Chapter 4

Nu wij de plaats omschreven hebben, welke Multatuli, naar onze opvatting, als openbare persoonlijkheid in de beschavings-geschiedenis van Nederland inneemt, rust, met groote duidelijkheid aangewezen, de taak op ons, de compositie van het beeld dat wij begonnen zijn te schetsen, te vervolledigen, door er de bijzondere trekken aan toe te voegen, die Multatuli als mensch in het private leven kenmerkten. En hiertoe bieden deBrievenhet niet genoeg te waardeeren materiaal. Zoo ergens, dan is bij Multatuli de privaat-mensch de aanvulling, de wederhelft van de publieke persoon. Niet alleen om dat hij steeds uit zijn omgeving, uit zijn eigen lotgevallen, uit zijn toevallige omstandigheden en ontmoetingen op reis en te huis, bijna uitsluitend de stof putte voor zijne artistiekefantasieënen wij dus de geschiedenis, den oorsprong van zijn kunstwerk in zijn partikulier leven moeten opsporen; maar ook om dat hij zelf nagenoeg zijn geheele partikuliere leven, qua historie, qua belang inboezemende, verontwaardigingwekkende lotgevallen, heeft gepubliceerd, maar niet altijd,—en hierop komt het aan—met zooveel nauwkeurigheid en algeheele helderheid, dat omtrent den waren aard zijner ondervindingen bij den lezer niets meer in het duister bleef. Velen ongetwijfeld zullen pas in dezeBrievende volkomen opheldering van zoo menigen geestelijken en stoffelijken toestand in des schrijvers leven vinden, waarnaar zij in de heftige uitlatingen derIdeënen andere geschriften te vergeefs hebben gezocht.De vrouwen zijn voorzeker de zachtste, de liefste, de aangenaamste, in vele gevallen de meest menschelijke, helft der menschheid. Het is dus allerminst om de vrouwen van deze kategorie van wezens uit te sluiten, indien wij, na Multatuli in zijne verhouding tot „de menschen” beschouwd te hebben, gaarne een afzonderlijk hoofdstuk zouden wijden aan Multatuli’s verhouding tot „de vrouwen”, en in verband met deze verklaring moet dus wel de titel der hier aanvangende afdeeling van dit opstel eeneanticipatie schijnen op dien der volgende. Toch zullen wij er ons op toeleggen dit slechts schijn te doen zijn. Want het onderscheid moet zijn: dat wij nu Multatuli’s bijzondere en buitensporige persoonlijkheid in haar gevoelens en gedragingen ten opzichte van de menschen in ’t algemeen willen nagaan, om vervolgens uitsluitend het bijzondere in die persoonlijkheid te overwegen, dat haar eigen werd zoodra zij speciaal met vrouwen in kontact kwam.Om een juist denkbeeld van Multatuli’s karakter te krijgen, zoo als het zich in zijn omgang met menschen, in zijn houding tegenover de maatschappij, openbaarde, toen hij eenmaal een publiek persoon begon te worden, moeten wij aanvangen met zijn karakter te beschouwen zoo als het vóor dien tijd was, want het karakter heeft zich wel niet veranderd, maar heeft zich uitgedijd, en, om zijn latere ontwikkeling te begrijpen, moet men daarvan de oorzaken in de kiem naspeuren. Multatuli’s karakter, zoo als dat was vóór de verschijning van zijn eerstuitgekomenwerk, denMax Havelaar, heeft de houding bepaald die de maatschappij, vertegenwoordigd door hare met hem in betrekking staande leden, tegen hem aannam, en waarvan zijne, latere, houding weêr de terugslag was.Wie was Douwes Dekker vóór dat Multatuli bestond, wat voor een man was die Douwes Dekker in de waardeering dergenen, die over hem te oordeelen hadden,—ziedaar de vraag, waarvan de beantwoording het gedrag der „menschen” jegens hem volkomen zal verklaren.De waardeering, waarin Dekker bij de menschen, hier in ’t bijzonder zijne familieleden, bijv. zijn in deBrievendikwijls genoemden broeder Jan Dekker en zijn zwager Van Heeckeren van Waliën, stond, had zich natuurlijk gevormd uit wat zij wisten van zijne handelingen en gedachten, van de feiten zijns levens, van zijn gedrag als mensch, ambtenaar, echtgenoot, huisvader.Vóór het geweldige feit, het enormefait accomplizijner ontslagneming als Assistent-Resident te Lebak, had Dekker (naaruit deBrievenblijkt) in zijne familie de reputatie van te zijn een zeer begaafd man, maar tevens wat zonderling, wat heet-hoofdig, en een slecht financier. Vóór Lebak reeds, lezen wij, waren de financiëele omstandigheden der familie Douwes Dekker alles behalve gunstig. Dekker had zelf van huis uit geen geld, hij was gehuwd met eene onbemiddelde baronesse Van Wijnbergen, hij verdiende in ’s lands dienst wel betrekkelijk veel, maar de verteringen overtroffen steeds de inkomsten, zoodat men links en rechts in schulden kwam.In 1846 was Dekker gehuwd, in 1852 kwam hij met verlof naar Europa, om in 1855 weder naar Indië terug te keeren. In die drie jaren verloftijd, dus nog vóór zijn zenuwgestel door zijn ontslag en de daardoor veroorzaakte ellende den grooten schok had gekregen, toonde hij reeds, vooral in uitspannings-tijd, slecht met geldelijk beheer overweg te kunnen; want niet alleen bij zijne vrienden, maar ook bij zijne Wageningsche tantes, en zelfs bij denhôtelhouderFuhri in ’s-Gravenhage maakte hij schulden, diein 1856, het jaar van het ontslag, nog lang niet aangezuiverd waren, want jaren later nog „maakte”, zooals de uitgeefster derBrievenhet mededeelt, „Fuhri het hem daarover lastig.”Al dat schulden maken wordt natuurlijk in ’t algemeen verontschuldigd door Dekker’s stellige en zeer oprechte voornemens om het geleende geld terug te geven, misschien wel met de rente er bij; het leenen bij de tantes in ’t bijzonder wordt vergoelijkt door het feit, dat Dekker deze dames geregeld ondersteunde, zoodat hij niet ten onrechte, maar wel wat weinig delikaat, later beweerde: het was zijn eigen geld, dat hij van de tantes had geleend; doch het leenen van de tantes komt aan den anderen kant weer in een minder fraai daglicht, als men verneemt, dat die tantes zelve uiterst onbemiddeld waren, zoo onbemiddeld, dat, ter beantwoording van verzoekschriften hunnerzijds, prins Frederik hun eens vijftig gulden ten geschenke zond, terwijl zij van het ministerie een gratificatie van zestig gulden ontvingen. De schuld bij den hôtelhouderis van nog bedenkelijker aard,par ce qu’il faut laver son linge sale en famille.(Want Dekker was toen nog niet behoeftig, hij had zijn verlofstraktement).Zóó was dus de toestand, toen, nadat Dekker 4 Jan. 1856 benoemd was tot Assistent-Resident, de familie in de lente van dat jaar plotseling verrast en verbaasd en, ja geërgerd werd door het bericht, dat hij, in wiens promotie zij zich waarschijnlijk juist zeer verheugde, op 4 April van die hooge positie had afstand gedaan en uit die lukratieve betrekking zijn ontslag had genomen. Waarom, dus vroeg men zich in ontsteltenis af, waarom heeft hij dat gedaan? Was het om elders in nog betere betrekking te komen, was het om op andere wijze, door het beginnen eener partikuliere onderneming, zijne levensomstandigheden en die van zijn gezin nog meer te verbeteren, was het wegens onvermogen, wegens ziekte? Niets van dat alles. Toen dus de familie de reden vernam, kon zij, die natuurlijk naar de algemeen in de maatschappij gangbarebegrippen oordeelde, eronmogelijkiets anders van vinden, dan dat hij, die zoo handelde, rijp was voor de gevangenis of voor het krankzinnigen-gesticht. Want wát was er gebeurd, wat was de aanleiding geweest, die Dekker tot dezen stap had gebracht? Hij had eene berisping van hooger hand ontvangen over Dienstzaken en, meenende zijn plicht te hebben gedaan, meenende dat zijne superieuren ongelijk hadden en niet hij, meenende dus dat men een andere wijze van dienen van hem verlangde dan hij met zijn plichtsbesef kon overeenbrengen, had hij voor deze moeilijkheid geen andere oplossing geweten dan eenvoudig uit den Dienst te treden.Hij had berisping ontvangen en daarom zijne demissie genomen. De familie, die wij steeds noemen als vertegenwoordigster der maatschappij, kon niet anders denken, dan dat Eduard dit uit gekrenkten trots had gedaan, dat hij, gekrenkt in zijn trots, daarom zich zelf en zijn vrouw en kinderen tot armoede had gebracht, in het ongeluk had gestort. Zijkonniet anders denken om drieredenen: ten eerste zoude zij, als bestaande uit gewone menschen, zich niet hebben kunnen indenken in den geestestoestand van iemand, die het plichtsbesef op zulk een eigenaardige heroïeke manier opvatte; ten tweede, al zoude zij geweten hebben, dat nog heden ten dage individuën met zulke buitensporige begrippen worden gevonden, had zij toch geen enkelen grond om te veronderstellen, dat hun familielid Eduard Douwes Dekker, dien zij wèl echter als zeer hoogmoedig kenden, tot dit slag fanatici zou behooren; ten derde, al waren zij zich bewust geweest van het bestaan dezer soort plichtsopvatting en al hadden zij daarbij geweten, dat die bestond in den geest van Eduard, dan zouden zij toch nog van meening zijn geweest, dat die plichtsopvatting zich in een geheel ander gedrag kon uiten dan in het zijne en tot geheel andere handelingen leiden dan die, welke zij, met leede oogen, hem zagen bedrijven.Gegeven—dus hooren wij de menschen, zoo de derde der genoemde beschouwingende hunne was, redeneeren—gegeven aan den eenen kant, dat de bevolking van Lebak verkeerd werd behandeld, zoowel tot haar ongeluk als tot nadeel van Nederland, dat de assistent-resident dat merkt, dat hij die verkeerde behandeling tracht tegen te gaan, en over dat trachten berispt wordt van hooger hand in plaats van aangemoedigd; gegeven aan den anderen kant, dat hij het tegengaan der verkeerde behandeling, als zijnde plicht, zijn hoogste levenswet acht, dat hij dus om zijn eenen plicht te volbrengen, zijn anderen plicht—het gehoorzamen aan zijn meerderen,—zoude moeten verzaken, dan blijft hem, ook volgens de strengste kasuïstische redeneering, nog een vierde weg open, behalve de derde (het ontslagnemen), nog een vierde weg om uit dit dilemma te geraken, de weg dien niet alleen bijna alle menschen in het gewone leven bewandelen, maar die ook door buitengewone, dweepzieke personen in zeer bijzondere gevallen, dikwijls wordt ingeslagen: de weg van het schipperen, van het geven-en-nemen.Want—en hierop komt het aan ter waardeering van Dekker’s daad, en hierom kunnen wij de menschen, die zoo oordeelen, niet geheel ongelijk geven, en in verband hiermede gelooven ook wij dat de trotschheid wel deugdelijk in het spel is geweest en het zijne er toe bijdroeg om hier het woord plicht zoo eigenaardig te interpreteeren (en wij kunnen dit des te eerder doen, daar trotschheid in iemand die later blijkt zoo eene schoone ziel te hebben, niet afkeurenswaardig, of althans, naast de groote gewrochte dingen, de moeite der afkeuring niet waard is),—want, zeggen we, we hebben hier niet te doen met zulk een lijnrecht afgebakende vraag van plicht of geen plicht, van deugd of zonde, als waarop, bij voorbeeld, in tijden van godsdienstvervolging, de Roomsche of de Calvinistische geloovigen te beslissen hadden en waaraan zich die van dood of leven onmiddellijk verbond.De Roomschen, die wij als voorbeeld nemen, moesten hun geloof afzweren door het plechtig zeggen van eenige woorden; het uitspreken dier formule was, dus leerdede Paus: de zonde, het volstrekt zondige; de Calvinisten moesten hun geloof afzweren, het uitspreken der formule was, dus leerde Calvijn: het volstrekt zondige. Er was hier dus, even als bij alle bekentenissen op de pijnbank, een nauwkeurig afgeperkte daad te verrichten of na te laten. Hem, die het deed, wachtte, na een leven van wroeging, de eeuwige verdoemenis; hem, die het naliet, wachtte, onmiddellijk, de eeuwige gelukzaligheid. De geheele zaak, de daad en het doel, bepaalde zich dus tot het uitspreken of verzwijgen van eenige woorden.In Dekker’s geval was dat anders. Hij had geen bepaalde daad te verrichten, die de stem van het geweten verbood. Hij had zijn gedrag alleen een weinig te wijzigen, om niet alleen zijn vrouw en kinderen zoo gelukkig te doen blijven als zij waren, maar om tevens,—wat voor hem dan de hoofdzaak zoude geweest zijn—zijn zaak beter te dienen, zijn doel beter te bereiken, dat, door het nemen van zijn ontslag, geheel voor hem verloren ging. Want hij was toen nog niet van plan de zaak van Indië door openbaregeschriften te bepleiten, en, ware hij op zijn post gebleven, dan zoude hij, wat hij toch onmiddellijk voorzien kon, de belangen van Nederlanders en Inlanders niet alleen hebben kunnen blijven bevorderen, maar tevens zou hij, ware de gedachte ook in dat geval bij hem opgekomen, door boeken en artikelen, aan de bevordering dier belangen eene meer algemeene uitgebreidheid hebben kunnen geven.Het geval van Multatuli is het best te vergelijken met het geval van een menschlievend schoolmeester. Veronderstelt dat een onderwijzer op een armenschool, behalve dat hij de wettelijke voorschriften ten opzichte der kinderen volbrengt, dien kinderen tevens voedsel verstrekt voor zijn eigen rekening, hiervoor een gedeelte van zijn traktement gebruikende. Veronderstelt voorts, dat een lid der bevoegde autoriteit, het gemeentebestuur of de schoolcommissie, den onderwijzer aanschrijft daarmede niet voort te gaan door eene, het doet er niet toe welke, administratieve konsideratie hiertoe gebracht. Moet nu die onderwijzer, van meeningzijnde, dat de kinderen van Staatswege zouden moeten worden gevoed, en dat hij in elk geval geheel vrij moest gelaten worden om ze voor zijne rekening te voeden, van meening zijnde, dat de plicht der menschlievendheid hem die voeding gebiedt,—moet nu die onderwijzer zijn ontslag nemen en zeggen: anders dienen dan ik thans dien kan ik niet, zoo doende zijn traktement verliezend, zijn familie ongelukkig makende, en de kinderen aan de behandelingen van zijn opvolger blootstellend, die jegens hen wellicht een veel minder zacht gedrag in praktijk zal brengen dan in het onthouden der niet voorgeschreven voeding bestaat? Of moet hij op zijn post blijven en langs een anderen, minder met de inzichten der autoriteiten strijdenden weg, het harde leven voor de kinderen wat zoeken te verzachten?Wij wenschen met deze overwegingen te betoogen de redelijkheid van het oordeel der maatschappij over Multatuli’s daad. En daar wij gaarne het gebeuren van zooveel mogelijk heldenmoedige daden aannemen,om het genot te kunnen hebben die te bewonderen, willen wij gelooven, wat niet absoluut zeker is, want hij was zeer opgewonden—dat Multatuli, op het oogenblik zijner ontslagneming,wist, dat hij zich daardoor in het ongeluk stortte. Wij erkennen, dat zijn daad dán heldenmoedig was, maar wij betoogen daarbij, dat die heldenmoedige daad, evenals die van Van Speyk, voortkwam uit trots, en geenszins uit plichtsbesef of menschenliefde.„De menschen”, en natuurlijk zijn familieleden in de eerste plaats, waren dus—wij herhalen: ook om dat niets nog deed vermoeden dat in den naar hunne meening dwazen Douwes Dekker de later te ontluiken auteur Multatuli school—ten hoogste ontstemd tegen den man, die, na eerst eenigen tijd te Batavia te hebben vertoefd, nu, in het voorjaar van 1857, per landmail over Singapore, Ceylon, Suez, Kaïro en Marseille, naar Europa kwam om ... ja, waarom eigenlijk, waarom anders dan om als een avonturier rond te zwerven en hun allerwaarschijnlijkst per slot van rekening nogtot overlast te worden, terwijl hij zijn in gezegende-omstandigheden verkeerende vrouw en zijn zoontje te Rembang, op het goed van zijn broeder Jan, had achtergelaten.Het gedrag van Dekker, van zijne aankomst te Marseille af tot zijn verblijf in Brussel, waar hij een paar jaar later denMax Havelaarschreef, toe, was in alle opzichten dat van een losbandig levend avonturier, en niemand, die niet in zijne ziel kon lezen, dus letterlijk niemand, kon hem bij mogelijkheid voor iets anders houden.In plaats van naar zijne familie te reizen, eene betrekking te zoeken, desnoods, in afwachting van beter, winkelbediende te worden (wat ook de familie voor iemand, waarvan zij—wij kunnen dit niet genoeg herhalen—hoegenaamd niet wistdat er een kunstenaar in stak, beter zou gevonden hebben dan het leven dat hij verkoos te leiden) begon hij door Europa te zwerven en schijnt ook nogal eens—men houde ons de details ten goede, die uit deBrievenzijn geput en waarvan de vermelding noodzakelijk isom een juist en volledig beeld van den toestand te krijgen—publieke-huizen bezocht te hebben. Althans uit een bordeel „kocht” hij in dien tijd, zekereEugenie„los”, een vrouw, die,—naar de naïeve mededeelingen van de uitgeefster derBrieven, dl. I, blz. 43—„noch zeer jong, noch zeer schoon, maar fatsoenlijk in voorkomen en manieren,” buitendien „eenvoudig, bescheiden en zacht” was, terwijl Dekker haar „lief” en Eugenie zelf het „een ramp” vond, dat zij in dat huis „gebonden” was.Met deze vrouw reisde Dekker, in den zomer van 1857 (terwijl zijne vrouw steeds in Indië bij zijn broeder logeerde) tot Straatsburg, waar zij scheidden, hij, om verder Duitschland in te reizen, zij om in Fransch land te blijven, waar zij meende, „als française, meer kans te hebben om een eerbaar middel van bestaan te vinden”. Om haar het bereiken van dit doel gemakkelijk te maken, gaf Dekker haar geld. De uitgeefster derBrievengist, in verband met zijn gewone royaliteit, een„vrij aanzienlijke som” (van het geld, dat waarschijnlijk zijn broederJan hem had voorgeschoten om in Europa een positie te zoeken).Nu was Dekker’s geld-voorraad zeer verminderd en, tweede stadium der reis door Europa, een tamelijk natuurlijk gevolg van het eerste, hij reisde naar Homburg, om daar aan de speelbank zijn fortuin te beproeven. De uitgeefster derBrievenzegt er van:„Multatuli heeft zijn millioenen-studien geschreven, en noemt daarin de kansrekening zijn lievelingsstudie. Wie dat boek lazen weten dat dit zoo was. (Ongetwijfeld, als het er in staat.) Hoe juichend begroet hij daarin de „simple chance” en de „logos, vol van waarachtigheid.” Er was verband tusschen de kansrekening, zijn millioenen-studien, zijn hooge droomen vol ongemeten eerzucht, zijn „rekenen en mijmeren” waarvan hij zoo dikwijls sprak, en zijn verder reizen naar Duitschland, naar Homburg. Ook het oogenblik drong hem. Nog in het bezit van een weinig geld, maar zonder uitzicht op verdere inkomsten, zag hij het afzichtelijke fantoom „geldgebrek” dreigendnaderen... Nog had hij genoeg, nog was het tijd om een kans te wagen, en wie weet, als nu... In ’t kort, hij ging naar de speelbank! Maar hij verloor daar wat hij had, zoo zelfs, dat hij een of twee dagen later zijn logementsrekening niet kon voldoen. De hôtelhouder maakte het hem lastig, en door nood gedreven telegrafeerde hij naar Straatsburg, evenwel vreezende dat Eugenie van daar vertrokken zou zijn, of althans dat zij haar geld besteed had. Maar neen. Den ochtend na zijn telegram stond zij voor hem. Zij had nog geen uitgaven van belang gedaan, en bracht hem nagenoeg al het geld dat hij haar gegeven had, terug. Met ingenomenheid kon hij in later jaren vertellen, hoe fier zij den lastigen logementhouder haar bankjes had toegeworpen met een kort: „payez-vous!””Nu willen wij niet in eene te uitvoerige appreciatie van deze lotgevallen en handelingen treden. Zoo als zij hier vermeld staan vernemen de lezers ze op minstens even partijdige wijze voorgesteld, als de interpretatie dezer zaken door Dekkers familiepartijdig was in tegenovergestelden zin. Het is alleen eene zeer beminnelijke vooringenomenheid die in al dit gedoe iets anders kan zien dan de lang niet buitengewone of fijne gebeurtenissen, die eenWelt-Umbummler, eenGlobetrotter, een kosmopolitisch avonturier, zoo al kunnen overkomen.Wij, hedendaagsche lezers, wij de bewonderaars van Multatuli’s werken, wij die in Multatuli den man van prachtigen artistieken aanleg, van grooten hartstocht en ongemeen talent eeren, wij vinden hetthans,—al naar mate wij alleen nieuwsgierig, of fatsoenlijk maatschappelijk, of zelf eenigszins meer artiestachtig gestemd zijn,—belangrijk, betreurenswaardig of aardig, dat een gedeelte der biografie van onzen grooten schrijver aldus gekleurd is, wij vinden deze dingen interessant om dat zij plaats hadden met den man, die later de schrijver Multatuli werd, even zoo als wij er ons voor zouden interesseeren of hij ’s ochtends bij zijn boterham een gekookt of wel een gebakken ei pleegde te nuttigen; maar wij kunnen dieavonturen opzich zelfniet belangrijk vinden, en—hiermede passen deze zaken in ons betoog—dat de familie in Holland, wie alleen de brute mededeeling der feiten ter oore kwam, het zeer schandelijk vond, dat deze echtgenoot en vader met publieke vrouwen door Europa rondreisde, het geld dat hij gekregen had om voor zich en zijn gezin eene broodwinning op te sporen, in bordeelen en aan speelbanken verkwanselde en voortging het type van „lastig logementhouder” tot een stereotiepe figuur in zijn leven te maken,—welnu, wie is er, die dit gevoelen der familie niet zeer natuurlijk zal achten?Mevrouw Dekker, de uitgeefster derBrieven, verhaalt, zeiden we, deze dingen op partijdige wijze. Niet dat zij de feiten onnauwkeurig opgeeft, maar in den heelen toon van het verhaal is de stem der liefde waar te nemen, voor wier schoone blindheid wij den meesten eerbied gevoelen, maar omtrent wie wij, in een historische beschouwing als deze, ons niet gerechtigd achten te verzwijgen, dat zij in hooge mate de, aande liefde trouwens inherente, eigenschap bezit van ook de minste handelingen der geliefden voor edele en groote daden te houden, en te meenen, dat de groote en edele geliefde, die onverdiend ongelukkig is, nu ook, als ware het door de natuur met opzet zoo er op toegelegd, steeds in aanraking zal komen met andere ongelukkigen, die zoo al niet groot dan toch óók edel zijn.Wij zullen, om den wille der waarheid, eenige nuchtere opmerkingen wagen aan te voeren, die de feiten in kwestie tot hun zuivere anekdoten-waarde zullen terugbrengen. In de wereld van speelbanken, bordeelen, en wat dies meer zij, is de uitgeefster derBrievennatuurlijk eene vreemdelinge, en al zoude zij, langs den weg der philanthropie, misschien wel met gevallen-vrouwen in gevangenissen of elders hebben gesproken, dan toch zoude zij van den waren aard der bordeelen-wereld niet op de hoogte zijn gebracht. Er zijn gevallen bekend van geestelijke zusters, die tien jaar en langer vrouwelijke gevangenen hebben bediend, waarbijeene menigte brutale vrouwspersonen, die zich niet terughielden alles uit te schreeuwen wat hun in ’t hoofd opkwam; en tóch hadden de zusters, in al dien tijd, van den eigenlijken aard der toestanden, waaruit het verleden dier vrouwen bestond, niets begrepen.De korte zin dezer lange rede moet de bewering wezen, dat in Dekker’s gedrag, en ook in Eugenie’s gedrag,niets bijzondersgevonden wordt. Dat een leeglooper, die zijne betrekking is kwijtgeraakt, zijn gezin in Indië achterlaat, in Europa „en garçon” uitstapjes maakt, publieke huizen bezoekt, en, toevallig veel geld op zak hebbende, een vrouw, die hem bevalt, uit een bordeel medeneemt, na hare schuld in dat etablissement te hebben betaald, om met haar verder te reizen,—hierin is niets bijzonders, hoegenaamd niet. Menig gezeten burger, thans huisvader en kapitalist vol respektabiliteit, zal zich uit zijn jeugd, toen hij de periode onder het devies „il faut que jeunesse se passe” doormaakte, uit eigen ondervinding of van hooren zeggen dergelijke gevallen herinneren. Ons is iemand bekend,in wiens studenten-vriendenkring alleen reeds, eertijds drie zulke „loskoopingen” hebben plaats gehad.Dat een avonturen-jager in de grensstad van haar land afscheid neemt van zijne tijdelijke „mentinee,” zooals het plat-Amsterdamsche woord luidt, dat hij, bepaald eene „toquade” voor die vrouw hebbende en, gewoon hoe kaler hij is hoe royaler met geld om te springen, haar een flinken duit als afscheidsgeschenk medegeeft, met de typische vermaning nu in ’t vervolg op het goede pad te blijven,—dit is wederom eene gebeurtenis, in de annalen der Bohême en der demi-monde zoo frequent voorkomend als het maar mogelijk is.Dat iemand, die in goeden doen is geweest en nu op weg naar „lager wal”, zich aftobt om een snelwerkend middel te vinden, dat zijn fortuin herstellen zal, bezoeker van de speelbank wordt en de kansrekening zijn lievelingsstudie noemt,—wij zouden haast vragen: kan het alledaagscher? De kansrekening, het ploeteren in „systemen”, die onvermijdelijk doen winnen, is de voortdurendebezigheid der stamgasten van speelbanken. Wie, die ooit de speelzalen in Spa of Monte-Carlo bezocht, heeft ze niet gezien, de bleeke, reeds bejaarde vrouwen in donkere kleêren, de magere mannen in versleten plunje, die echter van goeden kom-af nog getuigt,—of wel pas (na een avond van winst) in een al te nieuw kostuum gestoken, waarvan de weelderigheid schrille tegenstelling vormt met hun vervallen gelaatstrekken, waarin de oogen koortsig gloeien? Wie heeft ze niet zien turen en mijmeren, en, met zenuwachtige bewegingen, op het vel papier of in hun zakboekje notities schrijvend en berekeningen makend? Elken dag ziet men er andere, er zijn er te veel dan dat men ze ook maar zou kunnen onthouden. (Wij herinneren er nogmaals aan: De millioenen-studiën zijn een fraai boek; uit het minste en geringste uit Douwes Dekker’s leven, zou de kunstenaar Multatuli later iets schoons weten te distilleeren).En wat nu aangaat Eugenie (hoe men al niet tot den rang van historisch persoon verheven kan raken!):Dat een publieke vrouw noch zeer jong noch zeer schoon is, aan zekere mannen voorkomt lief te zijn, en zich eenvoudig, bescheiden en zacht, fatsoenlijk in uiterlijk en manieren weet voor te doen,—heeft zij gemeen met de groote meerderheid van, dat zij het ellendig vindt in een bordeel gebonden zijn, heeft zij gemeen met voor zoover bekend is álle hare beroepsgenooten.Oppervlakkig zoude men zeggen—alle fatsoenlijke vrouwen zullen dit dus zeggen—dat de meeste publieke vrouwen, door den afschuwelijken en betreurenswaardigen toestand van verval waarin hun moreele smaak verkeert, zoo veranderd zijn, dat zij zich heerlijk tehuis gevoelen in het kermis-paleis voor beestachtige vermakelijkheden, dat het bordeel voor hen is; voorts, dat eene vrouw, die eenmaal zich in een bordeel is gaan vestigen, te diep gezonken is om eenvoudig, bescheiden en zacht en fatsoenlijk in voorkomen en manieren te zijn. Toch moet dit beslist ontkend worden. Het is alleen eene konventioneele, oppervlakkige notie van deze personen en zaken, die deoorsprong dezer meening wezen kan. Ten huize van een onzer bekenden, een deftig en hoogst ingetogen levend gezin, is twee jaar lang een werkmeid in dienst geweest,—die, uit eene andere stad, door een misverstand van personenverwisseling bij het nemen van informaties, in dien dienst was gekomen—en die bijzonder in de gunst stond van hare meesteres, welke laatste aan hare kennissen steeds te vertellen had, dat zij nog nooit met zulk eene in alle opzichten fatsoenlijke en aanbevelenswaardige dienstbode te doen had gehad: en deze werkmeid bleek later de vijftien aan de twee voorafgaande jaren als publieke vrouw in bordeelen te hebben doorgebracht. En dit is een voorbeeld uit vele.Doch, om op de ontleding van Dekker’s avontuur terug te komen: Dat een publieke vrouw zich zoo edelmoedig gedraagt als Eugenie deed toen zij, op Dekker’s telegram, naar Homburg kwam om hem het geld, dat hij haar gegeven had, en dat zij naar alle waarschijnlijkheid zelf best gebruiken kon, terug te geven, nu hij zelf in verlegenheidwas, schijnt zeker een nog zeldzamer verschijnsel. Ongetwijfeld komen daden als deze ook niet zoo veelvuldig voor. Psychologisch echter is dit feit niet van belang, daar de karakter-eigenschap, waar de handeling uit voortkwam, de goedhartigheid namelijk, de edelmoedigheid, den meesten publieken vrouwen eigen is. Leden der hoogere maatschappelijke standen weten dat zoo niet; onder het volk echter is de goedhartigheid en hulpvaardigheid van publieke vrouwen spreekwoordelijk bekend.Wat nu,—om met deze opmerking de paragraaf over het tweede stadium van Dekker’s reis te besluiten—het toewerpen der bankpapieren betreft, waarmede Eugenie den hôtelhouder betaalde, wij kunnen dit met Dekker niet „fier”, en zoo heel fatsoenlijk evenmin, vinden. Deze handeling lijkt ons meer „aanstellerig” dan koninklijk. Ook dat mevrouw Dekker hôtelhouders, die eenvoudig bij, hun onbekende, gasten op de betaling der achterstallige rekening aandringen, telkens „lastig” noemt op eene wijze, alsof zij over bedeljongens sprak, die denvoorbijganger hun lucifers te koop opdringen, achten wij een weinig te studentikoos voor eene eerwaardige dame, die optreedt als uitgeefster der brieven van een groot auteur.Het derde stadium van Dekker’s reis bestaat uit zijn tocht naar Brussel in het najaar van 1857 en zijn verblijf aldaar tot den volgenden zomer in een kleine herberg, denPrince Belgegenaamd, waar hij zeven maanden den kost schuldig bleef, nu hij geheel van geldelijke middelen verstoken was. Ook dit gedeelte zijner lotgevallen past geheel in de loopbaan van een avonturier. „Eerst zijn geld opmaken met publieke vrouwen en aan speelbanken, daarna, als het geld op is, ergens in een kleine herberg blijven hangen en teren op den zak van den goedhartigen waard,—er ontbreekt niets meer aan”—onmogelijk kon de familie in Holland er anders over denken dan in deze woorden is uitgedrukt.Het is zeer jammer, dat mevrouw Dekker uit dezen tijd geen brieven heeft gepubliceerd,daar die ons verklaard zouden hebben waarom Dekker niet naar Holland ging en waarom hij niet voortging te trachten het doel, waarmee hij in Europa gekomen was, te bereiken.Zoo nu, als wij hier beschreven hebben, ging Dekker voort zich te gedragen tot het najaar van 1859, steeds niets van zijn hoogere gaven openbarend en zonderling levend, tot voortdurende ergernis der familie.In Januari 1859 schreef hij, van denPrince Belgeuit, zijn brief aan den Gouverneur-Generaal in ruste, eindigend met de woorden:„Het verzoek, dat ik Uwer Exc. te doen heb, is dit: de herhaling mijner bede om dezen brief en de daarbij gevoegde stukken aandachtig te lezen, en mij wel te willen antwoorden op de vraag of Uwe Exc. daarin niet aanleiding vindt mij te ondersteunen in de pogingen die ik wil aanwenden om op de meest eervolle wijze weder te mogen intreden in Nederlandsch-Indischen dienst.Maar, Excellentie, anders dienen dan ik diende te Lebak kan ik niet!”Mevrouw Dekker teekent hierbij aan: „De heer Van Twist heeft niet geantwoord.”Men kan er zich al weder niet van onthouden het zwijgen van den heer Van Twist zeer verklaarbaar te vinden. De lezer van Multatuli’s werken,—het is natuurlijk niet uit te maken of juist álle lezers hierin overeenstemmen—door de vaste overtuiging en den doordringenden stijl van den kunstenaar dermate overreed, dat hij niet eens de gelegenheid heeft kalm na te denken, heeft, bij de vele sentimenten en gevoelens, die Multatuli u dwingt van hem over te nemen, stellig ook bespeurd het gevoelen, dat de heer Van Twist een slecht mensch was en het gevoel van bitteren wrevel tegen dien heer. Dit gevoelen en dit gevoel zal echter tegen latere, onpartijdige overweging niet bestand blijken.Immers, van tweeën één: òf (wat het waarschijnlijkste is) de heer Van Twist dacht dat hij met een halven gek te doen had en achttehet, van die veronderstelling uitgaande, niet eens de moeite waard de waarachtigheid der overgelegde bescheiden te kontroleeren; òf hij had kennis genomen van Dekker’s mededeelingen, hield het voor mogelijk, dat zij juist waren, hoewel te veel gegeneraliseerd, te voorbarig van den bijzonderen toestand te Lebak tot een algemeen Nederl.