Chapter 30

“Ei,”zegt ge,“en uwe verdediging van den zysprong? Uw beloofd kykje achter de schermen?”’t Is waar. Ik had niet van ziel moeten spreken. Die zysprong was maar een oratorische kunstgreep om u vertrouwen inteboezemen op alles wat ik verder zeggen zal. Dit is nu wat de heeren noemen: “talent.”Lezer, als ge goed hebt opgelet, dan verstaat ge nu die kunsten ook. En als ge niets anders te doen hebt, kunt ge terstondIdeënuitgeven, en meêschryven overVryen-Arbeid. Maar, eilieve, nu ik u zoo goedmoedig in-staat stel om evenveel talent te hebben als de beste, nu ge by-ondervinding weet dat zoo’n talent ook voor den minst bevattelyken mensch te verkrygen is in een paar minuten tyds, nu ik u getoond heb dat het maar ’n “weet” is, zooals ’t volk zegt, nu zult ge toch wel, eens-vooral hoop ik, ophouden een hoedanigheid te verheffen die veel algemeener is dan laarzenmaken. Dàt leert ge zoo gauw niet.En als ge nu weêr spreekt van talent, houd ik uw geroep daarover,—ja, ik deed dit reeds lang—voor ’n gehuichelde “exceptie” terechtsweigering.De Javaan is zeer ondergeschikt aan z’n Hoofden. Onderworpenheid aan den wil van z’n erfelyken heer is zyn godsdienst, ’n godsdienst van te bindender kracht, omdat ze niet in ’n boek staat, en dus niet afhankelyk is van verschillende uitlegging. Het kultuurstelsel is op deze verregaande onderdanigheid gebouwd.6Dit stelsel is ’n kontrakt tusschen de Javaansche Hoofden en het Nederlandsche Gouvernement, om den geringen man uittezuigen voor gezamenlyke rekening. En hoezeer ’t nu vanzelf spreekt dat er by zoodanigen handel—ik bedoel:Schwindel, maar vindt er geen hollandsch woord voor—datdaarby sprake is van ’n leeuwen-aandeel in den buit, zou niet ieder misschien terstond op het denkbeeld komen dat ertweeruim gemetenpartes leonisworden afgenomen. En toch is dit zoo.“O, dat Kultuurstelsel!”roepen de Vry-arbeiders.Ja, dat Kultuurstelsel werkt inderdaad noodlottig. En ik ben er tégen. Maar ik ben alleen dáárom tegen dit stelsel wyl ik ... geen nationaliteit bezit. ’t Woord is er uit. Ik kan ’t niet helpen, en ik neem het niet terug. My isAristidesnader dan de achtkante boer, al zy ’t dan dat deze m’n landgenoot was. Ik stel hetrechtboven buurtgenootschap, boven provinciegenootschap, boven landgenootschap, boven werelddeelgenootschap. En ik ben verwaand genoeg om ieder die hierover anders denkt, ieder dieAristidesnietvoortrekt boven dien ander, te beschuldigen van verregaande verwaandheid. Partytrekken voor landgenootenomdatze landgenooten zyn, noem ik zelfverheffingpar ricochet. Ik verklaar rondborstig, en naar ik meen nederig, dat het me nooit in ’t hoofd is gekomen my hooger te schatten dan ’n ander, omdat-i niet in Nederland geboren was. Deze nederigheid nu oefent ’n grooten invloed uit op m’n opinie over ’t Kultuurstelsel. Want ik hoor spreken van “Nederlandsche standpunten” d. i. van punten waarop ik niet sta...ikdie maar ’nmenschben. En zelfs dit geeft me geen “standpunt” op m’n eigen hand. Want als ik ’n hond zie mishandelen door myn medemensch, dan trek ik party voor den hond. Ja, dit zou ik doen, al had my ’t beest gebeten, en al waar ’t geboren in ’n andere buurt.Maar ik begryp, Nederlanders, dat ge niets weten wilt van zoo’n verregaande standpuntloosheid. Welaan, ik zal beproeven u tot aandacht te nopen door ’t spreken vanuwtaal. Ik zal me voor ’n oogenblik houden als-of ik aandeelen had in uwen Staat, en belang by uw welvaart. Ik zal, voor ’n oogenblik altoos, geloof-slaan aan alle vaderlandsche deugden, en me aanstellen, alsof ikzelf met die deugden behebt was. Ik zal ’t Kultuurstelsel beschouwen vannederlandschstandpunt ...Welnu, dan moet ik betuigen, voor-zoo-ver ik heb kunnen nagaan, nooit in eenig land ter-wereld, nog op eenig blad der Geschiedenis van die wereld, een zoo kunstmatig-schoon organismus te hebben aangetroffen, als wy, Nederlanders “met Gods hulp” in Indië hebben tot-stand gebracht. Wy ’n kleine natie van drie millioen zielen, hebben middel gevonden om te heerschen over twaalf millioen Javanen, en hen te dwingen tot geregelden arbeid. Wy hebben orde geschapen, waar ordeloosheid bestond, nyverheid waar luiheid heerschte, veiligheid—voor Europeanen, tenminste, en vannederlandschstandpunt is dit veel waard! waar vroeger niemand veilig was.En hoe is dit geschied? Niet dóór het Kultuurstelsel, wel-is waar, maar toch dooraanwending van ’t hoofddenkbeeld des Kultuurstelsels, doordezelfde mekaniek die dit stelsel zoo praktisch maakte. Dat stelsel brengt koffi voort, niet waar? Welnu, de toepassing van ’t zelfde principe waaraan wy die koffi te danken hebben, brengt iets anders voort dat méér beduidend zalzyndan koffi, zoolang ’t geheel grooter is dan een der deelen. Het brengt voort:HET GEZAG.Hoe heet dit kostbaar hoofdbeginsel? Ziehier, en laat nu in ’s hemels-naam eenvoud niet gelden als verkeerdheid. Ge hebt aan dien eenvoud uwGEZAGin Indië te danken, en daardoor ... de koffi.Ik zal u dit duidelyk uitleggen, zoo duidelyk ’t my mogelyk is. Maar begin dan met u te doordringen van de waarheid dat het regeeren vangrootevolkeren door ’nkleinvolk, op verren afstand, met ’n heel klein leger niet gemakkelyk is. Zeg niet, zonder nadenken: o dit zou ik ook wel kunnen, en denk aan ’t ei vanColumbus...Het hoofddenkbeeld van ’t Kultuurstelsel en van onsGEZAGin Indië, is dit;De Gouverneur-Generaal houdt ’n teugel in-handen, die van afstand tot afstand zich verdeelt in onderdeelen, welker splitsing weêr op-nieuw onderscheiden lynen en koorden daarstelt, die—weêr op hun beurt gesplitst—zich rechts en links uitstrekken, en na herhaalde weêrverdeeling ten laatste elk individubereiken,in-toom houden,dwingen... dat is:REGEEREN.Deze teugel—ik spreek altyd alsnederlandsch koetsier—is ’n ware Katholieke kerk van volmaaktheid.Sit ut est, aut non sit.En even als die kerk niet kon wordenuitgevonden, maar:het werk der eeuwen is7d.i. het werk van de logica der feiten die ’r voorvielen in die eeuwen, zoo is ook de wyze waarop wy Nederlanders Indië regeeren, nietuitgevondendoor den generaalvan den Bosch, noch door wien ook, maar geheel alleen ’n gevolg dernoodzakelykheid. Wilt ge heerschen in Indië,heerscht dan zóó. Wilt geveranderen... wilt ge hier-en-daar ’n zyteugel inanderehand geven, dan in de hand die denhoofd-teugel houdt ... wilt ge bykoorden afsnyden, onderlynen scheiden van de moederlyn waarvan ze uitgingen ... of—erger nog—wilt gy de onderdeelen van den hoofdteugel dwars-uittrekken ... rechts ... links ... naar-boven ... naar-beneden ... heen-en-weer ... scheef en schots ...zóó, dat de paarden dol worden ...heersch danNIET! Geef dan uwGEZAGop ... en uw koffi.Nog eens:sit ut est, aut non sit.Neen dit stelsel is nietuitgevonden. Als ’t uitgevonden was, zou ’t niet zoo goed wezen. Om dit te begrypen trachte men, met voorbygang van duitenplaterige dagkwestiën, terugtekeeren tot den oorsprong van de zaak. Als by de algebra—die heerlyke logica in kort begrip—hebbe men slechts de opgave uittedrukken in den eenvoudigen vorm.Wat is die opgave? “Ik wil koffi.” Goed:“Javaan, ik wil koffi!”“Dan moet je maar koffi planten, drogen, oogsten, schillen, roosten, malen. En daarna, doe ’r water op, ... naar ik hoor, wantikdrink geen koffi, en heb dus geen reden om ze te planten.”Men ziet dat ik tracht primitief te wezen. Ik spreek van den Javaan, die zelfgeenkoffi dronk.Nudoet hy ’t. Maar toch is ’t antwoord dat ik hem in den mond leg, niet goed. Gy zegt:“Javaan, ik wil koffi.”De Javaan staart u onverschillig aan, wentelt z’n sirie op den rooden lip ’n halven slag om, spuwt, kykt naar de lucht, en wentelt daarna zichzelf om. Want hy lag. En wie hem dat liggen kwalyk neemt, is onrechtvaardig, en vergeet dat hyzelf meestal zou liggen, als hem de nood niet dwong tot loopen, staan of kruipen.En wie ’t kwalyk neemt dat de Javaan niet antwoordt op de vraag: Javaan, ik wil koffi...is óók onrechtvaardig, en vergeet dat hyzelf erger zou doen dan niet antwoorden, wanneer die Javaan hem kwam zeggen: “Hollander, ik wil kaas.”Hoe ’t zy, de Javaan antwoordt niet, en geeftgeenkoffi.Daar komt ’n man aan, gevolgd door andere mannen, die allen wat dragen. De een, ’n beteldoos. De tweede, ’n zonnescherm. De derde, ’n lans. De vierde ... ’t doet er niet toe. Genoeg, ze gaan, allen iets dragende, achter den man die niets draagt.En zie, uw Javaan, die niet antwoordde, die naar de lucht keek, die z’n sirie omwentelde—en zichzelf—richt zich op. Neen, oprichten is ’t woord niet. Maar hy ligt niet meer, dat is waar. Hy hurkt en buigt, en vouwt zich, slaat de handen tegen elkaêr, en houdt ze laag ... laat z’n hoofd neêrzakken op die handen ...“Wat is dat?” vraagt ge verwonderd.De man die niets draagt, wenkt. Oogenblikkelyk dagen er van rechts en links gewapende mannen op—neen, gewapend hoeft niet—die u—alweêr op ’n wenk van den nietsdragenden man—aangrypen, binden, mishandelen en ’t land uitgooien.Daarop gaat ge naar huis! ’t Moet wel. Wat anders? Ge doet verslag aan de Kamer vanDordrechtof, aan de Kamer vanEnkhuizen...Lieve hemel, ik merk daar dat ik de geschiedenis vertel van de oude “edele” Oost-Indische Compagnie. Des-te-beter!Ge doet verslag van uw wedervaren aan die Kamer. Daar ’t ’n Kamer is, spreekt het vanzelf dat ze begint met u niet te begrypen, en dat ze daarop verhandelingen houdt over zaken die volstrekt niet dienen tot dezaak. Eindelyk zegt ’n lid:“Maar, Sieur8als je in-plaats van den Javaan, die lag en hurkte, eens den man had aangesproken,die ging, en niets droeg? Doe dat eens, groet hem vriendelyk van ons allen, en zeg: “weledele heer, zou je de goedheid willen hebben den man, die daar ligt, te zeggen dat-i-koffi plant ... je mag meedrinken ...””“Dat ’s ’n idee!” roept de heele kamer vanDordrechtofEnkhuizen.Nu sla ik honderd jaar over, of meer.Na wat sukkelen is het u gelukt bevriend te worden met den man, voor wien de liggende Javaan opstond en neêrhurkte. Ge begrypt elkaêr als ... neen, ik wil schryven als Nederlander. Ge begrypt elkaêr wel, maar nietcomme deux larrons en foire. Ge begrypt elkaêr als twee heele brave mensen en die samen eene speculatie bespreken.Wie nu meent dat de Javaan—op dezen oogenblik—tot opstaan,neêrhurken, weer opstaan en koffi planten te dwingen is opanderewyze dan ik meêdeelde in m’n zeer verkorte geschiedenis van de “edele” Compagnie, bedriegt zich.Ei, en gyzelf hebt gezegd, dat-i zou arbeiden uit vrye keuze, als men hem niet ...Zwyg, bid ik u ... laat onsNederlandersblyven, en dus ’t woord niet noemen, dat ge noemen woudt. Ja, dat hèb ik gezegd. De Javaan zal arbeiden uit vryen wil, zoodra hy ... of lievereenigen tyd nadathy zal verlost wezen van—ik zelf weet niet hoe ik ’t zeggen moet in ’tnederlandsch—nadat hy zal bevryd zyn van—ja, zoo is ’t!