Chapter 5

Deze geestestoestand van Dekker heeft op al het werk van Multatuli zijn stempel gedrukt.Beschouwen wij thans de appreciatie, welke de maatschappij, de maatschappijgrosso modo, voor personen als Dekker heeft. Wij spreken dus niet van het betrekkelijk kleine gedeelte der maatschappij, dat hooger intellektueel en artistiek ontwikkeld is en een bijna uitsluitende vereering koestert voor het talent in den mensch. Dit gedeelte integendeel zonderen wij nadrukkelijk uit, en spreken dan voor ’t overige van de maatschappij in ’t algemeen, in haar geheel, met al hare standen en graden van ontwikkeling.De kunst dan staat niet zoo allerhoogst aangeschreven bij die maatschappij. Het gevoel van Lodewijk den XIVden, de inkarnatieen verpersoonlijking van het begrip „aanzienlijkheid” in de maatschappij, voor Molière b.v., dien hij zonder twijfel voor den grootsten blijspeldichter zijner eeuw hield, en dien hij, ten blijk daarvan, tot den rang van hof ... kamerdienaar bevorderde,—dat gevoel leeft, hoezeer ook door de veranderde toestanden gewijzigd en in andere vormen zich openbarend, nog steeds voort in de hoogere standen, voor zoover althans hunne kerkschheid de kunst niet geheel en al tot een verboden artikel voor hen maakt. De vorsten en prinsen, en in hun gevolg de geld-aristokraten, en in dier gevolg wederom de deftige en minder deftige burgerij, beschouwen de kunstenaars nog altijd min of meer als de lieden, wier taak is hun amusement te verschaffen, hun eenigen tijd aangenaam of lachwekkend bezig te houden, die zij daarvoor betalen, de musici en muzikanten om hun gehoor streelend aan te doen als zij aan tafel zitten en zelf de zorg voor het genot van hun verhemelte op zich hebben moeten nemen (diner), en om hun het dansen gemakkelijk te maken(bal), om hun een voorwendsel te geven bijeen te komen, de dames om elkanders toiletten te bewonderen en te benijden, de heeren om deze dames te courtiseeren en elkander hun dekoraties of andere voornaamheid te toonen (soirée, koncert); de schilders, zoo al niet om hun woningen fraaier te verven dan rijtuigschilders daartoe in staat zijn, dan toch om hun wanden te behangen met kostbaarder voorwerpen dan Delftsch aardewerk of gobelintapijten; de letterkundige kunstenaars, ja, het moet gezegd worden, dat deze nog het minst in aanzien staan.Vroeger had men aan de hoven den nar, dien geestigheden te zeggen, den poëet, dien de cither te bespelen en roerende liederen te zingen of te deklameeren als hunne taak was opgedragen. Zij waren de bedienden, die met de zorg voor het humeur van den vorst en zijne omgeving waren belast, zooals anderen in de keuken, met de zorg voor zijn maag, anderen met het reinigen en optooien zijner vertrekken belast waren. Heden ten dage treft men, ingewijzigden vorm, hetzelfde verschijnsel aan, als de gastvrouwen op hunne soirées een dichter noodigen om het gezelschap wat van zijne verzen voor te dragen en de liefhebberij-vertooning van een zijner tooneelstukken te leiden. Maar dat deze gezelschappen, de dragers der algemeene maatschappelijke opvattingen, den dichter bepaald als hun meerdere beschouwen om zijn talent, hem als zoodanig de voornaamste plaats in hun midden aanbieden, hem eeren en eerbiedigen, dit komt niet voor.O zeker, er zijn vele uitzonderingen op dezen regel. Het gebeurt wel, dat menschen, vooral dames, dwepend ingenomen zijn met een schrijver en hem om zijn talent boven andere menschen stellen in hun hoogachting, dat vermaarde auteurs aan middagmalen worden genoodigd en hun de eereplaats aan de zijde der gastvrouw wordt aangeboden. Deze laatste gevallen zijn vooreerst zeldzaam, in de tweede plaats geldt de eer aan den auteur bewezen veeleer zijn roem, zijn vermaardheid, en—dit is een gewichtig punt—dekarakterdeugden, die hij moetbezitten naast zijn talent om zich tot zulk eene vermaardheid te hebben kunnen opwerken.In het algemeen kan men zeggen, dat in de maatschappij, in haar geheel genomen, het letterkundig talentan und für sichzeer weinig in aanzien staat, en dat het talent in een persoon zonder karakter zelfs in het geheel niet wordt geëerd.„Nu ja,”—dacht of zeide de maatschappij van Douwes Dekker, toen, wat wij zijn enorm talent noemen, eenmaal gebleken was, „nu ja, veel talent, veel „macht over de taal,” maar overigens een man zonder karakter, een slecht mensch, die zijn talent misbruikt in dienst der booze neigingen van zijn hart. Wat heeft men aan een talent, wat beteekent al talent, indien het niet gebruikt wordt in dienst van God of van de maatschappij, om er ernstige en stichtelijke werken mede tot stand te brengen. En wat is een man waard, welke aanspraken kan een man op onzen eerbied doen gelden, indien hij al mooie boeken schrijft zoo hij zelf door zijn leven een slecht voorbeeld geeft aan zijn medemenschen.”Dus luiden de typisch maatschappelijke redeneeringen over het talent. Men ziet, wij zijn hier ver van de meer artistieke opvatting, die het talent als de hoogste en alles overheerschende eigenschap beschouwt, die het spreekwoord huldigt „le talent excuse tout.”Ver ook, ja lijnrecht tegenover, de verwachting, waarmede Multatuli als erkend talent-vol man het openbaar leven in de maatschappij betrad.Hij ondervond dus twee ontgoochelingen, die hem des te heviger aangrepen, naardien in zijn geëxalteerden toestand zijne verwachtingen zich hooger hadden gespannen. Hij werd niet tot onderkoning onmiddellijk verheven; maar de maatschappij, zijn talent nu kennend, behandelde hem zelfs in veel opzichten als een gewoon medeburger, wiens karakter door velen gewogen en te licht bevonden werd.Dit was te veel voor zijn zoo licht ontvlambaar en nu ontvlamd gemoed. Zoolang hij nog niet getoond had wie hij was, zoolang hij zijne ziel nog niet had geopenbaard,kon hij ten minste nog denken, als hij zat te peinzen over al zijne vernederingen: ja, wacht maar, wacht gij lieden maar, ééns zal ik u beschamen en de wereld versteld voor mij doen staan, eens zult gij allen naar mij opzien als ik mij boven u allen zal hebben verheven.Doch nu kon dat niet meer, nu ontzonk hem ook de laatste hoop en troost, in ’t groote namelijk, waartegen de verbetering van zijn levenstoestand in ’t kleine niet kon opwegen. Hem bleef niets over dan groote, woedende bitterheid. Uitlatingen als die in zijne Ideën, waar hij de geheele natie nu voor een troep schelmen uitmaakt, waren van deze bitterheid de openbaringen.Openbaringen van dien alles beheerschenden wrevel waren ook zijn zonderlinge en heftige handelwijzen tegenover bijzondere personen. Zijn prikkelbaarheid had haar toppunt bereikt.Beschouwen wij met onpartijdige bedaardheid zijne houding tegenover zijn broeder Jan Dekker, zooals die vooral in het tweede deel der Brieven uitkomt. Aan dien broederhad hij voor zoover uit de zeer volledige gegevens, die nu tot ons gekomen zijn ten duidelijkste blijkt, groote verplichtingen, terwijl niets er op wijst, dat die broeder ook aan hem, Eduard, iets te danken zoude hebben gehad. Het geld, waarvan Dekker te Batavia leefde in 1857, vóór hij naar Europa vertrok, zal hem wel grootendeels door dien broeder zijn verstrekt; het was dezelfde broeder, die te Rembang Dekker’s gezin bij zich noodde toen hij eindelijk op reis ging, dezelfde, die, in het voorjaar van 1858, Dekker’s rekening over zeven maanden in het Brusselsche logement betaalde, zeer waarschijnlijk was ’t dezelfde gulle man, die hem in staat stelde in dat zelfde jaar verder naar Cassel te komen en daar hem van het noodige voorzag (al kwam Dekker er niet mee toe, zoodat hij te Cassel andere schulden maakte); dezelfde die, in het voorjaar van 1859, de passage van Dekker’s vrouw en de haren naar Europa bekostigde; dezelfde die gedurende de tweede helft van 1859 aan Dekker’s gezin weder een gastvrij dak bood op zijn buitengoedte Brummen; dezelfde eindelijk, die in November 1859, voor de tweede maal zijne logementsrekening te Brussel voldeed en hem in staat stelde naar Amsterdam te komen.Indien men in het oog wil houden, dat de meeste dezer gewichtige diensten door den heer Jan Dekker aan zijn broeder bewezen werden, in een tijd dat deze van zijn hoogere gaven nog niets had doen blijken, terwijl de heer Jan over de handeling van Dekker’s ontslag-nemen geen ander gevoelen kon hebben dan hetgeen wij als het algemeen gevoelen der menschen hebben leeren kennen,—dan zal ongetwijfeld een ieder van meening zijn, dat de heer Jan Dekker een bijzonder goedhartig en edelmoedig mensch was, Eduard in hem een voortreflijk en hem te benijden broeder bezat; en het jammer vinden, dat Eduard zich niet in deze kleinigheid meester kon blijven, dat hij zóó’n broeder ten minste dan alléén in aanraking liet komen met de beminnelijke zijden van zijn karakter (waar hij elders, naar wij lezen, zoo mede te woekeren wist,) zorgvuldig de minder aangename kanten voor hem verbergend,opdat hij zich daar aan niet stooten kon.Reeds uit Brussel schreef Dekker aan zijn vrouw over zijn broeder als over iemand, die eigenlijk verplicht was hem te onderhouden. „Voor de tiende maal vraag ik u: hoe denkt Jan toch dat ik leef” (dl. 1, blz. 133) enz. Reeds in dien tijd, dus vóór het verschijnen vanMax Havelaar, is Dekker verbitterd tegen of allerliefst voor zijn broeder in zijn uitlatingen. Toen de heer Jan zoo ingenomen was metMax Havelaar, dat hij in handschrift gelezen had, en Eduard in staat had gesteld naar Amsterdam te komen, was het tusschen hen tweeën al „botertje tot den boôm” en schrijft Dekker aan zijne vrouw (dl. 2, blz. 11 en volgende):„Beste beste Tine! Heerlijke tijding! Van avond hier gekomen. Jan opgezocht in de Variété. Hartelijk en verzoend, en ik kom meê naar De Buthe......” „Hartelijke ontmoeting, verzoening, afspraak om niet meer te kibbelen” (tusschen de broeders)... „Jan heeft mij een mooie overjas gekocht” ...Spoedig doet de heer Jan echter al wederdingen, die den opgewonden Douwes mishagen: „Wat de zending van Jan naar Rochussen aangaat, ze is compleet mislukt. Toen hij (maar ik vrees niet op de goede manier) gesproken had over Raad van Indië, was R. opgesprongen. Dát kan mij niet schelen, maar wat me wel kan schelen is dat Jan zelf die mij, na mijn uitlegging, had toegestemd dat dit de eenige wijze was om mij te herstellen, nu ook vond dat ik te veel vraagde. Dus alweer de ambassadeur die zijn eigen zaak verlaat.Van morgen wou hij dat ik vragen zou om directeur te worden van eene school te Batavia. Dat was juist iets voor mij, zeide hij en dan was zijn contract gesauveerd! Hij drukt gedurig op zijn contract dat door mijn hoofdigheid, door mijn te veel vragen kon geknepen worden.”Mevrouw Dekker teekent hierbij aan, dat de heer Jan een tabakskontrakt had in Rembang (dat gevaar scheen te kunnen loopen).Dekker vervolgt: „Ik laat me niet buigen. Noch door Fuhri (den ’s-Gravenhaagschen hôtelhouder), noch door geldgebrek, nochdoor schijnbare schande, noch door Jan. Als jij me afviel zou ik buigen, maar dat kan niet.”Betrekkelijk geruimen tijd blijft nu de verhouding tusschen de twee broeders zoo goed als men maar wenschen kan. Een enkele maal krijgt de heer Jan nog een standje omdat hij niet spoedig genoeg geld zendt, maar de vriendschap wordt niet verstoord. 16 Juni 1860, schrijft Dekker, die toen toevallig in Rotterdam was: „Begrijp eens, Jan is hier, en alles heel wel. God geve dat het zoo blijft,” en dd. 17 Juni: „Jan is van morgen vertrokken. Wij zijn tot het laatst wèl gebleven. Hij is uiterst ingenomen met het éclat van M. H., en spreekt er gedurig van. Het is of hij voelt dat hij mij een beetje respecteeren moet, omdat de menschen zoo hoog met mij loopen, en ik dus een soort van renommée van den dag ben.” 18 Juni (Dekker’s gezin was toen in Brussel, hij zelf in Amsterdam) begint hij een weinig ontevreden te worden tegen den heer Jan: „Jan had wel uit den hoek mogen komen. Maar neen! Allerlei vertellingen over donkere toekomst, enz.” Er is echter eene verontschuldiging:„Nu ontken ik niet dat thans bij de intrekking van den Vrijen arbeid de zaak beroerd wordt”... Op 2 Juli hoopte Dekker dat de heer Jan geld zou zenden, „de geest was goed.”16 Juli was Dekker naar Spa gereisd, plotseling naar het schijnt, en bevond zich daar weer aan de speelbank. Hij schrijft zijn vrouw te Brussel, hem duizend francs te zenden. 22 Juli was hij weder te Amsterdam terug en bericht zijn vrouw de ontvangst van haar brief, waarin zij hem van haar vergeefsche reis naar „Uccle” verhaalde. De uitgeefster der Brieven heldert dit geheimzinnige woord op, door als haar stellig vermoeden te kennen te geven, datTineóok naar Spa was geweest en daar haar geld had verloren. „In zijne en hare omstandigheden vond Multatuli zoo’n tochtje zoo al niet positief goed dan toch zeer verschoonbaar.” Om echter de zaak verborgen te houden, ging hij zoover in zijne voorzichtigheid van het woordUccle, den naam van een dorp bij Brussel, te gebruiken, als pseudoniem voor het woordSpa.In den loop der korrespondentie vernemen wij nog eenige malen, dat Dekker den heer Jan verzoekt geld te zenden, zijne vrouw „boven water te houden,” enz. De heer Jan ging voort hem onophoudelijk bij te staan. Hij deed bijna alle démarches bij den minister Rochussen, bij vrienden, bij allerlei personen, die Dekker moesten helpen zijn doel te bereiken. In een niet gedateerden brief, van Augustus 1860, blijkt echter dat de heer Jan het weder bijna geheel bij zijn broeder verkorven heeft. Deze schrijft aanTine: „Ik ga nog eens aan Jan schrijven en zal probeeren hem uit te leggen dat ik geen partij kan dienen,...” enz., verder: „In het briefje van Jan dat je mij toezendt komt voor dat hij zoo blijde is dat ik wil treden in de voorstellen. Ook aan mij heeft hij iets dergelijks geschreven! Hij schijnt dus van het komplot te weten en er aan getwijfeld te hebben dat ik de voorwaarden zou aannemen. Na mij sedert weken te hebben opgehouden met praatjes komt nu de zaak neer op eene schandelijke omkooperij. ’t Is infaam!”Het komplot en de omkooperij, waarvan hier sprake is, hebben betrekking op de pogingen, die de staatkundige partijen aanwendden om Dekker in hunne gelederen op te nemen. Dat hij niet wilde weten van de enkel letterkundige verdienste vanMax Havelaar, omdat het boek alleen als een pleidooi in een zaak, een zaak van landsbestier, moest beschouwd worden naar zijne opvatting,—en dat hij tévens weigerde in de praktijk te treden en zich aan te sluiten bij eene partij, die de wijze van bestuur voorstond, die ook hij zelf de beste achtte,—kwam iedereen, dus ook den heer Jan, onbegrijpelijk voor. Ons is het nu wel duidelijk, wat Dekker wenschte: dadelijk eene invloedrijke positie, maar daar nog nooit iemand op die wijze daartoe gekomen was, begreep men niets van deze ongeziene wijze van denken en handelen. De heer Jan wilde, om velerlei redenen, zijn broeder zoo spoedig mogelijk uit den nood geholpen zien. Reeds bij den aanvang der Havelaar-zaak had hij aan Eduard geschreven: „om godswil, verschop niets.” De heer Bekking had„het masker” afgeworpen en „medewerking aan zijne partij, dat is de tabakskontrakten” als voorwaarde voor hulp bedongen. Van zulk een overeenkomst wilde Dekker niet weten.Eene brouille tusschen Dekker en den heer Jan had tegen het eind van Augustus plaats.Hij schrijft (do. 27 Aug.) „... Ieder is meer dan beleefd... behalve Jan. Hij is hier, en na het ontmoeten dat eerst vriendschappelijk was, begon hij, of wilde hij weer beginnen te schelden.1o. Omdat ik niet had toegegeven in de voorstellen van Bekking.2o. Omdat ik aan Cath. en Sietske wat papeterie had cadeau gedaan.’t Was in het café restaurant. Veenstra was er bij.Ik stond dadelijk op en ging heen. Ik heb hem door Abrahamsz laten zeggen dat ik niets meer met hem wil te maken hebben, en dat ik hem verbied zich met mijne zaken te bemoeijen. Uit!”In een daarop volgenden brief schijnt hijde ware toedracht der zaak weêr vergeten te zijn, want hij schrijft: „De hoofdzaak is dat Veenstra inziet dat Jan verkeerd doet mij in den steek te laten.” Of hij moet de verwijten door den heer Jan hem gedaan gelijk gesteld hebben met een „in den steek laten.” Verder in denzelfden brief schrijft hij, na van het steeds toenemend succes vanMax Havelaarte hebben gewaagd: „Maar heb ik nu ook niet gelijk, dat ik het schelden van Jan niet meer verdraag? Bodenheim (die N.B. een woekeraar is) is beleefd en zelfs hartelijk, en mijn eigen broer is grof. Ik ben er dan ook glad overheen en verdraag het niet meer.”In een lateren brief, van 28 September, heet het: „Als ik aan zoo iets (het schrijven in denTijdspiegelom geld te verdienen) denk, kookt het mij dadelijk tegen Jan. Die had mij voor zoo iets moeten vrijwaren. Kassian, ik hoor nu bepaald dat ze met Mei in Den Haag gaan wonen, die arme menschen! Liefje, ik vind niet goed dat je Mary (de echtgenoot van den heer Jan) schrijft. Het zou schijnen alsof ik weer wouaanknoopen, en dat wil ik niet. Je weet niet hoe Jan mij traitert. Ik had aan de meisjes A. wat papeterie gegeven (dat hij mij in een koffiehuis verweten heeft) en kort daarop kreeg ik van Kees (vader der meisjes A[brahamsz]) een briefje met verzoek aan zijne kinderen geen geschenken te geven „wijl ik mijn geld beter besteden kon aan mijn vrouw en kinderen.” Dat had Jan mij bezorgd. Ik noem zoo iets vervloekt laag.De zaak staat zoo dat ik niet den minsten twijfel heb om te slagen, als ik maar van die vervloekte dagelijksche zorg bevrijd was. Zoo’n Jan die in Den Haag gaat wonen. Hij kan zijn geld beter aan mij besteden. Maar dat is nu uit. Al wilde hij nu, nu ben ik er moe van.”Do. 20 Oktober lezen wij nu over deze zaak: „En nu Jan! Ik ben er regt verdrietig over. Heden nog schreef ik aan Pieter: „Met Jan wil ik niet meer te doen hebben! Daar blijf ik bij. Dat weet je, en je gaat met hem naar de opera. Hij heeft mij in een publiek koffiehuis... (enz. over de papeterie)—dat waszijngeld! En nu neemtgij geld van hem aan! Ik moet er nu rijp over denken hoe te doen... (nog lang wordt hierover uitgeweid)... moet ik nu de eerste keer dat ik Jan ontmoet—maar ’t zal niet gebeuren!—hooren dat je van zijn geld naar de komedie bent geweest? Je wist toch alles. Tine, Tine! Hoe kon je zoo doen! ’t Was mij wel fr. 500 waard geweest als je gezegd hadt:„Jan, na alles wat er is voorgevallen heb je het regt verbeurd ons te helpen!”Wij zullen de laatsten zijn om de handeling van het verwijt omtrent de kleinigheid van het papeterie koopen, in den heer Jan een voorbeeld van delicatesse te noemen, maar de heer Jan was in ’t algemeen ontstemd tegen zijn broer omdat deze zich niet bij de partij-Bekking c.s. wilde aansluiten, en verborg daarom ook deze kleine grief niet. Niets zeldzamer dan zóo edele en kiesche menschen, die diensten bewijzen en zich zoo gedragen als deed degene, wien zij bewezen werden, hun een weldaad door ze aan te nemen. Zulke menschen bestaan, maar behooren tot de groote zeldzaamheden er is niet de minste reden, om er den heer Jan een verwijt van te maken, dat hij het zoo buitensporig ver niet gebracht had in zeldzaamheid van karakter-deugden. Trouwens, daar moet dan ook van den anderen kant eene hoffelijkheid en bescheidenheid in het aanvaarden der diensten tegenover staan, die Eduard Dekker zelf nagenoeg vreemd schijnt geweest te zijn. De zinsnede, waarin Eduard schrijft, dat Jan (die reeds zooveel voor hem gedaan had) beter zou doen zijn geld aan Eduard te besteden dan er voor in Den Haag te gaan wonen, is karakteristiek en licht zoo goed als wij maar wenschen konden, de trekken onzer karakterschets toe, waar wij, in verband met de algemeene appreciatie van kunst en talent in de Maatschappij, Multatuli’s ontgoocheling bespraken over het, dat men hem in vele opzichten als een gewoon sterveling bleef behandelen.Van de verhouding tusschen de twee broeders vernemen wij verder in de tot nu toe verschenen deelen der korrespondentie niets. Waarschijnlijk zal die wel steeds geeneffene, doch eene geaccidenteerde verhouding zijn gebleven van brouilles en verzoeningen.⁂Welk een verschil tusschen het eerste deel Brieven en het tweede deel in ’t algemeen! Een verschil dat in den text der gedrukte bladzijden uitkomt met de helderheid der twee schril kontrasteerende levensperioden zelf. Is het eerste deel vol van het diepe leed, in de stilte van het Brusselsche zolderkamertje, als in een kloostercel, gedragen, waar Dekker’s leven slechts zeer weinig uiterlijke afleiding vond in den omgang met zijn enkele plebejische vrienden daar uit de buurt; nemen wij in het eerste deel Dekker waar,—onder den zwaren druk van het wreede leven, dat hem daar opgesloten hield,—in een tête-à-tête met zijn smart, waarin hij zijn talent als een lijdensbloem zag ontluiken;—het tweede deel voert hem en ons plotseling als in de drukte en in het gekrioel van een marktplein; het is of er in den stijl der Brieven iets isdoorgedrongen van het gedruisch op de Botermarkt, waar Dekker boven den winkel van Lobo, den Israëlietischen boekverkooper, die ook met een „stalletje” op de markt zelf was geposteerd, zijn kamer had en zijne geschriften samenstelde. Uit de eenzaamheid is hij met de grootste snelheid midden in het woeligste maatschappelijk leven overgeplaatst. Van onbekend is hij als met tooverslag beroemd geworden, van geschuwd gezocht, van geminacht hoog-geprezen. Hij komt in betrekking met de staatkundige partijen, de eene trekt hem hier, de ander daarheen; binnen eenige maanden tijds worden dertien honderd exemplaren van zijn Max Havelaar verkocht, overal waar hij zich vertoont, op straat, in hotels, in publieke vermakelijkheden, wordt hij met belangstellende nieuwsgierigheid bekeken, vreemden spreken hem aan, een onbekend meisje in het park, bij eene muziekuitvoering, komt hem haar handje reiken; van links en rechts wordt hij uitgenoodigd om lezingen te komen houden, tijdschrift-redaktiën en uitgevers schrijven hem, komen hem opzoeken,telegrafeeren hem, loopen hem na om eenige bladzijden van zijn hand voor hun orgaan of hun drukpers machtig te worden. De uitgever Thieme wil al aanstonds zijn partikuliere briefjes uitgeven, waarmede hij uitstekende zaken denkt te maken, de bezadigde redakteur van het Nederlandsch-Indische tijdschrift verzint totaal ongebruikelijke opschriften om boven de bijdrage van Dekker te plaatsen, die hij wenscht op te nemen: „Van den genialen Multatuli” zal hij er boven zetten. Kortom het is, zooals Dekker zelf in de brieven schrijft, een „rage”.De persoon met wien Dekker nu in de eerste plaats te doen kreeg en met wien hij in belangrijke betrekking zou blijven gedurende het geheele tijdperk, dat wij in het tweede deel der Brieven afgespiegeld vinden, was de heer mr. J. van Lennep, rijksadvokaat, een der leiders der oud-konservatieve partij, Amsterdamsch patriciër. Tusschen de menigte menschen, die wij, als wij in onze verbeelding een résumé vormen van Dekker’s leven uit dezen tijd, hem zien omringen, staat Van Lennep vooraan; op hemvalt het meeste licht. En geen wonder! Van Lennep toch bezorgde de uitgave vanMax Havelaar, stelde Dekker in de gelegenheid de eerste helft van ’t jaar 1860 met zijn gezin als een rustige tusschen-periode door te brengen, en bleef voortdurend met hem in relatie over financiën en andere, wellicht nog gewichtiger, de uitgave rakende zaken. Wij zullen deze geschiedenis, als zijnde een der belangrijkste perioden in Dekker’s leven, volgen zoo als de Brieven ons geleidelijk met haar bekend maken. Er zal onder meer nog een deel Brieven verschijnen, getiteldMultatuli en Busken Huet. Nu, met evenveel recht, had de uitgeefster dit, tweede, deel, kunnen betitelen:MultatulienVan Lennep.Den 23stenNov. 