-Indischen toestand gekonkludeerd, maar achtte het nu zijn plicht niet meer persoonlijk handelend op te treden, en wenschte bovendien zich niet in betrekking te stellen met ambtenaren, nog minder met voormalige ambtenaren, die zich op zulk een zonderlinge, ongeregelde, manier tot hem wendden.Stelt u voor, dat een minister op zijn bureau te werken zit, en dat een man van de straat het departementsgebouw komt binnengeloopen, in weêrwil van portiers en klerken binnendringt en den minister toeroept: Excellentie, daar is onrecht gepleegd, zie eens hier, en daar, hier heb ik de bewijzen. Elke minister zoude zoo een indringer antwoorden: vriend, het is mogelijk dat gij gelijk hebt, maar wil u op de gebruikelijkewijze tot mij wenden, dit is geen manier van doen.Stelt u voor, dat een voormalig minister in zijn buitenverblijf zit te dejeuneeren, en er wordt iemand aangediend, die in de gang reeds staat te roepen: onrecht gepleegd, daar is onrecht gepleegd, ik moet den heer des huizes spreken!De minister zal zijn huisknecht gelasten dien man den weg naar het hek te wijzen met de aanmaning zich op de gepaste wijze tot de bevoegde autoriteit te wenden, indien hij meent verongelijkt te zijn.En nu zeggen wij:ook dán, indien de man, die zich indringt, ware grieven heeft mede te deelen, ook dán, indien werkelijk het grootste onrecht is gepleegd, zal de minister gelijk hebben met hem de deur te wijzen,want: nadat hij één persoon op die wijze zou hebben te woord gestaan, die in zijn recht was, zullen er zich negen-en-negentig op dezelfde manier aanmelden, wien slechts denkbeeldig onrecht is geschied. En de minister zou geen oogenblik tijd meer overhebben om ’s lands zaken te bestieren, of, in het buitenplaats-geval, om zich met zijn voor hem belangrijke partikuliere zaken te bemoeien.Het is beter dat aan één mensch onrecht geschiedt dan dat, door verwaarloozing van ’s lands zaken, aan duizenden onrecht zou worden gedaan.In het voorjaar van 1858 kwam de heer Jan Dekker van Rembang naar Europa, bezocht zijn broeder Eduard te Brussel en betaalde de rekening in denPrince Belge.In den herfst van hetzelfde jaar bevond Eduard zich in Cassel, waar hij Saïdjah’s lied in het Maleisch dichtte, veel op de Casseler Aue wandelde, en bij den... logementhouder en vrienden schulden maakte, die hij nooit heeft kunnen afdoen.In het voorjaar van 1859 kwam zijn vrouw, met twee kinderen en eene baboe, eveneens naar Europa, en zagen de echtgenooten elkander weder te Luik. Den zomer van dat jaar, tot in het laatst van Augustus, vertoefde het gezin in den omtrek van Luiken Maastricht, met name in het dorp Visé, waar de hoogst onaangename bejegening hen trof, dat zij van den burgemeester dier gemeente eene aanzegging kregen om binnen tweemaal vier-en-twintig uur zijn grondgebied te verlaten. Het was juist kermis in Visé, en de omstandigheid, dat zij er sjofel uitzagen, geen geld en geen legitimatiepapieren hadden en in kleine herbergen vertoefden, gevoegd bij de donkere gelaatskleur van een gedeelte van ’t gezin, van de baboe vooral, had de achterdocht van ’t gemeentebestuur opgewekt en was oorzaak, dat zij voor saltimbanques van verdacht allooi werden gehouden en als zoodanig behandeld. Men kan begrijpen, hoe zulk een lotgeval den zeer gevoeligen Dekker, vooral ook wijl de smaad zijne vrouw niet minder trof dan hem zelven, moest aandoen. Gelukkig woonde te Maastricht eene vriend van Dekker, de heer J. J. M de Chateleux, dien hij in 1843 had leeren kennen, toen Dekker Natal verlaten had en te Padang op Sumatra vertoefde; het krediet van dezen heer, die hem toch al reeds naar de betrekkelijkhelaas geringe krachten van zijn vermogen had bijgestaan, kon hem ook nu uit den nood redden. Maar weldra raakte ook die bron uitgeput en den 23stenAugustus 1859 trok het gezin, in den toestand der diepste armoede, naar Antwerpen, voor welke reis nauwelijks nog het noodige geld beschikbaar was.In Antwerpen was het gezin nog slechts enkele dagen vereenigd. Den 27stenAugustus bleef Dekker alleen met hun koffers en de onbetaalde rekening in hetHôtel du Templealdaar achter, terwijl zijne vrouw met de kinderen en de baboe den laatsten uitweg insloeg, die hun nog overbleef en op reis ging naar Den Haag, naar hare zuster Henriëtte van Heeckeren van Waliën. Dit waren, voor zoover wij kunnen nagaan, de bitterste dagen, die Dekker en de zijnen doorleefden. Want,—inderdaad deze toestand was vreeselijk—er was letterlijk volstrekt geen geld meer over, zoodat Dekker’s echtgenoote met de haren met ledige portemonnaie zich op de Rotterdamsche boot inscheepte. Om zich uit de verlegenheid teredden, had zij—arme vrouw!—een list bedacht, die gelukte. Zij veinsde namelijk, toen de bootbeambte rondging om de passagegelden op te halen, met voorgewenden schrik, hare portemonnaie te hebben vergeten en zeide in Rotterdam hem het geld te zullen bezorgen. In Rotterdam was een hôtel waar Dekker vroeger eens gelogeerd had, en toen, daar aangekomen, de bootbeambte mevrouw Dekker ter aangeduide plaatse vergezelde, leende de logementhouder haar vijftien gulden om haar passage te betalen en met de haren de reis naar Den Haag voort te zetten.In ’s Gravenhage werd zij ten huize harer zuster ontvangen. Men gaf haar daar „een maal eten”, en twintig gulden om de reis voort te zetten naar Brummen, waar de heer Jan Dekker een buiten, „De Buthe” genaamd, bewoonde. Tevens liet men haar daar (te ’s Gravenhage; wij volgen de mededeelingen van de uitgeefster derBrieven) een brief aan haar man schrijven, die geheel tegen haar hart moet geweest zijn, waarin zij hem de noodzakelijkheid eener scheidingbetoogde en hem in overweging gaf ergens op een schip een betrekking als matroos of hofmeester te zoeken.Deze daad van de familie schijnt een oogenblik bijzonder wreedaardig. Wij herinneren er aan, dat Dekker,—van wiens hoogere gaven nog niets gebleken was—door zijn gedrag der laatste jaren zich de allerafschuwelijkste reputatie bij die menschen had gemaakt; voorts dat de Van Heeckerens geen bloedverwanten van hém waren, alleen van zijn vrouw; dat zijn persoonlijk lot hun dus nagenoeg onverschillig was, en zij het als de eenige uitkomst voor hunne zuster moesten beschouwen, dat zij van zulk een echtgenoot als den haren ontslagen raakte. Hadd’ Dekker nog een vader of moeder gehad, nooit zoude hij van die eene dergelijke behandeling hebben ondervonden. De hulp, hem telkens en telkens door zijn broeder Jan verschaft, bewijst dat de verwanten van zijn kant zich nooit geheel van hem afgekeerd hebben. Die broeder Jan was zelfs een zeer goedhartig en hulpvaardig mensch.Kort na het ontvangen van dezen brief van zijne vrouw, toen hij haar hare koffers op haar verzoek had nagezonden, dus in het begin van September 1859, vertrok Dekker van Antwerpen naar Brussel; hij nam daar weder zijn intrek in den „Prince Belge”, de eenige gelegenheid, waar hij krediet had. Daar voltooide hij in dien tijd zijnBruid daarbovenen schreef er zijnMax Havelaar.De brieven, die den inhoud van het eerste deel der korrespondentie uitmaken, zijn geschreven in Augustus-November, de allereerste van Antwerpen, al de overige van Brussel uit.Voor zoover uit die Brieven Dekker’s geestestoestand, het volkomen bewust worden in hem van zijn talentvollen aanleg, blijkt, hebben wij er in het eerste hoofdstuk van dit opstel, de passages uit aangehaald, die ons voorkwamen de meest welsprekende te zijn. Wat Dekker’s overige stoffelijke, levensomstandigheden betreft, brengen zij ons verder bijzonderheden, waaruit dezelfde toestand blijkt, dien wij reedshebben leeren kennen, toen van zijn eerste verblijf in deze herberg werd melding gemaakt.Het publiek bestond daar uit ondergeschikte beambten van het aan de overzijde der straat staande postkantoor en uit „mannen in blousen”, die daar hun faro kwamen drinken. Dekker wist zich in het huis zelf en in de geheele buurt bemind te maken. Pauline, een gevallen vrouw met haar zuigeling, die daar ook op kosten van den menschlievenden waard in de herberg habituée was, de slager Deprez en diens gezin, waren er zijn vrienden.Dekker had het er aller-armoedigst. Het koopen van schoenen, van inkt, van een lampje, waren vraagstukken van belang, die eerst na rijp beraad konden worden opgelost. Men at in die herberg een „burgerpot”; naar zijn getuigenis was Dekker hiervan overigens een liefhebber; als zij wist, dat iets hem goed smaakte, maakte de waardin dat voor hem klaar. Deze tijd was echter in onze schatting, en ongetwijfeld ook in zijn eigen schatting, de smartelijkste,maar tegelijk de schoonste, tijd zijns levens. Men kan hem zich voorstellen daar op dat zolderkamertje gezeten, de vingers krom getrokken van schrijfkramp en van kou niet zelden, de oogen ontstoken van het bovenmatig werken, ten prooi aan de hevigste zenuwopwinding, aan de meest verregaande exaltatie, en zoo het schoone werk voortbrengend, waarmede hij zich aan zich zelf en aan zijn land ontdekte.Den 14denSeptember reeds had hij zich voor het eerst in letterkundige betrekking met eenige zijner landgenooten gesteld. Hij was, door bemiddeling der logemannen van het Rozekruis, met eene schouwburgdirektie in onderhandeling getreden over de opvoering van zijnBruid daarboven. Zes jaar geleden, in zijn verloftijd,—dus verhaalt de uitgeefster der Brieven—was Dekker te Gorcum in die orde opgenomen, „en had er in snelle opvolging vele rangen doorloopen tot hij een der hoogste sporten bereikt had en benoemd was tot Prins van het Rozekruis”. (Arme Prins!) De heer Eduard de Vries, schouwburg-bestuurder,was Dekker komen spreken. Deze had zich met het stuk uiterst ingenomen betoond, zich terstond bereid verklaard tot de opvoering. Maar van droits d’auteur kon voorloopig weinig of geen sprake zijn. Bij gelegenheid van dat bezoek las Dekker den heer De Vries eenige bladzijden voor uitMax Havelaar, waardoor de heer De Vries zeer getroffen werd. Hij ried Dekker evenwel ten sterkste aan het handschrift naar den koning te zenden, vóór hij tot openbaarmaking overging.Toen DekkerMax Havelaarhad voltooid, zond hij het handschrift den 5denNovember, naar zijne vrouw en broeder te Brummen. Ofschoon zij het eerst den 9denontvingen, had hij den 11den’s avonds reeds twee brieven van zijn vrouw ontvangen, waaruit bleek, dat zij het werk toen reeds gelezen hadden en er hoog mee ingenomen waren. Aandoenlijk is de brief, dien Dekker, toen Multatuli geworden, als antwoord op den haren, den 11denNovember aan zijne vrouw schreef (1edl., blz. 125). Op hare bewering, dat hij haar, in de persoon vanTine, te veel geprezen had, antwoordde hij bijv.:„Neen, neen, waarachtig niet, ik heb u niet in de hoogte gestoken. Integendeel, je staat veel te veel op den achtergrond. Ik heb mij dat al verweten, doch ik werd daartoe geleid omdat Max hoofdpersoon blijven moet (om het doel van ’t boek) en voorts dat ik goed van mijzelf spreek heb ik u vroeger al uitgelegd.”En verder deze regelen, die de geschiedenis van den Max Havelaar belangrijk toelichten:„Het was mijn plan Jan te verzoeken naar Van Hasselt (de Br∴ R + die met Dekker het eerst overDe bruid daarbovenhad gecorrespondeerd) en Van Lennep te gaan, of naar den eersten alleen, dan krijgt Van Lennep het ook...Maar nu het delicate punt. Als men komt met een boek met de vraag „wil je dat afkoopen?” dat is chantage, afzetterij. Dat is dus de bedoeling niet. Ik heb mijn boek geschreven met een dubbel doel: namelijk verbetering van den boel in Indië, en herstel van mijne positie. De zaak is dus niet datik zeg: geef mij zooveel of zooveel, dan zwijg ik; want ik meen wat ik op het slot zeg. Ik zal strijden voor die arme verdrukten, ik heb mij dat nu voor mijn roeping gekozen. De vromen zouden zeggen dat de Heer mij daartoe dringt, daar hij mij alle andere uitwegen afsloot.Doch dat dubbele doel kan bereikt worden door samengaande maatregelen, namelijk een hoogst-eervolle benoeming van mij met eene considerans dat Z. M. mijne wijze van handelen approuveert, en die van het toenmalig bestuur desavoueert. Dat is eene zedelijke triomf van ’t principe, en eene materieele zegepraal voor mij, die ik, God weet het, noodig heb.Van Hasselt is lid van de kamer (Van Lennep ook.)1Willen zij met Jan samenzweren om mij dien dubbelen triomf te bezorgen, goed. Doch er moet goed vermeden worden er op te doelen als of ik voor mij alleen winst vraag. Want behalve dat dit onedel wezenzou, komt hier nog bij dat ik meer winst behaal door mijn boek te laten drukken. Jan kan aan Van Hasselt zeggen (niet als bedreiging maar als eenvoudige waarheid) dat ik mijn boek in ’t Fransch, Duitsch en Engelsch vertalen zal. Als mijn oogen het toelieten was ik al begonnen.Hoe het zij, ik vind goed dat Jan naar Van Hasselt gaat. Doch dit staat vast, als Van Hasselt of Van Lennep niet willen of kunnen bewerken, dat aan mijn dubbel verlangen koninklijk wordt voldaan, dan zal het gedrukt worden, en als ik daartoe geen geld heb, dan zal ik het afschrijven en rondzenden in manuscript. Doch in Frankrijk zal ik de vertaling wel gedrukt kunnen krijgen, en in Duitschland ook.”Den 20stenNovember daaraanvolgende kende Dekker het oordeel van Van Lennep over zijn werk, aan wien Van Hasselt het had gegeven. Hij schrijft op dien datum:„Maar nu ben ik in grooten tweestrijd wat ik doen moet. Jan namelijk zendt mij ƒ50, en stelt voor het boek aan Rochussen (dentoenmaligen minister van koloniën, opdat die de uitgave nog zou kunnen voorkomen) te vertoonen. Van Lennep zegt: ik moet zoo dwaas niet zijn het voor niet aan een boekverkooper te geven. Hij maakt zich sterk een prijs te bedingen. Nu moet ik kiezen tusschen schrijven in Holland of eene betrekking in Indië.Zooals de zaken nu staan houd ik het er voor dat ik slaag in wat ik ook kies.Maar ik ben in vreeselijken tweestrijd.Jan vraagt antwoord met ommegaande en ik kàn van avond niet antwoorden. Ik wilde u zoo gaarne spreken. De schulden jagen mij naar Indië, de kinderen houden mij in Europa. Je begrijpt de spanning.Ik heb nagedacht. Ik hel over naar Rochussen, doch conditiën:1 Resident op Java. Speciaal Passaroeang om mijn schulden te betalen.2 Herstel van diensttijd, voor ’t pensioen.3 Een ruim voorschot.4 Ned. Leeuw.Doch ik zal deze conditiën niet zeggen, eerst wil ik zien wat hij biedt.”Den 22stenNovember ontving Dekker twee honderd gulden van zijn broêr, om zijn schuld bij den Brusselschen waard af te doen en naar Amsterdam te reizen. Den 23stenvertrok hij en kwam dienzelfden dag te Amsterdam aan.Tot zoover de opeenvolging der feiten, die wij thans hebben nagegaan tot het punt, waar het eerste deel derBrievenen de eerste faze van Dekker’s lijdensgeschiedenis eindigt. Want, al hebben wij er niet telkens en telkens de aandacht op gevestigd, daar uit de feiten zelf genoeg het lijden bleek, dat er in gelegen was voor hem, wiens geschiedenis zij uitmaken, en daar het ons er hier vooral om te doen was, helder te doen blijken, welken indruk de vijandig gezinde familieleden en kennissen, die ver af woonden en natuurlijk alleen oordeelden naar den uiterlijken schijn der dingen, ontvingen; want, herhalen wij, geleden heeft Dekker in deze jaren waarschijnlijk meer, dan wie ook, die niet uit eigen ondervinding weet hoe hevig het doorleven van zulke toestanden menschen van Dekker’s geëxalteerdtemperament aandoen, zoude kunnen beseffen.Want behalve door het, niemand buiten hem en hem zelf ternauwernood toen nog bekende, letterkundig talent, onderscheidde Dekker’s persoon in de woeste levensperiode, welke wij hem hebben zien doorloopen, zich ook nog hierdoor van gewone avonturiers, dat, terwijl deze lieden zich juist plegen te kenmerken door de grijnslachende onverschilligheid, waarmede zij alle tegenspoeden doorleven, mits die hun maar geen onmiddellijke physieke pijn of ongemakken veroorzaken,—Dekker’s buitengewoon zenuwgestel door dat onregelmatig en koortsachtig leven ten eenenmale werd van streek gebracht.Maar,—en zoo keeren wij tot ons uitgangspunt terug—de feiten blijven de feiten, en niemand, vermoeden wij, die er zich verwonderd over zal betoonen, dat „de menschen” niet veel goeds, maar alles slechts in Dekker’s gedragingen vonden, van het oogenblik af dat hij zijn vrouw alleen in Indië achterliet tot dat waarop zij te Brummenvertoefde en hij in Brussel geheel aan lagerwal was geraakt.Twee zaken waren er,—dus zullen sommigen oordeelen,—waardoor Dekker zich dan toch gunstig van gewone avonturiers onderscheidde en die in het oog moesten springen; te weten: zijn beminnelijkheid en edelmoedigheid, èn zijn hoogere geestesaanleg, die wel in de verste verte niet de allerbuitengewoonste hoogte kon doen vermoeden, waarop zijn talent later zou schitteren, maar waaruit toch bleek, dat hij, in den gewonen zin des woords, een begaafd man was. En deze twee zaken,—dus zal men konkludeeren—zouden het oordeel en de houding der familie hebben moeten wijzigen.Wij zullen repliceeren met eene verwijzing naar hetgeen wij omtrent publieke vrouwen in ’t algemeen in ’t midden hebben gebracht. Evenals publieke vrouwen meestal enkele zeer goede eigenschappen hebben, zijn de meeste avonturiers daarvan ook niet verstoken, en de eigenaardigheid van hun bestaan, het voortdurend leven op plaatsenvan openbaar vermaak, het dagelijks den heelen dag luieren in koffiehuizen, speelzalen en diergelijke, het voortdurend in aanraking zijn met gezelschappen van menschen van allerlei slag, ontwikkelt de deugden in hen, die men de eigenaardige deugden van denGesellschafternoemen kan: de beminnelijkheid en daaraan verwante goedhartigheid en edelmoedigheid. Avonturiers b.v. zijn in ’t algemeen veel goedhartiger en edelmoediger dan parvenu’s, die zich met verwaande deftigheid van armen en on gelukkigen afkeeren, dan vele gezeten burgers, wier deugden eerder in spaarzaamheid, zedelijkheid, zindelijkheid en stiptheid in handel en wandel bestaan. Avonturiers: drinkers, spelers, hoereerders, gewoon hun leven te verdeelen of liever verdeeld te zien in tijdperken van weelde en losbandigheid, en van armoede en gebrek, tot gewoonte hebbend hun zóo-gewonnen geld dadelijk te verkwisten, vinden het gooien met groote sommen iets zoo natuurlijks, dat zij ook in hun aalmoezen-geven buitensporig zijn en zij even graag een tientje in de hand eens armendoen glijden, als meer bezadigde menschen daarin een kwartje zouden deponeeren. Dus de edelmoedigheid in dezen zin maakte Dekker niet tot een uitzondering onder de lieden, waarmede zijn verwanten hem gelijk stelden.En wat de begaafdheid, het vernuftige, aangaat, ook hierin hebben velechevaliers d’industriehet tamelijk ver gebracht. Niet alleen heeft het avontuurlijke leven, het leven van reizen en trekken, van hotels, koffiehuizen en kroegen, van spoorweg-coupé’s, stoombootdekken en kajuiten, van stadstrammen en dorpsdiligences, het leven in gewesten van allerlei klimaat en aspekt, het omgaan met menschen van allerlei ras, stand en karakter, eene dagelijks gevoed wordende ongewone vatbaarheid voor indrukken in hen doen ontstaan, en een vernuftig gemak van beweging en konversatie, waardoor eenvoudige lieden worden overbluft en meer ontwikkelde aangenaam beziggehouden; maar het is of hun vernuft zich,—daar zij toch allen een vaag besef hebben van de groote lakune, het gemis aan degelijkheid,in hun leven—bij uitstek gescherpt heeft op het punt, dat het recht-praten van hun eigen kromme leven betreft.Er bestaat bijna geen min of meer toonbaar avonturier, die u, in oogenblikken van gemoedelijkheid als zijne stem week wordt en zelfs zijn oog vochtig, niet fraai en breedvoerig weet uit te leggen, òf dat hij het slachtoffer is der vervolgingen van het noodlot, dat hij heel anders terecht had kunnen komen indien alles hem maar niet zoo ware tegengeloopen, en dat hij zich, door losbandig en onwaardig te leven, nu wreekt op de meêdoogenloosheid van het leven jegens hem; òf hij neemt de tegenovergestelde houding aan, en overreedt u, in een kunstig samengesteld pleidooi, opgeluisterd door geschiedkundige voorbeelden en spitsvondige redeneeringen, dat zijn manier van leven de slimste, de beste, de prettigste is. Zij die arbeiden en een goed geregeld maatschappelijk leven leiden, nu ja, dat zijn de sukkels, de domooren, hij en de zijnen begrijpen het leven eerst op de goede manier. Wat de geregelde lieden in een jaar tijds van hoofdbrekensen moeilijk werk winnen,—wèl, dat wint hij in éen avond aan een speeltafel. Overigens, leven de meeste aanzienlijken, de hoogst-aanzienlijken, zij die niets behòeven te doen om den broode, niet even als hij, met alleen een verschil in de onderdeelen, een verschil van minder of meer; bestaat niet het leven van vele vorsten en prinsen uit een aaneenschakeling van vermaken, van reizen en feestvieren, van dansen en jagen en eten en drinken?... Zoo zijn de redeneeringen dezer menschen.Vele avonturiers buitendien maken een aardig gezelschapsvers, zitten vol woordspelingen en behendige replieken.Dus, konkludeeren wij, noch de beminnelijkheid, noch wat men in den gewonen zin vernuftigheid noemt, kon ten opzichte van Dekker de oogen der menschen openen en hen in hem iets anders dan een niet van het type afwijkend avonturier doen zien.Er kwam nog bij,—wat in dit geval een buitengewoon gewicht in de schaal legde, daar Dekkers verwanten van zijn vrouwskant tot de zeer vrome geloovigen behoorden,—dat hij in hunne schatting een brutaal godloochenaar was. Hij vereenigde dus in zich ongeveer alle eigenschappen, die hem in hunne oogen tot het afschuwelijkste individu moesten maken, dat men zich denken kan. Hij was hun tegenvoeter, in alles; en omdat hij tot hunne familie behoorde en zij dus beducht waren dat zijn leelijke reputatie ook hunnen naam zou smetten, groeide hun afkeer tot haat.Doch wij willen dat alles slechts beschouwen als een vraagstuk ondergeschikt aan dat andere, dat de geheele verhouding van Dekker tegenover „de menschen” beheerschte, dat de kern vormt van het groote misverstand van zijn leven, met de behandeling waarvan wij te gelijk in het tweede deel derBrievenen in de tweede faze van zijn leven komen.Wij willen namelijk beweren, dat,—een waarheid die trouwens duidelijk blijkt uit de houding der familie ná het verschijnen vanMax Havelaaren den door den schrijver verworven naam,—al ware defamilie van den beginne af aan op de hoogte geweest van Dekker’s buitengewone schrijversgaven(iets, dat niets te maken heeft met het soort vernuftigheid, waarvan wij boven spraken)—zij toch zich niet wezenlijk anders jegens hem zou gedragen hebben dan zij nu deed. Zij zou hem dan misschien wel niet matroos of hofmeester op een schip willen maken, maar toch zou zij zich geheel van hem vervreemd hebben en God gebeden hem nooit te mogen ontmoeten.Voor wij nu verder gaan om deze bewering te staven en toe te lichten, willen wij den geestestoestand van Dekker zelven beschouwen, zooals die geworden was in deze jaren van wild leven buiten de Hollandsche maatschappij, om daardoor des te duidelijker te doen uitkomen het schrille kontrast tusschen hem aan den eenen en die maatschappij aan den anderen kant, dat de oorzaak werd der mislukking van zijn leven. Want zijn leven, hoe vorstelijk geslaagd een gedeelte van het thans levend geslacht het moge achten,—is mislukt in wat hij zelf er van had willenmaken. Op menige plaats in zijn werk kan men het bewijs van deze stelling vinden.Indien er een schril kontrast bestaat tusschen Multatuli aan den eenen en de maatschappij aan den anderen kant,—een kontrast ook, dat weinig minder opvallend is, wordt waargenomen tusschen Dekker’s uiterlijke omstandigheden en het zelf-gevoel in zijn binnenste, in den tijd van zijn vertrek uit Indië af tot lang na het verschijnen vanMax Havelaartoe. Dit zelf-gevoel zou door de prikkels van buiten al grooter en grooter worden, tot hij, eenmaal in het publiek getreden, het geheel van onder zijne beheersching zal hebben verloren en het te pas en te onpas op de geweldigste wijze zal uiten.Was hij naar het uiterlijke een avonturier, behoorde hij oogenschijnlijk tot een der minst eerbiedwaardige klassen van personen,—innerlijk gevoelde hij zich groot en verheven boven alle menschen, innerlijk droeg hij de wetenschap met zich van bij de meest eerbiedwaardige aller menschen te behooren. Wel was hij zich in ’t minst niet van letterkundigebekwaamheden bewust, wel moest zijn letterkundige genialiteit nog geheel aan hem zelf ontdekt worden, maar, juist door de weinige bepaaldheid, door de vaagheid, sterker, droeg hij het bewustzijn in zich van een kracht, een grootheid, datgene wat iemand een groot man maakt, eene groote en schoone ziel, te bezitten.Nu, met de kracht van de verontwaardiging, met de kracht van het protest, groeide tegen de verdrukking in, tegen de verdrukking van den uiterlijken schijn in, het zelf-gevoel in zijn binnenste, dat later tot zelf-verheerlijking uitdijen zoude, en hoe lager hij zonk hoe hooger hij zich gevoelde.Hij was voortdurend onder vreemdelingen en kon aan niemand openbaren wat er in hem omging. Hieraan moet het worden toegeschreven, dat de zelf-verheerlijking in hem vastgroeide hoe langer hoe hechter, en voor goed onuitroeibaar zou worden. Hij was geheel alleen, van allen verlaten, daarom klemde hij zich met alle macht vast aan den eenigen steun die hem overbleef: het geloof aan zich zelf.Nu, nu dit zoo was, nu allen hem hadden verlaten, nu hij door iedereen voor een ellendeling werd gehouden, nu de menschen en de omstandigheden, nu de geheele wereld om zoo te zeggen tegen hem was gekeerd en hem verachtte,—nu, zoo kan men zich het spreken der stem in zijn binnenste voorstellen, nu zou hij ook álles doen en álles zijn, nu zou er ook niets zijn wat hij niet bereiken zou, nu zou hij tot de hoogste hoogte klimmen, waartoe ooit menschen waren gekomen, neen, hooger nog, de grootste droom, die ooit het onderwerp van menschelijke eerzucht was, zou hij verwezenlijken.Wie of wat hem daartoe in staat stelde? Wel hij, hij zelf, zijn kracht, zijn eigenschap van de grootste aller menschen te zijn, was ’t die hem er toe in staat stelde. En wat dan de nadere aanduiding was van wat hij eigenlijk doen zou? Wel, hij zou zijn land tot het beroemdste der landen, hij zou zijn volk tot het gelukkigste der, tot een voorbeeld voor alle volken maken, en zijn gezin zou hij uit de diepste ellende tot de hoogste sport van eer en aanzien voeren...Zoo bruiste en brandde het in zijn gedachte.Het resultaat was, dat hij een schoon letterkundig werk maakte. Nooit heeft hij een zweem van het vermoeden gehad, dat zijn zelf-gevoel, zoo ongekontroleerd, zoo in ’t wilde weg als het was, uit niets anders bestond dan uit de universeele grootheidsfantazieën die menschen met veel artistieken aanleg niet zelden in zich omdragen, en die geheel verkeerd uitkomen zoodra zij ze bij vergissing eens in de werkelijkheid beproeven toe te passen.Gelijk bekend is, wilde hij later van de letterkundige schoonheid van Max Havelaar niets hooren. Want,—zoo droomde hij,—een boek, dat daar voor u ligt, een stapel papier; en ... woorden van lof daarover uit de monden van menschen, van eenige in burgerkleêren gestoken menschen, die men zoo nu en dan ontmoet, en voorts in de kolommen van dagbladen, op de bladzijden van tijdschriften, regels van zwarte letters op wit papier,—wat was díe realiteit in vergelijking met die, welke eenbuitengewoon mensch van zíjn grootheid omgeven moest! Wat hadden díe zaken uit te staan met de heerschappij en de glorie, die hem wachtte, hem, Multatuli, den éersten man eener natie, den wereldhervormer, den machthebber, die zich al zag gedragen in een gouden draagkoets met purperen gordijnen, voorafgegaan van muzikanten en zonneschermdragers in scharlaken livrei, met een gevolg van militairen in schitterende uniformen, omgeven, op eerbiedigen afstand, van de menigte des volks, hoogen en lagen in aanzien en stand, die allen hem bewonderende blikken toewierpen en hem liefhadden als hun weldoener en de beschermheer hunner landen. Wat was er voor verband tusschen die onnoozele kleinigheden en hem, den toekomstigen vorst, den onderkoning, die in marmeren paleizen het rijke Insulinde zou bewonen, nadat hij Amsterdam tot de hoofdstad der wereld zou hebben gemaakt, die in gebeeldhouwde ledikanten onder troonhemels ’s nachts zou slapen en bij dag loopen over kostbaar ingelegde vloeren tusschen zijn onderdanigen hofstoet, diedes avonds schitterende feesten zou geven, waarop hij de hoogstgeplaatsten des lands zou nooden en hun dan wel genadiglijk een oogenblik te woord zou willen staan. Hij zag zijne zalen reeds prachtig verlicht, stralend van weelde, gevuld met vrouwen in satijnen gewaden en in bloementooi, gevuld met mannen, wier borsten glinsterden van ridderkruisen. En rondom in den lande, tot zoover zijn gebied reikte buiten de balustraden zijner parken, zou nergens gemor zijn in de woningen der lagere bevolking en geen nijdigen blik zou hij ooit in de oogen van den minsten zijner onderdanen zien flikkeren, want zijn edel en wijs beleid zouallengelukkig hebben gemaakt.Dat alles voorzag hij reeds, als, op het geroep van zijn alvermogende stem, het rechtsgevoel der natie ontwaakt zou zijn en zij als éen man zou zijn opgestaan om het bittere onrecht den edelsten harer zonen aangedaan, schitterend te wreken.Dat alles voorzag hij, en, als hij om zich heen keek, wat?... Een armelijke kamer, eenige brieven met volzinnen van ingenomenheid,een stad, waar bijna niemand op hem lette, op de enkelen na, die hem met verbazing bekeken of met sympathie begroetten en verder gingen.... Het was om krankzinnig te worden.

