Chapter 29

There is something rotten in the State!Zoo eindigde het eerste gedeelte dezer brochure, die ik eensklaps afbrak om reeds dadelyk als m’n innige overtuiging te verklaren dat Vrye-arbeid inIndië, op dezen oogenblik leugen is. Ik wilde die meening publiceeren voor ze ’t uitvloeisel konschynenvan eigenbelang.Ja, daar is verrotting in den Staat, en de naam van die verrotting, Nederlanders, isLEUGEN. Van boven tot beneden heerscht leugen.De troonrede spreekt van ongestoorden vrede, van rust en geluk, op den oogenblik als duizenden daarginder bezwyken onder hongersnood, of neêrzygen onder de klewang-bajonetten uwer voor hoog handgeld gehuurde soldaten. Die troonrede spreekt dus leugen, Nederlanders!Uw Tweede-Kamer beraadslaagt met voorgewende deftigheid wat zy zal antwoorden op dien leugen, en brengt na ’t hooren van ’n zestigtal geachte maar onverstane sprekers, met kunst en moeite den leugen voort, dat ze dien opgedischten anderen leugen met genoegen heeft vernomen. Daarop houdt ze zich bezig mee het beoordeelen der wetten, haar voorgelegd door Ministers die zich alweer niet kunnen staande-houden zonder leugens. En de beraadslaging, die reeds leugenachtigedonneésbehandelt, ditberaadslagingzelve is leugenachtig. Wantbyuw Vertegenwoordiging, Nederlanders, wordt niet gevraagd naar destrekkingder behandelde wetten, de vraag is of ’t belang van dePARTYmeebrengt, dat deze of geene Minister aan ’t bestuur blyve. Er wordt in uwe Kamer handel gedreven in stemmen. Men biedt hulp in ’n accynskwestie, ter betaling voor ’t zwygen over ... dat andere. Delft zal Twenthe steunen in z’n linnenkraam,à titre de revanchevoor Delftsche boter. De eikenkroon voor den neef van ... zekeren heer, is de belooning voor ’t intrekken van dat laatste amendement. ’n Lange straatweg die uitloopt op X. en de buitenplaats voorbygaat van ’n geacht lid, wordt betaald met ’n nog langer redevoering die alles voorbygaat, en op niets uitloopt. Uw Tweede-Kamer, Nederlanders, is ’n markt van stemmen. Wie ’t meest biedt,mynt. Wie zelf niet bieden kan, associëert zich met een-of-andere compagnieschap die ze “staatkundige party” noemen. Als er evenwicht is tusschen bod en behoefte, ontstaat er ’n ministerieele krisis. Wordt dit evenwicht verbroken, dan komt de meerderheid op ’t kussen, en blyft daar tot de minderheid op haar beurt weêr hooger bod kan doen.De waar die men op deze markt verkoopt, is nooit de tentoongestelde of geannonceerde. ’t Is daarmeê als met sommige winkeliers, die handschoenen of sigaren voor ’t venster leggen als pretext voor ’t handeldryven in meisjes achter de toonbank.Op die markt spreekt men over eerlykheid, en bedoelt winst. Over begrippen, meeningen, inzichten, overtuiging, en bedoelt belang. Over rechtskwestiën, en bedoelt onrecht. Over staathuishoudkunde, en bedoelt diefstal. Over vryheid, en bedoelt dwingelandy. Over menschenrecht, en bedoelt moord.De schoonste redevoering, die ooit gehouden werd in ’n vergadering van vertegenwoordigers, is vanCromwell. Schrikt niet, lezers, lang is ze niet, ziehier:“You are no parliament! I say You are no parliament! Begone, and give place to honester men. What shall we do with that bawble? Take it away ...To honester men ...maakt plaats vooreerlyker lui! Juist.Cromwellhad een zeer eigenaardige manier om plaats te maken, maar dewyl gy, Nederlanders, nu eenmaal langzamer te-werk gaat, raad ik aan toch alle middelen die u ten-dienste staan te beproeven, omCromwell’sdoel te bereiken, hoe langzaam en vervelend dan ook de middelen werken. Ge hebt de zoogenaamde vryheid van verkiezingen. Maakt daarvan nu-en-dan eens gebruik, enverbeeldtu niet dat ge ’tdoet, door uw candidaten te zoeken op de voorzyden uwer couranten, of in de aanbevelingslysten der kieskollegiën. Tracht dooreigeninzichtte geraken tothonester menin uwe Kamer. Toont dat ge misselyk zyt van al ’t gekibbel over voorgewende kwestiën. Toont dat gewaarheideischt, en u verzadigd voelt, tot walgens toe verzadigd, van parlementaire leugens.Want het zynleugens, de kwestiën waarmeê ze zichzelf en u bezig-houden, Nederlanders!’t Is de vraag niet of de Javaan moet worden uitgezogen door liberale of door behoudende bloedzuigers. De vraag is: of hy moet mishandeld worden, door wien ook?En op deze vraag is slechts één antwoord mogelyk;neen!Dit staat duidelyk geschreven in het Regeeringsreglement, en duidelyker nog—o veel duidelyker!—in ’t hart van ieder die daarin ’n betere godsdienst omdraagt, dan er valt van-buiten te leeren uit ’n oud boek.Zoolang men in uwe Kamersdievraag niet durft te-berde brengen ... zoolang daar niet zal opstaan de oprechteDERDE PARTY, DE PARTY VAN WAARHEID, de party die zonder vasthouden aan kinderachtige stelseltjes, de hoofdzaak behandelt, en aan die hoofdzaak allebyzaken ondergeschikt houdt ... zoolang men in die Kamer vragen zal: zyt ge behoudend of liberaal, insteê van plichtsvervulling te eischen van liberalen en behouders beiden ... zoolang men daar luistert naar onverstane redevoeringen over Vryen-arbeid en Kultuurstelsel, en intusschen door stilzwygen goedkeurt dat uw prachtigIndiëwordt bedorven door onbekwame gouverneurs ... zoolang men daar blyft doorwawelen over Art.56van ’t Indisch Regeeringsreglement, in plaats van voldoening te eischen aan ’t oneindig belangryker55eartikel van datzelfde Reglement ... zoolang men in die Kamer duldt dat deSlymeringenworden beloond, en deHavelaarsgestraft ... zoolang men daar traagheid, lauwheid, eedverkrachting en misdaadblyftsteunen tegen yver, plichtsbesef, eergevoel en moed ... zóólang zal ik blyven zeggen:begone, and give place to honester men!En meent nu niet dat ik uw Tweede-Kamer te hard val, Nederlanders. Ik heb ’n antecedent voor my, dat in hevigheid myn vonnis te boven gaat ... het antecedent dat uitging van die Kamer zelf, waarin men, ge hebt het gehoord, elkaâr over-en-weer heeft genoemd:Droogstoppels, d. i. zonder de minste vryheid in ’t vertalen:ELLENDELINGEN.Ikdie Kamer hard vallen? Eilieve, ik sprak nog alleen van de leugens die men daar behandelt, ik roerde alleen de onzedelykheid van uwe vertegenwoordiging aan. Hoe zou ’t wezen als ik lust had eens hettalenten dewerkzaamhedenvan al uw geachte sprekers te schatten? Dat gy, Nederlanders, by-voortduring tevreden zyt met onwaarheden, kan ik nog beter begrypen,dan dat ge niet opstaat tegen ’t byna totaal gemis aan talen in uwe Kamer. Leugens, ik beken dit, kunnen iets aantrekkelyks hebben, vooral wanneer de opvoeding altyd daarheen leidde. Maar eergevoel en eigenliefde moesten u aandryven om eens ’n ander soort van menschen naar den Haag aftevaardigen. Bedenkt toch dat de vergadering van geachte sprekers gecenseerd wordt de monsterkaart te wezen van alles wat uw land uitstekends bezit, en dat de vreemdeling—wanneer-i eens in ’t hoofd kreeg achttegeven op uwe Kamers—zich al zeer spoedig de vraag zou voorleggen: zóó zyn de knapsten, wat moet ik denken van de rest?Welke redenaars heeft uw parlement opgeleverd sedert 1816? Welke staathuishoudkundigen? Welke schryvers? Welke karakters? Welke groote mannen?O, zeker... ge zult in antwoord op die vragen ’n paar mannen noemen, maar ge moest u bezinnen voor ge die noemde. Dit had niet noodig moeten zyn, en ’t blyft de vraag nog of ge ’t recht hadt die mannen te noemen, al vergaf ik u ’t bezinnen.Inderdaad, Nederlanders, òf ge telt weinig uitstekende mannen onder u, òf ge stelt hen te hoog om ze te veroordeelen tot vyfjarigen dwangarbeid op de parlementaire galei. Maar in dit geval, waar blyven ze dan? Ge kunt ze toch niet allen griffiers maken, zooals metSloetgeschied is, wiens onderkoninkschappelyk genie jaren lang zoo deerniswaard begraven bleef onder proces-verbalen van de zittingen der Geldersche Staten. We hebben immers maar elf provinciën in ons land.Bedenkt toch, bid ik u, wanneer ge dan geen prys stelt op de eer en het belang van de Natie, dat ge misschien eenmaal naar den Haag zult gaan, gy of uw kinderen, en dat de mannen aan de poort u en uw familie zullen beoordeelen naar de modellen die ge jaar-in jaar-uit daarheen zondt uit uwe stad. Waarachtig, men zal er u op aanzien, en ’t zal u weinig baten in de opinie der tollenaars, dat ge u verschuilt achter de hoofdartikelen van uw krant die u de modellen aanprees als: “zoo byzonder achtenswaardig.”Leugen.Dit is de naam van de ziekte, de rottende ziekte waaraan de Natie lydt. Wie naar waarheid streeft, wordt gescholden, belasterd en mishandeld. Wie zich aansluit aan ’n party die leugens uitvindt tegen-over de leugens der andere party, wordt gesteund, verheven, beloond.Leugens ontvangt de Gouverneur-Generaal in Indië, van de residenten. Leugens geefthyden Minister. Leugens geeft deze terherkauwingaan de Tweede-Kamer.Leugens verspreiden de dagbladen onder hun abonnés.Met leugens houden de partyen zich staande.Met leugens wordt het Volk gevoed.Leugens doen adressen teekenen.Met leugens wekt men kunstmatige agitatiën op.Zoo waarlyk ik veel gedragen heb, ik zegge u, daar is verrotting in den Staat, en de naam van die verrotting isleugen!Ge zoudt onrechtvaardig handelen, Nederlanders, my tevloekenom deze uitspraak. Ik heb ’t recht, luid te spreken voor de waarheid waaraan ik door veel lyden verbonden ben.En ook ware ’t onbillyk my euvel te duiden dat m’n toon anders is dan de toon die aan leugens passen zou. Ge begrypt immers dat juist de gladde gemanierde schuifelende effenheid deronware woorden noodig was om u voortdurend al die onwaarheden te doen slikken als goede spyze? Ge begrypt immers dat er ’n andere taal dan de gewone noodig is, om u wakker te schudden uit uw slaperigheid? Ge begrypt immers, in één woord, dat ik niet schryven kàn als ’n ander, juist òmdat ik u de waarheid zeg?Maar wilt ge die hooren? Is ’t u inderdaad om waarheid te doen?Ik weet het niet. Jazelfs ge noopt mydikwylsdaaraan te twyfelen.Doch dit is uwe zaak. Myn zaak is u die waarheid te zeggen.Neemt ze aan, ohandeldryvendeNederlanders ... al waar ’t om de goedkoopte alleen. Ge betaalt uw leugens duur, zeer duur, en my betaalt gy niets. Dit niet-betalen moge nu oneerlyk wezen ... de uitgestelde schuld aan my, moge schandelyk vuile plekken nalaten, als gy ze in uw boeken durft doorhalen met gewetenlooze pen ... dit doet er weinig toe. Wat men niet betaalt, is altyd goedkoop. Ik beken dan ook dat het u moeielyk vallen zou my alles te betalen wat ge my schuldig zyt, ook al waart gy eerlyk genoeg om het te beproeven.Waarheid?Wat is dan hier waarheid? Wàt is waarheid over de zaken die thans aan de orde van den dag zyn? Ik wil trachten u dit te zeggen, schoon ’t me moeite kost, lezer. Herhaaldelyk heb ik u toegeroepen dat ik teksten schryf, en geen preêken. Is ’t u inderdaad om waarheid te doen? Waarlyk, wezenlyk, waarachtig?Welnu, sla deze bladen toe, leg dit kleine boekjeongeopend voor u, lees den titel op den omslag, lees ...Laat het boekje gesloten liggen, zeg ik u.Lees den titel op den omslag ... lees voort ... lees voort tot op den naam van den edelen man die de goedheid heeft,—uit liefde tot de waarheid, hoort ge!1—deze blaadjes uittegeven, en ...Weet ge nu nòg niet, lezer, wat de waarheid is?Dan wanhoop ik aan ’t slagen van elke poging om u die waarheid aan ’t verstand te brengen. Dan ontken ik de oprechtheid uwer begeerte om die waarheid te weten.Dan verklaar ik u te diep verleugend om behoefte te kennen aan waarheid, om besef te hebben van waarheid, om eerbied te voelen voor waarheid. En als ik te-werk ging naar den indruk van ’t oogenblik, dan legde ik hier de pen neêr.Wie na ’t lezen van de drie motto’s op den titel, nòg niet weet wat waarheid is omtrent de zoogenaamde kwestie van den dag, kan zich de moeite van ’t verder lezen sparen. Hy zoeke z’n “voorlichting” elders. Ge weet wel, waar? En als er geen krant by de hand is, dan maar in ’s hemels-naam in ’t byblad.“Als ik te-werk ging naar den indruk van ’t oogenblik!” maar ik ganietnaar den indruk te-werk. Ik ben methodischer dan er gemeend wordt door lieden die geen geestdrift begrypen zonder kortstondige naar krankzinnigheid zweemende drift van geest. Ik denk zeer lang voor ik handel, en ik overyl me zelden.Mynleven—dat een geheel is—zou ditbewyzenaan ieder die wat meer menschkunde bezat dan er noodig is tot het ontcyferen van al te dagelyksche karakters.Ik handelnietnaar den inspraak van ’t oogenblik, en zal dus voortgaan u zoo lankdradig en vervelend als maar eenigszins mogelyk, aan ’t verstand te brengen dat:VRYE ARBEIDWENSCHELYK,maar:DAT DE KWESTIE OVER VRYEN ARBEID, NONSENS IS,om daarna te besluiten met eenige toepasselyke beschouwingen, waaruit misschien zou kunnen blyken:dat het niet juist de vry-arbeiders zyn, die denJavaanzullen opleiden tot vrywilligen arbeid.Verleent my hiertoe ... neen, dit behoeft niet.Vrye arbeid is wenschelyk.Staat me by, alle goede geesten van kansel en balie! Helpt me met uw verrukkelyke bewysvoeringen en lankzinnigheden, gy allen die ooit middel vondt om ’nmur-mitoyente begraven onder pleitredenen van zeven uren gaans!Staat me ter-zy, redenaars in de afschaffings-genootschappen, die ’n heelend avend kunt vullen met het betoog dat het beter is nuchter dan dronken te zyn! Helpt me, gy allen die de kunst verstaat veel woorden te wyden aan weinig zaaks ... steunt me, redt me, staat me by!Geeft me ’n adjektief by elk substantief.Geeft me ’n bywoord by elk adjektief. En by elk werkwoord, ’n bywoord.Blaast me lange volzinnen in ’t oor, overal waar de korte te duidelyk zouden wezen voor ’t begrip.Overlaadt my met uw nogtans, uw niettemins, uw hoezeers en uw niettegenstaandighedens.Geeft my de kracht om totate zeggen: o, gy eerste der vierentwintig letteren! Het talent, om dertienmaal achtereen ’t zelfde te betuigen met andere woorden.Gy vooral,van der Palm, gy vooral, sta me by! Gy die in uw diepzinnige uitlegging der nog diepzinniger Schrift, den Volke hebt meêgedeeld dat er onder ’t woord “bedden” moest verstaan worden: groote bedden en kleine bedden.2Tot u vooral wend ik my, prins der preêkers, tot u wend ik my om hulp. Want zie, ookikga eens ’n preek maken. Men wil dit zoo. Uw voorbeeld richte my ... uw kracht sterke my ... uw geest beziele my ... dit hoop ik!En gy die me hoort, vergeeft dat ik niet terstond my verheffen kan tot de hoogte dergenen die levenslang zich toelegden op lankheid en overbodigheid.Bedenkt, bid ik u, dat ik my altyd bezig-hield met kort en goed te zeggen wat er te zeggen viel, en dat men niet opeenmaal meester worden kan in alle kunsten.Ik begin tegen m’n gewoonte met ’ncaptatio benevolentiae: ik beken schuld. Reeds veel vroeger had ik my moeten toeleggen op de nooit genoeg te waardeeren handigheid, de waarheid vervelend te maken opdat ze u zou aanstaan. Ja daarin beken ik schuld. Ik beloof beterschap ... en tot bewys: ziehier!VRYE ARBEID IS WENSCHELYK.Om dit te bewyzen, waarde hoorders, zal ik beginnen met te zeggen dat het niet waar is. En ik heb nòg ’n confidentie te doen. Ik zeide u zoo-even dat ik methodisch was, en lang nadacht voor ik handelde of sprak ... welnu, ook dit is niet waar. Vrye-arbeid isnietwenschelyk, en ik bennietmethodisch. Wat ik heden zeg, trek ik morgen in. Ik bestryd vandaag de stelling die ’k gister opstelselde. Ik moet dit nu wel erkennen, wyl ikvoor ruim twee jarende domheid gehad heb openlyk te verklaren dat Vrye-arbeid ’n goede zaak was. Natuurlykzagik deze inconsequentie liever bedekt met den mantel der vergetelheid, maar ik vrees dat dit niet gelukken zou, omdat een uwer misschien in ’t bezit is van ’n exemplaar derAmsterdamsche Courant van 9 December 1859No. 294 (avondeditie) waar we—met gepasten eerbied—o. a. het volgende lezen:«De vraag van den dag is:vrye-arbeidofgedwongenarbeid.De theoristen—ik neem aan dat zy allen eerlyk zyn, en dat hunne halzen geen schaafmerk dragen van ’t systeemjuk—de theoristen kunnen met den besten wil onmogelyk zonder de hulp van personen alsSlotte3die zaak beoordeelen. Zy kunnen betoogen, bewyzen zelfs, dat Vrye-arbeid beter is, zedelyker, meer kans aanbiedt op welvaart...Gewis! Maar ... wie twyfelt daaraan?Wie twyfelt er aan, of absentie van roof, moord, diefstal, echtbreuk, luiheid, wenschelyk ware?Wie twyfelt er aan, of hetgoedebeter is dan hetkwade?Maar die vragen zynoiseus.De vraag is niet: wat hier het betere zy? De vraag is: of het betere kan bereikt worden? En, zoo ja, langs welken weg?”Helaas, zoo schreef ik voor ruim twee jaren! En wat het ergste is, m’n naam staat er onder. O, had ik toen kunnen voorzien dat de eischen des oogenbliks my in Januari 1862 zouden dwingen tot de verklaring—en ’t bewys—dat vrywillige arbeidnietwenschelyk, dat ze integendeel onaangenaam is, nadeelig, onzedelyk, onvoordeelig en verfoeielyk... o had ik...Maar naklagen baat niet. Het staat er nu eenmaal. Zou ik kunnen beweren dat er tekstvervalsching plaats had? Of dat de redaktie derAmsterdamsche Courantm’n schrift, m’n styl had nagebootst... neen, dit kan niet. En bovendien, dan had ik vroeger moeten protesteeren tegen de onzinnige kettery die daar te lezen staat, met m’n naam er onder in volle letters.Neen, geen omwegen! Ikheb’t gezegd. Ik hèb verklaard datvrywillige arbeid beter is dan gedwongen werk. Daaraan is niets te veranderen. Maarnutrek ik die dwaling in, en beweer dat niets schandelyker en nadeeliger is dan vrywillige arbeid.“En hoe zyt ge geraakt tot deze nieuwe overtuiging?” zal men vragen ... naar ik hoop. Want als men het niet vraagt, zou het den schyn hebben alsof m’n preek den hoorder evenzeer verveelde als myzelf.Hoe ik daartoe gekomen ben? Zeer eenvoudig. Neen, neen... om-godswil, vergeef me,nieteenvoudig! Ik vergat daar dat eenvoud m’n kerk leegschrikt, en dat alleen omslag gewild is. Volstrekt niet eenvoudig dus. Op zeer ingewikkelde wyze ben ik genezen van m’n dwaling, en wel ... raadt eens door wien? Door kleinenMax.Dat kind is goed en zacht en gehoorzaam. O, ik vrees hy is àl te goed, àl te zacht! En, hoorders, als uw kinderen op hun ouders gelyken, dan zal myn kind ter-zyner-tyd de straffe dragen die de wereld toepast op goedheid, om wraak te nemen over het verschil.Hoe dit zy, hy is willig en gehoorzaam. De kleine plichten die z’n leeftyd hem oplegt, vervult hy gaarne. Zelden of nooit behoeft men hem iets te bevelen. In één woord, tot-nog-toe arbeidde hy geheel en alvrywillig.Voor eenige dagen sloeg het uur waarop hy gewoonlyk door z’n moeder wordt ter-ruste gelegd. In-plaats van als altyd op dat uur z’n speelgoed wegtebergen, zich uittekleeden en ons goeden-nacht te wenschen, kwam hy tot me, en zei:—Papa, ik heb ’n idee!Ik schrikte.—Arme jongen, dit moet niet dikwyls gebeuren. Het zou je hinderen in de wereld. Wat is het?—Wel ’t is tyd om te slapen ...—Is dit je idee?—Neen, luister! Toen ’t gister bedtyd was, heb ik me terstond gereed gemaakt, en u vroolyk goeden nacht gewenscht. Ge hebt me vriendelyk geantwoord, my opgenomen, naar-achter gedragen, neêrgelegd, toegedekt, en toen ge met moeder, de kamer verliet, was uw laatste woord, zoo-als altyd: goeden nacht, beste jongen ...—Zeker, dit alles is waar, en moeder zei dat ook, en jyzelf hebt ons vriendelyk nageroepen: goeden nacht! Is dit dan zoo verkeerd? Wat wilde je anders? Heb je daarna niet goed geslapen?—Ik heb goed geslapen,maar ... die manier van naar bedgaan, deugt niet. De werkster heeft ’n zoontje zoo oud als ik, en ik heb gehoord dat dit jongetje’s avondsniet naar bed wil. Dan moet z’n moeder hem door slaag dwingen. Beste lieve papa, ik ben toch niet minder dan ’t kind van die werkster! Wilt ge my ook dwingen om naar-bed te gaan?—Maar kind, hoe kan ik je dwingen tot iets wat je doet zonder dwang?—O, heel gemakkelyk. Ik zal niet willen.Ik beken dat ik ’t kind niet begreep, maar dewyl ik zoo dikwyls genoodzaakt ben hem sommige uitspanningen te ontzeggen, besloot ik ditmaal aan z’n verlangen te voldoen. En het doet me nu genoegen toegegeven te hebben in ’n wensch die:1o. het kind gelukkig maakt.2o. ’n aangename afwisseling te-weeg brengt in m’n huiselyk leven, en3o. my genezen heeft van de dwaling dat vrywillige arbeid ’n wenschelyke zaak is, zooals ik twee jaar geleden meende.Na dien tyd namelyk gaat m’n kind nooit dan gedwongen te-bed. Ik sla en mishandel hem, eerst om hem te ontdoen van de goedaardige gedweeheid die hem zou te-bed dryven ook zonder slaag, en daarna mishandel ik hem nog-eens om hem te dwingen tot naar-bed gaan. En meer nog. Ik pas die mishandeling toe op alles wat er voorkomt. Ik maak hem al zyn plichtjes zóó onsmakelyk, dat-i de vervulling weigert, om daarna hem tot die vervulling te dwingen door mishandeling. Alle vrywilligheid ten goede wordt uitgeroeid, en ik heb de aangename voldoening dat m’n kleine jongen, die vroeger op vervelend eenvoudige wyze deed wat-i doen moest, nu tot niets kan gebracht worden dan langs den allerverrukkelyksten omweg van honger en slaag.Men heeft geen begrip van de streelende verpoozing die deze stryd tegen den vryen wil my verschaft. Gisteren nog:—Wat doeje daar,Max?—Papa... ik heb...—Zeg op... spreek... wat deed je daar?—Papa... ik heb... adem gehaald?—Waarom deed je dit, ongelukkig kind?—Papa... ik deed het... omdat... omdat...—Je deed het zeker omdat je ’twilde?—Ach ja, Papa!—Vervloekte erfzondige verdorvenheid! Terug dien adem,terug, zeg ik je ... terstond ... oogenblikkelyk! Ik zal je leeren ademhalen uit vryen wil!Daarop sloeg ik hem tot z’n longen waren teruggebracht instatu quo ante. En vervolgens:—Haalnuadem omdatikhet je gelast! Maar, zei ik er fluisterend by, gehoorzaam niet terstond.Het kind begreep me volkomen, en weigerde adem te halen, voor ik het daartoe gedwongen had door ’n flinke herhaling van straf.Nu valt-i by-den-dag af, als iemand die op ’n ministeriëele beschikking zit te wachten. Hy smelt weg, en vergaat als kamfer. Z’n lastige vroolykheid is geknakt. Het eenige wat-i nog van-tyd tot-tyd vrywillig doet, is schreien en zuchten. Ik zal hem gelasten zich ook deze uitspanningen te ontzeggen, zoolang ik ze hem niet uitdrukkelyk voorschryf.Maar, zegt men misschien, dit zyn slechts huiselyke zaken. Nu ja! Doch evenalsNewtonuit het vallen van ’n appel, tot de wet besloot, die ’t Heelal regeert, besluit ik tot de noodzakelykheid eener algemeene dwangwet uit de opmerkingen die ik maak in myn gezin.Vergunt my u al terstond meetedeelen hoe ik getracht heb de manier, die sedert eenige dagen myn huis tot ’n waar paradys maakt, op de algemeene zaak toetepassen.Ik ben zeer bevriend met ’n agent van policie, die in z’n leêgen tyd wysgeer is. Dezen heb ik myn stelsel uitgelegd, en hy begreep het terstond, omdat ik ’n oogenblik had waargenomen van leêgen tyd. Niet alleen begreep-i my, maar reeds den volgenden dag paste hy m’n heerlyke uitvinding toe. Ziet hier, geachte hoorders, een extract uit zyn dagboek:Brussel, 12 Januari. De persoon A. van de trottoir gegooid, om daarna hem te dwingen op de trottoir terugtegaan.De huisvrouw van B. uit hare woning gehaald, en haar daarheen teruggebracht. Drie uren geschilderd voor de deur van ’tgemeenschappelykdomicilie, om ze te dwingen t’huis te blyven.Zy beweerde dat ze er niet aan dacht om uit-te-gaan, maar van dien vryen wil heb ik ’n afkeer.Een koetsier gelast z’n paard aantedryven tot hollen, om hem dat te verbieden.Eenige faro-drinkers die voor bezetten tyd de estaminet wilden verlaten, daarin opgesloten tot middernacht, en ze daarna gedwongen naar huis te gaan.Iemand die zich verstoutte rustig by den weg te gaan, metstokslagen gemoveerd tot onrust, en hem daarna gearresteerd als schuldig aan rustverstoring.Zoo-ver ’t dagboekje van m’n vriend den wysgeer-agent van policie. Maar er is meer.Ge weet nog niet ten-halve, beste hoorders, hoe diep myne ontdekking over de wenschelykheid van dwang, ingrypt in de belangen van stad, land, werelddeel en heelal.Ik zal ’t laatst het eerst nemen, dan zult ge ook al ’t andere wel gelooven.’t Heelal ... zeker! Hebt ge er wel eens aan gedacht, hoorders, hoe schandelyk het is voor ons allen dat de zon geheel vrywillig stilstaat, en dat de aarde, die kleine eigenwyze aarde maar altyd-door in de rondte draait, zonder dat wy haar dit bevolen hebben?Ziedaar nu de gevolgen van onze berispelyke onachtzaamheid. Maar beter ten-halve gekeerd dan geheel verdwaald. We zullen de zondwingentot stilstaan. Niets is gemakkelyker. Men geve haar eene Tweede-Kamer als de onze, dan sta ik borg dat ze geen stap van de plaats komt. En de aarde die zich, wie weet hoe lang al, met aanmatigende eigenwilligheid veroorlooft te draaien tot eigen genoegen, wy zullen haardwingentot draaien. Om al deze verbeteringen intevoeren, wacht ik slechts op het ééne vaste punt datArchimedesgezocht heeft, en ... ik beloof u ’n heerlyke toekomst.Alles zal gedwongen zyn. Door dwang zal ’t kind z’n ouders beminnen. Door dwang zult ge spreken, zwygen, staan, liggen, loopen, slapen, eten, geldwinnen. Dwang zal heerschen in de Natuur, in den Staat, in uw huis, aan uw sponde. Al wat kwaad is zalnietzyn, omdat al ’t goede dwang wezen zal.Heerlyke, heilige, goddelykedwang!Ook de Javaan zalgedwongenworden het goede te doen, dat is: te arbeiden ...“Maar eilieve, roept hier toch naar ik hoop de lezer uit, dit alles is ... absurd, ongerymd, dwaas, krankzinnig en nog meer ...Juist!WAT TEBEWYZENWAS... geachte hoorders!Ik kan overgaan tot het tweede gedeelte van myn preêk.De kwestie overvryenarbeid is nonsens.Ge hebt gezien, hoorders, hoe moeielyk ’t my viel u te bewyzen datvrywillige arbeid wenschelykwas. Ik heb daartoe ’naaneenschakeling van zotternyen noodig gehad. De keuze myner bewysvoering stond niet aan my.Mynsmaak zou me niet leiden tot zooveel omhaal by ’t bewys eener waarheid die zóó voor de hand ligt, dat ik niet dan met weêrzin ben overgegaan tot ’n betoog—en welk betoog!—dat gemyhadt moeten sparen, maar datikniet sparen mocht aan u, die naar ’t schynt niet in staat zyt iets te bevatten dat wordt voorgedragen met eenvoudigheid. Ik verklaar u datikheel graag ’t Heelal met rust zou gelaten hebben, en m’n vriend den policie-agent ook. Wat m’n besten kleinen jongen aangaat, ik verzeker u dat ik hem volstrekt niet sla. Ik moet deze verzekering wel uitdrukkelyk geven aan ’n publiek dat “onzedelykheid” heeft weten optedelven uit deMinnebrieven, en dat daarin heeft gevonden:eene aansporing aan ’t volk om horlogies te stelen.4’t Is ’n ondankbaar werk voor u te schryven, Nederlanders. Of ik goedschryf, weet ik niet. En dit scheelt me ook weinig. Maar datgynietlezenkunt, is zeker. En dat ge—hoe gebrekkig dan ook—lezenzultwat ik schryf, is ook waar. Beproef eens neen te zeggen.Maar, zeer geachte hoorders, dit is ’n parenthesis die ik u verzoek niet te verstaan. Verbeeldt u daartoe dat ge in de Tweede-Kamer zyt, dan zal ’t wel wennen.Ik heb u dan in ’t eerste deel myner rede, opuwewyze—nog-eens: niet opmynewyze—aangetoond datvrye wil beter is dan dwang. Ik verzoek nu, eens-voor-al, dit punt als afgehandeld te mogen beschouwen.Wezyngenaderd tot het tweede deel myner rede, waarin ik zal trachten te betoogen: dat de kwestie overvryenwilom te arbeiden ...NONSENSis.Ik vraag vergunning hier te supprimeeren wat er zou te zeggen vallen over den oorsprong van den arbeid. Ook zal ik den zondvloed overslaan, en zelfs my onthouden van onderzoek naar den Sanskritschen wortel van ’t woordnon-sens, dat zeer oud schynt te wezen. In ’t kort, ik doe afstand van alle gewone hulpmiddelen om u te boeien en te overtuigen. Wanneer ik dus in ’t tweede deel myner rede u minder verveel dan gevorderdwordt door deftigheid, gewoonte en smaak, bedenkt dan dat ik ruimte van plaats en tyd moet overhouden voor de “eenige beschouwingen” van m’n derde deel, die misschien zullen aantoonen dat er nog-al verschil van beteekenis bestaat tusschen “vrywilligheid” en “particuliere ondernemingen.”Na alles wat ik onlangs in het eerste gedeelte dezer brochure te kennen gaf, zou ’k dit heele middelstuk myner preêk kunnen overslaan, of wel het inkrimpen tot deze eenvoudige opmerking: daar ge nu eindelyk met my eens zyt datvrywilligheidbeter is dandwang, begrypt ge dat het redeneeren over de vraag:“of er moet bepaald worden dat de Javaan voortaan die vrywilligheid zal bezitten?”gevoegelyk zou kunnen worden gerelegeerd naar de duitenplateryen van den dag.Maar zie, dan was m’n preêk te kort.Erasmusheeft u geprezen, hoorders, uit dankbaarheid misschien voor uw smaak in lankdradige betoogen. Want hy was meester in vrye kunsten, en zulke menschen hebben dikwyls behoefte aandébouchévoor lange redevoeringen.Ik ben meester in geen enkele kunst. Maar op de welsprekendheid leg ik me toe. Dit ziet ge.We zullen dus maar weêr beginnen met de bewering dat niets nuttiger is, niets billyker, niets waardiger, niets zielverheffender dan vasttestellenby de wet, dat de Javaan arbeiden zal uit vryen wil.Ik beveel myne opmerkingen hieromtrent dringend aan in de attentie van Volksvertegenwoordigers die verlegen zyn om eenspeech. Men zal zien dat myne stelling in nauw verband staat met ...alles—meer kan men niet verlangen—en dat ze gelegenheid biedt tot uitweidingen die ’t geduld zouden vermoeien van den trouwsten hoorder, den yverigsten slaper in welke kerk ge maar verkiest.Vrye wil tot arbeid is “iets goeds.”Het is goed, wenschelyk, nuttig, enz. “iets goeds” vasttestellen by de wet.’t Is dus goed, wenschelyk, nuttig, enz. by de wet vasttestellen dat de Javaan vrywillig zal arbeiden.En nu de algemeene conclusie, die ik ’t eerst zal behandelen om daarna terugtekomen op de byzondere:’t Is goed,wenschelyk, nuttig enz. “alwat goed is” vasttestellen by de wet.Leent me daartoe ... neen, dit hoeft weêr niet. Leent me niets.Gierig, hebzuchtig, belangzoekend, was ik nooit. Of ’t by ’n wet bepaald was, weet ik niet, maar als ik wat had, gaf ik gaarne.Welnu, hoorders, heden geef ik aan alle tegenwoordige en toekomende Volksvertegenwoordigers de schema’s voor de redevoeringen die zy zullen te houden hebben over alle voorgestelde wetten die het Volk...wat zeg ik ... die de heele Natuur zullen dwingen tot “iets goeds.”