—nadat hy verlost zal wezen van ’t ondergààn der nederlandsche deugden. Beter, nederlandscher, kan ik me niet uitdrukken.Maar zoolang die deugden den Javaan overstelpen met modest genot van ontbering, zoolang die deugden hem alle welvaart doen schuwen uit onbekendheid, alle weelde als schadelyk voor de ziel, alle hebzucht als ’n onmogelykheid ... zóólang zal de Javaan zich niét omkeeren,nietopstaan,nietplanten, dan op den wenk van den man, die niets draagt.Ik hoop dat alle vroegere, tegenwoordige en toekomende Gouverneurs-Generaal my zullen vergeven dat ik hen voor ’n oogenblik tot de automedons maakte van ’t groote voertuig dat Insulinde heet. Ik had die vergelyking noodig om eenigermate aantetoonen hoe—en hoe alleen—’t gezagkan worden gehandhaafd. Maar om de wyze te schetsen, waarop devruchtenvan dat gezag worden ingeöogst, heb ik een beeld noodig dat ik zoeken moet in anderen kring dan de stalhouëry.Gy hebt hoop ik dien hoofdteugel voor den geest, waarvan ik sprak, met al die by- onder- en neventeugels? ’t Is eencat o’ nine tails, vind ik, maar met oneindig meerdannegenstaarten. Welnu, verander al die lynen inbuizen, zet de twaalf-millioen dunne twintigmaal onderverdeelde by-buisjes op de borst van twaalf millioen Javanen, breng ’n zuiger, ’n flinken stoomzuiger aan op de hoofdbuis, en daarna ...Pomp, pomp, pomp, zeg ik u.Pompvoor den duivel ... en voorNederland.Dit is ’t Kultuurstelsel. Men moet ’n Hottentot wezen, of ’nmensch, om ’t niet mooi te vinden. Maar vannederlandschstandpunt blyf ik beweren, dat het overvloeit van de katholieke schoonheid.Sit ut est, aut non sit.Sit ut est.Het blyve zóó als ’t is. Ja, zóó moet het blyven tot de Javaan ... enz. want we zyn nog zoo ver niet.Zóómoet dat stelsel blyven. Zóó als ’tbeschrevenstaat. Zóó als debedoelingwas, en tevens zoo als dezeer duidelyk uitgedruktebedoeling was van den wetgever, van deIndische Staatsbladen.Maar als ik zeg: zóó moet het stelsel blyven, beweer ik daarmeê niet: de in dat stelsel door slymerige Residenten of onbekwame en luie Gouverneurs-Generaal tusschengeschoven domheden.Die moetennietblyven. Dáártegen trok ik te velde in m’nHavelaar, enniettegen ’t stelsel zelf.Want, op dezen oogenblik, kunnen we dit stelsel niet missen. Het is noodig dit stelsel te behouden, niet omdat het onskoffigeeft, maar omdat het onsGEZAGgeeft, en als ’t gezag verloren is, valt er niets meer te stelselen.De wetgever—ik heb een hekel aan dit woord, maar ik sta nog altyd op m’nnederlandschstandpunt—de wetgever heeft niet bedoeld hetgezag-stelsel te geven als iets vriendelyks, iets liefelyks, iets sentimenteels. Er wordt byv. in de staatsbladen niet gesproken van Arkadie. Maar hy heeft, geleid door de opmerking dat tweemaal twee vier is, en dat de Javaan z’n hoofden gehoorzaamt, dat stelsel uitgev ... neen, waarachtig niet.Hy heeft onder woorden gebracht, met name genoemd, en gereglementeerd:wat-i vond. En hy heeft begrepen, voorzien engevreesd, dat de drang der omstandigheden—de noodzakelykheid—hier-en-daar nadeeligen invloed hebben zou op de algemeene welvaart, en daardoor op de geregelde, practische, voortdurend produktieve werking van dat stelsel.Dit moet hy voorzien hebben. ’t Kán niet anders. Het is te bewyzen,a prioriena posteriori.A priori: een buis op de borst, en ’n stoompomp op de hoofdbuis ...Zelfs geen wetgever is zóó dom, dat-i niet begrypen zou hoe onaangenaam dit voor zoo’n borst wezen moet.A posteriori: De Staatsbladen vloeien over van menschlievende bepalingen. Een oogenblik! Dit heb ik meer gezegd. Ik citeer myzelf gaarne, als ’t dienen kan om aantetoonen dat ik methodischer ben dan men voorgeeft te meenen, en dat ik niets uitvindpour le besoin de la causevan ’t oogenblik.Neen, ’k wil niet bladeren in dat boek. Zoek maar op in denHavelaar, lezer, of ik niet reeds daarin gezegd heb, ja, of niet, dat het heele boek overvloeit van bewyzen:dat de bepalingen zoo slecht niet zouden wezen, als ze maar werden gehandhaafd?Dat er zooveeleeden en verzekeringen en betuigingen worden gevorderd: dat men den geringen man beschermen zal! Zie voorts dat allerbelangrykstevyf en twintigsteartikel van ’t Regeerings-reglement, dat ik drukken laat op het titelblad dezer brochure. Lees zelf, als gy ze krygen kunt, de indische staatsbladen ... overal zult gy vinden verzachtende, goedaardige, welwillende, menschlievende, beschermende bepalingen ...O, in menigte. Maar ...Ze worden niet gehandhaafd.Dit ziet gy in denHavelaar. Althans dit hadt ge in dat boek kunnen zien, wanneer ’t u om waarheid ware te doen geweest. De Havelaarszaak is geen stryd tegen dewet, maar ’n stryd tegen ’tverkrachtenvan de wet.Overal bemerkt men dat de wetgever, de in dit geval zeer bekwame wondheeler die de buizen zetten en besturen moest, medelyden met den patiënt heeft. Gedurig spreekt-i dezen een vriendelyk woordje toe. Gedurig vermaant hy de omstanders—d. i. de personen die hem moeten helpen: de indische ambtenaren—tot kalmte, tot inschikkelykheid, tot zachtheid. Telkens waarschuwt hy tegen overdryving. En overal zegt-i: “Sjt,de lyder wil spreken, we willen hooren wat-i te zeggen heeft.” (”De Gouverneur-Generaal zorgt dat iederen inlander overal de gelegenheid worde gegeven,vryelykzyn klachten intebrengen.Regeerings-reglement, enalleIndische reglementen. Is ditduidelyk?”)Maar die omstanders, dieonderbuisvoerders, weten dit alles beter. Zy hebben uitgevonden—pour tout de bon:uitgevondenditmaal—een “geest van ’t gouvernement” die den wetgever onbekend was. Een sleur, die ’t gezagstelsel tot ’n vloek maakt, in-plaats van een zoo mild mogelyk toegepast noodzakelyk kwaad van tydelyken aard, zoo-als ’t anders wezen zou. Een “geest van ’t gouvernement” die ’t schipperen voorschryft als wysheid, het toeknypen van den keel des lyders als politiek. Het “niet-bemoeielyken” van deze of gene Excellentie, als diplomatischecourtoisie. Een geest, die—dit beken ik—’t beste middel aangeeft om op den ouden dag heel prettig en kalm te leven van ’n makkelyk verdiend—neen, van eenonverdiend—pensioen ... dat de natie gewillig betaalt!De wetgever—d. i. de in Indië bestaandetoestanden, uitgedrukt in de bepalingen—heeft begrepen dat er vóór alles, orde noodig was. Die orde heerscht dan ook. De Javaan moest gewoon gemaakt worden aan gezetten arbeid. Goed. De betaling voor dien arbeid was gering. ’t Zy zoo. Ze kon later stygen, zoodra nederlandsche nood zou hebben plaats gemaakt voor ... deugden van andere soort dan de nederlandsche. Maar de geringe belooning van den Javaanmoest hem dan ook inderdaad worden uitbetaald. Hy moest niet worden mishandeld, geplunderd, vermoord. Ook bedoelde de wetgever niet, dat men “klagers” in de rivier zou werpen, om ze te laten afdryven als een “groetgeschenk van de haaienin’t binnenland aan de haaien in zee.”Dit alles bedoelde de wetgeverniet. Zyn meening—en vooral z’nbelang—wasnietdat de patiënt bezwyken zou.Overal blykt dat die wetgever gepoogd heeft het noodzakelykkwaad van ’n eenvoudig maar praktischgezagenkultuur-stelsel—dat ik trachtte te karakteriseeren door vergelyking met teugels en buis—zoo dragelyk te maken als maar eenigszins mogelyk was. En al die voorzorgen leveren ’t volkomen bewysa posteriori, dat de toepassers van dit stelsel zeer goed begrepen tot welke misbruiken het zou aanleiding geven. Elke lastgeving tot menschelykheid, bewyst vrees voor wreedheid. Elk voorschrift dat beveelt den Javaan tehoorenwaar hy klaagt, bewyst dat men op die klachten was voorbereid, en tevens op den onwil om ze aantehooren. Uit elken wenk tot matiging blykt wantrouwen op gematigdheid, en vrees voor overdryving. Elk beschermend besluit of staatsblad, elke menschlievende resolutie, draagt het bewys in zich dat er bescherming, dat er aansporing tot menschlievendheid noodig was.Al die staatsbladen, al die besluiten en resolutiën kunt ge lezen. Is ’t niet of men in een nabyliggende kamer gedurig op ’n toon van gezag hoort roepen: “Niet te erg! Langzaam en voorzichtig, zeg ik u!” “Spaar hem!”Goed—d. i. ik benoem u tot... enz.—maar belooft eerstby God Almachtigdat ge zult zorg dragen dat hy niet bezwykt—ambtsëed;dat men ’t niet te erg zal maken...“Niet te erg!”Wanneer ge zoo-iets gedurig hoort aanbevelen in ’n kamer naast u, dan springt gy op... vergeef me, van eennederlandschstandpunt bezien, richt gy uw blik langzaam naar ’t beschot! en ge roept... vergeef me nog-eens, ge maakt de zeer beredeneerde opmerking:“Het schynt dat men daar bezig is, iemand stelselmatig “niet te erg!” te mishandelen...Niet te erg!G ............ ik geloof ’t graag! Daar wordt iemand gemarteld in die kamer, als men hetteerg deed, was ’t gauw gedaan met de koffi.Alle Staatsbladen nu schryven voor:niet te erg.Van lamme, luie, pensioenjagende residenten, van vrome, kuische, rustlievende, gewetenlooze Gouverneurs-Generaal spreek ik ditmaal niet. Ik heb me nu eenmaal neêrgebogen tot de kwestie van den dag. Ik spreek dus van ’t Stelsel zoo-als dit isgereglementeerdin deStaatsbladen, en niet over deafwykingvan dat stelsel.Het “niet te erg”—niet erger dan volstrekt noodig is—bepaalt zich niet tot voorschriften van algemeene strekking. Neen, de wetgever heeft begrepen dat er meer noodig was. Ieder kanambtenaar worden in Indië, maar niet ieder kan ambtenaar worden by ’tbinnenlandsch bestuur. De keuze van de beambten die meer onmiddellyk in aanraking komen met den Javaan, wordt geleid door beschouwingen die—ja, ’t is de waarheid!—die fyner zyn, meer omvatten, dieper doordringen, dan er zou noodig wezen voor ’n vader die te beslissen had op ’n aanzoek om de hand van z’n dochter. Daartoe wordt beschaving vereischt, fatsoen, goede manieren, zedelykheid, zachtmoedigheid, verstand, oordeel... kortom—en, om niet te spreken van de noodige kennis, wetenschap en bekwaamheid9—het corps beambten by ’t binnenlandsch bestuur inIndiëmoetzyn—enisdit ook naar myn overtuiging in veel opzichten—eencorps d’elite.In de vergelykingen—die ik niet loslaat, want straks zal ik ze nog-eens noodig hebben—wil dit zeggen dat de uiteinden der dunne onderbuizen die rechtstreeks in aanraking komen met den Javaan, omzwachteld zyn, en zoo afgerond mogelyk van vorm. Dit wil tevens zeggen, dat de dunne fyne uiteinden der hierarchische splitsing van den gezag-stroom, veerkrachtig moeten wezen, en van een stof die niet te ruw is op ’t gevoel.Want de wetgever meende, en hy had gelyk:Dat het gezagstelsel ’nnoodzakelykkwaad is.Dat het, om te kunnen blyven bestaan zoolang ’t noodig zal wezen, moest getemperd worden door allerlei maatregelen van voorzorg: NIET TE ERG!”Alle regelen—ho, alle eerste regelen!—van styl, enz. schryven voor, dat men ’n vergelyking niet te lang moet voortzetten. Ik sprak reeds veel van buizen en teugels. En ik zal daarvan nog eenmaal spreken, wanneer wy ...Daar vliegt op-eens ’n bende toehoorders m’n kamer in, die my op deurwaarders-manier sommeeren om het derde deel van myn preek te leveren, dat achterwege bleef omdat het preêken me verveelde. ’t Is waar: ik had beloofd: eenigebeschouwingendie zouden aantoonen “dat het niet juist de vry-arbeiders zyn die den Javaan zullen opvoeren tot vrywilligen arbeid.” O, die tuchteloosheid! O, dat gebrek aan school! O die finale afwezigheid van methode...Daar, leest! zei ’k tot de derdedeelbegeerige menigte.Ze lazen, maar riepen: hm! Precies als gy, lezer, op pagina zooveel van denHavelaar, waar ik zoo boos op u werd.Ze lazen, doch waren niet tevreden. Weêr even als gy, by ’t lezen van zoo menige andere bladzy die ik schreef, maar die ’k niet intrek om uw verstoordheid.En toen ze gelezen hàdden, riepen ze met ’n eenparigheid van gevoelen, die zeldzaam is by kerkgangers;“Al wat ge daar zegt, doet niet tot de zaak. Wy eischen ons derde deel, en de executie van de vry-arbeiders. Denkt ge dat wy uw eerste deel zouden hebben ondergaan met geduld, en uw tweede deel met onderworpen berusting, als ’t ons niet ware te doen geweest om uwderdedeel?”Ik werd bang voor al die menschen. Lezer, ge hebt geen begrip van de woede eener menigte die ’t derde deel van ’n preêk vraagt.Zoo-als altyd, heeft m’n vrouw my uit den nood geholpen.—Wel zei ze, daarishet!—Wat?—Uw derde deel!—Waar?—Dáár! Zie...En ze las:“De Gouverneur-Generaal houdt ’n teugel in-handen...”—Ja, dat weet ik wel. Ikzelf heb hem koetsier gemaakt.Maar ze beweren dat dit hetkultuurstelselaangaat.—Dan hebben ze slordig gelezen. ’t Gaat het stelsel vangezagaan. Maar hoor verder.En, na de alinea te hebben uitgelezen waaraan ze begon, sloeg ze wat over, en las:“Wiltge veranderen, wilt ge hier-en-daar ’n zyteugel inanderehand geven, dan in de hand die den hoofdteugel houdt... wilt ge bykoorden afsnyden, onderlynen scheiden van de moederlynen waarvan ze uitgingen... of—erger nog wilt gy de onderdeelen van den hoofdteugel dwars-uittrekken... rechts... links... naar-boven... naar-beneden... heen-en-weer... scheef en schots... zóó dat de paarden dol worden...”—O, ik begryp... riep ik, en ik preêkte:Geachte Hoorders!Derde deel. Wilt ge dat de paarden dol worden... neem dan Vry-arbeiders. En nu laat ons te zamen...—Neen, zei m’n vrouw.Uitis ’t nog niet. Ik heb de buizen nog. En ze las:“Verander al de lynen van decat o’ twelve million tailsinbuizen, zet een flinken stoomzuiger op de hoofdbuis...”—Ik begryp u, riep ik, en preêkte nog-eens:“Geachte Hoorders.Tweede deel van m’n derde deel.Geef elken aventurier toegang tot de machine, tot de hoofdbuis, tot de onderbuis, tot de kleine nevenbuisjes...”Sta hem toe dat hy zyn eigen stoommachine doe werken rechtstreeks op de bron...Vergun hem z’n eigen buizen, z’n eigen primitieve, ditmaalongezwachteldebuizen...Vanniet te ergis geen sprake meer ...... vergun hemdiebuizen, de buizen van deWELEDELE HEEREN DROOGSTOPPEL EN CONSORTEN, te plaatsen op de borst van twaalf millioen Javanen...Laat hem boren dóór die borst, tot hy ’t hart raakt...En dan... ja, dan...Pomp... pomp... pomp... voor den duivel... en voor devry arbeiders... ziedaar uw derde deel!