Nu wij de plaats omschreven hebben, welke Multatuli, naar onze opvatting, als openbare persoonlijkheid in de beschavings-geschiedenis van Nederland inneemt, rust, met groote duidelijkheid aangewezen, de taak op ons, de compositie van het beeld dat wij begonnen zijn te schetsen, te vervolledigen, door er de bijzondere trekken aan toe te voegen, die Multatuli als mensch in het private leven kenmerkten. En hiertoe bieden deBrievenhet niet genoeg te waardeeren materiaal. Zoo ergens, dan is bij Multatuli de privaat-mensch de aanvulling, de wederhelft van de publieke persoon. Niet alleen om dat hij steeds uit zijn omgeving, uit zijn eigen lotgevallen, uit zijn toevallige omstandigheden en ontmoetingen op reis en te huis, bijna uitsluitend de stof putte voor zijne artistiekefantasieënen wij dus de geschiedenis, den oorsprong van zijn kunstwerk in zijn partikulier leven moeten opsporen; maar ook om dat hij zelf nagenoeg zijn geheele partikuliere leven, qua historie, qua belang inboezemende, verontwaardigingwekkende lotgevallen, heeft gepubliceerd, maar niet altijd,—en hierop komt het aan—met zooveel nauwkeurigheid en algeheele helderheid, dat omtrent den waren aard zijner ondervindingen bij den lezer niets meer in het duister bleef. Velen ongetwijfeld zullen pas in dezeBrievende volkomen opheldering van zoo menigen geestelijken en stoffelijken toestand in des schrijvers leven vinden, waarnaar zij in de heftige uitlatingen derIdeënen andere geschriften te vergeefs hebben gezocht.De vrouwen zijn voorzeker de zachtste, de liefste, de aangenaamste, in vele gevallen de meest menschelijke, helft der menschheid. Het is dus allerminst om de vrouwen van deze kategorie van wezens uit te sluiten, indien wij, na Multatuli in zijne verhouding tot „de menschen” beschouwd te hebben, gaarne een afzonderlijk hoofdstuk zouden wijden aan Multatuli’s verhouding tot „de vrouwen”, en in verband met deze verklaring moet dus wel de titel der hier aanvangende afdeeling van dit opstel eeneanticipatie schijnen op dien der volgende. Toch zullen wij er ons op toeleggen dit slechts schijn te doen zijn. Want het onderscheid moet zijn: dat wij nu Multatuli’s bijzondere en buitensporige persoonlijkheid in haar gevoelens en gedragingen ten opzichte van de menschen in ’t algemeen willen nagaan, om vervolgens uitsluitend het bijzondere in die persoonlijkheid te overwegen, dat haar eigen werd zoodra zij speciaal met vrouwen in kontact kwam.Om een juist denkbeeld van Multatuli’s karakter te krijgen, zoo als het zich in zijn omgang met menschen, in zijn houding tegenover de maatschappij, openbaarde, toen hij eenmaal een publiek persoon begon te worden, moeten wij aanvangen met zijn karakter te beschouwen zoo als het vóor dien tijd was, want het karakter heeft zich wel niet veranderd, maar heeft zich uitgedijd, en, om zijn latere ontwikkeling te begrijpen, moet men daarvan de oorzaken in de kiem naspeuren. Multatuli’s karakter, zoo als dat was vóór de verschijning van zijn eerstuitgekomenwerk, denMax Havelaar, heeft de houding bepaald die de maatschappij, vertegenwoordigd door hare met hem in betrekking staande leden, tegen hem aannam, en waarvan zijne, latere, houding weêr de terugslag was.Wie was Douwes Dekker vóór dat Multatuli bestond, wat voor een man was die Douwes Dekker in de waardeering dergenen, die over hem te oordeelen hadden,—ziedaar de vraag, waarvan de beantwoording het gedrag der „menschen” jegens hem volkomen zal verklaren.De waardeering, waarin Dekker bij de menschen, hier in ’t bijzonder zijne familieleden, bijv. zijn in deBrievendikwijls genoemden broeder Jan Dekker en zijn zwager Van Heeckeren van Waliën, stond, had zich natuurlijk gevormd uit wat zij wisten van zijne handelingen en gedachten, van de feiten zijns levens, van zijn gedrag als mensch, ambtenaar, echtgenoot, huisvader.Vóór het geweldige feit, het enormefait accomplizijner ontslagneming als Assistent-Resident te Lebak, had Dekker (naaruit deBrievenblijkt) in zijne familie de reputatie van te zijn een zeer begaafd man, maar tevens wat zonderling, wat heet-hoofdig, en een slecht financier. Vóór Lebak reeds, lezen wij, waren de financiëele omstandigheden der familie Douwes Dekker alles behalve gunstig. Dekker had zelf van huis uit geen geld, hij was gehuwd met eene onbemiddelde baronesse Van Wijnbergen, hij verdiende in ’s lands dienst wel betrekkelijk veel, maar de verteringen overtroffen steeds de inkomsten, zoodat men links en rechts in schulden kwam.In 1846 was Dekker gehuwd, in 1852 kwam hij met verlof naar Europa, om in 1855 weder naar Indië terug te keeren. In die drie jaren verloftijd, dus nog vóór zijn zenuwgestel door zijn ontslag en de daardoor veroorzaakte ellende den grooten schok had gekregen, toonde hij reeds, vooral in uitspannings-tijd, slecht met geldelijk beheer overweg te kunnen; want niet alleen bij zijne vrienden, maar ook bij zijne Wageningsche tantes, en zelfs bij denhôtelhouderFuhri in ’s-Gravenhage maakte hij schulden, diein 1856, het jaar van het ontslag, nog lang niet aangezuiverd waren, want jaren later nog „maakte”, zooals de uitgeefster derBrievenhet mededeelt, „Fuhri het hem daarover lastig.”Al dat schulden maken wordt natuurlijk in ’t algemeen verontschuldigd door Dekker’s stellige en zeer oprechte voornemens om het geleende geld terug te geven, misschien wel met de rente er bij; het leenen bij de tantes in ’t bijzonder wordt vergoelijkt door het feit, dat Dekker deze dames geregeld ondersteunde, zoodat hij niet ten onrechte, maar wel wat weinig delikaat, later beweerde: het was zijn eigen geld, dat hij van de tantes had geleend; doch het leenen van de tantes komt aan den anderen kant weer in een minder fraai daglicht, als men verneemt, dat die tantes zelve uiterst onbemiddeld waren, zoo onbemiddeld, dat, ter beantwoording van verzoekschriften hunnerzijds, prins Frederik hun eens vijftig gulden ten geschenke zond, terwijl zij van het ministerie een gratificatie van zestig gulden ontvingen. De schuld bij den hôtelhouderis van nog bedenkelijker aard,par ce qu’il faut laver son linge sale en famille.(Want Dekker was toen nog niet behoeftig, hij had zijn verlofstraktement).Zóó was dus de toestand, toen, nadat Dekker 4 Jan. 1856 benoemd was tot Assistent-Resident, de familie in de lente van dat jaar plotseling verrast en verbaasd en, ja geërgerd werd door het bericht, dat hij, in wiens promotie zij zich waarschijnlijk juist zeer verheugde, op 4 April van die hooge positie had afstand gedaan en uit die lukratieve betrekking zijn ontslag had genomen. Waarom, dus vroeg men zich in ontsteltenis af, waarom heeft hij dat gedaan? Was het om elders in nog betere betrekking te komen, was het om op andere wijze, door het beginnen eener partikuliere onderneming, zijne levensomstandigheden en die van zijn gezin nog meer te verbeteren, was het wegens onvermogen, wegens ziekte? Niets van dat alles. Toen dus de familie de reden vernam, kon zij, die natuurlijk naar de algemeen in de maatschappij gangbarebegrippen oordeelde, eronmogelijkiets anders van vinden, dan dat hij, die zoo handelde, rijp was voor de gevangenis of voor het krankzinnigen-gesticht. Want wát was er gebeurd, wat was de aanleiding geweest, die Dekker tot dezen stap had gebracht? Hij had eene berisping van hooger hand ontvangen over Dienstzaken en, meenende zijn plicht te hebben gedaan, meenende dat zijne superieuren ongelijk hadden en niet hij, meenende dus dat men een andere wijze van dienen van hem verlangde dan hij met zijn plichtsbesef kon overeenbrengen, had hij voor deze moeilijkheid geen andere oplossing geweten dan eenvoudig uit den Dienst te treden.Hij had berisping ontvangen en daarom zijne demissie genomen. De familie, die wij steeds noemen als vertegenwoordigster der maatschappij, kon niet anders denken, dan dat Eduard dit uit gekrenkten trots had gedaan, dat hij, gekrenkt in zijn trots, daarom zich zelf en zijn vrouw en kinderen tot armoede had gebracht, in het ongeluk had gestort. Zijkonniet anders denken om drieredenen: ten eerste zoude zij, als bestaande uit gewone menschen, zich niet hebben kunnen indenken in den geestestoestand van iemand, die het plichtsbesef op zulk een eigenaardige heroïeke manier opvatte; ten tweede, al zoude zij geweten hebben, dat nog heden ten dage individuën met zulke buitensporige begrippen worden gevonden, had zij toch geen enkelen grond om te veronderstellen, dat hun familielid Eduard Douwes Dekker, dien zij wèl echter als zeer hoogmoedig kenden, tot dit slag fanatici zou behooren; ten derde, al waren zij zich bewust geweest van het bestaan dezer soort plichtsopvatting en al hadden zij daarbij geweten, dat die bestond in den geest van Eduard, dan zouden zij toch nog van meening zijn geweest, dat die plichtsopvatting zich in een geheel ander gedrag kon uiten dan in het zijne en tot geheel andere handelingen leiden dan die, welke zij, met leede oogen, hem zagen bedrijven.Gegeven—dus hooren wij de menschen, zoo de derde der genoemde beschouwingende hunne was, redeneeren—gegeven aan den eenen kant, dat de bevolking van Lebak verkeerd werd behandeld, zoowel tot haar ongeluk als tot nadeel van Nederland, dat de assistent-resident dat merkt, dat hij die verkeerde behandeling tracht tegen te gaan, en over dat trachten berispt wordt van hooger hand in plaats van aangemoedigd; gegeven aan den anderen kant, dat hij het tegengaan der verkeerde behandeling, als zijnde plicht, zijn hoogste levenswet acht, dat hij dus om zijn eenen plicht te volbrengen, zijn anderen plicht—het gehoorzamen aan zijn meerderen,—zoude moeten verzaken, dan blijft hem, ook volgens de strengste kasuïstische redeneering, nog een vierde weg open, behalve de derde (het ontslagnemen), nog een vierde weg om uit dit dilemma te geraken, de weg dien niet alleen bijna alle menschen in het gewone leven bewandelen, maar die ook door buitengewone, dweepzieke personen in zeer bijzondere gevallen, dikwijls wordt ingeslagen: de weg van het schipperen, van het geven-en-nemen.Want—en hierop komt het aan ter waardeering van Dekker’s daad, en hierom kunnen wij de menschen, die zoo oordeelen, niet geheel ongelijk geven, en in verband hiermede gelooven ook wij dat de trotschheid wel deugdelijk in het spel is geweest en het zijne er toe bijdroeg om hier het woord plicht zoo eigenaardig te interpreteeren (en wij kunnen dit des te eerder doen, daar trotschheid in iemand die later blijkt zoo eene schoone ziel te hebben, niet afkeurenswaardig, of althans, naast de groote gewrochte dingen, de moeite der afkeuring niet waard is),—want, zeggen we, we hebben hier niet te doen met zulk een lijnrecht afgebakende vraag van plicht of geen plicht, van deugd of zonde, als waarop, bij voorbeeld, in tijden van godsdienstvervolging, de Roomsche of de Calvinistische geloovigen te beslissen hadden en waaraan zich die van dood of leven onmiddellijk verbond.De Roomschen, die wij als voorbeeld nemen, moesten hun geloof afzweren door het plechtig zeggen van eenige woorden; het uitspreken dier formule was, dus leerdede Paus: de zonde, het volstrekt zondige; de Calvinisten moesten hun geloof afzweren, het uitspreken der formule was, dus leerde Calvijn: het volstrekt zondige. Er was hier dus, even als bij alle bekentenissen op de pijnbank, een nauwkeurig afgeperkte daad te verrichten of na te laten. Hem, die het deed, wachtte, na een leven van wroeging, de eeuwige verdoemenis; hem, die het naliet, wachtte, onmiddellijk, de eeuwige gelukzaligheid. De geheele zaak, de daad en het doel, bepaalde zich dus tot het uitspreken of verzwijgen van eenige woorden.In Dekker’s geval was dat anders. Hij had geen bepaalde daad te verrichten, die de stem van het geweten verbood. Hij had zijn gedrag alleen een weinig te wijzigen, om niet alleen zijn vrouw en kinderen zoo gelukkig te doen blijven als zij waren, maar om tevens,—wat voor hem dan de hoofdzaak zoude geweest zijn—zijn zaak beter te dienen, zijn doel beter te bereiken, dat, door het nemen van zijn ontslag, geheel voor hem verloren ging. Want hij was toen nog niet van plan de zaak van Indië door openbaregeschriften te bepleiten, en, ware hij op zijn post gebleven, dan zoude hij, wat hij toch onmiddellijk voorzien kon, de belangen van Nederlanders en Inlanders niet alleen hebben kunnen blijven bevorderen, maar tevens zou hij, ware de gedachte ook in dat geval bij hem opgekomen, door boeken en artikelen, aan de bevordering dier belangen eene meer algemeene uitgebreidheid hebben kunnen geven.Het geval van Multatuli is het best te vergelijken met het geval van een menschlievend schoolmeester. Veronderstelt dat een onderwijzer op een armenschool, behalve dat hij de wettelijke voorschriften ten opzichte der kinderen volbrengt, dien kinderen tevens voedsel verstrekt voor zijn eigen rekening, hiervoor een gedeelte van zijn traktement gebruikende. Veronderstelt voorts, dat een lid der bevoegde autoriteit, het gemeentebestuur of de schoolcommissie, den onderwijzer aanschrijft daarmede niet voort te gaan door eene, het doet er niet toe welke, administratieve konsideratie hiertoe gebracht. Moet nu die onderwijzer, van meeningzijnde, dat de kinderen van Staatswege zouden moeten worden gevoed, en dat hij in elk geval geheel vrij moest gelaten worden om ze voor zijne rekening te voeden, van meening zijnde, dat de plicht der menschlievendheid hem die voeding gebiedt,—moet nu die onderwijzer zijn ontslag nemen en zeggen: anders dienen dan ik thans dien kan ik niet, zoo doende zijn traktement verliezend, zijn familie ongelukkig makende, en de kinderen aan de behandelingen van zijn opvolger blootstellend, die jegens hen wellicht een veel minder zacht gedrag in praktijk zal brengen dan in het onthouden der niet voorgeschreven voeding bestaat? Of moet hij op zijn post blijven en langs een anderen, minder met de inzichten der autoriteiten strijdenden weg, het harde leven voor de kinderen wat zoeken te verzachten?Wij wenschen met deze overwegingen te betoogen de redelijkheid van het oordeel der maatschappij over Multatuli’s daad. En daar wij gaarne het gebeuren van zooveel mogelijk heldenmoedige daden aannemen,om het genot te kunnen hebben die te bewonderen, willen wij gelooven, wat niet absoluut zeker is, want hij was zeer opgewonden—dat Multatuli, op het oogenblik zijner ontslagneming,wist, dat hij zich daardoor in het ongeluk stortte. Wij erkennen, dat zijn daad dán heldenmoedig was, maar wij betoogen daarbij, dat die heldenmoedige daad, evenals die van Van Speyk, voortkwam uit trots, en geenszins uit plichtsbesef of menschenliefde.„De menschen”, en natuurlijk zijn familieleden in de eerste plaats, waren dus—wij herhalen: ook om dat niets nog deed vermoeden dat in den naar hunne meening dwazen Douwes Dekker de later te ontluiken auteur Multatuli school—ten hoogste ontstemd tegen den man, die, na eerst eenigen tijd te Batavia te hebben vertoefd, nu, in het voorjaar van 1857, per landmail over Singapore, Ceylon, Suez, Kaïro en Marseille, naar Europa kwam om ... ja, waarom eigenlijk, waarom anders dan om als een avonturier rond te zwerven en hun allerwaarschijnlijkst per slot van rekening nogtot overlast te worden, terwijl hij zijn in gezegende-omstandigheden verkeerende vrouw en zijn zoontje te Rembang, op het goed van zijn broeder Jan, had achtergelaten.Het gedrag van Dekker, van zijne aankomst te Marseille af tot zijn verblijf in Brussel, waar hij een paar jaar later denMax Havelaarschreef, toe, was in alle opzichten dat van een losbandig levend avonturier, en niemand, die niet in zijne ziel kon lezen, dus letterlijk niemand, kon hem bij mogelijkheid voor iets anders houden.In plaats van naar zijne familie te reizen, eene betrekking te zoeken, desnoods, in afwachting van beter, winkelbediende te worden (wat ook de familie voor iemand, waarvan zij—wij kunnen dit niet genoeg herhalen—hoegenaamd niet wistdat er een kunstenaar in stak, beter zou gevonden hebben dan het leven dat hij verkoos te leiden) begon hij door Europa te zwerven en schijnt ook nogal eens—men houde ons de details ten goede, die uit deBrievenzijn geput en waarvan de vermelding noodzakelijk isom een juist en volledig beeld van den toestand te krijgen—publieke-huizen bezocht te hebben. Althans uit een bordeel „kocht” hij in dien tijd, zekereEugenie„los”, een vrouw, die,—naar de naïeve mededeelingen van de uitgeefster derBrieven, dl. I, blz. 43—„noch zeer jong, noch zeer schoon, maar fatsoenlijk in voorkomen en manieren,” buitendien „eenvoudig, bescheiden en zacht” was, terwijl Dekker haar „lief” en Eugenie zelf het „een ramp” vond, dat zij in dat huis „gebonden” was.Met deze vrouw reisde Dekker, in den zomer van 1857 (terwijl zijne vrouw steeds in Indië bij zijn broeder logeerde) tot Straatsburg, waar zij scheidden, hij, om verder Duitschland in te reizen, zij om in Fransch land te blijven, waar zij meende, „als française, meer kans te hebben om een eerbaar middel van bestaan te vinden”. Om haar het bereiken van dit doel gemakkelijk te maken, gaf Dekker haar geld. De uitgeefster derBrievengist, in verband met zijn gewone royaliteit, een„vrij aanzienlijke som” (van het geld, dat waarschijnlijk zijn broederJan hem had voorgeschoten om in Europa een positie te zoeken).Nu was Dekker’s geld-voorraad zeer verminderd en, tweede stadium der reis door Europa, een tamelijk natuurlijk gevolg van het eerste, hij reisde naar Homburg, om daar aan de speelbank zijn fortuin te beproeven. De uitgeefster derBrievenzegt er van:„Multatuli heeft zijn millioenen-studien geschreven, en noemt daarin de kansrekening zijn lievelingsstudie. Wie dat boek lazen weten dat dit zoo was. (Ongetwijfeld, als het er in staat.) Hoe juichend begroet hij daarin de „simple chance” en de „logos, vol van waarachtigheid.” Er was verband tusschen de kansrekening, zijn millioenen-studien, zijn hooge droomen vol ongemeten eerzucht, zijn „rekenen en mijmeren” waarvan hij zoo dikwijls sprak, en zijn verder reizen naar Duitschland, naar Homburg. Ook het oogenblik drong hem. Nog in het bezit van een weinig geld, maar zonder uitzicht op verdere inkomsten, zag hij het afzichtelijke fantoom „geldgebrek” dreigendnaderen... Nog had hij genoeg, nog was het tijd om een kans te wagen, en wie weet, als nu... In ’t kort, hij ging naar de speelbank! Maar hij verloor daar wat hij had, zoo zelfs, dat hij een of twee dagen later zijn logementsrekening niet kon voldoen. De hôtelhouder maakte het hem lastig, en door nood gedreven telegrafeerde hij naar Straatsburg, evenwel vreezende dat Eugenie van daar vertrokken zou zijn, of althans dat zij haar geld besteed had. Maar neen. Den ochtend na zijn telegram stond zij voor hem. Zij had nog geen uitgaven van belang gedaan, en bracht hem nagenoeg al het geld dat hij haar gegeven had, terug. Met ingenomenheid kon hij in later jaren vertellen, hoe fier zij den lastigen logementhouder haar bankjes had toegeworpen met een kort: „payez-vous!””Nu willen wij niet in eene te uitvoerige appreciatie van deze lotgevallen en handelingen treden. Zoo als zij hier vermeld staan vernemen de lezers ze op minstens even partijdige wijze voorgesteld, als de interpretatie dezer zaken door Dekkers familiepartijdig was in tegenovergestelden zin. Het is alleen eene zeer beminnelijke vooringenomenheid die in al dit gedoe iets anders kan zien dan de lang niet buitengewone of fijne gebeurtenissen, die eenWelt-Umbummler, eenGlobetrotter, een kosmopolitisch avonturier, zoo al kunnen overkomen.Wij, hedendaagsche lezers, wij de bewonderaars van Multatuli’s werken, wij die in Multatuli den man van prachtigen artistieken aanleg, van grooten hartstocht en ongemeen talent eeren, wij vinden hetthans,—al naar mate wij alleen nieuwsgierig, of fatsoenlijk maatschappelijk, of zelf eenigszins meer artiestachtig gestemd zijn,—belangrijk, betreurenswaardig of aardig, dat een gedeelte der biografie van onzen grooten schrijver aldus gekleurd is, wij vinden deze dingen interessant om dat zij plaats hadden met den man, die later de schrijver Multatuli werd, even zoo als wij er ons voor zouden interesseeren of hij ’s ochtends bij zijn boterham een gekookt of wel een gebakken ei pleegde te nuttigen; maar wij kunnen dieavonturen opzich zelfniet belangrijk vinden, en—hiermede passen deze zaken in ons betoog—dat de familie in Holland, wie alleen de brute mededeeling der feiten ter oore kwam, het zeer schandelijk vond, dat deze echtgenoot en vader met publieke vrouwen door Europa rondreisde, het geld dat hij gekregen had om voor zich en zijn gezin eene broodwinning op te sporen, in bordeelen en aan speelbanken verkwanselde en voortging het type van „lastig logementhouder” tot een stereotiepe figuur in zijn leven te maken,—welnu, wie is er, die dit gevoelen der familie niet zeer natuurlijk zal achten?Mevrouw Dekker, de uitgeefster derBrieven, verhaalt, zeiden we, deze dingen op partijdige wijze. Niet dat zij de feiten onnauwkeurig opgeeft, maar in den heelen toon van het verhaal is de stem der liefde waar te nemen, voor wier schoone blindheid wij den meesten eerbied gevoelen, maar omtrent wie wij, in een historische beschouwing als deze, ons niet gerechtigd achten te verzwijgen, dat zij in hooge mate de, aande liefde trouwens inherente, eigenschap bezit van ook de minste handelingen der geliefden voor edele en groote daden te houden, en te meenen, dat de groote en edele geliefde, die onverdiend ongelukkig is, nu ook, als ware het door de natuur met opzet zoo er op toegelegd, steeds in aanraking zal komen met andere ongelukkigen, die zoo al niet groot dan toch óók edel zijn.Wij zullen, om den wille der waarheid, eenige nuchtere opmerkingen wagen aan te voeren, die de feiten in kwestie tot hun zuivere anekdoten-waarde zullen terugbrengen. In de wereld van speelbanken, bordeelen, en wat dies meer zij, is de uitgeefster derBrievennatuurlijk eene vreemdelinge, en al zoude zij, langs den weg der philanthropie, misschien wel met gevallen-vrouwen in gevangenissen of elders hebben gesproken, dan toch zoude zij van den waren aard der bordeelen-wereld niet op de hoogte zijn gebracht. Er zijn gevallen bekend van geestelijke zusters, die tien jaar en langer vrouwelijke gevangenen hebben bediend, waarbijeene menigte brutale vrouwspersonen, die zich niet terughielden alles uit te schreeuwen wat hun in ’t hoofd opkwam; en tóch hadden de zusters, in al dien tijd, van den eigenlijken aard der toestanden, waaruit het verleden dier vrouwen bestond, niets begrepen.De korte zin dezer lange rede moet de bewering wezen, dat in Dekker’s gedrag, en ook in Eugenie’s gedrag,niets bijzondersgevonden wordt. Dat een leeglooper, die zijne betrekking is kwijtgeraakt, zijn gezin in Indië achterlaat, in Europa „en garçon” uitstapjes maakt, publieke huizen bezoekt, en, toevallig veel geld op zak hebbende, een vrouw, die hem bevalt, uit een bordeel medeneemt, na hare schuld in dat etablissement te hebben betaald, om met haar verder te reizen,—hierin is niets bijzonders, hoegenaamd niet. Menig gezeten burger, thans huisvader en kapitalist vol respektabiliteit, zal zich uit zijn jeugd, toen hij de periode onder het devies „il faut que jeunesse se passe” doormaakte, uit eigen ondervinding of van hooren zeggen dergelijke gevallen herinneren. Ons is iemand bekend,in wiens studenten-vriendenkring alleen reeds, eertijds drie zulke „loskoopingen” hebben plaats gehad.Dat een avonturen-jager in de grensstad van haar land afscheid neemt van zijne tijdelijke „mentinee,” zooals het plat-Amsterdamsche woord luidt, dat hij, bepaald eene „toquade” voor die vrouw hebbende en, gewoon hoe kaler hij is hoe royaler met geld om te springen, haar een flinken duit als afscheidsgeschenk medegeeft, met de typische vermaning nu in ’t vervolg op het goede pad te blijven,—dit is wederom eene gebeurtenis, in de annalen der Bohême en der demi-monde zoo frequent voorkomend als het maar mogelijk is.Dat iemand, die in goeden doen is geweest en nu op weg naar „lager wal”, zich aftobt om een snelwerkend middel te vinden, dat zijn fortuin herstellen zal, bezoeker van de speelbank wordt en de kansrekening zijn lievelingsstudie noemt,—wij zouden haast vragen: kan het alledaagscher? De kansrekening, het ploeteren in „systemen”, die onvermijdelijk doen winnen, is de voortdurendebezigheid der stamgasten van speelbanken. Wie, die ooit de speelzalen in Spa of Monte-Carlo bezocht, heeft ze niet gezien, de bleeke, reeds bejaarde vrouwen in donkere kleêren, de magere mannen in versleten plunje, die echter van goeden kom-af nog getuigt,—of wel pas (na een avond van winst) in een al te nieuw kostuum gestoken, waarvan de weelderigheid schrille tegenstelling vormt met hun vervallen gelaatstrekken, waarin de oogen koortsig gloeien? Wie heeft ze niet zien turen en mijmeren, en, met zenuwachtige bewegingen, op het vel papier of in hun zakboekje notities schrijvend en berekeningen makend? Elken dag ziet men er andere, er zijn er te veel dan dat men ze ook maar zou kunnen onthouden. (Wij herinneren er nogmaals aan: De millioenen-studiën zijn een fraai boek; uit het minste en geringste uit Douwes Dekker’s leven, zou de kunstenaar Multatuli later iets schoons weten te distilleeren).En wat nu aangaat Eugenie (hoe men al niet tot den rang van historisch persoon verheven kan raken!):Dat een publieke vrouw noch zeer jong noch zeer schoon is, aan zekere mannen voorkomt lief te zijn, en zich eenvoudig, bescheiden en zacht, fatsoenlijk in uiterlijk en manieren weet voor te doen,—heeft zij gemeen met de groote meerderheid van, dat zij het ellendig vindt in een bordeel gebonden zijn, heeft zij gemeen met voor zoover bekend is álle hare beroepsgenooten.Oppervlakkig zoude men zeggen—alle fatsoenlijke vrouwen zullen dit dus zeggen—dat de meeste publieke vrouwen, door den afschuwelijken en betreurenswaardigen toestand van verval waarin hun moreele smaak verkeert, zoo veranderd zijn, dat zij zich heerlijk tehuis gevoelen in het kermis-paleis voor beestachtige vermakelijkheden, dat het bordeel voor hen is; voorts, dat eene vrouw, die eenmaal zich in een bordeel is gaan vestigen, te diep gezonken is om eenvoudig, bescheiden en zacht en fatsoenlijk in voorkomen en manieren te zijn. Toch moet dit beslist ontkend worden. Het is alleen eene konventioneele, oppervlakkige notie van deze personen en zaken, die deoorsprong dezer meening wezen kan. Ten huize van een onzer bekenden, een deftig en hoogst ingetogen levend gezin, is twee jaar lang een werkmeid in dienst geweest,—die, uit eene andere stad, door een misverstand van personenverwisseling bij het nemen van informaties, in dien dienst was gekomen—en die bijzonder in de gunst stond van hare meesteres, welke laatste aan hare kennissen steeds te vertellen had, dat zij nog nooit met zulk eene in alle opzichten fatsoenlijke en aanbevelenswaardige dienstbode te doen had gehad: en deze werkmeid bleek later de vijftien aan de twee voorafgaande jaren als publieke vrouw in bordeelen te hebben doorgebracht. En dit is een voorbeeld uit vele.Doch, om op de ontleding van Dekker’s avontuur terug te komen: Dat een publieke vrouw zich zoo edelmoedig gedraagt als Eugenie deed toen zij, op Dekker’s telegram, naar Homburg kwam om hem het geld, dat hij haar gegeven had, en dat zij naar alle waarschijnlijkheid zelf best gebruiken kon, terug te geven, nu hij zelf in verlegenheidwas, schijnt zeker een nog zeldzamer verschijnsel. Ongetwijfeld komen daden als deze ook niet zoo veelvuldig voor. Psychologisch echter is dit feit niet van belang, daar de karakter-eigenschap, waar de handeling uit voortkwam, de goedhartigheid namelijk, de edelmoedigheid, den meesten publieken vrouwen eigen is. Leden der hoogere maatschappelijke standen weten dat zoo niet; onder het volk echter is de goedhartigheid en hulpvaardigheid van publieke vrouwen spreekwoordelijk bekend.Wat nu,—om met deze opmerking de paragraaf over het tweede stadium van Dekker’s reis te besluiten—het toewerpen der bankpapieren betreft, waarmede Eugenie den hôtelhouder betaalde, wij kunnen dit met Dekker niet „fier”, en zoo heel fatsoenlijk evenmin, vinden. Deze handeling lijkt ons meer „aanstellerig” dan koninklijk. Ook dat mevrouw Dekker hôtelhouders, die eenvoudig bij, hun onbekende, gasten op de betaling der achterstallige rekening aandringen, telkens „lastig” noemt op eene wijze, alsof zij over bedeljongens sprak, die denvoorbijganger hun lucifers te koop opdringen, achten wij een weinig te studentikoos voor eene eerwaardige dame, die optreedt als uitgeefster der brieven van een groot auteur.Het derde stadium van Dekker’s reis bestaat uit zijn tocht naar Brussel in het najaar van 1857 en zijn verblijf aldaar tot den volgenden zomer in een kleine herberg, denPrince Belgegenaamd, waar hij zeven maanden den kost schuldig bleef, nu hij geheel van geldelijke middelen verstoken was. Ook dit gedeelte zijner lotgevallen past geheel in de loopbaan van een avonturier. „Eerst zijn geld opmaken met publieke vrouwen en aan speelbanken, daarna, als het geld op is, ergens in een kleine herberg blijven hangen en teren op den zak van den goedhartigen waard,—er ontbreekt niets meer aan”—onmogelijk kon de familie in Holland er anders over denken dan in deze woorden is uitgedrukt.Het is zeer jammer, dat mevrouw Dekker uit dezen tijd geen brieven heeft gepubliceerd,daar die ons verklaard zouden hebben waarom Dekker niet naar Holland ging en waarom hij niet voortging te trachten het doel, waarmee hij in Europa gekomen was, te bereiken.Zoo nu, als wij hier beschreven hebben, ging Dekker voort zich te gedragen tot het najaar van 1859, steeds niets van zijn hoogere gaven openbarend en zonderling levend, tot voortdurende ergernis der familie.In Januari 1859 schreef hij, van denPrince Belgeuit, zijn brief aan den Gouverneur-Generaal in ruste, eindigend met de woorden:„Het verzoek, dat ik Uwer Exc. te doen heb, is dit: de herhaling mijner bede om dezen brief en de daarbij gevoegde stukken aandachtig te lezen, en mij wel te willen antwoorden op de vraag of Uwe Exc. daarin niet aanleiding vindt mij te ondersteunen in de pogingen die ik wil aanwenden om op de meest eervolle wijze weder te mogen intreden in Nederlandsch-Indischen dienst.Maar, Excellentie, anders dienen dan ik diende te Lebak kan ik niet!”Mevrouw Dekker teekent hierbij aan: „De heer Van Twist heeft niet geantwoord.”Men kan er zich al weder niet van onthouden het zwijgen van den heer Van Twist zeer verklaarbaar te vinden. De lezer van Multatuli’s werken,—het is natuurlijk niet uit te maken of juist álle lezers hierin overeenstemmen—door de vaste overtuiging en den doordringenden stijl van den kunstenaar dermate overreed, dat hij niet eens de gelegenheid heeft kalm na te denken, heeft, bij de vele sentimenten en gevoelens, die Multatuli u dwingt van hem over te nemen, stellig ook bespeurd het gevoelen, dat de heer Van Twist een slecht mensch was en het gevoel van bitteren wrevel tegen dien heer. Dit gevoelen en dit gevoel zal echter tegen latere, onpartijdige overweging niet bestand blijken.Immers, van tweeën één: òf (wat het waarschijnlijkste is) de heer Van Twist dacht dat hij met een halven gek te doen had en achttehet, van die veronderstelling uitgaande, niet eens de moeite waard de waarachtigheid der overgelegde bescheiden te kontroleeren; òf hij had kennis genomen van Dekker’s mededeelingen, hield het voor mogelijk, dat zij juist waren, hoewel te veel gegeneraliseerd, te voorbarig van den bijzonderen toestand te Lebak tot een algemeen Nederl.-Indischen toestand gekonkludeerd, maar achtte het nu zijn plicht niet meer persoonlijk handelend op te treden, en wenschte bovendien zich niet in betrekking te stellen met ambtenaren, nog minder met voormalige ambtenaren, die zich op zulk een zonderlinge, ongeregelde, manier tot hem wendden.Stelt u voor, dat een minister op zijn bureau te werken zit, en dat een man van de straat het departementsgebouw komt binnengeloopen, in weêrwil van portiers en klerken binnendringt en den minister toeroept: Excellentie, daar is onrecht gepleegd, zie eens hier, en daar, hier heb ik de bewijzen. Elke minister zoude zoo een indringer antwoorden: vriend, het is mogelijk dat gij gelijk hebt, maar wil u op de gebruikelijkewijze tot mij wenden, dit is geen manier van doen.Stelt u voor, dat een voormalig minister in zijn buitenverblijf zit te dejeuneeren, en er wordt iemand aangediend, die in de gang reeds staat te roepen: onrecht gepleegd, daar is onrecht gepleegd, ik moet den heer des huizes spreken!De minister zal zijn huisknecht gelasten dien man den weg naar het hek te wijzen met de aanmaning zich op de gepaste wijze tot de bevoegde autoriteit te wenden, indien hij meent verongelijkt te zijn.En nu zeggen wij:ook dán, indien de man, die zich indringt, ware grieven heeft mede te deelen, ook dán, indien werkelijk het grootste onrecht is gepleegd, zal de minister gelijk hebben met hem de deur te wijzen,want: nadat hij één persoon op die wijze zou hebben te woord gestaan, die in zijn recht was, zullen er zich negen-en-negentig op dezelfde manier aanmelden, wien slechts denkbeeldig onrecht is geschied. En de minister zou geen oogenblik tijd meer overhebben om ’s lands zaken te bestieren, of, in het buitenplaats-geval, om zich met zijn voor hem belangrijke partikuliere zaken te bemoeien.Het is beter dat aan één mensch onrecht geschiedt dan dat, door verwaarloozing van ’s lands zaken, aan duizenden onrecht zou worden gedaan.In het voorjaar van 1858 kwam de heer Jan Dekker van Rembang naar Europa, bezocht zijn broeder Eduard te Brussel en betaalde de rekening in denPrince Belge.In den herfst van hetzelfde jaar bevond Eduard zich in Cassel, waar hij Saïdjah’s lied in het Maleisch dichtte, veel op de Casseler Aue wandelde, en bij den... logementhouder en vrienden schulden maakte, die hij nooit heeft kunnen afdoen.In het voorjaar van 1859 kwam zijn vrouw, met twee kinderen en eene baboe, eveneens naar Europa, en zagen de echtgenooten elkander weder te Luik. Den zomer van dat jaar, tot in het laatst van Augustus, vertoefde het gezin in den omtrek van Luiken Maastricht, met name in het dorp Visé, waar de hoogst onaangename bejegening hen trof, dat zij van den burgemeester dier gemeente eene aanzegging kregen om binnen tweemaal vier-en-twintig uur zijn grondgebied te verlaten. Het was juist kermis in Visé, en de omstandigheid, dat zij er sjofel uitzagen, geen geld en geen legitimatiepapieren hadden en in kleine herbergen vertoefden, gevoegd bij de donkere gelaatskleur van een gedeelte van ’t gezin, van de baboe vooral, had de achterdocht van ’t gemeentebestuur opgewekt en was oorzaak, dat zij voor saltimbanques van verdacht allooi werden gehouden en als zoodanig behandeld. Men kan begrijpen, hoe zulk een lotgeval den zeer gevoeligen Dekker, vooral ook wijl de smaad zijne vrouw niet minder trof dan hem zelven, moest aandoen. Gelukkig woonde te Maastricht eene vriend van Dekker, de heer J. J. M de Chateleux, dien hij in 1843 had leeren kennen, toen Dekker Natal verlaten had en te Padang op Sumatra vertoefde; het krediet van dezen heer, die hem toch al reeds naar de betrekkelijkhelaas geringe krachten van zijn vermogen had bijgestaan, kon hem ook nu uit den nood redden. Maar weldra raakte ook die bron uitgeput en den 23stenAugustus 1859 trok het gezin, in den toestand der diepste armoede, naar Antwerpen, voor welke reis nauwelijks nog het noodige geld beschikbaar was.In Antwerpen was het gezin nog slechts enkele dagen vereenigd. Den 27stenAugustus bleef Dekker alleen met hun koffers en de onbetaalde rekening in hetHôtel du Templealdaar achter, terwijl zijne vrouw met de kinderen en de baboe den laatsten uitweg insloeg, die hun nog overbleef en op reis ging naar Den Haag, naar hare zuster Henriëtte van Heeckeren van Waliën. Dit waren, voor zoover wij kunnen nagaan, de bitterste dagen, die Dekker en de zijnen doorleefden. Want,—inderdaad deze toestand was vreeselijk—er was letterlijk volstrekt geen geld meer over, zoodat Dekker’s echtgenoote met de haren met ledige portemonnaie zich op de Rotterdamsche boot inscheepte. Om zich uit de verlegenheid teredden, had zij—arme vrouw!—een list bedacht, die gelukte. Zij veinsde namelijk, toen de bootbeambte rondging om de passagegelden op te halen, met voorgewenden schrik, hare portemonnaie te hebben vergeten en zeide in Rotterdam hem het geld te zullen bezorgen. In Rotterdam was een hôtel waar Dekker vroeger eens gelogeerd had, en toen, daar aangekomen, de bootbeambte mevrouw Dekker ter aangeduide plaatse vergezelde, leende de logementhouder haar vijftien gulden om haar passage te betalen en met de haren de reis naar Den Haag voort te zetten.In ’s Gravenhage werd zij ten huize harer zuster ontvangen. Men gaf haar daar „een maal eten”, en twintig gulden om de reis voort te zetten naar Brummen, waar de heer Jan Dekker een buiten, „De Buthe” genaamd, bewoonde. Tevens liet men haar daar (te ’s Gravenhage; wij volgen de mededeelingen van de uitgeefster derBrieven) een brief aan haar man schrijven, die geheel tegen haar hart moet geweest zijn, waarin zij hem de noodzakelijkheid eener scheidingbetoogde en hem in overweging gaf ergens op een schip een betrekking als matroos of hofmeester te zoeken.Deze daad van de familie schijnt een oogenblik bijzonder wreedaardig. Wij herinneren er aan, dat Dekker,—van wiens hoogere gaven nog niets gebleken was—door zijn gedrag der laatste jaren zich de allerafschuwelijkste reputatie bij die menschen had gemaakt; voorts dat de Van Heeckerens geen bloedverwanten van hém waren, alleen van zijn vrouw; dat zijn persoonlijk lot hun dus nagenoeg onverschillig was, en zij het als de eenige uitkomst voor hunne zuster moesten beschouwen, dat zij van zulk een echtgenoot als den haren ontslagen raakte. Hadd’ Dekker nog een vader of moeder gehad, nooit zoude hij van die eene dergelijke behandeling hebben ondervonden. De hulp, hem telkens en telkens door zijn broeder Jan verschaft, bewijst dat de verwanten van zijn kant zich nooit geheel van hem afgekeerd hebben. Die broeder Jan was zelfs een zeer goedhartig en hulpvaardig mensch.Kort na het ontvangen van dezen brief van zijne vrouw, toen hij haar hare koffers op haar verzoek had nagezonden, dus in het begin van September 1859, vertrok Dekker van Antwerpen naar Brussel; hij nam daar weder zijn intrek in den „Prince Belge”, de eenige gelegenheid, waar hij krediet had. Daar voltooide hij in dien tijd zijnBruid daarbovenen schreef er zijnMax Havelaar.De brieven, die den inhoud van het eerste deel der korrespondentie uitmaken, zijn geschreven in Augustus-November, de allereerste van Antwerpen, al de overige van Brussel uit.Voor zoover uit die Brieven Dekker’s geestestoestand, het volkomen bewust worden in hem van zijn talentvollen aanleg, blijkt, hebben wij er in het eerste hoofdstuk van dit opstel, de passages uit aangehaald, die ons voorkwamen de meest welsprekende te zijn. Wat Dekker’s overige stoffelijke, levensomstandigheden betreft, brengen zij ons verder bijzonderheden, waaruit dezelfde toestand blijkt, dien wij reedshebben leeren kennen, toen van zijn eerste verblijf in deze herberg werd melding gemaakt.Het publiek bestond daar uit ondergeschikte beambten van het aan de overzijde der straat staande postkantoor en uit „mannen in blousen”, die daar hun faro kwamen drinken. Dekker wist zich in het huis zelf en in de geheele buurt bemind te maken. Pauline, een gevallen vrouw met haar zuigeling, die daar ook op kosten van den menschlievenden waard in de herberg habituée was, de slager Deprez en diens gezin, waren er zijn vrienden.Dekker had het er aller-armoedigst. Het koopen van schoenen, van inkt, van een lampje, waren vraagstukken van belang, die eerst na rijp beraad konden worden opgelost. Men at in die herberg een „burgerpot”; naar zijn getuigenis was Dekker hiervan overigens een liefhebber; als zij wist, dat iets hem goed smaakte, maakte de waardin dat voor hem klaar. Deze tijd was echter in onze schatting, en ongetwijfeld ook in zijn eigen schatting, de smartelijkste,maar tegelijk de schoonste, tijd zijns levens. Men kan hem zich voorstellen daar op dat zolderkamertje gezeten, de vingers krom getrokken van schrijfkramp en van kou niet zelden, de oogen ontstoken van het bovenmatig werken, ten prooi aan de hevigste zenuwopwinding, aan de meest verregaande exaltatie, en zoo het schoone werk voortbrengend, waarmede hij zich aan zich zelf en aan zijn land ontdekte.Den 14denSeptember reeds had hij zich voor het eerst in letterkundige betrekking met eenige zijner landgenooten gesteld. Hij was, door bemiddeling der logemannen van het Rozekruis, met eene schouwburgdirektie in onderhandeling getreden over de opvoering van zijnBruid daarboven. Zes jaar geleden, in zijn verloftijd,—dus verhaalt de uitgeefster der Brieven—was Dekker te Gorcum in die orde opgenomen, „en had er in snelle opvolging vele rangen doorloopen tot hij een der hoogste sporten bereikt had en benoemd was tot Prins van het Rozekruis”. (Arme Prins!) De heer Eduard de Vries, schouwburg-bestuurder,was Dekker komen spreken. Deze had zich met het stuk uiterst ingenomen betoond, zich terstond bereid verklaard tot de opvoering. Maar van droits d’auteur kon voorloopig weinig of geen sprake zijn. Bij gelegenheid van dat bezoek las Dekker den heer De Vries eenige bladzijden voor uitMax Havelaar, waardoor de heer De Vries zeer getroffen werd. Hij ried Dekker evenwel ten sterkste aan het handschrift naar den koning te zenden, vóór hij tot openbaarmaking overging.Toen DekkerMax Havelaarhad voltooid, zond hij het handschrift den 5denNovember, naar zijne vrouw en broeder te Brummen. Ofschoon zij het eerst den 9denontvingen, had hij den 11den’s avonds reeds twee brieven van zijn vrouw ontvangen, waaruit bleek, dat zij het werk toen reeds gelezen hadden en er hoog mee ingenomen waren. Aandoenlijk is de brief, dien Dekker, toen Multatuli geworden, als antwoord op den haren, den 11denNovember aan zijne vrouw schreef (1edl., blz. 125). Op hare bewering, dat hij haar, in de persoon vanTine, te veel geprezen had, antwoordde hij bijv.:„Neen, neen, waarachtig niet, ik heb u niet in de hoogte gestoken. Integendeel, je staat veel te veel op den achtergrond. Ik heb mij dat al verweten, doch ik werd daartoe geleid omdat Max hoofdpersoon blijven moet (om het doel van ’t boek) en voorts dat ik goed van mijzelf spreek heb ik u vroeger al uitgelegd.”En verder deze regelen, die de geschiedenis van den Max Havelaar belangrijk toelichten:„Het was mijn plan Jan te verzoeken naar Van Hasselt (de Br∴ R + die met Dekker het eerst overDe bruid daarbovenhad gecorrespondeerd) en Van Lennep te gaan, of naar den eersten alleen, dan krijgt Van Lennep het ook...Maar nu het delicate punt. Als men komt met een boek met de vraag „wil je dat afkoopen?” dat is chantage, afzetterij. Dat is dus de bedoeling niet. Ik heb mijn boek geschreven met een dubbel doel: namelijk verbetering van den boel in Indië, en herstel van mijne positie. De zaak is dus niet datik zeg: geef mij zooveel of zooveel, dan zwijg ik; want ik meen wat ik op het slot zeg. Ik zal strijden voor die arme verdrukten, ik heb mij dat nu voor mijn roeping gekozen. De vromen zouden zeggen dat de Heer mij daartoe dringt, daar hij mij alle andere uitwegen afsloot.Doch dat dubbele doel kan bereikt worden door samengaande maatregelen, namelijk een hoogst-eervolle benoeming van mij met eene considerans dat Z. M. mijne wijze van handelen approuveert, en die van het toenmalig bestuur desavoueert. Dat is eene zedelijke triomf van ’t principe, en eene materieele zegepraal voor mij, die ik, God weet het, noodig heb.Van Hasselt is lid van de kamer (Van Lennep ook.)1Willen zij met Jan samenzweren om mij dien dubbelen triomf te bezorgen, goed. Doch er moet goed vermeden worden er op te doelen als of ik voor mij alleen winst vraag. Want behalve dat dit onedel wezenzou, komt hier nog bij dat ik meer winst behaal door mijn boek te laten drukken. Jan kan aan Van Hasselt zeggen (niet als bedreiging maar als eenvoudige waarheid) dat ik mijn boek in ’t Fransch, Duitsch en Engelsch vertalen zal. Als mijn oogen het toelieten was ik al begonnen.Hoe het zij, ik vind goed dat Jan naar Van Hasselt gaat. Doch dit staat vast, als Van Hasselt of Van Lennep niet willen of kunnen bewerken, dat aan mijn dubbel verlangen koninklijk wordt voldaan, dan zal het gedrukt worden, en als ik daartoe geen geld heb, dan zal ik het afschrijven en rondzenden in manuscript. Doch in Frankrijk zal ik de vertaling wel gedrukt kunnen krijgen, en in Duitschland ook.”Den 20stenNovember daaraanvolgende kende Dekker het oordeel van Van Lennep over zijn werk, aan wien Van Hasselt het had gegeven. Hij schrijft op dien datum:„Maar nu ben ik in grooten tweestrijd wat ik doen moet. Jan namelijk zendt mij ƒ50, en stelt voor het boek aan Rochussen (dentoenmaligen minister van koloniën, opdat die de uitgave nog zou kunnen voorkomen) te vertoonen. Van Lennep zegt: ik moet zoo dwaas niet zijn het voor niet aan een boekverkooper te geven. Hij maakt zich sterk een prijs te bedingen. Nu moet ik kiezen tusschen schrijven in Holland of eene betrekking in Indië.Zooals de zaken nu staan houd ik het er voor dat ik slaag in wat ik ook kies.Maar ik ben in vreeselijken tweestrijd.Jan vraagt antwoord met ommegaande en ik kàn van avond niet antwoorden. Ik wilde u zoo gaarne spreken. De schulden jagen mij naar Indië, de kinderen houden mij in Europa. Je begrijpt de spanning.Ik heb nagedacht. Ik hel over naar Rochussen, doch conditiën:1 Resident op Java. Speciaal Passaroeang om mijn schulden te betalen.2 Herstel van diensttijd, voor ’t pensioen.3 Een ruim voorschot.4 Ned. Leeuw.Doch ik zal deze conditiën niet zeggen, eerst wil ik zien wat hij biedt.”Den 22stenNovember ontving Dekker twee honderd gulden van zijn broêr, om zijn schuld bij den Brusselschen waard af te doen en naar Amsterdam te reizen. Den 23stenvertrok hij en kwam dienzelfden dag te Amsterdam aan.Tot zoover de opeenvolging der feiten, die wij thans hebben nagegaan tot het punt, waar het eerste deel derBrievenen de eerste faze van Dekker’s lijdensgeschiedenis eindigt. Want, al hebben wij er niet telkens en telkens de aandacht op gevestigd, daar uit de feiten zelf genoeg het lijden bleek, dat er in gelegen was voor hem, wiens geschiedenis zij uitmaken, en daar het ons er hier vooral om te doen was, helder te doen blijken, welken indruk de vijandig gezinde familieleden en kennissen, die ver af woonden en natuurlijk alleen oordeelden naar den uiterlijken schijn der dingen, ontvingen; want, herhalen wij, geleden heeft Dekker in deze jaren waarschijnlijk meer, dan wie ook, die niet uit eigen ondervinding weet hoe hevig het doorleven van zulke toestanden menschen van Dekker’s geëxalteerdtemperament aandoen, zoude kunnen beseffen.Want behalve door het, niemand buiten hem en hem zelf ternauwernood toen nog bekende, letterkundig talent, onderscheidde Dekker’s persoon in de woeste levensperiode, welke wij hem hebben zien doorloopen, zich ook nog hierdoor van gewone avonturiers, dat, terwijl deze lieden zich juist plegen te kenmerken door de grijnslachende onverschilligheid, waarmede zij alle tegenspoeden doorleven, mits die hun maar geen onmiddellijke physieke pijn of ongemakken veroorzaken,—Dekker’s buitengewoon zenuwgestel door dat onregelmatig en koortsachtig leven ten eenenmale werd van streek gebracht.Maar,—en zoo keeren wij tot ons uitgangspunt terug—de feiten blijven de feiten, en niemand, vermoeden wij, die er zich verwonderd over zal betoonen, dat „de menschen” niet veel goeds, maar alles slechts in Dekker’s gedragingen vonden, van het oogenblik af dat hij zijn vrouw alleen in Indië achterliet tot dat waarop zij te Brummenvertoefde en hij in Brussel geheel aan lagerwal was geraakt.Twee zaken waren er,—dus zullen sommigen oordeelen,—waardoor Dekker zich dan toch gunstig van gewone avonturiers onderscheidde en die in het oog moesten springen; te weten: zijn beminnelijkheid en edelmoedigheid, èn zijn hoogere geestesaanleg, die wel in de verste verte niet de allerbuitengewoonste hoogte kon doen vermoeden, waarop zijn talent later zou schitteren, maar waaruit toch bleek, dat hij, in den gewonen zin des woords, een begaafd man was. En deze twee zaken,—dus zal men konkludeeren—zouden het oordeel en de houding der familie hebben moeten wijzigen.Wij zullen repliceeren met eene verwijzing naar hetgeen wij omtrent publieke vrouwen in ’t algemeen in ’t midden hebben gebracht. Evenals publieke vrouwen meestal enkele zeer goede eigenschappen hebben, zijn de meeste avonturiers daarvan ook niet verstoken, en de eigenaardigheid van hun bestaan, het voortdurend leven op plaatsenvan openbaar vermaak, het dagelijks den heelen dag luieren in koffiehuizen, speelzalen en diergelijke, het voortdurend in aanraking zijn met gezelschappen van menschen van allerlei slag, ontwikkelt de deugden in hen, die men de eigenaardige deugden van denGesellschafternoemen kan: de beminnelijkheid en daaraan verwante goedhartigheid en edelmoedigheid. Avonturiers b.v. zijn in ’t algemeen veel goedhartiger en edelmoediger dan parvenu’s, die zich met verwaande deftigheid van armen en on gelukkigen afkeeren, dan vele gezeten burgers, wier deugden eerder in spaarzaamheid, zedelijkheid, zindelijkheid en stiptheid in handel en wandel bestaan. Avonturiers: drinkers, spelers, hoereerders, gewoon hun leven te verdeelen of liever verdeeld te zien in tijdperken van weelde en losbandigheid, en van armoede en gebrek, tot gewoonte hebbend hun zóo-gewonnen geld dadelijk te verkwisten, vinden het gooien met groote sommen iets zoo natuurlijks, dat zij ook in hun aalmoezen-geven buitensporig zijn en zij even graag een tientje in de hand eens armendoen glijden, als meer bezadigde menschen daarin een kwartje zouden deponeeren. Dus de edelmoedigheid in dezen zin maakte Dekker niet tot een uitzondering onder de lieden, waarmede zijn verwanten hem gelijk stelden.En wat de begaafdheid, het vernuftige, aangaat, ook hierin hebben velechevaliers d’industriehet tamelijk ver gebracht. Niet alleen heeft het avontuurlijke leven, het leven van reizen en trekken, van hotels, koffiehuizen en kroegen, van spoorweg-coupé’s, stoombootdekken en kajuiten, van stadstrammen en dorpsdiligences, het leven in gewesten van allerlei klimaat en aspekt, het omgaan met menschen van allerlei ras, stand en karakter, eene dagelijks gevoed wordende ongewone vatbaarheid voor indrukken in hen doen ontstaan, en een vernuftig gemak van beweging en konversatie, waardoor eenvoudige lieden worden overbluft en meer ontwikkelde aangenaam beziggehouden; maar het is of hun vernuft zich,—daar zij toch allen een vaag besef hebben van de groote lakune, het gemis aan degelijkheid,in hun leven—bij uitstek gescherpt heeft op het punt, dat het recht-praten van hun eigen kromme leven betreft.Er bestaat bijna geen min of meer toonbaar avonturier, die u, in oogenblikken van gemoedelijkheid als zijne stem week wordt en zelfs zijn oog vochtig, niet fraai en breedvoerig weet uit te leggen, òf dat hij het slachtoffer is der vervolgingen van het noodlot, dat hij heel anders terecht had kunnen komen indien alles hem maar niet zoo ware tegengeloopen, en dat hij zich, door losbandig en onwaardig te leven, nu wreekt op de meêdoogenloosheid van het leven jegens hem; òf hij neemt de tegenovergestelde houding aan, en overreedt u, in een kunstig samengesteld pleidooi, opgeluisterd door geschiedkundige voorbeelden en spitsvondige redeneeringen, dat zijn manier van leven de slimste, de beste, de prettigste is. Zij die arbeiden en een goed geregeld maatschappelijk leven leiden, nu ja, dat zijn de sukkels, de domooren, hij en de zijnen begrijpen het leven eerst op de goede manier. Wat de geregelde lieden in een jaar tijds van hoofdbrekensen moeilijk werk winnen,—wèl, dat wint hij in éen avond aan een speeltafel. Overigens, leven de meeste aanzienlijken, de hoogst-aanzienlijken, zij die niets behòeven te doen om den broode, niet even als hij, met alleen een verschil in de onderdeelen, een verschil van minder of meer; bestaat niet het leven van vele vorsten en prinsen uit een aaneenschakeling van vermaken, van reizen en feestvieren, van dansen en jagen en eten en drinken?... Zoo zijn de redeneeringen dezer menschen.Vele avonturiers buitendien maken een aardig gezelschapsvers, zitten vol woordspelingen en behendige replieken.Dus, konkludeeren wij, noch de beminnelijkheid, noch wat men in den gewonen zin vernuftigheid noemt, kon ten opzichte van Dekker de oogen der menschen openen en hen in hem iets anders dan een niet van het type afwijkend avonturier doen zien.Er kwam nog bij,—wat in dit geval een buitengewoon gewicht in de schaal legde, daar Dekkers verwanten van zijn vrouwskant tot de zeer vrome geloovigen behoorden,—dat hij in hunne schatting een brutaal godloochenaar was. Hij vereenigde dus in zich ongeveer alle eigenschappen, die hem in hunne oogen tot het afschuwelijkste individu moesten maken, dat men zich denken kan. Hij was hun tegenvoeter, in alles; en omdat hij tot hunne familie behoorde en zij dus beducht waren dat zijn leelijke reputatie ook hunnen naam zou smetten, groeide hun afkeer tot haat.Doch wij willen dat alles slechts beschouwen als een vraagstuk ondergeschikt aan dat andere, dat de geheele verhouding van Dekker tegenover „de menschen” beheerschte, dat de kern vormt van het groote misverstand van zijn leven, met de behandeling waarvan wij te gelijk in het tweede deel derBrievenen in de tweede faze van zijn leven komen.Wij willen namelijk beweren, dat,—een waarheid die trouwens duidelijk blijkt uit de houding der familie ná het verschijnen vanMax Havelaaren den door den schrijver verworven naam,—al ware defamilie van den beginne af aan op de hoogte geweest van Dekker’s buitengewone schrijversgaven(iets, dat niets te maken heeft met het soort vernuftigheid, waarvan wij boven spraken)—zij toch zich niet wezenlijk anders jegens hem zou gedragen hebben dan zij nu deed. Zij zou hem dan misschien wel niet matroos of hofmeester op een schip willen maken, maar toch zou zij zich geheel van hem vervreemd hebben en God gebeden hem nooit te mogen ontmoeten.Voor wij nu verder gaan om deze bewering te staven en toe te lichten, willen wij den geestestoestand van Dekker zelven beschouwen, zooals die geworden was in deze jaren van wild leven buiten de Hollandsche maatschappij, om daardoor des te duidelijker te doen uitkomen het schrille kontrast tusschen hem aan den eenen en die maatschappij aan den anderen kant, dat de oorzaak werd der mislukking van zijn leven. Want zijn leven, hoe vorstelijk geslaagd een gedeelte van het thans levend geslacht het moge achten,—is mislukt in wat hij zelf er van had willenmaken. Op menige plaats in zijn werk kan men het bewijs van deze stelling vinden.Indien er een schril kontrast bestaat tusschen Multatuli aan den eenen en de maatschappij aan den anderen kant,—een kontrast ook, dat weinig minder opvallend is, wordt waargenomen tusschen Dekker’s uiterlijke omstandigheden en het zelf-gevoel in zijn binnenste, in den tijd van zijn vertrek uit Indië af tot lang na het verschijnen vanMax Havelaartoe. Dit zelf-gevoel zou door de prikkels van buiten al grooter en grooter worden, tot hij, eenmaal in het publiek getreden, het geheel van onder zijne beheersching zal hebben verloren en het te pas en te onpas op de geweldigste wijze zal uiten.Was hij naar het uiterlijke een avonturier, behoorde hij oogenschijnlijk tot een der minst eerbiedwaardige klassen van personen,—innerlijk gevoelde hij zich groot en verheven boven alle menschen, innerlijk droeg hij de wetenschap met zich van bij de meest eerbiedwaardige aller menschen te behooren. Wel was hij zich in ’t minst niet van letterkundigebekwaamheden bewust, wel moest zijn letterkundige genialiteit nog geheel aan hem zelf ontdekt worden, maar, juist door de weinige bepaaldheid, door de vaagheid, sterker, droeg hij het bewustzijn in zich van een kracht, een grootheid, datgene wat iemand een groot man maakt, eene groote en schoone ziel, te bezitten.Nu, met de kracht van de verontwaardiging, met de kracht van het protest, groeide tegen de verdrukking in, tegen de verdrukking van den uiterlijken schijn in, het zelf-gevoel in zijn binnenste, dat later tot zelf-verheerlijking uitdijen zoude, en hoe lager hij zonk hoe hooger hij zich gevoelde.Hij was voortdurend onder vreemdelingen en kon aan niemand openbaren wat er in hem omging. Hieraan moet het worden toegeschreven, dat de zelf-verheerlijking in hem vastgroeide hoe langer hoe hechter, en voor goed onuitroeibaar zou worden. Hij was geheel alleen, van allen verlaten, daarom klemde hij zich met alle macht vast aan den eenigen steun die hem overbleef: het geloof aan zich zelf.Nu, nu dit zoo was, nu allen hem hadden verlaten, nu hij door iedereen voor een ellendeling werd gehouden, nu de menschen en de omstandigheden, nu de geheele wereld om zoo te zeggen tegen hem was gekeerd en hem verachtte,—nu, zoo kan men zich het spreken der stem in zijn binnenste voorstellen, nu zou hij ook álles doen en álles zijn, nu zou er ook niets zijn wat hij niet bereiken zou, nu zou hij tot de hoogste hoogte klimmen, waartoe ooit menschen waren gekomen, neen, hooger nog, de grootste droom, die ooit het onderwerp van menschelijke eerzucht was, zou hij verwezenlijken.Wie of wat hem daartoe in staat stelde? Wel hij, hij zelf, zijn kracht, zijn eigenschap van de grootste aller menschen te zijn, was ’t die hem er toe in staat stelde. En wat dan de nadere aanduiding was van wat hij eigenlijk doen zou? Wel, hij zou zijn land tot het beroemdste der landen, hij zou zijn volk tot het gelukkigste der, tot een voorbeeld voor alle volken maken, en zijn gezin zou hij uit de diepste ellende tot de hoogste sport van eer en aanzien voeren...Zoo bruiste en brandde het in zijn gedachte.Het resultaat was, dat hij een schoon letterkundig werk maakte. Nooit heeft hij een zweem van het vermoeden gehad, dat zijn zelf-gevoel, zoo ongekontroleerd, zoo in ’t wilde weg als het was, uit niets anders bestond dan uit de universeele grootheidsfantazieën die menschen met veel artistieken aanleg niet zelden in zich omdragen, en die geheel verkeerd uitkomen zoodra zij ze bij vergissing eens in de werkelijkheid beproeven toe te passen.Gelijk bekend is, wilde hij later van de letterkundige schoonheid van Max Havelaar niets hooren. Want,—zoo droomde hij,—een boek, dat daar voor u ligt, een stapel papier; en ... woorden van lof daarover uit de monden van menschen, van eenige in burgerkleêren gestoken menschen, die men zoo nu en dan ontmoet, en voorts in de kolommen van dagbladen, op de bladzijden van tijdschriften, regels van zwarte letters op wit papier,—wat was díe realiteit in vergelijking met die, welke eenbuitengewoon mensch van zíjn grootheid omgeven moest! Wat hadden díe zaken uit te staan met de heerschappij en de glorie, die hem wachtte, hem, Multatuli, den éersten man eener natie, den wereldhervormer, den machthebber, die zich al zag gedragen in een gouden draagkoets met purperen gordijnen, voorafgegaan van muzikanten en zonneschermdragers in scharlaken livrei, met een gevolg van militairen in schitterende uniformen, omgeven, op eerbiedigen afstand, van de menigte des volks, hoogen en lagen in aanzien en stand, die allen hem bewonderende blikken toewierpen en hem liefhadden als hun weldoener en de beschermheer hunner landen. Wat was er voor verband tusschen die onnoozele kleinigheden en hem, den toekomstigen vorst, den onderkoning, die in marmeren paleizen het rijke Insulinde zou bewonen, nadat hij Amsterdam tot de hoofdstad der wereld zou hebben gemaakt, die in gebeeldhouwde ledikanten onder troonhemels ’s nachts zou slapen en bij dag loopen over kostbaar ingelegde vloeren tusschen zijn onderdanigen hofstoet, diedes avonds schitterende feesten zou geven, waarop hij de hoogstgeplaatsten des lands zou nooden en hun dan wel genadiglijk een oogenblik te woord zou willen staan. Hij zag zijne zalen reeds prachtig verlicht, stralend van weelde, gevuld met vrouwen in satijnen gewaden en in bloementooi, gevuld met mannen, wier borsten glinsterden van ridderkruisen. En rondom in den lande, tot zoover zijn gebied reikte buiten de balustraden zijner parken, zou nergens gemor zijn in de woningen der lagere bevolking en geen nijdigen blik zou hij ooit in de oogen van den minsten zijner onderdanen zien flikkeren, want zijn edel en wijs beleid zouallengelukkig hebben gemaakt.Dat alles voorzag hij reeds, als, op het geroep van zijn alvermogende stem, het rechtsgevoel der natie ontwaakt zou zijn en zij als éen man zou zijn opgestaan om het bittere onrecht den edelsten harer zonen aangedaan, schitterend te wreken.Dat alles voorzag hij, en, als hij om zich heen keek, wat?... Een armelijke kamer, eenige brieven met volzinnen van ingenomenheid,een stad, waar bijna niemand op hem lette, op de enkelen na, die hem met verbazing bekeken of met sympathie begroetten en verder gingen.... Het was om krankzinnig te worden.