“Ziehier hoe men zal kunnen spreken:»Hoe, myne heeren, hoe ... zouden we weigeren den minister te steunen—voor wien ik persoonlyk de meeste achting heb, doch met wien ik niet in de minste relatie sta, want by my op ’t dorp trouwen wy altyd onder elkaêr—zouden we hem onze hulp ontzeggen, nu hy ons de vrucht voorlegt van zyn nachtwaken? Mogen wy—wy die ’t Nederlandsche volk vertegenwoordigen—mogenwy het eenige redmiddel van-de-hand wyzen, dat den beklemden Staat zal verlossen uit de geweldig-innypende, dooréén-beroerende, van-uit-elkander-gescheurde, tegen-opgeslingerde ... (niet hoorbaar). Daar liggen zy, de treurige slachtoffers van ’t misbruik. Loeiende, brullende, schoppende, oogverdraaiende, liggen zy daar. Ik zeg dat ze daar liggen ... (niet hoorbaar). De voorgestelde wet is het heil van den Staat, myne heeren! Ik zeg dat de Staat ... (niet hoorbaar).Doch ik zal niet toegeven in de aandoeningen die my overstelpen. Met kalmte en waardigheid zal ik trachten de zaken te ontwikkelen. En, myne heeren, als ’t hier-en-daar mocht schynen, myne heeren, dat ik spreek in het belang der party waartoe ik de eer heb te behooren, myne heeren (hier moet de spreker links buigen, en rechts ook, en naar ’t midden ook) dan, myne heeren ... (niet hoorbaar).De zaak is zakelyk deze, myne heeren. De zaak is, ons goed voortestellen wat de zaak was, wat de zaak is, wat de zaak wezen kon, en wat de zaak worden zal, als de zaak die we thans behandelen door ’n wet zal zyn vastgesteld. Dit is de zaak myne heeren!De veestapel, myne heeren, ik zeg dit uit diepe overtuiging, en niet dan na lang daarmeê te hebben omgegaan, de veestapel ... (niet hoorbaar). Ik zeg: zonder koeien geen melk. Zonder vee, geen vleesch. En dat vee ... (niet hoorbaar) zoover ik de eer heb het te vertegenwoordigen, myne heeren, is geloovig, godsdienstig, gehecht aan den roem en de bezittingenzynervoorvaderen, myne heeren! Daarom ... (niet hoorbaar) wat zegt de voorgestelde wet? Laat ons haar bedaard lezen, zonder verhitting, zonder partygeest...kalmte, myne heeren, kalmte! Wat zegt de wet? Ziehier:»Eenig Artikel. Alles gehoord en gelezen, is verstaan te bepalen dat voortaan elk rund tweemaal zal worden geslacht en opgegeten voor ’t dood is,Onze Ministers zyn belast met de uitvoering.”Zóó zegt de wet, myne heeren! En gy zoudt die wet, die heerlyke onvolprezen wet afkeuren? Ge zoudt ... maar neen ... ik verwacht iets anders van uwe vaderlandsliefde. Ik heb gesproken met overtuiging.Mocht ik hier-of-daar, in ’t vuur der improvisatie, iemand hebben gekrenkt of beleedigd, ik vraag daarvoor verschooning, myne heeren! Ik verzeker al de heeren in ’t algemeen van m’n zeer byzondere hoogachting, en hiermede ... ik heb gezegd!Anders:»Ik zou het woord niethebbengevraagd, myne heeren, dewyl de behandelde zaak geheel-en-al buiten myn werkkring ligt, wanneer ik my niet verplicht voelde ernstig te protesteeren tegen de insinuatiën die er misschien zouden kunnen gelegen hebben in de woorden van den geachten spreker uit X.,wiens doorwrochte redevoering ik niet heb kunnen verstaan. De heilige zaak die ik op my nam—in onzesociëteitde Gezelligheid—toen al de leden ... toen al de Kiezers my de belangen opdroegen van ons distrikt, verbindt my tot de verklaring dat ik niets toestem van wat er in die redevoering misschien stuitends of onaangenaams mocht voorkomen voor de leden der ... voor de Kiezers van myn distrikt. Ik behoud my ’t recht voor, hierop terugtekomen, zoodra ik wellichtte-eeniger-tydzal mogen vernemen wat de spreker uit X.—wien ik persoonlyk de meeste achting toedraag—eigenlyk gezegd heeft.En, myne heeren, wat de voorgestelde wet aangaat, met het oog op de heilige afspraken die ik maakte met den kruienier op ons dorp, verklaar ik plechtig, vóór die wet te zullen stemmen, zoodra de Regeering kan goedvinden het getal deravatara’svan onze geachte runderen te bepalen op drie.Myn geweten schryft me dit amendement gebiedend voor, en deconciërge—voor wien ik persoonlyk de grootste achting heb—zal iets in dien smaak deponeeren op ’t bureau.”Anders:»Hetgoede, myne heeren! By ons in den achterhoek—het zy gezegd zonder den minsten blaam te willen werpen op andere hoeken—by ons leven wy voor ’t goede. De voorgestelde wet is door al m’n Kiezers, wat de strekking aangaat, met genoegen vernomen. En ikzelf zou daarmede instemmen, wanneer ik niet de eer had (hier moet de spreker buigen naar de rechterzy, en naar de linkerzy, en naar ’t midden) wanneer ik niet, zoo als ik de eer had te zeggen, de eer had Lid te zyn van deze Kamer, welker leden ik allen persoonlyk de meeste achting toedraag.De zaak is deze, myne heeren!Wat zegt de wet die ons wordt voorgelegd door den tegenwoordigen minister, wien ik persoonlyk de meeste achting toedraag? Die wet zegt:»gehoord enz.»»te bepalen dat alles goed zal zyn.»En, myne heeren, de ministers moeten dat uitvoeren. Nog-eens, myne heeren, al m’n Kiezers—en zelfs de kastelein van onze sociëteit, ’n man van zaken!—al m’n kiezers keuren de strekking van die wet goed. Maar, myne heeren, ikzelf als lid van deze Kamer, welker leden ik allen persoonlyk de meeste achting toedraag, ikzelf stem tegen de redactie. Immers zoodraeens-voor-altydal ’t goedezal vastgesteld wezen, zoodra eens-vooral de ministers zullen belast zyn met de uitvoering vanalles goeds, zullen er geen latere wetten meer noodig zyn.En, myne heeren, met de hand op m’n mandaat, met het oog op den zetel des voorzitters, met den mond geopend als tot het doen eener vernietigende, verpletterende,tegen-zelfmoord-waarschuwende vraag, voel ik me verplicht u voortehouden:Waar blyvenwydan?(eenige poozen. Aandoening. Beweging. Onsteltenis en suikerwater.)Vergeeft me, myne heeren, ’t onwillekeurig afbreken myner rede. Men is Lid van de Kamer, ja, maar men is ook mensch. Ik zal voortgaan. Ik zal trachten m’n hartstochten te betoomen naar behooren. Ik zal gebruik maken van ’t voorschrift diens grooten meesters in de redeneerkunst, die den redenaar tot eersten plicht maakt niet te schreien onder ’t preeken, en ik zal u, zonder tranen, maar even bewogen als-óf ik schreide, nogmaals vragen:Waar blyven wy dan?Ja, ik vraag u, Leden van deze Kamer, die ik allen persoonlyk zoo byzonder hoogacht, wanneer eens-vooralhet goede...al het goede... niets dan’t goede, ware vastgesteld by de wet ... ik vraag het u in ’s hemels naam:Waar blyvenwydan?(Indruk. Verpoozing. Rumoer.De spreker geeft ’n teeken aan de»juffrouw”op de tribune, die hy ’n kaartje gaf onder verband van flauwvallen. Ze valt flauw. Opschudding. De»juffrouw”is weggebracht door twee knechts, voor wie ze persoonlyk de meeste achting heeft. De spreker gaat voort met wat hols in de stem).Waar blyvenwydan. Ik heb persoonlyk de meeste achting voor al de leden, maar ik durf, ja, ik moet hun ernstig en plechtig—en dezen keer zelfs kort en goed—afvragen: waar ze blyven zouden?Gy, geacht medelid uit Z ... waar zoudtgyblyven? Zou men op uw dorp genoegen scheppen in uw omgang, nadat ge hier finaal hebt afgeleerd verstaanbaar te spreken?Gy, even-geacht medelid uit Y ... denkt ge dat de opzieners uwer fabriek u zouden verstaan, begrypen, gehoorzamen, nadat ge u in deze eerbiedwaardige vergadering met zooveel succes hebt geoefend in onbegrypelykheid?Engy, nog geachter medelid uit X.—dit zy gezegd zonder de minste bedoeling om mindere achting uittedrukken voor de andere leden, die ik, ieder voor zich, nog meer acht dan ik al de andere te-zamen acht—gy, boven alles geacht lid uit X., meent ge dat uwe vrouw, die metPRUD’HOMMEuwe verkiezing den eeresabel van haar hart noemde, meent ge dat zy u by ongekozen terugkeer, zou tegenwalmen met de vrouwenziel-kenmerkende juichtonen die geschreven staan in ’t vrouwen onderdanigheid-voorschryvende artikel des burgelyken wetboeks? Meent ge dat de herboren onderdanigheid—herboren op den oogenblik uwer roemryke apothéose in deGezelligheid—meent ge dat die herboring niet zou neêrvallen, in-eenzakken, vervliegen en verdampen, zoodra ze in u omarmen moest een aan ’t strand gespoeld, gebersten, bedorven, gespleten, vergaan, geknakt, gescheurd, bemorst, kleurloos, vormloozig, onbruikbaar stuk houts, dat deel maakte van ’t verongelukte vaartuig onzes dierbaren parlements, voor welks leden ik persoonlyk de meeste achting gevoel?Meent gy geachte spreker uit X, dat de kinderen in uwe stad, en de dochteren van de arbeiders uwer stokeryen, uwer spinneryen, uwer bouwlanden en uwer branderyen: meent ge dat die allen u zullen tegemoetstroomen met zoetgalmend gejuich? Meent ge dat de turfdragers ten-uwent de paarden zullen afspannen van uw wagen, als ge ongekamerd terugkeert? Denkt ge dat de notaris en de ontvanger u ’n feest zullen aanbieden, ’n feest met schildpadsoep, met toasten en leve-de-konings, alsof gyzelf de koning waart? Denkt ge dat één boer u zal toeroepen: »gnavend samen» als-i weet dat ge door de thans voorgestelde wet zyt veroordeeld tot overbodigheid? Meent ge dat de burgemeester u de vuurtest zal reiken voor uw pyp, als die pyp in treurige kamerloosheid niet meer branden mag tot heil van ’t vaderland! Meent gy in ’t eind ... doch wat behoef ik verder te vragen, geacht lid uit X ... ik zie dat gy getroffen zyt. Ik zie dat m’n rede uit het hart is gegaan tòt het hart, en ik zal de fyngevoeligheid der vergadering—welker leden ik allen persoonlyk de meeste achting—de yselykheden sparen der schildering van ’t lot dat ons allen wacht ... wanneer de voorgestelde wet mocht tot-stand komen.Maar zeer geachte leden, het is niet destrekkingdezer wet, het is de gebrekkigeredaktiedie over ons al de ellende zou uitstrooien waarop ik nu nog slechts ter-loops gewezen heb, doch die my stof geven zou tot ’n redevoering, nog langer dan de andere ... die ge nooit kunt vergeten omdat gy ze nooit hebt gehoord.Deredactiedeugt niet, myne heeren! Al m’n kiezers zyn ’t hierover eens. En zelfs onze kastelein ... (onhoorbaar). Wel mocht al het goede wordenvastgesteld by de wet, maar, myne heeren zeer geachte medeleden, dit moet niet geschieden by ééne wet!Juicht, geachte medeleden uit X, uit Y, uit Z ... juicht! Schryft aan uwe vrouwen, boeren, arbeiders, Kiezers en medeleden van alle mogelykeGezelligheden: al het »goede» zal worden vastgesteld by de wet en tòch zal er altyd ’n parlement noodig zyn, tòch zal er, altyd-door, behoefte wezen aan nieuwe wetten.De aantooning hiervan, myne Heeren, zal me stof geven tot het tweede deel myner redevoering.(Verbazing en suikerwater).Ja, al »het goede» zal worden bepaald, vastgesteld, geschapen door de wet! Maar, zeer geachte leden, dit alles moet niet geschieden door ééne wet.De thans voorgestelde getuigt van eene onvergeeflyke, in bureau-mannen onbegrypelyke—en, ik moet dit erkennen, zeer ongewone—kortheid. Ze moet worden afgestemd, doch onder uitdrukkelyke verklaring dat de kamer zich geheel-en-al vereenigt met het principe des Ministers, voor wien de Leden der Kamer persoonlyk de meest mogelyke achting koesteren. Vervolgens behooren wy dien Minister—ditmaal onder betuiging onzer zeer byzondere achting—in overweging te geven, het “goede” te verdeelen in zooveel onderdeelen als eenigszinsmogelykis, om dan voor elk onderdeel een nieuwe op-zichzelf-staande wet ter-tafel te brengen.Ziedaar, geachte medeleden, de oplossing van het vraagstuk, hoe wy al het “goede” kunnen vaststellen by de wet, en toch altyd-door behoefteblyven houden aan nieuwe wetten, dat is: aan geachte leden van dit parlement.(Hier wenkt de spreker naar de tribune. Gejuich op de tribune.)Wat my betreft, myne heeren zeer geachte medeleden, ik wil toonen dat ik ’n man van zaken ben, ’n vyand van holle theoriën: en ’n vurig aanhanger tevens van onze gezegende grondwet, het kostbaar instrument dat aan ’n zeventigtal ingezetenen, die wellicht anders voor ’n groot deel niets zouden wezen, den schyn waarborgt dat ze iets zyn.Ja, myne heeren, dit wil ik u toonen. Ofschoon ik eigenlyk kapitalist van beroep, en dus niet gewoon ben my intelaten met het oplossen van moeielyke vraagstukken, heb ik den weinigen tyd dien myn bedryvige werkkring my overlaat, benuttigd om ’n twintigtal wetten uittedenken, die allen het “goede” bevorderen, wat zeg ik, die het “goede” vaststellen. ’t Spreekt vanzelf, myne heeren, dat er nog meer te maken zyn ... dit is ’t voornaamste! Schryft gerust naar huis, dat het onderwerp niet Kamer-vernietigend uitgeput is. Volstrekt niet! Onze kastelein ...(Hier behoort de spreker te hoesten. Hy haalt ’n rol uit den zak en leest:)Eerste wet.Alle jonge dochters zullen, te beginnen met ... gy begrypt toch myne heeren, dat de tyd van ingang afhangt van ’t oogenblik waarop de wet behandeld wordt? Ook verzoek ik verschoond te mogen blyven van de herhaling der clausule dat de Ministers zullen zorg-dragen voor de uitvoering. Eens-voor-altyd, de ministers voeren alles uit. Alle jonge dochters dan, zullen voortaan zachtmoedigzyn, geduldig, inschikkelyk, tevreden en schoon.Nota van toelichting.Ik heb er niet tegen, deze wet te splitsen in zooveel deelen als er deugden kunnen bedacht worden. Mocht men overigens nog bovendien verkiezen afzonderlyke wetten te maken voor de blonde, voor de bruine, voor de onzekerharige, ’t is my wel. Nog ’n andere, zeer nuttige splitsing is mogelyk. Men kan de meisjes verdeelen naar provinciën, naar steden, dorpen, gehuchten, huisgezinnen, naar geboorte-dagen of uren, naar hebbelykheden of godsdienstige en andere meeningen, jazelfs men zou elke jonkvrouw tot het onderwerp kunnen maken van zooveel wetten als er hoedanigheden bestaan. Ik gis, maar hiervan ben ik niet zeker, dat die hoedanigheden, nog zouden kunnen worden gesplitst in onder-hoedanigheden. Hoe dit zy, men ziet dat myn denkbeeld over de verdeeling van “het goede” onuitputtelyk vruchtbaar is. Ik verzoek de heeren dit naar huis teschryven.Tweede wet.Er zal geen hagel vallen zoolang ’t gewas op het veld staat.Nota van toelichting.Men kan hiervan ’n boekweitwet maken, ’n tarwewet, ’n roggewet, ’n haverwet, enz. En, na ’t aangegeven idee over de splitsing van de jonkvrouwelyke deugden, vermeen ik hier, even als by de volgende wetten, eens-vooral de opmerking te mogen achterwege laten, hoeveel duizende wetten er te maken vallen uit elke wet die ik voorstel.Derde wet.Niemand zal z’n been breken.Vierde wet.Bankroeten zyn afgeschaft.Vyfde wet.Al de leden van de Tweede Kamer zullen bekwaam zyn, en verstaanbaar spreken.Zesde wet.Alle verkeerde begrippen worden ingetrokken.Zevende wet.Ieder inwoner van den Staat zal behoorlyk gevoed worden.Achtste wet.Er zal geen inbraak plaats hebben by diefstal.Negende wet.Alle landeryen worden vergroot.Tiende wet.Elke ingezetene zal voortaan juist zoo denken als de Ministers die den Staat regeeren.Elfde wet.Een gouverneur-generaal in Indië, zal Engelsch verstaan om Pope te kunnen lezen.Twaalfde wet.Kostschoolkinderen, militairen en gouvernements-arbeidslui zullen zich ontdoen van alle begeerte naar voedsel.Dertiende wet.Er wordt voortaan niet geonweêrd voor twaalf uren in den nacht, (middelbare tyd.)Veertiende wet.Alle ziekten die onaangenaam zyn voor de patiënten worden ingetrokken.Vyftiende wet.Geen jeugdig Nederlander zal onbekwaam en lummelig zyn.Zestiende wet.Geen bejaard Nederlander zal onbekwaam wezen, en saai.Zeventiende wet.Er zullen dertien witte boonen groeien in één snyboon.Achttiende wet.Men zal voor weinig geld zich even veel gemakken aanschaffen, als voor veel geld.Negentiende wet.Alle visch uit de Indische zee zal in Holland te verkrygen zyn om-niet.Nota van toelichting.Deze wet heb ik van ’n vriend die hoogleeraar is in de protéïne.Twintigste wet.De Javaan zal arbeiden uit vryen wil.Maar dit is domheid, dwaasheid, onzin, krankzinnigheid ennonsens!Juist, dat isNONSENS.Wat te bewyzenwas alweer ... geachte hoorders!Vrywillige arbeid is wenschelyk.Het is even ongerymd te redeneeren, te discussieeren, te parlementeeren over—onverschillig vóór of tegen—zulk ’n wet.(Duitenplatery).Ik meen u gebracht te hebben tot de erkentenis van deze waarheden, en alweder moet ik u verzoeken dit eens vooral te mogen constateeren, opdat ik dáárop althans niet zal moeten terugkomen.Om verschooning te verdienen, of juister om u te doen inziendàt ik verschooning verdien voor desoortvan bewysvoering door my toegepast op de stellingen, die ik alzoo de vryheid neem met dagbladschryvers-lankdradigheid vooroptestellen, voel ik my verplicht, vóór ik mag overgaan tot het derde deel dezer verhandeling, u ’n kleine geschiedenis te verhalen, die nooit gebeurd is.In zeker land heerschte beweging, onrust, tweespalt...agitatie. Er bestond ’n verschil van gevoelen, dat zeer diep ingreep in alle mogelyke “eerste beginselen”. Vaders haatten en onterfden hun zoons. Vrouwen verlieten hun echtgenooten. Winkeliers, hun toonbank en geldlâ... neen, zóóver ging de agitatie niet, maar ze ging toch héél ver.Omdat dezeagitatienadeelig werkte op den loop der zaken—zoo-alsalleagitatiën—werden er zeventig wyze lieden benoemd—septuaginta, ’n omineus getal!—zeventig wyzen alzoo, met witte haren en overvloeiende van persoonlyke geachtheid om de zaak die ’t volk zoo agiteerde, tot klaarheid te brengen.Die wyzen dachten diep na, en spraken veel. Zy spraken veel, en dachten soms zeer diep na. Eenigen hunner spraken veel, zonder zoo heel diep natedenken. Ook waren er die spraken zonder nadenken in ’t geheel.En onder hen die spraken, waren er die verstaan werden van-tyd tot-tyd.Maar onder de sprekers die verstaan werden, werd er geen enkele begrepen.Ik laat nu daar, of ze nietwildenbegrepen worden, d.i. of men zich in ’t land waarvan ik spreek, toelegde opduitenplatery. Maar zeker is ’t dat het volk, na lang getwist, na veel gespreks, even wys bleef als te-voren.Vaders hielden zich onophoudelyk bezig met onterven hunner zoons. Vrouwen gingen voort haar mannen te verlaten. Winkeliers ... neen, zóóver ging de agitatie niet, maar toch altyd-door, heel ver.En de wyzen werden hoe langer hoe witter van haren. En hunne persoonlyke achtenswaardigheid werd gedurig achtenswaardiger en persoonlyker. En ze spraken ... ze spraken ... Maar de agitatie duurde voort. Het volk werd niet wyzer. De vaders ... ge weet de rest.De deftigheid derseptuagintaklom tot hoogen ernst.Hun ernst werd plechtig.De plechtigheid ging over in ’t aandoenlyke.’t Volk was dan ook aangedaan. Maar het was dit door dezeer onprettige gewaarwording die men agitatie noemt, en geenszins door de meer gewenschte aandoening der erkentelykheid voor bekomen licht in de duisternis.En de vaders... ja, dit weet gy al.Metverfoeielyketuchteloosheid heb ik verzuimd u meetedeelen, waarin dan toch het verschilpunt gelegen was. Ziehier. De vraag die ’t volk agiteerde, die de zoons onterfde, die de vrouwen afdreef van de mannen, die de winkeliers ... neen, de winkeliers niet. De vraag die deseptuagintazoo bezighield—met behoud van persoonlyke achting—de vraag was deze:“heeft de heiligeDionysius,na z’n dood, gewandeld met z’n hoofd onder den rechter-arm of onder den linker-arm?Toen kwam er ’n eenvoudig man in ’t land, die geen witte haren had, en persoonlyk volstrekt niet geacht was, waaruit men met het oog op ’t gehalte van al die andere achting, zou mogen besluiten... nu, dit doet er niet toe. Hy zeide tot het volk: “Lieve menschen,Dionysiusheeft na z’n doodnietgewandeld. Hy heeft z’n hoofdnietonder den arm genomen, noch onder den linker-arm, noch onder den rechterarm.5Het volk gooide dien man met vuil. Dit spreekt vanzelf. Ook deonterfdezonen gooiden meê. Ze hadden dit niet moeten doen,zyvoóral niet. En ziet, de verzoeking om met vuil te werpen, werd zelfs den winkeliers te sterk. Ditmaal verlieten ze voor ’n oogenblik geldlâ en toonbank.Maar de man die nietpersoonlykgeacht was en geen witte haren had, bedacht een middel om een eind te maken aan de nuttelooze agitatie van ’t volk, en aan de even nuttelooze—onverstane en onbegrepen—deftigheid derseptuaginta. Hy nam een stoel ging er op staan, en sprak:“Hoort, burgers, hoort het woord dat tot u gesproken wordt over, en wel dóór den heiligenDionysius. Hy is my verschenen in den droom, en heeft me verzocht u allen te groeten. Hy laat u zeer bedanken voor uwen yver in de rechter-linkerkwestie. Doch die goede heilige wil niet dat gy te ver zoudt gaan in uw vurig streven naar waarheid, en dat ge ’t offer worden zoudt van uw onleschbaren dorst naar gerechtigheid. Daarom, o edele vaders,onterfdezonen, weggeloopen vrouwen, en wat dies meer zy, hoort wat de heilige man my gezegd heeft, en maakt terstond ’n eind aan uw agitatie:Ter voorkoming van na-yver tusschen zyne beide armen, heeft de onvolprezenDionysiusna z’n onthoofding, z’n lichaam tusschen de tanden genomen, en zóó is-i voortgewandeld!”’t Volk juichte. De redenaar werd bekranst. Ieder was tevreden. Ieder ... behalve de Septuaginters die ietwat verloren hadden van hun gewicht, hun aanzien en hunne persoonlyke geachtheid ...Ofgynu, zeer geachte hoorders, juichen zult, en my bekransen, nadat ik u in de twee eerste deelen myner rede het bespottelyke heb onder ’t oog gebracht van uwrechter-linkerkwestie, weet ik niet. Ik twyfel daaraan omdat ik weinigreden heb staat te maken op uwe rechtvaardigheid. De vertelling overDionysiushad geenszins ten-doel u toejuiching of kransen aftelokken voorzotternyen, nadat ge my die toejuiching hadt ontzegd voor al den ernst dien ik u gaf. Ik wapen me slechts tegen de beschuldiging dat ik m’n toon zoek ...Ziehier: (Havelaarpag. zooveel.)«Vervloekt dat verontwaardiging en droefheid zoo vaak zich kleeden in ’t lappenpak van de satire! Vervloekt dat ’n traan, om begrepen te worden, moet verzeld gaan van gegryns! Of is ’t de schuld myner onbedrevenheid, dat ik geen woorden vind om de diepte te peilen van de wonde die er kankert aan ons staatsbestuur, zonder m’n styl te zoeken byFigaroofPolichinel?Styl... Ja! Daar liggen stukken vóór my, waarin styl is. Styl die aantoonde dat er ’nmenschin de buurt was, een mensch wien ’t de moeite waard geweest ware de hand te reiken. En wat heeft die styl den armenHavelaargebaat?Hyvertaalde z’n tranen niet in gegryns, hy spotte niet, hy zocht niet te treffen door bontheid van kleur, of door grappen van den uitroeper voor de kermistent. En wat heeft het hem gebaat?.............................................................................................................................................................................................................................................................................................................................Weg met gemoedelyke taal! Weg met zachtheid, rondborstigheid, duidelykheid, eenvoud, gevoel! Weg met al wat herinnert aanHoratius,justum ac tenacem! Trompetten hier, en scherp gekletter van bekkenslag, en gesis van vuurpylen, gekras van valsche snaren, en hier-en-daar ’n waar woord, dat het meê insluipe als verboden waar, onder bedekking van zooveel getrommel en zooveel gefluit.Styl!Hyhad styl!En wat heeft het hem gebaat?Als ik dus wil worden gehoord—en verstaan vooral—moet ikandersschryven dan hy!»Ja, dan moet ik anders schryven, zeer geachte hoorders! Enanders spreken ook. Hieraan hebt gy die treffende historie vanDionysiuste danken. Vermaakt er u meê.En nu, dunkt me, kan ik overgaan tot het derde gedeelte myner preek, waarin ik eenige beschouwingen wensch medetedeelen ...Naar den duivel met die preêk en die beschouwingen in ’n derde-deelig lystje! Naar den duivel met uw gareel waarin ’k niet loopen wil, gy die geen paard begrypt zonder juk, geen leest zonder keurslyf, geen taal zonder spraakkunst, en geen waarheid zonder peperhuis, waarin ze ligt opgerold, toegevouwen, platgedrukt, inééngefrommeld, als ’n theater-affiche van den vorigen keer!Naar den duivel met uw schoolmeestery, gy die meent dat schryven of spreken iets anders is dan ’t weergeven van de indrukken der ziel! Gy die dáárom van de ziel ’ntalenthebt gemaakt, omuwaangeleerd, verschoold talent voorzielte doen doorgaan, en alzoo dat talent te maken tot grondstof van ’n beroep “dat wat gééft!”Voort ... terug naar de schoolbank, gy meesters in dingen die men niet leert, gy volleerden in zaken die ge hadt moetenvoelen, vóór gy iets leerdet! Weg, preêkers, babbelaars, redevoeringhouërs, preek- praat- redeneer- vertoog- pleit- verhandelkranen,à raisonvan zooveel woorden in ’t uur, van zooveel centen ’t woord! Weg handelaars in de waarheid, tegen honderd liters in de minuut. Debitanten en splitsers van gevoel in volzinnen groot en klein, by den emmer en by ’t maatje ...Gyhebt het Volk bedorven! Gy, schriftgeleerdengy,gy,gy...Gy, met uw gepraat over dingen die vanzelf spreken. Gy, met uw gepraat over dingen die in ’t geheel niet spreken. Gy, met uw rechterzy en uw linkerzy. Gy met uw behoud en uw liberalisme. Gy, met uw “eerste beginselen” die onmisbare bondgenooten van elke beginselloosheid. Gy, met uw deftigheid en witharige wysheid. Gy, met uw duitenplatery, dat is: gy met uwbedrog...GYhebt het Volk bedorven!En ge huist, als vuil ongedierte, niet alleen in de plooien van de “toga der Volksvertegenwoordigers—ge nestelt overal waar ge kunt plaats vinden tusschen naad of vouw der bedekking van de een-of-andere deftigheid. Gy, sprekers, praters, schryvers, redenaars, preêkers ...AAN DEN UITGEVER.Waarded’Ablaing!Neen, er zal niet gezegd worden dat niemand beproefde denvloek te bezweren die er rust op het Volk. ’t Zal niet gezegd worden dat niemand de ziekte aantastte, de rottende ziekte waaraan dat Volk lydt: deLEUGEN.Ik zal doen wat ik kan.Ik verzoek u de uitgaaf op u te nemen van ’n werk dat ik zooeven bedacht heb. Ik zal u elke week ’n vel druks leveren. Ja, als ik ’n kamer heb waar ik rustig zitten kan, twee vellen in de week. Ik verbindmyvoorloopig tot schryven van zes-en-twintig vellen, dat is dus—als ik geen goede kamer heb—voor ’n half jaar.Geef dat uit naar uw goeddunken. By inteekening, zonder inteekening ... voor veel geld, voor weinig geld ... het scheelt my niet.Ik zal in dat schryven trachten naarwaarheid.Dit is m’n program. Dit is m’n eenig program.Ik zal geven:verhalen, vertellingen, geschiedenissen, parabelen, opmerkingen, herinneringen, romans, voorspellingen, mededeelingen, paradoxen ...Ik hoop dat er ’n idee zal liggen in elk verhaal, in elke mededeeling, in elke opmerking.Noem dus m’n werk:Ideën.Anders niet.Enschryfer boven:“een zaaier ging uit om te zaaien.”Kondig het terstond aan. Dat werk zal de vaan wezen die ik ophef en hooghoud:parceque suivre bannière ne peux!Ja, dat zal ik doen. En nu de vrye arbeid!Ik zou u op schoolsche gronden kunnen betoogen, lezer, dat de zysprong dien ik my zoo-even veroorloofde, volstrekt noodig was in myn bewysvoering. En ik, die zoo op-eenmaal den weg verliet, waarop wy te zamen wandelden, begin intezien dat ik waarachtig meer talent bezit dan ikzelf wist. Let eens goed op, ik zal u een kykje gunnen achter de schermen.Toen ik ’n paar bladzyden geleden, denHavelaaropsloeg, om de passage uitteschryven, waarin ik my beklaag over de ellendige noodzakelykheid om u grappen te verkoopen, wyl ge anders niet zoudt luisteren, werd ik innig bedroefd. Want ik las daar ... ik las ... ik las ...Alles kwam my zoo voor den geest terug! Ik riep gedurig: myn god, het is toch wáár wat ik daar schreef! ’t Is toch wáár dat ik daar m’n plicht deed in levensgevaar. ’t Is tochwáárdat ik arm en onmachtig vanLebakvertrok met vrouw en kind! ’t Is toch wáár, dat ik sedert dien tyd niet heb opgehoudenbitter te lyden om ’t vervullen van m’n plicht! ’t Is toch wáár dat we alles hebben gedragen met geduld, met waardigheid en met moed ...Dat alles is toch de waarheid, o myn God!En ’t staat toch geschreven in dat boek. En al staat daarin nietallesgeschreven, omdat alles niet geschreven worden kàn, er staat toch genoeg in dat boek, om te doen begrypen ook wat ik niet schreef ...En dat boek was “zoo mooi” zeiden ze. En ze lazen dat zoo gretig, met zooveel ingenomenheid, en zoo overal!En toch... toch... toch is er geen recht gedaan! Tòch ben ik even ver alsof m’n boek niet “mooi” was geweest! Even ver als-of er niet zooveel tranen waren gevallen op dat handschrift...Toen ben ik verdrietig en bitter geworden.En ik zocht de oorzaak die ’t rechtdoen in myn zaak in den weg staat, en ik vond die in de ziekte waaraan ge lydt, Nederlanders, ik vond die in uw rottende ziekte, in...leugen.Immers, ik heb u waarheid gezegd, en gylieden hebt niet gehoord.En dagelyks verkondigt men u leugens, en ge luistert.Dááróm ben ik op-eenmaal ter-zy gesprongen, en legde m’n vloekbrief neêr voor de woning dergenen die u bedriegen. Dáárom spykerde ik in ’t voorbygaan de konde myner vete aan de poort van de roofridders die op geestelyk gebied uw gemoed prysverklaren, en hun hoogheid ophouden door diefstal.In de middeleeuwen nam men ’t Volk geld en goed af. Dat heette adel in die dagen.Hoe hooger het roofslot, hoe onbereikbaarder de dief... hoe hooger adel.Thans neemt men u de waarheid af. En dit heet geleerdheid, staatkunde, godsdienst, bekwaamheid, in deze dagen.En hoe hooger de preêkstoel, hoe verhevener de katheder, hoe deftiger ’t gestoelte... hoe meer geleerdheid, hoe meer godsdienst, hoe meer zedelykheid, hoe meer invloed, hoe meer gezag, hoe meer bederf!Toen de boeren der middeleeuwen te-hoop liepen, bleek er spoedig dat de ridders de sterksten niet waren, en dat ze alleen den meester spelen konden, zoolang de goê-gemeente vergat dat er verzet mogelyk was.En gy, eenvoudige lieden van gezond verstand, bedenkt dat de tabbert der geestroovende leugensprekers onzer dagen niet van sterker maaksel is, dan de harnassen der goed- en geldroovende dieven van adel.Er is maar één adel. Eén adel, die harnas behoeft noch tabbert. Zyn strydperk is hetlicht. Zyn schild is dewaarheid. Zyn kampvechter deGeschiedenis der menschheid. En zyn zwaard is hetWOORD.Dàt woord zal ik naar de mate myner kracht tot u spreken in deze brochure, en inIDEËNdie ik van plan ben uittegeven. Daarin zal ik neêrleggen wat er omgaat in m’n ziel...

