Multatuli en Tine, Max Havelaar en Tine,—deze namen klinken ons in de ooren als die van een paar belangrijke historische personen, als van een paar figuren uit Homerus’ Ilias. Er is zooveel geschreven en gekeven over het lot en de verhouding dier twee, dat hunne geschiedenis ons eenigszins een gedeelte der vaderlandsche historie lijkt te zijn. Kenau Hasselaar, Tine Havelaar,—hun rol was wel zeer verschillend maar het onderscheid in belangrijkheid niet groot,—voor ónze ooren.Er zijn Multatulianen (of Multatulisten), die het huiselijk leven van Multatuli en de lotgevallen van zijn gezin tot onderwerp hunner vrome overwegingen hebben gekozen, zooals de orthodoxe Christenen het familieleven van Jozef, Maria en Jezus overdenken.... Was Jozef een goed huisvader?—Voorzeker, want er staat geschreven, dat Jozef werkte aan de schaafbank. Hij verdiende dus het geld (of liever: de levensmiddelen) voor zijn gezin. Ieder Christelijkhuisvader moet Jozef als voorbeeld nemen. Enz.... Was Maria een goede huismoeder?—Voorzeker, want zij verzorgde haar kind, legde het in windselen om het tegen weer en wind te beschutten. Enz. Iedere huismoeder moet zich styleeren op het voorbeeld van Maria.Er is trouwens grooter verband tusschen de legende omtrent Jozef, Maria en Jezus en het oordeel, vooral van niet-Multatulisten, over Multatuli in zijne verhouding tot zijn gezin, dan men oppervlakkig geneigd zoude zijn te meenen. Immers tot grondslag aan de algemeene misprijzing, die Multatuli’s gedrag tegenover de zijnen heeft ondervonden, ligt niets anders dan die eeuwenoude Christelijke moraal van het familiebegrip, die in de tot goddelijk type verheven legende omtrent de Heilige Familie haar oorsprong heeft gevonden.De menschen, die niet Multatulist zijn, keuren éene groote zaak in hem af, waartoe al de overige in hunne waardeering afkeurenswaardige handelingen en eigenschappen terug te brengen zijn, namelijk: dat Multatulide zijnen heeft verlaten en niet als zijn éerste plicht beschouwde voor hén te werken.De Multatulisten zeggen: hij had iets hoogers te doen, een hoogere stem riep hem naar elders, ver van de zijnen, hij moest in de woestijn gaan om tot God (d. i. zijne ziel in haar hoogste uiting) te komen. De meer matige bewonderaars antwoorden: goed, maar mag men den naastbijliggenden plicht verzaken om een hoogeren te volbrengen, mag iemand om met het geld van zijn vader een weeshuis te bouwen, in eene gemeente waar vele noodlijdende kinderen zijn en waar geen gesticht is om die op te nemen,—zijn vader vermoorden?Multatuli zelf heeft in zijn Ideën meermalen dit vraagstuk aangeroerd en het voorgesteld als gaf Tine hem gelijk in al zijn doen en laten. Waar hij in zijneMinnebrievende verhouding tusschen man en vrouw bespreekt, zooals die uiterst zelden is, maar zoo als die altijd zoude móeten zijn, en de vrouw „officieel zelfs.... een certificaat van onbruikbaarheid” noemt, omdat gehuwde mannen niet tot de eerste militielichtingenbehooren, welke in geval van oorlog worden opgeroepen—brengt hij er Hector en Andromache bij te pas:„Dat was anders in Troje.... zie maar dat afscheid van Hector en Andromache.... ’t hoeveelste boek weet ik niet.... de kleine jongen wordt bang voor Hectors pluim.... maar Hector gaat....—’t Staat in ’t zesde boek, zei de bezoeker, die Doctor in de Letteren was.—Goed, maar Andromache wilde dat hijnietzou gaan....—Dat was infaam van Andromache!... En als ’tmijgebeurd was.... maar zóó iets gebeurt mijniet! Zie hier....” En hij citeert eenige regels uit een brief van Tine, waarin ze hem schrijft liever met hem te sterven dan goed te vinden, dat hij zijn denkbeelden, stijl en ziel zou „verkoopen”.Wij mogen veilig aannemen, althans uit de tot nu toe uitgegeven Brieven blijkt nergens het tegendeel, dat Tine van het begin tot het einde, of liever van het begin tot dicht bij het einde, Multatuli’s handelingen heeft goedgekeurd. Het moet nadrukkelijkgezegd worden, dat dit, ten minste voor de eerste jaren na het ontslag, als volstrekt zeker mag worden aangenomen. Want in de Brieven, waarin de geheele toestand, tot in de minste en intiemste bijzonderheden bloot ligt, is nergens sprake van eenig verzet van Tine tegen Multatuli’s gedrag. En als zij ook maar heel even er op gezinspeeld had, dat Multatuli niet in alles volkomen naar haar wensch handelde, zou hij ongetwijfeld in een stortvloed van verontwaardigde woorden daarop geantwoord hebben. Er is alleen die eerste brief, door Tine uit ’s Gravenhage naar Antwerpen geschreven, waarin ze hem aanraadt van haar te scheiden en zich als matroos of hofmeester op een schip te verhuren. Maar onder-aan dien zelfden brief, schrijft zij, dat zij hem uit „politiek” zoo geschreven heeft als zij daarin deed.Overigens wordt Multatuli’s handelwijze ook door Tine’s goedkeuring niet schoon gewasschen. De meeste predikers die een kemelsvel gingen verslijten in de woestijn, waren niet getrouwd. Jezus, dien Multatuli steeds als voorbeeld neemt, was niet getrouwd.Kluizenaars en kloosterlingen hebben altijd geweten, dat de levensstaat, dien zij wenschten, met het huwelijk niet vereenigbaar was. Zij hebben daarom bij den aanvang van hun loopbaangekozen, in de volle wetenschap van wat zij deden, en dusdoende zijn zij nooit voor het dilemma gekomen, dat Multatuli’s leven heeft beheerscht.Maar nu is het ons niet te doen om eene nadere waardeering dezer genoeg besproken handelwijze, maar alleen om een psychologische kenschetsing van Multatuli’s verhouding tegenover Tine.Wat blijkt hieromtrent uit de Brieven? In de Brieven leeren wij wat dit betreft, Multatuli kennen als een hartelijk echtgenoot en vader. Uit de hartelijkheid, waarmee hij over zijn kinderen schrijft en nooit vergeet dat te doen, maakt ons voorstellingsvermogen als van zelve de gevolgtrekking, dat hij zich met losse vroolijkheid en oningehouden vriendelijkheid onder de zijnen bewoog als hij thuis was, spelend met de kinderen als een oudere makker, schertsend met zijne vrouw als een verknochte vriend. „Dag, pierewieten!”schrijft hij op ’t eind van veel zijner brieven aan zijn tweetal. „Dag, Nonnie en Edu-Max” (dit laatste een verkorting der samenvoeging van „Eduard”, zoo als Dekker zelf en ook zijn zoontje heette, en „Max”, zoo als Dekker’s ideaal-type Havelaar en ook diens zoontje heette); of „kus de pierewieten voor me,” „ziet mijn kèrel zoo bleek?” „kus het menschdom.” Het „menschdom” waren de kinderen. Dekker, vroolijk en uitgelaten van natuur zijnde, als ten minste de bitterheid van zijn lot hem niet ter neder drukte, moet een opgewekt en onderhoudend huisgenoot zijn geweest. Men kan hem zich voorstellen, met zijn levendig en uitdrukkingsvol gezicht, spelend met de kinderen, hen na-zittend door kamers en portalen, hen „krijgend” en opheffend hoog in de lucht, lachend van vadertrots en vadervreugd, als de kleinen juichten en kraaiden. Een anderen keer ging hij er met een op zijn schouder voor den spiegel staan en zei dan: „kijk je vader nu eens goed aan, Edu, en dan je zelf ook. Zie je ons alle bei? Zie je wel, dat je op me lijkt? Nu, wat ik in het leven heb willen doen, dat moet jijook zien te doen hoor! En dan hoop ik, dat je beter zult slagen!”Zijn vrouw had hij lief als een zeldzaam goede zuster, met dankbaarheid en aanhankelijkheid, het eenige wezen op de geheele wereld, waarvan hij wist dat zij, het gansche leven door, geluk ènleedmet hem zou willen deelen. Hij had haar lief als degene, die altijd in hem geloofd had en zou blijven gelooven.Multatuli was de eerste persoon in deze echtvereeniging. In de eerste jaren van hun huwelijk beschouwde zijn vrouw hem als een halve godheid. Gelijk hij later, naar het gerucht wil, door zijne tweede vrouw zoo goed als ten huwelijk is gevraagd, lijdt het ook geen twijfel, of het huwelijk met zijn eerste vrouw is tot stand gekomen en heeft, enkele jaren althans, harmonisch geduurd door dwepende vereering van de zijde der vrouw en hartelijke toegenegenheid van de zijde van den man.Multatuli heeft niet voor zijne eerste vrouw een van die overweldigende passiën gehad, zooals de biografieën van dichters en kunstenaarser soms vermelden, een van die passiën voor een geestelijk geheel gewone of minder dan gewone vrouw, of voor een geestelijk zéér buitengewone vrouw, zooals de Mathilde van Heine, die een naaistertje was, of Mrs. Browning, die eene dichteres is. Hij heeft die ook vóór zijn huwelijk noch in de allereerste jaren gehad, want nergens wordt in de intiemste passages der brieven daarop gezinspeeld. Als Tine zich eens uit gekheid beklaagt over zijn minnekoozerijen met andere vrouwen of meisjes, dan antwoordt hij, dat zij toch wel weet, dat zij zijn liefste engel en schat is, en daarmede is alles gezegd.Tine schijnt tot die zeer zeldzame vrouwen behoord te hebben, in wier inborst een groote lijdzaamheid vereenigd met moed en flinkheid wordt aangetroffen. Tot lang na Dekker’s ontslagneming bleef zij niet alleen alles goedkeuren, ja alles bewonderenswaardig achten, wat hij verkoos te doen of na te laten, maar door de omstandigheden, waarmede zij dientengevolge te strijden kreeg, wist zij zich met een zekere vastberadenheid heen te slaan, dieons niet zelden niet de grootste waardeering voor haar vervult.„C’est un emploi assez difficile que d’être la femme d’un poète,” zegt de Pène, en dat „emploi” heeft Tine met zeldzame volharding en zeldzaam geduld jaren en jaren volgehouden. Toen zij, als freule Van Wijnbergen, den begaafden Indischen ambtenaar, die zich bevond aan het begin van een veel voor de toekomst belovende loopbaan, haar hand schonk, kon zij van het volgend leven allerlei lotgevallen verwachten, behalve juist die, welke haar beschoren zouden zijn. Haar man, die als zoo bekwaam bekend stond, zou spoedig op bevordering kunnen rekenen, zou al hooger en hooger in rang en aanzien stijgen, zij zouden lieve kinderen krijgen en door velen worden benijd. O, wel schoon spiegelde zich de toekomst voor haar af. En mocht het hun al eens tegenloopen, mocht al het leven niet de zoo hoog gespannen verwachtingen vervullen, die Dekker zelf koesterde en door zijn beminde reeds spoedig wist te doen deelen, als hij met zijn levendig woord de toekomst voor haar in beeldbracht,—ook al bracht Eduard het nooit verder dan Resident, of zelfs maar Assistent-Resident,—zou haar daaraan weinig gelegen zijn, want ook in die omstandigheden zou zij, altijd aan de zijde van den aangebeden man, altijd samen met hun geliefde kinderen, het leven een hemel op aarde vinden. O, hoe vlekkeloos gelukkig moest het leven aan het door den geestdriftigen man beminde meisje schijnen! Maar ach, hoeveel te bitterder moet juist daarom later de vreeselijke, geheel onvoorziene, teleurstelling voor haar geweest zijn. Er is geen reden om te veronderstellen dat de eerste huwelijksjaren niet geheel aan de verwachtingen zouden hebben beantwoord. Integendeel. Al de voorspellingen en illusiën schenen werkelijkheid te zullen worden.Heerlijke uren, onvergetelijke tijden moeten dat geweest zijn—later vooral onvergetelijk helaas—als, na volbrachte dagtaak, het jeugdige gezin in de galerij hunner woning van den schoonen avond zat te genieten, Eduard zijn schoone gedachten en groote droomen aan zijne gretig luisterendevrouw mededeelend, Tine hem, met een enkel zacht gesproken woord, altijd gelijk gevend, altijd bewonderend, en ook, als vrucht der opvoeding door haar man zelf haar gegeven, toonend hem beter te begrijpen dan wie anders ook daartoe in staat zoude zijn: en de kleine spring-in-’t-velden, hun schat en hun hoop, spelend aan hun voeten. Welk een blijde gewaarwording, welk een welkome storing, als de vader den hoogen ernst zijner woorden onderbroken hoorde door een lachend, juichend, kraaiend kinderstemmetje.Terwijl de onmetelijke hemel zich, als met zoovele flonkerende edelsteenen, met sterrenmyriaden bezette, terwijl een warme wind, die de hooge donkere boomen deed wuiven en deinen in de nachtelijke atmosfeer, de weemoedige klanken van den gamelan uit de dessa’s helderder in hun ooren deed klinken, zag Tine daar haren man bij zich, het hoofd een weinig naar achteren geleund, en hoorde met juichend hart de schoone woorden aan, waarin hij zijne droomen voor haar vertolkte. Zij was meestal met hemalleen, zij zagen weinig menschen en wat zij van de andere menschen zag en hoorde, hoe werd zij dáardoor juist het groote onderscheid tusschen die anderen en háar grooten man gewaar! Hare liefde maakte natuurlijk het onderscheid veel grooter dan het in werkelijkheid was. De gewoonheid der anderen maakte nu op haar den indruk van laagheid te zijn, in vergelijking met de buitengewone hoogheid van haar eenigen beminde. Wat waren die anderen meer dan kooplieden, schacheraars, zwendelaars, roovers, ja,—had hij zelf het haar niet geleerd?—die om voor zich een, dikwijls zoo gewonnen zoo geronnen, rijkdom te verwerven, de arme inlandsche bevolking onrecht aandeden, verdrukten en aan haar ellendig lot overlieten! Wat waren zij meer dan spelers en drinkers, die na zoo snel fortuin te hebben gemaakt, Indië Indië lieten, hun rug toekeerden aan de donkerkleurige loonslaven, die zij valschelijk door hun godsdienst-leeraars als broeders deden begroeten, om in hun vaderland van de door afpersing verworven schatten een weelderig leventjete gaan leiden? En haar man, haaraangebedenechtgenoot?—Als die zich eens te buiten ging, dan was ’t om zijn door geestdrift en overmatigen arbeid geschokt gemoed afleiding te geven, dan was ’t om zooveel als een veiligheidsklep te openen voor de overvloedige krachten van zijn buitensporig ontwikkeld zenuwgestel. Hoe gelukkig moest zij zich niet gevoelen de vrouw te zijn van een dichter, van een man, van een zóo zeldzaam mensch, die niet slechts een dichterlijke ziel had, maar die van zijn loopbaan, van zijn praktisch beheer, een poëem van rechtvaardige wijsheid bedoelde te maken. Wat de jonge meisjes droomen als zij op haar balkon staan en de eerste lentegeuren bespeuren in de lucht, wat de jonge meisjes mijmeren als zij in den zomernacht, op haar vensterkozijn geleund, de schuchtere verlangens bespieden, die rijzen in hare ziel,—was voor haar, zeldzaam gelukkige vrouw, werkelijkheid geworden. Zij behoefde hem niet als eene onwezenlijke gestalte, als een geheimzinnigen, alleen in de verbeelding bestaanden, minnaar, in stilte te begeeren, metde zekerheid hem nooit in haar armen te zullen sluiten,—neen, zij was vereenigd, zij was voor altijd vereenigd, zij was voor het geheele leven één, met den dichter, met den held, met den koning harer droomen.Deze overtuiging, deze gelukkige zekerheid, was zoo vast geworden in Tine’s ziel, was dermate tot een gedeelte van haar zieleleven, tot een gedeelte van haar bestaan geworden, dat die niet wankelde bij haar man’s ontslagneming en de daaropvolgende jaren van bitteren kommer. Men kan zeggen, dat het hoogere bestanddeel van hun huwelijk, het huwelijk in zijn geestelijke beteekenis, voor de hoofdzaak juist hierin bestond, dat Tine deelde in den grootheidsdroom van haar man. Als Multatuli later verhaalt hoe hij met woeker oogst hetgeen hij gezaaid had in de ziel zijner vrouw, moet dat beduiden, dat hij wist hoe eindeloos trouw Tine hem was toegedaan—in het gelooven, in het steeds blijven gelooven, aan de glorierijke toekomst, die hen wachtte. Dáardoor had hij haar in de hoogste beteekenis tot zíjne vrouw gemaakt, dat ook inháar de schoone dwaasheid had wortel geschoten, even vast als in hem zelf, die hen het ideaal met de werkelijkheid deed verwarren.Zij hadden zoo lang gewacht, nietwaar, op het groote geluk, dat in aantocht was, zoo vele uren en uren hadden zij het in hun eenzame woningen in stilte verbeid, dat, toen Multatuli, ten toppunt van exaltatie, de groote daad deed die hem buiten de werkelijkheid in het rijk der idealen verplaatste, het ook háar niet anders kon schijnen of nú was de groote slag geslagen, de tooverslag, die hen tot de glorie zou brengen, door haar dichter-echtgenoot altijd voorspeld en voorzien. Zij kende het leven betrekkelijk zoo weinig! Was zij niet als argeloos jong meisje, in de netten van zijn schoone minnetaal gevangen, hem in de Indische eenzaamheid gevolgd, toen hij haar gevraagd had zijne levensgezellin te worden? Had zij niet jaren lang schier dag aan dag hem de groote, de wondervolle toekomst hooren prijzen, waarheen het leven hen zonder twijfel voerde?... Men ziet haar van hier, toen er van Lebak weg verhuisd moest worden,in opgewonden drukte de toebereidselen tot de afreis makend, het hoofd gebukt over de open koffers en kisten, de oogen schitterend, de wangen gloeiend, in de angstig-verheugde zekerheid, dat nú het oogenblik gekomen was voor de groote reis, die hen brengen zou... ja, waarheen?, waar anders heen dan in het levenstijdperk van macht en roem, dat haar man op de plaats zou brengen, die hem toekwam, krachtens zijn hooge gaven en zeldzamen geest?Langzamerhand, zeer langzaam aan, ontwaakte zij uit hare droomen, door de nawerkingen van de groote botsing waarin zij met de werkelijkheid waren gekomen; toen zij van haar heer en haar God, ver van haar aangebeden man, alleen in kommer en verdriet moest leven met de kinderen, die tevergeefs om hun vader riepen, toen kwam zij zachtjesaan tot het bittere besef, dat zij in ijdelen waan had verkeerd, dat zij nu onverbiddelijk de slachtoffers werden van de edele dwaling, waaraan zij zich hadden overgegeven, dat zij het leven verkéerd hadden begrepen.Voorzeker is het hier de plaats de nagedachtenis te eeren van eene vrouw, die martelares werd door het te ver gedreven schoonste gevoel, dat eene gehuwde vrouw kan bezielen: het onbeperkte geloof en vertrouwen in de verwezenlijking van het ideaal, dat haar man zich in het leven heeft gesteld. Want wat moest Tine nu ondervinden, nu haar man tot de eenige voor hem mogelijke grootheid inderdaad scheen te komen! Ziet, nu geschiedde het, nu erkende ieder het buitengewone, dat zij altijd in hem had gezien, nu was de schat, waarvan zij zoo lang alléen geweten had, de schat, dien zij alleen zoo lang had bemind en vereerd, openbaar eigendom geworden. Nu kon een ieder vrij de bloemen plukken, die zoo lang voor haar alleen hadden gebloeid in de verborgenheid van haars geliefden ziele-rijkdom. Maar had zíj nu, in den oogst van erkenning en roem, het aandeel, waarvan hij haar altijd gesproken had en voorzegd, dat het bijna niet geringer dan het zijne wezen zou? Al viel de oogst geheel anders en in hun schatting schraler uit, danzij hadden verwacht, deelde hij dien nu dan toch ten minste met haar, opdat hun huwelijk, zij ’t op deze onvoorziene wijze, de bekroning zou geworden, aan wier verschijning zij nimmer hadden gewanhoopt?... Neen, het tegendeel geschiedde. Nu de tijd dáár was, nu was hij altijd verre van haar, nu kreeg zij van den schitterenden maaltijd niets dan de bittere brokken te eten, nu moest zij telkens in zijne brieven lezen, dat hij niet bij haar kon komen, dat hij nog wat toeven moest, verre van haar, dat hij alleen zijnde beter werken kon, dat hij haar aan dit niet kon helpen en aan dát niet, dat zij zich maar alleen moest zien te behelpen en tevreden te stellen.Groot moet het leed van deze vrouw geweest zijn, toen zij langzamerhand tot de ontdekking kwam, dat haar ziel zich al de huwelijksjaren lang gevoed had met eene illuzie. Niet in hare waardeering van haren man was de illuzie gelegen, want al had zijne buitengewoonheid ook andere uitkomsten dan zij beiden er van hadden verondersteld, die buitengewoonheid bléek dan toch nuvoor de oogen der geheele wereld. Maar hare illuzie was geweest dat zij in die buitengewoonheid deelen zou op de dubbele wijze; niet alleen zou zij er met hem de vruchten van plukken en de blijdschap van hebben, neen, er was nog een inniger aandeel, dat zij altijd gehoopt had het hare te zullen kunnen noemen; al durfde zij het zich zelve ternauwernood bekennen, tóch bewaarde zij die hoop in hare ziel als haar kostbaarst kleinood: het was de gedachte, dat hij, om buitengewoon te zijn, om met zijne buitengewoonheid te werken, háar aanwezigheid en hare medewerking behoefde. Had hij het haar niet dikwijls ingefluisterd, had hij het haar niet honderd maal verzekerd, dat hij aan haar lieve oogen zijn beste inspiratiën dankte, dat hij aan haar moedvol woord de volharding verschuldigd was, die hem in zijn loopbaan zou doen slagen? Hoe verlangde zij, nu hij het werk, het groote werk, dat werk, waarin alleen hij toch eigenlijk bleek uit te schitteren, begonnen was, hoe verlangde zij nu bij hem te zijn. Hoe vurig begeerde zij met hem te bespreken debladzijden, die hij dìen dag schrijven zou, zijne tevredenheid te vernemen over de taak, die was volbracht, zijne bitterheid te verzachten, als hij eens mocht meenen dat zijn genius hem minder goed dan gewoonlijk had ter zijde gestaan.Hoezeer wenschte zij met hem te wonen onder één dak, met hem de maaltijden te deelen, met hem gezien te worden ook vooral, op de wandeling, op de plaatsen van openbaar vermaak! Welk een tintelende gloed van fierheid zou haar doorstroomd hebben, als zij overal had mogen hooren fluisteren: kijk, daar loopt de schitterende schrijver Multatuli met zijn vrouw. En nu, nu zag zij in, dat deze vurige hoop nooit verwezenlijkt zoude worden... Was het dan niet waar geweest, als hij haar zijn tweede ik noemde, was het dan maar leugen of vleierij of zelfbedrog geweest, als hij zoo menigmaal gezegd had, dat zíj alleen in zijne ziel kon lezen, dat zíj alleen hem begreep! En als zij er ooit iets toe mocht hebben bijgedragen om hem dat vast geloof in zich zelf te geven, waaraan hij voor een grootgedeelte te danken had, dat zijne verve hem nooit in den steek liet, ja, als zij de éenige was, die daartoe ooit iets bijgedragen had, was zij dan niet als van zelve de aangewezen persoon om, door voortdurende en onmiddellijke tegenwoordigheid, te zien wat dat geloof uitwerkte en hoe die verve hem de meest schitterende resultaten opleverde!Tine kwam tot het besef dat haar man haar niet noodig had. Wat de stoffelijke zijden van het bestaan aanging, was zij hem tot last, en zij kon dien last niet kompenseeren door hem in het geestelijke behulpzaam te zijn, want zijn geest bleek juist beter te kunnen werken buiten haar aanwezigheid.Hoe wreed moet het leven haar toegeschenen hebben, als zij haren kinderen de afwezigheid van hun vader te verklaren had, als de kleinen, die haar telkens hoorden spreken van vader die dit deed of vader daar dát meê gebeurd was, haar ietwat angstig de vraag stelden, waarom vader niet bij hen was, waarom zij vader nimmer zagen!Aan deze wetenschap, die zij thans omtrentharen man opdeed, sloot die andere, wellicht nog pijnlijker, zich onmiddellijk aan, dat haar man ook nooit den grooten hartstocht voor haar gehad had, waarvan zij zich altijd gevleid had het voorwerp te zijn. Nu begreep zij het ten volle en besefte het met groot verdriet, dat hij alleen zich zelf steeds gezocht had, niet in grof zelfzuchtige beteekenis, maar in zich zelf zijn Muze, zijne godheid, die hem meer waard was dan alle aardsche dingen. Zij begreep, dat hij haar had liefgehad, dat hij haar liefhad, met hartelijke genegenheid, maar geenszins met de onbevredigde passie, waarvan eene vrouw droomt in den geheimsten schuilhoek harer ziel.Ja, hij schreef wel telkenmale aan het einde zijner brieven aan haar: „Ik verlang dol, ik verlang dol [om bij u te zijn],” maar als dat verlangen werkelijk zoo onstuimig in zijn binnenste had gewoed, zou hij, die zich zelf zoo weinig meester was, zich niet hebben kunnen dwingen van haar gescheiden te leven. Hij zou haar geschreven hebben: kom Tine, kom bij mij, ik heb het wel niet breed,ik ben wel klein behuisd, en met de kinderen zal het wel wat lastig zijn, maar buiten ù kan ik niet! Ik hoop en vertrouw, dat we het met de kinderen zullen weten te schikken, maar mócht het niet lukken, nu, dan zullen wij ze ergens uitbesteden of iets dergelijks; liever dàt, dan uwe tegenwoordigheid te missen. Als ik zoo veel meesterschap over mij zelf heb, dat ik mij maanden en maanden heb kunnen weêrhouden naar u toe te snellen niettegenstaande mijn groot verlangen,—nu, dan zal ik ook, als het moet, mijn neiging om mij tegenover u zóo uit te