“Ei,”zegt ge,“en uwe verdediging van den zysprong? Uw beloofd kykje achter de schermen?”’t Is waar. Ik had niet van ziel moeten spreken. Die zysprong was maar een oratorische kunstgreep om u vertrouwen inteboezemen op alles wat ik verder zeggen zal. Dit is nu wat de heeren noemen: “talent.”Lezer, als ge goed hebt opgelet, dan verstaat ge nu die kunsten ook. En als ge niets anders te doen hebt, kunt ge terstondIdeënuitgeven, en meêschryven overVryen-Arbeid. Maar, eilieve, nu ik u zoo goedmoedig in-staat stel om evenveel talent te hebben als de beste, nu ge by-ondervinding weet dat zoo’n talent ook voor den minst bevattelyken mensch te verkrygen is in een paar minuten tyds, nu ik u getoond heb dat het maar ’n “weet” is, zooals ’t volk zegt, nu zult ge toch wel, eens-vooral hoop ik, ophouden een hoedanigheid te verheffen die veel algemeener is dan laarzenmaken. Dàt leert ge zoo gauw niet.En als ge nu weêr spreekt van talent, houd ik uw geroep daarover,—ja, ik deed dit reeds lang—voor ’n gehuichelde “exceptie” terechtsweigering.De Javaan is zeer ondergeschikt aan z’n Hoofden. Onderworpenheid aan den wil van z’n erfelyken heer is zyn godsdienst, ’n godsdienst van te bindender kracht, omdat ze niet in ’n boek staat, en dus niet afhankelyk is van verschillende uitlegging. Het kultuurstelsel is op deze verregaande onderdanigheid gebouwd.6Dit stelsel is ’n kontrakt tusschen de Javaansche Hoofden en het Nederlandsche Gouvernement, om den geringen man uittezuigen voor gezamenlyke rekening. En hoezeer ’t nu vanzelf spreekt dat er by zoodanigen handel—ik bedoel:Schwindel, maar vindt er geen hollandsch woord voor—datdaarby sprake is van ’n leeuwen-aandeel in den buit, zou niet ieder misschien terstond op het denkbeeld komen dat ertweeruim gemetenpartes leonisworden afgenomen. En toch is dit zoo.“O, dat Kultuurstelsel!”roepen de Vry-arbeiders.Ja, dat Kultuurstelsel werkt inderdaad noodlottig. En ik ben er tégen. Maar ik ben alleen dáárom tegen dit stelsel wyl ik ... geen nationaliteit bezit. ’t Woord is er uit. Ik kan ’t niet helpen, en ik neem het niet terug. My isAristidesnader dan de achtkante boer, al zy ’t dan dat deze m’n landgenoot was. Ik stel hetrechtboven buurtgenootschap, boven provinciegenootschap, boven landgenootschap, boven werelddeelgenootschap. En ik ben verwaand genoeg om ieder die hierover anders denkt, ieder dieAristidesnietvoortrekt boven dien ander, te beschuldigen van verregaande verwaandheid. Partytrekken voor landgenootenomdatze landgenooten zyn, noem ik zelfverheffingpar ricochet. Ik verklaar rondborstig, en naar ik meen nederig, dat het me nooit in ’t hoofd is gekomen my hooger te schatten dan ’n ander, omdat-i niet in Nederland geboren was. Deze nederigheid nu oefent ’n grooten invloed uit op m’n opinie over ’t Kultuurstelsel. Want ik hoor spreken van “Nederlandsche standpunten” d. i. van punten waarop ik niet sta...ikdie maar ’nmenschben. En zelfs dit geeft me geen “standpunt” op m’n eigen hand. Want als ik ’n hond zie mishandelen door myn medemensch, dan trek ik party voor den hond. Ja, dit zou ik doen, al had my ’t beest gebeten, en al waar ’t geboren in ’n andere buurt.Maar ik begryp, Nederlanders, dat ge niets weten wilt van zoo’n verregaande standpuntloosheid. Welaan, ik zal beproeven u tot aandacht te nopen door ’t spreken vanuwtaal. Ik zal me voor ’n oogenblik houden als-of ik aandeelen had in uwen Staat, en belang by uw welvaart. Ik zal, voor ’n oogenblik altoos, geloof-slaan aan alle vaderlandsche deugden, en me aanstellen, alsof ikzelf met die deugden behebt was. Ik zal ’t Kultuurstelsel beschouwen vannederlandschstandpunt ...Welnu, dan moet ik betuigen, voor-zoo-ver ik heb kunnen nagaan, nooit in eenig land ter-wereld, nog op eenig blad der Geschiedenis van die wereld, een zoo kunstmatig-schoon organismus te hebben aangetroffen, als wy, Nederlanders “met Gods hulp” in Indië hebben tot-stand gebracht. Wy ’n kleine natie van drie millioen zielen, hebben middel gevonden om te heerschen over twaalf millioen Javanen, en hen te dwingen tot geregelden arbeid. Wy hebben orde geschapen, waar ordeloosheid bestond, nyverheid waar luiheid heerschte, veiligheid—voor Europeanen, tenminste, en vannederlandschstandpunt is dit veel waard! waar vroeger niemand veilig was.En hoe is dit geschied? Niet dóór het Kultuurstelsel, wel-is waar, maar toch dooraanwending van ’t hoofddenkbeeld des Kultuurstelsels, doordezelfde mekaniek die dit stelsel zoo praktisch maakte. Dat stelsel brengt koffi voort, niet waar? Welnu, de toepassing van ’t zelfde principe waaraan wy die koffi te danken hebben, brengt iets anders voort dat méér beduidend zalzyndan koffi, zoolang ’t geheel grooter is dan een der deelen. Het brengt voort:HET GEZAG.Hoe heet dit kostbaar hoofdbeginsel? Ziehier, en laat nu in ’s hemels-naam eenvoud niet gelden als verkeerdheid. Ge hebt aan dien eenvoud uwGEZAGin Indië te danken, en daardoor ... de koffi.Ik zal u dit duidelyk uitleggen, zoo duidelyk ’t my mogelyk is. Maar begin dan met u te doordringen van de waarheid dat het regeeren vangrootevolkeren door ’nkleinvolk, op verren afstand, met ’n heel klein leger niet gemakkelyk is. Zeg niet, zonder nadenken: o dit zou ik ook wel kunnen, en denk aan ’t ei vanColumbus...Het hoofddenkbeeld van ’t Kultuurstelsel en van onsGEZAGin Indië, is dit;De Gouverneur-Generaal houdt ’n teugel in-handen, die van afstand tot afstand zich verdeelt in onderdeelen, welker splitsing weêr op-nieuw onderscheiden lynen en koorden daarstelt, die—weêr op hun beurt gesplitst—zich rechts en links uitstrekken, en na herhaalde weêrverdeeling ten laatste elk individubereiken,in-toom houden,dwingen... dat is:REGEEREN.Deze teugel—ik spreek altyd alsnederlandsch koetsier—is ’n ware Katholieke kerk van volmaaktheid.Sit ut est, aut non sit.En even als die kerk niet kon wordenuitgevonden, maar:het werk der eeuwen is7d.i. het werk van de logica der feiten die ’r voorvielen in die eeuwen, zoo is ook de wyze waarop wy Nederlanders Indië regeeren, nietuitgevondendoor den generaalvan den Bosch, noch door wien ook, maar geheel alleen ’n gevolg dernoodzakelykheid. Wilt ge heerschen in Indië,heerscht dan zóó. Wilt geveranderen... wilt ge hier-en-daar ’n zyteugel inanderehand geven, dan in de hand die denhoofd-teugel houdt ... wilt ge bykoorden afsnyden, onderlynen scheiden van de moederlyn waarvan ze uitgingen ... of—erger nog—wilt gy de onderdeelen van den hoofdteugel dwars-uittrekken ... rechts ... links ... naar-boven ... naar-beneden ... heen-en-weer ... scheef en schots ...zóó, dat de paarden dol worden ...heersch danNIET! Geef dan uwGEZAGop ... en uw koffi.Nog eens:sit ut est, aut non sit.Neen dit stelsel is nietuitgevonden. Als ’t uitgevonden was, zou ’t niet zoo goed wezen. Om dit te begrypen trachte men, met voorbygang van duitenplaterige dagkwestiën, terugtekeeren tot den oorsprong van de zaak. Als by de algebra—die heerlyke logica in kort begrip—hebbe men slechts de opgave uittedrukken in den eenvoudigen vorm.Wat is die opgave? “Ik wil koffi.” Goed:“Javaan, ik wil koffi!”“Dan moet je maar koffi planten, drogen, oogsten, schillen, roosten, malen. En daarna, doe ’r water op, ... naar ik hoor, wantikdrink geen koffi, en heb dus geen reden om ze te planten.”Men ziet dat ik tracht primitief te wezen. Ik spreek van den Javaan, die zelfgeenkoffi dronk.Nudoet hy ’t. Maar toch is ’t antwoord dat ik hem in den mond leg, niet goed. Gy zegt:“Javaan, ik wil koffi.”De Javaan staart u onverschillig aan, wentelt z’n sirie op den rooden lip ’n halven slag om, spuwt, kykt naar de lucht, en wentelt daarna zichzelf om. Want hy lag. En wie hem dat liggen kwalyk neemt, is onrechtvaardig, en vergeet dat hyzelf meestal zou liggen, als hem de nood niet dwong tot loopen, staan of kruipen.En wie ’t kwalyk neemt dat de Javaan niet antwoordt op de vraag: Javaan, ik wil koffi...is óók onrechtvaardig, en vergeet dat hyzelf erger zou doen dan niet antwoorden, wanneer die Javaan hem kwam zeggen: “Hollander, ik wil kaas.”Hoe ’t zy, de Javaan antwoordt niet, en geeftgeenkoffi.Daar komt ’n man aan, gevolgd door andere mannen, die allen wat dragen. De een, ’n beteldoos. De tweede, ’n zonnescherm. De derde, ’n lans. De vierde ... ’t doet er niet toe. Genoeg, ze gaan, allen iets dragende, achter den man die niets draagt.En zie, uw Javaan, die niet antwoordde, die naar de lucht keek, die z’n sirie omwentelde—en zichzelf—richt zich op. Neen, oprichten is ’t woord niet. Maar hy ligt niet meer, dat is waar. Hy hurkt en buigt, en vouwt zich, slaat de handen tegen elkaêr, en houdt ze laag ... laat z’n hoofd neêrzakken op die handen ...“Wat is dat?” vraagt ge verwonderd.De man die niets draagt, wenkt. Oogenblikkelyk dagen er van rechts en links gewapende mannen op—neen, gewapend hoeft niet—die u—alweêr op ’n wenk van den nietsdragenden man—aangrypen, binden, mishandelen en ’t land uitgooien.Daarop gaat ge naar huis! ’t Moet wel. Wat anders? Ge doet verslag aan de Kamer vanDordrechtof, aan de Kamer vanEnkhuizen...Lieve hemel, ik merk daar dat ik de geschiedenis vertel van de oude “edele” Oost-Indische Compagnie. Des-te-beter!Ge doet verslag van uw wedervaren aan die Kamer. Daar ’t ’n Kamer is, spreekt het vanzelf dat ze begint met u niet te begrypen, en dat ze daarop verhandelingen houdt over zaken die volstrekt niet dienen tot dezaak. Eindelyk zegt ’n lid:“Maar, Sieur8als je in-plaats van den Javaan, die lag en hurkte, eens den man had aangesproken,die ging, en niets droeg? Doe dat eens, groet hem vriendelyk van ons allen, en zeg: “weledele heer, zou je de goedheid willen hebben den man, die daar ligt, te zeggen dat-i-koffi plant ... je mag meedrinken ...””“Dat ’s ’n idee!” roept de heele kamer vanDordrechtofEnkhuizen.Nu sla ik honderd jaar over, of meer.Na wat sukkelen is het u gelukt bevriend te worden met den man, voor wien de liggende Javaan opstond en neêrhurkte. Ge begrypt elkaêr als ... neen, ik wil schryven als Nederlander. Ge begrypt elkaêr wel, maar nietcomme deux larrons en foire. Ge begrypt elkaêr als twee heele brave mensen en die samen eene speculatie bespreken.Wie nu meent dat de Javaan—op dezen oogenblik—tot opstaan,neêrhurken, weer opstaan en koffi planten te dwingen is opanderewyze dan ik meêdeelde in m’n zeer verkorte geschiedenis van de “edele” Compagnie, bedriegt zich.Ei, en gyzelf hebt gezegd, dat-i zou arbeiden uit vrye keuze, als men hem niet ...Zwyg, bid ik u ... laat onsNederlandersblyven, en dus ’t woord niet noemen, dat ge noemen woudt. Ja, dat hèb ik gezegd. De Javaan zal arbeiden uit vryen wil, zoodra hy ... of lievereenigen tyd nadathy zal verlost wezen van—ik zelf weet niet hoe ik ’t zeggen moet in ’tnederlandsch—nadat hy zal bevryd zyn van—ja, zoo is ’t!—nadat hy verlost zal wezen van ’t ondergààn der nederlandsche deugden. Beter, nederlandscher, kan ik me niet uitdrukken.Maar zoolang die deugden den Javaan overstelpen met modest genot van ontbering, zoolang die deugden hem alle welvaart doen schuwen uit onbekendheid, alle weelde als schadelyk voor de ziel, alle hebzucht als ’n onmogelykheid ... zóólang zal de Javaan zich niét omkeeren,nietopstaan,nietplanten, dan op den wenk van den man, die niets draagt.Ik hoop dat alle vroegere, tegenwoordige en toekomende Gouverneurs-Generaal my zullen vergeven dat ik hen voor ’n oogenblik tot de automedons maakte van ’t groote voertuig dat Insulinde heet. Ik had die vergelyking noodig om eenigermate aantetoonen hoe—en hoe alleen—’t gezagkan worden gehandhaafd. Maar om de wyze te schetsen, waarop devruchtenvan dat gezag worden ingeöogst, heb ik een beeld noodig dat ik zoeken moet in anderen kring dan de stalhouëry.Gy hebt hoop ik dien hoofdteugel voor den geest, waarvan ik sprak, met al die by- onder- en neventeugels? ’t Is eencat o’ nine tails, vind ik, maar met oneindig meerdannegenstaarten. Welnu, verander al die lynen inbuizen, zet de twaalf-millioen dunne twintigmaal onderverdeelde by-buisjes op de borst van twaalf millioen Javanen, breng ’n zuiger, ’n flinken stoomzuiger aan op de hoofdbuis, en daarna ...Pomp, pomp, pomp, zeg ik u.Pompvoor den duivel ... en voorNederland.Dit is ’t Kultuurstelsel. Men moet ’n Hottentot wezen, of ’nmensch, om ’t niet mooi te vinden. Maar vannederlandschstandpunt blyf ik beweren, dat het overvloeit van de katholieke schoonheid.Sit ut est, aut non sit.Sit ut est.Het blyve zóó als ’t is. Ja, zóó moet het blyven tot de Javaan ... enz. want we zyn nog zoo ver niet.Zóómoet dat stelsel blyven. Zóó als ’tbeschrevenstaat. Zóó als debedoelingwas, en tevens zoo als dezeer duidelyk uitgedruktebedoeling was van den wetgever, van deIndische Staatsbladen.Maar als ik zeg: zóó moet het stelsel blyven, beweer ik daarmeê niet: de in dat stelsel door slymerige Residenten of onbekwame en luie Gouverneurs-Generaal tusschengeschoven domheden.Die moetennietblyven. Dáártegen trok ik te velde in m’nHavelaar, enniettegen ’t stelsel zelf.Want, op dezen oogenblik, kunnen we dit stelsel niet missen. Het is noodig dit stelsel te behouden, niet omdat het onskoffigeeft, maar omdat het onsGEZAGgeeft, en als ’t gezag verloren is, valt er niets meer te stelselen.De wetgever—ik heb een hekel aan dit woord, maar ik sta nog altyd op m’nnederlandschstandpunt—de wetgever heeft niet bedoeld hetgezag-stelsel te geven als iets vriendelyks, iets liefelyks, iets sentimenteels. Er wordt byv. in de staatsbladen niet gesproken van Arkadie. Maar hy heeft, geleid door de opmerking dat tweemaal twee vier is, en dat de Javaan z’n hoofden gehoorzaamt, dat stelsel uitgev ... neen, waarachtig niet.Hy heeft onder woorden gebracht, met name genoemd, en gereglementeerd:wat-i vond. En hy heeft begrepen, voorzien engevreesd, dat de drang der omstandigheden—de noodzakelykheid—hier-en-daar nadeeligen invloed hebben zou op de algemeene welvaart, en daardoor op de geregelde, practische, voortdurend produktieve werking van dat stelsel.Dit moet hy voorzien hebben. ’t Kán niet anders. Het is te bewyzen,a prioriena posteriori.A priori: een buis op de borst, en ’n stoompomp op de hoofdbuis ...Zelfs geen wetgever is zóó dom, dat-i niet begrypen zou hoe onaangenaam dit voor zoo’n borst wezen moet.A posteriori: De Staatsbladen vloeien over van menschlievende bepalingen. Een oogenblik! Dit heb ik meer gezegd. Ik citeer myzelf gaarne, als ’t dienen kan om aantetoonen dat ik methodischer ben dan men voorgeeft te meenen, en dat ik niets uitvindpour le besoin de la causevan ’t oogenblik.Neen, ’k wil niet bladeren in dat boek. Zoek maar op in denHavelaar, lezer, of ik niet reeds daarin gezegd heb, ja, of niet, dat het heele boek overvloeit van bewyzen:dat de bepalingen zoo slecht niet zouden wezen, als ze maar werden gehandhaafd?Dat er zooveeleeden en verzekeringen en betuigingen worden gevorderd: dat men den geringen man beschermen zal! Zie voorts dat allerbelangrykstevyf en twintigsteartikel van ’t Regeerings-reglement, dat ik drukken laat op het titelblad dezer brochure. Lees zelf, als gy ze krygen kunt, de indische staatsbladen ... overal zult gy vinden verzachtende, goedaardige, welwillende, menschlievende, beschermende bepalingen ...O, in menigte. Maar ...Ze worden niet gehandhaafd.Dit ziet gy in denHavelaar. Althans dit hadt ge in dat boek kunnen zien, wanneer ’t u om waarheid ware te doen geweest. De Havelaarszaak is geen stryd tegen dewet, maar ’n stryd tegen ’tverkrachtenvan de wet.Overal bemerkt men dat de wetgever, de in dit geval zeer bekwame wondheeler die de buizen zetten en besturen moest, medelyden met den patiënt heeft. Gedurig spreekt-i dezen een vriendelyk woordje toe. Gedurig vermaant hy de omstanders—d. i. de personen die hem moeten helpen: de indische ambtenaren—tot kalmte, tot inschikkelykheid, tot zachtheid. Telkens waarschuwt hy tegen overdryving. En overal zegt-i: “Sjt,de lyder wil spreken, we willen hooren wat-i te zeggen heeft.” (”De Gouverneur-Generaal zorgt dat iederen inlander overal de gelegenheid worde gegeven,vryelykzyn klachten intebrengen.Regeerings-reglement, enalleIndische reglementen. Is ditduidelyk?”)Maar die omstanders, dieonderbuisvoerders, weten dit alles beter. Zy hebben uitgevonden—pour tout de bon:uitgevondenditmaal—een “geest van ’t gouvernement” die den wetgever onbekend was. Een sleur, die ’t gezagstelsel tot ’n vloek maakt, in-plaats van een zoo mild mogelyk toegepast noodzakelyk kwaad van tydelyken aard, zoo-als ’t anders wezen zou. Een “geest van ’t gouvernement” die ’t schipperen voorschryft als wysheid, het toeknypen van den keel des lyders als politiek. Het “niet-bemoeielyken” van deze of gene Excellentie, als diplomatischecourtoisie. Een geest, die—dit beken ik—’t beste middel aangeeft om op den ouden dag heel prettig en kalm te leven van ’n makkelyk verdiend—neen, van eenonverdiend—pensioen ... dat de natie gewillig betaalt!De wetgever—d. i. de in Indië bestaandetoestanden, uitgedrukt in de bepalingen—heeft begrepen dat er vóór alles, orde noodig was. Die orde heerscht dan ook. De Javaan moest gewoon gemaakt worden aan gezetten arbeid. Goed. De betaling voor dien arbeid was gering. ’t Zy zoo. Ze kon later stygen, zoodra nederlandsche nood zou hebben plaats gemaakt voor ... deugden van andere soort dan de nederlandsche. Maar de geringe belooning van den Javaanmoest hem dan ook inderdaad worden uitbetaald. Hy moest niet worden mishandeld, geplunderd, vermoord. Ook bedoelde de wetgever niet, dat men “klagers” in de rivier zou werpen, om ze te laten afdryven als een “groetgeschenk van de haaienin’t binnenland aan de haaien in zee.”Dit alles bedoelde de wetgeverniet. Zyn meening—en vooral z’nbelang—wasnietdat de patiënt bezwyken zou.Overal blykt dat die wetgever gepoogd heeft het noodzakelykkwaad van ’n eenvoudig maar praktischgezagenkultuur-stelsel—dat ik trachtte te karakteriseeren door vergelyking met teugels en buis—zoo dragelyk te maken als maar eenigszins mogelyk was. En al die voorzorgen leveren ’t volkomen bewysa posteriori, dat de toepassers van dit stelsel zeer goed begrepen tot welke misbruiken het zou aanleiding geven. Elke lastgeving tot menschelykheid, bewyst vrees voor wreedheid. Elk voorschrift dat beveelt den Javaan tehoorenwaar hy klaagt, bewyst dat men op die klachten was voorbereid, en tevens op den onwil om ze aantehooren. Uit elken wenk tot matiging blykt wantrouwen op gematigdheid, en vrees voor overdryving. Elk beschermend besluit of staatsblad, elke menschlievende resolutie, draagt het bewys in zich dat er bescherming, dat er aansporing tot menschlievendheid noodig was.Al die staatsbladen, al die besluiten en resolutiën kunt ge lezen. Is ’t niet of men in een nabyliggende kamer gedurig op ’n toon van gezag hoort roepen: “Niet te erg! Langzaam en voorzichtig, zeg ik u!” “Spaar hem!”Goed—d. i. ik benoem u tot... enz.—maar belooft eerstby God Almachtigdat ge zult zorg dragen dat hy niet bezwykt—ambtsëed;dat men ’t niet te erg zal maken...“Niet te erg!”Wanneer ge zoo-iets gedurig hoort aanbevelen in ’n kamer naast u, dan springt gy op... vergeef me, van eennederlandschstandpunt bezien, richt gy uw blik langzaam naar ’t beschot! en ge roept... vergeef me nog-eens, ge maakt de zeer beredeneerde opmerking:“Het schynt dat men daar bezig is, iemand stelselmatig “niet te erg!” te mishandelen...Niet te erg!G ............ ik geloof ’t graag! Daar wordt iemand gemarteld in die kamer, als men hetteerg deed, was ’t gauw gedaan met de koffi.Alle Staatsbladen nu schryven voor:niet te erg.Van lamme, luie, pensioenjagende residenten, van vrome, kuische, rustlievende, gewetenlooze Gouverneurs-Generaal spreek ik ditmaal niet. Ik heb me nu eenmaal neêrgebogen tot de kwestie van den dag. Ik spreek dus van ’t Stelsel zoo-als dit isgereglementeerdin deStaatsbladen, en niet over deafwykingvan dat stelsel.Het “niet te erg”—niet erger dan volstrekt noodig is—bepaalt zich niet tot voorschriften van algemeene strekking. Neen, de wetgever heeft begrepen dat er meer noodig was. Ieder kanambtenaar worden in Indië, maar niet ieder kan ambtenaar worden by ’tbinnenlandsch bestuur. De keuze van de beambten die meer onmiddellyk in aanraking komen met den Javaan, wordt geleid door beschouwingen die—ja, ’t is de waarheid!—die fyner zyn, meer omvatten, dieper doordringen, dan er zou noodig wezen voor ’n vader die te beslissen had op ’n aanzoek om de hand van z’n dochter. Daartoe wordt beschaving vereischt, fatsoen, goede manieren, zedelykheid, zachtmoedigheid, verstand, oordeel... kortom—en, om niet te spreken van de noodige kennis, wetenschap en bekwaamheid9—het corps beambten by ’t binnenlandsch bestuur inIndiëmoetzyn—enisdit ook naar myn overtuiging in veel opzichten—eencorps d’elite.In de vergelykingen—die ik niet loslaat, want straks zal ik ze nog-eens noodig hebben—wil dit zeggen dat de uiteinden der dunne onderbuizen die rechtstreeks in aanraking komen met den Javaan, omzwachteld zyn, en zoo afgerond mogelyk van vorm. Dit wil tevens zeggen, dat de dunne fyne uiteinden der hierarchische splitsing van den gezag-stroom, veerkrachtig moeten wezen, en van een stof die niet te ruw is op ’t gevoel.Want de wetgever meende, en hy had gelyk:Dat het gezagstelsel ’nnoodzakelykkwaad is.Dat het, om te kunnen blyven bestaan zoolang ’t noodig zal wezen, moest getemperd worden door allerlei maatregelen van voorzorg: NIET TE ERG!”Alle regelen—ho, alle eerste regelen!—van styl, enz. schryven voor, dat men ’n vergelyking niet te lang moet voortzetten. Ik sprak reeds veel van buizen en teugels. En ik zal daarvan nog eenmaal spreken, wanneer wy ...Daar vliegt op-eens ’n bende toehoorders m’n kamer in, die my op deurwaarders-manier sommeeren om het derde deel van myn preek te leveren, dat achterwege bleef omdat het preêken me verveelde. ’t Is waar: ik had beloofd: eenigebeschouwingendie zouden aantoonen “dat het niet juist de vry-arbeiders zyn die den Javaan zullen opvoeren tot vrywilligen arbeid.” O, die tuchteloosheid! O, dat gebrek aan school! O die finale afwezigheid van methode...Daar, leest! zei ’k tot de derdedeelbegeerige menigte.Ze lazen, maar riepen: hm! Precies als gy, lezer, op pagina zooveel van denHavelaar, waar ik zoo boos op u werd.Ze lazen, doch waren niet tevreden. Weêr even als gy, by ’t lezen van zoo menige andere bladzy die ik schreef, maar die ’k niet intrek om uw verstoordheid.En toen ze gelezen hàdden, riepen ze met ’n eenparigheid van gevoelen, die zeldzaam is by kerkgangers;“Al wat ge daar zegt, doet niet tot de zaak. Wy eischen ons derde deel, en de executie van de vry-arbeiders. Denkt ge dat wy uw eerste deel zouden hebben ondergaan met geduld, en uw tweede deel met onderworpen berusting, als ’t ons niet ware te doen geweest om uwderdedeel?”Ik werd bang voor al die menschen. Lezer, ge hebt geen begrip van de woede eener menigte die ’t derde deel van ’n preêk vraagt.Zoo-als altyd, heeft m’n vrouw my uit den nood geholpen.—Wel zei ze, daarishet!—Wat?—Uw derde deel!—Waar?—Dáár! Zie...En ze las:“De Gouverneur-Generaal houdt ’n teugel in-handen...”—Ja, dat weet ik wel. Ikzelf heb hem koetsier gemaakt.Maar ze beweren dat dit hetkultuurstelselaangaat.—Dan hebben ze slordig gelezen. ’t Gaat het stelsel vangezagaan. Maar hoor verder.En, na de alinea te hebben uitgelezen waaraan ze begon, sloeg ze wat over, en las:“Wiltge veranderen, wilt ge hier-en-daar ’n zyteugel inanderehand geven, dan in de hand die den hoofdteugel houdt... wilt ge bykoorden afsnyden, onderlynen scheiden van de moederlynen waarvan ze uitgingen... of—erger nog wilt gy de onderdeelen van den hoofdteugel dwars-uittrekken... rechts... links... naar-boven... naar-beneden... heen-en-weer... scheef en schots... zóó dat de paarden dol worden...”—O, ik begryp... riep ik, en ik preêkte:Geachte Hoorders!Derde deel. Wilt ge dat de paarden dol worden... neem dan Vry-arbeiders. En nu laat ons te zamen...—Neen, zei m’n vrouw.Uitis ’t nog niet. Ik heb de buizen nog. En ze las:“Verander al de lynen van decat o’ twelve million tailsinbuizen, zet een flinken stoomzuiger op de hoofdbuis...”—Ik begryp u, riep ik, en preêkte nog-eens:“Geachte Hoorders.Tweede deel van m’n derde deel.Geef elken aventurier toegang tot de machine, tot de hoofdbuis, tot de onderbuis, tot de kleine nevenbuisjes...”Sta hem toe dat hy zyn eigen stoommachine doe werken rechtstreeks op de bron...Vergun hem z’n eigen buizen, z’n eigen primitieve, ditmaalongezwachteldebuizen...Vanniet te ergis geen sprake meer ...... vergun hemdiebuizen, de buizen van deWELEDELE HEEREN DROOGSTOPPEL EN CONSORTEN, te plaatsen op de borst van twaalf millioen Javanen...Laat hem boren dóór die borst, tot hy ’t hart raakt...En dan... ja, dan...Pomp... pomp... pomp... voor den duivel... en voor devry arbeiders... ziedaar uw derde deel!