Nu wij de plaats omschreven hebben, welke Multatuli, naar onze opvatting, als openbare persoonlijkheid in de beschavings-geschiedenis van Nederland inneemt, rust, met groote duidelijkheid aangewezen, de taak op ons, de compositie van het beeld dat wij begonnen zijn te schetsen, te vervolledigen, door er de bijzondere trekken aan toe te voegen, die Multatuli als mensch in het private leven kenmerkten. En hiertoe bieden deBrievenhet niet genoeg te waardeeren materiaal. Zoo ergens, dan is bij Multatuli de privaat-mensch de aanvulling, de wederhelft van de publieke persoon. Niet alleen om dat hij steeds uit zijn omgeving, uit zijn eigen lotgevallen, uit zijn toevallige omstandigheden en ontmoetingen op reis en te huis, bijna uitsluitend de stof putte voor zijne artistiekefantasieënen wij dus de geschiedenis, den oorsprong van zijn kunstwerk in zijn partikulier leven moeten opsporen; maar ook om dat hij zelf nagenoeg zijn geheele partikuliere leven, qua historie, qua belang inboezemende, verontwaardigingwekkende lotgevallen, heeft gepubliceerd, maar niet altijd,—en hierop komt het aan—met zooveel nauwkeurigheid en algeheele helderheid, dat omtrent den waren aard zijner ondervindingen bij den lezer niets meer in het duister bleef. Velen ongetwijfeld zullen pas in dezeBrievende volkomen opheldering van zoo menigen geestelijken en stoffelijken toestand in des schrijvers leven vinden, waarnaar zij in de heftige uitlatingen derIdeënen andere geschriften te vergeefs hebben gezocht.De vrouwen zijn voorzeker de zachtste, de liefste, de aangenaamste, in vele gevallen de meest menschelijke, helft der menschheid. Het is dus allerminst om de vrouwen van deze kategorie van wezens uit te sluiten, indien wij, na Multatuli in zijne verhouding tot „de menschen” beschouwd te hebben, gaarne een afzonderlijk hoofdstuk zouden wijden aan Multatuli’s verhouding tot „de vrouwen”, en in verband met deze verklaring moet dus wel de titel der hier aanvangende afdeeling van dit opstel eeneanticipatie schijnen op dien der volgende. Toch zullen wij er ons op toeleggen dit slechts schijn te doen zijn. Want het onderscheid moet zijn: dat wij nu Multatuli’s bijzondere en buitensporige persoonlijkheid in haar gevoelens en gedragingen ten opzichte van de menschen in ’t algemeen willen nagaan, om vervolgens uitsluitend het bijzondere in die persoonlijkheid te overwegen, dat haar eigen werd zoodra zij speciaal met vrouwen in kontact kwam.Om een juist denkbeeld van Multatuli’s karakter te krijgen, zoo als het zich in zijn omgang met menschen, in zijn houding tegenover de maatschappij, openbaarde, toen hij eenmaal een publiek persoon begon te worden, moeten wij aanvangen met zijn karakter te beschouwen zoo als het vóor dien tijd was, want het karakter heeft zich wel niet veranderd, maar heeft zich uitgedijd, en, om zijn latere ontwikkeling te begrijpen, moet men daarvan de oorzaken in de kiem naspeuren. Multatuli’s karakter, zoo als dat was vóór de verschijning van zijn eerstuitgekomenwerk, denMax Havelaar, heeft de houding bepaald die de maatschappij, vertegenwoordigd door hare met hem in betrekking staande leden, tegen hem aannam, en waarvan zijne, latere, houding weêr de terugslag was.Wie was Douwes Dekker vóór dat Multatuli bestond, wat voor een man was die Douwes Dekker in de waardeering dergenen, die over hem te oordeelen hadden,—ziedaar de vraag, waarvan de beantwoording het gedrag der „menschen” jegens hem volkomen zal verklaren.De waardeering, waarin Dekker bij de menschen, hier in ’t bijzonder zijne familieleden, bijv. zijn in deBrievendikwijls genoemden broeder Jan Dekker en zijn zwager Van Heeckeren van Waliën, stond, had zich natuurlijk gevormd uit wat zij wisten van zijne handelingen en gedachten, van de feiten zijns levens, van zijn gedrag als mensch, ambtenaar, echtgenoot, huisvader.Vóór het geweldige feit, het enormefait accomplizijner ontslagneming als Assistent-Resident te Lebak, had Dekker (naaruit deBrievenblijkt) in zijne familie de reputatie van te zijn een zeer begaafd man, maar tevens wat zonderling, wat heet-hoofdig, en een slecht financier. Vóór Lebak reeds, lezen wij, waren de financiëele omstandigheden der familie Douwes Dekker alles behalve gunstig. Dekker had zelf van huis uit geen geld, hij was gehuwd met eene onbemiddelde baronesse Van Wijnbergen, hij verdiende in ’s lands dienst wel betrekkelijk veel, maar de verteringen overtroffen steeds de inkomsten, zoodat men links en rechts in schulden kwam.In 1846 was Dekker gehuwd, in 1852 kwam hij met verlof naar Europa, om in 1855 weder naar Indië terug te keeren. In die drie jaren verloftijd, dus nog vóór zijn zenuwgestel door zijn ontslag en de daardoor veroorzaakte ellende den grooten schok had gekregen, toonde hij reeds, vooral in uitspannings-tijd, slecht met geldelijk beheer overweg te kunnen; want niet alleen bij zijne vrienden, maar ook bij zijne Wageningsche tantes, en zelfs bij denhôtelhouderFuhri in ’s-Gravenhage maakte hij schulden, diein 1856, het jaar van het ontslag, nog lang niet aangezuiverd waren, want jaren later nog „maakte”, zooals de uitgeefster derBrievenhet mededeelt, „Fuhri het hem daarover lastig.”Al dat schulden maken wordt natuurlijk in ’t algemeen verontschuldigd door Dekker’s stellige en zeer oprechte voornemens om het geleende geld terug te geven, misschien wel met de rente er bij; het leenen bij de tantes in ’t bijzonder wordt vergoelijkt door het feit, dat Dekker deze dames geregeld ondersteunde, zoodat hij niet ten onrechte, maar wel wat weinig delikaat, later beweerde: het was zijn eigen geld, dat hij van de tantes had geleend; doch het leenen van de tantes komt aan den anderen kant weer in een minder fraai daglicht, als men verneemt, dat die tantes zelve uiterst onbemiddeld waren, zoo onbemiddeld, dat, ter beantwoording van verzoekschriften hunnerzijds, prins Frederik hun eens vijftig gulden ten geschenke zond, terwijl zij van het ministerie een gratificatie van zestig gulden ontvingen. De schuld bij den hôtelhouderis van nog bedenkelijker aard,par ce qu’il faut laver son linge sale en famille.(Want Dekker was toen nog niet behoeftig, hij had zijn verlofstraktement).Zóó was dus de toestand, toen, nadat Dekker 4 Jan. 1856 benoemd was tot Assistent-Resident, de familie in de lente van dat jaar plotseling verrast en verbaasd en, ja geërgerd werd door het bericht, dat hij, in wiens promotie zij zich waarschijnlijk juist zeer verheugde, op 4 April van die hooge positie had afstand gedaan en uit die lukratieve betrekking zijn ontslag had genomen. Waarom, dus vroeg men zich in ontsteltenis af, waarom heeft hij dat gedaan? Was het om elders in nog betere betrekking te komen, was het om op andere wijze, door het beginnen eener partikuliere onderneming, zijne levensomstandigheden en die van zijn gezin nog meer te verbeteren, was het wegens onvermogen, wegens ziekte? Niets van dat alles. Toen dus de familie de reden vernam, kon zij, die natuurlijk naar de algemeen in de maatschappij gangbarebegrippen oordeelde, eronmogelijkiets anders van vinden, dan dat hij, die zoo handelde, rijp was voor de gevangenis of voor het krankzinnigen-gesticht. Want wát was er gebeurd, wat was de aanleiding geweest, die Dekker tot dezen stap had gebracht? Hij had eene berisping van hooger hand ontvangen over Dienstzaken en, meenende zijn plicht te hebben gedaan, meenende dat zijne superieuren ongelijk hadden en niet hij, meenende dus dat men een andere wijze van dienen van hem verlangde dan hij met zijn plichtsbesef kon overeenbrengen, had hij voor deze moeilijkheid geen andere oplossing geweten dan eenvoudig uit den Dienst te treden.Hij had berisping ontvangen en daarom zijne demissie genomen. De familie, die wij steeds noemen als vertegenwoordigster der maatschappij, kon niet anders denken, dan dat Eduard dit uit gekrenkten trots had gedaan, dat hij, gekrenkt in zijn trots, daarom zich zelf en zijn vrouw en kinderen tot armoede had gebracht, in het ongeluk had gestort. Zijkonniet anders denken om drieredenen: ten eerste zoude zij, als bestaande uit gewone menschen, zich niet hebben kunnen indenken in den geestestoestand van iemand, die het plichtsbesef op zulk een eigenaardige heroïeke manier opvatte; ten tweede, al zoude zij geweten hebben, dat nog heden ten dage individuën met zulke buitensporige begrippen worden gevonden, had zij toch geen enkelen grond om te veronderstellen, dat hun familielid Eduard Douwes Dekker, dien zij wèl echter als zeer hoogmoedig kenden, tot dit slag fanatici zou behooren; ten derde, al waren zij zich bewust geweest van het bestaan dezer soort plichtsopvatting en al hadden zij daarbij geweten, dat die bestond in den geest van Eduard, dan zouden zij toch nog van meening zijn geweest, dat die plichtsopvatting zich in een geheel ander gedrag kon uiten dan in het zijne en tot geheel andere handelingen leiden dan die, welke zij, met leede oogen, hem zagen bedrijven.Gegeven—dus hooren wij de menschen, zoo de derde der genoemde beschouwingende hunne was, redeneeren—gegeven aan den eenen kant, dat de bevolking van Lebak verkeerd werd behandeld, zoowel tot haar ongeluk als tot nadeel van Nederland, dat de assistent-resident dat merkt, dat hij die verkeerde behandeling tracht tegen te gaan, en over dat trachten berispt wordt van hooger hand in plaats van aangemoedigd; gegeven aan den anderen kant, dat hij het tegengaan der verkeerde behandeling, als zijnde plicht, zijn hoogste levenswet acht, dat hij dus om zijn eenen plicht te volbrengen, zijn anderen plicht—het gehoorzamen aan zijn meerderen,—zoude moeten verzaken, dan blijft hem, ook volgens de strengste kasuïstische redeneering, nog een vierde weg open, behalve de derde (het ontslagnemen), nog een vierde weg om uit dit dilemma te geraken, de weg dien niet alleen bijna alle menschen in het gewone leven bewandelen, maar die ook door buitengewone, dweepzieke personen in zeer bijzondere gevallen, dikwijls wordt ingeslagen: de weg van het schipperen, van het geven-en-nemen.Want—en hierop komt het aan ter waardeering van Dekker’s daad, en hierom kunnen wij de menschen, die zoo oordeelen, niet geheel ongelijk geven, en in verband hiermede gelooven ook wij dat de trotschheid wel deugdelijk in het spel is geweest en het zijne er toe bijdroeg om hier het woord plicht zoo eigenaardig te interpreteeren (en wij kunnen dit des te eerder doen, daar trotschheid in iemand die later blijkt zoo eene schoone ziel te hebben, niet afkeurenswaardig, of althans, naast de groote gewrochte dingen, de moeite der afkeuring niet waard is),—want, zeggen we, we hebben hier niet te doen met zulk een lijnrecht afgebakende vraag van plicht of geen plicht, van deugd of zonde, als waarop, bij voorbeeld, in tijden van godsdienstvervolging, de Roomsche of de Calvinistische geloovigen te beslissen hadden en waaraan zich die van dood of leven onmiddellijk verbond.De Roomschen, die wij als voorbeeld nemen, moesten hun geloof afzweren door het plechtig zeggen van eenige woorden; het uitspreken dier formule was, dus leerdede Paus: de zonde, het volstrekt zondige; de Calvinisten moesten hun geloof afzweren, het uitspreken der formule was, dus leerde Calvijn: het volstrekt zondige. Er was hier dus, even als bij alle bekentenissen op de pijnbank, een nauwkeurig afgeperkte daad te verrichten of na te laten. Hem, die het deed, wachtte, na een leven van wroeging, de eeuwige verdoemenis; hem, die het naliet, wachtte, onmiddellijk, de eeuwige gelukzaligheid. De geheele zaak, de daad en het doel, bepaalde zich dus tot het uitspreken of verzwijgen van eenige woorden.In Dekker’s geval was dat anders. Hij had geen bepaalde daad te verrichten, die de stem van het geweten verbood. Hij had zijn gedrag alleen een weinig te wijzigen, om niet alleen zijn vrouw en kinderen zoo gelukkig te doen blijven als zij waren, maar om tevens,—wat voor hem dan de hoofdzaak zoude geweest zijn—zijn zaak beter te dienen, zijn doel beter te bereiken, dat, door het nemen van zijn ontslag, geheel voor hem verloren ging. Want hij was toen nog niet van plan de zaak van Indië door openbaregeschriften te bepleiten, en, ware hij op zijn post gebleven, dan zoude hij, wat hij toch onmiddellijk voorzien kon, de belangen van Nederlanders en Inlanders niet alleen hebben kunnen blijven bevorderen, maar tevens zou hij, ware de gedachte ook in dat geval bij hem opgekomen, door boeken en artikelen, aan de bevordering dier belangen eene meer algemeene uitgebreidheid hebben kunnen geven.Het geval van Multatuli is het best te vergelijken met het geval van een menschlievend schoolmeester. Veronderstelt dat een onderwijzer op een armenschool, behalve dat hij de wettelijke voorschriften ten opzichte der kinderen volbrengt, dien kinderen tevens voedsel verstrekt voor zijn eigen rekening, hiervoor een gedeelte van zijn traktement gebruikende. Veronderstelt voorts, dat een lid der bevoegde autoriteit, het gemeentebestuur of de schoolcommissie, den onderwijzer aanschrijft daarmede niet voort te gaan door eene, het doet er niet toe welke, administratieve konsideratie hiertoe gebracht. Moet nu die onderwijzer, van meeningzijnde, dat de kinderen van Staatswege zouden moeten worden gevoed, en dat hij in elk geval geheel vrij moest gelaten worden om ze voor zijne rekening te voeden, van meening zijnde, dat de plicht der menschlievendheid hem die voeding gebiedt,—moet nu die onderwijzer zijn ontslag nemen en zeggen: anders dienen dan ik thans dien kan ik niet, zoo doende zijn traktement verliezend, zijn familie ongelukkig makende, en de kinderen aan de behandelingen van zijn opvolger blootstellend, die jegens hen wellicht een veel minder zacht gedrag in praktijk zal brengen dan in het onthouden der niet voorgeschreven voeding bestaat? Of moet hij op zijn post blijven en langs een anderen, minder met de inzichten der autoriteiten strijdenden weg, het harde leven voor de kinderen wat zoeken te verzachten?Wij wenschen met deze overwegingen te betoogen de redelijkheid van het oordeel der maatschappij over Multatuli’s daad. En daar wij gaarne het gebeuren van zooveel mogelijk heldenmoedige daden aannemen,om het genot te kunnen hebben die te bewonderen, willen wij gelooven, wat niet absoluut zeker is, want hij was zeer opgewonden—dat Multatuli, op het oogenblik zijner ontslagneming,wist, dat hij zich daardoor in het ongeluk stortte. Wij erkennen, dat zijn daad dán heldenmoedig was, maar wij betoogen daarbij, dat die heldenmoedige daad, evenals die van Van Speyk, voortkwam uit trots, en geenszins uit plichtsbesef of menschenliefde.„De menschen”, en natuurlijk zijn familieleden in de eerste plaats, waren dus—wij herhalen: ook om dat niets nog deed vermoeden dat in den naar hunne meening dwazen Douwes Dekker de later te ontluiken auteur Multatuli school—ten hoogste ontstemd tegen den man, die, na eerst eenigen tijd te Batavia te hebben vertoefd, nu, in het voorjaar van 1857, per landmail over Singapore, Ceylon, Suez, Kaïro en Marseille, naar Europa kwam om ... ja, waarom eigenlijk, waarom anders dan om als een avonturier rond te zwerven en hun allerwaarschijnlijkst per slot van rekening nogtot overlast te worden, terwijl hij zijn in gezegende-omstandigheden verkeerende vrouw en zijn zoontje te Rembang, op het goed van zijn broeder Jan, had achtergelaten.Het gedrag van Dekker, van zijne aankomst te Marseille af tot zijn verblijf in Brussel, waar hij een paar jaar later denMax Havelaarschreef, toe, was in alle opzichten dat van een losbandig levend avonturier, en niemand, die niet in zijne ziel kon lezen, dus letterlijk niemand, kon hem bij mogelijkheid voor iets anders houden.In plaats van naar zijne familie te reizen, eene betrekking te zoeken, desnoods, in afwachting van beter, winkelbediende te worden (wat ook de familie voor iemand, waarvan zij—wij kunnen dit niet genoeg herhalen—hoegenaamd niet wistdat er een kunstenaar in stak, beter zou gevonden hebben dan het leven dat hij verkoos te leiden) begon hij door Europa te zwerven en schijnt ook nogal eens—men houde ons de details ten goede, die uit deBrievenzijn geput en waarvan de vermelding noodzakelijk isom een juist en volledig beeld van den toestand te krijgen—publieke-huizen bezocht te hebben. Althans uit een bordeel „kocht” hij in dien tijd, zekereEugenie„los”, een vrouw, die,—naar de naïeve mededeelingen van de uitgeefster derBrieven, dl. I, blz. 43—„noch zeer jong, noch zeer schoon, maar fatsoenlijk in voorkomen en manieren,” buitendien „eenvoudig, bescheiden en zacht” was, terwijl Dekker haar „lief” en Eugenie zelf het „een ramp” vond, dat zij in dat huis „gebonden” was.Met deze vrouw reisde Dekker, in den zomer van 1857 (terwijl zijne vrouw steeds in Indië bij zijn broeder logeerde) tot Straatsburg, waar zij scheidden, hij, om verder Duitschland in te reizen, zij om in Fransch land te blijven, waar zij meende, „als française, meer kans te hebben om een eerbaar middel van bestaan te vinden”. Om haar het bereiken van dit doel gemakkelijk te maken, gaf Dekker haar geld. De uitgeefster derBrievengist, in verband met zijn gewone royaliteit, een„vrij aanzienlijke som” (van het geld, dat waarschijnlijk zijn broederJan hem had voorgeschoten om in Europa een positie te zoeken).Nu was Dekker’s geld-voorraad zeer verminderd en, tweede stadium der reis door Europa, een tamelijk natuurlijk gevolg van het eerste, hij reisde naar Homburg, om daar aan de speelbank zijn fortuin te beproeven. De uitgeefster derBrievenzegt er van:„Multatuli heeft zijn millioenen-studien geschreven, en noemt daarin de kansrekening zijn lievelingsstudie. Wie dat boek lazen weten dat dit zoo was. (Ongetwijfeld, als het er in staat.) Hoe juichend begroet hij daarin de „simple chance” en de „logos, vol van waarachtigheid.” Er was verband tusschen de kansrekening, zijn millioenen-studien, zijn hooge droomen vol ongemeten eerzucht, zijn „rekenen en mijmeren” waarvan hij zoo dikwijls sprak, en zijn verder reizen naar Duitschland, naar Homburg. Ook het oogenblik drong hem. Nog in het bezit van een weinig geld, maar zonder uitzicht op verdere inkomsten, zag hij het afzichtelijke fantoom „geldgebrek” dreigendnaderen... Nog had hij genoeg, nog was het tijd om een kans te wagen, en wie weet, als nu... In ’t kort, hij ging naar de speelbank! Maar hij verloor daar wat hij had, zoo zelfs, dat hij een of twee dagen later zijn logementsrekening niet kon voldoen. De hôtelhouder maakte het hem lastig, en door nood gedreven telegrafeerde hij naar Straatsburg, evenwel vreezende dat Eugenie van daar vertrokken zou zijn, of althans dat zij haar geld besteed had. Maar neen. Den ochtend na zijn telegram stond zij voor hem. Zij had nog geen uitgaven van belang gedaan, en bracht hem nagenoeg al het geld dat hij haar gegeven had, terug. Met ingenomenheid kon hij in later jaren vertellen, hoe fier zij den lastigen logementhouder haar bankjes had toegeworpen met een kort: „payez-vous!””Nu willen wij niet in eene te uitvoerige appreciatie van deze lotgevallen en handelingen treden. Zoo als zij hier vermeld staan vernemen de lezers ze op minstens even partijdige wijze voorgesteld, als de interpretatie dezer zaken door Dekkers familiepartijdig was in tegenovergestelden zin. Het is alleen eene zeer beminnelijke vooringenomenheid die in al dit gedoe iets anders kan zien dan de lang niet buitengewone of fijne gebeurtenissen, die eenWelt-Umbummler, eenGlobetrotter, een kosmopolitisch avonturier, zoo al kunnen overkomen.Wij, hedendaagsche lezers, wij de bewonderaars van Multatuli’s werken, wij die in Multatuli den man van prachtigen artistieken aanleg, van grooten hartstocht en ongemeen talent eeren, wij vinden hetthans,—al naar mate wij alleen nieuwsgierig, of fatsoenlijk maatschappelijk, of zelf eenigszins meer artiestachtig gestemd zijn,—belangrijk, betreurenswaardig of aardig, dat een gedeelte der biografie van onzen grooten schrijver aldus gekleurd is, wij vinden deze dingen interessant om dat zij plaats hadden met den man, die later de schrijver Multatuli werd, even zoo als wij er ons voor zouden interesseeren of hij ’s ochtends bij zijn boterham een gekookt of wel een gebakken ei pleegde te nuttigen; maar wij kunnen dieavonturen opzich zelfniet belangrijk vinden, en—hiermede passen deze zaken in ons betoog—dat de familie in Holland, wie alleen de brute mededeeling der feiten ter oore kwam, het zeer schandelijk vond, dat deze echtgenoot en vader met publieke vrouwen door Europa rondreisde, het geld dat hij gekregen had om voor zich en zijn gezin eene broodwinning op te sporen, in bordeelen en aan speelbanken verkwanselde en voortging het type van „lastig logementhouder” tot een stereotiepe figuur in zijn leven te maken,—welnu, wie is er, die dit gevoelen der familie niet zeer natuurlijk zal achten?Mevrouw Dekker, de uitgeefster derBrieven, verhaalt, zeiden we, deze dingen op partijdige wijze. Niet dat zij de feiten onnauwkeurig opgeeft, maar in den heelen toon van het verhaal is de stem der liefde waar te nemen, voor wier schoone blindheid wij den meesten eerbied gevoelen, maar omtrent wie wij, in een historische beschouwing als deze, ons niet gerechtigd achten te verzwijgen, dat zij in hooge mate de, aande liefde trouwens inherente, eigenschap bezit van ook de minste handelingen der geliefden voor edele en groote daden te houden, en te meenen, dat de groote en edele geliefde, die onverdiend ongelukkig is, nu ook, als ware het door de natuur met opzet zoo er op toegelegd, steeds in aanraking zal komen met andere ongelukkigen, die zoo al niet groot dan toch óók edel zijn.Wij zullen, om den wille der waarheid, eenige nuchtere opmerkingen wagen aan te voeren, die de feiten in kwestie tot hun zuivere anekdoten-waarde zullen terugbrengen. In de wereld van speelbanken, bordeelen, en wat dies meer zij, is de uitgeefster derBrievennatuurlijk eene vreemdelinge, en al zoude zij, langs den weg der philanthropie, misschien wel met gevallen-vrouwen in gevangenissen of elders hebben gesproken, dan toch zoude zij van den waren aard der bordeelen-wereld niet op de hoogte zijn gebracht. Er zijn gevallen bekend van geestelijke zusters, die tien jaar en langer vrouwelijke gevangenen hebben bediend, waarbijeene menigte brutale vrouwspersonen, die zich niet terughielden alles uit te schreeuwen wat hun in ’t hoofd opkwam; en tóch hadden de zusters, in al dien tijd, van den eigenlijken aard der toestanden, waaruit het verleden dier vrouwen bestond, niets begrepen.De korte zin dezer lange rede moet de bewering wezen, dat in Dekker’s gedrag, en ook in Eugenie’s gedrag,niets bijzondersgevonden wordt. Dat een leeglooper, die zijne betrekking is kwijtgeraakt, zijn gezin in Indië achterlaat, in Europa „en garçon” uitstapjes maakt, publieke huizen bezoekt, en, toevallig veel geld op zak hebbende, een vrouw, die hem bevalt, uit een bordeel medeneemt, na hare schuld in dat etablissement te hebben betaald, om met haar verder te reizen,—hierin is niets bijzonders, hoegenaamd niet. Menig gezeten burger, thans huisvader en kapitalist vol respektabiliteit, zal zich uit zijn jeugd, toen hij de periode onder het devies „il faut que jeunesse se passe” doormaakte, uit eigen ondervinding of van hooren zeggen dergelijke gevallen herinneren. Ons is iemand bekend,in wiens studenten-vriendenkring alleen reeds, eertijds drie zulke „loskoopingen” hebben plaats gehad.Dat een avonturen-jager in de grensstad van haar land afscheid neemt van zijne tijdelijke „mentinee,” zooals het plat-Amsterdamsche woord luidt, dat hij, bepaald eene „toquade” voor die vrouw hebbende en, gewoon hoe kaler hij is hoe royaler met geld om te springen, haar een flinken duit als afscheidsgeschenk medegeeft, met de typische vermaning nu in ’t vervolg op het goede pad te blijven,—dit is wederom eene gebeurtenis, in de annalen der Bohême en der demi-monde zoo frequent voorkomend als het maar mogelijk is.Dat iemand, die in goeden doen is geweest en nu op weg naar „lager wal”, zich aftobt om een snelwerkend middel te vinden, dat zijn fortuin herstellen zal, bezoeker van de speelbank wordt en de kansrekening zijn lievelingsstudie noemt,—wij zouden haast vragen: kan het alledaagscher? De kansrekening, het ploeteren in „systemen”, die onvermijdelijk doen winnen, is de voortdurendebezigheid der stamgasten van speelbanken. Wie, die ooit de speelzalen in Spa of Monte-Carlo bezocht, heeft ze niet gezien, de bleeke, reeds bejaarde vrouwen in donkere kleêren, de magere mannen in versleten plunje, die echter van goeden kom-af nog getuigt,—of wel pas (na een avond van winst) in een al te nieuw kostuum gestoken, waarvan de weelderigheid schrille tegenstelling vormt met hun vervallen gelaatstrekken, waarin de oogen koortsig gloeien? Wie heeft ze niet zien turen en mijmeren, en, met zenuwachtige bewegingen, op het vel papier of in hun zakboekje notities schrijvend en berekeningen makend? Elken dag ziet men er andere, er zijn er te veel dan dat men ze ook maar zou kunnen onthouden. (Wij herinneren er nogmaals aan: De millioenen-studiën zijn een fraai boek; uit het minste en geringste uit Douwes Dekker’s leven, zou de kunstenaar Multatuli later iets schoons weten te distilleeren).En wat nu aangaat Eugenie (hoe men al niet tot den rang van historisch persoon verheven kan raken!):Dat een publieke vrouw noch zeer jong noch zeer schoon is, aan zekere mannen voorkomt lief te zijn, en zich eenvoudig, bescheiden en zacht, fatsoenlijk in uiterlijk en manieren weet voor te doen,—heeft zij gemeen met de groote meerderheid van, dat zij het ellendig vindt in een bordeel gebonden zijn, heeft zij gemeen met voor zoover bekend is álle hare beroepsgenooten.Oppervlakkig zoude men zeggen—alle fatsoenlijke vrouwen zullen dit dus zeggen—dat de meeste publieke vrouwen, door den afschuwelijken en betreurenswaardigen toestand van verval waarin hun moreele smaak verkeert, zoo veranderd zijn, dat zij zich heerlijk tehuis gevoelen in het kermis-paleis voor beestachtige vermakelijkheden, dat het bordeel voor hen is; voorts, dat eene vrouw, die eenmaal zich in een bordeel is gaan vestigen, te diep gezonken is om eenvoudig, bescheiden en zacht en fatsoenlijk in voorkomen en manieren te zijn. Toch moet dit beslist ontkend worden. Het is alleen eene konventioneele, oppervlakkige notie van deze personen en zaken, die deoorsprong dezer meening wezen kan. Ten huize van een onzer bekenden, een deftig en hoogst ingetogen levend gezin, is twee jaar lang een werkmeid in dienst geweest,—die, uit eene andere stad, door een misverstand van personenverwisseling bij het nemen van informaties, in dien dienst was gekomen—en die bijzonder in de gunst stond van hare meesteres, welke laatste aan hare kennissen steeds te vertellen had, dat zij nog nooit met zulk eene in alle opzichten fatsoenlijke en aanbevelenswaardige dienstbode te doen had gehad: en deze werkmeid bleek later de vijftien aan de twee voorafgaande jaren als publieke vrouw in bordeelen te hebben doorgebracht. En dit is een voorbeeld uit vele.Doch, om op de ontleding van Dekker’s avontuur terug te komen: Dat een publieke vrouw zich zoo edelmoedig gedraagt als Eugenie deed toen zij, op Dekker’s telegram, naar Homburg kwam om hem het geld, dat hij haar gegeven had, en dat zij naar alle waarschijnlijkheid zelf best gebruiken kon, terug te geven, nu hij zelf in verlegenheidwas, schijnt zeker een nog zeldzamer verschijnsel. Ongetwijfeld komen daden als deze ook niet zoo veelvuldig voor. Psychologisch echter is dit feit niet van belang, daar de karakter-eigenschap, waar de handeling uit voortkwam, de goedhartigheid namelijk, de edelmoedigheid, den meesten publieken vrouwen eigen is. Leden der hoogere maatschappelijke standen weten dat zoo niet; onder het volk echter is de goedhartigheid en hulpvaardigheid van publieke vrouwen spreekwoordelijk bekend.Wat nu,—om met deze opmerking de paragraaf over het tweede stadium van Dekker’s reis te besluiten—het toewerpen der bankpapieren betreft, waarmede Eugenie den hôtelhouder betaalde, wij kunnen dit met Dekker niet „fier”, en zoo heel fatsoenlijk evenmin, vinden. Deze handeling lijkt ons meer „aanstellerig” dan koninklijk. Ook dat mevrouw Dekker hôtelhouders, die eenvoudig bij, hun onbekende, gasten op de betaling der achterstallige rekening aandringen, telkens „lastig” noemt op eene wijze, alsof zij over bedeljongens sprak, die denvoorbijganger hun lucifers te koop opdringen, achten wij een weinig te studentikoos voor eene eerwaardige dame, die optreedt als uitgeefster der brieven van een groot auteur.Het derde stadium van Dekker’s reis bestaat uit zijn tocht naar Brussel in het najaar van 1857 en zijn verblijf aldaar tot den volgenden zomer in een kleine herberg, denPrince Belgegenaamd, waar hij zeven maanden den kost schuldig bleef, nu hij geheel van geldelijke middelen verstoken was. Ook dit gedeelte zijner lotgevallen past geheel in de loopbaan van een avonturier. „Eerst zijn geld opmaken met publieke vrouwen en aan speelbanken, daarna, als het geld op is, ergens in een kleine herberg blijven hangen en teren op den zak van den goedhartigen waard,—er ontbreekt niets meer aan”—onmogelijk kon de familie in Holland er anders over denken dan in deze woorden is uitgedrukt.Het is zeer jammer, dat mevrouw Dekker uit dezen tijd geen brieven heeft gepubliceerd,daar die ons verklaard zouden hebben waarom Dekker niet naar Holland ging en waarom hij niet voortging te trachten het doel, waarmee hij in Europa gekomen was, te bereiken.Zoo nu, als wij hier beschreven hebben, ging Dekker voort zich te gedragen tot het najaar van 1859, steeds niets van zijn hoogere gaven openbarend en zonderling levend, tot voortdurende ergernis der familie.In Januari 1859 schreef hij, van denPrince Belgeuit, zijn brief aan den Gouverneur-Generaal in ruste, eindigend met de woorden:„Het verzoek, dat ik Uwer Exc. te doen heb, is dit: de herhaling mijner bede om dezen brief en de daarbij gevoegde stukken aandachtig te lezen, en mij wel te willen antwoorden op de vraag of Uwe Exc. daarin niet aanleiding vindt mij te ondersteunen in de pogingen die ik wil aanwenden om op de meest eervolle wijze weder te mogen intreden in Nederlandsch-Indischen dienst.Maar, Excellentie, anders dienen dan ik diende te Lebak kan ik niet!”Mevrouw Dekker teekent hierbij aan: „De heer Van Twist heeft niet geantwoord.”Men kan er zich al weder niet van onthouden het zwijgen van den heer Van Twist zeer verklaarbaar te vinden. De lezer van Multatuli’s werken,—het is natuurlijk niet uit te maken of juist álle lezers hierin overeenstemmen—door de vaste overtuiging en den doordringenden stijl van den kunstenaar dermate overreed, dat hij niet eens de gelegenheid heeft kalm na te denken, heeft, bij de vele sentimenten en gevoelens, die Multatuli u dwingt van hem over te nemen, stellig ook bespeurd het gevoelen, dat de heer Van Twist een slecht mensch was en het gevoel van bitteren wrevel tegen dien heer. Dit gevoelen en dit gevoel zal echter tegen latere, onpartijdige overweging niet bestand blijken.Immers, van tweeën één: òf (wat het waarschijnlijkste is) de heer Van Twist dacht dat hij met een halven gek te doen had en achttehet, van die veronderstelling uitgaande, niet eens de moeite waard de waarachtigheid der overgelegde bescheiden te kontroleeren; òf hij had kennis genomen van Dekker’s mededeelingen, hield het voor mogelijk, dat zij juist waren, hoewel te veel gegeneraliseerd, te voorbarig van den bijzonderen toestand te Lebak tot een algemeen Nederl.-Indischen toestand gekonkludeerd, maar achtte het nu zijn plicht niet meer persoonlijk handelend op te treden, en wenschte bovendien zich niet in betrekking te stellen met ambtenaren, nog minder met voormalige ambtenaren, die zich op zulk een zonderlinge, ongeregelde, manier tot hem wendden.Stelt u voor, dat een minister op zijn bureau te werken zit, en dat een man van de straat het departementsgebouw komt binnengeloopen, in weêrwil van portiers en klerken binnendringt en den minister toeroept: Excellentie, daar is onrecht gepleegd, zie eens hier, en daar, hier heb ik de bewijzen. Elke minister zoude zoo een indringer antwoorden: vriend, het is mogelijk dat gij gelijk hebt, maar wil u op de gebruikelijkewijze tot mij wenden, dit is geen manier van doen.Stelt u voor, dat een voormalig minister in zijn buitenverblijf zit te dejeuneeren, en er wordt iemand aangediend, die in de gang reeds staat te roepen: onrecht gepleegd, daar is onrecht gepleegd, ik moet den heer des huizes spreken!De minister zal zijn huisknecht gelasten dien man den weg naar het hek te wijzen met de aanmaning zich op de gepaste wijze tot de bevoegde autoriteit te wenden, indien hij meent verongelijkt te zijn.En nu zeggen wij:ook dán, indien de man, die zich indringt, ware grieven heeft mede te deelen, ook dán, indien werkelijk het grootste onrecht is gepleegd, zal de minister gelijk hebben met hem de deur te wijzen,want: nadat hij één persoon op die wijze zou hebben te woord gestaan, die in zijn recht was, zullen er zich negen-en-negentig op dezelfde manier aanmelden, wien slechts denkbeeldig onrecht is geschied. En de minister zou geen oogenblik tijd meer overhebben om ’s lands zaken te bestieren, of, in het buitenplaats-geval, om zich met zijn voor hem belangrijke partikuliere zaken te bemoeien.Het is beter dat aan één mensch onrecht geschiedt dan dat, door verwaarloozing van ’s lands zaken, aan duizenden onrecht zou worden gedaan.In het voorjaar van 1858 kwam de heer Jan Dekker van Rembang naar Europa, bezocht zijn broeder Eduard te Brussel en betaalde de rekening in denPrince Belge.In den herfst van hetzelfde jaar bevond Eduard zich in Cassel, waar hij Saïdjah’s lied in het Maleisch dichtte, veel op de Casseler Aue wandelde, en bij den... logementhouder en vrienden schulden maakte, die hij nooit heeft kunnen afdoen.In het voorjaar van 1859 kwam zijn vrouw, met twee kinderen en eene baboe, eveneens naar Europa, en zagen de echtgenooten elkander weder te Luik. Den zomer van dat jaar, tot in het laatst van Augustus, vertoefde het gezin in den omtrek van Luiken Maastricht, met name in het dorp Visé, waar de hoogst onaangename bejegening hen trof, dat zij van den burgemeester dier gemeente eene aanzegging kregen om binnen tweemaal vier-en-twintig uur zijn grondgebied te verlaten. Het was juist kermis in Visé, en de omstandigheid, dat zij er sjofel uitzagen, geen geld en geen legitimatiepapieren hadden en in kleine herbergen vertoefden, gevoegd bij de donkere gelaatskleur van een gedeelte van ’t gezin, van de baboe vooral, had de achterdocht van ’t gemeentebestuur opgewekt en was oorzaak, dat zij voor saltimbanques van verdacht allooi werden gehouden en als zoodanig behandeld. Men kan begrijpen, hoe zulk een lotgeval den zeer gevoeligen Dekker, vooral ook wijl de smaad zijne vrouw niet minder trof dan hem zelven, moest aandoen. Gelukkig woonde te Maastricht eene vriend van Dekker, de heer J. J. M de Chateleux, dien hij in 1843 had leeren kennen, toen Dekker Natal verlaten had en te Padang op Sumatra vertoefde; het krediet van dezen heer, die hem toch al reeds naar de betrekkelijkhelaas geringe krachten van zijn vermogen had bijgestaan, kon hem ook nu uit den nood redden. Maar weldra raakte ook die bron uitgeput en den 23stenAugustus 1859 trok het gezin, in den toestand der diepste armoede, naar Antwerpen, voor welke reis nauwelijks nog het noodige geld beschikbaar was.In Antwerpen was het gezin nog slechts enkele dagen vereenigd. Den 27stenAugustus bleef Dekker alleen met hun koffers en de onbetaalde rekening in hetHôtel du Templealdaar achter, terwijl zijne vrouw met de kinderen en de baboe den laatsten uitweg insloeg, die hun nog overbleef en op reis ging naar Den Haag, naar hare zuster Henriëtte van Heeckeren van Waliën. Dit waren, voor zoover wij kunnen nagaan, de bitterste dagen, die Dekker en de zijnen doorleefden. Want,—inderdaad deze toestand was vreeselijk—er was letterlijk volstrekt geen geld meer over, zoodat Dekker’s echtgenoote met de haren met ledige portemonnaie zich op de Rotterdamsche boot inscheepte. Om zich uit de verlegenheid teredden, had zij—arme vrouw!—een list bedacht, die gelukte. Zij veinsde namelijk, toen de bootbeambte rondging om de passagegelden op te halen, met voorgewenden schrik, hare portemonnaie te hebben vergeten en zeide in Rotterdam hem het geld te zullen bezorgen. In Rotterdam was een hôtel waar Dekker vroeger eens gelogeerd had, en toen, daar aangekomen, de bootbeambte mevrouw Dekker ter aangeduide plaatse vergezelde, leende de logementhouder haar vijftien gulden om haar passage te betalen en met de haren de reis naar Den Haag voort te zetten.In ’s Gravenhage werd zij ten huize harer zuster ontvangen. Men gaf haar daar „een maal eten”, en twintig gulden om de reis voort te zetten naar Brummen, waar de heer Jan Dekker een buiten, „De Buthe” genaamd, bewoonde. Tevens liet men haar daar (te ’s Gravenhage; wij volgen de mededeelingen van de uitgeefster derBrieven) een brief aan haar man schrijven, die geheel tegen haar hart moet geweest zijn, waarin zij hem de noodzakelijkheid eener scheidingbetoogde en hem in overweging gaf ergens op een schip een betrekking als matroos of hofmeester te zoeken.Deze daad van de familie schijnt een oogenblik bijzonder wreedaardig. Wij herinneren er aan, dat Dekker,—van wiens hoogere gaven nog niets gebleken was—door zijn gedrag der laatste jaren zich de allerafschuwelijkste reputatie bij die menschen had gemaakt; voorts dat de Van Heeckerens geen bloedverwanten van hém waren, alleen van zijn vrouw; dat zijn persoonlijk lot hun dus nagenoeg onverschillig was, en zij het als de eenige uitkomst voor hunne zuster moesten beschouwen, dat zij van zulk een echtgenoot als den haren ontslagen raakte. Hadd’ Dekker nog een vader of moeder gehad, nooit zoude hij van die eene dergelijke behandeling hebben ondervonden. De hulp, hem telkens en telkens door zijn broeder Jan verschaft, bewijst dat de verwanten van zijn kant zich nooit geheel van hem afgekeerd hebben. Die broeder Jan was zelfs een zeer goedhartig en hulpvaardig mensch.Kort na het ontvangen van dezen brief van zijne vrouw, toen hij haar hare koffers op haar verzoek had nagezonden, dus in het begin van September 1859, vertrok Dekker van Antwerpen naar Brussel; hij nam daar weder zijn intrek in den „Prince Belge”, de eenige gelegenheid, waar hij krediet had. Daar voltooide hij in dien tijd zijnBruid daarbovenen schreef er zijnMax Havelaar.De brieven, die den inhoud van het eerste deel der korrespondentie uitmaken, zijn geschreven in Augustus-November, de allereerste van Antwerpen, al de overige van Brussel uit.Voor zoover uit die Brieven Dekker’s geestestoestand, het volkomen bewust worden in hem van zijn talentvollen aanleg, blijkt, hebben wij er in het eerste hoofdstuk van dit opstel, de passages uit aangehaald, die ons voorkwamen de meest welsprekende te zijn. Wat Dekker’s overige stoffelijke, levensomstandigheden betreft, brengen zij ons verder bijzonderheden, waaruit dezelfde toestand blijkt, dien wij reedshebben leeren kennen, toen van zijn eerste verblijf in deze herberg werd melding gemaakt.Het publiek bestond daar uit ondergeschikte beambten van het aan de overzijde der straat staande postkantoor en uit „mannen in blousen”, die daar hun faro kwamen drinken. Dekker wist zich in het huis zelf en in de geheele buurt bemind te maken. Pauline, een gevallen vrouw met haar zuigeling, die daar ook op kosten van den menschlievenden waard in de herberg habituée was, de slager Deprez en diens gezin, waren er zijn vrienden.Dekker had het er aller-armoedigst. Het koopen van schoenen, van inkt, van een lampje, waren vraagstukken van belang, die eerst na rijp beraad konden worden opgelost. Men at in die herberg een „burgerpot”; naar zijn getuigenis was Dekker hiervan overigens een liefhebber; als zij wist, dat iets hem goed smaakte, maakte de waardin dat voor hem klaar. Deze tijd was echter in onze schatting, en ongetwijfeld ook in zijn eigen schatting, de smartelijkste,maar tegelijk de schoonste, tijd zijns levens. Men kan hem zich voorstellen daar op dat zolderkamertje gezeten, de vingers krom getrokken van schrijfkramp en van kou niet zelden, de oogen ontstoken van het bovenmatig werken, ten prooi aan de hevigste zenuwopwinding, aan de meest verregaande exaltatie, en zoo het schoone werk voortbrengend, waarmede hij zich aan zich zelf en aan zijn land ontdekte.Den 14denSeptember reeds had hij zich voor het eerst in letterkundige betrekking met eenige zijner landgenooten gesteld. Hij was, door bemiddeling der logemannen van het Rozekruis, met eene schouwburgdirektie in onderhandeling getreden over de opvoering van zijnBruid daarboven. Zes jaar geleden, in zijn verloftijd,—dus verhaalt de uitgeefster der Brieven—was Dekker te Gorcum in die orde opgenomen, „en had er in snelle opvolging vele rangen doorloopen tot hij een der hoogste sporten bereikt had en benoemd was tot Prins van het Rozekruis”. (Arme Prins!) De heer Eduard de Vries, schouwburg-bestuurder,was Dekker komen spreken. Deze had zich met het stuk uiterst ingenomen betoond, zich terstond bereid verklaard tot de opvoering. Maar van droits d’auteur kon voorloopig weinig of geen sprake zijn. Bij gelegenheid van dat bezoek las Dekker den heer De Vries eenige bladzijden voor uitMax Havelaar, waardoor de heer De Vries zeer getroffen werd. Hij ried Dekker evenwel ten sterkste aan het handschrift naar den koning te zenden, vóór hij tot openbaarmaking overging.Toen DekkerMax Havelaarhad voltooid, zond hij het handschrift den 5denNovember, naar zijne vrouw en broeder te Brummen. Ofschoon zij het eerst den 9denontvingen, had hij den 11den’s avonds reeds twee brieven van zijn vrouw ontvangen, waaruit bleek, dat zij het werk toen reeds gelezen hadden en er hoog mee ingenomen waren. Aandoenlijk is de brief, dien Dekker, toen Multatuli geworden, als antwoord op den haren, den 11denNovember aan zijne vrouw schreef (1edl., blz. 125). Op hare bewering, dat hij haar, in de persoon vanTine, te veel geprezen had, antwoordde hij bijv.:„Neen, neen, waarachtig niet, ik heb u niet in de hoogte gestoken. Integendeel, je staat veel te veel op den achtergrond. Ik heb mij dat al verweten, doch ik werd daartoe geleid omdat Max hoofdpersoon blijven moet (om het doel van ’t boek) en voorts dat ik goed van mijzelf spreek heb ik u vroeger al uitgelegd.”En verder deze regelen, die de geschiedenis van den Max Havelaar belangrijk toelichten:„Het was mijn plan Jan te verzoeken naar Van Hasselt (de Br∴ R + die met Dekker het eerst overDe bruid daarbovenhad gecorrespondeerd) en Van Lennep te gaan, of naar den eersten alleen, dan krijgt Van Lennep het ook...Maar nu het delicate punt. Als men komt met een boek met de vraag „wil je dat afkoopen?” dat is chantage, afzetterij. Dat is dus de bedoeling niet. Ik heb mijn boek geschreven met een dubbel doel: namelijk verbetering van den boel in Indië, en herstel van mijne positie. De zaak is dus niet datik zeg: geef mij zooveel of zooveel, dan zwijg ik; want ik meen wat ik op het slot zeg. Ik zal strijden voor die arme verdrukten, ik heb mij dat nu voor mijn roeping gekozen. De vromen zouden zeggen dat de Heer mij daartoe dringt, daar hij mij alle andere uitwegen afsloot.Doch dat dubbele doel kan bereikt worden door samengaande maatregelen, namelijk een hoogst-eervolle benoeming van mij met eene considerans dat Z. M. mijne wijze van handelen approuveert, en die van het toenmalig bestuur desavoueert. Dat is eene zedelijke triomf van ’t principe, en eene materieele zegepraal voor mij, die ik, God weet het, noodig heb.Van Hasselt is lid van de kamer (Van Lennep ook.)1Willen zij met Jan samenzweren om mij dien dubbelen triomf te bezorgen, goed. Doch er moet goed vermeden worden er op te doelen als of ik voor mij alleen winst vraag. Want behalve dat dit onedel wezenzou, komt hier nog bij dat ik meer winst behaal door mijn boek te laten drukken. Jan kan aan Van Hasselt zeggen (niet als bedreiging maar als eenvoudige waarheid) dat ik mijn boek in ’t Fransch, Duitsch en Engelsch vertalen zal. Als mijn oogen het toelieten was ik al begonnen.Hoe het zij, ik vind goed dat Jan naar Van Hasselt gaat. Doch dit staat vast, als Van Hasselt of Van Lennep niet willen of kunnen bewerken, dat aan mijn dubbel verlangen koninklijk wordt voldaan, dan zal het gedrukt worden, en als ik daartoe geen geld heb, dan zal ik het afschrijven en rondzenden in manuscript. Doch in Frankrijk zal ik de vertaling wel gedrukt kunnen krijgen, en in Duitschland ook.”Den 20stenNovember daaraanvolgende kende Dekker het oordeel van Van Lennep over zijn werk, aan wien Van Hasselt het had gegeven. Hij schrijft op dien datum:„Maar nu ben ik in grooten tweestrijd wat ik doen moet. Jan namelijk zendt mij ƒ50, en stelt voor het boek aan Rochussen (dentoenmaligen minister van koloniën, opdat die de uitgave nog zou kunnen voorkomen) te vertoonen. Van Lennep zegt: ik moet zoo dwaas niet zijn het voor niet aan een boekverkooper te geven. Hij maakt zich sterk een prijs te bedingen. Nu moet ik kiezen tusschen schrijven in Holland of eene betrekking in Indië.Zooals de zaken nu staan houd ik het er voor dat ik slaag in wat ik ook kies.Maar ik ben in vreeselijken tweestrijd.Jan vraagt antwoord met ommegaande en ik kàn van avond niet antwoorden. Ik wilde u zoo gaarne spreken. De schulden jagen mij naar Indië, de kinderen houden mij in Europa. Je begrijpt de spanning.Ik heb nagedacht. Ik hel over naar Rochussen, doch conditiën:1 Resident op Java. Speciaal Passaroeang om mijn schulden te betalen.2 Herstel van diensttijd, voor ’t pensioen.3 Een ruim voorschot.4 Ned. Leeuw.Doch ik zal deze conditiën niet zeggen, eerst wil ik zien wat hij biedt.”Den 22stenNovember ontving Dekker twee honderd gulden van zijn broêr, om zijn schuld bij den Brusselschen waard af te doen en naar Amsterdam te reizen. Den 23stenvertrok hij en kwam dienzelfden dag te Amsterdam aan.Tot zoover de opeenvolging der feiten, die wij thans hebben nagegaan tot het punt, waar het eerste deel derBrievenen de eerste faze van Dekker’s lijdensgeschiedenis eindigt. Want, al hebben wij er niet telkens en telkens de aandacht op gevestigd, daar uit de feiten zelf genoeg het lijden bleek, dat er in gelegen was voor hem, wiens geschiedenis zij uitmaken, en daar het ons er hier vooral om te doen was, helder te doen blijken, welken indruk de vijandig gezinde familieleden en kennissen, die ver af woonden en natuurlijk alleen oordeelden naar den uiterlijken schijn der dingen, ontvingen; want, herhalen wij, geleden heeft Dekker in deze jaren waarschijnlijk meer, dan wie ook, die niet uit eigen ondervinding weet hoe hevig het doorleven van zulke toestanden menschen van Dekker’s geëxalteerdtemperament aandoen, zoude kunnen beseffen.Want behalve door het, niemand buiten hem en hem zelf ternauwernood toen nog bekende, letterkundig talent, onderscheidde Dekker’s persoon in de woeste levensperiode, welke wij hem hebben zien doorloopen, zich ook nog hierdoor van gewone avonturiers, dat, terwijl deze lieden zich juist plegen te kenmerken door de grijnslachende onverschilligheid, waarmede zij alle tegenspoeden doorleven, mits die hun maar geen onmiddellijke physieke pijn of ongemakken veroorzaken,—Dekker’s buitengewoon zenuwgestel door dat onregelmatig en koortsachtig leven ten eenenmale werd van streek gebracht.Maar,—en zoo keeren wij tot ons uitgangspunt terug—de feiten blijven de feiten, en niemand, vermoeden wij, die er zich verwonderd over zal betoonen, dat „de menschen” niet veel goeds, maar alles slechts in Dekker’s gedragingen vonden, van het oogenblik af dat hij zijn vrouw alleen in Indië achterliet tot dat waarop zij te Brummenvertoefde en hij in Brussel geheel aan lagerwal was geraakt.Twee zaken waren er,—dus zullen sommigen oordeelen,—waardoor Dekker zich dan toch gunstig van gewone avonturiers onderscheidde en die in het oog moesten springen; te weten: zijn beminnelijkheid en edelmoedigheid, èn zijn hoogere geestesaanleg, die wel in de verste verte niet de allerbuitengewoonste hoogte kon doen vermoeden, waarop zijn talent later zou schitteren, maar waaruit toch bleek, dat hij, in den gewonen zin des woords, een begaafd man was. En deze twee zaken,—dus zal men konkludeeren—zouden het oordeel en de houding der familie hebben moeten wijzigen.Wij zullen repliceeren met eene verwijzing naar hetgeen wij omtrent publieke vrouwen in ’t algemeen in ’t midden hebben gebracht. Evenals publieke vrouwen meestal enkele zeer goede eigenschappen hebben, zijn de meeste avonturiers daarvan ook niet verstoken, en de eigenaardigheid van hun bestaan, het voortdurend leven op plaatsenvan openbaar vermaak, het dagelijks den heelen dag luieren in koffiehuizen, speelzalen en diergelijke, het voortdurend in aanraking zijn met gezelschappen van menschen van allerlei slag, ontwikkelt de deugden in hen, die men de eigenaardige deugden van denGesellschafternoemen kan: de beminnelijkheid en daaraan verwante goedhartigheid en edelmoedigheid. Avonturiers b.v. zijn in ’t algemeen veel goedhartiger en edelmoediger dan parvenu’s, die zich met verwaande deftigheid van armen en on gelukkigen afkeeren, dan vele gezeten burgers, wier deugden eerder in spaarzaamheid, zedelijkheid, zindelijkheid en stiptheid in handel en wandel bestaan. Avonturiers: drinkers, spelers, hoereerders, gewoon hun leven te verdeelen of liever verdeeld te zien in tijdperken van weelde en losbandigheid, en van armoede en gebrek, tot gewoonte hebbend hun zóo-gewonnen geld dadelijk te verkwisten, vinden het gooien met groote sommen iets zoo natuurlijks, dat zij ook in hun aalmoezen-geven buitensporig zijn en zij even graag een tientje in de hand eens armendoen glijden, als meer bezadigde menschen daarin een kwartje zouden deponeeren. Dus de edelmoedigheid in dezen zin maakte Dekker niet tot een uitzondering onder de lieden, waarmede zijn verwanten hem gelijk stelden.En wat de begaafdheid, het vernuftige, aangaat, ook hierin hebben velechevaliers d’industriehet tamelijk ver gebracht. Niet alleen heeft het avontuurlijke leven, het leven van reizen en trekken, van hotels, koffiehuizen en kroegen, van spoorweg-coupé’s, stoombootdekken en kajuiten, van stadstrammen en dorpsdiligences, het leven in gewesten van allerlei klimaat en aspekt, het omgaan met menschen van allerlei ras, stand en karakter, eene dagelijks gevoed wordende ongewone vatbaarheid voor indrukken in hen doen ontstaan, en een vernuftig gemak van beweging en konversatie, waardoor eenvoudige lieden worden overbluft en meer ontwikkelde aangenaam beziggehouden; maar het is of hun vernuft zich,—daar zij toch allen een vaag besef hebben van de groote lakune, het gemis aan degelijkheid,in hun leven—bij uitstek gescherpt heeft op het punt, dat het recht-praten van hun eigen kromme leven betreft.Er bestaat bijna geen min of meer toonbaar avonturier, die u, in oogenblikken van gemoedelijkheid als zijne stem week wordt en zelfs zijn oog vochtig, niet fraai en breedvoerig weet uit te leggen, òf dat hij het slachtoffer is der vervolgingen van het noodlot, dat hij heel anders terecht had kunnen komen indien alles hem maar niet zoo ware tegengeloopen, en dat hij zich, door losbandig en onwaardig te leven, nu wreekt op de meêdoogenloosheid van het leven jegens hem; òf hij neemt de tegenovergestelde houding aan, en overreedt u, in een kunstig samengesteld pleidooi, opgeluisterd door geschiedkundige voorbeelden en spitsvondige redeneeringen, dat zijn manier van leven de slimste, de beste, de prettigste is. Zij die arbeiden en een goed geregeld maatschappelijk leven leiden, nu ja, dat zijn de sukkels, de domooren, hij en de zijnen begrijpen het leven eerst op de goede manier. Wat de geregelde lieden in een jaar tijds van hoofdbrekensen moeilijk werk winnen,—wèl, dat wint hij in éen avond aan een speeltafel. Overigens, leven de meeste aanzienlijken, de hoogst-aanzienlijken, zij die niets behòeven te doen om den broode, niet even als hij, met alleen een verschil in de onderdeelen, een verschil van minder of meer; bestaat niet het leven van vele vorsten en prinsen uit een aaneenschakeling van vermaken, van reizen en feestvieren, van dansen en jagen en eten en drinken?... Zoo zijn de redeneeringen dezer menschen.Vele avonturiers buitendien maken een aardig gezelschapsvers, zitten vol woordspelingen en behendige replieken.Dus, konkludeeren wij, noch de beminnelijkheid, noch wat men in den gewonen zin vernuftigheid noemt, kon ten opzichte van Dekker de oogen der menschen openen en hen in hem iets anders dan een niet van het type afwijkend avonturier doen zien.Er kwam nog bij,—wat in dit geval een buitengewoon gewicht in de schaal legde, daar Dekkers verwanten van zijn vrouwskant tot de zeer vrome geloovigen behoorden,—dat hij in hunne schatting een brutaal godloochenaar was. Hij vereenigde dus in zich ongeveer alle eigenschappen, die hem in hunne oogen tot het afschuwelijkste individu moesten maken, dat men zich denken kan. Hij was hun tegenvoeter, in alles; en omdat hij tot hunne familie behoorde en zij dus beducht waren dat zijn leelijke reputatie ook hunnen naam zou smetten, groeide hun afkeer tot haat.Doch wij willen dat alles slechts beschouwen als een vraagstuk ondergeschikt aan dat andere, dat de geheele verhouding van Dekker tegenover „de menschen” beheerschte, dat de kern vormt van het groote misverstand van zijn leven, met de behandeling waarvan wij te gelijk in het tweede deel derBrievenen in de tweede faze van zijn leven komen.Wij willen namelijk beweren, dat,—een waarheid die trouwens duidelijk blijkt uit de houding der familie ná het verschijnen vanMax Havelaaren den door den schrijver verworven naam,—al ware defamilie van den beginne af aan op de hoogte geweest van Dekker’s buitengewone schrijversgaven(iets, dat niets te maken heeft met het soort vernuftigheid, waarvan wij boven spraken)—zij toch zich niet wezenlijk anders jegens hem zou gedragen hebben dan zij nu deed. Zij zou hem dan misschien wel niet matroos of hofmeester op een schip willen maken, maar toch zou zij zich geheel van hem vervreemd hebben en God gebeden hem nooit te mogen ontmoeten.Voor wij nu verder gaan om deze bewering te staven en toe te lichten, willen wij den geestestoestand van Dekker zelven beschouwen, zooals die geworden was in deze jaren van wild leven buiten de Hollandsche maatschappij, om daardoor des te duidelijker te doen uitkomen het schrille kontrast tusschen hem aan den eenen en die maatschappij aan den anderen kant, dat de oorzaak werd der mislukking van zijn leven. Want zijn leven, hoe vorstelijk geslaagd een gedeelte van het thans levend geslacht het moge achten,—is mislukt in wat hij zelf er van had willenmaken. Op menige plaats in zijn werk kan men het bewijs van deze stelling vinden.Indien er een schril kontrast bestaat tusschen Multatuli aan den eenen en de maatschappij aan den anderen kant,—een kontrast ook, dat weinig minder opvallend is, wordt waargenomen tusschen Dekker’s uiterlijke omstandigheden en het zelf-gevoel in zijn binnenste, in den tijd van zijn vertrek uit Indië af tot lang na het verschijnen vanMax Havelaartoe. Dit zelf-gevoel zou door de prikkels van buiten al grooter en grooter worden, tot hij, eenmaal in het publiek getreden, het geheel van onder zijne beheersching zal hebben verloren en het te pas en te onpas op de geweldigste wijze zal uiten.Was hij naar het uiterlijke een avonturier, behoorde hij oogenschijnlijk tot een der minst eerbiedwaardige klassen van personen,—innerlijk gevoelde hij zich groot en verheven boven alle menschen, innerlijk droeg hij de wetenschap met zich van bij de meest eerbiedwaardige aller menschen te behooren. Wel was hij zich in ’t minst niet van letterkundigebekwaamheden bewust, wel moest zijn letterkundige genialiteit nog geheel aan hem zelf ontdekt worden, maar, juist door de weinige bepaaldheid, door de vaagheid, sterker, droeg hij het bewustzijn in zich van een kracht, een grootheid, datgene wat iemand een groot man maakt, eene groote en schoone ziel, te bezitten.Nu, met de kracht van de verontwaardiging, met de kracht van het protest, groeide tegen de verdrukking in, tegen de verdrukking van den uiterlijken schijn in, het zelf-gevoel in zijn binnenste, dat later tot zelf-verheerlijking uitdijen zoude, en hoe lager hij zonk hoe hooger hij zich gevoelde.Hij was voortdurend onder vreemdelingen en kon aan niemand openbaren wat er in hem omging. Hieraan moet het worden toegeschreven, dat de zelf-verheerlijking in hem vastgroeide hoe langer hoe hechter, en voor goed onuitroeibaar zou worden. Hij was geheel alleen, van allen verlaten, daarom klemde hij zich met alle macht vast aan den eenigen steun die hem overbleef: het geloof aan zich zelf.Nu, nu dit zoo was, nu allen hem hadden verlaten, nu hij door iedereen voor een ellendeling werd gehouden, nu de menschen en de omstandigheden, nu de geheele wereld om zoo te zeggen tegen hem was gekeerd en hem verachtte,—nu, zoo kan men zich het spreken der stem in zijn binnenste voorstellen, nu zou hij ook álles doen en álles zijn, nu zou er ook niets zijn wat hij niet bereiken zou, nu zou hij tot de hoogste hoogte klimmen, waartoe ooit menschen waren gekomen, neen, hooger nog, de grootste droom, die ooit het onderwerp van menschelijke eerzucht was, zou hij verwezenlijken.Wie of wat hem daartoe in staat stelde? Wel hij, hij zelf, zijn kracht, zijn eigenschap van de grootste aller menschen te zijn, was ’t die hem er toe in staat stelde. En wat dan de nadere aanduiding was van wat hij eigenlijk doen zou? Wel, hij zou zijn land tot het beroemdste der landen, hij zou zijn volk tot het gelukkigste der, tot een voorbeeld voor alle volken maken, en zijn gezin zou hij uit de diepste ellende tot de hoogste sport van eer en aanzien voeren...Zoo bruiste en brandde het in zijn gedachte.Het resultaat was, dat hij een schoon letterkundig werk maakte. Nooit heeft hij een zweem van het vermoeden gehad, dat zijn zelf-gevoel, zoo ongekontroleerd, zoo in ’t wilde weg als het was, uit niets anders bestond dan uit de universeele grootheidsfantazieën die menschen met veel artistieken aanleg niet zelden in zich omdragen, en die geheel verkeerd uitkomen zoodra zij ze bij vergissing eens in de werkelijkheid beproeven toe te passen.Gelijk bekend is, wilde hij later van de letterkundige schoonheid van Max Havelaar niets hooren. Want,—zoo droomde hij,—een boek, dat daar voor u ligt, een stapel papier; en ... woorden van lof daarover uit de monden van menschen, van eenige in burgerkleêren gestoken menschen, die men zoo nu en dan ontmoet, en voorts in de kolommen van dagbladen, op de bladzijden van tijdschriften, regels van zwarte letters op wit papier,—wat was díe realiteit in vergelijking met die, welke eenbuitengewoon mensch van zíjn grootheid omgeven moest! Wat hadden díe zaken uit te staan met de heerschappij en de glorie, die hem wachtte, hem, Multatuli, den éersten man eener natie, den wereldhervormer, den machthebber, die zich al zag gedragen in een gouden draagkoets met purperen gordijnen, voorafgegaan van muzikanten en zonneschermdragers in scharlaken livrei, met een gevolg van militairen in schitterende uniformen, omgeven, op eerbiedigen afstand, van de menigte des volks, hoogen en lagen in aanzien en stand, die allen hem bewonderende blikken toewierpen en hem liefhadden als hun weldoener en de beschermheer hunner landen. Wat was er voor verband tusschen die onnoozele kleinigheden en hem, den toekomstigen vorst, den onderkoning, die in marmeren paleizen het rijke Insulinde zou bewonen, nadat hij Amsterdam tot de hoofdstad der wereld zou hebben gemaakt, die in gebeeldhouwde ledikanten onder troonhemels ’s nachts zou slapen en bij dag loopen over kostbaar ingelegde vloeren tusschen zijn onderdanigen hofstoet, diedes avonds schitterende feesten zou geven, waarop hij de hoogstgeplaatsten des lands zou nooden en hun dan wel genadiglijk een oogenblik te woord zou willen staan. Hij zag zijne zalen reeds prachtig verlicht, stralend van weelde, gevuld met vrouwen in satijnen gewaden en in bloementooi, gevuld met mannen, wier borsten glinsterden van ridderkruisen. En rondom in den lande, tot zoover zijn gebied reikte buiten de balustraden zijner parken, zou nergens gemor zijn in de woningen der lagere bevolking en geen nijdigen blik zou hij ooit in de oogen van den minsten zijner onderdanen zien flikkeren, want zijn edel en wijs beleid zouallengelukkig hebben gemaakt.Dat alles voorzag hij reeds, als, op het geroep van zijn alvermogende stem, het rechtsgevoel der natie ontwaakt zou zijn en zij als éen man zou zijn opgestaan om het bittere onrecht den edelsten harer zonen aangedaan, schitterend te wreken.Dat alles voorzag hij, en, als hij om zich heen keek, wat?... Een armelijke kamer, eenige brieven met volzinnen van ingenomenheid,een stad, waar bijna niemand op hem lette, op de enkelen na, die hem met verbazing bekeken of met sympathie begroetten en verder gingen.... Het was om krankzinnig te worden.

