Chapter 10

Toen Dekker later Tine met Eugénie in kennis bracht, zoodat er, indien wij onzeoogen en de mededeelingen van de uitgeefster der Brieven mogen gelooven, eenige vriendschap tusschen de vrouwen ontstond en Tine jaren lang met Eugénie eene briefwisseling onderhield,—toen volvoerde hij alleen tot de alleruiterste konsequentie, wat zijne theorie hem dwong in deze dingen goed te vinden. Ons is dit te machtig, wij zouden er schier benauwd van worden; ons kan dit volkomen ten ondergaan van het gevoel van waardigheid in de eene der vrouwen niet anders dan pijnlijk aandoen.Uit het feit dier briefwisseling blijkt voorts ten overvloede nog eens verrassend duidelijk, welk een alles beheerschenden invloed Dekker op zijne vrouw oefende. Niet dat zij zich tegen haar zin met Eugénie in verkeer zou hebben begeven, maar dat zij, tegen alle modern Europeesch vrouwelijk gevoel in, er behagen in vond met de gewezen maîtresse van haar man om te gaan, bewijst dat haar gevoel zich, door het voortdurend aanhooren der denkbeelden van haar man, verbazend vervormd had.Over Pauline, Dekker’s tweede beschermeling, waarvan in de brieven sprake is, vernemen wij weinig meer dan het volgende (dl. I, blz. 50):„En toen ik bij die Pauline kwam, die zich verstout een kind te hebben vóór ’t huwelijk, en toen zij mij zeide dat zij altijd eten kreeg van de Prince Belge zonder te betalen, omdat „le vieux n’osait pas refuser, car, voyez vous, il savait bien que vous reviendriez” en dat dit zoo gelukkig was, want zij zoogde haar kind en had dus eten noodig... Kijk, dat deed mij toch pleizier dat men eene zoogende moeder eten had gegeven om mijnentwille.”Uit deze regelen valt niet rechtstreeks op te maken, dat Dekker met Pauline intiemen omgang heeft gehad. Wij meenen ook dat hij elders als iets zots verhaalt, dat iemand gevraagd had of Pauline zijne maîtresse was. Maar wellicht vond hij alleen het woord maîtresse ten opzichte van Pauline gebruikt, dwaas of spotte hij om een andere, dergelijke reden, met die vraag. In aanmerking genomen Dekker’s denkwijze over dit onderwerpen daarbij de eigenaardigheden van Pauline, zooals wij die uit bovenstaande beschrijving leeren kennen, wint het vermoeden aan waarschijnlijkheid, dat er tusschen hen meer is voorgevallen dan de wisseling van een enkelen dankbaarheidshanddruk. Immers, dat men aan Pauline kosteloos voeding verstrekte, wijl men wel wist, dat Dekker eens terug zou komen, toont dat er eene innige verstandhouding tusschen die twee bestond, waarvan de herbergiers-familie wist.Pauline behoorde blijkbaar tot de laagste volksklasse. Indien wij dus mogen veronderstellen, dat er eene relatie tusschen haar en Dekker bestaan heeft, vinden wij daarin zooveel als een vervolg op en eene konsequentie van zijne betrekking met Eugénie. In den tijd toch, dat Dekker met Pauline zou geleefd hebben, in den tijd ook dat hij haar later weder ontmoette, had hij ’t zelf veel armoediger dan gedurende zijne minnarij met Eugénie. Hij was dus in alle opzichten een trede lager gegaan. En zeker was hier het medelijden nog meer versmolten met het andere gevoel.Pauline, een geheel onbeschaafde vrouw waarschijnlijk, en die dus b.v. ook aan haar toilet slechts uiterst geringe zorg besteedde, was het meest geschikte schepsel, in wier omarming Multatuli zijn groot verdriet en zijn hevig protest tegen de maatschappij kon uitsnikken.De derde vriendin van Dekker, die ons weder een trede opwaarts voert naar een geheel andere schakeering van het verkeer met vrouwen, is degene, die men niet beter kan aanduiden dan met den naam van „het stomme ontbijtstertje.”In een brief van 17 September 1860, schrijft Dekker: „Alle morgen om negen uur komt er een meisje bij mij ontbijten. Zij mag een uur blijven, maar niet praten, dat is een komieke geschiedenis.”Van deze geschiedenis vernemen wij (dl. 1. blz. 151) het volgende: Dekker liep eens door Amsterdam te kuieren, toen hij op het Damrak werd aangesproken door een jong, als dame gekleed, meisje, dat hem vertelde dat zij zoo’n honger had. Zij voegdeer bij, dat zij deze mededeeling aan niemand anders dan aan hem alleen zou durven doen. Hij gaf er zich op dat oogenblik geen rekenschap van of zij bedoelde, dat zijn uiterlijk haar zooveel vertrouwen inboezemde of dat zij zijn naam en reputatie kende. Het was precies iets voor zijn royale, genereuse natuur, het paste daarbij uitnemend in zijn lust tot weêrstreving van maatschappelijke gewoonten, om het meisje niet af te schepen met een zwijgende weigering noch haar het adres vanLiefdadigheid naar Vermogenop te geven, maar om haar welwillend te woord te staan. Hij had in dat geval ook kunnen volstaan met haar eenig geld in de hand te stoppen; maar hij vond er al weder eene belangrijke ontmoeting in; hij wilde wel eens kennis maken met deze ongelukkige, vermoedelijk, naar hem docht, weder een slachtoffer van de wanverhoudingen der maatschappij, en, waarschijnlijk om tevens zeker te zijn dat zij hem niet bedroog, besloot hij haar te vergezellen om haar in de een of andere gelegenheid naar haar genoegen zich te laten verzadigen.Hij stak daarom het IJ met haar over en liet haar aan het Tolhuis zich te goed doen aan broodjes met vleesch. Zij vertelde hem hare geschiedenis: dat zij, in ‘s-Gravenhage te huis hoorend, hier tijdelijk een kamer had gehuurd om zaken voor haar vader te doen, maar dat al haar geld op was, enz. Het gevolg was, dat hij, die ook op dat oogenblik geen geld had om dagelijks een middagmaal voor haar te bekostigen, voor haar wenschte te doen al wat in zijn vermogen was en haar daarom uitnoodigde elken ochtend op zijn kamer op de Botermarkt te komen ontbijten. Zij nam dit gretig en dankbaar aan. Nu was echter het grappige van den toestand, dat Dekker in het begin van den dag liever geen gesprekken hield (waarschijnlijk wijl hij vreesde zich dan te veel te epancheeren, zoodat zijn aandacht zich niet genoeg meer koncentreerde op het schrijfwerk, dat hij wilde verrichten en hij vreesde zijn kracht te verpraten in plaats van haar alleen voor zijne schrifturen aan te wenden). Zij kreeg dus verlof bij hem te komen en een uur teblijven, maar zij mocht geen woord zeggen. Deze zonderlinge omgang duurde eenige weken. Eindelijk kon Dekker haar het benoodigde geld verschaffen om naar ‘s-Gravenhage terug te keeren, en zij bewees hem hare dankbaarheid, door hem van daar uit een paar door haar geborduurde pantoffels ten geschenke te zenden.Eenige maanden later ontving Multatuli het bezoek van dien zekeren dokter in de Letteren, waarvan wij in deMinnebrievenlezen. Om het in nood verkeerende gezin, waarvoor de dokter zich interesseerde, te helpen, stond Multatuli toen het voor deMinnebrievenbedongen honorarium af. Na dien tijd vernam hij dat de dokter in de Letteren verloofd was met eene dochter uit het gezin, dat hem zooveel belang inboezemde, en dat hij hem met zijne aanstaande zou komen bezoeken. En toen Multatuli dat bezoek ontving, toevallig geschoeid met de gemelde pantoffels, herkende hij in de bruid van den dokter zijn zwijgend ontbijtstertje. Zij deed, alsof zij hem nog niet kende, bedankte hem ten zeerste voor wathij voor hare familie had gedaan en vroeg hem of zij hem niet eens eene kleine oplettendheid zou mogen bewijzen, door b.v. ’t een of ander voor hem te borduren. „Pantoffels heeft u al, zie ik” voegde zij er bij. Nu werd Dekker, die op eens het stellige vermoeden kreeg, dat het meisje zelf, ontevreden met wat zij persoonlijk van hem had kunnen halen, den dokter op hem had afgestuurd, boos en dreef zijne bezoekers met zachten dwang de deur uit. Hij wist zich echter genoeg in te houden om niet te doen merken, dat hij haar herkende en daarmede eene onaangenaamheid tusschen de twee verloofden te weeg te brengen, indien de dokter soms van het ontbijten niets afwist. Ons komt het evenwel waarschijnlijker voor, dat de dokter, die zich professioneel met de letterkunde bezighield en dus eerder dan het burgermeisje met Dekker’s, uit zijn geschriften blijkend, medelijdend karakter bekend geweest zal zijn, reeds met het meisje zoo goed als verloofd was ten tijde dat zij Dekker het eerst aansprak en dat de dokter haar op Dekkeraf zal hebben gestuurd, meenende dat een bede om hulp uit den mond eener vrouw nog zekerder onweêrstaanbaar voor Multatuli zou wezen dan het verzoek van een litterator. Toen nu echter de verleende hulp niet aan de verwachtingen beantwoordde, trok de dokter toch zelf maar de stoute schoenen aan, en slaagde ook werkelijk, gelijk wij gezien hebben, beter.De vierde vrouwenfiguur, tot wie Dekker zich, in deze periode zijns levens, bijzonder aangetrokken gevoelde, was Sietske Abrahamsz. Wij voegen hier aanstonds bij, dat wij met de bespreking der genegenheidsbetrekking, welke eenigen tijd tusschen Sietske en Multatuli bestond, een totaal van de vorige verschillende sfeer van maatschappelijk verkeer en gemoedsaandoeningen betreden. Daarover mag geen misverstand mogelijk zijn. Een muur scheidt deze in alle opzichten reine, ideale, relatie van de zooeven behandelde drie andere.Wij keuren er niettemin even sterk, ja nog sterker, om af, dat Dekker zijne vrouwzoo voortdurend berichten zond over zijne liefde voor Sietske en Sietske’s verliefdheid op hem. Nog sterker keuren wij het af, omdat, mocht Tine al van Dekker’s andere