There is something rotten in the State!Zoo eindigde het eerste gedeelte dezer brochure, die ik eensklaps afbrak om reeds dadelyk als m’n innige overtuiging te verklaren dat Vrye-arbeid inIndië, op dezen oogenblik leugen is. Ik wilde die meening publiceeren voor ze ’t uitvloeisel konschynenvan eigenbelang.Ja, daar is verrotting in den Staat, en de naam van die verrotting, Nederlanders, isLEUGEN. Van boven tot beneden heerscht leugen.De troonrede spreekt van ongestoorden vrede, van rust en geluk, op den oogenblik als duizenden daarginder bezwyken onder hongersnood, of neêrzygen onder de klewang-bajonetten uwer voor hoog handgeld gehuurde soldaten. Die troonrede spreekt dus leugen, Nederlanders!Uw Tweede-Kamer beraadslaagt met voorgewende deftigheid wat zy zal antwoorden op dien leugen, en brengt na ’t hooren van ’n zestigtal geachte maar onverstane sprekers, met kunst en moeite den leugen voort, dat ze dien opgedischten anderen leugen met genoegen heeft vernomen. Daarop houdt ze zich bezig mee het beoordeelen der wetten, haar voorgelegd door Ministers die zich alweer niet kunnen staande-houden zonder leugens. En de beraadslaging, die reeds leugenachtigedonneésbehandelt, ditberaadslagingzelve is leugenachtig. Wantbyuw Vertegenwoordiging, Nederlanders, wordt niet gevraagd naar destrekkingder behandelde wetten, de vraag is of ’t belang van dePARTYmeebrengt, dat deze of geene Minister aan ’t bestuur blyve. Er wordt in uwe Kamer handel gedreven in stemmen. Men biedt hulp in ’n accynskwestie, ter betaling voor ’t zwygen over ... dat andere. Delft zal Twenthe steunen in z’n linnenkraam,à titre de revanchevoor Delftsche boter. De eikenkroon voor den neef van ... zekeren heer, is de belooning voor ’t intrekken van dat laatste amendement. ’n Lange straatweg die uitloopt op X. en de buitenplaats voorbygaat van ’n geacht lid, wordt betaald met ’n nog langer redevoering die alles voorbygaat, en op niets uitloopt. Uw Tweede-Kamer, Nederlanders, is ’n markt van stemmen. Wie ’t meest biedt,mynt. Wie zelf niet bieden kan, associëert zich met een-of-andere compagnieschap die ze “staatkundige party” noemen. Als er evenwicht is tusschen bod en behoefte, ontstaat er ’n ministerieele krisis. Wordt dit evenwicht verbroken, dan komt de meerderheid op ’t kussen, en blyft daar tot de minderheid op haar beurt weêr hooger bod kan doen.De waar die men op deze markt verkoopt, is nooit de tentoongestelde of geannonceerde. ’t Is daarmeê als met sommige winkeliers, die handschoenen of sigaren voor ’t venster leggen als pretext voor ’t handeldryven in meisjes achter de toonbank.Op die markt spreekt men over eerlykheid, en bedoelt winst. Over begrippen, meeningen, inzichten, overtuiging, en bedoelt belang. Over rechtskwestiën, en bedoelt onrecht. Over staathuishoudkunde, en bedoelt diefstal. Over vryheid, en bedoelt dwingelandy. Over menschenrecht, en bedoelt moord.De schoonste redevoering, die ooit gehouden werd in ’n vergadering van vertegenwoordigers, is vanCromwell. Schrikt niet, lezers, lang is ze niet, ziehier:“You are no parliament! I say You are no parliament! Begone, and give place to honester men. What shall we do with that bawble? Take it away ...To honester men ...maakt plaats vooreerlyker lui! Juist.Cromwellhad een zeer eigenaardige manier om plaats te maken, maar dewyl gy, Nederlanders, nu eenmaal langzamer te-werk gaat, raad ik aan toch alle middelen die u ten-dienste staan te beproeven, omCromwell’sdoel te bereiken, hoe langzaam en vervelend dan ook de middelen werken. Ge hebt de zoogenaamde vryheid van verkiezingen. Maakt daarvan nu-en-dan eens gebruik, enverbeeldtu niet dat ge ’tdoet, door uw candidaten te zoeken op de voorzyden uwer couranten, of in de aanbevelingslysten der kieskollegiën. Tracht dooreigeninzichtte geraken tothonester menin uwe Kamer. Toont dat ge misselyk zyt van al ’t gekibbel over voorgewende kwestiën. Toont dat gewaarheideischt, en u verzadigd voelt, tot walgens toe verzadigd, van parlementaire leugens.Want het zynleugens, de kwestiën waarmeê ze zichzelf en u bezig-houden, Nederlanders!’t Is de vraag niet of de Javaan moet worden uitgezogen door liberale of door behoudende bloedzuigers. De vraag is: of hy moet mishandeld worden, door wien ook?En op deze vraag is slechts één antwoord mogelyk;neen!Dit staat duidelyk geschreven in het Regeeringsreglement, en duidelyker nog—o veel duidelyker!—in ’t hart van ieder die daarin ’n betere godsdienst omdraagt, dan er valt van-buiten te leeren uit ’n oud boek.Zoolang men in uwe Kamersdievraag niet durft te-berde brengen ... zoolang daar niet zal opstaan de oprechteDERDE PARTY, DE PARTY VAN WAARHEID, de party die zonder vasthouden aan kinderachtige stelseltjes, de hoofdzaak behandelt, en aan die hoofdzaak allebyzaken ondergeschikt houdt ... zoolang men in die Kamer vragen zal: zyt ge behoudend of liberaal, insteê van plichtsvervulling te eischen van liberalen en behouders beiden ... zoolang men daar luistert naar onverstane redevoeringen over Vryen-arbeid en Kultuurstelsel, en intusschen door stilzwygen goedkeurt dat uw prachtigIndiëwordt bedorven door onbekwame gouverneurs ... zoolang men daar blyft doorwawelen over Art.56van ’t Indisch Regeeringsreglement, in plaats van voldoening te eischen aan ’t oneindig belangryker55eartikel van datzelfde Reglement ... zoolang men in die Kamer duldt dat deSlymeringenworden beloond, en deHavelaarsgestraft ... zoolang men daar traagheid, lauwheid, eedverkrachting en misdaadblyftsteunen tegen yver, plichtsbesef, eergevoel en moed ... zóólang zal ik blyven zeggen:begone, and give place to honester men!En meent nu niet dat ik uw Tweede-Kamer te hard val, Nederlanders. Ik heb ’n antecedent voor my, dat in hevigheid myn vonnis te boven gaat ... het antecedent dat uitging van die Kamer zelf, waarin men, ge hebt het gehoord, elkaâr over-en-weer heeft genoemd:Droogstoppels, d. i. zonder de minste vryheid in ’t vertalen:ELLENDELINGEN.Ikdie Kamer hard vallen? Eilieve, ik sprak nog alleen van de leugens die men daar behandelt, ik roerde alleen de onzedelykheid van uwe vertegenwoordiging aan. Hoe zou ’t wezen als ik lust had eens hettalenten dewerkzaamhedenvan al uw geachte sprekers te schatten? Dat gy, Nederlanders, by-voortduring tevreden zyt met onwaarheden, kan ik nog beter begrypen,dan dat ge niet opstaat tegen ’t byna totaal gemis aan talen in uwe Kamer. Leugens, ik beken dit, kunnen iets aantrekkelyks hebben, vooral wanneer de opvoeding altyd daarheen leidde. Maar eergevoel en eigenliefde moesten u aandryven om eens ’n ander soort van menschen naar den Haag aftevaardigen. Bedenkt toch dat de vergadering van geachte sprekers gecenseerd wordt de monsterkaart te wezen van alles wat uw land uitstekends bezit, en dat de vreemdeling—wanneer-i eens in ’t hoofd kreeg achttegeven op uwe Kamers—zich al zeer spoedig de vraag zou voorleggen: zóó zyn de knapsten, wat moet ik denken van de rest?Welke redenaars heeft uw parlement opgeleverd sedert 1816? Welke staathuishoudkundigen? Welke schryvers? Welke karakters? Welke groote mannen?O, zeker... ge zult in antwoord op die vragen ’n paar mannen noemen, maar ge moest u bezinnen voor ge die noemde. Dit had niet noodig moeten zyn, en ’t blyft de vraag nog of ge ’t recht hadt die mannen te noemen, al vergaf ik u ’t bezinnen.Inderdaad, Nederlanders, òf ge telt weinig uitstekende mannen onder u, òf ge stelt hen te hoog om ze te veroordeelen tot vyfjarigen dwangarbeid op de parlementaire galei. Maar in dit geval, waar blyven ze dan? Ge kunt ze toch niet allen griffiers maken, zooals metSloetgeschied is, wiens onderkoninkschappelyk genie jaren lang zoo deerniswaard begraven bleef onder proces-verbalen van de zittingen der Geldersche Staten. We hebben immers maar elf provinciën in ons land.Bedenkt toch, bid ik u, wanneer ge dan geen prys stelt op de eer en het belang van de Natie, dat ge misschien eenmaal naar den Haag zult gaan, gy of uw kinderen, en dat de mannen aan de poort u en uw familie zullen beoordeelen naar de modellen die ge jaar-in jaar-uit daarheen zondt uit uwe stad. Waarachtig, men zal er u op aanzien, en ’t zal u weinig baten in de opinie der tollenaars, dat ge u verschuilt achter de hoofdartikelen van uw krant die u de modellen aanprees als: “zoo byzonder achtenswaardig.”Leugen.Dit is de naam van de ziekte, de rottende ziekte waaraan de Natie lydt. Wie naar waarheid streeft, wordt gescholden, belasterd en mishandeld. Wie zich aansluit aan ’n party die leugens uitvindt tegen-over de leugens der andere party, wordt gesteund, verheven, beloond.Leugens ontvangt de Gouverneur-Generaal in Indië, van de residenten. Leugens geefthyden Minister. Leugens geeft deze terherkauwingaan de Tweede-Kamer.Leugens verspreiden de dagbladen onder hun abonnés.Met leugens houden de partyen zich staande.Met leugens wordt het Volk gevoed.Leugens doen adressen teekenen.Met leugens wekt men kunstmatige agitatiën op.Zoo waarlyk ik veel gedragen heb, ik zegge u, daar is verrotting in den Staat, en de naam van die verrotting isleugen!Ge zoudt onrechtvaardig handelen, Nederlanders, my tevloekenom deze uitspraak. Ik heb ’t recht, luid te spreken voor de waarheid waaraan ik door veel lyden verbonden ben.En ook ware ’t onbillyk my euvel te duiden dat m’n toon anders is dan de toon die aan leugens passen zou. Ge begrypt immers dat juist de gladde gemanierde schuifelende effenheid deronware woorden noodig was om u voortdurend al die onwaarheden te doen slikken als goede spyze? Ge begrypt immers dat er ’n andere taal dan de gewone noodig is, om u wakker te schudden uit uw slaperigheid? Ge begrypt immers, in één woord, dat ik niet schryven kàn als ’n ander, juist òmdat ik u de waarheid zeg?Maar wilt ge die hooren? Is ’t u inderdaad om waarheid te doen?Ik weet het niet. Jazelfs ge noopt mydikwylsdaaraan te twyfelen.Doch dit is uwe zaak. Myn zaak is u die waarheid te zeggen.Neemt ze aan, ohandeldryvendeNederlanders ... al waar ’t om de goedkoopte alleen. Ge betaalt uw leugens duur, zeer duur, en my betaalt gy niets. Dit niet-betalen moge nu oneerlyk wezen ... de uitgestelde schuld aan my, moge schandelyk vuile plekken nalaten, als gy ze in uw boeken durft doorhalen met gewetenlooze pen ... dit doet er weinig toe. Wat men niet betaalt, is altyd goedkoop. Ik beken dan ook dat het u moeielyk vallen zou my alles te betalen wat ge my schuldig zyt, ook al waart gy eerlyk genoeg om het te beproeven.Waarheid?Wat is dan hier waarheid? Wàt is waarheid over de zaken die thans aan de orde van den dag zyn? Ik wil trachten u dit te zeggen, schoon ’t me moeite kost, lezer. Herhaaldelyk heb ik u toegeroepen dat ik teksten schryf, en geen preêken. Is ’t u inderdaad om waarheid te doen? Waarlyk, wezenlyk, waarachtig?Welnu, sla deze bladen toe, leg dit kleine boekjeongeopend voor u, lees den titel op den omslag, lees ...Laat het boekje gesloten liggen, zeg ik u.Lees den titel op den omslag ... lees voort ... lees voort tot op den naam van den edelen man die de goedheid heeft,—uit liefde tot de waarheid, hoort ge!1—deze blaadjes uittegeven, en ...Weet ge nu nòg niet, lezer, wat de waarheid is?Dan wanhoop ik aan ’t slagen van elke poging om u die waarheid aan ’t verstand te brengen. Dan ontken ik de oprechtheid uwer begeerte om die waarheid te weten.Dan verklaar ik u te diep verleugend om behoefte te kennen aan waarheid, om besef te hebben van waarheid, om eerbied te voelen voor waarheid. En als ik te-werk ging naar den indruk van ’t oogenblik, dan legde ik hier de pen neêr.Wie na ’t lezen van de drie motto’s op den titel, nòg niet weet wat waarheid is omtrent de zoogenaamde kwestie van den dag, kan zich de moeite van ’t verder lezen sparen. Hy zoeke z’n “voorlichting” elders. Ge weet wel, waar? En als er geen krant by de hand is, dan maar in ’s hemels-naam in ’t byblad.“Als ik te-werk ging naar den indruk van ’t oogenblik!” maar ik ganietnaar den indruk te-werk. Ik ben methodischer dan er gemeend wordt door lieden die geen geestdrift begrypen zonder kortstondige naar krankzinnigheid zweemende drift van geest. Ik denk zeer lang voor ik handel, en ik overyl me zelden.Mynleven—dat een geheel is—zou ditbewyzenaan ieder die wat meer menschkunde bezat dan er noodig is tot het ontcyferen van al te dagelyksche karakters.Ik handelnietnaar den inspraak van ’t oogenblik, en zal dus voortgaan u zoo lankdradig en vervelend als maar eenigszins mogelyk, aan ’t verstand te brengen dat:VRYE ARBEIDWENSCHELYK,maar:DAT DE KWESTIE OVER VRYEN ARBEID, NONSENS IS,om daarna te besluiten met eenige toepasselyke beschouwingen, waaruit misschien zou kunnen blyken:dat het niet juist de vry-arbeiders zyn, die denJavaanzullen opleiden tot vrywilligen arbeid.Verleent my hiertoe ... neen, dit behoeft niet.Vrye arbeid is wenschelyk.Staat me by, alle goede geesten van kansel en balie! Helpt me met uw verrukkelyke bewysvoeringen en lankzinnigheden, gy allen die ooit middel vondt om ’nmur-mitoyente begraven onder pleitredenen van zeven uren gaans!Staat me ter-zy, redenaars in de afschaffings-genootschappen, die ’n heelend avend kunt vullen met het betoog dat het beter is nuchter dan dronken te zyn! Helpt me, gy allen die de kunst verstaat veel woorden te wyden aan weinig zaaks ... steunt me, redt me, staat me by!Geeft me ’n adjektief by elk substantief.Geeft me ’n bywoord by elk adjektief. En by elk werkwoord, ’n bywoord.Blaast me lange volzinnen in ’t oor, overal waar de korte te duidelyk zouden wezen voor ’t begrip.Overlaadt my met uw nogtans, uw niettemins, uw hoezeers en uw niettegenstaandighedens.Geeft my de kracht om totate zeggen: o, gy eerste der vierentwintig letteren! Het talent, om dertienmaal achtereen ’t zelfde te betuigen met andere woorden.Gy vooral,van der Palm, gy vooral, sta me by! Gy die in uw diepzinnige uitlegging der nog diepzinniger Schrift, den Volke hebt meêgedeeld dat er onder ’t woord “bedden” moest verstaan worden: groote bedden en kleine bedden.2Tot u vooral wend ik my, prins der preêkers, tot u wend ik my om hulp. Want zie, ookikga eens ’n preek maken. Men wil dit zoo. Uw voorbeeld richte my ... uw kracht sterke my ... uw geest beziele my ... dit hoop ik!En gy die me hoort, vergeeft dat ik niet terstond my verheffen kan tot de hoogte dergenen die levenslang zich toelegden op lankheid en overbodigheid.Bedenkt, bid ik u, dat ik my altyd bezig-hield met kort en goed te zeggen wat er te zeggen viel, en dat men niet opeenmaal meester worden kan in alle kunsten.Ik begin tegen m’n gewoonte met ’ncaptatio benevolentiae: ik beken schuld. Reeds veel vroeger had ik my moeten toeleggen op de nooit genoeg te waardeeren handigheid, de waarheid vervelend te maken opdat ze u zou aanstaan. Ja daarin beken ik schuld. Ik beloof beterschap ... en tot bewys: ziehier!VRYE ARBEID IS WENSCHELYK.Om dit te bewyzen, waarde hoorders, zal ik beginnen met te zeggen dat het niet waar is. En ik heb nòg ’n confidentie te doen. Ik zeide u zoo-even dat ik methodisch was, en lang nadacht voor ik handelde of sprak ... welnu, ook dit is niet waar. Vrye-arbeid isnietwenschelyk, en ik bennietmethodisch. Wat ik heden zeg, trek ik morgen in. Ik bestryd vandaag de stelling die ’k gister opstelselde. Ik moet dit nu wel erkennen, wyl ikvoor ruim twee jarende domheid gehad heb openlyk te verklaren dat Vrye-arbeid ’n goede zaak was. Natuurlykzagik deze inconsequentie liever bedekt met den mantel der vergetelheid, maar ik vrees dat dit niet gelukken zou, omdat een uwer misschien in ’t bezit is van ’n exemplaar derAmsterdamsche Courant van 9 December 1859No. 294 (avondeditie) waar we—met gepasten eerbied—o. a. het volgende lezen:«De vraag van den dag is:vrye-arbeidofgedwongenarbeid.De theoristen—ik neem aan dat zy allen eerlyk zyn, en dat hunne halzen geen schaafmerk dragen van ’t systeemjuk—de theoristen kunnen met den besten wil onmogelyk zonder de hulp van personen alsSlotte3die zaak beoordeelen. Zy kunnen betoogen, bewyzen zelfs, dat Vrye-arbeid beter is, zedelyker, meer kans aanbiedt op welvaart...Gewis! Maar ... wie twyfelt daaraan?Wie twyfelt er aan, of absentie van roof, moord, diefstal, echtbreuk, luiheid, wenschelyk ware?Wie twyfelt er aan, of hetgoedebeter is dan hetkwade?Maar die vragen zynoiseus.De vraag is niet: wat hier het betere zy? De vraag is: of het betere kan bereikt worden? En, zoo ja, langs welken weg?”Helaas, zoo schreef ik voor ruim twee jaren! En wat het ergste is, m’n naam staat er onder. O, had ik toen kunnen voorzien dat de eischen des oogenbliks my in Januari 1862 zouden dwingen tot de verklaring—en ’t bewys—dat vrywillige arbeidnietwenschelyk, dat ze integendeel onaangenaam is, nadeelig, onzedelyk, onvoordeelig en verfoeielyk... o had ik...Maar naklagen baat niet. Het staat er nu eenmaal. Zou ik kunnen beweren dat er tekstvervalsching plaats had? Of dat de redaktie derAmsterdamsche Courantm’n schrift, m’n styl had nagebootst... neen, dit kan niet. En bovendien, dan had ik vroeger moeten protesteeren tegen de onzinnige kettery die daar te lezen staat, met m’n naam er onder in volle letters.Neen, geen omwegen! Ikheb’t gezegd. Ik hèb verklaard datvrywillige arbeid beter is dan gedwongen werk. Daaraan is niets te veranderen. Maarnutrek ik die dwaling in, en beweer dat niets schandelyker en nadeeliger is dan vrywillige arbeid.“En hoe zyt ge geraakt tot deze nieuwe overtuiging?” zal men vragen ... naar ik hoop. Want als men het niet vraagt, zou het den schyn hebben alsof m’n preek den hoorder evenzeer verveelde als myzelf.Hoe ik daartoe gekomen ben? Zeer eenvoudig. Neen, neen... om-godswil, vergeef me,nieteenvoudig! Ik vergat daar dat eenvoud m’n kerk leegschrikt, en dat alleen omslag gewild is. Volstrekt niet eenvoudig dus. Op zeer ingewikkelde wyze ben ik genezen van m’n dwaling, en wel ... raadt eens door wien? Door kleinenMax.Dat kind is goed en zacht en gehoorzaam. O, ik vrees hy is àl te goed, àl te zacht! En, hoorders, als uw kinderen op hun ouders gelyken, dan zal myn kind ter-zyner-tyd de straffe dragen die de wereld toepast op goedheid, om wraak te nemen over het verschil.Hoe dit zy, hy is willig en gehoorzaam. De kleine plichten die z’n leeftyd hem oplegt, vervult hy gaarne. Zelden of nooit behoeft men hem iets te bevelen. In één woord, tot-nog-toe arbeidde hy geheel en alvrywillig.Voor eenige dagen sloeg het uur waarop hy gewoonlyk door z’n moeder wordt ter-ruste gelegd. In-plaats van als altyd op dat uur z’n speelgoed wegtebergen, zich uittekleeden en ons goeden-nacht te wenschen, kwam hy tot me, en zei:—Papa, ik heb ’n idee!Ik schrikte.—Arme jongen, dit moet niet dikwyls gebeuren. Het zou je hinderen in de wereld. Wat is het?—Wel ’t is tyd om te slapen ...—Is dit je idee?—Neen, luister! Toen ’t gister bedtyd was, heb ik me terstond gereed gemaakt, en u vroolyk goeden nacht gewenscht. Ge hebt me vriendelyk geantwoord, my opgenomen, naar-achter gedragen, neêrgelegd, toegedekt, en toen ge met moeder, de kamer verliet, was uw laatste woord, zoo-als altyd: goeden nacht, beste jongen ...—Zeker, dit alles is waar, en moeder zei dat ook, en jyzelf hebt ons vriendelyk nageroepen: goeden nacht! Is dit dan zoo verkeerd? Wat wilde je anders? Heb je daarna niet goed geslapen?—Ik heb goed geslapen,maar ... die manier van naar bedgaan, deugt niet. De werkster heeft ’n zoontje zoo oud als ik, en ik heb gehoord dat dit jongetje’s avondsniet naar bed wil. Dan moet z’n moeder hem door slaag dwingen. Beste lieve papa, ik ben toch niet minder dan ’t kind van die werkster! Wilt ge my ook dwingen om naar-bed te gaan?—Maar kind, hoe kan ik je dwingen tot iets wat je doet zonder dwang?—O, heel gemakkelyk. Ik zal niet willen.Ik beken dat ik ’t kind niet begreep, maar dewyl ik zoo dikwyls genoodzaakt ben hem sommige uitspanningen te ontzeggen, besloot ik ditmaal aan z’n verlangen te voldoen. En het doet me nu genoegen toegegeven te hebben in ’n wensch die:1o. het kind gelukkig maakt.2o. ’n aangename afwisseling te-weeg brengt in m’n huiselyk leven, en3o. my genezen heeft van de dwaling dat vrywillige arbeid ’n wenschelyke zaak is, zooals ik twee jaar geleden meende.Na dien tyd namelyk gaat m’n kind nooit dan gedwongen te-bed. Ik sla en mishandel hem, eerst om hem te ontdoen van de goedaardige gedweeheid die hem zou te-bed dryven ook zonder slaag, en daarna mishandel ik hem nog-eens om hem te dwingen tot naar-bed gaan. En meer nog. Ik pas die mishandeling toe op alles wat er voorkomt. Ik maak hem al zyn plichtjes zóó onsmakelyk, dat-i de vervulling weigert, om daarna hem tot die vervulling te dwingen door mishandeling. Alle vrywilligheid ten goede wordt uitgeroeid, en ik heb de aangename voldoening dat m’n kleine jongen, die vroeger op vervelend eenvoudige wyze deed wat-i doen moest, nu tot niets kan gebracht worden dan langs den allerverrukkelyksten omweg van honger en slaag.Men heeft geen begrip van de streelende verpoozing die deze stryd tegen den vryen wil my verschaft. Gisteren nog:—Wat doeje daar,Max?—Papa... ik heb...—Zeg op... spreek... wat deed je daar?—Papa... ik heb... adem gehaald?—Waarom deed je dit, ongelukkig kind?—Papa... ik deed het... omdat... omdat...—Je deed het zeker omdat je ’twilde?—Ach ja, Papa!—Vervloekte erfzondige verdorvenheid! Terug dien adem,terug, zeg ik je ... terstond ... oogenblikkelyk! Ik zal je leeren ademhalen uit vryen wil!Daarop sloeg ik hem tot z’n longen waren teruggebracht instatu quo ante. En vervolgens:—Haalnuadem omdatikhet je gelast! Maar, zei ik er fluisterend by, gehoorzaam niet terstond.Het kind begreep me volkomen, en weigerde adem te halen, voor ik het daartoe gedwongen had door ’n flinke herhaling van straf.Nu valt-i by-den-dag af, als iemand die op ’n ministeriëele beschikking zit te wachten. Hy smelt weg, en vergaat als kamfer. Z’n lastige vroolykheid is geknakt. Het eenige wat-i nog van-tyd tot-tyd vrywillig doet, is schreien en zuchten. Ik zal hem gelasten zich ook deze uitspanningen te ontzeggen, zoolang ik ze hem niet uitdrukkelyk voorschryf.Maar, zegt men misschien, dit zyn slechts huiselyke zaken. Nu ja! Doch evenalsNewtonuit het vallen van ’n appel, tot de wet besloot, die ’t Heelal regeert, besluit ik tot de noodzakelykheid eener algemeene dwangwet uit de opmerkingen die ik maak in myn gezin.Vergunt my u al terstond meetedeelen hoe ik getracht heb de manier, die sedert eenige dagen myn huis tot ’n waar paradys maakt, op de algemeene zaak toetepassen.Ik ben zeer bevriend met ’n agent van policie, die in z’n leêgen tyd wysgeer is. Dezen heb ik myn stelsel uitgelegd, en hy begreep het terstond, omdat ik ’n oogenblik had waargenomen van leêgen tyd. Niet alleen begreep-i my, maar reeds den volgenden dag paste hy m’n heerlyke uitvinding toe. Ziet hier, geachte hoorders, een extract uit zyn dagboek:Brussel, 12 Januari. De persoon A. van de trottoir gegooid, om daarna hem te dwingen op de trottoir terugtegaan.De huisvrouw van B. uit hare woning gehaald, en haar daarheen teruggebracht. Drie uren geschilderd voor de deur van ’tgemeenschappelykdomicilie, om ze te dwingen t’huis te blyven.Zy beweerde dat ze er niet aan dacht om uit-te-gaan, maar van dien vryen wil heb ik ’n afkeer.Een koetsier gelast z’n paard aantedryven tot hollen, om hem dat te verbieden.Eenige faro-drinkers die voor bezetten tyd de estaminet wilden verlaten, daarin opgesloten tot middernacht, en ze daarna gedwongen naar huis te gaan.Iemand die zich verstoutte rustig by den weg te gaan, metstokslagen gemoveerd tot onrust, en hem daarna gearresteerd als schuldig aan rustverstoring.Zoo-ver ’t dagboekje van m’n vriend den wysgeer-agent van policie. Maar er is meer.Ge weet nog niet ten-halve, beste hoorders, hoe diep myne ontdekking over de wenschelykheid van dwang, ingrypt in de belangen van stad, land, werelddeel en heelal.Ik zal ’t laatst het eerst nemen, dan zult ge ook al ’t andere wel gelooven.’t Heelal ... zeker! Hebt ge er wel eens aan gedacht, hoorders, hoe schandelyk het is voor ons allen dat de zon geheel vrywillig stilstaat, en dat de aarde, die kleine eigenwyze aarde maar altyd-door in de rondte draait, zonder dat wy haar dit bevolen hebben?Ziedaar nu de gevolgen van onze berispelyke onachtzaamheid. Maar beter ten-halve gekeerd dan geheel verdwaald. We zullen de zondwingentot stilstaan. Niets is gemakkelyker. Men geve haar eene Tweede-Kamer als de onze, dan sta ik borg dat ze geen stap van de plaats komt. En de aarde die zich, wie weet hoe lang al, met aanmatigende eigenwilligheid veroorlooft te draaien tot eigen genoegen, wy zullen haardwingentot draaien. Om al deze verbeteringen intevoeren, wacht ik slechts op het ééne vaste punt datArchimedesgezocht heeft, en ... ik beloof u ’n heerlyke toekomst.Alles zal gedwongen zyn. Door dwang zal ’t kind z’n ouders beminnen. Door dwang zult ge spreken, zwygen, staan, liggen, loopen, slapen, eten, geldwinnen. Dwang zal heerschen in de Natuur, in den Staat, in uw huis, aan uw sponde. Al wat kwaad is zalnietzyn, omdat al ’t goede dwang wezen zal.Heerlyke, heilige, goddelykedwang!Ook de Javaan zalgedwongenworden het goede te doen, dat is: te arbeiden ...“Maar eilieve, roept hier toch naar ik hoop de lezer uit, dit alles is ... absurd, ongerymd, dwaas, krankzinnig en nog meer ...Juist!WAT TEBEWYZENWAS... geachte hoorders!Ik kan overgaan tot het tweede gedeelte van myn preêk.De kwestie overvryenarbeid is nonsens.Ge hebt gezien, hoorders, hoe moeielyk ’t my viel u te bewyzen datvrywillige arbeid wenschelykwas. Ik heb daartoe ’naaneenschakeling van zotternyen noodig gehad. De keuze myner bewysvoering stond niet aan my.Mynsmaak zou me niet leiden tot zooveel omhaal by ’t bewys eener waarheid die zóó voor de hand ligt, dat ik niet dan met weêrzin ben overgegaan tot ’n betoog—en welk betoog!—dat gemyhadt moeten sparen, maar datikniet sparen mocht aan u, die naar ’t schynt niet in staat zyt iets te bevatten dat wordt voorgedragen met eenvoudigheid. Ik verklaar u datikheel graag ’t Heelal met rust zou gelaten hebben, en m’n vriend den policie-agent ook. Wat m’n besten kleinen jongen aangaat, ik verzeker u dat ik hem volstrekt niet sla. Ik moet deze verzekering wel uitdrukkelyk geven aan ’n publiek dat “onzedelykheid” heeft weten optedelven uit deMinnebrieven, en dat daarin heeft gevonden:eene aansporing aan ’t volk om horlogies te stelen.4’t Is ’n ondankbaar werk voor u te schryven, Nederlanders. Of ik goedschryf, weet ik niet. En dit scheelt me ook weinig. Maar datgynietlezenkunt, is zeker. En dat ge—hoe gebrekkig dan ook—lezenzultwat ik schryf, is ook waar. Beproef eens neen te zeggen.Maar, zeer geachte hoorders, dit is ’n parenthesis die ik u verzoek niet te verstaan. Verbeeldt u daartoe dat ge in de Tweede-Kamer zyt, dan zal ’t wel wennen.Ik heb u dan in ’t eerste deel myner rede, opuwewyze—nog-eens: niet opmynewyze—aangetoond datvrye wil beter is dan dwang. Ik verzoek nu, eens-voor-al, dit punt als afgehandeld te mogen beschouwen.Wezyngenaderd tot het tweede deel myner rede, waarin ik zal trachten te betoogen: dat de kwestie overvryenwilom te arbeiden ...NONSENSis.Ik vraag vergunning hier te supprimeeren wat er zou te zeggen vallen over den oorsprong van den arbeid. Ook zal ik den zondvloed overslaan, en zelfs my onthouden van onderzoek naar den Sanskritschen wortel van ’t woordnon-sens, dat zeer oud schynt te wezen. In ’t kort, ik doe afstand van alle gewone hulpmiddelen om u te boeien en te overtuigen. Wanneer ik dus in ’t tweede deel myner rede u minder verveel dan gevorderdwordt door deftigheid, gewoonte en smaak, bedenkt dan dat ik ruimte van plaats en tyd moet overhouden voor de “eenige beschouwingen” van m’n derde deel, die misschien zullen aantoonen dat er nog-al verschil van beteekenis bestaat tusschen “vrywilligheid” en “particuliere ondernemingen.”Na alles wat ik onlangs in het eerste gedeelte dezer brochure te kennen gaf, zou ’k dit heele middelstuk myner preêk kunnen overslaan, of wel het inkrimpen tot deze eenvoudige opmerking: daar ge nu eindelyk met my eens zyt datvrywilligheidbeter is dandwang, begrypt ge dat het redeneeren over de vraag:“of er moet bepaald worden dat de Javaan voortaan die vrywilligheid zal bezitten?”gevoegelyk zou kunnen worden gerelegeerd naar de duitenplateryen van den dag.Maar zie, dan was m’n preêk te kort.Erasmusheeft u geprezen, hoorders, uit dankbaarheid misschien voor uw smaak in lankdradige betoogen. Want hy was meester in vrye kunsten, en zulke menschen hebben dikwyls behoefte aandébouchévoor lange redevoeringen.Ik ben meester in geen enkele kunst. Maar op de welsprekendheid leg ik me toe. Dit ziet ge.We zullen dus maar weêr beginnen met de bewering dat niets nuttiger is, niets billyker, niets waardiger, niets zielverheffender dan vasttestellenby de wet, dat de Javaan arbeiden zal uit vryen wil.Ik beveel myne opmerkingen hieromtrent dringend aan in de attentie van Volksvertegenwoordigers die verlegen zyn om eenspeech. Men zal zien dat myne stelling in nauw verband staat met ...alles—meer kan men niet verlangen—en dat ze gelegenheid biedt tot uitweidingen die ’t geduld zouden vermoeien van den trouwsten hoorder, den yverigsten slaper in welke kerk ge maar verkiest.Vrye wil tot arbeid is “iets goeds.”Het is goed, wenschelyk, nuttig, enz. “iets goeds” vasttestellen by de wet.’t Is dus goed, wenschelyk, nuttig, enz. by de wet vasttestellen dat de Javaan vrywillig zal arbeiden.En nu de algemeene conclusie, die ik ’t eerst zal behandelen om daarna terugtekomen op de byzondere:’t Is goed,wenschelyk, nuttig enz. “alwat goed is” vasttestellen by de wet.Leent me daartoe ... neen, dit hoeft weêr niet. Leent me niets.Gierig, hebzuchtig, belangzoekend, was ik nooit. Of ’t by ’n wet bepaald was, weet ik niet, maar als ik wat had, gaf ik gaarne.Welnu, hoorders, heden geef ik aan alle tegenwoordige en toekomende Volksvertegenwoordigers de schema’s voor de redevoeringen die zy zullen te houden hebben over alle voorgestelde wetten die het Volk...wat zeg ik ... die de heele Natuur zullen dwingen tot “iets goeds.”“Ziehier hoe men zal kunnen spreken:»Hoe, myne heeren, hoe ... zouden we weigeren den minister te steunen—voor wien ik persoonlyk de meeste achting heb, doch met wien ik niet in de minste relatie sta, want by my op ’t dorp trouwen wy altyd onder elkaêr—zouden we hem onze hulp ontzeggen, nu hy ons de vrucht voorlegt van zyn nachtwaken? Mogen wy—wy die ’t Nederlandsche volk vertegenwoordigen—mogenwy het eenige redmiddel van-de-hand wyzen, dat den beklemden Staat zal verlossen uit de geweldig-innypende, dooréén-beroerende, van-uit-elkander-gescheurde, tegen-opgeslingerde ... (niet hoorbaar). Daar liggen zy, de treurige slachtoffers van ’t misbruik. Loeiende, brullende, schoppende, oogverdraaiende, liggen zy daar. Ik zeg dat ze daar liggen ... (niet hoorbaar). De voorgestelde wet is het heil van den Staat, myne heeren! Ik zeg dat de Staat ... (niet hoorbaar).Doch ik zal niet toegeven in de aandoeningen die my overstelpen. Met kalmte en waardigheid zal ik trachten de zaken te ontwikkelen. En, myne heeren, als ’t hier-en-daar mocht schynen, myne heeren, dat ik spreek in het belang der party waartoe ik de eer heb te behooren, myne heeren (hier moet de spreker links buigen, en rechts ook, en naar ’t midden ook) dan, myne heeren ... (niet hoorbaar).De zaak is zakelyk deze, myne heeren. De zaak is, ons goed voortestellen wat de zaak was, wat de zaak is, wat de zaak wezen kon, en wat de zaak worden zal, als de zaak die we thans behandelen door ’n wet zal zyn vastgesteld. Dit is de zaak myne heeren!De veestapel, myne heeren, ik zeg dit uit diepe overtuiging, en niet dan na lang daarmeê te hebben omgegaan, de veestapel ... (niet hoorbaar). Ik zeg: zonder koeien geen melk. Zonder vee, geen vleesch. En dat vee ... (niet hoorbaar) zoover ik de eer heb het te vertegenwoordigen, myne heeren, is geloovig, godsdienstig, gehecht aan den roem en de bezittingenzynervoorvaderen, myne heeren! Daarom ... (niet hoorbaar) wat zegt de voorgestelde wet? Laat ons haar bedaard lezen, zonder verhitting, zonder partygeest...kalmte, myne heeren, kalmte! Wat zegt de wet? Ziehier:»Eenig Artikel. Alles gehoord en gelezen, is verstaan te bepalen dat voortaan elk rund tweemaal zal worden geslacht en opgegeten voor ’t dood is,Onze Ministers zyn belast met de uitvoering.”Zóó zegt de wet, myne heeren! En gy zoudt die wet, die heerlyke onvolprezen wet afkeuren? Ge zoudt ... maar neen ... ik verwacht iets anders van uwe vaderlandsliefde. Ik heb gesproken met overtuiging.Mocht ik hier-of-daar, in ’t vuur der improvisatie, iemand hebben gekrenkt of beleedigd, ik vraag daarvoor verschooning, myne heeren! Ik verzeker al de heeren in ’t algemeen van m’n zeer byzondere hoogachting, en hiermede ... ik heb gezegd!Anders:»Ik zou het woord niethebbengevraagd, myne heeren, dewyl de behandelde zaak geheel-en-al buiten myn werkkring ligt, wanneer ik my niet verplicht voelde ernstig te protesteeren tegen de insinuatiën die er misschien zouden kunnen gelegen hebben in de woorden van den geachten spreker uit X.,wiens doorwrochte redevoering ik niet heb kunnen verstaan. De heilige zaak die ik op my nam—in onzesociëteitde Gezelligheid—toen al de leden ... toen al de Kiezers my de belangen opdroegen van ons distrikt, verbindt my tot de verklaring dat ik niets toestem van wat er in die redevoering misschien stuitends of onaangenaams mocht voorkomen voor de leden der ... voor de Kiezers van myn distrikt. Ik behoud my ’t recht voor, hierop terugtekomen, zoodra ik wellichtte-eeniger-tydzal mogen vernemen wat de spreker uit X.—wien ik persoonlyk de meeste achting toedraag—eigenlyk gezegd heeft.En, myne heeren, wat de voorgestelde wet aangaat, met het oog op de heilige afspraken die ik maakte met den kruienier op ons dorp, verklaar ik plechtig, vóór die wet te zullen stemmen, zoodra de Regeering kan goedvinden het getal deravatara’svan onze geachte runderen te bepalen op drie.Myn geweten schryft me dit amendement gebiedend voor, en deconciërge—voor wien ik persoonlyk de grootste achting heb—zal iets in dien smaak deponeeren op ’t bureau.”Anders:»Hetgoede, myne heeren! By ons in den achterhoek—het zy gezegd zonder den minsten blaam te willen werpen op andere hoeken—by ons leven wy voor ’t goede. De voorgestelde wet is door al m’n Kiezers, wat de strekking aangaat, met genoegen vernomen. En ikzelf zou daarmede instemmen, wanneer ik niet de eer had (hier moet de spreker buigen naar de rechterzy, en naar de linkerzy, en naar ’t midden) wanneer ik niet, zoo als ik de eer had te zeggen, de eer had Lid te zyn van deze Kamer, welker leden ik allen persoonlyk de meeste achting toedraag.De zaak is deze, myne heeren!Wat zegt de wet die ons wordt voorgelegd door den tegenwoordigen minister, wien ik persoonlyk de meeste achting toedraag? Die wet zegt:»gehoord enz.»»te bepalen dat alles goed zal zyn.»En, myne heeren, de ministers moeten dat uitvoeren. Nog-eens, myne heeren, al m’n Kiezers—en zelfs de kastelein van onze sociëteit, ’n man van zaken!—al m’n kiezers keuren de strekking van die wet goed. Maar, myne heeren, ikzelf als lid van deze Kamer, welker leden ik allen persoonlyk de meeste achting toedraag, ikzelf stem tegen de redactie. Immers zoodraeens-voor-altydal ’t goedezal vastgesteld wezen, zoodra eens-vooral de ministers zullen belast zyn met de uitvoering vanalles goeds, zullen er geen latere wetten meer noodig zyn.En, myne heeren, met de hand op m’n mandaat, met het oog op den zetel des voorzitters, met den mond geopend als tot het doen eener vernietigende, verpletterende,tegen-zelfmoord-waarschuwende vraag, voel ik me verplicht u voortehouden:Waar blyvenwydan?(eenige poozen. Aandoening. Beweging. Onsteltenis en suikerwater.)Vergeeft me, myne heeren, ’t onwillekeurig afbreken myner rede. Men is Lid van de Kamer, ja, maar men is ook mensch. Ik zal voortgaan. Ik zal trachten m’n hartstochten te betoomen naar behooren. Ik zal gebruik maken van ’t voorschrift diens grooten meesters in de redeneerkunst, die den redenaar tot eersten plicht maakt niet te schreien onder ’t preeken, en ik zal u, zonder tranen, maar even bewogen als-óf ik schreide, nogmaals vragen:Waar blyven wy dan?Ja, ik vraag u, Leden van deze Kamer, die ik allen persoonlyk zoo byzonder hoogacht, wanneer eens-vooralhet goede...al het goede... niets dan’t goede, ware vastgesteld by de wet ... ik vraag het u in ’s hemels naam:Waar blyvenwydan?(Indruk. Verpoozing. Rumoer.De spreker geeft ’n teeken aan de»juffrouw”op de tribune, die hy ’n kaartje gaf onder verband van flauwvallen. Ze valt flauw. Opschudding. De»juffrouw”is weggebracht door twee knechts, voor wie ze persoonlyk de meeste achting heeft. De spreker gaat voort met wat hols in de stem).Waar blyvenwydan. Ik heb persoonlyk de meeste achting voor al de leden, maar ik durf, ja, ik moet hun ernstig en plechtig—en dezen keer zelfs kort en goed—afvragen: waar ze blyven zouden?Gy, geacht medelid uit Z ... waar zoudtgyblyven? Zou men op uw dorp genoegen scheppen in uw omgang, nadat ge hier finaal hebt afgeleerd verstaanbaar te spreken?Gy, even-geacht medelid uit Y ... denkt ge dat de opzieners uwer fabriek u zouden verstaan, begrypen, gehoorzamen, nadat ge u in deze eerbiedwaardige vergadering met zooveel succes hebt geoefend in onbegrypelykheid?Engy, nog geachter medelid uit X.—dit zy gezegd zonder de minste bedoeling om mindere achting uittedrukken voor de andere leden, die ik, ieder voor zich, nog meer acht dan ik al de andere te-zamen acht—gy, boven alles geacht lid uit X., meent ge dat uwe vrouw, die metPRUD’HOMMEuwe verkiezing den eeresabel van haar hart noemde, meent ge dat zy u by ongekozen terugkeer, zou tegenwalmen met de vrouwenziel-kenmerkende juichtonen die geschreven staan in ’t vrouwen onderdanigheid-voorschryvende artikel des burgelyken wetboeks? Meent ge dat de herboren onderdanigheid—herboren op den oogenblik uwer roemryke apothéose in deGezelligheid—meent ge dat die herboring niet zou neêrvallen, in-eenzakken, vervliegen en verdampen, zoodra ze in u omarmen moest een aan ’t strand gespoeld, gebersten, bedorven, gespleten, vergaan, geknakt, gescheurd, bemorst, kleurloos, vormloozig, onbruikbaar stuk houts, dat deel maakte van ’t verongelukte vaartuig onzes dierbaren parlements, voor welks leden ik persoonlyk de meeste achting gevoel?Meent gy geachte spreker uit X, dat de kinderen in uwe stad, en de dochteren van de arbeiders uwer stokeryen, uwer spinneryen, uwer bouwlanden en uwer branderyen: meent ge dat die allen u zullen tegemoetstroomen met zoetgalmend gejuich? Meent ge dat de turfdragers ten-uwent de paarden zullen afspannen van uw wagen, als ge ongekamerd terugkeert? Denkt ge dat de notaris en de ontvanger u ’n feest zullen aanbieden, ’n feest met schildpadsoep, met toasten en leve-de-konings, alsof gyzelf de koning waart? Denkt ge dat één boer u zal toeroepen: »gnavend samen» als-i weet dat ge door de thans voorgestelde wet zyt veroordeeld tot overbodigheid? Meent ge dat de burgemeester u de vuurtest zal reiken voor uw pyp, als die pyp in treurige kamerloosheid niet meer branden mag tot heil van ’t vaderland! Meent gy in ’t eind ... doch wat behoef ik verder te vragen, geacht lid uit X ... ik zie dat gy getroffen zyt. Ik zie dat m’n rede uit het hart is gegaan tòt het hart, en ik zal de fyngevoeligheid der vergadering—welker leden ik allen persoonlyk de meeste achting—de yselykheden sparen der schildering van ’t lot dat ons allen wacht ... wanneer de voorgestelde wet mocht tot-stand komen.Maar zeer geachte leden, het is niet destrekkingdezer wet, het is de gebrekkigeredaktiedie over ons al de ellende zou uitstrooien waarop ik nu nog slechts ter-loops gewezen heb, doch die my stof geven zou tot ’n redevoering, nog langer dan de andere ... die ge nooit kunt vergeten omdat gy ze nooit hebt gehoord.Deredactiedeugt niet, myne heeren! Al m’n kiezers zyn ’t hierover eens. En zelfs onze kastelein ... (onhoorbaar). Wel mocht al het goede wordenvastgesteld by de wet, maar, myne heeren zeer geachte medeleden, dit moet niet geschieden by ééne wet!Juicht, geachte medeleden uit X, uit Y, uit Z ... juicht! Schryft aan uwe vrouwen, boeren, arbeiders, Kiezers en medeleden van alle mogelykeGezelligheden: al het »goede» zal worden vastgesteld by de wet en tòch zal er altyd ’n parlement noodig zyn, tòch zal er, altyd-door, behoefte wezen aan nieuwe wetten.De aantooning hiervan, myne Heeren, zal me stof geven tot het tweede deel myner redevoering.(Verbazing en suikerwater).Ja, al »het goede» zal worden bepaald, vastgesteld, geschapen door de wet! Maar, zeer geachte leden, dit alles moet niet geschieden door ééne wet.De thans voorgestelde getuigt van eene onvergeeflyke, in bureau-mannen onbegrypelyke—en, ik moet dit erkennen, zeer ongewone—kortheid. Ze moet worden afgestemd, doch onder uitdrukkelyke verklaring dat de kamer zich geheel-en-al vereenigt met het principe des Ministers, voor wien de Leden der Kamer persoonlyk de meest mogelyke achting koesteren. Vervolgens behooren wy dien Minister—ditmaal onder betuiging onzer zeer byzondere achting—in overweging te geven, het “goede” te verdeelen in zooveel onderdeelen als eenigszinsmogelykis, om dan voor elk onderdeel een nieuwe op-zichzelf-staande wet ter-tafel te brengen.Ziedaar, geachte medeleden, de oplossing van het vraagstuk, hoe wy al het “goede” kunnen vaststellen by de wet, en toch altyd-door behoefteblyven houden aan nieuwe wetten, dat is: aan geachte leden van dit parlement.(Hier wenkt de spreker naar de tribune. Gejuich op de tribune.)Wat my betreft, myne heeren zeer geachte medeleden, ik wil toonen dat ik ’n man van zaken ben, ’n vyand van holle theoriën: en ’n vurig aanhanger tevens van onze gezegende grondwet, het kostbaar instrument dat aan ’n zeventigtal ingezetenen, die wellicht anders voor ’n groot deel niets zouden wezen, den schyn waarborgt dat ze iets zyn.Ja, myne heeren, dit wil ik u toonen. Ofschoon ik eigenlyk kapitalist van beroep, en dus niet gewoon ben my intelaten met het oplossen van moeielyke vraagstukken, heb ik den weinigen tyd dien myn bedryvige werkkring my overlaat, benuttigd om ’n twintigtal wetten uittedenken, die allen het “goede” bevorderen, wat zeg ik, die het “goede” vaststellen. ’t Spreekt vanzelf, myne heeren, dat er nog meer te maken zyn ... dit is ’t voornaamste! Schryft gerust naar huis, dat het onderwerp niet Kamer-vernietigend uitgeput is. Volstrekt niet! Onze kastelein ...(Hier behoort de spreker te hoesten. Hy haalt ’n rol uit den zak en leest:)Eerste wet.Alle jonge dochters zullen, te beginnen met ... gy begrypt toch myne heeren, dat de tyd van ingang afhangt van ’t oogenblik waarop de wet behandeld wordt? Ook verzoek ik verschoond te mogen blyven van de herhaling der clausule dat de Ministers zullen zorg-dragen voor de uitvoering. Eens-voor-altyd, de ministers voeren alles uit. Alle jonge dochters dan, zullen voortaan zachtmoedigzyn, geduldig, inschikkelyk, tevreden en schoon.Nota van toelichting.Ik heb er niet tegen, deze wet te splitsen in zooveel deelen als er deugden kunnen bedacht worden. Mocht men overigens nog bovendien verkiezen afzonderlyke wetten te maken voor de blonde, voor de bruine, voor de onzekerharige, ’t is my wel. Nog ’n andere, zeer nuttige splitsing is mogelyk. Men kan de meisjes verdeelen naar provinciën, naar steden, dorpen, gehuchten, huisgezinnen, naar geboorte-dagen of uren, naar hebbelykheden of godsdienstige en andere meeningen, jazelfs men zou elke jonkvrouw tot het onderwerp kunnen maken van zooveel wetten als er hoedanigheden bestaan. Ik gis, maar hiervan ben ik niet zeker, dat die hoedanigheden, nog zouden kunnen worden gesplitst in onder-hoedanigheden. Hoe dit zy, men ziet dat myn denkbeeld over de verdeeling van “het goede” onuitputtelyk vruchtbaar is. Ik verzoek de heeren dit naar huis teschryven.Tweede wet.Er zal geen hagel vallen zoolang ’t gewas op het veld staat.Nota van toelichting.Men kan hiervan ’n boekweitwet maken, ’n tarwewet, ’n roggewet, ’n haverwet, enz. En, na ’t aangegeven idee over de splitsing van de jonkvrouwelyke deugden, vermeen ik hier, even als by de volgende wetten, eens-vooral de opmerking te mogen achterwege laten, hoeveel duizende wetten er te maken vallen uit elke wet die ik voorstel.Derde wet.Niemand zal z’n been breken.Vierde wet.Bankroeten zyn afgeschaft.Vyfde wet.Al de leden van de Tweede Kamer zullen bekwaam zyn, en verstaanbaar spreken.Zesde wet.Alle verkeerde begrippen worden ingetrokken.Zevende wet.Ieder inwoner van den Staat zal behoorlyk gevoed worden.Achtste wet.Er zal geen inbraak plaats hebben by diefstal.Negende wet.Alle landeryen worden vergroot.Tiende wet.Elke ingezetene zal voortaan juist zoo denken als de Ministers die den Staat regeeren.Elfde wet.Een gouverneur-generaal in Indië, zal Engelsch verstaan om Pope te kunnen lezen.Twaalfde wet.Kostschoolkinderen, militairen en gouvernements-arbeidslui zullen zich ontdoen van alle begeerte naar voedsel.Dertiende wet.Er wordt voortaan niet geonweêrd voor twaalf uren in den nacht, (middelbare tyd.)Veertiende wet.Alle ziekten die onaangenaam zyn voor de patiënten worden ingetrokken.Vyftiende wet.Geen jeugdig Nederlander zal onbekwaam en lummelig zyn.Zestiende wet.Geen bejaard Nederlander zal onbekwaam wezen, en saai.Zeventiende wet.Er zullen dertien witte boonen groeien in één snyboon.Achttiende wet.Men zal voor weinig geld zich even veel gemakken aanschaffen, als voor veel geld.Negentiende wet.Alle visch uit de Indische zee zal in Holland te verkrygen zyn om-niet.Nota van toelichting.Deze wet heb ik van ’n vriend die hoogleeraar is in de protéïne.Twintigste wet.De Javaan zal arbeiden uit vryen wil.Maar dit is domheid, dwaasheid, onzin, krankzinnigheid ennonsens!Juist, dat isNONSENS.Wat te bewyzenwas alweer ... geachte hoorders!Vrywillige arbeid is wenschelyk.Het is even ongerymd te redeneeren, te discussieeren, te parlementeeren over—onverschillig vóór of tegen—zulk ’n wet.(Duitenplatery).Ik meen u gebracht te hebben tot de erkentenis van deze waarheden, en alweder moet ik u verzoeken dit eens vooral te mogen constateeren, opdat ik dáárop althans niet zal moeten terugkomen.Om verschooning te verdienen, of juister om u te doen inziendàt ik verschooning verdien voor desoortvan bewysvoering door my toegepast op de stellingen, die ik alzoo de vryheid neem met dagbladschryvers-lankdradigheid vooroptestellen, voel ik my verplicht, vóór ik mag overgaan tot het derde deel dezer verhandeling, u ’n kleine geschiedenis te verhalen, die nooit gebeurd is.In zeker land heerschte beweging, onrust, tweespalt...agitatie. Er bestond ’n verschil van gevoelen, dat zeer diep ingreep in alle mogelyke “eerste beginselen”. Vaders haatten en onterfden hun zoons. Vrouwen verlieten hun echtgenooten. Winkeliers, hun toonbank en geldlâ... neen, zóóver ging de agitatie niet, maar ze ging toch héél ver.Omdat dezeagitatienadeelig werkte op den loop der zaken—zoo-alsalleagitatiën—werden er zeventig wyze lieden benoemd—septuaginta, ’n omineus getal!—zeventig wyzen alzoo, met witte haren en overvloeiende van persoonlyke geachtheid om de zaak die ’t volk zoo agiteerde, tot klaarheid te brengen.Die wyzen dachten diep na, en spraken veel. Zy spraken veel, en dachten soms zeer diep na. Eenigen hunner spraken veel, zonder zoo heel diep natedenken. Ook waren er die spraken zonder nadenken in ’t geheel.En onder hen die spraken, waren er die verstaan werden van-tyd tot-tyd.Maar onder de sprekers die verstaan werden, werd er geen enkele begrepen.Ik laat nu daar, of ze nietwildenbegrepen worden, d.i. of men zich in ’t land waarvan ik spreek, toelegde opduitenplatery. Maar zeker is ’t dat het volk, na lang getwist, na veel gespreks, even wys bleef als te-voren.Vaders hielden zich onophoudelyk bezig met onterven hunner zoons. Vrouwen gingen voort haar mannen te verlaten. Winkeliers ... neen, zóóver ging de agitatie niet, maar toch altyd-door, heel ver.En de wyzen werden hoe langer hoe witter van haren. En hunne persoonlyke achtenswaardigheid werd gedurig achtenswaardiger en persoonlyker. En ze spraken ... ze spraken ... Maar de agitatie duurde voort. Het volk werd niet wyzer. De vaders ... ge weet de rest.De deftigheid derseptuagintaklom tot hoogen ernst.Hun ernst werd plechtig.De plechtigheid ging over in ’t aandoenlyke.’t Volk was dan ook aangedaan. Maar het was dit door dezeer onprettige gewaarwording die men agitatie noemt, en geenszins door de meer gewenschte aandoening der erkentelykheid voor bekomen licht in de duisternis.En de vaders... ja, dit weet gy al.Metverfoeielyketuchteloosheid heb ik verzuimd u meetedeelen, waarin dan toch het verschilpunt gelegen was. Ziehier. De vraag die ’t volk agiteerde, die de zoons onterfde, die de vrouwen afdreef van de mannen, die de winkeliers ... neen, de winkeliers niet. De vraag die deseptuagintazoo bezighield—met behoud van persoonlyke achting—de vraag was deze:“heeft de heiligeDionysius,na z’n dood, gewandeld met z’n hoofd onder den rechter-arm of onder den linker-arm?Toen kwam er ’n eenvoudig man in ’t land, die geen witte haren had, en persoonlyk volstrekt niet geacht was, waaruit men met het oog op ’t gehalte van al die andere achting, zou mogen besluiten... nu, dit doet er niet toe. Hy zeide tot het volk: “Lieve menschen,Dionysiusheeft na z’n doodnietgewandeld. Hy heeft z’n hoofdnietonder den arm genomen, noch onder den linker-arm, noch onder den rechterarm.5Het volk gooide dien man met vuil. Dit spreekt vanzelf. Ook deonterfdezonen gooiden meê. Ze hadden dit niet moeten doen,zyvoóral niet. En ziet, de verzoeking om met vuil te werpen, werd zelfs den winkeliers te sterk. Ditmaal verlieten ze voor ’n oogenblik geldlâ en toonbank.Maar de man die nietpersoonlykgeacht was en geen witte haren had, bedacht een middel om een eind te maken aan de nuttelooze agitatie van ’t volk, en aan de even nuttelooze—onverstane en onbegrepen—deftigheid derseptuaginta. Hy nam een stoel ging er op staan, en sprak:“Hoort, burgers, hoort het woord dat tot u gesproken wordt over, en wel dóór den heiligenDionysius. Hy is my verschenen in den droom, en heeft me verzocht u allen te groeten. Hy laat u zeer bedanken voor uwen yver in de rechter-linkerkwestie. Doch die goede heilige wil niet dat gy te ver zoudt gaan in uw vurig streven naar waarheid, en dat ge ’t offer worden zoudt van uw onleschbaren dorst naar gerechtigheid. Daarom, o edele vaders,onterfdezonen, weggeloopen vrouwen, en wat dies meer zy, hoort wat de heilige man my gezegd heeft, en maakt terstond ’n eind aan uw agitatie:Ter voorkoming van na-yver tusschen zyne beide armen, heeft de onvolprezenDionysiusna z’n onthoofding, z’n lichaam tusschen de tanden genomen, en zóó is-i voortgewandeld!”’t Volk juichte. De redenaar werd bekranst. Ieder was tevreden. Ieder ... behalve de Septuaginters die ietwat verloren hadden van hun gewicht, hun aanzien en hunne persoonlyke geachtheid ...Ofgynu, zeer geachte hoorders, juichen zult, en my bekransen, nadat ik u in de twee eerste deelen myner rede het bespottelyke heb onder ’t oog gebracht van uwrechter-linkerkwestie, weet ik niet. Ik twyfel daaraan omdat ik weinigreden heb staat te maken op uwe rechtvaardigheid. De vertelling overDionysiushad geenszins ten-doel u toejuiching of kransen aftelokken voorzotternyen, nadat ge my die toejuiching hadt ontzegd voor al den ernst dien ik u gaf. Ik wapen me slechts tegen de beschuldiging dat ik m’n toon zoek ...Ziehier: (Havelaarpag. zooveel.)«Vervloekt dat verontwaardiging en droefheid zoo vaak zich kleeden in ’t lappenpak van de satire! Vervloekt dat ’n traan, om begrepen te worden, moet verzeld gaan van gegryns! Of is ’t de schuld myner onbedrevenheid, dat ik geen woorden vind om de diepte te peilen van de wonde die er kankert aan ons staatsbestuur, zonder m’n styl te zoeken byFigaroofPolichinel?Styl... Ja! Daar liggen stukken vóór my, waarin styl is. Styl die aantoonde dat er ’nmenschin de buurt was, een mensch wien ’t de moeite waard geweest ware de hand te reiken. En wat heeft die styl den armenHavelaargebaat?Hyvertaalde z’n tranen niet in gegryns, hy spotte niet, hy zocht niet te treffen door bontheid van kleur, of door grappen van den uitroeper voor de kermistent. En wat heeft het hem gebaat?.............................................................................................................................................................................................................................................................................................................................Weg met gemoedelyke taal! Weg met zachtheid, rondborstigheid, duidelykheid, eenvoud, gevoel! Weg met al wat herinnert aanHoratius,justum ac tenacem! Trompetten hier, en scherp gekletter van bekkenslag, en gesis van vuurpylen, gekras van valsche snaren, en hier-en-daar ’n waar woord, dat het meê insluipe als verboden waar, onder bedekking van zooveel getrommel en zooveel gefluit.Styl!Hyhad styl!En wat heeft het hem gebaat?Als ik dus wil worden gehoord—en verstaan vooral—moet ikandersschryven dan hy!»Ja, dan moet ik anders schryven, zeer geachte hoorders! Enanders spreken ook. Hieraan hebt gy die treffende historie vanDionysiuste danken. Vermaakt er u meê.En nu, dunkt me, kan ik overgaan tot het derde gedeelte myner preek, waarin ik eenige beschouwingen wensch medetedeelen ...Naar den duivel met die preêk en die beschouwingen in ’n derde-deelig lystje! Naar den duivel met uw gareel waarin ’k niet loopen wil, gy die geen paard begrypt zonder juk, geen leest zonder keurslyf, geen taal zonder spraakkunst, en geen waarheid zonder peperhuis, waarin ze ligt opgerold, toegevouwen, platgedrukt, inééngefrommeld, als ’n theater-affiche van den vorigen keer!Naar den duivel met uw schoolmeestery, gy die meent dat schryven of spreken iets anders is dan ’t weergeven van de indrukken der ziel! Gy die dáárom van de ziel ’ntalenthebt gemaakt, omuwaangeleerd, verschoold talent voorzielte doen doorgaan, en alzoo dat talent te maken tot grondstof van ’n beroep “dat wat gééft!”Voort ... terug naar de schoolbank, gy meesters in dingen die men niet leert, gy volleerden in zaken die ge hadt moetenvoelen, vóór gy iets leerdet! Weg, preêkers, babbelaars, redevoeringhouërs, preek- praat- redeneer- vertoog- pleit- verhandelkranen,à raisonvan zooveel woorden in ’t uur, van zooveel centen ’t woord! Weg handelaars in de waarheid, tegen honderd liters in de minuut. Debitanten en splitsers van gevoel in volzinnen groot en klein, by den emmer en by ’t maatje ...Gyhebt het Volk bedorven! Gy, schriftgeleerdengy,gy,gy...Gy, met uw gepraat over dingen die vanzelf spreken. Gy, met uw gepraat over dingen die in ’t geheel niet spreken. Gy, met uw rechterzy en uw linkerzy. Gy met uw behoud en uw liberalisme. Gy, met uw “eerste beginselen” die onmisbare bondgenooten van elke beginselloosheid. Gy, met uw deftigheid en witharige wysheid. Gy, met uw duitenplatery, dat is: gy met uwbedrog...GYhebt het Volk bedorven!En ge huist, als vuil ongedierte, niet alleen in de plooien van de “toga der Volksvertegenwoordigers—ge nestelt overal waar ge kunt plaats vinden tusschen naad of vouw der bedekking van de een-of-andere deftigheid. Gy, sprekers, praters, schryvers, redenaars, preêkers ...AAN DEN UITGEVER.Waarded’Ablaing!Neen, er zal niet gezegd worden dat niemand beproefde denvloek te bezweren die er rust op het Volk. ’t Zal niet gezegd worden dat niemand de ziekte aantastte, de rottende ziekte waaraan dat Volk lydt: deLEUGEN.Ik zal doen wat ik kan.Ik verzoek u de uitgaaf op u te nemen van ’n werk dat ik zooeven bedacht heb. Ik zal u elke week ’n vel druks leveren. Ja, als ik ’n kamer heb waar ik rustig zitten kan, twee vellen in de week. Ik verbindmyvoorloopig tot schryven van zes-en-twintig vellen, dat is dus—als ik geen goede kamer heb—voor ’n half jaar.Geef dat uit naar uw goeddunken. By inteekening, zonder inteekening ... voor veel geld, voor weinig geld ... het scheelt my niet.Ik zal in dat schryven trachten naarwaarheid.Dit is m’n program. Dit is m’n eenig program.Ik zal geven:verhalen, vertellingen, geschiedenissen, parabelen, opmerkingen, herinneringen, romans, voorspellingen, mededeelingen, paradoxen ...Ik hoop dat er ’n idee zal liggen in elk verhaal, in elke mededeeling, in elke opmerking.Noem dus m’n werk:Ideën.Anders niet.Enschryfer boven:“een zaaier ging uit om te zaaien.”Kondig het terstond aan. Dat werk zal de vaan wezen die ik ophef en hooghoud:parceque suivre bannière ne peux!Ja, dat zal ik doen. En nu de vrye arbeid!Ik zou u op schoolsche gronden kunnen betoogen, lezer, dat de zysprong dien ik my zoo-even veroorloofde, volstrekt noodig was in myn bewysvoering. En ik, die zoo op-eenmaal den weg verliet, waarop wy te zamen wandelden, begin intezien dat ik waarachtig meer talent bezit dan ikzelf wist. Let eens goed op, ik zal u een kykje gunnen achter de schermen.Toen ik ’n paar bladzyden geleden, denHavelaaropsloeg, om de passage uitteschryven, waarin ik my beklaag over de ellendige noodzakelykheid om u grappen te verkoopen, wyl ge anders niet zoudt luisteren, werd ik innig bedroefd. Want ik las daar ... ik las ... ik las ...Alles kwam my zoo voor den geest terug! Ik riep gedurig: myn god, het is toch wáár wat ik daar schreef! ’t Is toch wáár dat ik daar m’n plicht deed in levensgevaar. ’t Is tochwáárdat ik arm en onmachtig vanLebakvertrok met vrouw en kind! ’t Is toch wáár, dat ik sedert dien tyd niet heb opgehoudenbitter te lyden om ’t vervullen van m’n plicht! ’t Is toch wáár dat we alles hebben gedragen met geduld, met waardigheid en met moed ...Dat alles is toch de waarheid, o myn God!En ’t staat toch geschreven in dat boek. En al staat daarin nietallesgeschreven, omdat alles niet geschreven worden kàn, er staat toch genoeg in dat boek, om te doen begrypen ook wat ik niet schreef ...En dat boek was “zoo mooi” zeiden ze. En ze lazen dat zoo gretig, met zooveel ingenomenheid, en zoo overal!En toch... toch... toch is er geen recht gedaan! Tòch ben ik even ver alsof m’n boek niet “mooi” was geweest! Even ver als-of er niet zooveel tranen waren gevallen op dat handschrift...Toen ben ik verdrietig en bitter geworden.En ik zocht de oorzaak die ’t rechtdoen in myn zaak in den weg staat, en ik vond die in de ziekte waaraan ge lydt, Nederlanders, ik vond die in uw rottende ziekte, in...leugen.Immers, ik heb u waarheid gezegd, en gylieden hebt niet gehoord.En dagelyks verkondigt men u leugens, en ge luistert.Dááróm ben ik op-eenmaal ter-zy gesprongen, en legde m’n vloekbrief neêr voor de woning dergenen die u bedriegen. Dáárom spykerde ik in ’t voorbygaan de konde myner vete aan de poort van de roofridders die op geestelyk gebied uw gemoed prysverklaren, en hun hoogheid ophouden door diefstal.In de middeleeuwen nam men ’t Volk geld en goed af. Dat heette adel in die dagen.Hoe hooger het roofslot, hoe onbereikbaarder de dief... hoe hooger adel.Thans neemt men u de waarheid af. En dit heet geleerdheid, staatkunde, godsdienst, bekwaamheid, in deze dagen.En hoe hooger de preêkstoel, hoe verhevener de katheder, hoe deftiger ’t gestoelte... hoe meer geleerdheid, hoe meer godsdienst, hoe meer zedelykheid, hoe meer invloed, hoe meer gezag, hoe meer bederf!Toen de boeren der middeleeuwen te-hoop liepen, bleek er spoedig dat de ridders de sterksten niet waren, en dat ze alleen den meester spelen konden, zoolang de goê-gemeente vergat dat er verzet mogelyk was.En gy, eenvoudige lieden van gezond verstand, bedenkt dat de tabbert der geestroovende leugensprekers onzer dagen niet van sterker maaksel is, dan de harnassen der goed- en geldroovende dieven van adel.Er is maar één adel. Eén adel, die harnas behoeft noch tabbert. Zyn strydperk is hetlicht. Zyn schild is dewaarheid. Zyn kampvechter deGeschiedenis der menschheid. En zyn zwaard is hetWOORD.Dàt woord zal ik naar de mate myner kracht tot u spreken in deze brochure, en inIDEËNdie ik van plan ben uittegeven. Daarin zal ik neêrleggen wat er omgaat in m’n ziel...