Nu wij de plaats omschreven hebben, welke Multatuli, naar onze opvatting, als openbare persoonlijkheid in de beschavings-geschiedenis van Nederland inneemt, rust, met groote duidelijkheid aangewezen, de taak op ons, de compositie van het beeld dat wij begonnen zijn te schetsen, te vervolledigen, door er de bijzondere trekken aan toe te voegen, die Multatuli als mensch in het private leven kenmerkten. En hiertoe bieden deBrievenhet niet genoeg te waardeeren materiaal. Zoo ergens, dan is bij Multatuli de privaat-mensch de aanvulling, de wederhelft van de publieke persoon. Niet alleen om dat hij steeds uit zijn omgeving, uit zijn eigen lotgevallen, uit zijn toevallige omstandigheden en ontmoetingen op reis en te huis, bijna uitsluitend de stof putte voor zijne artistiekefantasieënen wij dus de geschiedenis, den oorsprong van zijn kunstwerk in zijn partikulier leven moeten opsporen; maar ook om dat hij zelf nagenoeg zijn geheele partikuliere leven, qua historie, qua belang inboezemende, verontwaardigingwekkende lotgevallen, heeft gepubliceerd, maar niet altijd,—en hierop komt het aan—met zooveel nauwkeurigheid en algeheele helderheid, dat omtrent den waren aard zijner ondervindingen bij den lezer niets meer in het duister bleef. Velen ongetwijfeld zullen pas in dezeBrievende volkomen opheldering van zoo menigen geestelijken en stoffelijken toestand in des schrijvers leven vinden, waarnaar zij in de heftige uitlatingen derIdeënen andere geschriften te vergeefs hebben gezocht.