relaties kunnen denken, dat zij te hoog stond om daarover jaloersch te kunnen worden, dat die van een soort waren zonder eenige overeenkomst met de liefde welke haar man aan háar verbond, van een aard, die ’t haar onmogelijk maakte zich zelve te bekennen, dat zij er zich iets van aantrok,—zij over de betrekking met Sietske onmogelijk zoo kon denken. Sietske was een allerliefst jong meisje, van den zelfden stand als zij, ja veel wat Dekker in Tine vóór hun huwelijk gecharmeerd moet hebben, vond hij nu in Sietske terug.Tine had dus dubbel reden om zich door deze genegenheid, juist wijl zij rein was en volkomen vrij van alle minder edele bedoelingen, juist wijl het ’t bijzondere in Dekker’s persoon was, dat Sietske in hem beminde, gegriefd te gevoelen. Als Dekker’s herinnering opleefde, herinnering aan den lang vervlogen, en nog lánger vervlogen schíjnenden, zaligen engagementstijd, en hij maakte vergelijkingen,dan moesten die wel, zonder dat hij zelf misschien zich bewust werd wat daarvan de oorzaak was, ten voordeele van Sietske uitvallen. Immers Tine had, de gewone menschelijke liefde, welke van die andere slechts de grondslag was, daargelaten, in Dekker vereerd den man, die uitmuntend, die buitengewoon beloofde te wórden, terwijl Sietske in hem liefhad den man die buitengewoon gebleken was te zíjn. Het kon niet anders of Dekker moest in Sietske’s fysionomie eene wolkelooze bewondering lezen, die hij bij Tine nimmer had kúnnen waarnemen, omdat de reden er toe toen nog niet aanwezig was. In der daad zijn er weinig dingen zoo pijnlijk voor de vrouw, die in eendrachtig huwelijk met haar man de middaghoogte des levens heeft bereikt, dan te bemerken hoe er zich eene genegenheid tusschen dien man en een hem vereerend jong meisje begint te openbaren. Zij toch, zijne vrouw, heeft hem bemind alleen om zijns zelfs wille, toen hij nog geheel onbekend en onberoemd was; zij is het leven met hem ingegaan vol moed, hoop en vertrouwen, met het zeergeprononceerde verlangen alle vreugd, maar ook alle leed met hem te deelen. En nu de boom zijns levens tot vollen wasdom is gekomen en vruchten draagt, is ’t een jong meisje zooals zij vroeger was, die, met den blos en den glimlach der jeugd op het gelaat, de hand uitstrekt om die vruchten te plukken.Indien wij voor een oogenblik Multatuli’s vrouw en de kinderen willen vergeten,—het is echter juist de eigenaardigheid van ons westersch huwelijksbegrip, dat dit zoo ontzettend moeilijk is, zoo bij uitstek moeilijk ons den man te denken zonder de vrouw, den vader zonder de kinderen, daar wij gewend zijn den gehuwden man niet meer als een geheel op zichzelf te beschouwen maar alleen als een deel van het familiegeheel;—indien wij ons Multatuli denken als veertigjarig ongehuwd man of als weduwnaar, dan rijst zijne vriendschapsbetrekking met Sietske voor ons oog als een der teederst genuanceerde verhoudingen, die tusschen een man en een vrouw kunnen bestaan, een der schoonste, der fijnste banden, die tusschen die twee zielen gelegd kunnen worden.Deze betrekking staat hoegenaamd niet eenigszins uitvoerig in de Brieven beschreven, met enkele woorden wordt zij slechts nu en dan aangeduid: het is als Multatuli aan Tine schrijft, dat Sietske toch zoo lief is, dat hij „puur verliefd” op haar is, dat zij hem gezegd heeft om harentwille toch vooral geen greintje minder van Tine te houden, en aan Tine verlof te vragen háar, Sietske, een weinig te mogen beminnen; het is als Multatuli aan Tine bericht van het verlof dat hij, in Tine’s naam, aan Sietske gegeven heeft om hem een beetje lief te hebben; maar door die weinige woorden heen, is het hem, die nu in den toestand is ingeleefd, mogelijk een kijkje te doen in deze charmante betrekking.Sietske was de dochter van Kees Abrahamsz., de zuster, meenen wij, van den zelfden Theodoor, die na Dekker’s dood een goed gemeend, weinig letterkundig en zeer geruchtmakend artikel over Dekker zou schrijven. Zij moet een buitengewoon bekoorlijk meisje geweest zijn, want bijna iedereen, dus lezen wij, was op haar verliefd. Zij moet niet zoozeer eene buitengewone schoonheidals wel in de hoogste mate innemend geweest zijn: bijzonder zachtzinnig, vriendelijk, vlug, en bovenal begaafd met die echt vrouwelijke en taktvolle hoffelijkheid, die de wenschen weet te voorkomen der menschen met wie zij in gezelschap is en een gesprek weet te voeren zóo, dat de overeenstemming der meeningen geen vervelende eentonigheid wordt en het verschil in meening geen enkel minder aangenaam oogenblik veroorzaakt.Voor Dekker moeten die uren, welke hij in de woning van Sietske’s familie en in haar gezelschap ging doorbrengen, een genot bevat hebben, waarop hij uren en dagen lang vlaste.Zoo eene verhouding, die meer dan vriendschap is en die geen liefde mag worden, had al het weemoedig aantrekkelijke eener schemering van licht en donker. Het meisje en de man onderscheiden niet nauwkeurig meer wat er in hun binnenste omgaat, zij bemerken alleen met zekerheid, dat het iets heel moois en voor hen heel gelukkigs is. Allerlei tweestrijd doet zich voor in hun gemoed. Zij durven de liefde niet aan, zij zijn er bang voor als voor de duisternis, en hetheldere, maar koele, licht van de vriendschap zien zij toch tanen voor hun innerlijken blik. Dan sluiten zij de oogen om aan de weifeling en aan de smart van den tweestrijd te ontkomen; maar als zij ze weer openen zijn de donkere wolken verdwenen en zien zij klaar en stil de sterren blinken, als de teedere seinlichten der sentimenten tusschen liefde en vriendschap, in wier glans zij hun omgang mogen koesteren...In dezen tijd van dagelijksche onrust en koortsige levenshaast, moeten de bezoeken aan de woning, waarvan Sietske het bloeiend middelpunt was, de bekoring als van eene oase op Dekker hebben uitgeoefend. Als hij de trap opkwam, in eene stemming nog verhit door de moeitevol ten einde gebrachte dagtaak, hoorde hij reeds hare welluidende stem, wier klank als eene verfrissching in zijn koortsig binnenste viel. Een minuut later was hij in hare tegenwoordigheid en had hij bij de begroeting haar hand, als een bemind vogeltje, in de zijne gevangen. Hun blikken ontmoetten elkaâr en lazen er weder de blijde boodschap der innige, der teedere, maarreine verstandhouding. En dan begonnen de gesprekken. Zij vroeg hem naar zijn werk, met warme belangstelling, met eene belangstelling welke zich zoo uitte, dat hij aan ieder woord en aan haar geheelen toon bemerken kon, dat er niets in voorgewend of overdreven was.Sietske’s genegenheid voor Dekker was oorspronkelijk ontstaan uit een zelfden door haar van hem ontvangen indruk, als dien vele vrouwen van hem hadden ontvangen. Zij was in hem gaan vereeren den zeldzamen, den éénigen vaderlander met een hartstochtelijke kunstenaarsnatuur, den man die, voor één groote edelmoedige gedachte, zijn leven en zijn loopbaan aan volslagen ondergang blootstelde, den man, die zijn geluk prijsgaf, die al zijn tijd, kracht, moed en werk dienstbaar maakte aan de najaging van het ideaal, dat hij zich had gesteld. Zij bewonderde hem als een held, strevend naar het groote, als de figuur, die, meer dan wie zijner tijdgenooten ook, geschikt was om de rol van Koning te vervullen in de liefelijke feërieën der schuchtere meisjesdroomen.Maar daarna had zich, als een kostbare edelsteen op een gouden sieraad, de genegenheid, die het gevolg was van hun vertrouwelijk verkeer, in die nog vage vereering gevoegd. En waar in zulke gevallen de toenadering van beide kanten komt, bewaarheidt het spreekwoord „nul n’est grand homme pour son valet de chambre” zich niet. Sietske was wel niet Dekker’s kamermeisje, maar het gezegde beduidt, meenen wij, dat de aureool, die eene vereering uit de verte om de slapen van den vereerden heeft gekranst, meest verbleekt door de prozaïsche ontdekkingen, die de werkelijkheid eener persoonlijke kennismaking medebrengt. En dit geschiedde hier niet. De bewondering verloor wat er nog koel en op-een-afstand in was. De vrees, de bedeesdheid verdween, en eene bewondering vol warme genegenheid stelde zich in de plaats.Want Dekker was iemand, wiens persoon de indrukken bevestigde, die de lezing zijner werken had doen geboren worden. Zijne ziel stond op zijn gelaat te lezen, zijn hooge natuur wachtte niet op pen en papierom zich te doen gelden, maar schitterde ook in het gesproken woord, in de aanhoudende improvisatie van vernuftige gedachten, die zijn gesprekken waren.De genegenheid van Multatuli en Sietske Abrahamsz is in deze drukke en bonte periode het fijnst gekleurde en liefelijkste lotgeval. En als wij niet gedwongen waren steeds het droeve beeld van Tine op den achtergrond van Dekker’s leven te zien, zouden wij met nog langduriger aandacht en meer onvermengde appreciatie in de beschouwing dezer hooge, mooie betrekking blijven verwijlen.In ’t algemeen kan men zeggen, dat van de vijf zeer uiteenloopende betrekkingen met vrouwen, (Tine, Eugénie, Pauline, het ontbijtstertje en Sietske,) waarin wij Multatuli hebben beschouwd, die met Sietske de meest ongemeene en meest typische was, omdat hoofdzakelijk den kunstenaar in Multatuli hare genegenheid gold en omdat hij in haar eene vertegenwoordigster aantrof van de sympathieën, die Nederlandsche lezeressen meer nog dan Nederlandsche lezers voor zijn werken gevoelden.

