt in de bergen, noch tuinlui opNova Zembla.Men zal dan ook kunnen opmerken dat de personen die vaak worden aangezien als de bewerkers eener omwenteling, omdat ze kort te-voren ’n belangryke rol speelden, die belangrykheid inderdaad meer te danken hadden aan de behoefte en de voorbeschiktheid des Volks om wat nieuws te hooren, dat licht geven zou in de duisternis, dan wel aan de onderwerpen die zy behandelen, of de inrichting die zy aanwyzen als de juiste. Om zich hiervan te overtuigen, behoeft men de zaken slechts te bezien van ’n later standpunt, als wanneer er een groot verschil in ’t oog springt tusschen den loop der gebeurtenissen, en de meeningen of uitingen die de verandering van dien loopwaren voorafgegaan. Deterreurder Fransche revolutie gelykt niets op ’tContrat SocialvanRousseau.Wanneer nu echter hervormers dieter-goeder-trouwzyn, een zoo willigen bodem vinden voor nieuwe begrippen, onverschillig of hunne ideën uitvoerbaar blyken of niet, onverschillig of ze voldoen aan de behoefte des oogenbliks, en alleen omdat het Volk voelt:qu’il y a quelque chose dans l’air—met hoeveel te-meer graagte dan zullen opgeworpen twistpunten worden aangenomen, wanneer zy die ze opperennietter goeder-trouw zyn, wanneer ze met meer of min kunst zulke punten van geschil uitvinden, scheppen, op den voorgrond schuiven, met hetdoelom ’t Volk bezig te houden.Dit nu, Nederlanders, is by u sedert jaren het geval.Liever dan my te bepalen tot den kleinen kring onzer belangen, zou ik u voorbeelden aanhalen uit de Wereldhistorie. Maar ik begryp dat ik beter doe my te bepalen tot dingen die u meer van naby raken, en u klaar voor den geest zullen liggen naar ik gis. Eén voorbeeld dus uit velen:Herinnert ge u, Nederlanders, hoe men eenige jaren geleden u heeft bezig-gehouden metindisch-muntstelselenduitenplaatjes? Ge hebt die plaatjes goedmoedig geslikt. Dáárover zyn wat verhandelingen gehouden, wat brochures geschreven!Dááraan is wat geleerdheid en redenary ten-koste gelegd! Men voedde u met millimeters van den omtrek der indische guldens, gy ontbeet met beeldenaars, en uw avondmaal vloeide over van circuleerende medium’s. Hoe ’t mogelyk was, u zoo erg en zoo lang te bedriegen met ’n zaak zoo eenvoudig als ’n muntstelsel, begryp ik niet, maar geluktishet. Eilieve, hoe is die zaak, die belangryke zaak, waarvan ’t wel of wee uwer indische bezittingen scheen aftehangen, dan toch eindelyk uitgewezen? Weet ge ’t wel eens? Ditmoestge toch weten, indien de vraag zoo belangryk was als ze scheen in die dagen...De opheldering dier muntkwestie is eenvoudig. Op den oogenblik toen men u bezig-hield met koperen duiten, recepissen, zilvergehalte, agio en dergelyke,was de Bevolking van Indië op ’t punt uit te bersten in algemeenen opstand, die dan ook partiëel uitgebrokenis, maar overal in bloed gesmoord.Hebt ge ’t niet in de couranten gezien hoe elke mail heldendaden meêbrengt? En ziet ge niet tevens hoe er altyd-door meer suppletie-troepen noodig zyn? Hebt ge er niet op gelet hoe men in Europa te-kort schiet met werven, in-weerwil van ’t bovenmatig verhoogen der handgelden, en hoe men de beschermers en verdedigers vanNederlandschebelangen weêr, als vroeger, moet zoeken inAfrika?Zyn we ooit in vrede daarginder? Volgt niet oorlog op oorlog, roering op roering, onrust op onrust?Komt ge nooit op ’t denkbeeld dat er wat verdachts is in die stereotype telegrammen: “op Java volmaakte rust?”Vindt ge ’t niet vreemd dat de Landvoogden, die zoo met overstoorbare eentonigheid die rustigheid proclameeren en telegrafeeren, altyd-door méér soldaten noodig hebben om niet weggejaagd te worden?Ziet ge, dit bevreemdt my. Dat men u bedriegen wil, heeft z’n redenen. Dat ge zoo gemakkelyk toegeeft in dit bedrog, vind ik zonderling en jammer.Het aantal opgeworpen kwestiën waarmede men u aandachtig bezig-houdt, is zeer groot, en daaronder behoort ook de vraag die thans in Nederland aan de orde van den dag schynt; de vraag overVryen-ArbeidenKultuurstelsel, waarvan die kibbelaryen over consignatiestelsel, kultuur-emolumenten, enz. onderdeelen zyn.Dewarevraag van den dag is deze:Wordt de Javaan mishandeld?Zal hy dit voortdurend verdragen?Wat moet er gedaan worden om een eind te maken aan die mishandeling?Maar deze vragen legt men u niet voor. Er zal ’n tyd komen dat ge u schamen zult over uw gebrek aan doorzicht. Het zal u onverklaarbaar zyn dat ge u aanhoudend liet verlokken tot het behandelen van andere vragen.Want ik stelde u in-staat dit bedrog te doorzien en te ontwyken. In denMax Havelaarheb ik aangetoond dat de Javaan mishandeld wordt. Wie heeft dit weersproken? Dagbladen, tydschriften, brochures stelden ten-klaarste in ’t licht dat ik niet overdreven heb, dat ik beneden de waarheid ben gebleven. Zie denIndiër,den Gids, hetNeêrlandsch Indisch tijdschrift... in ’t kort, alle organen van deliberaleparty.Of die organen zoo volmondig zouden verklaard hebben dat ik de waarheid sprak, indien ze hadden geweten dat ik geen partyman was, mag betwyfeld worden. Maar wat geschreven staat: staat geschreven. ’t Is zoo, ik ben beneden de waarheid gebleven. Ik vreesde en vermeed àl de waarheid te zeggen, uit kunstgevoel. Ik wilde sympathie opwekken, geen walging. En dit zou ’t geval geweest zyn, indien ik, in-plaats der eenvoudige geschiedenis vanSaïdjah, de ellende geschetst had van ’n hongersnood, zooals er van-tyd tot-tyd opJavavoorkomt, ten-gevolge der overdryving van ’t Kultuurstelsel...“Ziet ge wel, roept hier de Vry-arbeider... ’t Kultuurstelsel!”Een oogenblik, m’nheeren. Ik heb inIndiëgruwelen gezien onder Gouverneurs-Generaal van allerlei kleur, gruwelen waarmeê ’t Kultuurstelsel niets te maken had. InLebakbyv. werkte geen Kultuurstelsel, en dáár was tochjaarlijks hongersnood. En ook elders is de toestand van de Bevolking die overgeleverd wordt aan Vry-arbeiders in compliciteit met de Hoofden, verre van benydenswaardig. Of erger nog, ik heb dorpen gezien die uitgemoord waren door zeeroovers, die alles meêvoerden wat kracht tot roeien had, en een geslacht achterlieten wat tot roeien te zwak was. Hierby immers komt noch Stelsel van kultuur, noch Vrye-arbeid te-pas, niet waar!Waarlyk, m’nheeren partymannen,gyhebt het recht niet, elkaêr aanteklagen.Ikheb het rechtu beidente roepen voor de rechtbank der openbare meening. En dit doe ik. My zult ge niet afleiden met uw duitenplatery over Vry-arbeid of Consignatiestelsel...“Onderuweleiding is de Javaan bestolen, mishandeld, vermoord, dit kan ik bewyzen!”Zoo spreekt de liberaal tot den behouder.“Ik zeg dat de Javaan mishandeld en vermoord wordt onderuweleiding... dit kanikbewyzen!”Zoo antwoordt de behouder den liberaal. En vervolgens:“Gy zytoorzaak datIndiëvoor ons zal verloren gaan! Als weIndiëverliezen, is ’tuweschuld!”“Neen,uweschuld!”“Neen,uwe... sjt!Daar komt het volk aan... ik zeide dan, m’nheer, dat uwe begrippen over Vryen-arbeid...”“Juist! Ik meen dan dat die cyfers in ’t boek vanMoney...”“Inderdaad! Maar lees eenSay,Malthus,Scialoia... En let eens op de opinie van den geachten spreker uit ...”En ’t Volk gaat naar-huis, en meent in z’n onnoozelheid dat de Heeren ’n verschil van opinie hebben over Staathuishoudkunde.En ’t Volk neemt het voorgegoocheld onderwerp voor ’t ware, en koopt zich ’n boekje vanMoney, en gelooft aandeel te nemen in de behandeling der publieke zaak, door ’t narekenen van de cyfers die daarin staan.En alzoo... wat te-huis hooren zou voor een crimineele rechtbank, wordt behandeld als diepzinnig systeem van bestuur, en de hoofdzaak, deware eenige hoofdzaakis weer gesmoord voor ’n tyd!Voor den honderdsten keer: de kwestie over Vryen-arbeid is geen kwestie! Het eindeloos gekibbel daarover is slechts de dwaalweg waarop ’t Volk zich laat brengen door de slotwoorden van de heeren die bezig waren zichvice versate beschuldigen van diefstal en doodslag, maar gaarne hunlinge salewillen wasschenen famille, en daarna aan ’t Volk wat opgeworpen verschilpunten ten-beste geven. Aan ’t Volk, dat ten-laatste—al waar ’t uit zucht tot verandering alleen—die schandalen niet verdragen zou. Het wachtwoord van die heeren is: zwygen!En ik sprak hier niet van Ministers alleen.Ik vraag u, lezer, of ’t niet in de rede zou gelegen hebben dat men in de Tweede Kamer—of ook in de Eerste, waarom niet?—aan de Regeering had gevraagd of deMax Havelaarwaarheid bevat? We hebben behoudende en liberale ministeriën gehad sedert de verschyning van dat boek, maar geen opposant heeft aan ’n behoudende Regeering, geen behouder heeft aan ’n liberaal bewind durven vragen of ik de waarheid gezegd had. Ieder voelde dat het antwoord even nadeelig luiden zou voor z’n eigen party als voor de vyandelyke. Ieder begreep dat er niets viel te winnen door ’t staven van beschuldigingen, die terstond daarop met gelyk recht zouden worden ingebracht tegen hemzelf. ’t Scheelt me weinig of ik triviaal schyn... ik neem m’n uitdrukkingen waar ik ze vind ... Het volk zal my verstaan:’t is diefje met diefjes maat!Dit komt er van, kiezers, wanneer ge u niet bemoeit met uw zaken.Zwygen dus, smoren!Ja, smoren! Maar toch zyn erenfants terriblesdie in de hitte van den stryd geen acht-geven op ’tsjt!dat het Volk moest buitensluiten van de waarheid. Onlangs by de behandeling der koloniale begrooting heeft men elkaêr over-en-weerDroogstoppelgenoemd. Men kan ’t nalezen in ’t verslag der zittingen van de Tweede-Kamer.Droogstoppelnu—ikheb dien man gemaakt,ikheb ’t recht te zeggenhoe,watenwiehy is—Droogstoppelis de gemeene dief,minusden moed om intebreken.Droogstoppelis deFariseërdie weduwen en weezen op-eet, en kushandjes toewerpt aan ’n eigengemaakt godje dat hem helpt in de digestie.Droogstoppelis de bloedzuiger die opzwelt van onrechtvaardig verkregen goed, maar ’n veerkrachtige magerheid bewaart om z’n vooze opgeblazenheid binnentepersen door de enge poort.Droogstoppelis de femelende laffe gierige schriftuurlijke gauwdief...Eilieve, ik heb vergeten te zeggen ofDroogstoppelliberaal of behoudend is...In de Kamer heeft men de goedheid gehad deze gapingaan-te-vullen.Liberalen hebben tot behouders gezegd:“gy Droogstoppel!”En behouders hebben geantwoord:“Droogstoppel, gy!”En ik? Watikantwoord?Ach, ik zie in dat ik ’n profetischen geest had op het oogenblik toen ik in deMinnebrievende vertelling gaf van ’n paar twisters opAmboina, die elkaêr onaangenaam hadden bejegend. “Ga gerust naar huis, oJozefenAbraham... ofEzechiël, gy beiden hebt volkomen gelyk!”Ik verklaar overigens my geheel te vereenigen met de opinie van den heerWintgens, die de vraag deed, of niet de ergsteDroogstoppelsde zoogenaamde vry-arbeiders waren, wyl ze den Javaan meer rechtstreeks uitzuigen dan hun confraters op de Lauriergracht?Ik zeg volmondig ja op die vraag.—Maar ik constateer tevens dat de heerWintgens, door z’n superlatieven gradus—“of dat niet deergsteDroogstoppels waren?”—zich beweegt in den omtrek der paragrafen onzer schoolboekjes, waar boven stond, “over de trappen vanvergelyking” en dat hier dus maar sprake is van watmeerofminDroogstoppelig...Nederlanders, ge staat my toe, hoop ik, voorDroogstoppelte lezen:Ellendeling? Welnu, in uwe Vertegenwoordigende Kamers is de vraag geopperd: onder welke der beide dusgenoemde Staatspartyen, de ergste ellendelingen zyn.Wat geschreven staat, staat geschreven. Het byblad, waarin deze vraag voorkomt, zal wel reeds gedrukt en verspreid wezen. En al ware dit zoo niet, de vraag wordt meêgedeeld in de verkorte verslagen die de dagbladen van de zittingen gaven, waarin de koloniale begrooting is behandeld.Ik tart de leden der Staten-Generaal die te vernietigen, en voor ’t Nageslacht te verbergen dat in 1861 in hunne vergadering de vraag geopperd is, welk staatkundig gedeelte des Nederlandschen Volks ’t meest productief was in huichelende gauwdieven.Ja, dat zyn deenfants terriblesvan de partyen! En men meene niet dat dit ’n toeval was, ’nlapsus linguae, ’n oratorische wending van den heerWintgens... volstrekt niet.Herhaaldelyk is ’t scheldwoordDroogstoppel—dat is: ellendeling—over-en-weergebruikt. Ik heb dit woord in ’n zeer verkort verslag der zittingen, tien of twaalf malen gevonden in één alinea. ’t Is zelfs ontelbare malen gebruikt door den heerP. Myer, den man die ’n zoo hoog pensioen trekt: “omdat hy—ikciteer—zekere betrekkingnietbekleed heeft.” En ook na den HeerWintgenshebben weer anderen zich beyverd aantetoonen dat deDroogstoppels...O God, O God, is ’t genoeg, Nederlanders? My is ’t te veel.Had ik niet recht,Hamletsuitroep te kiezen tot motto dezer brochure? Waarlyk:There is something rotten in the state!Maar, zeggen misschien sommigen, wat is dan toch dat Kultuurstelsel, wat verstaat men onder Vryen-arbeid?Ik weet dat deze vraag nog altyd door velen gedaan wordt, en dit is ’n bewys te-meer van de waarheid myner stelling dat de voorgewende punten van verschil niet raken aan de hoofdzaak. Als er waarheid lag in al de beweringen vóór en tegen die systemen van Indischbestuur, zou men, na al wat daarover is gesproken en geschreven, nu dan toch wel zóóver gevorderd zyn, dat men wist waarover de kwestie liep. En dit is het geval niet. Er is zorg gedragen de zaak zoo te verwarren, dat de goê-gemeente zich verliest in ’n zee van kunsttermen over staathuishoudkundige wysheid, en moedeloos tot het besluit komt, de heeren moeten ’t weten! Ja, en dan hebben de “heeren” weêrloisirom ’t gesprekvoorttezettenover de zaak die hen bezig-hield, toen ’t Volk er bykwam: over de mishandeling van den Javaan, en den opstand die daarvan ’t gevolg wezen moet.Toen ik denMax Havelaarschreef, dacht ik niet aan vryen arbeid. Ik behandelde daarin ’nhoofdzaak, en het heeft my zeer verwonderd dat boek te zien misbruiken als ’n wapen tegen hetKultuurstelsel. Zelfs in ’t buitenland is men in die dwaling vervallen. In denAnnuaire des deux Mondesvan 1860, wordt myn werk behandeld als ’n pleidooi voor Vryen-arbeid, dat het zyne toebracht tot den val van ’n behoudend—kultuurstelselig—ministerie. En ’t een, en ’t ander is onjuist. Ik heb noch in denHavelaar, noch later, my ingelaten met de voddige voorgehuichelde geschilpunten die men in den Haag gebruikt om ministeriën te ondermynen. Even als ik ieder mensch goed noem die goed handelt, zonder te vragen naar z’n geloof, evenzoo zou ik ’n Minister aanhangen die rechtvaardigheid beoefent, onverschillig of-i oude stelsels aankleeft, of nieuwe verkondigt. Die rechtvaardigheid nu heb ik tot-nog-toe zoowel aan de zyde van ’t behoud, als aan den kant der zoogenoemde liberalen tevergeefsgezocht. En zoolang dit niet verandert, is ’t me onverschillig wie er regeert. En den Javaan ook.Geheel alleen echter sta ik niet met m’n opinie over de ledigheid, de nutteloosheid, de ontydigheid der kwestiën van den dag. Ik las in ’n brochure, onlangs uitgekomen byGünstteAmsterdam10de volgende eenvoudige maar veel beteekenende woorden:

Vrye arbeid of Kultuurstelsel... de kwestie van den dag.

Neen, niet van dendag... de kwestie vanjaren!

Sedert jaren betaalt de natie haar Ministers, en zendt Afgevaardigden naar den Haag, om te beslissen of de Javaan moet worden uitgezogen op liberale of réactionaire, op behoudende of onbehoudende wyze.

Zeg iets van beschaving ... men noemt u ’n dwaas, en antwoordt: vrye arbeid.

Spreek van vooruitgang—van wezenlyken vooruitgang ditmaal—domheid! Men vraagt uw opinie over ’t Kultuurstelsel.

Deel iets mede over misbruik van gezag, afpersing, roof en moord ... ei, is ’t antwoord, vertel ons iets van Vryen-Arbeid.

Roep hulp in voor vertrapt menschenrecht. Men verstaat die taal niet.

Zeg iets over deugd, eer, gevoel, loyauteit, waarheid, gezond verstand ... alles te vergeefs. Men “doet” niet in die dingen.

Ja, sterker nog, wijs op het BELANG, op “MEN”’S EIGEN BELANG—iets waarin “men” toch wél “doet”—dan nog bekomt gy geen gehoor voor ge aan dat eigen belang van “men” eenige frazen weet vastteknoopen overVryen Arbeid of Kultuurstelsel.

Ik wil voor ditmaal toegeven in de monomanie van ’t oogenblik, en zal iets schryven over Vryen-Arbeid.

In ’t begin zal ’t misschien den schyn hebben dat ik schryf over iets anders. En dit is natuurlyk. De kwestie over Vryen-Arbeidisgeen kwestie. Ik ben dus genoodzaakt, by ’t behandelen van dit voorgeschoven vraagstuk, gedurig te wyzen op andere zaken die wel de kwestie zyn. Goochelaars lokken uwe blikkenlinks, als ze iets willen wegmoffelen aan derechter-zyde. Dit weet ge, niet waar? Welnu, ik zal trachten uwe blikken te richten naar den kant dien de goochelaars willen dat genietziet. Over Vryen-Arbeid heb ik dus eigenlyk weinig te zeggen.