1859 reisde, gelijk wij gezien hebben, Dekker voor het eerst van Brussel naar Amsterdam. Reeds had hij van den heer Jan vernomen, dat Van Lennep metMax Havelaar, door Van Lennepna Tine en Jan, als de derde begunstigde, in handschrift gelezen, uiterst ingenomen was. Van Lennep had aan Van Hasselt geschreven: „In weêrwil van de bleeke inkt, klein schrift, donkere lucht en toenemende verzwakking mijner oogen, heb ik het boek verslonden, „pectus est quod disertos facit” en „facit indignatio verbum” worden ook hier bewaarheid... ’t Is een meesterstuk, met zijn gebreken, of neen, de gebreken, waarover ik klagen zou, zoo ’t een gewonen roman gold, geven in dit werk juist iets meer eigenaardigs, meer verrassends, meer schokkends aan ’t verhaal. ’t Is bl.... mooi, ik weet het niet anders uit te drukken.” De heer Jan had aan Eduard geschreven, toen hij hem deed overkomen: „Hij (v. L.) wil met handen en voeten uwe zaak voorstaan, en verzekerde mij onuitgenoodigd dat hij al zijn invloed in uw belang zal aanwenden. Hij zeide mij zijn zoon (aspt. ambt. eerste klasse) met een en ander bekend te hebben gemaakt, en hem gezegd te hebben: „Ik wenschte mij die zaak aan te trekken met klem, maar misschien zal men later u daarvoordonderen.” Zijn zoon antwoordde: „Pak het aan.””De eerste brief, dien Dekker uit Amsterdam schreef, aan zijn vrouw, bevatte deze hoopvolle zinsnede: „Morgen tien uur naar Van Lennep, die volgens Jan, dol ingenomen is met mijn zaak, en mij absoluut wil helpen. Dus heerlijke vooruitzigten.” En in den tweeden, na het bezoek bij Van Lennep, heet het: „Maar Van Lennep! Daar ben ik geweest, en ik kan je niet uitdrukken hoe die man mij ontvangen heeft. ’t Is kompleet een schadeloosstelling voor al de miskenningen. Nooit had ik op zooiets durven hopen...” enz.Dekker begon dus Van Lennep te beschouwen, en Van Lennep begon zich ook werkelijk te gedragen als: Dekker’s beste vriend. In een brief van 6 Dec. ’59 lezen wij dat De Bull, met wien Dekker ook in konnektie kwam, na den plotseling voorgevallen dood van het Kamerlid Stolte, Dekker in diens plaats wilde doen verkiezen, en dat Van Lennep zelfs zoover gegaan was op eigen houtje over Dekker te spreken met de kiesvereenigingen. Als de voormalige ministerBaud, dien ook Dekker zeer waardeerde, zich bij die gelegenheid niet ook kandidaat had gesteld, zou Dekker kamerlid of althans kandidaat zijn geworden. Hij had dit trouwens alleen willen worden om R[ochussen, den minister] te dwingen hem Raad van Indië te maken (zie 2edl., blz. 20). Ten dien einde, om Rochussen te doen voelen dat hij wakker was en werkte, schreef Dekker toen ook een paar staatkundige dagbladopstelletjes, die 9 en 10 December in deAmsterdamsche Courantverschenen en onderteekend waren: „Eduard Douwes Dekker, op verzoek eervol ontslagen Assistent-Resident.” Wij lezen in dezen tijd van de korrespondentie niet anders dan dat De Bull, Tydeman en vooral Van Lennep dagelijks voor Dekker in de weer waren. Dato 8 Dec. lezen wij: „Gister zond ik een brief aan V. L., en hij, die een perfecte kerel is, zond dien aan R[ochussen] met een flink bijschrift. Hij zegt: „pas op, vriendje, ik verzeker je dat D. D. een man is, en als je hem wat lang laat wachten maak je hem ongeduldig en dat raad ik je niet aan.””Van Lennep, Hartsen en De Bull (Amsterd. Courant) en Tydeman (Handelsblad) vertegenwoordigende de twee staatkundige partijen, wilden allen Dekker in de Kamer hebben. Daarop stelde Baud zich op de rij, aan wien de eerstgenoemde partij zedelijke verplichtingen had en dien zij dus, vóór alles, nu moesten steunen. Tydeman was echter tegen Baud en wilde Dekker als den tegenkandidaat poseeren. Daar Tydeman echter door Van Lennep zelf zoo voor Dekker was opgewarmd, vond Dekker het onedelmoedig door met Tydeman mede te gaan Van Lennep in het vaarwater te zitten. Hij kon dit dus niet doen.Reeds bij dezen brief, van 8 December 1859, biedt de uitgeefster ons een exposé van den toestand, waarop al deze zaken betrekking hebben.Van Lennep was een der leiders van de konservatieve partij, waartoe ook de minister Rochussen behoorde. Door het ministerie, waarvan ook Rochussen deel uitmaakte, was juist nu echter een spoorwegwet voorgesteld, waar de Amsterdammers, met o. a.Van Lennep aan ’t hoofd, sterk tegen waren. Van Lennep en De Bull met zijnAmsterdamsche Courantageerden dus tegen het ministerie. Toen de zaken juist zóo stonden, kreeg Van Lennep het handschrift vanMax Havelaarin handen. Hij begreep terstond deportéevan dit werk en welke waarde het als wapen in het arsenaal der ministeriebestrijders hebben kon. Van Lennep’s ingenomenheid met Max Havelaar op zich zelf was oorspronkelijk oprecht. Maar, „hetzij dan gaandeweg, hetzij reeds terstond” zegt de uitgeefster der Brieven, kwam bij Van Lennep de gedachte op, Max Havelaar vooral als strijdmiddel tegen het ministerie te gebruiken. De uitgeefster gebruikt niet het woord „vooral” maar uit haar toon valt op te maken, dat zóo toch haar bedoeling is. Wij zijn het daarmede niet eens. De bespiegelende ingenomenheid van Van Lennep met Max Havelaar kon zeer goed met zijn inzicht in het praktische nut, dat het boek voor hem en de zijnen hebben kon, samengaan, zonder dat het éene in zijne waardeeringzwaarder woog dan het andere. Maar verder is de voorstelling, door de uitgeefster aan de zaak gegeven, naar ons voorkomt juist,—tot aan de eindkonklusie. Zij zegt dan, dat Van Lennep, die volgens Dekker’s beschrijving een joviaal, aangenaam mensch was, schik had in den strijd en er dus een soort vanschalkschgenoegen in vond den minister Rochussen uit de verte met dat boek, den M. H., te dreigen. Maar zijne partijgenooten vermaanden hem tot kalmte en ingetogenheid. Vooral zijn schoonzoon Hartsen, deftig man van den eersten graad, lid der Eerste Kamer, van wien de uitgeefster eenigszins ironisch vermeldt, dat hij „ontzaggelijk ingenomen” met Max Havelaar was, maar ondertusschen het manuscript weken lang onder zijne berusting hield, zonder aan den schrijver eenig blijk te geven van geestdrift of waardeering. De spoorwegwet werd in de Eerste Kamer afgestemd, en de uitgeefster zegt, dat Van Lennep zich toen „liet sussen”. Hij had toen den Max Havelaar niet meer noodig als wapen tegen het ministerie, hij bezorgde dus wel de uitgaafvan het boek, „maar in zijn, in 1862 uitgegeven brochure, staat toch met ronde woorden te lezen, dat het zijn doel was de verspreiding van het werk te belemmeren.” Hieruit zou men dus moeten konkludeeren, dat, indien de spoorwegwet niet afgestemd geworden ware, Van Lennep den Max Havelaar uitvoeriger zoude hebben doen verspreiden. Met deze opvatting kunnen wij ons slechts gedeeltelijk vereenigen.Doch wij zeggen met de uitgeefster „later meer daarover”, en willen eerst de geschiedenis van Dekker’s betrekking tot Van Lennep voortzetten waar wij haar geschorst hebben.Van Lennep dan, vernemen wij nog, had aan Rochussen geschreven: „Indië heeft een man noodig en Dekker is die man.” Intusschen maakte Dekker zich steeds zeer bekommerd over de „bijzaken” en begon de vreeselijke drukte van zijn leven, waaraan hij niet gewoon was, hem zeer te vermoeien; zoodat wij, do. 10 December, lezen, dat, nu Rochussen eindelijk geantwoord had in afwijzenden zin op het voorstel omDekker Raad van Indië te maken, Dekker er naar verlangde uit Holland weer weg te komen en in Brussel op zijn gemak wat te rusten en te werken. 11 Dec., toen hij nog niet wist, wat het „ontzaggelijk ingenomen” van Hartsen beduidde, wilde hij weer wèl in Amsterdam blijven, enthousiast als hij was over Van Lennep’s brief, waarin dat oordeel van Hartsen werd medegedeeld.Tusschen 11 December 1859 en 11 Januari 1860, vernemen wij nog alleen, dat de heer Jan een voorloopige bijdrage van vier honderd gulden wil geven om Dekker in staat te stellen zich met zijn gezin in Brussel te etablisseeren, waar hij dan door werken zelf verder ook geld zou verdienen; maar dat Dekker, rekenende met zijn familie vier honderd gulden per maand noodig te hebben, zich op dié verbintenis alleen niet durfde verlaten om de expatriëering te ondernemen. Ook hooren we, dat de heer Hartsen wel duizend gulden op deMax Havelaar-uitgave zou willen voorschieten, maar dat Dekker dit voorstel repugneerde daar het zooveel overeenkomst had met „beleenen op pand.”Vóór den éénigen brief, die uit deze periode beschikbaar was en waarvan wij hier den inhoud mededeelden, heeft de uitgeefster der Brieven een aanteekening geplaatst, die, indien men bedenkt in welke verhouding zij zelve gestaan heeft tot Dekker’s eerste echtgenoote, niet onaardig karakteristiek is, in hoe bezadigde en kroniek-achtige termen dan ook vervat. „De brieven,” schrijft zij, „sluiten nu niet meer zoo geregeld aan elkaar als vroeger. Eenigen zullen verloren zijn gegaan, anderen opzettelijk vernietigd. Dit laatste durf ik veronderstellen omdat ik dikwijls in later jaren heb bijgewoond (wij wisten niet, dat de dames elkaar zóo intiem hadden gekend, dat de eene in bijzijn der andere handelingen volbracht, die anders bij uitstek behooren tot die, ter volvoering waarvan men een oogenblik van eenzaamheid afwacht) dat Tine een brief van Dek ontvangende, zoodra zij bemerkte dat er iets in stond wat haar onaangenaam zou aandoen, dien verscheurde en in de kachel wierp.”Men kan begrijpen welk een gevoel zulk een handeling van Dekker’s eerste vrouwopwekte in Dekker’s tweede vrouw. Zij, die Dekker zoo vereerde, moet deze handeling wel afgrijselijk hebben gevonden, en indien, waaraan na haar eigen mededeeling natuurlijk niet te twijfelen valt, mevrouw Douwes Dekker-Hammink Schepel er in levenden lijve bij tegenwoordig is geweest, dat mevrouw Douwes Dekker-Van Wijnbergen Dekkers brieven, als teeken van afschuw, in de kachel wierp zonder ze gelezen te hebben, mag men wel aannemen, dat al haar wél-opgevoedheid haar op zoo’n oogenblik ten dienste heeft moeten staan om haar te beletten als eene furie op hare voorgangster aan te vliegen en haar de kostbare papieren te ontrukken, die zij snood aan de vernietiging wilde prijs geven.Intusschen moeten wij met de uitgeefster van meening verschillen, waar zij uit het feit, dat Dekker’s eerste echtgenoote, toen de verhouding tusschen haar en haar man ten uiterste gespannen geworden was, zijne brieven in woede en verdriet vernielde, het gevolg trekt, datTinezich ook reeds in een vroegere periode, toen de verhouding, in vergelijkingmet later, nog weinig te wenschen overliet, zich aan soortgelijke handelingen zou hebben schuldig gemaakt. Wij gelooven eerder dat de brieven die hier ontbreken „verloren zijn gegaan”, dan dat zij „opzettelijk vernietigd” zouden zijn.De eerstvolgende brief, welken wij nu te lezen krijgen, is van 10 of 11 Januari 1860. Wij vernemen daaruit, dat Dekker met zijn gezin den 15enJanuari naar Brussel zal gaan, om eenige maanden rust te genieten. De heer Jan gaf ƒ400 als voorloopig voorschot, waarvan echter ƒ100 afgetrokken zou worden, naar wij uit den brief meenen te begrijpen, voor de passage van de baboe, die naar Indië teruggezonden werd. En de heer Van Lennep—daarom passen deze mededeelingen hier noodzakelijk in dit historisch overzicht—zou ƒ200 per maand geven, waarvan echter ƒ50 zou worden afgetrokken ten bate der Wageningsche tantes. Tijdens Dekker’s afwezigheid zoude dan Van Lennep de uitgaaf van Max Havelaar bezorgen.Zeer juist merkt de uitgeefster op, dat het, met het oog op het, later gevolgde, bekenderechtsgeding tusschen Dekker en Van Lennep, over het eigendom vanMax Havelaar, niet weinig belangrijk geweest zoude zijn, indien zij ook de tijdens Dekker’s verblijf te Brussel in dezen tijd tusschen hem en Van Lennep gewisselde brieven had kunnen opnemen in de korrespondentie. Doch de pogingen, in 1871 door Dekker zelf, en nú, bij de voorbereiding dezer uitgave der Brieven, door de uitgeefster aangewend, om die brieven machtig te worden, zijn mislukt. Tijdens het rechtsgeding had Dekker ze, ter vervollediging der geding-bescheiden, aan zijn advokaat, Mr. J. G. A. Faber, ter hand gesteld. Doch deze heer wist later niet waar zij gebleven waren, en Mr. Mouthaan, de opvolger van Mr. Faber, had ze ook niet, bij den overgang van het kantoor, van dezen overgenomen. Ook de heer Willem van Lennep, zoon van Mr. Jacob, door de uitgeefster daarnaar gevraagd, kon zich niet herinneren bij de papieren zijns vaders brieven van Dekker te hebben gevonden. De uitgeefster neemt dus aan dat die vernietigd zijn. (Zie Br. 2edl., blz. 61, 62.)Eenige maanden leefde Dekker nu vereenigd met zijn gezin te Laeken (Brussel). De uitgeefster merkt aan, dat dit een tijd van betrekkelijke rust voor het gezin was. De uitstapjes, van hier uit naar Spa ondernomen, hebben wij reeds vermeld. In Mei verscheen de Havelaar, 14 Juni reisde Dekker terug naar Holland.Wij vestigen er de aandacht op, dat Dekker dus, toen de voorbereidende maatregelen ter uitgave werden genomen en toen de uitgave plaats had, niet ter plaatse aanwezig was. Wij vestigen hierop nadrukkelijk de aandacht, omdat Dekker op die wijze verzuimde den persoonlijken invloed op de wijze van uitgeven te oefenen, waardoor wellicht de verkeerde praktijken voorkomen hadden kunnen worden, waarover hij zich later vruchteloos beklaagde. Was deze onthouding van onmiddellijk persoonlijk beheer niet wijs, niet verstandig,—zij was daarentegen zeer natuurlijk en verklaarbaar. Dekker had de grootste behoefte aan rust, na al het tobben en zwerven en de druktes der laatste jaren, en: Dekker beschouwde Van Lennep alszijn besten vriend en vertrouwde hem volkomen; dat wil zeggen: vertrouwde volkomen, dat Van Lennep Dekker’s belang begreep, precies zooals Dekker dat zelf begreep, en dat hij dit op die wijze begrepen belang, zonder eenige andere konsideratie, tot richtsnoer van zijn handelingen zoude nemen.Dekker reisde naar Rotterdam, van waar uit hij de korrespondentie met zijne vrouw hervatte. Hoofdzakelijk vernemen wij nu vooreerst alleen Dekker’s blijde uitingen over het steeds grooter en grooter wordend, en hem zelf verbazend, welslagen van zijn werk. Do. 17 Juni (1860) spreekt Dekker reeds van eene „nationale inschrijving,” waar hij toen zekeren Van Prehw zich aan ’t hoofd van wilde zien stellen. Dit schijnt dus geen denkbeeld van later geweest te zijn, maar tijdens of even vóor deHavelaar-uitgave bij hem te zijn opgekomen. Waar wij echter op ’t oogenblik, met betrekking tot de kwestie-Van Lennep meer belang in stellen, is de reeds in dienzelfden brief van 17 Juni voorkomende uitlating: „Maar uit alles blijkt dat die De R. een slaapmuts is.”Hiermede werd bedoeld: de door Van Lennep voor deze onderneming aangezochte uitgever De Ruyter. Tels, de hoofdredacteur der N. Rott. Crt., had namelijk gezegd, dat er nú reeds (na pl. m. vier weken) een derde druk van het werk had moeten zijn, en Nijgh, de uitgever der N. Rott. Crt., dat er duizend exemplaren naar Indië hadden behooren te worden gezonden.„Is dat nu niet gloeiend jammer,” schrijft Dekker, „dat door zulke slaperigheid mijn boek minder effect maakt dan het bij een flinken boekverkooper maken zou? Het is om te schreien. En je begrijpt dat als de furore eens voorbij is zooals alle fureurs en enthousiasmes voorbijgaan,—dat het dan te laat is.”Wij spatiëeren deze laatste woorden. Hierop, zal men zien, komt het aan, hierop is het geschil tusschen Dekker en Van Lennep gegrondvest; namelijk op het antwoord, dat de vraag uitlokt:waarvoorhet „dan te laat” zoude zijn.Maar wij zien verder. Blz. 71 lezen wij: alles zou goed gaan... „maar die vervloekteDe Ruyter”. „Ik klaag bij V. L. steen en been over De Ruyter. ’t Is een ware schande,” do. 25 Juni: „Ik begin hoe langer hoe meer in te zien, dat men wel mijn boek verheft als boek, maar verder niets. ’t Is wel hard!”Voortdurend houdt hij zich nu bezig met de recensiën, die achtereenvolgens de verschillende tijdschriften overMax Havelaarpubliceerden. De brieven aan Tine zijn daar vol van. Hij had toen nog niet de verachting voor het publiek en de publieke opinie, die zich langzamerhand van hem zou meester maken. Hij genoot er nog even kinderlijk als buitensporig van zijn naam overal gedrukt te zien—iets volstrekt ongewoons—en al de verschillende meeningen en uiteenloopende waardeeringen over zijn, hem zoo innig van nabij bekend, geesteskind te lezen. Men kan dit genot vergelijken bij dat van eene moeder, die een eenig teér bemind zoontje heeft, dat eenige jaren lang met de uiterste zorg door haar is verpleegd en opgevoed, altijd in het stille huiselijk intérieur, waar alle leed en elke harde aanrakingmet de buitenwereld ver van hem werd gehouden; en die nu, voor het eerst, hem een kinderpartij laat bezoeken. Hoe leeg voelt zij hare hand als zij hem loslaat, opdat hij zich alleen en vrij onder de speelgenootjes zal gaan bewegen. Zie, daar gaat hij, zij kijkt hem na. Ja, hoe kijkt ze hem nu na, hoe spitst ze nu het oor, om te zien en te hooren, wat die en wat die en wat die derde zal zeggen van haar schat, van haar kind! Wèl luistert zij aandachtig naar wat men dáarvan zal zeggen, en wát dáarvan, wat van zijn oogjes, wat van zijn heele gezichtje, wat van zijn blonde haar, wat van zijn lieve kleertjes, die zij met zooveel zorg en oplettendheid heeft gekozen en geschikt...Nu, zóo volgde Multatuli de appreciaties, die zijn eerste boek ten deel vielen.De eerste uiting van ontevredenheid tegen Van Lennep treffen wij aan in een brief van 23 Juni:„Van Lennep komt mij voor alsof hij zeggen wil: ik heb het mijne gedaan! En eigenlijk heeft hij niets gedaan,want als de M. H. het aan mij verstrekte geld niet dekt,dan is dat de schuld van den beroerden boekverkooper waar hij mij gebracht heeft.”De Ruyter had maar dertig ex. van M. H. naar Indië gezonden. „Is dat niet om te schreien?” roept Dekker uit. „En dan praat V. L. van ondankbaar [-heid jegens De Ruyter.]” Do. 22 Juli lezen wij: „Ik zoek geld om baas te worden over de uitgave, want die de R. is ellendig. De vent heeft geen verstand van de zaak, maar Van Lennep zit mij in den weg”; 29 Aug.: „Ik ben dol op dien De Ruyter! V. L. is weer in stad gekomen, maar ik heb hem niet te huis gevonden. ’t Is bedroevend!” 1 Sept. lezen we, dat Dekker nog bij V. L. geweest was, waar allen hem heel hartelijk ontvingen. Een paar dagen later: „Die vervloekte zaak met Van Lennep. Nog ben ik daarmee niet klaar.” Op 12 Oktober: „[ik heb] ruzie met Van Lennep” en „Van Lennep is... ja ik weet niet wat ik er van zeggen moet.” Van Lennep had namelijk, eindelijk, na lang talmen, op Dekker’s voortdurend aandringen, dat er vanMax Havelaareen goedkoope uitgaaf zou bezorgd worden, geantwoord:„Wie een huis koopt heeft het recht het te verbouwen zonder den verkooper te raadplegen.”Dit antwoord van Van Lennep bracht het tusschen hem en Dekker tot een uitbarsting. Op 20 Oktober lezen wij: „Misschien zal ik moeten overgaan tot de treurige noodzakelijkheid om V. L. een proces aan te doen. Dat zal mij zeer hard vallen. Prof. Veth is het met mij eens dat hij mij infaam behandeld heeft. De opgang van M. H. stijgt nog. ’t Is ongehoord. De eerste druk is zoo goed als uitverkocht en V. L. wil de volgende drukken voor zich houden!” 3 November 1860: „Ik lig overhoop met Van Lennep. Ik moet gelooven dat hij mij bedrogen heft. ’t Is schande.”13 November vernemen wij dat de kogel door de kerk is in deze lakonieke woorden: „Proces met Van Lennep.”Zes maanden later, 15 Mei 1861, werd in dit proces voor de eerste maal gepleit.In een brief van 2 Juni schrijft Dekker: „Proces Van Lennep eerste instantie, heb ik verloren. Never mind! appel! Ik zal ’t behandelen.”Dekker of zijn advokaat hebben geäppelleerd van het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, en den 22stenMei 1862 kwam de zaak voor het provinciaal gerechtshof.In het schrijven van 24 Mei 1862 heet het: „Verleden Donderdag heb ik gepleit voor ’t Hof. Had je ’t gelezen in de courant? Maar er staat niets bij, alleen dat ik gepleit heb. Die zaak met V. L. verveelt mij.”Het Hof heeft toen het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. Wij teekenen hierbij terstond aan, dat Dekker zich in dit proces misschien meer dan bij welke gelegenheid ook, door zijn zenuwachtigheid en ongestadigheid heeft laten beheerschen. Hij verloor het proces in eerste instantie en keurde de rechterlijke uitspraak goed, omdat het punt, waar het opaankwam, niet in behandeling was geweest; ja maar, zeggen wij, als hij wat bedaarder was geweest, zoude hij zelf gezorgd hebben, van te voren, dat het in behandeling kwam. Maar goed, dit was dus een afgedane zaak, en hij had besloten te appelleeren. Voor het provinciaal gerechtshof,een jaar later, pleitte hij zelf. Men moet naar alle redelijkheid veronderstellen, dat hij persoonlijk heeft willen pleiten, om des te zekerder te zijn van te overwinnen, nú zéker te overwinnen. En ziet, toen het op stuk van zaken kwam,verwaardigde hij zich niet te pleiten, zoodat hij, ten tweeden male, erkennen moest, dat ook het provinciaal gerechtshof goed had gehandeld met hem in het ongelijk te stellen. In Idee 289aleest men hierover:„Wat mij zelf aangaat, voor ’t hof betuigde ik kortelijk dat boek niet aan den heer V. L. verkocht te hebben. Betoogd, bewezen, gepleit heb ik niet. Vóór de zitting reeds ontwaarde ik dat de voorzitter stokdoof was, en bovendien ik wist... kortom, ik was misselijk van de zaak en dat ben ik nog. Toch voel ik mij verplicht te erkennen dat het Hof, na mijn dédain om de zaak behoorlijk uit te leggen, niet anders beslissen kon dan het gedaan heeft.”Indien men de toedracht dezer zaak goed overweegt, zal men in dit geval een zoo duidelijk en plastisch mogelijk gegeven vindenvan den voorraad, waaruit de heer Swart Abrahamsz heeft geput, om tot zijne kenschetsing van Dekker als neurasthenicus te komen. Dit is zoo echt neurasthenisch mogelijk. Men doorziet den toestand van hier, daghelder, zoo als hij zich heeft voorgedaan. Dekker was bepaald voornemens persoonlijk voor het provinciaal gerechtshof te pleiten. Wie weet of hij zelf geen uitvoerige rede op papier had geprojekteerd. Maar toen de zitting aanving, had hij bemerkt, dat de voorzitter hem en zijner zaak antipathiek gezind was, hij stond daar tegenover lieden, die hij wist dat verreweg zijn minderen waren, hij las op hun gelaat een dom en onherroepelijk misnoegen jegens hem,... toen kwam, onwederstaanbaar, een hevige wrevel in hem op, nooit was het kontrast schriller geweest tusschen hem en de maatschappij, nooit pijnlijker onmiddellijk merkbaar, schier stoffelijk voelbaar,... wat! hij de van God gezondene, hij met zijn koninklijke ziel (in bruisende fantasieën leefden de grootheids-verbeeldingen in hem op), hij stond hier tegenover ordinaire menschen, die hem aankeken zooals fatsoenlijkeburgermenschen een ploert aankijken in wiens gezelschap zij genoodzaakt zijn eenige oogenblikken door te brengen,... en zij, in welke hoedanigheid bevonden zij zich tegenover hem... als rechters, die hij goedgunstig voor zijn zaak moest trachten te stemmen... het was te erg, ziet, zij zagen hem aan, minachting bespeurde hij in hunne fysionomie, als hij gepleit had zouden ze hem openlijk veroordeelen en... in hun binnenkamers, in hun gezin, wellicht heimelijk... bespotten... Het was te vreeselijk... déze wrevel kòn hij niet overwinnen, in zich zelf dacht hij: laten ze naar de weêrlicht loopen, liever het grootste nadeel, dan déze vernedering! Hij moest zich nog inhouden om hun geen stoel naar ’t hoofd te werpen; het was al wél; hij beheerschte zich reeds voldoende met hun nog een oogenblik te woord te willen staan. Maar méer zou hij ook niet doen.Zóo stellen wij ons de toedracht dezer zaak voor. Ware Dekker beter geéquilibreerd geweest, hij hadd’ zijn wrevel onderdrukt, hij hadd’ zijn oogen gesloten voor de stemming van het Hof, zooals die op het gelaat derleden voor zijn scherpzienden blik te lezen stond, en hij hadd’ eene zoo vernuftige rede gehouden, dat hij de rechters te gelijk in bewondering ontstak voor zijn talent en overtuigde van de rechtvaardigheid zijner zaak. Maar Dekker kón niet, hij was een prediker maar geen advokaat, hij had hartstocht maar geen takt, en hij werd het slachtoffer van de eigenschappen van zijn gestel, zoo als die zijn gedragingen influenceerden.Later, 2 October 1863, heeft Dekker vrede gemaakt met Van Lennep; de uitgeefster der Brieven vermoedt dat geldverlegenheid hiervoor de hoofdzakelijke reden is geweest.Na de bescheiden betreffende het proces, behelst het 2edeel ten slotte de brieven van den heer Van Lennep aan Dekker van de jaren 1863–67, waarbij telkens de aan Dekker komende gelden wegens den verkoop van denHavelaarper assignatie worden overgemaakt. De laatste brief betreft het voorstel van Dekker, dat De Ruyter het kopierecht van M. H. zoude verkoopen, hetgeen Van Lennep ontraadt. Een jaar later, 25 Augustus 1868, overleed Van Lennep; in Augustus1870 is het kopierecht werkelijk verkocht, in den zomer van 1871 hebben de erven van Van Lennep de helft van de opbrengst dier verkooping (zijnde dit hun geheele aandeel, daar de andere helft den uitgever toekwam), aan Dekker uitgekeerd. De termen, waarin Dekker, ten einde het piëteits-gevoel der Erven V. L. jegens hun vader niet te kwetsen, om die uitkeering vroeg, luidden: het „op welwillende wijze ten behoeve van den schrijver door wijlen den heer Mr. J. van Lennep gereserveerde aandeel in den Havelaar.”De uitgeefster besluit deze episode en het 2eBrievendeel, met deze woorden:„In armoede was de Havelaar ontstaan, en in armoede zocht de gemartelde schrijver naar een term om bij den eersten verkoop van het copyrecht van zijn boek, de helft der opbrengst in handen te krijgen. Want òf hem dat gelukken zou, was, toen hij de woorden samenvoegde, nog een vraag.Kassian over hem!En over die anderen...”De uitgeefster dezer Brieven heeft den beoordeelaar voor een moeilijk vraagstuk gesteld. Tusschen de regelen bevat dit tweede deel de uitnoodiging een oordeel uit te spreken in de zaak, welke ons hier voorgesteld wordt. Het heele boek bevat één doorloopende aanklacht tegen Van Lennep. Het is alsof er tusschen de nagedachtenis van Van Lennep en die van Dekker beslist moet worden. Het is eene beschuldiging van Van Lennep wegens verraad (dit woord wordt in de Brieven herhaaldelijk gebruikt), verraad aan de vriendschap, die hij met Dekker had aangegaan, eene beschuldiging, die, in de schatting der volbloed-Multatulianen zich ongetwijfeld vergroot tot een van verraad jegens het vaderland, omdat, zoo redeneeren zij, had deHavelaaruitgewerkt hetgeen Dekker er mede bedoelde, dan zoude Dekker het bestuur der koloniën of iets dergelijks in handen hebben gekregen en zou het vaderland tot bloei en grootheid zijn gebracht. Ja, het jongere, radikale, geslacht in Nederland zal er eene beschuldiging te meer in zien tegen het oude régime, vertegenwoordigddoor een zijner leiders, Van Lennep.Er is echter nog een andere zijde aan dit vraagstuk, en als wij het van die zijde bezien ontwaren we, dat wij dubbel voorzichtig en vooral niet voorbarig moeten zijn met het formuleeren eener opinie. Wij bedoelen: als wij den blik wenden naar Van Lennep’s nakomelingen. Al achten wij, naar onze persoonlijke meening, karakterdeugden van een sekundair belang waar het de appreciatie vanverbijsterend grootetalenten geldt (uitdrukking van Huet),—wij achten Van Lennep, gelijk reeds werd aangemerkt, volstrekt niet een talent van die grootte te zijn. Opdat hij eenigszins eene reputatie behoude, moet zijn karakter onaangetast blijven. Dit meenen wij niet alleen, dit meenen ongetwijfeld zijne nakomelingen evenzeer, en hij zelf was niet minder van die meening. 2 October 1863 schrijft Van Lennep aan Multatuli: „.... ik ben herhaaldelijk door u in openbaren druk beschuldigd, gespeculeerd te hebben op uw boek. Niet voor het publiek, waar ik mij evenmin aan stoor als gij het doet, maar voor mijn kinderen en kindskinderen,wien ik gaarne het bewijs wilde nalaten, dat geen vlek van baatzucht op mij kleeft, verlang ik van u een schriftelijke retractatie van die beschuldiging.”Laat ons, voor we ons eene meening over deze zaak vormen, met aandacht en kalmte nagaan wat er eigenlijk was geschied. Om met juistheid en volledigheid Dekker’s eigen interpretatie der feiten te doen kennen, zouden wij den brief, waarin hij aan zijn advokaat, Mr. Faber, een exposé van den toestand geeft, geheel en al moeten aanhalen; doch wegens de te groote uitgebreidheid van dien brief moeten wij daarvan afzien. Dit stuk bevat trouwens bijzonderheden over de armoede en het ongeluk, waarin Dekker verkeerde toen hij tot den heer Van Lennep kwam, die wel zeer geschikt zijn om den heer Faber een juiste waardeering van den toestand te geven, naar moreelen maatstaf; maar die ons vooreerst reeds meer dan bekend zijn en ten andere tot de feiten als zoodanig niets afdoen.Laat ons zien, wat was er gebeurd, waarover liep het proces?Toen Dekker in het voorjaar van 1860 in Brussel was gaan wonen met zijn gezin om eenige rust te genieten, daartoe in staat gesteld door Van Lennep’s voorschot op de opbrengst vanMax Havelaar(zoo als de heer Van Lennep het later volhield), daartoe in staat gesteld door een voorschot van den heer Van Lennep buiten verband met de eventueele opbrengst van M. H. (zooals Dekker steeds bleef beweren); toen Dekker dus in Brussel vertoefde, ontving hij van Van Lennep een schrijven, waarin de volgende alinea:„Om nu met De Ruyter een contract te kunnen maken dien ik bewijs te hebben, dat ik daartoe recht heb. Noch hij, noch eenig uitgever zal natuurlijk drukken, veelmin geld geven zonder overdracht van het copyrecht, en dat kan ik hem niet overdragen, zonder te kunnen aantoonen dat ik het bezit. Wees daarom zoo goed mij met het adres aan Sire een stuk op zegel (Belgisch) te zenden, waarbij gij verklaart mij het copyrecht over het werk, getiteld enz., te hebben afgestaan, en daarvoor te zijn voldaan naar uw genoegen.Ik kan dan in de overeenkomst die ik met De Ruyter maak...”Dekker voldeed aan dit verlangen door aan Van Lennep de volgende akte van cessie te zenden:

Deze geestestoestand van Dekker heeft op al het werk van Multatuli zijn stempel gedrukt.Beschouwen wij thans de appreciatie, welke de maatschappij, de maatschappijgrosso modo, voor personen als Dekker heeft. Wij spreken dus niet van het betrekkelijk kleine gedeelte der maatschappij, dat hooger intellektueel en artistiek ontwikkeld is en een bijna uitsluitende vereering koestert voor het talent in den mensch. Dit gedeelte integendeel zonderen wij nadrukkelijk uit, en spreken dan voor ’t overige van de maatschappij in ’t algemeen, in haar geheel, met al hare standen en graden van ontwikkeling.De kunst dan staat niet zoo allerhoogst aangeschreven bij die maatschappij. Het gevoel van Lodewijk den XIVden, de inkarnatieen verpersoonlijking van het begrip „aanzienlijkheid” in de maatschappij, voor Molière b.v., dien hij zonder twijfel voor den grootsten blijspeldichter zijner eeuw hield, en dien hij, ten blijk daarvan, tot den rang van hof ... kamerdienaar bevorderde,—dat gevoel leeft, hoezeer ook door de veranderde toestanden gewijzigd en in andere vormen zich openbarend, nog steeds voort in de hoogere standen, voor zoover althans hunne kerkschheid de kunst niet geheel en al tot een verboden artikel voor hen maakt. De vorsten en prinsen, en in hun gevolg de geld-aristokraten, en in dier gevolg wederom de deftige en minder deftige burgerij, beschouwen de kunstenaars nog altijd min of meer als de lieden, wier taak is hun amusement te verschaffen, hun eenigen tijd aangenaam of lachwekkend bezig te houden, die zij daarvoor betalen, de musici en muzikanten om hun gehoor streelend aan te doen als zij aan tafel zitten en zelf de zorg voor het genot van hun verhemelte op zich hebben moeten nemen (diner), en om hun het dansen gemakkelijk te maken(bal), om hun een voorwendsel te geven bijeen te komen, de dames om elkanders toiletten te bewonderen en te benijden, de heeren om deze dames te courtiseeren en elkander hun dekoraties of andere voornaamheid te toonen (soirée, koncert); de schilders, zoo al niet om hun woningen fraaier te verven dan rijtuigschilders daartoe in staat zijn, dan toch om hun wanden te behangen met kostbaarder voorwerpen dan Delftsch aardewerk of gobelintapijten; de letterkundige kunstenaars, ja, het moet gezegd worden, dat deze nog het minst in aanzien staan.Vroeger had men aan de hoven den nar, dien geestigheden te zeggen, den poëet, dien de cither te bespelen en roerende liederen te zingen of te deklameeren als hunne taak was opgedragen. Zij waren de bedienden, die met de zorg voor het humeur van den vorst en zijne omgeving waren belast, zooals anderen in de keuken, met de zorg voor zijn maag, anderen met het reinigen en optooien zijner vertrekken belast waren. Heden ten dage treft men, ingewijzigden vorm, hetzelfde verschijnsel aan, als de gastvrouwen op hunne soirées een dichter noodigen om het gezelschap wat van zijne verzen voor te dragen en de liefhebberij-vertooning van een zijner tooneelstukken te leiden. Maar dat deze gezelschappen, de dragers der algemeene maatschappelijke opvattingen, den dichter bepaald als hun meerdere beschouwen om zijn talent, hem als zoodanig de voornaamste plaats in hun midden aanbieden, hem eeren en eerbiedigen, dit komt niet voor.O zeker, er zijn vele uitzonderingen op dezen regel. Het gebeurt wel, dat menschen, vooral dames, dwepend ingenomen zijn met een schrijver en hem om zijn talent boven andere menschen stellen in hun hoogachting, dat vermaarde auteurs aan middagmalen worden genoodigd en hun de eereplaats aan de zijde der gastvrouw wordt aangeboden. Deze laatste gevallen zijn vooreerst zeldzaam, in de tweede plaats geldt de eer aan den auteur bewezen veeleer zijn roem, zijn vermaardheid, en—dit is een gewichtig punt—dekarakterdeugden, die hij moetbezitten naast zijn talent om zich tot zulk eene vermaardheid te hebben kunnen opwerken.In het algemeen kan men zeggen, dat in de maatschappij, in haar geheel genomen, het letterkundig talentan und für sichzeer weinig in aanzien staat, en dat het talent in een persoon zonder karakter zelfs in het geheel niet wordt geëerd.„Nu ja,”—dacht of zeide de maatschappij van Douwes Dekker, toen, wat wij zijn enorm talent noemen, eenmaal gebleken was, „nu ja, veel talent, veel „macht over de taal,” maar overigens een man zonder karakter, een slecht mensch, die zijn talent misbruikt in dienst der booze neigingen van zijn hart. Wat heeft men aan een talent, wat beteekent al talent, indien het niet gebruikt wordt in dienst van God of van de maatschappij, om er ernstige en stichtelijke werken mede tot stand te brengen. En wat is een man waard, welke aanspraken kan een man op onzen eerbied doen gelden, indien hij al mooie boeken schrijft zoo hij zelf door zijn leven een slecht voorbeeld geeft aan zijn medemenschen.”Dus luiden de typisch maatschappelijke redeneeringen over het talent. Men ziet, wij zijn hier ver van de meer artistieke opvatting, die het talent als de hoogste en alles overheerschende eigenschap beschouwt, die het spreekwoord huldigt „le talent excuse tout.”Ver ook, ja lijnrecht tegenover, de verwachting, waarmede Multatuli als erkend talent-vol man het openbaar leven in de maatschappij betrad.Hij ondervond dus twee ontgoochelingen, die hem des te heviger aangrepen, naardien in zijn geëxalteerden toestand zijne verwachtingen zich hooger hadden gespannen. Hij werd niet tot onderkoning onmiddellijk verheven; maar de maatschappij, zijn talent nu kennend, behandelde hem zelfs in veel opzichten als een gewoon medeburger, wiens karakter door velen gewogen en te licht bevonden werd.Dit was te veel voor zijn zoo licht ontvlambaar en nu ontvlamd gemoed. Zoolang hij nog niet getoond had wie hij was, zoolang hij zijne ziel nog niet had geopenbaard,kon hij ten minste nog denken, als hij zat te peinzen over al zijne vernederingen: ja, wacht maar, wacht gij lieden maar, ééns zal ik u beschamen en de wereld versteld voor mij doen staan, eens zult gij allen naar mij opzien als ik mij boven u allen zal hebben verheven.Doch nu kon dat niet meer, nu ontzonk hem ook de laatste hoop en troost, in ’t groote namelijk, waartegen de verbetering van zijn levenstoestand in ’t kleine niet kon opwegen. Hem bleef niets over dan groote, woedende bitterheid. Uitlatingen als die in zijne Ideën, waar hij de geheele natie nu voor een troep schelmen uitmaakt, waren van deze bitterheid de openbaringen.Openbaringen van dien alles beheerschenden wrevel waren ook zijn zonderlinge en heftige handelwijzen tegenover bijzondere personen. Zijn prikkelbaarheid had haar toppunt bereikt.Beschouwen wij met onpartijdige bedaardheid zijne houding tegenover zijn broeder Jan Dekker, zooals die vooral in het tweede deel der Brieven uitkomt. Aan dien broederhad hij voor zoover uit de zeer volledige gegevens, die nu tot ons gekomen zijn ten duidelijkste blijkt, groote verplichtingen, terwijl niets er op wijst, dat die broeder ook aan hem, Eduard, iets te danken zoude hebben gehad. Het geld, waarvan Dekker te Batavia leefde in 1857, vóór hij naar Europa vertrok, zal hem wel grootendeels door dien broeder zijn verstrekt; het was dezelfde broeder, die te Rembang Dekker’s gezin bij zich noodde toen hij eindelijk op reis ging, dezelfde, die, in het voorjaar van 1858, Dekker’s rekening over zeven maanden in het Brusselsche logement betaalde, zeer waarschijnlijk was ’t dezelfde gulle man, die hem in staat stelde in dat zelfde jaar verder naar Cassel te komen en daar hem van het noodige voorzag (al kwam Dekker er niet mee toe, zoodat hij te Cassel andere schulden maakte); dezelfde die, in het voorjaar van 1859, de passage van Dekker’s vrouw en de haren naar Europa bekostigde; dezelfde die gedurende de tweede helft van 1859 aan Dekker’s gezin weder een gastvrij dak bood op zijn buitengoedte Brummen; dezelfde eindelijk, die in November 1859, voor de tweede maal zijne logementsrekening te Brussel voldeed en hem in staat stelde naar Amsterdam te komen.Indien men in het oog wil houden, dat de meeste dezer gewichtige diensten door den heer Jan Dekker aan zijn broeder bewezen werden, in een tijd dat deze van zijn hoogere gaven nog niets had doen blijken, terwijl de heer Jan over de handeling van Dekker’s ontslag-nemen geen ander gevoelen kon hebben dan hetgeen wij als het algemeen gevoelen der menschen hebben leeren kennen,—dan zal ongetwijfeld een ieder van meening zijn, dat de heer Jan Dekker een bijzonder goedhartig en edelmoedig mensch was, Eduard in hem een voortreflijk en hem te benijden broeder bezat; en het jammer vinden, dat Eduard zich niet in deze kleinigheid meester kon blijven, dat hij zóó’n broeder ten minste dan alléén in aanraking liet komen met de beminnelijke zijden van zijn karakter (waar hij elders, naar wij lezen, zoo mede te woekeren wist,) zorgvuldig de minder aangename kanten voor hem verbergend,opdat hij zich daar aan niet stooten kon.Reeds uit Brussel schreef Dekker aan zijn vrouw over zijn broeder als over iemand, die eigenlijk verplicht was hem te onderhouden. „Voor de tiende maal vraag ik u: hoe denkt Jan toch dat ik leef” (dl. 1, blz. 133) enz. Reeds in dien tijd, dus vóór het verschijnen vanMax Havelaar, is Dekker verbitterd tegen of allerliefst voor zijn broeder in zijn uitlatingen. Toen de heer Jan zoo ingenomen was metMax Havelaar, dat hij in handschrift gelezen had, en Eduard in staat had gesteld naar Amsterdam te komen, was het tusschen hen tweeën al „botertje tot den boôm” en schrijft Dekker aan zijne vrouw (dl. 2, blz. 11 en volgende):„Beste beste Tine! Heerlijke tijding! Van avond hier gekomen. Jan opgezocht in de Variété. Hartelijk en verzoend, en ik kom meê naar De Buthe......” „Hartelijke ontmoeting, verzoening, afspraak om niet meer te kibbelen” (tusschen de broeders)... „Jan heeft mij een mooie overjas gekocht” ...Spoedig doet de heer Jan echter al wederdingen, die den opgewonden Douwes mishagen: „Wat de zending van Jan naar Rochussen aangaat, ze is compleet mislukt. Toen hij (maar ik vrees niet op de goede manier) gesproken had over Raad van Indië, was R. opgesprongen. Dát kan mij niet schelen, maar wat me wel kan schelen is dat Jan zelf die mij, na mijn uitlegging, had toegestemd dat dit de eenige wijze was om mij te herstellen, nu ook vond dat ik te veel vraagde. Dus alweer de ambassadeur die zijn eigen zaak verlaat.Van morgen wou hij dat ik vragen zou om directeur te worden van eene school te Batavia. Dat was juist iets voor mij, zeide hij en dan was zijn contract gesauveerd! Hij drukt gedurig op zijn contract dat door mijn hoofdigheid, door mijn te veel vragen kon geknepen worden.”Mevrouw Dekker teekent hierbij aan, dat de heer Jan een tabakskontrakt had in Rembang (dat gevaar scheen te kunnen loopen).Dekker vervolgt: „Ik laat me niet buigen. Noch door Fuhri (den ’s-Gravenhaagschen hôtelhouder), noch door geldgebrek, nochdoor schijnbare schande, noch door Jan. Als jij me afviel zou ik buigen, maar dat kan niet.”Betrekkelijk geruimen tijd blijft nu de verhouding tusschen de twee broeders zoo goed als men maar wenschen kan. Een enkele maal krijgt de heer Jan nog een standje omdat hij niet spoedig genoeg geld zendt, maar de vriendschap wordt niet verstoord. 16 Juni 1860, schrijft Dekker, die toen toevallig in Rotterdam was: „Begrijp eens, Jan is hier, en alles heel wel. God geve dat het zoo blijft,” en dd. 17 Juni: „Jan is van morgen vertrokken. Wij zijn tot het laatst wèl gebleven. Hij is uiterst ingenomen met het éclat van M. H., en spreekt er gedurig van. Het is of hij voelt dat hij mij een beetje respecteeren moet, omdat de menschen zoo hoog met mij loopen, en ik dus een soort van renommée van den dag ben.” 18 Juni (Dekker’s gezin was toen in Brussel, hij zelf in Amsterdam) begint hij een weinig ontevreden te worden tegen den heer Jan: „Jan had wel uit den hoek mogen komen. Maar neen! Allerlei vertellingen over donkere toekomst, enz.” Er is echter eene verontschuldiging:„Nu ontken ik niet dat thans bij de intrekking van den Vrijen arbeid de zaak beroerd wordt”... Op 2 Juli hoopte Dekker dat de heer Jan geld zou zenden, „de geest was goed.”16 Juli was Dekker naar Spa gereisd, plotseling naar het schijnt, en bevond zich daar weer aan de speelbank. Hij schrijft zijn vrouw te Brussel, hem duizend francs te zenden. 22 Juli was hij weder te Amsterdam terug en bericht zijn vrouw de ontvangst van haar brief, waarin zij hem van haar vergeefsche reis naar „Uccle” verhaalde. De uitgeefster der Brieven heldert dit geheimzinnige woord op, door als haar stellig vermoeden te kennen te geven, datTineóok naar Spa was geweest en daar haar geld had verloren. „In zijne en hare omstandigheden vond Multatuli zoo’n tochtje zoo al niet positief goed dan toch zeer verschoonbaar.” Om echter de zaak verborgen te houden, ging hij zoover in zijne voorzichtigheid van het woordUccle, den naam van een dorp bij Brussel, te gebruiken, als pseudoniem voor het woordSpa.In den loop der korrespondentie vernemen wij nog eenige malen, dat Dekker den heer Jan verzoekt geld te zenden, zijne vrouw „boven water te houden,” enz. De heer Jan ging voort hem onophoudelijk bij te staan. Hij deed bijna alle démarches bij den minister Rochussen, bij vrienden, bij allerlei personen, die Dekker moesten helpen zijn doel te bereiken. In een niet gedateerden brief, van Augustus 1860, blijkt echter dat de heer Jan het weder bijna geheel bij zijn broeder verkorven heeft. Deze schrijft aanTine: „Ik ga nog eens aan Jan schrijven en zal probeeren hem uit te leggen dat ik geen partij kan dienen,...” enz., verder: „In het briefje van Jan dat je mij toezendt komt voor dat hij zoo blijde is dat ik wil treden in de voorstellen. Ook aan mij heeft hij iets dergelijks geschreven! Hij schijnt dus van het komplot te weten en er aan getwijfeld te hebben dat ik de voorwaarden zou aannemen. Na mij sedert weken te hebben opgehouden met praatjes komt nu de zaak neer op eene schandelijke omkooperij. ’t Is infaam!”Het komplot en de omkooperij, waarvan hier sprake is, hebben betrekking op de pogingen, die de staatkundige partijen aanwendden om Dekker in hunne gelederen op te nemen. Dat hij niet wilde weten van de enkel letterkundige verdienste vanMax Havelaar, omdat het boek alleen als een pleidooi in een zaak, een zaak van landsbestier, moest beschouwd worden naar zijne opvatting,—en dat hij tévens weigerde in de praktijk te treden en zich aan te sluiten bij eene partij, die de wijze van bestuur voorstond, die ook hij zelf de beste achtte,—kwam iedereen, dus ook den heer Jan, onbegrijpelijk voor. Ons is het nu wel duidelijk, wat Dekker wenschte: dadelijk eene invloedrijke positie, maar daar nog nooit iemand op die wijze daartoe gekomen was, begreep men niets van deze ongeziene wijze van denken en handelen. De heer Jan wilde, om velerlei redenen, zijn broeder zoo spoedig mogelijk uit den nood geholpen zien. Reeds bij den aanvang der Havelaar-zaak had hij aan Eduard geschreven: „om godswil, verschop niets.” De heer Bekking had„het masker” afgeworpen en „medewerking aan zijne partij, dat is de tabakskontrakten” als voorwaarde voor hulp bedongen. Van zulk een overeenkomst wilde Dekker niet weten.Eene brouille tusschen Dekker en den heer Jan had tegen het eind van Augustus plaats.Hij schrijft (do. 27 Aug.) „... Ieder is meer dan beleefd... behalve Jan. Hij is hier, en na het ontmoeten dat eerst vriendschappelijk was, begon hij, of wilde hij weer beginnen te schelden.1o. Omdat ik niet had toegegeven in de voorstellen van Bekking.2o. Omdat ik aan Cath. en Sietske wat papeterie had cadeau gedaan.’t Was in het café restaurant. Veenstra was er bij.Ik stond dadelijk op en ging heen. Ik heb hem door Abrahamsz laten zeggen dat ik niets meer met hem wil te maken hebben, en dat ik hem verbied zich met mijne zaken te bemoeijen. Uit!”In een daarop volgenden brief schijnt hijde ware toedracht der zaak weêr vergeten te zijn, want hij schrijft: „De hoofdzaak is dat Veenstra inziet dat Jan verkeerd doet mij in den steek te laten.” Of hij moet de verwijten door den heer Jan hem gedaan gelijk gesteld hebben met een „in den steek laten.” Verder in denzelfden brief schrijft hij, na van het steeds toenemend succes vanMax Havelaarte hebben gewaagd: „Maar heb ik nu ook niet gelijk, dat ik het schelden van Jan niet meer verdraag? Bodenheim (die N.B. een woekeraar is) is beleefd en zelfs hartelijk, en mijn eigen broer is grof. Ik ben er dan ook glad overheen en verdraag het niet meer.”In een lateren brief, van 28 September, heet het: „Als ik aan zoo iets (het schrijven in denTijdspiegelom geld te verdienen) denk, kookt het mij dadelijk tegen Jan. Die had mij voor zoo iets moeten vrijwaren. Kassian, ik hoor nu bepaald dat ze met Mei in Den Haag gaan wonen, die arme menschen! Liefje, ik vind niet goed dat je Mary (de echtgenoot van den heer Jan) schrijft. Het zou schijnen alsof ik weer wouaanknoopen, en dat wil ik niet. Je weet niet hoe Jan mij traitert. Ik had aan de meisjes A. wat papeterie gegeven (dat hij mij in een koffiehuis verweten heeft) en kort daarop kreeg ik van Kees (vader der meisjes A[brahamsz]) een briefje met verzoek aan zijne kinderen geen geschenken te geven „wijl ik mijn geld beter besteden kon aan mijn vrouw en kinderen.” Dat had Jan mij bezorgd. Ik noem zoo iets vervloekt laag.De zaak staat zoo dat ik niet den minsten twijfel heb om te slagen, als ik maar van die vervloekte dagelijksche zorg bevrijd was. Zoo’n Jan die in Den Haag gaat wonen. Hij kan zijn geld beter aan mij besteden. Maar dat is nu uit. Al wilde hij nu, nu ben ik er moe van.”Do. 20 Oktober lezen wij nu over deze zaak: „En nu Jan! Ik ben er regt verdrietig over. Heden nog schreef ik aan Pieter: „Met Jan wil ik niet meer te doen hebben! Daar blijf ik bij. Dat weet je, en je gaat met hem naar de opera. Hij heeft mij in een publiek koffiehuis... (enz. over de papeterie)—dat waszijngeld! En nu neemtgij geld van hem aan! Ik moet er nu rijp over denken hoe te doen... (nog lang wordt hierover uitgeweid)... moet ik nu de eerste keer dat ik Jan ontmoet—maar ’t zal niet gebeuren!—hooren dat je van zijn geld naar de komedie bent geweest? Je wist toch alles. Tine, Tine! Hoe kon je zoo doen! ’t Was mij wel fr. 500 waard geweest als je gezegd hadt:„Jan, na alles wat er is voorgevallen heb je het regt verbeurd ons te helpen!”Wij zullen de laatsten zijn om de handeling van het verwijt omtrent de kleinigheid van het papeterie koopen, in den heer Jan een voorbeeld van delicatesse te noemen, maar de heer Jan was in ’t algemeen ontstemd tegen zijn broer omdat deze zich niet bij de partij-Bekking c.s. wilde aansluiten, en verborg daarom ook deze kleine grief niet. Niets zeldzamer dan zóo edele en kiesche menschen, die diensten bewijzen en zich zoo gedragen als deed degene, wien zij bewezen werden, hun een weldaad door ze aan te nemen. Zulke menschen bestaan, maar behooren tot de groote zeldzaamheden er is niet de minste reden, om er den heer Jan een verwijt van te maken, dat hij het zoo buitensporig ver niet gebracht had in zeldzaamheid van karakter-deugden. Trouwens, daar moet dan ook van den anderen kant eene hoffelijkheid en bescheidenheid in het aanvaarden der diensten tegenover staan, die Eduard Dekker zelf nagenoeg vreemd schijnt geweest te zijn. De zinsnede, waarin Eduard schrijft, dat Jan (die reeds zooveel voor hem gedaan had) beter zou doen zijn geld aan Eduard te besteden dan er voor in Den Haag te gaan wonen, is karakteristiek en licht zoo goed als wij maar wenschen konden, de trekken onzer karakterschets toe, waar wij, in verband met de algemeene appreciatie van kunst en talent in de Maatschappij, Multatuli’s ontgoocheling bespraken over het, dat men hem in vele opzichten als een gewoon sterveling bleef behandelen.Van de verhouding tusschen de twee broeders vernemen wij verder in de tot nu toe verschenen deelen der korrespondentie niets. Waarschijnlijk zal die wel steeds geeneffene, doch eene geaccidenteerde verhouding zijn gebleven van brouilles en verzoeningen.⁂Welk een verschil tusschen het eerste deel Brieven en het tweede deel in ’t algemeen! Een verschil dat in den text der gedrukte bladzijden uitkomt met de helderheid der twee schril kontrasteerende levensperioden zelf. Is het eerste deel vol van het diepe leed, in de stilte van het Brusselsche zolderkamertje, als in een kloostercel, gedragen, waar Dekker’s leven slechts zeer weinig uiterlijke afleiding vond in den omgang met zijn enkele plebejische vrienden daar uit de buurt; nemen wij in het eerste deel Dekker waar,—onder den zwaren druk van het wreede leven, dat hem daar opgesloten hield,—in een tête-à-tête met zijn smart, waarin hij zijn talent als een lijdensbloem zag ontluiken;—het tweede deel voert hem en ons plotseling als in de drukte en in het gekrioel van een marktplein; het is of er in den stijl der Brieven iets isdoorgedrongen van het gedruisch op de Botermarkt, waar Dekker boven den winkel van Lobo, den Israëlietischen boekverkooper, die ook met een „stalletje” op de markt zelf was geposteerd, zijn kamer had en zijne geschriften samenstelde. Uit de eenzaamheid is hij met de grootste snelheid midden in het woeligste maatschappelijk leven overgeplaatst. Van onbekend is hij als met tooverslag beroemd geworden, van geschuwd gezocht, van geminacht hoog-geprezen. Hij komt in betrekking met de staatkundige partijen, de eene trekt hem hier, de ander daarheen; binnen eenige maanden tijds worden dertien honderd exemplaren van zijn Max Havelaar verkocht, overal waar hij zich vertoont, op straat, in hotels, in publieke vermakelijkheden, wordt hij met belangstellende nieuwsgierigheid bekeken, vreemden spreken hem aan, een onbekend meisje in het park, bij eene muziekuitvoering, komt hem haar handje reiken; van links en rechts wordt hij uitgenoodigd om lezingen te komen houden, tijdschrift-redaktiën en uitgevers schrijven hem, komen hem opzoeken,telegrafeeren hem, loopen hem na om eenige bladzijden van zijn hand voor hun orgaan of hun drukpers machtig te worden. De uitgever Thieme wil al aanstonds zijn partikuliere briefjes uitgeven, waarmede hij uitstekende zaken denkt te maken, de bezadigde redakteur van het Nederlandsch-Indische tijdschrift verzint totaal ongebruikelijke opschriften om boven de bijdrage van Dekker te plaatsen, die hij wenscht op te nemen: „Van den genialen Multatuli” zal hij er boven zetten. Kortom het is, zooals Dekker zelf in de brieven schrijft, een „rage”.De persoon met wien Dekker nu in de eerste plaats te doen kreeg en met wien hij in belangrijke betrekking zou blijven gedurende het geheele tijdperk, dat wij in het tweede deel der Brieven afgespiegeld vinden, was de heer mr. J. van Lennep, rijksadvokaat, een der leiders der oud-konservatieve partij, Amsterdamsch patriciër. Tusschen de menigte menschen, die wij, als wij in onze verbeelding een résumé vormen van Dekker’s leven uit dezen tijd, hem zien omringen, staat Van Lennep vooraan; op hemvalt het meeste licht. En geen wonder! Van Lennep toch bezorgde de uitgave vanMax Havelaar, stelde Dekker in de gelegenheid de eerste helft van ’t jaar 1860 met zijn gezin als een rustige tusschen-periode door te brengen, en bleef voortdurend met hem in relatie over financiën en andere, wellicht nog gewichtiger, de uitgave rakende zaken. Wij zullen deze geschiedenis, als zijnde een der belangrijkste perioden in Dekker’s leven, volgen zoo als de Brieven ons geleidelijk met haar bekend maken. Er zal onder meer nog een deel Brieven verschijnen, getiteldMultatuli en Busken Huet. Nu, met evenveel recht, had de uitgeefster dit, tweede, deel, kunnen betitelen:MultatulienVan Lennep.Den 23stenNov. 1859 reisde, gelijk wij gezien hebben, Dekker voor het eerst van Brussel naar Amsterdam. Reeds had hij van den heer Jan vernomen, dat Van Lennep metMax Havelaar, door Van Lennepna Tine en Jan, als de derde begunstigde, in handschrift gelezen, uiterst ingenomen was. Van Lennep had aan Van Hasselt geschreven: „In weêrwil van de bleeke inkt, klein schrift, donkere lucht en toenemende verzwakking mijner oogen, heb ik het boek verslonden, „pectus est quod disertos facit” en „facit indignatio verbum” worden ook hier bewaarheid... ’t Is een meesterstuk, met zijn gebreken, of neen, de gebreken, waarover ik klagen zou, zoo ’t een gewonen roman gold, geven in dit werk juist iets meer eigenaardigs, meer verrassends, meer schokkends aan ’t verhaal. ’t Is bl.... mooi, ik weet het niet anders uit te drukken.” De heer Jan had aan Eduard geschreven, toen hij hem deed overkomen: „Hij (v. L.) wil met handen en voeten uwe zaak voorstaan, en verzekerde mij onuitgenoodigd dat hij al zijn invloed in uw belang zal aanwenden. Hij zeide mij zijn zoon (aspt. ambt. eerste klasse) met een en ander bekend te hebben gemaakt, en hem gezegd te hebben: „Ik wenschte mij die zaak aan te trekken met klem, maar misschien zal men later u daarvoordonderen.” Zijn zoon antwoordde: „Pak het aan.””De eerste brief, dien Dekker uit Amsterdam schreef, aan zijn vrouw, bevatte deze hoopvolle zinsnede: „Morgen tien uur naar Van Lennep, die volgens Jan, dol ingenomen is met mijn zaak, en mij absoluut wil helpen. Dus heerlijke vooruitzigten.” En in den tweeden, na het bezoek bij Van Lennep, heet het: „Maar Van Lennep! Daar ben ik geweest, en ik kan je niet uitdrukken hoe die man mij ontvangen heeft. ’t Is kompleet een schadeloosstelling voor al de miskenningen. Nooit had ik op zooiets durven hopen...” enz.Dekker begon dus Van Lennep te beschouwen, en Van Lennep begon zich ook werkelijk te gedragen als: Dekker’s beste vriend. In een brief van 6 Dec. ’59 lezen wij dat De Bull, met wien Dekker ook in konnektie kwam, na den plotseling voorgevallen dood van het Kamerlid Stolte, Dekker in diens plaats wilde doen verkiezen, en dat Van Lennep zelfs zoover gegaan was op eigen houtje over Dekker te spreken met de kiesvereenigingen. Als de voormalige ministerBaud, dien ook Dekker zeer waardeerde, zich bij die gelegenheid niet ook kandidaat had gesteld, zou Dekker kamerlid of althans kandidaat zijn geworden. Hij had dit trouwens alleen willen worden om R[ochussen, den minister] te dwingen hem Raad van Indië te maken (zie 2edl., blz. 20). Ten dien einde, om Rochussen te doen voelen dat hij wakker was en werkte, schreef Dekker toen ook een paar staatkundige dagbladopstelletjes, die 9 en 10 December in deAmsterdamsche Courantverschenen en onderteekend waren: „Eduard Douwes Dekker, op verzoek eervol ontslagen Assistent-Resident.” Wij lezen in dezen tijd van de korrespondentie niet anders dan dat De Bull, Tydeman en vooral Van Lennep dagelijks voor Dekker in de weer waren. Dato 8 Dec. lezen wij: „Gister zond ik een brief aan V. L., en hij, die een perfecte kerel is, zond dien aan R[ochussen] met een flink bijschrift. Hij zegt: „pas op, vriendje, ik verzeker je dat D. D. een man is, en als je hem wat lang laat wachten maak je hem ongeduldig en dat raad ik je niet aan.””Van Lennep, Hartsen en De Bull (Amsterd. Courant) en Tydeman (Handelsblad) vertegenwoordigende de twee staatkundige partijen, wilden allen Dekker in de Kamer hebben. Daarop stelde Baud zich op de rij, aan wien de eerstgenoemde partij zedelijke verplichtingen had en dien zij dus, vóór alles, nu moesten steunen. Tydeman was echter tegen Baud en wilde Dekker als den tegenkandidaat poseeren. Daar Tydeman echter door Van Lennep zelf zoo voor Dekker was opgewarmd, vond Dekker het onedelmoedig door met Tydeman mede te gaan Van Lennep in het vaarwater te zitten. Hij kon dit dus niet doen.Reeds bij dezen brief, van 8 December 1859, biedt de uitgeefster ons een exposé van den toestand, waarop al deze zaken betrekking hebben.Van Lennep was een der leiders van de konservatieve partij, waartoe ook de minister Rochussen behoorde. Door het ministerie, waarvan ook Rochussen deel uitmaakte, was juist nu echter een spoorwegwet voorgesteld, waar de Amsterdammers, met o. a.Van Lennep aan ’t hoofd, sterk tegen waren. Van Lennep en De Bull met zijnAmsterdamsche Courantageerden dus tegen het ministerie. Toen de zaken juist zóo stonden, kreeg Van Lennep het handschrift vanMax Havelaarin handen. Hij begreep terstond deportéevan dit werk en welke waarde het als wapen in het arsenaal der ministeriebestrijders hebben kon. Van Lennep’s ingenomenheid met Max Havelaar op zich zelf was oorspronkelijk oprecht. Maar, „hetzij dan gaandeweg, hetzij reeds terstond” zegt de uitgeefster der Brieven, kwam bij Van Lennep de gedachte op, Max Havelaar vooral als strijdmiddel tegen het ministerie te gebruiken. De uitgeefster gebruikt niet het woord „vooral” maar uit haar toon valt op te maken, dat zóo toch haar bedoeling is. Wij zijn het daarmede niet eens. De bespiegelende ingenomenheid van Van Lennep met Max Havelaar kon zeer goed met zijn inzicht in het praktische nut, dat het boek voor hem en de zijnen hebben kon, samengaan, zonder dat het éene in zijne waardeeringzwaarder woog dan het andere. Maar verder is de voorstelling, door de uitgeefster aan de zaak gegeven, naar ons voorkomt juist,—tot aan de eindkonklusie. Zij zegt dan, dat Van Lennep, die volgens Dekker’s beschrijving een joviaal, aangenaam mensch was, schik had in den strijd en er dus een soort vanschalkschgenoegen in vond den minister Rochussen uit de verte met dat boek, den M. H., te dreigen. Maar zijne partijgenooten vermaanden hem tot kalmte en ingetogenheid. Vooral zijn schoonzoon Hartsen, deftig man van den eersten graad, lid der Eerste Kamer, van wien de uitgeefster eenigszins ironisch vermeldt, dat hij „ontzaggelijk ingenomen” met Max Havelaar was, maar ondertusschen het manuscript weken lang onder zijne berusting hield, zonder aan den schrijver eenig blijk te geven van geestdrift of waardeering. De spoorwegwet werd in de Eerste Kamer afgestemd, en de uitgeefster zegt, dat Van Lennep zich toen „liet sussen”. Hij had toen den Max Havelaar niet meer noodig als wapen tegen het ministerie, hij bezorgde dus wel de uitgaafvan het boek, „maar in zijn, in 1862 uitgegeven brochure, staat toch met ronde woorden te lezen, dat het zijn doel was de verspreiding van het werk te belemmeren.” Hieruit zou men dus moeten konkludeeren, dat, indien de spoorwegwet niet afgestemd geworden ware, Van Lennep den Max Havelaar uitvoeriger zoude hebben doen verspreiden. Met deze opvatting kunnen wij ons slechts gedeeltelijk vereenigen.Doch wij zeggen met de uitgeefster „later meer daarover”, en willen eerst de geschiedenis van Dekker’s betrekking tot Van Lennep voortzetten waar wij haar geschorst hebben.Van Lennep dan, vernemen wij nog, had aan Rochussen geschreven: „Indië heeft een man noodig en Dekker is die man.” Intusschen maakte Dekker zich steeds zeer bekommerd over de „bijzaken” en begon de vreeselijke drukte van zijn leven, waaraan hij niet gewoon was, hem zeer te vermoeien; zoodat wij, do. 10 December, lezen, dat, nu Rochussen eindelijk geantwoord had in afwijzenden zin op het voorstel omDekker Raad van Indië te maken, Dekker er naar verlangde uit Holland weer weg te komen en in Brussel op zijn gemak wat te rusten en te werken. 11 Dec., toen hij nog niet wist, wat het „ontzaggelijk ingenomen” van Hartsen beduidde, wilde hij weer wèl in Amsterdam blijven, enthousiast als hij was over Van Lennep’s brief, waarin dat oordeel van Hartsen werd medegedeeld.Tusschen 11 December 1859 en 11 Januari 1860, vernemen wij nog alleen, dat de heer Jan een voorloopige bijdrage van vier honderd gulden wil geven om Dekker in staat te stellen zich met zijn gezin in Brussel te etablisseeren, waar hij dan door werken zelf verder ook geld zou verdienen; maar dat Dekker, rekenende met zijn familie vier honderd gulden per maand noodig te hebben, zich op dié verbintenis alleen niet durfde verlaten om de expatriëering te ondernemen. Ook hooren we, dat de heer Hartsen wel duizend gulden op deMax Havelaar-uitgave zou willen voorschieten, maar dat Dekker dit voorstel repugneerde daar het zooveel overeenkomst had met „beleenen op pand.”Vóór den éénigen brief, die uit deze periode beschikbaar was en waarvan wij hier den inhoud mededeelden, heeft de uitgeefster der Brieven een aanteekening geplaatst, die, indien men bedenkt in welke verhouding zij zelve gestaan heeft tot Dekker’s eerste echtgenoote, niet onaardig karakteristiek is, in hoe bezadigde en kroniek-achtige termen dan ook vervat. „De brieven,” schrijft zij, „sluiten nu niet meer zoo geregeld aan elkaar als vroeger. Eenigen zullen verloren zijn gegaan, anderen opzettelijk vernietigd. Dit laatste durf ik veronderstellen omdat ik dikwijls in later jaren heb bijgewoond (wij wisten niet, dat de dames elkaar zóo intiem hadden gekend, dat de eene in bijzijn der andere handelingen volbracht, die anders bij uitstek behooren tot die, ter volvoering waarvan men een oogenblik van eenzaamheid afwacht) dat Tine een brief van Dek ontvangende, zoodra zij bemerkte dat er iets in stond wat haar onaangenaam zou aandoen, dien verscheurde en in de kachel wierp.”Men kan begrijpen welk een gevoel zulk een handeling van Dekker’s eerste vrouwopwekte in Dekker’s tweede vrouw. Zij, die Dekker zoo vereerde, moet deze handeling wel afgrijselijk hebben gevonden, en indien, waaraan na haar eigen mededeeling natuurlijk niet te twijfelen valt, mevrouw Douwes Dekker-Hammink Schepel er in levenden lijve bij tegenwoordig is geweest, dat mevrouw Douwes Dekker-Van Wijnbergen Dekkers brieven, als teeken van afschuw, in de kachel wierp zonder ze gelezen te hebben, mag men wel aannemen, dat al haar wél-opgevoedheid haar op zoo’n oogenblik ten dienste heeft moeten staan om haar te beletten als eene furie op hare voorgangster aan te vliegen en haar de kostbare papieren te ontrukken, die zij snood aan de vernietiging wilde prijs geven.Intusschen moeten wij met de uitgeefster van meening verschillen, waar zij uit het feit, dat Dekker’s eerste echtgenoote, toen de verhouding tusschen haar en haar man ten uiterste gespannen geworden was, zijne brieven in woede en verdriet vernielde, het gevolg trekt, datTinezich ook reeds in een vroegere periode, toen de verhouding, in vergelijkingmet later, nog weinig te wenschen overliet, zich aan soortgelijke handelingen zou hebben schuldig gemaakt. Wij gelooven eerder dat de brieven die hier ontbreken „verloren zijn gegaan”, dan dat zij „opzettelijk vernietigd” zouden zijn.De eerstvolgende brief, welken wij nu te lezen krijgen, is van 10 of 11 Januari 1860. Wij vernemen daaruit, dat Dekker met zijn gezin den 15enJanuari naar Brussel zal gaan, om eenige maanden rust te genieten. De heer Jan gaf ƒ400 als voorloopig voorschot, waarvan echter ƒ100 afgetrokken zou worden, naar wij uit den brief meenen te begrijpen, voor de passage van de baboe, die naar Indië teruggezonden werd. En de heer Van Lennep—daarom passen deze mededeelingen hier noodzakelijk in dit historisch overzicht—zou ƒ200 per maand geven, waarvan echter ƒ50 zou worden afgetrokken ten bate der Wageningsche tantes. Tijdens Dekker’s afwezigheid zoude dan Van Lennep de uitgaaf van Max Havelaar bezorgen.Zeer juist merkt de uitgeefster op, dat het, met het oog op het, later gevolgde, bekenderechtsgeding tusschen Dekker en Van Lennep, over het eigendom vanMax Havelaar, niet weinig belangrijk geweest zoude zijn, indien zij ook de tijdens Dekker’s verblijf te Brussel in dezen tijd tusschen hem en Van Lennep gewisselde brieven had kunnen opnemen in de korrespondentie. Doch de pogingen, in 1871 door Dekker zelf, en nú, bij de voorbereiding dezer uitgave der Brieven, door de uitgeefster aangewend, om die brieven machtig te worden, zijn mislukt. Tijdens het rechtsgeding had Dekker ze, ter vervollediging der geding-bescheiden, aan zijn advokaat, Mr. J. G. A. Faber, ter hand gesteld. Doch deze heer wist later niet waar zij gebleven waren, en Mr. Mouthaan, de opvolger van Mr. Faber, had ze ook niet, bij den overgang van het kantoor, van dezen overgenomen. Ook de heer Willem van Lennep, zoon van Mr. Jacob, door de uitgeefster daarnaar gevraagd, kon zich niet herinneren bij de papieren zijns vaders brieven van Dekker te hebben gevonden. De uitgeefster neemt dus aan dat die vernietigd zijn. (Zie Br. 2edl., blz. 61, 62.)Eenige maanden leefde Dekker nu vereenigd met zijn gezin te Laeken (Brussel). De uitgeefster merkt aan, dat dit een tijd van betrekkelijke rust voor het gezin was. De uitstapjes, van hier uit naar Spa ondernomen, hebben wij reeds vermeld. In Mei verscheen de Havelaar, 14 Juni reisde Dekker terug naar Holland.Wij vestigen er de aandacht op, dat Dekker dus, toen de voorbereidende maatregelen ter uitgave werden genomen en toen de uitgave plaats had, niet ter plaatse aanwezig was. Wij vestigen hierop nadrukkelijk de aandacht, omdat Dekker op die wijze verzuimde den persoonlijken invloed op de wijze van uitgeven te oefenen, waardoor wellicht de verkeerde praktijken voorkomen hadden kunnen worden, waarover hij zich later vruchteloos beklaagde. Was deze onthouding van onmiddellijk persoonlijk beheer niet wijs, niet verstandig,—zij was daarentegen zeer natuurlijk en verklaarbaar. Dekker had de grootste behoefte aan rust, na al het tobben en zwerven en de druktes der laatste jaren, en: Dekker beschouwde Van Lennep alszijn besten vriend en vertrouwde hem volkomen; dat wil zeggen: vertrouwde volkomen, dat Van Lennep Dekker’s belang begreep, precies zooals Dekker dat zelf begreep, en dat hij dit op die wijze begrepen belang, zonder eenige andere konsideratie, tot richtsnoer van zijn handelingen zoude nemen.Dekker reisde naar Rotterdam, van waar uit hij de korrespondentie met zijne vrouw hervatte. Hoofdzakelijk vernemen wij nu vooreerst alleen Dekker’s blijde uitingen over het steeds grooter en grooter wordend, en hem zelf verbazend, welslagen van zijn werk. Do. 17 Juni (1860) spreekt Dekker reeds van eene „nationale inschrijving,” waar hij toen zekeren Van Prehw zich aan ’t hoofd van wilde zien stellen. Dit schijnt dus geen denkbeeld van later geweest te zijn, maar tijdens of even vóor deHavelaar-uitgave bij hem te zijn opgekomen. Waar wij echter op ’t oogenblik, met betrekking tot de kwestie-Van Lennep meer belang in stellen, is de reeds in dienzelfden brief van 17 Juni voorkomende uitlating: „Maar uit alles blijkt dat die De R. een slaapmuts is.”Hiermede werd bedoeld: de door Van Lennep voor deze onderneming aangezochte uitgever De Ruyter. Tels, de hoofdredacteur der N. Rott. Crt., had namelijk gezegd, dat er nú reeds (na pl. m. vier weken) een derde druk van het werk had moeten zijn, en Nijgh, de uitgever der N. Rott. Crt., dat er duizend exemplaren naar Indië hadden behooren te worden gezonden.„Is dat nu niet gloeiend jammer,” schrijft Dekker, „dat door zulke slaperigheid mijn boek minder effect maakt dan het bij een flinken boekverkooper maken zou? Het is om te schreien. En je begrijpt dat als de furore eens voorbij is zooals alle fureurs en enthousiasmes voorbijgaan,—dat het dan te laat is.”Wij spatiëeren deze laatste woorden. Hierop, zal men zien, komt het aan, hierop is het geschil tusschen Dekker en Van Lennep gegrondvest; namelijk op het antwoord, dat de vraag uitlokt:waarvoorhet „dan te laat” zoude zijn.Maar wij zien verder. Blz. 71 lezen wij: alles zou goed gaan... „maar die vervloekteDe Ruyter”. „Ik klaag bij V. L. steen en been over De Ruyter. ’t Is een ware schande,” do. 25 Juni: „Ik begin hoe langer hoe meer in te zien, dat men wel mijn boek verheft als boek, maar verder niets. ’t Is wel hard!”Voortdurend houdt hij zich nu bezig met de recensiën, die achtereenvolgens de verschillende tijdschriften overMax Havelaarpubliceerden. De brieven aan Tine zijn daar vol van. Hij had toen nog niet de verachting voor het publiek en de publieke opinie, die zich langzamerhand van hem zou meester maken. Hij genoot er nog even kinderlijk als buitensporig van zijn naam overal gedrukt te zien—iets volstrekt ongewoons—en al de verschillende meeningen en uiteenloopende waardeeringen over zijn, hem zoo innig van nabij bekend, geesteskind te lezen. Men kan dit genot vergelijken bij dat van eene moeder, die een eenig teér bemind zoontje heeft, dat eenige jaren lang met de uiterste zorg door haar is verpleegd en opgevoed, altijd in het stille huiselijk intérieur, waar alle leed en elke harde aanrakingmet de buitenwereld ver van hem werd gehouden; en die nu, voor het eerst, hem een kinderpartij laat bezoeken. Hoe leeg voelt zij hare hand als zij hem loslaat, opdat hij zich alleen en vrij onder de speelgenootjes zal gaan bewegen. Zie, daar gaat hij, zij kijkt hem na. Ja, hoe kijkt ze hem nu na, hoe spitst ze nu het oor, om te zien en te hooren, wat die en wat die en wat die derde zal zeggen van haar schat, van haar kind! Wèl luistert zij aandachtig naar wat men dáarvan zal zeggen, en wát dáarvan, wat van zijn oogjes, wat van zijn heele gezichtje, wat van zijn blonde haar, wat van zijn lieve kleertjes, die zij met zooveel zorg en oplettendheid heeft gekozen en geschikt...Nu, zóo volgde Multatuli de appreciaties, die zijn eerste boek ten deel vielen.De eerste uiting van ontevredenheid tegen Van Lennep treffen wij aan in een brief van 23 Juni:„Van Lennep komt mij voor alsof hij zeggen wil: ik heb het mijne gedaan! En eigenlijk heeft hij niets gedaan,want als de M. H. het aan mij verstrekte geld niet dekt,dan is dat de schuld van den beroerden boekverkooper waar hij mij gebracht heeft.”De Ruyter had maar dertig ex. van M. H. naar Indië gezonden. „Is dat niet om te schreien?” roept Dekker uit. „En dan praat V. L. van ondankbaar [-heid jegens De Ruyter.]” Do. 22 Juli lezen wij: „Ik zoek geld om baas te worden over de uitgave, want die de R. is ellendig. De vent heeft geen verstand van de zaak, maar Van Lennep zit mij in den weg”; 29 Aug.: „Ik ben dol op dien De Ruyter! V. L. is weer in stad gekomen, maar ik heb hem niet te huis gevonden. ’t Is bedroevend!” 1 Sept. lezen we, dat Dekker nog bij V. L. geweest was, waar allen hem heel hartelijk ontvingen. Een paar dagen later: „Die vervloekte zaak met Van Lennep. Nog ben ik daarmee niet klaar.” Op 12 Oktober: „[ik heb] ruzie met Van Lennep” en „Van Lennep is... ja ik weet niet wat ik er van zeggen moet.” Van Lennep had namelijk, eindelijk, na lang talmen, op Dekker’s voortdurend aandringen, dat er vanMax Havelaareen goedkoope uitgaaf zou bezorgd worden, geantwoord:„Wie een huis koopt heeft het recht het te verbouwen zonder den verkooper te raadplegen.”Dit antwoord van Van Lennep bracht het tusschen hem en Dekker tot een uitbarsting. Op 20 Oktober lezen wij: „Misschien zal ik moeten overgaan tot de treurige noodzakelijkheid om V. L. een proces aan te doen. Dat zal mij zeer hard vallen. Prof. Veth is het met mij eens dat hij mij infaam behandeld heeft. De opgang van M. H. stijgt nog. ’t Is ongehoord. De eerste druk is zoo goed als uitverkocht en V. L. wil de volgende drukken voor zich houden!” 3 November 1860: „Ik lig overhoop met Van Lennep. Ik moet gelooven dat hij mij bedrogen heft. ’t Is schande.”13 November vernemen wij dat de kogel door de kerk is in deze lakonieke woorden: „Proces met Van Lennep.”Zes maanden later, 15 Mei 1861, werd in dit proces voor de eerste maal gepleit.In een brief van 2 Juni schrijft Dekker: „Proces Van Lennep eerste instantie, heb ik verloren. Never mind! appel! Ik zal ’t behandelen.”Dekker of zijn advokaat hebben geäppelleerd van het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, en den 22stenMei 1862 kwam de zaak voor het provinciaal gerechtshof.In het schrijven van 24 Mei 1862 heet het: „Verleden Donderdag heb ik gepleit voor ’t Hof. Had je ’t gelezen in de courant? Maar er staat niets bij, alleen dat ik gepleit heb. Die zaak met V. L. verveelt mij.”Het Hof heeft toen het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. Wij teekenen hierbij terstond aan, dat Dekker zich in dit proces misschien meer dan bij welke gelegenheid ook, door zijn zenuwachtigheid en ongestadigheid heeft laten beheerschen. Hij verloor het proces in eerste instantie en keurde de rechterlijke uitspraak goed, omdat het punt, waar het opaankwam, niet in behandeling was geweest; ja maar, zeggen wij, als hij wat bedaarder was geweest, zoude hij zelf gezorgd hebben, van te voren, dat het in behandeling kwam. Maar goed, dit was dus een afgedane zaak, en hij had besloten te appelleeren. Voor het provinciaal gerechtshof,een jaar later, pleitte hij zelf. Men moet naar alle redelijkheid veronderstellen, dat hij persoonlijk heeft willen pleiten, om des te zekerder te zijn van te overwinnen, nú zéker te overwinnen. En ziet, toen het op stuk van zaken kwam,verwaardigde hij zich niet te pleiten, zoodat hij, ten tweeden male, erkennen moest, dat ook het provinciaal gerechtshof goed had gehandeld met hem in het ongelijk te stellen. In Idee 289aleest men hierover:„Wat mij zelf aangaat, voor ’t hof betuigde ik kortelijk dat boek niet aan den heer V. L. verkocht te hebben. Betoogd, bewezen, gepleit heb ik niet. Vóór de zitting reeds ontwaarde ik dat de voorzitter stokdoof was, en bovendien ik wist... kortom, ik was misselijk van de zaak en dat ben ik nog. Toch voel ik mij verplicht te erkennen dat het Hof, na mijn dédain om de zaak behoorlijk uit te leggen, niet anders beslissen kon dan het gedaan heeft.”Indien men de toedracht dezer zaak goed overweegt, zal men in dit geval een zoo duidelijk en plastisch mogelijk gegeven vindenvan den voorraad, waaruit de heer Swart Abrahamsz heeft geput, om tot zijne kenschetsing van Dekker als neurasthenicus te komen. Dit is zoo echt neurasthenisch mogelijk. Men doorziet den toestand van hier, daghelder, zoo als hij zich heeft voorgedaan. Dekker was bepaald voornemens persoonlijk voor het provinciaal gerechtshof te pleiten. Wie weet of hij zelf geen uitvoerige rede op papier had geprojekteerd. Maar toen de zitting aanving, had hij bemerkt, dat de voorzitter hem en zijner zaak antipathiek gezind was, hij stond daar tegenover lieden, die hij wist dat verreweg zijn minderen waren, hij las op hun gelaat een dom en onherroepelijk misnoegen jegens hem,... toen kwam, onwederstaanbaar, een hevige wrevel in hem op, nooit was het kontrast schriller geweest tusschen hem en de maatschappij, nooit pijnlijker onmiddellijk merkbaar, schier stoffelijk voelbaar,... wat! hij de van God gezondene, hij met zijn koninklijke ziel (in bruisende fantasieën leefden de grootheids-verbeeldingen in hem op), hij stond hier tegenover ordinaire menschen, die hem aankeken zooals fatsoenlijkeburgermenschen een ploert aankijken in wiens gezelschap zij genoodzaakt zijn eenige oogenblikken door te brengen,... en zij, in welke hoedanigheid bevonden zij zich tegenover hem... als rechters, die hij goedgunstig voor zijn zaak moest trachten te stemmen... het was te erg, ziet, zij zagen hem aan, minachting bespeurde hij in hunne fysionomie, als hij gepleit had zouden ze hem openlijk veroordeelen en... in hun binnenkamers, in hun gezin, wellicht heimelijk... bespotten... Het was te vreeselijk... déze wrevel kòn hij niet overwinnen, in zich zelf dacht hij: laten ze naar de weêrlicht loopen, liever het grootste nadeel, dan déze vernedering! Hij moest zich nog inhouden om hun geen stoel naar ’t hoofd te werpen; het was al wél; hij beheerschte zich reeds voldoende met hun nog een oogenblik te woord te willen staan. Maar méer zou hij ook niet doen.Zóo stellen wij ons de toedracht dezer zaak voor. Ware Dekker beter geéquilibreerd geweest, hij hadd’ zijn wrevel onderdrukt, hij hadd’ zijn oogen gesloten voor de stemming van het Hof, zooals die op het gelaat derleden voor zijn scherpzienden blik te lezen stond, en hij hadd’ eene zoo vernuftige rede gehouden, dat hij de rechters te gelijk in bewondering ontstak voor zijn talent en overtuigde van de rechtvaardigheid zijner zaak. Maar Dekker kón niet, hij was een prediker maar geen advokaat, hij had hartstocht maar geen takt, en hij werd het slachtoffer van de eigenschappen van zijn gestel, zoo als die zijn gedragingen influenceerden.Later, 2 October 1863, heeft Dekker vrede gemaakt met Van Lennep; de uitgeefster der Brieven vermoedt dat geldverlegenheid hiervoor de hoofdzakelijke reden is geweest.Na de bescheiden betreffende het proces, behelst het 2edeel ten slotte de brieven van den heer Van Lennep aan Dekker van de jaren 1863–67, waarbij telkens de aan Dekker komende gelden wegens den verkoop van denHavelaarper assignatie worden overgemaakt. De laatste brief betreft het voorstel van Dekker, dat De Ruyter het kopierecht van M. H. zoude verkoopen, hetgeen Van Lennep ontraadt. Een jaar later, 25 Augustus 1868, overleed Van Lennep; in Augustus1870 is het kopierecht werkelijk verkocht, in den zomer van 1871 hebben de erven van Van Lennep de helft van de opbrengst dier verkooping (zijnde dit hun geheele aandeel, daar de andere helft den uitgever toekwam), aan Dekker uitgekeerd. De termen, waarin Dekker, ten einde het piëteits-gevoel der Erven V. L. jegens hun vader niet te kwetsen, om die uitkeering vroeg, luidden: het „op welwillende wijze ten behoeve van den schrijver door wijlen den heer Mr. J. van Lennep gereserveerde aandeel in den Havelaar.”De uitgeefster besluit deze episode en het 2eBrievendeel, met deze woorden:„In armoede was de Havelaar ontstaan, en in armoede zocht de gemartelde schrijver naar een term om bij den eersten verkoop van het copyrecht van zijn boek, de helft der opbrengst in handen te krijgen. Want òf hem dat gelukken zou, was, toen hij de woorden samenvoegde, nog een vraag.Kassian over hem!En over die anderen...”De uitgeefster dezer Brieven heeft den beoordeelaar voor een moeilijk vraagstuk gesteld. Tusschen de regelen bevat dit tweede deel de uitnoodiging een oordeel uit te spreken in de zaak, welke ons hier voorgesteld wordt. Het heele boek bevat één doorloopende aanklacht tegen Van Lennep. Het is alsof er tusschen de nagedachtenis van Van Lennep en die van Dekker beslist moet worden. Het is eene beschuldiging van Van Lennep wegens verraad (dit woord wordt in de Brieven herhaaldelijk gebruikt), verraad aan de vriendschap, die hij met Dekker had aangegaan, eene beschuldiging, die, in de schatting der volbloed-Multatulianen zich ongetwijfeld vergroot tot een van verraad jegens het vaderland, omdat, zoo redeneeren zij, had deHavelaaruitgewerkt hetgeen Dekker er mede bedoelde, dan zoude Dekker het bestuur der koloniën of iets dergelijks in handen hebben gekregen en zou het vaderland tot bloei en grootheid zijn gebracht. Ja, het jongere, radikale, geslacht in Nederland zal er eene beschuldiging te meer in zien tegen het oude régime, vertegenwoordigddoor een zijner leiders, Van Lennep.Er is echter nog een andere zijde aan dit vraagstuk, en als wij het van die zijde bezien ontwaren we, dat wij dubbel voorzichtig en vooral niet voorbarig moeten zijn met het formuleeren eener opinie. Wij bedoelen: als wij den blik wenden naar Van Lennep’s nakomelingen. Al achten wij, naar onze persoonlijke meening, karakterdeugden van een sekundair belang waar het de appreciatie vanverbijsterend grootetalenten geldt (uitdrukking van Huet),—wij achten Van Lennep, gelijk reeds werd aangemerkt, volstrekt niet een talent van die grootte te zijn. Opdat hij eenigszins eene reputatie behoude, moet zijn karakter onaangetast blijven. Dit meenen wij niet alleen, dit meenen ongetwijfeld zijne nakomelingen evenzeer, en hij zelf was niet minder van die meening. 2 October 1863 schrijft Van Lennep aan Multatuli: „.... ik ben herhaaldelijk door u in openbaren druk beschuldigd, gespeculeerd te hebben op uw boek. Niet voor het publiek, waar ik mij evenmin aan stoor als gij het doet, maar voor mijn kinderen en kindskinderen,wien ik gaarne het bewijs wilde nalaten, dat geen vlek van baatzucht op mij kleeft, verlang ik van u een schriftelijke retractatie van die beschuldiging.”Laat ons, voor we ons eene meening over deze zaak vormen, met aandacht en kalmte nagaan wat er eigenlijk was geschied. Om met juistheid en volledigheid Dekker’s eigen interpretatie der feiten te doen kennen, zouden wij den brief, waarin hij aan zijn advokaat, Mr. Faber, een exposé van den toestand geeft, geheel en al moeten aanhalen; doch wegens de te groote uitgebreidheid van dien brief moeten wij daarvan afzien. Dit stuk bevat trouwens bijzonderheden over de armoede en het ongeluk, waarin Dekker verkeerde toen hij tot den heer Van Lennep kwam, die wel zeer geschikt zijn om den heer Faber een juiste waardeering van den toestand te geven, naar moreelen maatstaf; maar die ons vooreerst reeds meer dan bekend zijn en ten andere tot de feiten als zoodanig niets afdoen.Laat ons zien, wat was er gebeurd, waarover liep het proces?Toen Dekker in het voorjaar van 1860 in Brussel was gaan wonen met zijn gezin om eenige rust te genieten, daartoe in staat gesteld door Van Lennep’s voorschot op de opbrengst vanMax Havelaar(zoo als de heer Van Lennep het later volhield), daartoe in staat gesteld door een voorschot van den heer Van Lennep buiten verband met de eventueele opbrengst van M. H. (zooals Dekker steeds bleef beweren); toen Dekker dus in Brussel vertoefde, ontving hij van Van Lennep een schrijven, waarin de volgende alinea:„Om nu met De Ruyter een contract te kunnen maken dien ik bewijs te hebben, dat ik daartoe recht heb. Noch hij, noch eenig uitgever zal natuurlijk drukken, veelmin geld geven zonder overdracht van het copyrecht, en dat kan ik hem niet overdragen, zonder te kunnen aantoonen dat ik het bezit. Wees daarom zoo goed mij met het adres aan Sire een stuk op zegel (Belgisch) te zenden, waarbij gij verklaart mij het copyrecht over het werk, getiteld enz., te hebben afgestaan, en daarvoor te zijn voldaan naar uw genoegen.Ik kan dan in de overeenkomst die ik met De Ruyter maak...”Dekker voldeed aan dit verlangen door aan Van Lennep de volgende akte van cessie te zenden:

Deze geestestoestand van Dekker heeft op al het werk van Multatuli zijn stempel gedrukt.Beschouwen wij thans de appreciatie, welke de maatschappij, de maatschappijgrosso modo, voor personen als Dekker heeft. Wij spreken dus niet van het betrekkelijk kleine gedeelte der maatschappij, dat hooger intellektueel en artistiek ontwikkeld is en een bijna uitsluitende vereering koestert voor het talent in den mensch. Dit gedeelte integendeel zonderen wij nadrukkelijk uit, en spreken dan voor ’t overige van de maatschappij in ’t algemeen, in haar geheel, met al hare standen en graden van ontwikkeling.De kunst dan staat niet zoo allerhoogst aangeschreven bij die maatschappij. Het gevoel van Lodewijk den XIVden, de inkarnatieen verpersoonlijking van het begrip „aanzienlijkheid” in de maatschappij, voor Molière b.v., dien hij zonder twijfel voor den grootsten blijspeldichter zijner eeuw hield, en dien hij, ten blijk daarvan, tot den rang van hof ... kamerdienaar bevorderde,—dat gevoel leeft, hoezeer ook door de veranderde toestanden gewijzigd en in andere vormen zich openbarend, nog steeds voort in de hoogere standen, voor zoover althans hunne kerkschheid de kunst niet geheel en al tot een verboden artikel voor hen maakt. De vorsten en prinsen, en in hun gevolg de geld-aristokraten, en in dier gevolg wederom de deftige en minder deftige burgerij, beschouwen de kunstenaars nog altijd min of meer als de lieden, wier taak is hun amusement te verschaffen, hun eenigen tijd aangenaam of lachwekkend bezig te houden, die zij daarvoor betalen, de musici en muzikanten om hun gehoor streelend aan te doen als zij aan tafel zitten en zelf de zorg voor het genot van hun verhemelte op zich hebben moeten nemen (diner), en om hun het dansen gemakkelijk te maken(bal), om hun een voorwendsel te geven bijeen te komen, de dames om elkanders toiletten te bewonderen en te benijden, de heeren om deze dames te courtiseeren en elkander hun dekoraties of andere voornaamheid te toonen (soirée, koncert); de schilders, zoo al niet om hun woningen fraaier te verven dan rijtuigschilders daartoe in staat zijn, dan toch om hun wanden te behangen met kostbaarder voorwerpen dan Delftsch aardewerk of gobelintapijten; de letterkundige kunstenaars, ja, het moet gezegd worden, dat deze nog het minst in aanzien staan.Vroeger had men aan de hoven den nar, dien geestigheden te zeggen, den poëet, dien de cither te bespelen en roerende liederen te zingen of te deklameeren als hunne taak was opgedragen. Zij waren de bedienden, die met de zorg voor het humeur van den vorst en zijne omgeving waren belast, zooals anderen in de keuken, met de zorg voor zijn maag, anderen met het reinigen en optooien zijner vertrekken belast waren. Heden ten dage treft men, ingewijzigden vorm, hetzelfde verschijnsel aan, als de gastvrouwen op hunne soirées een dichter noodigen om het gezelschap wat van zijne verzen voor te dragen en de liefhebberij-vertooning van een zijner tooneelstukken te leiden. Maar dat deze gezelschappen, de dragers der algemeene maatschappelijke opvattingen, den dichter bepaald als hun meerdere beschouwen om zijn talent, hem als zoodanig de voornaamste plaats in hun midden aanbieden, hem eeren en eerbiedigen, dit komt niet voor.O zeker, er zijn vele uitzonderingen op dezen regel. Het gebeurt wel, dat menschen, vooral dames, dwepend ingenomen zijn met een schrijver en hem om zijn talent boven andere menschen stellen in hun hoogachting, dat vermaarde auteurs aan middagmalen worden genoodigd en hun de eereplaats aan de zijde der gastvrouw wordt aangeboden. Deze laatste gevallen zijn vooreerst zeldzaam, in de tweede plaats geldt de eer aan den auteur bewezen veeleer zijn roem, zijn vermaardheid, en—dit is een gewichtig punt—dekarakterdeugden, die hij moetbezitten naast zijn talent om zich tot zulk eene vermaardheid te hebben kunnen opwerken.In het algemeen kan men zeggen, dat in de maatschappij, in haar geheel genomen, het letterkundig talentan und für sichzeer weinig in aanzien staat, en dat het talent in een persoon zonder karakter zelfs in het geheel niet wordt geëerd.„Nu ja,”—dacht of zeide de maatschappij van Douwes Dekker, toen, wat wij zijn enorm talent noemen, eenmaal gebleken was, „nu ja, veel talent, veel „macht over de taal,” maar overigens een man zonder karakter, een slecht mensch, die zijn talent misbruikt in dienst der booze neigingen van zijn hart. Wat heeft men aan een talent, wat beteekent al talent, indien het niet gebruikt wordt in dienst van God of van de maatschappij, om er ernstige en stichtelijke werken mede tot stand te brengen. En wat is een man waard, welke aanspraken kan een man op onzen eerbied doen gelden, indien hij al mooie boeken schrijft zoo hij zelf door zijn leven een slecht voorbeeld geeft aan zijn medemenschen.”Dus luiden de typisch maatschappelijke redeneeringen over het talent. Men ziet, wij zijn hier ver van de meer artistieke opvatting, die het talent als de hoogste en alles overheerschende eigenschap beschouwt, die het spreekwoord huldigt „le talent excuse tout.”Ver ook, ja lijnrecht tegenover, de verwachting, waarmede Multatuli als erkend talent-vol man het openbaar leven in de maatschappij betrad.Hij ondervond dus twee ontgoochelingen, die hem des te heviger aangrepen, naardien in zijn geëxalteerden toestand zijne verwachtingen zich hooger hadden gespannen. Hij werd niet tot onderkoning onmiddellijk verheven; maar de maatschappij, zijn talent nu kennend, behandelde hem zelfs in veel opzichten als een gewoon medeburger, wiens karakter door velen gewogen en te licht bevonden werd.Dit was te veel voor zijn zoo licht ontvlambaar en nu ontvlamd gemoed. Zoolang hij nog niet getoond had wie hij was, zoolang hij zijne ziel nog niet had geopenbaard,kon hij ten minste nog denken, als hij zat te peinzen over al zijne vernederingen: ja, wacht maar, wacht gij lieden maar, ééns zal ik u beschamen en de wereld versteld voor mij doen staan, eens zult gij allen naar mij opzien als ik mij boven u allen zal hebben verheven.Doch nu kon dat niet meer, nu ontzonk hem ook de laatste hoop en troost, in ’t groote namelijk, waartegen de verbetering van zijn levenstoestand in ’t kleine niet kon opwegen. Hem bleef niets over dan groote, woedende bitterheid. Uitlatingen als die in zijne Ideën, waar hij de geheele natie nu voor een troep schelmen uitmaakt, waren van deze bitterheid de openbaringen.Openbaringen van dien alles beheerschenden wrevel waren ook zijn zonderlinge en heftige handelwijzen tegenover bijzondere personen. Zijn prikkelbaarheid had haar toppunt bereikt.Beschouwen wij met onpartijdige bedaardheid zijne houding tegenover zijn broeder Jan Dekker, zooals die vooral in het tweede deel der Brieven uitkomt. Aan dien broederhad hij voor zoover uit de zeer volledige gegevens, die nu tot ons gekomen zijn ten duidelijkste blijkt, groote verplichtingen, terwijl niets er op wijst, dat die broeder ook aan hem, Eduard, iets te danken zoude hebben gehad. Het geld, waarvan Dekker te Batavia leefde in 1857, vóór hij naar Europa vertrok, zal hem wel grootendeels door dien broeder zijn verstrekt; het was dezelfde broeder, die te Rembang Dekker’s gezin bij zich noodde toen hij eindelijk op reis ging, dezelfde, die, in het voorjaar van 1858, Dekker’s rekening over zeven maanden in het Brusselsche logement betaalde, zeer waarschijnlijk was ’t dezelfde gulle man, die hem in staat stelde in dat zelfde jaar verder naar Cassel te komen en daar hem van het noodige voorzag (al kwam Dekker er niet mee toe, zoodat hij te Cassel andere schulden maakte); dezelfde die, in het voorjaar van 1859, de passage van Dekker’s vrouw en de haren naar Europa bekostigde; dezelfde die gedurende de tweede helft van 1859 aan Dekker’s gezin weder een gastvrij dak bood op zijn buitengoedte Brummen; dezelfde eindelijk, die in November 1859, voor de tweede maal zijne logementsrekening te Brussel voldeed en hem in staat stelde naar Amsterdam te komen.Indien men in het oog wil houden, dat de meeste dezer gewichtige diensten door den heer Jan Dekker aan zijn broeder bewezen werden, in een tijd dat deze van zijn hoogere gaven nog niets had doen blijken, terwijl de heer Jan over de handeling van Dekker’s ontslag-nemen geen ander gevoelen kon hebben dan hetgeen wij als het algemeen gevoelen der menschen hebben leeren kennen,—dan zal ongetwijfeld een ieder van meening zijn, dat de heer Jan Dekker een bijzonder goedhartig en edelmoedig mensch was, Eduard in hem een voortreflijk en hem te benijden broeder bezat; en het jammer vinden, dat Eduard zich niet in deze kleinigheid meester kon blijven, dat hij zóó’n broeder ten minste dan alléén in aanraking liet komen met de beminnelijke zijden van zijn karakter (waar hij elders, naar wij lezen, zoo mede te woekeren wist,) zorgvuldig de minder aangename kanten voor hem verbergend,opdat hij zich daar aan niet stooten kon.Reeds uit Brussel schreef Dekker aan zijn vrouw over zijn broeder als over iemand, die eigenlijk verplicht was hem te onderhouden. „Voor de tiende maal vraag ik u: hoe denkt Jan toch dat ik leef” (dl. 1, blz. 133) enz. Reeds in dien tijd, dus vóór het verschijnen vanMax Havelaar, is Dekker verbitterd tegen of allerliefst voor zijn broeder in zijn uitlatingen. Toen de heer Jan zoo ingenomen was metMax Havelaar, dat hij in handschrift gelezen had, en Eduard in staat had gesteld naar Amsterdam te komen, was het tusschen hen tweeën al „botertje tot den boôm” en schrijft Dekker aan zijne vrouw (dl. 2, blz. 11 en volgende):„Beste beste Tine! Heerlijke tijding! Van avond hier gekomen. Jan opgezocht in de Variété. Hartelijk en verzoend, en ik kom meê naar De Buthe......” „Hartelijke ontmoeting, verzoening, afspraak om niet meer te kibbelen” (tusschen de broeders)... „Jan heeft mij een mooie overjas gekocht” ...Spoedig doet de heer Jan echter al wederdingen, die den opgewonden Douwes mishagen: „Wat de zending van Jan naar Rochussen aangaat, ze is compleet mislukt. Toen hij (maar ik vrees niet op de goede manier) gesproken had over Raad van Indië, was R. opgesprongen. Dát kan mij niet schelen, maar wat me wel kan schelen is dat Jan zelf die mij, na mijn uitlegging, had toegestemd dat dit de eenige wijze was om mij te herstellen, nu ook vond dat ik te veel vraagde. Dus alweer de ambassadeur die zijn eigen zaak verlaat.Van morgen wou hij dat ik vragen zou om directeur te worden van eene school te Batavia. Dat was juist iets voor mij, zeide hij en dan was zijn contract gesauveerd! Hij drukt gedurig op zijn contract dat door mijn hoofdigheid, door mijn te veel vragen kon geknepen worden.”Mevrouw Dekker teekent hierbij aan, dat de heer Jan een tabakskontrakt had in Rembang (dat gevaar scheen te kunnen loopen).Dekker vervolgt: „Ik laat me niet buigen. Noch door Fuhri (den ’s-Gravenhaagschen hôtelhouder), noch door geldgebrek, nochdoor schijnbare schande, noch door Jan. Als jij me afviel zou ik buigen, maar dat kan niet.”Betrekkelijk geruimen tijd blijft nu de verhouding tusschen de twee broeders zoo goed als men maar wenschen kan. Een enkele maal krijgt de heer Jan nog een standje omdat hij niet spoedig genoeg geld zendt, maar de vriendschap wordt niet verstoord. 16 Juni 1860, schrijft Dekker, die toen toevallig in Rotterdam was: „Begrijp eens, Jan is hier, en alles heel wel. God geve dat het zoo blijft,” en dd. 17 Juni: „Jan is van morgen vertrokken. Wij zijn tot het laatst wèl gebleven. Hij is uiterst ingenomen met het éclat van M. H., en spreekt er gedurig van. Het is of hij voelt dat hij mij een beetje respecteeren moet, omdat de menschen zoo hoog met mij loopen, en ik dus een soort van renommée van den dag ben.” 18 Juni (Dekker’s gezin was toen in Brussel, hij zelf in Amsterdam) begint hij een weinig ontevreden te worden tegen den heer Jan: „Jan had wel uit den hoek mogen komen. Maar neen! Allerlei vertellingen over donkere toekomst, enz.” Er is echter eene verontschuldiging:„Nu ontken ik niet dat thans bij de intrekking van den Vrijen arbeid de zaak beroerd wordt”... Op 2 Juli hoopte Dekker dat de heer Jan geld zou zenden, „de geest was goed.”16 Juli was Dekker naar Spa gereisd, plotseling naar het schijnt, en bevond zich daar weer aan de speelbank. Hij schrijft zijn vrouw te Brussel, hem duizend francs te zenden. 22 Juli was hij weder te Amsterdam terug en bericht zijn vrouw de ontvangst van haar brief, waarin zij hem van haar vergeefsche reis naar „Uccle” verhaalde. De uitgeefster der Brieven heldert dit geheimzinnige woord op, door als haar stellig vermoeden te kennen te geven, datTineóok naar Spa was geweest en daar haar geld had verloren. „In zijne en hare omstandigheden vond Multatuli zoo’n tochtje zoo al niet positief goed dan toch zeer verschoonbaar.” Om echter de zaak verborgen te houden, ging hij zoover in zijne voorzichtigheid van het woordUccle, den naam van een dorp bij Brussel, te gebruiken, als pseudoniem voor het woordSpa.In den loop der korrespondentie vernemen wij nog eenige malen, dat Dekker den heer Jan verzoekt geld te zenden, zijne vrouw „boven water te houden,” enz. De heer Jan ging voort hem onophoudelijk bij te staan. Hij deed bijna alle démarches bij den minister Rochussen, bij vrienden, bij allerlei personen, die Dekker moesten helpen zijn doel te bereiken. In een niet gedateerden brief, van Augustus 1860, blijkt echter dat de heer Jan het weder bijna geheel bij zijn broeder verkorven heeft. Deze schrijft aanTine: „Ik ga nog eens aan Jan schrijven en zal probeeren hem uit te leggen dat ik geen partij kan dienen,...” enz., verder: „In het briefje van Jan dat je mij toezendt komt voor dat hij zoo blijde is dat ik wil treden in de voorstellen. Ook aan mij heeft hij iets dergelijks geschreven! Hij schijnt dus van het komplot te weten en er aan getwijfeld te hebben dat ik de voorwaarden zou aannemen. Na mij sedert weken te hebben opgehouden met praatjes komt nu de zaak neer op eene schandelijke omkooperij. ’t Is infaam!”Het komplot en de omkooperij, waarvan hier sprake is, hebben betrekking op de pogingen, die de staatkundige partijen aanwendden om Dekker in hunne gelederen op te nemen. Dat hij niet wilde weten van de enkel letterkundige verdienste vanMax Havelaar, omdat het boek alleen als een pleidooi in een zaak, een zaak van landsbestier, moest beschouwd worden naar zijne opvatting,—en dat hij tévens weigerde in de praktijk te treden en zich aan te sluiten bij eene partij, die de wijze van bestuur voorstond, die ook hij zelf de beste achtte,—kwam iedereen, dus ook den heer Jan, onbegrijpelijk voor. Ons is het nu wel duidelijk, wat Dekker wenschte: dadelijk eene invloedrijke positie, maar daar nog nooit iemand op die wijze daartoe gekomen was, begreep men niets van deze ongeziene wijze van denken en handelen. De heer Jan wilde, om velerlei redenen, zijn broeder zoo spoedig mogelijk uit den nood geholpen zien. Reeds bij den aanvang der Havelaar-zaak had hij aan Eduard geschreven: „om godswil, verschop niets.” De heer Bekking had„het masker” afgeworpen en „medewerking aan zijne partij, dat is de tabakskontrakten” als voorwaarde voor hulp bedongen. Van zulk een overeenkomst wilde Dekker niet weten.Eene brouille tusschen Dekker en den heer Jan had tegen het eind van Augustus plaats.Hij schrijft (do. 27 Aug.) „... Ieder is meer dan beleefd... behalve Jan. Hij is hier, en na het ontmoeten dat eerst vriendschappelijk was, begon hij, of wilde hij weer beginnen te schelden.1o. Omdat ik niet had toegegeven in de voorstellen van Bekking.2o. Omdat ik aan Cath. en Sietske wat papeterie had cadeau gedaan.’t Was in het café restaurant. Veenstra was er bij.Ik stond dadelijk op en ging heen. Ik heb hem door Abrahamsz laten zeggen dat ik niets meer met hem wil te maken hebben, en dat ik hem verbied zich met mijne zaken te bemoeijen. Uit!”In een daarop volgenden brief schijnt hijde ware toedracht der zaak weêr vergeten te zijn, want hij schrijft: „De hoofdzaak is dat Veenstra inziet dat Jan verkeerd doet mij in den steek te laten.” Of hij moet de verwijten door den heer Jan hem gedaan gelijk gesteld hebben met een „in den steek laten.” Verder in denzelfden brief schrijft hij, na van het steeds toenemend succes vanMax Havelaarte hebben gewaagd: „Maar heb ik nu ook niet gelijk, dat ik het schelden van Jan niet meer verdraag? Bodenheim (die N.B. een woekeraar is) is beleefd en zelfs hartelijk, en mijn eigen broer is grof. Ik ben er dan ook glad overheen en verdraag het niet meer.”In een lateren brief, van 28 September, heet het: „Als ik aan zoo iets (het schrijven in denTijdspiegelom geld te verdienen) denk, kookt het mij dadelijk tegen Jan. Die had mij voor zoo iets moeten vrijwaren. Kassian, ik hoor nu bepaald dat ze met Mei in Den Haag gaan wonen, die arme menschen! Liefje, ik vind niet goed dat je Mary (de echtgenoot van den heer Jan) schrijft. Het zou schijnen alsof ik weer wouaanknoopen, en dat wil ik niet. Je weet niet hoe Jan mij traitert. Ik had aan de meisjes A. wat papeterie gegeven (dat hij mij in een koffiehuis verweten heeft) en kort daarop kreeg ik van Kees (vader der meisjes A[brahamsz]) een briefje met verzoek aan zijne kinderen geen geschenken te geven „wijl ik mijn geld beter besteden kon aan mijn vrouw en kinderen.” Dat had Jan mij bezorgd. Ik noem zoo iets vervloekt laag.De zaak staat zoo dat ik niet den minsten twijfel heb om te slagen, als ik maar van die vervloekte dagelijksche zorg bevrijd was. Zoo’n Jan die in Den Haag gaat wonen. Hij kan zijn geld beter aan mij besteden. Maar dat is nu uit. Al wilde hij nu, nu ben ik er moe van.”Do. 20 Oktober lezen wij nu over deze zaak: „En nu Jan! Ik ben er regt verdrietig over. Heden nog schreef ik aan Pieter: „Met Jan wil ik niet meer te doen hebben! Daar blijf ik bij. Dat weet je, en je gaat met hem naar de opera. Hij heeft mij in een publiek koffiehuis... (enz. over de papeterie)—dat waszijngeld! En nu neemtgij geld van hem aan! Ik moet er nu rijp over denken hoe te doen... (nog lang wordt hierover uitgeweid)... moet ik nu de eerste keer dat ik Jan ontmoet—maar ’t zal niet gebeuren!—hooren dat je van zijn geld naar de komedie bent geweest? Je wist toch alles. Tine, Tine! Hoe kon je zoo doen! ’t Was mij wel fr. 500 waard geweest als je gezegd hadt:„Jan, na alles wat er is voorgevallen heb je het regt verbeurd ons te helpen!”Wij zullen de laatsten zijn om de handeling van het verwijt omtrent de kleinigheid van het papeterie koopen, in den heer Jan een voorbeeld van delicatesse te noemen, maar de heer Jan was in ’t algemeen ontstemd tegen zijn broer omdat deze zich niet bij de partij-Bekking c.s. wilde aansluiten, en verborg daarom ook deze kleine grief niet. Niets zeldzamer dan zóo edele en kiesche menschen, die diensten bewijzen en zich zoo gedragen als deed degene, wien zij bewezen werden, hun een weldaad door ze aan te nemen. Zulke menschen bestaan, maar behooren tot de groote zeldzaamheden er is niet de minste reden, om er den heer Jan een verwijt van te maken, dat hij het zoo buitensporig ver niet gebracht had in zeldzaamheid van karakter-deugden. Trouwens, daar moet dan ook van den anderen kant eene hoffelijkheid en bescheidenheid in het aanvaarden der diensten tegenover staan, die Eduard Dekker zelf nagenoeg vreemd schijnt geweest te zijn. De zinsnede, waarin Eduard schrijft, dat Jan (die reeds zooveel voor hem gedaan had) beter zou doen zijn geld aan Eduard te besteden dan er voor in Den Haag te gaan wonen, is karakteristiek en licht zoo goed als wij maar wenschen konden, de trekken onzer karakterschets toe, waar wij, in verband met de algemeene appreciatie van kunst en talent in de Maatschappij, Multatuli’s ontgoocheling bespraken over het, dat men hem in vele opzichten als een gewoon sterveling bleef behandelen.Van de verhouding tusschen de twee broeders vernemen wij verder in de tot nu toe verschenen deelen der korrespondentie niets. Waarschijnlijk zal die wel steeds geeneffene, doch eene geaccidenteerde verhouding zijn gebleven van brouilles en verzoeningen.⁂Welk een verschil tusschen het eerste deel Brieven en het tweede deel in ’t algemeen! Een verschil dat in den text der gedrukte bladzijden uitkomt met de helderheid der twee schril kontrasteerende levensperioden zelf. Is het eerste deel vol van het diepe leed, in de stilte van het Brusselsche zolderkamertje, als in een kloostercel, gedragen, waar Dekker’s leven slechts zeer weinig uiterlijke afleiding vond in den omgang met zijn enkele plebejische vrienden daar uit de buurt; nemen wij in het eerste deel Dekker waar,—onder den zwaren druk van het wreede leven, dat hem daar opgesloten hield,—in een tête-à-tête met zijn smart, waarin hij zijn talent als een lijdensbloem zag ontluiken;—het tweede deel voert hem en ons plotseling als in de drukte en in het gekrioel van een marktplein; het is of er in den stijl der Brieven iets isdoorgedrongen van het gedruisch op de Botermarkt, waar Dekker boven den winkel van Lobo, den Israëlietischen boekverkooper, die ook met een „stalletje” op de markt zelf was geposteerd, zijn kamer had en zijne geschriften samenstelde. Uit de eenzaamheid is hij met de grootste snelheid midden in het woeligste maatschappelijk leven overgeplaatst. Van onbekend is hij als met tooverslag beroemd geworden, van geschuwd gezocht, van geminacht hoog-geprezen. Hij komt in betrekking met de staatkundige partijen, de eene trekt hem hier, de ander daarheen; binnen eenige maanden tijds worden dertien honderd exemplaren van zijn Max Havelaar verkocht, overal waar hij zich vertoont, op straat, in hotels, in publieke vermakelijkheden, wordt hij met belangstellende nieuwsgierigheid bekeken, vreemden spreken hem aan, een onbekend meisje in het park, bij eene muziekuitvoering, komt hem haar handje reiken; van links en rechts wordt hij uitgenoodigd om lezingen te komen houden, tijdschrift-redaktiën en uitgevers schrijven hem, komen hem opzoeken,telegrafeeren hem, loopen hem na om eenige bladzijden van zijn hand voor hun orgaan of hun drukpers machtig te worden. De uitgever Thieme wil al aanstonds zijn partikuliere briefjes uitgeven, waarmede hij uitstekende zaken denkt te maken, de bezadigde redakteur van het Nederlandsch-Indische tijdschrift verzint totaal ongebruikelijke opschriften om boven de bijdrage van Dekker te plaatsen, die hij wenscht op te nemen: „Van den genialen Multatuli” zal hij er boven zetten. Kortom het is, zooals Dekker zelf in de brieven schrijft, een „rage”.De persoon met wien Dekker nu in de eerste plaats te doen kreeg en met wien hij in belangrijke betrekking zou blijven gedurende het geheele tijdperk, dat wij in het tweede deel der Brieven afgespiegeld vinden, was de heer mr. J. van Lennep, rijksadvokaat, een der leiders der oud-konservatieve partij, Amsterdamsch patriciër. Tusschen de menigte menschen, die wij, als wij in onze verbeelding een résumé vormen van Dekker’s leven uit dezen tijd, hem zien omringen, staat Van Lennep vooraan; op hemvalt het meeste licht. En geen wonder! Van Lennep toch bezorgde de uitgave vanMax Havelaar, stelde Dekker in de gelegenheid de eerste helft van ’t jaar 1860 met zijn gezin als een rustige tusschen-periode door te brengen, en bleef voortdurend met hem in relatie over financiën en andere, wellicht nog gewichtiger, de uitgave rakende zaken. Wij zullen deze geschiedenis, als zijnde een der belangrijkste perioden in Dekker’s leven, volgen zoo als de Brieven ons geleidelijk met haar bekend maken. Er zal onder meer nog een deel Brieven verschijnen, getiteldMultatuli en Busken Huet. Nu, met evenveel recht, had de uitgeefster dit, tweede, deel, kunnen betitelen:MultatulienVan Lennep.Den 23stenNov. 