Toen Dekker later Tine met Eugénie in kennis bracht, zoodat er, indien wij onzeoogen en de mededeelingen van de uitgeefster der Brieven mogen gelooven, eenige vriendschap tusschen de vrouwen ontstond en Tine jaren lang met Eugénie eene briefwisseling onderhield,—toen volvoerde hij alleen tot de alleruiterste konsequentie, wat zijne theorie hem dwong in deze dingen goed te vinden. Ons is dit te machtig, wij zouden er schier benauwd van worden; ons kan dit volkomen ten ondergaan van het gevoel van waardigheid in de eene der vrouwen niet anders dan pijnlijk aandoen.Uit het feit dier briefwisseling blijkt voorts ten overvloede nog eens verrassend duidelijk, welk een alles beheerschenden invloed Dekker op zijne vrouw oefende. Niet dat zij zich tegen haar zin met Eugénie in verkeer zou hebben begeven, maar dat zij, tegen alle modern Europeesch vrouwelijk gevoel in, er behagen in vond met de gewezen maîtresse van haar man om te gaan, bewijst dat haar gevoel zich, door het voortdurend aanhooren der denkbeelden van haar man, verbazend vervormd had.Over Pauline, Dekker’s tweede beschermeling, waarvan in de brieven sprake is, vernemen wij weinig meer dan het volgende (dl. I, blz. 50):„En toen ik bij die Pauline kwam, die zich verstout een kind te hebben vóór ’t huwelijk, en toen zij mij zeide dat zij altijd eten kreeg van de Prince Belge zonder te betalen, omdat „le vieux n’osait pas refuser, car, voyez vous, il savait bien que vous reviendriez” en dat dit zoo gelukkig was, want zij zoogde haar kind en had dus eten noodig... Kijk, dat deed mij toch pleizier dat men eene zoogende moeder eten had gegeven om mijnentwille.”Uit deze regelen valt niet rechtstreeks op te maken, dat Dekker met Pauline intiemen omgang heeft gehad. Wij meenen ook dat hij elders als iets zots verhaalt, dat iemand gevraagd had of Pauline zijne maîtresse was. Maar wellicht vond hij alleen het woord maîtresse ten opzichte van Pauline gebruikt, dwaas of spotte hij om een andere, dergelijke reden, met die vraag. In aanmerking genomen Dekker’s denkwijze over dit onderwerpen daarbij de eigenaardigheden van Pauline, zooals wij die uit bovenstaande beschrijving leeren kennen, wint het vermoeden aan waarschijnlijkheid, dat er tusschen hen meer is voorgevallen dan de wisseling van een enkelen dankbaarheidshanddruk. Immers, dat men aan Pauline kosteloos voeding verstrekte, wijl men wel wist, dat Dekker eens terug zou komen, toont dat er eene innige verstandhouding tusschen die twee bestond, waarvan de herbergiers-familie wist.Pauline behoorde blijkbaar tot de laagste volksklasse. Indien wij dus mogen veronderstellen, dat er eene relatie tusschen haar en Dekker bestaan heeft, vinden wij daarin zooveel als een vervolg op en eene konsequentie van zijne betrekking met Eugénie. In den tijd toch, dat Dekker met Pauline zou geleefd hebben, in den tijd ook dat hij haar later weder ontmoette, had hij ’t zelf veel armoediger dan gedurende zijne minnarij met Eugénie. Hij was dus in alle opzichten een trede lager gegaan. En zeker was hier het medelijden nog meer versmolten met het andere gevoel.Pauline, een geheel onbeschaafde vrouw waarschijnlijk, en die dus b.v. ook aan haar toilet slechts uiterst geringe zorg besteedde, was het meest geschikte schepsel, in wier omarming Multatuli zijn groot verdriet en zijn hevig protest tegen de maatschappij kon uitsnikken.De derde vriendin van Dekker, die ons weder een trede opwaarts voert naar een geheel andere schakeering van het verkeer met vrouwen, is degene, die men niet beter kan aanduiden dan met den naam van „het stomme ontbijtstertje.”In een brief van 17 September 1860, schrijft Dekker: „Alle morgen om negen uur komt er een meisje bij mij ontbijten. Zij mag een uur blijven, maar niet praten, dat is een komieke geschiedenis.”Van deze geschiedenis vernemen wij (dl. 1. blz. 151) het volgende: Dekker liep eens door Amsterdam te kuieren, toen hij op het Damrak werd aangesproken door een jong, als dame gekleed, meisje, dat hem vertelde dat zij zoo’n honger had. Zij voegdeer bij, dat zij deze mededeeling aan niemand anders dan aan hem alleen zou durven doen. Hij gaf er zich op dat oogenblik geen rekenschap van of zij bedoelde, dat zijn uiterlijk haar zooveel vertrouwen inboezemde of dat zij zijn naam en reputatie kende. Het was precies iets voor zijn royale, genereuse natuur, het paste daarbij uitnemend in zijn lust tot weêrstreving van maatschappelijke gewoonten, om het meisje niet af te schepen met een zwijgende weigering noch haar het adres vanLiefdadigheid naar Vermogenop te geven, maar om haar welwillend te woord te staan. Hij had in dat geval ook kunnen volstaan met haar eenig geld in de hand te stoppen; maar hij vond er al weder eene belangrijke ontmoeting in; hij wilde wel eens kennis maken met deze ongelukkige, vermoedelijk, naar hem docht, weder een slachtoffer van de wanverhoudingen der maatschappij, en, waarschijnlijk om tevens zeker te zijn dat zij hem niet bedroog, besloot hij haar te vergezellen om haar in de een of andere gelegenheid naar haar genoegen zich te laten verzadigen.Hij stak daarom het IJ met haar over en liet haar aan het Tolhuis zich te goed doen aan broodjes met vleesch. Zij vertelde hem hare geschiedenis: dat zij, in ‘s-Gravenhage te huis hoorend, hier tijdelijk een kamer had gehuurd om zaken voor haar vader te doen, maar dat al haar geld op was, enz. Het gevolg was, dat hij, die ook op dat oogenblik geen geld had om dagelijks een middagmaal voor haar te bekostigen, voor haar wenschte te doen al wat in zijn vermogen was en haar daarom uitnoodigde elken ochtend op zijn kamer op de Botermarkt te komen ontbijten. Zij nam dit gretig en dankbaar aan. Nu was echter het grappige van den toestand, dat Dekker in het begin van den dag liever geen gesprekken hield (waarschijnlijk wijl hij vreesde zich dan te veel te epancheeren, zoodat zijn aandacht zich niet genoeg meer koncentreerde op het schrijfwerk, dat hij wilde verrichten en hij vreesde zijn kracht te verpraten in plaats van haar alleen voor zijne schrifturen aan te wenden). Zij kreeg dus verlof bij hem te komen en een uur teblijven, maar zij mocht geen woord zeggen. Deze zonderlinge omgang duurde eenige weken. Eindelijk kon Dekker haar het benoodigde geld verschaffen om naar ‘s-Gravenhage terug te keeren, en zij bewees hem hare dankbaarheid, door hem van daar uit een paar door haar geborduurde pantoffels ten geschenke te zenden.Eenige maanden later ontving Multatuli het bezoek van dien zekeren dokter in de Letteren, waarvan wij in deMinnebrievenlezen. Om het in nood verkeerende gezin, waarvoor de dokter zich interesseerde, te helpen, stond Multatuli toen het voor deMinnebrievenbedongen honorarium af. Na dien tijd vernam hij dat de dokter in de Letteren verloofd was met eene dochter uit het gezin, dat hem zooveel belang inboezemde, en dat hij hem met zijne aanstaande zou komen bezoeken. En toen Multatuli dat bezoek ontving, toevallig geschoeid met de gemelde pantoffels, herkende hij in de bruid van den dokter zijn zwijgend ontbijtstertje. Zij deed, alsof zij hem nog niet kende, bedankte hem ten zeerste voor wathij voor hare familie had gedaan en vroeg hem of zij hem niet eens eene kleine oplettendheid zou mogen bewijzen, door b.v. ’t een of ander voor hem te borduren. „Pantoffels heeft u al, zie ik” voegde zij er bij. Nu werd Dekker, die op eens het stellige vermoeden kreeg, dat het meisje zelf, ontevreden met wat zij persoonlijk van hem had kunnen halen, den dokter op hem had afgestuurd, boos en dreef zijne bezoekers met zachten dwang de deur uit. Hij wist zich echter genoeg in te houden om niet te doen merken, dat hij haar herkende en daarmede eene onaangenaamheid tusschen de twee verloofden te weeg te brengen, indien de dokter soms van het ontbijten niets afwist. Ons komt het evenwel waarschijnlijker voor, dat de dokter, die zich professioneel met de letterkunde bezighield en dus eerder dan het burgermeisje met Dekker’s, uit zijn geschriften blijkend, medelijdend karakter bekend geweest zal zijn, reeds met het meisje zoo goed als verloofd was ten tijde dat zij Dekker het eerst aansprak en dat de dokter haar op Dekkeraf zal hebben gestuurd, meenende dat een bede om hulp uit den mond eener vrouw nog zekerder onweêrstaanbaar voor Multatuli zou wezen dan het verzoek van een litterator. Toen nu echter de verleende hulp niet aan de verwachtingen beantwoordde, trok de dokter toch zelf maar de stoute schoenen aan, en slaagde ook werkelijk, gelijk wij gezien hebben, beter.De vierde vrouwenfiguur, tot wie Dekker zich, in deze periode zijns levens, bijzonder aangetrokken gevoelde, was Sietske Abrahamsz. Wij voegen hier aanstonds bij, dat wij met de bespreking der genegenheidsbetrekking, welke eenigen tijd tusschen Sietske en Multatuli bestond, een totaal van de vorige verschillende sfeer van maatschappelijk verkeer en gemoedsaandoeningen betreden. Daarover mag geen misverstand mogelijk zijn. Een muur scheidt deze in alle opzichten reine, ideale, relatie van de zooeven behandelde drie andere.Wij keuren er niettemin even sterk, ja nog sterker, om af, dat Dekker zijne vrouwzoo voortdurend berichten zond over zijne liefde voor Sietske en Sietske’s verliefdheid op hem. Nog sterker keuren wij het af, omdat, mocht Tine al van Dekker’s andere relaties