De vrouwen zijn voorzeker de zachtste, de liefste, de aangenaamste, in vele gevallen de meest menschelijke, helft der menschheid. Het is dus allerminst om de vrouwen van deze kategorie van wezens uit te sluiten, indien wij, na Multatuli in zijne verhouding tot „de menschen” beschouwd te hebben, gaarne een afzonderlijk hoofdstuk zouden wijden aan Multatuli’s verhouding tot „de vrouwen”, en in verband met deze verklaring moet dus wel de titel der hier aanvangende afdeeling van dit opstel eeneanticipatie schijnen op dien der volgende. Toch zullen wij er ons op toeleggen dit slechts schijn te doen zijn. Want het onderscheid moet zijn: dat wij nu Multatuli’s bijzondere en buitensporige persoonlijkheid in haar gevoelens en gedragingen ten opzichte van de menschen in ’t algemeen willen nagaan, om vervolgens uitsluitend het bijzondere in die persoonlijkheid te overwegen, dat haar eigen werd zoodra zij speciaal met vrouwen in kontact kwam.

Om een juist denkbeeld van Multatuli’s karakter te krijgen, zoo als het zich in zijn omgang met menschen, in zijn houding tegenover de maatschappij, openbaarde, toen hij eenmaal een publiek persoon begon te worden, moeten wij aanvangen met zijn karakter te beschouwen zoo als het vóor dien tijd was, want het karakter heeft zich wel niet veranderd, maar heeft zich uitgedijd, en, om zijn latere ontwikkeling te begrijpen, moet men daarvan de oorzaken in de kiem naspeuren. Multatuli’s karakter, zoo als dat was vóór de verschijning van zijn eerstuitgekomenwerk, denMax Havelaar, heeft de houding bepaald die de maatschappij, vertegenwoordigd door hare met hem in betrekking staande leden, tegen hem aannam, en waarvan zijne, latere, houding weêr de terugslag was.