storten, dat er niets meer voor mijn pen en inkt te doen blijft, wel weten te beteugelen. (Immers, dàt was zijn bijzondere reden om zich niet met zijne vrouw te vereenigen.)Dit is een der leelijke zaken in Multatuli’s loopbaan, dat hij eenmaal het huwelijk als levensstaat gekozen hebbende, zich niet verplicht heeft gevoeld, van die keuze de onvermijdelijke konsequenties te dragen.Heeft Multatuli al niet de groote passie voor de vrouw, voor ééne vrouw, gekend,—toch had hij in zijn persoon iets dat de vrouwensterk aantrok en ook eene onmiskenbare behoefte aan omgang met vrouwen.Tot de opvoeding, welke hij zijne eigene vrouw gegeven had, tot hetgene, wat hij in hare ziel had „gezaaid”, behoorden onder andere de denkbeelden over liefde en godsdienst, tegenovergesteld aan die, welke zij van huis uit had medegebracht. Want Tine was van huis uit vroom, in den ouderwetschen, kerkschen zin van het woord. Wij weten dat niet alleen omdat zij tot eene familie van ouden adel behoorde, maar van hare zuster Henriëtte van Heeckeren vinden wij herhaaldelijk vermeld dat zij zoo erg godvruchtig was en steeds maar riep van Heere! Heere! Nu, zooals de éene zuster, met een kerkschen man gehuwd zijnde, haar geheele leven gebleven is, zoo zal de andere natuurlijk ook geweest zijn, vóor zij met een onkerkschen man in het huwelijk trad.Dekker nu veranderde de denkbeelden zijner vrouw over godsdienst en liefde. Van den godsdienst, zooals hare familieleden die opvatten, maakte hij haar afkeerig op velerlei manier. Gedurende de eerste jaren vanhun huwelijk was dit zeker vaak het onderwerp van hun gesprek; maar na de ontslagneming, gedurende zijn lijdensperiode te Brussel vooral, was meer dan ooit deze zaak aan de orde van den dag in zijn brieven. Dubbel ergerde hem nu, dat menschen, die altijd van God en Gods liefde spraken, naar zijn indruk zoo weinig liefde voor hun evenmensch bleken te hebben. Uitlatingen als de volgende zijn daarom niet zeldzaam:„Geloof me, lieve beste, waar een zeker soort van godsdienst in ’t spel is, is het altijd zoo. ’t Is phariseesche huichelarij die altijd een sabbath bij de hand heeft om ’t schaap niet te helpen dat in de groeve ligt. Ook zij zouden den Christus kruisigen, mits ’t maar geschieden kon onder beschutting van vreemd gezag. Ook zij zouden de handen vies terugtrekken van tollenaren, slagters en mijn arme Eugénie.”Toen Tine te Brummen vertoefde, op het buitengoed van den heer Jan Dekker, had deze haar naar haar geloof gevraagd. Zij schijnt niet goed geweten te hebben wat daarop te antwoorden, en geantwoord, datzij ’t zelfde geloofde wat haar man geloofde, maar dat díe het beter uit kon leggen. Toen moet de heer Jan geantwoord hebben, dat zij haar man dan maar eens moest verzoeken zich daarover uit te spreken. En in een zijner brieven uit dien tijd geeft Dekker dan een geloofsbelijdenis. Hij, die door het minste en geringste hevig geraakt werd in die maanden vooral, begint echter met te zeggen dat hij ’t een schande vindt dat zijn broeder Jan daarnaar nú juist heeft gevraagd. De aanleiding voor dat vragen moet geweest zijn dat de kleine Eduard Dekker, Multatuli’s zoon, al spelend gezegd had: „die stok is onze lieve Heer.” Als hij (de kleine Eduard) weêr onder ons dak is, schrijft Dekker, mag hij zeggen: onze lieve Heer is Grietje of pierewiet. En op Jan’s vragen had Tine moeten antwoorden: „Jan, mijn plicht is te gelooven wat de man gelooft, die de macht heeft mijn arme kinderen op straat te zetten. De arme heeft geen recht op een eigen geloof.” Want stond Jan, in deze omstandigheden die vraag doende, niet gelijk met een Algerijnschen zeeroover, die een christengevangene vraagt wat hij vanMahomed denkt? Niettegenstaande dat alles, wilde Multatuli toch wel antwoorden. Zijn vrouw moet daarover een „opstelletje” hebben, en zij zàl het hebben, ofschoon hij het liever niet gaf omdat Tine’s en zijn geloof zoo negatief is. Hij vervolgt met te zeggen, dat hun geloof is niet te weten wat zij te gelooven hebben. Zij zijn nog altijd aan het zoeken, en het eenige, waarvan zij nagenoeg zeker zijn, is: nooit te zullen vinden. Niet omdat zij minder goed dan een ander zouden gezocht hebben, maar omdat zij minder spoedig tevreden zijn met het gevondene. Vervolgens schrijft hij, dat veel hem zegt dat er een God is, omdat alles niet uit niets kan voortgekomen zijn; maar daartegenover zegt ook veel hem, dat er geen God is. Voornamelijk: de volmaaktheid van de natuurwetten, die aan het heelal iets machinaals geven, dat de gedachte aan Almacht buitensluit. Vervolgens zoude, indien er een God was, die zich wel aan hem geopenbaard hebben. Noch onderzoek noch de ingevingen van zijn hart hebben hem een God geopenbaard. De slotsom is, dat hij niet weet of er een God is, dat, alshij er is, hij goed moet zijn, dat hij Multatuli’s diensten niet behoeft, dat hij hem dient door te trachten goed te zijn, en dat hij als eenig richtsnoer daarvoor zijn hart heeft.Ziedaar de gedachten, die de lektuur der in dien tijd populaire wijze van oplossing van het wereldraadsel in Dekkers geest had achtergelaten, en die hij in zijne vrouw had overgeplant. Met wijsbegeerte of natuurkunde heeft dat al heel weinig te maken. Het is ongeveer de formuleering van een atheïsme, zooals elke onkerksche die min of meer bewust in zich omdraagt.Nu rijst de vraag: was het goed van Multatuli gehandeld, hoorde het bij de nog al kalme liefde, bij de eenvoudig hartelijke toegenegenheid, welke hij zijne vrouw toedroeg, om haar godsdienst-gevoel te fnuiken zonder er iets anders voor in de plaats te kunnen geven, dan de vage redeneeringen eener praktische wijsbegeerte, die nauwelijks een man tevreden kan stellen?Men kan zich tegenwoordig schier niet meer indenken in den toestand der gemoederen van dien tijd, toen menschen, die totde meest ontwikkelden en besten van hun geslacht behoorden, er hun edelste bezigheid in vonden bij alle mogelijke gelegenheden hartstochtelijk tegen den godsdienst te ageeren. Er is iets griezeligs, iets al te kouds en buitensporigs in den spot van een vader, die zijn zoontje leert spreken met hoonwoorden gericht tot een wezen, dat zooveel honderden jaren door geheele geslachten, ook van kunstenaars en denkers, als het meest eerbiedwaardige is beschouwd en behandeld.„Kom, Eduardje, zeg nu: die stok is onze lieve Heer”—waarom dat, zouden wij geneigd zijn te vragen. Wilt gij uw kind buiten den godsdienst opvoeden, begin dan met er hem in ’t geheel niet over te spreken, doe hem dien naderhand kennen als een historisch verschijnsel, dat, als oorzaak van honderden daden, waarbij de ontslagneming te Lebak nog maar kinderspel lijkt, reeds daarom eenigen eerbied schijnt te verdienen; maar erger niet de geloovige menschen en daarbij de ongeloovigen van goeden smaak, door kinderlippen te gewennen godslasteringen te stamelen. Er is iets kinderachtigs en ietsverdachts, iets zwaks eigenlijk gezegd, in dezen hevigen haat tegen een wezen, dat niet bestaat. Het doet denken aan de grenzenlooze gevoelens van haat en wrok, die de boerenfamiliën tegen elkander kunnen hebben, zoodat als de buurman-vijand b.v. een ongelukkige krankzinnige zuster in huis heeft, de andere buurman zijn kinderen reeds zoo jong mogelijk leert haar na te roepen: de malle, kijk, daar loopt de malle.Doch, wij herhalen, wij die al deze verschijnselen historisch hebben leeren waardeeren, die ons niet meer van afkeer tegen de bestaande godsdienstvormen bewust zijn, eenvoudig omdat ze ons op zich zelf onverschillig zijn geworden, terwijl buitendien hun aspekt ons door zijn pittoresque eigenschappen artistiek doet genieten,—wij kunnen ons in den toestand nauwelijks meer denken van iemand, die om zoo te zeggen pas aan den godsdienst is ontgroeid en nu uit kwaadheid hierover, dat hij zijn eerste twintig levensjaren zoo onnoozel heeft gedwaald, aan het voorwerp dier dwaling zooveel als haat heeft gezworen. Het warenniet alleen de algemeene tijdsomstandigheden, de atheïstische gedachtenstrooming die over de wereld was gekomen, het waren ook waarschijnlijk Dekker’s bijzondere levensomstandigheden, die, als een toestand van reaktie, den God-haat in hem hadden doen geboren geworden. In zijn jeugd was hij vermoedelijk langdurig in aanraking geweest met menschen, in wier zeden en gewoonten het „Geloof” zich van zijn minst beminnelijke zijde openbaarde. Men had hem, de wilde natuur, het opbruisende karakter, wellicht jaren en jaren in bedwang gehouden door verwijzingen naar allerlei harde leerstukken en onvermurwbare zedenwetten. Wie weet welke strenge gezichten, welke droge zielen van in der tijd geduchte katechizeermeesters en schoolvossen nog in zijne herinnering leefden, die hij of hij wilde of niet naar hartelust moest verachten en bespotten toen hij eenmaal aan den band ontsprongen was.Bedenkelijker dan de spot met den godsdienst, die aan de kinderen werd geleerd, was het uitroeien van het godsdienstige gevoel uit het hart van de vrouw. Op zichzelf reeds bedenkelijk, werd het bepaald huiveringwekkend, toen Dekker aan de vrouw, die hij ontnomen had wat tot zekeren tijd wellicht haar kostbaarste schat was geweest, ten slotte niets in de plaats kon geven dan verdriet en ellende.Zeker, kunt gij, gehuwd man, als gij ontdekt dat uw vrouw zonderlinge en voor hare rust en gezondheid gevaarlijke eigenaardigheden heeft, b.v. een groote vrees voor spoken, voor voorteekenen, of andere gemeenlijk met den naam van „bijgeloof” aangeduide affekties,—zeker kunt gij niet beter doen, dan zooveel mogelijk trachten haar die dingen uit het hoofd te praten. Als uw vrouw dus een nerveus persoontje is, die het godsdienstig gevoel als een schrik-aanjagende fataliteit in hare ziel heeft, die het u den heelen dag lastig maakt met allerlei scrupules en naargeestige gemoedsbezwaren omtrent de eenvoudigste zaken en voorvallen des levens, die aanhoudend voorstellingen van „de hel” ontwaart in haar ontstelde verbeelding en weigert u naar den schouwburg te vergezellen omdat zij den vorigen avondGods waarschuwende stem heeft vernomen, die haar dat verboden heeft,—dan zult gij haar een weldaad bewijzen met het licht der waarheid voor haar te doen opgaan, en haar, door het ongeloof, de gerustheid des gemoeds te schenken. Vooral indien gij er zeker van meent te zijn dat er maar een heel klein of in ’t geheel geen lichthoekje zich naast de groote schaduwen bevindt, die de godsdienst geworpen heeft in de ziel uwer vrouw; en indien gij ’t hoogst waarschijnlijk acht, dat gij steeds, het geheele leven door, met uwe liefde daar aan hare zijde aanwezig zult zijn om te voldoen aan de behoefte aan troost en verlichting, die uw levensgezellin wellicht menigmaal zal gevoelen.Maar indien de godsdienst zich meest van hare lichtzijden aan uw vrouw heeft vertoond, indien zij de gerustheid en de blijdschap haars levens juist dáaruit voor een groot gedeelte put,—dan zult gij, al dwaalt zij naar uw meening, u toch twee keer moeten bedenken voor gij de hand aan die, voor haar schoone, dwaling slaat.Multatuli had meer dan één reden, meerredenen dan gewone ongeloovigen kunnen hebben, om den godsdienst in den boezem zijner vrouw te smoren, want hij wilde dat daarin geen andere god dan hij zelf zou wonen. Men vatte dit niet op als dolzinnigen hoogmoed. Hij vond zich zelf, dat wil zeggen, de groote, nieuwe waarheden in zich zelf en den schoonen, bezielden vorm, dien hij daaraan wist te geven, een beter, grooter en meer levende god, dan dien der oude voorstellingen, waarbij zijn vrouw was opgevoed.Hij stond zoo veel boven haar, dat zij zich de wijziging, welke hij hare denkbeelden wilde doen ondergaan, met gretigheid liet wèlgevallen. Zooveel hechtte zij niet aan haar godsgevoel en godsdienstbegrip of zij wilde die wel vaarwel zeggen voor de nieuwe leer door haar man haar verkondigd. En als zij zich bedrukt voelde of neerslachtig door ziekte of ander levensleed, zou hij daar dan niet altijd wezen om haar op te beuren en moed in te spreken; was zijn trouwe borst niet voor het geheele leven onder haar bereik, om er haar hoofd tegen te laten rusten als zij moede was?Toen Dekker later zijne vrouw aan haar zelve alleen overliet in allesbehalve heuglijke omstandigheden, zullen er misschien wel oogenblikken zijn geweest, dat hij er berouw over voelde eertijds den geloofsboom in haar binnenste te hebben geveld, waaraan zij zich nu in haar nood had kunnen vastklemmen. Wat moet die vrouw zich ongelukkig hebben gevoeld! Met hoeveel angst en wanhoop moet zij zich nu het geloof harer jonge jaren en de vertroostende kracht, die dit in der tijd voor haar bezat, te binnen hebben gebracht! Daar stond zij nu, zooveel als met ledige armen! Maar moest zij nu heen, waaraan zich steunen? De sterke man, in wien alleen zij al haar vertrouwen had gesteld, had haar verlaten, die steun was onherroepelijk voor haar verloren gegaan, en tot God kon zij zich niet meer wenden, omdat hij ’t geloof aan dien God uitgeroeid had uit hare ziel. Hoe moet zij verzucht hebben: ach, kón ik nog maar gelooven, bezat ik het vertrouwen nog maar in God als in een liefderijk vader, dan was ten minste de toekomst nu niet voor mij zoo geheel grijs, donker en ledig!Had Multatuli het huwelijk en zijne betrekking tot zijn vrouw anders opgevat, had hij, zij ’t met opoffering van de grootere innigheid in den band, die noodzakelijk moest ontstaan waar ook de innigste en hoogste gedachten van man en vrouw hun gemeenschappelijk goed worden,—had hij haar godsdienstige gevoelens ontzien, zoodat die als een verborgen schat in haar binnenste konden blijven bestaan, hij zoude later de grievende verwijten nimmer hebben vernomen, die ongetwijfeld zijn geweten hem op sommige oogenblikken deed.In verband met zijne godsdienstige, of liever ongodsdienstige, begrippen, had Dekker ook zijne opvatting van het huwelijk en de liefde gewijzigd. Hij had polygamische neigingen; en niet alleen had hij die „zoo maar” gelijk zoovele gehuwde mannen, maar hij bezat daar allerlei theorieën en redeneeringen over, die het oude, van het christendom afkomstige, gevoel daarover in hem moesten dood-praten. Evenals hij met het godsdienstige had gedaan, wordt het uit verscheidene passages in de brieven duidelijk, dat hij ook op dit punt dehoogere opvoeding zijner vrouw op zich had genomen.Van de vier relaties, waarvan wij in de brieven hooren: die met Pauline, die met Eugénie, die met Sietske Abrahamsz, die met het ongenoemde meisje, dat later een soort oplichtster bleek te zijn,—vier relaties, waaronder slechts twee, of wellicht maar één, van anders dan oppervlakkigen aard,—hield hij getrouwelijk zijn vrouw op de hoogte; zoodat, indien men in aanmerking neemt dat Multatuli bijna niets deed of hij had een stel redeneeringen ter rechtvaardiging zijner daden bij de hand, indien men er op let dat hij in ’t algemeen theoretisch zeer ontwikkeld was en alles vastknoopte aan eene theorie, het meer dan waarschijnlijk wordt, dat hij zijne vrouw had beduid, dat zij op grond hiervan en op grond dáarvan, het behoorde goed te keuren indien haar man nog met andere vrouwen intiemen omgang had, nog andere vrouwen liefhad, dan met haar, en haar alleen.Hiermede bevinden wij ons in aanraking met het onderdeel der korrespondentie, dat vele lezers vermoedelijk minder aangenaamzal hebben getroffen. Want al hebt ge vrij uw vrouw overreed, dat God niet bestaat, en dat de verschillende godsdiensten ouderwetsche larie zijn, waarmede verstandige menschen, die de negentiende-eeuwsche beschaving mede maken, zich niet meer behooren op te houden, dat dus ook zij van den godsdienst, waarin zij geboren is en opgegroeid, afstand behoort te doen,—daarom zoudt gij toch tevergeefs trachten haar ook aan ’t verstand te brengen, dat uit de stelling, dat wij geen God kennen, die ons een leer- en zedenwet zou hebben geopenbaard, eene andere stelling afgeleid moet worden, inhoudende dat aan den man een zekere vrijheid van liefde of keus moet gelaten worden, geheel in strijd met het oude huwelijksbegrip, waarbij de vrouw een éénig recht op haar man had, of waarbij ten minste het den man als een eerste plicht was opgelegd de trouw ongeschonden te handhaven, die hij zijner vrouw bij den aanvang hunner verbintenis had gezworen of beloofd.Het is mogelijk dat menschen, die gevoelen gelijk wij, als laat-negentiende-eeuwers minof meer een mal figuur maken; het is mogelijk dat wij, om konsequent te zijn, nu wij het oude geloof aan één God hebben verlaten, met de geheele levensbeschouwing, die daarvan afhankelijk was, ook ons begrip omtrent den echt zouden dienen te wijzigen, en, in samenhang met dat begrip, de sentimenten die er de uitvloeiselen of de basis van zijn; maar wij kúnnen dat niet, en, konsequentie of geen konsequentie, daarmede is alles gezegd. Ons begrip kunnen wij wel wijzigen, met genoegen zelfs indien het iemand aangenaam kan zijn, maar ons gevóel, zie, dat is een heele andere zaak, dat kan veel minder gemakkelijk gewijzigd worden. Bewijst ons nu maar met a plus b, dat het christendom heeft uitgediend, en dat men dientengevolge, het eene logisch afleidend uit het andere, tot het besluit moet komen, dat wij de oude christelijke sentimenten omtrent de heiligheid van het huwelijk en de schoonheid der smettelooze trouw tusschen man en vrouw moeten laten varen, om vervolgens ook onze praktijk naar de nieuwe begrippen te regelen, gij zult met de meest spitsvondige bewijsvoeringenons gevoel, dat wij als de erfenis van achttien eeuwen in ons bloed dragen, niet omverpraten. En tot dat gevoel behoort, dat wij het bepaald wreed, afschuwelijk wreed vinden, de hand van het koele moderne gezond-verstand te slaan aan de schoone en teedere bloemen van christelijke huwelijkstrouw, die daar bloeien op die verborgen plekjes in het hart der vrouw, waar het woord van den man niet ontwijdend mag binnendringen.Wij kunnen niet aannemen, dat Tine in haar hart toegejuicht zou hebben, dat haar man zich met andere vrouwen afgaf; wij kunnen ons wel voorstellen, dat zij eene zoo onbegrensde vereering koesterde voor Multatuli’s inzichten, dat zijtrachtte, wijl hij het goedvond, het zelve ook goed te vinden, indien hij haar ontrouw was, maar ongetwijfeld is haar dit nooit gelukt en deden zijne mededeelingen over zijn avonturen haar grievend leed, hoezeer ze dit ook voor hem geheim poogde te houden.Indien Multatuli dit zelf niet inzag, moet zulks aan gebrek aan menschenkennis gewetenworden; zag hij het wèl in, dan komt ons zijn gedrag in dezen geheel en al onverschoonbaar voor. En, alles in aanmerking genomen, vreezen wij, dat hij ’t half en half begreep, zonder zich volledig van den toestand rekenschap te geven; en nu, uit een soort van goedig-plagerige dwingelandij, haar geen enkel der berichten spaarde, die haar wellicht hinderden, maar die haar dan hinderden tengevolge van eene opvatting, welke zij, om zijnentwil, reeds lang had behooren prijs te geven. Zoo denken wij ons zijn standpunt.Stelt u voor een man, een echtgenoot, die zijne vrouw in de kommervolste omstandigheden van hem gescheiden moet doen leven, eerst in een zeer ver afgelegen land, later nog steeds in een ander land, op eene dagreize van hem verwijderd, en dat die echtgenoot dan aan zijn vrouw, die hem liefheeft en aanbidt, onophoudelijk dingen schrijft als (van vreemde of haar nauwelijks bekende jonge vrouwen schrijvend): Lieve Tine, beste trouwe Tine, ik heb Pauline weêr gezien, zij had haar onecht kind op haar schoot... lieveTine, ik heb vruchteloos gepoogd Eugénie hier weêr te ontmoeten, je herinnert je, dat is dat meisje dat ik in der tijd uit een publiek huis heb medegenomen,... lieve Tine, ik ben verliefd op Sietske Abrahamsz, je weet wel, dat mooie lieve nichtje van ons... lieve Tine, elken ochtend komt er een meisje bij mij ontbijten... lieve Tine, ik heb allerlei amourettes, te veel om te vertellen... Enz. Enz.... Je wordt nu wel een opwelling van wrevel daarover gewaar, lieve Tine, maar herinner je maar, dat wij afgesproken hebben, dat ik je duidelijk heb gemaakt, dat ik je heb doen inzien: je moet dat goedvinden, je moet daarin berusten... ik blijf altijd van jóu het méest houden, dat weet je wel... op die Sietske ben ik puur verliefd,... die arme Eugénie, je moest haar kennen... neen, neen, kind, bedwing nu je afkeer; ik, weet je wel, ik, die zoo ontzettend veel wijzer, rechtvaardiger en beter ben dan jij, die zooveel als je opvoeder in alles ben geweest, ik zeg je: je moet je meester blijven, je moet je niet door je gevoel laten medeslepen, maar je verstand raadplegen; ...ik vertel je opzettelijkzooveel van mijn relatiën met andere vrouwen om je op de proef te stellen, om te zien of het goede inzicht niet bij je zal zegevieren,... wees dus nu verstandig en trek het je niet aan... je zult nog wel meer hooren, gisteren ontmoette ik nog een dame, die...Dit zijn in ’t geheel geen citaten, wij bedoelen alleen, dat men dien geest en dien toon bespeurt in de brieven. En wij willen de vrouw beklagen, die daaraan blootstond. Ach, met hoeveel bitterheid moet zij zich later deze korrespondentie herinnerd hebben, toen zij merkte, dat haar man voor altijd van haar scheiden zou. Dáarvoor had zij zich dan deze gruwelijke plagerijen getroost, dáarvoor had zij een vriendelijk gezicht gezet als zij leed gevoelde van binnen, dáarvoor had zij de stem van haar gevoel gesmoord, wijl zij het hooge verstand van haar man over haar vrouwelijk gevoel wilde doen zegevieren—om nu te zien dat hij ten slotte geheel van haar vervreemdde... Wie had gelijk gehad? Zijn verstand of háar gevoel? O, die stille stem van binnen had het haarwel altijd gezegd... Zij had altijd, wel flauw, een wanhopig vermoeden gehad, dat het onvermijdelijk eens zóó worden zou...Beschouwen wij thans Multatuli in zijne verhouding tot de opeenvolgende minnaressen, die een plaats konden innemen in zijn hart, dat niet geheel alleen door Tine ingenomen bleek te zijn.Vóór de genegenheid, welke Multatuli opvatte voor mejuffrouw Hamminck Schepel, die later zijn tweede echtgenoote werd, treffen wij de meergemelde Eugénie aan, als de eerste en voornaamste vertegenwoordigster dergenen, die Tine’s deelgenooten werden in zijn omgang en liefde.De betrekking van Multatuli met Eugénie hebben wij bekeken: vooreerst wat aangaat den indruk, dien Multatuli’s verwanten en in ’t algemeen de maatschappij daarvan moest ontvangen; vervolgens wat aangaat het gevoel dat de mededeelingen daaromtrent bij Tine moesten gaande maken; thans geldt onze overweging het geval op zich zelf, de verklaring van dezen toestand zooals diezijn aanleiding vond en zich weêrspiegelde in Multatuli’s gemoed zelf.Het is ons niet te doen een absoluut en leerstellig standpunt in te nemen ter beoordeeling van het gedrag van een gehuwd man, die publieke vrouwen frequenteert of op andere wijze buiten het huwelijk liefdesbetrekkingen onderhoudt. Dit standpunt zij overgelaten aan moralisten en staathuishoudkundigen. Wij willen vooropstellen, dat wij het laakbare in Multatuli’s handelwijze thans slechts hierin vinden, dat hij zijne vrouw van zijnfaits et gestesop de hoogte hield, en haar onzes inziens daardoor ten diepste moest grieven.Het is een bekende stelling van den hertog De Richelieu, dat men met het grootste gemak en zonder gevaar voor onze gemoedsrust meer dan éene vrouw tegelijk kan beminnen. Maar eene dergelijke stelling kan alleen ontstaan in het brein van en als psychologische kuriositeit geformuleerd worden door lieden, die van de liefde eene opvatting hebben, zooals aan de Bourbonhoven van vóór Lodewijk den XVIdeninzwang was en een paar eeuwen in zwang is gebleven. Zij bedoelden met het woord liefde, noch de groote passie, die de werkelijkheid voor hem die haar ondervindt als ’t ware van gedaante doet veranderen en aan het voorwerp der liefde zooveel als een bovennatuurlijken glans en ook macht verleent, zoodat hij letterlijk door het voorwerp dier liefde „betooverd” lijkt en dus dat veel gebruikte woord nu tot eene wezenlijke waarheid maakt; evenmin hadden zij er de innige, in haar eenvoud groote, trouwe, genegenheid meê voor, zooals het christendom ons die heeft doen koncipiëeren en die het eigenaardig huwelijkssentiment is van ons, westersche, monogamische volken; maar zij