kunnen denken, dat zij te hoog stond om daarover jaloersch te kunnen worden, dat die van een soort waren zonder eenige overeenkomst met de liefde welke haar man aan háar verbond, van een aard, die ’t haar onmogelijk maakte zich zelve te bekennen, dat zij er zich iets van aantrok,—zij over de betrekking met Sietske onmogelijk zoo kon denken. Sietske was een allerliefst jong meisje, van den zelfden stand als zij, ja veel wat Dekker in Tine vóór hun huwelijk gecharmeerd moet hebben, vond hij nu in Sietske terug.Tine had dus dubbel reden om zich door deze genegenheid, juist wijl zij rein was en volkomen vrij van alle minder edele bedoelingen, juist wijl het ’t bijzondere in Dekker’s persoon was, dat Sietske in hem beminde, gegriefd te gevoelen. Als Dekker’s herinnering opleefde, herinnering aan den lang vervlogen, en nog lánger vervlogen schíjnenden, zaligen engagementstijd, en hij maakte vergelijkingen,dan moesten die wel, zonder dat hij zelf misschien zich bewust werd wat daarvan de oorzaak was, ten voordeele van Sietske uitvallen. Immers Tine had, de gewone menschelijke liefde, welke van die andere slechts de grondslag was, daargelaten, in Dekker vereerd den man, die uitmuntend, die buitengewoon beloofde te wórden, terwijl Sietske in hem liefhad den man die buitengewoon gebleken was te zíjn. Het kon niet anders of Dekker moest in Sietske’s fysionomie eene wolkelooze bewondering lezen, die hij bij Tine nimmer had kúnnen waarnemen, omdat de reden er toe toen nog niet aanwezig was. In der daad zijn er weinig dingen zoo pijnlijk voor de vrouw, die in eendrachtig huwelijk met haar man de middaghoogte des levens heeft bereikt, dan te bemerken hoe er zich eene genegenheid tusschen dien man en een hem vereerend jong meisje begint te openbaren. Zij toch, zijne vrouw, heeft hem bemind alleen om zijns zelfs wille, toen hij nog geheel onbekend en onberoemd was; zij is het leven met hem ingegaan vol moed, hoop en vertrouwen, met het zeergeprononceerde verlangen alle vreugd, maar ook alle leed met hem te deelen. En nu de boom zijns levens tot vollen wasdom is gekomen en vruchten draagt, is ’t een jong meisje zooals zij vroeger was, die, met den blos en den glimlach der jeugd op het gelaat, de hand uitstrekt om die vruchten te plukken.Indien wij voor een oogenblik Multatuli’s vrouw en de kinderen willen vergeten,—het is echter juist de eigenaardigheid van ons westersch huwelijksbegrip, dat dit zoo ontzettend moeilijk is, zoo bij uitstek moeilijk ons den man te denken zonder de vrouw, den vader zonder de kinderen, daar wij gewend zijn den gehuwden man niet meer als een geheel op zichzelf te beschouwen maar alleen als een deel van het familiegeheel;—indien wij ons Multatuli denken als veertigjarig ongehuwd man of als weduwnaar, dan rijst zijne vriendschapsbetrekking met Sietske voor ons oog als een der teederst genuanceerde verhoudingen, die tusschen een man en een vrouw kunnen bestaan, een der schoonste, der fijnste banden, die tusschen die twee zielen gelegd kunnen worden.Deze betrekking staat hoegenaamd niet eenigszins uitvoerig in de Brieven beschreven, met enkele woorden wordt zij slechts nu en dan aangeduid: het is als Multatuli aan Tine schrijft, dat Sietske toch zoo lief is, dat hij „puur verliefd” op haar is, dat zij hem gezegd heeft om harentwille toch vooral geen greintje minder van Tine te houden, en aan Tine verlof te vragen háar, Sietske, een weinig te mogen beminnen; het is als Multatuli aan Tine bericht van het verlof dat hij, in Tine’s naam, aan Sietske gegeven heeft om hem een beetje lief te hebben; maar door die weinige woorden heen, is het hem, die nu in den toestand is ingeleefd, mogelijk een kijkje te doen in deze charmante betrekking.Sietske was de dochter van Kees Abrahamsz., de zuster, meenen wij, van den zelfden Theodoor, die na Dekker’s dood een goed gemeend, weinig letterkundig en zeer geruchtmakend artikel over Dekker zou schrijven. Zij moet een buitengewoon bekoorlijk meisje geweest zijn, want bijna iedereen, dus lezen wij, was op haar verliefd. Zij moet niet zoozeer eene buitengewone schoonheidals wel in de hoogste mate innemend geweest zijn: bijzonder zachtzinnig, vriendelijk, vlug, en bovenal begaafd met die echt vrouwelijke en taktvolle hoffelijkheid, die de wenschen weet te voorkomen der menschen met wie zij in gezelschap is en een gesprek weet te voeren zóo, dat de overeenstemming der meeningen geen vervelende eentonigheid wordt en het verschil in meening geen enkel minder aangenaam oogenblik veroorzaakt.Voor Dekker moeten die uren, welke hij in de woning van Sietske’s familie en in haar gezelschap ging doorbrengen, een genot bevat hebben, waarop hij uren en dagen lang vlaste.Zoo eene verhouding, die meer dan vriendschap is en die geen liefde mag worden, had al het weemoedig aantrekkelijke eener schemering van licht en donker. Het meisje en de man onderscheiden niet nauwkeurig meer wat er in hun binnenste omgaat, zij bemerken alleen met zekerheid, dat het iets heel moois en voor hen heel gelukkigs is. Allerlei tweestrijd doet zich voor in hun gemoed. Zij durven de liefde niet aan, zij zijn er bang voor als voor de duisternis, en hetheldere, maar koele, licht van de vriendschap zien zij toch tanen voor hun innerlijken blik. Dan sluiten zij de oogen om aan de weifeling en aan de smart van den tweestrijd te ontkomen; maar als zij ze weer openen zijn de donkere wolken verdwenen en zien zij klaar en stil de sterren blinken, als de teedere seinlichten der sentimenten tusschen liefde en vriendschap, in wier glans zij hun omgang mogen koesteren...In dezen tijd van dagelijksche onrust en koortsige levenshaast, moeten de bezoeken aan de woning, waarvan Sietske het bloeiend middelpunt was, de bekoring als van eene oase op Dekker hebben uitgeoefend. Als hij de trap opkwam, in eene stemming nog verhit door de moeitevol ten einde gebrachte dagtaak, hoorde hij reeds hare welluidende stem, wier klank als eene verfrissching in zijn koortsig binnenste viel. Een minuut later was hij in hare tegenwoordigheid en had hij bij de begroeting haar hand, als een bemind vogeltje, in de zijne gevangen. Hun blikken ontmoetten elkaâr en lazen er weder de blijde boodschap der innige, der teedere, maarreine verstandhouding. En dan begonnen de gesprekken. Zij vroeg hem naar zijn werk, met warme belangstelling, met eene belangstelling welke zich zoo uitte, dat hij aan ieder woord en aan haar geheelen toon bemerken kon, dat er niets in voorgewend of overdreven was.Sietske’s genegenheid voor Dekker was oorspronkelijk ontstaan uit een zelfden door haar van hem ontvangen indruk, als dien vele vrouwen van hem hadden ontvangen. Zij was in hem gaan vereeren den zeldzamen, den éénigen vaderlander met een hartstochtelijke kunstenaarsnatuur, den man die, voor één groote edelmoedige gedachte, zijn leven en zijn loopbaan aan volslagen ondergang blootstelde, den man, die zijn geluk prijsgaf, die al zijn tijd, kracht, moed en werk dienstbaar maakte aan de najaging van het ideaal, dat hij zich had gesteld. Zij bewonderde hem als een held, strevend naar het groote, als de figuur, die, meer dan wie zijner tijdgenooten ook, geschikt was om de rol van Koning te vervullen in de liefelijke feërieën der schuchtere meisjesdroomen.Maar daarna had zich, als een kostbare edelsteen op een gouden sieraad, de genegenheid, die het gevolg was van hun vertrouwelijk verkeer, in die nog vage vereering gevoegd. En waar in zulke gevallen de toenadering van beide kanten komt, bewaarheidt het spreekwoord „nul n’est grand homme pour son valet de chambre” zich niet. Sietske was wel niet Dekker’s kamermeisje, maar het gezegde beduidt, meenen wij, dat de aureool, die eene vereering uit de verte om de slapen van den vereerden heeft gekranst, meest verbleekt door de prozaïsche ontdekkingen, die de werkelijkheid eener persoonlijke kennismaking medebrengt. En dit geschiedde hier niet. De bewondering verloor wat er nog koel en op-een-afstand in was. De vrees, de bedeesdheid verdween, en eene bewondering vol warme genegenheid stelde zich in de plaats.Want Dekker was iemand, wiens persoon de indrukken bevestigde, die de lezing zijner werken had doen geboren worden. Zijne ziel stond op zijn gelaat te lezen, zijn hooge natuur wachtte niet op pen en papierom zich te doen gelden, maar schitterde ook in het gesproken woord, in de aanhoudende improvisatie van vernuftige gedachten, die zijn gesprekken waren.De genegenheid van Multatuli en Sietske Abrahamsz is in deze drukke en bonte periode het fijnst gekleurde en liefelijkste lotgeval. En als wij niet gedwongen waren steeds het droeve beeld van Tine op den achtergrond van Dekker’s leven te zien, zouden wij met nog langduriger aandacht en meer onvermengde appreciatie in de beschouwing dezer hooge, mooie betrekking blijven verwijlen.In ’t algemeen kan men zeggen, dat van de vijf zeer uiteenloopende betrekkingen met vrouwen, (Tine, Eugénie, Pauline, het ontbijtstertje en Sietske,) waarin wij Multatuli hebben beschouwd, die met Sietske de meest ongemeene en meest typische was, omdat hoofdzakelijk den kunstenaar in Multatuli hare genegenheid gold en omdat hij in haar eene vertegenwoordigster aantrof van de sympathieën, die Nederlandsche lezeressen meer nog dan Nederlandsche lezers voor zijn werken gevoelden.