1859 reisde, gelijk wij gezien hebben, Dekker voor het eerst van Brussel naar Amsterdam. Reeds had hij van den heer Jan vernomen, dat Van Lennep metMax Havelaar, door Van Lennepna Tine en Jan, als de derde begunstigde, in handschrift gelezen, uiterst ingenomen was. Van Lennep had aan Van Hasselt geschreven: „In weêrwil van de bleeke inkt, klein schrift, donkere lucht en toenemende verzwakking mijner oogen, heb ik het boek verslonden, „pectus est quod disertos facit” en „facit indignatio verbum” worden ook hier bewaarheid... ’t Is een meesterstuk, met zijn gebreken, of neen, de gebreken, waarover ik klagen zou, zoo ’t een gewonen roman gold, geven in dit werk juist iets meer eigenaardigs, meer verrassends, meer schokkends aan ’t verhaal. ’t Is bl.... mooi, ik weet het niet anders uit te drukken.” De heer Jan had aan Eduard geschreven, toen hij hem deed overkomen: „Hij (v. L.) wil met handen en voeten uwe zaak voorstaan, en verzekerde mij onuitgenoodigd dat hij al zijn invloed in uw belang zal aanwenden. Hij zeide mij zijn zoon (aspt. ambt. eerste klasse) met een en ander bekend te hebben gemaakt, en hem gezegd te hebben: „Ik wenschte mij die zaak aan te trekken met klem, maar misschien zal men later u daarvoordonderen.” Zijn zoon antwoordde: „Pak het aan.””De eerste brief, dien Dekker uit Amsterdam schreef, aan zijn vrouw, bevatte deze hoopvolle zinsnede: „Morgen tien uur naar Van Lennep, die volgens Jan, dol ingenomen is met mijn zaak, en mij absoluut wil helpen. Dus heerlijke vooruitzigten.” En in den tweeden, na het bezoek bij Van Lennep, heet het: „Maar Van Lennep! Daar ben ik geweest, en ik kan je niet uitdrukken hoe die man mij ontvangen heeft. ’t Is kompleet een schadeloosstelling voor al de miskenningen. Nooit had ik op zooiets durven hopen...” enz.Dekker begon dus Van Lennep te beschouwen, en Van Lennep begon zich ook werkelijk te gedragen als: Dekker’s beste vriend. In een brief van 6 Dec. ’59 lezen wij dat De Bull, met wien Dekker ook in konnektie kwam, na den plotseling voorgevallen dood van het Kamerlid Stolte, Dekker in diens plaats wilde doen verkiezen, en dat Van Lennep zelfs zoover gegaan was op eigen houtje over Dekker te spreken met de kiesvereenigingen. Als de voormalige ministerBaud, dien ook Dekker zeer waardeerde, zich bij die gelegenheid niet ook kandidaat had gesteld, zou Dekker kamerlid of althans kandidaat zijn geworden. Hij had dit trouwens alleen willen worden om R[ochussen, den minister] te dwingen hem Raad van Indië te maken (zie 2edl., blz. 20). Ten dien einde, om Rochussen te doen voelen dat hij wakker was en werkte, schreef Dekker toen ook een paar staatkundige dagbladopstelletjes, die 9 en 10 December in deAmsterdamsche Courantverschenen en onderteekend waren: „Eduard Douwes Dekker, op verzoek eervol ontslagen Assistent-Resident.” Wij lezen in dezen tijd van de korrespondentie niet anders dan dat De Bull, Tydeman en vooral Van Lennep dagelijks voor Dekker in de weer waren. Dato 8 Dec. lezen wij: „Gister zond ik een brief aan V. L., en hij, die een perfecte kerel is, zond dien aan R[ochussen] met een flink bijschrift. Hij zegt: „pas op, vriendje, ik verzeker je dat D. D. een man is, en als je hem wat lang laat wachten maak je hem ongeduldig en dat raad ik je niet aan.””Van Lennep, Hartsen en De Bull (Amsterd. Courant) en Tydeman (Handelsblad) vertegenwoordigende de twee staatkundige partijen, wilden allen Dekker in de Kamer hebben. Daarop stelde Baud zich op de rij, aan wien de eerstgenoemde partij zedelijke verplichtingen had en dien zij dus, vóór alles, nu moesten steunen. Tydeman was echter tegen Baud en wilde Dekker als den tegenkandidaat poseeren. Daar Tydeman echter door Van Lennep zelf zoo voor Dekker was opgewarmd, vond Dekker het onedelmoedig door met Tydeman mede te gaan Van Lennep in het vaarwater te zitten. Hij kon dit dus niet doen.Reeds bij dezen brief, van 8 December 1859, biedt de uitgeefster ons een exposé van den toestand, waarop al deze zaken betrekking hebben.Van Lennep was een der leiders van de konservatieve partij, waartoe ook de minister Rochussen behoorde. Door het ministerie, waarvan ook Rochussen deel uitmaakte, was juist nu echter een spoorwegwet voorgesteld, waar de Amsterdammers, met o. a.Van Lennep aan ’t hoofd, sterk tegen waren. Van Lennep en De Bull met zijnAmsterdamsche Courantageerden dus tegen het ministerie. Toen de zaken juist zóo stonden, kreeg Van Lennep het handschrift vanMax Havelaarin handen. Hij begreep terstond deportéevan dit werk en welke waarde het als wapen in het arsenaal der ministeriebestrijders hebben kon. Van Lennep’s ingenomenheid met Max Havelaar op zich zelf was oorspronkelijk oprecht. Maar, „hetzij dan gaandeweg, hetzij reeds terstond” zegt de uitgeefster der Brieven, kwam bij Van Lennep de gedachte op, Max Havelaar vooral als strijdmiddel tegen het ministerie te gebruiken. De uitgeefster gebruikt niet het woord „vooral” maar uit haar toon valt op te maken, dat zóo toch haar bedoeling is. Wij zijn het daarmede niet eens. De bespiegelende ingenomenheid van Van Lennep met Max Havelaar kon zeer goed met zijn inzicht in het praktische nut, dat het boek voor hem en de zijnen hebben kon, samengaan, zonder dat het éene in zijne waardeeringzwaarder woog dan het andere. Maar verder is de voorstelling, door de uitgeefster aan de zaak gegeven, naar ons voorkomt juist,—tot aan de eindkonklusie. Zij zegt dan, dat Van Lennep, die volgens Dekker’s beschrijving een joviaal, aangenaam mensch was, schik had in den strijd en er dus een soort vanschalkschgenoegen in vond den minister Rochussen uit de verte met dat boek, den M. H., te dreigen. Maar zijne partijgenooten vermaanden hem tot kalmte en ingetogenheid. Vooral zijn schoonzoon Hartsen, deftig man van den eersten graad, lid der Eerste Kamer, van wien de uitgeefster eenigszins ironisch vermeldt, dat hij „ontzaggelijk ingenomen” met Max Havelaar was, maar ondertusschen het manuscript weken lang onder zijne berusting hield, zonder aan den schrijver eenig blijk te geven van geestdrift of waardeering. De spoorwegwet werd in de Eerste Kamer afgestemd, en de uitgeefster zegt, dat Van Lennep zich toen „liet sussen”. Hij had toen den Max Havelaar niet meer noodig als wapen tegen het ministerie, hij bezorgde dus wel de uitgaafvan het boek, „maar in zijn, in 1862 uitgegeven brochure, staat toch met ronde woorden te lezen, dat het zijn doel was de verspreiding van het werk te belemmeren.” Hieruit zou men dus moeten konkludeeren, dat, indien de spoorwegwet niet afgestemd geworden ware, Van Lennep den Max Havelaar uitvoeriger zoude hebben doen verspreiden. Met deze opvatting kunnen wij ons slechts gedeeltelijk vereenigen.Doch wij zeggen met de uitgeefster „later meer daarover”, en willen eerst de geschiedenis van Dekker’s betrekking tot Van Lennep voortzetten waar wij haar geschorst hebben.Van Lennep dan, vernemen wij nog, had aan Rochussen geschreven: „Indië heeft een man noodig en Dekker is die man.” Intusschen maakte Dekker zich steeds zeer bekommerd over de „bijzaken” en begon de vreeselijke drukte van zijn leven, waaraan hij niet gewoon was, hem zeer te vermoeien; zoodat wij, do. 10 December, lezen, dat, nu Rochussen eindelijk geantwoord had in afwijzenden zin op het voorstel omDekker Raad van Indië te maken, Dekker er naar verlangde uit Holland weer weg te komen en in Brussel op zijn gemak wat te rusten en te werken. 11 Dec., toen hij nog niet wist, wat het „ontzaggelijk ingenomen” van Hartsen beduidde, wilde hij weer wèl in Amsterdam blijven, enthousiast als hij was over Van Lennep’s brief, waarin dat oordeel van Hartsen werd medegedeeld.Tusschen 11 December 1859 en 11 Januari 1860, vernemen wij nog alleen, dat de heer Jan een voorloopige bijdrage van vier honderd gulden wil geven om Dekker in staat te stellen zich met zijn gezin in Brussel te etablisseeren, waar hij dan door werken zelf verder ook geld zou verdienen; maar dat Dekker, rekenende met zijn familie vier honderd gulden per maand noodig te hebben, zich op dié verbintenis alleen niet durfde verlaten om de expatriëering te ondernemen. Ook hooren we, dat de heer Hartsen wel duizend gulden op deMax Havelaar-uitgave zou willen voorschieten, maar dat Dekker dit voorstel repugneerde daar het zooveel overeenkomst had met „beleenen op pand.”Vóór den éénigen brief, die uit deze periode beschikbaar was en waarvan wij hier den inhoud mededeelden, heeft de uitgeefster der Brieven een aanteekening geplaatst, die, indien men bedenkt in welke verhouding zij zelve gestaan heeft tot Dekker’s eerste echtgenoote, niet onaardig karakteristiek is, in hoe bezadigde en kroniek-achtige termen dan ook vervat. „De brieven,” schrijft zij, „sluiten nu niet meer zoo geregeld aan elkaar als vroeger. Eenigen zullen verloren zijn gegaan, anderen opzettelijk vernietigd. Dit laatste durf ik veronderstellen omdat ik dikwijls in later jaren heb bijgewoond (wij wisten niet, dat de dames elkaar zóo intiem hadden gekend, dat de eene in bijzijn der andere handelingen volbracht, die anders bij uitstek behooren tot die, ter volvoering waarvan men een oogenblik van eenzaamheid afwacht) dat Tine een brief van Dek ontvangende, zoodra zij bemerkte dat er iets in stond wat haar onaangenaam zou aandoen, dien verscheurde en in de kachel wierp.”Men kan begrijpen welk een gevoel zulk een handeling van Dekker’s eerste vrouwopwekte in Dekker’s tweede vrouw. Zij, die Dekker zoo vereerde, moet deze handeling wel afgrijselijk hebben gevonden, en indien, waaraan na haar eigen mededeeling natuurlijk niet te twijfelen valt, mevrouw Douwes Dekker-Hammink Schepel er in levenden lijve bij tegenwoordig is geweest, dat mevrouw Douwes Dekker-Van Wijnbergen Dekkers brieven, als teeken van afschuw, in de kachel wierp zonder ze gelezen te hebben, mag men wel aannemen, dat al haar wél-opgevoedheid haar op zoo’n oogenblik ten dienste heeft moeten staan om haar te beletten als eene furie op hare voorgangster aan te vliegen en haar de kostbare papieren te ontrukken, die zij snood aan de vernietiging wilde prijs geven.Intusschen moeten wij met de uitgeefster van meening verschillen, waar zij uit het feit, dat Dekker’s eerste echtgenoote, toen de verhouding tusschen haar en haar man ten uiterste gespannen geworden was, zijne brieven in woede en verdriet vernielde, het gevolg trekt, datTinezich ook reeds in een vroegere periode, toen de verhouding, in vergelijkingmet later, nog weinig te wenschen overliet, zich aan soortgelijke handelingen zou hebben schuldig gemaakt. Wij gelooven eerder dat de brieven die hier ontbreken „verloren zijn gegaan”, dan dat zij „opzettelijk vernietigd” zouden zijn.De eerstvolgende brief, welken wij nu te lezen krijgen, is van 10 of 11 Januari 1860. Wij vernemen daaruit, dat Dekker met zijn gezin den 15enJanuari naar Brussel zal gaan, om eenige maanden rust te genieten. De heer Jan gaf ƒ400 als voorloopig voorschot, waarvan echter ƒ100 afgetrokken zou worden, naar wij uit den brief meenen te begrijpen, voor de passage van de baboe, die naar Indië teruggezonden werd. En de heer Van Lennep—daarom passen deze mededeelingen hier noodzakelijk in dit historisch overzicht—zou ƒ200 per maand geven, waarvan echter ƒ50 zou worden afgetrokken ten bate der Wageningsche tantes. Tijdens Dekker’s afwezigheid zoude dan Van Lennep de uitgaaf van Max Havelaar bezorgen.Zeer juist merkt de uitgeefster op, dat het, met het oog op het, later gevolgde, bekenderechtsgeding tusschen Dekker en Van Lennep, over het eigendom vanMax Havelaar, niet weinig belangrijk geweest zoude zijn, indien zij ook de tijdens Dekker’s verblijf te Brussel in dezen tijd tusschen hem en Van Lennep gewisselde brieven had kunnen opnemen in de korrespondentie. Doch de pogingen, in 1871 door Dekker zelf, en nú, bij de voorbereiding dezer uitgave der Brieven, door de uitgeefster aangewend, om die brieven machtig te worden, zijn mislukt. Tijdens het rechtsgeding had Dekker ze, ter vervollediging der geding-bescheiden, aan zijn advokaat, Mr. J. G. A. Faber, ter hand gesteld. Doch deze heer wist later niet waar zij gebleven waren, en Mr. Mouthaan, de opvolger van Mr. Faber, had ze ook niet, bij den overgang van het kantoor, van dezen overgenomen. Ook de heer Willem van Lennep, zoon van Mr. Jacob, door de uitgeefster daarnaar gevraagd, kon zich niet herinneren bij de papieren zijns vaders brieven van Dekker te hebben gevonden. De uitgeefster neemt dus aan dat die vernietigd zijn. (Zie Br. 2edl., blz. 61, 62.)Eenige maanden leefde Dekker nu vereenigd met zijn gezin te Laeken (Brussel). De uitgeefster merkt aan, dat dit een tijd van betrekkelijke rust voor het gezin was. De uitstapjes, van hier uit naar Spa ondernomen, hebben wij reeds vermeld. In Mei verscheen de Havelaar, 14 Juni reisde Dekker terug naar Holland.Wij vestigen er de aandacht op, dat Dekker dus, toen de voorbereidende maatregelen ter uitgave werden genomen en toen de uitgave plaats had, niet ter plaatse aanwezig was. Wij vestigen hierop nadrukkelijk de aandacht, omdat Dekker op die wijze verzuimde den persoonlijken invloed op de wijze van uitgeven te oefenen, waardoor wellicht de verkeerde praktijken voorkomen hadden kunnen worden, waarover hij zich later vruchteloos beklaagde. Was deze onthouding van onmiddellijk persoonlijk beheer niet wijs, niet verstandig,—zij was daarentegen zeer natuurlijk en verklaarbaar. Dekker had de grootste behoefte aan rust, na al het tobben en zwerven en de druktes der laatste jaren, en: Dekker beschouwde Van Lennep alszijn besten vriend en vertrouwde hem volkomen; dat wil zeggen: vertrouwde volkomen, dat Van Lennep Dekker’s belang begreep, precies zooals Dekker dat zelf begreep, en dat hij dit op die wijze begrepen belang, zonder eenige andere konsideratie, tot richtsnoer van zijn handelingen zoude nemen.Dekker reisde naar Rotterdam, van waar uit hij de korrespondentie met zijne vrouw hervatte. Hoofdzakelijk vernemen wij nu vooreerst alleen Dekker’s blijde uitingen over het steeds grooter en grooter wordend, en hem zelf verbazend, welslagen van zijn werk. Do. 17 Juni (1860) spreekt Dekker reeds van eene „nationale inschrijving,” waar hij toen zekeren Van Prehw zich aan ’t hoofd van wilde zien stellen. Dit schijnt dus geen denkbeeld van later geweest te zijn, maar tijdens of even vóor deHavelaar-uitgave bij hem te zijn opgekomen. Waar wij echter op ’t oogenblik, met betrekking tot de kwestie-Van Lennep meer belang in stellen, is de reeds in dienzelfden brief van 17 Juni voorkomende uitlating: „Maar uit alles blijkt dat die De R. een slaapmuts is.”Hiermede werd bedoeld: de door Van Lennep voor deze onderneming aangezochte uitgever De Ruyter. Tels, de hoofdredacteur der N. Rott. Crt., had namelijk gezegd, dat er nú reeds (na pl. m. vier weken) een derde druk van het werk had moeten zijn, en Nijgh, de uitgever der N. Rott. Crt., dat er duizend exemplaren naar Indië hadden behooren te worden gezonden.„Is dat nu niet gloeiend jammer,” schrijft Dekker, „dat door zulke slaperigheid mijn boek minder effect maakt dan het bij een flinken boekverkooper maken zou? Het is om te schreien. En je begrijpt dat als de furore eens voorbij is zooals alle fureurs en enthousiasmes voorbijgaan,—dat het dan te laat is.”Wij spatiëeren deze laatste woorden. Hierop, zal men zien, komt het aan, hierop is het geschil tusschen Dekker en Van Lennep gegrondvest; namelijk op het antwoord, dat de vraag uitlokt:waarvoorhet „dan te laat” zoude zijn.Maar wij zien verder. Blz. 71 lezen wij: alles zou goed gaan... „maar die vervloekteDe Ruyter”. „Ik klaag bij V. L. steen en been over De Ruyter. ’t Is een ware schande,” do. 25 Juni: „Ik begin hoe langer hoe meer in te zien, dat men wel mijn boek verheft als boek, maar verder niets. ’t Is wel hard!”Voortdurend houdt hij zich nu bezig met de recensiën, die achtereenvolgens de verschillende tijdschriften overMax Havelaarpubliceerden. De brieven aan Tine zijn daar vol van. Hij had toen nog niet de verachting voor het publiek en de publieke opinie, die zich langzamerhand van hem zou meester maken. Hij genoot er nog even kinderlijk als buitensporig van zijn naam overal gedrukt te zien—iets volstrekt ongewoons—en al de verschillende meeningen en uiteenloopende waardeeringen over zijn, hem zoo innig van nabij bekend, geesteskind te lezen. Men kan dit genot vergelijken bij dat van eene moeder, die een eenig teér bemind zoontje heeft, dat eenige jaren lang met de uiterste zorg door haar is verpleegd en opgevoed, altijd in het stille huiselijk intérieur, waar alle leed en elke harde aanrakingmet de buitenwereld ver van hem werd gehouden; en die nu, voor het eerst, hem een kinderpartij laat bezoeken. Hoe leeg voelt zij hare hand als zij hem loslaat, opdat hij zich alleen en vrij onder de speelgenootjes zal gaan bewegen. Zie, daar gaat hij, zij kijkt hem na. Ja, hoe kijkt ze hem nu na, hoe spitst ze nu het oor, om te zien en te hooren, wat die en wat die en wat die derde zal zeggen van haar schat, van haar kind! Wèl luistert zij aandachtig naar wat men dáarvan zal zeggen, en wát dáarvan, wat van zijn oogjes, wat van zijn heele gezichtje, wat van zijn blonde haar, wat van zijn lieve kleertjes, die zij met zooveel zorg en oplettendheid heeft gekozen en geschikt...Nu, zóo volgde Multatuli de appreciaties, die zijn eerste boek ten deel vielen.De eerste uiting van ontevredenheid tegen Van Lennep treffen wij aan in een brief van 23 Juni:„Van Lennep komt mij voor alsof hij zeggen wil: ik heb het mijne gedaan! En eigenlijk heeft hij niets gedaan,want als de M. H. het aan mij verstrekte geld niet dekt,dan is dat de schuld van den beroerden boekverkooper waar hij mij gebracht heeft.”De Ruyter had maar dertig ex. van M. H. naar Indië gezonden. „Is dat niet om te schreien?” roept Dekker uit. „En dan praat V. L. van ondankbaar [-heid jegens De Ruyter.]” Do. 22 Juli lezen wij: „Ik zoek geld om baas te worden over de uitgave, want die de R. is ellendig. De vent heeft geen verstand van de zaak, maar Van Lennep zit mij in den weg”; 29 Aug.: „Ik ben dol op dien De Ruyter! V. L. is weer in stad gekomen, maar ik heb hem niet te huis gevonden. ’t Is bedroevend!” 1 Sept. lezen we, dat Dekker nog bij V. L. geweest was, waar allen hem heel hartelijk ontvingen. Een paar dagen later: „Die vervloekte zaak met Van Lennep. Nog ben ik daarmee niet klaar.” Op 12 Oktober: „[ik heb] ruzie met Van Lennep” en „Van Lennep is... ja ik weet niet wat ik er van zeggen moet.” Van Lennep had namelijk, eindelijk, na lang talmen, op Dekker’s voortdurend aandringen, dat er vanMax Havelaareen goedkoope uitgaaf zou bezorgd worden, geantwoord:„Wie een huis koopt heeft het recht het te verbouwen zonder den verkooper te raadplegen.”Dit antwoord van Van Lennep bracht het tusschen hem en Dekker tot een uitbarsting. Op 20 Oktober lezen wij: „Misschien zal ik moeten overgaan tot de treurige noodzakelijkheid om V. L. een proces aan te doen. Dat zal mij zeer hard vallen. Prof. Veth is het met mij eens dat hij mij infaam behandeld heeft. De opgang van M. H. stijgt nog. ’t Is ongehoord. De eerste druk is zoo goed als uitverkocht en V. L. wil de volgende drukken voor zich houden!” 3 November 1860: „Ik lig overhoop met Van Lennep. Ik moet gelooven dat hij mij bedrogen heft. ’t Is schande.”13 November vernemen wij dat de kogel door de kerk is in deze lakonieke woorden: „Proces met Van Lennep.”Zes maanden later, 15 Mei 1861, werd in dit proces voor de eerste maal gepleit.In een brief van 2 Juni schrijft Dekker: „Proces Van Lennep eerste instantie, heb ik verloren. Never mind! appel! Ik zal ’t behandelen.”Dekker of zijn advokaat hebben geäppelleerd van het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, en den 22stenMei 1862 kwam de zaak voor het provinciaal gerechtshof.In het schrijven van 24 Mei 1862 heet het: „Verleden Donderdag heb ik gepleit voor ’t Hof. Had je ’t gelezen in de courant? Maar er staat niets bij, alleen dat ik gepleit heb. Die zaak met V. L. verveelt mij.”Het Hof heeft toen het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. Wij teekenen hierbij terstond aan, dat Dekker zich in dit proces misschien meer dan bij welke gelegenheid ook, door zijn zenuwachtigheid en ongestadigheid heeft laten beheerschen. Hij verloor het proces in eerste instantie en keurde de rechterlijke uitspraak goed, omdat het punt, waar het opaankwam, niet in behandeling was geweest; ja maar, zeggen wij, als hij wat bedaarder was geweest, zoude hij zelf gezorgd hebben, van te voren, dat het in behandeling kwam. Maar goed, dit was dus een afgedane zaak, en hij had besloten te appelleeren. Voor het provinciaal gerechtshof,een jaar later, pleitte hij zelf. Men moet naar alle redelijkheid veronderstellen, dat hij persoonlijk heeft willen pleiten, om des te zekerder te zijn van te overwinnen, nú zéker te overwinnen. En ziet, toen het op stuk van zaken kwam,verwaardigde hij zich niet te pleiten, zoodat hij, ten tweeden male, erkennen moest, dat ook het provinciaal gerechtshof goed had gehandeld met hem in het ongelijk te stellen. In Idee 289aleest men hierover:„Wat mij zelf aangaat, voor ’t hof betuigde ik kortelijk dat boek niet aan den heer V. L. verkocht te hebben. Betoogd, bewezen, gepleit heb ik niet. Vóór de zitting reeds ontwaarde ik dat de voorzitter stokdoof was, en bovendien ik wist... kortom, ik was misselijk van de zaak en dat ben ik nog. Toch voel ik mij verplicht te erkennen dat het Hof, na mijn dédain om de zaak behoorlijk uit te leggen, niet anders beslissen kon dan het gedaan heeft.”Indien men de toedracht dezer zaak goed overweegt, zal men in dit geval een zoo duidelijk en plastisch mogelijk gegeven vindenvan den voorraad, waaruit de heer Swart Abrahamsz heeft geput, om tot zijne kenschetsing van Dekker als neurasthenicus te komen. Dit is zoo echt neurasthenisch mogelijk. Men doorziet den toestand van hier, daghelder, zoo als hij zich heeft voorgedaan. Dekker was bepaald voornemens persoonlijk voor het provinciaal gerechtshof te pleiten. Wie weet of hij zelf geen uitvoerige rede op papier had geprojekteerd. Maar toen de zitting aanving, had hij bemerkt, dat de voorzitter hem en zijner zaak antipathiek gezind was, hij stond daar tegenover lieden, die hij wist dat verreweg zijn minderen waren, hij las op hun gelaat een dom en onherroepelijk misnoegen jegens hem,... toen kwam, onwederstaanbaar, een hevige wrevel in hem op, nooit was het kontrast schriller geweest tusschen hem en de maatschappij, nooit pijnlijker onmiddellijk merkbaar, schier stoffelijk voelbaar,... wat! hij de van God gezondene, hij met zijn koninklijke ziel (in bruisende fantasieën leefden de grootheids-verbeeldingen in hem op), hij stond hier tegenover ordinaire menschen, die hem aankeken zooals fatsoenlijkeburgermenschen een ploert aankijken in wiens gezelschap zij genoodzaakt zijn eenige oogenblikken door te brengen,... en zij, in welke hoedanigheid bevonden zij zich tegenover hem... als rechters, die hij goedgunstig voor zijn zaak moest trachten te stemmen... het was te erg, ziet, zij zagen hem aan, minachting bespeurde hij in hunne fysionomie, als hij gepleit had zouden ze hem openlijk veroordeelen en... in hun binnenkamers, in hun gezin, wellicht heimelijk... bespotten... Het was te vreeselijk... déze wrevel kòn hij niet overwinnen, in zich zelf dacht hij: laten ze naar de weêrlicht loopen, liever het grootste nadeel, dan déze vernedering! Hij moest zich nog inhouden om hun geen stoel naar ’t hoofd te werpen; het was al wél; hij beheerschte zich reeds voldoende met hun nog een oogenblik te woord te willen staan. Maar méer zou hij ook niet doen.Zóo stellen wij ons de toedracht dezer zaak voor. Ware Dekker beter geéquilibreerd geweest, hij hadd’ zijn wrevel onderdrukt, hij hadd’ zijn oogen gesloten voor de stemming van het Hof, zooals die op het gelaat derleden voor zijn scherpzienden blik te lezen stond, en hij hadd’ eene zoo vernuftige rede gehouden, dat hij de rechters te gelijk in bewondering ontstak voor zijn talent en overtuigde van de rechtvaardigheid zijner zaak. Maar Dekker kón niet, hij was een prediker maar geen advokaat, hij had hartstocht maar geen takt, en hij werd het slachtoffer van de eigenschappen van zijn gestel, zoo als die zijn gedragingen influenceerden.Later, 2 October 1863, heeft Dekker vrede gemaakt met Van Lennep; de uitgeefster der Brieven vermoedt dat geldverlegenheid hiervoor de hoofdzakelijke reden is geweest.Na de bescheiden betreffende het proces, behelst het 2edeel ten slotte de brieven van den heer Van Lennep aan Dekker van de jaren 1863–67, waarbij telkens de aan Dekker komende gelden wegens den verkoop van denHavelaarper assignatie worden overgemaakt. De laatste brief betreft het voorstel van Dekker, dat De Ruyter het kopierecht van M. H. zoude verkoopen, hetgeen Van Lennep ontraadt. Een jaar later, 25 Augustus 1868, overleed Van Lennep; in Augustus1870 is het kopierecht werkelijk verkocht, in den zomer van 1871 hebben de erven van Van Lennep de helft van de opbrengst dier verkooping (zijnde dit hun geheele aandeel, daar de andere helft den uitgever toekwam), aan Dekker uitgekeerd. De termen, waarin Dekker, ten einde het piëteits-gevoel der Erven V. L. jegens hun vader niet te kwetsen, om die uitkeering vroeg, luidden: het „op welwillende wijze ten behoeve van den schrijver door wijlen den heer Mr. J. van Lennep gereserveerde aandeel in den Havelaar.”De uitgeefster besluit deze episode en het 2eBrievendeel, met deze woorden:„In armoede was de Havelaar ontstaan, en in armoede zocht de gemartelde schrijver naar een term om bij den eersten verkoop van het copyrecht van zijn boek, de helft der opbrengst in handen te krijgen. Want òf hem dat gelukken zou, was, toen hij de woorden samenvoegde, nog een vraag.Kassian over hem!En over die anderen...”De uitgeefster dezer Brieven heeft den beoordeelaar voor een moeilijk vraagstuk gesteld. Tusschen de regelen bevat dit tweede deel de uitnoodiging een oordeel uit te spreken in de zaak, welke ons hier voorgesteld wordt. Het heele boek bevat één doorloopende aanklacht tegen Van Lennep. Het is alsof er tusschen de nagedachtenis van Van Lennep en die van Dekker beslist moet worden. Het is eene beschuldiging van Van Lennep wegens verraad (dit woord wordt in de Brieven herhaaldelijk gebruikt), verraad aan de vriendschap, die hij met Dekker had aangegaan, eene beschuldiging, die, in de schatting der volbloed-Multatulianen zich ongetwijfeld vergroot tot een van verraad jegens het vaderland, omdat, zoo redeneeren zij, had deHavelaaruitgewerkt hetgeen Dekker er mede bedoelde, dan zoude Dekker het bestuur der koloniën of iets dergelijks in handen hebben gekregen en zou het vaderland tot bloei en grootheid zijn gebracht. Ja, het jongere, radikale, geslacht in Nederland zal er eene beschuldiging te meer in zien tegen het oude régime, vertegenwoordigddoor een zijner leiders, Van Lennep.Er is echter nog een andere zijde aan dit vraagstuk, en als wij het van die zijde bezien ontwaren we, dat wij dubbel voorzichtig en vooral niet voorbarig moeten zijn met het formuleeren eener opinie. Wij bedoelen: als wij den blik wenden naar Van Lennep’s nakomelingen. Al achten wij, naar onze persoonlijke meening, karakterdeugden van een sekundair belang waar het de appreciatie vanverbijsterend grootetalenten geldt (uitdrukking van Huet),—wij achten Van Lennep, gelijk reeds werd aangemerkt, volstrekt niet een talent van die grootte te zijn. Opdat hij eenigszins eene reputatie behoude, moet zijn karakter onaangetast blijven. Dit meenen wij niet alleen, dit meenen ongetwijfeld zijne nakomelingen evenzeer, en hij zelf was niet minder van die meening. 2 October 1863 schrijft Van Lennep aan Multatuli: „.... ik ben herhaaldelijk door u in openbaren druk beschuldigd, gespeculeerd te hebben op uw boek. Niet voor het publiek, waar ik mij evenmin aan stoor als gij het doet, maar voor mijn kinderen en kindskinderen,wien ik gaarne het bewijs wilde nalaten, dat geen vlek van baatzucht op mij kleeft, verlang ik van u een schriftelijke retractatie van die beschuldiging.”Laat ons, voor we ons eene meening over deze zaak vormen, met aandacht en kalmte nagaan wat er eigenlijk was geschied. Om met juistheid en volledigheid Dekker’s eigen interpretatie der feiten te doen kennen, zouden wij den brief, waarin hij aan zijn advokaat, Mr. Faber, een exposé van den toestand geeft, geheel en al moeten aanhalen; doch wegens de te groote uitgebreidheid van dien brief moeten wij daarvan afzien. Dit stuk bevat trouwens bijzonderheden over de armoede en het ongeluk, waarin Dekker verkeerde toen hij tot den heer Van Lennep kwam, die wel zeer geschikt zijn om den heer Faber een juiste waardeering van den toestand te geven, naar moreelen maatstaf; maar die ons vooreerst reeds meer dan bekend zijn en ten andere tot de feiten als zoodanig niets afdoen.Laat ons zien, wat was er gebeurd, waarover liep het proces?Toen Dekker in het voorjaar van 1860 in Brussel was gaan wonen met zijn gezin om eenige rust te genieten, daartoe in staat gesteld door Van Lennep’s voorschot op de opbrengst vanMax Havelaar(zoo als de heer Van Lennep het later volhield), daartoe in staat gesteld door een voorschot van den heer Van Lennep buiten verband met de eventueele opbrengst van M. H. (zooals Dekker steeds bleef beweren); toen Dekker dus in Brussel vertoefde, ontving hij van Van Lennep een schrijven, waarin de volgende alinea:„Om nu met De Ruyter een contract te kunnen maken dien ik bewijs te hebben, dat ik daartoe recht heb. Noch hij, noch eenig uitgever zal natuurlijk drukken, veelmin geld geven zonder overdracht van het copyrecht, en dat kan ik hem niet overdragen, zonder te kunnen aantoonen dat ik het bezit. Wees daarom zoo goed mij met het adres aan Sire een stuk op zegel (Belgisch) te zenden, waarbij gij verklaart mij het copyrecht over het werk, getiteld enz., te hebben afgestaan, en daarvoor te zijn voldaan naar uw genoegen.Ik kan dan in de overeenkomst die ik met De Ruyter maak...”Dekker voldeed aan dit verlangen door aan Van Lennep de volgende akte van cessie te zenden:

Deze geestestoestand van Dekker heeft op al het werk van Multatuli zijn stempel gedrukt.

Beschouwen wij thans de appreciatie, welke de maatschappij, de maatschappijgrosso modo, voor personen als Dekker heeft. Wij spreken dus niet van het betrekkelijk kleine gedeelte der maatschappij, dat hooger intellektueel en artistiek ontwikkeld is en een bijna uitsluitende vereering koestert voor het talent in den mensch. Dit gedeelte integendeel zonderen wij nadrukkelijk uit, en spreken dan voor ’t overige van de maatschappij in ’t algemeen, in haar geheel, met al hare standen en graden van ontwikkeling.

De kunst dan staat niet zoo allerhoogst aangeschreven bij die maatschappij. Het gevoel van Lodewijk den XIVden, de inkarnatieen verpersoonlijking van het begrip „aanzienlijkheid” in de maatschappij, voor Molière b.v., dien hij zonder twijfel voor den grootsten blijspeldichter zijner eeuw hield, en dien hij, ten blijk daarvan, tot den rang van hof ... kamerdienaar bevorderde,—dat gevoel leeft, hoezeer ook door de veranderde toestanden gewijzigd en in andere vormen zich openbarend, nog steeds voort in de hoogere standen, voor zoover althans hunne kerkschheid de kunst niet geheel en al tot een verboden artikel voor hen maakt. De vorsten en prinsen, en in hun gevolg de geld-aristokraten, en in dier gevolg wederom de deftige en minder deftige burgerij, beschouwen de kunstenaars nog altijd min of meer als de lieden, wier taak is hun amusement te verschaffen, hun eenigen tijd aangenaam of lachwekkend bezig te houden, die zij daarvoor betalen, de musici en muzikanten om hun gehoor streelend aan te doen als zij aan tafel zitten en zelf de zorg voor het genot van hun verhemelte op zich hebben moeten nemen (diner), en om hun het dansen gemakkelijk te maken(bal), om hun een voorwendsel te geven bijeen te komen, de dames om elkanders toiletten te bewonderen en te benijden, de heeren om deze dames te courtiseeren en elkander hun dekoraties of andere voornaamheid te toonen (soirée, koncert); de schilders, zoo al niet om hun woningen fraaier te verven dan rijtuigschilders daartoe in staat zijn, dan toch om hun wanden te behangen met kostbaarder voorwerpen dan Delftsch aardewerk of gobelintapijten; de letterkundige kunstenaars, ja, het moet gezegd worden, dat deze nog het minst in aanzien staan.