bedoelden er meê eene liefde, die wel eenige oppervlakkige overeenkomst vertoont met de oostersche liefde, maar toch het eigenaardig beestachtig wilde van den haremwellust mist, en van een kleiner, een wel fijner, wel beschaafder, maar tegelijk nietiger opvatting getuigt; zij beschouwden de liefde als een gril, een caprice, eene toquade, een aangename tijdelijke manie,meer niet; en inderdaad, indien men haar aldus opvat, is er een reden om, zich in een tijdverdrijvend spel van intrigue en coquetterie werpend, meer dan éene vrouw tegelijk te courtiseeren. Of men dan met een dier verschillende vrouwen toevallig gehuwd is, doet er niet toe; dat is in zulk een geval een bijkomende omstandigheid zonder beteekenis of waarde, want van het huwelijk eigenlijk gezegd en de gevoelens van eerbied, trouw en bescherming, die het in onze ziel onderhoudt, is daarbij in ’t geheel geen sprake meer. Dit is geen werkelijk beminnen, en meer dan éene vrouw te gelijk waarlijk lief te hebben, past niet in onze westersche psychologie en is een onmogelijkheid.Niet alleen dus, dat Dekker de groote verterende passie niet kende, maar uit het feit, dat hij, alleen op zijn gemak door Europa reizende, bordeelen bezocht en langdurige betrekkingen aanknoopte, is op te maken, dat de hartelijke genegenheid, welke hij koesterde voor zijn vrouw, er in alle opzichten een was van de allergewoonste soort, endat die genegenheid volstrekt geen poëtisch teeder en religieus karakter in zijn gemoed had aangenomen.Als een getrouwd manen garçonuit is met vrienden van vroeger, en men is wat gemonteerd doordat men den kelder een weinig te veel heeft aangesproken, en men sukkelt, om het feest voort te zetten, zulk een huis binnen en vermaakt zich daar tot het krieken van den ochtend—nu, dát wordt door eenigen als eene vrij vergeeflijke gebeurtenis beschouwd. De bewoonsters blijven bij haar beroep, men vermaakt haar en zichzelf, en laat ze wat verdienen.Dekker vond het buitendien in beginsel goed: Wat zou het? Genot is deugd, vermaak is gezond, ieder man, gescheiden van zijn vrouw levende, heeft daar behoefte aan, het is een hygiënische gymnastiek, en, de alles beheerschende rechtvaardiging: niemand lijdt er immers schade door, niemand immers wordt er ook maar een greintje leed door berokkend. Hij vond het, voor personen zooals hij, zelfs bijzonder aanbevelenswaardig:omdat het goed is voor publieke vrouwen, die arme, medelijden-wekkende schepselen, die zoo algemeen veracht worden door vromen en schijnheiligen, die zoo weinig het voorwerp zijn der elders dikwijls zoo ruimschoots bestede naastenliefde, die meestal slechts met gemeene, liederlijke mannen in aanraking komen,—omdat het voor dezulken heel goed is eens een man te ontmoeten, die haar ten minste nog als menschen beschouwt, die het oprecht goed met haar meent, haar een vriendelijk woord zal toespreken en op beschaafde, edele wijze met haar zal verkeeren. Ja, dus redeneerde hij, geholpen door zijn steeds dadelijk bij de hand zijnde fantasie, waarschijnlijk door: het was een weldaad, die hij haar bewees, het was een hoogere plicht, dien hij vervulde, hij dacht aan vele groote namen uit de wereldgeschiedenis, wier dragers met courtisanes omgang hadden gehad, hij vergeleek zich, ook nu weder, met Christus, die immers Maria Magdalena toeliet zijn voeten te wasschen en vergaf aan de overspelige vrouw. En zoo voorts, en zoo voorts.Dit is alles goed en wel. Wij herhalen, dat wij niet partij wenschen te kiezen in de beoordeeling van het geval in ’t algemeen van een gehuwd man, dieen garçonuitgaat. Er komt altijd belofte-breuk bij te pas, de breuk namelijk van de belofte, die men zijn vrouw heeft gedaan van háar alléen tot den dood toe getrouw te zullen zijn. Maar er zijn tal van argumenten beschikbaar om in zekere gevallen een belofte-breuk te wettigen, en wij zullen ons niet in eene moralistische uitpluizing van deze zaken verdiepen. De hoofdzaak is ongetwijfeld, dat er niemand leed worde gedaan.Maar,—hierop willen wij neêrkomen—Dekker wás niet op een dronkemanspartij en met vrienden uit; hij reisde geheel alleen, en ging, in koelen bloede, dat zelf in alle opzichten goedvindend, daarheen. En nu zeggen wij alléén, dat dáaruit blijkt, dat zijne genegenheid voor zijn vrouw niet vanongemeenteederen aard was. Immers al deed hij hier geen leed (op dat oogenblik ten minste niet, later deed hij haar dat wel door zijne op theorie berustende zonderlinge opvattingvan het echtgenootschap, welke hem haar van al zijn avonturen op de hoogte deed houden), al deed hij háar dus geen leed, noch Eugénie, en al deed hij zich zelf een genoegen, dus het tegendeel van leed, en al schijnen dus al de bij het geval betrokken personen veilig voor leed,—tóch zou hij, ware zijn genegenheid voor Tine van hoogeren aard geweest, het edelste gevoel in eigen borst door zoo eene handeling een kwetsuur hebben toegebracht, waarvan de schrijnende pijn het genoegen dat hij er op andere wijze van had, ten zeerste beperken moest, zoo al niet geheel vernietigen.Want, indien de gehuwde man, die zijn vrouw met vrome trouw bemint, op de purperen sofa heeft plaats genomen, en daar in eene weelderige afzondering zich opsluit met eene vreemde, kleurrijk uitgedoste, vrouw, wier mond met den beroepsglimlach hem tegenlacht, wier oogen, boven de half weggeblankette vale kringen schel schitteren van de nachtelijke vreugden, wier adem riekt naar den professioneelen feestwijn van elken dag—en hij moet dan liefkoozingen ontvangen,en hij moet liefkoozingen geven, dezelfde, ja werktuiglijk dezelfde liefkoozingen, welke hij anders in een stillere, meer zedige eenzaamheid alleen voor zijn eenige vrouw overheeft,—dan komt er een groot, pijnigend, wanhopig verdriet, en een spijt vol wrok en wrevel in hem op, die hem al het hier aanwezige ruwe en bonte genot zal vergallen.Vooreerst is het de ontwijding der liefde, die een niet onderdrukbaar gevoel van groote neerslachtigheid over hem zal brengen, waar de stralen van de schitterende lichtkroon noch het gefonkel van het door den wijn goud gekleurd kristal iets tegen vermogen. Niet de ontwijding der liefde, omdat hij leerstellig het huwelijk voor eene vereening der zielen zou houden, en de vereeniging zonder liefde, zonder ziel, dus voor eene profanatie van dat huwelijksbegrip; veel minder eene ontwijding der liefde omdat hij het in beginsel iets slechts zou vinden, er aan toe te geven zonder dat een geestelijk of burgerlijk ambtenaar van te voren daartoe een brevet van bevoegdheid heeft uitgereikt; want wij spreken van een modern gewoon menschelijkgevoelend man; maar eene ontwijding der liefde omdat hetzelfde wat alleen waarde en beteekenis scheen te hebben in het verkeer met de eenige, ziels-vertrouwde, voor het geheele leven uitverkoren éénige vrouw, hetzelfde, wat een onmisbaar schijnend teeder mysterieus karakter verkreeg, als de verwezenlijking van lang gekoesterde slechts half bewuste verlangens, waar het, niet nader ontleed, zich in zoo een dronkenschap van reine zaligheid voltrok, dat men alleen den indruk kreeg dat het wezen op zijn innigst met het éénig geliefde wezen één werd, waarbij het lichaam werd vergeten en het scheen als hoorde men nu alleen duidelijker elkanders harteklop, als waren de harten nu slechts op een bijzonder innige wijze tot elkaar genaderd; omdat dit zelfde, anders een mysterie dat een langzaam gegroeide vervoering bekroonde, nu zijn hooge charme verliest door de brutaliteit, waarmede het eenvoudig als pikant tijdverdrijf aangewend blijkt te kunnen worden. Eene ontwijding der liefde, omdat zij ontnuchtert van de edelste aller dronkenschappen. Omdat zij van een poëem eenemachinerie maakt, van een visioen een fysiologisch experiment.Ten tweede zal het genot van den bovenomschreven echtgenoot verbitterd worden, omdat zijn verbeelding hem zal beginnen te plagen; onophoudelijk zal de figuur zijner kuische vrouw zich in zijne gedachten dringen, als eene die hem zacht droevig zijn schennis van hun vertrouwelijken omgang verwijt. Hij zal zich het diepe verdriet voorstellen, dat haar zou vervullen indien zij hem hier eens zag. Hij zal vergelijkingen gaan maken, hij zal dat móeten, hoe weinig gaarne hij ’t ook doet, zijn geweten zal er hem toe dwingen,—tusschen zijne vrouw en degene, die thans naast hem is. In de geheele afschuwelijkheid harer grimeering, van haren weelderigen verleidingstooi, harer geveinsde lachjes en gespeelde minzaamheid zal zijn tijdelijke gezellin hem plotseling voor oogen komen; zijn blik zal zich verscherpen, hij zal achter haar masker van cold-cream en rouge impérial de sporen van het vroegtijdig jeugd-verlies en der aanhoudend walgelijke vermoeienissen zien, en hij zal zich verwenschen,dat hij tot deze sjacheraarster van genoegens gelijkluidende liefde-woorden sprak als anders slechts de intieme stilte binnen de zedige wanden van zijn huiselijk geluk van zijn lippen hoorde komen. Hij zal daar, als een aangeleerde manoeuvre, gebaren zien maken, en ze herkennen als de zelfde, welke hij als eene argelooze, spontane, naïeve, kinderlijke beweging heeft gezien. En als hij dan zijn hoed niet neemt en wegsnelt, is hij een man zonder ziel en zonder smaak, of liever,—wat wij hier van Multatuli betoogen—bemint hij zijne vrouw met eene vulgaire koele genegenheid.Zien wij nu, hoe Dekker, eenmaal er aan gewend die huizen te bezoeken, zijne langdurige betrekking met Eugénie tegenover zich zelf verontschuldigde en tot iets zoo moois maakte, dat bij de overdenking dier betrekking de edelste neigingen zijner ziel niet uitgesloten behoefden te blijven.’t Moge zijn dat Dekker in lang geen publiek huis bezocht had, toen hij Eugénie leerde kennen, en dus niet goed besefte, dat hare mededeelingen overeenkwamen met de gewonepraatjes dier zeer tijdelijke geliefden, die haar bezoeker bijna altijd een in hoofdzaak gelijkluidend verhaal doen, waarin steeds dezelfde episoden voorkomen: 1o. zijn zij dochters van boeren of arme werklieden en verleid en ongelukkig gemaakt door een vrijer, die beloofd had haar te trouwen en aan wiens woorden zij geloof hadden geslagen; 2o. hebben zij éens, toen zij figurante in den een of anderen kleinen schouwburg waren, of ook, toen zij het wilde leven reeds waren begonnen, eene schitterende relatie gehad met een schatrijk of hoogst voornaam jongmensch, die haar gedurende eenige maanden als eene prinses heeft doen leven, welke relatie voor altijd eene glansrijke herinnering bij haar heeft achtergelaten; 3o. zijn zij daarna van het eene huis in het andere gekomen en hebben nu hetzij de flauwe hoop dat een zéér jonge man nog eens de een of andere dwaasheid om harentwil zal begaan door haar als maîtresse te nemen, hetzij de ambitie met een flinken kellner of kappersbediende een „net” huwelijk aan te gaan, hetzij de hoogere eerzucht zelf eens aan ’t hoofd van een dergelijk etablissementte staan als waaraan zij nu ondergeschikt zijn verbonden en op hare beurt te kommandeeren;—òf ’t moge zijn, dat Eugénie tot de niet zoo frequent voorkomende vrouwen van dat slag behoorde, die gouvernante, kamenier of juffrouw van gezelschap geweest zijn, dat hare konversatie dientengevolge iets meer gesoigneerd was en zij een weinig betere manieren had, dat bij haar sterker dan bij hare beroepsgenooten het verlangen sprak om van het leven aldaar verlost te worden;—zéker is, dat Dekker zich tot haar aangetrokken gevoelde door de verwantschap die hij tusschen haar toestand en den zijnen bespeurde. De geheimzinnige sympathie, die tusschen de rassen van paria’s bestaat en door De Goncourt ter sprake wordt gebracht, waar hij het intieme verkeer van soldaten en dergelijke vrouwen behandelt inLa fille Elisa,—die zelfde sympathie was het, welke Dekker er toe dreef, zich in een ongewoon intiem kontakt met Eugénie te begeven. Hij bevond zich daar tegenover eene vrouw van oorspronkelijk goeden en fatsoenlijken aanleg, die, eigenlijk buiten hare schuld, en nietalleen buiten hare schuld maar tengevolge van het uit goedheid, uit edelmoedigheid, toegeven aan eischen, door een man, dien zij het meest vertrouwde, haar gesteld,—door de maatschappij was uitgestooten en genoodzaakt met het uitoefenen van een ellendig beroep, op een niet te avouëeren wijze, in haar onderhoud te voorzien. Nu, was er dan niet een treffende overeenkomst tusschen haar lotgeval en het zijne? Was ook hij niet ongelukkig geworden en door de maatschappij uitgestooten, omdat hij een te goedgeloovig vertrouwen in de leden dier maatschappij had gesteld? Hij óok had, zonder voorzichtigheid, zonder om te zien, geluisterd naar de stem van zijn hart, denkend dat de maatschappij hem daarvoor zou loven en beloonen.Hij dacht nu van zich zelf: ik ben goed, de maatschappij is slecht; ik heb de ware liefde, den waren harteadel; en nu wilde hij samengaan met die andere verstootene, wijl ook zij de ware liefde, den waren harteadel had, of althans gehad had, hoezeer die nu ook schuil was gegaan in hare verworpenheid.Dekker vond het in alle opzichten iets schoons en edels om deze vrouw te beschermen en bij te staan; in die handeling was een protest, een protest van menschenliefde en zielegrootheid tegen al het laffe, lauwe en kleinzielige der maatschappelijke opvattingen.Behalve eenige zinnelijke liefde, waarvan overigens weinig blijkt, maar die toch zeer waarschijnlijk met het andere gevoel vermengd was, was het dus een algemeen, half en half theoretisch, gevoelen, een revolutionair gevoelen, gericht tegen maatschappelijke denkbeelden, èn een bijzonder gevoel van medelijden, dat Dekker zich het lot van Eugénie dermate deed aantrekken.Zonder dat hij ’t zich ten volle bewust was, werd, zoo stellen wij het ons voor, het gevoel medelijden in Dekker één met de zinnelijke liefde, evenals dit bij vele vrouwen het geval is. Vele vrouwen toch, die zich overgeven aan een man, doen dat veeleer uit goedheid, uit medelijden, uit zucht om hulp te bieden, dan uit zinnelijke aandrift. Zij willen dien armen minnaar tevredenstellen, zij willen hem gelukkig maken, en het besef der voldoening harer eigen zinnen gaat te loor in haar wetenschap van een groote weldaad te bewijzen, van het hoogste weg te schenken, van het kostbaarste afstand te doen, waarover zij te beschikken hebben. Hier neemt de liefde het karakter aan van hoogste menschlievendheid.Dekker vond het geval buitendien interessant. Hij had behoefte, een koortsige behoefte, aan interessante ontmoetingen en lotgevallen. Daarom drong hij zich op, dat Eugénie een veel buitengewoner persoon was, dan zij in werkelijkheid zal geweest zijn, daarom verfantazeerde hij haar tot een soort heldin, aan wier zijde het hem voegde te treden. Zij gaf hem eene soortgelijke gewaarwording als iemand, die voor het eerst in een ver van zijn geboortegrond gelegen centraalwereldverkeerstation komt, van de zich daar bevindende in vreemde engelsche reisdracht gestoken gebasaneerde medereizigers ontvangt. Hij ziet een man met vaste trekken, donkere gelaatskleur, groote, strenge, zwarte oogen, die zich met een beteuterendekalmte door wachtzalen en perrons beweegt. Dit moet wel een zeer gewichtig en belangrijk personage zijn, denkt hij dan. Later blijkt het te wezen de gewoonste aller scheepskapiteins, die wel zijn beroep goed kent, maar overigens in niets uitmunt en het heen- en wedervaren tusschen Europa en Amerika met dezelfde werktuiglijkheid jaar aan jaar verricht, als een vaderlandsche schoolmeester dagelijks zijn klassen bestuurt.Dekker achtte de ontmoeting van Eugénie bepaald een uitnemende vondst. Hij had nu gezelschap, een in alle opzichten aantrekkelijk gezelschap, op reis. Wat was daar niet een delicieuze afleiding voor zijn kommer en zorg in, om met die belang inboezemende fransche dame op reis te zijn, steeds in vriendschappelijke gesprekken met haar gewikkeld, haar begeleidend in hotels en stations, haar steunend bij het instijgen van rijtuigen, bespied, in stilte gelukgewenscht en benijd door die omstanders, welke iets van de verhouding begrepen!
Multatuli en Tine, Max Havelaar en Tine,—deze namen klinken ons in de ooren als die van een paar belangrijke historische personen, als van een paar figuren uit Homerus’ Ilias. Er is zooveel geschreven en gekeven over het lot en de verhouding dier twee, dat hunne geschiedenis ons eenigszins een gedeelte der vaderlandsche historie lijkt te zijn. Kenau Hasselaar, Tine Havelaar,—hun rol was wel zeer verschillend maar het onderscheid in belangrijkheid niet groot,—voor ónze ooren.Er zijn Multatulianen (of Multatulisten), die het huiselijk leven van Multatuli en de lotgevallen van zijn gezin tot onderwerp hunner vrome overwegingen hebben gekozen, zooals de orthodoxe Christenen het familieleven van Jozef, Maria en Jezus overdenken.... Was Jozef een goed huisvader?—Voorzeker, want er staat geschreven, dat Jozef werkte aan de schaafbank. Hij verdiende dus het geld (of liever: de levensmiddelen) voor zijn gezin. Ieder Christelijkhuisvader moet Jozef als voorbeeld nemen. Enz.... Was Maria een goede huismoeder?—Voorzeker, want zij verzorgde haar kind, legde het in windselen om het tegen weer en wind te beschutten. Enz. Iedere huismoeder moet zich styleeren op het voorbeeld van Maria.Er is trouwens grooter verband tusschen de legende omtrent Jozef, Maria en Jezus en het oordeel, vooral van niet-Multatulisten, over Multatuli in zijne verhouding tot zijn gezin, dan men oppervlakkig geneigd zoude zijn te meenen. Immers tot grondslag aan de algemeene misprijzing, die Multatuli’s gedrag tegenover de zijnen heeft ondervonden, ligt niets anders dan die eeuwenoude Christelijke moraal van het familiebegrip, die in de tot goddelijk type verheven legende omtrent de Heilige Familie haar oorsprong heeft gevonden.De menschen, die niet Multatulist zijn, keuren éene groote zaak in hem af, waartoe al de overige in hunne waardeering afkeurenswaardige handelingen en eigenschappen terug te brengen zijn, namelijk: dat Multatulide zijnen heeft verlaten en niet als zijn éerste plicht beschouwde voor hén te werken.De Multatulisten zeggen: hij had iets hoogers te doen, een hoogere stem riep hem naar elders, ver van de zijnen, hij moest in de woestijn gaan om tot God (d. i. zijne ziel in haar hoogste uiting) te komen. De meer matige bewonderaars antwoorden: goed, maar mag men den naastbijliggenden plicht verzaken om een hoogeren te volbrengen, mag iemand om met het geld van zijn vader een weeshuis te bouwen, in eene gemeente waar vele noodlijdende kinderen zijn en waar geen gesticht is om die op te nemen,—zijn vader vermoorden?Multatuli zelf heeft in zijn Ideën meermalen dit vraagstuk aangeroerd en het voorgesteld als gaf Tine hem gelijk in al zijn doen en laten. Waar hij in zijneMinnebrievende verhouding tusschen man en vrouw bespreekt, zooals die uiterst zelden is, maar zoo als die altijd zoude móeten zijn, en de vrouw „officieel zelfs.... een certificaat van onbruikbaarheid” noemt, omdat gehuwde mannen niet tot de eerste militielichtingenbehooren, welke in geval van oorlog worden opgeroepen—brengt hij er Hector en Andromache bij te pas:„Dat was anders in Troje.... zie maar dat afscheid van Hector en Andromache.... ’t hoeveelste boek weet ik niet.... de kleine jongen wordt bang voor Hectors pluim.... maar Hector gaat....—’t Staat in ’t zesde boek, zei de bezoeker, die Doctor in de Letteren was.—Goed, maar Andromache wilde dat hijnietzou gaan....—Dat was infaam van Andromache!... En als ’tmijgebeurd was.... maar zóó iets gebeurt mijniet! Zie hier....” En hij citeert eenige regels uit een brief van Tine, waarin ze hem schrijft liever met hem te sterven dan goed te vinden, dat hij zijn denkbeelden, stijl en ziel zou „verkoopen”.Wij mogen veilig aannemen, althans uit de tot nu toe uitgegeven Brieven blijkt nergens het tegendeel, dat Tine van het begin tot het einde, of liever van het begin tot dicht bij het einde, Multatuli’s handelingen heeft goedgekeurd. Het moet nadrukkelijkgezegd worden, dat dit, ten minste voor de eerste jaren na het ontslag, als volstrekt zeker mag worden aangenomen. Want in de Brieven, waarin de geheele toestand, tot in de minste en intiemste bijzonderheden bloot ligt, is nergens sprake van eenig verzet van Tine tegen Multatuli’s gedrag. En als zij ook maar heel even er op gezinspeeld had, dat Multatuli niet in alles volkomen naar haar wensch handelde, zou hij ongetwijfeld in een stortvloed van verontwaardigde woorden daarop geantwoord hebben. Er is alleen die eerste brief, door Tine uit ’s Gravenhage naar Antwerpen geschreven, waarin ze hem aanraadt van haar te scheiden en zich als matroos of hofmeester op een schip te verhuren. Maar onder-aan dien zelfden brief, schrijft zij, dat zij hem uit „politiek” zoo geschreven heeft als zij daarin deed.Overigens wordt Multatuli’s handelwijze ook door Tine’s goedkeuring niet schoon gewasschen. De meeste predikers die een kemelsvel gingen verslijten in de woestijn, waren niet getrouwd. Jezus, dien Multatuli steeds als voorbeeld neemt, was niet getrouwd.Kluizenaars en kloosterlingen hebben altijd geweten, dat de levensstaat, dien zij wenschten, met het huwelijk niet vereenigbaar was. Zij hebben daarom bij den aanvang van hun loopbaangekozen, in de volle wetenschap van wat zij deden, en dusdoende zijn zij nooit voor het dilemma gekomen, dat Multatuli’s leven heeft beheerscht.Maar nu is het ons niet te doen om eene nadere waardeering dezer genoeg besproken handelwijze, maar alleen om een psychologische kenschetsing van Multatuli’s verhouding tegenover Tine.Wat blijkt hieromtrent uit de Brieven? In de Brieven leeren wij wat dit betreft, Multatuli kennen als een hartelijk echtgenoot en vader. Uit de hartelijkheid, waarmee hij over zijn kinderen schrijft en nooit vergeet dat te doen, maakt ons voorstellingsvermogen als van zelve de gevolgtrekking, dat hij zich met losse vroolijkheid en oningehouden vriendelijkheid onder de zijnen bewoog als hij thuis was, spelend met de kinderen als een oudere makker, schertsend met zijne vrouw als een verknochte vriend. „Dag, pierewieten!”schrijft hij op ’t eind van veel zijner brieven aan zijn tweetal. „Dag, Nonnie en Edu-Max” (dit laatste een verkorting der samenvoeging van „Eduard”, zoo als Dekker zelf en ook zijn zoontje heette, en „Max”, zoo als Dekker’s ideaal-type Havelaar en ook diens zoontje heette); of „kus de pierewieten voor me,” „ziet mijn kèrel zoo bleek?” „kus het menschdom.” Het „menschdom” waren de kinderen. Dekker, vroolijk en uitgelaten van natuur zijnde, als ten minste de bitterheid van zijn lot hem niet ter neder drukte, moet een opgewekt en onderhoudend huisgenoot zijn geweest. Men kan hem zich voorstellen, met zijn levendig en uitdrukkingsvol gezicht, spelend met de kinderen, hen na-zittend door kamers en portalen, hen „krijgend” en opheffend hoog in de lucht, lachend van vadertrots en vadervreugd, als de kleinen juichten en kraaiden. Een anderen keer ging hij er met een op zijn schouder voor den spiegel staan en zei dan: „kijk je vader nu eens goed aan, Edu, en dan je zelf ook. Zie je ons alle bei? Zie je wel, dat je op me lijkt? Nu, wat ik in het leven heb willen doen, dat moet jijook zien te doen hoor! En dan hoop ik, dat je beter zult slagen!”Zijn vrouw had hij lief als een zeldzaam goede zuster, met dankbaarheid en aanhankelijkheid, het eenige wezen op de geheele wereld, waarvan hij wist dat zij, het gansche leven door, geluk ènleedmet hem zou willen deelen. Hij had haar lief als degene, die altijd in hem geloofd had en zou blijven gelooven.Multatuli was de eerste persoon in deze echtvereeniging. In de eerste jaren van hun huwelijk beschouwde zijn vrouw hem als een halve godheid. Gelijk hij later, naar het gerucht wil, door zijne tweede vrouw zoo goed als ten huwelijk is gevraagd, lijdt het ook geen twijfel, of het huwelijk met zijn eerste vrouw is tot stand gekomen en heeft, enkele jaren althans, harmonisch geduurd door dwepende vereering van de zijde der vrouw en hartelijke toegenegenheid van de zijde van den man.Multatuli heeft niet voor zijne eerste vrouw een van die overweldigende passiën gehad, zooals de biografieën van dichters en kunstenaarser soms vermelden, een van die passiën voor een geestelijk geheel gewone of minder dan gewone vrouw, of voor een geestelijk zéér buitengewone vrouw, zooals de Mathilde van Heine, die een naaistertje was, of Mrs. Browning, die eene dichteres is. Hij heeft die ook vóór zijn huwelijk noch in de allereerste jaren gehad, want nergens wordt in de intiemste passages der brieven daarop gezinspeeld. Als Tine zich eens uit gekheid beklaagt over zijn minnekoozerijen met andere vrouwen of meisjes, dan antwoordt hij, dat zij toch wel weet, dat zij zijn liefste engel en schat is, en daarmede is alles gezegd.Tine schijnt tot die zeer zeldzame vrouwen behoord te hebben, in wier inborst een groote lijdzaamheid vereenigd met moed en flinkheid wordt aangetroffen. Tot lang na Dekker’s ontslagneming bleef zij niet alleen alles goedkeuren, ja alles bewonderenswaardig achten, wat hij verkoos te doen of na te laten, maar door de omstandigheden, waarmede zij dientengevolge te strijden kreeg, wist zij zich met een zekere vastberadenheid heen te slaan, dieons niet zelden niet de grootste waardeering voor haar vervult.