Toen Dekker later Tine met Eugénie in kennis bracht, zoodat er, indien wij onzeoogen en de mededeelingen van de uitgeefster der Brieven mogen gelooven, eenige vriendschap tusschen de vrouwen ontstond en Tine jaren lang met Eugénie eene briefwisseling onderhield,—toen volvoerde hij alleen tot de alleruiterste konsequentie, wat zijne theorie hem dwong in deze dingen goed te vinden. Ons is dit te machtig, wij zouden er schier benauwd van worden; ons kan dit volkomen ten ondergaan van het gevoel van waardigheid in de eene der vrouwen niet anders dan pijnlijk aandoen.Uit het feit dier briefwisseling blijkt voorts ten overvloede nog eens verrassend duidelijk, welk een alles beheerschenden invloed Dekker op zijne vrouw oefende. Niet dat zij zich tegen haar zin met Eugénie in verkeer zou hebben begeven, maar dat zij, tegen alle modern Europeesch vrouwelijk gevoel in, er behagen in vond met de gewezen maîtresse van haar man om te gaan, bewijst dat haar gevoel zich, door het voortdurend aanhooren der denkbeelden van haar man, verbazend vervormd had.Over Pauline, Dekker’s tweede beschermeling, waarvan in de brieven sprake is, vernemen wij weinig meer dan het volgende (dl. I, blz. 50):„En toen ik bij die Pauline kwam, die zich verstout een kind te hebben vóór ’t huwelijk, en toen zij mij zeide dat zij altijd eten kreeg van de Prince Belge zonder te betalen, omdat „le vieux n’osait pas refuser, car, voyez vous, il savait bien que vous reviendriez” en dat dit zoo gelukkig was, want zij zoogde haar kind en had dus eten noodig... Kijk, dat deed mij toch pleizier dat men eene zoogende moeder eten had gegeven om mijnentwille.”Uit deze regelen valt niet rechtstreeks op te maken, dat Dekker met Pauline intiemen omgang heeft gehad. Wij meenen ook dat hij elders als iets zots verhaalt, dat iemand gevraagd had of Pauline zijne maîtresse was. Maar wellicht vond hij alleen het woord maîtresse ten opzichte van Pauline gebruikt, dwaas of spotte hij om een andere, dergelijke reden, met die vraag. In aanmerking genomen Dekker’s denkwijze over dit onderwerpen daarbij de eigenaardigheden van Pauline, zooals wij die uit bovenstaande beschrijving leeren kennen, wint het vermoeden aan waarschijnlijkheid, dat er tusschen hen meer is voorgevallen dan de wisseling van een enkelen dankbaarheidshanddruk. Immers, dat men aan Pauline kosteloos voeding verstrekte, wijl men wel wist, dat Dekker eens terug zou komen, toont dat er eene innige verstandhouding tusschen die twee bestond, waarvan de herbergiers-familie wist.Pauline behoorde blijkbaar tot de laagste volksklasse. Indien wij dus mogen veronderstellen, dat er eene relatie tusschen haar en Dekker bestaan heeft, vinden wij daarin zooveel als een vervolg op en eene konsequentie van zijne betrekking met Eugénie. In den tijd toch, dat Dekker met Pauline zou geleefd hebben, in den tijd ook dat hij haar later weder ontmoette, had hij ’t zelf veel armoediger dan gedurende zijne minnarij met Eugénie. Hij was dus in alle opzichten een trede lager gegaan. En zeker was hier het medelijden nog meer versmolten met het andere gevoel.Pauline, een geheel onbeschaafde vrouw waarschijnlijk, en die dus b.v. ook aan haar toilet slechts uiterst geringe zorg besteedde, was het meest geschikte schepsel, in wier omarming Multatuli zijn groot verdriet en zijn hevig protest tegen de maatschappij kon uitsnikken.De derde vriendin van Dekker, die ons weder een trede opwaarts voert naar een geheel andere schakeering van het verkeer met vrouwen, is degene, die men niet beter kan aanduiden dan met den naam van „het stomme ontbijtstertje.”In een brief van 17 September 1860, schrijft Dekker: „Alle morgen om negen uur komt er een meisje bij mij ontbijten. Zij mag een uur blijven, maar niet praten, dat is een komieke geschiedenis.”Van deze geschiedenis vernemen wij (dl. 1. blz. 151) het volgende: Dekker liep eens door Amsterdam te kuieren, toen hij op het Damrak werd aangesproken door een jong, als dame gekleed, meisje, dat hem vertelde dat zij zoo’n honger had. Zij voegdeer bij, dat zij deze mededeeling aan niemand anders dan aan hem alleen zou durven doen. Hij gaf er zich op dat oogenblik geen rekenschap van of zij bedoelde, dat zijn uiterlijk haar zooveel vertrouwen inboezemde of dat zij zijn naam en reputatie kende. Het was precies iets voor zijn royale, genereuse natuur, het paste daarbij uitnemend in zijn lust tot weêrstreving van maatschappelijke gewoonten, om het meisje niet af te schepen met een zwijgende weigering noch haar het adres vanLiefdadigheid naar Vermogenop te geven, maar om haar welwillend te woord te staan. Hij had in dat geval ook kunnen volstaan met haar eenig geld in de hand te stoppen; maar hij vond er al weder eene belangrijke ontmoeting in; hij wilde wel eens kennis maken met deze ongelukkige, vermoedelijk, naar hem docht, weder een slachtoffer van de wanverhoudingen der maatschappij, en, waarschijnlijk om tevens zeker te zijn dat zij hem niet bedroog, besloot hij haar te vergezellen om haar in de een of andere gelegenheid naar haar genoegen zich te laten verzadigen.Hij stak daarom het IJ met haar over en liet haar aan het Tolhuis zich te goed doen aan broodjes met vleesch. Zij vertelde hem hare geschiedenis: dat zij, in ‘s-Gravenhage te huis hoorend, hier tijdelijk een kamer had gehuurd om zaken voor haar vader te doen, maar dat al haar geld op was, enz. Het gevolg was, dat hij, die ook op dat oogenblik geen geld had om dagelijks een middagmaal voor haar te bekostigen, voor haar wenschte te doen al wat in zijn vermogen was en haar daarom uitnoodigde elken ochtend op zijn kamer op de Botermarkt te komen ontbijten. Zij nam dit gretig en dankbaar aan. Nu was echter het grappige van den toestand, dat Dekker in het begin van den dag liever geen gesprekken hield (waarschijnlijk wijl hij vreesde zich dan te veel te epancheeren, zoodat zijn aandacht zich niet genoeg meer koncentreerde op het schrijfwerk, dat hij wilde verrichten en hij vreesde zijn kracht te verpraten in plaats van haar alleen voor zijne schrifturen aan te wenden). Zij kreeg dus verlof bij hem te komen en een uur teblijven, maar zij mocht geen woord zeggen. Deze zonderlinge omgang duurde eenige weken. Eindelijk kon Dekker haar het benoodigde geld verschaffen om naar ‘s-Gravenhage terug te keeren, en zij bewees hem hare dankbaarheid, door hem van daar uit een paar door haar geborduurde pantoffels ten geschenke te zenden.Eenige maanden later ontving Multatuli het bezoek van dien zekeren dokter in de Letteren, waarvan wij in deMinnebrievenlezen. Om het in nood verkeerende gezin, waarvoor de dokter zich interesseerde, te helpen, stond Multatuli toen het voor deMinnebrievenbedongen honorarium af. Na dien tijd vernam hij dat de dokter in de Letteren verloofd was met eene dochter uit het gezin, dat hem zooveel belang inboezemde, en dat hij hem met zijne aanstaande zou komen bezoeken. En toen Multatuli dat bezoek ontving, toevallig geschoeid met de gemelde pantoffels, herkende hij in de bruid van den dokter zijn zwijgend ontbijtstertje. Zij deed, alsof zij hem nog niet kende, bedankte hem ten zeerste voor wathij voor hare familie had gedaan en vroeg hem of zij hem niet eens eene kleine oplettendheid zou mogen bewijzen, door b.v. ’t een of ander voor hem te borduren. „Pantoffels heeft u al, zie ik” voegde zij er bij. Nu werd Dekker, die op eens het stellige vermoeden kreeg, dat het meisje zelf, ontevreden met wat zij persoonlijk van hem had kunnen halen, den dokter op hem had afgestuurd, boos en dreef zijne bezoekers met zachten dwang de deur uit. Hij wist zich echter genoeg in te houden om niet te doen merken, dat hij haar herkende en daarmede eene onaangenaamheid tusschen de twee verloofden te weeg te brengen, indien de dokter soms van het ontbijten niets afwist. Ons komt het evenwel waarschijnlijker voor, dat de dokter, die zich professioneel met de letterkunde bezighield en dus eerder dan het burgermeisje met Dekker’s, uit zijn geschriften blijkend, medelijdend karakter bekend geweest zal zijn, reeds met het meisje zoo goed als verloofd was ten tijde dat zij Dekker het eerst aansprak en dat de dokter haar op Dekkeraf zal hebben gestuurd, meenende dat een bede om hulp uit den mond eener vrouw nog zekerder onweêrstaanbaar voor Multatuli zou wezen dan het verzoek van een litterator. Toen nu echter de verleende hulp niet aan de verwachtingen beantwoordde, trok de dokter toch zelf maar de stoute schoenen aan, en slaagde ook werkelijk, gelijk wij gezien hebben, beter.De vierde vrouwenfiguur, tot wie Dekker zich, in deze periode zijns levens, bijzonder aangetrokken gevoelde, was Sietske Abrahamsz. Wij voegen hier aanstonds bij, dat wij met de bespreking der genegenheidsbetrekking, welke eenigen tijd tusschen Sietske en Multatuli bestond, een totaal van de vorige verschillende sfeer van maatschappelijk verkeer en gemoedsaandoeningen betreden. Daarover mag geen misverstand mogelijk zijn. Een muur scheidt deze in alle opzichten reine, ideale, relatie van de zooeven behandelde drie andere.Wij keuren er niettemin even sterk, ja nog sterker, om af, dat Dekker zijne vrouwzoo voortdurend berichten zond over zijne liefde voor Sietske en Sietske’s verliefdheid op hem. Nog sterker keuren wij het af, omdat, mocht Tine al van Dekker’s andere relaties