There is something rotten in the State!Zoo eindigde het eerste gedeelte dezer brochure, die ik eensklaps afbrak om reeds dadelyk als m’n innige overtuiging te verklaren dat Vrye-arbeid inIndië, op dezen oogenblik leugen is. Ik wilde die meening publiceeren voor ze ’t uitvloeisel konschynenvan eigenbelang.Ja, daar is verrotting in den Staat, en de naam van die verrotting, Nederlanders, isLEUGEN. Van boven tot beneden heerscht leugen.De troonrede spreekt van ongestoorden vrede, van rust en geluk, op den oogenblik als duizenden daarginder bezwyken onder hongersnood, of neêrzygen onder de klewang-bajonetten uwer voor hoog handgeld gehuurde soldaten. Die troonrede spreekt dus leugen, Nederlanders!Uw Tweede-Kamer beraadslaagt met voorgewende deftigheid wat zy zal antwoorden op dien leugen, en brengt na ’t hooren van ’n zestigtal geachte maar onverstane sprekers, met kunst en moeite den leugen voort, dat ze dien opgedischten anderen leugen met genoegen heeft vernomen. Daarop houdt ze zich bezig mee het beoordeelen der wetten, haar voorgelegd door Ministers die zich alweer niet kunnen staande-houden zonder leugens. En de beraadslaging, die reeds leugenachtigedonneésbehandelt, ditberaadslagingzelve is leugenachtig. Wantbyuw Vertegenwoordiging, Nederlanders, wordt niet gevraagd naar destrekkingder behandelde wetten, de vraag is of ’t belang van dePARTYmeebrengt, dat deze of geene Minister aan ’t bestuur blyve. Er wordt in uwe Kamer handel gedreven in stemmen. Men biedt hulp in ’n accynskwestie, ter betaling voor ’t zwygen over ... dat andere. Delft zal Twenthe steunen in z’n linnenkraam,à titre de revanchevoor Delftsche boter. De eikenkroon voor den neef van ... zekeren heer, is de belooning voor ’t intrekken van dat laatste amendement. ’n Lange straatweg die uitloopt op X. en de buitenplaats voorbygaat van ’n geacht lid, wordt betaald met ’n nog langer redevoering die alles voorbygaat, en op niets uitloopt. Uw Tweede-Kamer, Nederlanders, is ’n markt van stemmen. Wie ’t meest biedt,mynt. Wie zelf niet bieden kan, associëert zich met een-of-andere compagnieschap die ze “staatkundige party” noemen. Als er evenwicht is tusschen bod en behoefte, ontstaat er ’n ministerieele krisis. Wordt dit evenwicht verbroken, dan komt de meerderheid op ’t kussen, en blyft daar tot de minderheid op haar beurt weêr hooger bod kan doen.De waar die men op deze markt verkoopt, is nooit de tentoongestelde of geannonceerde. ’t Is daarmeê als met sommige winkeliers, die handschoenen of sigaren voor ’t venster leggen als pretext voor ’t handeldryven in meisjes achter de toonbank.Op die markt spreekt men over eerlykheid, en bedoelt winst. Over begrippen, meeningen, inzichten, overtuiging, en bedoelt belang. Over rechtskwestiën, en bedoelt onrecht. Over staathuishoudkunde, en bedoelt diefstal. Over vryheid, en bedoelt dwingelandy. Over menschenrecht, en bedoelt moord.De schoonste redevoering, die ooit gehouden werd in ’n vergadering van vertegenwoordigers, is vanCromwell. Schrikt niet, lezers, lang is ze niet, ziehier:“You are no parliament! I say You are no parliament! Begone, and give place to honester men. What shall we do with that bawble? Take it away ...To honester men ...maakt plaats vooreerlyker lui! Juist.Cromwellhad een zeer eigenaardige manier om plaats te maken, maar dewyl gy, Nederlanders, nu eenmaal langzamer te-werk gaat, raad ik aan toch alle middelen die u ten-dienste staan te beproeven, omCromwell’sdoel te bereiken, hoe langzaam en vervelend dan ook de middelen werken. Ge hebt de zoogenaamde vryheid van verkiezingen. Maakt daarvan nu-en-dan eens gebruik, enverbeeldtu niet dat ge ’tdoet, door uw candidaten te zoeken op de voorzyden uwer couranten, of in de aanbevelingslysten der kieskollegiën. Tracht dooreigeninzichtte geraken tothonester menin uwe Kamer. Toont dat ge misselyk zyt van al ’t gekibbel over voorgewende kwestiën. Toont dat gewaarheideischt, en u verzadigd voelt, tot walgens toe verzadigd, van parlementaire leugens.Want het zynleugens, de kwestiën waarmeê ze zichzelf en u bezig-houden, Nederlanders!’t Is de vraag niet of de Javaan moet worden uitgezogen door liberale of door behoudende bloedzuigers. De vraag is: of hy moet mishandeld worden, door wien ook?En op deze vraag is slechts één antwoord mogelyk;neen!Dit staat duidelyk geschreven in het Regeeringsreglement, en duidelyker nog—o veel duidelyker!—in ’t hart van ieder die daarin ’n betere godsdienst omdraagt, dan er valt van-buiten te leeren uit ’n oud boek.Zoolang men in uwe Kamersdievraag niet durft te-berde brengen ... zoolang daar niet zal opstaan de oprechteDERDE PARTY, DE PARTY VAN WAARHEID, de party die zonder vasthouden aan kinderachtige stelseltjes, de hoofdzaak behandelt, en aan die hoofdzaak allebyzaken ondergeschikt houdt ... zoolang men in die Kamer vragen zal: zyt ge behoudend of liberaal, insteê van plichtsvervulling te eischen van liberalen en behouders beiden ... zoolang men daar luistert naar onverstane redevoeringen over Vryen-arbeid en Kultuurstelsel, en intusschen door stilzwygen goedkeurt dat uw prachtigIndiëwordt bedorven door onbekwame gouverneurs ... zoolang men daar blyft doorwawelen over Art.56van ’t Indisch Regeeringsreglement, in plaats van voldoening te eischen aan ’t oneindig belangryker55eartikel van datzelfde Reglement ... zoolang men in die Kamer duldt dat deSlymeringenworden beloond, en deHavelaarsgestraft ... zoolang men daar traagheid, lauwheid, eedverkrachting en misdaadblyftsteunen tegen yver, plichtsbesef, eergevoel en moed ... zóólang zal ik blyven zeggen:begone, and give place to honester men!En meent nu niet dat ik uw Tweede-Kamer te hard val, Nederlanders. Ik heb ’n antecedent voor my, dat in hevigheid myn vonnis te boven gaat ... het antecedent dat uitging van die Kamer zelf, waarin men, ge hebt het gehoord, elkaâr over-en-weer heeft genoemd:Droogstoppels, d. i. zonder de minste vryheid in ’t vertalen:ELLENDELINGEN.Ikdie Kamer hard vallen? Eilieve, ik sprak nog alleen van de leugens die men daar behandelt, ik roerde alleen de onzedelykheid van uwe vertegenwoordiging aan. Hoe zou ’t wezen als ik lust had eens hettalenten dewerkzaamhedenvan al uw geachte sprekers te schatten? Dat gy, Nederlanders, by-voortduring tevreden zyt met onwaarheden, kan ik nog beter begrypen,dan dat ge niet opstaat tegen ’t byna totaal gemis aan talen in uwe Kamer. Leugens, ik beken dit, kunnen iets aantrekkelyks hebben, vooral wanneer de opvoeding altyd daarheen leidde. Maar eergevoel en eigenliefde moesten u aandryven om eens ’n ander soort van menschen naar den Haag aftevaardigen. Bedenkt toch dat de vergadering van geachte sprekers gecenseerd wordt de monsterkaart te wezen van alles wat uw land uitstekends bezit, en dat de vreemdeling—wanneer-i eens in ’t hoofd kreeg achttegeven op uwe Kamers—zich al zeer spoedig de vraag zou voorleggen: zóó zyn de knapsten, wat moet ik denken van de rest?Welke redenaars heeft uw parlement opgeleverd sedert 1816? Welke staathuishoudkundigen? Welke schryvers? Welke karakters? Welke groote mannen?O, zeker... ge zult in antwoord op die vragen ’n paar mannen noemen, maar ge moest u bezinnen voor ge die noemde. Dit had niet noodig moeten zyn, en ’t blyft de vraag nog of ge ’t recht hadt die mannen te noemen, al vergaf ik u ’t bezinnen.Inderdaad, Nederlanders, òf ge telt weinig uitstekende mannen onder u, òf ge stelt hen te hoog om ze te veroordeelen tot vyfjarigen dwangarbeid op de parlementaire galei. Maar in dit geval, waar blyven ze dan? Ge kunt ze toch niet allen griffiers maken, zooals metSloetgeschied is, wiens onderkoninkschappelyk genie jaren lang zoo deerniswaard begraven bleef onder proces-verbalen van de zittingen der Geldersche Staten. We hebben immers maar elf provinciën in ons land.Bedenkt toch, bid ik u, wanneer ge dan geen prys stelt op de eer en het belang van de Natie, dat ge misschien eenmaal naar den Haag zult gaan, gy of uw kinderen, en dat de mannen aan de poort u en uw familie zullen beoordeelen naar de modellen die ge jaar-in jaar-uit daarheen zondt uit uwe stad. Waarachtig, men zal er u op aanzien, en ’t zal u weinig baten in de opinie der tollenaars, dat ge u verschuilt achter de hoofdartikelen van uw krant die u de modellen aanprees als: “zoo byzonder achtenswaardig.”Leugen.Dit is de naam van de ziekte, de rottende ziekte waaraan de Natie lydt. Wie naar waarheid streeft, wordt gescholden, belasterd en mishandeld. Wie zich aansluit aan ’n party die leugens uitvindt tegen-over de leugens der andere party, wordt gesteund, verheven, beloond.Leugens ontvangt de Gouverneur-Generaal in Indië, van de residenten. Leugens geefthyden Minister. Leugens geeft deze terherkauwingaan de Tweede-Kamer.Leugens verspreiden de dagbladen onder hun abonnés.Met leugens houden de partyen zich staande.Met leugens wordt het Volk gevoed.Leugens doen adressen teekenen.Met leugens wekt men kunstmatige agitatiën op.Zoo waarlyk ik veel gedragen heb, ik zegge u, daar is verrotting in den Staat, en de naam van die verrotting isleugen!Ge zoudt onrechtvaardig handelen, Nederlanders, my tevloekenom deze uitspraak. Ik heb ’t recht, luid te spreken voor de waarheid waaraan ik door veel lyden verbonden ben.En ook ware ’t onbillyk my euvel te duiden dat m’n toon anders is dan de toon die aan leugens passen zou. Ge begrypt immers dat juist de gladde gemanierde schuifelende effenheid deronware woorden noodig was om u voortdurend al die onwaarheden te doen slikken als goede spyze? Ge begrypt immers dat er ’n andere taal dan de gewone noodig is, om u wakker te schudden uit uw slaperigheid? Ge begrypt immers, in één woord, dat ik niet schryven kàn als ’n ander, juist òmdat ik u de waarheid zeg?Maar wilt ge die hooren? Is ’t u inderdaad om waarheid te doen?Ik weet het niet. Jazelfs ge noopt mydikwylsdaaraan te twyfelen.Doch dit is uwe zaak. Myn zaak is u die waarheid te zeggen.Neemt ze aan, ohandeldryvendeNederlanders ... al waar ’t om de goedkoopte alleen. Ge betaalt uw leugens duur, zeer duur, en my betaalt gy niets. Dit niet-betalen moge nu oneerlyk wezen ... de uitgestelde schuld aan my, moge schandelyk vuile plekken nalaten, als gy ze in uw boeken durft doorhalen met gewetenlooze pen ... dit doet er weinig toe. Wat men niet betaalt, is altyd goedkoop. Ik beken dan ook dat het u moeielyk vallen zou my alles te betalen wat ge my schuldig zyt, ook al waart gy eerlyk genoeg om het te beproeven.Waarheid?Wat is dan hier waarheid? Wàt is waarheid over de zaken die thans aan de orde van den dag zyn? Ik wil trachten u dit te zeggen, schoon ’t me moeite kost, lezer. Herhaaldelyk heb ik u toegeroepen dat ik teksten schryf, en geen preêken. Is ’t u inderdaad om waarheid te doen? Waarlyk, wezenlyk, waarachtig?Welnu, sla deze bladen toe, leg dit kleine boekjeongeopend voor u, lees den titel op den omslag, lees ...Laat het boekje gesloten liggen, zeg ik u.Lees den titel op den omslag ... lees voort ... lees voort tot op den naam van den edelen man die de goedheid heeft,—uit liefde tot de waarheid, hoort ge!1—deze blaadjes uittegeven, en ...Weet ge nu nòg niet, lezer, wat de waarheid is?Dan wanhoop ik aan ’t slagen van elke poging om u die waarheid aan ’t verstand te brengen. Dan ontken ik de oprechtheid uwer begeerte om die waarheid te weten.Dan verklaar ik u te diep verleugend om behoefte te kennen aan waarheid, om besef te hebben van waarheid, om eerbied te voelen voor waarheid. En als ik te-werk ging naar den indruk van ’t oogenblik, dan legde ik hier de pen neêr.Wie na ’t lezen van de drie motto’s op den titel, nòg niet weet wat waarheid is omtrent de zoogenaamde kwestie van den dag, kan zich de moeite van ’t verder lezen sparen. Hy zoeke z’n “voorlichting” elders. Ge weet wel, waar? En als er geen krant by de hand is, dan maar in ’s hemels-naam in ’t byblad.“Als ik te-werk ging naar den indruk van ’t oogenblik!” maar ik ganietnaar den indruk te-werk. Ik ben methodischer dan er gemeend wordt door lieden die geen geestdrift begrypen zonder kortstondige naar krankzinnigheid zweemende drift van geest. Ik denk zeer lang voor ik handel, en ik overyl me zelden.Mynleven—dat een geheel is—zou ditbewyzenaan ieder die wat meer menschkunde bezat dan er noodig is tot het ontcyferen van al te dagelyksche karakters.Ik handelnietnaar den inspraak van ’t oogenblik, en zal dus voortgaan u zoo lankdradig en vervelend als maar eenigszins mogelyk, aan ’t verstand te brengen dat:VRYE ARBEIDWENSCHELYK,maar:DAT DE KWESTIE OVER VRYEN ARBEID, NONSENS IS,om daarna te besluiten met eenige toepasselyke beschouwingen, waaruit misschien zou kunnen blyken:dat het niet juist de vry-arbeiders zyn, die denJavaanzullen opleiden tot vrywilligen arbeid.Verleent my hiertoe ... neen, dit behoeft niet.Vrye arbeid is wenschelyk.Staat me by, alle goede geesten van kansel en balie! Helpt me met uw verrukkelyke bewysvoeringen en lankzinnigheden, gy allen die ooit middel vondt om ’nmur-mitoyente begraven onder pleitredenen van zeven uren gaans!Staat me ter-zy, redenaars in de afschaffings-genootschappen, die ’n heelend avend kunt vullen met het betoog dat het beter is nuchter dan dronken te zyn! Helpt me, gy allen die de kunst verstaat veel woorden te wyden aan weinig zaaks ... steunt me, redt me, staat me by!Geeft me ’n adjektief by elk substantief.Geeft me ’n bywoord by elk adjektief. En by elk werkwoord, ’n bywoord.Blaast me lange volzinnen in ’t oor, overal waar de korte te duidelyk zouden wezen voor ’t begrip.Overlaadt my met uw nogtans, uw niettemins, uw hoezeers en uw niettegenstaandighedens.Geeft my de kracht om totate zeggen: o, gy eerste der vierentwintig letteren! Het talent, om dertienmaal achtereen ’t zelfde te betuigen met andere woorden.Gy vooral,van der Palm, gy vooral, sta me by! Gy die in uw diepzinnige uitlegging der nog diepzinniger Schrift, den Volke hebt meêgedeeld dat er onder ’t woord “bedden” moest verstaan worden: groote bedden en kleine bedden.2Tot u vooral wend ik my, prins der preêkers, tot u wend ik my om hulp. Want zie, ookikga eens ’n preek maken. Men wil dit zoo. Uw voorbeeld richte my ... uw kracht sterke my ... uw geest beziele my ... dit hoop ik!En gy die me hoort, vergeeft dat ik niet terstond my verheffen kan tot de hoogte dergenen die levenslang zich toelegden op lankheid en overbodigheid.Bedenkt, bid ik u, dat ik my altyd bezig-hield met kort en goed te zeggen wat er te zeggen viel, en dat men niet opeenmaal meester worden kan in alle kunsten.Ik begin tegen m’n gewoonte met ’ncaptatio benevolentiae: ik beken schuld. Reeds veel vroeger had ik my moeten toeleggen op de nooit genoeg te waardeeren handigheid, de waarheid vervelend te maken opdat ze u zou aanstaan. Ja daarin beken ik schuld. Ik beloof beterschap ... en tot bewys: ziehier!VRYE ARBEID IS WENSCHELYK.Om dit te bewyzen, waarde hoorders, zal ik beginnen met te zeggen dat het niet waar is. En ik heb nòg ’n confidentie te doen. Ik zeide u zoo-even dat ik methodisch was, en lang nadacht voor ik handelde of sprak ... welnu, ook dit is niet waar. Vrye-arbeid isnietwenschelyk, en ik bennietmethodisch. Wat ik heden zeg, trek ik morgen in. Ik bestryd vandaag de stelling die ’k gister opstelselde. Ik moet dit nu wel erkennen, wyl ikvoor ruim twee jarende domheid gehad heb openlyk te verklaren dat Vrye-arbeid ’n goede zaak was. Natuurlykzagik deze inconsequentie liever bedekt met den mantel der vergetelheid, maar ik vrees dat dit niet gelukken zou, omdat een uwer misschien in ’t bezit is van ’n exemplaar derAmsterdamsche Courant van 9 December 1859No. 294 (avondeditie) waar we—met gepasten eerbied—o. a. het volgende lezen:«De vraag van den dag is:vrye-arbeidofgedwongenarbeid.De theoristen—ik neem aan dat zy allen eerlyk zyn, en dat hunne halzen geen schaafmerk dragen van ’t systeemjuk—de theoristen kunnen met den besten wil onmogelyk zonder de hulp van personen alsSlotte3die zaak beoordeelen. Zy kunnen betoogen, bewyzen zelfs, dat Vrye-arbeid beter is, zedelyker, meer kans aanbiedt op welvaart...Gewis! Maar ... wie twyfelt daaraan?Wie twyfelt er aan, of absentie van roof, moord, diefstal, echtbreuk, luiheid, wenschelyk ware?Wie twyfelt er aan, of hetgoedebeter is dan hetkwade?Maar die vragen zynoiseus.De vraag is niet: wat hier het betere zy? De vraag is: of het betere kan bereikt worden? En, zoo ja, langs welken weg?”Helaas, zoo schreef ik voor ruim twee jaren! En wat het ergste is, m’n naam staat er onder. O, had ik toen kunnen voorzien dat de eischen des oogenbliks my in Januari 1862 zouden dwingen tot de verklaring—en ’t bewys—dat vrywillige arbeidnietwenschelyk, dat ze integendeel onaangenaam is, nadeelig, onzedelyk, onvoordeelig en verfoeielyk... o had ik...Maar naklagen baat niet. Het staat er nu eenmaal. Zou ik kunnen beweren dat er tekstvervalsching plaats had? Of dat de redaktie derAmsterdamsche Courantm’n schrift, m’n styl had nagebootst... neen, dit kan niet. En bovendien, dan had ik vroeger moeten protesteeren tegen de onzinnige kettery die daar te lezen staat, met m’n naam er onder in volle letters.Neen, geen omwegen! Ikheb’t gezegd. Ik hèb verklaard datvrywillige arbeid beter is dan gedwongen werk. Daaraan is niets te veranderen. Maarnutrek ik die dwaling in, en beweer dat niets schandelyker en nadeeliger is dan vrywillige arbeid.“En hoe zyt ge geraakt tot deze nieuwe overtuiging?” zal men vragen ... naar ik hoop. Want als men het niet vraagt, zou het den schyn hebben alsof m’n preek den hoorder evenzeer verveelde als myzelf.Hoe ik daartoe gekomen ben? Zeer eenvoudig. Neen, neen... om-godswil, vergeef me,nieteenvoudig! Ik vergat daar dat eenvoud m’n kerk leegschrikt, en dat alleen omslag gewild is. Volstrekt niet eenvoudig dus. Op zeer ingewikkelde wyze ben ik genezen van m’n dwaling, en wel ... raadt eens door wien? Door kleinenMax.Dat kind is goed en zacht en gehoorzaam. O, ik vrees hy is àl te goed, àl te zacht! En, hoorders, als uw kinderen op hun ouders gelyken, dan zal myn kind ter-zyner-tyd de straffe dragen die de wereld toepast op goedheid, om wraak te nemen over het verschil.Hoe dit zy, hy is willig en gehoorzaam. De kleine plichten die z’n leeftyd hem oplegt, vervult hy gaarne. Zelden of nooit behoeft men hem iets te bevelen. In één woord, tot-nog-toe arbeidde hy geheel en alvrywillig.Voor eenige dagen sloeg het uur waarop hy gewoonlyk door z’n moeder wordt ter-ruste gelegd. In-plaats van als altyd op dat uur z’n speelgoed wegtebergen, zich uittekleeden en ons goeden-nacht te wenschen, kwam hy tot me, en zei:—Papa, ik heb ’n idee!Ik schrikte.—Arme jongen, dit moet niet dikwyls gebeuren. Het zou je hinderen in de wereld. Wat is het?—Wel ’t is tyd om te slapen ...—Is dit je idee?—Neen, luister! Toen ’t gister bedtyd was, heb ik me terstond gereed gemaakt, en u vroolyk goeden nacht gewenscht. Ge hebt me vriendelyk geantwoord, my opgenomen, naar-achter gedragen, neêrgelegd, toegedekt, en toen ge met moeder, de kamer verliet, was uw laatste woord, zoo-als altyd: goeden nacht, beste jongen ...—Zeker, dit alles is waar, en moeder zei dat ook, en jyzelf hebt ons vriendelyk nageroepen: goeden nacht! Is dit dan zoo verkeerd? Wat wilde je anders? Heb je daarna niet goed geslapen?—Ik heb goed geslapen,maar ... die manier van naar bedgaan, deugt niet. De werkster heeft ’n zoontje zoo oud als ik, en ik heb gehoord dat dit jongetje’s avondsniet naar bed wil. Dan moet z’n moeder hem door slaag dwingen. Beste lieve papa, ik ben toch niet minder dan ’t kind van die werkster! Wilt ge my ook dwingen om naar-bed te gaan?—Maar kind, hoe kan ik je dwingen tot iets wat je doet zonder dwang?—O, heel gemakkelyk. Ik zal niet willen.Ik beken dat ik ’t kind niet begreep, maar dewyl ik zoo dikwyls genoodzaakt ben hem sommige uitspanningen te ontzeggen, besloot ik ditmaal aan z’n verlangen te voldoen. En het doet me nu genoegen toegegeven te hebben in ’n wensch die:1o. het kind gelukkig maakt.2o. ’n aangename afwisseling te-weeg brengt in m’n huiselyk leven, en3o. my genezen heeft van de dwaling dat vrywillige arbeid ’n wenschelyke zaak is, zooals ik twee jaar geleden meende.Na dien tyd namelyk gaat m’n kind nooit dan gedwongen te-bed. Ik sla en mishandel hem, eerst om hem te ontdoen van de goedaardige gedweeheid die hem zou te-bed dryven ook zonder slaag, en daarna mishandel ik hem nog-eens om hem te dwingen tot naar-bed gaan. En meer nog. Ik pas die mishandeling toe op alles wat er voorkomt. Ik maak hem al zyn plichtjes zóó onsmakelyk, dat-i de vervulling weigert, om daarna hem tot die vervulling te dwingen door mishandeling. Alle vrywilligheid ten goede wordt uitgeroeid, en ik heb de aangename voldoening dat m’n kleine jongen, die vroeger op vervelend eenvoudige wyze deed wat-i doen moest, nu tot niets kan gebracht worden dan langs den allerverrukkelyksten omweg van honger en slaag.Men heeft geen begrip van de streelende verpoozing die deze stryd tegen den vryen wil my verschaft. Gisteren nog:—Wat doeje daar,Max?—Papa... ik heb...—Zeg op... spreek... wat deed je daar?—Papa... ik heb... adem gehaald?—Waarom deed je dit, ongelukkig kind?—Papa... ik deed het... omdat... omdat...—Je deed het zeker omdat je ’twilde?—Ach ja, Papa!—Vervloekte erfzondige verdorvenheid! Terug dien adem,terug, zeg ik je ... terstond ... oogenblikkelyk! Ik zal je leeren ademhalen uit vryen wil!Daarop sloeg ik hem tot z’n longen waren teruggebracht instatu quo ante. En vervolgens:—Haalnuadem omdatikhet je gelast! Maar, zei ik er fluisterend by, gehoorzaam niet terstond.Het kind begreep me volkomen, en weigerde adem te halen, voor ik het daartoe gedwongen had door ’n flinke herhaling van straf.Nu valt-i by-den-dag af, als iemand die op ’n ministeriëele beschikking zit te wachten. Hy smelt weg, en vergaat als kamfer. Z’n lastige vroolykheid is geknakt. Het eenige wat-i nog van-tyd tot-tyd vrywillig doet, is schreien en zuchten. Ik zal hem gelasten zich ook deze uitspanningen te ontzeggen, zoolang ik ze hem niet uitdrukkelyk voorschryf.Maar, zegt men misschien, dit zyn slechts huiselyke zaken. Nu ja! Doch evenalsNewtonuit het vallen van ’n appel, tot de wet besloot, die ’t Heelal regeert, besluit ik tot de noodzakelykheid eener algemeene dwangwet uit de opmerkingen die ik maak in myn gezin.Vergunt my u al terstond meetedeelen hoe ik getracht heb de manier, die sedert eenige dagen myn huis tot ’n waar paradys maakt, op de algemeene zaak toetepassen.Ik ben zeer bevriend met ’n agent van policie, die in z’n leêgen tyd wysgeer is. Dezen heb ik myn stelsel uitgelegd, en hy begreep het terstond, omdat ik ’n oogenblik had waargenomen van leêgen tyd. Niet alleen begreep-i my, maar reeds den volgenden dag paste hy m’n heerlyke uitvinding toe. Ziet hier, geachte hoorders, een extract uit zyn dagboek:Brussel, 12 Januari. De persoon A. van de trottoir gegooid, om daarna hem te dwingen op de trottoir terugtegaan.De huisvrouw van B. uit hare woning gehaald, en haar daarheen teruggebracht. Drie uren geschilderd voor de deur van ’tgemeenschappelykdomicilie, om ze te dwingen t’huis te blyven.Zy beweerde dat ze er niet aan dacht om uit-te-gaan, maar van dien vryen wil heb ik ’n afkeer.Een koetsier gelast z’n paard aantedryven tot hollen, om hem dat te verbieden.Eenige faro-drinkers die voor bezetten tyd de estaminet wilden verlaten, daarin opgesloten tot middernacht, en ze daarna gedwongen naar huis te gaan.Iemand die zich verstoutte rustig by den weg te gaan, metstokslagen gemoveerd tot onrust, en hem daarna gearresteerd als schuldig aan rustverstoring.Zoo-ver ’t dagboekje van m’n vriend den wysgeer-agent van policie. Maar er is meer.Ge weet nog niet ten-halve, beste hoorders, hoe diep myne ontdekking over de wenschelykheid van dwang, ingrypt in de belangen van stad, land, werelddeel en heelal.Ik zal ’t laatst het eerst nemen, dan zult ge ook al ’t andere wel gelooven.’t Heelal ... zeker! Hebt ge er wel eens aan gedacht, hoorders, hoe schandelyk het is voor ons allen dat de zon geheel vrywillig stilstaat, en dat de aarde, die kleine eigenwyze aarde maar altyd-door in de rondte draait, zonder dat wy haar dit bevolen hebben?Ziedaar nu de gevolgen van onze berispelyke onachtzaamheid. Maar beter ten-halve gekeerd dan geheel verdwaald. We zullen de zondwingentot stilstaan. Niets is gemakkelyker. Men geve haar eene Tweede-Kamer als de onze, dan sta ik borg dat ze geen stap van de plaats komt. En de aarde die zich, wie weet hoe lang al, met aanmatigende eigenwilligheid veroorlooft te draaien tot eigen genoegen, wy zullen haardwingentot draaien. Om al deze verbeteringen intevoeren, wacht ik slechts op het ééne vaste punt datArchimedesgezocht heeft, en ... ik beloof u ’n heerlyke toekomst.Alles zal gedwongen zyn. Door dwang zal ’t kind z’n ouders beminnen. Door dwang zult ge spreken, zwygen, staan, liggen, loopen, slapen, eten, geldwinnen. Dwang zal heerschen in de Natuur, in den Staat, in uw huis, aan uw sponde. Al wat kwaad is zalnietzyn, omdat al ’t goede dwang wezen zal.Heerlyke, heilige, goddelykedwang!Ook de Javaan zalgedwongenworden het goede te doen, dat is: te arbeiden ...“Maar eilieve, roept hier toch naar ik hoop de lezer uit, dit alles is ... absurd, ongerymd, dwaas, krankzinnig en nog meer ...Juist!WAT TEBEWYZENWAS... geachte hoorders!Ik kan overgaan tot het tweede gedeelte van myn preêk.De kwestie overvryenarbeid is nonsens.Ge hebt gezien, hoorders, hoe moeielyk ’t my viel u te bewyzen datvrywillige arbeid wenschelykwas. Ik heb daartoe ’naaneenschakeling van zotternyen noodig gehad. De keuze myner bewysvoering stond niet aan my.Mynsmaak zou me niet leiden tot zooveel omhaal by ’t bewys eener waarheid die zóó voor de hand ligt, dat ik niet dan met weêrzin ben overgegaan tot ’n betoog—en welk betoog!—dat gemyhadt moeten sparen, maar datikniet sparen mocht aan u, die naar ’t schynt niet in staat zyt iets te bevatten dat wordt voorgedragen met eenvoudigheid. Ik verklaar u datikheel graag ’t Heelal met rust zou gelaten hebben, en m’n vriend den policie-agent ook. Wat m’n besten kleinen jongen aangaat, ik verzeker u dat ik hem volstrekt niet sla. Ik moet deze verzekering wel uitdrukkelyk geven aan ’n publiek dat “onzedelykheid” heeft weten optedelven uit deMinnebrieven, en dat daarin heeft gevonden:eene aansporing aan ’t volk om horlogies te stelen.4’t Is ’n ondankbaar werk voor u te schryven, Nederlanders. Of ik goedschryf, weet ik niet. En dit scheelt me ook weinig. Maar datgynietlezenkunt, is zeker. En dat ge—hoe gebrekkig dan ook—lezenzultwat ik schryf, is ook waar. Beproef eens neen te zeggen.Maar, zeer geachte hoorders, dit is ’n parenthesis die ik u verzoek niet te verstaan. Verbeeldt u daartoe dat ge in de Tweede-Kamer zyt, dan zal ’t wel wennen.Ik heb u dan in ’t eerste deel myner rede, opuwewyze—nog-eens: niet opmynewyze—aangetoond datvrye wil beter is dan dwang. Ik verzoek nu, eens-voor-al, dit punt als afgehandeld te mogen beschouwen.Wezyngenaderd tot het tweede deel myner rede, waarin ik zal trachten te betoogen: dat de kwestie overvryenwilom te arbeiden ...NONSENSis.Ik vraag vergunning hier te supprimeeren wat er zou te zeggen vallen over den oorsprong van den arbeid. Ook zal ik den zondvloed overslaan, en zelfs my onthouden van onderzoek naar den Sanskritschen wortel van ’t woordnon-sens, dat zeer oud schynt te wezen. In ’t kort, ik doe afstand van alle gewone hulpmiddelen om u te boeien en te overtuigen. Wanneer ik dus in ’t tweede deel myner rede u minder verveel dan gevorderdwordt door deftigheid, gewoonte en smaak, bedenkt dan dat ik ruimte van plaats en tyd moet overhouden voor de “eenige beschouwingen” van m’n derde deel, die misschien zullen aantoonen dat er nog-al verschil van beteekenis bestaat tusschen “vrywilligheid” en “particuliere ondernemingen.”Na alles wat ik onlangs in het eerste gedeelte dezer brochure te kennen gaf, zou ’k dit heele middelstuk myner preêk kunnen overslaan, of wel het inkrimpen tot deze eenvoudige opmerking: daar ge nu eindelyk met my eens zyt datvrywilligheidbeter is dandwang, begrypt ge dat het redeneeren over de vraag:“of er moet bepaald worden dat de Javaan voortaan die vrywilligheid zal bezitten?”gevoegelyk zou kunnen worden gerelegeerd naar de duitenplateryen van den dag.Maar zie, dan was m’n preêk te kort.Erasmusheeft u geprezen, hoorders, uit dankbaarheid misschien voor uw smaak in lankdradige betoogen. Want hy was meester in vrye kunsten, en zulke menschen hebben dikwyls behoefte aandébouchévoor lange redevoeringen.Ik ben meester in geen enkele kunst. Maar op de welsprekendheid leg ik me toe. Dit ziet ge.We zullen dus maar weêr beginnen met de bewering dat niets nuttiger is, niets billyker, niets waardiger, niets zielverheffender dan vasttestellenby de wet, dat de Javaan arbeiden zal uit vryen wil.Ik beveel myne opmerkingen hieromtrent dringend aan in de attentie van Volksvertegenwoordigers die verlegen zyn om eenspeech. Men zal zien dat myne stelling in nauw verband staat met ...alles—meer kan men niet verlangen—en dat ze gelegenheid biedt tot uitweidingen die ’t geduld zouden vermoeien van den trouwsten hoorder, den yverigsten slaper in welke kerk ge maar verkiest.Vrye wil tot arbeid is “iets goeds.”Het is goed, wenschelyk, nuttig, enz. “iets goeds” vasttestellen by de wet.’t Is dus goed, wenschelyk, nuttig, enz. by de wet vasttestellen dat de Javaan vrywillig zal arbeiden.En nu de algemeene conclusie, die ik ’t eerst zal behandelen om daarna terugtekomen op de byzondere:’t Is goed,wenschelyk, nuttig enz. “alwat goed is” vasttestellen by de wet.Leent me daartoe ... neen, dit hoeft weêr niet. Leent me niets.Gierig, hebzuchtig, belangzoekend, was ik nooit. Of ’t by ’n wet bepaald was, weet ik niet, maar als ik wat had, gaf ik gaarne.Welnu, hoorders, heden geef ik aan alle tegenwoordige en toekomende Volksvertegenwoordigers de schema’s voor de redevoeringen die zy zullen te houden hebben over alle voorgestelde wetten die het Volk...wat zeg ik ... die de heele Natuur zullen dwingen tot “iets goeds.”“Ziehier hoe men zal kunnen spreken:»Hoe, myne heeren, hoe ... zouden we weigeren den minister te steunen—voor wien ik persoonlyk de meeste achting heb, doch met wien ik niet in de minste relatie sta, want by my op ’t dorp trouwen wy altyd onder elkaêr—zouden we hem onze hulp ontzeggen, nu hy ons de vrucht voorlegt van zyn nachtwaken? Mogen wy—wy die ’t Nederlandsche volk vertegenwoordigen—mogenwy het eenige redmiddel van-de-hand wyzen, dat den beklemden Staat zal verlossen uit de geweldig-innypende, dooréén-beroerende, van-uit-elkander-gescheurde, tegen-opgeslingerde ... (niet hoorbaar). Daar liggen zy, de treurige slachtoffers van ’t misbruik. Loeiende, brullende, schoppende, oogverdraaiende, liggen zy daar. Ik zeg dat ze daar liggen ... (niet hoorbaar). De voorgestelde wet is het heil van den Staat, myne heeren! Ik zeg dat de Staat ... (niet hoorbaar).Doch ik zal niet toegeven in de aandoeningen die my overstelpen. Met kalmte en waardigheid zal ik trachten de zaken te ontwikkelen. En, myne heeren, als ’t hier-en-daar mocht schynen, myne heeren, dat ik spreek in het belang der party waartoe ik de eer heb te behooren, myne heeren (hier moet de spreker links buigen, en rechts ook, en naar ’t midden ook) dan, myne heeren ... (niet hoorbaar).De zaak is zakelyk deze, myne heeren. De zaak is, ons goed voortestellen wat de zaak was, wat de zaak is, wat de zaak wezen kon, en wat de zaak worden zal, als de zaak die we thans behandelen door ’n wet zal zyn vastgesteld. Dit is de zaak myne heeren!De veestapel, myne heeren, ik zeg dit uit diepe overtuiging, en niet dan na lang daarmeê te hebben omgegaan, de veestapel ... (niet hoorbaar). Ik zeg: zonder koeien geen melk. Zonder vee, geen vleesch. En dat vee ... (niet hoorbaar) zoover ik de eer heb het te vertegenwoordigen, myne heeren, is geloovig, godsdienstig, gehecht aan den roem en de bezittingenzynervoorvaderen, myne heeren! Daarom ... (niet hoorbaar) wat zegt de voorgestelde wet? Laat ons haar bedaard lezen, zonder verhitting, zonder partygeest...kalmte, myne heeren, kalmte! Wat zegt de wet? Ziehier:»Eenig Artikel. Alles gehoord en gelezen, is verstaan te bepalen dat voortaan elk rund tweemaal zal worden geslacht en opgegeten voor ’t dood is,Onze Ministers zyn belast met de uitvoering.”Zóó zegt de wet, myne heeren! En gy zoudt die wet, die heerlyke onvolprezen wet afkeuren? Ge zoudt ... maar neen ... ik verwacht iets anders van uwe vaderlandsliefde. Ik heb gesproken met overtuiging.Mocht ik hier-of-daar, in ’t vuur der improvisatie, iemand hebben gekrenkt of beleedigd, ik vraag daarvoor verschooning, myne heeren! Ik verzeker al de heeren in ’t algemeen van m’n zeer byzondere hoogachting, en hiermede ... ik heb gezegd!Anders:»Ik zou het woord niethebbengevraagd, myne heeren, dewyl de behandelde zaak geheel-en-al buiten myn werkkring ligt, wanneer ik my niet verplicht voelde ernstig te protesteeren tegen de insinuatiën die er misschien zouden kunnen gelegen hebben in de woorden van den geachten spreker uit X.,wiens doorwrochte redevoering ik niet heb kunnen verstaan. De heilige zaak die ik op my nam—in onzesociëteitde Gezelligheid—toen al de leden ... toen al de Kiezers my de belangen opdroegen van ons distrikt, verbindt my tot de verklaring dat ik niets toestem van wat er in die redevoering misschien stuitends of onaangenaams mocht voorkomen voor de leden der ... voor de Kiezers van myn distrikt. Ik behoud my ’t recht voor, hierop terugtekomen, zoodra ik wellichtte-eeniger-tydzal mogen vernemen wat de spreker uit X.—wien ik persoonlyk de meeste achting toedraag—eigenlyk gezegd heeft.En, myne heeren, wat de voorgestelde wet aangaat, met het oog op de heilige afspraken die ik maakte met den kruienier op ons dorp, verklaar ik plechtig, vóór die wet te zullen stemmen, zoodra de Regeering kan goedvinden het getal deravatara’svan onze geachte runderen te bepalen op drie.Myn geweten schryft me dit amendement gebiedend voor, en deconciërge—voor wien ik persoonlyk de grootste achting heb—zal iets in dien smaak deponeeren op ’t bureau.”Anders:»Hetgoede, myne heeren! By ons in den achterhoek—het zy gezegd zonder den minsten blaam te willen werpen op andere hoeken—by ons leven wy voor ’t goede. De voorgestelde wet is door al m’n Kiezers, wat de strekking aangaat, met genoegen vernomen. En ikzelf zou daarmede instemmen, wanneer ik niet de eer had (hier moet de spreker buigen naar de rechterzy, en naar de linkerzy, en naar ’t midden) wanneer ik niet, zoo als ik de eer had te zeggen, de eer had Lid te zyn van deze Kamer, welker leden ik allen persoonlyk de meeste achting toedraag.De zaak is deze, myne heeren!Wat zegt de wet die ons wordt voorgelegd door den tegenwoordigen minister, wien ik persoonlyk de meeste achting toedraag? Die wet zegt:»gehoord enz.»»te bepalen dat alles goed zal zyn.»En, myne heeren, de ministers moeten dat uitvoeren. Nog-eens, myne heeren, al m’n Kiezers—en zelfs de kastelein van onze sociëteit, ’n man van zaken!—al m’n kiezers keuren de strekking van die wet goed. Maar, myne heeren, ikzelf als lid van deze Kamer, welker leden ik allen persoonlyk de meeste achting toedraag, ikzelf stem tegen de redactie. Immers zoodraeens-voor-altydal ’t goedezal vastgesteld wezen, zoodra eens-vooral de ministers zullen belast zyn met de uitvoering vanalles goeds, zullen er geen latere wetten meer noodig zyn.En, myne heeren, met de hand op m’n mandaat, met het oog op den zetel des voorzitters, met den mond geopend als tot het doen eener vernietigende, verpletterende,tegen-zelfmoord-waarschuwende vraag, voel ik me verplicht u voortehouden:Waar blyvenwydan?(eenige poozen. Aandoening. Beweging. Onsteltenis en suikerwater.)Vergeeft me, myne heeren, ’t onwillekeurig afbreken myner rede. Men is Lid van de Kamer, ja, maar men is ook mensch. Ik zal voortgaan. Ik zal trachten m’n hartstochten te betoomen naar behooren. Ik zal gebruik maken van ’t voorschrift diens grooten meesters in de redeneerkunst, die den redenaar tot eersten plicht maakt niet te schreien onder ’t preeken, en ik zal u, zonder tranen, maar even bewogen als-óf ik schreide, nogmaals vragen:Waar blyven wy dan?Ja, ik vraag u, Leden van deze Kamer, die ik allen persoonlyk zoo byzonder hoogacht, wanneer eens-vooralhet goede...al het goede... niets dan’t goede, ware vastgesteld by de wet ... ik vraag het u in ’s hemels naam:Waar blyvenwydan?(Indruk. Verpoozing. Rumoer.De spreker geeft ’n teeken aan de»juffrouw”op de tribune, die hy ’n kaartje gaf onder verband van flauwvallen. Ze valt flauw. Opschudding. De»juffrouw”is weggebracht door twee knechts, voor wie ze persoonlyk de meeste achting heeft. De spreker gaat voort met wat hols in de stem).Waar blyvenwydan. Ik heb persoonlyk de meeste achting voor al de leden, maar ik durf, ja, ik moet hun ernstig en plechtig—en dezen keer zelfs kort en goed—afvragen: waar ze blyven zouden?Gy, geacht medelid uit Z ... waar zoudtgyblyven? Zou men op uw dorp genoegen scheppen in uw omgang, nadat ge hier finaal hebt afgeleerd verstaanbaar te spreken?Gy, even-geacht medelid uit Y ... denkt ge dat de opzieners uwer fabriek u zouden verstaan, begrypen, gehoorzamen, nadat ge u in deze eerbiedwaardige vergadering met zooveel succes hebt geoefend in onbegrypelykheid?Engy, nog geachter medelid uit X.—dit zy gezegd zonder de minste bedoeling om mindere achting uittedrukken voor de andere leden, die ik, ieder voor zich, nog meer acht dan ik al de andere te-zamen acht—gy, boven alles geacht lid uit X., meent ge dat uwe vrouw, die metPRUD’HOMMEuwe verkiezing den eeresabel van haar hart noemde, meent ge dat zy u by ongekozen terugkeer, zou tegenwalmen met de vrouwenziel-kenmerkende juichtonen die geschreven staan in ’t vrouwen onderdanigheid-voorschryvende artikel des burgelyken wetboeks? Meent ge dat de herboren onderdanigheid—herboren op den oogenblik uwer roemryke apothéose in deGezelligheid—meent ge dat die herboring niet zou neêrvallen, in-eenzakken, vervliegen en verdampen, zoodra ze in u omarmen moest een aan ’t strand gespoeld, gebersten, bedorven, gespleten, vergaan, geknakt, gescheurd, bemorst, kleurloos, vormloozig, onbruikbaar stuk houts, dat deel maakte van ’t verongelukte vaartuig onzes dierbaren parlements, voor welks leden ik persoonlyk de meeste achting gevoel?Meent gy geachte spreker uit X, dat de kinderen in uwe stad, en de dochteren van de arbeiders uwer stokeryen, uwer spinneryen, uwer bouwlanden en uwer branderyen: meent ge dat die allen u zullen tegemoetstroomen met zoetgalmend gejuich? Meent ge dat de turfdragers ten-uwent de paarden zullen afspannen van uw wagen, als ge ongekamerd terugkeert? Denkt ge dat de notaris en de ontvanger u ’n feest zullen aanbieden, ’n feest met schildpadsoep, met toasten en leve-de-konings, alsof gyzelf de koning waart? Denkt ge dat één boer u zal toeroepen: »gnavend samen» als-i weet dat ge door de thans voorgestelde wet zyt veroordeeld tot overbodigheid? Meent ge dat de burgemeester u de vuurtest zal reiken voor uw pyp, als die pyp in treurige kamerloosheid niet meer branden mag tot heil van ’t vaderland! Meent gy in ’t eind ... doch wat behoef ik verder te vragen, geacht lid uit X ... ik zie dat gy getroffen zyt. Ik zie dat m’n rede uit het hart is gegaan tòt het hart, en ik zal de fyngevoeligheid der vergadering—welker leden ik allen persoonlyk de meeste achting—de yselykheden sparen der schildering van ’t lot dat ons allen wacht ... wanneer de voorgestelde wet mocht tot-stand komen.Maar zeer geachte leden, het is niet destrekkingdezer wet, het is de gebrekkigeredaktiedie over ons al de ellende zou uitstrooien waarop ik nu nog slechts ter-loops gewezen heb, doch die my stof geven zou tot ’n redevoering, nog langer dan de andere ... die ge nooit kunt vergeten omdat gy ze nooit hebt gehoord.Deredactiedeugt niet, myne heeren! Al m’n kiezers zyn ’t hierover eens. En zelfs onze kastelein ... (onhoorbaar). Wel mocht al het goede wordenvastgesteld by de wet, maar, myne heeren zeer geachte medeleden, dit moet niet geschieden by ééne wet!Juicht, geachte medeleden uit X, uit Y, uit Z ... juicht! Schryft aan uwe vrouwen, boeren, arbeiders, Kiezers en medeleden van alle mogelykeGezelligheden: al het »goede» zal worden vastgesteld by de wet en tòch zal er altyd ’n parlement noodig zyn, tòch zal er, altyd-door, behoefte wezen aan nieuwe wetten.De aantooning hiervan, myne Heeren, zal me stof geven tot het tweede deel myner redevoering.(Verbazing en suikerwater).Ja, al »het goede» zal worden bepaald, vastgesteld, geschapen door de wet! Maar, zeer geachte leden, dit alles moet niet geschieden door ééne wet.De thans voorgestelde getuigt van eene onvergeeflyke, in bureau-mannen onbegrypelyke—en, ik moet dit erkennen, zeer ongewone—kortheid. Ze moet worden afgestemd, doch onder uitdrukkelyke verklaring dat de kamer zich geheel-en-al vereenigt met het principe des Ministers, voor wien de Leden der Kamer persoonlyk de meest mogelyke achting koesteren. Vervolgens behooren wy dien Minister—ditmaal onder betuiging onzer zeer byzondere achting—in overweging te geven, het “goede” te verdeelen in zooveel onderdeelen als eenigszinsmogelykis, om dan voor elk onderdeel een nieuwe op-zichzelf-staande wet ter-tafel te brengen.Ziedaar, geachte medeleden, de oplossing van het vraagstuk, hoe wy al het “goede” kunnen vaststellen by de wet, en toch altyd-door behoefteblyven houden aan nieuwe wetten, dat is: aan geachte leden van dit parlement.(Hier wenkt de spreker naar de tribune. Gejuich op de tribune.)Wat my betreft, myne heeren zeer geachte medeleden, ik wil toonen dat ik ’n man van zaken ben, ’n vyand van holle theoriën: en ’n vurig aanhanger tevens van onze gezegende grondwet, het kostbaar instrument dat aan ’n zeventigtal ingezetenen, die wellicht anders voor ’n groot deel niets zouden wezen, den schyn waarborgt dat ze iets zyn.Ja, myne heeren, dit wil ik u toonen. Ofschoon ik eigenlyk kapitalist van beroep, en dus niet gewoon ben my intelaten met het oplossen van moeielyke vraagstukken, heb ik den weinigen tyd dien myn bedryvige werkkring my overlaat, benuttigd om ’n twintigtal wetten uittedenken, die allen het “goede” bevorderen, wat zeg ik, die het “goede” vaststellen. ’t Spreekt vanzelf, myne heeren, dat er nog meer te maken zyn ... dit is ’t voornaamste! Schryft gerust naar huis, dat het onderwerp niet Kamer-vernietigend uitgeput is. Volstrekt niet! Onze kastelein ...(Hier behoort de spreker te hoesten. Hy haalt ’n rol uit den zak en leest:)Eerste wet.Alle jonge dochters zullen, te beginnen met ... gy begrypt toch myne heeren, dat de tyd van ingang afhangt van ’t oogenblik waarop de wet behandeld wordt? Ook verzoek ik verschoond te mogen blyven van de herhaling der clausule dat de Ministers zullen zorg-dragen voor de uitvoering. Eens-voor-altyd, de ministers voeren alles uit. Alle jonge dochters dan, zullen voortaan zachtmoedigzyn, geduldig, inschikkelyk, tevreden en schoon.Nota van toelichting.Ik heb er niet tegen, deze wet te splitsen in zooveel deelen als er deugden kunnen bedacht worden. Mocht men overigens nog bovendien verkiezen afzonderlyke wetten te maken voor de blonde, voor de bruine, voor de onzekerharige, ’t is my wel. Nog ’n andere, zeer nuttige splitsing is mogelyk. Men kan de meisjes verdeelen naar provinciën, naar steden, dorpen, gehuchten, huisgezinnen, naar geboorte-dagen of uren, naar hebbelykheden of godsdienstige en andere meeningen, jazelfs men zou elke jonkvrouw tot het onderwerp kunnen maken van zooveel wetten als er hoedanigheden bestaan. Ik gis, maar hiervan ben ik niet zeker, dat die hoedanigheden, nog zouden kunnen worden gesplitst in onder-hoedanigheden. Hoe dit zy, men ziet dat myn denkbeeld over de verdeeling van “het goede” onuitputtelyk vruchtbaar is. Ik verzoek de heeren dit naar huis teschryven.Tweede wet.Er zal geen hagel vallen zoolang ’t gewas op het veld staat.Nota van toelichting.Men kan hiervan ’n boekweitwet maken, ’n tarwewet, ’n roggewet, ’n haverwet, enz. En, na ’t aangegeven idee over de splitsing van de jonkvrouwelyke deugden, vermeen ik hier, even als by de volgende wetten, eens-vooral de opmerking te mogen achterwege laten, hoeveel duizende wetten er te maken vallen uit elke wet die ik voorstel.Derde wet.Niemand zal z’n been breken.Vierde wet.Bankroeten zyn afgeschaft.Vyfde wet.Al de leden van de Tweede Kamer zullen bekwaam zyn, en verstaanbaar spreken.Zesde wet.Alle verkeerde begrippen worden ingetrokken.Zevende wet.Ieder inwoner van den Staat zal behoorlyk gevoed worden.Achtste wet.Er zal geen inbraak plaats hebben by diefstal.Negende wet.Alle landeryen worden vergroot.Tiende wet.Elke ingezetene zal voortaan juist zoo denken als de Ministers die den Staat regeeren.Elfde wet.Een gouverneur-generaal in Indië, zal Engelsch verstaan om Pope te kunnen lezen.Twaalfde wet.Kostschoolkinderen, militairen en gouvernements-arbeidslui zullen zich ontdoen van alle begeerte naar voedsel.Dertiende wet.Er wordt voortaan niet geonweêrd voor twaalf uren in den nacht, (middelbare tyd.)Veertiende wet.Alle ziekten die onaangenaam zyn voor de patiënten worden ingetrokken.Vyftiende wet.Geen jeugdig Nederlander zal onbekwaam en lummelig zyn.Zestiende wet.Geen bejaard Nederlander zal onbekwaam wezen, en saai.Zeventiende wet.Er zullen dertien witte boonen groeien in één snyboon.Achttiende wet.Men zal voor weinig geld zich even veel gemakken aanschaffen, als voor veel geld.Negentiende wet.Alle visch uit de Indische zee zal in Holland te verkrygen zyn om-niet.Nota van toelichting.Deze wet heb ik van ’n vriend die hoogleeraar is in de protéïne.Twintigste wet.De Javaan zal arbeiden uit vryen wil.Maar dit is domheid, dwaasheid, onzin, krankzinnigheid ennonsens!Juist, dat isNONSENS.Wat te bewyzenwas alweer ... geachte hoorders!Vrywillige arbeid is wenschelyk.Het is even ongerymd te redeneeren, te discussieeren, te parlementeeren over—onverschillig vóór of tegen—zulk ’n wet.(Duitenplatery).Ik meen u gebracht te hebben tot de erkentenis van deze waarheden, en alweder moet ik u verzoeken dit eens vooral te mogen constateeren, opdat ik dáárop althans niet zal moeten terugkomen.Om verschooning te verdienen, of juister om u te doen inziendàt ik verschooning verdien voor desoortvan bewysvoering door my toegepast op de stellingen, die ik alzoo de vryheid neem met dagbladschryvers-lankdradigheid vooroptestellen, voel ik my verplicht, vóór ik mag overgaan tot het derde deel dezer verhandeling, u ’n kleine geschiedenis te verhalen, die nooit gebeurd is.In zeker land heerschte beweging, onrust, tweespalt...agitatie. Er bestond ’n verschil van gevoelen, dat zeer diep ingreep in alle mogelyke “eerste beginselen”. Vaders haatten en onterfden hun zoons. Vrouwen verlieten hun echtgenooten. Winkeliers, hun toonbank en geldlâ... neen, zóóver ging de agitatie niet, maar ze ging toch héél ver.Omdat dezeagitatienadeelig werkte op den loop der zaken—zoo-alsalleagitatiën—werden er zeventig wyze lieden benoemd—septuaginta, ’n omineus getal!—zeventig wyzen alzoo, met witte haren en overvloeiende van persoonlyke geachtheid om de zaak die ’t volk zoo agiteerde, tot klaarheid te brengen.Die wyzen dachten diep na, en spraken veel. Zy spraken veel, en dachten soms zeer diep na. Eenigen hunner spraken veel, zonder zoo heel diep natedenken. Ook waren er die spraken zonder nadenken in ’t geheel.En onder hen die spraken, waren er die verstaan werden van-tyd tot-tyd.Maar onder de sprekers die verstaan werden, werd er geen enkele begrepen.Ik laat nu daar, of ze nietwildenbegrepen worden, d.i. of men zich in ’t land waarvan ik spreek, toelegde opduitenplatery. Maar zeker is ’t dat het volk, na lang getwist, na veel gespreks, even wys bleef als te-voren.Vaders hielden zich onophoudelyk bezig met onterven hunner zoons. Vrouwen gingen voort haar mannen te verlaten. Winkeliers ... neen, zóóver ging de agitatie niet, maar toch altyd-door, heel ver.En de wyzen werden hoe langer hoe witter van haren. En hunne persoonlyke achtenswaardigheid werd gedurig achtenswaardiger en persoonlyker. En ze spraken ... ze spraken ... Maar de agitatie duurde voort. Het volk werd niet wyzer. De vaders ... ge weet de rest.De deftigheid derseptuagintaklom tot hoogen ernst.Hun ernst werd plechtig.De plechtigheid ging over in ’t aandoenlyke.’t Volk was dan ook aangedaan. Maar het was dit door dezeer onprettige gewaarwording die men agitatie noemt, en geenszins door de meer gewenschte aandoening der erkentelykheid voor bekomen licht in de duisternis.En de vaders... ja, dit weet gy al.Metverfoeielyketuchteloosheid heb ik verzuimd u meetedeelen, waarin dan toch het verschilpunt gelegen was. Ziehier. De vraag die ’t volk agiteerde, die de zoons onterfde, die de vrouwen afdreef van de mannen, die de winkeliers ... neen, de winkeliers niet. De vraag die deseptuagintazoo bezighield—met behoud van persoonlyke achting—de vraag was deze:“heeft de heiligeDionysius,na z’n dood, gewandeld met z’n hoofd onder den rechter-arm of onder den linker-arm?Toen kwam er ’n eenvoudig man in ’t land, die geen witte haren had, en persoonlyk volstrekt niet geacht was, waaruit men met het oog op ’t gehalte van al die andere achting, zou mogen besluiten... nu, dit doet er niet toe. Hy zeide tot het volk: “Lieve menschen,Dionysiusheeft na z’n doodnietgewandeld. Hy heeft z’n hoofdnietonder den arm genomen, noch onder den linker-arm, noch onder den rechterarm.5Het volk gooide dien man met vuil. Dit spreekt vanzelf. Ook deonterfdezonen gooiden meê. Ze hadden dit niet moeten doen,zyvoóral niet. En ziet, de verzoeking om met vuil te werpen, werd zelfs den winkeliers te sterk. Ditmaal verlieten ze voor ’n oogenblik geldlâ en toonbank.Maar de man die nietpersoonlykgeacht was en geen witte haren had, bedacht een middel om een eind te maken aan de nuttelooze agitatie van ’t volk, en aan de even nuttelooze—onverstane en onbegrepen—deftigheid derseptuaginta. Hy nam een stoel ging er op staan, en sprak:“Hoort, burgers, hoort het woord dat tot u gesproken wordt over, en wel dóór den heiligenDionysius. Hy is my verschenen in den droom, en heeft me verzocht u allen te groeten. Hy laat u zeer bedanken voor uwen yver in de rechter-linkerkwestie. Doch die goede heilige wil niet dat gy te ver zoudt gaan in uw vurig streven naar waarheid, en dat ge ’t offer worden zoudt van uw onleschbaren dorst naar gerechtigheid. Daarom, o edele vaders,onterfdezonen, weggeloopen vrouwen, en wat dies meer zy, hoort wat de heilige man my gezegd heeft, en maakt terstond ’n eind aan uw agitatie:Ter voorkoming van na-yver tusschen zyne beide armen, heeft de onvolprezenDionysiusna z’n onthoofding, z’n lichaam tusschen de tanden genomen, en zóó is-i voortgewandeld!”’t Volk juichte. De redenaar werd bekranst. Ieder was tevreden. Ieder ... behalve de Septuaginters die ietwat verloren hadden van hun gewicht, hun aanzien en hunne persoonlyke geachtheid ...Ofgynu, zeer geachte hoorders, juichen zult, en my bekransen, nadat ik u in de twee eerste deelen myner rede het bespottelyke heb onder ’t oog gebracht van uwrechter-linkerkwestie, weet ik niet. Ik twyfel daaraan omdat ik weinigreden heb staat te maken op uwe rechtvaardigheid. De vertelling overDionysiushad geenszins ten-doel u toejuiching of kransen aftelokken voorzotternyen, nadat ge my die toejuiching hadt ontzegd voor al den ernst dien ik u gaf. Ik wapen me slechts tegen de beschuldiging dat ik m’n toon zoek ...Ziehier: (Havelaarpag. zooveel.)«Vervloekt dat verontwaardiging en droefheid zoo vaak zich kleeden in ’t lappenpak van de satire! Vervloekt dat ’n traan, om begrepen te worden, moet verzeld gaan van gegryns! Of is ’t de schuld myner onbedrevenheid, dat ik geen woorden vind om de diepte te peilen van de wonde die er kankert aan ons staatsbestuur, zonder m’n styl te zoeken byFigaroofPolichinel?Styl... Ja! Daar liggen stukken vóór my, waarin styl is. Styl die aantoonde dat er ’nmenschin de buurt was, een mensch wien ’t de moeite waard geweest ware de hand te reiken. En wat heeft die styl den armenHavelaargebaat?Hyvertaalde z’n tranen niet in gegryns, hy spotte niet, hy zocht niet te treffen door bontheid van kleur, of door grappen van den uitroeper voor de kermistent. En wat heeft het hem gebaat?.............................................................................................................................................................................................................................................................................................................................Weg met gemoedelyke taal! Weg met zachtheid, rondborstigheid, duidelykheid, eenvoud, gevoel! Weg met al wat herinnert aanHoratius,justum ac tenacem! Trompetten hier, en scherp gekletter van bekkenslag, en gesis van vuurpylen, gekras van valsche snaren, en hier-en-daar ’n waar woord, dat het meê insluipe als verboden waar, onder bedekking van zooveel getrommel en zooveel gefluit.Styl!Hyhad styl!En wat heeft het hem gebaat?Als ik dus wil worden gehoord—en verstaan vooral—moet ikandersschryven dan hy!»Ja, dan moet ik anders schryven, zeer geachte hoorders! Enanders spreken ook. Hieraan hebt gy die treffende historie vanDionysiuste danken. Vermaakt er u meê.En nu, dunkt me, kan ik overgaan tot het derde gedeelte myner preek, waarin ik eenige beschouwingen wensch medetedeelen ...Naar den duivel met die preêk en die beschouwingen in ’n derde-deelig lystje! Naar den duivel met uw gareel waarin ’k niet loopen wil, gy die geen paard begrypt zonder juk, geen leest zonder keurslyf, geen taal zonder spraakkunst, en geen waarheid zonder peperhuis, waarin ze ligt opgerold, toegevouwen, platgedrukt, inééngefrommeld, als ’n theater-affiche van den vorigen keer!Naar den duivel met uw schoolmeestery, gy die meent dat schryven of spreken iets anders is dan ’t weergeven van de indrukken der ziel! Gy die dáárom van de ziel ’ntalenthebt gemaakt, omuwaangeleerd, verschoold talent voorzielte doen doorgaan, en alzoo dat talent te maken tot grondstof van ’n beroep “dat wat gééft!”Voort ... terug naar de schoolbank, gy meesters in dingen die men niet leert, gy volleerden in zaken die ge hadt moetenvoelen, vóór gy iets leerdet! Weg, preêkers, babbelaars, redevoeringhouërs, preek- praat- redeneer- vertoog- pleit- verhandelkranen,à raisonvan zooveel woorden in ’t uur, van zooveel centen ’t woord! Weg handelaars in de waarheid, tegen honderd liters in de minuut. Debitanten en splitsers van gevoel in volzinnen groot en klein, by den emmer en by ’t maatje ...Gyhebt het Volk bedorven! Gy, schriftgeleerdengy,gy,gy...Gy, met uw gepraat over dingen die vanzelf spreken. Gy, met uw gepraat over dingen die in ’t geheel niet spreken. Gy, met uw rechterzy en uw linkerzy. Gy met uw behoud en uw liberalisme. Gy, met uw “eerste beginselen” die onmisbare bondgenooten van elke beginselloosheid. Gy, met uw deftigheid en witharige wysheid. Gy, met uw duitenplatery, dat is: gy met uwbedrog...GYhebt het Volk bedorven!En ge huist, als vuil ongedierte, niet alleen in de plooien van de “toga der Volksvertegenwoordigers—ge nestelt overal waar ge kunt plaats vinden tusschen naad of vouw der bedekking van de een-of-andere deftigheid. Gy, sprekers, praters, schryvers, redenaars, preêkers ...AAN DEN UITGEVER.Waarded’Ablaing!Neen, er zal niet gezegd worden dat niemand beproefde denvloek te bezweren die er rust op het Volk. ’t Zal niet gezegd worden dat niemand de ziekte aantastte, de rottende ziekte waaraan dat Volk lydt: deLEUGEN.Ik zal doen wat ik kan.Ik verzoek u de uitgaaf op u te nemen van ’n werk dat ik zooeven bedacht heb. Ik zal u elke week ’n vel druks leveren. Ja, als ik ’n kamer heb waar ik rustig zitten kan, twee vellen in de week. Ik verbindmyvoorloopig tot schryven van zes-en-twintig vellen, dat is dus—als ik geen goede kamer heb—voor ’n half jaar.Geef dat uit naar uw goeddunken. By inteekening, zonder inteekening ... voor veel geld, voor weinig geld ... het scheelt my niet.Ik zal in dat schryven trachten naarwaarheid.Dit is m’n program. Dit is m’n eenig program.Ik zal geven:verhalen, vertellingen, geschiedenissen, parabelen, opmerkingen, herinneringen, romans, voorspellingen, mededeelingen, paradoxen ...Ik hoop dat er ’n idee zal liggen in elk verhaal, in elke mededeeling, in elke opmerking.Noem dus m’n werk:Ideën.Anders niet.Enschryfer boven:“een zaaier ging uit om te zaaien.”Kondig het terstond aan. Dat werk zal de vaan wezen die ik ophef en hooghoud:parceque suivre bannière ne peux!Ja, dat zal ik doen. En nu de vrye arbeid!Ik zou u op schoolsche gronden kunnen betoogen, lezer, dat de zysprong dien ik my zoo-even veroorloofde, volstrekt noodig was in myn bewysvoering. En ik, die zoo op-eenmaal den weg verliet, waarop wy te zamen wandelden, begin intezien dat ik waarachtig meer talent bezit dan ikzelf wist. Let eens goed op, ik zal u een kykje gunnen achter de schermen.Toen ik ’n paar bladzyden geleden, denHavelaaropsloeg, om de passage uitteschryven, waarin ik my beklaag over de ellendige noodzakelykheid om u grappen te verkoopen, wyl ge anders niet zoudt luisteren, werd ik innig bedroefd. Want ik las daar ... ik las ... ik las ...Alles kwam my zoo voor den geest terug! Ik riep gedurig: myn god, het is toch wáár wat ik daar schreef! ’t Is toch wáár dat ik daar m’n plicht deed in levensgevaar. ’t Is tochwáárdat ik arm en onmachtig vanLebakvertrok met vrouw en kind! ’t Is toch wáár, dat ik sedert dien tyd niet heb opgehoudenbitter te lyden om ’t vervullen van m’n plicht! ’t Is toch wáár dat we alles hebben gedragen met geduld, met waardigheid en met moed ...Dat alles is toch de waarheid, o myn God!En ’t staat toch geschreven in dat boek. En al staat daarin nietallesgeschreven, omdat alles niet geschreven worden kàn, er staat toch genoeg in dat boek, om te doen begrypen ook wat ik niet schreef ...En dat boek was “zoo mooi” zeiden ze. En ze lazen dat zoo gretig, met zooveel ingenomenheid, en zoo overal!En toch... toch... toch is er geen recht gedaan! Tòch ben ik even ver alsof m’n boek niet “mooi” was geweest! Even ver als-of er niet zooveel tranen waren gevallen op dat handschrift...Toen ben ik verdrietig en bitter geworden.En ik zocht de oorzaak die ’t rechtdoen in myn zaak in den weg staat, en ik vond die in de ziekte waaraan ge lydt, Nederlanders, ik vond die in uw rottende ziekte, in...leugen.Immers, ik heb u waarheid gezegd, en gylieden hebt niet gehoord.En dagelyks verkondigt men u leugens, en ge luistert.Dááróm ben ik op-eenmaal ter-zy gesprongen, en legde m’n vloekbrief neêr voor de woning dergenen die u bedriegen. Dáárom spykerde ik in ’t voorbygaan de konde myner vete aan de poort van de roofridders die op geestelyk gebied uw gemoed prysverklaren, en hun hoogheid ophouden door diefstal.In de middeleeuwen nam men ’t Volk geld en goed af. Dat heette adel in die dagen.Hoe hooger het roofslot, hoe onbereikbaarder de dief... hoe hooger adel.Thans neemt men u de waarheid af. En dit heet geleerdheid, staatkunde, godsdienst, bekwaamheid, in deze dagen.En hoe hooger de preêkstoel, hoe verhevener de katheder, hoe deftiger ’t gestoelte... hoe meer geleerdheid, hoe meer godsdienst, hoe meer zedelykheid, hoe meer invloed, hoe meer gezag, hoe meer bederf!Toen de boeren der middeleeuwen te-hoop liepen, bleek er spoedig dat de ridders de sterksten niet waren, en dat ze alleen den meester spelen konden, zoolang de goê-gemeente vergat dat er verzet mogelyk was.En gy, eenvoudige lieden van gezond verstand, bedenkt dat de tabbert der geestroovende leugensprekers onzer dagen niet van sterker maaksel is, dan de harnassen der goed- en geldroovende dieven van adel.Er is maar één adel. Eén adel, die harnas behoeft noch tabbert. Zyn strydperk is hetlicht. Zyn schild is dewaarheid. Zyn kampvechter deGeschiedenis der menschheid. En zyn zwaard is hetWOORD.Dàt woord zal ik naar de mate myner kracht tot u spreken in deze brochure, en inIDEËNdie ik van plan ben uittegeven. Daarin zal ik neêrleggen wat er omgaat in m’n ziel...