“Ei,”zegt ge,“en uwe verdediging van den zysprong? Uw beloofd kykje achter de schermen?”’t Is waar. Ik had niet van ziel moeten spreken. Die zysprong was maar een oratorische kunstgreep om u vertrouwen inteboezemen op alles wat ik verder zeggen zal. Dit is nu wat de heeren noemen: “talent.”Lezer, als ge goed hebt opgelet, dan verstaat ge nu die kunsten ook. En als ge niets anders te doen hebt, kunt ge terstondIdeënuitgeven, en meêschryven overVryen-Arbeid. Maar, eilieve, nu ik u zoo goedmoedig in-staat stel om evenveel talent te hebben als de beste, nu ge by-ondervinding weet dat zoo’n talent ook voor den minst bevattelyken mensch te verkrygen is in een paar minuten tyds, nu ik u getoond heb dat het maar ’n “weet” is, zooals ’t volk zegt, nu zult ge toch wel, eens-vooral hoop ik, ophouden een hoedanigheid te verheffen die veel algemeener is dan laarzenmaken. Dàt leert ge zoo gauw niet.En als ge nu weêr spreekt van talent, houd ik uw geroep daarover,—ja, ik deed dit reeds lang—voor ’n gehuichelde “exceptie” terechtsweigering.De Javaan is zeer ondergeschikt aan z’n Hoofden. Onderworpenheid aan den wil van z’n erfelyken heer is zyn godsdienst, ’n godsdienst van te bindender kracht, omdat ze niet in ’n boek staat, en dus niet afhankelyk is van verschillende uitlegging. Het kultuurstelsel is op deze verregaande onderdanigheid gebouwd.6Dit stelsel is ’n kontrakt tusschen de Javaansche Hoofden en het Nederlandsche Gouvernement, om den geringen man uittezuigen voor gezamenlyke rekening. En hoezeer ’t nu vanzelf spreekt dat er by zoodanigen handel—ik bedoel:Schwindel, maar vindt er geen hollandsch woord voor—datdaarby sprake is van ’n leeuwen-aandeel in den buit, zou niet ieder misschien terstond op het denkbeeld komen dat ertweeruim gemetenpartes leonisworden afgenomen. En toch is dit zoo.“O, dat Kultuurstelsel!”roepen de Vry-arbeiders.Ja, dat Kultuurstelsel werkt inderdaad noodlottig. En ik ben er tégen. Maar ik ben alleen dáárom tegen dit stelsel wyl ik ... geen nationaliteit bezit. ’t Woord is er uit. Ik kan ’t niet helpen, en ik neem het niet terug. My isAristidesnader dan de achtkante boer, al zy ’t dan dat deze m’n landgenoot was. Ik stel hetrechtboven buurtgenootschap, boven provinciegenootschap, boven landgenootschap, boven werelddeelgenootschap. En ik ben verwaand genoeg om ieder die hierover anders denkt, ieder dieAristidesnietvoortrekt boven dien ander, te beschuldigen van verregaande verwaandheid. Partytrekken voor landgenootenomdatze landgenooten zyn, noem ik zelfverheffingpar ricochet. Ik verklaar rondborstig, en naar ik meen nederig, dat het me nooit in ’t hoofd is gekomen my hooger te schatten dan ’n ander, omdat-i niet in Nederland geboren was. Deze nederigheid nu oefent ’n grooten invloed uit op m’n opinie over ’t Kultuurstelsel. Want ik hoor spreken van “Nederlandsche standpunten” d. i. van punten waarop ik niet sta...ikdie maar ’nmenschben. En zelfs dit geeft me geen “standpunt” op m’n eigen hand. Want als ik ’n hond zie mishandelen door myn medemensch, dan trek ik party voor den hond. Ja, dit zou ik doen, al had my ’t beest gebeten, en al waar ’t geboren in ’n andere buurt.Maar ik begryp, Nederlanders, dat ge niets weten wilt van zoo’n verregaande standpuntloosheid. Welaan, ik zal beproeven u tot aandacht te nopen door ’t spreken vanuwtaal. Ik zal me voor ’n oogenblik houden als-of ik aandeelen had in uwen Staat, en belang by uw welvaart. Ik zal, voor ’n oogenblik altoos, geloof-slaan aan alle vaderlandsche deugden, en me aanstellen, alsof ikzelf met die deugden behebt was. Ik zal ’t Kultuurstelsel beschouwen vannederlandschstandpunt ...Welnu, dan moet ik betuigen, voor-zoo-ver ik heb kunnen nagaan, nooit in eenig land ter-wereld, nog op eenig blad der Geschiedenis van die wereld, een zoo kunstmatig-schoon organismus te hebben aangetroffen, als wy, Nederlanders “met Gods hulp” in Indië hebben tot-stand gebracht. Wy ’n kleine natie van drie millioen zielen, hebben middel gevonden om te heerschen over twaalf millioen Javanen, en hen te dwingen tot geregelden arbeid. Wy hebben orde geschapen, waar ordeloosheid bestond, nyverheid waar luiheid heerschte, veiligheid—voor Europeanen, tenminste, en vannederlandschstandpunt is dit veel waard! waar vroeger niemand veilig was.En hoe is dit geschied? Niet dóór het Kultuurstelsel, wel-is waar, maar toch dooraanwending van ’t hoofddenkbeeld des Kultuurstelsels, doordezelfde mekaniek die dit stelsel zoo praktisch maakte. Dat stelsel brengt koffi voort, niet waar? Welnu, de toepassing van ’t zelfde principe waaraan wy die koffi te danken hebben, brengt iets anders voort dat méér beduidend zalzyndan koffi, zoolang ’t geheel grooter is dan een der deelen. Het brengt voort:HET GEZAG.Hoe heet dit kostbaar hoofdbeginsel? Ziehier, en laat nu in ’s hemels-naam eenvoud niet gelden als verkeerdheid. Ge hebt aan dien eenvoud uwGEZAGin Indië te danken, en daardoor ... de koffi.Ik zal u dit duidelyk uitleggen, zoo duidelyk ’t my mogelyk is. Maar begin dan met u te doordringen van de waarheid dat het regeeren vangrootevolkeren door ’nkleinvolk, op verren afstand, met ’n heel klein leger niet gemakkelyk is. Zeg niet, zonder nadenken: o dit zou ik ook wel kunnen, en denk aan ’t ei vanColumbus...Het hoofddenkbeeld van ’t Kultuurstelsel en van onsGEZAGin Indië, is dit;De Gouverneur-Generaal houdt ’n teugel in-handen, die van afstand tot afstand zich verdeelt in onderdeelen, welker splitsing weêr op-nieuw onderscheiden lynen en koorden daarstelt, die—weêr op hun beurt gesplitst—zich rechts en links uitstrekken, en na herhaalde weêrverdeeling ten laatste elk individubereiken,in-toom houden,dwingen... dat is:REGEEREN.Deze teugel—ik spreek altyd alsnederlandsch koetsier—is ’n ware Katholieke kerk van volmaaktheid.Sit ut est, aut non sit.En even als die kerk niet kon wordenuitgevonden, maar:het werk der eeuwen is7d.i. het werk van de logica der feiten die ’r voorvielen in die eeuwen, zoo is ook de wyze waarop wy Nederlanders Indië regeeren, nietuitgevondendoor den generaalvan den Bosch, noch door wien ook, maar geheel alleen ’n gevolg dernoodzakelykheid. Wilt ge heerschen in Indië,heerscht dan zóó. Wilt geveranderen... wilt ge hier-en-daar ’n zyteugel inanderehand geven, dan in de hand die denhoofd-teugel houdt ... wilt ge bykoorden afsnyden, onderlynen scheiden van de moederlyn waarvan ze uitgingen ... of—erger nog—wilt gy de onderdeelen van den hoofdteugel dwars-uittrekken ... rechts ... links ... naar-boven ... naar-beneden ... heen-en-weer ... scheef en schots ...zóó, dat de paarden dol worden ...heersch danNIET! Geef dan uwGEZAGop ... en uw koffi.Nog eens:sit ut est, aut non sit.Neen dit stelsel is nietuitgevonden. Als ’t uitgevonden was, zou ’t niet zoo goed wezen. Om dit te begrypen trachte men, met voorbygang van duitenplaterige dagkwestiën, terugtekeeren tot den oorsprong van de zaak. Als by de algebra—die heerlyke logica in kort begrip—hebbe men slechts de opgave uittedrukken in den eenvoudigen vorm.Wat is die opgave? “Ik wil koffi.” Goed:“Javaan, ik wil koffi!”“Dan moet je maar koffi planten, drogen, oogsten, schillen, roosten, malen. En daarna, doe ’r water op, ... naar ik hoor, wantikdrink geen koffi, en heb dus geen reden om ze te planten.”Men ziet dat ik tracht primitief te wezen. Ik spreek van den Javaan, die zelfgeenkoffi dronk.Nudoet hy ’t. Maar toch is ’t antwoord dat ik hem in den mond leg, niet goed. Gy zegt:“Javaan, ik wil koffi.”De Javaan staart u onverschillig aan, wentelt z’n sirie op den rooden lip ’n halven slag om, spuwt, kykt naar de lucht, en wentelt daarna zichzelf om. Want hy lag. En wie hem dat liggen kwalyk neemt, is onrechtvaardig, en vergeet dat hyzelf meestal zou liggen, als hem de nood niet dwong tot loopen, staan of kruipen.En wie ’t kwalyk neemt dat de Javaan niet antwoordt op de vraag: Javaan, ik wil koffi...is óók onrechtvaardig, en vergeet dat hyzelf erger zou doen dan niet antwoorden, wanneer die Javaan hem kwam zeggen: “Hollander, ik wil kaas.”Hoe ’t zy, de Javaan antwoordt niet, en geeftgeenkoffi.Daar komt ’n man aan, gevolgd door andere mannen, die allen wat dragen. De een, ’n beteldoos. De tweede, ’n zonnescherm. De derde, ’n lans. De vierde ... ’t doet er niet toe. Genoeg, ze gaan, allen iets dragende, achter den man die niets draagt.En zie, uw Javaan, die niet antwoordde, die naar de lucht keek, die z’n sirie omwentelde—en zichzelf—richt zich op. Neen, oprichten is ’t woord niet. Maar hy ligt niet meer, dat is waar. Hy hurkt en buigt, en vouwt zich, slaat de handen tegen elkaêr, en houdt ze laag ... laat z’n hoofd neêrzakken op die handen ...“Wat is dat?” vraagt ge verwonderd.De man die niets draagt, wenkt. Oogenblikkelyk dagen er van rechts en links gewapende mannen op—neen, gewapend hoeft niet—die u—alweêr op ’n wenk van den nietsdragenden man—aangrypen, binden, mishandelen en ’t land uitgooien.Daarop gaat ge naar huis! ’t Moet wel. Wat anders? Ge doet verslag aan de Kamer vanDordrechtof, aan de Kamer vanEnkhuizen...Lieve hemel, ik merk daar dat ik de geschiedenis vertel van de oude “edele” Oost-Indische Compagnie. Des-te-beter!Ge doet verslag van uw wedervaren aan die Kamer. Daar ’t ’n Kamer is, spreekt het vanzelf dat ze begint met u niet te begrypen, en dat ze daarop verhandelingen houdt over zaken die volstrekt niet dienen tot dezaak. Eindelyk zegt ’n lid:“Maar, Sieur8als je in-plaats van den Javaan, die lag en hurkte, eens den man had aangesproken,die ging, en niets droeg? Doe dat eens, groet hem vriendelyk van ons allen, en zeg: “weledele heer, zou je de goedheid willen hebben den man, die daar ligt, te zeggen dat-i-koffi plant ... je mag meedrinken ...””“Dat ’s ’n idee!” roept de heele kamer vanDordrechtofEnkhuizen.Nu sla ik honderd jaar over, of meer.Na wat sukkelen is het u gelukt bevriend te worden met den man, voor wien de liggende Javaan opstond en neêrhurkte. Ge begrypt elkaêr als ... neen, ik wil schryven als Nederlander. Ge begrypt elkaêr wel, maar nietcomme deux larrons en foire. Ge begrypt elkaêr als twee heele brave mensen en die samen eene speculatie bespreken.Wie nu meent dat de Javaan—op dezen oogenblik—tot opstaan,neêrhurken, weer opstaan en koffi planten te dwingen is opanderewyze dan ik meêdeelde in m’n zeer verkorte geschiedenis van de “edele” Compagnie, bedriegt zich.Ei, en gyzelf hebt gezegd, dat-i zou arbeiden uit vrye keuze, als men hem niet ...Zwyg, bid ik u ... laat onsNederlandersblyven, en dus ’t woord niet noemen, dat ge noemen woudt. Ja, dat hèb ik gezegd. De Javaan zal arbeiden uit vryen wil, zoodra hy ... of lievereenigen tyd nadathy zal verlost wezen van—ik zelf weet niet hoe ik ’t zeggen moet in ’tnederlandsch—nadat hy zal bevryd zyn van—ja, zoo is ’t!—nadat hy verlost zal wezen van ’t ondergààn der nederlandsche deugden. Beter, nederlandscher, kan ik me niet uitdrukken.Maar zoolang die deugden den Javaan overstelpen met modest genot van ontbering, zoolang die deugden hem alle welvaart doen schuwen uit onbekendheid, alle weelde als schadelyk voor de ziel, alle hebzucht als ’n onmogelykheid ... zóólang zal de Javaan zich niét omkeeren,nietopstaan,nietplanten, dan op den wenk van den man, die niets draagt.Ik hoop dat alle vroegere, tegenwoordige en toekomende Gouverneurs-Generaal my zullen vergeven dat ik hen voor ’n oogenblik tot de automedons maakte van ’t groote voertuig dat Insulinde heet. Ik had die vergelyking noodig om eenigermate aantetoonen hoe—en hoe alleen—’t gezagkan worden gehandhaafd. Maar om de wyze te schetsen, waarop devruchtenvan dat gezag worden ingeöogst, heb ik een beeld noodig dat ik zoeken moet in anderen kring dan de stalhouëry.Gy hebt hoop ik dien hoofdteugel voor den geest, waarvan ik sprak, met al die by- onder- en neventeugels? ’t Is eencat o’ nine tails, vind ik, maar met oneindig meerdannegenstaarten. Welnu, verander al die lynen inbuizen, zet de twaalf-millioen dunne twintigmaal onderverdeelde by-buisjes op de borst van twaalf millioen Javanen, breng ’n zuiger, ’n flinken stoomzuiger aan op de hoofdbuis, en daarna ...Pomp, pomp, pomp, zeg ik u.Pompvoor den duivel ... en voorNederland.Dit is ’t Kultuurstelsel. Men moet ’n Hottentot wezen, of ’nmensch, om ’t niet mooi te vinden. Maar vannederlandschstandpunt blyf ik beweren, dat het overvloeit van de katholieke schoonheid.Sit ut est, aut non sit.Sit ut est.Het blyve zóó als ’t is. Ja, zóó moet het blyven tot de Javaan ... enz. want we zyn nog zoo ver niet.Zóómoet dat stelsel blyven. Zóó als ’tbeschrevenstaat. Zóó als debedoelingwas, en tevens zoo als dezeer duidelyk uitgedruktebedoeling was van den wetgever, van deIndische Staatsbladen.Maar als ik zeg: zóó moet het stelsel blyven, beweer ik daarmeê niet: de in dat stelsel door slymerige Residenten of onbekwame en luie Gouverneurs-Generaal tusschengeschoven domheden.Die moetennietblyven. Dáártegen trok ik te velde in m’nHavelaar, enniettegen ’t stelsel zelf.Want, op dezen oogenblik, kunnen we dit stelsel niet missen. Het is noodig dit stelsel te behouden, niet omdat het onskoffigeeft, maar omdat het onsGEZAGgeeft, en als ’t gezag verloren is, valt er niets meer te stelselen.De wetgever—ik heb een hekel aan dit woord, maar ik sta nog altyd op m’nnederlandschstandpunt—de wetgever heeft niet bedoeld hetgezag-stelsel te geven als iets vriendelyks, iets liefelyks, iets sentimenteels. Er wordt byv. in de staatsbladen niet gesproken van Arkadie. Maar hy heeft, geleid door de opmerking dat tweemaal twee vier is, en dat de Javaan z’n hoofden gehoorzaamt, dat stelsel uitgev ... neen, waarachtig niet.Hy heeft onder woorden gebracht, met name genoemd, en gereglementeerd:wat-i vond. En hy heeft begrepen, voorzien engevreesd, dat de drang der omstandigheden—de noodzakelykheid—hier-en-daar nadeeligen invloed hebben zou op de algemeene welvaart, en daardoor op de geregelde, practische, voortdurend produktieve werking van dat stelsel.Dit moet hy voorzien hebben. ’t Kán niet anders. Het is te bewyzen,a prioriena posteriori.A priori: een buis op de borst, en ’n stoompomp op de hoofdbuis ...Zelfs geen wetgever is zóó dom, dat-i niet begrypen zou hoe onaangenaam dit voor zoo’n borst wezen moet.A posteriori: De Staatsbladen vloeien over van menschlievende bepalingen. Een oogenblik! Dit heb ik meer gezegd. Ik citeer myzelf gaarne, als ’t dienen kan om aantetoonen dat ik methodischer ben dan men voorgeeft te meenen, en dat ik niets uitvindpour le besoin de la causevan ’t oogenblik.Neen, ’k wil niet bladeren in dat boek. Zoek maar op in denHavelaar, lezer, of ik niet reeds daarin gezegd heb, ja, of niet, dat het heele boek overvloeit van bewyzen:dat de bepalingen zoo slecht niet zouden wezen, als ze maar werden gehandhaafd?Dat er zooveeleeden en verzekeringen en betuigingen worden gevorderd: dat men den geringen man beschermen zal! Zie voorts dat allerbelangrykstevyf en twintigsteartikel van ’t Regeerings-reglement, dat ik drukken laat op het titelblad dezer brochure. Lees zelf, als gy ze krygen kunt, de indische staatsbladen ... overal zult gy vinden verzachtende, goedaardige, welwillende, menschlievende, beschermende bepalingen ...O, in menigte. Maar ...Ze worden niet gehandhaafd.Dit ziet gy in denHavelaar. Althans dit hadt ge in dat boek kunnen zien, wanneer ’t u om waarheid ware te doen geweest. De Havelaarszaak is geen stryd tegen dewet, maar ’n stryd tegen ’tverkrachtenvan de wet.Overal bemerkt men dat de wetgever, de in dit geval zeer bekwame wondheeler die de buizen zetten en besturen moest, medelyden met den patiënt heeft. Gedurig spreekt-i dezen een vriendelyk woordje toe. Gedurig vermaant hy de omstanders—d. i. de personen die hem moeten helpen: de indische ambtenaren—tot kalmte, tot inschikkelykheid, tot zachtheid. Telkens waarschuwt hy tegen overdryving. En overal zegt-i: “Sjt,de lyder wil spreken, we willen hooren wat-i te zeggen heeft.” (”De Gouverneur-Generaal zorgt dat iederen inlander overal de gelegenheid worde gegeven,vryelykzyn klachten intebrengen.Regeerings-reglement, enalleIndische reglementen. Is ditduidelyk?”)Maar die omstanders, dieonderbuisvoerders, weten dit alles beter. Zy hebben uitgevonden—pour tout de bon:uitgevondenditmaal—een “geest van ’t gouvernement” die den wetgever onbekend was. Een sleur, die ’t gezagstelsel tot ’n vloek maakt, in-plaats van een zoo mild mogelyk toegepast noodzakelyk kwaad van tydelyken aard, zoo-als ’t anders wezen zou. Een “geest van ’t gouvernement” die ’t schipperen voorschryft als wysheid, het toeknypen van den keel des lyders als politiek. Het “niet-bemoeielyken” van deze of gene Excellentie, als diplomatischecourtoisie. Een geest, die—dit beken ik—’t beste middel aangeeft om op den ouden dag heel prettig en kalm te leven van ’n makkelyk verdiend—neen, van eenonverdiend—pensioen ... dat de natie gewillig betaalt!De wetgever—d. i. de in Indië bestaandetoestanden, uitgedrukt in de bepalingen—heeft begrepen dat er vóór alles, orde noodig was. Die orde heerscht dan ook. De Javaan moest gewoon gemaakt worden aan gezetten arbeid. Goed. De betaling voor dien arbeid was gering. ’t Zy zoo. Ze kon later stygen, zoodra nederlandsche nood zou hebben plaats gemaakt voor ... deugden van andere soort dan de nederlandsche. Maar de geringe belooning van den Javaanmoest hem dan ook inderdaad worden uitbetaald. Hy moest niet worden mishandeld, geplunderd, vermoord. Ook bedoelde de wetgever niet, dat men “klagers” in de rivier zou werpen, om ze te laten afdryven als een “groetgeschenk van de haaienin’t binnenland aan de haaien in zee.”Dit alles bedoelde de wetgeverniet. Zyn meening—en vooral z’nbelang—wasnietdat de patiënt bezwyken zou.Overal blykt dat die wetgever gepoogd heeft het noodzakelykkwaad van ’n eenvoudig maar praktischgezagenkultuur-stelsel—dat ik trachtte te karakteriseeren door vergelyking met teugels en buis—zoo dragelyk te maken als maar eenigszins mogelyk was. En al die voorzorgen leveren ’t volkomen bewysa posteriori, dat de toepassers van dit stelsel zeer goed begrepen tot welke misbruiken het zou aanleiding geven. Elke lastgeving tot menschelykheid, bewyst vrees voor wreedheid. Elk voorschrift dat beveelt den Javaan tehoorenwaar hy klaagt, bewyst dat men op die klachten was voorbereid, en tevens op den onwil om ze aantehooren. Uit elken wenk tot matiging blykt wantrouwen op gematigdheid, en vrees voor overdryving. Elk beschermend besluit of staatsblad, elke menschlievende resolutie, draagt het bewys in zich dat er bescherming, dat er aansporing tot menschlievendheid noodig was.Al die staatsbladen, al die besluiten en resolutiën kunt ge lezen. Is ’t niet of men in een nabyliggende kamer gedurig op ’n toon van gezag hoort roepen: “Niet te erg! Langzaam en voorzichtig, zeg ik u!” “Spaar hem!”Goed—d. i. ik benoem u tot... enz.—maar belooft eerstby God Almachtigdat ge zult zorg dragen dat hy niet bezwykt—ambtsëed;dat men ’t niet te erg zal maken...“Niet te erg!”Wanneer ge zoo-iets gedurig hoort aanbevelen in ’n kamer naast u, dan springt gy op... vergeef me, van eennederlandschstandpunt bezien, richt gy uw blik langzaam naar ’t beschot! en ge roept... vergeef me nog-eens, ge maakt de zeer beredeneerde opmerking:“Het schynt dat men daar bezig is, iemand stelselmatig “niet te erg!” te mishandelen...Niet te erg!G ............ ik geloof ’t graag! Daar wordt iemand gemarteld in die kamer, als men hetteerg deed, was ’t gauw gedaan met de koffi.Alle Staatsbladen nu schryven voor:niet te erg.Van lamme, luie, pensioenjagende residenten, van vrome, kuische, rustlievende, gewetenlooze Gouverneurs-Generaal spreek ik ditmaal niet. Ik heb me nu eenmaal neêrgebogen tot de kwestie van den dag. Ik spreek dus van ’t Stelsel zoo-als dit isgereglementeerdin deStaatsbladen, en niet over deafwykingvan dat stelsel.Het “niet te erg”—niet erger dan volstrekt noodig is—bepaalt zich niet tot voorschriften van algemeene strekking. Neen, de wetgever heeft begrepen dat er meer noodig was. Ieder kanambtenaar worden in Indië, maar niet ieder kan ambtenaar worden by ’tbinnenlandsch bestuur. De keuze van de beambten die meer onmiddellyk in aanraking komen met den Javaan, wordt geleid door beschouwingen die—ja, ’t is de waarheid!—die fyner zyn, meer omvatten, dieper doordringen, dan er zou noodig wezen voor ’n vader die te beslissen had op ’n aanzoek om de hand van z’n dochter. Daartoe wordt beschaving vereischt, fatsoen, goede manieren, zedelykheid, zachtmoedigheid, verstand, oordeel... kortom—en, om niet te spreken van de noodige kennis, wetenschap en bekwaamheid9—het corps beambten by ’t binnenlandsch bestuur inIndiëmoetzyn—enisdit ook naar myn overtuiging in veel opzichten—eencorps d’elite.In de vergelykingen—die ik niet loslaat, want straks zal ik ze nog-eens noodig hebben—wil dit zeggen dat de uiteinden der dunne onderbuizen die rechtstreeks in aanraking komen met den Javaan, omzwachteld zyn, en zoo afgerond mogelyk van vorm. Dit wil tevens zeggen, dat de dunne fyne uiteinden der hierarchische splitsing van den gezag-stroom, veerkrachtig moeten wezen, en van een stof die niet te ruw is op ’t gevoel.Want de wetgever meende, en hy had gelyk:Dat het gezagstelsel ’nnoodzakelykkwaad is.Dat het, om te kunnen blyven bestaan zoolang ’t noodig zal wezen, moest getemperd worden door allerlei maatregelen van voorzorg: NIET TE ERG!”Alle regelen—ho, alle eerste regelen!—van styl, enz. schryven voor, dat men ’n vergelyking niet te lang moet voortzetten. Ik sprak reeds veel van buizen en teugels. En ik zal daarvan nog eenmaal spreken, wanneer wy ...Daar vliegt op-eens ’n bende toehoorders m’n kamer in, die my op deurwaarders-manier sommeeren om het derde deel van myn preek te leveren, dat achterwege bleef omdat het preêken me verveelde. ’t Is waar: ik had beloofd: eenigebeschouwingendie zouden aantoonen “dat het niet juist de vry-arbeiders zyn die den Javaan zullen opvoeren tot vrywilligen arbeid.” O, die tuchteloosheid! O, dat gebrek aan school! O die finale afwezigheid van methode...Daar, leest! zei ’k tot de derdedeelbegeerige menigte.Ze lazen, maar riepen: hm! Precies als gy, lezer, op pagina zooveel van denHavelaar, waar ik zoo boos op u werd.Ze lazen, doch waren niet tevreden. Weêr even als gy, by ’t lezen van zoo menige andere bladzy die ik schreef, maar die ’k niet intrek om uw verstoordheid.En toen ze gelezen hàdden, riepen ze met ’n eenparigheid van gevoelen, die zeldzaam is by kerkgangers;“Al wat ge daar zegt, doet niet tot de zaak. Wy eischen ons derde deel, en de executie van de vry-arbeiders. Denkt ge dat wy uw eerste deel zouden hebben ondergaan met geduld, en uw tweede deel met onderworpen berusting, als ’t ons niet ware te doen geweest om uwderdedeel?”Ik werd bang voor al die menschen. Lezer, ge hebt geen begrip van de woede eener menigte die ’t derde deel van ’n preêk vraagt.Zoo-als altyd, heeft m’n vrouw my uit den nood geholpen.—Wel zei ze, daarishet!—Wat?—Uw derde deel!—Waar?—Dáár! Zie...En ze las:“De Gouverneur-Generaal houdt ’n teugel in-handen...”—Ja, dat weet ik wel. Ikzelf heb hem koetsier gemaakt.Maar ze beweren dat dit hetkultuurstelselaangaat.—Dan hebben ze slordig gelezen. ’t Gaat het stelsel vangezagaan. Maar hoor verder.En, na de alinea te hebben uitgelezen waaraan ze begon, sloeg ze wat over, en las:“Wiltge veranderen, wilt ge hier-en-daar ’n zyteugel inanderehand geven, dan in de hand die den hoofdteugel houdt... wilt ge bykoorden afsnyden, onderlynen scheiden van de moederlynen waarvan ze uitgingen... of—erger nog wilt gy de onderdeelen van den hoofdteugel dwars-uittrekken... rechts... links... naar-boven... naar-beneden... heen-en-weer... scheef en schots... zóó dat de paarden dol worden...”—O, ik begryp... riep ik, en ik preêkte:Geachte Hoorders!Derde deel. Wilt ge dat de paarden dol worden... neem dan Vry-arbeiders. En nu laat ons te zamen...—Neen, zei m’n vrouw.Uitis ’t nog niet. Ik heb de buizen nog. En ze las:“Verander al de lynen van decat o’ twelve million tailsinbuizen, zet een flinken stoomzuiger op de hoofdbuis...”—Ik begryp u, riep ik, en preêkte nog-eens:“Geachte Hoorders.Tweede deel van m’n derde deel.Geef elken aventurier toegang tot de machine, tot de hoofdbuis, tot de onderbuis, tot de kleine nevenbuisjes...”Sta hem toe dat hy zyn eigen stoommachine doe werken rechtstreeks op de bron...Vergun hem z’n eigen buizen, z’n eigen primitieve, ditmaalongezwachteldebuizen...Vanniet te ergis geen sprake meer ...... vergun hemdiebuizen, de buizen van deWELEDELE HEEREN DROOGSTOPPEL EN CONSORTEN, te plaatsen op de borst van twaalf millioen Javanen...Laat hem boren dóór die borst, tot hy ’t hart raakt...En dan... ja, dan...Pomp... pomp... pomp... voor den duivel... en voor devry arbeiders... ziedaar uw derde deel!