kunnen denken, dat zij te hoog stond om daarover jaloersch te kunnen worden, dat die van een soort waren zonder eenige overeenkomst met de liefde welke haar man aan háar verbond, van een aard, die ’t haar onmogelijk maakte zich zelve te bekennen, dat zij er zich iets van aantrok,—zij over de betrekking met Sietske onmogelijk zoo kon denken. Sietske was een allerliefst jong meisje, van den zelfden stand als zij, ja veel wat Dekker in Tine vóór hun huwelijk gecharmeerd moet hebben, vond hij nu in Sietske terug.Tine had dus dubbel reden om zich door deze genegenheid, juist wijl zij rein was en volkomen vrij van alle minder edele bedoelingen, juist wijl het ’t bijzondere in Dekker’s persoon was, dat Sietske in hem beminde, gegriefd te gevoelen. Als Dekker’s herinnering opleefde, herinnering aan den lang vervlogen, en nog lánger vervlogen schíjnenden, zaligen engagementstijd, en hij maakte vergelijkingen,dan moesten die wel, zonder dat hij zelf misschien zich bewust werd wat daarvan de oorzaak was, ten voordeele van Sietske uitvallen. Immers Tine had, de gewone menschelijke liefde, welke van die andere slechts de grondslag was, daargelaten, in Dekker vereerd den man, die uitmuntend, die buitengewoon beloofde te wórden, terwijl Sietske in hem liefhad den man die buitengewoon gebleken was te zíjn. Het kon niet anders of Dekker moest in Sietske’s fysionomie eene wolkelooze bewondering lezen, die hij bij Tine nimmer had kúnnen waarnemen, omdat de reden er toe toen nog niet aanwezig was. In der daad zijn er weinig dingen zoo pijnlijk voor de vrouw, die in eendrachtig huwelijk met haar man de middaghoogte des levens heeft bereikt, dan te bemerken hoe er zich eene genegenheid tusschen dien man en een hem vereerend jong meisje begint te openbaren. Zij toch, zijne vrouw, heeft hem bemind alleen om zijns zelfs wille, toen hij nog geheel onbekend en onberoemd was; zij is het leven met hem ingegaan vol moed, hoop en vertrouwen, met het zeergeprononceerde verlangen alle vreugd, maar ook alle leed met hem te deelen. En nu de boom zijns levens tot vollen wasdom is gekomen en vruchten draagt, is ’t een jong meisje zooals zij vroeger was, die, met den blos en den glimlach der jeugd op het gelaat, de hand uitstrekt om die vruchten te plukken.Indien wij voor een oogenblik Multatuli’s vrouw en de kinderen willen vergeten,—het is echter juist de eigenaardigheid van ons westersch huwelijksbegrip, dat dit zoo ontzettend moeilijk is, zoo bij uitstek moeilijk ons den man te denken zonder de vrouw, den vader zonder de kinderen, daar wij gewend zijn den gehuwden man niet meer als een geheel op zichzelf te beschouwen maar alleen als een deel van het familiegeheel;—indien wij ons Multatuli denken als veertigjarig ongehuwd man of als weduwnaar, dan rijst zijne vriendschapsbetrekking met Sietske voor ons oog als een der teederst genuanceerde verhoudingen, die tusschen een man en een vrouw kunnen bestaan, een der schoonste, der fijnste banden, die tusschen die twee zielen gelegd kunnen worden.Deze betrekking staat hoegenaamd niet eenigszins uitvoerig in de Brieven beschreven, met enkele woorden wordt zij slechts nu en dan aangeduid: het is als Multatuli aan Tine schrijft, dat Sietske toch zoo lief is, dat hij „puur verliefd” op haar is, dat zij hem gezegd heeft om harentwille toch vooral geen greintje minder van Tine te houden, en aan Tine verlof te vragen háar, Sietske, een weinig te mogen beminnen; het is als Multatuli aan Tine bericht van het verlof dat hij, in Tine’s naam, aan Sietske gegeven heeft om hem een beetje lief te hebben; maar door die weinige woorden heen, is het hem, die nu in den toestand is ingeleefd, mogelijk een kijkje te doen in deze charmante betrekking.Sietske was de dochter van Kees Abrahamsz., de zuster, meenen wij, van den zelfden Theodoor, die na Dekker’s dood een goed gemeend, weinig letterkundig en zeer geruchtmakend artikel over Dekker zou schrijven. Zij moet een buitengewoon bekoorlijk meisje geweest zijn, want bijna iedereen, dus lezen wij, was op haar verliefd. Zij moet niet zoozeer eene buitengewone schoonheidals wel in de hoogste mate innemend geweest zijn: bijzonder zachtzinnig, vriendelijk, vlug, en bovenal begaafd met die echt vrouwelijke en taktvolle hoffelijkheid, die de wenschen weet te voorkomen der menschen met wie zij in gezelschap is en een gesprek weet te voeren zóo, dat de overeenstemming der meeningen geen vervelende eentonigheid wordt en het verschil in meening geen enkel minder aangenaam oogenblik veroorzaakt.Voor Dekker moeten die uren, welke hij in de woning van Sietske’s familie en in haar gezelschap ging doorbrengen, een genot bevat hebben, waarop hij uren en dagen lang vlaste.Zoo eene verhouding, die meer dan vriendschap is en die geen liefde mag worden, had al het weemoedig aantrekkelijke eener schemering van licht en donker. Het meisje en de man onderscheiden niet nauwkeurig meer wat er in hun binnenste omgaat, zij bemerken alleen met zekerheid, dat het iets heel moois en voor hen heel gelukkigs is. Allerlei tweestrijd doet zich voor in hun gemoed. Zij durven de liefde niet aan, zij zijn er bang voor als voor de duisternis, en hetheldere, maar koele, licht van de vriendschap zien zij toch tanen voor hun innerlijken blik. Dan sluiten zij de oogen om aan de weifeling en aan de smart van den tweestrijd te ontkomen; maar als zij ze weer openen zijn de donkere wolken verdwenen en zien zij klaar en stil de sterren blinken, als de teedere seinlichten der sentimenten tusschen liefde en vriendschap, in wier glans zij hun omgang mogen koesteren...In dezen tijd van dagelijksche onrust en koortsige levenshaast, moeten de bezoeken aan de woning, waarvan Sietske het bloeiend middelpunt was, de bekoring als van eene oase op Dekker hebben uitgeoefend. Als hij de trap opkwam, in eene stemming nog verhit door de moeitevol ten einde gebrachte dagtaak, hoorde hij reeds hare welluidende stem, wier klank als eene verfrissching in zijn koortsig binnenste viel. Een minuut later was hij in hare tegenwoordigheid en had hij bij de begroeting haar hand, als een bemind vogeltje, in de zijne gevangen. Hun blikken ontmoetten elkaâr en lazen er weder de blijde boodschap der innige, der teedere, maarreine verstandhouding. En dan begonnen de gesprekken. Zij vroeg hem naar zijn werk, met warme belangstelling, met eene belangstelling welke zich zoo uitte, dat hij aan ieder woord en aan haar geheelen toon bemerken kon, dat er niets in voorgewend of overdreven was.Sietske’s genegenheid voor Dekker was oorspronkelijk ontstaan uit een zelfden door haar van hem ontvangen indruk, als dien vele vrouwen van hem hadden ontvangen. Zij was in hem gaan vereeren den zeldzamen, den éénigen vaderlander met een hartstochtelijke kunstenaarsnatuur, den man die, voor één groote edelmoedige gedachte, zijn leven en zijn loopbaan aan volslagen ondergang blootstelde, den man, die zijn geluk prijsgaf, die al zijn tijd, kracht, moed en werk dienstbaar maakte aan de najaging van het ideaal, dat hij zich had gesteld. Zij bewonderde hem als een held, strevend naar het groote, als de figuur, die, meer dan wie zijner tijdgenooten ook, geschikt was om de rol van Koning te vervullen in de liefelijke feërieën der schuchtere meisjesdroomen.Maar daarna had zich, als een kostbare edelsteen op een gouden sieraad, de genegenheid, die het gevolg was van hun vertrouwelijk verkeer, in die nog vage vereering gevoegd. En waar in zulke gevallen de toenadering van beide kanten komt, bewaarheidt het spreekwoord „nul n’est grand homme pour son valet de chambre” zich niet. Sietske was wel niet Dekker’s kamermeisje, maar het gezegde beduidt, meenen wij, dat de aureool, die eene vereering uit de verte om de slapen van den vereerden heeft gekranst, meest verbleekt door de prozaïsche ontdekkingen, die de werkelijkheid eener persoonlijke kennismaking medebrengt. En dit geschiedde hier niet. De bewondering verloor wat er nog koel en op-een-afstand in was. De vrees, de bedeesdheid verdween, en eene bewondering vol warme genegenheid stelde zich in de plaats.Want Dekker was iemand, wiens persoon de indrukken bevestigde, die de lezing zijner werken had doen geboren worden. Zijne ziel stond op zijn gelaat te lezen, zijn hooge natuur wachtte niet op pen en papierom zich te doen gelden, maar schitterde ook in het gesproken woord, in de aanhoudende improvisatie van vernuftige gedachten, die zijn gesprekken waren.De genegenheid van Multatuli en Sietske Abrahamsz is in deze drukke en bonte periode het fijnst gekleurde en liefelijkste lotgeval. En als wij niet gedwongen waren steeds het droeve beeld van Tine op den achtergrond van Dekker’s leven te zien, zouden wij met nog langduriger aandacht en meer onvermengde appreciatie in de beschouwing dezer hooge, mooie betrekking blijven verwijlen.In ’t algemeen kan men zeggen, dat van de vijf zeer uiteenloopende betrekkingen met vrouwen, (Tine, Eugénie, Pauline, het ontbijtstertje en Sietske,) waarin wij Multatuli hebben beschouwd, die met Sietske de meest ongemeene en meest typische was, omdat hoofdzakelijk den kunstenaar in Multatuli hare genegenheid gold en omdat hij in haar eene vertegenwoordigster aantrof van de sympathieën, die Nederlandsche lezeressen meer nog dan Nederlandsche lezers voor zijn werken gevoelden.