„C’est un emploi assez difficile que d’être la femme d’un poète,” zegt de Pène, en dat „emploi” heeft Tine met zeldzame volharding en zeldzaam geduld jaren en jaren volgehouden. Toen zij, als freule Van Wijnbergen, den begaafden Indischen ambtenaar, die zich bevond aan het begin van een veel voor de toekomst belovende loopbaan, haar hand schonk, kon zij van het volgend leven allerlei lotgevallen verwachten, behalve juist die, welke haar beschoren zouden zijn. Haar man, die als zoo bekwaam bekend stond, zou spoedig op bevordering kunnen rekenen, zou al hooger en hooger in rang en aanzien stijgen, zij zouden lieve kinderen krijgen en door velen worden benijd. O, wel schoon spiegelde zich de toekomst voor haar af. En mocht het hun al eens tegenloopen, mocht al het leven niet de zoo hoog gespannen verwachtingen vervullen, die Dekker zelf koesterde en door zijn beminde reeds spoedig wist te doen deelen, als hij met zijn levendig woord de toekomst voor haar in beeldbracht,—ook al bracht Eduard het nooit verder dan Resident, of zelfs maar Assistent-Resident,—zou haar daaraan weinig gelegen zijn, want ook in die omstandigheden zou zij, altijd aan de zijde van den aangebeden man, altijd samen met hun geliefde kinderen, het leven een hemel op aarde vinden. O, hoe vlekkeloos gelukkig moest het leven aan het door den geestdriftigen man beminde meisje schijnen! Maar ach, hoeveel te bitterder moet juist daarom later de vreeselijke, geheel onvoorziene, teleurstelling voor haar geweest zijn. Er is geen reden om te veronderstellen dat de eerste huwelijksjaren niet geheel aan de verwachtingen zouden hebben beantwoord. Integendeel. Al de voorspellingen en illusiën schenen werkelijkheid te zullen worden.Heerlijke uren, onvergetelijke tijden moeten dat geweest zijn—later vooral onvergetelijk helaas—als, na volbrachte dagtaak, het jeugdige gezin in de galerij hunner woning van den schoonen avond zat te genieten, Eduard zijn schoone gedachten en groote droomen aan zijne gretig luisterendevrouw mededeelend, Tine hem, met een enkel zacht gesproken woord, altijd gelijk gevend, altijd bewonderend, en ook, als vrucht der opvoeding door haar man zelf haar gegeven, toonend hem beter te begrijpen dan wie anders ook daartoe in staat zoude zijn: en de kleine spring-in-’t-velden, hun schat en hun hoop, spelend aan hun voeten. Welk een blijde gewaarwording, welk een welkome storing, als de vader den hoogen ernst zijner woorden onderbroken hoorde door een lachend, juichend, kraaiend kinderstemmetje.Terwijl de onmetelijke hemel zich, als met zoovele flonkerende edelsteenen, met sterrenmyriaden bezette, terwijl een warme wind, die de hooge donkere boomen deed wuiven en deinen in de nachtelijke atmosfeer, de weemoedige klanken van den gamelan uit de dessa’s helderder in hun ooren deed klinken, zag Tine daar haren man bij zich, het hoofd een weinig naar achteren geleund, en hoorde met juichend hart de schoone woorden aan, waarin hij zijne droomen voor haar vertolkte. Zij was meestal met hemalleen, zij zagen weinig menschen en wat zij van de andere menschen zag en hoorde, hoe werd zij dáardoor juist het groote onderscheid tusschen die anderen en háar grooten man gewaar! Hare liefde maakte natuurlijk het onderscheid veel grooter dan het in werkelijkheid was. De gewoonheid der anderen maakte nu op haar den indruk van laagheid te zijn, in vergelijking met de buitengewone hoogheid van haar eenigen beminde. Wat waren die anderen meer dan kooplieden, schacheraars, zwendelaars, roovers, ja,—had hij zelf het haar niet geleerd?—die om voor zich een, dikwijls zoo gewonnen zoo geronnen, rijkdom te verwerven, de arme inlandsche bevolking onrecht aandeden, verdrukten en aan haar ellendig lot overlieten! Wat waren zij meer dan spelers en drinkers, die na zoo snel fortuin te hebben gemaakt, Indië Indië lieten, hun rug toekeerden aan de donkerkleurige loonslaven, die zij valschelijk door hun godsdienst-leeraars als broeders deden begroeten, om in hun vaderland van de door afpersing verworven schatten een weelderig leventjete gaan leiden? En haar man, haaraangebedenechtgenoot?—Als die zich eens te buiten ging, dan was ’t om zijn door geestdrift en overmatigen arbeid geschokt gemoed afleiding te geven, dan was ’t om zooveel als een veiligheidsklep te openen voor de overvloedige krachten van zijn buitensporig ontwikkeld zenuwgestel. Hoe gelukkig moest zij zich niet gevoelen de vrouw te zijn van een dichter, van een man, van een zóo zeldzaam mensch, die niet slechts een dichterlijke ziel had, maar die van zijn loopbaan, van zijn praktisch beheer, een poëem van rechtvaardige wijsheid bedoelde te maken. Wat de jonge meisjes droomen als zij op haar balkon staan en de eerste lentegeuren bespeuren in de lucht, wat de jonge meisjes mijmeren als zij in den zomernacht, op haar vensterkozijn geleund, de schuchtere verlangens bespieden, die rijzen in hare ziel,—was voor haar, zeldzaam gelukkige vrouw, werkelijkheid geworden. Zij behoefde hem niet als eene onwezenlijke gestalte, als een geheimzinnigen, alleen in de verbeelding bestaanden, minnaar, in stilte te begeeren, metde zekerheid hem nooit in haar armen te zullen sluiten,—neen, zij was vereenigd, zij was voor altijd vereenigd, zij was voor het geheele leven één, met den dichter, met den held, met den koning harer droomen.Deze overtuiging, deze gelukkige zekerheid, was zoo vast geworden in Tine’s ziel, was dermate tot een gedeelte van haar zieleleven, tot een gedeelte van haar bestaan geworden, dat die niet wankelde bij haar man’s ontslagneming en de daaropvolgende jaren van bitteren kommer. Men kan zeggen, dat het hoogere bestanddeel van hun huwelijk, het huwelijk in zijn geestelijke beteekenis, voor de hoofdzaak juist hierin bestond, dat Tine deelde in den grootheidsdroom van haar man. Als Multatuli later verhaalt hoe hij met woeker oogst hetgeen hij gezaaid had in de ziel zijner vrouw, moet dat beduiden, dat hij wist hoe eindeloos trouw Tine hem was toegedaan—in het gelooven, in het steeds blijven gelooven, aan de glorierijke toekomst, die hen wachtte. Dáardoor had hij haar in de hoogste beteekenis tot zíjne vrouw gemaakt, dat ook inháar de schoone dwaasheid had wortel geschoten, even vast als in hem zelf, die hen het ideaal met de werkelijkheid deed verwarren.Zij hadden zoo lang gewacht, nietwaar, op het groote geluk, dat in aantocht was, zoo vele uren en uren hadden zij het in hun eenzame woningen in stilte verbeid, dat, toen Multatuli, ten toppunt van exaltatie, de groote daad deed die hem buiten de werkelijkheid in het rijk der idealen verplaatste, het ook háar niet anders kon schijnen of nú was de groote slag geslagen, de tooverslag, die hen tot de glorie zou brengen, door haar dichter-echtgenoot altijd voorspeld en voorzien. Zij kende het leven betrekkelijk zoo weinig! Was zij niet als argeloos jong meisje, in de netten van zijn schoone minnetaal gevangen, hem in de Indische eenzaamheid gevolgd, toen hij haar gevraagd had zijne levensgezellin te worden? Had zij niet jaren lang schier dag aan dag hem de groote, de wondervolle toekomst hooren prijzen, waarheen het leven hen zonder twijfel voerde?... Men ziet haar van hier, toen er van Lebak weg verhuisd moest worden,in opgewonden drukte de toebereidselen tot de afreis makend, het hoofd gebukt over de open koffers en kisten, de oogen schitterend, de wangen gloeiend, in de angstig-verheugde zekerheid, dat nú het oogenblik gekomen was voor de groote reis, die hen brengen zou... ja, waarheen?, waar anders heen dan in het levenstijdperk van macht en roem, dat haar man op de plaats zou brengen, die hem toekwam, krachtens zijn hooge gaven en zeldzamen geest?Langzamerhand, zeer langzaam aan, ontwaakte zij uit hare droomen, door de nawerkingen van de groote botsing waarin zij met de werkelijkheid waren gekomen; toen zij van haar heer en haar God, ver van haar aangebeden man, alleen in kommer en verdriet moest leven met de kinderen, die tevergeefs om hun vader riepen, toen kwam zij zachtjesaan tot het bittere besef, dat zij in ijdelen waan had verkeerd, dat zij nu onverbiddelijk de slachtoffers werden van de edele dwaling, waaraan zij zich hadden overgegeven, dat zij het leven verkéerd hadden begrepen.Voorzeker is het hier de plaats de nagedachtenis te eeren van eene vrouw, die martelares werd door het te ver gedreven schoonste gevoel, dat eene gehuwde vrouw kan bezielen: het onbeperkte geloof en vertrouwen in de verwezenlijking van het ideaal, dat haar man zich in het leven heeft gesteld. Want wat moest Tine nu ondervinden, nu haar man tot de eenige voor hem mogelijke grootheid inderdaad scheen te komen! Ziet, nu geschiedde het, nu erkende ieder het buitengewone, dat zij altijd in hem had gezien, nu was de schat, waarvan zij zoo lang alléen geweten had, de schat, dien zij alleen zoo lang had bemind en vereerd, openbaar eigendom geworden. Nu kon een ieder vrij de bloemen plukken, die zoo lang voor haar alleen hadden gebloeid in de verborgenheid van haars geliefden ziele-rijkdom. Maar had zíj nu, in den oogst van erkenning en roem, het aandeel, waarvan hij haar altijd gesproken had en voorzegd, dat het bijna niet geringer dan het zijne wezen zou? Al viel de oogst geheel anders en in hun schatting schraler uit, danzij hadden verwacht, deelde hij dien nu dan toch ten minste met haar, opdat hun huwelijk, zij ’t op deze onvoorziene wijze, de bekroning zou geworden, aan wier verschijning zij nimmer hadden gewanhoopt?... Neen, het tegendeel geschiedde. Nu de tijd dáár was, nu was hij altijd verre van haar, nu kreeg zij van den schitterenden maaltijd niets dan de bittere brokken te eten, nu moest zij telkens in zijne brieven lezen, dat hij niet bij haar kon komen, dat hij nog wat toeven moest, verre van haar, dat hij alleen zijnde beter werken kon, dat hij haar aan dit niet kon helpen en aan dát niet, dat zij zich maar alleen moest zien te behelpen en tevreden te stellen.Groot moet het leed van deze vrouw geweest zijn, toen zij langzamerhand tot de ontdekking kwam, dat haar ziel zich al de huwelijksjaren lang gevoed had met eene illuzie. Niet in hare waardeering van haren man was de illuzie gelegen, want al had zijne buitengewoonheid ook andere uitkomsten dan zij beiden er van hadden verondersteld, die buitengewoonheid bléek dan toch nuvoor de oogen der geheele wereld. Maar hare illuzie was geweest dat zij in die buitengewoonheid deelen zou op de dubbele wijze; niet alleen zou zij er met hem de vruchten van plukken en de blijdschap van hebben, neen, er was nog een inniger aandeel, dat zij altijd gehoopt had het hare te zullen kunnen noemen; al durfde zij het zich zelve ternauwernood bekennen, tóch bewaarde zij die hoop in hare ziel als haar kostbaarst kleinood: het was de gedachte, dat hij, om buitengewoon te zijn, om met zijne buitengewoonheid te werken, háar aanwezigheid en hare medewerking behoefde. Had hij het haar niet dikwijls ingefluisterd, had hij het haar niet honderd maal verzekerd, dat hij aan haar lieve oogen zijn beste inspiratiën dankte, dat hij aan haar moedvol woord de volharding verschuldigd was, die hem in zijn loopbaan zou doen slagen? Hoe verlangde zij, nu hij het werk, het groote werk, dat werk, waarin alleen hij toch eigenlijk bleek uit te schitteren, begonnen was, hoe verlangde zij nu bij hem te zijn. Hoe vurig begeerde zij met hem te bespreken debladzijden, die hij dìen dag schrijven zou, zijne tevredenheid te vernemen over de taak, die was volbracht, zijne bitterheid te verzachten, als hij eens mocht meenen dat zijn genius hem minder goed dan gewoonlijk had ter zijde gestaan.Hoezeer wenschte zij met hem te wonen onder één dak, met hem de maaltijden te deelen, met hem gezien te worden ook vooral, op de wandeling, op de plaatsen van openbaar vermaak! Welk een tintelende gloed van fierheid zou haar doorstroomd hebben, als zij overal had mogen hooren fluisteren: kijk, daar loopt de schitterende schrijver Multatuli met zijn vrouw. En nu, nu zag zij in, dat deze vurige hoop nooit verwezenlijkt zoude worden... Was het dan niet waar geweest, als hij haar zijn tweede ik noemde, was het dan maar leugen of vleierij of zelfbedrog geweest, als hij zoo menigmaal gezegd had, dat zíj alleen in zijne ziel kon lezen, dat zíj alleen hem begreep! En als zij er ooit iets toe mocht hebben bijgedragen om hem dat vast geloof in zich zelf te geven, waaraan hij voor een grootgedeelte te danken had, dat zijne verve hem nooit in den steek liet, ja, als zij de éenige was, die daartoe ooit iets bijgedragen had, was zij dan niet als van zelve de aangewezen persoon om, door voortdurende en onmiddellijke tegenwoordigheid, te zien wat dat geloof uitwerkte en hoe die verve hem de meest schitterende resultaten opleverde!Tine kwam tot het besef dat haar man haar niet noodig had. Wat de stoffelijke zijden van het bestaan aanging, was zij hem tot last, en zij kon dien last niet kompenseeren door hem in het geestelijke behulpzaam te zijn, want zijn geest bleek juist beter te kunnen werken buiten haar aanwezigheid.Hoe wreed moet het leven haar toegeschenen hebben, als zij haren kinderen de afwezigheid van hun vader te verklaren had, als de kleinen, die haar telkens hoorden spreken van vader die dit deed of vader daar dát meê gebeurd was, haar ietwat angstig de vraag stelden, waarom vader niet bij hen was, waarom zij vader nimmer zagen!Aan deze wetenschap, die zij thans omtrentharen man opdeed, sloot die andere, wellicht nog pijnlijker, zich onmiddellijk aan, dat haar man ook nooit den grooten hartstocht voor haar gehad had, waarvan zij zich altijd gevleid had het voorwerp te zijn. Nu begreep zij het ten volle en besefte het met groot verdriet, dat hij alleen zich zelf steeds gezocht had, niet in grof zelfzuchtige beteekenis, maar in zich zelf zijn Muze, zijne godheid, die hem meer waard was dan alle aardsche dingen. Zij begreep, dat hij haar had liefgehad, dat hij haar liefhad, met hartelijke genegenheid, maar geenszins met de onbevredigde passie, waarvan eene vrouw droomt in den geheimsten schuilhoek harer ziel.Ja, hij schreef wel telkenmale aan het einde zijner brieven aan haar: „Ik verlang dol, ik verlang dol [om bij u te zijn],” maar als dat verlangen werkelijk zoo onstuimig in zijn binnenste had gewoed, zou hij, die zich zelf zoo weinig meester was, zich niet hebben kunnen dwingen van haar gescheiden te leven. Hij zou haar geschreven hebben: kom Tine, kom bij mij, ik heb het wel niet breed,ik ben wel klein behuisd, en met de kinderen zal het wel wat lastig zijn, maar buiten ù kan ik niet! Ik hoop en vertrouw, dat we het met de kinderen zullen weten te schikken, maar mócht het niet lukken, nu, dan zullen wij ze ergens uitbesteden of iets dergelijks; liever dàt, dan uwe tegenwoordigheid te missen. Als ik zoo veel meesterschap over mij zelf heb, dat ik mij maanden en maanden heb kunnen weêrhouden naar u toe te snellen niettegenstaande mijn groot verlangen,—nu, dan zal ik ook, als het moet, mijn neiging om mij tegenover u zóo uit te storten, dat er niets meer voor mijn pen en inkt te doen blijft, wel weten te beteugelen. (Immers, dàt was zijn bijzondere reden om zich niet met zijne vrouw te vereenigen.)Dit is een der leelijke zaken in Multatuli’s loopbaan, dat hij eenmaal het huwelijk als levensstaat gekozen hebbende, zich niet verplicht heeft gevoeld, van die keuze de onvermijdelijke konsequenties te dragen.Heeft Multatuli al niet de groote passie voor de vrouw, voor ééne vrouw, gekend,—toch had hij in zijn persoon iets dat de vrouwensterk aantrok en ook eene onmiskenbare behoefte aan omgang met vrouwen.Tot de opvoeding, welke hij zijne eigene vrouw gegeven had, tot hetgene, wat hij in hare ziel had „gezaaid”, behoorden onder andere de denkbeelden over liefde en godsdienst, tegenovergesteld aan die, welke zij van huis uit had medegebracht. Want Tine was van huis uit vroom, in den ouderwetschen, kerkschen zin van het woord. Wij weten dat niet alleen omdat zij tot eene familie van ouden adel behoorde, maar van hare zuster Henriëtte van Heeckeren vinden wij herhaaldelijk vermeld dat zij zoo erg godvruchtig was en steeds maar riep van Heere! Heere! Nu, zooals de éene zuster, met een kerkschen man gehuwd zijnde, haar geheele leven gebleven is, zoo zal de andere natuurlijk ook geweest zijn, vóor zij met een onkerkschen man in het huwelijk trad.Dekker nu veranderde de denkbeelden zijner vrouw over godsdienst en liefde. Van den godsdienst, zooals hare familieleden die opvatten, maakte hij haar afkeerig op velerlei manier. Gedurende de eerste jaren vanhun huwelijk was dit zeker vaak het onderwerp van hun gesprek; maar na de ontslagneming, gedurende zijn lijdensperiode te Brussel vooral, was meer dan ooit deze zaak aan de orde van den dag in zijn brieven. Dubbel ergerde hem nu, dat menschen, die altijd van God en Gods liefde spraken, naar zijn indruk zoo weinig liefde voor hun evenmensch bleken te hebben. Uitlatingen als de volgende zijn daarom niet zeldzaam:„Geloof me, lieve beste, waar een zeker soort van godsdienst in ’t spel is, is het altijd zoo. ’t Is phariseesche huichelarij die altijd een sabbath bij de hand heeft om ’t schaap niet te helpen dat in de groeve ligt. Ook zij zouden den Christus kruisigen, mits ’t maar geschieden kon onder beschutting van vreemd gezag. Ook zij zouden de handen vies terugtrekken van tollenaren, slagters en mijn arme Eugénie.”Toen Tine te Brummen vertoefde, op het buitengoed van den heer Jan Dekker, had deze haar naar haar geloof gevraagd. Zij schijnt niet goed geweten te hebben wat daarop te antwoorden, en geantwoord, datzij ’t zelfde geloofde wat haar man geloofde, maar dat díe het beter uit kon leggen. Toen moet de heer Jan geantwoord hebben, dat zij haar man dan maar eens moest verzoeken zich daarover uit te spreken. En in een zijner brieven uit dien tijd geeft Dekker dan een geloofsbelijdenis. Hij, die door het minste en geringste hevig geraakt werd in die maanden vooral, begint echter met te zeggen dat hij ’t een schande vindt dat zijn broeder Jan daarnaar nú juist heeft gevraagd. De aanleiding voor dat vragen moet geweest zijn dat de kleine Eduard Dekker, Multatuli’s zoon, al spelend gezegd had: „die stok is onze lieve Heer.” Als hij (de kleine Eduard) weêr onder ons dak is, schrijft Dekker, mag hij zeggen: onze lieve Heer is Grietje of pierewiet. En op Jan’s vragen had Tine moeten antwoorden: „Jan, mijn plicht is te gelooven wat de man gelooft, die de macht heeft mijn arme kinderen op straat te zetten. De arme heeft geen recht op een eigen geloof.” Want stond Jan, in deze omstandigheden die vraag doende, niet gelijk met een Algerijnschen zeeroover, die een christengevangene vraagt wat hij vanMahomed denkt? Niettegenstaande dat alles, wilde Multatuli toch wel antwoorden. Zijn vrouw moet daarover een „opstelletje” hebben, en zij zàl het hebben, ofschoon hij het liever niet gaf omdat Tine’s en zijn geloof zoo negatief is. Hij vervolgt met te zeggen, dat hun geloof is niet te weten wat zij te gelooven hebben. Zij zijn nog altijd aan het zoeken, en het eenige, waarvan zij nagenoeg zeker zijn, is: nooit te zullen vinden. Niet omdat zij minder goed dan een ander zouden gezocht hebben, maar omdat zij minder spoedig tevreden zijn met het gevondene. Vervolgens schrijft hij, dat veel hem zegt dat er een God is, omdat alles niet uit niets kan voortgekomen zijn; maar daartegenover zegt ook veel hem, dat er geen God is. Voornamelijk: de volmaaktheid van de natuurwetten, die aan het heelal iets machinaals geven, dat de gedachte aan Almacht buitensluit. Vervolgens zoude, indien er een God was, die zich wel aan hem geopenbaard hebben. Noch onderzoek noch de ingevingen van zijn hart hebben hem een God geopenbaard. De slotsom is, dat hij niet weet of er een God is, dat, alshij er is, hij goed moet zijn, dat hij Multatuli’s diensten niet behoeft, dat hij hem dient door te trachten goed te zijn, en dat hij als eenig richtsnoer daarvoor zijn hart heeft.Ziedaar de gedachten, die de lektuur der in dien tijd populaire wijze van oplossing van het wereldraadsel in Dekkers geest had achtergelaten, en die hij in zijne vrouw had overgeplant. Met wijsbegeerte of natuurkunde heeft dat al heel weinig te maken. Het is ongeveer de formuleering van een atheïsme, zooals elke onkerksche die min of meer bewust in zich omdraagt.Nu rijst de vraag: was het goed van Multatuli gehandeld, hoorde het bij de nog al kalme liefde, bij de eenvoudig hartelijke toegenegenheid, welke hij zijne vrouw toedroeg, om haar godsdienst-gevoel te fnuiken zonder er iets anders voor in de plaats te kunnen geven, dan de vage redeneeringen eener praktische wijsbegeerte, die nauwelijks een man tevreden kan stellen?Men kan zich tegenwoordig schier niet meer indenken in den toestand der gemoederen van dien tijd, toen menschen, die totde meest ontwikkelden en besten van hun geslacht behoorden, er hun edelste bezigheid in vonden bij alle mogelijke gelegenheden hartstochtelijk tegen den godsdienst te ageeren. Er is iets griezeligs, iets al te kouds en buitensporigs in den spot van een vader, die zijn zoontje leert spreken met hoonwoorden gericht tot een wezen, dat zooveel honderden jaren door geheele geslachten, ook van kunstenaars en denkers, als het meest eerbiedwaardige is beschouwd en behandeld.