“Ei,”zegt ge,“en uwe verdediging van den zysprong? Uw beloofd kykje achter de schermen?”’t Is waar. Ik had niet van ziel moeten spreken. Die zysprong was maar een oratorische kunstgreep om u vertrouwen inteboezemen op alles wat ik verder zeggen zal. Dit is nu wat de heeren noemen: “talent.”Lezer, als ge goed hebt opgelet, dan verstaat ge nu die kunsten ook. En als ge niets anders te doen hebt, kunt ge terstondIdeënuitgeven, en meêschryven overVryen-Arbeid. Maar, eilieve, nu ik u zoo goedmoedig in-staat stel om evenveel talent te hebben als de beste, nu ge by-ondervinding weet dat zoo’n talent ook voor den minst bevattelyken mensch te verkrygen is in een paar minuten tyds, nu ik u getoond heb dat het maar ’n “weet” is, zooals ’t volk zegt, nu zult ge toch wel, eens-vooral hoop ik, ophouden een hoedanigheid te verheffen die veel algemeener is dan laarzenmaken. Dàt leert ge zoo gauw niet.En als ge nu weêr spreekt van talent, houd ik uw geroep daarover,—ja, ik deed dit reeds lang—voor ’n gehuichelde “exceptie” terechtsweigering.De Javaan is zeer ondergeschikt aan z’n Hoofden. Onderworpenheid aan den wil van z’n erfelyken heer is zyn godsdienst, ’n godsdienst van te bindender kracht, omdat ze niet in ’n boek staat, en dus niet afhankelyk is van verschillende uitlegging. Het kultuurstelsel is op deze verregaande onderdanigheid gebouwd.6Dit stelsel is ’n kontrakt tusschen de Javaansche Hoofden en het Nederlandsche Gouvernement, om den geringen man uittezuigen voor gezamenlyke rekening. En hoezeer ’t nu vanzelf spreekt dat er by zoodanigen handel—ik bedoel:Schwindel, maar vindt er geen hollandsch woord voor—datdaarby sprake is van ’n leeuwen-aandeel in den buit, zou niet ieder misschien terstond op het denkbeeld komen dat ertweeruim gemetenpartes leonisworden afgenomen. En toch is dit zoo.“O, dat Kultuurstelsel!”roepen de Vry-arbeiders.Ja, dat Kultuurstelsel werkt inderdaad noodlottig. En ik ben er tégen. Maar ik ben alleen dáárom tegen dit stelsel wyl ik ... geen nationaliteit bezit. ’t Woord is er uit. Ik kan ’t niet helpen, en ik neem het niet terug. My isAristidesnader dan de achtkante boer, al zy ’t dan dat deze m’n landgenoot was. Ik stel hetrechtboven buurtgenootschap, boven provinciegenootschap, boven landgenootschap, boven werelddeelgenootschap. En ik ben verwaand genoeg om ieder die hierover anders denkt, ieder dieAristidesnietvoortrekt boven dien ander, te beschuldigen van verregaande verwaandheid. Partytrekken voor landgenootenomdatze landgenooten zyn, noem ik zelfverheffingpar ricochet. Ik verklaar rondborstig, en naar ik meen nederig, dat het me nooit in ’t hoofd is gekomen my hooger te schatten dan ’n ander, omdat-i niet in Nederland geboren was. Deze nederigheid nu oefent ’n grooten invloed uit op m’n opinie over ’t Kultuurstelsel. Want ik hoor spreken van “Nederlandsche standpunten” d. i. van punten waarop ik niet sta...ikdie maar ’nmenschben. En zelfs dit geeft me geen “standpunt” op m’n eigen hand. Want als ik ’n hond zie mishandelen door myn medemensch, dan trek ik party voor den hond. Ja, dit zou ik doen, al had my ’t beest gebeten, en al waar ’t geboren in ’n andere buurt.Maar ik begryp, Nederlanders, dat ge niets weten wilt van zoo’n verregaande standpuntloosheid. Welaan, ik zal beproeven u tot aandacht te nopen door ’t spreken vanuwtaal. Ik zal me voor ’n oogenblik houden als-of ik aandeelen had in uwen Staat, en belang by uw welvaart. Ik zal, voor ’n oogenblik altoos, geloof-slaan aan alle vaderlandsche deugden, en me aanstellen, alsof ikzelf met die deugden behebt was. Ik zal ’t Kultuurstelsel beschouwen vannederlandschstandpunt ...Welnu, dan moet ik betuigen, voor-zoo-ver ik heb kunnen nagaan, nooit in eenig land ter-wereld, nog op eenig blad der Geschiedenis van die wereld, een zoo kunstmatig-schoon organismus te hebben aangetroffen, als wy, Nederlanders “met Gods hulp” in Indië hebben tot-stand gebracht. Wy ’n kleine natie van drie millioen zielen, hebben middel gevonden om te heerschen over twaalf millioen Javanen, en hen te dwingen tot geregelden arbeid. Wy hebben orde geschapen, waar ordeloosheid bestond, nyverheid waar luiheid heerschte, veiligheid—voor Europeanen, tenminste, en vannederlandschstandpunt is dit veel waard! waar vroeger niemand veilig was.En hoe is dit geschied? Niet dóór het Kultuurstelsel, wel-is waar, maar toch dooraanwending van ’t hoofddenkbeeld des Kultuurstelsels, doordezelfde mekaniek die dit stelsel zoo praktisch maakte. Dat stelsel brengt koffi voort, niet waar? Welnu, de toepassing van ’t zelfde principe waaraan wy die koffi te danken hebben, brengt iets anders voort dat méér beduidend zalzyndan koffi, zoolang ’t geheel grooter is dan een der deelen. Het brengt voort:HET GEZAG.Hoe heet dit kostbaar hoofdbeginsel? Ziehier, en laat nu in ’s hemels-naam eenvoud niet gelden als verkeerdheid. Ge hebt aan dien eenvoud uwGEZAGin Indië te danken, en daardoor ... de koffi.Ik zal u dit duidelyk uitleggen, zoo duidelyk ’t my mogelyk is. Maar begin dan met u te doordringen van de waarheid dat het regeeren vangrootevolkeren door ’nkleinvolk, op verren afstand, met ’n heel klein leger niet gemakkelyk is. Zeg niet, zonder nadenken: o dit zou ik ook wel kunnen, en denk aan ’t ei vanColumbus...Het hoofddenkbeeld van ’t Kultuurstelsel en van onsGEZAGin Indië, is dit;De Gouverneur-Generaal houdt ’n teugel in-handen, die van afstand tot afstand zich verdeelt in onderdeelen, welker splitsing weêr op-nieuw onderscheiden lynen en koorden daarstelt, die—weêr op hun beurt gesplitst—zich rechts en links uitstrekken, en na herhaalde weêrverdeeling ten laatste elk individubereiken,in-toom houden,dwingen... dat is:REGEEREN.Deze teugel—ik spreek altyd alsnederlandsch koetsier—is ’n ware Katholieke kerk van volmaaktheid.Sit ut est, aut non sit.En even als die kerk niet kon wordenuitgevonden, maar:het werk der eeuwen is7d.i. het werk van de logica der feiten die ’r voorvielen in die eeuwen, zoo is ook de wyze waarop wy Nederlanders Indië regeeren, nietuitgevondendoor den generaalvan den Bosch, noch door wien ook, maar geheel alleen ’n gevolg dernoodzakelykheid. Wilt ge heerschen in Indië,heerscht dan zóó. Wilt geveranderen... wilt ge hier-en-daar ’n zyteugel inanderehand geven, dan in de hand die denhoofd-teugel houdt ... wilt ge bykoorden afsnyden, onderlynen scheiden van de moederlyn waarvan ze uitgingen ... of—erger nog—wilt gy de onderdeelen van den hoofdteugel dwars-uittrekken ... rechts ... links ... naar-boven ... naar-beneden ... heen-en-weer ... scheef en schots ...zóó, dat de paarden dol worden ...heersch danNIET! Geef dan uwGEZAGop ... en uw koffi.Nog eens:sit ut est, aut non sit.Neen dit stelsel is nietuitgevonden. Als ’t uitgevonden was, zou ’t niet zoo goed wezen. Om dit te begrypen trachte men, met voorbygang van duitenplaterige dagkwestiën, terugtekeeren tot den oorsprong van de zaak. Als by de algebra—die heerlyke logica in kort begrip—hebbe men slechts de opgave uittedrukken in den eenvoudigen vorm.Wat is die opgave? “Ik wil koffi.” Goed:“Javaan, ik wil koffi!”“Dan moet je maar koffi planten, drogen, oogsten, schillen, roosten, malen. En daarna, doe ’r water op, ... naar ik hoor, wantikdrink geen koffi, en heb dus geen reden om ze te planten.”Men ziet dat ik tracht primitief te wezen. Ik spreek van den Javaan, die zelfgeenkoffi dronk.Nudoet hy ’t. Maar toch is ’t antwoord dat ik hem in den mond leg, niet goed. Gy zegt:“Javaan, ik wil koffi.”De Javaan staart u onverschillig aan, wentelt z’n sirie op den rooden lip ’n halven slag om, spuwt, kykt naar de lucht, en wentelt daarna zichzelf om. Want hy lag. En wie hem dat liggen kwalyk neemt, is onrechtvaardig, en vergeet dat hyzelf meestal zou liggen, als hem de nood niet dwong tot loopen, staan of kruipen.En wie ’t kwalyk neemt dat de Javaan niet antwoordt op de vraag: Javaan, ik wil koffi...is óók onrechtvaardig, en vergeet dat hyzelf erger zou doen dan niet antwoorden, wanneer die Javaan hem kwam zeggen: “Hollander, ik wil kaas.”Hoe ’t zy, de Javaan antwoordt niet, en geeftgeenkoffi.Daar komt ’n man aan, gevolgd door andere mannen, die allen wat dragen. De een, ’n beteldoos. De tweede, ’n zonnescherm. De derde, ’n lans. De vierde ... ’t doet er niet toe. Genoeg, ze gaan, allen iets dragende, achter den man die niets draagt.En zie, uw Javaan, die niet antwoordde, die naar de lucht keek, die z’n sirie omwentelde—en zichzelf—richt zich op. Neen, oprichten is ’t woord niet. Maar hy ligt niet meer, dat is waar. Hy hurkt en buigt, en vouwt zich, slaat de handen tegen elkaêr, en houdt ze laag ... laat z’n hoofd neêrzakken op die handen ...“Wat is dat?” vraagt ge verwonderd.De man die niets draagt, wenkt. Oogenblikkelyk dagen er van rechts en links gewapende mannen op—neen, gewapend hoeft niet—die u—alweêr op ’n wenk van den nietsdragenden man—aangrypen, binden, mishandelen en ’t land uitgooien.Daarop gaat ge naar huis! ’t Moet wel. Wat anders? Ge doet verslag aan de Kamer vanDordrechtof, aan de Kamer vanEnkhuizen...Lieve hemel, ik merk daar dat ik de geschiedenis vertel van de oude “edele” Oost-Indische Compagnie. Des-te-beter!Ge doet verslag van uw wedervaren aan die Kamer. Daar ’t ’n Kamer is, spreekt het vanzelf dat ze begint met u niet te begrypen, en dat ze daarop verhandelingen houdt over zaken die volstrekt niet dienen tot dezaak. Eindelyk zegt ’n lid:“Maar, Sieur8als je in-plaats van den Javaan, die lag en hurkte, eens den man had aangesproken,die ging, en niets droeg? Doe dat eens, groet hem vriendelyk van ons allen, en zeg: “weledele heer, zou je de goedheid willen hebben den man, die daar ligt, te zeggen dat-i-koffi plant ... je mag meedrinken ...””“Dat ’s ’n idee!” roept de heele kamer vanDordrechtofEnkhuizen.Nu sla ik honderd jaar over, of meer.Na wat sukkelen is het u gelukt bevriend te worden met den man, voor wien de liggende Javaan opstond en neêrhurkte. Ge begrypt elkaêr als ... neen, ik wil schryven als Nederlander. Ge begrypt elkaêr wel, maar nietcomme deux larrons en foire. Ge begrypt elkaêr als twee heele brave mensen en die samen eene speculatie bespreken.Wie nu meent dat de Javaan—op dezen oogenblik—tot opstaan,neêrhurken, weer opstaan en koffi planten te dwingen is opanderewyze dan ik meêdeelde in m’n zeer verkorte geschiedenis van de “edele” Compagnie, bedriegt zich.Ei, en gyzelf hebt gezegd, dat-i zou arbeiden uit vrye keuze, als men hem niet ...Zwyg, bid ik u ... laat onsNederlandersblyven, en dus ’t woord niet noemen, dat ge noemen woudt. Ja, dat hèb ik gezegd. De Javaan zal arbeiden uit vryen wil, zoodra hy ... of lievereenigen tyd nadathy zal verlost wezen van—ik zelf weet niet hoe ik ’t zeggen moet in ’tnederlandsch—nadat hy zal bevryd zyn van—ja, zoo is ’t!