Niemand kan me verwyten dat ik te veel schryf. Misschien zelfs schreef ik te weinig. Ik ben al over de veertig, en tot nog toe zyn er van my slechts ’n paar kleine boekjes verschenen. GeenMuzen-Almanakhad ooit last van me, schoon ik al verzen en verhandelingen beging voor Belgien’s afval. Al m’n “aan-haars” heb ik flink verbrand, en erzynal grootmoeders onder. Niemand dan ikzelf heeft geleden onder de eerste liefelyke maar bedwelmende aandoeningen van ’n jong vurig hart. En toen ik eindelyk mymoestopenbaren aan ’t Publiek, heeft men my bovenmatig geprezen over m’nwyzevan schryven.

Dit was onbillyk.

Ik had meer recht op wat lofs over m’n zwygen. Ik zeg dit in vollen ernst. In veel geschryfs is veel dwaasheid. ’t Is lichter honderd boekdeelen te vullen, dan de aandoeningen die honderd boekdeelen vullenzouden, te bewaren tot het juiste oogenblik, of—zoo noodig—ze te smoren tot er de dood na volgt. Hebt ge wel eens overwogen, lezer, hoeveel geestkracht er noodig was voormy, om niet optetreden voor m’n veertigste jaar? Ge kunt nagenoeg weten hoe ik menschen en zaken beschouw. Ge kunt weten “dat ik het leven niet ben doorgegaan zonder de indrukken optevangen die ’t my aanbood.”1Welnu, ik hebdeze indrukken opgezameld voor myzelf, voor m’n allernaaste omgeving, vreezende dat ze niet ryp waren, dat ik morgen zou moeten terugnemen wat ik heden gaf, dat er gebrek aan harmonie wezen zou tusschen jeugd, mannelyken leeftyd en ouderdom. In één woord: Ik heb gespaard, en waarmede ik vrygevig moge geweest zyn of verkwistend, met m’n denkbeelden was ik nooit verkwistend of vrygevig.

Na de uitgave van denMax Havelaarevenwel, had m’n zwygen meestal ’n anderen grond dan schroom. Van twee geheel tegenoverstaande zyden op staatkundig terrein, had men my hulp toegezegd. Ik geloofde, vertrouwde en ... wachtte. Ik heb gezegd datHavelaarnaïf was. Van beide kanten ben ik bedrogen. Van één kant zelfs bestolen.

Noch van de zyde des behouds, noch van die der oppositie, werd het minste bewys gegeven dat men zich de zaak van den mishandelden Javaan, dat ismynezaak, aantrok. De prys van die hulp zou geweest zyn, dat ik my geschaard had onder ’n banier. Dit kon ik niet.Je lève bannière, n’en suivre ne peux.Wat geschryf over—d. i. vóór—Vryen-Arbeid zou me brood en ’n positie gegeven hebben. Ook had ik m’n kinderen kunnen kleeden met wat lof over ’t Kultuurstelsel. En zie, ik had talent genoeg daartoe. Wie nu meenen mocht dat ik myzelf verhef door me dit talent toetekennen, antwoord ik dat er geen zelfverheffing ligt in ’t aanspraak-maken op ’n hoedanigheid die me walgt. Hoe dit zy, dat zoogenaamd talent had ik. Wie anders oordeelt, heeft het maar te zeggen. Maar óók had ik—en ditmaal verhef ik myzelf inderdaad—ook had ik ’n gemoed dat zich verzette tegen de minste afwyking van de waarheid, vooral wanneer die waarheid nadeelig of gevaarlyk was voor myzelf. Al wat moeielijk is, lokt my aan. Iets toegeven in ’n onverschillige zaak, of zelfs waar dat toegeven schadelyk werken zou voor myzelf ... ik zou ’t kunnen. Maar tegen de waarheid in, voor overmacht te wyken in ’nhoofdkwestie, waar de straf van ’t weigeren, zoo-als by my het geval is, zwaar wezen zou, dit kan ik niet, dit wil ik niet en dit zal ik niet.

Al wat moeielyk is lokt my aan, heb ik gezegd. Ik erken evenwel dat ik by ’t aangaan van den stryd niet verdacht was op desoortvan moeielykheden die my wachtten. Ik meende slechts—als m’n arme voorganger!—vergiftigd te worden met vrouw en kind. In plaats daarvan, scheldt men my uit. M’n tegenstanders hebben den stryd weten overtebrengen op ’n terrein dat aan den uitroep der Jakatranen herinnert—’t is historisch, lezer!—”die honden van Hollanders vechten met drek!” Dáárop had ik niet gerekend. Of ik anders zou gehandeld hebben, wanneer ik dit wèl had voorzien ... neen, neen,duizendmaal neen! Maar ik zou in dit geval den stryd hebben aangevangen met minder genoegen.

Men beschuldige my niet van platheid by ’t aanhalen van den Jakatraschen uitroep. Kanik’t helpen, Nederlanders, dat uw geschiedenis in Indie platis, gemeenis? Kunt ge die woorden ongesproken laten, en de handeling die ze uitlokte? Wie is triviaal, iemand die gemeene dingendoet, of de man die met al de kracht zyner zielopstaattegen die gemeene dingen?

De ondersteuning dan, die me werd toegezegd, na ’t verschynen van denMax Havelaar, was aanvankelyk niet verbonden aan onteerende voorwaarden. Van behoudenden en van liberalen kant beide, gaf men voor belang te stellen in myn zaak, zonder meer. Eerst later, toen men den indruk van denMax Havelaarversleten waande, toen men hoopte dat ’n beroep op het Volk zonder vrucht blyven zou, werd er onedele dienst geëischt voor hulp. Ik heb brieven die uitwyzen dat men maanden, maanden lang—heel onnoodig voorzeker!—my inscherpte moed te houden, zonder daarby te gewagen van Vryen-Arbeid, Kultuurstelsel of dergelyke byzaken. Men veinsde menschelykheid en rechtvaardigheid op den voorgrond te stellen als ik. En eerst nadat ik lang had gewacht, nadat men goed overtuigd was dat ik by ondervinding wist wat het zeggen wil, te worstelen met gebrek, nadat men zich had verzekerd dat de nood aan de lippen was, kwam men schoorvoetende tot de veelbeteekenende uitnoodiging: schryf eens iets in den geest van...

Ik zou wat schryven in den geest van die heeren. Ga er eens toe zitten, m’nheeren, en beproef eens te schryven inmyngeest. Dit zou u zwaar vallen. Ziehier nu ’t verschil. Inmyngeest schryven zoudt ge nietkunnen. Inuwgeest schryvenwilik niet, schoon ik ’tkunnenzou. Dit hebt gy gezien inWawelaar’spreek, en in de redeneeringen vanDroogstoppel, een persoon waarin, naar ik met genoegen ontwaar, vele Kamerleden zichvice-versaherkend hebben. In de laatste zittingen toch riep men gedurig over-en-weêr: “Gy zyt de man!” Ieder wildeNathanwezen, de berispende profeet. Niemand woûDavidzyn, de betrapte misdadige koning.

Ik zou wat schryven in den geest...

In den geest! Ik schryf inmyngeest, myne heeren vry-arbeiders en kultuurstelselaars! Gy woont inuwevilla’s, gy geniet vanuwgeld, gy pronkt metuweprincipes, gy liegt metuweleugens, gy schippert metuwegewetens! gy huichelt metuwengeest, maar ... inmyngeest schryfik.

Dit moet ge my laten!

De eerste reden alzoo van m’n zwygen na denMax Havelaar, was ’n ydel wachten op een toegezegd herstel. En de uitgave van deMinnebrievenmaakte in-zooverre hierop geen uitzondering. Men heeft kunnen zien dat ik die schreef om ’n arm gezin dat ik niet kende, uit den nood te helpen. ’t Was ’n luim zooals ik er vroeger veel had, en die ik meestal opvolgde. Ditmaal slechts ’n herinnering aan vroeger tyd.

Maar uit dit voortdurend zwygend wachten moge tevens blyken dat ik geen agitateur ben tot elken prys. Ik had aangetoond hoe schandelyk er werd huisgehouden met het leven en de bezittingen der Javanen... men beloofde beterschap, en ik zweeg geduldig.

En reeds vóór denMax Havelaarhad ik ’n doorslaand bewys gegeven, dat het me niet te-doen was om effect, om beroering of schandaal, maar om herstel alleen. M’n voorganger was, om te voorkomen dat-i z’n plicht deed, vermoord in November 1855. Myn mislukte pogingen om den Gouverneur-GeneraalDuymaer van Twistaantesporen tot het vervullen vanzynplicht, dateeren van den aanvang des jaars 1856. DeMax Havelaar, het agitante boek, verscheen eerst in Mei 1860.

Dit zyn sprekende dagteekeningen! Daar liggen vier volle jaren tusschen de voorvallen teLebak, en den oogenblik waarop ik de Natie uitnoodigde inzage te nemen van de wyze waarop zy gerepresenteerd wordt in Indie. Er zyn er die beweren dat m’n handelingen teLebakvoortsproten uit eerzucht, uit begeerte om naam te maken. Ik heb op die beschuldigingen tweeërlei antwoord. Vooreerst: dat het te wenschen ware veel en vaak zulke eerzucht aantetreffen by de dienaren van den Staat. Het zou zoo kwaad niet zyn, meen ik, als plichtsbetrachting tot roem en welvaart leidde. Ik geloof, al ware er by my zucht in ’t spel geweest tot het maken van een naam, dat die zucht zeer overwinnend de vergelyking zou kunnen doorstaan met zooveel andere begeerten als we dagelyks bevredigd zien op makkelyker wyze, de begeerte naar geld, naar gemak, naar weelde, de begeerte om welvaart, eer en roem te behalen door ’tnietvervullen van z’n plicht. Ik voor my zie niet in, welke schande er liggen zou in ’t handhaven van de rechten myner onderhoorigen—mynernaasten, hoort gy,christenen?—tegen roofzuchtige onderdrukkers. Ik zie niet in, dat ik my vernederd heb: door ’t staande-houden der eeuwige aanspraken van recht en billykheid, tegen-over de gewetenlooze, maar machtige bestryders van dat recht. Ik zie niet in, wat er laakbaars liggen zou in ’t handhaven myner, onder zoogenaamde aanroeping van God, bezworen instruktiën, die voorschreven den Javaan te beschermen tegen de hebzucht zyner Hoofden, evenmin als ik eer kan geven aan ’tverkrachten van gelyke eeden door anderen, die datzelfde bezwoeren onder aanroeping van denzelfden God. (Zie ’t Regeerings-reglement, waarin den Gouverneur-Generaal als ’nEERSTEverplichting wordt voorgeschreven de Bevolking te vrywaren tegen willekeur.