„Kom, Eduardje, zeg nu: die stok is onze lieve Heer”—waarom dat, zouden wij geneigd zijn te vragen. Wilt gij uw kind buiten den godsdienst opvoeden, begin dan met er hem in ’t geheel niet over te spreken, doe hem dien naderhand kennen als een historisch verschijnsel, dat, als oorzaak van honderden daden, waarbij de ontslagneming te Lebak nog maar kinderspel lijkt, reeds daarom eenigen eerbied schijnt te verdienen; maar erger niet de geloovige menschen en daarbij de ongeloovigen van goeden smaak, door kinderlippen te gewennen godslasteringen te stamelen. Er is iets kinderachtigs en ietsverdachts, iets zwaks eigenlijk gezegd, in dezen hevigen haat tegen een wezen, dat niet bestaat. Het doet denken aan de grenzenlooze gevoelens van haat en wrok, die de boerenfamiliën tegen elkander kunnen hebben, zoodat als de buurman-vijand b.v. een ongelukkige krankzinnige zuster in huis heeft, de andere buurman zijn kinderen reeds zoo jong mogelijk leert haar na te roepen: de malle, kijk, daar loopt de malle.Doch, wij herhalen, wij die al deze verschijnselen historisch hebben leeren waardeeren, die ons niet meer van afkeer tegen de bestaande godsdienstvormen bewust zijn, eenvoudig omdat ze ons op zich zelf onverschillig zijn geworden, terwijl buitendien hun aspekt ons door zijn pittoresque eigenschappen artistiek doet genieten,—wij kunnen ons in den toestand nauwelijks meer denken van iemand, die om zoo te zeggen pas aan den godsdienst is ontgroeid en nu uit kwaadheid hierover, dat hij zijn eerste twintig levensjaren zoo onnoozel heeft gedwaald, aan het voorwerp dier dwaling zooveel als haat heeft gezworen. Het warenniet alleen de algemeene tijdsomstandigheden, de atheïstische gedachtenstrooming die over de wereld was gekomen, het waren ook waarschijnlijk Dekker’s bijzondere levensomstandigheden, die, als een toestand van reaktie, den God-haat in hem hadden doen geboren geworden. In zijn jeugd was hij vermoedelijk langdurig in aanraking geweest met menschen, in wier zeden en gewoonten het „Geloof” zich van zijn minst beminnelijke zijde openbaarde. Men had hem, de wilde natuur, het opbruisende karakter, wellicht jaren en jaren in bedwang gehouden door verwijzingen naar allerlei harde leerstukken en onvermurwbare zedenwetten. Wie weet welke strenge gezichten, welke droge zielen van in der tijd geduchte katechizeermeesters en schoolvossen nog in zijne herinnering leefden, die hij of hij wilde of niet naar hartelust moest verachten en bespotten toen hij eenmaal aan den band ontsprongen was.Bedenkelijker dan de spot met den godsdienst, die aan de kinderen werd geleerd, was het uitroeien van het godsdienstige gevoel uit het hart van de vrouw. Op zichzelf reeds bedenkelijk, werd het bepaald huiveringwekkend, toen Dekker aan de vrouw, die hij ontnomen had wat tot zekeren tijd wellicht haar kostbaarste schat was geweest, ten slotte niets in de plaats kon geven dan verdriet en ellende.Zeker, kunt gij, gehuwd man, als gij ontdekt dat uw vrouw zonderlinge en voor hare rust en gezondheid gevaarlijke eigenaardigheden heeft, b.v. een groote vrees voor spoken, voor voorteekenen, of andere gemeenlijk met den naam van „bijgeloof” aangeduide affekties,—zeker kunt gij niet beter doen, dan zooveel mogelijk trachten haar die dingen uit het hoofd te praten. Als uw vrouw dus een nerveus persoontje is, die het godsdienstig gevoel als een schrik-aanjagende fataliteit in hare ziel heeft, die het u den heelen dag lastig maakt met allerlei scrupules en naargeestige gemoedsbezwaren omtrent de eenvoudigste zaken en voorvallen des levens, die aanhoudend voorstellingen van „de hel” ontwaart in haar ontstelde verbeelding en weigert u naar den schouwburg te vergezellen omdat zij den vorigen avondGods waarschuwende stem heeft vernomen, die haar dat verboden heeft,—dan zult gij haar een weldaad bewijzen met het licht der waarheid voor haar te doen opgaan, en haar, door het ongeloof, de gerustheid des gemoeds te schenken. Vooral indien gij er zeker van meent te zijn dat er maar een heel klein of in ’t geheel geen lichthoekje zich naast de groote schaduwen bevindt, die de godsdienst geworpen heeft in de ziel uwer vrouw; en indien gij ’t hoogst waarschijnlijk acht, dat gij steeds, het geheele leven door, met uwe liefde daar aan hare zijde aanwezig zult zijn om te voldoen aan de behoefte aan troost en verlichting, die uw levensgezellin wellicht menigmaal zal gevoelen.Maar indien de godsdienst zich meest van hare lichtzijden aan uw vrouw heeft vertoond, indien zij de gerustheid en de blijdschap haars levens juist dáaruit voor een groot gedeelte put,—dan zult gij, al dwaalt zij naar uw meening, u toch twee keer moeten bedenken voor gij de hand aan die, voor haar schoone, dwaling slaat.Multatuli had meer dan één reden, meerredenen dan gewone ongeloovigen kunnen hebben, om den godsdienst in den boezem zijner vrouw te smoren, want hij wilde dat daarin geen andere god dan hij zelf zou wonen. Men vatte dit niet op als dolzinnigen hoogmoed. Hij vond zich zelf, dat wil zeggen, de groote, nieuwe waarheden in zich zelf en den schoonen, bezielden vorm, dien hij daaraan wist te geven, een beter, grooter en meer levende god, dan dien der oude voorstellingen, waarbij zijn vrouw was opgevoed.Hij stond zoo veel boven haar, dat zij zich de wijziging, welke hij hare denkbeelden wilde doen ondergaan, met gretigheid liet wèlgevallen. Zooveel hechtte zij niet aan haar godsgevoel en godsdienstbegrip of zij wilde die wel vaarwel zeggen voor de nieuwe leer door haar man haar verkondigd. En als zij zich bedrukt voelde of neerslachtig door ziekte of ander levensleed, zou hij daar dan niet altijd wezen om haar op te beuren en moed in te spreken; was zijn trouwe borst niet voor het geheele leven onder haar bereik, om er haar hoofd tegen te laten rusten als zij moede was?Toen Dekker later zijne vrouw aan haar zelve alleen overliet in allesbehalve heuglijke omstandigheden, zullen er misschien wel oogenblikken zijn geweest, dat hij er berouw over voelde eertijds den geloofsboom in haar binnenste te hebben geveld, waaraan zij zich nu in haar nood had kunnen vastklemmen. Wat moet die vrouw zich ongelukkig hebben gevoeld! Met hoeveel angst en wanhoop moet zij zich nu het geloof harer jonge jaren en de vertroostende kracht, die dit in der tijd voor haar bezat, te binnen hebben gebracht! Daar stond zij nu, zooveel als met ledige armen! Maar moest zij nu heen, waaraan zich steunen? De sterke man, in wien alleen zij al haar vertrouwen had gesteld, had haar verlaten, die steun was onherroepelijk voor haar verloren gegaan, en tot God kon zij zich niet meer wenden, omdat hij ’t geloof aan dien God uitgeroeid had uit hare ziel. Hoe moet zij verzucht hebben: ach, kón ik nog maar gelooven, bezat ik het vertrouwen nog maar in God als in een liefderijk vader, dan was ten minste de toekomst nu niet voor mij zoo geheel grijs, donker en ledig!Had Multatuli het huwelijk en zijne betrekking tot zijn vrouw anders opgevat, had hij, zij ’t met opoffering van de grootere innigheid in den band, die noodzakelijk moest ontstaan waar ook de innigste en hoogste gedachten van man en vrouw hun gemeenschappelijk goed worden,—had hij haar godsdienstige gevoelens ontzien, zoodat die als een verborgen schat in haar binnenste konden blijven bestaan, hij zoude later de grievende verwijten nimmer hebben vernomen, die ongetwijfeld zijn geweten hem op sommige oogenblikken deed.In verband met zijne godsdienstige, of liever ongodsdienstige, begrippen, had Dekker ook zijne opvatting van het huwelijk en de liefde gewijzigd. Hij had polygamische neigingen; en niet alleen had hij die „zoo maar” gelijk zoovele gehuwde mannen, maar hij bezat daar allerlei theorieën en redeneeringen over, die het oude, van het christendom afkomstige, gevoel daarover in hem moesten dood-praten. Evenals hij met het godsdienstige had gedaan, wordt het uit verscheidene passages in de brieven duidelijk, dat hij ook op dit punt dehoogere opvoeding zijner vrouw op zich had genomen.Van de vier relaties, waarvan wij in de brieven hooren: die met Pauline, die met Eugénie, die met Sietske Abrahamsz, die met het ongenoemde meisje, dat later een soort oplichtster bleek te zijn,—vier relaties, waaronder slechts twee, of wellicht maar één, van anders dan oppervlakkigen aard,—hield hij getrouwelijk zijn vrouw op de hoogte; zoodat, indien men in aanmerking neemt dat Multatuli bijna niets deed of hij had een stel redeneeringen ter rechtvaardiging zijner daden bij de hand, indien men er op let dat hij in ’t algemeen theoretisch zeer ontwikkeld was en alles vastknoopte aan eene theorie, het meer dan waarschijnlijk wordt, dat hij zijne vrouw had beduid, dat zij op grond hiervan en op grond dáarvan, het behoorde goed te keuren indien haar man nog met andere vrouwen intiemen omgang had, nog andere vrouwen liefhad, dan met haar, en haar alleen.Hiermede bevinden wij ons in aanraking met het onderdeel der korrespondentie, dat vele lezers vermoedelijk minder aangenaamzal hebben getroffen. Want al hebt ge vrij uw vrouw overreed, dat God niet bestaat, en dat de verschillende godsdiensten ouderwetsche larie zijn, waarmede verstandige menschen, die de negentiende-eeuwsche beschaving mede maken, zich niet meer behooren op te houden, dat dus ook zij van den godsdienst, waarin zij geboren is en opgegroeid, afstand behoort te doen,—daarom zoudt gij toch tevergeefs trachten haar ook aan ’t verstand te brengen, dat uit de stelling, dat wij geen God kennen, die ons een leer- en zedenwet zou hebben geopenbaard, eene andere stelling afgeleid moet worden, inhoudende dat aan den man een zekere vrijheid van liefde of keus moet gelaten worden, geheel in strijd met het oude huwelijksbegrip, waarbij de vrouw een éénig recht op haar man had, of waarbij ten minste het den man als een eerste plicht was opgelegd de trouw ongeschonden te handhaven, die hij zijner vrouw bij den aanvang hunner verbintenis had gezworen of beloofd.Het is mogelijk dat menschen, die gevoelen gelijk wij, als laat-negentiende-eeuwers minof meer een mal figuur maken; het is mogelijk dat wij, om konsequent te zijn, nu wij het oude geloof aan één God hebben verlaten, met de geheele levensbeschouwing, die daarvan afhankelijk was, ook ons begrip omtrent den echt zouden dienen te wijzigen, en, in samenhang met dat begrip, de sentimenten die er de uitvloeiselen of de basis van zijn; maar wij kúnnen dat niet, en, konsequentie of geen konsequentie, daarmede is alles gezegd. Ons begrip kunnen wij wel wijzigen, met genoegen zelfs indien het iemand aangenaam kan zijn, maar ons gevóel, zie, dat is een heele andere zaak, dat kan veel minder gemakkelijk gewijzigd worden. Bewijst ons nu maar met a plus b, dat het christendom heeft uitgediend, en dat men dientengevolge, het eene logisch afleidend uit het andere, tot het besluit moet komen, dat wij de oude christelijke sentimenten omtrent de heiligheid van het huwelijk en de schoonheid der smettelooze trouw tusschen man en vrouw moeten laten varen, om vervolgens ook onze praktijk naar de nieuwe begrippen te regelen, gij zult met de meest spitsvondige bewijsvoeringenons gevoel, dat wij als de erfenis van achttien eeuwen in ons bloed dragen, niet omverpraten. En tot dat gevoel behoort, dat wij het bepaald wreed, afschuwelijk wreed vinden, de hand van het koele moderne gezond-verstand te slaan aan de schoone en teedere bloemen van christelijke huwelijkstrouw, die daar bloeien op die verborgen plekjes in het hart der vrouw, waar het woord van den man niet ontwijdend mag binnendringen.Wij kunnen niet aannemen, dat Tine in haar hart toegejuicht zou hebben, dat haar man zich met andere vrouwen afgaf; wij kunnen ons wel voorstellen, dat zij eene zoo onbegrensde vereering koesterde voor Multatuli’s inzichten, dat zijtrachtte, wijl hij het goedvond, het zelve ook goed te vinden, indien hij haar ontrouw was, maar ongetwijfeld is haar dit nooit gelukt en deden zijne mededeelingen over zijn avonturen haar grievend leed, hoezeer ze dit ook voor hem geheim poogde te houden.Indien Multatuli dit zelf niet inzag, moet zulks aan gebrek aan menschenkennis gewetenworden; zag hij het wèl in, dan komt ons zijn gedrag in dezen geheel en al onverschoonbaar voor. En, alles in aanmerking genomen, vreezen wij, dat hij ’t half en half begreep, zonder zich volledig van den toestand rekenschap te geven; en nu, uit een soort van goedig-plagerige dwingelandij, haar geen enkel der berichten spaarde, die haar wellicht hinderden, maar die haar dan hinderden tengevolge van eene opvatting, welke zij, om zijnentwil, reeds lang had behooren prijs te geven. Zoo denken wij ons zijn standpunt.Stelt u voor een man, een echtgenoot, die zijne vrouw in de kommervolste omstandigheden van hem gescheiden moet doen leven, eerst in een zeer ver afgelegen land, later nog steeds in een ander land, op eene dagreize van hem verwijderd, en dat die echtgenoot dan aan zijn vrouw, die hem liefheeft en aanbidt, onophoudelijk dingen schrijft als (van vreemde of haar nauwelijks bekende jonge vrouwen schrijvend): Lieve Tine, beste trouwe Tine, ik heb Pauline weêr gezien, zij had haar onecht kind op haar schoot... lieveTine, ik heb vruchteloos gepoogd Eugénie hier weêr te ontmoeten, je herinnert je, dat is dat meisje dat ik in der tijd uit een publiek huis heb medegenomen,... lieve Tine, ik ben verliefd op Sietske Abrahamsz, je weet wel, dat mooie lieve nichtje van ons... lieve Tine, elken ochtend komt er een meisje bij mij ontbijten... lieve Tine, ik heb allerlei amourettes, te veel om te vertellen... Enz. Enz.... Je wordt nu wel een opwelling van wrevel daarover gewaar, lieve Tine, maar herinner je maar, dat wij afgesproken hebben, dat ik je duidelijk heb gemaakt, dat ik je heb doen inzien: je moet dat goedvinden, je moet daarin berusten... ik blijf altijd van jóu het méest houden, dat weet je wel... op die Sietske ben ik puur verliefd,... die arme Eugénie, je moest haar kennen... neen, neen, kind, bedwing nu je afkeer; ik, weet je wel, ik, die zoo ontzettend veel wijzer, rechtvaardiger en beter ben dan jij, die zooveel als je opvoeder in alles ben geweest, ik zeg je: je moet je meester blijven, je moet je niet door je gevoel laten medeslepen, maar je verstand raadplegen; ...ik vertel je opzettelijkzooveel van mijn relatiën met andere vrouwen om je op de proef te stellen, om te zien of het goede inzicht niet bij je zal zegevieren,... wees dus nu verstandig en trek het je niet aan... je zult nog wel meer hooren, gisteren ontmoette ik nog een dame, die...Dit zijn in ’t geheel geen citaten, wij bedoelen alleen, dat men dien geest en dien toon bespeurt in de brieven. En wij willen de vrouw beklagen, die daaraan blootstond. Ach, met hoeveel bitterheid moet zij zich later deze korrespondentie herinnerd hebben, toen zij merkte, dat haar man voor altijd van haar scheiden zou. Dáarvoor had zij zich dan deze gruwelijke plagerijen getroost, dáarvoor had zij een vriendelijk gezicht gezet als zij leed gevoelde van binnen, dáarvoor had zij de stem van haar gevoel gesmoord, wijl zij het hooge verstand van haar man over haar vrouwelijk gevoel wilde doen zegevieren—om nu te zien dat hij ten slotte geheel van haar vervreemdde... Wie had gelijk gehad? Zijn verstand of háar gevoel? O, die stille stem van binnen had het haarwel altijd gezegd... Zij had altijd, wel flauw, een wanhopig vermoeden gehad, dat het onvermijdelijk eens zóó worden zou...Beschouwen wij thans Multatuli in zijne verhouding tot de opeenvolgende minnaressen, die een plaats konden innemen in zijn hart, dat niet geheel alleen door Tine ingenomen bleek te zijn.Vóór de genegenheid, welke Multatuli opvatte voor mejuffrouw Hamminck Schepel, die later zijn tweede echtgenoote werd, treffen wij de meergemelde Eugénie aan, als de eerste en voornaamste vertegenwoordigster dergenen, die Tine’s deelgenooten werden in zijn omgang en liefde.De betrekking van Multatuli met Eugénie hebben wij bekeken: vooreerst wat aangaat den indruk, dien Multatuli’s verwanten en in ’t algemeen de maatschappij daarvan moest ontvangen; vervolgens wat aangaat het gevoel dat de mededeelingen daaromtrent bij Tine moesten gaande maken; thans geldt onze overweging het geval op zich zelf, de verklaring van dezen toestand zooals diezijn aanleiding vond en zich weêrspiegelde in Multatuli’s gemoed zelf.Het is ons niet te doen een absoluut en leerstellig standpunt in te nemen ter beoordeeling van het gedrag van een gehuwd man, die publieke vrouwen frequenteert of op andere wijze buiten het huwelijk liefdesbetrekkingen onderhoudt. Dit standpunt zij overgelaten aan moralisten en staathuishoudkundigen. Wij willen vooropstellen, dat wij het laakbare in Multatuli’s handelwijze thans slechts hierin vinden, dat hij zijne vrouw van zijnfaits et gestesop de hoogte hield, en haar onzes inziens daardoor ten diepste moest grieven.Het is een bekende stelling van den hertog De Richelieu, dat men met het grootste gemak en zonder gevaar voor onze gemoedsrust meer dan éene vrouw tegelijk kan beminnen. Maar eene dergelijke stelling kan alleen ontstaan in het brein van en als psychologische kuriositeit geformuleerd worden door lieden, die van de liefde eene opvatting hebben, zooals aan de Bourbonhoven van vóór Lodewijk den XVIdeninzwang was en een paar eeuwen in zwang is gebleven. Zij bedoelden met het woord liefde, noch de groote passie, die de werkelijkheid voor hem die haar ondervindt als ’t ware van gedaante doet veranderen en aan het voorwerp der liefde zooveel als een bovennatuurlijken glans en ook macht verleent, zoodat hij letterlijk door het voorwerp dier liefde „betooverd” lijkt en dus dat veel gebruikte woord nu tot eene wezenlijke waarheid maakt; evenmin hadden zij er de innige, in haar eenvoud groote, trouwe, genegenheid meê voor, zooals het christendom ons die heeft doen koncipiëeren en die het eigenaardig huwelijkssentiment is van ons, westersche, monogamische volken; maar zij bedoelden er meê eene liefde, die wel eenige oppervlakkige overeenkomst vertoont met de oostersche liefde, maar toch het eigenaardig beestachtig wilde van den haremwellust mist, en van een kleiner, een wel fijner, wel beschaafder, maar tegelijk nietiger opvatting getuigt; zij beschouwden de liefde als een gril, een caprice, eene toquade, een aangename tijdelijke manie,meer niet; en inderdaad, indien men haar aldus opvat, is er een reden om, zich in een tijdverdrijvend spel van intrigue en coquetterie werpend, meer dan éene vrouw tegelijk te courtiseeren. Of men dan met een dier verschillende vrouwen toevallig gehuwd is, doet er niet toe; dat is in zulk een geval een bijkomende omstandigheid zonder beteekenis of waarde, want van het huwelijk eigenlijk gezegd en de gevoelens van eerbied, trouw en bescherming, die het in onze ziel onderhoudt, is daarbij in ’t geheel geen sprake meer. Dit is geen werkelijk beminnen, en meer dan éene vrouw te gelijk waarlijk lief te hebben, past niet in onze westersche psychologie en is een onmogelijkheid.Niet alleen dus, dat Dekker de groote verterende passie niet kende, maar uit het feit, dat hij, alleen op zijn gemak door Europa reizende, bordeelen bezocht en langdurige betrekkingen aanknoopte, is op te maken, dat de hartelijke genegenheid, welke hij koesterde voor zijn vrouw, er in alle opzichten een was van de allergewoonste soort, endat die genegenheid volstrekt geen poëtisch teeder en religieus karakter in zijn gemoed had aangenomen.Als een getrouwd manen garçonuit is met vrienden van vroeger, en men is wat gemonteerd doordat men den kelder een weinig te veel heeft aangesproken, en men sukkelt, om het feest voort te zetten, zulk een huis binnen en vermaakt zich daar tot het krieken van den ochtend—nu, dát wordt door eenigen als eene vrij vergeeflijke gebeurtenis beschouwd. De bewoonsters blijven bij haar beroep, men vermaakt haar en zichzelf, en laat ze wat verdienen.Dekker vond het buitendien in beginsel goed: Wat zou het? Genot is deugd, vermaak is gezond, ieder man, gescheiden van zijn vrouw levende, heeft daar behoefte aan, het is een hygiënische gymnastiek, en, de alles beheerschende rechtvaardiging: niemand lijdt er immers schade door, niemand immers wordt er ook maar een greintje leed door berokkend. Hij vond het, voor personen zooals hij, zelfs bijzonder aanbevelenswaardig:omdat het goed is voor publieke vrouwen, die arme, medelijden-wekkende schepselen, die zoo algemeen veracht worden door vromen en schijnheiligen, die zoo weinig het voorwerp zijn der elders dikwijls zoo ruimschoots bestede naastenliefde, die meestal slechts met gemeene, liederlijke mannen in aanraking komen,—omdat het voor dezulken heel goed is eens een man te ontmoeten, die haar ten minste nog als menschen beschouwt, die het oprecht goed met haar meent, haar een vriendelijk woord zal toespreken en op beschaafde, edele wijze met haar zal verkeeren. Ja, dus redeneerde hij, geholpen door zijn steeds dadelijk bij de hand zijnde fantasie, waarschijnlijk door: het was een weldaad, die hij haar bewees, het was een hoogere plicht, dien hij vervulde, hij dacht aan vele groote namen uit de wereldgeschiedenis, wier dragers met courtisanes omgang hadden gehad, hij vergeleek zich, ook nu weder, met Christus, die immers Maria Magdalena toeliet zijn voeten te wasschen en vergaf aan de overspelige vrouw. En zoo voorts, en zoo voorts.Dit is alles goed en wel. Wij herhalen, dat wij niet partij wenschen te kiezen in de beoordeeling van het geval in ’t algemeen van een gehuwd man, dieen garçonuitgaat. Er komt altijd belofte-breuk bij te pas, de breuk namelijk van de belofte, die men zijn vrouw heeft gedaan van háar alléen tot den dood toe getrouw te zullen zijn. Maar er zijn tal van argumenten beschikbaar om in zekere gevallen een belofte-breuk te wettigen, en wij zullen ons niet in eene moralistische uitpluizing van deze zaken verdiepen. De hoofdzaak is ongetwijfeld, dat er niemand leed worde gedaan.Maar,—hierop willen wij neêrkomen—Dekker wás niet op een dronkemanspartij en met vrienden uit; hij reisde geheel alleen, en ging, in koelen bloede, dat zelf in alle opzichten goedvindend, daarheen. En nu zeggen wij alléén, dat dáaruit blijkt, dat zijne genegenheid voor zijn vrouw niet vanongemeenteederen aard was. Immers al deed hij hier geen leed (op dat oogenblik ten minste niet, later deed hij haar dat wel door zijne op theorie berustende zonderlinge opvattingvan het echtgenootschap, welke hem haar van al zijn avonturen op de hoogte deed houden), al deed hij háar dus geen leed, noch Eugénie, en al deed hij zich zelf een genoegen, dus het tegendeel van leed, en al schijnen dus al de bij het geval betrokken personen veilig voor leed,—tóch zou hij, ware zijn genegenheid voor Tine van hoogeren aard geweest, het edelste gevoel in eigen borst door zoo eene handeling een kwetsuur hebben toegebracht, waarvan de schrijnende pijn het genoegen dat hij er op andere wijze van had, ten zeerste beperken moest, zoo al niet geheel vernietigen.Want, indien de gehuwde man, die zijn vrouw met vrome trouw bemint, op de purperen sofa heeft plaats genomen, en daar in eene weelderige afzondering zich opsluit met eene vreemde, kleurrijk uitgedoste, vrouw, wier mond met den beroepsglimlach hem tegenlacht, wier oogen, boven de half weggeblankette vale kringen schel schitteren van de nachtelijke vreugden, wier adem riekt naar den professioneelen feestwijn van elken dag—en hij moet dan liefkoozingen ontvangen,en hij moet liefkoozingen geven, dezelfde, ja werktuiglijk dezelfde liefkoozingen, welke hij anders in een stillere, meer zedige eenzaamheid alleen voor zijn eenige vrouw overheeft,—dan komt er een groot, pijnigend, wanhopig verdriet, en een spijt vol wrok en wrevel in hem op, die hem al het hier aanwezige ruwe en bonte genot zal vergallen.Vooreerst is het de ontwijding der liefde, die een niet onderdrukbaar gevoel van groote neerslachtigheid over hem zal brengen, waar de stralen van de schitterende lichtkroon noch het gefonkel van het door den wijn goud gekleurd kristal iets tegen vermogen. Niet de ontwijding der liefde, omdat hij leerstellig het huwelijk voor eene vereening der zielen zou houden, en de vereeniging zonder liefde, zonder ziel, dus voor eene profanatie van dat huwelijksbegrip; veel minder eene ontwijding der liefde omdat hij het in beginsel iets slechts zou vinden, er aan toe te geven zonder dat een geestelijk of burgerlijk ambtenaar van te voren daartoe een brevet van bevoegdheid heeft uitgereikt; want wij spreken van een modern gewoon menschelijkgevoelend man; maar eene ontwijding der liefde omdat hetzelfde wat alleen waarde en beteekenis scheen te hebben in het verkeer met de eenige, ziels-vertrouwde, voor het geheele leven uitverkoren éénige vrouw, hetzelfde, wat een onmisbaar schijnend teeder mysterieus karakter verkreeg, als de verwezenlijking van lang gekoesterde slechts half bewuste verlangens, waar het, niet nader ontleed, zich in zoo een dronkenschap van reine zaligheid voltrok, dat men alleen den indruk kreeg dat het wezen op zijn innigst met het éénig geliefde wezen één werd, waarbij het lichaam werd vergeten en het scheen als hoorde men nu alleen duidelijker elkanders harteklop, als waren de harten nu slechts op een bijzonder innige wijze tot elkaar genaderd; omdat dit zelfde, anders een mysterie dat een langzaam gegroeide vervoering bekroonde, nu zijn hooge charme verliest door de brutaliteit, waarmede het eenvoudig als pikant tijdverdrijf aangewend blijkt te kunnen worden. Eene ontwijding der liefde, omdat zij ontnuchtert van de edelste aller dronkenschappen. Omdat zij van een poëem eenemachinerie maakt, van een visioen een fysiologisch experiment.Ten tweede zal het genot van den bovenomschreven echtgenoot verbitterd worden, omdat zijn verbeelding hem zal beginnen te plagen; onophoudelijk zal de figuur zijner kuische vrouw zich in zijne gedachten dringen, als eene die hem zacht droevig zijn schennis van hun vertrouwelijken omgang verwijt. Hij zal zich het diepe verdriet voorstellen, dat haar zou vervullen indien zij hem hier eens zag. Hij zal vergelijkingen gaan maken, hij zal dat móeten, hoe weinig gaarne hij ’t ook doet, zijn geweten zal er