Vroeger had men aan de hoven den nar, dien geestigheden te zeggen, den poëet, dien de cither te bespelen en roerende liederen te zingen of te deklameeren als hunne taak was opgedragen. Zij waren de bedienden, die met de zorg voor het humeur van den vorst en zijne omgeving waren belast, zooals anderen in de keuken, met de zorg voor zijn maag, anderen met het reinigen en optooien zijner vertrekken belast waren. Heden ten dage treft men, ingewijzigden vorm, hetzelfde verschijnsel aan, als de gastvrouwen op hunne soirées een dichter noodigen om het gezelschap wat van zijne verzen voor te dragen en de liefhebberij-vertooning van een zijner tooneelstukken te leiden. Maar dat deze gezelschappen, de dragers der algemeene maatschappelijke opvattingen, den dichter bepaald als hun meerdere beschouwen om zijn talent, hem als zoodanig de voornaamste plaats in hun midden aanbieden, hem eeren en eerbiedigen, dit komt niet voor.

O zeker, er zijn vele uitzonderingen op dezen regel. Het gebeurt wel, dat menschen, vooral dames, dwepend ingenomen zijn met een schrijver en hem om zijn talent boven andere menschen stellen in hun hoogachting, dat vermaarde auteurs aan middagmalen worden genoodigd en hun de eereplaats aan de zijde der gastvrouw wordt aangeboden. Deze laatste gevallen zijn vooreerst zeldzaam, in de tweede plaats geldt de eer aan den auteur bewezen veeleer zijn roem, zijn vermaardheid, en—dit is een gewichtig punt—dekarakterdeugden, die hij moetbezitten naast zijn talent om zich tot zulk eene vermaardheid te hebben kunnen opwerken.

In het algemeen kan men zeggen, dat in de maatschappij, in haar geheel genomen, het letterkundig talentan und für sichzeer weinig in aanzien staat, en dat het talent in een persoon zonder karakter zelfs in het geheel niet wordt geëerd.

„Nu ja,”—dacht of zeide de maatschappij van Douwes Dekker, toen, wat wij zijn enorm talent noemen, eenmaal gebleken was, „nu ja, veel talent, veel „macht over de taal,” maar overigens een man zonder karakter, een slecht mensch, die zijn talent misbruikt in dienst der booze neigingen van zijn hart. Wat heeft men aan een talent, wat beteekent al talent, indien het niet gebruikt wordt in dienst van God of van de maatschappij, om er ernstige en stichtelijke werken mede tot stand te brengen. En wat is een man waard, welke aanspraken kan een man op onzen eerbied doen gelden, indien hij al mooie boeken schrijft zoo hij zelf door zijn leven een slecht voorbeeld geeft aan zijn medemenschen.”

Dus luiden de typisch maatschappelijke redeneeringen over het talent. Men ziet, wij zijn hier ver van de meer artistieke opvatting, die het talent als de hoogste en alles overheerschende eigenschap beschouwt, die het spreekwoord huldigt „le talent excuse tout.”

Ver ook, ja lijnrecht tegenover, de verwachting, waarmede Multatuli als erkend talent-vol man het openbaar leven in de maatschappij betrad.

Hij ondervond dus twee ontgoochelingen, die hem des te heviger aangrepen, naardien in zijn geëxalteerden toestand zijne verwachtingen zich hooger hadden gespannen. Hij werd niet tot onderkoning onmiddellijk verheven; maar de maatschappij, zijn talent nu kennend, behandelde hem zelfs in veel opzichten als een gewoon medeburger, wiens karakter door velen gewogen en te licht bevonden werd.

Dit was te veel voor zijn zoo licht ontvlambaar en nu ontvlamd gemoed. Zoolang hij nog niet getoond had wie hij was, zoolang hij zijne ziel nog niet had geopenbaard,kon hij ten minste nog denken, als hij zat te peinzen over al zijne vernederingen: ja, wacht maar, wacht gij lieden maar, ééns zal ik u beschamen en de wereld versteld voor mij doen staan, eens zult gij allen naar mij opzien als ik mij boven u allen zal hebben verheven.

Doch nu kon dat niet meer, nu ontzonk hem ook de laatste hoop en troost, in ’t groote namelijk, waartegen de verbetering van zijn levenstoestand in ’t kleine niet kon opwegen. Hem bleef niets over dan groote, woedende bitterheid. Uitlatingen als die in zijne Ideën, waar hij de geheele natie nu voor een troep schelmen uitmaakt, waren van deze bitterheid de openbaringen.

Openbaringen van dien alles beheerschenden wrevel waren ook zijn zonderlinge en heftige handelwijzen tegenover bijzondere personen. Zijn prikkelbaarheid had haar toppunt bereikt.

Beschouwen wij met onpartijdige bedaardheid zijne houding tegenover zijn broeder Jan Dekker, zooals die vooral in het tweede deel der Brieven uitkomt. Aan dien broederhad hij voor zoover uit de zeer volledige gegevens, die nu tot ons gekomen zijn ten duidelijkste blijkt, groote verplichtingen, terwijl niets er op wijst, dat die broeder ook aan hem, Eduard, iets te danken zoude hebben gehad. Het geld, waarvan Dekker te Batavia leefde in 1857, vóór hij naar Europa vertrok, zal hem wel grootendeels door dien broeder zijn verstrekt; het was dezelfde broeder, die te Rembang Dekker’s gezin bij zich noodde toen hij eindelijk op reis ging, dezelfde, die, in het voorjaar van 1858, Dekker’s rekening over zeven maanden in het Brusselsche logement betaalde, zeer waarschijnlijk was ’t dezelfde gulle man, die hem in staat stelde in dat zelfde jaar verder naar Cassel te komen en daar hem van het noodige voorzag (al kwam Dekker er niet mee toe, zoodat hij te Cassel andere schulden maakte); dezelfde die, in het voorjaar van 1859, de passage van Dekker’s vrouw en de haren naar Europa bekostigde; dezelfde die gedurende de tweede helft van 1859 aan Dekker’s gezin weder een gastvrij dak bood op zijn buitengoedte Brummen; dezelfde eindelijk, die in November 1859, voor de tweede maal zijne logementsrekening te Brussel voldeed en hem in staat stelde naar Amsterdam te komen.

Indien men in het oog wil houden, dat de meeste dezer gewichtige diensten door den heer Jan Dekker aan zijn broeder bewezen werden, in een tijd dat deze van zijn hoogere gaven nog niets had doen blijken, terwijl de heer Jan over de handeling van Dekker’s ontslag-nemen geen ander gevoelen kon hebben dan hetgeen wij als het algemeen gevoelen der menschen hebben leeren kennen,—dan zal ongetwijfeld een ieder van meening zijn, dat de heer Jan Dekker een bijzonder goedhartig en edelmoedig mensch was, Eduard in hem een voortreflijk en hem te benijden broeder bezat; en het jammer vinden, dat Eduard zich niet in deze kleinigheid meester kon blijven, dat hij zóó’n broeder ten minste dan alléén in aanraking liet komen met de beminnelijke zijden van zijn karakter (waar hij elders, naar wij lezen, zoo mede te woekeren wist,) zorgvuldig de minder aangename kanten voor hem verbergend,opdat hij zich daar aan niet stooten kon.

Reeds uit Brussel schreef Dekker aan zijn vrouw over zijn broeder als over iemand, die eigenlijk verplicht was hem te onderhouden. „Voor de tiende maal vraag ik u: hoe denkt Jan toch dat ik leef” (dl. 1, blz. 133) enz. Reeds in dien tijd, dus vóór het verschijnen vanMax Havelaar, is Dekker verbitterd tegen of allerliefst voor zijn broeder in zijn uitlatingen. Toen de heer Jan zoo ingenomen was metMax Havelaar, dat hij in handschrift gelezen had, en Eduard in staat had gesteld naar Amsterdam te komen, was het tusschen hen tweeën al „botertje tot den boôm” en schrijft Dekker aan zijne vrouw (dl. 2, blz. 11 en volgende):

„Beste beste Tine! Heerlijke tijding! Van avond hier gekomen. Jan opgezocht in de Variété. Hartelijk en verzoend, en ik kom meê naar De Buthe......” „Hartelijke ontmoeting, verzoening, afspraak om niet meer te kibbelen” (tusschen de broeders)... „Jan heeft mij een mooie overjas gekocht” ...

Spoedig doet de heer Jan echter al wederdingen, die den opgewonden Douwes mishagen: „Wat de zending van Jan naar Rochussen aangaat, ze is compleet mislukt. Toen hij (maar ik vrees niet op de goede manier) gesproken had over Raad van Indië, was R. opgesprongen. Dát kan mij niet schelen, maar wat me wel kan schelen is dat Jan zelf die mij, na mijn uitlegging, had toegestemd dat dit de eenige wijze was om mij te herstellen, nu ook vond dat ik te veel vraagde. Dus alweer de ambassadeur die zijn eigen zaak verlaat.

Van morgen wou hij dat ik vragen zou om directeur te worden van eene school te Batavia. Dat was juist iets voor mij, zeide hij en dan was zijn contract gesauveerd! Hij drukt gedurig op zijn contract dat door mijn hoofdigheid, door mijn te veel vragen kon geknepen worden.”

Mevrouw Dekker teekent hierbij aan, dat de heer Jan een tabakskontrakt had in Rembang (dat gevaar scheen te kunnen loopen).

Dekker vervolgt: „Ik laat me niet buigen. Noch door Fuhri (den ’s-Gravenhaagschen hôtelhouder), noch door geldgebrek, nochdoor schijnbare schande, noch door Jan. Als jij me afviel zou ik buigen, maar dat kan niet.”

Betrekkelijk geruimen tijd blijft nu de verhouding tusschen de twee broeders zoo goed als men maar wenschen kan. Een enkele maal krijgt de heer Jan nog een standje omdat hij niet spoedig genoeg geld zendt, maar de vriendschap wordt niet verstoord. 16 Juni 1860, schrijft Dekker, die toen toevallig in Rotterdam was: „Begrijp eens, Jan is hier, en alles heel wel. God geve dat het zoo blijft,” en dd. 17 Juni: „Jan is van morgen vertrokken. Wij zijn tot het laatst wèl gebleven. Hij is uiterst ingenomen met het éclat van M. H., en spreekt er gedurig van. Het is of hij voelt dat hij mij een beetje respecteeren moet, omdat de menschen zoo hoog met mij loopen, en ik dus een soort van renommée van den dag ben.” 18 Juni (Dekker’s gezin was toen in Brussel, hij zelf in Amsterdam) begint hij een weinig ontevreden te worden tegen den heer Jan: „Jan had wel uit den hoek mogen komen. Maar neen! Allerlei vertellingen over donkere toekomst, enz.” Er is echter eene verontschuldiging:„Nu ontken ik niet dat thans bij de intrekking van den Vrijen arbeid de zaak beroerd wordt”... Op 2 Juli hoopte Dekker dat de heer Jan geld zou zenden, „de geest was goed.”

16 Juli was Dekker naar Spa gereisd, plotseling naar het schijnt, en bevond zich daar weer aan de speelbank. Hij schrijft zijn vrouw te Brussel, hem duizend francs te zenden. 22 Juli was hij weder te Amsterdam terug en bericht zijn vrouw de ontvangst van haar brief, waarin zij hem van haar vergeefsche reis naar „Uccle” verhaalde. De uitgeefster der Brieven heldert dit geheimzinnige woord op, door als haar stellig vermoeden te kennen te geven, datTineóok naar Spa was geweest en daar haar geld had verloren. „In zijne en hare omstandigheden vond Multatuli zoo’n tochtje zoo al niet positief goed dan toch zeer verschoonbaar.” Om echter de zaak verborgen te houden, ging hij zoover in zijne voorzichtigheid van het woordUccle, den naam van een dorp bij Brussel, te gebruiken, als pseudoniem voor het woordSpa.

In den loop der korrespondentie vernemen wij nog eenige malen, dat Dekker den heer Jan verzoekt geld te zenden, zijne vrouw „boven water te houden,” enz. De heer Jan ging voort hem onophoudelijk bij te staan. Hij deed bijna alle démarches bij den minister Rochussen, bij vrienden, bij allerlei personen, die Dekker moesten helpen zijn doel te bereiken. In een niet gedateerden brief, van Augustus 1860, blijkt echter dat de heer Jan het weder bijna geheel bij zijn broeder verkorven heeft. Deze schrijft aanTine: „Ik ga nog eens aan Jan schrijven en zal probeeren hem uit te leggen dat ik geen partij kan dienen,...” enz., verder: „In het briefje van Jan dat je mij toezendt komt voor dat hij zoo blijde is dat ik wil treden in de voorstellen. Ook aan mij heeft hij iets dergelijks geschreven! Hij schijnt dus van het komplot te weten en er aan getwijfeld te hebben dat ik de voorwaarden zou aannemen. Na mij sedert weken te hebben opgehouden met praatjes komt nu de zaak neer op eene schandelijke omkooperij. ’t Is infaam!”

Het komplot en de omkooperij, waarvan hier sprake is, hebben betrekking op de pogingen, die de staatkundige partijen aanwendden om Dekker in hunne gelederen op te nemen. Dat hij niet wilde weten van de enkel letterkundige verdienste vanMax Havelaar, omdat het boek alleen als een pleidooi in een zaak, een zaak van landsbestier, moest beschouwd worden naar zijne opvatting,—en dat hij tévens weigerde in de praktijk te treden en zich aan te sluiten bij eene partij, die de wijze van bestuur voorstond, die ook hij zelf de beste achtte,—kwam iedereen, dus ook den heer Jan, onbegrijpelijk voor. Ons is het nu wel duidelijk, wat Dekker wenschte: dadelijk eene invloedrijke positie, maar daar nog nooit iemand op die wijze daartoe gekomen was, begreep men niets van deze ongeziene wijze van denken en handelen. De heer Jan wilde, om velerlei redenen, zijn broeder zoo spoedig mogelijk uit den nood geholpen zien. Reeds bij den aanvang der Havelaar-zaak had hij aan Eduard geschreven: „om godswil, verschop niets.” De heer Bekking had„het masker” afgeworpen en „medewerking aan zijne partij, dat is de tabakskontrakten” als voorwaarde voor hulp bedongen. Van zulk een overeenkomst wilde Dekker niet weten.

Eene brouille tusschen Dekker en den heer Jan had tegen het eind van Augustus plaats.

Hij schrijft (do. 27 Aug.) „... Ieder is meer dan beleefd... behalve Jan. Hij is hier, en na het ontmoeten dat eerst vriendschappelijk was, begon hij, of wilde hij weer beginnen te schelden.

1o. Omdat ik niet had toegegeven in de voorstellen van Bekking.

2o. Omdat ik aan Cath. en Sietske wat papeterie had cadeau gedaan.

’t Was in het café restaurant. Veenstra was er bij.

Ik stond dadelijk op en ging heen. Ik heb hem door Abrahamsz laten zeggen dat ik niets meer met hem wil te maken hebben, en dat ik hem verbied zich met mijne zaken te bemoeijen. Uit!”

In een daarop volgenden brief schijnt hijde ware toedracht der zaak weêr vergeten te zijn, want hij schrijft: „De hoofdzaak is dat Veenstra inziet dat Jan verkeerd doet mij in den steek te laten.” Of hij moet de verwijten door den heer Jan hem gedaan gelijk gesteld hebben met een „in den steek laten.” Verder in denzelfden brief schrijft hij, na van het steeds toenemend succes vanMax Havelaarte hebben gewaagd: „Maar heb ik nu ook niet gelijk, dat ik het schelden van Jan niet meer verdraag? Bodenheim (die N.B. een woekeraar is) is beleefd en zelfs hartelijk, en mijn eigen broer is grof. Ik ben er dan ook glad overheen en verdraag het niet meer.”

In een lateren brief, van 28 September, heet het: „Als ik aan zoo iets (het schrijven in denTijdspiegelom geld te verdienen) denk, kookt het mij dadelijk tegen Jan. Die had mij voor zoo iets moeten vrijwaren. Kassian, ik hoor nu bepaald dat ze met Mei in Den Haag gaan wonen, die arme menschen! Liefje, ik vind niet goed dat je Mary (de echtgenoot van den heer Jan) schrijft. Het zou schijnen alsof ik weer wouaanknoopen, en dat wil ik niet. Je weet niet hoe Jan mij traitert. Ik had aan de meisjes A. wat papeterie gegeven (dat hij mij in een koffiehuis verweten heeft) en kort daarop kreeg ik van Kees (vader der meisjes A[brahamsz]) een briefje met verzoek aan zijne kinderen geen geschenken te geven „wijl ik mijn geld beter besteden kon aan mijn vrouw en kinderen.” Dat had Jan mij bezorgd. Ik noem zoo iets vervloekt laag.

De zaak staat zoo dat ik niet den minsten twijfel heb om te slagen, als ik maar van die vervloekte dagelijksche zorg bevrijd was. Zoo’n Jan die in Den Haag gaat wonen. Hij kan zijn geld beter aan mij besteden. Maar dat is nu uit. Al wilde hij nu, nu ben ik er moe van.”

Do. 20 Oktober lezen wij nu over deze zaak: „En nu Jan! Ik ben er regt verdrietig over. Heden nog schreef ik aan Pieter: „Met Jan wil ik niet meer te doen hebben! Daar blijf ik bij. Dat weet je, en je gaat met hem naar de opera. Hij heeft mij in een publiek koffiehuis... (enz. over de papeterie)—dat waszijngeld! En nu neemtgij geld van hem aan! Ik moet er nu rijp over denken hoe te doen... (nog lang wordt hierover uitgeweid)... moet ik nu de eerste keer dat ik Jan ontmoet—maar ’t zal niet gebeuren!—hooren dat je van zijn geld naar de komedie bent geweest? Je wist toch alles. Tine, Tine! Hoe kon je zoo doen! ’t Was mij wel fr. 500 waard geweest als je gezegd hadt:

„Jan, na alles wat er is voorgevallen heb je het regt verbeurd ons te helpen!”

Wij zullen de laatsten zijn om de handeling van het verwijt omtrent de kleinigheid van het papeterie koopen, in den heer Jan een voorbeeld van delicatesse te noemen, maar de heer Jan was in ’t algemeen ontstemd tegen zijn broer omdat deze zich niet bij de partij-Bekking c.s. wilde aansluiten, en verborg daarom ook deze kleine grief niet. Niets zeldzamer dan zóo edele en kiesche menschen, die diensten bewijzen en zich zoo gedragen als deed degene, wien zij bewezen werden, hun een weldaad door ze aan te nemen. Zulke menschen bestaan, maar behooren tot de groote zeldzaamheden er is niet de minste reden, om er den heer Jan een verwijt van te maken, dat hij het zoo buitensporig ver niet gebracht had in zeldzaamheid van karakter-deugden. Trouwens, daar moet dan ook van den anderen kant eene hoffelijkheid en bescheidenheid in het aanvaarden der diensten tegenover staan, die Eduard Dekker zelf nagenoeg vreemd schijnt geweest te zijn. De zinsnede, waarin Eduard schrijft, dat Jan (die reeds zooveel voor hem gedaan had) beter zou doen zijn geld aan Eduard te besteden dan er voor in Den Haag te gaan wonen, is karakteristiek en licht zoo goed als wij maar wenschen konden, de trekken onzer karakterschets toe, waar wij, in verband met de algemeene appreciatie van kunst en talent in de Maatschappij, Multatuli’s ontgoocheling bespraken over het, dat men hem in vele opzichten als een gewoon sterveling bleef behandelen.

Van de verhouding tusschen de twee broeders vernemen wij verder in de tot nu toe verschenen deelen der korrespondentie niets. Waarschijnlijk zal die wel steeds geeneffene, doch eene geaccidenteerde verhouding zijn gebleven van brouilles en verzoeningen.

Welk een verschil tusschen het eerste deel Brieven en het tweede deel in ’t algemeen! Een verschil dat in den text der gedrukte bladzijden uitkomt met de helderheid der twee schril kontrasteerende levensperioden zelf. Is het eerste deel vol van het diepe leed, in de stilte van het Brusselsche zolderkamertje, als in een kloostercel, gedragen, waar Dekker’s leven slechts zeer weinig uiterlijke afleiding vond in den omgang met zijn enkele plebejische vrienden daar uit de buurt; nemen wij in het eerste deel Dekker waar,—onder den zwaren druk van het wreede leven, dat hem daar opgesloten hield,—in een tête-à-tête met zijn smart, waarin hij zijn talent als een lijdensbloem zag ontluiken;—het tweede deel voert hem en ons plotseling als in de drukte en in het gekrioel van een marktplein; het is of er in den stijl der Brieven iets isdoorgedrongen van het gedruisch op de Botermarkt, waar Dekker boven den winkel van Lobo, den Israëlietischen boekverkooper, die ook met een „stalletje” op de markt zelf was geposteerd, zijn kamer had en zijne geschriften samenstelde. Uit de eenzaamheid is hij met de grootste snelheid midden in het woeligste maatschappelijk leven overgeplaatst. Van onbekend is hij als met tooverslag beroemd geworden, van geschuwd gezocht, van geminacht hoog-geprezen. Hij komt in betrekking met de staatkundige partijen, de eene trekt hem hier, de ander daarheen; binnen eenige maanden tijds worden dertien honderd exemplaren van zijn Max Havelaar verkocht, overal waar hij zich vertoont, op straat, in hotels, in publieke vermakelijkheden, wordt hij met belangstellende nieuwsgierigheid bekeken, vreemden spreken hem aan, een onbekend meisje in het park, bij eene muziekuitvoering, komt hem haar handje reiken; van links en rechts wordt hij uitgenoodigd om lezingen te komen houden, tijdschrift-redaktiën en uitgevers schrijven hem, komen hem opzoeken,telegrafeeren hem, loopen hem na om eenige bladzijden van zijn hand voor hun orgaan of hun drukpers machtig te worden. De uitgever Thieme wil al aanstonds zijn partikuliere briefjes uitgeven, waarmede hij uitstekende zaken denkt te maken, de bezadigde redakteur van het Nederlandsch-Indische tijdschrift verzint totaal ongebruikelijke opschriften om boven de bijdrage van Dekker te plaatsen, die hij wenscht op te nemen: „Van den genialen Multatuli” zal hij er boven zetten. Kortom het is, zooals Dekker zelf in de brieven schrijft, een „rage”.

De persoon met wien Dekker nu in de eerste plaats te doen kreeg en met wien hij in belangrijke betrekking zou blijven gedurende het geheele tijdperk, dat wij in het tweede deel der Brieven afgespiegeld vinden, was de heer mr. J. van Lennep, rijksadvokaat, een der leiders der oud-konservatieve partij, Amsterdamsch patriciër. Tusschen de menigte menschen, die wij, als wij in onze verbeelding een résumé vormen van Dekker’s leven uit dezen tijd, hem zien omringen, staat Van Lennep vooraan; op hemvalt het meeste licht. En geen wonder! Van Lennep toch bezorgde de uitgave vanMax Havelaar, stelde Dekker in de gelegenheid de eerste helft van ’t jaar 1860 met zijn gezin als een rustige tusschen-periode door te brengen, en bleef voortdurend met hem in relatie over financiën en andere, wellicht nog gewichtiger, de uitgave rakende zaken. Wij zullen deze geschiedenis, als zijnde een der belangrijkste perioden in Dekker’s leven, volgen zoo als de Brieven ons geleidelijk met haar bekend maken. Er zal onder meer nog een deel Brieven verschijnen, getiteldMultatuli en Busken Huet. Nu, met evenveel recht, had de uitgeefster dit, tweede, deel, kunnen betitelen:MultatulienVan Lennep.

Den 23stenNov. 1859 reisde, gelijk wij gezien hebben, Dekker voor het eerst van Brussel naar Amsterdam. Reeds had hij van den heer Jan vernomen, dat Van Lennep metMax Havelaar, door Van Lennepna Tine en Jan, als de derde begunstigde, in handschrift gelezen, uiterst ingenomen was. Van Lennep had aan Van Hasselt geschreven: „In weêrwil van de bleeke inkt, klein schrift, donkere lucht en toenemende verzwakking mijner oogen, heb ik het boek verslonden, „pectus est quod disertos facit” en „facit indignatio verbum” worden ook hier bewaarheid... ’t Is een meesterstuk, met zijn gebreken, of neen, de gebreken, waarover ik klagen zou, zoo ’t een gewonen roman gold, geven in dit werk juist iets meer eigenaardigs, meer verrassends, meer schokkends aan ’t verhaal. ’t Is bl.... mooi, ik weet het niet anders uit te drukken.” De heer Jan had aan Eduard geschreven, toen hij hem deed overkomen: „Hij (v. L.) wil met handen en voeten uwe zaak voorstaan, en verzekerde mij onuitgenoodigd dat hij al zijn invloed in uw belang zal aanwenden. Hij zeide mij zijn zoon (aspt. ambt. eerste klasse) met een en ander bekend te hebben gemaakt, en hem gezegd te hebben: „Ik wenschte mij die zaak aan te trekken met klem, maar misschien zal men later u daarvoordonderen.” Zijn zoon antwoordde: „Pak het aan.””

De eerste brief, dien Dekker uit Amsterdam schreef, aan zijn vrouw, bevatte deze hoopvolle zinsnede: „Morgen tien uur naar Van Lennep, die volgens Jan, dol ingenomen is met mijn zaak, en mij absoluut wil helpen. Dus heerlijke vooruitzigten.” En in den tweeden, na het bezoek bij Van Lennep, heet het: „Maar Van Lennep! Daar ben ik geweest, en ik kan je niet uitdrukken hoe die man mij ontvangen heeft. ’t Is kompleet een schadeloosstelling voor al de miskenningen. Nooit had ik op zooiets durven hopen...” enz.

Dekker begon dus Van Lennep te beschouwen, en Van Lennep begon zich ook werkelijk te gedragen als: Dekker’s beste vriend. In een brief van 6 Dec. ’59 lezen wij dat De Bull, met wien Dekker ook in konnektie kwam, na den plotseling voorgevallen dood van het Kamerlid Stolte, Dekker in diens plaats wilde doen verkiezen, en dat Van Lennep zelfs zoover gegaan was op eigen houtje over Dekker te spreken met de kiesvereenigingen. Als de voormalige ministerBaud, dien ook Dekker zeer waardeerde, zich bij die gelegenheid niet ook kandidaat had gesteld, zou Dekker kamerlid of althans kandidaat zijn geworden. Hij had dit trouwens alleen willen worden om R[ochussen, den minister] te dwingen hem Raad van Indië te maken (zie 2edl., blz. 20). Ten dien einde, om Rochussen te doen voelen dat hij wakker was en werkte, schreef Dekker toen ook een paar staatkundige dagbladopstelletjes, die 9 en 10 December in deAmsterdamsche Courantverschenen en onderteekend waren: „Eduard Douwes Dekker, op verzoek eervol ontslagen Assistent-Resident.” Wij lezen in dezen tijd van de korrespondentie niet anders dan dat De Bull, Tydeman en vooral Van Lennep dagelijks voor Dekker in de weer waren. Dato 8 Dec. lezen wij: „Gister zond ik een brief aan V. L., en hij, die een perfecte kerel is, zond dien aan R[ochussen] met een flink bijschrift. Hij zegt: „pas op, vriendje, ik verzeker je dat D. D. een man is, en als je hem wat lang laat wachten maak je hem ongeduldig en dat raad ik je niet aan.””