Dit alles zie ik niet in. En ik beweer dus, al ware ik gedreven geweest door eerzucht, dat dit my niet had mogen worden voorgeworpen als verwyt.

En ten-tweede: zy die dit verwyt tot me richten, bekennen dan toch dat er eer làg in myne wyze van doen, dat er roem te behalen wàs door m’n handelingen. Ik neem nota van die erkentenis. Tot-nog-toe heb ik niet vernomen dat menvan Twistbeschuldigde z’n plicht uiteerzuchtverzuimd te hebben. De hefboomen waarmeê zóó’n wezen in beweging wordt gebracht, zyn van eenigszins ànderen aard.

Maar... ik zocht geen eer. Zie de dagteekeningen. Vier jaren heb ik gezwegen. Is dit sprekend?

Toen de heervan Vliet, eenigen tyd geleden, meende zich te moeten beklagen over ’t Indisch bestuur, werd z’n zaak terstond openbaar.

Na ’t vertrek van den Heervan Hoevelluit Indië in 1848, heeft de Natie zéér spoedig, jaterstondgelegenheid gehad aandeel te nemen in den stryd dien hy met het bestaande had aangevangen.

En onlangs, toen de heerenModdermanenvan den Biesenin hunne belangen waren gekrenkt, bracht elke mail vertoogen en redeneeringen mee, over de dingen die er met die heeren waren voorgevallen.

Ik zou de voorbeelden van personen die, inlitigemet het Indisch Gouvernement, zichoogenblikkelykwenden tot de Natie, kunnen vermeerderen tot in ’t oneindige. En ik beweer geenszins dat zy die met den meesten spoed zich op het Volk beriepen als rechter, daarom zouden schuldig zyn aan te groote haast. Maar zeker is ’t dat iemand die in ’n belangrijke zaak als de myne,vier jaren wachtvoor hy de mishandeling die hem en de zynen prys gaf aan gebrek, bloot legt voor ’t Publiek, niet verdient beschuldigd te worden vanzucht om naam te maken.

WanneerDuymaer van Twisthadde kunnen goedvinden my te hooren, en daarna recht te doen—gelyk zyn plicht was—zou nooit iemand iets vernomen hebben van die treurige Lebaksche zaken.

En zelfs later, nooit zou deMax Havelaarverschenen zyn,wanneer die man had geantwoord op myn schryven vanJanuari1858.2Wanneer hy behoorlyk gevolg had gegeven aan wat ik hem daarin verzocht. Wanneer hy tot den koning was gegaan, en gezegd had:

Sire, ik heb me vergist tydens ik namens U Indië bestuurde. Gehoor gevende aan partydige raadgevers, verblind door eigenwaan, toegevende aan gemakzucht, en tegewoonom te kunnen vatten dat er iemand bestaan kon die wat minder gewoon was dan ik... hoe dit zy, ik zie in dat ik niet heb beantwoord aan de meening die gy van me hadt, toen ge my genoeg «yver,kundeengoede trouw» toekende, om me ’t bestuur in-handen te geven over die kostbare bezittingen.Sire, ik beken schuld, en daar ik er prys op stel gehouden te worden voor ’n eerlyk man, wil ik zooveel mogelyk die schuld boeten, en herstellen wat er te herstellen is.’t Is me onmogelyk de personen die door myn verzuim zyn omgekomen, in ’t leven terug te roepen. Ook kan ik niet de bezittingen weêrgeven aan allen die door myn traagheid, achteloosheid en onwil die bezittingen verloren hebben. Want,Sire, hoe zuinig en oplettend ik gulden by gulden samelde van ’t vorstelyk inkomen dat my de Natie betaalde... heb ik nog geen vol millioen by elkaêr, en gy begrypt,Sire, dat dit op-verre-na niet toereikt tot volledige schadeloosstelling. Maar ik zal doen wat ik kan,Sire. Ziehier al wat ik bezit. Ik smeek U, laat Uw Minister van Koloniën daarvan, zoover het strekt, iets teruggeven aan de arme beroofden. Ik wil voor ’n braaf man gehouden worden,Sire, en... ik beken dat de vloek van die arme lieden my drukt. Hoe ik me zal afhelpen van den vloek op de stervende lippen van al de menschen die onder en door myn wanbestuur vermoord zyn, weet ik niet.En dan,Sire, gy die Keizer zyt van Insulinde, ik bidde U, laat U nooit weêr bewegen ’n Landvoogd daarheen te zenden, zoo onbekwaam als ik. Tracht iemand te vinden,Sire, die wat begrip heeft van menschenrecht, van deugd, van eer, van moed, en meer zulke zaken die my wat vreemd waren,Sire, omdat ik prokureur was geweest, en te veel praktyk had om kennis optedoen van dingen die zoo in ’t dagelyksch leven niet voorkomen.Onderzoek ook, o Keizer, voor ge iemand het bestuur in-handen geeft overveertig millioenMENSCHEN, of de man dien ge daartoe uitkiest, zich inderdaad van denmensch’nstudieheeft gemaakt, diehoofdstudie, zooals ’n Engelsch dichter zegt... naar ik hoor. WantSire, ik lees geen Engelsch, en geen dichters ook. Dit begrypt ge.En geeft dan zoo’n nieuwen Landvoogd stipten last,Sire, dat hy zich niet bemoeie met de zoogenaamd-politieke vragen van den dag over Vryen-Arbeid en Kultuurstelsel, maar dat hy zorgedat ieder z’n plicht doe naar de geschreven en bezworen bepalingen, opdat de arme Javaan het zyne kryge, al is ’t dan wat weinig. Want,Sire, ik zie in dat ik verkeerd deed my zoo-wat bezig-te-houden met het beoordeelen van desystemen der wetten, en daardoor verzuimde acht te geven op ’tschendender wetten, die misschien zoo kwaad niet wezen zouden als ze maar worden gehandhaafd.Beveel ook myn opvolgers,Sire, wat eerbied te hebben voor iemand die den moed heeft zyn plicht te doen in hoogst moeielyke omstandigheden, en zeg hun dat ze zoo iemand geen verwytingen toevoegen, zoo-als ik gedaan heb, omdat ik niet begrypen kon dat er zulke menschen bestonden.Vergeef me ook,Sire, dat ik na m’n terugkomst uit Indië, my veroorloofd heb den schyn aantenemen als-of ik verstand had van Indische Zaken. Want,Sire, ik erken nu dat men op Buitenzorg daarvan weinig of niets te zien krygt, en niet anders dan wat de Raden van Indië en de kommiezen der Secretarie wel gelieven te geven. Vergeef me, dat ikpour me donner un genre, my heb laten verleiden tot het verdedigen van ’n opinie over Vryen-Arbeid,Sire. Ik erken dat ik er niets van weet, en dat ik maar iets napraat van wat me is voorgezegd door anderen die belang hebben by Vryen-Arbeid. Vergeef me dit,Sire, en bedenk dat ikzelf in Indië nooit ietspersoonlykheb kunnen onderzoeken, omdat ik in vyf jaren tyds niet geleerd heb «goeden morgen» te zeggen in ’t Maleisch, en dus nooit in-staat was, door kruisvragen en ruggespraak met de betrokkenen, in ’t bezit te geraken van ’n eigen meening over zulke diepzinnigheden.Vergeef me dit alles,Sire! Vergeef me dien onnoodigen oorlog opBanjermassindie zooveel menschenlevens gekost heeft. Vergeef my den smaad dien ik Uwe Marine aandeed door ’t schryven eener circulaire waarin ik de publieke liefdadigheid inriep voor de nagelaten betrekkingen van weggeroofde of vermoorde menschen, die meenden te mogen vertrouwen op de bescherming van die Marine welker Opperbevelhebber ik was.3Vergeef me,Sire, dat ik oorzaak ben van al de ellende dieHavelaaruitstaat met z’n gezin, omdat hy in den ongerymden waan verkeerde dat ik m’n plicht zou doen, gelyk hy.Vergeef my ’t slechte voorbeeld dat ik gaf door ’t verzuimen van dien plicht, en ’t uitdooven van allen edelen yver in de besturende beambten op Java, die na het lot datHavelaartrof, nog meer moed zouden behoeven dan hy, om te doen wat hy deed.Vergeef my al de afpersingen, al de rooveryen, al de moorden die na m’n vertrek, boven ’t gewoon contingent, het gevolg zyn geweest van myn sanctioneeren der misdaden waartegenHavelaarzich verzette.Vergeef me dit alles, o Keizer van Insulinde, en meer nog, dat ik het nu niet aanroer, omdat ik niet verstaanbaar spreken kan nadat ik lid ben geworden van de Tweede-Kamer. Vergeef, vergeef, o Keizer, en laat me terugkeeren naarDeventer, waar ik ’n betrekking weet te vervullen, die me beter past dan die van Landvoogd, en die ik nooit had moeten verlaten...

Sire, ik heb me vergist tydens ik namens U Indië bestuurde. Gehoor gevende aan partydige raadgevers, verblind door eigenwaan, toegevende aan gemakzucht, en tegewoonom te kunnen vatten dat er iemand bestaan kon die wat minder gewoon was dan ik... hoe dit zy, ik zie in dat ik niet heb beantwoord aan de meening die gy van me hadt, toen ge my genoeg «yver,kundeengoede trouw» toekende, om me ’t bestuur in-handen te geven over die kostbare bezittingen.Sire, ik beken schuld, en daar ik er prys op stel gehouden te worden voor ’n eerlyk man, wil ik zooveel mogelyk die schuld boeten, en herstellen wat er te herstellen is.