—nadat hy verlost zal wezen van ’t ondergààn der nederlandsche deugden. Beter, nederlandscher, kan ik me niet uitdrukken.Maar zoolang die deugden den Javaan overstelpen met modest genot van ontbering, zoolang die deugden hem alle welvaart doen schuwen uit onbekendheid, alle weelde als schadelyk voor de ziel, alle hebzucht als ’n onmogelykheid ... zóólang zal de Javaan zich niét omkeeren,nietopstaan,nietplanten, dan op den wenk van den man, die niets draagt.Ik hoop dat alle vroegere, tegenwoordige en toekomende Gouverneurs-Generaal my zullen vergeven dat ik hen voor ’n oogenblik tot de automedons maakte van ’t groote voertuig dat Insulinde heet. Ik had die vergelyking noodig om eenigermate aantetoonen hoe—en hoe alleen—’t gezagkan worden gehandhaafd. Maar om de wyze te schetsen, waarop devruchtenvan dat gezag worden ingeöogst, heb ik een beeld noodig dat ik zoeken moet in anderen kring dan de stalhouëry.Gy hebt hoop ik dien hoofdteugel voor den geest, waarvan ik sprak, met al die by- onder- en neventeugels? ’t Is eencat o’ nine tails, vind ik, maar met oneindig meerdannegenstaarten. Welnu, verander al die lynen inbuizen, zet de twaalf-millioen dunne twintigmaal onderverdeelde by-buisjes op de borst van twaalf millioen Javanen, breng ’n zuiger, ’n flinken stoomzuiger aan op de hoofdbuis, en daarna ...Pomp, pomp, pomp, zeg ik u.Pompvoor den duivel ... en voorNederland.Dit is ’t Kultuurstelsel. Men moet ’n Hottentot wezen, of ’nmensch, om ’t niet mooi te vinden. Maar vannederlandschstandpunt blyf ik beweren, dat het overvloeit van de katholieke schoonheid.Sit ut est, aut non sit.Sit ut est.Het blyve zóó als ’t is. Ja, zóó moet het blyven tot de Javaan ... enz. want we zyn nog zoo ver niet.Zóómoet dat stelsel blyven. Zóó als ’tbeschrevenstaat. Zóó als debedoelingwas, en tevens zoo als dezeer duidelyk uitgedruktebedoeling was van den wetgever, van deIndische Staatsbladen.Maar als ik zeg: zóó moet het stelsel blyven, beweer ik daarmeê niet: de in dat stelsel door slymerige Residenten of onbekwame en luie Gouverneurs-Generaal tusschengeschoven domheden.Die moetennietblyven. Dáártegen trok ik te velde in m’nHavelaar, enniettegen ’t stelsel zelf.Want, op dezen oogenblik, kunnen we dit stelsel niet missen. Het is noodig dit stelsel te behouden, niet omdat het onskoffigeeft, maar omdat het onsGEZAGgeeft, en als ’t gezag verloren is, valt er niets meer te stelselen.De wetgever—ik heb een hekel aan dit woord, maar ik sta nog altyd op m’nnederlandschstandpunt—de wetgever heeft niet bedoeld hetgezag-stelsel te geven als iets vriendelyks, iets liefelyks, iets sentimenteels. Er wordt byv. in de staatsbladen niet gesproken van Arkadie. Maar hy heeft, geleid door de opmerking dat tweemaal twee vier is, en dat de Javaan z’n hoofden gehoorzaamt, dat stelsel uitgev ... neen, waarachtig niet.Hy heeft onder woorden gebracht, met name genoemd, en gereglementeerd:wat-i vond. En hy heeft begrepen, voorzien engevreesd, dat de drang der omstandigheden—de noodzakelykheid—hier-en-daar nadeeligen invloed hebben zou op de algemeene welvaart, en daardoor op de geregelde, practische, voortdurend produktieve werking van dat stelsel.Dit moet hy voorzien hebben. ’t Kán niet anders. Het is te bewyzen,a prioriena posteriori.A priori: een buis op de borst, en ’n stoompomp op de hoofdbuis ...Zelfs geen wetgever is zóó dom, dat-i niet begrypen zou hoe onaangenaam dit voor zoo’n borst wezen moet.A posteriori: De Staatsbladen vloeien over van menschlievende bepalingen. Een oogenblik! Dit heb ik meer gezegd. Ik citeer myzelf gaarne, als ’t dienen kan om aantetoonen dat ik methodischer ben dan men voorgeeft te meenen, en dat ik niets uitvindpour le besoin de la causevan ’t oogenblik.Neen, ’k wil niet bladeren in dat boek. Zoek maar op in denHavelaar, lezer, of ik niet reeds daarin gezegd heb, ja, of niet, dat het heele boek overvloeit van bewyzen:dat de bepalingen zoo slecht niet zouden wezen, als ze maar werden gehandhaafd?Dat er zooveeleeden en verzekeringen en betuigingen worden gevorderd: dat men den geringen man beschermen zal! Zie voorts dat allerbelangrykstevyf en twintigsteartikel van ’t Regeerings-reglement, dat ik drukken laat op het titelblad dezer brochure. Lees zelf, als gy ze krygen kunt, de indische staatsbladen ... overal zult gy vinden verzachtende, goedaardige, welwillende, menschlievende, beschermende bepalingen ...O, in menigte. Maar ...Ze worden niet gehandhaafd.Dit ziet gy in denHavelaar. Althans dit hadt ge in dat boek kunnen zien, wanneer ’t u om waarheid ware te doen geweest. De Havelaarszaak is geen stryd tegen dewet, maar ’n stryd tegen ’tverkrachtenvan de wet.Overal bemerkt men dat de wetgever, de in dit geval zeer bekwame wondheeler die de buizen zetten en besturen moest, medelyden met den patiënt heeft. Gedurig spreekt-i dezen een vriendelyk woordje toe. Gedurig vermaant hy de omstanders—d. i. de personen die hem moeten helpen: de indische ambtenaren—tot kalmte, tot inschikkelykheid, tot zachtheid. Telkens waarschuwt hy tegen overdryving. En overal zegt-i: “Sjt,de lyder wil spreken, we willen hooren wat-i te zeggen heeft.” (”De Gouverneur-Generaal zorgt dat iederen inlander overal de gelegenheid worde gegeven,vryelykzyn klachten intebrengen.Regeerings-reglement, enalleIndische reglementen. Is ditduidelyk?”)Maar die omstanders, dieonderbuisvoerders, weten dit alles beter. Zy hebben uitgevonden—pour tout de bon:uitgevondenditmaal—een “geest van ’t gouvernement” die den wetgever onbekend was. Een sleur, die ’t gezagstelsel tot ’n vloek maakt, in-plaats van een zoo mild mogelyk toegepast noodzakelyk kwaad van tydelyken aard, zoo-als ’t anders wezen zou. Een “geest van ’t gouvernement” die ’t schipperen voorschryft als wysheid, het toeknypen van den keel des lyders als politiek. Het “niet-bemoeielyken” van deze of gene Excellentie, als diplomatischecourtoisie. Een geest, die—dit beken ik—’t beste middel aangeeft om op den ouden dag heel prettig en kalm te leven van ’n makkelyk verdiend—neen, van eenonverdiend—pensioen ... dat de natie gewillig betaalt!De wetgever—d. i. de in Indië bestaandetoestanden, uitgedrukt in de bepalingen—heeft begrepen dat er vóór alles, orde noodig was. Die orde heerscht dan ook. De Javaan moest gewoon gemaakt worden aan gezetten arbeid. Goed. De betaling voor dien arbeid was gering. ’t Zy zoo. Ze kon later stygen, zoodra nederlandsche nood zou hebben plaats gemaakt voor ... deugden van andere soort dan de nederlandsche. Maar de geringe belooning van den Javaanmoest hem dan ook inderdaad worden uitbetaald. Hy moest niet worden mishandeld, geplunderd, vermoord. Ook bedoelde de wetgever niet, dat men “klagers” in de rivier zou werpen, om ze te laten afdryven als een “groetgeschenk van de haaienin’t binnenland aan de haaien in zee.”Dit alles bedoelde de wetgeverniet. Zyn meening—en vooral z’nbelang—wasnietdat de patiënt bezwyken zou.Overal blykt dat die wetgever gepoogd heeft het noodzakelykkwaad van ’n eenvoudig maar praktischgezagenkultuur-stelsel—dat ik trachtte te karakteriseeren door vergelyking met teugels en buis—zoo dragelyk te maken als maar eenigszins mogelyk was. En al die voorzorgen leveren ’t volkomen bewysa posteriori, dat de toepassers van dit stelsel zeer goed begrepen tot welke misbruiken het zou aanleiding geven. Elke lastgeving tot menschelykheid, bewyst vrees voor wreedheid. Elk voorschrift dat beveelt den Javaan tehoorenwaar hy klaagt, bewyst dat men op die klachten was voorbereid, en tevens op den onwil om ze aantehooren. Uit elken wenk tot matiging blykt wantrouwen op gematigdheid, en vrees voor overdryving. Elk beschermend besluit of staatsblad, elke menschlievende resolutie, draagt het bewys in zich dat er bescherming, dat er aansporing tot menschlievendheid noodig was.Al die staatsbladen, al die besluiten en resolutiën kunt ge lezen. Is ’t niet of men in een nabyliggende kamer gedurig op ’n toon van gezag hoort roepen: “Niet te erg! Langzaam en voorzichtig, zeg ik u!” “Spaar hem!”Goed—d. i. ik benoem u tot... enz.—maar belooft eerstby God Almachtigdat ge zult zorg dragen dat hy niet bezwykt—ambtsëed;dat men ’t niet te erg zal maken...“Niet te erg!”Wanneer ge zoo-iets gedurig hoort aanbevelen in ’n kamer naast u, dan springt gy op... vergeef me, van eennederlandschstandpunt bezien, richt gy uw blik langzaam naar ’t beschot! en ge roept... vergeef me nog-eens, ge maakt de zeer beredeneerde opmerking:“Het schynt dat men daar bezig is, iemand stelselmatig “niet te erg!” te mishandelen...Niet te erg!G ............ ik geloof ’t graag! Daar wordt iemand gemarteld in die kamer, als men hetteerg deed, was ’t gauw gedaan met de koffi.Alle Staatsbladen nu schryven voor:niet te erg.Van lamme, luie, pensioenjagende residenten, van vrome, kuische, rustlievende, gewetenlooze Gouverneurs-Generaal spreek ik ditmaal niet. Ik heb me nu eenmaal neêrgebogen tot de kwestie van den dag. Ik spreek dus van ’t Stelsel zoo-als dit isgereglementeerdin deStaatsbladen, en niet over deafwykingvan dat stelsel.Het “niet te erg”—niet erger dan volstrekt noodig is—bepaalt zich niet tot voorschriften van algemeene strekking. Neen, de wetgever heeft begrepen dat er meer noodig was. Ieder kanambtenaar worden in Indië, maar niet ieder kan ambtenaar worden by ’tbinnenlandsch bestuur. De keuze van de beambten die meer onmiddellyk in aanraking komen met den Javaan, wordt geleid door beschouwingen die—ja, ’t is de waarheid!—die fyner zyn, meer omvatten, dieper doordringen, dan er zou noodig wezen voor ’n vader die te beslissen had op ’n aanzoek om de hand van z’n dochter. Daartoe wordt beschaving vereischt, fatsoen, goede manieren, zedelykheid, zachtmoedigheid, verstand, oordeel... kortom—en, om niet te spreken van de noodige kennis, wetenschap en bekwaamheid9—het corps beambten by ’t binnenlandsch bestuur inIndiëmoetzyn—enisdit ook naar myn overtuiging in veel opzichten—eencorps d’elite.In de vergelykingen—die ik niet loslaat, want straks zal ik ze nog-eens noodig hebben—wil dit zeggen dat de uiteinden der dunne onderbuizen die rechtstreeks in aanraking komen met den Javaan, omzwachteld zyn, en zoo afgerond mogelyk van vorm. Dit wil tevens zeggen, dat de dunne fyne uiteinden der hierarchische splitsing van den gezag-stroom, veerkrachtig moeten wezen, en van een stof die niet te ruw is op ’t gevoel.Want de wetgever meende, en hy had gelyk:Dat het gezagstelsel ’nnoodzakelykkwaad is.Dat het, om te kunnen blyven bestaan zoolang ’t noodig zal wezen, moest getemperd worden door allerlei maatregelen van voorzorg: NIET TE ERG!”Alle regelen—ho, alle eerste regelen!—van styl, enz. schryven voor, dat men ’n vergelyking niet te lang moet voortzetten. Ik sprak reeds veel van buizen en teugels. En ik zal daarvan nog eenmaal spreken, wanneer wy ...Daar vliegt op-eens ’n bende toehoorders m’n kamer in, die my op deurwaarders-manier sommeeren om het derde deel van myn preek te leveren, dat achterwege bleef omdat het preêken me verveelde. ’t Is waar: ik had beloofd: eenigebeschouwingendie zouden aantoonen “dat het niet juist de vry-arbeiders zyn die den Javaan zullen opvoeren tot vrywilligen arbeid.” O, die tuchteloosheid! O, dat gebrek aan school! O die finale afwezigheid van methode...Daar, leest! zei ’k tot de derdedeelbegeerige menigte.Ze lazen, maar riepen: hm! Precies als gy, lezer, op pagina zooveel van denHavelaar, waar ik zoo boos op u werd.Ze lazen, doch waren niet tevreden. Weêr even als gy, by ’t lezen van zoo menige andere bladzy die ik schreef, maar die ’k niet intrek om uw verstoordheid.En toen ze gelezen hàdden, riepen ze met ’n eenparigheid van gevoelen, die zeldzaam is by kerkgangers;“Al wat ge daar zegt, doet niet tot de zaak. Wy eischen ons derde deel, en de executie van de vry-arbeiders. Denkt ge dat wy uw eerste deel zouden hebben ondergaan met geduld, en uw tweede deel met onderworpen berusting, als ’t ons niet ware te doen geweest om uwderdedeel?”Ik werd bang voor al die menschen. Lezer, ge hebt geen begrip van de woede eener menigte die ’t derde deel van ’n preêk vraagt.Zoo-als altyd, heeft m’n vrouw my uit den nood geholpen.—Wel zei ze, daarishet!—Wat?—Uw derde deel!—Waar?—Dáár! Zie...En ze las:“De Gouverneur-Generaal houdt ’n teugel in-handen...”—Ja, dat weet ik wel. Ikzelf heb hem koetsier gemaakt.Maar ze beweren dat dit hetkultuurstelselaangaat.—Dan hebben ze slordig gelezen. ’t Gaat het stelsel vangezagaan. Maar hoor verder.En, na de alinea te hebben uitgelezen waaraan ze begon, sloeg ze wat over, en las:“Wiltge veranderen, wilt ge hier-en-daar ’n zyteugel inanderehand geven, dan in de hand die den hoofdteugel houdt... wilt ge bykoorden afsnyden, onderlynen scheiden van de moederlynen waarvan ze uitgingen... of—erger nog wilt gy de onderdeelen van den hoofdteugel dwars-uittrekken... rechts... links... naar-boven... naar-beneden... heen-en-weer... scheef en schots... zóó dat de paarden dol worden...”—O, ik begryp... riep ik, en ik preêkte:Geachte Hoorders!Derde deel. Wilt ge dat de paarden dol worden... neem dan Vry-arbeiders. En nu laat ons te zamen...—Neen, zei m’n vrouw.Uitis ’t nog niet. Ik heb de buizen nog. En ze las:“Verander al de lynen van decat o’ twelve million tailsinbuizen, zet een flinken stoomzuiger op de hoofdbuis...”—Ik begryp u, riep ik, en preêkte nog-eens:“Geachte Hoorders.Tweede deel van m’n derde deel.Geef elken aventurier toegang tot de machine, tot de hoofdbuis, tot de onderbuis, tot de kleine nevenbuisjes...”Sta hem toe dat hy zyn eigen stoommachine doe werken rechtstreeks op de bron...Vergun hem z’n eigen buizen, z’n eigen primitieve, ditmaalongezwachteldebuizen...Vanniet te ergis geen sprake meer ...... vergun hemdiebuizen, de buizen van deWELEDELE HEEREN DROOGSTOPPEL EN CONSORTEN, te plaatsen op de borst van twaalf millioen Javanen...Laat hem boren dóór die borst, tot hy ’t hart raakt...En dan... ja, dan...Pomp... pomp... pomp... voor den duivel... en voor devry arbeiders... ziedaar uw derde deel!