There is something rotten in the State!Zoo eindigde het eerste gedeelte dezer brochure, die ik eensklaps afbrak om reeds dadelyk als m’n innige overtuiging te verklaren dat Vrye-arbeid inIndië, op dezen oogenblik leugen is. Ik wilde die meening publiceeren voor ze ’t uitvloeisel konschynenvan eigenbelang.Ja, daar is verrotting in den Staat, en de naam van die verrotting, Nederlanders, isLEUGEN. Van boven tot beneden heerscht leugen.De troonrede spreekt van ongestoorden vrede, van rust en geluk, op den oogenblik als duizenden daarginder bezwyken onder hongersnood, of neêrzygen onder de klewang-bajonetten uwer voor hoog handgeld gehuurde soldaten. Die troonrede spreekt dus leugen, Nederlanders!Uw Tweede-Kamer beraadslaagt met voorgewende deftigheid wat zy zal antwoorden op dien leugen, en brengt na ’t hooren van ’n zestigtal geachte maar onverstane sprekers, met kunst en moeite den leugen voort, dat ze dien opgedischten anderen leugen met genoegen heeft vernomen. Daarop houdt ze zich bezig mee het beoordeelen der wetten, haar voorgelegd door Ministers die zich alweer niet kunnen staande-houden zonder leugens. En de beraadslaging, die reeds leugenachtigedonneésbehandelt, ditberaadslagingzelve is leugenachtig. Wantbyuw Vertegenwoordiging, Nederlanders, wordt niet gevraagd naar destrekkingder behandelde wetten, de vraag is of ’t belang van dePARTYmeebrengt, dat deze of geene Minister aan ’t bestuur blyve. Er wordt in uwe Kamer handel gedreven in stemmen. Men biedt hulp in ’n accynskwestie, ter betaling voor ’t zwygen over ... dat andere. Delft zal Twenthe steunen in z’n linnenkraam,à titre de revanchevoor Delftsche boter. De eikenkroon voor den neef van ... zekeren heer, is de belooning voor ’t intrekken van dat laatste amendement. ’n Lange straatweg die uitloopt op X. en de buitenplaats voorbygaat van ’n geacht lid, wordt betaald met ’n nog langer redevoering die alles voorbygaat, en op niets uitloopt. Uw Tweede-Kamer, Nederlanders, is ’n markt van stemmen. Wie ’t meest biedt,mynt. Wie zelf niet bieden kan, associëert zich met een-of-andere compagnieschap die ze “staatkundige party” noemen. Als er evenwicht is tusschen bod en behoefte, ontstaat er ’n ministerieele krisis. Wordt dit evenwicht verbroken, dan komt de meerderheid op ’t kussen, en blyft daar tot de minderheid op haar beurt weêr hooger bod kan doen.De waar die men op deze markt verkoopt, is nooit de tentoongestelde of geannonceerde. ’t Is daarmeê als met sommige winkeliers, die handschoenen of sigaren voor ’t venster leggen als pretext voor ’t handeldryven in meisjes achter de toonbank.Op die markt spreekt men over eerlykheid, en bedoelt winst. Over begrippen, meeningen, inzichten, overtuiging, en bedoelt belang. Over rechtskwestiën, en bedoelt onrecht. Over staathuishoudkunde, en bedoelt diefstal. Over vryheid, en bedoelt dwingelandy. Over menschenrecht, en bedoelt moord.De schoonste redevoering, die ooit gehouden werd in ’n vergadering van vertegenwoordigers, is vanCromwell. Schrikt niet, lezers, lang is ze niet, ziehier:“You are no parliament! I say You are no parliament! Begone, and give place to honester men. What shall we do with that bawble? Take it away ...To honester men ...maakt plaats vooreerlyker lui! Juist.Cromwellhad een zeer eigenaardige manier om plaats te maken, maar dewyl gy, Nederlanders, nu eenmaal langzamer te-werk gaat, raad ik aan toch alle middelen die u ten-dienste staan te beproeven, omCromwell’sdoel te bereiken, hoe langzaam en vervelend dan ook de middelen werken. Ge hebt de zoogenaamde vryheid van verkiezingen. Maakt daarvan nu-en-dan eens gebruik, enverbeeldtu niet dat ge ’tdoet, door uw candidaten te zoeken op de voorzyden uwer couranten, of in de aanbevelingslysten der kieskollegiën. Tracht dooreigeninzichtte geraken tothonester menin uwe Kamer. Toont dat ge misselyk zyt van al ’t gekibbel over voorgewende kwestiën. Toont dat gewaarheideischt, en u verzadigd voelt, tot walgens toe verzadigd, van parlementaire leugens.Want het zynleugens, de kwestiën waarmeê ze zichzelf en u bezig-houden, Nederlanders!’t Is de vraag niet of de Javaan moet worden uitgezogen door liberale of door behoudende bloedzuigers. De vraag is: of hy moet mishandeld worden, door wien ook?En op deze vraag is slechts één antwoord mogelyk;neen!Dit staat duidelyk geschreven in het Regeeringsreglement, en duidelyker nog—o veel duidelyker!—in ’t hart van ieder die daarin ’n betere godsdienst omdraagt, dan er valt van-buiten te leeren uit ’n oud boek.Zoolang men in uwe Kamersdievraag niet durft te-berde brengen ... zoolang daar niet zal opstaan de oprechteDERDE PARTY, DE PARTY VAN WAARHEID, de party die zonder vasthouden aan kinderachtige stelseltjes, de hoofdzaak behandelt, en aan die hoofdzaak allebyzaken ondergeschikt houdt ... zoolang men in die Kamer vragen zal: zyt ge behoudend of liberaal, insteê van plichtsvervulling te eischen van liberalen en behouders beiden ... zoolang men daar luistert naar onverstane redevoeringen over Vryen-arbeid en Kultuurstelsel, en intusschen door stilzwygen goedkeurt dat uw prachtigIndiëwordt bedorven door onbekwame gouverneurs ... zoolang men daar blyft doorwawelen over Art.56van ’t Indisch Regeeringsreglement, in plaats van voldoening te eischen aan ’t oneindig belangryker55eartikel van datzelfde Reglement ... zoolang men in die Kamer duldt dat deSlymeringenworden beloond, en deHavelaarsgestraft ... zoolang men daar traagheid, lauwheid, eedverkrachting en misdaadblyftsteunen tegen yver, plichtsbesef, eergevoel en moed ... zóólang zal ik blyven zeggen:begone, and give place to honester men!En meent nu niet dat ik uw Tweede-Kamer te hard val, Nederlanders. Ik heb ’n antecedent voor my, dat in hevigheid myn vonnis te boven gaat ... het antecedent dat uitging van die Kamer zelf, waarin men, ge hebt het gehoord, elkaâr over-en-weer heeft genoemd:Droogstoppels, d. i. zonder de minste vryheid in ’t vertalen:ELLENDELINGEN.Ikdie Kamer hard vallen? Eilieve, ik sprak nog alleen van de leugens die men daar behandelt, ik roerde alleen de onzedelykheid van uwe vertegenwoordiging aan. Hoe zou ’t wezen als ik lust had eens hettalenten dewerkzaamhedenvan al uw geachte sprekers te schatten? Dat gy, Nederlanders, by-voortduring tevreden zyt met onwaarheden, kan ik nog beter begrypen,dan dat ge niet opstaat tegen ’t byna totaal gemis aan talen in uwe Kamer. Leugens, ik beken dit, kunnen iets aantrekkelyks hebben, vooral wanneer de opvoeding altyd daarheen leidde. Maar eergevoel en eigenliefde moesten u aandryven om eens ’n ander soort van menschen naar den Haag aftevaardigen. Bedenkt toch dat de vergadering van geachte sprekers gecenseerd wordt de monsterkaart te wezen van alles wat uw land uitstekends bezit, en dat de vreemdeling—wanneer-i eens in ’t hoofd kreeg achttegeven op uwe Kamers—zich al zeer spoedig de vraag zou voorleggen: zóó zyn de knapsten, wat moet ik denken van de rest?Welke redenaars heeft uw parlement opgeleverd sedert 1816? Welke staathuishoudkundigen? Welke schryvers? Welke karakters? Welke groote mannen?O, zeker... ge zult in antwoord op die vragen ’n paar mannen noemen, maar ge moest u bezinnen voor ge die noemde. Dit had niet noodig moeten zyn, en ’t blyft de vraag nog of ge ’t recht hadt die mannen te noemen, al vergaf ik u ’t bezinnen.Inderdaad, Nederlanders, òf ge telt weinig uitstekende mannen onder u, òf ge stelt hen te hoog om ze te veroordeelen tot vyfjarigen dwangarbeid op de parlementaire galei. Maar in dit geval, waar blyven ze dan? Ge kunt ze toch niet allen griffiers maken, zooals metSloetgeschied is, wiens onderkoninkschappelyk genie jaren lang zoo deerniswaard begraven bleef onder proces-verbalen van de zittingen der Geldersche Staten. We hebben immers maar elf provinciën in ons land.Bedenkt toch, bid ik u, wanneer ge dan geen prys stelt op de eer en het belang van de Natie, dat ge misschien eenmaal naar den Haag zult gaan, gy of uw kinderen, en dat de mannen aan de poort u en uw familie zullen beoordeelen naar de modellen die ge jaar-in jaar-uit daarheen zondt uit uwe stad. Waarachtig, men zal er u op aanzien, en ’t zal u weinig baten in de opinie der tollenaars, dat ge u verschuilt achter de hoofdartikelen van uw krant die u de modellen aanprees als: “zoo byzonder achtenswaardig.”Leugen.Dit is de naam van de ziekte, de rottende ziekte waaraan de Natie lydt. Wie naar waarheid streeft, wordt gescholden, belasterd en mishandeld. Wie zich aansluit aan ’n party die leugens uitvindt tegen-over de leugens der andere party, wordt gesteund, verheven, beloond.Leugens ontvangt de Gouverneur-Generaal in Indië, van de residenten. Leugens geefthyden Minister. Leugens geeft deze terherkauwingaan de Tweede-Kamer.Leugens verspreiden de dagbladen onder hun abonnés.Met leugens houden de partyen zich staande.Met leugens wordt het Volk gevoed.Leugens doen adressen teekenen.Met leugens wekt men kunstmatige agitatiën op.Zoo waarlyk ik veel gedragen heb, ik zegge u, daar is verrotting in den Staat, en de naam van die verrotting isleugen!Ge zoudt onrechtvaardig handelen, Nederlanders, my tevloekenom deze uitspraak. Ik heb ’t recht, luid te spreken voor de waarheid waaraan ik door veel lyden verbonden ben.En ook ware ’t onbillyk my euvel te duiden dat m’n toon anders is dan de toon die aan leugens passen zou. Ge begrypt immers dat juist de gladde gemanierde schuifelende effenheid deronware woorden noodig was om u voortdurend al die onwaarheden te doen slikken als goede spyze? Ge begrypt immers dat er ’n andere taal dan de gewone noodig is, om u wakker te schudden uit uw slaperigheid? Ge begrypt immers, in één woord, dat ik niet schryven kàn als ’n ander, juist òmdat ik u de waarheid zeg?Maar wilt ge die hooren? Is ’t u inderdaad om waarheid te doen?Ik weet het niet. Jazelfs ge noopt mydikwylsdaaraan te twyfelen.Doch dit is uwe zaak. Myn zaak is u die waarheid te zeggen.Neemt ze aan, ohandeldryvendeNederlanders ... al waar ’t om de goedkoopte alleen. Ge betaalt uw leugens duur, zeer duur, en my betaalt gy niets. Dit niet-betalen moge nu oneerlyk wezen ... de uitgestelde schuld aan my, moge schandelyk vuile plekken nalaten, als gy ze in uw boeken durft doorhalen met gewetenlooze pen ... dit doet er weinig toe. Wat men niet betaalt, is altyd goedkoop. Ik beken dan ook dat het u moeielyk vallen zou my alles te betalen wat ge my schuldig zyt, ook al waart gy eerlyk genoeg om het te beproeven.Waarheid?Wat is dan hier waarheid? Wàt is waarheid over de zaken die thans aan de orde van den dag zyn? Ik wil trachten u dit te zeggen, schoon ’t me moeite kost, lezer. Herhaaldelyk heb ik u toegeroepen dat ik teksten schryf, en geen preêken. Is ’t u inderdaad om waarheid te doen? Waarlyk, wezenlyk, waarachtig?Welnu, sla deze bladen toe, leg dit kleine boekjeongeopend voor u, lees den titel op den omslag, lees ...Laat het boekje gesloten liggen, zeg ik u.Lees den titel op den omslag ... lees voort ... lees voort tot op den naam van den edelen man die de goedheid heeft,—uit liefde tot de waarheid, hoort ge!1—deze blaadjes uittegeven, en ...Weet ge nu nòg niet, lezer, wat de waarheid is?Dan wanhoop ik aan ’t slagen van elke poging om u die waarheid aan ’t verstand te brengen. Dan ontken ik de oprechtheid uwer begeerte om die waarheid te weten.Dan verklaar ik u te diep verleugend om behoefte te kennen aan waarheid, om besef te hebben van waarheid, om eerbied te voelen voor waarheid. En als ik te-werk ging naar den indruk van ’t oogenblik, dan legde ik hier de pen neêr.Wie na ’t lezen van de drie motto’s op den titel, nòg niet weet wat waarheid is omtrent de zoogenaamde kwestie van den dag, kan zich de moeite van ’t verder lezen sparen. Hy zoeke z’n “voorlichting” elders. Ge weet wel, waar? En als er geen krant by de hand is, dan maar in ’s hemels-naam in ’t byblad.“Als ik te-werk ging naar den indruk van ’t oogenblik!” maar ik ganietnaar den indruk te-werk. Ik ben methodischer dan er gemeend wordt door lieden die geen geestdrift begrypen zonder kortstondige naar krankzinnigheid zweemende drift van geest. Ik denk zeer lang voor ik handel, en ik overyl me zelden.Mynleven—dat een geheel is—zou ditbewyzenaan ieder die wat meer menschkunde bezat dan er noodig is tot het ontcyferen van al te dagelyksche karakters.Ik handelnietnaar den inspraak van ’t oogenblik, en zal dus voortgaan u zoo lankdradig en vervelend als maar eenigszins mogelyk, aan ’t verstand te brengen dat:VRYE ARBEIDWENSCHELYK,maar:DAT DE KWESTIE OVER VRYEN ARBEID, NONSENS IS,om daarna te besluiten met eenige toepasselyke beschouwingen, waaruit misschien zou kunnen blyken:dat het niet juist de vry-arbeiders zyn, die denJavaanzullen opleiden tot vrywilligen arbeid.Verleent my hiertoe ... neen, dit behoeft niet.Vrye arbeid is wenschelyk.Staat me by, alle goede geesten van kansel en balie! Helpt me met uw verrukkelyke bewysvoeringen en lankzinnigheden, gy allen die ooit middel vondt om ’nmur-mitoyente begraven onder pleitredenen van zeven uren gaans!Staat me ter-zy, redenaars in de afschaffings-genootschappen, die ’n heelend avend kunt vullen met het betoog dat het beter is nuchter dan dronken te zyn! Helpt me, gy allen die de kunst verstaat veel woorden te wyden aan weinig zaaks ... steunt me, redt me, staat me by!Geeft me ’n adjektief by elk substantief.Geeft me ’n bywoord by elk adjektief. En by elk werkwoord, ’n bywoord.Blaast me lange volzinnen in ’t oor, overal waar de korte te duidelyk zouden wezen voor ’t begrip.Overlaadt my met uw nogtans, uw niettemins, uw hoezeers en uw niettegenstaandighedens.Geeft my de kracht om totate zeggen: o, gy eerste der vierentwintig letteren! Het talent, om dertienmaal achtereen ’t zelfde te betuigen met andere woorden.Gy vooral,van der Palm, gy vooral, sta me by! Gy die in uw diepzinnige uitlegging der nog diepzinniger Schrift, den Volke hebt meêgedeeld dat er onder ’t woord “bedden” moest verstaan worden: groote bedden en kleine bedden.2Tot u vooral wend ik my, prins der preêkers, tot u wend ik my om hulp. Want zie, ookikga eens ’n preek maken. Men wil dit zoo. Uw voorbeeld richte my ... uw kracht sterke my ... uw geest beziele my ... dit hoop ik!En gy die me hoort, vergeeft dat ik niet terstond my verheffen kan tot de hoogte dergenen die levenslang zich toelegden op lankheid en overbodigheid.Bedenkt, bid ik u, dat ik my altyd bezig-hield met kort en goed te zeggen wat er te zeggen viel, en dat men niet opeenmaal meester worden kan in alle kunsten.Ik begin tegen m’n gewoonte met ’ncaptatio benevolentiae: ik beken schuld. Reeds veel vroeger had ik my moeten toeleggen op de nooit genoeg te waardeeren handigheid, de waarheid vervelend te maken opdat ze u zou aanstaan. Ja daarin beken ik schuld. Ik beloof beterschap ... en tot bewys: ziehier!VRYE ARBEID IS WENSCHELYK.Om dit te bewyzen, waarde hoorders, zal ik beginnen met te zeggen dat het niet waar is. En ik heb nòg ’n confidentie te doen. Ik zeide u zoo-even dat ik methodisch was, en lang nadacht voor ik handelde of sprak ... welnu, ook dit is niet waar. Vrye-arbeid isnietwenschelyk, en ik bennietmethodisch. Wat ik heden zeg, trek ik morgen in. Ik bestryd vandaag de stelling die ’k gister opstelselde. Ik moet dit nu wel erkennen, wyl ikvoor ruim twee jarende domheid gehad heb openlyk te verklaren dat Vrye-arbeid ’n goede zaak was. Natuurlykzagik deze inconsequentie liever bedekt met den mantel der vergetelheid, maar ik vrees dat dit niet gelukken zou, omdat een uwer misschien in ’t bezit is van ’n exemplaar derAmsterdamsche Courant van 9 December 1859No. 294 (avondeditie) waar we—met gepasten eerbied—o. a. het volgende lezen:«De vraag van den dag is:vrye-arbeidofgedwongenarbeid.De theoristen—ik neem aan dat zy allen eerlyk zyn, en dat hunne halzen geen schaafmerk dragen van ’t systeemjuk—de theoristen kunnen met den besten wil onmogelyk zonder de hulp van personen alsSlotte3die zaak beoordeelen. Zy kunnen betoogen, bewyzen zelfs, dat Vrye-arbeid beter is, zedelyker, meer kans aanbiedt op welvaart...Gewis! Maar ... wie twyfelt daaraan?Wie twyfelt er aan, of absentie van roof, moord, diefstal, echtbreuk, luiheid, wenschelyk ware?Wie twyfelt er aan, of hetgoedebeter is dan hetkwade?Maar die vragen zynoiseus.De vraag is niet: wat hier het betere zy? De vraag is: of het betere kan bereikt worden? En, zoo ja, langs welken weg?”Helaas, zoo schreef ik voor ruim twee jaren! En wat het ergste is, m’n naam staat er onder. O, had ik toen kunnen voorzien dat de eischen des oogenbliks my in Januari 1862 zouden dwingen tot de verklaring—en ’t bewys—dat vrywillige arbeidnietwenschelyk, dat ze integendeel onaangenaam is, nadeelig, onzedelyk, onvoordeelig en verfoeielyk... o had ik...Maar naklagen baat niet. Het staat er nu eenmaal. Zou ik kunnen beweren dat er tekstvervalsching plaats had? Of dat de redaktie derAmsterdamsche Courantm’n schrift, m’n styl had nagebootst... neen, dit kan niet. En bovendien, dan had ik vroeger moeten protesteeren tegen de onzinnige kettery die daar te lezen staat, met m’n naam er onder in volle letters.Neen, geen omwegen! Ikheb’t gezegd. Ik hèb verklaard datvrywillige arbeid beter is dan gedwongen werk. Daaraan is niets te veranderen. Maarnutrek ik die dwaling in, en beweer dat niets schandelyker en nadeeliger is dan vrywillige arbeid.“En hoe zyt ge geraakt tot deze nieuwe overtuiging?” zal men vragen ... naar ik hoop. Want als men het niet vraagt, zou het den schyn hebben alsof m’n preek den hoorder evenzeer verveelde als myzelf.Hoe ik daartoe gekomen ben? Zeer eenvoudig. Neen, neen... om-godswil, vergeef me,nieteenvoudig! Ik vergat daar dat eenvoud m’n kerk leegschrikt, en dat alleen omslag gewild is. Volstrekt niet eenvoudig dus. Op zeer ingewikkelde wyze ben ik genezen van m’n dwaling, en wel ... raadt eens door wien? Door kleinenMax.Dat kind is goed en zacht en gehoorzaam. O, ik vrees hy is àl te goed, àl te zacht! En, hoorders, als uw kinderen op hun ouders gelyken, dan zal myn kind ter-zyner-tyd de straffe dragen die de wereld toepast op goedheid, om wraak te nemen over het verschil.Hoe dit zy, hy is willig en gehoorzaam. De kleine plichten die z’n leeftyd hem oplegt, vervult hy gaarne. Zelden of nooit behoeft men hem iets te bevelen. In één woord, tot-nog-toe arbeidde hy geheel en alvrywillig.Voor eenige dagen sloeg het uur waarop hy gewoonlyk door z’n moeder wordt ter-ruste gelegd. In-plaats van als altyd op dat uur z’n speelgoed wegtebergen, zich uittekleeden en ons goeden-nacht te wenschen, kwam hy tot me, en zei:—Papa, ik heb ’n idee!Ik schrikte.—Arme jongen, dit moet niet dikwyls gebeuren. Het zou je hinderen in de wereld. Wat is het?—Wel ’t is tyd om te slapen ...—Is dit je idee?—Neen, luister! Toen ’t gister bedtyd was, heb ik me terstond gereed gemaakt, en u vroolyk goeden nacht gewenscht. Ge hebt me vriendelyk geantwoord, my opgenomen, naar-achter gedragen, neêrgelegd, toegedekt, en toen ge met moeder, de kamer verliet, was uw laatste woord, zoo-als altyd: goeden nacht, beste jongen ...—Zeker, dit alles is waar, en moeder zei dat ook, en jyzelf hebt ons vriendelyk nageroepen: goeden nacht! Is dit dan zoo verkeerd? Wat wilde je anders? Heb je daarna niet goed geslapen?—Ik heb goed geslapen,maar ... die manier van naar bedgaan, deugt niet. De werkster heeft ’n zoontje zoo oud als ik, en ik heb gehoord dat dit jongetje’s avondsniet naar bed wil. Dan moet z’n moeder hem door slaag dwingen. Beste lieve papa, ik ben toch niet minder dan ’t kind van die werkster! Wilt ge my ook dwingen om naar-bed te gaan?—Maar kind, hoe kan ik je dwingen tot iets wat je doet zonder dwang?—O, heel gemakkelyk. Ik zal niet willen.Ik beken dat ik ’t kind niet begreep, maar dewyl ik zoo dikwyls genoodzaakt ben hem sommige uitspanningen te ontzeggen, besloot ik ditmaal aan z’n verlangen te voldoen. En het doet me nu genoegen toegegeven te hebben in ’n wensch die:1o. het kind gelukkig maakt.2o. ’n aangename afwisseling te-weeg brengt in m’n huiselyk leven, en3o. my genezen heeft van de dwaling dat vrywillige arbeid ’n wenschelyke zaak is, zooals ik twee jaar geleden meende.Na dien tyd namelyk gaat m’n kind nooit dan gedwongen te-bed. Ik sla en mishandel hem, eerst om hem te ontdoen van de goedaardige gedweeheid die hem zou te-bed dryven ook zonder slaag, en daarna mishandel ik hem nog-eens om hem te dwingen tot naar-bed gaan. En meer nog. Ik pas die mishandeling toe op alles wat er voorkomt. Ik maak hem al zyn plichtjes zóó onsmakelyk, dat-i de vervulling weigert, om daarna hem tot die vervulling te dwingen door mishandeling. Alle vrywilligheid ten goede wordt uitgeroeid, en ik heb de aangename voldoening dat m’n kleine jongen, die vroeger op vervelend eenvoudige wyze deed wat-i doen moest, nu tot niets kan gebracht worden dan langs den allerverrukkelyksten omweg van honger en slaag.Men heeft geen begrip van de streelende verpoozing die deze stryd tegen den vryen wil my verschaft. Gisteren nog:—Wat doeje daar,Max?—Papa... ik heb...—Zeg op... spreek... wat deed je daar?—Papa... ik heb... adem gehaald?—Waarom deed je dit, ongelukkig kind?—Papa... ik deed het... omdat... omdat...—Je deed het zeker omdat je ’twilde?—Ach ja, Papa!—Vervloekte erfzondige verdorvenheid! Terug dien adem,terug, zeg ik je ... terstond ... oogenblikkelyk! Ik zal je leeren ademhalen uit vryen wil!Daarop sloeg ik hem tot z’n longen waren teruggebracht instatu quo ante. En vervolgens:—Haalnuadem omdatikhet je gelast! Maar, zei ik er fluisterend by, gehoorzaam niet terstond.Het kind begreep me volkomen, en weigerde adem te halen, voor ik het daartoe gedwongen had door ’n flinke herhaling van straf.Nu valt-i by-den-dag af, als iemand die op ’n ministeriëele beschikking zit te wachten. Hy smelt weg, en vergaat als kamfer. Z’n lastige vroolykheid is geknakt. Het eenige wat-i nog van-tyd tot-tyd vrywillig doet, is schreien en zuchten. Ik zal hem gelasten zich ook deze uitspanningen te ontzeggen, zoolang ik ze hem niet uitdrukkelyk voorschryf.Maar, zegt men misschien, dit zyn slechts huiselyke zaken. Nu ja! Doch evenalsNewtonuit het vallen van ’n appel, tot de wet besloot, die ’t Heelal regeert, besluit ik tot de noodzakelykheid eener algemeene dwangwet uit de opmerkingen die ik maak in myn gezin.Vergunt my u al terstond meetedeelen hoe ik getracht heb de manier, die sedert eenige dagen myn huis tot ’n waar paradys maakt, op de algemeene zaak toetepassen.Ik ben zeer bevriend met ’n agent van policie, die in z’n leêgen tyd wysgeer is. Dezen heb ik myn stelsel uitgelegd, en hy begreep het terstond, omdat ik ’n oogenblik had waargenomen van leêgen tyd. Niet alleen begreep-i my, maar reeds den volgenden dag paste hy m’n heerlyke uitvinding toe. Ziet hier, geachte hoorders, een extract uit zyn dagboek:Brussel, 12 Januari. De persoon A. van de trottoir gegooid, om daarna hem te dwingen op de trottoir terugtegaan.De huisvrouw van B. uit hare woning gehaald, en haar daarheen teruggebracht. Drie uren geschilderd voor de deur van ’tgemeenschappelykdomicilie, om ze te dwingen t’huis te blyven.Zy beweerde dat ze er niet aan dacht om uit-te-gaan, maar van dien vryen wil heb ik ’n afkeer.Een koetsier gelast z’n paard aantedryven tot hollen, om hem dat te verbieden.Eenige faro-drinkers die voor bezetten tyd de estaminet wilden verlaten, daarin opgesloten tot middernacht, en ze daarna gedwongen naar huis te gaan.Iemand die zich verstoutte rustig by den weg te gaan, metstokslagen gemoveerd tot onrust, en hem daarna gearresteerd als schuldig aan rustverstoring.Zoo-ver ’t dagboekje van m’n vriend den wysgeer-agent van policie. Maar er is meer.Ge weet nog niet ten-halve, beste hoorders, hoe diep myne ontdekking over de wenschelykheid van dwang, ingrypt in de belangen van stad, land, werelddeel en heelal.Ik zal ’t laatst het eerst nemen, dan zult ge ook al ’t andere wel gelooven.’t Heelal ... zeker! Hebt ge er wel eens aan gedacht, hoorders, hoe schandelyk het is voor ons allen dat de zon geheel vrywillig stilstaat, en dat de aarde, die kleine eigenwyze aarde maar altyd-door in de rondte draait, zonder dat wy haar dit bevolen hebben?Ziedaar nu de gevolgen van onze berispelyke onachtzaamheid. Maar beter ten-halve gekeerd dan geheel verdwaald. We zullen de zondwingentot stilstaan. Niets is gemakkelyker. Men geve haar eene Tweede-Kamer als de onze, dan sta ik borg dat ze geen stap van de plaats komt. En de aarde die zich, wie weet hoe lang al, met aanmatigende eigenwilligheid veroorlooft te draaien tot eigen genoegen, wy zullen haardwingentot draaien. Om al deze verbeteringen intevoeren, wacht ik slechts op het ééne vaste punt datArchimedesgezocht heeft, en ... ik beloof u ’n heerlyke toekomst.Alles zal gedwongen zyn. Door dwang zal ’t kind z’n ouders beminnen. Door dwang zult ge spreken, zwygen, staan, liggen, loopen, slapen, eten, geldwinnen. Dwang zal heerschen in de Natuur, in den Staat, in uw huis, aan uw sponde. Al wat kwaad is zalnietzyn, omdat al ’t goede dwang wezen zal.Heerlyke, heilige, goddelykedwang!Ook de Javaan zalgedwongenworden het goede te doen, dat is: te arbeiden ...“Maar eilieve, roept hier toch naar ik hoop de lezer uit, dit alles is ... absurd, ongerymd, dwaas, krankzinnig en nog meer ...Juist!WAT TEBEWYZENWAS... geachte hoorders!Ik kan overgaan tot het tweede gedeelte van myn preêk.De kwestie overvryenarbeid is nonsens.Ge hebt gezien, hoorders, hoe moeielyk ’t my viel u te bewyzen datvrywillige arbeid wenschelykwas. Ik heb daartoe ’naaneenschakeling van zotternyen noodig gehad. De keuze myner bewysvoering stond niet aan my.Mynsmaak zou me niet leiden tot zooveel omhaal by ’t bewys eener waarheid die zóó voor de hand ligt, dat ik niet dan met weêrzin ben overgegaan tot ’n betoog—en welk betoog!—dat gemyhadt moeten sparen, maar datikniet sparen mocht aan u, die naar ’t schynt niet in staat zyt iets te bevatten dat wordt voorgedragen met eenvoudigheid. Ik verklaar u datikheel graag ’t Heelal met rust zou gelaten hebben, en m’n vriend den policie-agent ook. Wat m’n besten kleinen jongen aangaat, ik verzeker u dat ik hem volstrekt niet sla. Ik moet deze verzekering wel uitdrukkelyk geven aan ’n publiek dat “onzedelykheid” heeft weten optedelven uit deMinnebrieven, en dat daarin heeft gevonden:eene aansporing aan ’t volk om horlogies te stelen.4’t Is ’n ondankbaar werk voor u te schryven, Nederlanders. Of ik goedschryf, weet ik niet. En dit scheelt me ook weinig. Maar datgynietlezenkunt, is zeker. En dat ge—hoe gebrekkig dan ook—lezenzultwat ik schryf, is ook waar. Beproef eens neen te zeggen.Maar, zeer geachte hoorders, dit is ’n parenthesis die ik u verzoek niet te verstaan. Verbeeldt u daartoe dat ge in de Tweede-Kamer zyt, dan zal ’t wel wennen.Ik heb u dan in ’t eerste deel myner rede, opuwewyze—nog-eens: niet opmynewyze—aangetoond datvrye wil beter is dan dwang. Ik verzoek nu, eens-voor-al, dit punt als afgehandeld te mogen beschouwen.Wezyngenaderd tot het tweede deel myner rede, waarin ik zal trachten te betoogen: dat de kwestie overvryenwilom te arbeiden ...NONSENSis.Ik vraag vergunning hier te supprimeeren wat er zou te zeggen vallen over den oorsprong van den arbeid. Ook zal ik den zondvloed overslaan, en zelfs my onthouden van onderzoek naar den Sanskritschen wortel van ’t woordnon-sens, dat zeer oud schynt te wezen. In ’t kort, ik doe afstand van alle gewone hulpmiddelen om u te boeien en te overtuigen. Wanneer ik dus in ’t tweede deel myner rede u minder verveel dan gevorderdwordt door deftigheid, gewoonte en smaak, bedenkt dan dat ik ruimte van plaats en tyd moet overhouden voor de “eenige beschouwingen” van m’n derde deel, die misschien zullen aantoonen dat er nog-al verschil van beteekenis bestaat tusschen “vrywilligheid” en “particuliere ondernemingen.”Na alles wat ik onlangs in het eerste gedeelte dezer brochure te kennen gaf, zou ’k dit heele middelstuk myner preêk kunnen overslaan, of wel het inkrimpen tot deze eenvoudige opmerking: daar ge nu eindelyk met my eens zyt datvrywilligheidbeter is dandwang, begrypt ge dat het redeneeren over de vraag:“of er moet bepaald worden dat de Javaan voortaan die vrywilligheid zal bezitten?”gevoegelyk zou kunnen worden gerelegeerd naar de duitenplateryen van den dag.Maar zie, dan was m’n preêk te kort.Erasmusheeft u geprezen, hoorders, uit dankbaarheid misschien voor uw smaak in lankdradige betoogen. Want hy was meester in vrye kunsten, en zulke menschen hebben dikwyls behoefte aandébouchévoor lange redevoeringen.Ik ben meester in geen enkele kunst. Maar op de welsprekendheid leg ik me toe. Dit ziet ge.We zullen dus maar weêr beginnen met de bewering dat niets nuttiger is, niets billyker, niets waardiger, niets zielverheffender dan vasttestellenby de wet, dat de Javaan arbeiden zal uit vryen wil.Ik beveel myne opmerkingen hieromtrent dringend aan in de attentie van Volksvertegenwoordigers die verlegen zyn om eenspeech. Men zal zien dat myne stelling in nauw verband staat met ...alles—meer kan men niet verlangen—en dat ze gelegenheid biedt tot uitweidingen die ’t geduld zouden vermoeien van den trouwsten hoorder, den yverigsten slaper in welke kerk ge maar verkiest.Vrye wil tot arbeid is “iets goeds.”Het is goed, wenschelyk, nuttig, enz. “iets goeds” vasttestellen by de wet.’t Is dus goed, wenschelyk, nuttig, enz. by de wet vasttestellen dat de Javaan vrywillig zal arbeiden.En nu de algemeene conclusie, die ik ’t eerst zal behandelen om daarna terugtekomen op de byzondere:’t Is goed,wenschelyk, nuttig enz. “alwat goed is” vasttestellen by de wet.Leent me daartoe ... neen, dit hoeft weêr niet. Leent me niets.Gierig, hebzuchtig, belangzoekend, was ik nooit. Of ’t by ’n wet bepaald was, weet ik niet, maar als ik wat had, gaf ik gaarne.Welnu, hoorders, heden geef ik aan alle tegenwoordige en toekomende Volksvertegenwoordigers de schema’s voor de redevoeringen die zy zullen te houden hebben over alle voorgestelde wetten die het Volk...wat zeg ik ... die de heele Natuur zullen dwingen tot “iets goeds.”“Ziehier hoe men zal kunnen spreken:»Hoe, myne heeren, hoe ... zouden we weigeren den minister te steunen—voor wien ik persoonlyk de meeste achting heb, doch met wien ik niet in de minste relatie sta, want by my op ’t dorp trouwen wy altyd onder elkaêr—zouden we hem onze hulp ontzeggen, nu hy ons de vrucht voorlegt van zyn nachtwaken? Mogen wy—wy die ’t Nederlandsche volk vertegenwoordigen—mogenwy het eenige redmiddel van-de-hand wyzen, dat den beklemden Staat zal verlossen uit de geweldig-innypende, dooréén-beroerende, van-uit-elkander-gescheurde, tegen-opgeslingerde ... (niet hoorbaar). Daar liggen zy, de treurige slachtoffers van ’t misbruik. Loeiende, brullende, schoppende, oogverdraaiende, liggen zy daar. Ik zeg dat ze daar liggen ... (niet hoorbaar). De voorgestelde wet is het heil van den Staat, myne heeren! Ik zeg dat de Staat ... (niet hoorbaar).Doch ik zal niet toegeven in de aandoeningen die my overstelpen. Met kalmte en waardigheid zal ik trachten de zaken te ontwikkelen. En, myne heeren, als ’t hier-en-daar mocht schynen, myne heeren, dat ik spreek in het belang der party waartoe ik de eer heb te behooren, myne heeren (hier moet de spreker links buigen, en rechts ook, en naar ’t midden ook) dan, myne heeren ... (niet hoorbaar).De zaak is zakelyk deze, myne heeren. De zaak is, ons goed voortestellen wat de zaak was, wat de zaak is, wat de zaak wezen kon, en wat de zaak worden zal, als de zaak die we thans behandelen door ’n wet zal zyn vastgesteld. Dit is de zaak myne heeren!De veestapel, myne heeren, ik zeg dit uit diepe overtuiging, en niet dan na lang daarmeê te hebben omgegaan, de veestapel ... (niet hoorbaar). Ik zeg: zonder koeien geen melk. Zonder vee, geen vleesch. En dat vee ... (niet hoorbaar) zoover ik de eer heb het te vertegenwoordigen, myne heeren, is geloovig, godsdienstig, gehecht aan den roem en de bezittingenzynervoorvaderen, myne heeren! Daarom ... (niet hoorbaar) wat zegt de voorgestelde wet? Laat ons haar bedaard lezen, zonder verhitting, zonder partygeest...kalmte, myne heeren, kalmte! Wat zegt de wet? Ziehier:»Eenig Artikel. Alles gehoord en gelezen, is verstaan te bepalen dat voortaan elk rund tweemaal zal worden geslacht en opgegeten voor ’t dood is,Onze Ministers zyn belast met de uitvoering.”Zóó zegt de wet, myne heeren! En gy zoudt die wet, die heerlyke onvolprezen wet afkeuren? Ge zoudt ... maar neen ... ik verwacht iets anders van uwe vaderlandsliefde. Ik heb gesproken met overtuiging.Mocht ik hier-of-daar, in ’t vuur der improvisatie, iemand hebben gekrenkt of beleedigd, ik vraag daarvoor verschooning, myne heeren! Ik verzeker al de heeren in ’t algemeen van m’n zeer byzondere hoogachting, en hiermede ... ik heb gezegd!Anders:»Ik zou het woord niethebbengevraagd, myne heeren, dewyl de behandelde zaak geheel-en-al buiten myn werkkring ligt, wanneer ik my niet verplicht voelde ernstig te protesteeren tegen de insinuatiën die er misschien zouden kunnen gelegen hebben in de woorden van den geachten spreker uit X.,wiens doorwrochte redevoering ik niet heb kunnen verstaan. De heilige zaak die ik op my nam—in onzesociëteitde Gezelligheid—toen al de leden ... toen al de Kiezers my de belangen opdroegen van ons distrikt, verbindt my tot de verklaring dat ik niets toestem van wat er in die redevoering misschien stuitends of onaangenaams mocht voorkomen voor de leden der ... voor de Kiezers van myn distrikt. Ik behoud my ’t recht voor, hierop terugtekomen, zoodra ik wellichtte-eeniger-tydzal mogen vernemen wat de spreker uit X.—wien ik persoonlyk de meeste achting toedraag—eigenlyk gezegd heeft.En, myne heeren, wat de voorgestelde wet aangaat, met het oog op de heilige afspraken die ik maakte met den kruienier op ons dorp, verklaar ik plechtig, vóór die wet te zullen stemmen, zoodra de Regeering kan goedvinden het getal deravatara’svan onze geachte runderen te bepalen op drie.Myn geweten schryft me dit amendement gebiedend voor, en deconciërge—voor wien ik persoonlyk de grootste achting heb—zal iets in dien smaak deponeeren op ’t bureau.”Anders:»Hetgoede, myne heeren! By ons in den achterhoek—het zy gezegd zonder den minsten blaam te willen werpen op andere hoeken—by ons leven wy voor ’t goede. De voorgestelde wet is door al m’n Kiezers, wat de strekking aangaat, met genoegen vernomen. En ikzelf zou daarmede instemmen, wanneer ik niet de eer had (hier moet de spreker buigen naar de rechterzy, en naar de linkerzy, en naar ’t midden) wanneer ik niet, zoo als ik de eer had te zeggen, de eer had Lid te zyn van deze Kamer, welker leden ik allen persoonlyk de meeste achting toedraag.De zaak is deze, myne heeren!Wat zegt de wet die ons wordt voorgelegd door den tegenwoordigen minister, wien ik persoonlyk de meeste achting toedraag? Die wet zegt:»gehoord enz.»»te bepalen dat alles goed zal zyn.»En, myne heeren, de ministers moeten dat uitvoeren. Nog-eens, myne heeren, al m’n Kiezers—en zelfs de kastelein van onze sociëteit, ’n man van zaken!—al m’n kiezers keuren de strekking van die wet goed. Maar, myne heeren, ikzelf als lid van deze Kamer, welker leden ik allen persoonlyk de meeste achting toedraag, ikzelf stem tegen de redactie. Immers zoodraeens-voor-altydal ’t goedezal vastgesteld wezen, zoodra eens-vooral de ministers zullen belast zyn met de uitvoering vanalles goeds, zullen er geen latere wetten meer noodig zyn.En, myne heeren, met de hand op m’n mandaat, met het oog op den zetel des voorzitters, met den mond geopend als tot het doen eener vernietigende, verpletterende,tegen-zelfmoord-waarschuwende vraag, voel ik me verplicht u voortehouden:Waar blyvenwydan?(eenige poozen. Aandoening. Beweging. Onsteltenis en suikerwater.)Vergeeft me, myne heeren, ’t onwillekeurig afbreken myner rede. Men is Lid van de Kamer, ja, maar men is ook mensch. Ik zal voortgaan. Ik zal trachten m’n hartstochten te betoomen naar behooren. Ik zal gebruik maken van ’t voorschrift diens grooten meesters in de redeneerkunst, die den redenaar tot eersten plicht maakt niet te schreien onder ’t preeken, en ik zal u, zonder tranen, maar even bewogen als-óf ik schreide, nogmaals vragen:Waar blyven wy dan?Ja, ik vraag u, Leden van deze Kamer, die ik allen persoonlyk zoo byzonder hoogacht, wanneer eens-vooralhet goede...al het goede... niets dan’t goede, ware vastgesteld by de wet ... ik vraag het u in ’s hemels naam:Waar blyvenwydan?(Indruk. Verpoozing. Rumoer.De spreker geeft ’n teeken aan de»juffrouw”op de tribune, die hy ’n kaartje gaf onder verband van flauwvallen. Ze valt flauw. Opschudding. De»juffrouw”is weggebracht door twee knechts, voor wie ze persoonlyk de meeste achting heeft. De spreker gaat voort met wat hols in de stem).Waar blyvenwydan. Ik heb persoonlyk de meeste achting voor al de leden, maar ik durf, ja, ik moet hun ernstig en plechtig—en dezen keer zelfs kort en goed—afvragen: waar ze blyven zouden?Gy, geacht medelid uit Z ... waar zoudtgyblyven? Zou men op uw dorp genoegen scheppen in uw omgang, nadat ge hier finaal hebt afgeleerd verstaanbaar te spreken?Gy, even-geacht medelid uit Y ... denkt ge dat de opzieners uwer fabriek u zouden verstaan, begrypen, gehoorzamen, nadat ge u in deze eerbiedwaardige vergadering met zooveel succes hebt geoefend in onbegrypelykheid?Engy, nog geachter medelid uit X.—dit zy gezegd zonder de minste bedoeling om mindere achting uittedrukken voor de andere leden, die ik, ieder voor zich, nog meer acht dan ik al de andere te-zamen acht—gy, boven alles geacht lid uit X., meent ge dat uwe vrouw, die metPRUD’HOMMEuwe verkiezing den eeresabel van haar hart noemde, meent ge dat zy u by ongekozen terugkeer, zou tegenwalmen met de vrouwenziel-kenmerkende juichtonen die geschreven staan in ’t vrouwen onderdanigheid-voorschryvende artikel des burgelyken wetboeks? Meent ge dat de herboren onderdanigheid—herboren op den oogenblik uwer roemryke apothéose in deGezelligheid—meent ge dat die herboring niet zou neêrvallen, in-eenzakken, vervliegen en verdampen, zoodra ze in u omarmen moest een aan ’t strand gespoeld, gebersten, bedorven, gespleten, vergaan, geknakt, gescheurd, bemorst, kleurloos, vormloozig, onbruikbaar stuk houts, dat deel maakte van ’t verongelukte vaartuig onzes dierbaren parlements, voor welks leden ik persoonlyk de meeste achting gevoel?Meent gy geachte spreker uit X, dat de kinderen in uwe stad, en de dochteren van de arbeiders uwer stokeryen, uwer spinneryen, uwer bouwlanden en uwer branderyen: meent ge dat die allen u zullen tegemoetstroomen met zoetgalmend gejuich? Meent ge dat de turfdragers ten-uwent de paarden zullen afspannen van uw wagen, als ge ongekamerd terugkeert? Denkt ge dat de notaris en de ontvanger u ’n feest zullen aanbieden, ’n feest met schildpadsoep, met toasten en leve-de-konings, alsof gyzelf de koning waart? Denkt ge dat één boer u zal toeroepen: »gnavend samen» als-i weet dat ge door de thans voorgestelde wet zyt veroordeeld tot overbodigheid? Meent ge dat de burgemeester u de vuurtest zal reiken voor uw pyp, als die pyp in treurige kamerloosheid niet meer branden mag tot heil van ’t vaderland! Meent gy in ’t eind ... doch wat behoef ik verder te vragen, geacht lid uit X ... ik zie dat gy getroffen zyt. Ik zie dat m’n rede uit het hart is gegaan tòt het hart, en ik zal de fyngevoeligheid der vergadering—welker leden ik allen persoonlyk de meeste achting—de yselykheden sparen der schildering van ’t lot dat ons allen wacht ... wanneer de voorgestelde wet mocht tot-stand komen.Maar zeer geachte leden, het is niet destrekkingdezer wet, het is de gebrekkigeredaktiedie over ons al de ellende zou uitstrooien waarop ik nu nog slechts ter-loops gewezen heb, doch die my stof geven zou tot ’n redevoering, nog langer dan de andere ... die ge nooit kunt vergeten omdat gy ze nooit hebt gehoord.Deredactiedeugt niet, myne heeren! Al m’n kiezers zyn ’t hierover eens. En zelfs onze kastelein ... (onhoorbaar). Wel mocht al het goede wordenvastgesteld by de wet, maar, myne heeren zeer geachte medeleden, dit moet niet geschieden by ééne wet!Juicht, geachte medeleden uit X, uit Y, uit Z ... juicht! Schryft aan uwe vrouwen, boeren, arbeiders, Kiezers en medeleden van alle mogelykeGezelligheden: al het »goede» zal worden vastgesteld by de wet en tòch zal er altyd ’n parlement noodig zyn, tòch zal er, altyd-door, behoefte wezen aan nieuwe wetten.De aantooning hiervan, myne Heeren, zal me stof geven tot het tweede deel myner redevoering.(Verbazing en suikerwater).Ja, al »het goede» zal worden bepaald, vastgesteld, geschapen door de wet! Maar, zeer geachte leden, dit alles moet niet geschieden door ééne wet.De thans voorgestelde getuigt van eene onvergeeflyke, in bureau-mannen onbegrypelyke—en, ik moet dit erkennen, zeer ongewone—kortheid. Ze moet worden afgestemd, doch onder uitdrukkelyke verklaring dat de kamer zich geheel-en-al vereenigt met het principe des Ministers, voor wien de Leden der Kamer persoonlyk de meest mogelyke achting koesteren. Vervolgens behooren wy dien Minister—ditmaal onder betuiging onzer zeer byzondere achting—in overweging te geven, het “goede” te verdeelen in zooveel onderdeelen als eenigszinsmogelykis, om dan voor elk onderdeel een nieuwe op-zichzelf-staande wet ter-tafel te brengen.Ziedaar, geachte medeleden, de oplossing van het vraagstuk, hoe wy al het “goede” kunnen vaststellen by de wet, en toch altyd-door behoefteblyven houden aan nieuwe wetten, dat is: aan geachte leden van dit parlement.(Hier wenkt de spreker naar de tribune. Gejuich op de tribune.)Wat my betreft, myne heeren zeer geachte medeleden, ik wil toonen dat ik ’n man van zaken ben, ’n vyand van holle theoriën: en ’n vurig aanhanger tevens van onze gezegende grondwet, het kostbaar instrument dat aan ’n zeventigtal ingezetenen, die wellicht anders voor ’n groot deel niets zouden wezen, den schyn waarborgt dat ze iets zyn.Ja, myne heeren, dit wil ik u toonen. Ofschoon ik eigenlyk kapitalist van beroep, en dus niet gewoon ben my intelaten met het oplossen van moeielyke vraagstukken, heb ik den weinigen tyd dien myn bedryvige werkkring my overlaat, benuttigd om ’n twintigtal wetten uittedenken, die allen het “goede” bevorderen, wat zeg ik, die het “goede” vaststellen. ’t Spreekt vanzelf, myne heeren, dat er nog meer te maken zyn ... dit is ’t voornaamste! Schryft gerust naar huis, dat het onderwerp niet Kamer-vernietigend uitgeput is. Volstrekt niet! Onze kastelein ...(Hier behoort de spreker te hoesten. Hy haalt ’n rol uit den zak en leest:)Eerste wet.Alle jonge dochters zullen, te beginnen met ... gy begrypt toch myne heeren, dat de tyd van ingang afhangt van ’t oogenblik waarop de wet behandeld wordt? Ook verzoek ik verschoond te mogen blyven van de herhaling der clausule dat de Ministers zullen zorg-dragen voor de uitvoering. Eens-voor-altyd, de ministers voeren alles uit. Alle jonge dochters dan, zullen voortaan zachtmoedigzyn, geduldig, inschikkelyk, tevreden en schoon.Nota van toelichting.Ik heb er niet tegen, deze wet te splitsen in zooveel deelen als er deugden kunnen bedacht worden. Mocht men overigens nog bovendien verkiezen afzonderlyke wetten te maken voor de blonde, voor de bruine, voor de onzekerharige, ’t is my wel. Nog ’n andere, zeer nuttige splitsing is mogelyk. Men kan de meisjes verdeelen naar provinciën, naar steden, dorpen, gehuchten, huisgezinnen, naar geboorte-dagen of uren, naar hebbelykheden of godsdienstige en andere meeningen, jazelfs men zou elke jonkvrouw tot het onderwerp kunnen maken van zooveel wetten als er hoedanigheden bestaan. Ik gis, maar hiervan ben ik niet zeker, dat die hoedanigheden, nog zouden kunnen worden gesplitst in onder-hoedanigheden. Hoe dit zy, men ziet dat myn denkbeeld over de verdeeling van “het goede” onuitputtelyk vruchtbaar is. Ik verzoek de heeren dit naar huis teschryven.Tweede wet.Er zal geen hagel vallen zoolang ’t gewas op het veld staat.Nota van toelichting.Men kan hiervan ’n boekweitwet maken, ’n tarwewet, ’n roggewet, ’n haverwet, enz. En, na ’t aangegeven idee over de splitsing van de jonkvrouwelyke deugden, vermeen ik hier, even als by de volgende wetten, eens-vooral de opmerking te mogen achterwege laten, hoeveel duizende wetten er te maken vallen uit elke wet die ik voorstel.Derde wet.Niemand zal z’n been breken.Vierde wet.Bankroeten zyn afgeschaft.Vyfde wet.Al de leden van de Tweede Kamer zullen bekwaam zyn, en verstaanbaar spreken.Zesde wet.Alle verkeerde begrippen worden ingetrokken.Zevende wet.Ieder inwoner van den Staat zal behoorlyk gevoed worden.Achtste wet.Er zal geen inbraak plaats hebben by diefstal.Negende wet.Alle landeryen worden vergroot.Tiende wet.Elke ingezetene zal voortaan juist zoo denken als de Ministers die den Staat regeeren.Elfde wet.Een gouverneur-generaal in Indië, zal Engelsch verstaan om Pope te kunnen lezen.Twaalfde wet.Kostschoolkinderen, militairen en gouvernements-arbeidslui zullen zich ontdoen van alle begeerte naar voedsel.Dertiende wet.Er wordt voortaan niet geonweêrd voor twaalf uren in den nacht, (middelbare tyd.)Veertiende wet.Alle ziekten die onaangenaam zyn voor de patiënten worden ingetrokken.Vyftiende wet.Geen jeugdig Nederlander zal onbekwaam en lummelig zyn.Zestiende wet.Geen bejaard Nederlander zal onbekwaam wezen, en saai.Zeventiende wet.Er zullen dertien witte boonen groeien in één snyboon.Achttiende wet.Men zal voor weinig geld zich even veel gemakken aanschaffen, als voor veel geld.Negentiende wet.Alle visch uit de Indische zee zal in Holland te verkrygen zyn om-niet.Nota van toelichting.Deze wet heb ik van ’n vriend die hoogleeraar is in de protéïne.Twintigste wet.De Javaan zal arbeiden uit vryen wil.Maar dit is domheid, dwaasheid, onzin, krankzinnigheid ennonsens!Juist, dat isNONSENS.Wat te bewyzenwas alweer ... geachte hoorders!Vrywillige arbeid is wenschelyk.Het is even ongerymd te redeneeren, te discussieeren, te parlementeeren over—onverschillig vóór of tegen—zulk ’n wet.(Duitenplatery).Ik meen u gebracht te hebben tot de erkentenis van deze waarheden, en alweder moet ik u verzoeken dit eens vooral te mogen constateeren, opdat ik dáárop althans niet zal moeten terugkomen.Om verschooning te verdienen, of juister om u te doen inziendàt ik verschooning verdien voor desoortvan bewysvoering door my toegepast op de stellingen, die ik alzoo de vryheid neem met dagbladschryvers-lankdradigheid vooroptestellen, voel ik my verplicht, vóór ik mag overgaan tot het derde deel dezer verhandeling, u ’n kleine geschiedenis te verhalen, die nooit gebeurd is.In zeker land heerschte beweging, onrust, tweespalt...agitatie. Er bestond ’n verschil van gevoelen, dat zeer diep ingreep in alle mogelyke “eerste beginselen”. Vaders haatten en onterfden hun zoons. Vrouwen verlieten hun echtgenooten. Winkeliers, hun toonbank en geldlâ... neen, zóóver ging de agitatie niet, maar ze ging toch héél ver.Omdat dezeagitatienadeelig werkte op den loop der zaken—zoo-alsalleagitatiën—werden er zeventig wyze lieden benoemd—septuaginta, ’n omineus getal!—zeventig wyzen alzoo, met witte haren en overvloeiende van persoonlyke geachtheid om de zaak die ’t volk zoo agiteerde, tot klaarheid te brengen.Die wyzen dachten diep na, en spraken veel. Zy spraken veel, en dachten soms zeer diep na. Eenigen hunner spraken veel, zonder zoo heel diep natedenken. Ook waren er die spraken zonder nadenken in ’t geheel.En onder hen die spraken, waren er die verstaan werden van-tyd tot-tyd.Maar onder de sprekers die verstaan werden, werd er geen enkele begrepen.Ik laat nu daar, of ze nietwildenbegrepen worden, d.i. of men zich in ’t land waarvan ik spreek, toelegde opduitenplatery. Maar zeker is ’t dat het volk, na lang getwist, na veel gespreks, even wys bleef als te-voren.Vaders hielden zich onophoudelyk bezig met onterven hunner zoons. Vrouwen gingen voort haar mannen te verlaten. Winkeliers ... neen, zóóver ging de agitatie niet, maar toch altyd-door, heel ver.En de wyzen werden hoe langer hoe witter van haren. En hunne persoonlyke achtenswaardigheid werd gedurig achtenswaardiger en persoonlyker. En ze spraken ... ze spraken ... Maar de agitatie duurde voort. Het volk werd niet wyzer. De vaders ... ge weet de rest.De deftigheid derseptuagintaklom tot hoogen ernst.Hun ernst werd plechtig.De plechtigheid ging over in ’t aandoenlyke.’t Volk was dan ook aangedaan. Maar het was dit door dezeer onprettige gewaarwording die men agitatie noemt, en geenszins door de meer gewenschte aandoening der erkentelykheid voor bekomen licht in de duisternis.En de vaders... ja, dit weet gy al.Metverfoeielyketuchteloosheid heb ik verzuimd u meetedeelen, waarin dan toch het verschilpunt gelegen was. Ziehier. De vraag die ’t volk agiteerde, die de zoons onterfde, die de vrouwen afdreef van de mannen, die de winkeliers ... neen, de winkeliers niet. De vraag die deseptuagintazoo bezighield—met behoud van persoonlyke achting—de vraag was deze:“heeft de heiligeDionysius,na z’n dood, gewandeld met z’n hoofd onder den rechter-arm of onder den linker-arm?Toen kwam er ’n eenvoudig man in ’t land, die geen witte haren had, en persoonlyk volstrekt niet geacht was, waaruit men met het oog op ’t gehalte van al die andere achting, zou mogen besluiten... nu, dit doet er niet toe. Hy zeide tot het volk: “Lieve menschen,Dionysiusheeft na z’n doodnietgewandeld. Hy heeft z’n hoofdnietonder den arm genomen, noch onder den linker-arm, noch onder den rechterarm.5Het volk gooide dien man met vuil. Dit spreekt vanzelf. Ook deonterfdezonen gooiden meê. Ze hadden dit niet moeten doen,zyvoóral niet. En ziet, de verzoeking om met vuil te werpen, werd zelfs den winkeliers te sterk. Ditmaal verlieten ze voor ’n oogenblik geldlâ en toonbank.Maar de man die nietpersoonlykgeacht was en geen witte haren had, bedacht een middel om een eind te maken aan de nuttelooze agitatie van ’t volk, en aan de even nuttelooze—onverstane en onbegrepen—deftigheid derseptuaginta. Hy nam een stoel ging er op staan, en sprak:“Hoort, burgers, hoort het woord dat tot u gesproken wordt over, en wel dóór den heiligenDionysius. Hy is my verschenen in den droom, en heeft me verzocht u allen te groeten. Hy laat u zeer bedanken voor uwen yver in de rechter-linkerkwestie. Doch die goede heilige wil niet dat gy te ver zoudt gaan in uw vurig streven naar waarheid, en dat ge ’t offer worden zoudt van uw onleschbaren dorst naar gerechtigheid. Daarom, o edele vaders,onterfdezonen, weggeloopen vrouwen, en wat dies meer zy, hoort wat de heilige man my gezegd heeft, en maakt terstond ’n eind aan uw agitatie:Ter voorkoming van na-yver tusschen zyne beide armen, heeft de onvolprezenDionysiusna z’n onthoofding, z’n lichaam tusschen de tanden genomen, en zóó is-i voortgewandeld!”’t Volk juichte. De redenaar werd bekranst. Ieder was tevreden. Ieder ... behalve de Septuaginters die ietwat verloren hadden van hun gewicht, hun aanzien en hunne persoonlyke geachtheid ...Ofgynu, zeer geachte hoorders, juichen zult, en my bekransen, nadat ik u in de twee eerste deelen myner rede het bespottelyke heb onder ’t oog gebracht van uwrechter-linkerkwestie, weet ik niet. Ik twyfel daaraan omdat ik weinigreden heb staat te maken op uwe rechtvaardigheid. De vertelling overDionysiushad geenszins ten-doel u toejuiching of kransen aftelokken voorzotternyen, nadat ge my die toejuiching hadt ontzegd voor al den ernst dien ik u gaf. Ik wapen me slechts tegen de beschuldiging dat ik m’n toon zoek ...Ziehier: (Havelaarpag. zooveel.)«Vervloekt dat verontwaardiging en droefheid zoo vaak zich kleeden in ’t lappenpak van de satire! Vervloekt dat ’n traan, om begrepen te worden, moet verzeld gaan van gegryns! Of is ’t de schuld myner onbedrevenheid, dat ik geen woorden vind om de diepte te peilen van de wonde die er kankert aan ons staatsbestuur, zonder m’n styl te zoeken byFigaroofPolichinel?Styl... Ja! Daar liggen stukken vóór my, waarin styl is. Styl die aantoonde dat er ’nmenschin de buurt was, een mensch wien ’t de moeite waard geweest ware de hand te reiken. En wat heeft die styl den armenHavelaargebaat?Hyvertaalde z’n tranen niet in gegryns, hy spotte niet, hy zocht niet te treffen door bontheid van kleur, of door grappen van den uitroeper voor de kermistent. En wat heeft het hem gebaat?.............................................................................................................................................................................................................................................................................................................................Weg met gemoedelyke taal! Weg met zachtheid, rondborstigheid, duidelykheid, eenvoud, gevoel! Weg met al wat herinnert aanHoratius,justum ac tenacem! Trompetten hier, en scherp gekletter van bekkenslag, en gesis van vuurpylen, gekras van valsche snaren, en hier-en-daar ’n waar woord, dat het meê insluipe als verboden waar, onder bedekking van zooveel getrommel en zooveel gefluit.Styl!Hyhad styl!En wat heeft het hem gebaat?Als ik dus wil worden gehoord—en verstaan vooral—moet ikandersschryven dan hy!»Ja, dan moet ik anders schryven, zeer geachte hoorders! Enanders spreken ook. Hieraan hebt gy die treffende historie vanDionysiuste danken. Vermaakt er u meê.En nu, dunkt me, kan ik overgaan tot het derde gedeelte myner preek, waarin ik eenige beschouwingen wensch medetedeelen ...Naar den duivel met die preêk en die beschouwingen in ’n derde-deelig lystje! Naar den duivel met uw gareel waarin ’k niet loopen wil, gy die geen paard begrypt zonder juk, geen leest zonder keurslyf, geen taal zonder spraakkunst, en geen waarheid zonder peperhuis, waarin ze ligt opgerold, toegevouwen, platgedrukt, inééngefrommeld, als ’n theater-affiche van den vorigen keer!Naar den duivel met uw schoolmeestery, gy die meent dat schryven of spreken iets anders is dan ’t weergeven van de indrukken der ziel! Gy die dáárom van de ziel ’ntalenthebt gemaakt, omuwaangeleerd, verschoold talent voorzielte doen doorgaan, en alzoo dat talent te maken tot grondstof van ’n beroep “dat wat gééft!”Voort ... terug naar de schoolbank, gy meesters in dingen die men niet leert, gy volleerden in zaken die ge hadt moetenvoelen, vóór gy iets leerdet! Weg, preêkers, babbelaars, redevoeringhouërs, preek- praat- redeneer- vertoog- pleit- verhandelkranen,à raisonvan zooveel woorden in ’t uur, van zooveel centen ’t woord! Weg handelaars in de waarheid, tegen honderd liters in de minuut. Debitanten en splitsers van gevoel in volzinnen groot en klein, by den emmer en by ’t maatje ...Gyhebt het Volk bedorven! Gy, schriftgeleerdengy,gy,gy...Gy, met uw gepraat over dingen die vanzelf spreken. Gy, met uw gepraat over dingen die in ’t geheel niet spreken. Gy, met uw rechterzy en uw linkerzy. Gy met uw behoud en uw liberalisme. Gy, met uw “eerste beginselen” die onmisbare bondgenooten van elke beginselloosheid. Gy, met uw deftigheid en witharige wysheid. Gy, met uw duitenplatery, dat is: gy met uwbedrog...GYhebt het Volk bedorven!En ge huist, als vuil ongedierte, niet alleen in de plooien van de “toga der Volksvertegenwoordigers—ge nestelt overal waar ge kunt plaats vinden tusschen naad of vouw der bedekking van de een-of-andere deftigheid. Gy, sprekers, praters, schryvers, redenaars, preêkers ...AAN DEN UITGEVER.Waarded’Ablaing!Neen, er zal niet gezegd worden dat niemand beproefde denvloek te bezweren die er rust op het Volk. ’t Zal niet gezegd worden dat niemand de ziekte aantastte, de rottende ziekte waaraan dat Volk lydt: deLEUGEN.Ik zal doen wat ik kan.Ik verzoek u de uitgaaf op u te nemen van ’n werk dat ik zooeven bedacht heb. Ik zal u elke week ’n vel druks leveren. Ja, als ik ’n kamer heb waar ik rustig zitten kan, twee vellen in de week. Ik verbindmyvoorloopig tot schryven van zes-en-twintig vellen, dat is dus—als ik geen goede kamer heb—voor ’n half jaar.Geef dat uit naar uw goeddunken. By inteekening, zonder inteekening ... voor veel geld, voor weinig geld ... het scheelt my niet.Ik zal in dat schryven trachten naarwaarheid.Dit is m’n program. Dit is m’n eenig program.Ik zal geven:verhalen, vertellingen, geschiedenissen, parabelen, opmerkingen, herinneringen, romans, voorspellingen, mededeelingen, paradoxen ...Ik hoop dat er ’n idee zal liggen in elk verhaal, in elke mededeeling, in elke opmerking.Noem dus m’n werk:Ideën.Anders niet.Enschryfer boven:“een zaaier ging uit om te zaaien.”Kondig het terstond aan. Dat werk zal de vaan wezen die ik ophef en hooghoud:parceque suivre bannière ne peux!Ja, dat zal ik doen. En nu de vrye arbeid!Ik zou u op schoolsche gronden kunnen betoogen, lezer, dat de zysprong dien ik my zoo-even veroorloofde, volstrekt noodig was in myn bewysvoering. En ik, die zoo op-eenmaal den weg verliet, waarop wy te zamen wandelden, begin intezien dat ik waarachtig meer talent bezit dan ikzelf wist. Let eens goed op, ik zal u een kykje gunnen achter de schermen.Toen ik ’n paar bladzyden geleden, denHavelaaropsloeg, om de passage uitteschryven, waarin ik my beklaag over de ellendige noodzakelykheid om u grappen te verkoopen, wyl ge anders niet zoudt luisteren, werd ik innig bedroefd. Want ik las daar ... ik las ... ik las ...Alles kwam my zoo voor den geest terug! Ik riep gedurig: myn god, het is toch wáár wat ik daar schreef! ’t Is toch wáár dat ik daar m’n plicht deed in levensgevaar. ’t Is tochwáárdat ik arm en onmachtig vanLebakvertrok met vrouw en kind! ’t Is toch wáár, dat ik sedert dien tyd niet heb opgehoudenbitter te lyden om ’t vervullen van m’n plicht! ’t Is toch wáár dat we alles hebben gedragen met geduld, met waardigheid en met moed ...Dat alles is toch de waarheid, o myn God!En ’t staat toch geschreven in dat boek. En al staat daarin nietallesgeschreven, omdat alles niet geschreven worden kàn, er staat toch genoeg in dat boek, om te doen begrypen ook wat ik niet schreef ...En dat boek was “zoo mooi” zeiden ze. En ze lazen dat zoo gretig, met zooveel ingenomenheid, en zoo overal!En toch... toch... toch is er geen recht gedaan! Tòch ben ik even ver alsof m’n boek niet “mooi” was geweest! Even ver als-of er niet zooveel tranen waren gevallen op dat handschrift...Toen ben ik verdrietig en bitter geworden.En ik zocht de oorzaak die ’t rechtdoen in myn zaak in den weg staat, en ik vond die in de ziekte waaraan ge lydt, Nederlanders, ik vond die in uw rottende ziekte, in...leugen.Immers, ik heb u waarheid gezegd, en gylieden hebt niet gehoord.En dagelyks verkondigt men u leugens, en ge luistert.Dááróm ben ik op-eenmaal ter-zy gesprongen, en legde m’n vloekbrief neêr voor de woning dergenen die u bedriegen. Dáárom spykerde ik in ’t voorbygaan de konde myner vete aan de poort van de roofridders die op geestelyk gebied uw gemoed prysverklaren, en hun hoogheid ophouden door diefstal.In de middeleeuwen nam men ’t Volk geld en goed af. Dat heette adel in die dagen.Hoe hooger het roofslot, hoe onbereikbaarder de dief... hoe hooger adel.Thans neemt men u de waarheid af. En dit heet geleerdheid, staatkunde, godsdienst, bekwaamheid, in deze dagen.En hoe hooger de preêkstoel, hoe verhevener de katheder, hoe deftiger ’t gestoelte... hoe meer geleerdheid, hoe meer godsdienst, hoe meer zedelykheid, hoe meer invloed, hoe meer gezag, hoe meer bederf!Toen de boeren der middeleeuwen te-hoop liepen, bleek er spoedig dat de ridders de sterksten niet waren, en dat ze alleen den meester spelen konden, zoolang de goê-gemeente vergat dat er verzet mogelyk was.En gy, eenvoudige lieden van gezond verstand, bedenkt dat de tabbert der geestroovende leugensprekers onzer dagen niet van sterker maaksel is, dan de harnassen der goed- en geldroovende dieven van adel.Er is maar één adel. Eén adel, die harnas behoeft noch tabbert. Zyn strydperk is hetlicht. Zyn schild is dewaarheid. Zyn kampvechter deGeschiedenis der menschheid. En zyn zwaard is hetWOORD.Dàt woord zal ik naar de mate myner kracht tot u spreken in deze brochure, en inIDEËNdie ik van plan ben uittegeven. Daarin zal ik neêrleggen wat er omgaat in m’n ziel...