Toen Dekker later Tine met Eugénie in kennis bracht, zoodat er, indien wij onzeoogen en de mededeelingen van de uitgeefster der Brieven mogen gelooven, eenige vriendschap tusschen de vrouwen ontstond en Tine jaren lang met Eugénie eene briefwisseling onderhield,—toen volvoerde hij alleen tot de alleruiterste konsequentie, wat zijne theorie hem dwong in deze dingen goed te vinden. Ons is dit te machtig, wij zouden er schier benauwd van worden; ons kan dit volkomen ten ondergaan van het gevoel van waardigheid in de eene der vrouwen niet anders dan pijnlijk aandoen.

Uit het feit dier briefwisseling blijkt voorts ten overvloede nog eens verrassend duidelijk, welk een alles beheerschenden invloed Dekker op zijne vrouw oefende. Niet dat zij zich tegen haar zin met Eugénie in verkeer zou hebben begeven, maar dat zij, tegen alle modern Europeesch vrouwelijk gevoel in, er behagen in vond met de gewezen maîtresse van haar man om te gaan, bewijst dat haar gevoel zich, door het voortdurend aanhooren der denkbeelden van haar man, verbazend vervormd had.

Over Pauline, Dekker’s tweede beschermeling, waarvan in de brieven sprake is, vernemen wij weinig meer dan het volgende (dl. I, blz. 50):

„En toen ik bij die Pauline kwam, die zich verstout een kind te hebben vóór ’t huwelijk, en toen zij mij zeide dat zij altijd eten kreeg van de Prince Belge zonder te betalen, omdat „le vieux n’osait pas refuser, car, voyez vous, il savait bien que vous reviendriez” en dat dit zoo gelukkig was, want zij zoogde haar kind en had dus eten noodig... Kijk, dat deed mij toch pleizier dat men eene zoogende moeder eten had gegeven om mijnentwille.”

Uit deze regelen valt niet rechtstreeks op te maken, dat Dekker met Pauline intiemen omgang heeft gehad. Wij meenen ook dat hij elders als iets zots verhaalt, dat iemand gevraagd had of Pauline zijne maîtresse was. Maar wellicht vond hij alleen het woord maîtresse ten opzichte van Pauline gebruikt, dwaas of spotte hij om een andere, dergelijke reden, met die vraag. In aanmerking genomen Dekker’s denkwijze over dit onderwerpen daarbij de eigenaardigheden van Pauline, zooals wij die uit bovenstaande beschrijving leeren kennen, wint het vermoeden aan waarschijnlijkheid, dat er tusschen hen meer is voorgevallen dan de wisseling van een enkelen dankbaarheidshanddruk. Immers, dat men aan Pauline kosteloos voeding verstrekte, wijl men wel wist, dat Dekker eens terug zou komen, toont dat er eene innige verstandhouding tusschen die twee bestond, waarvan de herbergiers-familie wist.

Pauline behoorde blijkbaar tot de laagste volksklasse. Indien wij dus mogen veronderstellen, dat er eene relatie tusschen haar en Dekker bestaan heeft, vinden wij daarin zooveel als een vervolg op en eene konsequentie van zijne betrekking met Eugénie. In den tijd toch, dat Dekker met Pauline zou geleefd hebben, in den tijd ook dat hij haar later weder ontmoette, had hij ’t zelf veel armoediger dan gedurende zijne minnarij met Eugénie. Hij was dus in alle opzichten een trede lager gegaan. En zeker was hier het medelijden nog meer versmolten met het andere gevoel.

Pauline, een geheel onbeschaafde vrouw waarschijnlijk, en die dus b.v. ook aan haar toilet slechts uiterst geringe zorg besteedde, was het meest geschikte schepsel, in wier omarming Multatuli zijn groot verdriet en zijn hevig protest tegen de maatschappij kon uitsnikken.

De derde vriendin van Dekker, die ons weder een trede opwaarts voert naar een geheel andere schakeering van het verkeer met vrouwen, is degene, die men niet beter kan aanduiden dan met den naam van „het stomme ontbijtstertje.”

In een brief van 17 September 1860, schrijft Dekker: „Alle morgen om negen uur komt er een meisje bij mij ontbijten. Zij mag een uur blijven, maar niet praten, dat is een komieke geschiedenis.”

Van deze geschiedenis vernemen wij (dl. 1. blz. 151) het volgende: Dekker liep eens door Amsterdam te kuieren, toen hij op het Damrak werd aangesproken door een jong, als dame gekleed, meisje, dat hem vertelde dat zij zoo’n honger had. Zij voegdeer bij, dat zij deze mededeeling aan niemand anders dan aan hem alleen zou durven doen. Hij gaf er zich op dat oogenblik geen rekenschap van of zij bedoelde, dat zijn uiterlijk haar zooveel vertrouwen inboezemde of dat zij zijn naam en reputatie kende. Het was precies iets voor zijn royale, genereuse natuur, het paste daarbij uitnemend in zijn lust tot weêrstreving van maatschappelijke gewoonten, om het meisje niet af te schepen met een zwijgende weigering noch haar het adres vanLiefdadigheid naar Vermogenop te geven, maar om haar welwillend te woord te staan. Hij had in dat geval ook kunnen volstaan met haar eenig geld in de hand te stoppen; maar hij vond er al weder eene belangrijke ontmoeting in; hij wilde wel eens kennis maken met deze ongelukkige, vermoedelijk, naar hem docht, weder een slachtoffer van de wanverhoudingen der maatschappij, en, waarschijnlijk om tevens zeker te zijn dat zij hem niet bedroog, besloot hij haar te vergezellen om haar in de een of andere gelegenheid naar haar genoegen zich te laten verzadigen.Hij stak daarom het IJ met haar over en liet haar aan het Tolhuis zich te goed doen aan broodjes met vleesch. Zij vertelde hem hare geschiedenis: dat zij, in ‘s-Gravenhage te huis hoorend, hier tijdelijk een kamer had gehuurd om zaken voor haar vader te doen, maar dat al haar geld op was, enz. Het gevolg was, dat hij, die ook op dat oogenblik geen geld had om dagelijks een middagmaal voor haar te bekostigen, voor haar wenschte te doen al wat in zijn vermogen was en haar daarom uitnoodigde elken ochtend op zijn kamer op de Botermarkt te komen ontbijten. Zij nam dit gretig en dankbaar aan. Nu was echter het grappige van den toestand, dat Dekker in het begin van den dag liever geen gesprekken hield (waarschijnlijk wijl hij vreesde zich dan te veel te epancheeren, zoodat zijn aandacht zich niet genoeg meer koncentreerde op het schrijfwerk, dat hij wilde verrichten en hij vreesde zijn kracht te verpraten in plaats van haar alleen voor zijne schrifturen aan te wenden). Zij kreeg dus verlof bij hem te komen en een uur teblijven, maar zij mocht geen woord zeggen. Deze zonderlinge omgang duurde eenige weken. Eindelijk kon Dekker haar het benoodigde geld verschaffen om naar ‘s-Gravenhage terug te keeren, en zij bewees hem hare dankbaarheid, door hem van daar uit een paar door haar geborduurde pantoffels ten geschenke te zenden.

Eenige maanden later ontving Multatuli het bezoek van dien zekeren dokter in de Letteren, waarvan wij in deMinnebrievenlezen. Om het in nood verkeerende gezin, waarvoor de dokter zich interesseerde, te helpen, stond Multatuli toen het voor deMinnebrievenbedongen honorarium af. Na dien tijd vernam hij dat de dokter in de Letteren verloofd was met eene dochter uit het gezin, dat hem zooveel belang inboezemde, en dat hij hem met zijne aanstaande zou komen bezoeken. En toen Multatuli dat bezoek ontving, toevallig geschoeid met de gemelde pantoffels, herkende hij in de bruid van den dokter zijn zwijgend ontbijtstertje. Zij deed, alsof zij hem nog niet kende, bedankte hem ten zeerste voor wathij voor hare familie had gedaan en vroeg hem of zij hem niet eens eene kleine oplettendheid zou mogen bewijzen, door b.v. ’t een of ander voor hem te borduren. „Pantoffels heeft u al, zie ik” voegde zij er bij. Nu werd Dekker, die op eens het stellige vermoeden kreeg, dat het meisje zelf, ontevreden met wat zij persoonlijk van hem had kunnen halen, den dokter op hem had afgestuurd, boos en dreef zijne bezoekers met zachten dwang de deur uit. Hij wist zich echter genoeg in te houden om niet te doen merken, dat hij haar herkende en daarmede eene onaangenaamheid tusschen de twee verloofden te weeg te brengen, indien de dokter soms van het ontbijten niets afwist. Ons komt het evenwel waarschijnlijker voor, dat de dokter, die zich professioneel met de letterkunde bezighield en dus eerder dan het burgermeisje met Dekker’s, uit zijn geschriften blijkend, medelijdend karakter bekend geweest zal zijn, reeds met het meisje zoo goed als verloofd was ten tijde dat zij Dekker het eerst aansprak en dat de dokter haar op Dekkeraf zal hebben gestuurd, meenende dat een bede om hulp uit den mond eener vrouw nog zekerder onweêrstaanbaar voor Multatuli zou wezen dan het verzoek van een litterator. Toen nu echter de verleende hulp niet aan de verwachtingen beantwoordde, trok de dokter toch zelf maar de stoute schoenen aan, en slaagde ook werkelijk, gelijk wij gezien hebben, beter.

De vierde vrouwenfiguur, tot wie Dekker zich, in deze periode zijns levens, bijzonder aangetrokken gevoelde, was Sietske Abrahamsz. Wij voegen hier aanstonds bij, dat wij met de bespreking der genegenheidsbetrekking, welke eenigen tijd tusschen Sietske en Multatuli bestond, een totaal van de vorige verschillende sfeer van maatschappelijk verkeer en gemoedsaandoeningen betreden. Daarover mag geen misverstand mogelijk zijn. Een muur scheidt deze in alle opzichten reine, ideale, relatie van de zooeven behandelde drie andere.