hem toe dwingen,—tusschen zijne vrouw en degene, die thans naast hem is. In de geheele afschuwelijkheid harer grimeering, van haren weelderigen verleidingstooi, harer geveinsde lachjes en gespeelde minzaamheid zal zijn tijdelijke gezellin hem plotseling voor oogen komen; zijn blik zal zich verscherpen, hij zal achter haar masker van cold-cream en rouge impérial de sporen van het vroegtijdig jeugd-verlies en der aanhoudend walgelijke vermoeienissen zien, en hij zal zich verwenschen,dat hij tot deze sjacheraarster van genoegens gelijkluidende liefde-woorden sprak als anders slechts de intieme stilte binnen de zedige wanden van zijn huiselijk geluk van zijn lippen hoorde komen. Hij zal daar, als een aangeleerde manoeuvre, gebaren zien maken, en ze herkennen als de zelfde, welke hij als eene argelooze, spontane, naïeve, kinderlijke beweging heeft gezien. En als hij dan zijn hoed niet neemt en wegsnelt, is hij een man zonder ziel en zonder smaak, of liever,—wat wij hier van Multatuli betoogen—bemint hij zijne vrouw met eene vulgaire koele genegenheid.Zien wij nu, hoe Dekker, eenmaal er aan gewend die huizen te bezoeken, zijne langdurige betrekking met Eugénie tegenover zich zelf verontschuldigde en tot iets zoo moois maakte, dat bij de overdenking dier betrekking de edelste neigingen zijner ziel niet uitgesloten behoefden te blijven.’t Moge zijn dat Dekker in lang geen publiek huis bezocht had, toen hij Eugénie leerde kennen, en dus niet goed besefte, dat hare mededeelingen overeenkwamen met de gewonepraatjes dier zeer tijdelijke geliefden, die haar bezoeker bijna altijd een in hoofdzaak gelijkluidend verhaal doen, waarin steeds dezelfde episoden voorkomen: 1o. zijn zij dochters van boeren of arme werklieden en verleid en ongelukkig gemaakt door een vrijer, die beloofd had haar te trouwen en aan wiens woorden zij geloof hadden geslagen; 2o. hebben zij éens, toen zij figurante in den een of anderen kleinen schouwburg waren, of ook, toen zij het wilde leven reeds waren begonnen, eene schitterende relatie gehad met een schatrijk of hoogst voornaam jongmensch, die haar gedurende eenige maanden als eene prinses heeft doen leven, welke relatie voor altijd eene glansrijke herinnering bij haar heeft achtergelaten; 3o. zijn zij daarna van het eene huis in het andere gekomen en hebben nu hetzij de flauwe hoop dat een zéér jonge man nog eens de een of andere dwaasheid om harentwil zal begaan door haar als maîtresse te nemen, hetzij de ambitie met een flinken kellner of kappersbediende een „net” huwelijk aan te gaan, hetzij de hoogere eerzucht zelf eens aan ’t hoofd van een dergelijk etablissementte staan als waaraan zij nu ondergeschikt zijn verbonden en op hare beurt te kommandeeren;—òf ’t moge zijn, dat Eugénie tot de niet zoo frequent voorkomende vrouwen van dat slag behoorde, die gouvernante, kamenier of juffrouw van gezelschap geweest zijn, dat hare konversatie dientengevolge iets meer gesoigneerd was en zij een weinig betere manieren had, dat bij haar sterker dan bij hare beroepsgenooten het verlangen sprak om van het leven aldaar verlost te worden;—zéker is, dat Dekker zich tot haar aangetrokken gevoelde door de verwantschap die hij tusschen haar toestand en den zijnen bespeurde. De geheimzinnige sympathie, die tusschen de rassen van paria’s bestaat en door De Goncourt ter sprake wordt gebracht, waar hij het intieme verkeer van soldaten en dergelijke vrouwen behandelt inLa fille Elisa,—die zelfde sympathie was het, welke Dekker er toe dreef, zich in een ongewoon intiem kontakt met Eugénie te begeven. Hij bevond zich daar tegenover eene vrouw van oorspronkelijk goeden en fatsoenlijken aanleg, die, eigenlijk buiten hare schuld, en nietalleen buiten hare schuld maar tengevolge van het uit goedheid, uit edelmoedigheid, toegeven aan eischen, door een man, dien zij het meest vertrouwde, haar gesteld,—door de maatschappij was uitgestooten en genoodzaakt met het uitoefenen van een ellendig beroep, op een niet te avouëeren wijze, in haar onderhoud te voorzien. Nu, was er dan niet een treffende overeenkomst tusschen haar lotgeval en het zijne? Was ook hij niet ongelukkig geworden en door de maatschappij uitgestooten, omdat hij een te goedgeloovig vertrouwen in de leden dier maatschappij had gesteld? Hij óok had, zonder voorzichtigheid, zonder om te zien, geluisterd naar de stem van zijn hart, denkend dat de maatschappij hem daarvoor zou loven en beloonen.Hij dacht nu van zich zelf: ik ben goed, de maatschappij is slecht; ik heb de ware liefde, den waren harteadel; en nu wilde hij samengaan met die andere verstootene, wijl ook zij de ware liefde, den waren harteadel had, of althans gehad had, hoezeer die nu ook schuil was gegaan in hare verworpenheid.Dekker vond het in alle opzichten iets schoons en edels om deze vrouw te beschermen en bij te staan; in die handeling was een protest, een protest van menschenliefde en zielegrootheid tegen al het laffe, lauwe en kleinzielige der maatschappelijke opvattingen.Behalve eenige zinnelijke liefde, waarvan overigens weinig blijkt, maar die toch zeer waarschijnlijk met het andere gevoel vermengd was, was het dus een algemeen, half en half theoretisch, gevoelen, een revolutionair gevoelen, gericht tegen maatschappelijke denkbeelden, èn een bijzonder gevoel van medelijden, dat Dekker zich het lot van Eugénie dermate deed aantrekken.Zonder dat hij ’t zich ten volle bewust was, werd, zoo stellen wij het ons voor, het gevoel medelijden in Dekker één met de zinnelijke liefde, evenals dit bij vele vrouwen het geval is. Vele vrouwen toch, die zich overgeven aan een man, doen dat veeleer uit goedheid, uit medelijden, uit zucht om hulp te bieden, dan uit zinnelijke aandrift. Zij willen dien armen minnaar tevredenstellen, zij willen hem gelukkig maken, en het besef der voldoening harer eigen zinnen gaat te loor in haar wetenschap van een groote weldaad te bewijzen, van het hoogste weg te schenken, van het kostbaarste afstand te doen, waarover zij te beschikken hebben. Hier neemt de liefde het karakter aan van hoogste menschlievendheid.Dekker vond het geval buitendien interessant. Hij had behoefte, een koortsige behoefte, aan interessante ontmoetingen en lotgevallen. Daarom drong hij zich op, dat Eugénie een veel buitengewoner persoon was, dan zij in werkelijkheid zal geweest zijn, daarom verfantazeerde hij haar tot een soort heldin, aan wier zijde het hem voegde te treden. Zij gaf hem eene soortgelijke gewaarwording als iemand, die voor het eerst in een ver van zijn geboortegrond gelegen centraalwereldverkeerstation komt, van de zich daar bevindende in vreemde engelsche reisdracht gestoken gebasaneerde medereizigers ontvangt. Hij ziet een man met vaste trekken, donkere gelaatskleur, groote, strenge, zwarte oogen, die zich met een beteuterendekalmte door wachtzalen en perrons beweegt. Dit moet wel een zeer gewichtig en belangrijk personage zijn, denkt hij dan. Later blijkt het te wezen de gewoonste aller scheepskapiteins, die wel zijn beroep goed kent, maar overigens in niets uitmunt en het heen- en wedervaren tusschen Europa en Amerika met dezelfde werktuiglijkheid jaar aan jaar verricht, als een vaderlandsche schoolmeester dagelijks zijn klassen bestuurt.Dekker achtte de ontmoeting van Eugénie bepaald een uitnemende vondst. Hij had nu gezelschap, een in alle opzichten aantrekkelijk gezelschap, op reis. Wat was daar niet een delicieuze afleiding voor zijn kommer en zorg in, om met die belang inboezemende fransche dame op reis te zijn, steeds in vriendschappelijke gesprekken met haar gewikkeld, haar begeleidend in hotels en stations, haar steunend bij het instijgen van rijtuigen, bespied, in stilte gelukgewenscht en benijd door die omstanders, welke iets van de verhouding begrepen!
Multatuli en Tine, Max Havelaar en Tine,—deze namen klinken ons in de ooren als die van een paar belangrijke historische personen, als van een paar figuren uit Homerus’ Ilias. Er is zooveel geschreven en gekeven over het lot en de verhouding dier twee, dat hunne geschiedenis ons eenigszins een gedeelte der vaderlandsche historie lijkt te zijn. Kenau Hasselaar, Tine Havelaar,—hun rol was wel zeer verschillend maar het onderscheid in belangrijkheid niet groot,—voor ónze ooren.Er zijn Multatulianen (of Multatulisten), die het huiselijk leven van Multatuli en de lotgevallen van zijn gezin tot onderwerp hunner vrome overwegingen hebben gekozen, zooals de orthodoxe Christenen het familieleven van Jozef, Maria en Jezus overdenken.... Was Jozef een goed huisvader?—Voorzeker, want er staat geschreven, dat Jozef werkte aan de schaafbank. Hij verdiende dus het geld (of liever: de levensmiddelen) voor zijn gezin. Ieder Christelijkhuisvader moet Jozef als voorbeeld nemen. Enz.... Was Maria een goede huismoeder?—Voorzeker, want zij verzorgde haar kind, legde het in windselen om het tegen weer en wind te beschutten. Enz. Iedere huismoeder moet zich styleeren op het voorbeeld van Maria.Er is trouwens grooter verband tusschen de legende omtrent Jozef, Maria en Jezus en het oordeel, vooral van niet-Multatulisten, over Multatuli in zijne verhouding tot zijn gezin, dan men oppervlakkig geneigd zoude zijn te meenen. Immers tot grondslag aan de algemeene misprijzing, die Multatuli’s gedrag tegenover de zijnen heeft ondervonden, ligt niets anders dan die eeuwenoude Christelijke moraal van het familiebegrip, die in de tot goddelijk type verheven legende omtrent de Heilige Familie haar oorsprong heeft gevonden.De menschen, die niet Multatulist zijn, keuren éene groote zaak in hem af, waartoe al de overige in hunne waardeering afkeurenswaardige handelingen en eigenschappen terug te brengen zijn, namelijk: dat Multatulide zijnen heeft verlaten en niet als zijn éerste plicht beschouwde voor hén te werken.De Multatulisten zeggen: hij had iets hoogers te doen, een hoogere stem riep hem naar elders, ver van de zijnen, hij moest in de woestijn gaan om tot God (d. i. zijne ziel in haar hoogste uiting) te komen. De meer matige bewonderaars antwoorden: goed, maar mag men den naastbijliggenden plicht verzaken om een hoogeren te volbrengen, mag iemand om met het geld van zijn vader een weeshuis te bouwen, in eene gemeente waar vele noodlijdende kinderen zijn en waar geen gesticht is om die op te nemen,—zijn vader vermoorden?Multatuli zelf heeft in zijn Ideën meermalen dit vraagstuk aangeroerd en het voorgesteld als gaf Tine hem gelijk in al zijn doen en laten. Waar hij in zijneMinnebrievende verhouding tusschen man en vrouw bespreekt, zooals die uiterst zelden is, maar zoo als die altijd zoude móeten zijn, en de vrouw „officieel zelfs.... een certificaat van onbruikbaarheid” noemt, omdat gehuwde mannen niet tot de eerste militielichtingenbehooren, welke in geval van oorlog worden opgeroepen—brengt hij er Hector en Andromache bij te pas:„Dat was anders in Troje.... zie maar dat afscheid van Hector en Andromache.... ’t hoeveelste boek weet ik niet.... de kleine jongen wordt bang voor Hectors pluim.... maar Hector gaat....—’t Staat in ’t zesde boek, zei de bezoeker, die Doctor in de Letteren was.—Goed, maar Andromache wilde dat hijnietzou gaan....—Dat was infaam van Andromache!... En als ’tmijgebeurd was.... maar zóó iets gebeurt mijniet! Zie hier....” En hij citeert eenige regels uit een brief van Tine, waarin ze hem schrijft liever met hem te sterven dan goed te vinden, dat hij zijn denkbeelden, stijl en ziel zou „verkoopen”.Wij mogen veilig aannemen, althans uit de tot nu toe uitgegeven Brieven blijkt nergens het tegendeel, dat Tine van het begin tot het einde, of liever van het begin tot dicht bij het einde, Multatuli’s handelingen heeft goedgekeurd. Het moet nadrukkelijkgezegd worden, dat dit, ten minste voor de eerste jaren na het ontslag, als volstrekt zeker mag worden aangenomen. Want in de Brieven, waarin de geheele toestand, tot in de minste en intiemste bijzonderheden bloot ligt, is nergens sprake van eenig verzet van Tine tegen Multatuli’s gedrag. En als zij ook maar heel even er op gezinspeeld had, dat Multatuli niet in alles volkomen naar haar wensch handelde, zou hij ongetwijfeld in een stortvloed van verontwaardigde woorden daarop geantwoord hebben. Er is alleen die eerste brief, door Tine uit ’s Gravenhage naar Antwerpen geschreven, waarin ze hem aanraadt van haar te scheiden en zich als matroos of hofmeester op een schip te verhuren. Maar onder-aan dien zelfden brief, schrijft zij, dat zij hem uit „politiek” zoo geschreven heeft als zij daarin deed.Overigens wordt Multatuli’s handelwijze ook door Tine’s goedkeuring niet schoon gewasschen. De meeste predikers die een kemelsvel gingen verslijten in de woestijn, waren niet getrouwd. Jezus, dien Multatuli steeds als voorbeeld neemt, was niet getrouwd.Kluizenaars en kloosterlingen hebben altijd geweten, dat de levensstaat, dien zij wenschten, met het huwelijk niet vereenigbaar was. Zij hebben daarom bij den aanvang van hun loopbaangekozen, in de volle wetenschap van wat zij deden, en dusdoende zijn zij nooit voor het dilemma gekomen, dat Multatuli’s leven heeft beheerscht.Maar nu is het ons niet te doen om eene nadere waardeering dezer genoeg besproken handelwijze, maar alleen om een psychologische kenschetsing van Multatuli’s verhouding tegenover Tine.Wat blijkt hieromtrent uit de Brieven? In de Brieven leeren wij wat dit betreft, Multatuli kennen als een hartelijk echtgenoot en vader. Uit de hartelijkheid, waarmee hij over zijn kinderen schrijft en nooit vergeet dat te doen, maakt ons voorstellingsvermogen als van zelve de gevolgtrekking, dat hij zich met losse vroolijkheid en oningehouden vriendelijkheid onder de zijnen bewoog als hij thuis was, spelend met de kinderen als een oudere makker, schertsend met zijne vrouw als een verknochte vriend. „Dag, pierewieten!”schrijft hij op ’t eind van veel zijner brieven aan zijn tweetal. „Dag, Nonnie en Edu-Max” (dit laatste een verkorting der samenvoeging van „Eduard”, zoo als Dekker zelf en ook zijn zoontje heette, en „Max”, zoo als Dekker’s ideaal-type Havelaar en ook diens zoontje heette); of „kus de pierewieten voor me,” „ziet mijn kèrel zoo bleek?” „kus het menschdom.” Het „menschdom” waren de kinderen. Dekker, vroolijk en uitgelaten van natuur zijnde, als ten minste de bitterheid van zijn lot hem niet ter neder drukte, moet een opgewekt en onderhoudend huisgenoot zijn geweest. Men kan hem zich voorstellen, met zijn levendig en uitdrukkingsvol gezicht, spelend met de kinderen, hen na-zittend door kamers en portalen, hen „krijgend” en opheffend hoog in de lucht, lachend van vadertrots en vadervreugd, als de kleinen juichten en kraaiden. Een anderen keer ging hij er met een op zijn schouder voor den spiegel staan en zei dan: „kijk je vader nu eens goed aan, Edu, en dan je zelf ook. Zie je ons alle bei? Zie je wel, dat je op me lijkt? Nu, wat ik in het leven heb willen doen, dat moet jijook zien te doen hoor! En dan hoop ik, dat je beter zult slagen!”Zijn vrouw had hij lief als een zeldzaam goede zuster, met dankbaarheid en aanhankelijkheid, het eenige wezen op de geheele wereld, waarvan hij wist dat zij, het gansche leven door, geluk ènleedmet hem zou willen deelen. Hij had haar lief als degene, die altijd in hem geloofd had en zou blijven gelooven.Multatuli was de eerste persoon in deze echtvereeniging. In de eerste jaren van hun huwelijk beschouwde zijn vrouw hem als een halve godheid. Gelijk hij later, naar het gerucht wil, door zijne tweede vrouw zoo goed als ten huwelijk is gevraagd, lijdt het ook geen twijfel, of het huwelijk met zijn eerste vrouw is tot stand gekomen en heeft, enkele jaren althans, harmonisch geduurd door dwepende vereering van de zijde der vrouw en hartelijke toegenegenheid van de zijde van den man.Multatuli heeft niet voor zijne eerste vrouw een van die overweldigende passiën gehad, zooals de biografieën van dichters en kunstenaarser soms vermelden, een van die passiën voor een geestelijk geheel gewone of minder dan gewone vrouw, of voor een geestelijk zéér buitengewone vrouw, zooals de Mathilde van Heine, die een naaistertje was, of Mrs. Browning, die eene dichteres is. Hij heeft die ook vóór zijn huwelijk noch in de allereerste jaren gehad, want nergens wordt in de intiemste passages der brieven daarop gezinspeeld. Als Tine zich eens uit gekheid beklaagt over zijn minnekoozerijen met andere vrouwen of meisjes, dan antwoordt hij, dat zij toch wel weet, dat zij zijn liefste engel en schat is, en daarmede is alles gezegd.Tine schijnt tot die zeer zeldzame vrouwen behoord te hebben, in wier inborst een groote lijdzaamheid vereenigd met moed en flinkheid wordt aangetroffen. Tot lang na Dekker’s ontslagneming bleef zij niet alleen alles goedkeuren, ja alles bewonderenswaardig achten, wat hij verkoos te doen of na te laten, maar door de omstandigheden, waarmede zij dientengevolge te strijden kreeg, wist zij zich met een zekere vastberadenheid heen te slaan, dieons niet zelden niet de grootste waardeering voor haar vervult.„C’est un emploi assez difficile que d’être la femme d’un poète,” zegt de Pène, en dat „emploi” heeft Tine met zeldzame volharding en zeldzaam geduld jaren en jaren volgehouden. Toen zij, als freule Van Wijnbergen, den begaafden Indischen ambtenaar, die zich bevond aan het begin van een veel voor de toekomst belovende loopbaan, haar hand schonk, kon zij van het volgend leven allerlei lotgevallen verwachten, behalve juist die, welke haar beschoren zouden zijn. Haar man, die als zoo bekwaam bekend stond, zou spoedig op bevordering kunnen rekenen, zou al hooger en hooger in rang en aanzien stijgen, zij zouden lieve kinderen krijgen en door velen worden benijd. O, wel schoon spiegelde zich de toekomst voor haar af. En mocht het hun al eens tegenloopen, mocht al het leven niet de zoo hoog gespannen verwachtingen vervullen, die Dekker zelf koesterde en door zijn beminde reeds spoedig wist te doen deelen, als hij met zijn levendig woord de toekomst voor haar in beeldbracht,—ook al bracht Eduard het nooit verder dan Resident, of zelfs maar Assistent-Resident,—zou haar daaraan weinig gelegen zijn, want ook in die omstandigheden zou zij, altijd aan de zijde van den aangebeden man, altijd samen met hun geliefde kinderen, het leven een hemel op aarde vinden. O, hoe vlekkeloos gelukkig moest het leven aan het door den geestdriftigen man beminde meisje schijnen! Maar ach, hoeveel te bitterder moet juist daarom later de vreeselijke, geheel onvoorziene, teleurstelling voor haar geweest zijn. Er is geen reden om te veronderstellen dat de eerste huwelijksjaren niet geheel aan de verwachtingen zouden hebben beantwoord. Integendeel. Al de voorspellingen en illusiën schenen werkelijkheid te zullen worden.Heerlijke uren, onvergetelijke tijden moeten dat geweest zijn—later vooral onvergetelijk helaas—als, na volbrachte dagtaak, het jeugdige gezin in de galerij hunner woning van den schoonen avond zat te genieten, Eduard zijn schoone gedachten en groote droomen aan zijne gretig luisterendevrouw mededeelend, Tine hem, met een enkel zacht gesproken woord, altijd gelijk gevend, altijd bewonderend, en ook, als vrucht der opvoeding door haar man zelf haar gegeven, toonend hem beter te begrijpen dan wie anders ook daartoe in staat zoude zijn: en de kleine spring-in-’t-velden, hun schat en hun hoop, spelend aan hun voeten. Welk een blijde gewaarwording, welk een welkome storing, als de vader den hoogen ernst zijner woorden onderbroken hoorde door een lachend, juichend, kraaiend kinderstemmetje.Terwijl de onmetelijke hemel zich, als met zoovele flonkerende edelsteenen, met sterrenmyriaden bezette, terwijl een warme wind, die de hooge donkere boomen deed wuiven en deinen in de nachtelijke atmosfeer, de weemoedige klanken van den gamelan uit de dessa’s helderder in hun ooren deed klinken, zag Tine daar haren man bij zich, het hoofd een weinig naar achteren geleund, en hoorde met juichend hart de schoone woorden aan, waarin hij zijne droomen voor haar vertolkte. Zij was meestal met hemalleen, zij zagen weinig menschen en wat zij van de andere menschen zag en hoorde, hoe werd zij dáardoor juist het groote onderscheid tusschen die anderen en háar grooten man gewaar! Hare liefde maakte natuurlijk het onderscheid veel grooter dan het in werkelijkheid was. De gewoonheid der anderen maakte nu op haar den indruk van laagheid te zijn, in vergelijking met de buitengewone hoogheid van haar eenigen beminde. Wat waren die anderen meer dan kooplieden, schacheraars, zwendelaars, roovers, ja,—had hij zelf het haar niet geleerd?—die om voor zich een, dikwijls zoo gewonnen zoo geronnen, rijkdom te verwerven, de arme inlandsche bevolking onrecht aandeden, verdrukten en aan haar ellendig lot overlieten! Wat waren zij meer dan spelers en drinkers, die na zoo snel fortuin te hebben gemaakt, Indië Indië lieten, hun rug toekeerden aan de donkerkleurige loonslaven, die zij valschelijk door hun godsdienst-leeraars als broeders deden begroeten, om in hun vaderland van de door afpersing verworven schatten een weelderig leventjete gaan leiden? En haar man, haaraangebedenechtgenoot?