Wie was Douwes Dekker vóór dat Multatuli bestond, wat voor een man was die Douwes Dekker in de waardeering dergenen, die over hem te oordeelen hadden,—ziedaar de vraag, waarvan de beantwoording het gedrag der „menschen” jegens hem volkomen zal verklaren.

De waardeering, waarin Dekker bij de menschen, hier in ’t bijzonder zijne familieleden, bijv. zijn in deBrievendikwijls genoemden broeder Jan Dekker en zijn zwager Van Heeckeren van Waliën, stond, had zich natuurlijk gevormd uit wat zij wisten van zijne handelingen en gedachten, van de feiten zijns levens, van zijn gedrag als mensch, ambtenaar, echtgenoot, huisvader.

Vóór het geweldige feit, het enormefait accomplizijner ontslagneming als Assistent-Resident te Lebak, had Dekker (naaruit deBrievenblijkt) in zijne familie de reputatie van te zijn een zeer begaafd man, maar tevens wat zonderling, wat heet-hoofdig, en een slecht financier. Vóór Lebak reeds, lezen wij, waren de financiëele omstandigheden der familie Douwes Dekker alles behalve gunstig. Dekker had zelf van huis uit geen geld, hij was gehuwd met eene onbemiddelde baronesse Van Wijnbergen, hij verdiende in ’s lands dienst wel betrekkelijk veel, maar de verteringen overtroffen steeds de inkomsten, zoodat men links en rechts in schulden kwam.

In 1846 was Dekker gehuwd, in 1852 kwam hij met verlof naar Europa, om in 1855 weder naar Indië terug te keeren. In die drie jaren verloftijd, dus nog vóór zijn zenuwgestel door zijn ontslag en de daardoor veroorzaakte ellende den grooten schok had gekregen, toonde hij reeds, vooral in uitspannings-tijd, slecht met geldelijk beheer overweg te kunnen; want niet alleen bij zijne vrienden, maar ook bij zijne Wageningsche tantes, en zelfs bij denhôtelhouderFuhri in ’s-Gravenhage maakte hij schulden, diein 1856, het jaar van het ontslag, nog lang niet aangezuiverd waren, want jaren later nog „maakte”, zooals de uitgeefster derBrievenhet mededeelt, „Fuhri het hem daarover lastig.”

Al dat schulden maken wordt natuurlijk in ’t algemeen verontschuldigd door Dekker’s stellige en zeer oprechte voornemens om het geleende geld terug te geven, misschien wel met de rente er bij; het leenen bij de tantes in ’t bijzonder wordt vergoelijkt door het feit, dat Dekker deze dames geregeld ondersteunde, zoodat hij niet ten onrechte, maar wel wat weinig delikaat, later beweerde: het was zijn eigen geld, dat hij van de tantes had geleend; doch het leenen van de tantes komt aan den anderen kant weer in een minder fraai daglicht, als men verneemt, dat die tantes zelve uiterst onbemiddeld waren, zoo onbemiddeld, dat, ter beantwoording van verzoekschriften hunnerzijds, prins Frederik hun eens vijftig gulden ten geschenke zond, terwijl zij van het ministerie een gratificatie van zestig gulden ontvingen. De schuld bij den hôtelhouderis van nog bedenkelijker aard,par ce qu’il faut laver son linge sale en famille.(Want Dekker was toen nog niet behoeftig, hij had zijn verlofstraktement).

Zóó was dus de toestand, toen, nadat Dekker 4 Jan. 1856 benoemd was tot Assistent-Resident, de familie in de lente van dat jaar plotseling verrast en verbaasd en, ja geërgerd werd door het bericht, dat hij, in wiens promotie zij zich waarschijnlijk juist zeer verheugde, op 4 April van die hooge positie had afstand gedaan en uit die lukratieve betrekking zijn ontslag had genomen. Waarom, dus vroeg men zich in ontsteltenis af, waarom heeft hij dat gedaan? Was het om elders in nog betere betrekking te komen, was het om op andere wijze, door het beginnen eener partikuliere onderneming, zijne levensomstandigheden en die van zijn gezin nog meer te verbeteren, was het wegens onvermogen, wegens ziekte? Niets van dat alles. Toen dus de familie de reden vernam, kon zij, die natuurlijk naar de algemeen in de maatschappij gangbarebegrippen oordeelde, eronmogelijkiets anders van vinden, dan dat hij, die zoo handelde, rijp was voor de gevangenis of voor het krankzinnigen-gesticht. Want wát was er gebeurd, wat was de aanleiding geweest, die Dekker tot dezen stap had gebracht? Hij had eene berisping van hooger hand ontvangen over Dienstzaken en, meenende zijn plicht te hebben gedaan, meenende dat zijne superieuren ongelijk hadden en niet hij, meenende dus dat men een andere wijze van dienen van hem verlangde dan hij met zijn plichtsbesef kon overeenbrengen, had hij voor deze moeilijkheid geen andere oplossing geweten dan eenvoudig uit den Dienst te treden.

Hij had berisping ontvangen en daarom zijne demissie genomen. De familie, die wij steeds noemen als vertegenwoordigster der maatschappij, kon niet anders denken, dan dat Eduard dit uit gekrenkten trots had gedaan, dat hij, gekrenkt in zijn trots, daarom zich zelf en zijn vrouw en kinderen tot armoede had gebracht, in het ongeluk had gestort. Zijkonniet anders denken om drieredenen: ten eerste zoude zij, als bestaande uit gewone menschen, zich niet hebben kunnen indenken in den geestestoestand van iemand, die het plichtsbesef op zulk een eigenaardige heroïeke manier opvatte; ten tweede, al zoude zij geweten hebben, dat nog heden ten dage individuën met zulke buitensporige begrippen worden gevonden, had zij toch geen enkelen grond om te veronderstellen, dat hun familielid Eduard Douwes Dekker, dien zij wèl echter als zeer hoogmoedig kenden, tot dit slag fanatici zou behooren; ten derde, al waren zij zich bewust geweest van het bestaan dezer soort plichtsopvatting en al hadden zij daarbij geweten, dat die bestond in den geest van Eduard, dan zouden zij toch nog van meening zijn geweest, dat die plichtsopvatting zich in een geheel ander gedrag kon uiten dan in het zijne en tot geheel andere handelingen leiden dan die, welke zij, met leede oogen, hem zagen bedrijven.

Gegeven—dus hooren wij de menschen, zoo de derde der genoemde beschouwingende hunne was, redeneeren—gegeven aan den eenen kant, dat de bevolking van Lebak verkeerd werd behandeld, zoowel tot haar ongeluk als tot nadeel van Nederland, dat de assistent-resident dat merkt, dat hij die verkeerde behandeling tracht tegen te gaan, en over dat trachten berispt wordt van hooger hand in plaats van aangemoedigd; gegeven aan den anderen kant, dat hij het tegengaan der verkeerde behandeling, als zijnde plicht, zijn hoogste levenswet acht, dat hij dus om zijn eenen plicht te volbrengen, zijn anderen plicht—het gehoorzamen aan zijn meerderen,—zoude moeten verzaken, dan blijft hem, ook volgens de strengste kasuïstische redeneering, nog een vierde weg open, behalve de derde (het ontslagnemen), nog een vierde weg om uit dit dilemma te geraken, de weg dien niet alleen bijna alle menschen in het gewone leven bewandelen, maar die ook door buitengewone, dweepzieke personen in zeer bijzondere gevallen, dikwijls wordt ingeslagen: de weg van het schipperen, van het geven-en-nemen.

Want—en hierop komt het aan ter waardeering van Dekker’s daad, en hierom kunnen wij de menschen, die zoo oordeelen, niet geheel ongelijk geven, en in verband hiermede gelooven ook wij dat de trotschheid wel deugdelijk in het spel is geweest en het zijne er toe bijdroeg om hier het woord plicht zoo eigenaardig te interpreteeren (en wij kunnen dit des te eerder doen, daar trotschheid in iemand die later blijkt zoo eene schoone ziel te hebben, niet afkeurenswaardig, of althans, naast de groote gewrochte dingen, de moeite der afkeuring niet waard is),—want, zeggen we, we hebben hier niet te doen met zulk een lijnrecht afgebakende vraag van plicht of geen plicht, van deugd of zonde, als waarop, bij voorbeeld, in tijden van godsdienstvervolging, de Roomsche of de Calvinistische geloovigen te beslissen hadden en waaraan zich die van dood of leven onmiddellijk verbond.

De Roomschen, die wij als voorbeeld nemen, moesten hun geloof afzweren door het plechtig zeggen van eenige woorden; het uitspreken dier formule was, dus leerdede Paus: de zonde, het volstrekt zondige; de Calvinisten moesten hun geloof afzweren, het uitspreken der formule was, dus leerde Calvijn: het volstrekt zondige. Er was hier dus, even als bij alle bekentenissen op de pijnbank, een nauwkeurig afgeperkte daad te verrichten of na te laten. Hem, die het deed, wachtte, na een leven van wroeging, de eeuwige verdoemenis; hem, die het naliet, wachtte, onmiddellijk, de eeuwige gelukzaligheid. De geheele zaak, de daad en het doel, bepaalde zich dus tot het uitspreken of verzwijgen van eenige woorden.

In Dekker’s geval was dat anders. Hij had geen bepaalde daad te verrichten, die de stem van het geweten verbood. Hij had zijn gedrag alleen een weinig te wijzigen, om niet alleen zijn vrouw en kinderen zoo gelukkig te doen blijven als zij waren, maar om tevens,—wat voor hem dan de hoofdzaak zoude geweest zijn—zijn zaak beter te dienen, zijn doel beter te bereiken, dat, door het nemen van zijn ontslag, geheel voor hem verloren ging. Want hij was toen nog niet van plan de zaak van Indië door openbaregeschriften te bepleiten, en, ware hij op zijn post gebleven, dan zoude hij, wat hij toch onmiddellijk voorzien kon, de belangen van Nederlanders en Inlanders niet alleen hebben kunnen blijven bevorderen, maar tevens zou hij, ware de gedachte ook in dat geval bij hem opgekomen, door boeken en artikelen, aan de bevordering dier belangen eene meer algemeene uitgebreidheid hebben kunnen geven.

Het geval van Multatuli is het best te vergelijken met het geval van een menschlievend schoolmeester. Veronderstelt dat een onderwijzer op een armenschool, behalve dat hij de wettelijke voorschriften ten opzichte der kinderen volbrengt, dien kinderen tevens voedsel verstrekt voor zijn eigen rekening, hiervoor een gedeelte van zijn traktement gebruikende. Veronderstelt voorts, dat een lid der bevoegde autoriteit, het gemeentebestuur of de schoolcommissie, den onderwijzer aanschrijft daarmede niet voort te gaan door eene, het doet er niet toe welke, administratieve konsideratie hiertoe gebracht. Moet nu die onderwijzer, van meeningzijnde, dat de kinderen van Staatswege zouden moeten worden gevoed, en dat hij in elk geval geheel vrij moest gelaten worden om ze voor zijne rekening te voeden, van meening zijnde, dat de plicht der menschlievendheid hem die voeding gebiedt,—moet nu die onderwijzer zijn ontslag nemen en zeggen: anders dienen dan ik thans dien kan ik niet, zoo doende zijn traktement verliezend, zijn familie ongelukkig makende, en de kinderen aan de behandelingen van zijn opvolger blootstellend, die jegens hen wellicht een veel minder zacht gedrag in praktijk zal brengen dan in het onthouden der niet voorgeschreven voeding bestaat? Of moet hij op zijn post blijven en langs een anderen, minder met de inzichten der autoriteiten strijdenden weg, het harde leven voor de kinderen wat zoeken te verzachten?

Wij wenschen met deze overwegingen te betoogen de redelijkheid van het oordeel der maatschappij over Multatuli’s daad. En daar wij gaarne het gebeuren van zooveel mogelijk heldenmoedige daden aannemen,om het genot te kunnen hebben die te bewonderen, willen wij gelooven, wat niet absoluut zeker is, want hij was zeer opgewonden—dat Multatuli, op het oogenblik zijner ontslagneming,wist, dat hij zich daardoor in het ongeluk stortte. Wij erkennen, dat zijn daad dán heldenmoedig was, maar wij betoogen daarbij, dat die heldenmoedige daad, evenals die van Van Speyk, voortkwam uit trots, en geenszins uit plichtsbesef of menschenliefde.

„De menschen”, en natuurlijk zijn familieleden in de eerste plaats, waren dus—wij herhalen: ook om dat niets nog deed vermoeden dat in den naar hunne meening dwazen Douwes Dekker de later te ontluiken auteur Multatuli school—ten hoogste ontstemd tegen den man, die, na eerst eenigen tijd te Batavia te hebben vertoefd, nu, in het voorjaar van 1857, per landmail over Singapore, Ceylon, Suez, Kaïro en Marseille, naar Europa kwam om ... ja, waarom eigenlijk, waarom anders dan om als een avonturier rond te zwerven en hun allerwaarschijnlijkst per slot van rekening nogtot overlast te worden, terwijl hij zijn in gezegende-omstandigheden verkeerende vrouw en zijn zoontje te Rembang, op het goed van zijn broeder Jan, had achtergelaten.

Het gedrag van Dekker, van zijne aankomst te Marseille af tot zijn verblijf in Brussel, waar hij een paar jaar later denMax Havelaarschreef, toe, was in alle opzichten dat van een losbandig levend avonturier, en niemand, die niet in zijne ziel kon lezen, dus letterlijk niemand, kon hem bij mogelijkheid voor iets anders houden.

In plaats van naar zijne familie te reizen, eene betrekking te zoeken, desnoods, in afwachting van beter, winkelbediende te worden (wat ook de familie voor iemand, waarvan zij—wij kunnen dit niet genoeg herhalen—hoegenaamd niet wistdat er een kunstenaar in stak, beter zou gevonden hebben dan het leven dat hij verkoos te leiden) begon hij door Europa te zwerven en schijnt ook nogal eens—men houde ons de details ten goede, die uit deBrievenzijn geput en waarvan de vermelding noodzakelijk isom een juist en volledig beeld van den toestand te krijgen—publieke-huizen bezocht te hebben. Althans uit een bordeel „kocht” hij in dien tijd, zekereEugenie„los”, een vrouw, die,—naar de naïeve mededeelingen van de uitgeefster derBrieven, dl. I, blz. 43—„noch zeer jong, noch zeer schoon, maar fatsoenlijk in voorkomen en manieren,” buitendien „eenvoudig, bescheiden en zacht” was, terwijl Dekker haar „lief” en Eugenie zelf het „een ramp” vond, dat zij in dat huis „gebonden” was.

Met deze vrouw reisde Dekker, in den zomer van 1857 (terwijl zijne vrouw steeds in Indië bij zijn broeder logeerde) tot Straatsburg, waar zij scheidden, hij, om verder Duitschland in te reizen, zij om in Fransch land te blijven, waar zij meende, „als française, meer kans te hebben om een eerbaar middel van bestaan te vinden”. Om haar het bereiken van dit doel gemakkelijk te maken, gaf Dekker haar geld. De uitgeefster derBrievengist, in verband met zijn gewone royaliteit, een„vrij aanzienlijke som” (van het geld, dat waarschijnlijk zijn broederJan hem had voorgeschoten om in Europa een positie te zoeken).

Nu was Dekker’s geld-voorraad zeer verminderd en, tweede stadium der reis door Europa, een tamelijk natuurlijk gevolg van het eerste, hij reisde naar Homburg, om daar aan de speelbank zijn fortuin te beproeven. De uitgeefster derBrievenzegt er van:

„Multatuli heeft zijn millioenen-studien geschreven, en noemt daarin de kansrekening zijn lievelingsstudie. Wie dat boek lazen weten dat dit zoo was. (Ongetwijfeld, als het er in staat.) Hoe juichend begroet hij daarin de „simple chance” en de „logos, vol van waarachtigheid.” Er was verband tusschen de kansrekening, zijn millioenen-studien, zijn hooge droomen vol ongemeten eerzucht, zijn „rekenen en mijmeren” waarvan hij zoo dikwijls sprak, en zijn verder reizen naar Duitschland, naar Homburg. Ook het oogenblik drong hem. Nog in het bezit van een weinig geld, maar zonder uitzicht op verdere inkomsten, zag hij het afzichtelijke fantoom „geldgebrek” dreigendnaderen... Nog had hij genoeg, nog was het tijd om een kans te wagen, en wie weet, als nu... In ’t kort, hij ging naar de speelbank! Maar hij verloor daar wat hij had, zoo zelfs, dat hij een of twee dagen later zijn logementsrekening niet kon voldoen. De hôtelhouder maakte het hem lastig, en door nood gedreven telegrafeerde hij naar Straatsburg, evenwel vreezende dat Eugenie van daar vertrokken zou zijn, of althans dat zij haar geld besteed had. Maar neen. Den ochtend na zijn telegram stond zij voor hem. Zij had nog geen uitgaven van belang gedaan, en bracht hem nagenoeg al het geld dat hij haar gegeven had, terug. Met ingenomenheid kon hij in later jaren vertellen, hoe fier zij den lastigen logementhouder haar bankjes had toegeworpen met een kort: „payez-vous!””

Nu willen wij niet in eene te uitvoerige appreciatie van deze lotgevallen en handelingen treden. Zoo als zij hier vermeld staan vernemen de lezers ze op minstens even partijdige wijze voorgesteld, als de interpretatie dezer zaken door Dekkers familiepartijdig was in tegenovergestelden zin. Het is alleen eene zeer beminnelijke vooringenomenheid die in al dit gedoe iets anders kan zien dan de lang niet buitengewone of fijne gebeurtenissen, die eenWelt-Umbummler, eenGlobetrotter, een kosmopolitisch avonturier, zoo al kunnen overkomen.

Wij, hedendaagsche lezers, wij de bewonderaars van Multatuli’s werken, wij die in Multatuli den man van prachtigen artistieken aanleg, van grooten hartstocht en ongemeen talent eeren, wij vinden hetthans,—al naar mate wij alleen nieuwsgierig, of fatsoenlijk maatschappelijk, of zelf eenigszins meer artiestachtig gestemd zijn,—belangrijk, betreurenswaardig of aardig, dat een gedeelte der biografie van onzen grooten schrijver aldus gekleurd is, wij vinden deze dingen interessant om dat zij plaats hadden met den man, die later de schrijver Multatuli werd, even zoo als wij er ons voor zouden interesseeren of hij ’s ochtends bij zijn boterham een gekookt of wel een gebakken ei pleegde te nuttigen; maar wij kunnen dieavonturen opzich zelfniet belangrijk vinden, en—hiermede passen deze zaken in ons betoog—dat de familie in Holland, wie alleen de brute mededeeling der feiten ter oore kwam, het zeer schandelijk vond, dat deze echtgenoot en vader met publieke vrouwen door Europa rondreisde, het geld dat hij gekregen had om voor zich en zijn gezin eene broodwinning op te sporen, in bordeelen en aan speelbanken verkwanselde en voortging het type van „lastig logementhouder” tot een stereotiepe figuur in zijn leven te maken,—welnu, wie is er, die dit gevoelen der familie niet zeer natuurlijk zal achten?

Mevrouw Dekker, de uitgeefster derBrieven, verhaalt, zeiden we, deze dingen op partijdige wijze. Niet dat zij de feiten onnauwkeurig opgeeft, maar in den heelen toon van het verhaal is de stem der liefde waar te nemen, voor wier schoone blindheid wij den meesten eerbied gevoelen, maar omtrent wie wij, in een historische beschouwing als deze, ons niet gerechtigd achten te verzwijgen, dat zij in hooge mate de, aande liefde trouwens inherente, eigenschap bezit van ook de minste handelingen der geliefden voor edele en groote daden te houden, en te meenen, dat de groote en edele geliefde, die onverdiend ongelukkig is, nu ook, als ware het door de natuur met opzet zoo er op toegelegd, steeds in aanraking zal komen met andere ongelukkigen, die zoo al niet groot dan toch óók edel zijn.

Wij zullen, om den wille der waarheid, eenige nuchtere opmerkingen wagen aan te voeren, die de feiten in kwestie tot hun zuivere anekdoten-waarde zullen terugbrengen. In de wereld van speelbanken, bordeelen, en wat dies meer zij, is de uitgeefster derBrievennatuurlijk eene vreemdelinge, en al zoude zij, langs den weg der philanthropie, misschien wel met gevallen-vrouwen in gevangenissen of elders hebben gesproken, dan toch zoude zij van den waren aard der bordeelen-wereld niet op de hoogte zijn gebracht. Er zijn gevallen bekend van geestelijke zusters, die tien jaar en langer vrouwelijke gevangenen hebben bediend, waarbijeene menigte brutale vrouwspersonen, die zich niet terughielden alles uit te schreeuwen wat hun in ’t hoofd opkwam; en tóch hadden de zusters, in al dien tijd, van den eigenlijken aard der toestanden, waaruit het verleden dier vrouwen bestond, niets begrepen.

De korte zin dezer lange rede moet de bewering wezen, dat in Dekker’s gedrag, en ook in Eugenie’s gedrag,niets bijzondersgevonden wordt. Dat een leeglooper, die zijne betrekking is kwijtgeraakt, zijn gezin in Indië achterlaat, in Europa „en garçon” uitstapjes maakt, publieke huizen bezoekt, en, toevallig veel geld op zak hebbende, een vrouw, die hem bevalt, uit een bordeel medeneemt, na hare schuld in dat etablissement te hebben betaald, om met haar verder te reizen,—hierin is niets bijzonders, hoegenaamd niet. Menig gezeten burger, thans huisvader en kapitalist vol respektabiliteit, zal zich uit zijn jeugd, toen hij de periode onder het devies „il faut que jeunesse se passe” doormaakte, uit eigen ondervinding of van hooren zeggen dergelijke gevallen herinneren. Ons is iemand bekend,in wiens studenten-vriendenkring alleen reeds, eertijds drie zulke „loskoopingen” hebben plaats gehad.

Dat een avonturen-jager in de grensstad van haar land afscheid neemt van zijne tijdelijke „mentinee,” zooals het plat-Amsterdamsche woord luidt, dat hij, bepaald eene „toquade” voor die vrouw hebbende en, gewoon hoe kaler hij is hoe royaler met geld om te springen, haar een flinken duit als afscheidsgeschenk medegeeft, met de typische vermaning nu in ’t vervolg op het goede pad te blijven,—dit is wederom eene gebeurtenis, in de annalen der Bohême en der demi-monde zoo frequent voorkomend als het maar mogelijk is.

Dat iemand, die in goeden doen is geweest en nu op weg naar „lager wal”, zich aftobt om een snelwerkend middel te vinden, dat zijn fortuin herstellen zal, bezoeker van de speelbank wordt en de kansrekening zijn lievelingsstudie noemt,—wij zouden haast vragen: kan het alledaagscher? De kansrekening, het ploeteren in „systemen”, die onvermijdelijk doen winnen, is de voortdurendebezigheid der stamgasten van speelbanken. Wie, die ooit de speelzalen in Spa of Monte-Carlo bezocht, heeft ze niet gezien, de bleeke, reeds bejaarde vrouwen in donkere kleêren, de magere mannen in versleten plunje, die echter van goeden kom-af nog getuigt,—of wel pas (na een avond van winst) in een al te nieuw kostuum gestoken, waarvan de weelderigheid schrille tegenstelling vormt met hun vervallen gelaatstrekken, waarin de oogen koortsig gloeien? Wie heeft ze niet zien turen en mijmeren, en, met zenuwachtige bewegingen, op het vel papier of in hun zakboekje notities schrijvend en berekeningen makend? Elken dag ziet men er andere, er zijn er te veel dan dat men ze ook maar zou kunnen onthouden. (Wij herinneren er nogmaals aan: De millioenen-studiën zijn een fraai boek; uit het minste en geringste uit Douwes Dekker’s leven, zou de kunstenaar Multatuli later iets schoons weten te distilleeren).

En wat nu aangaat Eugenie (hoe men al niet tot den rang van historisch persoon verheven kan raken!):

Dat een publieke vrouw noch zeer jong noch zeer schoon is, aan zekere mannen voorkomt lief te zijn, en zich eenvoudig, bescheiden en zacht, fatsoenlijk in uiterlijk en manieren weet voor te doen,—heeft zij gemeen met de groote meerderheid van, dat zij het ellendig vindt in een bordeel gebonden zijn, heeft zij gemeen met voor zoover bekend is álle hare beroepsgenooten.

Oppervlakkig zoude men zeggen—alle fatsoenlijke vrouwen zullen dit dus zeggen—dat de meeste publieke vrouwen, door den afschuwelijken en betreurenswaardigen toestand van verval waarin hun moreele smaak verkeert, zoo veranderd zijn, dat zij zich heerlijk tehuis gevoelen in het kermis-paleis voor beestachtige vermakelijkheden, dat het bordeel voor hen is; voorts, dat eene vrouw, die eenmaal zich in een bordeel is gaan vestigen, te diep gezonken is om eenvoudig, bescheiden en zacht en fatsoenlijk in voorkomen en manieren te zijn. Toch moet dit beslist ontkend worden. Het is alleen eene konventioneele, oppervlakkige notie van deze personen en zaken, die deoorsprong dezer meening wezen kan. Ten huize van een onzer bekenden, een deftig en hoogst ingetogen levend gezin, is twee jaar lang een werkmeid in dienst geweest,—die, uit eene andere stad, door een misverstand van personenverwisseling bij het nemen van informaties, in dien dienst was gekomen—en die bijzonder in de gunst stond van hare meesteres, welke laatste aan hare kennissen steeds te vertellen had, dat zij nog nooit met zulk eene in alle opzichten fatsoenlijke en aanbevelenswaardige dienstbode te doen had gehad: en deze werkmeid bleek later de vijftien aan de twee voorafgaande jaren als publieke vrouw in bordeelen te hebben doorgebracht. En dit is een voorbeeld uit vele.

Doch, om op de ontleding van Dekker’s avontuur terug te komen: Dat een publieke vrouw zich zoo edelmoedig gedraagt als Eugenie deed toen zij, op Dekker’s telegram, naar Homburg kwam om hem het geld, dat hij haar gegeven had, en dat zij naar alle waarschijnlijkheid zelf best gebruiken kon, terug te geven, nu hij zelf in verlegenheidwas, schijnt zeker een nog zeldzamer verschijnsel. Ongetwijfeld komen daden als deze ook niet zoo veelvuldig voor. Psychologisch echter is dit feit niet van belang, daar de karakter-eigenschap, waar de handeling uit voortkwam, de goedhartigheid namelijk, de edelmoedigheid, den meesten publieken vrouwen eigen is. Leden der hoogere maatschappelijke standen weten dat zoo niet; onder het volk echter is de goedhartigheid en hulpvaardigheid van publieke vrouwen spreekwoordelijk bekend.

Wat nu,—om met deze opmerking de paragraaf over het tweede stadium van Dekker’s reis te besluiten—het toewerpen der bankpapieren betreft, waarmede Eugenie den hôtelhouder betaalde, wij kunnen dit met Dekker niet „fier”, en zoo heel fatsoenlijk evenmin, vinden. Deze handeling lijkt ons meer „aanstellerig” dan koninklijk. Ook dat mevrouw Dekker hôtelhouders, die eenvoudig bij, hun onbekende, gasten op de betaling der achterstallige rekening aandringen, telkens „lastig” noemt op eene wijze, alsof zij over bedeljongens sprak, die denvoorbijganger hun lucifers te koop opdringen, achten wij een weinig te studentikoos voor eene eerwaardige dame, die optreedt als uitgeefster der brieven van een groot auteur.

Het derde stadium van Dekker’s reis bestaat uit zijn tocht naar Brussel in het najaar van 1857 en zijn verblijf aldaar tot den volgenden zomer in een kleine herberg, denPrince Belgegenaamd, waar hij zeven maanden den kost schuldig bleef, nu hij geheel van geldelijke middelen verstoken was. Ook dit gedeelte zijner lotgevallen past geheel in de loopbaan van een avonturier. „Eerst zijn geld opmaken met publieke vrouwen en aan speelbanken, daarna, als het geld op is, ergens in een kleine herberg blijven hangen en teren op den zak van den goedhartigen waard,—er ontbreekt niets meer aan”—onmogelijk kon de familie in Holland er anders over denken dan in deze woorden is uitgedrukt.

Het is zeer jammer, dat mevrouw Dekker uit dezen tijd geen brieven heeft gepubliceerd,daar die ons verklaard zouden hebben waarom Dekker niet naar Holland ging en waarom hij niet voortging te trachten het doel, waarmee hij in Europa gekomen was, te bereiken.

Zoo nu, als wij hier beschreven hebben, ging Dekker voort zich te gedragen tot het najaar van 1859, steeds niets van zijn hoogere gaven openbarend en zonderling levend, tot voortdurende ergernis der familie.

In Januari 1859 schreef hij, van denPrince Belgeuit, zijn brief aan den Gouverneur-Generaal in ruste, eindigend met de woorden:

„Het verzoek, dat ik Uwer Exc. te doen heb, is dit: de herhaling mijner bede om dezen brief en de daarbij gevoegde stukken aandachtig te lezen, en mij wel te willen antwoorden op de vraag of Uwe Exc. daarin niet aanleiding vindt mij te ondersteunen in de pogingen die ik wil aanwenden om op de meest eervolle wijze weder te mogen intreden in Nederlandsch-Indischen dienst.

Maar, Excellentie, anders dienen dan ik diende te Lebak kan ik niet!”

Mevrouw Dekker teekent hierbij aan: „De heer Van Twist heeft niet geantwoord.”

Men kan er zich al weder niet van onthouden het zwijgen van den heer Van Twist zeer verklaarbaar te vinden. De lezer van Multatuli’s werken,—het is natuurlijk niet uit te maken of juist álle lezers hierin overeenstemmen—door de vaste overtuiging en den doordringenden stijl van den kunstenaar dermate overreed, dat hij niet eens de gelegenheid heeft kalm na te denken, heeft, bij de vele sentimenten en gevoelens, die Multatuli u dwingt van hem over te nemen, stellig ook bespeurd het gevoelen, dat de heer Van Twist een slecht mensch was en het gevoel van bitteren wrevel tegen dien heer. Dit gevoelen en dit gevoel zal echter tegen latere, onpartijdige overweging niet bestand blijken.