Wij keuren er niettemin even sterk, ja nog sterker, om af, dat Dekker zijne vrouwzoo voortdurend berichten zond over zijne liefde voor Sietske en Sietske’s verliefdheid op hem. Nog sterker keuren wij het af, omdat, mocht Tine al van Dekker’s andere relaties kunnen denken, dat zij te hoog stond om daarover jaloersch te kunnen worden, dat die van een soort waren zonder eenige overeenkomst met de liefde welke haar man aan háar verbond, van een aard, die ’t haar onmogelijk maakte zich zelve te bekennen, dat zij er zich iets van aantrok,—zij over de betrekking met Sietske onmogelijk zoo kon denken. Sietske was een allerliefst jong meisje, van den zelfden stand als zij, ja veel wat Dekker in Tine vóór hun huwelijk gecharmeerd moet hebben, vond hij nu in Sietske terug.

Tine had dus dubbel reden om zich door deze genegenheid, juist wijl zij rein was en volkomen vrij van alle minder edele bedoelingen, juist wijl het ’t bijzondere in Dekker’s persoon was, dat Sietske in hem beminde, gegriefd te gevoelen. Als Dekker’s herinnering opleefde, herinnering aan den lang vervlogen, en nog lánger vervlogen schíjnenden, zaligen engagementstijd, en hij maakte vergelijkingen,dan moesten die wel, zonder dat hij zelf misschien zich bewust werd wat daarvan de oorzaak was, ten voordeele van Sietske uitvallen. Immers Tine had, de gewone menschelijke liefde, welke van die andere slechts de grondslag was, daargelaten, in Dekker vereerd den man, die uitmuntend, die buitengewoon beloofde te wórden, terwijl Sietske in hem liefhad den man die buitengewoon gebleken was te zíjn. Het kon niet anders of Dekker moest in Sietske’s fysionomie eene wolkelooze bewondering lezen, die hij bij Tine nimmer had kúnnen waarnemen, omdat de reden er toe toen nog niet aanwezig was. In der daad zijn er weinig dingen zoo pijnlijk voor de vrouw, die in eendrachtig huwelijk met haar man de middaghoogte des levens heeft bereikt, dan te bemerken hoe er zich eene genegenheid tusschen dien man en een hem vereerend jong meisje begint te openbaren. Zij toch, zijne vrouw, heeft hem bemind alleen om zijns zelfs wille, toen hij nog geheel onbekend en onberoemd was; zij is het leven met hem ingegaan vol moed, hoop en vertrouwen, met het zeergeprononceerde verlangen alle vreugd, maar ook alle leed met hem te deelen. En nu de boom zijns levens tot vollen wasdom is gekomen en vruchten draagt, is ’t een jong meisje zooals zij vroeger was, die, met den blos en den glimlach der jeugd op het gelaat, de hand uitstrekt om die vruchten te plukken.

Indien wij voor een oogenblik Multatuli’s vrouw en de kinderen willen vergeten,—het is echter juist de eigenaardigheid van ons westersch huwelijksbegrip, dat dit zoo ontzettend moeilijk is, zoo bij uitstek moeilijk ons den man te denken zonder de vrouw, den vader zonder de kinderen, daar wij gewend zijn den gehuwden man niet meer als een geheel op zichzelf te beschouwen maar alleen als een deel van het familiegeheel;—indien wij ons Multatuli denken als veertigjarig ongehuwd man of als weduwnaar, dan rijst zijne vriendschapsbetrekking met Sietske voor ons oog als een der teederst genuanceerde verhoudingen, die tusschen een man en een vrouw kunnen bestaan, een der schoonste, der fijnste banden, die tusschen die twee zielen gelegd kunnen worden.

Deze betrekking staat hoegenaamd niet eenigszins uitvoerig in de Brieven beschreven, met enkele woorden wordt zij slechts nu en dan aangeduid: het is als Multatuli aan Tine schrijft, dat Sietske toch zoo lief is, dat hij „puur verliefd” op haar is, dat zij hem gezegd heeft om harentwille toch vooral geen greintje minder van Tine te houden, en aan Tine verlof te vragen háar, Sietske, een weinig te mogen beminnen; het is als Multatuli aan Tine bericht van het verlof dat hij, in Tine’s naam, aan Sietske gegeven heeft om hem een beetje lief te hebben; maar door die weinige woorden heen, is het hem, die nu in den toestand is ingeleefd, mogelijk een kijkje te doen in deze charmante betrekking.

Sietske was de dochter van Kees Abrahamsz., de zuster, meenen wij, van den zelfden Theodoor, die na Dekker’s dood een goed gemeend, weinig letterkundig en zeer geruchtmakend artikel over Dekker zou schrijven. Zij moet een buitengewoon bekoorlijk meisje geweest zijn, want bijna iedereen, dus lezen wij, was op haar verliefd. Zij moet niet zoozeer eene buitengewone schoonheidals wel in de hoogste mate innemend geweest zijn: bijzonder zachtzinnig, vriendelijk, vlug, en bovenal begaafd met die echt vrouwelijke en taktvolle hoffelijkheid, die de wenschen weet te voorkomen der menschen met wie zij in gezelschap is en een gesprek weet te voeren zóo, dat de overeenstemming der meeningen geen vervelende eentonigheid wordt en het verschil in meening geen enkel minder aangenaam oogenblik veroorzaakt.

Voor Dekker moeten die uren, welke hij in de woning van Sietske’s familie en in haar gezelschap ging doorbrengen, een genot bevat hebben, waarop hij uren en dagen lang vlaste.

Zoo eene verhouding, die meer dan vriendschap is en die geen liefde mag worden, had al het weemoedig aantrekkelijke eener schemering van licht en donker. Het meisje en de man onderscheiden niet nauwkeurig meer wat er in hun binnenste omgaat, zij bemerken alleen met zekerheid, dat het iets heel moois en voor hen heel gelukkigs is. Allerlei tweestrijd doet zich voor in hun gemoed. Zij durven de liefde niet aan, zij zijn er bang voor als voor de duisternis, en hetheldere, maar koele, licht van de vriendschap zien zij toch tanen voor hun innerlijken blik. Dan sluiten zij de oogen om aan de weifeling en aan de smart van den tweestrijd te ontkomen; maar als zij ze weer openen zijn de donkere wolken verdwenen en zien zij klaar en stil de sterren blinken, als de teedere seinlichten der sentimenten tusschen liefde en vriendschap, in wier glans zij hun omgang mogen koesteren...

In dezen tijd van dagelijksche onrust en koortsige levenshaast, moeten de bezoeken aan de woning, waarvan Sietske het bloeiend middelpunt was, de bekoring als van eene oase op Dekker hebben uitgeoefend. Als hij de trap opkwam, in eene stemming nog verhit door de moeitevol ten einde gebrachte dagtaak, hoorde hij reeds hare welluidende stem, wier klank als eene verfrissching in zijn koortsig binnenste viel. Een minuut later was hij in hare tegenwoordigheid en had hij bij de begroeting haar hand, als een bemind vogeltje, in de zijne gevangen. Hun blikken ontmoetten elkaâr en lazen er weder de blijde boodschap der innige, der teedere, maarreine verstandhouding. En dan begonnen de gesprekken. Zij vroeg hem naar zijn werk, met warme belangstelling, met eene belangstelling welke zich zoo uitte, dat hij aan ieder woord en aan haar geheelen toon bemerken kon, dat er niets in voorgewend of overdreven was.

Sietske’s genegenheid voor Dekker was oorspronkelijk ontstaan uit een zelfden door haar van hem ontvangen indruk, als dien vele vrouwen van hem hadden ontvangen. Zij was in hem gaan vereeren den zeldzamen, den éénigen vaderlander met een hartstochtelijke kunstenaarsnatuur, den man die, voor één groote edelmoedige gedachte, zijn leven en zijn loopbaan aan volslagen ondergang blootstelde, den man, die zijn geluk prijsgaf, die al zijn tijd, kracht, moed en werk dienstbaar maakte aan de najaging van het ideaal, dat hij zich had gesteld. Zij bewonderde hem als een held, strevend naar het groote, als de figuur, die, meer dan wie zijner tijdgenooten ook, geschikt was om de rol van Koning te vervullen in de liefelijke feërieën der schuchtere meisjesdroomen.

Maar daarna had zich, als een kostbare edelsteen op een gouden sieraad, de genegenheid, die het gevolg was van hun vertrouwelijk verkeer, in die nog vage vereering gevoegd. En waar in zulke gevallen de toenadering van beide kanten komt, bewaarheidt het spreekwoord „nul n’est grand homme pour son valet de chambre” zich niet. Sietske was wel niet Dekker’s kamermeisje, maar het gezegde beduidt, meenen wij, dat de aureool, die eene vereering uit de verte om de slapen van den vereerden heeft gekranst, meest verbleekt door de prozaïsche ontdekkingen, die de werkelijkheid eener persoonlijke kennismaking medebrengt. En dit geschiedde hier niet. De bewondering verloor wat er nog koel en op-een-afstand in was. De vrees, de bedeesdheid verdween, en eene bewondering vol warme genegenheid stelde zich in de plaats.

Want Dekker was iemand, wiens persoon de indrukken bevestigde, die de lezing zijner werken had doen geboren worden. Zijne ziel stond op zijn gelaat te lezen, zijn hooge natuur wachtte niet op pen en papierom zich te doen gelden, maar schitterde ook in het gesproken woord, in de aanhoudende improvisatie van vernuftige gedachten, die zijn gesprekken waren.

De genegenheid van Multatuli en Sietske Abrahamsz is in deze drukke en bonte periode het fijnst gekleurde en liefelijkste lotgeval. En als wij niet gedwongen waren steeds het droeve beeld van Tine op den achtergrond van Dekker’s leven te zien, zouden wij met nog langduriger aandacht en meer onvermengde appreciatie in de beschouwing dezer hooge, mooie betrekking blijven verwijlen.

In ’t algemeen kan men zeggen, dat van de vijf zeer uiteenloopende betrekkingen met vrouwen, (Tine, Eugénie, Pauline, het ontbijtstertje en Sietske,) waarin wij Multatuli hebben beschouwd, die met Sietske de meest ongemeene en meest typische was, omdat hoofdzakelijk den kunstenaar in Multatuli hare genegenheid gold en omdat hij in haar eene vertegenwoordigster aantrof van de sympathieën, die Nederlandsche lezeressen meer nog dan Nederlandsche lezers voor zijn werken gevoelden.


Back to IndexNext