—Als die zich eens te buiten ging, dan was ’t om zijn door geestdrift en overmatigen arbeid geschokt gemoed afleiding te geven, dan was ’t om zooveel als een veiligheidsklep te openen voor de overvloedige krachten van zijn buitensporig ontwikkeld zenuwgestel. Hoe gelukkig moest zij zich niet gevoelen de vrouw te zijn van een dichter, van een man, van een zóo zeldzaam mensch, die niet slechts een dichterlijke ziel had, maar die van zijn loopbaan, van zijn praktisch beheer, een poëem van rechtvaardige wijsheid bedoelde te maken. Wat de jonge meisjes droomen als zij op haar balkon staan en de eerste lentegeuren bespeuren in de lucht, wat de jonge meisjes mijmeren als zij in den zomernacht, op haar vensterkozijn geleund, de schuchtere verlangens bespieden, die rijzen in hare ziel,—was voor haar, zeldzaam gelukkige vrouw, werkelijkheid geworden. Zij behoefde hem niet als eene onwezenlijke gestalte, als een geheimzinnigen, alleen in de verbeelding bestaanden, minnaar, in stilte te begeeren, metde zekerheid hem nooit in haar armen te zullen sluiten,—neen, zij was vereenigd, zij was voor altijd vereenigd, zij was voor het geheele leven één, met den dichter, met den held, met den koning harer droomen.Deze overtuiging, deze gelukkige zekerheid, was zoo vast geworden in Tine’s ziel, was dermate tot een gedeelte van haar zieleleven, tot een gedeelte van haar bestaan geworden, dat die niet wankelde bij haar man’s ontslagneming en de daaropvolgende jaren van bitteren kommer. Men kan zeggen, dat het hoogere bestanddeel van hun huwelijk, het huwelijk in zijn geestelijke beteekenis, voor de hoofdzaak juist hierin bestond, dat Tine deelde in den grootheidsdroom van haar man. Als Multatuli later verhaalt hoe hij met woeker oogst hetgeen hij gezaaid had in de ziel zijner vrouw, moet dat beduiden, dat hij wist hoe eindeloos trouw Tine hem was toegedaan—in het gelooven, in het steeds blijven gelooven, aan de glorierijke toekomst, die hen wachtte. Dáardoor had hij haar in de hoogste beteekenis tot zíjne vrouw gemaakt, dat ook inháar de schoone dwaasheid had wortel geschoten, even vast als in hem zelf, die hen het ideaal met de werkelijkheid deed verwarren.Zij hadden zoo lang gewacht, nietwaar, op het groote geluk, dat in aantocht was, zoo vele uren en uren hadden zij het in hun eenzame woningen in stilte verbeid, dat, toen Multatuli, ten toppunt van exaltatie, de groote daad deed die hem buiten de werkelijkheid in het rijk der idealen verplaatste, het ook háar niet anders kon schijnen of nú was de groote slag geslagen, de tooverslag, die hen tot de glorie zou brengen, door haar dichter-echtgenoot altijd voorspeld en voorzien. Zij kende het leven betrekkelijk zoo weinig! Was zij niet als argeloos jong meisje, in de netten van zijn schoone minnetaal gevangen, hem in de Indische eenzaamheid gevolgd, toen hij haar gevraagd had zijne levensgezellin te worden? Had zij niet jaren lang schier dag aan dag hem de groote, de wondervolle toekomst hooren prijzen, waarheen het leven hen zonder twijfel voerde?... Men ziet haar van hier, toen er van Lebak weg verhuisd moest worden,in opgewonden drukte de toebereidselen tot de afreis makend, het hoofd gebukt over de open koffers en kisten, de oogen schitterend, de wangen gloeiend, in de angstig-verheugde zekerheid, dat nú het oogenblik gekomen was voor de groote reis, die hen brengen zou... ja, waarheen?, waar anders heen dan in het levenstijdperk van macht en roem, dat haar man op de plaats zou brengen, die hem toekwam, krachtens zijn hooge gaven en zeldzamen geest?Langzamerhand, zeer langzaam aan, ontwaakte zij uit hare droomen, door de nawerkingen van de groote botsing waarin zij met de werkelijkheid waren gekomen; toen zij van haar heer en haar God, ver van haar aangebeden man, alleen in kommer en verdriet moest leven met de kinderen, die tevergeefs om hun vader riepen, toen kwam zij zachtjesaan tot het bittere besef, dat zij in ijdelen waan had verkeerd, dat zij nu onverbiddelijk de slachtoffers werden van de edele dwaling, waaraan zij zich hadden overgegeven, dat zij het leven verkéerd hadden begrepen.Voorzeker is het hier de plaats de nagedachtenis te eeren van eene vrouw, die martelares werd door het te ver gedreven schoonste gevoel, dat eene gehuwde vrouw kan bezielen: het onbeperkte geloof en vertrouwen in de verwezenlijking van het ideaal, dat haar man zich in het leven heeft gesteld. Want wat moest Tine nu ondervinden, nu haar man tot de eenige voor hem mogelijke grootheid inderdaad scheen te komen! Ziet, nu geschiedde het, nu erkende ieder het buitengewone, dat zij altijd in hem had gezien, nu was de schat, waarvan zij zoo lang alléen geweten had, de schat, dien zij alleen zoo lang had bemind en vereerd, openbaar eigendom geworden. Nu kon een ieder vrij de bloemen plukken, die zoo lang voor haar alleen hadden gebloeid in de verborgenheid van haars geliefden ziele-rijkdom. Maar had zíj nu, in den oogst van erkenning en roem, het aandeel, waarvan hij haar altijd gesproken had en voorzegd, dat het bijna niet geringer dan het zijne wezen zou? Al viel de oogst geheel anders en in hun schatting schraler uit, danzij hadden verwacht, deelde hij dien nu dan toch ten minste met haar, opdat hun huwelijk, zij ’t op deze onvoorziene wijze, de bekroning zou geworden, aan wier verschijning zij nimmer hadden gewanhoopt?... Neen, het tegendeel geschiedde. Nu de tijd dáár was, nu was hij altijd verre van haar, nu kreeg zij van den schitterenden maaltijd niets dan de bittere brokken te eten, nu moest zij telkens in zijne brieven lezen, dat hij niet bij haar kon komen, dat hij nog wat toeven moest, verre van haar, dat hij alleen zijnde beter werken kon, dat hij haar aan dit niet kon helpen en aan dát niet, dat zij zich maar alleen moest zien te behelpen en tevreden te stellen.Groot moet het leed van deze vrouw geweest zijn, toen zij langzamerhand tot de ontdekking kwam, dat haar ziel zich al de huwelijksjaren lang gevoed had met eene illuzie. Niet in hare waardeering van haren man was de illuzie gelegen, want al had zijne buitengewoonheid ook andere uitkomsten dan zij beiden er van hadden verondersteld, die buitengewoonheid bléek dan toch nuvoor de oogen der geheele wereld. Maar hare illuzie was geweest dat zij in die buitengewoonheid deelen zou op de dubbele wijze; niet alleen zou zij er met hem de vruchten van plukken en de blijdschap van hebben, neen, er was nog een inniger aandeel, dat zij altijd gehoopt had het hare te zullen kunnen noemen; al durfde zij het zich zelve ternauwernood bekennen, tóch bewaarde zij die hoop in hare ziel als haar kostbaarst kleinood: het was de gedachte, dat hij, om buitengewoon te zijn, om met zijne buitengewoonheid te werken, háar aanwezigheid en hare medewerking behoefde. Had hij het haar niet dikwijls ingefluisterd, had hij het haar niet honderd maal verzekerd, dat hij aan haar lieve oogen zijn beste inspiratiën dankte, dat hij aan haar moedvol woord de volharding verschuldigd was, die hem in zijn loopbaan zou doen slagen? Hoe verlangde zij, nu hij het werk, het groote werk, dat werk, waarin alleen hij toch eigenlijk bleek uit te schitteren, begonnen was, hoe verlangde zij nu bij hem te zijn. Hoe vurig begeerde zij met hem te bespreken debladzijden, die hij dìen dag schrijven zou, zijne tevredenheid te vernemen over de taak, die was volbracht, zijne bitterheid te verzachten, als hij eens mocht meenen dat zijn genius hem minder goed dan gewoonlijk had ter zijde gestaan.Hoezeer wenschte zij met hem te wonen onder één dak, met hem de maaltijden te deelen, met hem gezien te worden ook vooral, op de wandeling, op de plaatsen van openbaar vermaak! Welk een tintelende gloed van fierheid zou haar doorstroomd hebben, als zij overal had mogen hooren fluisteren: kijk, daar loopt de schitterende schrijver Multatuli met zijn vrouw. En nu, nu zag zij in, dat deze vurige hoop nooit verwezenlijkt zoude worden... Was het dan niet waar geweest, als hij haar zijn tweede ik noemde, was het dan maar leugen of vleierij of zelfbedrog geweest, als hij zoo menigmaal gezegd had, dat zíj alleen in zijne ziel kon lezen, dat zíj alleen hem begreep! En als zij er ooit iets toe mocht hebben bijgedragen om hem dat vast geloof in zich zelf te geven, waaraan hij voor een grootgedeelte te danken had, dat zijne verve hem nooit in den steek liet, ja, als zij de éenige was, die daartoe ooit iets bijgedragen had, was zij dan niet als van zelve de aangewezen persoon om, door voortdurende en onmiddellijke tegenwoordigheid, te zien wat dat geloof uitwerkte en hoe die verve hem de meest schitterende resultaten opleverde!Tine kwam tot het besef dat haar man haar niet noodig had. Wat de stoffelijke zijden van het bestaan aanging, was zij hem tot last, en zij kon dien last niet kompenseeren door hem in het geestelijke behulpzaam te zijn, want zijn geest bleek juist beter te kunnen werken buiten haar aanwezigheid.Hoe wreed moet het leven haar toegeschenen hebben, als zij haren kinderen de afwezigheid van hun vader te verklaren had, als de kleinen, die haar telkens hoorden spreken van vader die dit deed of vader daar dát meê gebeurd was, haar ietwat angstig de vraag stelden, waarom vader niet bij hen was, waarom zij vader nimmer zagen!Aan deze wetenschap, die zij thans omtrentharen man opdeed, sloot die andere, wellicht nog pijnlijker, zich onmiddellijk aan, dat haar man ook nooit den grooten hartstocht voor haar gehad had, waarvan zij zich altijd gevleid had het voorwerp te zijn. Nu begreep zij het ten volle en besefte het met groot verdriet, dat hij alleen zich zelf steeds gezocht had, niet in grof zelfzuchtige beteekenis, maar in zich zelf zijn Muze, zijne godheid, die hem meer waard was dan alle aardsche dingen. Zij begreep, dat hij haar had liefgehad, dat hij haar liefhad, met hartelijke genegenheid, maar geenszins met de onbevredigde passie, waarvan eene vrouw droomt in den geheimsten schuilhoek harer ziel.Ja, hij schreef wel telkenmale aan het einde zijner brieven aan haar: „Ik verlang dol, ik verlang dol [om bij u te zijn],” maar als dat verlangen werkelijk zoo onstuimig in zijn binnenste had gewoed, zou hij, die zich zelf zoo weinig meester was, zich niet hebben kunnen dwingen van haar gescheiden te leven. Hij zou haar geschreven hebben: kom Tine, kom bij mij, ik heb het wel niet breed,ik ben wel klein behuisd, en met de kinderen zal het wel wat lastig zijn, maar buiten ù kan ik niet! Ik hoop en vertrouw, dat we het met de kinderen zullen weten te schikken, maar mócht het niet lukken, nu, dan zullen wij ze ergens uitbesteden of iets dergelijks; liever dàt, dan uwe tegenwoordigheid te missen. Als ik zoo veel meesterschap over mij zelf heb, dat ik mij maanden en maanden heb kunnen weêrhouden naar u toe te snellen niettegenstaande mijn groot verlangen,—nu, dan zal ik ook, als het moet, mijn neiging om mij tegenover u zóo uit te storten, dat er niets meer voor mijn pen en inkt te doen blijft, wel weten te beteugelen. (Immers, dàt was zijn bijzondere reden om zich niet met zijne vrouw te vereenigen.)Dit is een der leelijke zaken in Multatuli’s loopbaan, dat hij eenmaal het huwelijk als levensstaat gekozen hebbende, zich niet verplicht heeft gevoeld, van die keuze de onvermijdelijke konsequenties te dragen.Heeft Multatuli al niet de groote passie voor de vrouw, voor ééne vrouw, gekend,—toch had hij in zijn persoon iets dat de vrouwensterk aantrok en ook eene onmiskenbare behoefte aan omgang met vrouwen.Tot de opvoeding, welke hij zijne eigene vrouw gegeven had, tot hetgene, wat hij in hare ziel had „gezaaid”, behoorden onder andere de denkbeelden over liefde en godsdienst, tegenovergesteld aan die, welke zij van huis uit had medegebracht. Want Tine was van huis uit vroom, in den ouderwetschen, kerkschen zin van het woord. Wij weten dat niet alleen omdat zij tot eene familie van ouden adel behoorde, maar van hare zuster Henriëtte van Heeckeren vinden wij herhaaldelijk vermeld dat zij zoo erg godvruchtig was en steeds maar riep van Heere! Heere! Nu, zooals de éene zuster, met een kerkschen man gehuwd zijnde, haar geheele leven gebleven is, zoo zal de andere natuurlijk ook geweest zijn, vóor zij met een onkerkschen man in het huwelijk trad.Dekker nu veranderde de denkbeelden zijner vrouw over godsdienst en liefde. Van den godsdienst, zooals hare familieleden die opvatten, maakte hij haar afkeerig op velerlei manier. Gedurende de eerste jaren vanhun huwelijk was dit zeker vaak het onderwerp van hun gesprek; maar na de ontslagneming, gedurende zijn lijdensperiode te Brussel vooral, was meer dan ooit deze zaak aan de orde van den dag in zijn brieven. Dubbel ergerde hem nu, dat menschen, die altijd van God en Gods liefde spraken, naar zijn indruk zoo weinig liefde voor hun evenmensch bleken te hebben. Uitlatingen als de volgende zijn daarom niet zeldzaam:„Geloof me, lieve beste, waar een zeker soort van godsdienst in ’t spel is, is het altijd zoo. ’t Is phariseesche huichelarij die altijd een sabbath bij de hand heeft om ’t schaap niet te helpen dat in de groeve ligt. Ook zij zouden den Christus kruisigen, mits ’t maar geschieden kon onder beschutting van vreemd gezag. Ook zij zouden de handen vies terugtrekken van tollenaren, slagters en mijn arme Eugénie.”Toen Tine te Brummen vertoefde, op het buitengoed van den heer Jan Dekker, had deze haar naar haar geloof gevraagd. Zij schijnt niet goed geweten te hebben wat daarop te antwoorden, en geantwoord, datzij ’t zelfde geloofde wat haar man geloofde, maar dat díe het beter uit kon leggen. Toen moet de heer Jan geantwoord hebben, dat zij haar man dan maar eens moest verzoeken zich daarover uit te spreken. En in een zijner brieven uit dien tijd geeft Dekker dan een geloofsbelijdenis. Hij, die door het minste en geringste hevig geraakt werd in die maanden vooral, begint echter met te zeggen dat hij ’t een schande vindt dat zijn broeder Jan daarnaar nú juist heeft gevraagd. De aanleiding voor dat vragen moet geweest zijn dat de kleine Eduard Dekker, Multatuli’s zoon, al spelend gezegd had: „die stok is onze lieve Heer.” Als hij (de kleine Eduard) weêr onder ons dak is, schrijft Dekker, mag hij zeggen: onze lieve Heer is Grietje of pierewiet. En op Jan’s vragen had Tine moeten antwoorden: „Jan, mijn plicht is te gelooven wat de man gelooft, die de macht heeft mijn arme kinderen op straat te zetten. De arme heeft geen recht op een eigen geloof.” Want stond Jan, in deze omstandigheden die vraag doende, niet gelijk met een Algerijnschen zeeroover, die een christengevangene vraagt wat hij vanMahomed denkt? Niettegenstaande dat alles, wilde Multatuli toch wel antwoorden. Zijn vrouw moet daarover een „opstelletje” hebben, en zij zàl het hebben, ofschoon hij het liever niet gaf omdat Tine’s en zijn geloof zoo negatief is. Hij vervolgt met te zeggen, dat hun geloof is niet te weten wat zij te gelooven hebben. Zij zijn nog altijd aan het zoeken, en het eenige, waarvan zij nagenoeg zeker zijn, is: nooit te zullen vinden. Niet omdat zij minder goed dan een ander zouden gezocht hebben, maar omdat zij minder spoedig tevreden zijn met het gevondene. Vervolgens schrijft hij, dat veel hem zegt dat er een God is, omdat alles niet uit niets kan voortgekomen zijn; maar daartegenover zegt ook veel hem, dat er geen God is. Voornamelijk: de volmaaktheid van de natuurwetten, die aan het heelal iets machinaals geven, dat de gedachte aan Almacht buitensluit. Vervolgens zoude, indien er een God was, die zich wel aan hem geopenbaard hebben. Noch onderzoek noch de ingevingen van zijn hart hebben hem een God geopenbaard. De slotsom is, dat hij niet weet of er een God is, dat, alshij er is, hij goed moet zijn, dat hij Multatuli’s diensten niet behoeft, dat hij hem dient door te trachten goed te zijn, en dat hij als eenig richtsnoer daarvoor zijn hart heeft.Ziedaar de gedachten, die de lektuur der in dien tijd populaire wijze van oplossing van het wereldraadsel in Dekkers geest had achtergelaten, en die hij in zijne vrouw had overgeplant. Met wijsbegeerte of natuurkunde heeft dat al heel weinig te maken. Het is ongeveer de formuleering van een atheïsme, zooals elke onkerksche die min of meer bewust in zich omdraagt.Nu rijst de vraag: was het goed van Multatuli gehandeld, hoorde het bij de nog al kalme liefde, bij de eenvoudig hartelijke toegenegenheid, welke hij zijne vrouw toedroeg, om haar godsdienst-gevoel te fnuiken zonder er iets anders voor in de plaats te kunnen geven, dan de vage redeneeringen eener praktische wijsbegeerte, die nauwelijks een man tevreden kan stellen?Men kan zich tegenwoordig schier niet meer indenken in den toestand der gemoederen van dien tijd, toen menschen, die totde meest ontwikkelden en besten van hun geslacht behoorden, er hun edelste bezigheid in vonden bij alle mogelijke gelegenheden hartstochtelijk tegen den godsdienst te ageeren. Er is iets griezeligs, iets al te kouds en buitensporigs in den spot van een vader, die zijn zoontje leert spreken met hoonwoorden gericht tot een wezen, dat zooveel honderden jaren door geheele geslachten, ook van kunstenaars en denkers, als het meest eerbiedwaardige is beschouwd en behandeld.„Kom, Eduardje, zeg nu: die stok is onze lieve Heer”—waarom dat, zouden wij geneigd zijn te vragen. Wilt gij uw kind buiten den godsdienst opvoeden, begin dan met er hem in ’t geheel niet over te spreken, doe hem dien naderhand kennen als een historisch verschijnsel, dat, als oorzaak van honderden daden, waarbij de ontslagneming te Lebak nog maar kinderspel lijkt, reeds daarom eenigen eerbied schijnt te verdienen; maar erger niet de geloovige menschen en daarbij de ongeloovigen van goeden smaak, door kinderlippen te gewennen godslasteringen te stamelen. Er is iets kinderachtigs en ietsverdachts, iets zwaks eigenlijk gezegd, in dezen hevigen haat tegen een wezen, dat niet bestaat. Het doet denken aan de grenzenlooze gevoelens van haat en wrok, die de boerenfamiliën tegen elkander kunnen hebben, zoodat als de buurman-vijand b.v. een ongelukkige krankzinnige zuster in huis heeft, de andere buurman zijn kinderen reeds zoo jong mogelijk leert haar na te roepen: de malle, kijk, daar loopt de malle.Doch, wij herhalen, wij die al deze verschijnselen historisch hebben leeren waardeeren, die ons niet meer van afkeer tegen de bestaande godsdienstvormen bewust zijn, eenvoudig omdat ze ons op zich zelf onverschillig zijn geworden, terwijl buitendien hun aspekt ons door zijn pittoresque eigenschappen artistiek doet genieten,—wij kunnen ons in den toestand nauwelijks meer denken van iemand, die om zoo te zeggen pas aan den godsdienst is ontgroeid en nu uit kwaadheid hierover, dat hij zijn eerste twintig levensjaren zoo onnoozel heeft gedwaald, aan het voorwerp dier dwaling zooveel als haat heeft gezworen. Het warenniet alleen de algemeene tijdsomstandigheden, de atheïstische gedachtenstrooming die over de wereld was gekomen, het waren ook waarschijnlijk Dekker’s bijzondere levensomstandigheden, die, als een toestand van reaktie, den God-haat in hem hadden doen geboren geworden. In zijn jeugd was hij vermoedelijk langdurig in aanraking geweest met menschen, in wier zeden en gewoonten het „Geloof” zich van zijn minst beminnelijke zijde openbaarde. Men had hem, de wilde natuur, het opbruisende karakter, wellicht jaren en jaren in bedwang gehouden door verwijzingen naar allerlei harde leerstukken en onvermurwbare zedenwetten. Wie weet welke strenge gezichten, welke droge zielen van in der tijd geduchte katechizeermeesters en schoolvossen nog in zijne herinnering leefden, die hij of hij wilde of niet naar hartelust moest verachten en bespotten toen hij eenmaal aan den band ontsprongen was.Bedenkelijker dan de spot met den godsdienst, die aan de kinderen werd geleerd, was het uitroeien van het godsdienstige gevoel uit het hart van de vrouw. Op zichzelf reeds bedenkelijk, werd het bepaald huiveringwekkend, toen Dekker aan de vrouw, die hij ontnomen had wat tot zekeren tijd wellicht haar kostbaarste schat was geweest, ten slotte niets in de plaats kon geven dan verdriet en ellende.Zeker, kunt gij, gehuwd man, als gij ontdekt dat uw vrouw zonderlinge en voor hare rust en gezondheid gevaarlijke eigenaardigheden heeft, b.v. een groote vrees voor spoken, voor voorteekenen, of andere gemeenlijk met den naam van „bijgeloof” aangeduide affekties,—zeker kunt gij niet beter doen, dan zooveel mogelijk trachten haar die dingen uit het hoofd te praten. Als uw vrouw dus een nerveus persoontje is, die het godsdienstig gevoel als een schrik-aanjagende fataliteit in hare ziel heeft, die het u den heelen dag lastig maakt met allerlei scrupules en naargeestige gemoedsbezwaren omtrent de eenvoudigste zaken en voorvallen des levens, die aanhoudend voorstellingen van „de hel” ontwaart in haar ontstelde verbeelding en weigert u naar den schouwburg te vergezellen omdat zij den vorigen avondGods waarschuwende stem heeft vernomen, die haar dat verboden heeft,—dan zult gij haar een weldaad bewijzen met het licht der waarheid voor haar te doen opgaan, en haar, door het ongeloof, de gerustheid des gemoeds te schenken. Vooral indien gij er zeker van meent te zijn dat er maar een heel klein of in ’t geheel geen lichthoekje zich naast de groote schaduwen bevindt, die de godsdienst geworpen heeft in de ziel uwer vrouw; en indien gij ’t hoogst waarschijnlijk acht, dat gij steeds, het geheele leven door, met uwe liefde daar aan hare zijde aanwezig zult zijn om te voldoen aan de behoefte aan troost en verlichting, die uw levensgezellin wellicht menigmaal zal gevoelen.Maar indien de godsdienst zich meest van hare lichtzijden aan uw vrouw heeft vertoond, indien zij de gerustheid en de blijdschap haars levens juist dáaruit voor een groot gedeelte put,—dan zult gij, al dwaalt zij naar uw meening, u toch twee keer moeten bedenken voor gij de hand aan die, voor haar schoone, dwaling slaat.Multatuli had meer dan één reden, meerredenen dan gewone ongeloovigen kunnen hebben, om den godsdienst in den boezem zijner vrouw te smoren, want hij wilde dat daarin geen andere god dan hij zelf zou wonen. Men vatte dit niet op als dolzinnigen hoogmoed. Hij vond zich zelf, dat wil zeggen, de groote, nieuwe waarheden in zich zelf en den schoonen, bezielden vorm, dien hij daaraan wist te geven, een beter, grooter en meer levende god, dan dien der oude voorstellingen, waarbij zijn vrouw was opgevoed.Hij stond zoo veel boven haar, dat zij zich de wijziging, welke hij hare denkbeelden wilde doen ondergaan, met gretigheid liet wèlgevallen. Zooveel hechtte zij niet aan haar godsgevoel en godsdienstbegrip of zij wilde die wel vaarwel zeggen voor de nieuwe leer door haar man haar verkondigd. En als zij zich bedrukt voelde of neerslachtig door ziekte of ander levensleed, zou hij daar dan niet altijd wezen om haar op te beuren en moed in te spreken; was zijn trouwe borst niet voor het geheele leven onder haar bereik, om er haar hoofd tegen te laten rusten als zij moede was?Toen Dekker later zijne vrouw aan haar zelve alleen overliet in allesbehalve heuglijke omstandigheden, zullen er misschien wel oogenblikken zijn geweest, dat hij er berouw over voelde eertijds den geloofsboom in haar binnenste te hebben geveld, waaraan zij zich nu in haar nood had kunnen vastklemmen. Wat moet die vrouw zich ongelukkig hebben gevoeld! Met hoeveel angst en wanhoop moet zij zich nu het geloof harer jonge jaren en de vertroostende kracht, die dit in der tijd voor haar bezat, te binnen hebben gebracht! Daar stond zij nu, zooveel als met ledige armen! Maar moest zij nu heen, waaraan zich steunen? De sterke man, in wien alleen zij al haar vertrouwen had gesteld, had haar verlaten, die steun was onherroepelijk voor haar verloren gegaan, en tot God kon zij zich niet meer wenden, omdat hij ’t geloof aan dien God uitgeroeid had uit hare ziel. Hoe moet zij verzucht hebben: ach, kón ik nog maar gelooven, bezat ik het vertrouwen nog maar in God als in een liefderijk vader, dan was ten minste de toekomst nu niet voor mij zoo geheel grijs, donker en ledig!Had Multatuli het huwelijk en zijne betrekking tot zijn vrouw anders opgevat, had hij, zij ’t met opoffering van de grootere innigheid in den band, die noodzakelijk moest ontstaan waar ook de innigste en hoogste gedachten van man en vrouw hun gemeenschappelijk goed worden,—had hij haar godsdienstige gevoelens ontzien, zoodat die als een verborgen schat in haar binnenste konden blijven bestaan, hij zoude later de grievende verwijten nimmer hebben vernomen, die ongetwijfeld zijn geweten hem op sommige oogenblikken deed.In verband met zijne godsdienstige, of liever ongodsdienstige, begrippen, had Dekker ook zijne opvatting van het huwelijk en de liefde gewijzigd. Hij had polygamische neigingen; en niet alleen had hij die „zoo maar” gelijk zoovele gehuwde mannen, maar hij bezat daar allerlei theorieën en redeneeringen over, die het oude, van het christendom afkomstige, gevoel daarover in hem moesten dood-praten. Evenals hij met het godsdienstige had gedaan, wordt het uit verscheidene passages in de brieven duidelijk, dat hij ook op dit punt dehoogere opvoeding zijner vrouw op zich had genomen.Van de vier relaties, waarvan wij in de brieven hooren: die met Pauline, die met Eugénie, die met Sietske Abrahamsz, die met het ongenoemde meisje, dat later een soort oplichtster bleek te zijn,—vier relaties, waaronder slechts twee, of wellicht maar één, van anders dan oppervlakkigen aard,—hield hij getrouwelijk zijn vrouw op de hoogte; zoodat, indien men in aanmerking neemt dat Multatuli bijna niets deed of hij had een stel redeneeringen ter rechtvaardiging zijner daden bij de hand, indien men er op let dat hij in ’t algemeen theoretisch zeer ontwikkeld was en alles vastknoopte aan eene theorie, het meer dan waarschijnlijk wordt, dat hij zijne vrouw had beduid, dat zij op grond hiervan en op grond dáarvan, het behoorde goed te keuren indien haar man nog met andere vrouwen intiemen omgang had, nog andere vrouwen liefhad, dan met haar, en haar alleen.Hiermede bevinden wij ons in aanraking met het onderdeel der korrespondentie, dat vele lezers vermoedelijk minder aangenaamzal hebben getroffen. Want al hebt ge vrij uw vrouw overreed, dat God niet bestaat, en dat de verschillende godsdiensten ouderwetsche larie zijn, waarmede verstandige menschen, die de negentiende-eeuwsche beschaving mede maken, zich niet meer behooren op te houden, dat dus ook zij van den godsdienst, waarin zij geboren is en opgegroeid, afstand behoort te doen,—daarom zoudt gij toch tevergeefs trachten haar ook aan ’t verstand te brengen, dat uit de stelling, dat wij geen God kennen, die ons een leer- en zedenwet zou hebben geopenbaard, eene andere stelling afgeleid moet worden, inhoudende dat aan den man een zekere vrijheid van liefde of keus moet gelaten worden, geheel in strijd met het oude huwelijksbegrip, waarbij de vrouw een éénig recht op haar man had, of waarbij ten minste het den man als een eerste plicht was opgelegd de trouw ongeschonden te handhaven, die hij zijner vrouw bij den aanvang hunner verbintenis had gezworen of beloofd.Het is mogelijk dat menschen, die gevoelen gelijk wij, als laat-negentiende-eeuwers minof meer een mal figuur maken; het is mogelijk dat wij, om konsequent te zijn, nu wij het oude geloof aan één God hebben verlaten, met