Immers, van tweeën één: òf (wat het waarschijnlijkste is) de heer Van Twist dacht dat hij met een halven gek te doen had en achttehet, van die veronderstelling uitgaande, niet eens de moeite waard de waarachtigheid der overgelegde bescheiden te kontroleeren; òf hij had kennis genomen van Dekker’s mededeelingen, hield het voor mogelijk, dat zij juist waren, hoewel te veel gegeneraliseerd, te voorbarig van den bijzonderen toestand te Lebak tot een algemeen Nederl.-Indischen toestand gekonkludeerd, maar achtte het nu zijn plicht niet meer persoonlijk handelend op te treden, en wenschte bovendien zich niet in betrekking te stellen met ambtenaren, nog minder met voormalige ambtenaren, die zich op zulk een zonderlinge, ongeregelde, manier tot hem wendden.

Stelt u voor, dat een minister op zijn bureau te werken zit, en dat een man van de straat het departementsgebouw komt binnengeloopen, in weêrwil van portiers en klerken binnendringt en den minister toeroept: Excellentie, daar is onrecht gepleegd, zie eens hier, en daar, hier heb ik de bewijzen. Elke minister zoude zoo een indringer antwoorden: vriend, het is mogelijk dat gij gelijk hebt, maar wil u op de gebruikelijkewijze tot mij wenden, dit is geen manier van doen.

Stelt u voor, dat een voormalig minister in zijn buitenverblijf zit te dejeuneeren, en er wordt iemand aangediend, die in de gang reeds staat te roepen: onrecht gepleegd, daar is onrecht gepleegd, ik moet den heer des huizes spreken!

De minister zal zijn huisknecht gelasten dien man den weg naar het hek te wijzen met de aanmaning zich op de gepaste wijze tot de bevoegde autoriteit te wenden, indien hij meent verongelijkt te zijn.

En nu zeggen wij:ook dán, indien de man, die zich indringt, ware grieven heeft mede te deelen, ook dán, indien werkelijk het grootste onrecht is gepleegd, zal de minister gelijk hebben met hem de deur te wijzen,want: nadat hij één persoon op die wijze zou hebben te woord gestaan, die in zijn recht was, zullen er zich negen-en-negentig op dezelfde manier aanmelden, wien slechts denkbeeldig onrecht is geschied. En de minister zou geen oogenblik tijd meer overhebben om ’s lands zaken te bestieren, of, in het buitenplaats-geval, om zich met zijn voor hem belangrijke partikuliere zaken te bemoeien.

Het is beter dat aan één mensch onrecht geschiedt dan dat, door verwaarloozing van ’s lands zaken, aan duizenden onrecht zou worden gedaan.

In het voorjaar van 1858 kwam de heer Jan Dekker van Rembang naar Europa, bezocht zijn broeder Eduard te Brussel en betaalde de rekening in denPrince Belge.

In den herfst van hetzelfde jaar bevond Eduard zich in Cassel, waar hij Saïdjah’s lied in het Maleisch dichtte, veel op de Casseler Aue wandelde, en bij den... logementhouder en vrienden schulden maakte, die hij nooit heeft kunnen afdoen.

In het voorjaar van 1859 kwam zijn vrouw, met twee kinderen en eene baboe, eveneens naar Europa, en zagen de echtgenooten elkander weder te Luik. Den zomer van dat jaar, tot in het laatst van Augustus, vertoefde het gezin in den omtrek van Luiken Maastricht, met name in het dorp Visé, waar de hoogst onaangename bejegening hen trof, dat zij van den burgemeester dier gemeente eene aanzegging kregen om binnen tweemaal vier-en-twintig uur zijn grondgebied te verlaten. Het was juist kermis in Visé, en de omstandigheid, dat zij er sjofel uitzagen, geen geld en geen legitimatiepapieren hadden en in kleine herbergen vertoefden, gevoegd bij de donkere gelaatskleur van een gedeelte van ’t gezin, van de baboe vooral, had de achterdocht van ’t gemeentebestuur opgewekt en was oorzaak, dat zij voor saltimbanques van verdacht allooi werden gehouden en als zoodanig behandeld. Men kan begrijpen, hoe zulk een lotgeval den zeer gevoeligen Dekker, vooral ook wijl de smaad zijne vrouw niet minder trof dan hem zelven, moest aandoen. Gelukkig woonde te Maastricht eene vriend van Dekker, de heer J. J. M de Chateleux, dien hij in 1843 had leeren kennen, toen Dekker Natal verlaten had en te Padang op Sumatra vertoefde; het krediet van dezen heer, die hem toch al reeds naar de betrekkelijkhelaas geringe krachten van zijn vermogen had bijgestaan, kon hem ook nu uit den nood redden. Maar weldra raakte ook die bron uitgeput en den 23stenAugustus 1859 trok het gezin, in den toestand der diepste armoede, naar Antwerpen, voor welke reis nauwelijks nog het noodige geld beschikbaar was.

In Antwerpen was het gezin nog slechts enkele dagen vereenigd. Den 27stenAugustus bleef Dekker alleen met hun koffers en de onbetaalde rekening in hetHôtel du Templealdaar achter, terwijl zijne vrouw met de kinderen en de baboe den laatsten uitweg insloeg, die hun nog overbleef en op reis ging naar Den Haag, naar hare zuster Henriëtte van Heeckeren van Waliën. Dit waren, voor zoover wij kunnen nagaan, de bitterste dagen, die Dekker en de zijnen doorleefden. Want,—inderdaad deze toestand was vreeselijk—er was letterlijk volstrekt geen geld meer over, zoodat Dekker’s echtgenoote met de haren met ledige portemonnaie zich op de Rotterdamsche boot inscheepte. Om zich uit de verlegenheid teredden, had zij—arme vrouw!—een list bedacht, die gelukte. Zij veinsde namelijk, toen de bootbeambte rondging om de passagegelden op te halen, met voorgewenden schrik, hare portemonnaie te hebben vergeten en zeide in Rotterdam hem het geld te zullen bezorgen. In Rotterdam was een hôtel waar Dekker vroeger eens gelogeerd had, en toen, daar aangekomen, de bootbeambte mevrouw Dekker ter aangeduide plaatse vergezelde, leende de logementhouder haar vijftien gulden om haar passage te betalen en met de haren de reis naar Den Haag voort te zetten.

In ’s Gravenhage werd zij ten huize harer zuster ontvangen. Men gaf haar daar „een maal eten”, en twintig gulden om de reis voort te zetten naar Brummen, waar de heer Jan Dekker een buiten, „De Buthe” genaamd, bewoonde. Tevens liet men haar daar (te ’s Gravenhage; wij volgen de mededeelingen van de uitgeefster derBrieven) een brief aan haar man schrijven, die geheel tegen haar hart moet geweest zijn, waarin zij hem de noodzakelijkheid eener scheidingbetoogde en hem in overweging gaf ergens op een schip een betrekking als matroos of hofmeester te zoeken.

Deze daad van de familie schijnt een oogenblik bijzonder wreedaardig. Wij herinneren er aan, dat Dekker,—van wiens hoogere gaven nog niets gebleken was—door zijn gedrag der laatste jaren zich de allerafschuwelijkste reputatie bij die menschen had gemaakt; voorts dat de Van Heeckerens geen bloedverwanten van hém waren, alleen van zijn vrouw; dat zijn persoonlijk lot hun dus nagenoeg onverschillig was, en zij het als de eenige uitkomst voor hunne zuster moesten beschouwen, dat zij van zulk een echtgenoot als den haren ontslagen raakte. Hadd’ Dekker nog een vader of moeder gehad, nooit zoude hij van die eene dergelijke behandeling hebben ondervonden. De hulp, hem telkens en telkens door zijn broeder Jan verschaft, bewijst dat de verwanten van zijn kant zich nooit geheel van hem afgekeerd hebben. Die broeder Jan was zelfs een zeer goedhartig en hulpvaardig mensch.

Kort na het ontvangen van dezen brief van zijne vrouw, toen hij haar hare koffers op haar verzoek had nagezonden, dus in het begin van September 1859, vertrok Dekker van Antwerpen naar Brussel; hij nam daar weder zijn intrek in den „Prince Belge”, de eenige gelegenheid, waar hij krediet had. Daar voltooide hij in dien tijd zijnBruid daarbovenen schreef er zijnMax Havelaar.

De brieven, die den inhoud van het eerste deel der korrespondentie uitmaken, zijn geschreven in Augustus-November, de allereerste van Antwerpen, al de overige van Brussel uit.

Voor zoover uit die Brieven Dekker’s geestestoestand, het volkomen bewust worden in hem van zijn talentvollen aanleg, blijkt, hebben wij er in het eerste hoofdstuk van dit opstel, de passages uit aangehaald, die ons voorkwamen de meest welsprekende te zijn. Wat Dekker’s overige stoffelijke, levensomstandigheden betreft, brengen zij ons verder bijzonderheden, waaruit dezelfde toestand blijkt, dien wij reedshebben leeren kennen, toen van zijn eerste verblijf in deze herberg werd melding gemaakt.

Het publiek bestond daar uit ondergeschikte beambten van het aan de overzijde der straat staande postkantoor en uit „mannen in blousen”, die daar hun faro kwamen drinken. Dekker wist zich in het huis zelf en in de geheele buurt bemind te maken. Pauline, een gevallen vrouw met haar zuigeling, die daar ook op kosten van den menschlievenden waard in de herberg habituée was, de slager Deprez en diens gezin, waren er zijn vrienden.

Dekker had het er aller-armoedigst. Het koopen van schoenen, van inkt, van een lampje, waren vraagstukken van belang, die eerst na rijp beraad konden worden opgelost. Men at in die herberg een „burgerpot”; naar zijn getuigenis was Dekker hiervan overigens een liefhebber; als zij wist, dat iets hem goed smaakte, maakte de waardin dat voor hem klaar. Deze tijd was echter in onze schatting, en ongetwijfeld ook in zijn eigen schatting, de smartelijkste,maar tegelijk de schoonste, tijd zijns levens. Men kan hem zich voorstellen daar op dat zolderkamertje gezeten, de vingers krom getrokken van schrijfkramp en van kou niet zelden, de oogen ontstoken van het bovenmatig werken, ten prooi aan de hevigste zenuwopwinding, aan de meest verregaande exaltatie, en zoo het schoone werk voortbrengend, waarmede hij zich aan zich zelf en aan zijn land ontdekte.

Den 14denSeptember reeds had hij zich voor het eerst in letterkundige betrekking met eenige zijner landgenooten gesteld. Hij was, door bemiddeling der logemannen van het Rozekruis, met eene schouwburgdirektie in onderhandeling getreden over de opvoering van zijnBruid daarboven. Zes jaar geleden, in zijn verloftijd,—dus verhaalt de uitgeefster der Brieven—was Dekker te Gorcum in die orde opgenomen, „en had er in snelle opvolging vele rangen doorloopen tot hij een der hoogste sporten bereikt had en benoemd was tot Prins van het Rozekruis”. (Arme Prins!) De heer Eduard de Vries, schouwburg-bestuurder,was Dekker komen spreken. Deze had zich met het stuk uiterst ingenomen betoond, zich terstond bereid verklaard tot de opvoering. Maar van droits d’auteur kon voorloopig weinig of geen sprake zijn. Bij gelegenheid van dat bezoek las Dekker den heer De Vries eenige bladzijden voor uitMax Havelaar, waardoor de heer De Vries zeer getroffen werd. Hij ried Dekker evenwel ten sterkste aan het handschrift naar den koning te zenden, vóór hij tot openbaarmaking overging.

Toen DekkerMax Havelaarhad voltooid, zond hij het handschrift den 5denNovember, naar zijne vrouw en broeder te Brummen. Ofschoon zij het eerst den 9denontvingen, had hij den 11den’s avonds reeds twee brieven van zijn vrouw ontvangen, waaruit bleek, dat zij het werk toen reeds gelezen hadden en er hoog mee ingenomen waren. Aandoenlijk is de brief, dien Dekker, toen Multatuli geworden, als antwoord op den haren, den 11denNovember aan zijne vrouw schreef (1edl., blz. 125). Op hare bewering, dat hij haar, in de persoon vanTine, te veel geprezen had, antwoordde hij bijv.:

„Neen, neen, waarachtig niet, ik heb u niet in de hoogte gestoken. Integendeel, je staat veel te veel op den achtergrond. Ik heb mij dat al verweten, doch ik werd daartoe geleid omdat Max hoofdpersoon blijven moet (om het doel van ’t boek) en voorts dat ik goed van mijzelf spreek heb ik u vroeger al uitgelegd.”

En verder deze regelen, die de geschiedenis van den Max Havelaar belangrijk toelichten:

„Het was mijn plan Jan te verzoeken naar Van Hasselt (de Br∴ R + die met Dekker het eerst overDe bruid daarbovenhad gecorrespondeerd) en Van Lennep te gaan, of naar den eersten alleen, dan krijgt Van Lennep het ook...

Maar nu het delicate punt. Als men komt met een boek met de vraag „wil je dat afkoopen?” dat is chantage, afzetterij. Dat is dus de bedoeling niet. Ik heb mijn boek geschreven met een dubbel doel: namelijk verbetering van den boel in Indië, en herstel van mijne positie. De zaak is dus niet datik zeg: geef mij zooveel of zooveel, dan zwijg ik; want ik meen wat ik op het slot zeg. Ik zal strijden voor die arme verdrukten, ik heb mij dat nu voor mijn roeping gekozen. De vromen zouden zeggen dat de Heer mij daartoe dringt, daar hij mij alle andere uitwegen afsloot.

Doch dat dubbele doel kan bereikt worden door samengaande maatregelen, namelijk een hoogst-eervolle benoeming van mij met eene considerans dat Z. M. mijne wijze van handelen approuveert, en die van het toenmalig bestuur desavoueert. Dat is eene zedelijke triomf van ’t principe, en eene materieele zegepraal voor mij, die ik, God weet het, noodig heb.

Van Hasselt is lid van de kamer (Van Lennep ook.)1

Willen zij met Jan samenzweren om mij dien dubbelen triomf te bezorgen, goed. Doch er moet goed vermeden worden er op te doelen als of ik voor mij alleen winst vraag. Want behalve dat dit onedel wezenzou, komt hier nog bij dat ik meer winst behaal door mijn boek te laten drukken. Jan kan aan Van Hasselt zeggen (niet als bedreiging maar als eenvoudige waarheid) dat ik mijn boek in ’t Fransch, Duitsch en Engelsch vertalen zal. Als mijn oogen het toelieten was ik al begonnen.

Hoe het zij, ik vind goed dat Jan naar Van Hasselt gaat. Doch dit staat vast, als Van Hasselt of Van Lennep niet willen of kunnen bewerken, dat aan mijn dubbel verlangen koninklijk wordt voldaan, dan zal het gedrukt worden, en als ik daartoe geen geld heb, dan zal ik het afschrijven en rondzenden in manuscript. Doch in Frankrijk zal ik de vertaling wel gedrukt kunnen krijgen, en in Duitschland ook.”

Den 20stenNovember daaraanvolgende kende Dekker het oordeel van Van Lennep over zijn werk, aan wien Van Hasselt het had gegeven. Hij schrijft op dien datum:

„Maar nu ben ik in grooten tweestrijd wat ik doen moet. Jan namelijk zendt mij ƒ50, en stelt voor het boek aan Rochussen (dentoenmaligen minister van koloniën, opdat die de uitgave nog zou kunnen voorkomen) te vertoonen. Van Lennep zegt: ik moet zoo dwaas niet zijn het voor niet aan een boekverkooper te geven. Hij maakt zich sterk een prijs te bedingen. Nu moet ik kiezen tusschen schrijven in Holland of eene betrekking in Indië.

Zooals de zaken nu staan houd ik het er voor dat ik slaag in wat ik ook kies.

Maar ik ben in vreeselijken tweestrijd.

Jan vraagt antwoord met ommegaande en ik kàn van avond niet antwoorden. Ik wilde u zoo gaarne spreken. De schulden jagen mij naar Indië, de kinderen houden mij in Europa. Je begrijpt de spanning.

Ik heb nagedacht. Ik hel over naar Rochussen, doch conditiën:

1 Resident op Java. Speciaal Passaroeang om mijn schulden te betalen.

2 Herstel van diensttijd, voor ’t pensioen.

3 Een ruim voorschot.

4 Ned. Leeuw.

Doch ik zal deze conditiën niet zeggen, eerst wil ik zien wat hij biedt.”

Den 22stenNovember ontving Dekker twee honderd gulden van zijn broêr, om zijn schuld bij den Brusselschen waard af te doen en naar Amsterdam te reizen. Den 23stenvertrok hij en kwam dienzelfden dag te Amsterdam aan.

Tot zoover de opeenvolging der feiten, die wij thans hebben nagegaan tot het punt, waar het eerste deel derBrievenen de eerste faze van Dekker’s lijdensgeschiedenis eindigt. Want, al hebben wij er niet telkens en telkens de aandacht op gevestigd, daar uit de feiten zelf genoeg het lijden bleek, dat er in gelegen was voor hem, wiens geschiedenis zij uitmaken, en daar het ons er hier vooral om te doen was, helder te doen blijken, welken indruk de vijandig gezinde familieleden en kennissen, die ver af woonden en natuurlijk alleen oordeelden naar den uiterlijken schijn der dingen, ontvingen; want, herhalen wij, geleden heeft Dekker in deze jaren waarschijnlijk meer, dan wie ook, die niet uit eigen ondervinding weet hoe hevig het doorleven van zulke toestanden menschen van Dekker’s geëxalteerdtemperament aandoen, zoude kunnen beseffen.

Want behalve door het, niemand buiten hem en hem zelf ternauwernood toen nog bekende, letterkundig talent, onderscheidde Dekker’s persoon in de woeste levensperiode, welke wij hem hebben zien doorloopen, zich ook nog hierdoor van gewone avonturiers, dat, terwijl deze lieden zich juist plegen te kenmerken door de grijnslachende onverschilligheid, waarmede zij alle tegenspoeden doorleven, mits die hun maar geen onmiddellijke physieke pijn of ongemakken veroorzaken,—Dekker’s buitengewoon zenuwgestel door dat onregelmatig en koortsachtig leven ten eenenmale werd van streek gebracht.

Maar,—en zoo keeren wij tot ons uitgangspunt terug—de feiten blijven de feiten, en niemand, vermoeden wij, die er zich verwonderd over zal betoonen, dat „de menschen” niet veel goeds, maar alles slechts in Dekker’s gedragingen vonden, van het oogenblik af dat hij zijn vrouw alleen in Indië achterliet tot dat waarop zij te Brummenvertoefde en hij in Brussel geheel aan lagerwal was geraakt.

Twee zaken waren er,—dus zullen sommigen oordeelen,—waardoor Dekker zich dan toch gunstig van gewone avonturiers onderscheidde en die in het oog moesten springen; te weten: zijn beminnelijkheid en edelmoedigheid, èn zijn hoogere geestesaanleg, die wel in de verste verte niet de allerbuitengewoonste hoogte kon doen vermoeden, waarop zijn talent later zou schitteren, maar waaruit toch bleek, dat hij, in den gewonen zin des woords, een begaafd man was. En deze twee zaken,—dus zal men konkludeeren—zouden het oordeel en de houding der familie hebben moeten wijzigen.

Wij zullen repliceeren met eene verwijzing naar hetgeen wij omtrent publieke vrouwen in ’t algemeen in ’t midden hebben gebracht. Evenals publieke vrouwen meestal enkele zeer goede eigenschappen hebben, zijn de meeste avonturiers daarvan ook niet verstoken, en de eigenaardigheid van hun bestaan, het voortdurend leven op plaatsenvan openbaar vermaak, het dagelijks den heelen dag luieren in koffiehuizen, speelzalen en diergelijke, het voortdurend in aanraking zijn met gezelschappen van menschen van allerlei slag, ontwikkelt de deugden in hen, die men de eigenaardige deugden van denGesellschafternoemen kan: de beminnelijkheid en daaraan verwante goedhartigheid en edelmoedigheid. Avonturiers b.v. zijn in ’t algemeen veel goedhartiger en edelmoediger dan parvenu’s, die zich met verwaande deftigheid van armen en on gelukkigen afkeeren, dan vele gezeten burgers, wier deugden eerder in spaarzaamheid, zedelijkheid, zindelijkheid en stiptheid in handel en wandel bestaan. Avonturiers: drinkers, spelers, hoereerders, gewoon hun leven te verdeelen of liever verdeeld te zien in tijdperken van weelde en losbandigheid, en van armoede en gebrek, tot gewoonte hebbend hun zóo-gewonnen geld dadelijk te verkwisten, vinden het gooien met groote sommen iets zoo natuurlijks, dat zij ook in hun aalmoezen-geven buitensporig zijn en zij even graag een tientje in de hand eens armendoen glijden, als meer bezadigde menschen daarin een kwartje zouden deponeeren. Dus de edelmoedigheid in dezen zin maakte Dekker niet tot een uitzondering onder de lieden, waarmede zijn verwanten hem gelijk stelden.

En wat de begaafdheid, het vernuftige, aangaat, ook hierin hebben velechevaliers d’industriehet tamelijk ver gebracht. Niet alleen heeft het avontuurlijke leven, het leven van reizen en trekken, van hotels, koffiehuizen en kroegen, van spoorweg-coupé’s, stoombootdekken en kajuiten, van stadstrammen en dorpsdiligences, het leven in gewesten van allerlei klimaat en aspekt, het omgaan met menschen van allerlei ras, stand en karakter, eene dagelijks gevoed wordende ongewone vatbaarheid voor indrukken in hen doen ontstaan, en een vernuftig gemak van beweging en konversatie, waardoor eenvoudige lieden worden overbluft en meer ontwikkelde aangenaam beziggehouden; maar het is of hun vernuft zich,—daar zij toch allen een vaag besef hebben van de groote lakune, het gemis aan degelijkheid,in hun leven—bij uitstek gescherpt heeft op het punt, dat het recht-praten van hun eigen kromme leven betreft.

Er bestaat bijna geen min of meer toonbaar avonturier, die u, in oogenblikken van gemoedelijkheid als zijne stem week wordt en zelfs zijn oog vochtig, niet fraai en breedvoerig weet uit te leggen, òf dat hij het slachtoffer is der vervolgingen van het noodlot, dat hij heel anders terecht had kunnen komen indien alles hem maar niet zoo ware tegengeloopen, en dat hij zich, door losbandig en onwaardig te leven, nu wreekt op de meêdoogenloosheid van het leven jegens hem; òf hij neemt de tegenovergestelde houding aan, en overreedt u, in een kunstig samengesteld pleidooi, opgeluisterd door geschiedkundige voorbeelden en spitsvondige redeneeringen, dat zijn manier van leven de slimste, de beste, de prettigste is. Zij die arbeiden en een goed geregeld maatschappelijk leven leiden, nu ja, dat zijn de sukkels, de domooren, hij en de zijnen begrijpen het leven eerst op de goede manier. Wat de geregelde lieden in een jaar tijds van hoofdbrekensen moeilijk werk winnen,—wèl, dat wint hij in éen avond aan een speeltafel. Overigens, leven de meeste aanzienlijken, de hoogst-aanzienlijken, zij die niets behòeven te doen om den broode, niet even als hij, met alleen een verschil in de onderdeelen, een verschil van minder of meer; bestaat niet het leven van vele vorsten en prinsen uit een aaneenschakeling van vermaken, van reizen en feestvieren, van dansen en jagen en eten en drinken?... Zoo zijn de redeneeringen dezer menschen.

Vele avonturiers buitendien maken een aardig gezelschapsvers, zitten vol woordspelingen en behendige replieken.

Dus, konkludeeren wij, noch de beminnelijkheid, noch wat men in den gewonen zin vernuftigheid noemt, kon ten opzichte van Dekker de oogen der menschen openen en hen in hem iets anders dan een niet van het type afwijkend avonturier doen zien.

Er kwam nog bij,—wat in dit geval een buitengewoon gewicht in de schaal legde, daar Dekkers verwanten van zijn vrouwskant tot de zeer vrome geloovigen behoorden,—dat hij in hunne schatting een brutaal godloochenaar was. Hij vereenigde dus in zich ongeveer alle eigenschappen, die hem in hunne oogen tot het afschuwelijkste individu moesten maken, dat men zich denken kan. Hij was hun tegenvoeter, in alles; en omdat hij tot hunne familie behoorde en zij dus beducht waren dat zijn leelijke reputatie ook hunnen naam zou smetten, groeide hun afkeer tot haat.

Doch wij willen dat alles slechts beschouwen als een vraagstuk ondergeschikt aan dat andere, dat de geheele verhouding van Dekker tegenover „de menschen” beheerschte, dat de kern vormt van het groote misverstand van zijn leven, met de behandeling waarvan wij te gelijk in het tweede deel derBrievenen in de tweede faze van zijn leven komen.

Wij willen namelijk beweren, dat,—een waarheid die trouwens duidelijk blijkt uit de houding der familie ná het verschijnen vanMax Havelaaren den door den schrijver verworven naam,—al ware defamilie van den beginne af aan op de hoogte geweest van Dekker’s buitengewone schrijversgaven(iets, dat niets te maken heeft met het soort vernuftigheid, waarvan wij boven spraken)—zij toch zich niet wezenlijk anders jegens hem zou gedragen hebben dan zij nu deed. Zij zou hem dan misschien wel niet matroos of hofmeester op een schip willen maken, maar toch zou zij zich geheel van hem vervreemd hebben en God gebeden hem nooit te mogen ontmoeten.

Voor wij nu verder gaan om deze bewering te staven en toe te lichten, willen wij den geestestoestand van Dekker zelven beschouwen, zooals die geworden was in deze jaren van wild leven buiten de Hollandsche maatschappij, om daardoor des te duidelijker te doen uitkomen het schrille kontrast tusschen hem aan den eenen en die maatschappij aan den anderen kant, dat de oorzaak werd der mislukking van zijn leven. Want zijn leven, hoe vorstelijk geslaagd een gedeelte van het thans levend geslacht het moge achten,—is mislukt in wat hij zelf er van had willenmaken. Op menige plaats in zijn werk kan men het bewijs van deze stelling vinden.

Indien er een schril kontrast bestaat tusschen Multatuli aan den eenen en de maatschappij aan den anderen kant,—een kontrast ook, dat weinig minder opvallend is, wordt waargenomen tusschen Dekker’s uiterlijke omstandigheden en het zelf-gevoel in zijn binnenste, in den tijd van zijn vertrek uit Indië af tot lang na het verschijnen vanMax Havelaartoe. Dit zelf-gevoel zou door de prikkels van buiten al grooter en grooter worden, tot hij, eenmaal in het publiek getreden, het geheel van onder zijne beheersching zal hebben verloren en het te pas en te onpas op de geweldigste wijze zal uiten.

Was hij naar het uiterlijke een avonturier, behoorde hij oogenschijnlijk tot een der minst eerbiedwaardige klassen van personen,—innerlijk gevoelde hij zich groot en verheven boven alle menschen, innerlijk droeg hij de wetenschap met zich van bij de meest eerbiedwaardige aller menschen te behooren. Wel was hij zich in ’t minst niet van letterkundigebekwaamheden bewust, wel moest zijn letterkundige genialiteit nog geheel aan hem zelf ontdekt worden, maar, juist door de weinige bepaaldheid, door de vaagheid, sterker, droeg hij het bewustzijn in zich van een kracht, een grootheid, datgene wat iemand een groot man maakt, eene groote en schoone ziel, te bezitten.

Nu, met de kracht van de verontwaardiging, met de kracht van het protest, groeide tegen de verdrukking in, tegen de verdrukking van den uiterlijken schijn in, het zelf-gevoel in zijn binnenste, dat later tot zelf-verheerlijking uitdijen zoude, en hoe lager hij zonk hoe hooger hij zich gevoelde.

Hij was voortdurend onder vreemdelingen en kon aan niemand openbaren wat er in hem omging. Hieraan moet het worden toegeschreven, dat de zelf-verheerlijking in hem vastgroeide hoe langer hoe hechter, en voor goed onuitroeibaar zou worden. Hij was geheel alleen, van allen verlaten, daarom klemde hij zich met alle macht vast aan den eenigen steun die hem overbleef: het geloof aan zich zelf.

Nu, nu dit zoo was, nu allen hem hadden verlaten, nu hij door iedereen voor een ellendeling werd gehouden, nu de menschen en de omstandigheden, nu de geheele wereld om zoo te zeggen tegen hem was gekeerd en hem verachtte,—nu, zoo kan men zich het spreken der stem in zijn binnenste voorstellen, nu zou hij ook álles doen en álles zijn, nu zou er ook niets zijn wat hij niet bereiken zou, nu zou hij tot de hoogste hoogte klimmen, waartoe ooit menschen waren gekomen, neen, hooger nog, de grootste droom, die ooit het onderwerp van menschelijke eerzucht was, zou hij verwezenlijken.

Wie of wat hem daartoe in staat stelde? Wel hij, hij zelf, zijn kracht, zijn eigenschap van de grootste aller menschen te zijn, was ’t die hem er toe in staat stelde. En wat dan de nadere aanduiding was van wat hij eigenlijk doen zou? Wel, hij zou zijn land tot het beroemdste der landen, hij zou zijn volk tot het gelukkigste der, tot een voorbeeld voor alle volken maken, en zijn gezin zou hij uit de diepste ellende tot de hoogste sport van eer en aanzien voeren...

Zoo bruiste en brandde het in zijn gedachte.

Het resultaat was, dat hij een schoon letterkundig werk maakte. Nooit heeft hij een zweem van het vermoeden gehad, dat zijn zelf-gevoel, zoo ongekontroleerd, zoo in ’t wilde weg als het was, uit niets anders bestond dan uit de universeele grootheidsfantazieën die menschen met veel artistieken aanleg niet zelden in zich omdragen, en die geheel verkeerd uitkomen zoodra zij ze bij vergissing eens in de werkelijkheid beproeven toe te passen.

Gelijk bekend is, wilde hij later van de letterkundige schoonheid van Max Havelaar niets hooren. Want,—zoo droomde hij,—een boek, dat daar voor u ligt, een stapel papier; en ... woorden van lof daarover uit de monden van menschen, van eenige in burgerkleêren gestoken menschen, die men zoo nu en dan ontmoet, en voorts in de kolommen van dagbladen, op de bladzijden van tijdschriften, regels van zwarte letters op wit papier,—wat was díe realiteit in vergelijking met die, welke eenbuitengewoon mensch van zíjn grootheid omgeven moest! Wat hadden díe zaken uit te staan met de heerschappij en de glorie, die hem wachtte, hem, Multatuli, den éersten man eener natie, den wereldhervormer, den machthebber, die zich al zag gedragen in een gouden draagkoets met purperen gordijnen, voorafgegaan van muzikanten en zonneschermdragers in scharlaken livrei, met een gevolg van militairen in schitterende uniformen, omgeven, op eerbiedigen afstand, van de menigte des volks, hoogen en lagen in aanzien en stand, die allen hem bewonderende blikken toewierpen en hem liefhadden als hun weldoener en de beschermheer hunner landen. Wat was er voor verband tusschen die onnoozele kleinigheden en hem, den toekomstigen vorst, den onderkoning, die in marmeren paleizen het rijke Insulinde zou bewonen, nadat hij Amsterdam tot de hoofdstad der wereld zou hebben gemaakt, die in gebeeldhouwde ledikanten onder troonhemels ’s nachts zou slapen en bij dag loopen over kostbaar ingelegde vloeren tusschen zijn onderdanigen hofstoet, diedes avonds schitterende feesten zou geven, waarop hij de hoogstgeplaatsten des lands zou nooden en hun dan wel genadiglijk een oogenblik te woord zou willen staan. Hij zag zijne zalen reeds prachtig verlicht, stralend van weelde, gevuld met vrouwen in satijnen gewaden en in bloementooi, gevuld met mannen, wier borsten glinsterden van ridderkruisen. En rondom in den lande, tot zoover zijn gebied reikte buiten de balustraden zijner parken, zou nergens gemor zijn in de woningen der lagere bevolking en geen nijdigen blik zou hij ooit in de oogen van den minsten zijner onderdanen zien flikkeren, want zijn edel en wijs beleid zouallengelukkig hebben gemaakt.

Dat alles voorzag hij reeds, als, op het geroep van zijn alvermogende stem, het rechtsgevoel der natie ontwaakt zou zijn en zij als éen man zou zijn opgestaan om het bittere onrecht den edelsten harer zonen aangedaan, schitterend te wreken.

Dat alles voorzag hij, en, als hij om zich heen keek, wat?... Een armelijke kamer, eenige brieven met volzinnen van ingenomenheid,een stad, waar bijna niemand op hem lette, op de enkelen na, die hem met verbazing bekeken of met sympathie begroetten en verder gingen.... Het was om krankzinnig te worden.


Back to IndexNext