There is something rotten in the State!Zoo eindigde het eerste gedeelte dezer brochure, die ik eensklaps afbrak om reeds dadelyk als m’n innige overtuiging te verklaren dat Vrye-arbeid inIndië, op dezen oogenblik leugen is. Ik wilde die meening publiceeren voor ze ’t uitvloeisel konschynenvan eigenbelang.

Ja, daar is verrotting in den Staat, en de naam van die verrotting, Nederlanders, isLEUGEN. Van boven tot beneden heerscht leugen.

De troonrede spreekt van ongestoorden vrede, van rust en geluk, op den oogenblik als duizenden daarginder bezwyken onder hongersnood, of neêrzygen onder de klewang-bajonetten uwer voor hoog handgeld gehuurde soldaten. Die troonrede spreekt dus leugen, Nederlanders!

Uw Tweede-Kamer beraadslaagt met voorgewende deftigheid wat zy zal antwoorden op dien leugen, en brengt na ’t hooren van ’n zestigtal geachte maar onverstane sprekers, met kunst en moeite den leugen voort, dat ze dien opgedischten anderen leugen met genoegen heeft vernomen. Daarop houdt ze zich bezig mee het beoordeelen der wetten, haar voorgelegd door Ministers die zich alweer niet kunnen staande-houden zonder leugens. En de beraadslaging, die reeds leugenachtigedonneésbehandelt, ditberaadslagingzelve is leugenachtig. Wantbyuw Vertegenwoordiging, Nederlanders, wordt niet gevraagd naar destrekkingder behandelde wetten, de vraag is of ’t belang van dePARTYmeebrengt, dat deze of geene Minister aan ’t bestuur blyve. Er wordt in uwe Kamer handel gedreven in stemmen. Men biedt hulp in ’n accynskwestie, ter betaling voor ’t zwygen over ... dat andere. Delft zal Twenthe steunen in z’n linnenkraam,à titre de revanchevoor Delftsche boter. De eikenkroon voor den neef van ... zekeren heer, is de belooning voor ’t intrekken van dat laatste amendement. ’n Lange straatweg die uitloopt op X. en de buitenplaats voorbygaat van ’n geacht lid, wordt betaald met ’n nog langer redevoering die alles voorbygaat, en op niets uitloopt. Uw Tweede-Kamer, Nederlanders, is ’n markt van stemmen. Wie ’t meest biedt,mynt. Wie zelf niet bieden kan, associëert zich met een-of-andere compagnieschap die ze “staatkundige party” noemen. Als er evenwicht is tusschen bod en behoefte, ontstaat er ’n ministerieele krisis. Wordt dit evenwicht verbroken, dan komt de meerderheid op ’t kussen, en blyft daar tot de minderheid op haar beurt weêr hooger bod kan doen.

De waar die men op deze markt verkoopt, is nooit de tentoongestelde of geannonceerde. ’t Is daarmeê als met sommige winkeliers, die handschoenen of sigaren voor ’t venster leggen als pretext voor ’t handeldryven in meisjes achter de toonbank.

Op die markt spreekt men over eerlykheid, en bedoelt winst. Over begrippen, meeningen, inzichten, overtuiging, en bedoelt belang. Over rechtskwestiën, en bedoelt onrecht. Over staathuishoudkunde, en bedoelt diefstal. Over vryheid, en bedoelt dwingelandy. Over menschenrecht, en bedoelt moord.

De schoonste redevoering, die ooit gehouden werd in ’n vergadering van vertegenwoordigers, is vanCromwell. Schrikt niet, lezers, lang is ze niet, ziehier:

“You are no parliament! I say You are no parliament! Begone, and give place to honester men. What shall we do with that bawble? Take it away ...

To honester men ...maakt plaats vooreerlyker lui! Juist.Cromwellhad een zeer eigenaardige manier om plaats te maken, maar dewyl gy, Nederlanders, nu eenmaal langzamer te-werk gaat, raad ik aan toch alle middelen die u ten-dienste staan te beproeven, omCromwell’sdoel te bereiken, hoe langzaam en vervelend dan ook de middelen werken. Ge hebt de zoogenaamde vryheid van verkiezingen. Maakt daarvan nu-en-dan eens gebruik, enverbeeldtu niet dat ge ’tdoet, door uw candidaten te zoeken op de voorzyden uwer couranten, of in de aanbevelingslysten der kieskollegiën. Tracht dooreigeninzichtte geraken tothonester menin uwe Kamer. Toont dat ge misselyk zyt van al ’t gekibbel over voorgewende kwestiën. Toont dat gewaarheideischt, en u verzadigd voelt, tot walgens toe verzadigd, van parlementaire leugens.

Want het zynleugens, de kwestiën waarmeê ze zichzelf en u bezig-houden, Nederlanders!

’t Is de vraag niet of de Javaan moet worden uitgezogen door liberale of door behoudende bloedzuigers. De vraag is: of hy moet mishandeld worden, door wien ook?

En op deze vraag is slechts één antwoord mogelyk;neen!

Dit staat duidelyk geschreven in het Regeeringsreglement, en duidelyker nog—o veel duidelyker!—in ’t hart van ieder die daarin ’n betere godsdienst omdraagt, dan er valt van-buiten te leeren uit ’n oud boek.

Zoolang men in uwe Kamersdievraag niet durft te-berde brengen ... zoolang daar niet zal opstaan de oprechteDERDE PARTY, DE PARTY VAN WAARHEID, de party die zonder vasthouden aan kinderachtige stelseltjes, de hoofdzaak behandelt, en aan die hoofdzaak allebyzaken ondergeschikt houdt ... zoolang men in die Kamer vragen zal: zyt ge behoudend of liberaal, insteê van plichtsvervulling te eischen van liberalen en behouders beiden ... zoolang men daar luistert naar onverstane redevoeringen over Vryen-arbeid en Kultuurstelsel, en intusschen door stilzwygen goedkeurt dat uw prachtigIndiëwordt bedorven door onbekwame gouverneurs ... zoolang men daar blyft doorwawelen over Art.56van ’t Indisch Regeeringsreglement, in plaats van voldoening te eischen aan ’t oneindig belangryker55eartikel van datzelfde Reglement ... zoolang men in die Kamer duldt dat deSlymeringenworden beloond, en deHavelaarsgestraft ... zoolang men daar traagheid, lauwheid, eedverkrachting en misdaadblyftsteunen tegen yver, plichtsbesef, eergevoel en moed ... zóólang zal ik blyven zeggen:begone, and give place to honester men!

En meent nu niet dat ik uw Tweede-Kamer te hard val, Nederlanders. Ik heb ’n antecedent voor my, dat in hevigheid myn vonnis te boven gaat ... het antecedent dat uitging van die Kamer zelf, waarin men, ge hebt het gehoord, elkaâr over-en-weer heeft genoemd:Droogstoppels, d. i. zonder de minste vryheid in ’t vertalen:ELLENDELINGEN.

Ikdie Kamer hard vallen? Eilieve, ik sprak nog alleen van de leugens die men daar behandelt, ik roerde alleen de onzedelykheid van uwe vertegenwoordiging aan. Hoe zou ’t wezen als ik lust had eens hettalenten dewerkzaamhedenvan al uw geachte sprekers te schatten? Dat gy, Nederlanders, by-voortduring tevreden zyt met onwaarheden, kan ik nog beter begrypen,dan dat ge niet opstaat tegen ’t byna totaal gemis aan talen in uwe Kamer. Leugens, ik beken dit, kunnen iets aantrekkelyks hebben, vooral wanneer de opvoeding altyd daarheen leidde. Maar eergevoel en eigenliefde moesten u aandryven om eens ’n ander soort van menschen naar den Haag aftevaardigen. Bedenkt toch dat de vergadering van geachte sprekers gecenseerd wordt de monsterkaart te wezen van alles wat uw land uitstekends bezit, en dat de vreemdeling—wanneer-i eens in ’t hoofd kreeg achttegeven op uwe Kamers—zich al zeer spoedig de vraag zou voorleggen: zóó zyn de knapsten, wat moet ik denken van de rest?

Welke redenaars heeft uw parlement opgeleverd sedert 1816? Welke staathuishoudkundigen? Welke schryvers? Welke karakters? Welke groote mannen?

O, zeker... ge zult in antwoord op die vragen ’n paar mannen noemen, maar ge moest u bezinnen voor ge die noemde. Dit had niet noodig moeten zyn, en ’t blyft de vraag nog of ge ’t recht hadt die mannen te noemen, al vergaf ik u ’t bezinnen.

Inderdaad, Nederlanders, òf ge telt weinig uitstekende mannen onder u, òf ge stelt hen te hoog om ze te veroordeelen tot vyfjarigen dwangarbeid op de parlementaire galei. Maar in dit geval, waar blyven ze dan? Ge kunt ze toch niet allen griffiers maken, zooals metSloetgeschied is, wiens onderkoninkschappelyk genie jaren lang zoo deerniswaard begraven bleef onder proces-verbalen van de zittingen der Geldersche Staten. We hebben immers maar elf provinciën in ons land.

Bedenkt toch, bid ik u, wanneer ge dan geen prys stelt op de eer en het belang van de Natie, dat ge misschien eenmaal naar den Haag zult gaan, gy of uw kinderen, en dat de mannen aan de poort u en uw familie zullen beoordeelen naar de modellen die ge jaar-in jaar-uit daarheen zondt uit uwe stad. Waarachtig, men zal er u op aanzien, en ’t zal u weinig baten in de opinie der tollenaars, dat ge u verschuilt achter de hoofdartikelen van uw krant die u de modellen aanprees als: “zoo byzonder achtenswaardig.”

Leugen.Dit is de naam van de ziekte, de rottende ziekte waaraan de Natie lydt. Wie naar waarheid streeft, wordt gescholden, belasterd en mishandeld. Wie zich aansluit aan ’n party die leugens uitvindt tegen-over de leugens der andere party, wordt gesteund, verheven, beloond.

Leugens ontvangt de Gouverneur-Generaal in Indië, van de residenten. Leugens geefthyden Minister. Leugens geeft deze terherkauwingaan de Tweede-Kamer.

Leugens verspreiden de dagbladen onder hun abonnés.

Met leugens houden de partyen zich staande.

Met leugens wordt het Volk gevoed.

Leugens doen adressen teekenen.

Met leugens wekt men kunstmatige agitatiën op.

Zoo waarlyk ik veel gedragen heb, ik zegge u, daar is verrotting in den Staat, en de naam van die verrotting isleugen!

Ge zoudt onrechtvaardig handelen, Nederlanders, my tevloekenom deze uitspraak. Ik heb ’t recht, luid te spreken voor de waarheid waaraan ik door veel lyden verbonden ben.

En ook ware ’t onbillyk my euvel te duiden dat m’n toon anders is dan de toon die aan leugens passen zou. Ge begrypt immers dat juist de gladde gemanierde schuifelende effenheid deronware woorden noodig was om u voortdurend al die onwaarheden te doen slikken als goede spyze? Ge begrypt immers dat er ’n andere taal dan de gewone noodig is, om u wakker te schudden uit uw slaperigheid? Ge begrypt immers, in één woord, dat ik niet schryven kàn als ’n ander, juist òmdat ik u de waarheid zeg?

Maar wilt ge die hooren? Is ’t u inderdaad om waarheid te doen?

Ik weet het niet. Jazelfs ge noopt mydikwylsdaaraan te twyfelen.

Doch dit is uwe zaak. Myn zaak is u die waarheid te zeggen.

Neemt ze aan, ohandeldryvendeNederlanders ... al waar ’t om de goedkoopte alleen. Ge betaalt uw leugens duur, zeer duur, en my betaalt gy niets. Dit niet-betalen moge nu oneerlyk wezen ... de uitgestelde schuld aan my, moge schandelyk vuile plekken nalaten, als gy ze in uw boeken durft doorhalen met gewetenlooze pen ... dit doet er weinig toe. Wat men niet betaalt, is altyd goedkoop. Ik beken dan ook dat het u moeielyk vallen zou my alles te betalen wat ge my schuldig zyt, ook al waart gy eerlyk genoeg om het te beproeven.

Waarheid?Wat is dan hier waarheid? Wàt is waarheid over de zaken die thans aan de orde van den dag zyn? Ik wil trachten u dit te zeggen, schoon ’t me moeite kost, lezer. Herhaaldelyk heb ik u toegeroepen dat ik teksten schryf, en geen preêken. Is ’t u inderdaad om waarheid te doen? Waarlyk, wezenlyk, waarachtig?

Welnu, sla deze bladen toe, leg dit kleine boekjeongeopend voor u, lees den titel op den omslag, lees ...

Laat het boekje gesloten liggen, zeg ik u.

Lees den titel op den omslag ... lees voort ... lees voort tot op den naam van den edelen man die de goedheid heeft,—uit liefde tot de waarheid, hoort ge!1—deze blaadjes uittegeven, en ...

Weet ge nu nòg niet, lezer, wat de waarheid is?

Dan wanhoop ik aan ’t slagen van elke poging om u die waarheid aan ’t verstand te brengen. Dan ontken ik de oprechtheid uwer begeerte om die waarheid te weten.

Dan verklaar ik u te diep verleugend om behoefte te kennen aan waarheid, om besef te hebben van waarheid, om eerbied te voelen voor waarheid. En als ik te-werk ging naar den indruk van ’t oogenblik, dan legde ik hier de pen neêr.

Wie na ’t lezen van de drie motto’s op den titel, nòg niet weet wat waarheid is omtrent de zoogenaamde kwestie van den dag, kan zich de moeite van ’t verder lezen sparen. Hy zoeke z’n “voorlichting” elders. Ge weet wel, waar? En als er geen krant by de hand is, dan maar in ’s hemels-naam in ’t byblad.