“Ei,”zegt ge,“en uwe verdediging van den zysprong? Uw beloofd kykje achter de schermen?”

’t Is waar. Ik had niet van ziel moeten spreken. Die zysprong was maar een oratorische kunstgreep om u vertrouwen inteboezemen op alles wat ik verder zeggen zal. Dit is nu wat de heeren noemen: “talent.”

Lezer, als ge goed hebt opgelet, dan verstaat ge nu die kunsten ook. En als ge niets anders te doen hebt, kunt ge terstondIdeënuitgeven, en meêschryven overVryen-Arbeid. Maar, eilieve, nu ik u zoo goedmoedig in-staat stel om evenveel talent te hebben als de beste, nu ge by-ondervinding weet dat zoo’n talent ook voor den minst bevattelyken mensch te verkrygen is in een paar minuten tyds, nu ik u getoond heb dat het maar ’n “weet” is, zooals ’t volk zegt, nu zult ge toch wel, eens-vooral hoop ik, ophouden een hoedanigheid te verheffen die veel algemeener is dan laarzenmaken. Dàt leert ge zoo gauw niet.

En als ge nu weêr spreekt van talent, houd ik uw geroep daarover,—ja, ik deed dit reeds lang—voor ’n gehuichelde “exceptie” terechtsweigering.

De Javaan is zeer ondergeschikt aan z’n Hoofden. Onderworpenheid aan den wil van z’n erfelyken heer is zyn godsdienst, ’n godsdienst van te bindender kracht, omdat ze niet in ’n boek staat, en dus niet afhankelyk is van verschillende uitlegging. Het kultuurstelsel is op deze verregaande onderdanigheid gebouwd.6Dit stelsel is ’n kontrakt tusschen de Javaansche Hoofden en het Nederlandsche Gouvernement, om den geringen man uittezuigen voor gezamenlyke rekening. En hoezeer ’t nu vanzelf spreekt dat er by zoodanigen handel—ik bedoel:Schwindel, maar vindt er geen hollandsch woord voor—datdaarby sprake is van ’n leeuwen-aandeel in den buit, zou niet ieder misschien terstond op het denkbeeld komen dat ertweeruim gemetenpartes leonisworden afgenomen. En toch is dit zoo.

“O, dat Kultuurstelsel!”roepen de Vry-arbeiders.

Ja, dat Kultuurstelsel werkt inderdaad noodlottig. En ik ben er tégen. Maar ik ben alleen dáárom tegen dit stelsel wyl ik ... geen nationaliteit bezit. ’t Woord is er uit. Ik kan ’t niet helpen, en ik neem het niet terug. My isAristidesnader dan de achtkante boer, al zy ’t dan dat deze m’n landgenoot was. Ik stel hetrechtboven buurtgenootschap, boven provinciegenootschap, boven landgenootschap, boven werelddeelgenootschap. En ik ben verwaand genoeg om ieder die hierover anders denkt, ieder dieAristidesnietvoortrekt boven dien ander, te beschuldigen van verregaande verwaandheid. Partytrekken voor landgenootenomdatze landgenooten zyn, noem ik zelfverheffingpar ricochet. Ik verklaar rondborstig, en naar ik meen nederig, dat het me nooit in ’t hoofd is gekomen my hooger te schatten dan ’n ander, omdat-i niet in Nederland geboren was. Deze nederigheid nu oefent ’n grooten invloed uit op m’n opinie over ’t Kultuurstelsel. Want ik hoor spreken van “Nederlandsche standpunten” d. i. van punten waarop ik niet sta...ikdie maar ’nmenschben. En zelfs dit geeft me geen “standpunt” op m’n eigen hand. Want als ik ’n hond zie mishandelen door myn medemensch, dan trek ik party voor den hond. Ja, dit zou ik doen, al had my ’t beest gebeten, en al waar ’t geboren in ’n andere buurt.

Maar ik begryp, Nederlanders, dat ge niets weten wilt van zoo’n verregaande standpuntloosheid. Welaan, ik zal beproeven u tot aandacht te nopen door ’t spreken vanuwtaal. Ik zal me voor ’n oogenblik houden als-of ik aandeelen had in uwen Staat, en belang by uw welvaart. Ik zal, voor ’n oogenblik altoos, geloof-slaan aan alle vaderlandsche deugden, en me aanstellen, alsof ikzelf met die deugden behebt was. Ik zal ’t Kultuurstelsel beschouwen vannederlandschstandpunt ...

Welnu, dan moet ik betuigen, voor-zoo-ver ik heb kunnen nagaan, nooit in eenig land ter-wereld, nog op eenig blad der Geschiedenis van die wereld, een zoo kunstmatig-schoon organismus te hebben aangetroffen, als wy, Nederlanders “met Gods hulp” in Indië hebben tot-stand gebracht. Wy ’n kleine natie van drie millioen zielen, hebben middel gevonden om te heerschen over twaalf millioen Javanen, en hen te dwingen tot geregelden arbeid. Wy hebben orde geschapen, waar ordeloosheid bestond, nyverheid waar luiheid heerschte, veiligheid—voor Europeanen, tenminste, en vannederlandschstandpunt is dit veel waard! waar vroeger niemand veilig was.

En hoe is dit geschied? Niet dóór het Kultuurstelsel, wel-is waar, maar toch dooraanwending van ’t hoofddenkbeeld des Kultuurstelsels, doordezelfde mekaniek die dit stelsel zoo praktisch maakte. Dat stelsel brengt koffi voort, niet waar? Welnu, de toepassing van ’t zelfde principe waaraan wy die koffi te danken hebben, brengt iets anders voort dat méér beduidend zalzyndan koffi, zoolang ’t geheel grooter is dan een der deelen. Het brengt voort:HET GEZAG.

Hoe heet dit kostbaar hoofdbeginsel? Ziehier, en laat nu in ’s hemels-naam eenvoud niet gelden als verkeerdheid. Ge hebt aan dien eenvoud uwGEZAGin Indië te danken, en daardoor ... de koffi.

Ik zal u dit duidelyk uitleggen, zoo duidelyk ’t my mogelyk is. Maar begin dan met u te doordringen van de waarheid dat het regeeren vangrootevolkeren door ’nkleinvolk, op verren afstand, met ’n heel klein leger niet gemakkelyk is. Zeg niet, zonder nadenken: o dit zou ik ook wel kunnen, en denk aan ’t ei vanColumbus...

Het hoofddenkbeeld van ’t Kultuurstelsel en van onsGEZAGin Indië, is dit;

De Gouverneur-Generaal houdt ’n teugel in-handen, die van afstand tot afstand zich verdeelt in onderdeelen, welker splitsing weêr op-nieuw onderscheiden lynen en koorden daarstelt, die—weêr op hun beurt gesplitst—zich rechts en links uitstrekken, en na herhaalde weêrverdeeling ten laatste elk individubereiken,in-toom houden,dwingen... dat is:REGEEREN.

Deze teugel—ik spreek altyd alsnederlandsch koetsier—is ’n ware Katholieke kerk van volmaaktheid.Sit ut est, aut non sit.En even als die kerk niet kon wordenuitgevonden, maar:het werk der eeuwen is7d.i. het werk van de logica der feiten die ’r voorvielen in die eeuwen, zoo is ook de wyze waarop wy Nederlanders Indië regeeren, nietuitgevondendoor den generaalvan den Bosch, noch door wien ook, maar geheel alleen ’n gevolg dernoodzakelykheid. Wilt ge heerschen in Indië,heerscht dan zóó. Wilt geveranderen... wilt ge hier-en-daar ’n zyteugel inanderehand geven, dan in de hand die denhoofd-teugel houdt ... wilt ge bykoorden afsnyden, onderlynen scheiden van de moederlyn waarvan ze uitgingen ... of—erger nog—wilt gy de onderdeelen van den hoofdteugel dwars-uittrekken ... rechts ... links ... naar-boven ... naar-beneden ... heen-en-weer ... scheef en schots ...zóó, dat de paarden dol worden ...heersch danNIET! Geef dan uwGEZAGop ... en uw koffi.

Nog eens:sit ut est, aut non sit.

Neen dit stelsel is nietuitgevonden. Als ’t uitgevonden was, zou ’t niet zoo goed wezen. Om dit te begrypen trachte men, met voorbygang van duitenplaterige dagkwestiën, terugtekeeren tot den oorsprong van de zaak. Als by de algebra—die heerlyke logica in kort begrip—hebbe men slechts de opgave uittedrukken in den eenvoudigen vorm.

Wat is die opgave? “Ik wil koffi.” Goed:

“Javaan, ik wil koffi!”

“Dan moet je maar koffi planten, drogen, oogsten, schillen, roosten, malen. En daarna, doe ’r water op, ... naar ik hoor, wantikdrink geen koffi, en heb dus geen reden om ze te planten.”

Men ziet dat ik tracht primitief te wezen. Ik spreek van den Javaan, die zelfgeenkoffi dronk.Nudoet hy ’t. Maar toch is ’t antwoord dat ik hem in den mond leg, niet goed. Gy zegt:

“Javaan, ik wil koffi.”

De Javaan staart u onverschillig aan, wentelt z’n sirie op den rooden lip ’n halven slag om, spuwt, kykt naar de lucht, en wentelt daarna zichzelf om. Want hy lag. En wie hem dat liggen kwalyk neemt, is onrechtvaardig, en vergeet dat hyzelf meestal zou liggen, als hem de nood niet dwong tot loopen, staan of kruipen.

En wie ’t kwalyk neemt dat de Javaan niet antwoordt op de vraag: Javaan, ik wil koffi...is óók onrechtvaardig, en vergeet dat hyzelf erger zou doen dan niet antwoorden, wanneer die Javaan hem kwam zeggen: “Hollander, ik wil kaas.”

Hoe ’t zy, de Javaan antwoordt niet, en geeftgeenkoffi.

Daar komt ’n man aan, gevolgd door andere mannen, die allen wat dragen. De een, ’n beteldoos. De tweede, ’n zonnescherm. De derde, ’n lans. De vierde ... ’t doet er niet toe. Genoeg, ze gaan, allen iets dragende, achter den man die niets draagt.

En zie, uw Javaan, die niet antwoordde, die naar de lucht keek, die z’n sirie omwentelde—en zichzelf—richt zich op. Neen, oprichten is ’t woord niet. Maar hy ligt niet meer, dat is waar. Hy hurkt en buigt, en vouwt zich, slaat de handen tegen elkaêr, en houdt ze laag ... laat z’n hoofd neêrzakken op die handen ...

“Wat is dat?” vraagt ge verwonderd.

De man die niets draagt, wenkt. Oogenblikkelyk dagen er van rechts en links gewapende mannen op—neen, gewapend hoeft niet—die u—alweêr op ’n wenk van den nietsdragenden man—aangrypen, binden, mishandelen en ’t land uitgooien.

Daarop gaat ge naar huis! ’t Moet wel. Wat anders? Ge doet verslag aan de Kamer vanDordrechtof, aan de Kamer vanEnkhuizen...

Lieve hemel, ik merk daar dat ik de geschiedenis vertel van de oude “edele” Oost-Indische Compagnie. Des-te-beter!