’t Is me onmogelyk de personen die door myn verzuim zyn omgekomen, in ’t leven terug te roepen. Ook kan ik niet de bezittingen weêrgeven aan allen die door myn traagheid, achteloosheid en onwil die bezittingen verloren hebben. Want,Sire, hoe zuinig en oplettend ik gulden by gulden samelde van ’t vorstelyk inkomen dat my de Natie betaalde... heb ik nog geen vol millioen by elkaêr, en gy begrypt,Sire, dat dit op-verre-na niet toereikt tot volledige schadeloosstelling. Maar ik zal doen wat ik kan,Sire. Ziehier al wat ik bezit. Ik smeek U, laat Uw Minister van Koloniën daarvan, zoover het strekt, iets teruggeven aan de arme beroofden. Ik wil voor ’n braaf man gehouden worden,Sire, en... ik beken dat de vloek van die arme lieden my drukt. Hoe ik me zal afhelpen van den vloek op de stervende lippen van al de menschen die onder en door myn wanbestuur vermoord zyn, weet ik niet.

En dan,Sire, gy die Keizer zyt van Insulinde, ik bidde U, laat U nooit weêr bewegen ’n Landvoogd daarheen te zenden, zoo onbekwaam als ik. Tracht iemand te vinden,Sire, die wat begrip heeft van menschenrecht, van deugd, van eer, van moed, en meer zulke zaken die my wat vreemd waren,Sire, omdat ik prokureur was geweest, en te veel praktyk had om kennis optedoen van dingen die zoo in ’t dagelyksch leven niet voorkomen.

Onderzoek ook, o Keizer, voor ge iemand het bestuur in-handen geeft overveertig millioenMENSCHEN, of de man dien ge daartoe uitkiest, zich inderdaad van denmensch’nstudieheeft gemaakt, diehoofdstudie, zooals ’n Engelsch dichter zegt... naar ik hoor. WantSire, ik lees geen Engelsch, en geen dichters ook. Dit begrypt ge.

En geeft dan zoo’n nieuwen Landvoogd stipten last,Sire, dat hy zich niet bemoeie met de zoogenaamd-politieke vragen van den dag over Vryen-Arbeid en Kultuurstelsel, maar dat hy zorgedat ieder z’n plicht doe naar de geschreven en bezworen bepalingen, opdat de arme Javaan het zyne kryge, al is ’t dan wat weinig. Want,Sire, ik zie in dat ik verkeerd deed my zoo-wat bezig-te-houden met het beoordeelen van desystemen der wetten, en daardoor verzuimde acht te geven op ’tschendender wetten, die misschien zoo kwaad niet wezen zouden als ze maar worden gehandhaafd.

Beveel ook myn opvolgers,Sire, wat eerbied te hebben voor iemand die den moed heeft zyn plicht te doen in hoogst moeielyke omstandigheden, en zeg hun dat ze zoo iemand geen verwytingen toevoegen, zoo-als ik gedaan heb, omdat ik niet begrypen kon dat er zulke menschen bestonden.

Vergeef me ook,Sire, dat ik na m’n terugkomst uit Indië, my veroorloofd heb den schyn aantenemen als-of ik verstand had van Indische Zaken. Want,Sire, ik erken nu dat men op Buitenzorg daarvan weinig of niets te zien krygt, en niet anders dan wat de Raden van Indië en de kommiezen der Secretarie wel gelieven te geven. Vergeef me, dat ikpour me donner un genre, my heb laten verleiden tot het verdedigen van ’n opinie over Vryen-Arbeid,Sire. Ik erken dat ik er niets van weet, en dat ik maar iets napraat van wat me is voorgezegd door anderen die belang hebben by Vryen-Arbeid. Vergeef me dit,Sire, en bedenk dat ikzelf in Indië nooit ietspersoonlykheb kunnen onderzoeken, omdat ik in vyf jaren tyds niet geleerd heb «goeden morgen» te zeggen in ’t Maleisch, en dus nooit in-staat was, door kruisvragen en ruggespraak met de betrokkenen, in ’t bezit te geraken van ’n eigen meening over zulke diepzinnigheden.

Vergeef me dit alles,Sire! Vergeef me dien onnoodigen oorlog opBanjermassindie zooveel menschenlevens gekost heeft. Vergeef my den smaad dien ik Uwe Marine aandeed door ’t schryven eener circulaire waarin ik de publieke liefdadigheid inriep voor de nagelaten betrekkingen van weggeroofde of vermoorde menschen, die meenden te mogen vertrouwen op de bescherming van die Marine welker Opperbevelhebber ik was.3

Vergeef me,Sire, dat ik oorzaak ben van al de ellende dieHavelaaruitstaat met z’n gezin, omdat hy in den ongerymden waan verkeerde dat ik m’n plicht zou doen, gelyk hy.

Vergeef my ’t slechte voorbeeld dat ik gaf door ’t verzuimen van dien plicht, en ’t uitdooven van allen edelen yver in de besturende beambten op Java, die na het lot datHavelaartrof, nog meer moed zouden behoeven dan hy, om te doen wat hy deed.

Vergeef my al de afpersingen, al de rooveryen, al de moorden die na m’n vertrek, boven ’t gewoon contingent, het gevolg zyn geweest van myn sanctioneeren der misdaden waartegenHavelaarzich verzette.

Vergeef me dit alles, o Keizer van Insulinde, en meer nog, dat ik het nu niet aanroer, omdat ik niet verstaanbaar spreken kan nadat ik lid ben geworden van de Tweede-Kamer. Vergeef, vergeef, o Keizer, en laat me terugkeeren naarDeventer, waar ik ’n betrekking weet te vervullen, die me beter past dan die van Landvoogd, en die ik nooit had moeten verlaten...

Zoo omtrent hadvan Twistkunnen spreken na ’t ontvangen myner memorie vanJanuari1858, en ik ben overtuigd dat z’n speech opgang zou gemaakt hebben, meer dan de speeches die hy nu van-tyd tot-tyd—naar men meent te verstaan—durft houden over Vryen-Arbeid.

Maar, zegt men, om aldus te spreken zou die man een held van deugd moeten zyn, en helden zyn zeldzaam.

Ik zeg niet neen. Ik vorder noch verwacht heldhaftigheid in den eersten den besten. Doch daargelaten wat die manzougeweest zyn, wanneer-i aldus gesproken had, durf ik vragen wat hyis, doornietste zeggen, doornietste verrichten na ’t ontvangen van dat gemoedelyk stuk vanJanuari1858?

Ik verzoek ieder belangstellende dien brief te lezen, en zich aftevragen wat men te denken hebbe van den man die bedaard en “rustig” zoo’n stuk kan ter-zyde leggen, zonder op ’t denkbeeld te komen, dat zyn plicht ’n antwoord eischt, ’n antwoord indadenvooral.

Men moge voorwenden te gelooven dat deMax Havelaar’n roman is... die brief aan den Gouverneur-Generaal in rusteisgeenroman. Die brief is geschreven aan den persoon die instaat zou moeten zyn te weêrleggen wat er zou te weêrleggen vallen in myn relaas van ’t voorgevallene teLebak. By dien brief waren bylagen die punt voor punt de waarheid aantoonden van alles wat ik zeide. Ik had daarby overgelegd extrakten uit de conduite-rapporten onder myn voorgangers waaruit bleek dat de regent dien ik aanklaagde,aanhoudendwas beschuldigd van knevelary. ’t Was dus ’nLEUGENvanvan Twist, my in z’n kabinetsbrief van 23 Maart 18564te schryven dat er over dien Regent altyd gunstige rapporten waren ingekomen, dat trouwens niets zou beduid hebben, al ware het zoo geweest.

Ik gaf afschriften van stukken, waaruit bleek hoe de schoonzoonvan dat Hoofd, de man ten wiens huize m’n voorganger kort voor z’n dood z’n laatste middagmaal gebruikt had, reeds vóór myn komst inLebakwas gestraft wegensroof op den publieken weg. Ik legde kopie over van de verklaringen des Kontrôleurs—die ik later publiceerde5—verklaringen die afgelegd warennadater gebleken was dat de Gouverneur-Generaal den Resident vanBantamwilde steunen in ’t schipperen, en dusnadatdie Kontrôleur weten kon dat-i van my niets te hopen of te vreezen had. Ik toonde door ’t overleggen van andere stukken, op menschkundige gronden ten duidelykste aan, dat ik m’n ondergeschikten wist te dwingen totwaarheid, en dat ik van dien invloed gebruik maakte, onverschillig of ’t my baatte of schade deed.6

By dien brief aanvan Twistwaren vele stukken gevoegd, alle aantoonende dat ik volkomen in myn recht was.7’t Is me onmogelyk thans optegeven welke, maar als ’t vereischt wordt, zal ik ’t kunnen. Ik ben in ’t bezit van ’n autentiek uittreksel uit ’n policie-register, dat aantoont hoe er op-eenmaal 57 of 59 personen—ik meen tePandeglang—zyn afgestraft metGEESELING, en gevankelyk teruggevoerd naarLebak, dat ze, alsSaïdjah’svader, hadden verlaten “zonder pas” om den druk hunner hoofden te ontgaan. Dat waren dagelyksche zaken. Men herleze die vertelling vanSaïdjah, waar ik in korte woorden samengryp wat me gelegenheid zou gegeven hebben tot uitvoerige schilderingen, als ik daarin lust had gevoeld. In denHavelaarheb ik de werkelykheid verkort, verzacht, teruggebracht tot de eenvoudigste uitdrukking. Laatvan Twisthet tegendeel beweren, als-i durft! Laat hem zeggen dat ik overdreven heb. Dan zal ik, in-stede van uit de lucht gegrepen namen, de juiste, de letterlyk juiste namen opgeven van de arme lieden die door verdrukking waren verdreven uit hun land. Ik zal die namen opgeven met vermelding van geboorte- en woonplaats, dagteekening, beroep... ach, ’t waren allen landbouwers alsSaïdjah’svader. Verlangt men meer?