“Als ik te-werk ging naar den indruk van ’t oogenblik!” maar ik ganietnaar den indruk te-werk. Ik ben methodischer dan er gemeend wordt door lieden die geen geestdrift begrypen zonder kortstondige naar krankzinnigheid zweemende drift van geest. Ik denk zeer lang voor ik handel, en ik overyl me zelden.Mynleven—dat een geheel is—zou ditbewyzenaan ieder die wat meer menschkunde bezat dan er noodig is tot het ontcyferen van al te dagelyksche karakters.

Ik handelnietnaar den inspraak van ’t oogenblik, en zal dus voortgaan u zoo lankdradig en vervelend als maar eenigszins mogelyk, aan ’t verstand te brengen dat:

VRYE ARBEIDWENSCHELYK,

maar:

DAT DE KWESTIE OVER VRYEN ARBEID, NONSENS IS,

om daarna te besluiten met eenige toepasselyke beschouwingen, waaruit misschien zou kunnen blyken:

dat het niet juist de vry-arbeiders zyn, die denJavaanzullen opleiden tot vrywilligen arbeid.

Verleent my hiertoe ... neen, dit behoeft niet.

Vrye arbeid is wenschelyk.Staat me by, alle goede geesten van kansel en balie! Helpt me met uw verrukkelyke bewysvoeringen en lankzinnigheden, gy allen die ooit middel vondt om ’nmur-mitoyente begraven onder pleitredenen van zeven uren gaans!

Staat me ter-zy, redenaars in de afschaffings-genootschappen, die ’n heelend avend kunt vullen met het betoog dat het beter is nuchter dan dronken te zyn! Helpt me, gy allen die de kunst verstaat veel woorden te wyden aan weinig zaaks ... steunt me, redt me, staat me by!

Geeft me ’n adjektief by elk substantief.

Geeft me ’n bywoord by elk adjektief. En by elk werkwoord, ’n bywoord.

Blaast me lange volzinnen in ’t oor, overal waar de korte te duidelyk zouden wezen voor ’t begrip.

Overlaadt my met uw nogtans, uw niettemins, uw hoezeers en uw niettegenstaandighedens.

Geeft my de kracht om totate zeggen: o, gy eerste der vierentwintig letteren! Het talent, om dertienmaal achtereen ’t zelfde te betuigen met andere woorden.

Gy vooral,van der Palm, gy vooral, sta me by! Gy die in uw diepzinnige uitlegging der nog diepzinniger Schrift, den Volke hebt meêgedeeld dat er onder ’t woord “bedden” moest verstaan worden: groote bedden en kleine bedden.2

Tot u vooral wend ik my, prins der preêkers, tot u wend ik my om hulp. Want zie, ookikga eens ’n preek maken. Men wil dit zoo. Uw voorbeeld richte my ... uw kracht sterke my ... uw geest beziele my ... dit hoop ik!

En gy die me hoort, vergeeft dat ik niet terstond my verheffen kan tot de hoogte dergenen die levenslang zich toelegden op lankheid en overbodigheid.

Bedenkt, bid ik u, dat ik my altyd bezig-hield met kort en goed te zeggen wat er te zeggen viel, en dat men niet opeenmaal meester worden kan in alle kunsten.

Ik begin tegen m’n gewoonte met ’ncaptatio benevolentiae: ik beken schuld. Reeds veel vroeger had ik my moeten toeleggen op de nooit genoeg te waardeeren handigheid, de waarheid vervelend te maken opdat ze u zou aanstaan. Ja daarin beken ik schuld. Ik beloof beterschap ... en tot bewys: ziehier!

VRYE ARBEID IS WENSCHELYK.

Om dit te bewyzen, waarde hoorders, zal ik beginnen met te zeggen dat het niet waar is. En ik heb nòg ’n confidentie te doen. Ik zeide u zoo-even dat ik methodisch was, en lang nadacht voor ik handelde of sprak ... welnu, ook dit is niet waar. Vrye-arbeid isnietwenschelyk, en ik bennietmethodisch. Wat ik heden zeg, trek ik morgen in. Ik bestryd vandaag de stelling die ’k gister opstelselde. Ik moet dit nu wel erkennen, wyl ikvoor ruim twee jarende domheid gehad heb openlyk te verklaren dat Vrye-arbeid ’n goede zaak was. Natuurlykzagik deze inconsequentie liever bedekt met den mantel der vergetelheid, maar ik vrees dat dit niet gelukken zou, omdat een uwer misschien in ’t bezit is van ’n exemplaar derAmsterdamsche Courant van 9 December 1859No. 294 (avondeditie) waar we—met gepasten eerbied—o. a. het volgende lezen:

«De vraag van den dag is:vrye-arbeidofgedwongenarbeid.De theoristen—ik neem aan dat zy allen eerlyk zyn, en dat hunne halzen geen schaafmerk dragen van ’t systeemjuk—de theoristen kunnen met den besten wil onmogelyk zonder de hulp van personen alsSlotte3die zaak beoordeelen. Zy kunnen betoogen, bewyzen zelfs, dat Vrye-arbeid beter is, zedelyker, meer kans aanbiedt op welvaart...Gewis! Maar ... wie twyfelt daaraan?Wie twyfelt er aan, of absentie van roof, moord, diefstal, echtbreuk, luiheid, wenschelyk ware?Wie twyfelt er aan, of hetgoedebeter is dan hetkwade?Maar die vragen zynoiseus.De vraag is niet: wat hier het betere zy? De vraag is: of het betere kan bereikt worden? En, zoo ja, langs welken weg?”

«De vraag van den dag is:vrye-arbeidofgedwongenarbeid.

De theoristen—ik neem aan dat zy allen eerlyk zyn, en dat hunne halzen geen schaafmerk dragen van ’t systeemjuk—de theoristen kunnen met den besten wil onmogelyk zonder de hulp van personen alsSlotte3die zaak beoordeelen. Zy kunnen betoogen, bewyzen zelfs, dat Vrye-arbeid beter is, zedelyker, meer kans aanbiedt op welvaart...

Gewis! Maar ... wie twyfelt daaraan?

Wie twyfelt er aan, of absentie van roof, moord, diefstal, echtbreuk, luiheid, wenschelyk ware?

Wie twyfelt er aan, of hetgoedebeter is dan hetkwade?

Maar die vragen zynoiseus.

De vraag is niet: wat hier het betere zy? De vraag is: of het betere kan bereikt worden? En, zoo ja, langs welken weg?”

Helaas, zoo schreef ik voor ruim twee jaren! En wat het ergste is, m’n naam staat er onder. O, had ik toen kunnen voorzien dat de eischen des oogenbliks my in Januari 1862 zouden dwingen tot de verklaring—en ’t bewys—dat vrywillige arbeidnietwenschelyk, dat ze integendeel onaangenaam is, nadeelig, onzedelyk, onvoordeelig en verfoeielyk... o had ik...

Maar naklagen baat niet. Het staat er nu eenmaal. Zou ik kunnen beweren dat er tekstvervalsching plaats had? Of dat de redaktie derAmsterdamsche Courantm’n schrift, m’n styl had nagebootst... neen, dit kan niet. En bovendien, dan had ik vroeger moeten protesteeren tegen de onzinnige kettery die daar te lezen staat, met m’n naam er onder in volle letters.

Neen, geen omwegen! Ikheb’t gezegd. Ik hèb verklaard datvrywillige arbeid beter is dan gedwongen werk. Daaraan is niets te veranderen. Maarnutrek ik die dwaling in, en beweer dat niets schandelyker en nadeeliger is dan vrywillige arbeid.

“En hoe zyt ge geraakt tot deze nieuwe overtuiging?” zal men vragen ... naar ik hoop. Want als men het niet vraagt, zou het den schyn hebben alsof m’n preek den hoorder evenzeer verveelde als myzelf.

Hoe ik daartoe gekomen ben? Zeer eenvoudig. Neen, neen... om-godswil, vergeef me,nieteenvoudig! Ik vergat daar dat eenvoud m’n kerk leegschrikt, en dat alleen omslag gewild is. Volstrekt niet eenvoudig dus. Op zeer ingewikkelde wyze ben ik genezen van m’n dwaling, en wel ... raadt eens door wien? Door kleinenMax.

Dat kind is goed en zacht en gehoorzaam. O, ik vrees hy is àl te goed, àl te zacht! En, hoorders, als uw kinderen op hun ouders gelyken, dan zal myn kind ter-zyner-tyd de straffe dragen die de wereld toepast op goedheid, om wraak te nemen over het verschil.

Hoe dit zy, hy is willig en gehoorzaam. De kleine plichten die z’n leeftyd hem oplegt, vervult hy gaarne. Zelden of nooit behoeft men hem iets te bevelen. In één woord, tot-nog-toe arbeidde hy geheel en alvrywillig.

Voor eenige dagen sloeg het uur waarop hy gewoonlyk door z’n moeder wordt ter-ruste gelegd. In-plaats van als altyd op dat uur z’n speelgoed wegtebergen, zich uittekleeden en ons goeden-nacht te wenschen, kwam hy tot me, en zei:

—Papa, ik heb ’n idee!

Ik schrikte.

—Arme jongen, dit moet niet dikwyls gebeuren. Het zou je hinderen in de wereld. Wat is het?

—Wel ’t is tyd om te slapen ...

—Is dit je idee?

—Neen, luister! Toen ’t gister bedtyd was, heb ik me terstond gereed gemaakt, en u vroolyk goeden nacht gewenscht. Ge hebt me vriendelyk geantwoord, my opgenomen, naar-achter gedragen, neêrgelegd, toegedekt, en toen ge met moeder, de kamer verliet, was uw laatste woord, zoo-als altyd: goeden nacht, beste jongen ...

—Zeker, dit alles is waar, en moeder zei dat ook, en jyzelf hebt ons vriendelyk nageroepen: goeden nacht! Is dit dan zoo verkeerd? Wat wilde je anders? Heb je daarna niet goed geslapen?

—Ik heb goed geslapen,maar ... die manier van naar bedgaan, deugt niet. De werkster heeft ’n zoontje zoo oud als ik, en ik heb gehoord dat dit jongetje’s avondsniet naar bed wil. Dan moet z’n moeder hem door slaag dwingen. Beste lieve papa, ik ben toch niet minder dan ’t kind van die werkster! Wilt ge my ook dwingen om naar-bed te gaan?

—Maar kind, hoe kan ik je dwingen tot iets wat je doet zonder dwang?

—O, heel gemakkelyk. Ik zal niet willen.

Ik beken dat ik ’t kind niet begreep, maar dewyl ik zoo dikwyls genoodzaakt ben hem sommige uitspanningen te ontzeggen, besloot ik ditmaal aan z’n verlangen te voldoen. En het doet me nu genoegen toegegeven te hebben in ’n wensch die:

Na dien tyd namelyk gaat m’n kind nooit dan gedwongen te-bed. Ik sla en mishandel hem, eerst om hem te ontdoen van de goedaardige gedweeheid die hem zou te-bed dryven ook zonder slaag, en daarna mishandel ik hem nog-eens om hem te dwingen tot naar-bed gaan. En meer nog. Ik pas die mishandeling toe op alles wat er voorkomt. Ik maak hem al zyn plichtjes zóó onsmakelyk, dat-i de vervulling weigert, om daarna hem tot die vervulling te dwingen door mishandeling. Alle vrywilligheid ten goede wordt uitgeroeid, en ik heb de aangename voldoening dat m’n kleine jongen, die vroeger op vervelend eenvoudige wyze deed wat-i doen moest, nu tot niets kan gebracht worden dan langs den allerverrukkelyksten omweg van honger en slaag.

Men heeft geen begrip van de streelende verpoozing die deze stryd tegen den vryen wil my verschaft. Gisteren nog:

—Wat doeje daar,Max?

—Papa... ik heb...

—Zeg op... spreek... wat deed je daar?

—Papa... ik heb... adem gehaald?

—Waarom deed je dit, ongelukkig kind?

—Papa... ik deed het... omdat... omdat...

—Je deed het zeker omdat je ’twilde?

—Ach ja, Papa!

—Vervloekte erfzondige verdorvenheid! Terug dien adem,terug, zeg ik je ... terstond ... oogenblikkelyk! Ik zal je leeren ademhalen uit vryen wil!

Daarop sloeg ik hem tot z’n longen waren teruggebracht instatu quo ante. En vervolgens:

—Haalnuadem omdatikhet je gelast! Maar, zei ik er fluisterend by, gehoorzaam niet terstond.

Het kind begreep me volkomen, en weigerde adem te halen, voor ik het daartoe gedwongen had door ’n flinke herhaling van straf.

Nu valt-i by-den-dag af, als iemand die op ’n ministeriëele beschikking zit te wachten. Hy smelt weg, en vergaat als kamfer. Z’n lastige vroolykheid is geknakt. Het eenige wat-i nog van-tyd tot-tyd vrywillig doet, is schreien en zuchten. Ik zal hem gelasten zich ook deze uitspanningen te ontzeggen, zoolang ik ze hem niet uitdrukkelyk voorschryf.

Maar, zegt men misschien, dit zyn slechts huiselyke zaken. Nu ja! Doch evenalsNewtonuit het vallen van ’n appel, tot de wet besloot, die ’t Heelal regeert, besluit ik tot de noodzakelykheid eener algemeene dwangwet uit de opmerkingen die ik maak in myn gezin.

Vergunt my u al terstond meetedeelen hoe ik getracht heb de manier, die sedert eenige dagen myn huis tot ’n waar paradys maakt, op de algemeene zaak toetepassen.

Ik ben zeer bevriend met ’n agent van policie, die in z’n leêgen tyd wysgeer is. Dezen heb ik myn stelsel uitgelegd, en hy begreep het terstond, omdat ik ’n oogenblik had waargenomen van leêgen tyd. Niet alleen begreep-i my, maar reeds den volgenden dag paste hy m’n heerlyke uitvinding toe. Ziet hier, geachte hoorders, een extract uit zyn dagboek:

Brussel, 12 Januari. De persoon A. van de trottoir gegooid, om daarna hem te dwingen op de trottoir terugtegaan.

De huisvrouw van B. uit hare woning gehaald, en haar daarheen teruggebracht. Drie uren geschilderd voor de deur van ’tgemeenschappelykdomicilie, om ze te dwingen t’huis te blyven.

Zy beweerde dat ze er niet aan dacht om uit-te-gaan, maar van dien vryen wil heb ik ’n afkeer.

Zy beweerde dat ze er niet aan dacht om uit-te-gaan, maar van dien vryen wil heb ik ’n afkeer.

Een koetsier gelast z’n paard aantedryven tot hollen, om hem dat te verbieden.

Eenige faro-drinkers die voor bezetten tyd de estaminet wilden verlaten, daarin opgesloten tot middernacht, en ze daarna gedwongen naar huis te gaan.

Iemand die zich verstoutte rustig by den weg te gaan, metstokslagen gemoveerd tot onrust, en hem daarna gearresteerd als schuldig aan rustverstoring.

Zoo-ver ’t dagboekje van m’n vriend den wysgeer-agent van policie. Maar er is meer.

Ge weet nog niet ten-halve, beste hoorders, hoe diep myne ontdekking over de wenschelykheid van dwang, ingrypt in de belangen van stad, land, werelddeel en heelal.

Ik zal ’t laatst het eerst nemen, dan zult ge ook al ’t andere wel gelooven.

’t Heelal ... zeker! Hebt ge er wel eens aan gedacht, hoorders, hoe schandelyk het is voor ons allen dat de zon geheel vrywillig stilstaat, en dat de aarde, die kleine eigenwyze aarde maar altyd-door in de rondte draait, zonder dat wy haar dit bevolen hebben?

Ziedaar nu de gevolgen van onze berispelyke onachtzaamheid. Maar beter ten-halve gekeerd dan geheel verdwaald. We zullen de zondwingentot stilstaan. Niets is gemakkelyker. Men geve haar eene Tweede-Kamer als de onze, dan sta ik borg dat ze geen stap van de plaats komt. En de aarde die zich, wie weet hoe lang al, met aanmatigende eigenwilligheid veroorlooft te draaien tot eigen genoegen, wy zullen haardwingentot draaien. Om al deze verbeteringen intevoeren, wacht ik slechts op het ééne vaste punt datArchimedesgezocht heeft, en ... ik beloof u ’n heerlyke toekomst.

Alles zal gedwongen zyn. Door dwang zal ’t kind z’n ouders beminnen. Door dwang zult ge spreken, zwygen, staan, liggen, loopen, slapen, eten, geldwinnen. Dwang zal heerschen in de Natuur, in den Staat, in uw huis, aan uw sponde. Al wat kwaad is zalnietzyn, omdat al ’t goede dwang wezen zal.

Heerlyke, heilige, goddelykedwang!

Ook de Javaan zalgedwongenworden het goede te doen, dat is: te arbeiden ...

“Maar eilieve, roept hier toch naar ik hoop de lezer uit, dit alles is ... absurd, ongerymd, dwaas, krankzinnig en nog meer ...

Juist!

WAT TEBEWYZENWAS... geachte hoorders!

Ik kan overgaan tot het tweede gedeelte van myn preêk.

De kwestie overvryenarbeid is nonsens.

Ge hebt gezien, hoorders, hoe moeielyk ’t my viel u te bewyzen datvrywillige arbeid wenschelykwas. Ik heb daartoe ’naaneenschakeling van zotternyen noodig gehad. De keuze myner bewysvoering stond niet aan my.Mynsmaak zou me niet leiden tot zooveel omhaal by ’t bewys eener waarheid die zóó voor de hand ligt, dat ik niet dan met weêrzin ben overgegaan tot ’n betoog—en welk betoog!—dat gemyhadt moeten sparen, maar datikniet sparen mocht aan u, die naar ’t schynt niet in staat zyt iets te bevatten dat wordt voorgedragen met eenvoudigheid. Ik verklaar u datikheel graag ’t Heelal met rust zou gelaten hebben, en m’n vriend den policie-agent ook. Wat m’n besten kleinen jongen aangaat, ik verzeker u dat ik hem volstrekt niet sla. Ik moet deze verzekering wel uitdrukkelyk geven aan ’n publiek dat “onzedelykheid” heeft weten optedelven uit deMinnebrieven, en dat daarin heeft gevonden:eene aansporing aan ’t volk om horlogies te stelen.4

’t Is ’n ondankbaar werk voor u te schryven, Nederlanders. Of ik goedschryf, weet ik niet. En dit scheelt me ook weinig. Maar datgynietlezenkunt, is zeker. En dat ge—hoe gebrekkig dan ook—lezenzultwat ik schryf, is ook waar. Beproef eens neen te zeggen.

Maar, zeer geachte hoorders, dit is ’n parenthesis die ik u verzoek niet te verstaan. Verbeeldt u daartoe dat ge in de Tweede-Kamer zyt, dan zal ’t wel wennen.

Ik heb u dan in ’t eerste deel myner rede, opuwewyze—nog-eens: niet opmynewyze—aangetoond datvrye wil beter is dan dwang. Ik verzoek nu, eens-voor-al, dit punt als afgehandeld te mogen beschouwen.

Wezyngenaderd tot het tweede deel myner rede, waarin ik zal trachten te betoogen: dat de kwestie overvryenwilom te arbeiden ...NONSENSis.

Ik vraag vergunning hier te supprimeeren wat er zou te zeggen vallen over den oorsprong van den arbeid. Ook zal ik den zondvloed overslaan, en zelfs my onthouden van onderzoek naar den Sanskritschen wortel van ’t woordnon-sens, dat zeer oud schynt te wezen. In ’t kort, ik doe afstand van alle gewone hulpmiddelen om u te boeien en te overtuigen. Wanneer ik dus in ’t tweede deel myner rede u minder verveel dan gevorderdwordt door deftigheid, gewoonte en smaak, bedenkt dan dat ik ruimte van plaats en tyd moet overhouden voor de “eenige beschouwingen” van m’n derde deel, die misschien zullen aantoonen dat er nog-al verschil van beteekenis bestaat tusschen “vrywilligheid” en “particuliere ondernemingen.”

Na alles wat ik onlangs in het eerste gedeelte dezer brochure te kennen gaf, zou ’k dit heele middelstuk myner preêk kunnen overslaan, of wel het inkrimpen tot deze eenvoudige opmerking: daar ge nu eindelyk met my eens zyt datvrywilligheidbeter is dandwang, begrypt ge dat het redeneeren over de vraag:

“of er moet bepaald worden dat de Javaan voortaan die vrywilligheid zal bezitten?”

gevoegelyk zou kunnen worden gerelegeerd naar de duitenplateryen van den dag.

Maar zie, dan was m’n preêk te kort.Erasmusheeft u geprezen, hoorders, uit dankbaarheid misschien voor uw smaak in lankdradige betoogen. Want hy was meester in vrye kunsten, en zulke menschen hebben dikwyls behoefte aandébouchévoor lange redevoeringen.

Ik ben meester in geen enkele kunst. Maar op de welsprekendheid leg ik me toe. Dit ziet ge.

We zullen dus maar weêr beginnen met de bewering dat niets nuttiger is, niets billyker, niets waardiger, niets zielverheffender dan vasttestellenby de wet, dat de Javaan arbeiden zal uit vryen wil.

Ik beveel myne opmerkingen hieromtrent dringend aan in de attentie van Volksvertegenwoordigers die verlegen zyn om eenspeech. Men zal zien dat myne stelling in nauw verband staat met ...alles—meer kan men niet verlangen—en dat ze gelegenheid biedt tot uitweidingen die ’t geduld zouden vermoeien van den trouwsten hoorder, den yverigsten slaper in welke kerk ge maar verkiest.

Vrye wil tot arbeid is “iets goeds.”

Het is goed, wenschelyk, nuttig, enz. “iets goeds” vasttestellen by de wet.

’t Is dus goed, wenschelyk, nuttig, enz. by de wet vasttestellen dat de Javaan vrywillig zal arbeiden.

En nu de algemeene conclusie, die ik ’t eerst zal behandelen om daarna terugtekomen op de byzondere:

’t Is goed,wenschelyk, nuttig enz. “alwat goed is” vasttestellen by de wet.

Leent me daartoe ... neen, dit hoeft weêr niet. Leent me niets.

Gierig, hebzuchtig, belangzoekend, was ik nooit. Of ’t by ’n wet bepaald was, weet ik niet, maar als ik wat had, gaf ik gaarne.Welnu, hoorders, heden geef ik aan alle tegenwoordige en toekomende Volksvertegenwoordigers de schema’s voor de redevoeringen die zy zullen te houden hebben over alle voorgestelde wetten die het Volk...wat zeg ik ... die de heele Natuur zullen dwingen tot “iets goeds.”

“Ziehier hoe men zal kunnen spreken:

»Hoe, myne heeren, hoe ... zouden we weigeren den minister te steunen—voor wien ik persoonlyk de meeste achting heb, doch met wien ik niet in de minste relatie sta, want by my op ’t dorp trouwen wy altyd onder elkaêr—zouden we hem onze hulp ontzeggen, nu hy ons de vrucht voorlegt van zyn nachtwaken? Mogen wy—wy die ’t Nederlandsche volk vertegenwoordigen—mogenwy het eenige redmiddel van-de-hand wyzen, dat den beklemden Staat zal verlossen uit de geweldig-innypende, dooréén-beroerende, van-uit-elkander-gescheurde, tegen-opgeslingerde ... (niet hoorbaar). Daar liggen zy, de treurige slachtoffers van ’t misbruik. Loeiende, brullende, schoppende, oogverdraaiende, liggen zy daar. Ik zeg dat ze daar liggen ... (niet hoorbaar). De voorgestelde wet is het heil van den Staat, myne heeren! Ik zeg dat de Staat ... (niet hoorbaar).Doch ik zal niet toegeven in de aandoeningen die my overstelpen. Met kalmte en waardigheid zal ik trachten de zaken te ontwikkelen. En, myne heeren, als ’t hier-en-daar mocht schynen, myne heeren, dat ik spreek in het belang der party waartoe ik de eer heb te behooren, myne heeren (hier moet de spreker links buigen, en rechts ook, en naar ’t midden ook) dan, myne heeren ... (niet hoorbaar).De zaak is zakelyk deze, myne heeren. De zaak is, ons goed voortestellen wat de zaak was, wat de zaak is, wat de zaak wezen kon, en wat de zaak worden zal, als de zaak die we thans behandelen door ’n wet zal zyn vastgesteld. Dit is de zaak myne heeren!De veestapel, myne heeren, ik zeg dit uit diepe overtuiging, en niet dan na lang daarmeê te hebben omgegaan, de veestapel ... (niet hoorbaar). Ik zeg: zonder koeien geen melk. Zonder vee, geen vleesch. En dat vee ... (niet hoorbaar) zoover ik de eer heb het te vertegenwoordigen, myne heeren, is geloovig, godsdienstig, gehecht aan den roem en de bezittingenzynervoorvaderen, myne heeren! Daarom ... (niet hoorbaar) wat zegt de voorgestelde wet? Laat ons haar bedaard lezen, zonder verhitting, zonder partygeest...kalmte, myne heeren, kalmte! Wat zegt de wet? Ziehier:»Eenig Artikel. Alles gehoord en gelezen, is verstaan te bepalen dat voortaan elk rund tweemaal zal worden geslacht en opgegeten voor ’t dood is,Onze Ministers zyn belast met de uitvoering.”Zóó zegt de wet, myne heeren! En gy zoudt die wet, die heerlyke onvolprezen wet afkeuren? Ge zoudt ... maar neen ... ik verwacht iets anders van uwe vaderlandsliefde. Ik heb gesproken met overtuiging.Mocht ik hier-of-daar, in ’t vuur der improvisatie, iemand hebben gekrenkt of beleedigd, ik vraag daarvoor verschooning, myne heeren! Ik verzeker al de heeren in ’t algemeen van m’n zeer byzondere hoogachting, en hiermede ... ik heb gezegd!

»Hoe, myne heeren, hoe ... zouden we weigeren den minister te steunen—voor wien ik persoonlyk de meeste achting heb, doch met wien ik niet in de minste relatie sta, want by my op ’t dorp trouwen wy altyd onder elkaêr—zouden we hem onze hulp ontzeggen, nu hy ons de vrucht voorlegt van zyn nachtwaken? Mogen wy—wy die ’t Nederlandsche volk vertegenwoordigen—mogenwy het eenige redmiddel van-de-hand wyzen, dat den beklemden Staat zal verlossen uit de geweldig-innypende, dooréén-beroerende, van-uit-elkander-gescheurde, tegen-opgeslingerde ... (niet hoorbaar). Daar liggen zy, de treurige slachtoffers van ’t misbruik. Loeiende, brullende, schoppende, oogverdraaiende, liggen zy daar. Ik zeg dat ze daar liggen ... (niet hoorbaar). De voorgestelde wet is het heil van den Staat, myne heeren! Ik zeg dat de Staat ... (niet hoorbaar).

Doch ik zal niet toegeven in de aandoeningen die my overstelpen. Met kalmte en waardigheid zal ik trachten de zaken te ontwikkelen. En, myne heeren, als ’t hier-en-daar mocht schynen, myne heeren, dat ik spreek in het belang der party waartoe ik de eer heb te behooren, myne heeren (hier moet de spreker links buigen, en rechts ook, en naar ’t midden ook) dan, myne heeren ... (niet hoorbaar).

De zaak is zakelyk deze, myne heeren. De zaak is, ons goed voortestellen wat de zaak was, wat de zaak is, wat de zaak wezen kon, en wat de zaak worden zal, als de zaak die we thans behandelen door ’n wet zal zyn vastgesteld. Dit is de zaak myne heeren!

De veestapel, myne heeren, ik zeg dit uit diepe overtuiging, en niet dan na lang daarmeê te hebben omgegaan, de veestapel ... (niet hoorbaar). Ik zeg: zonder koeien geen melk. Zonder vee, geen vleesch. En dat vee ... (niet hoorbaar) zoover ik de eer heb het te vertegenwoordigen, myne heeren, is geloovig, godsdienstig, gehecht aan den roem en de bezittingenzynervoorvaderen, myne heeren! Daarom ... (niet hoorbaar) wat zegt de voorgestelde wet? Laat ons haar bedaard lezen, zonder verhitting, zonder partygeest...kalmte, myne heeren, kalmte! Wat zegt de wet? Ziehier:

»Eenig Artikel. Alles gehoord en gelezen, is verstaan te bepalen dat voortaan elk rund tweemaal zal worden geslacht en opgegeten voor ’t dood is,Onze Ministers zyn belast met de uitvoering.”

»Eenig Artikel. Alles gehoord en gelezen, is verstaan te bepalen dat voortaan elk rund tweemaal zal worden geslacht en opgegeten voor ’t dood is,

Onze Ministers zyn belast met de uitvoering.”

Zóó zegt de wet, myne heeren! En gy zoudt die wet, die heerlyke onvolprezen wet afkeuren? Ge zoudt ... maar neen ... ik verwacht iets anders van uwe vaderlandsliefde. Ik heb gesproken met overtuiging.Mocht ik hier-of-daar, in ’t vuur der improvisatie, iemand hebben gekrenkt of beleedigd, ik vraag daarvoor verschooning, myne heeren! Ik verzeker al de heeren in ’t algemeen van m’n zeer byzondere hoogachting, en hiermede ... ik heb gezegd!

Anders:

»Ik zou het woord niethebbengevraagd, myne heeren, dewyl de behandelde zaak geheel-en-al buiten myn werkkring ligt, wanneer ik my niet verplicht voelde ernstig te protesteeren tegen de insinuatiën die er misschien zouden kunnen gelegen hebben in de woorden van den geachten spreker uit X.,wiens doorwrochte redevoering ik niet heb kunnen verstaan. De heilige zaak die ik op my nam—in onzesociëteitde Gezelligheid—toen al de leden ... toen al de Kiezers my de belangen opdroegen van ons distrikt, verbindt my tot de verklaring dat ik niets toestem van wat er in die redevoering misschien stuitends of onaangenaams mocht voorkomen voor de leden der ... voor de Kiezers van myn distrikt. Ik behoud my ’t recht voor, hierop terugtekomen, zoodra ik wellichtte-eeniger-tydzal mogen vernemen wat de spreker uit X.—wien ik persoonlyk de meeste achting toedraag—eigenlyk gezegd heeft.En, myne heeren, wat de voorgestelde wet aangaat, met het oog op de heilige afspraken die ik maakte met den kruienier op ons dorp, verklaar ik plechtig, vóór die wet te zullen stemmen, zoodra de Regeering kan goedvinden het getal deravatara’svan onze geachte runderen te bepalen op drie.Myn geweten schryft me dit amendement gebiedend voor, en deconciërge—voor wien ik persoonlyk de grootste achting heb—zal iets in dien smaak deponeeren op ’t bureau.”

»Ik zou het woord niethebbengevraagd, myne heeren, dewyl de behandelde zaak geheel-en-al buiten myn werkkring ligt, wanneer ik my niet verplicht voelde ernstig te protesteeren tegen de insinuatiën die er misschien zouden kunnen gelegen hebben in de woorden van den geachten spreker uit X.,wiens doorwrochte redevoering ik niet heb kunnen verstaan. De heilige zaak die ik op my nam—in onzesociëteitde Gezelligheid—toen al de leden ... toen al de Kiezers my de belangen opdroegen van ons distrikt, verbindt my tot de verklaring dat ik niets toestem van wat er in die redevoering misschien stuitends of onaangenaams mocht voorkomen voor de leden der ... voor de Kiezers van myn distrikt. Ik behoud my ’t recht voor, hierop terugtekomen, zoodra ik wellichtte-eeniger-tydzal mogen vernemen wat de spreker uit X.—wien ik persoonlyk de meeste achting toedraag—eigenlyk gezegd heeft.

En, myne heeren, wat de voorgestelde wet aangaat, met het oog op de heilige afspraken die ik maakte met den kruienier op ons dorp, verklaar ik plechtig, vóór die wet te zullen stemmen, zoodra de Regeering kan goedvinden het getal deravatara’svan onze geachte runderen te bepalen op drie.

Myn geweten schryft me dit amendement gebiedend voor, en deconciërge—voor wien ik persoonlyk de grootste achting heb—zal iets in dien smaak deponeeren op ’t bureau.”

Anders:

»Hetgoede, myne heeren! By ons in den achterhoek—het zy gezegd zonder den minsten blaam te willen werpen op andere hoeken—by ons leven wy voor ’t goede. De voorgestelde wet is door al m’n Kiezers, wat de strekking aangaat, met genoegen vernomen. En ikzelf zou daarmede instemmen, wanneer ik niet de eer had (hier moet de spreker buigen naar de rechterzy, en naar de linkerzy, en naar ’t midden) wanneer ik niet, zoo als ik de eer had te zeggen, de eer had Lid te zyn van deze Kamer, welker leden ik allen persoonlyk de meeste achting toedraag.De zaak is deze, myne heeren!Wat zegt de wet die ons wordt voorgelegd door den tegenwoordigen minister, wien ik persoonlyk de meeste achting toedraag? Die wet zegt:»gehoord enz.»»te bepalen dat alles goed zal zyn.»En, myne heeren, de ministers moeten dat uitvoeren. Nog-eens, myne heeren, al m’n Kiezers—en zelfs de kastelein van onze sociëteit, ’n man van zaken!—al m’n kiezers keuren de strekking van die wet goed. Maar, myne heeren, ikzelf als lid van deze Kamer, welker leden ik allen persoonlyk de meeste achting toedraag, ikzelf stem tegen de redactie. Immers zoodraeens-voor-altydal ’t goedezal vastgesteld wezen, zoodra eens-vooral de ministers zullen belast zyn met de uitvoering vanalles goeds, zullen er geen latere wetten meer noodig zyn.En, myne heeren, met de hand op m’n mandaat, met het oog op den zetel des voorzitters, met den mond geopend als tot het doen eener vernietigende, verpletterende,tegen-zelfmoord-waarschuwende vraag, voel ik me verplicht u voortehouden:Waar blyvenwydan?(eenige poozen. Aandoening. Beweging. Onsteltenis en suikerwater.)Vergeeft me, myne heeren, ’t onwillekeurig afbreken myner rede. Men is Lid van de Kamer, ja, maar men is ook mensch. Ik zal voortgaan. Ik zal trachten m’n hartstochten te betoomen naar behooren. Ik zal gebruik maken van ’t voorschrift diens grooten meesters in de redeneerkunst, die den redenaar tot eersten plicht maakt niet te schreien onder ’t preeken, en ik zal u, zonder tranen, maar even bewogen als-óf ik schreide, nogmaals vragen:Waar blyven wy dan?Ja, ik vraag u, Leden van deze Kamer, die ik allen persoonlyk zoo byzonder hoogacht, wanneer eens-vooralhet goede...al het goede... niets dan’t goede, ware vastgesteld by de wet ... ik vraag het u in ’s hemels naam:Waar blyvenwydan?(Indruk. Verpoozing. Rumoer.De spreker geeft ’n teeken aan de»juffrouw”op de tribune, die hy ’n kaartje gaf onder verband van flauwvallen. Ze valt flauw. Opschudding. De»juffrouw”is weggebracht door twee knechts, voor wie ze persoonlyk de meeste achting heeft. De spreker gaat voort met wat hols in de stem).Waar blyvenwydan. Ik heb persoonlyk de meeste achting voor al de leden, maar ik durf, ja, ik moet hun ernstig en plechtig—en dezen keer zelfs kort en goed—afvragen: waar ze blyven zouden?Gy, geacht medelid uit Z ... waar zoudtgyblyven? Zou men op uw dorp genoegen scheppen in uw omgang, nadat ge hier finaal hebt afgeleerd verstaanbaar te spreken?Gy, even-geacht medelid uit Y ... denkt ge dat de opzieners uwer fabriek u zouden verstaan, begrypen, gehoorzamen, nadat ge u in deze eerbiedwaardige vergadering met zooveel succes hebt geoefend in onbegrypelykheid?Engy, nog geachter medelid uit X.—dit zy gezegd zonder de minste bedoeling om mindere achting uittedrukken voor de andere leden, die ik, ieder voor zich, nog meer acht dan ik al de andere te-zamen acht—gy, boven alles geacht lid uit X., meent ge dat uwe vrouw, die metPRUD’HOMMEuwe verkiezing den eeresabel van haar hart noemde, meent ge dat zy u by ongekozen terugkeer, zou tegenwalmen met de vrouwenziel-kenmerkende juichtonen die geschreven staan in ’t vrouwen onderdanigheid-voorschryvende artikel des burgelyken wetboeks? Meent ge dat de herboren onderdanigheid—herboren op den oogenblik uwer roemryke apothéose in deGezelligheid—meent ge dat die herboring niet zou neêrvallen, in-eenzakken, vervliegen en verdampen, zoodra ze in u omarmen moest een aan ’t strand gespoeld, gebersten, bedorven, gespleten, vergaan, geknakt, gescheurd, bemorst, kleurloos, vormloozig, onbruikbaar stuk houts, dat deel maakte van ’t verongelukte vaartuig onzes dierbaren parlements, voor welks leden ik persoonlyk de meeste achting gevoel?Meent gy geachte spreker uit X, dat de kinderen in uwe stad, en de dochteren van de arbeiders uwer stokeryen, uwer spinneryen, uwer bouwlanden en uwer branderyen: meent ge dat die allen u zullen tegemoetstroomen met zoetgalmend gejuich? Meent ge dat de turfdragers ten-uwent de paarden zullen afspannen van uw wagen, als ge ongekamerd terugkeert? Denkt ge dat de notaris en de ontvanger u ’n feest zullen aanbieden, ’n feest met schildpadsoep, met toasten en leve-de-konings, alsof gyzelf de koning waart? Denkt ge dat één boer u zal toeroepen: »gnavend samen» als-i weet dat ge door de thans voorgestelde wet zyt veroordeeld tot overbodigheid? Meent ge dat de burgemeester u de vuurtest zal reiken voor uw pyp, als die pyp in treurige kamerloosheid niet meer branden mag tot heil van ’t vaderland! Meent gy in ’t eind ... doch wat behoef ik verder te vragen, geacht lid uit X ... ik zie dat gy getroffen zyt. Ik zie dat m’n rede uit het hart is gegaan tòt het hart, en ik zal de fyngevoeligheid der vergadering—welker leden ik allen persoonlyk de meeste achting—de yselykheden sparen der schildering van ’t lot dat ons allen wacht ... wanneer de voorgestelde wet mocht tot-stand komen.Maar zeer geachte leden, het is niet destrekkingdezer wet, het is de gebrekkigeredaktiedie over ons al de ellende zou uitstrooien waarop ik nu nog slechts ter-loops gewezen heb, doch die my stof geven zou tot ’n redevoering, nog langer dan de andere ... die ge nooit kunt vergeten omdat gy ze nooit hebt gehoord.Deredactiedeugt niet, myne heeren! Al m’n kiezers zyn ’t hierover eens. En zelfs onze kastelein ... (onhoorbaar). Wel mocht al het goede wordenvastgesteld by de wet, maar, myne heeren zeer geachte medeleden, dit moet niet geschieden by ééne wet!Juicht, geachte medeleden uit X, uit Y, uit Z ... juicht! Schryft aan uwe vrouwen, boeren, arbeiders, Kiezers en medeleden van alle mogelykeGezelligheden: al het »goede» zal worden vastgesteld by de wet en tòch zal er altyd ’n parlement noodig zyn, tòch zal er, altyd-door, behoefte wezen aan nieuwe wetten.De aantooning hiervan, myne Heeren, zal me stof geven tot het tweede deel myner redevoering.(Verbazing en suikerwater).Ja, al »het goede» zal worden bepaald, vastgesteld, geschapen door de wet! Maar, zeer geachte leden, dit alles moet niet geschieden door ééne wet.De thans voorgestelde getuigt van eene onvergeeflyke, in bureau-mannen onbegrypelyke—en, ik moet dit erkennen, zeer ongewone—kortheid. Ze moet worden afgestemd, doch onder uitdrukkelyke verklaring dat de kamer zich geheel-en-al vereenigt met het principe des Ministers, voor wien de Leden der Kamer persoonlyk de meest mogelyke achting koesteren. Vervolgens behooren wy dien Minister—ditmaal onder betuiging onzer zeer byzondere achting—in overweging te geven, het “goede” te verdeelen in zooveel onderdeelen als eenigszinsmogelykis, om dan voor elk onderdeel een nieuwe op-zichzelf-staande wet ter-tafel te brengen.Ziedaar, geachte medeleden, de oplossing van het vraagstuk, hoe wy al het “goede” kunnen vaststellen by de wet, en toch altyd-door behoefteblyven houden aan nieuwe wetten, dat is: aan geachte leden van dit parlement.(Hier wenkt de spreker naar de tribune. Gejuich op de tribune.)Wat my betreft, myne heeren zeer geachte medeleden, ik wil toonen dat ik ’n man van zaken ben, ’n vyand van holle theoriën: en ’n vurig aanhanger tevens van onze gezegende grondwet, het kostbaar instrument dat aan ’n zeventigtal ingezetenen, die wellicht anders voor ’n groot deel niets zouden wezen, den schyn waarborgt dat ze iets zyn.Ja, myne heeren, dit wil ik u toonen. Ofschoon ik eigenlyk kapitalist van beroep, en dus niet gewoon ben my intelaten met het oplossen van moeielyke vraagstukken, heb ik den weinigen tyd dien myn bedryvige werkkring my overlaat, benuttigd om ’n twintigtal wetten uittedenken, die allen het “goede” bevorderen, wat zeg ik, die het “goede” vaststellen. ’t Spreekt vanzelf, myne heeren, dat er nog meer te maken zyn ... dit is ’t voornaamste! Schryft gerust naar huis, dat het onderwerp niet Kamer-vernietigend uitgeput is. Volstrekt niet! Onze kastelein ...(Hier behoort de spreker te hoesten. Hy haalt ’n rol uit den zak en leest:)Eerste wet.Alle jonge dochters zullen, te beginnen met ... gy begrypt toch myne heeren, dat de tyd van ingang afhangt van ’t oogenblik waarop de wet behandeld wordt? Ook verzoek ik verschoond te mogen blyven van de herhaling der clausule dat de Ministers zullen zorg-dragen voor de uitvoering. Eens-voor-altyd, de ministers voeren alles uit. Alle jonge dochters dan, zullen voortaan zachtmoedigzyn, geduldig, inschikkelyk, tevreden en schoon.Nota van toelichting.Ik heb er niet tegen, deze wet te splitsen in zooveel deelen als er deugden kunnen bedacht worden. Mocht men overigens nog bovendien verkiezen afzonderlyke wetten te maken voor de blonde, voor de bruine, voor de onzekerharige, ’t is my wel. Nog ’n andere, zeer nuttige splitsing is mogelyk. Men kan de meisjes verdeelen naar provinciën, naar steden, dorpen, gehuchten, huisgezinnen, naar geboorte-dagen of uren, naar hebbelykheden of godsdienstige en andere meeningen, jazelfs men zou elke jonkvrouw tot het onderwerp kunnen maken van zooveel wetten als er hoedanigheden bestaan. Ik gis, maar hiervan ben ik niet zeker, dat die hoedanigheden, nog zouden kunnen worden gesplitst in onder-hoedanigheden. Hoe dit zy, men ziet dat myn denkbeeld over de verdeeling van “het goede” onuitputtelyk vruchtbaar is. Ik verzoek de heeren dit naar huis teschryven.Tweede wet.Er zal geen hagel vallen zoolang ’t gewas op het veld staat.Nota van toelichting.Men kan hiervan ’n boekweitwet maken, ’n tarwewet, ’n roggewet, ’n haverwet, enz. En, na ’t aangegeven idee over de splitsing van de jonkvrouwelyke deugden, vermeen ik hier, even als by de volgende wetten, eens-vooral de opmerking te mogen achterwege laten, hoeveel duizende wetten er te maken vallen uit elke wet die ik voorstel.Derde wet.Niemand zal z’n been breken.Vierde wet.Bankroeten zyn afgeschaft.Vyfde wet.Al de leden van de Tweede Kamer zullen bekwaam zyn, en verstaanbaar spreken.Zesde wet.Alle verkeerde begrippen worden ingetrokken.Zevende wet.Ieder inwoner van den Staat zal behoorlyk gevoed worden.Achtste wet.Er zal geen inbraak plaats hebben by diefstal.Negende wet.Alle landeryen worden vergroot.Tiende wet.Elke ingezetene zal voortaan juist zoo denken als de Ministers die den Staat regeeren.Elfde wet.Een gouverneur-generaal in Indië, zal Engelsch verstaan om Pope te kunnen lezen.Twaalfde wet.Kostschoolkinderen, militairen en gouvernements-arbeidslui zullen zich ontdoen van alle begeerte naar voedsel.Dertiende wet.Er wordt voortaan niet geonweêrd voor twaalf uren in den nacht, (middelbare tyd.)Veertiende wet.Alle ziekten die onaangenaam zyn voor de patiënten worden ingetrokken.Vyftiende wet.Geen jeugdig Nederlander zal onbekwaam en lummelig zyn.Zestiende wet.Geen bejaard Nederlander zal onbekwaam wezen, en saai.Zeventiende wet.Er zullen dertien witte boonen groeien in één snyboon.Achttiende wet.Men zal voor weinig geld zich even veel gemakken aanschaffen, als voor veel geld.Negentiende wet.Alle visch uit de Indische zee zal in Holland te verkrygen zyn om-niet.Nota van toelichting.Deze wet heb ik van ’n vriend die hoogleeraar is in de protéïne.Twintigste wet.De Javaan zal arbeiden uit vryen wil.Maar dit is domheid, dwaasheid, onzin, krankzinnigheid ennonsens!Juist, dat isNONSENS.Wat te bewyzenwas alweer ... geachte hoorders!Vrywillige arbeid is wenschelyk.Het is even ongerymd te redeneeren, te discussieeren, te parlementeeren over—onverschillig vóór of tegen—zulk ’n wet.(Duitenplatery).Ik meen u gebracht te hebben tot de erkentenis van deze waarheden, en alweder moet ik u verzoeken dit eens vooral te mogen constateeren, opdat ik dáárop althans niet zal moeten terugkomen.Om verschooning te verdienen, of juister om u te doen inziendàt ik verschooning verdien voor desoortvan bewysvoering door my toegepast op de stellingen, die ik alzoo de vryheid neem met dagbladschryvers-lankdradigheid vooroptestellen, voel ik my verplicht, vóór ik mag overgaan tot het derde deel dezer verhandeling, u ’n kleine geschiedenis te verhalen, die nooit gebeurd is.In zeker land heerschte beweging, onrust, tweespalt...agitatie. Er bestond ’n verschil van gevoelen, dat zeer diep ingreep in alle mogelyke “eerste beginselen”. Vaders haatten en onterfden hun zoons. Vrouwen verlieten hun echtgenooten. Winkeliers, hun toonbank en geldlâ... neen, zóóver ging de agitatie niet, maar ze ging toch héél ver.Omdat dezeagitatienadeelig werkte op den loop der zaken—zoo-alsalleagitatiën—werden er zeventig wyze lieden benoemd—septuaginta, ’n omineus getal!—zeventig wyzen alzoo, met witte haren en overvloeiende van persoonlyke geachtheid om de zaak die ’t volk zoo agiteerde, tot klaarheid te brengen.Die wyzen dachten diep na, en spraken veel. Zy spraken veel, en dachten soms zeer diep na. Eenigen hunner spraken veel, zonder zoo heel diep natedenken. Ook waren er die spraken zonder nadenken in ’t geheel.En onder hen die spraken, waren er die verstaan werden van-tyd tot-tyd.Maar onder de sprekers die verstaan werden, werd er geen enkele begrepen.Ik laat nu daar, of ze nietwildenbegrepen worden, d.i. of men zich in ’t land waarvan ik spreek, toelegde opduitenplatery. Maar zeker is ’t dat het volk, na lang getwist, na veel gespreks, even wys bleef als te-voren.Vaders hielden zich onophoudelyk bezig met onterven hunner zoons. Vrouwen gingen voort haar mannen te verlaten. Winkeliers ... neen, zóóver ging de agitatie niet, maar toch altyd-door, heel ver.En de wyzen werden hoe langer hoe witter van haren. En hunne persoonlyke achtenswaardigheid werd gedurig achtenswaardiger en persoonlyker. En ze spraken ... ze spraken ... Maar de agitatie duurde voort. Het volk werd niet wyzer. De vaders ... ge weet de rest.De deftigheid derseptuagintaklom tot hoogen ernst.Hun ernst werd plechtig.De plechtigheid ging over in ’t aandoenlyke.’t Volk was dan ook aangedaan. Maar het was dit door dezeer onprettige gewaarwording die men agitatie noemt, en geenszins door de meer gewenschte aandoening der erkentelykheid voor bekomen licht in de duisternis.En de vaders... ja, dit weet gy al.Metverfoeielyketuchteloosheid heb ik verzuimd u meetedeelen, waarin dan toch het verschilpunt gelegen was. Ziehier. De vraag die ’t volk agiteerde, die de zoons onterfde, die de vrouwen afdreef van de mannen, die de winkeliers ... neen, de winkeliers niet. De vraag die deseptuagintazoo bezighield—met behoud van persoonlyke achting—de vraag was deze:“heeft de heiligeDionysius,na z’n dood, gewandeld met z’n hoofd onder den rechter-arm of onder den linker-arm?Toen kwam er ’n eenvoudig man in ’t land, die geen witte haren had, en persoonlyk volstrekt niet geacht was, waaruit men met het oog op ’t gehalte van al die andere achting, zou mogen besluiten... nu, dit doet er niet toe. Hy zeide tot het volk: “Lieve menschen,Dionysiusheeft na z’n doodnietgewandeld. Hy heeft z’n hoofdnietonder den arm genomen, noch onder den linker-arm, noch onder den rechterarm.5Het volk gooide dien man met vuil. Dit spreekt vanzelf. Ook deonterfdezonen gooiden meê. Ze hadden dit niet moeten doen,zyvoóral niet. En ziet, de verzoeking om met vuil te werpen, werd zelfs den winkeliers te sterk. Ditmaal verlieten ze voor ’n oogenblik geldlâ en toonbank.Maar de man die nietpersoonlykgeacht was en geen witte haren had, bedacht een middel om een eind te maken aan de nuttelooze agitatie van ’t volk, en aan de even nuttelooze—onverstane en onbegrepen—deftigheid derseptuaginta. Hy nam een stoel ging er op staan, en sprak:“Hoort, burgers, hoort het woord dat tot u gesproken wordt over, en wel dóór den heiligenDionysius. Hy is my verschenen in den droom, en heeft me verzocht u allen te groeten. Hy laat u zeer bedanken voor uwen yver in de rechter-linkerkwestie. Doch die goede heilige wil niet dat gy te ver zoudt gaan in uw vurig streven naar waarheid, en dat ge ’t offer worden zoudt van uw onleschbaren dorst naar gerechtigheid. Daarom, o edele vaders,onterfdezonen, weggeloopen vrouwen, en wat dies meer zy, hoort wat de heilige man my gezegd heeft, en maakt terstond ’n eind aan uw agitatie:Ter voorkoming van na-yver tusschen zyne beide armen, heeft de onvolprezenDionysiusna z’n onthoofding, z’n lichaam tusschen de tanden genomen, en zóó is-i voortgewandeld!”’t Volk juichte. De redenaar werd bekranst. Ieder was tevreden. Ieder ... behalve de Septuaginters die ietwat verloren hadden van hun gewicht, hun aanzien en hunne persoonlyke geachtheid ...Ofgynu, zeer geachte hoorders, juichen zult, en my bekransen, nadat ik u in de twee eerste deelen myner rede het bespottelyke heb onder ’t oog gebracht van uwrechter-linkerkwestie, weet ik niet. Ik twyfel daaraan omdat ik weinigreden heb staat te maken op uwe rechtvaardigheid. De vertelling overDionysiushad geenszins ten-doel u toejuiching of kransen aftelokken voorzotternyen, nadat ge my die toejuiching hadt ontzegd voor al den ernst dien ik u gaf. Ik wapen me slechts tegen de beschuldiging dat ik m’n toon zoek ...Ziehier: (Havelaarpag. zooveel.)«Vervloekt dat verontwaardiging en droefheid zoo vaak zich kleeden in ’t lappenpak van de satire! Vervloekt dat ’n traan, om begrepen te worden, moet verzeld gaan van gegryns! Of is ’t de schuld myner onbedrevenheid, dat ik geen woorden vind om de diepte te peilen van de wonde die er kankert aan ons staatsbestuur, zonder m’n styl te zoeken byFigaroofPolichinel?Styl... Ja! Daar liggen stukken vóór my, waarin styl is. Styl die aantoonde dat er ’nmenschin de buurt was, een mensch wien ’t de moeite waard geweest ware de hand te reiken. En wat heeft die styl den armenHavelaargebaat?Hyvertaalde z’n tranen niet in gegryns, hy spotte niet, hy zocht niet te treffen door bontheid van kleur, of door grappen van den uitroeper voor de kermistent. En wat heeft het hem gebaat?.............................................................................................................................................................................................................................................................................................................................Weg met gemoedelyke taal! Weg met zachtheid, rondborstigheid, duidelykheid, eenvoud, gevoel! Weg met al wat herinnert aanHoratius,justum ac tenacem! Trompetten hier, en scherp gekletter van bekkenslag, en gesis van vuurpylen, gekras van valsche snaren, en hier-en-daar ’n waar woord, dat het meê insluipe als verboden waar, onder bedekking van zooveel getrommel en zooveel gefluit.Styl!Hyhad styl!En wat heeft het hem gebaat?Als ik dus wil worden gehoord—en verstaan vooral—moet ikandersschryven dan hy!»Ja, dan moet ik anders schryven, zeer geachte hoorders! Enanders spreken ook. Hieraan hebt gy die treffende historie vanDionysiuste danken. Vermaakt er u meê.En nu, dunkt me, kan ik overgaan tot het derde gedeelte myner preek, waarin ik eenige beschouwingen wensch medetedeelen ...Naar den duivel met die preêk en die beschouwingen in ’n derde-deelig lystje! Naar den duivel met uw gareel waarin ’k niet loopen wil, gy die geen paard begrypt zonder juk, geen leest zonder keurslyf, geen taal zonder spraakkunst, en geen waarheid zonder peperhuis, waarin ze ligt opgerold, toegevouwen, platgedrukt, inééngefrommeld, als ’n theater-affiche van den vorigen keer!Naar den duivel met uw schoolmeestery, gy die meent dat schryven of spreken iets anders is dan ’t weergeven van de indrukken der ziel! Gy die dáárom van de ziel ’ntalenthebt gemaakt, omuwaangeleerd, verschoold talent voorzielte doen doorgaan, en alzoo dat talent te maken tot grondstof van ’n beroep “dat wat gééft!”Voort ... terug naar de schoolbank, gy meesters in dingen die men niet leert, gy volleerden in zaken die ge hadt moetenvoelen, vóór gy iets leerdet! Weg, preêkers, babbelaars, redevoeringhouërs, preek- praat- redeneer- vertoog- pleit- verhandelkranen,à raisonvan zooveel woorden in ’t uur, van zooveel centen ’t woord! Weg handelaars in de waarheid, tegen honderd liters in de minuut. Debitanten en splitsers van gevoel in volzinnen groot en klein, by den emmer en by ’t maatje ...Gyhebt het Volk bedorven! Gy, schriftgeleerdengy,gy,gy...Gy, met uw gepraat over dingen die vanzelf spreken. Gy, met uw gepraat over dingen die in ’t geheel niet spreken. Gy, met uw rechterzy en uw linkerzy. Gy met uw behoud en uw liberalisme. Gy, met uw “eerste beginselen” die onmisbare bondgenooten van elke beginselloosheid. Gy, met uw deftigheid en witharige wysheid. Gy, met uw duitenplatery, dat is: gy met uwbedrog...GYhebt het Volk bedorven!En ge huist, als vuil ongedierte, niet alleen in de plooien van de “toga der Volksvertegenwoordigers—ge nestelt overal waar ge kunt plaats vinden tusschen naad of vouw der bedekking van de een-of-andere deftigheid. Gy, sprekers, praters, schryvers, redenaars, preêkers ...AAN DEN UITGEVER.Waarded’Ablaing!Neen, er zal niet gezegd worden dat niemand beproefde denvloek te bezweren die er rust op het Volk. ’t Zal niet gezegd worden dat niemand de ziekte aantastte, de rottende ziekte waaraan dat Volk lydt: deLEUGEN.Ik zal doen wat ik kan.Ik verzoek u de uitgaaf op u te nemen van ’n werk dat ik zooeven bedacht heb. Ik zal u elke week ’n vel druks leveren. Ja, als ik ’n kamer heb waar ik rustig zitten kan, twee vellen in de week. Ik verbindmyvoorloopig tot schryven van zes-en-twintig vellen, dat is dus—als ik geen goede kamer heb—voor ’n half jaar.Geef dat uit naar uw goeddunken. By inteekening, zonder inteekening ... voor veel geld, voor weinig geld ... het scheelt my niet.Ik zal in dat schryven trachten naarwaarheid.Dit is m’n program. Dit is m’n eenig program.Ik zal geven:verhalen, vertellingen, geschiedenissen, parabelen, opmerkingen, herinneringen, romans, voorspellingen, mededeelingen, paradoxen ...Ik hoop dat er ’n idee zal liggen in elk verhaal, in elke mededeeling, in elke opmerking.Noem dus m’n werk:Ideën.Anders niet.Enschryfer boven:“een zaaier ging uit om te zaaien.”Kondig het terstond aan. Dat werk zal de vaan wezen die ik ophef en hooghoud:parceque suivre bannière ne peux!Ja, dat zal ik doen. En nu de vrye arbeid!Ik zou u op schoolsche gronden kunnen betoogen, lezer, dat de zysprong dien ik my zoo-even veroorloofde, volstrekt noodig was in myn bewysvoering. En ik, die zoo op-eenmaal den weg verliet, waarop wy te zamen wandelden, begin intezien dat ik waarachtig meer talent bezit dan ikzelf wist. Let eens goed op, ik zal u een kykje gunnen achter de schermen.Toen ik ’n paar bladzyden geleden, denHavelaaropsloeg, om de passage uitteschryven, waarin ik my beklaag over de ellendige noodzakelykheid om u grappen te verkoopen, wyl ge anders niet zoudt luisteren, werd ik innig bedroefd. Want ik las daar ... ik las ... ik las ...Alles kwam my zoo voor den geest terug! Ik riep gedurig: myn god, het is toch wáár wat ik daar schreef! ’t Is toch wáár dat ik daar m’n plicht deed in levensgevaar. ’t Is tochwáárdat ik arm en onmachtig vanLebakvertrok met vrouw en kind! ’t Is toch wáár, dat ik sedert dien tyd niet heb opgehoudenbitter te lyden om ’t vervullen van m’n plicht! ’t Is toch wáár dat we alles hebben gedragen met geduld, met waardigheid en met moed ...Dat alles is toch de waarheid, o myn God!En ’t staat toch geschreven in dat boek. En al staat daarin nietallesgeschreven, omdat alles niet geschreven worden kàn, er staat toch genoeg in dat boek, om te doen begrypen ook wat ik niet schreef ...En dat boek was “zoo mooi” zeiden ze. En ze lazen dat zoo gretig, met zooveel ingenomenheid, en zoo overal!En toch... toch... toch is er geen recht gedaan! Tòch ben ik even ver alsof m’n boek niet “mooi” was geweest! Even ver als-of er niet zooveel tranen waren gevallen op dat handschrift...Toen ben ik verdrietig en bitter geworden.En ik zocht de oorzaak die ’t rechtdoen in myn zaak in den weg staat, en ik vond die in de ziekte waaraan ge lydt, Nederlanders, ik vond die in uw rottende ziekte, in...leugen.Immers, ik heb u waarheid gezegd, en gylieden hebt niet gehoord.En dagelyks verkondigt men u leugens, en ge luistert.Dááróm ben ik op-eenmaal ter-zy gesprongen, en legde m’n vloekbrief neêr voor de woning dergenen die u bedriegen. Dáárom spykerde ik in ’t voorbygaan de konde myner vete aan de poort van de roofridders die op geestelyk gebied uw gemoed prysverklaren, en hun hoogheid ophouden door diefstal.In de middeleeuwen nam men ’t Volk geld en goed af. Dat heette adel in die dagen.Hoe hooger het roofslot, hoe onbereikbaarder de dief... hoe hooger adel.Thans neemt men u de waarheid af. En dit heet geleerdheid, staatkunde, godsdienst, bekwaamheid, in deze dagen.En hoe hooger de preêkstoel, hoe verhevener de katheder, hoe deftiger ’t gestoelte... hoe meer geleerdheid, hoe meer godsdienst, hoe meer zedelykheid, hoe meer invloed, hoe meer gezag, hoe meer bederf!Toen de boeren der middeleeuwen te-hoop liepen, bleek er spoedig dat de ridders de sterksten niet waren, en dat ze alleen den meester spelen konden, zoolang de goê-gemeente vergat dat er verzet mogelyk was.