Ge doet verslag van uw wedervaren aan die Kamer. Daar ’t ’n Kamer is, spreekt het vanzelf dat ze begint met u niet te begrypen, en dat ze daarop verhandelingen houdt over zaken die volstrekt niet dienen tot dezaak. Eindelyk zegt ’n lid:

“Maar, Sieur8als je in-plaats van den Javaan, die lag en hurkte, eens den man had aangesproken,die ging, en niets droeg? Doe dat eens, groet hem vriendelyk van ons allen, en zeg: “weledele heer, zou je de goedheid willen hebben den man, die daar ligt, te zeggen dat-i-koffi plant ... je mag meedrinken ...””

“Dat ’s ’n idee!” roept de heele kamer vanDordrechtofEnkhuizen.

Nu sla ik honderd jaar over, of meer.

Na wat sukkelen is het u gelukt bevriend te worden met den man, voor wien de liggende Javaan opstond en neêrhurkte. Ge begrypt elkaêr als ... neen, ik wil schryven als Nederlander. Ge begrypt elkaêr wel, maar nietcomme deux larrons en foire. Ge begrypt elkaêr als twee heele brave mensen en die samen eene speculatie bespreken.

Wie nu meent dat de Javaan—op dezen oogenblik—tot opstaan,neêrhurken, weer opstaan en koffi planten te dwingen is opanderewyze dan ik meêdeelde in m’n zeer verkorte geschiedenis van de “edele” Compagnie, bedriegt zich.

Ei, en gyzelf hebt gezegd, dat-i zou arbeiden uit vrye keuze, als men hem niet ...

Zwyg, bid ik u ... laat onsNederlandersblyven, en dus ’t woord niet noemen, dat ge noemen woudt. Ja, dat hèb ik gezegd. De Javaan zal arbeiden uit vryen wil, zoodra hy ... of lievereenigen tyd nadathy zal verlost wezen van—ik zelf weet niet hoe ik ’t zeggen moet in ’tnederlandsch—nadat hy zal bevryd zyn van—ja, zoo is ’t!—nadat hy verlost zal wezen van ’t ondergààn der nederlandsche deugden. Beter, nederlandscher, kan ik me niet uitdrukken.

Maar zoolang die deugden den Javaan overstelpen met modest genot van ontbering, zoolang die deugden hem alle welvaart doen schuwen uit onbekendheid, alle weelde als schadelyk voor de ziel, alle hebzucht als ’n onmogelykheid ... zóólang zal de Javaan zich niét omkeeren,nietopstaan,nietplanten, dan op den wenk van den man, die niets draagt.

Ik hoop dat alle vroegere, tegenwoordige en toekomende Gouverneurs-Generaal my zullen vergeven dat ik hen voor ’n oogenblik tot de automedons maakte van ’t groote voertuig dat Insulinde heet. Ik had die vergelyking noodig om eenigermate aantetoonen hoe—en hoe alleen—’t gezagkan worden gehandhaafd. Maar om de wyze te schetsen, waarop devruchtenvan dat gezag worden ingeöogst, heb ik een beeld noodig dat ik zoeken moet in anderen kring dan de stalhouëry.

Gy hebt hoop ik dien hoofdteugel voor den geest, waarvan ik sprak, met al die by- onder- en neventeugels? ’t Is eencat o’ nine tails, vind ik, maar met oneindig meerdannegenstaarten. Welnu, verander al die lynen inbuizen, zet de twaalf-millioen dunne twintigmaal onderverdeelde by-buisjes op de borst van twaalf millioen Javanen, breng ’n zuiger, ’n flinken stoomzuiger aan op de hoofdbuis, en daarna ...Pomp, pomp, pomp, zeg ik u.Pompvoor den duivel ... en voorNederland.

Dit is ’t Kultuurstelsel. Men moet ’n Hottentot wezen, of ’nmensch, om ’t niet mooi te vinden. Maar vannederlandschstandpunt blyf ik beweren, dat het overvloeit van de katholieke schoonheid.Sit ut est, aut non sit.

Sit ut est.Het blyve zóó als ’t is. Ja, zóó moet het blyven tot de Javaan ... enz. want we zyn nog zoo ver niet.

Zóómoet dat stelsel blyven. Zóó als ’tbeschrevenstaat. Zóó als debedoelingwas, en tevens zoo als dezeer duidelyk uitgedruktebedoeling was van den wetgever, van deIndische Staatsbladen.

Maar als ik zeg: zóó moet het stelsel blyven, beweer ik daarmeê niet: de in dat stelsel door slymerige Residenten of onbekwame en luie Gouverneurs-Generaal tusschengeschoven domheden.Die moetennietblyven. Dáártegen trok ik te velde in m’nHavelaar, enniettegen ’t stelsel zelf.

Want, op dezen oogenblik, kunnen we dit stelsel niet missen. Het is noodig dit stelsel te behouden, niet omdat het onskoffigeeft, maar omdat het onsGEZAGgeeft, en als ’t gezag verloren is, valt er niets meer te stelselen.

De wetgever—ik heb een hekel aan dit woord, maar ik sta nog altyd op m’nnederlandschstandpunt—de wetgever heeft niet bedoeld hetgezag-stelsel te geven als iets vriendelyks, iets liefelyks, iets sentimenteels. Er wordt byv. in de staatsbladen niet gesproken van Arkadie. Maar hy heeft, geleid door de opmerking dat tweemaal twee vier is, en dat de Javaan z’n hoofden gehoorzaamt, dat stelsel uitgev ... neen, waarachtig niet.Hy heeft onder woorden gebracht, met name genoemd, en gereglementeerd:wat-i vond. En hy heeft begrepen, voorzien engevreesd, dat de drang der omstandigheden—de noodzakelykheid—hier-en-daar nadeeligen invloed hebben zou op de algemeene welvaart, en daardoor op de geregelde, practische, voortdurend produktieve werking van dat stelsel.

Dit moet hy voorzien hebben. ’t Kán niet anders. Het is te bewyzen,a prioriena posteriori.

A priori: een buis op de borst, en ’n stoompomp op de hoofdbuis ...

Zelfs geen wetgever is zóó dom, dat-i niet begrypen zou hoe onaangenaam dit voor zoo’n borst wezen moet.

A posteriori: De Staatsbladen vloeien over van menschlievende bepalingen. Een oogenblik! Dit heb ik meer gezegd. Ik citeer myzelf gaarne, als ’t dienen kan om aantetoonen dat ik methodischer ben dan men voorgeeft te meenen, en dat ik niets uitvindpour le besoin de la causevan ’t oogenblik.

Neen, ’k wil niet bladeren in dat boek. Zoek maar op in denHavelaar, lezer, of ik niet reeds daarin gezegd heb, ja, of niet, dat het heele boek overvloeit van bewyzen:dat de bepalingen zoo slecht niet zouden wezen, als ze maar werden gehandhaafd?Dat er zooveeleeden en verzekeringen en betuigingen worden gevorderd: dat men den geringen man beschermen zal! Zie voorts dat allerbelangrykstevyf en twintigsteartikel van ’t Regeerings-reglement, dat ik drukken laat op het titelblad dezer brochure. Lees zelf, als gy ze krygen kunt, de indische staatsbladen ... overal zult gy vinden verzachtende, goedaardige, welwillende, menschlievende, beschermende bepalingen ...

O, in menigte. Maar ...

Ze worden niet gehandhaafd.

Dit ziet gy in denHavelaar. Althans dit hadt ge in dat boek kunnen zien, wanneer ’t u om waarheid ware te doen geweest. De Havelaarszaak is geen stryd tegen dewet, maar ’n stryd tegen ’tverkrachtenvan de wet.

Overal bemerkt men dat de wetgever, de in dit geval zeer bekwame wondheeler die de buizen zetten en besturen moest, medelyden met den patiënt heeft. Gedurig spreekt-i dezen een vriendelyk woordje toe. Gedurig vermaant hy de omstanders—d. i. de personen die hem moeten helpen: de indische ambtenaren—tot kalmte, tot inschikkelykheid, tot zachtheid. Telkens waarschuwt hy tegen overdryving. En overal zegt-i: “Sjt,de lyder wil spreken, we willen hooren wat-i te zeggen heeft.” (”De Gouverneur-Generaal zorgt dat iederen inlander overal de gelegenheid worde gegeven,vryelykzyn klachten intebrengen.Regeerings-reglement, enalleIndische reglementen. Is ditduidelyk?”)

Maar die omstanders, dieonderbuisvoerders, weten dit alles beter. Zy hebben uitgevonden—pour tout de bon:uitgevondenditmaal—een “geest van ’t gouvernement” die den wetgever onbekend was. Een sleur, die ’t gezagstelsel tot ’n vloek maakt, in-plaats van een zoo mild mogelyk toegepast noodzakelyk kwaad van tydelyken aard, zoo-als ’t anders wezen zou. Een “geest van ’t gouvernement” die ’t schipperen voorschryft als wysheid, het toeknypen van den keel des lyders als politiek. Het “niet-bemoeielyken” van deze of gene Excellentie, als diplomatischecourtoisie. Een geest, die—dit beken ik—’t beste middel aangeeft om op den ouden dag heel prettig en kalm te leven van ’n makkelyk verdiend—neen, van eenonverdiend—pensioen ... dat de natie gewillig betaalt!

De wetgever—d. i. de in Indië bestaandetoestanden, uitgedrukt in de bepalingen—heeft begrepen dat er vóór alles, orde noodig was. Die orde heerscht dan ook. De Javaan moest gewoon gemaakt worden aan gezetten arbeid. Goed. De betaling voor dien arbeid was gering. ’t Zy zoo. Ze kon later stygen, zoodra nederlandsche nood zou hebben plaats gemaakt voor ... deugden van andere soort dan de nederlandsche. Maar de geringe belooning van den Javaanmoest hem dan ook inderdaad worden uitbetaald. Hy moest niet worden mishandeld, geplunderd, vermoord. Ook bedoelde de wetgever niet, dat men “klagers” in de rivier zou werpen, om ze te laten afdryven als een “groetgeschenk van de haaienin’t binnenland aan de haaien in zee.”

Dit alles bedoelde de wetgeverniet. Zyn meening—en vooral z’nbelang—wasnietdat de patiënt bezwyken zou.

Overal blykt dat die wetgever gepoogd heeft het noodzakelykkwaad van ’n eenvoudig maar praktischgezagenkultuur-stelsel—dat ik trachtte te karakteriseeren door vergelyking met teugels en buis—zoo dragelyk te maken als maar eenigszins mogelyk was. En al die voorzorgen leveren ’t volkomen bewysa posteriori, dat de toepassers van dit stelsel zeer goed begrepen tot welke misbruiken het zou aanleiding geven. Elke lastgeving tot menschelykheid, bewyst vrees voor wreedheid. Elk voorschrift dat beveelt den Javaan tehoorenwaar hy klaagt, bewyst dat men op die klachten was voorbereid, en tevens op den onwil om ze aantehooren. Uit elken wenk tot matiging blykt wantrouwen op gematigdheid, en vrees voor overdryving. Elk beschermend besluit of staatsblad, elke menschlievende resolutie, draagt het bewys in zich dat er bescherming, dat er aansporing tot menschlievendheid noodig was.

Al die staatsbladen, al die besluiten en resolutiën kunt ge lezen. Is ’t niet of men in een nabyliggende kamer gedurig op ’n toon van gezag hoort roepen: “Niet te erg! Langzaam en voorzichtig, zeg ik u!” “Spaar hem!”Goed—d. i. ik benoem u tot... enz.—maar belooft eerstby God Almachtigdat ge zult zorg dragen dat hy niet bezwykt—ambtsëed;dat men ’t niet te erg zal maken...

“Niet te erg!”

Wanneer ge zoo-iets gedurig hoort aanbevelen in ’n kamer naast u, dan springt gy op... vergeef me, van eennederlandschstandpunt bezien, richt gy uw blik langzaam naar ’t beschot! en ge roept... vergeef me nog-eens, ge maakt de zeer beredeneerde opmerking:

“Het schynt dat men daar bezig is, iemand stelselmatig “niet te erg!” te mishandelen...

Niet te erg!

G ............ ik geloof ’t graag! Daar wordt iemand gemarteld in die kamer, als men hetteerg deed, was ’t gauw gedaan met de koffi.

Alle Staatsbladen nu schryven voor:niet te erg.

Van lamme, luie, pensioenjagende residenten, van vrome, kuische, rustlievende, gewetenlooze Gouverneurs-Generaal spreek ik ditmaal niet. Ik heb me nu eenmaal neêrgebogen tot de kwestie van den dag. Ik spreek dus van ’t Stelsel zoo-als dit isgereglementeerdin deStaatsbladen, en niet over deafwykingvan dat stelsel.

Het “niet te erg”—niet erger dan volstrekt noodig is—bepaalt zich niet tot voorschriften van algemeene strekking. Neen, de wetgever heeft begrepen dat er meer noodig was. Ieder kanambtenaar worden in Indië, maar niet ieder kan ambtenaar worden by ’tbinnenlandsch bestuur. De keuze van de beambten die meer onmiddellyk in aanraking komen met den Javaan, wordt geleid door beschouwingen die—ja, ’t is de waarheid!—die fyner zyn, meer omvatten, dieper doordringen, dan er zou noodig wezen voor ’n vader die te beslissen had op ’n aanzoek om de hand van z’n dochter. Daartoe wordt beschaving vereischt, fatsoen, goede manieren, zedelykheid, zachtmoedigheid, verstand, oordeel... kortom—en, om niet te spreken van de noodige kennis, wetenschap en bekwaamheid9—het corps beambten by ’t binnenlandsch bestuur inIndiëmoetzyn—enisdit ook naar myn overtuiging in veel opzichten—eencorps d’elite.

In de vergelykingen—die ik niet loslaat, want straks zal ik ze nog-eens noodig hebben—wil dit zeggen dat de uiteinden der dunne onderbuizen die rechtstreeks in aanraking komen met den Javaan, omzwachteld zyn, en zoo afgerond mogelyk van vorm. Dit wil tevens zeggen, dat de dunne fyne uiteinden der hierarchische splitsing van den gezag-stroom, veerkrachtig moeten wezen, en van een stof die niet te ruw is op ’t gevoel.

Want de wetgever meende, en hy had gelyk:

Dat het gezagstelsel ’nnoodzakelykkwaad is.

Dat het, om te kunnen blyven bestaan zoolang ’t noodig zal wezen, moest getemperd worden door allerlei maatregelen van voorzorg: NIET TE ERG!”

Alle regelen—ho, alle eerste regelen!—van styl, enz. schryven voor, dat men ’n vergelyking niet te lang moet voortzetten. Ik sprak reeds veel van buizen en teugels. En ik zal daarvan nog eenmaal spreken, wanneer wy ...

Daar vliegt op-eens ’n bende toehoorders m’n kamer in, die my op deurwaarders-manier sommeeren om het derde deel van myn preek te leveren, dat achterwege bleef omdat het preêken me verveelde. ’t Is waar: ik had beloofd: eenigebeschouwingendie zouden aantoonen “dat het niet juist de vry-arbeiders zyn die den Javaan zullen opvoeren tot vrywilligen arbeid.” O, die tuchteloosheid! O, dat gebrek aan school! O die finale afwezigheid van methode...

Daar, leest! zei ’k tot de derdedeelbegeerige menigte.

Ze lazen, maar riepen: hm! Precies als gy, lezer, op pagina zooveel van denHavelaar, waar ik zoo boos op u werd.

Ze lazen, doch waren niet tevreden. Weêr even als gy, by ’t lezen van zoo menige andere bladzy die ik schreef, maar die ’k niet intrek om uw verstoordheid.

En toen ze gelezen hàdden, riepen ze met ’n eenparigheid van gevoelen, die zeldzaam is by kerkgangers;

“Al wat ge daar zegt, doet niet tot de zaak. Wy eischen ons derde deel, en de executie van de vry-arbeiders. Denkt ge dat wy uw eerste deel zouden hebben ondergaan met geduld, en uw tweede deel met onderworpen berusting, als ’t ons niet ware te doen geweest om uwderdedeel?”

Ik werd bang voor al die menschen. Lezer, ge hebt geen begrip van de woede eener menigte die ’t derde deel van ’n preêk vraagt.

Zoo-als altyd, heeft m’n vrouw my uit den nood geholpen.

—Wel zei ze, daarishet!

—Wat?

—Uw derde deel!

—Waar?

—Dáár! Zie...

En ze las:

“De Gouverneur-Generaal houdt ’n teugel in-handen...”

—Ja, dat weet ik wel. Ikzelf heb hem koetsier gemaakt.

Maar ze beweren dat dit hetkultuurstelselaangaat.

—Dan hebben ze slordig gelezen. ’t Gaat het stelsel vangezagaan. Maar hoor verder.

En, na de alinea te hebben uitgelezen waaraan ze begon, sloeg ze wat over, en las:

“Wiltge veranderen, wilt ge hier-en-daar ’n zyteugel inanderehand geven, dan in de hand die den hoofdteugel houdt... wilt ge bykoorden afsnyden, onderlynen scheiden van de moederlynen waarvan ze uitgingen... of—erger nog wilt gy de onderdeelen van den hoofdteugel dwars-uittrekken... rechts... links... naar-boven... naar-beneden... heen-en-weer... scheef en schots... zóó dat de paarden dol worden...”

—O, ik begryp... riep ik, en ik preêkte:

Geachte Hoorders!Derde deel. Wilt ge dat de paarden dol worden... neem dan Vry-arbeiders. En nu laat ons te zamen...

—Neen, zei m’n vrouw.Uitis ’t nog niet. Ik heb de buizen nog. En ze las:

“Verander al de lynen van decat o’ twelve million tailsinbuizen, zet een flinken stoomzuiger op de hoofdbuis...”

—Ik begryp u, riep ik, en preêkte nog-eens:

“Geachte Hoorders.Tweede deel van m’n derde deel.Geef elken aventurier toegang tot de machine, tot de hoofdbuis, tot de onderbuis, tot de kleine nevenbuisjes...”

Sta hem toe dat hy zyn eigen stoommachine doe werken rechtstreeks op de bron...

Vergun hem z’n eigen buizen, z’n eigen primitieve, ditmaalongezwachteldebuizen...

Vanniet te ergis geen sprake meer ...

... vergun hemdiebuizen, de buizen van deWELEDELE HEEREN DROOGSTOPPEL EN CONSORTEN, te plaatsen op de borst van twaalf millioen Javanen...

Laat hem boren dóór die borst, tot hy ’t hart raakt...

En dan... ja, dan...Pomp... pomp... pomp... voor den duivel... en voor devry arbeiders... ziedaar uw derde deel!


Back to IndexNext