Laatvan Twistontkennen als-i durft, dat zy die klaagden en vluchten òm de mishandeling, daarna op-nieuw werden mishandeld òmdat ze geklaagd hadden of gevlucht waren. Laat hem ontkennen dat de kern der opstandelingen in deLampongsuit gevluchte martelaren uitBantambestond. Laat hem ontkennen dat bij elken opstand, de moed van ons leger te stryden heeft met de razerny van lang mishandelde, tot het uiterste gedreven menschen, die zacht en goedig waren wel-eer, maar tot woestamokwerden aangevuurd door wanhoop. Laat hem ontkennen dat by elken stryd, zoo bloedig meestal, het grootst gedeelte der verslagenenaan-weerszy, de slachtoffers zyn van politieke fouten, begaan door welbetaalde, maar domme slymerige vormelyke schipperende ambt- en pensioenjagende oogendienaars van gemaklievende Gouverneurs-Generaal. Laat hem ontkennen dat men de kracht van ons leger, het leven van officieren en soldaten beter kon besteden, dan door ’t vermoorden der armen die niets misdeden dan dat ze zich, na lang dulden, eindelyk verzetten tegen àl te zware geweldenary.

Ja, er waren veel bylagen by dien brief, ’t was ’n bundel! Nog herinner ik my hoe zwaar ’t me viel daartoe het noodige papier te bekomen, en een plaatsje waar ik zitten kon om ze afteschryven. En toch was dat alles te-vergeefs! De man heeft niet geantwoord. Dit iszynzaak.

Maar ’t is myn zaak te wyzen op dendatumvan dien brief. Ik schreef dien inJanuari1858, dus byna twee jaren na m’n vertrek uitLebak. Is die dagteekening niet ’n bewys dat m’n deel met het handhaven van recht,niet was ’t maken van een naam?

Ennadien brief wachtte ik weder twee jaren, voor ik denMax Havelaarschreef. Ik was lang geperst, lang had ik getracht verbetering aantebrengen zonder schandaal, lang had ik aan den anderen kant beproefd myn gezin te bewaren voor hongersnood, voor ik ’n beroep deed op de rechtvaardigheid van Koning en Natie. Jazelfs, toen deMax Havelaarreeds geschreven, reeds gedeeltelyk gedrukt was, heb ik my tot den Koning gewend met verzoek om herstel. Zelfs toen nog, als deze had kunnen goedvinden verbetering te brengen in den ellendigen toestand vanIndië, had ik m’n boek verbrand.8

Ik zal dien brief later uitgeven, na nog eenmaal aan den Koning geschreven te hebben.

Ik vraag daarin niet voor myzelf. Ik blyf vasthouden aan de reeds tot den heervan Twistgerichte betuiging:anders dienen dan ik diende teLebakkan ik niet!

Maar ook de Koning kon niet besluiten krachtig integrypen in ’t weefsel van leugens en bedrog, dat den Nederlandschen naam eerlang maken zal tot een walg der volken. Ik meen toch dat dit ingrypen een heerlyke roeping zou geweest zyn voor ’n Koning!

En eerst na lang wachten op dat antwoord, na de volkomen zekerheid dat dit antwoord niet komen zou, verscheen in Mei 1860 het boek over de “koffiveilingen” dat, naar de uitdrukking van een Lid der Kamer, ’n “rilling deed gaan door het land”.

Dit was zoo. Er is inderdaad ’n rilling door ’t land gegaan. Maar wanneer? In 1860. Dat is: vier jaren nadat ik, arm en onmachtig,Lebakverliet met vrouw en kind.

Als een geduldige Javaan had ik my vier jaren laten mishandelen. Vier jaren had ik van-dag tot-dag gestreden met kommer van heden, met angst voor morgen, voor ik die rilling opwekte. Vier jaren lang wasSjaalmanbespot en gesard doorDroogstoppel, voorMultatulibeslootHavelaar’sparty tegen dien vanDroogstoppeloptenemen.

Dat ik ’t toen deed, krachtig forsch... wie zal ’t laken? Bovendien ik ben zoo. Ik versta geen halve dingen. Dit zal men zien in de toekomst, als ik ’t leven houd. En al ware het... doch, neen, voor die toekomst is gezorgd.

Vier jaren dus. Jaren van bittere smart. Vier moeielyke, zware jaren...

Zou ik zóólang gewacht hebben, als ’t my ware te doen geweest om opgang of schandaal?

Ik wenschte herstel van grieven voor m’n arme beschermelingen, en als me dit gelukt ware, zou de Javaan zelf nooit hebben geweten wat-i my te danken had, noch Nederland hoe ik, met al wat ik dierbaars had, my opofferde voor zyn eer.

Maar, ik erken dit, zoowel voor als na ’t schryven van denMax Havelaar, bestond er vaak ’n andere reden die my noodzaakte te zwygen. De ellendelingen dieIndiëverwoesten, hebben een bondgenoot die dikwyls, ja meestal, de kracht heeft my de pen uit de hand te slaan. De Natie weet dit, en schynt het goedtekeuren. Dit ishareschande, demyneniet.

De naam van dien bondgenoot is:het gebrek. Niet altyd heb ik papier. Niet altyd heb ik de stukken by me, waarin ik iets zou moeten naslaan, daar ’t meermalen gebeurt dat ik kist of koffer hier-of-daar moest achterlaten omdat ik den prys van ’t vervoer niet betalen kan. Daaraan heeft nu byv.van Twistte danken dat ik niet inditstuk de namen opgeef van de 57 of 59 personen die met geeselslagen vanPandeglangwerden teruggedreven naarLebak. Menigmaal heb ik geen plaats waar ik me rustig kan neerzetten tot schryven. Heeft men dit niet gelezen in deMinnebrieven... tusschen de regels vooral?

En eindelyk, meestal, ja altyd byna, wordt me elke voorkomende gedachte weggestolen door ’n spook dat me in Gouverneur-Generaal kostuum, of in de gestalte van een dikbuikig vry-arbeider, de sarrende vraag voorhoudt:Wat zullen morgen uw kinderen eten? Waar zult ge uw gezin huisvesten over een maand, over een week, over een dag?

Want meermalen is ’t zoover geweest, dat die vraag ’n vraag was van weken of dagen... ja, van uren!

In m’nKruisliednoem ik me taai. Ik zeg altyd de waarheid, en ook daar zeide ik de waarheid: ik bèn taai.

Maar ik moet erkennen dat ik werk met tegenzin en inspanning... dat ik zelfs niet werken kan in ’t geheel, als my de gedachte overvalt myn lief gezin uitgehongerd te zien, en omkomende van gebrek aan ’s Heeren weg.

Overdryving, meent men? Eilieve, hoe zou ’tanderszyn? Ik bezit niets, en ontvang niets. En laat u nu eens voorleggen—ge hebt het recht daartoe, Nederlanders—denStaat van Indische pensioenen, waarop posten voorkomen, wat hooger dan eigenlyk behooren zou—zelfs zy erkennen dit, die ze toelegden—omdat de betrokkene zekere betrekkingNIETbekleed heeft.” Zóó staat er. Ga eens na welke sommen er jaarlyks op uwe begrooting worden gebracht om menschen in het leven te houden, die nooit iets belangryks uitvoerden, en wier geheel leven zonder schâe voor iemand best achterwege had kunnen blyven. Tel eens hoeveel gepensioneerde Slymeringen gy vetmest, en vraag dan uzelf af, of ’t billyk is, datikvan uur tot uur heb te worstelen met gebrek?

Overdryving? Ik antwoord nog-eens; hoe zou ’tanderswezen kunnen? Ik heb niets en ontvang niets. Maar als ’t u moeite kost, lezer, u duidelyk voortestellen hoe ’n vader gestemd is, die z’n gezin moet voeden metniets... dan zal ik uw begrip te-hulp komen door ’t vertoonen van ’n certificaat, waaruit blyken kan hoe eens ’n Belgische dorpsburgemeester me twee dagen tyd gunde om te voorkomen dat ik als vagebond met vrouw en kinderen door maréchaussées zou worden weggevoerd over de grenzen...

Zie in zulke omstandigheden voel ik me “wat moê” zoo-als op ’t slot van m’nKruislied!

Dit is weêruweschande, Nederlanders, en dit is nietmyneschande. Daarvan worstelt ge u niet los, als zoudt ge ’t begin van de week vastbidden en vastpreêken aan ’t eind.

En wie nu meent dat ik genoegen schep in ’t mededeelen van de ellende die ik ondergingomdat ik myn plicht deed—dat ik er trotsch op ben, is waar!—bedenke hoe lang ik zweeg vóór ik iets openbaarde.

En dat ik eindelyk daarvan sprak, was om aantetoonen dat ik zeer duur het recht heb gekocht en betaald, ommeetespreken over de vragen van den dag. Men onderzoeke eens nauwkeurig wat anderen hebben betaald voor dat recht? Jazelfs, ofzy ietsbetaald hebben,ietsten-offer gebracht in ’t geheel? En of niet vaak hunne opiniën voordeel aanbrachten in-steê van offer te eischen?

DE KWESTIE OVER VRYEN ARBEID IS GEEN KWESTIE.

DE TEGENWOORDIGE AGITATIE OVER DE KOLONIALE ZAKEN IS EENE GEMAAKTE AGITATIE.

De Geschiedenis leert ons dat overal waar groote bewegingen voor de deur stonden, de leiders der algemeene belangen zich beyverden byzaken voor-op te schuiven, om de aandacht der Natiën aftetrekken van de hoofdzaak.

Dit noemen kleine bestuursmannen:Kunst van regeeren.