Van Lennep, Hartsen en De Bull (Amsterd. Courant) en Tydeman (Handelsblad) vertegenwoordigende de twee staatkundige partijen, wilden allen Dekker in de Kamer hebben. Daarop stelde Baud zich op de rij, aan wien de eerstgenoemde partij zedelijke verplichtingen had en dien zij dus, vóór alles, nu moesten steunen. Tydeman was echter tegen Baud en wilde Dekker als den tegenkandidaat poseeren. Daar Tydeman echter door Van Lennep zelf zoo voor Dekker was opgewarmd, vond Dekker het onedelmoedig door met Tydeman mede te gaan Van Lennep in het vaarwater te zitten. Hij kon dit dus niet doen.

Reeds bij dezen brief, van 8 December 1859, biedt de uitgeefster ons een exposé van den toestand, waarop al deze zaken betrekking hebben.

Van Lennep was een der leiders van de konservatieve partij, waartoe ook de minister Rochussen behoorde. Door het ministerie, waarvan ook Rochussen deel uitmaakte, was juist nu echter een spoorwegwet voorgesteld, waar de Amsterdammers, met o. a.Van Lennep aan ’t hoofd, sterk tegen waren. Van Lennep en De Bull met zijnAmsterdamsche Courantageerden dus tegen het ministerie. Toen de zaken juist zóo stonden, kreeg Van Lennep het handschrift vanMax Havelaarin handen. Hij begreep terstond deportéevan dit werk en welke waarde het als wapen in het arsenaal der ministeriebestrijders hebben kon. Van Lennep’s ingenomenheid met Max Havelaar op zich zelf was oorspronkelijk oprecht. Maar, „hetzij dan gaandeweg, hetzij reeds terstond” zegt de uitgeefster der Brieven, kwam bij Van Lennep de gedachte op, Max Havelaar vooral als strijdmiddel tegen het ministerie te gebruiken. De uitgeefster gebruikt niet het woord „vooral” maar uit haar toon valt op te maken, dat zóo toch haar bedoeling is. Wij zijn het daarmede niet eens. De bespiegelende ingenomenheid van Van Lennep met Max Havelaar kon zeer goed met zijn inzicht in het praktische nut, dat het boek voor hem en de zijnen hebben kon, samengaan, zonder dat het éene in zijne waardeeringzwaarder woog dan het andere. Maar verder is de voorstelling, door de uitgeefster aan de zaak gegeven, naar ons voorkomt juist,—tot aan de eindkonklusie. Zij zegt dan, dat Van Lennep, die volgens Dekker’s beschrijving een joviaal, aangenaam mensch was, schik had in den strijd en er dus een soort vanschalkschgenoegen in vond den minister Rochussen uit de verte met dat boek, den M. H., te dreigen. Maar zijne partijgenooten vermaanden hem tot kalmte en ingetogenheid. Vooral zijn schoonzoon Hartsen, deftig man van den eersten graad, lid der Eerste Kamer, van wien de uitgeefster eenigszins ironisch vermeldt, dat hij „ontzaggelijk ingenomen” met Max Havelaar was, maar ondertusschen het manuscript weken lang onder zijne berusting hield, zonder aan den schrijver eenig blijk te geven van geestdrift of waardeering. De spoorwegwet werd in de Eerste Kamer afgestemd, en de uitgeefster zegt, dat Van Lennep zich toen „liet sussen”. Hij had toen den Max Havelaar niet meer noodig als wapen tegen het ministerie, hij bezorgde dus wel de uitgaafvan het boek, „maar in zijn, in 1862 uitgegeven brochure, staat toch met ronde woorden te lezen, dat het zijn doel was de verspreiding van het werk te belemmeren.” Hieruit zou men dus moeten konkludeeren, dat, indien de spoorwegwet niet afgestemd geworden ware, Van Lennep den Max Havelaar uitvoeriger zoude hebben doen verspreiden. Met deze opvatting kunnen wij ons slechts gedeeltelijk vereenigen.

Doch wij zeggen met de uitgeefster „later meer daarover”, en willen eerst de geschiedenis van Dekker’s betrekking tot Van Lennep voortzetten waar wij haar geschorst hebben.

Van Lennep dan, vernemen wij nog, had aan Rochussen geschreven: „Indië heeft een man noodig en Dekker is die man.” Intusschen maakte Dekker zich steeds zeer bekommerd over de „bijzaken” en begon de vreeselijke drukte van zijn leven, waaraan hij niet gewoon was, hem zeer te vermoeien; zoodat wij, do. 10 December, lezen, dat, nu Rochussen eindelijk geantwoord had in afwijzenden zin op het voorstel omDekker Raad van Indië te maken, Dekker er naar verlangde uit Holland weer weg te komen en in Brussel op zijn gemak wat te rusten en te werken. 11 Dec., toen hij nog niet wist, wat het „ontzaggelijk ingenomen” van Hartsen beduidde, wilde hij weer wèl in Amsterdam blijven, enthousiast als hij was over Van Lennep’s brief, waarin dat oordeel van Hartsen werd medegedeeld.

Tusschen 11 December 1859 en 11 Januari 1860, vernemen wij nog alleen, dat de heer Jan een voorloopige bijdrage van vier honderd gulden wil geven om Dekker in staat te stellen zich met zijn gezin in Brussel te etablisseeren, waar hij dan door werken zelf verder ook geld zou verdienen; maar dat Dekker, rekenende met zijn familie vier honderd gulden per maand noodig te hebben, zich op dié verbintenis alleen niet durfde verlaten om de expatriëering te ondernemen. Ook hooren we, dat de heer Hartsen wel duizend gulden op deMax Havelaar-uitgave zou willen voorschieten, maar dat Dekker dit voorstel repugneerde daar het zooveel overeenkomst had met „beleenen op pand.”

Vóór den éénigen brief, die uit deze periode beschikbaar was en waarvan wij hier den inhoud mededeelden, heeft de uitgeefster der Brieven een aanteekening geplaatst, die, indien men bedenkt in welke verhouding zij zelve gestaan heeft tot Dekker’s eerste echtgenoote, niet onaardig karakteristiek is, in hoe bezadigde en kroniek-achtige termen dan ook vervat. „De brieven,” schrijft zij, „sluiten nu niet meer zoo geregeld aan elkaar als vroeger. Eenigen zullen verloren zijn gegaan, anderen opzettelijk vernietigd. Dit laatste durf ik veronderstellen omdat ik dikwijls in later jaren heb bijgewoond (wij wisten niet, dat de dames elkaar zóo intiem hadden gekend, dat de eene in bijzijn der andere handelingen volbracht, die anders bij uitstek behooren tot die, ter volvoering waarvan men een oogenblik van eenzaamheid afwacht) dat Tine een brief van Dek ontvangende, zoodra zij bemerkte dat er iets in stond wat haar onaangenaam zou aandoen, dien verscheurde en in de kachel wierp.”

Men kan begrijpen welk een gevoel zulk een handeling van Dekker’s eerste vrouwopwekte in Dekker’s tweede vrouw. Zij, die Dekker zoo vereerde, moet deze handeling wel afgrijselijk hebben gevonden, en indien, waaraan na haar eigen mededeeling natuurlijk niet te twijfelen valt, mevrouw Douwes Dekker-Hammink Schepel er in levenden lijve bij tegenwoordig is geweest, dat mevrouw Douwes Dekker-Van Wijnbergen Dekkers brieven, als teeken van afschuw, in de kachel wierp zonder ze gelezen te hebben, mag men wel aannemen, dat al haar wél-opgevoedheid haar op zoo’n oogenblik ten dienste heeft moeten staan om haar te beletten als eene furie op hare voorgangster aan te vliegen en haar de kostbare papieren te ontrukken, die zij snood aan de vernietiging wilde prijs geven.

Intusschen moeten wij met de uitgeefster van meening verschillen, waar zij uit het feit, dat Dekker’s eerste echtgenoote, toen de verhouding tusschen haar en haar man ten uiterste gespannen geworden was, zijne brieven in woede en verdriet vernielde, het gevolg trekt, datTinezich ook reeds in een vroegere periode, toen de verhouding, in vergelijkingmet later, nog weinig te wenschen overliet, zich aan soortgelijke handelingen zou hebben schuldig gemaakt. Wij gelooven eerder dat de brieven die hier ontbreken „verloren zijn gegaan”, dan dat zij „opzettelijk vernietigd” zouden zijn.

De eerstvolgende brief, welken wij nu te lezen krijgen, is van 10 of 11 Januari 1860. Wij vernemen daaruit, dat Dekker met zijn gezin den 15enJanuari naar Brussel zal gaan, om eenige maanden rust te genieten. De heer Jan gaf ƒ400 als voorloopig voorschot, waarvan echter ƒ100 afgetrokken zou worden, naar wij uit den brief meenen te begrijpen, voor de passage van de baboe, die naar Indië teruggezonden werd. En de heer Van Lennep—daarom passen deze mededeelingen hier noodzakelijk in dit historisch overzicht—zou ƒ200 per maand geven, waarvan echter ƒ50 zou worden afgetrokken ten bate der Wageningsche tantes. Tijdens Dekker’s afwezigheid zoude dan Van Lennep de uitgaaf van Max Havelaar bezorgen.

Zeer juist merkt de uitgeefster op, dat het, met het oog op het, later gevolgde, bekenderechtsgeding tusschen Dekker en Van Lennep, over het eigendom vanMax Havelaar, niet weinig belangrijk geweest zoude zijn, indien zij ook de tijdens Dekker’s verblijf te Brussel in dezen tijd tusschen hem en Van Lennep gewisselde brieven had kunnen opnemen in de korrespondentie. Doch de pogingen, in 1871 door Dekker zelf, en nú, bij de voorbereiding dezer uitgave der Brieven, door de uitgeefster aangewend, om die brieven machtig te worden, zijn mislukt. Tijdens het rechtsgeding had Dekker ze, ter vervollediging der geding-bescheiden, aan zijn advokaat, Mr. J. G. A. Faber, ter hand gesteld. Doch deze heer wist later niet waar zij gebleven waren, en Mr. Mouthaan, de opvolger van Mr. Faber, had ze ook niet, bij den overgang van het kantoor, van dezen overgenomen. Ook de heer Willem van Lennep, zoon van Mr. Jacob, door de uitgeefster daarnaar gevraagd, kon zich niet herinneren bij de papieren zijns vaders brieven van Dekker te hebben gevonden. De uitgeefster neemt dus aan dat die vernietigd zijn. (Zie Br. 2edl., blz. 61, 62.)

Eenige maanden leefde Dekker nu vereenigd met zijn gezin te Laeken (Brussel). De uitgeefster merkt aan, dat dit een tijd van betrekkelijke rust voor het gezin was. De uitstapjes, van hier uit naar Spa ondernomen, hebben wij reeds vermeld. In Mei verscheen de Havelaar, 14 Juni reisde Dekker terug naar Holland.

Wij vestigen er de aandacht op, dat Dekker dus, toen de voorbereidende maatregelen ter uitgave werden genomen en toen de uitgave plaats had, niet ter plaatse aanwezig was. Wij vestigen hierop nadrukkelijk de aandacht, omdat Dekker op die wijze verzuimde den persoonlijken invloed op de wijze van uitgeven te oefenen, waardoor wellicht de verkeerde praktijken voorkomen hadden kunnen worden, waarover hij zich later vruchteloos beklaagde. Was deze onthouding van onmiddellijk persoonlijk beheer niet wijs, niet verstandig,—zij was daarentegen zeer natuurlijk en verklaarbaar. Dekker had de grootste behoefte aan rust, na al het tobben en zwerven en de druktes der laatste jaren, en: Dekker beschouwde Van Lennep alszijn besten vriend en vertrouwde hem volkomen; dat wil zeggen: vertrouwde volkomen, dat Van Lennep Dekker’s belang begreep, precies zooals Dekker dat zelf begreep, en dat hij dit op die wijze begrepen belang, zonder eenige andere konsideratie, tot richtsnoer van zijn handelingen zoude nemen.

Dekker reisde naar Rotterdam, van waar uit hij de korrespondentie met zijne vrouw hervatte. Hoofdzakelijk vernemen wij nu vooreerst alleen Dekker’s blijde uitingen over het steeds grooter en grooter wordend, en hem zelf verbazend, welslagen van zijn werk. Do. 17 Juni (1860) spreekt Dekker reeds van eene „nationale inschrijving,” waar hij toen zekeren Van Prehw zich aan ’t hoofd van wilde zien stellen. Dit schijnt dus geen denkbeeld van later geweest te zijn, maar tijdens of even vóor deHavelaar-uitgave bij hem te zijn opgekomen. Waar wij echter op ’t oogenblik, met betrekking tot de kwestie-Van Lennep meer belang in stellen, is de reeds in dienzelfden brief van 17 Juni voorkomende uitlating: „Maar uit alles blijkt dat die De R. een slaapmuts is.”Hiermede werd bedoeld: de door Van Lennep voor deze onderneming aangezochte uitgever De Ruyter. Tels, de hoofdredacteur der N. Rott. Crt., had namelijk gezegd, dat er nú reeds (na pl. m. vier weken) een derde druk van het werk had moeten zijn, en Nijgh, de uitgever der N. Rott. Crt., dat er duizend exemplaren naar Indië hadden behooren te worden gezonden.

„Is dat nu niet gloeiend jammer,” schrijft Dekker, „dat door zulke slaperigheid mijn boek minder effect maakt dan het bij een flinken boekverkooper maken zou? Het is om te schreien. En je begrijpt dat als de furore eens voorbij is zooals alle fureurs en enthousiasmes voorbijgaan,—dat het dan te laat is.”

Wij spatiëeren deze laatste woorden. Hierop, zal men zien, komt het aan, hierop is het geschil tusschen Dekker en Van Lennep gegrondvest; namelijk op het antwoord, dat de vraag uitlokt:waarvoorhet „dan te laat” zoude zijn.

Maar wij zien verder. Blz. 71 lezen wij: alles zou goed gaan... „maar die vervloekteDe Ruyter”. „Ik klaag bij V. L. steen en been over De Ruyter. ’t Is een ware schande,” do. 25 Juni: „Ik begin hoe langer hoe meer in te zien, dat men wel mijn boek verheft als boek, maar verder niets. ’t Is wel hard!”

Voortdurend houdt hij zich nu bezig met de recensiën, die achtereenvolgens de verschillende tijdschriften overMax Havelaarpubliceerden. De brieven aan Tine zijn daar vol van. Hij had toen nog niet de verachting voor het publiek en de publieke opinie, die zich langzamerhand van hem zou meester maken. Hij genoot er nog even kinderlijk als buitensporig van zijn naam overal gedrukt te zien—iets volstrekt ongewoons—en al de verschillende meeningen en uiteenloopende waardeeringen over zijn, hem zoo innig van nabij bekend, geesteskind te lezen. Men kan dit genot vergelijken bij dat van eene moeder, die een eenig teér bemind zoontje heeft, dat eenige jaren lang met de uiterste zorg door haar is verpleegd en opgevoed, altijd in het stille huiselijk intérieur, waar alle leed en elke harde aanrakingmet de buitenwereld ver van hem werd gehouden; en die nu, voor het eerst, hem een kinderpartij laat bezoeken. Hoe leeg voelt zij hare hand als zij hem loslaat, opdat hij zich alleen en vrij onder de speelgenootjes zal gaan bewegen. Zie, daar gaat hij, zij kijkt hem na. Ja, hoe kijkt ze hem nu na, hoe spitst ze nu het oor, om te zien en te hooren, wat die en wat die en wat die derde zal zeggen van haar schat, van haar kind! Wèl luistert zij aandachtig naar wat men dáarvan zal zeggen, en wát dáarvan, wat van zijn oogjes, wat van zijn heele gezichtje, wat van zijn blonde haar, wat van zijn lieve kleertjes, die zij met zooveel zorg en oplettendheid heeft gekozen en geschikt...

Nu, zóo volgde Multatuli de appreciaties, die zijn eerste boek ten deel vielen.

De eerste uiting van ontevredenheid tegen Van Lennep treffen wij aan in een brief van 23 Juni:

„Van Lennep komt mij voor alsof hij zeggen wil: ik heb het mijne gedaan! En eigenlijk heeft hij niets gedaan,want als de M. H. het aan mij verstrekte geld niet dekt,dan is dat de schuld van den beroerden boekverkooper waar hij mij gebracht heeft.”

De Ruyter had maar dertig ex. van M. H. naar Indië gezonden. „Is dat niet om te schreien?” roept Dekker uit. „En dan praat V. L. van ondankbaar [-heid jegens De Ruyter.]” Do. 22 Juli lezen wij: „Ik zoek geld om baas te worden over de uitgave, want die de R. is ellendig. De vent heeft geen verstand van de zaak, maar Van Lennep zit mij in den weg”; 29 Aug.: „Ik ben dol op dien De Ruyter! V. L. is weer in stad gekomen, maar ik heb hem niet te huis gevonden. ’t Is bedroevend!” 1 Sept. lezen we, dat Dekker nog bij V. L. geweest was, waar allen hem heel hartelijk ontvingen. Een paar dagen later: „Die vervloekte zaak met Van Lennep. Nog ben ik daarmee niet klaar.” Op 12 Oktober: „[ik heb] ruzie met Van Lennep” en „Van Lennep is... ja ik weet niet wat ik er van zeggen moet.” Van Lennep had namelijk, eindelijk, na lang talmen, op Dekker’s voortdurend aandringen, dat er vanMax Havelaareen goedkoope uitgaaf zou bezorgd worden, geantwoord:„Wie een huis koopt heeft het recht het te verbouwen zonder den verkooper te raadplegen.”

Dit antwoord van Van Lennep bracht het tusschen hem en Dekker tot een uitbarsting. Op 20 Oktober lezen wij: „Misschien zal ik moeten overgaan tot de treurige noodzakelijkheid om V. L. een proces aan te doen. Dat zal mij zeer hard vallen. Prof. Veth is het met mij eens dat hij mij infaam behandeld heeft. De opgang van M. H. stijgt nog. ’t Is ongehoord. De eerste druk is zoo goed als uitverkocht en V. L. wil de volgende drukken voor zich houden!” 3 November 1860: „Ik lig overhoop met Van Lennep. Ik moet gelooven dat hij mij bedrogen heft. ’t Is schande.”

13 November vernemen wij dat de kogel door de kerk is in deze lakonieke woorden: „Proces met Van Lennep.”

Zes maanden later, 15 Mei 1861, werd in dit proces voor de eerste maal gepleit.

In een brief van 2 Juni schrijft Dekker: „Proces Van Lennep eerste instantie, heb ik verloren. Never mind! appel! Ik zal ’t behandelen.”

Dekker of zijn advokaat hebben geäppelleerd van het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, en den 22stenMei 1862 kwam de zaak voor het provinciaal gerechtshof.

In het schrijven van 24 Mei 1862 heet het: „Verleden Donderdag heb ik gepleit voor ’t Hof. Had je ’t gelezen in de courant? Maar er staat niets bij, alleen dat ik gepleit heb. Die zaak met V. L. verveelt mij.”

Het Hof heeft toen het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. Wij teekenen hierbij terstond aan, dat Dekker zich in dit proces misschien meer dan bij welke gelegenheid ook, door zijn zenuwachtigheid en ongestadigheid heeft laten beheerschen. Hij verloor het proces in eerste instantie en keurde de rechterlijke uitspraak goed, omdat het punt, waar het opaankwam, niet in behandeling was geweest; ja maar, zeggen wij, als hij wat bedaarder was geweest, zoude hij zelf gezorgd hebben, van te voren, dat het in behandeling kwam. Maar goed, dit was dus een afgedane zaak, en hij had besloten te appelleeren. Voor het provinciaal gerechtshof,een jaar later, pleitte hij zelf. Men moet naar alle redelijkheid veronderstellen, dat hij persoonlijk heeft willen pleiten, om des te zekerder te zijn van te overwinnen, nú zéker te overwinnen. En ziet, toen het op stuk van zaken kwam,verwaardigde hij zich niet te pleiten, zoodat hij, ten tweeden male, erkennen moest, dat ook het provinciaal gerechtshof goed had gehandeld met hem in het ongelijk te stellen. In Idee 289aleest men hierover:

„Wat mij zelf aangaat, voor ’t hof betuigde ik kortelijk dat boek niet aan den heer V. L. verkocht te hebben. Betoogd, bewezen, gepleit heb ik niet. Vóór de zitting reeds ontwaarde ik dat de voorzitter stokdoof was, en bovendien ik wist... kortom, ik was misselijk van de zaak en dat ben ik nog. Toch voel ik mij verplicht te erkennen dat het Hof, na mijn dédain om de zaak behoorlijk uit te leggen, niet anders beslissen kon dan het gedaan heeft.”

Indien men de toedracht dezer zaak goed overweegt, zal men in dit geval een zoo duidelijk en plastisch mogelijk gegeven vindenvan den voorraad, waaruit de heer Swart Abrahamsz heeft geput, om tot zijne kenschetsing van Dekker als neurasthenicus te komen. Dit is zoo echt neurasthenisch mogelijk. Men doorziet den toestand van hier, daghelder, zoo als hij zich heeft voorgedaan. Dekker was bepaald voornemens persoonlijk voor het provinciaal gerechtshof te pleiten. Wie weet of hij zelf geen uitvoerige rede op papier had geprojekteerd. Maar toen de zitting aanving, had hij bemerkt, dat de voorzitter hem en zijner zaak antipathiek gezind was, hij stond daar tegenover lieden, die hij wist dat verreweg zijn minderen waren, hij las op hun gelaat een dom en onherroepelijk misnoegen jegens hem,... toen kwam, onwederstaanbaar, een hevige wrevel in hem op, nooit was het kontrast schriller geweest tusschen hem en de maatschappij, nooit pijnlijker onmiddellijk merkbaar, schier stoffelijk voelbaar,... wat! hij de van God gezondene, hij met zijn koninklijke ziel (in bruisende fantasieën leefden de grootheids-verbeeldingen in hem op), hij stond hier tegenover ordinaire menschen, die hem aankeken zooals fatsoenlijkeburgermenschen een ploert aankijken in wiens gezelschap zij genoodzaakt zijn eenige oogenblikken door te brengen,... en zij, in welke hoedanigheid bevonden zij zich tegenover hem... als rechters, die hij goedgunstig voor zijn zaak moest trachten te stemmen... het was te erg, ziet, zij zagen hem aan, minachting bespeurde hij in hunne fysionomie, als hij gepleit had zouden ze hem openlijk veroordeelen en... in hun binnenkamers, in hun gezin, wellicht heimelijk... bespotten... Het was te vreeselijk... déze wrevel kòn hij niet overwinnen, in zich zelf dacht hij: laten ze naar de weêrlicht loopen, liever het grootste nadeel, dan déze vernedering! Hij moest zich nog inhouden om hun geen stoel naar ’t hoofd te werpen; het was al wél; hij beheerschte zich reeds voldoende met hun nog een oogenblik te woord te willen staan. Maar méer zou hij ook niet doen.

Zóo stellen wij ons de toedracht dezer zaak voor. Ware Dekker beter geéquilibreerd geweest, hij hadd’ zijn wrevel onderdrukt, hij hadd’ zijn oogen gesloten voor de stemming van het Hof, zooals die op het gelaat derleden voor zijn scherpzienden blik te lezen stond, en hij hadd’ eene zoo vernuftige rede gehouden, dat hij de rechters te gelijk in bewondering ontstak voor zijn talent en overtuigde van de rechtvaardigheid zijner zaak. Maar Dekker kón niet, hij was een prediker maar geen advokaat, hij had hartstocht maar geen takt, en hij werd het slachtoffer van de eigenschappen van zijn gestel, zoo als die zijn gedragingen influenceerden.

Later, 2 October 1863, heeft Dekker vrede gemaakt met Van Lennep; de uitgeefster der Brieven vermoedt dat geldverlegenheid hiervoor de hoofdzakelijke reden is geweest.

Na de bescheiden betreffende het proces, behelst het 2edeel ten slotte de brieven van den heer Van Lennep aan Dekker van de jaren 1863–67, waarbij telkens de aan Dekker komende gelden wegens den verkoop van denHavelaarper assignatie worden overgemaakt. De laatste brief betreft het voorstel van Dekker, dat De Ruyter het kopierecht van M. H. zoude verkoopen, hetgeen Van Lennep ontraadt. Een jaar later, 25 Augustus 1868, overleed Van Lennep; in Augustus1870 is het kopierecht werkelijk verkocht, in den zomer van 1871 hebben de erven van Van Lennep de helft van de opbrengst dier verkooping (zijnde dit hun geheele aandeel, daar de andere helft den uitgever toekwam), aan Dekker uitgekeerd. De termen, waarin Dekker, ten einde het piëteits-gevoel der Erven V. L. jegens hun vader niet te kwetsen, om die uitkeering vroeg, luidden: het „op welwillende wijze ten behoeve van den schrijver door wijlen den heer Mr. J. van Lennep gereserveerde aandeel in den Havelaar.”

De uitgeefster besluit deze episode en het 2eBrievendeel, met deze woorden:

„In armoede was de Havelaar ontstaan, en in armoede zocht de gemartelde schrijver naar een term om bij den eersten verkoop van het copyrecht van zijn boek, de helft der opbrengst in handen te krijgen. Want òf hem dat gelukken zou, was, toen hij de woorden samenvoegde, nog een vraag.

Kassian over hem!

En over die anderen...”

De uitgeefster dezer Brieven heeft den beoordeelaar voor een moeilijk vraagstuk gesteld. Tusschen de regelen bevat dit tweede deel de uitnoodiging een oordeel uit te spreken in de zaak, welke ons hier voorgesteld wordt. Het heele boek bevat één doorloopende aanklacht tegen Van Lennep. Het is alsof er tusschen de nagedachtenis van Van Lennep en die van Dekker beslist moet worden. Het is eene beschuldiging van Van Lennep wegens verraad (dit woord wordt in de Brieven herhaaldelijk gebruikt), verraad aan de vriendschap, die hij met Dekker had aangegaan, eene beschuldiging, die, in de schatting der volbloed-Multatulianen zich ongetwijfeld vergroot tot een van verraad jegens het vaderland, omdat, zoo redeneeren zij, had deHavelaaruitgewerkt hetgeen Dekker er mede bedoelde, dan zoude Dekker het bestuur der koloniën of iets dergelijks in handen hebben gekregen en zou het vaderland tot bloei en grootheid zijn gebracht. Ja, het jongere, radikale, geslacht in Nederland zal er eene beschuldiging te meer in zien tegen het oude régime, vertegenwoordigddoor een zijner leiders, Van Lennep.

Er is echter nog een andere zijde aan dit vraagstuk, en als wij het van die zijde bezien ontwaren we, dat wij dubbel voorzichtig en vooral niet voorbarig moeten zijn met het formuleeren eener opinie. Wij bedoelen: als wij den blik wenden naar Van Lennep’s nakomelingen. Al achten wij, naar onze persoonlijke meening, karakterdeugden van een sekundair belang waar het de appreciatie vanverbijsterend grootetalenten geldt (uitdrukking van Huet),—wij achten Van Lennep, gelijk reeds werd aangemerkt, volstrekt niet een talent van die grootte te zijn. Opdat hij eenigszins eene reputatie behoude, moet zijn karakter onaangetast blijven. Dit meenen wij niet alleen, dit meenen ongetwijfeld zijne nakomelingen evenzeer, en hij zelf was niet minder van die meening. 2 October 1863 schrijft Van Lennep aan Multatuli: „.... ik ben herhaaldelijk door u in openbaren druk beschuldigd, gespeculeerd te hebben op uw boek. Niet voor het publiek, waar ik mij evenmin aan stoor als gij het doet, maar voor mijn kinderen en kindskinderen,wien ik gaarne het bewijs wilde nalaten, dat geen vlek van baatzucht op mij kleeft, verlang ik van u een schriftelijke retractatie van die beschuldiging.”

Laat ons, voor we ons eene meening over deze zaak vormen, met aandacht en kalmte nagaan wat er eigenlijk was geschied. Om met juistheid en volledigheid Dekker’s eigen interpretatie der feiten te doen kennen, zouden wij den brief, waarin hij aan zijn advokaat, Mr. Faber, een exposé van den toestand geeft, geheel en al moeten aanhalen; doch wegens de te groote uitgebreidheid van dien brief moeten wij daarvan afzien. Dit stuk bevat trouwens bijzonderheden over de armoede en het ongeluk, waarin Dekker verkeerde toen hij tot den heer Van Lennep kwam, die wel zeer geschikt zijn om den heer Faber een juiste waardeering van den toestand te geven, naar moreelen maatstaf; maar die ons vooreerst reeds meer dan bekend zijn en ten andere tot de feiten als zoodanig niets afdoen.

Laat ons zien, wat was er gebeurd, waarover liep het proces?

Toen Dekker in het voorjaar van 1860 in Brussel was gaan wonen met zijn gezin om eenige rust te genieten, daartoe in staat gesteld door Van Lennep’s voorschot op de opbrengst vanMax Havelaar(zoo als de heer Van Lennep het later volhield), daartoe in staat gesteld door een voorschot van den heer Van Lennep buiten verband met de eventueele opbrengst van M. H. (zooals Dekker steeds bleef beweren); toen Dekker dus in Brussel vertoefde, ontving hij van Van Lennep een schrijven, waarin de volgende alinea:

„Om nu met De Ruyter een contract te kunnen maken dien ik bewijs te hebben, dat ik daartoe recht heb. Noch hij, noch eenig uitgever zal natuurlijk drukken, veelmin geld geven zonder overdracht van het copyrecht, en dat kan ik hem niet overdragen, zonder te kunnen aantoonen dat ik het bezit. Wees daarom zoo goed mij met het adres aan Sire een stuk op zegel (Belgisch) te zenden, waarbij gij verklaart mij het copyrecht over het werk, getiteld enz., te hebben afgestaan, en daarvoor te zijn voldaan naar uw genoegen.Ik kan dan in de overeenkomst die ik met De Ruyter maak...”

Dekker voldeed aan dit verlangen door aan Van Lennep de volgende akte van cessie te zenden:


Back to IndexNext