»Hetgoede, myne heeren! By ons in den achterhoek—het zy gezegd zonder den minsten blaam te willen werpen op andere hoeken—by ons leven wy voor ’t goede. De voorgestelde wet is door al m’n Kiezers, wat de strekking aangaat, met genoegen vernomen. En ikzelf zou daarmede instemmen, wanneer ik niet de eer had (hier moet de spreker buigen naar de rechterzy, en naar de linkerzy, en naar ’t midden) wanneer ik niet, zoo als ik de eer had te zeggen, de eer had Lid te zyn van deze Kamer, welker leden ik allen persoonlyk de meeste achting toedraag.

De zaak is deze, myne heeren!

Wat zegt de wet die ons wordt voorgelegd door den tegenwoordigen minister, wien ik persoonlyk de meeste achting toedraag? Die wet zegt:

»gehoord enz.»»te bepalen dat alles goed zal zyn.»

»gehoord enz.»»te bepalen dat alles goed zal zyn.»

En, myne heeren, de ministers moeten dat uitvoeren. Nog-eens, myne heeren, al m’n Kiezers—en zelfs de kastelein van onze sociëteit, ’n man van zaken!—al m’n kiezers keuren de strekking van die wet goed. Maar, myne heeren, ikzelf als lid van deze Kamer, welker leden ik allen persoonlyk de meeste achting toedraag, ikzelf stem tegen de redactie. Immers zoodraeens-voor-altydal ’t goedezal vastgesteld wezen, zoodra eens-vooral de ministers zullen belast zyn met de uitvoering vanalles goeds, zullen er geen latere wetten meer noodig zyn.En, myne heeren, met de hand op m’n mandaat, met het oog op den zetel des voorzitters, met den mond geopend als tot het doen eener vernietigende, verpletterende,tegen-zelfmoord-waarschuwende vraag, voel ik me verplicht u voortehouden:

Waar blyvenwydan?

(eenige poozen. Aandoening. Beweging. Onsteltenis en suikerwater.)

(eenige poozen. Aandoening. Beweging. Onsteltenis en suikerwater.)

Vergeeft me, myne heeren, ’t onwillekeurig afbreken myner rede. Men is Lid van de Kamer, ja, maar men is ook mensch. Ik zal voortgaan. Ik zal trachten m’n hartstochten te betoomen naar behooren. Ik zal gebruik maken van ’t voorschrift diens grooten meesters in de redeneerkunst, die den redenaar tot eersten plicht maakt niet te schreien onder ’t preeken, en ik zal u, zonder tranen, maar even bewogen als-óf ik schreide, nogmaals vragen:

Waar blyven wy dan?

Ja, ik vraag u, Leden van deze Kamer, die ik allen persoonlyk zoo byzonder hoogacht, wanneer eens-vooralhet goede...al het goede... niets dan’t goede, ware vastgesteld by de wet ... ik vraag het u in ’s hemels naam:

Waar blyvenwydan?

(Indruk. Verpoozing. Rumoer.De spreker geeft ’n teeken aan de»juffrouw”op de tribune, die hy ’n kaartje gaf onder verband van flauwvallen. Ze valt flauw. Opschudding. De»juffrouw”is weggebracht door twee knechts, voor wie ze persoonlyk de meeste achting heeft. De spreker gaat voort met wat hols in de stem).

Waar blyvenwydan. Ik heb persoonlyk de meeste achting voor al de leden, maar ik durf, ja, ik moet hun ernstig en plechtig—en dezen keer zelfs kort en goed—afvragen: waar ze blyven zouden?

Gy, geacht medelid uit Z ... waar zoudtgyblyven? Zou men op uw dorp genoegen scheppen in uw omgang, nadat ge hier finaal hebt afgeleerd verstaanbaar te spreken?

Gy, even-geacht medelid uit Y ... denkt ge dat de opzieners uwer fabriek u zouden verstaan, begrypen, gehoorzamen, nadat ge u in deze eerbiedwaardige vergadering met zooveel succes hebt geoefend in onbegrypelykheid?

Engy, nog geachter medelid uit X.—dit zy gezegd zonder de minste bedoeling om mindere achting uittedrukken voor de andere leden, die ik, ieder voor zich, nog meer acht dan ik al de andere te-zamen acht—gy, boven alles geacht lid uit X., meent ge dat uwe vrouw, die metPRUD’HOMMEuwe verkiezing den eeresabel van haar hart noemde, meent ge dat zy u by ongekozen terugkeer, zou tegenwalmen met de vrouwenziel-kenmerkende juichtonen die geschreven staan in ’t vrouwen onderdanigheid-voorschryvende artikel des burgelyken wetboeks? Meent ge dat de herboren onderdanigheid—herboren op den oogenblik uwer roemryke apothéose in deGezelligheid—meent ge dat die herboring niet zou neêrvallen, in-eenzakken, vervliegen en verdampen, zoodra ze in u omarmen moest een aan ’t strand gespoeld, gebersten, bedorven, gespleten, vergaan, geknakt, gescheurd, bemorst, kleurloos, vormloozig, onbruikbaar stuk houts, dat deel maakte van ’t verongelukte vaartuig onzes dierbaren parlements, voor welks leden ik persoonlyk de meeste achting gevoel?

Meent gy geachte spreker uit X, dat de kinderen in uwe stad, en de dochteren van de arbeiders uwer stokeryen, uwer spinneryen, uwer bouwlanden en uwer branderyen: meent ge dat die allen u zullen tegemoetstroomen met zoetgalmend gejuich? Meent ge dat de turfdragers ten-uwent de paarden zullen afspannen van uw wagen, als ge ongekamerd terugkeert? Denkt ge dat de notaris en de ontvanger u ’n feest zullen aanbieden, ’n feest met schildpadsoep, met toasten en leve-de-konings, alsof gyzelf de koning waart? Denkt ge dat één boer u zal toeroepen: »gnavend samen» als-i weet dat ge door de thans voorgestelde wet zyt veroordeeld tot overbodigheid? Meent ge dat de burgemeester u de vuurtest zal reiken voor uw pyp, als die pyp in treurige kamerloosheid niet meer branden mag tot heil van ’t vaderland! Meent gy in ’t eind ... doch wat behoef ik verder te vragen, geacht lid uit X ... ik zie dat gy getroffen zyt. Ik zie dat m’n rede uit het hart is gegaan tòt het hart, en ik zal de fyngevoeligheid der vergadering—welker leden ik allen persoonlyk de meeste achting—de yselykheden sparen der schildering van ’t lot dat ons allen wacht ... wanneer de voorgestelde wet mocht tot-stand komen.

Maar zeer geachte leden, het is niet destrekkingdezer wet, het is de gebrekkigeredaktiedie over ons al de ellende zou uitstrooien waarop ik nu nog slechts ter-loops gewezen heb, doch die my stof geven zou tot ’n redevoering, nog langer dan de andere ... die ge nooit kunt vergeten omdat gy ze nooit hebt gehoord.

Deredactiedeugt niet, myne heeren! Al m’n kiezers zyn ’t hierover eens. En zelfs onze kastelein ... (onhoorbaar). Wel mocht al het goede wordenvastgesteld by de wet, maar, myne heeren zeer geachte medeleden, dit moet niet geschieden by ééne wet!

Juicht, geachte medeleden uit X, uit Y, uit Z ... juicht! Schryft aan uwe vrouwen, boeren, arbeiders, Kiezers en medeleden van alle mogelykeGezelligheden: al het »goede» zal worden vastgesteld by de wet en tòch zal er altyd ’n parlement noodig zyn, tòch zal er, altyd-door, behoefte wezen aan nieuwe wetten.

De aantooning hiervan, myne Heeren, zal me stof geven tot het tweede deel myner redevoering.

(Verbazing en suikerwater).

(Verbazing en suikerwater).

Ja, al »het goede» zal worden bepaald, vastgesteld, geschapen door de wet! Maar, zeer geachte leden, dit alles moet niet geschieden door ééne wet.

De thans voorgestelde getuigt van eene onvergeeflyke, in bureau-mannen onbegrypelyke—en, ik moet dit erkennen, zeer ongewone—kortheid. Ze moet worden afgestemd, doch onder uitdrukkelyke verklaring dat de kamer zich geheel-en-al vereenigt met het principe des Ministers, voor wien de Leden der Kamer persoonlyk de meest mogelyke achting koesteren. Vervolgens behooren wy dien Minister—ditmaal onder betuiging onzer zeer byzondere achting—in overweging te geven, het “goede” te verdeelen in zooveel onderdeelen als eenigszinsmogelykis, om dan voor elk onderdeel een nieuwe op-zichzelf-staande wet ter-tafel te brengen.

Ziedaar, geachte medeleden, de oplossing van het vraagstuk, hoe wy al het “goede” kunnen vaststellen by de wet, en toch altyd-door behoefteblyven houden aan nieuwe wetten, dat is: aan geachte leden van dit parlement.

(Hier wenkt de spreker naar de tribune. Gejuich op de tribune.)

(Hier wenkt de spreker naar de tribune. Gejuich op de tribune.)

Wat my betreft, myne heeren zeer geachte medeleden, ik wil toonen dat ik ’n man van zaken ben, ’n vyand van holle theoriën: en ’n vurig aanhanger tevens van onze gezegende grondwet, het kostbaar instrument dat aan ’n zeventigtal ingezetenen, die wellicht anders voor ’n groot deel niets zouden wezen, den schyn waarborgt dat ze iets zyn.

Ja, myne heeren, dit wil ik u toonen. Ofschoon ik eigenlyk kapitalist van beroep, en dus niet gewoon ben my intelaten met het oplossen van moeielyke vraagstukken, heb ik den weinigen tyd dien myn bedryvige werkkring my overlaat, benuttigd om ’n twintigtal wetten uittedenken, die allen het “goede” bevorderen, wat zeg ik, die het “goede” vaststellen. ’t Spreekt vanzelf, myne heeren, dat er nog meer te maken zyn ... dit is ’t voornaamste! Schryft gerust naar huis, dat het onderwerp niet Kamer-vernietigend uitgeput is. Volstrekt niet! Onze kastelein ...

(Hier behoort de spreker te hoesten. Hy haalt ’n rol uit den zak en leest:)

(Hier behoort de spreker te hoesten. Hy haalt ’n rol uit den zak en leest:)

Eerste wet.Alle jonge dochters zullen, te beginnen met ... gy begrypt toch myne heeren, dat de tyd van ingang afhangt van ’t oogenblik waarop de wet behandeld wordt? Ook verzoek ik verschoond te mogen blyven van de herhaling der clausule dat de Ministers zullen zorg-dragen voor de uitvoering. Eens-voor-altyd, de ministers voeren alles uit. Alle jonge dochters dan, zullen voortaan zachtmoedigzyn, geduldig, inschikkelyk, tevreden en schoon.

Nota van toelichting.Ik heb er niet tegen, deze wet te splitsen in zooveel deelen als er deugden kunnen bedacht worden. Mocht men overigens nog bovendien verkiezen afzonderlyke wetten te maken voor de blonde, voor de bruine, voor de onzekerharige, ’t is my wel. Nog ’n andere, zeer nuttige splitsing is mogelyk. Men kan de meisjes verdeelen naar provinciën, naar steden, dorpen, gehuchten, huisgezinnen, naar geboorte-dagen of uren, naar hebbelykheden of godsdienstige en andere meeningen, jazelfs men zou elke jonkvrouw tot het onderwerp kunnen maken van zooveel wetten als er hoedanigheden bestaan. Ik gis, maar hiervan ben ik niet zeker, dat die hoedanigheden, nog zouden kunnen worden gesplitst in onder-hoedanigheden. Hoe dit zy, men ziet dat myn denkbeeld over de verdeeling van “het goede” onuitputtelyk vruchtbaar is. Ik verzoek de heeren dit naar huis teschryven.

Nota van toelichting.Ik heb er niet tegen, deze wet te splitsen in zooveel deelen als er deugden kunnen bedacht worden. Mocht men overigens nog bovendien verkiezen afzonderlyke wetten te maken voor de blonde, voor de bruine, voor de onzekerharige, ’t is my wel. Nog ’n andere, zeer nuttige splitsing is mogelyk. Men kan de meisjes verdeelen naar provinciën, naar steden, dorpen, gehuchten, huisgezinnen, naar geboorte-dagen of uren, naar hebbelykheden of godsdienstige en andere meeningen, jazelfs men zou elke jonkvrouw tot het onderwerp kunnen maken van zooveel wetten als er hoedanigheden bestaan. Ik gis, maar hiervan ben ik niet zeker, dat die hoedanigheden, nog zouden kunnen worden gesplitst in onder-hoedanigheden. Hoe dit zy, men ziet dat myn denkbeeld over de verdeeling van “het goede” onuitputtelyk vruchtbaar is. Ik verzoek de heeren dit naar huis teschryven.

Tweede wet.Er zal geen hagel vallen zoolang ’t gewas op het veld staat.

Nota van toelichting.Men kan hiervan ’n boekweitwet maken, ’n tarwewet, ’n roggewet, ’n haverwet, enz. En, na ’t aangegeven idee over de splitsing van de jonkvrouwelyke deugden, vermeen ik hier, even als by de volgende wetten, eens-vooral de opmerking te mogen achterwege laten, hoeveel duizende wetten er te maken vallen uit elke wet die ik voorstel.

Nota van toelichting.Men kan hiervan ’n boekweitwet maken, ’n tarwewet, ’n roggewet, ’n haverwet, enz. En, na ’t aangegeven idee over de splitsing van de jonkvrouwelyke deugden, vermeen ik hier, even als by de volgende wetten, eens-vooral de opmerking te mogen achterwege laten, hoeveel duizende wetten er te maken vallen uit elke wet die ik voorstel.

Derde wet.Niemand zal z’n been breken.

Vierde wet.Bankroeten zyn afgeschaft.

Vyfde wet.Al de leden van de Tweede Kamer zullen bekwaam zyn, en verstaanbaar spreken.

Zesde wet.Alle verkeerde begrippen worden ingetrokken.

Zevende wet.Ieder inwoner van den Staat zal behoorlyk gevoed worden.

Achtste wet.Er zal geen inbraak plaats hebben by diefstal.

Negende wet.Alle landeryen worden vergroot.

Tiende wet.Elke ingezetene zal voortaan juist zoo denken als de Ministers die den Staat regeeren.

Elfde wet.Een gouverneur-generaal in Indië, zal Engelsch verstaan om Pope te kunnen lezen.

Twaalfde wet.Kostschoolkinderen, militairen en gouvernements-arbeidslui zullen zich ontdoen van alle begeerte naar voedsel.

Dertiende wet.Er wordt voortaan niet geonweêrd voor twaalf uren in den nacht, (middelbare tyd.)

Veertiende wet.Alle ziekten die onaangenaam zyn voor de patiënten worden ingetrokken.

Vyftiende wet.Geen jeugdig Nederlander zal onbekwaam en lummelig zyn.

Zestiende wet.Geen bejaard Nederlander zal onbekwaam wezen, en saai.

Zeventiende wet.Er zullen dertien witte boonen groeien in één snyboon.

Achttiende wet.Men zal voor weinig geld zich even veel gemakken aanschaffen, als voor veel geld.

Negentiende wet.Alle visch uit de Indische zee zal in Holland te verkrygen zyn om-niet.

Nota van toelichting.Deze wet heb ik van ’n vriend die hoogleeraar is in de protéïne.

Nota van toelichting.Deze wet heb ik van ’n vriend die hoogleeraar is in de protéïne.

Twintigste wet.De Javaan zal arbeiden uit vryen wil.

Maar dit is domheid, dwaasheid, onzin, krankzinnigheid ennonsens!

Juist, dat isNONSENS.

Wat te bewyzenwas alweer ... geachte hoorders!

Vrywillige arbeid is wenschelyk.

Het is even ongerymd te redeneeren, te discussieeren, te parlementeeren over—onverschillig vóór of tegen—zulk ’n wet.(Duitenplatery).

Ik meen u gebracht te hebben tot de erkentenis van deze waarheden, en alweder moet ik u verzoeken dit eens vooral te mogen constateeren, opdat ik dáárop althans niet zal moeten terugkomen.

Om verschooning te verdienen, of juister om u te doen inziendàt ik verschooning verdien voor desoortvan bewysvoering door my toegepast op de stellingen, die ik alzoo de vryheid neem met dagbladschryvers-lankdradigheid vooroptestellen, voel ik my verplicht, vóór ik mag overgaan tot het derde deel dezer verhandeling, u ’n kleine geschiedenis te verhalen, die nooit gebeurd is.

In zeker land heerschte beweging, onrust, tweespalt...agitatie. Er bestond ’n verschil van gevoelen, dat zeer diep ingreep in alle mogelyke “eerste beginselen”. Vaders haatten en onterfden hun zoons. Vrouwen verlieten hun echtgenooten. Winkeliers, hun toonbank en geldlâ... neen, zóóver ging de agitatie niet, maar ze ging toch héél ver.

Omdat dezeagitatienadeelig werkte op den loop der zaken—zoo-alsalleagitatiën—werden er zeventig wyze lieden benoemd—septuaginta, ’n omineus getal!—zeventig wyzen alzoo, met witte haren en overvloeiende van persoonlyke geachtheid om de zaak die ’t volk zoo agiteerde, tot klaarheid te brengen.

Die wyzen dachten diep na, en spraken veel. Zy spraken veel, en dachten soms zeer diep na. Eenigen hunner spraken veel, zonder zoo heel diep natedenken. Ook waren er die spraken zonder nadenken in ’t geheel.

En onder hen die spraken, waren er die verstaan werden van-tyd tot-tyd.

Maar onder de sprekers die verstaan werden, werd er geen enkele begrepen.

Ik laat nu daar, of ze nietwildenbegrepen worden, d.i. of men zich in ’t land waarvan ik spreek, toelegde opduitenplatery. Maar zeker is ’t dat het volk, na lang getwist, na veel gespreks, even wys bleef als te-voren.

Vaders hielden zich onophoudelyk bezig met onterven hunner zoons. Vrouwen gingen voort haar mannen te verlaten. Winkeliers ... neen, zóóver ging de agitatie niet, maar toch altyd-door, heel ver.

En de wyzen werden hoe langer hoe witter van haren. En hunne persoonlyke achtenswaardigheid werd gedurig achtenswaardiger en persoonlyker. En ze spraken ... ze spraken ... Maar de agitatie duurde voort. Het volk werd niet wyzer. De vaders ... ge weet de rest.

De deftigheid derseptuagintaklom tot hoogen ernst.

Hun ernst werd plechtig.

De plechtigheid ging over in ’t aandoenlyke.

’t Volk was dan ook aangedaan. Maar het was dit door dezeer onprettige gewaarwording die men agitatie noemt, en geenszins door de meer gewenschte aandoening der erkentelykheid voor bekomen licht in de duisternis.

En de vaders... ja, dit weet gy al.

Metverfoeielyketuchteloosheid heb ik verzuimd u meetedeelen, waarin dan toch het verschilpunt gelegen was. Ziehier. De vraag die ’t volk agiteerde, die de zoons onterfde, die de vrouwen afdreef van de mannen, die de winkeliers ... neen, de winkeliers niet. De vraag die deseptuagintazoo bezighield—met behoud van persoonlyke achting—de vraag was deze:

“heeft de heiligeDionysius,na z’n dood, gewandeld met z’n hoofd onder den rechter-arm of onder den linker-arm?

“heeft de heiligeDionysius,na z’n dood, gewandeld met z’n hoofd onder den rechter-arm of onder den linker-arm?

Toen kwam er ’n eenvoudig man in ’t land, die geen witte haren had, en persoonlyk volstrekt niet geacht was, waaruit men met het oog op ’t gehalte van al die andere achting, zou mogen besluiten... nu, dit doet er niet toe. Hy zeide tot het volk: “Lieve menschen,Dionysiusheeft na z’n doodnietgewandeld. Hy heeft z’n hoofdnietonder den arm genomen, noch onder den linker-arm, noch onder den rechterarm.5

Het volk gooide dien man met vuil. Dit spreekt vanzelf. Ook deonterfdezonen gooiden meê. Ze hadden dit niet moeten doen,zyvoóral niet. En ziet, de verzoeking om met vuil te werpen, werd zelfs den winkeliers te sterk. Ditmaal verlieten ze voor ’n oogenblik geldlâ en toonbank.

Maar de man die nietpersoonlykgeacht was en geen witte haren had, bedacht een middel om een eind te maken aan de nuttelooze agitatie van ’t volk, en aan de even nuttelooze—onverstane en onbegrepen—deftigheid derseptuaginta. Hy nam een stoel ging er op staan, en sprak:

“Hoort, burgers, hoort het woord dat tot u gesproken wordt over, en wel dóór den heiligenDionysius. Hy is my verschenen in den droom, en heeft me verzocht u allen te groeten. Hy laat u zeer bedanken voor uwen yver in de rechter-linkerkwestie. Doch die goede heilige wil niet dat gy te ver zoudt gaan in uw vurig streven naar waarheid, en dat ge ’t offer worden zoudt van uw onleschbaren dorst naar gerechtigheid. Daarom, o edele vaders,onterfdezonen, weggeloopen vrouwen, en wat dies meer zy, hoort wat de heilige man my gezegd heeft, en maakt terstond ’n eind aan uw agitatie:

Ter voorkoming van na-yver tusschen zyne beide armen, heeft de onvolprezenDionysiusna z’n onthoofding, z’n lichaam tusschen de tanden genomen, en zóó is-i voortgewandeld!”

’t Volk juichte. De redenaar werd bekranst. Ieder was tevreden. Ieder ... behalve de Septuaginters die ietwat verloren hadden van hun gewicht, hun aanzien en hunne persoonlyke geachtheid ...

Ofgynu, zeer geachte hoorders, juichen zult, en my bekransen, nadat ik u in de twee eerste deelen myner rede het bespottelyke heb onder ’t oog gebracht van uwrechter-linkerkwestie, weet ik niet. Ik twyfel daaraan omdat ik weinigreden heb staat te maken op uwe rechtvaardigheid. De vertelling overDionysiushad geenszins ten-doel u toejuiching of kransen aftelokken voorzotternyen, nadat ge my die toejuiching hadt ontzegd voor al den ernst dien ik u gaf. Ik wapen me slechts tegen de beschuldiging dat ik m’n toon zoek ...

Ziehier: (Havelaarpag. zooveel.)

«Vervloekt dat verontwaardiging en droefheid zoo vaak zich kleeden in ’t lappenpak van de satire! Vervloekt dat ’n traan, om begrepen te worden, moet verzeld gaan van gegryns! Of is ’t de schuld myner onbedrevenheid, dat ik geen woorden vind om de diepte te peilen van de wonde die er kankert aan ons staatsbestuur, zonder m’n styl te zoeken byFigaroofPolichinel?Styl... Ja! Daar liggen stukken vóór my, waarin styl is. Styl die aantoonde dat er ’nmenschin de buurt was, een mensch wien ’t de moeite waard geweest ware de hand te reiken. En wat heeft die styl den armenHavelaargebaat?Hyvertaalde z’n tranen niet in gegryns, hy spotte niet, hy zocht niet te treffen door bontheid van kleur, of door grappen van den uitroeper voor de kermistent. En wat heeft het hem gebaat?.............................................................................................................................................................................................................................................................................................................................Weg met gemoedelyke taal! Weg met zachtheid, rondborstigheid, duidelykheid, eenvoud, gevoel! Weg met al wat herinnert aanHoratius,justum ac tenacem! Trompetten hier, en scherp gekletter van bekkenslag, en gesis van vuurpylen, gekras van valsche snaren, en hier-en-daar ’n waar woord, dat het meê insluipe als verboden waar, onder bedekking van zooveel getrommel en zooveel gefluit.Styl!Hyhad styl!En wat heeft het hem gebaat?Als ik dus wil worden gehoord—en verstaan vooral—moet ikandersschryven dan hy!»Ja, dan moet ik anders schryven, zeer geachte hoorders! Enanders spreken ook. Hieraan hebt gy die treffende historie vanDionysiuste danken. Vermaakt er u meê.En nu, dunkt me, kan ik overgaan tot het derde gedeelte myner preek, waarin ik eenige beschouwingen wensch medetedeelen ...Naar den duivel met die preêk en die beschouwingen in ’n derde-deelig lystje! Naar den duivel met uw gareel waarin ’k niet loopen wil, gy die geen paard begrypt zonder juk, geen leest zonder keurslyf, geen taal zonder spraakkunst, en geen waarheid zonder peperhuis, waarin ze ligt opgerold, toegevouwen, platgedrukt, inééngefrommeld, als ’n theater-affiche van den vorigen keer!Naar den duivel met uw schoolmeestery, gy die meent dat schryven of spreken iets anders is dan ’t weergeven van de indrukken der ziel! Gy die dáárom van de ziel ’ntalenthebt gemaakt, omuwaangeleerd, verschoold talent voorzielte doen doorgaan, en alzoo dat talent te maken tot grondstof van ’n beroep “dat wat gééft!”Voort ... terug naar de schoolbank, gy meesters in dingen die men niet leert, gy volleerden in zaken die ge hadt moetenvoelen, vóór gy iets leerdet! Weg, preêkers, babbelaars, redevoeringhouërs, preek- praat- redeneer- vertoog- pleit- verhandelkranen,à raisonvan zooveel woorden in ’t uur, van zooveel centen ’t woord! Weg handelaars in de waarheid, tegen honderd liters in de minuut. Debitanten en splitsers van gevoel in volzinnen groot en klein, by den emmer en by ’t maatje ...Gyhebt het Volk bedorven! Gy, schriftgeleerdengy,gy,gy...Gy, met uw gepraat over dingen die vanzelf spreken. Gy, met uw gepraat over dingen die in ’t geheel niet spreken. Gy, met uw rechterzy en uw linkerzy. Gy met uw behoud en uw liberalisme. Gy, met uw “eerste beginselen” die onmisbare bondgenooten van elke beginselloosheid. Gy, met uw deftigheid en witharige wysheid. Gy, met uw duitenplatery, dat is: gy met uwbedrog...GYhebt het Volk bedorven!En ge huist, als vuil ongedierte, niet alleen in de plooien van de “toga der Volksvertegenwoordigers—ge nestelt overal waar ge kunt plaats vinden tusschen naad of vouw der bedekking van de een-of-andere deftigheid. Gy, sprekers, praters, schryvers, redenaars, preêkers ...

«Vervloekt dat verontwaardiging en droefheid zoo vaak zich kleeden in ’t lappenpak van de satire! Vervloekt dat ’n traan, om begrepen te worden, moet verzeld gaan van gegryns! Of is ’t de schuld myner onbedrevenheid, dat ik geen woorden vind om de diepte te peilen van de wonde die er kankert aan ons staatsbestuur, zonder m’n styl te zoeken byFigaroofPolichinel?

Styl... Ja! Daar liggen stukken vóór my, waarin styl is. Styl die aantoonde dat er ’nmenschin de buurt was, een mensch wien ’t de moeite waard geweest ware de hand te reiken. En wat heeft die styl den armenHavelaargebaat?Hyvertaalde z’n tranen niet in gegryns, hy spotte niet, hy zocht niet te treffen door bontheid van kleur, of door grappen van den uitroeper voor de kermistent. En wat heeft het hem gebaat?

.............................................................................................................................................................................................................................................................................................................................

Weg met gemoedelyke taal! Weg met zachtheid, rondborstigheid, duidelykheid, eenvoud, gevoel! Weg met al wat herinnert aanHoratius,justum ac tenacem! Trompetten hier, en scherp gekletter van bekkenslag, en gesis van vuurpylen, gekras van valsche snaren, en hier-en-daar ’n waar woord, dat het meê insluipe als verboden waar, onder bedekking van zooveel getrommel en zooveel gefluit.

Styl!Hyhad styl!

En wat heeft het hem gebaat?

Als ik dus wil worden gehoord—en verstaan vooral—moet ikandersschryven dan hy!»

Ja, dan moet ik anders schryven, zeer geachte hoorders! Enanders spreken ook. Hieraan hebt gy die treffende historie vanDionysiuste danken. Vermaakt er u meê.

En nu, dunkt me, kan ik overgaan tot het derde gedeelte myner preek, waarin ik eenige beschouwingen wensch medetedeelen ...

Naar den duivel met die preêk en die beschouwingen in ’n derde-deelig lystje! Naar den duivel met uw gareel waarin ’k niet loopen wil, gy die geen paard begrypt zonder juk, geen leest zonder keurslyf, geen taal zonder spraakkunst, en geen waarheid zonder peperhuis, waarin ze ligt opgerold, toegevouwen, platgedrukt, inééngefrommeld, als ’n theater-affiche van den vorigen keer!

Naar den duivel met uw schoolmeestery, gy die meent dat schryven of spreken iets anders is dan ’t weergeven van de indrukken der ziel! Gy die dáárom van de ziel ’ntalenthebt gemaakt, omuwaangeleerd, verschoold talent voorzielte doen doorgaan, en alzoo dat talent te maken tot grondstof van ’n beroep “dat wat gééft!”

Voort ... terug naar de schoolbank, gy meesters in dingen die men niet leert, gy volleerden in zaken die ge hadt moetenvoelen, vóór gy iets leerdet! Weg, preêkers, babbelaars, redevoeringhouërs, preek- praat- redeneer- vertoog- pleit- verhandelkranen,à raisonvan zooveel woorden in ’t uur, van zooveel centen ’t woord! Weg handelaars in de waarheid, tegen honderd liters in de minuut. Debitanten en splitsers van gevoel in volzinnen groot en klein, by den emmer en by ’t maatje ...

Gyhebt het Volk bedorven! Gy, schriftgeleerdengy,gy,gy...

Gy, met uw gepraat over dingen die vanzelf spreken. Gy, met uw gepraat over dingen die in ’t geheel niet spreken. Gy, met uw rechterzy en uw linkerzy. Gy met uw behoud en uw liberalisme. Gy, met uw “eerste beginselen” die onmisbare bondgenooten van elke beginselloosheid. Gy, met uw deftigheid en witharige wysheid. Gy, met uw duitenplatery, dat is: gy met uwbedrog...GYhebt het Volk bedorven!

En ge huist, als vuil ongedierte, niet alleen in de plooien van de “toga der Volksvertegenwoordigers—ge nestelt overal waar ge kunt plaats vinden tusschen naad of vouw der bedekking van de een-of-andere deftigheid. Gy, sprekers, praters, schryvers, redenaars, preêkers ...

AAN DEN UITGEVER.

Waarded’Ablaing!

Neen, er zal niet gezegd worden dat niemand beproefde denvloek te bezweren die er rust op het Volk. ’t Zal niet gezegd worden dat niemand de ziekte aantastte, de rottende ziekte waaraan dat Volk lydt: deLEUGEN.Ik zal doen wat ik kan.

Ik verzoek u de uitgaaf op u te nemen van ’n werk dat ik zooeven bedacht heb. Ik zal u elke week ’n vel druks leveren. Ja, als ik ’n kamer heb waar ik rustig zitten kan, twee vellen in de week. Ik verbindmyvoorloopig tot schryven van zes-en-twintig vellen, dat is dus—als ik geen goede kamer heb—voor ’n half jaar.

Geef dat uit naar uw goeddunken. By inteekening, zonder inteekening ... voor veel geld, voor weinig geld ... het scheelt my niet.

Ik zal in dat schryven trachten naarwaarheid.

Dit is m’n program. Dit is m’n eenig program.

Ik zal geven:verhalen, vertellingen, geschiedenissen, parabelen, opmerkingen, herinneringen, romans, voorspellingen, mededeelingen, paradoxen ...

Ik hoop dat er ’n idee zal liggen in elk verhaal, in elke mededeeling, in elke opmerking.

Noem dus m’n werk:Ideën.Anders niet.

Enschryfer boven:“een zaaier ging uit om te zaaien.”

Kondig het terstond aan. Dat werk zal de vaan wezen die ik ophef en hooghoud:parceque suivre bannière ne peux!

Ja, dat zal ik doen. En nu de vrye arbeid!

Ik zou u op schoolsche gronden kunnen betoogen, lezer, dat de zysprong dien ik my zoo-even veroorloofde, volstrekt noodig was in myn bewysvoering. En ik, die zoo op-eenmaal den weg verliet, waarop wy te zamen wandelden, begin intezien dat ik waarachtig meer talent bezit dan ikzelf wist. Let eens goed op, ik zal u een kykje gunnen achter de schermen.

Toen ik ’n paar bladzyden geleden, denHavelaaropsloeg, om de passage uitteschryven, waarin ik my beklaag over de ellendige noodzakelykheid om u grappen te verkoopen, wyl ge anders niet zoudt luisteren, werd ik innig bedroefd. Want ik las daar ... ik las ... ik las ...

Alles kwam my zoo voor den geest terug! Ik riep gedurig: myn god, het is toch wáár wat ik daar schreef! ’t Is toch wáár dat ik daar m’n plicht deed in levensgevaar. ’t Is tochwáárdat ik arm en onmachtig vanLebakvertrok met vrouw en kind! ’t Is toch wáár, dat ik sedert dien tyd niet heb opgehoudenbitter te lyden om ’t vervullen van m’n plicht! ’t Is toch wáár dat we alles hebben gedragen met geduld, met waardigheid en met moed ...

Dat alles is toch de waarheid, o myn God!

En ’t staat toch geschreven in dat boek. En al staat daarin nietallesgeschreven, omdat alles niet geschreven worden kàn, er staat toch genoeg in dat boek, om te doen begrypen ook wat ik niet schreef ...

En dat boek was “zoo mooi” zeiden ze. En ze lazen dat zoo gretig, met zooveel ingenomenheid, en zoo overal!

En toch... toch... toch is er geen recht gedaan! Tòch ben ik even ver alsof m’n boek niet “mooi” was geweest! Even ver als-of er niet zooveel tranen waren gevallen op dat handschrift...

Toen ben ik verdrietig en bitter geworden.

En ik zocht de oorzaak die ’t rechtdoen in myn zaak in den weg staat, en ik vond die in de ziekte waaraan ge lydt, Nederlanders, ik vond die in uw rottende ziekte, in...leugen.

Immers, ik heb u waarheid gezegd, en gylieden hebt niet gehoord.

En dagelyks verkondigt men u leugens, en ge luistert.

Dááróm ben ik op-eenmaal ter-zy gesprongen, en legde m’n vloekbrief neêr voor de woning dergenen die u bedriegen. Dáárom spykerde ik in ’t voorbygaan de konde myner vete aan de poort van de roofridders die op geestelyk gebied uw gemoed prysverklaren, en hun hoogheid ophouden door diefstal.

In de middeleeuwen nam men ’t Volk geld en goed af. Dat heette adel in die dagen.

Hoe hooger het roofslot, hoe onbereikbaarder de dief... hoe hooger adel.

Thans neemt men u de waarheid af. En dit heet geleerdheid, staatkunde, godsdienst, bekwaamheid, in deze dagen.

En hoe hooger de preêkstoel, hoe verhevener de katheder, hoe deftiger ’t gestoelte... hoe meer geleerdheid, hoe meer godsdienst, hoe meer zedelykheid, hoe meer invloed, hoe meer gezag, hoe meer bederf!

Toen de boeren der middeleeuwen te-hoop liepen, bleek er spoedig dat de ridders de sterksten niet waren, en dat ze alleen den meester spelen konden, zoolang de goê-gemeente vergat dat er verzet mogelyk was.

En gy, eenvoudige lieden van gezond verstand, bedenkt dat de tabbert der geestroovende leugensprekers onzer dagen niet van sterker maaksel is, dan de harnassen der goed- en geldroovende dieven van adel.

Er is maar één adel. Eén adel, die harnas behoeft noch tabbert. Zyn strydperk is hetlicht. Zyn schild is dewaarheid. Zyn kampvechter deGeschiedenis der menschheid. En zyn zwaard is hetWOORD.

Dàt woord zal ik naar de mate myner kracht tot u spreken in deze brochure, en inIDEËNdie ik van plan ben uittegeven. Daarin zal ik neêrleggen wat er omgaat in m’n ziel...


Back to IndexNext