En vaak komt de loop der dingen de Regeeringen te hulp in ’t verschaffen van zulke afleidingen. Het volk bemerkt instinctmatig dat alles niet is zoo-als ’t behoort, en stelt zich, meer dan anders, by elk opgeworpen denkbeeld de vraag voor: “zou dit misschien de oorzaak myner malaise wezen?”

Nooit waren er zooveel staathuishoudkundige kwestiën aan de orde van den dag, als kort voor de Fransche revolutie. Ik bedoel de eerste, de ware, de voorloopster van de groote Wereldrevolutie die onzen kinderen wacht, en waarby de hoofdvraag wezen zal:hebben of niet hebben. Boeren-oorlogen enJacqueriënzyn periodiek als de saizoenen. Dit zal zoo blyven zoo lang menschen menschen zyn. En ook zal men altyd blind genoeg wezen om die onvermydelyke schuddingen niet te voorzien.

De wegbereiders van zulke revolutiën, zy die het eerst nieuwe denkbeelden verkondigen, bedoelden juist niet altyd ’n omwenteling. Zy waren, zoo-alsiederin zekeren zin, de uitdrukking van hun tyd. Zy stuwden niet, ze werden aangetrokken. “l’Homme ne manque jamais aux circonstances”heeftMONTESQUIEUgezegd, en wáár is het, even zeker als dat er nooit lucht ontbreekt om de leegte aantevullen die ontstond door verplaatsing van andere lucht. Maar diep ligt de waarheid vanMONTESQUIEU’Suitspraak niet. ’t Is als-of men zeide: “geen muskaatnoot zonder foelie.” Ik geloof ’t graag, ’t is dezelfde vrucht.

Want zoodra ’n Volk behoefte voelt aan zekere indrukken zal dezelfde oorzaak die deze behoefte te-weeg bracht, sommigen aanzetten tot het meedeelen van die indrukken. De mannen die ’n omwenteling vooraf-gingen,bewerktendie niet, maar werden, juist omgekeerd, voortgebracht door dezelfde omstandigheden die de revolutie ten-gevolge hadden. ’t Is hier nochpost, nochpropter, ’t issimul. Dit is even begrypelyk als dat men geen scheepsbouwmeesters vindt in de bergen, noch tuinlui opNova Zembla.

Men zal dan ook kunnen opmerken dat de personen die vaak worden aangezien als de bewerkers eener omwenteling, omdat ze kort te-voren ’n belangryke rol speelden, die belangrykheid inderdaad meer te danken hadden aan de behoefte en de voorbeschiktheid des Volks om wat nieuws te hooren, dat licht geven zou in de duisternis, dan wel aan de onderwerpen die zy behandelen, of de inrichting die zy aanwyzen als de juiste. Om zich hiervan te overtuigen, behoeft men de zaken slechts te bezien van ’n later standpunt, als wanneer er een groot verschil in ’t oog springt tusschen den loop der gebeurtenissen, en de meeningen of uitingen die de verandering van dien loopwaren voorafgegaan. Deterreurder Fransche revolutie gelykt niets op ’tContrat SocialvanRousseau.

Wanneer nu echter hervormers dieter-goeder-trouwzyn, een zoo willigen bodem vinden voor nieuwe begrippen, onverschillig of hunne ideën uitvoerbaar blyken of niet, onverschillig of ze voldoen aan de behoefte des oogenbliks, en alleen omdat het Volk voelt:qu’il y a quelque chose dans l’air—met hoeveel te-meer graagte dan zullen opgeworpen twistpunten worden aangenomen, wanneer zy die ze opperennietter goeder-trouw zyn, wanneer ze met meer of min kunst zulke punten van geschil uitvinden, scheppen, op den voorgrond schuiven, met hetdoelom ’t Volk bezig te houden.

Dit nu, Nederlanders, is by u sedert jaren het geval.

Liever dan my te bepalen tot den kleinen kring onzer belangen, zou ik u voorbeelden aanhalen uit de Wereldhistorie. Maar ik begryp dat ik beter doe my te bepalen tot dingen die u meer van naby raken, en u klaar voor den geest zullen liggen naar ik gis. Eén voorbeeld dus uit velen:

Herinnert ge u, Nederlanders, hoe men eenige jaren geleden u heeft bezig-gehouden metindisch-muntstelselenduitenplaatjes? Ge hebt die plaatjes goedmoedig geslikt. Dáárover zyn wat verhandelingen gehouden, wat brochures geschreven!Dááraan is wat geleerdheid en redenary ten-koste gelegd! Men voedde u met millimeters van den omtrek der indische guldens, gy ontbeet met beeldenaars, en uw avondmaal vloeide over van circuleerende medium’s. Hoe ’t mogelyk was, u zoo erg en zoo lang te bedriegen met ’n zaak zoo eenvoudig als ’n muntstelsel, begryp ik niet, maar geluktishet. Eilieve, hoe is die zaak, die belangryke zaak, waarvan ’t wel of wee uwer indische bezittingen scheen aftehangen, dan toch eindelyk uitgewezen? Weet ge ’t wel eens? Ditmoestge toch weten, indien de vraag zoo belangryk was als ze scheen in die dagen...

De opheldering dier muntkwestie is eenvoudig. Op den oogenblik toen men u bezig-hield met koperen duiten, recepissen, zilvergehalte, agio en dergelyke,was de Bevolking van Indië op ’t punt uit te bersten in algemeenen opstand, die dan ook partiëel uitgebrokenis, maar overal in bloed gesmoord.

Hebt ge ’t niet in de couranten gezien hoe elke mail heldendaden meêbrengt? En ziet ge niet tevens hoe er altyd-door meer suppletie-troepen noodig zyn? Hebt ge er niet op gelet hoe men in Europa te-kort schiet met werven, in-weerwil van ’t bovenmatig verhoogen der handgelden, en hoe men de beschermers en verdedigers vanNederlandschebelangen weêr, als vroeger, moet zoeken inAfrika?

Zyn we ooit in vrede daarginder? Volgt niet oorlog op oorlog, roering op roering, onrust op onrust?

Komt ge nooit op ’t denkbeeld dat er wat verdachts is in die stereotype telegrammen: “op Java volmaakte rust?”

Vindt ge ’t niet vreemd dat de Landvoogden, die zoo met overstoorbare eentonigheid die rustigheid proclameeren en telegrafeeren, altyd-door méér soldaten noodig hebben om niet weggejaagd te worden?

Ziet ge, dit bevreemdt my. Dat men u bedriegen wil, heeft z’n redenen. Dat ge zoo gemakkelyk toegeeft in dit bedrog, vind ik zonderling en jammer.

Het aantal opgeworpen kwestiën waarmede men u aandachtig bezig-houdt, is zeer groot, en daaronder behoort ook de vraag die thans in Nederland aan de orde van den dag schynt; de vraag overVryen-ArbeidenKultuurstelsel, waarvan die kibbelaryen over consignatiestelsel, kultuur-emolumenten, enz. onderdeelen zyn.

Dewarevraag van den dag is deze:

Wordt de Javaan mishandeld?

Zal hy dit voortdurend verdragen?

Wat moet er gedaan worden om een eind te maken aan die mishandeling?

Maar deze vragen legt men u niet voor. Er zal ’n tyd komen dat ge u schamen zult over uw gebrek aan doorzicht. Het zal u onverklaarbaar zyn dat ge u aanhoudend liet verlokken tot het behandelen van andere vragen.

Want ik stelde u in-staat dit bedrog te doorzien en te ontwyken. In denMax Havelaarheb ik aangetoond dat de Javaan mishandeld wordt. Wie heeft dit weersproken? Dagbladen, tydschriften, brochures stelden ten-klaarste in ’t licht dat ik niet overdreven heb, dat ik beneden de waarheid ben gebleven. Zie denIndiër,den Gids, hetNeêrlandsch Indisch tijdschrift... in ’t kort, alle organen van deliberaleparty.Of die organen zoo volmondig zouden verklaard hebben dat ik de waarheid sprak, indien ze hadden geweten dat ik geen partyman was, mag betwyfeld worden. Maar wat geschreven staat: staat geschreven. ’t Is zoo, ik ben beneden de waarheid gebleven. Ik vreesde en vermeed àl de waarheid te zeggen, uit kunstgevoel. Ik wilde sympathie opwekken, geen walging. En dit zou ’t geval geweest zyn, indien ik, in-plaats der eenvoudige geschiedenis vanSaïdjah, de ellende geschetst had van ’n hongersnood, zooals er van-tyd tot-tyd opJavavoorkomt, ten-gevolge der overdryving van ’t Kultuurstelsel...

“Ziet ge wel, roept hier de Vry-arbeider... ’t Kultuurstelsel!”

Een oogenblik, m’nheeren. Ik heb inIndiëgruwelen gezien onder Gouverneurs-Generaal van allerlei kleur, gruwelen waarmeê ’t Kultuurstelsel niets te maken had. InLebakbyv. werkte geen Kultuurstelsel, en dáár was tochjaarlijks hongersnood. En ook elders is de toestand van de Bevolking die overgeleverd wordt aan Vry-arbeiders in compliciteit met de Hoofden, verre van benydenswaardig. Of erger nog, ik heb dorpen gezien die uitgemoord waren door zeeroovers, die alles meêvoerden wat kracht tot roeien had, en een geslacht achterlieten wat tot roeien te zwak was. Hierby immers komt noch Stelsel van kultuur, noch Vrye-arbeid te-pas, niet waar!

Waarlyk, m’nheeren partymannen,gyhebt het recht niet, elkaêr aanteklagen.Ikheb het rechtu beidente roepen voor de rechtbank der openbare meening. En dit doe ik. My zult ge niet afleiden met uw duitenplatery over Vry-arbeid of Consignatiestelsel...

“Onderuweleiding is de Javaan bestolen, mishandeld, vermoord, dit kan ik bewyzen!”

Zoo spreekt de liberaal tot den behouder.

“Ik zeg dat de Javaan mishandeld en vermoord wordt onderuweleiding... dit kanikbewyzen!”

Zoo antwoordt de behouder den liberaal. En vervolgens:

“Gy zytoorzaak datIndiëvoor ons zal verloren gaan! Als weIndiëverliezen, is ’tuweschuld!”

“Neen,uweschuld!”

“Neen,uwe... sjt!Daar komt het volk aan... ik zeide dan, m’nheer, dat uwe begrippen over Vryen-arbeid...”

“Juist! Ik meen dan dat die cyfers in ’t boek vanMoney...”

“Inderdaad! Maar lees eenSay,Malthus,Scialoia... En let eens op de opinie van den geachten spreker uit ...”

En ’t Volk gaat naar-huis, en meent in z’n onnoozelheid dat de Heeren ’n verschil van opinie hebben over Staathuishoudkunde.

En ’t Volk neemt het voorgegoocheld onderwerp voor ’t ware, en koopt zich ’n boekje vanMoney, en gelooft aandeel te nemen in de behandeling der publieke zaak, door ’t narekenen van de cyfers die daarin staan.

En alzoo... wat te-huis hooren zou voor een crimineele rechtbank, wordt behandeld als diepzinnig systeem van bestuur, en de hoofdzaak, deware eenige hoofdzaakis weer gesmoord voor ’n tyd!

Voor den honderdsten keer: de kwestie over Vryen-arbeid is geen kwestie! Het eindeloos gekibbel daarover is slechts de dwaalweg waarop ’t Volk zich laat brengen door de slotwoorden van de heeren die bezig waren zichvice versate beschuldigen van diefstal en doodslag, maar gaarne hunlinge salewillen wasschenen famille, en daarna aan ’t Volk wat opgeworpen verschilpunten ten-beste geven. Aan ’t Volk, dat ten-laatste—al waar ’t uit zucht tot verandering alleen—die schandalen niet verdragen zou. Het wachtwoord van die heeren is: zwygen!

En ik sprak hier niet van Ministers alleen.Ik vraag u, lezer, of ’t niet in de rede zou gelegen hebben dat men in de Tweede Kamer—of ook in de Eerste, waarom niet?—aan de Regeering had gevraagd of deMax Havelaarwaarheid bevat? We hebben behoudende en liberale ministeriën gehad sedert de verschyning van dat boek, maar geen opposant heeft aan ’n behoudende Regeering, geen behouder heeft aan ’n liberaal bewind durven vragen of ik de waarheid gezegd had. Ieder voelde dat het antwoord even nadeelig luiden zou voor z’n eigen party als voor de vyandelyke. Ieder begreep dat er niets viel te winnen door ’t staven van beschuldigingen, die terstond daarop met gelyk recht zouden worden ingebracht tegen hemzelf. ’t Scheelt me weinig of ik triviaal schyn... ik neem m’n uitdrukkingen waar ik ze vind ... Het volk zal my verstaan:’t is diefje met diefjes maat!

Dit komt er van, kiezers, wanneer ge u niet bemoeit met uw zaken.

Zwygen dus, smoren!

Ja, smoren! Maar toch zyn erenfants terriblesdie in de hitte van den stryd geen acht-geven op ’tsjt!dat het Volk moest buitensluiten van de waarheid. Onlangs by de behandeling der koloniale begrooting heeft men elkaêr over-en-weerDroogstoppelgenoemd. Men kan ’t nalezen in ’t verslag der zittingen van de Tweede-Kamer.

Droogstoppelnu—ikheb dien man gemaakt,ikheb ’t recht te zeggenhoe,watenwiehy is—Droogstoppelis de gemeene dief,minusden moed om intebreken.Droogstoppelis deFariseërdie weduwen en weezen op-eet, en kushandjes toewerpt aan ’n eigengemaakt godje dat hem helpt in de digestie.Droogstoppelis de bloedzuiger die opzwelt van onrechtvaardig verkregen goed, maar ’n veerkrachtige magerheid bewaart om z’n vooze opgeblazenheid binnentepersen door de enge poort.Droogstoppelis de femelende laffe gierige schriftuurlijke gauwdief...

Eilieve, ik heb vergeten te zeggen ofDroogstoppelliberaal of behoudend is...

In de Kamer heeft men de goedheid gehad deze gapingaan-te-vullen.

Liberalen hebben tot behouders gezegd:

“gy Droogstoppel!”

En behouders hebben geantwoord:

“Droogstoppel, gy!”

En ik? Watikantwoord?

Ach, ik zie in dat ik ’n profetischen geest had op het oogenblik toen ik in deMinnebrievende vertelling gaf van ’n paar twisters opAmboina, die elkaêr onaangenaam hadden bejegend. “Ga gerust naar huis, oJozefenAbraham... ofEzechiël, gy beiden hebt volkomen gelyk!”

Ik verklaar overigens my geheel te vereenigen met de opinie van den heerWintgens, die de vraag deed, of niet de ergsteDroogstoppelsde zoogenaamde vry-arbeiders waren, wyl ze den Javaan meer rechtstreeks uitzuigen dan hun confraters op de Lauriergracht?

Ik zeg volmondig ja op die vraag.—Maar ik constateer tevens dat de heerWintgens, door z’n superlatieven gradus—“of dat niet deergsteDroogstoppels waren?”—zich beweegt in den omtrek der paragrafen onzer schoolboekjes, waar boven stond, “over de trappen vanvergelyking” en dat hier dus maar sprake is van watmeerofminDroogstoppelig...

Nederlanders, ge staat my toe, hoop ik, voorDroogstoppelte lezen:Ellendeling? Welnu, in uwe Vertegenwoordigende Kamers is de vraag geopperd: onder welke der beide dusgenoemde Staatspartyen, de ergste ellendelingen zyn.

Wat geschreven staat, staat geschreven. Het byblad, waarin deze vraag voorkomt, zal wel reeds gedrukt en verspreid wezen. En al ware dit zoo niet, de vraag wordt meêgedeeld in de verkorte verslagen die de dagbladen van de zittingen gaven, waarin de koloniale begrooting is behandeld.

Ik tart de leden der Staten-Generaal die te vernietigen, en voor ’t Nageslacht te verbergen dat in 1861 in hunne vergadering de vraag geopperd is, welk staatkundig gedeelte des Nederlandschen Volks ’t meest productief was in huichelende gauwdieven.

Ja, dat zyn deenfants terriblesvan de partyen! En men meene niet dat dit ’n toeval was, ’nlapsus linguae, ’n oratorische wending van den heerWintgens... volstrekt niet.Herhaaldelyk is ’t scheldwoordDroogstoppel—dat is: ellendeling—over-en-weergebruikt. Ik heb dit woord in ’n zeer verkort verslag der zittingen, tien of twaalf malen gevonden in één alinea. ’t Is zelfs ontelbare malen gebruikt door den heerP. Myer, den man die ’n zoo hoog pensioen trekt: “omdat hy—ikciteer—zekere betrekkingnietbekleed heeft.” En ook na den HeerWintgenshebben weer anderen zich beyverd aantetoonen dat deDroogstoppels...

O God, O God, is ’t genoeg, Nederlanders? My is ’t te veel.

Had ik niet recht,Hamletsuitroep te kiezen tot motto dezer brochure? Waarlyk:

There is something rotten in the state!

Maar, zeggen misschien sommigen, wat is dan toch dat Kultuurstelsel, wat verstaat men onder Vryen-arbeid?

Ik weet dat deze vraag nog altyd door velen gedaan wordt, en dit is ’n bewys te-meer van de waarheid myner stelling dat de voorgewende punten van verschil niet raken aan de hoofdzaak. Als er waarheid lag in al de beweringen vóór en tegen die systemen van Indischbestuur, zou men, na al wat daarover is gesproken en geschreven, nu dan toch wel zóóver gevorderd zyn, dat men wist waarover de kwestie liep. En dit is het geval niet. Er is zorg gedragen de zaak zoo te verwarren, dat de goê-gemeente zich verliest in ’n zee van kunsttermen over staathuishoudkundige wysheid, en moedeloos tot het besluit komt, de heeren moeten ’t weten! Ja, en dan hebben de “heeren” weêrloisirom ’t gesprekvoorttezettenover de zaak die hen bezig-hield, toen ’t Volk er bykwam: over de mishandeling van den Javaan, en den opstand die daarvan ’t gevolg wezen moet.

Toen ik denMax Havelaarschreef, dacht ik niet aan vryen arbeid. Ik behandelde daarin ’nhoofdzaak, en het heeft my zeer verwonderd dat boek te zien misbruiken als ’n wapen tegen hetKultuurstelsel. Zelfs in ’t buitenland is men in die dwaling vervallen. In denAnnuaire des deux Mondesvan 1860, wordt myn werk behandeld als ’n pleidooi voor Vryen-arbeid, dat het zyne toebracht tot den val van ’n behoudend—kultuurstelselig—ministerie. En ’t een, en ’t ander is onjuist. Ik heb noch in denHavelaar, noch later, my ingelaten met de voddige voorgehuichelde geschilpunten die men in den Haag gebruikt om ministeriën te ondermynen. Even als ik ieder mensch goed noem die goed handelt, zonder te vragen naar z’n geloof, evenzoo zou ik ’n Minister aanhangen die rechtvaardigheid beoefent, onverschillig of-i oude stelsels aankleeft, of nieuwe verkondigt. Die rechtvaardigheid nu heb ik tot-nog-toe zoowel aan de zyde van ’t behoud, als aan den kant der zoogenoemde liberalen tevergeefsgezocht. En zoolang dit niet verandert, is ’t me onverschillig wie er regeert. En den Javaan ook.

Geheel alleen echter sta ik niet met m’n opinie over de ledigheid, de nutteloosheid, de ontydigheid der kwestiën van den dag. Ik las in ’n brochure, onlangs uitgekomen byGünstteAmsterdam10de volgende eenvoudige maar veel beteekenende woorden:


Back to IndexNext