de geheele levensbeschouwing, die daarvan afhankelijk was, ook ons begrip omtrent den echt zouden dienen te wijzigen, en, in samenhang met dat begrip, de sentimenten die er de uitvloeiselen of de basis van zijn; maar wij kúnnen dat niet, en, konsequentie of geen konsequentie, daarmede is alles gezegd. Ons begrip kunnen wij wel wijzigen, met genoegen zelfs indien het iemand aangenaam kan zijn, maar ons gevóel, zie, dat is een heele andere zaak, dat kan veel minder gemakkelijk gewijzigd worden. Bewijst ons nu maar met a plus b, dat het christendom heeft uitgediend, en dat men dientengevolge, het eene logisch afleidend uit het andere, tot het besluit moet komen, dat wij de oude christelijke sentimenten omtrent de heiligheid van het huwelijk en de schoonheid der smettelooze trouw tusschen man en vrouw moeten laten varen, om vervolgens ook onze praktijk naar de nieuwe begrippen te regelen, gij zult met de meest spitsvondige bewijsvoeringenons gevoel, dat wij als de erfenis van achttien eeuwen in ons bloed dragen, niet omverpraten. En tot dat gevoel behoort, dat wij het bepaald wreed, afschuwelijk wreed vinden, de hand van het koele moderne gezond-verstand te slaan aan de schoone en teedere bloemen van christelijke huwelijkstrouw, die daar bloeien op die verborgen plekjes in het hart der vrouw, waar het woord van den man niet ontwijdend mag binnendringen.Wij kunnen niet aannemen, dat Tine in haar hart toegejuicht zou hebben, dat haar man zich met andere vrouwen afgaf; wij kunnen ons wel voorstellen, dat zij eene zoo onbegrensde vereering koesterde voor Multatuli’s inzichten, dat zijtrachtte, wijl hij het goedvond, het zelve ook goed te vinden, indien hij haar ontrouw was, maar ongetwijfeld is haar dit nooit gelukt en deden zijne mededeelingen over zijn avonturen haar grievend leed, hoezeer ze dit ook voor hem geheim poogde te houden.Indien Multatuli dit zelf niet inzag, moet zulks aan gebrek aan menschenkennis gewetenworden; zag hij het wèl in, dan komt ons zijn gedrag in dezen geheel en al onverschoonbaar voor. En, alles in aanmerking genomen, vreezen wij, dat hij ’t half en half begreep, zonder zich volledig van den toestand rekenschap te geven; en nu, uit een soort van goedig-plagerige dwingelandij, haar geen enkel der berichten spaarde, die haar wellicht hinderden, maar die haar dan hinderden tengevolge van eene opvatting, welke zij, om zijnentwil, reeds lang had behooren prijs te geven. Zoo denken wij ons zijn standpunt.Stelt u voor een man, een echtgenoot, die zijne vrouw in de kommervolste omstandigheden van hem gescheiden moet doen leven, eerst in een zeer ver afgelegen land, later nog steeds in een ander land, op eene dagreize van hem verwijderd, en dat die echtgenoot dan aan zijn vrouw, die hem liefheeft en aanbidt, onophoudelijk dingen schrijft als (van vreemde of haar nauwelijks bekende jonge vrouwen schrijvend): Lieve Tine, beste trouwe Tine, ik heb Pauline weêr gezien, zij had haar onecht kind op haar schoot... lieveTine, ik heb vruchteloos gepoogd Eugénie hier weêr te ontmoeten, je herinnert je, dat is dat meisje dat ik in der tijd uit een publiek huis heb medegenomen,... lieve Tine, ik ben verliefd op Sietske Abrahamsz, je weet wel, dat mooie lieve nichtje van ons... lieve Tine, elken ochtend komt er een meisje bij mij ontbijten... lieve Tine, ik heb allerlei amourettes, te veel om te vertellen... Enz. Enz.... Je wordt nu wel een opwelling van wrevel daarover gewaar, lieve Tine, maar herinner je maar, dat wij afgesproken hebben, dat ik je duidelijk heb gemaakt, dat ik je heb doen inzien: je moet dat goedvinden, je moet daarin berusten... ik blijf altijd van jóu het méest houden, dat weet je wel... op die Sietske ben ik puur verliefd,... die arme Eugénie, je moest haar kennen... neen, neen, kind, bedwing nu je afkeer; ik, weet je wel, ik, die zoo ontzettend veel wijzer, rechtvaardiger en beter ben dan jij, die zooveel als je opvoeder in alles ben geweest, ik zeg je: je moet je meester blijven, je moet je niet door je gevoel laten medeslepen, maar je verstand raadplegen; ...ik vertel je opzettelijkzooveel van mijn relatiën met andere vrouwen om je op de proef te stellen, om te zien of het goede inzicht niet bij je zal zegevieren,... wees dus nu verstandig en trek het je niet aan... je zult nog wel meer hooren, gisteren ontmoette ik nog een dame, die...Dit zijn in ’t geheel geen citaten, wij bedoelen alleen, dat men dien geest en dien toon bespeurt in de brieven. En wij willen de vrouw beklagen, die daaraan blootstond. Ach, met hoeveel bitterheid moet zij zich later deze korrespondentie herinnerd hebben, toen zij merkte, dat haar man voor altijd van haar scheiden zou. Dáarvoor had zij zich dan deze gruwelijke plagerijen getroost, dáarvoor had zij een vriendelijk gezicht gezet als zij leed gevoelde van binnen, dáarvoor had zij de stem van haar gevoel gesmoord, wijl zij het hooge verstand van haar man over haar vrouwelijk gevoel wilde doen zegevieren—om nu te zien dat hij ten slotte geheel van haar vervreemdde... Wie had gelijk gehad? Zijn verstand of háar gevoel? O, die stille stem van binnen had het haarwel altijd gezegd... Zij had altijd, wel flauw, een wanhopig vermoeden gehad, dat het onvermijdelijk eens zóó worden zou...Beschouwen wij thans Multatuli in zijne verhouding tot de opeenvolgende minnaressen, die een plaats konden innemen in zijn hart, dat niet geheel alleen door Tine ingenomen bleek te zijn.Vóór de genegenheid, welke Multatuli opvatte voor mejuffrouw Hamminck Schepel, die later zijn tweede echtgenoote werd, treffen wij de meergemelde Eugénie aan, als de eerste en voornaamste vertegenwoordigster dergenen, die Tine’s deelgenooten werden in zijn omgang en liefde.De betrekking van Multatuli met Eugénie hebben wij bekeken: vooreerst wat aangaat den indruk, dien Multatuli’s verwanten en in ’t algemeen de maatschappij daarvan moest ontvangen; vervolgens wat aangaat het gevoel dat de mededeelingen daaromtrent bij Tine moesten gaande maken; thans geldt onze overweging het geval op zich zelf, de verklaring van dezen toestand zooals diezijn aanleiding vond en zich weêrspiegelde in Multatuli’s gemoed zelf.Het is ons niet te doen een absoluut en leerstellig standpunt in te nemen ter beoordeeling van het gedrag van een gehuwd man, die publieke vrouwen frequenteert of op andere wijze buiten het huwelijk liefdesbetrekkingen onderhoudt. Dit standpunt zij overgelaten aan moralisten en staathuishoudkundigen. Wij willen vooropstellen, dat wij het laakbare in Multatuli’s handelwijze thans slechts hierin vinden, dat hij zijne vrouw van zijnfaits et gestesop de hoogte hield, en haar onzes inziens daardoor ten diepste moest grieven.Het is een bekende stelling van den hertog De Richelieu, dat men met het grootste gemak en zonder gevaar voor onze gemoedsrust meer dan éene vrouw tegelijk kan beminnen. Maar eene dergelijke stelling kan alleen ontstaan in het brein van en als psychologische kuriositeit geformuleerd worden door lieden, die van de liefde eene opvatting hebben, zooals aan de Bourbonhoven van vóór Lodewijk den XVIdeninzwang was en een paar eeuwen in zwang is gebleven. Zij bedoelden met het woord liefde, noch de groote passie, die de werkelijkheid voor hem die haar ondervindt als ’t ware van gedaante doet veranderen en aan het voorwerp der liefde zooveel als een bovennatuurlijken glans en ook macht verleent, zoodat hij letterlijk door het voorwerp dier liefde „betooverd” lijkt en dus dat veel gebruikte woord nu tot eene wezenlijke waarheid maakt; evenmin hadden zij er de innige, in haar eenvoud groote, trouwe, genegenheid meê voor, zooals het christendom ons die heeft doen koncipiëeren en die het eigenaardig huwelijkssentiment is van ons, westersche, monogamische volken; maar zij bedoelden er meê eene liefde, die wel eenige oppervlakkige overeenkomst vertoont met de oostersche liefde, maar toch het eigenaardig beestachtig wilde van den haremwellust mist, en van een kleiner, een wel fijner, wel beschaafder, maar tegelijk nietiger opvatting getuigt; zij beschouwden de liefde als een gril, een caprice, eene toquade, een aangename tijdelijke manie,meer niet; en inderdaad, indien men haar aldus opvat, is er een reden om, zich in een tijdverdrijvend spel van intrigue en coquetterie werpend, meer dan éene vrouw tegelijk te courtiseeren. Of men dan met een dier verschillende vrouwen toevallig gehuwd is, doet er niet toe; dat is in zulk een geval een bijkomende omstandigheid zonder beteekenis of waarde, want van het huwelijk eigenlijk gezegd en de gevoelens van eerbied, trouw en bescherming, die het in onze ziel onderhoudt, is daarbij in ’t geheel geen sprake meer. Dit is geen werkelijk beminnen, en meer dan éene vrouw te gelijk waarlijk lief te hebben, past niet in onze westersche psychologie en is een onmogelijkheid.Niet alleen dus, dat Dekker de groote verterende passie niet kende, maar uit het feit, dat hij, alleen op zijn gemak door Europa reizende, bordeelen bezocht en langdurige betrekkingen aanknoopte, is op te maken, dat de hartelijke genegenheid, welke hij koesterde voor zijn vrouw, er in alle opzichten een was van de allergewoonste soort, endat die genegenheid volstrekt geen poëtisch teeder en religieus karakter in zijn gemoed had aangenomen.Als een getrouwd manen garçonuit is met vrienden van vroeger, en men is wat gemonteerd doordat men den kelder een weinig te veel heeft aangesproken, en men sukkelt, om het feest voort te zetten, zulk een huis binnen en vermaakt zich daar tot het krieken van den ochtend—nu, dát wordt door eenigen als eene vrij vergeeflijke gebeurtenis beschouwd. De bewoonsters blijven bij haar beroep, men vermaakt haar en zichzelf, en laat ze wat verdienen.Dekker vond het buitendien in beginsel goed: Wat zou het? Genot is deugd, vermaak is gezond, ieder man, gescheiden van zijn vrouw levende, heeft daar behoefte aan, het is een hygiënische gymnastiek, en, de alles beheerschende rechtvaardiging: niemand lijdt er immers schade door, niemand immers wordt er ook maar een greintje leed door berokkend. Hij vond het, voor personen zooals hij, zelfs bijzonder aanbevelenswaardig:omdat het goed is voor publieke vrouwen, die arme, medelijden-wekkende schepselen, die zoo algemeen veracht worden door vromen en schijnheiligen, die zoo weinig het voorwerp zijn der elders dikwijls zoo ruimschoots bestede naastenliefde, die meestal slechts met gemeene, liederlijke mannen in aanraking komen,—omdat het voor dezulken heel goed is eens een man te ontmoeten, die haar ten minste nog als menschen beschouwt, die het oprecht goed met haar meent, haar een vriendelijk woord zal toespreken en op beschaafde, edele wijze met haar zal verkeeren. Ja, dus redeneerde hij, geholpen door zijn steeds dadelijk bij de hand zijnde fantasie, waarschijnlijk door: het was een weldaad, die hij haar bewees, het was een hoogere plicht, dien hij vervulde, hij dacht aan vele groote namen uit de wereldgeschiedenis, wier dragers met courtisanes omgang hadden gehad, hij vergeleek zich, ook nu weder, met Christus, die immers Maria Magdalena toeliet zijn voeten te wasschen en vergaf aan de overspelige vrouw. En zoo voorts, en zoo voorts.Dit is alles goed en wel. Wij herhalen, dat wij niet partij wenschen te kiezen in de beoordeeling van het geval in ’t algemeen van een gehuwd man, dieen garçonuitgaat. Er komt altijd belofte-breuk bij te pas, de breuk namelijk van de belofte, die men zijn vrouw heeft gedaan van háar alléen tot den dood toe getrouw te zullen zijn. Maar er zijn tal van argumenten beschikbaar om in zekere gevallen een belofte-breuk te wettigen, en wij zullen ons niet in eene moralistische uitpluizing van deze zaken verdiepen. De hoofdzaak is ongetwijfeld, dat er niemand leed worde gedaan.Maar,—hierop willen wij neêrkomen—Dekker wás niet op een dronkemanspartij en met vrienden uit; hij reisde geheel alleen, en ging, in koelen bloede, dat zelf in alle opzichten goedvindend, daarheen. En nu zeggen wij alléén, dat dáaruit blijkt, dat zijne genegenheid voor zijn vrouw niet vanongemeenteederen aard was. Immers al deed hij hier geen leed (op dat oogenblik ten minste niet, later deed hij haar dat wel door zijne op theorie berustende zonderlinge opvattingvan het echtgenootschap, welke hem haar van al zijn avonturen op de hoogte deed houden), al deed hij háar dus geen leed, noch Eugénie, en al deed hij zich zelf een genoegen, dus het tegendeel van leed, en al schijnen dus al de bij het geval betrokken personen veilig voor leed,—tóch zou hij, ware zijn genegenheid voor Tine van hoogeren aard geweest, het edelste gevoel in eigen borst door zoo eene handeling een kwetsuur hebben toegebracht, waarvan de schrijnende pijn het genoegen dat hij er op andere wijze van had, ten zeerste beperken moest, zoo al niet geheel vernietigen.Want, indien de gehuwde man, die zijn vrouw met vrome trouw bemint, op de purperen sofa heeft plaats genomen, en daar in eene weelderige afzondering zich opsluit met eene vreemde, kleurrijk uitgedoste, vrouw, wier mond met den beroepsglimlach hem tegenlacht, wier oogen, boven de half weggeblankette vale kringen schel schitteren van de nachtelijke vreugden, wier adem riekt naar den professioneelen feestwijn van elken dag—en hij moet dan liefkoozingen ontvangen,en hij moet liefkoozingen geven, dezelfde, ja werktuiglijk dezelfde liefkoozingen, welke hij anders in een stillere, meer zedige eenzaamheid alleen voor zijn eenige vrouw overheeft,—dan komt er een groot, pijnigend, wanhopig verdriet, en een spijt vol wrok en wrevel in hem op, die hem al het hier aanwezige ruwe en bonte genot zal vergallen.Vooreerst is het de ontwijding der liefde, die een niet onderdrukbaar gevoel van groote neerslachtigheid over hem zal brengen, waar de stralen van de schitterende lichtkroon noch het gefonkel van het door den wijn goud gekleurd kristal iets tegen vermogen. Niet de ontwijding der liefde, omdat hij leerstellig het huwelijk voor eene vereening der zielen zou houden, en de vereeniging zonder liefde, zonder ziel, dus voor eene profanatie van dat huwelijksbegrip; veel minder eene ontwijding der liefde omdat hij het in beginsel iets slechts zou vinden, er aan toe te geven zonder dat een geestelijk of burgerlijk ambtenaar van te voren daartoe een brevet van bevoegdheid heeft uitgereikt; want wij spreken van een modern gewoon menschelijkgevoelend man; maar eene ontwijding der liefde omdat hetzelfde wat alleen waarde en beteekenis scheen te hebben in het verkeer met de eenige, ziels-vertrouwde, voor het geheele leven uitverkoren éénige vrouw, hetzelfde, wat een onmisbaar schijnend teeder mysterieus karakter verkreeg, als de verwezenlijking van lang gekoesterde slechts half bewuste verlangens, waar het, niet nader ontleed, zich in zoo een dronkenschap van reine zaligheid voltrok, dat men alleen den indruk kreeg dat het wezen op zijn innigst met het éénig geliefde wezen één werd, waarbij het lichaam werd vergeten en het scheen als hoorde men nu alleen duidelijker elkanders harteklop, als waren de harten nu slechts op een bijzonder innige wijze tot elkaar genaderd; omdat dit zelfde, anders een mysterie dat een langzaam gegroeide vervoering bekroonde, nu zijn hooge charme verliest door de brutaliteit, waarmede het eenvoudig als pikant tijdverdrijf aangewend blijkt te kunnen worden. Eene ontwijding der liefde, omdat zij ontnuchtert van de edelste aller dronkenschappen. Omdat zij van een poëem eenemachinerie maakt, van een visioen een fysiologisch experiment.Ten tweede zal het genot van den bovenomschreven echtgenoot verbitterd worden, omdat zijn verbeelding hem zal beginnen te plagen; onophoudelijk zal de figuur zijner kuische vrouw zich in zijne gedachten dringen, als eene die hem zacht droevig zijn schennis van hun vertrouwelijken omgang verwijt. Hij zal zich het diepe verdriet voorstellen, dat haar zou vervullen indien zij hem hier eens zag. Hij zal vergelijkingen gaan maken, hij zal dat móeten, hoe weinig gaarne hij ’t ook doet, zijn geweten zal er hem toe dwingen,—tusschen zijne vrouw en degene, die thans naast hem is. In de geheele afschuwelijkheid harer grimeering, van haren weelderigen verleidingstooi, harer geveinsde lachjes en gespeelde minzaamheid zal zijn tijdelijke gezellin hem plotseling voor oogen komen; zijn blik zal zich verscherpen, hij zal achter haar masker van cold-cream en rouge impérial de sporen van het vroegtijdig jeugd-verlies en der aanhoudend walgelijke vermoeienissen zien, en hij zal zich verwenschen,dat hij tot deze sjacheraarster van genoegens gelijkluidende liefde-woorden sprak als anders slechts de intieme stilte binnen de zedige wanden van zijn huiselijk geluk van zijn lippen hoorde komen. Hij zal daar, als een aangeleerde manoeuvre, gebaren zien maken, en ze herkennen als de zelfde, welke hij als eene argelooze, spontane, naïeve, kinderlijke beweging heeft gezien. En als hij dan zijn hoed niet neemt en wegsnelt, is hij een man zonder ziel en zonder smaak, of liever,—wat wij hier van Multatuli betoogen—bemint hij zijne vrouw met eene vulgaire koele genegenheid.Zien wij nu, hoe Dekker, eenmaal er aan gewend die huizen te bezoeken, zijne langdurige betrekking met Eugénie tegenover zich zelf verontschuldigde en tot iets zoo moois maakte, dat bij de overdenking dier betrekking de edelste neigingen zijner ziel niet uitgesloten behoefden te blijven.’t Moge zijn dat Dekker in lang geen publiek huis bezocht had, toen hij Eugénie leerde kennen, en dus niet goed besefte, dat hare mededeelingen overeenkwamen met de gewonepraatjes dier zeer tijdelijke geliefden, die haar bezoeker bijna altijd een in hoofdzaak gelijkluidend verhaal doen, waarin steeds dezelfde episoden voorkomen: 1o. zijn zij dochters van boeren of arme werklieden en verleid en ongelukkig gemaakt door een vrijer, die beloofd had haar te trouwen en aan wiens woorden zij geloof hadden geslagen; 2o. hebben zij éens, toen zij figurante in den een of anderen kleinen schouwburg waren, of ook, toen zij het wilde leven reeds waren begonnen, eene schitterende relatie gehad met een schatrijk of hoogst voornaam jongmensch, die haar gedurende eenige maanden als eene prinses heeft doen leven, welke relatie voor altijd eene glansrijke herinnering bij haar heeft achtergelaten; 3o. zijn zij daarna van het eene huis in het andere gekomen en hebben nu hetzij de flauwe hoop dat een zéér jonge man nog eens de een of andere dwaasheid om harentwil zal begaan door haar als maîtresse te nemen, hetzij de ambitie met een flinken kellner of kappersbediende een „net” huwelijk aan te gaan, hetzij de hoogere eerzucht zelf eens aan ’t hoofd van een dergelijk etablissementte staan als waaraan zij nu ondergeschikt zijn verbonden en op hare beurt te kommandeeren;—òf ’t moge zijn, dat Eugénie tot de niet zoo frequent voorkomende vrouwen van dat slag behoorde, die gouvernante, kamenier of juffrouw van gezelschap geweest zijn, dat hare konversatie dientengevolge iets meer gesoigneerd was en zij een weinig betere manieren had, dat bij haar sterker dan bij hare beroepsgenooten het verlangen sprak om van het leven aldaar verlost te worden;—zéker is, dat Dekker zich tot haar aangetrokken gevoelde door de verwantschap die hij tusschen haar toestand en den zijnen bespeurde. De geheimzinnige sympathie, die tusschen de rassen van paria’s bestaat en door De Goncourt ter sprake wordt gebracht, waar hij het intieme verkeer van soldaten en dergelijke vrouwen behandelt inLa fille Elisa,—die zelfde sympathie was het, welke Dekker er toe dreef, zich in een ongewoon intiem kontakt met Eugénie te begeven. Hij bevond zich daar tegenover eene vrouw van oorspronkelijk goeden en fatsoenlijken aanleg, die, eigenlijk buiten hare schuld, en nietalleen buiten hare schuld maar tengevolge van het uit goedheid, uit edelmoedigheid, toegeven aan eischen, door een man, dien zij het meest vertrouwde, haar gesteld,—door de maatschappij was uitgestooten en genoodzaakt met het uitoefenen van een ellendig beroep, op een niet te avouëeren wijze, in haar onderhoud te voorzien. Nu, was er dan niet een treffende overeenkomst tusschen haar lotgeval en het zijne? Was ook hij niet ongelukkig geworden en door de maatschappij uitgestooten, omdat hij een te goedgeloovig vertrouwen in de leden dier maatschappij had gesteld? Hij óok had, zonder voorzichtigheid, zonder om te zien, geluisterd naar de stem van zijn hart, denkend dat de maatschappij hem daarvoor zou loven en beloonen.Hij dacht nu van zich zelf: ik ben goed, de maatschappij is slecht; ik heb de ware liefde, den waren harteadel; en nu wilde hij samengaan met die andere verstootene, wijl ook zij de ware liefde, den waren harteadel had, of althans gehad had, hoezeer die nu ook schuil was gegaan in hare verworpenheid.Dekker vond het in alle opzichten iets schoons en edels om deze vrouw te beschermen en bij te staan; in die handeling was een protest, een protest van menschenliefde en zielegrootheid tegen al het laffe, lauwe en kleinzielige der maatschappelijke opvattingen.Behalve eenige zinnelijke liefde, waarvan overigens weinig blijkt, maar die toch zeer waarschijnlijk met het andere gevoel vermengd was, was het dus een algemeen, half en half theoretisch, gevoelen, een revolutionair gevoelen, gericht tegen maatschappelijke denkbeelden, èn een bijzonder gevoel van medelijden, dat Dekker zich het lot van Eugénie dermate deed aantrekken.Zonder dat hij ’t zich ten volle bewust was, werd, zoo stellen wij het ons voor, het gevoel medelijden in Dekker één met de zinnelijke liefde, evenals dit bij vele vrouwen het geval is. Vele vrouwen toch, die zich overgeven aan een man, doen dat veeleer uit goedheid, uit medelijden, uit zucht om hulp te bieden, dan uit zinnelijke aandrift. Zij willen dien armen minnaar tevredenstellen, zij willen hem gelukkig maken, en het besef der voldoening harer eigen zinnen gaat te loor in haar wetenschap van een groote weldaad te bewijzen, van het hoogste weg te schenken, van het kostbaarste afstand te doen, waarover zij te beschikken hebben. Hier neemt de liefde het karakter aan van hoogste menschlievendheid.Dekker vond het geval buitendien interessant. Hij had behoefte, een koortsige behoefte, aan interessante ontmoetingen en lotgevallen. Daarom drong hij zich op, dat Eugénie een veel buitengewoner persoon was, dan zij in werkelijkheid zal geweest zijn, daarom verfantazeerde hij haar tot een soort heldin, aan wier zijde het hem voegde te treden. Zij gaf hem eene soortgelijke gewaarwording als iemand, die voor het eerst in een ver van zijn geboortegrond gelegen centraalwereldverkeerstation komt, van de zich daar bevindende in vreemde engelsche reisdracht gestoken gebasaneerde medereizigers ontvangt. Hij ziet een man met vaste trekken, donkere gelaatskleur, groote, strenge, zwarte oogen, die zich met een beteuterendekalmte door wachtzalen en perrons beweegt. Dit moet wel een zeer gewichtig en belangrijk personage zijn, denkt hij dan. Later blijkt het te wezen de gewoonste aller scheepskapiteins, die wel zijn beroep goed kent, maar overigens in niets uitmunt en het heen- en wedervaren tusschen Europa en Amerika met dezelfde werktuiglijkheid jaar aan jaar verricht, als een vaderlandsche schoolmeester dagelijks zijn klassen bestuurt.Dekker achtte de ontmoeting van Eugénie bepaald een uitnemende vondst. Hij had nu gezelschap, een in alle opzichten aantrekkelijk gezelschap, op reis. Wat was daar niet een delicieuze afleiding voor zijn kommer en zorg in, om met die belang inboezemende fransche dame op reis te zijn, steeds in vriendschappelijke gesprekken met haar gewikkeld, haar begeleidend in hotels en stations, haar steunend bij het instijgen van rijtuigen, bespied, in stilte gelukgewenscht en benijd door die omstanders, welke iets van de verhouding begrepen!
Multatuli en Tine, Max Havelaar en Tine,—deze namen klinken ons in de ooren als die van een paar belangrijke historische personen, als van een paar figuren uit Homerus’ Ilias. Er is zooveel geschreven en gekeven over het lot en de verhouding dier twee, dat hunne geschiedenis ons eenigszins een gedeelte der vaderlandsche historie lijkt te zijn. Kenau Hasselaar, Tine Havelaar,—hun rol was wel zeer verschillend maar het onderscheid in belangrijkheid niet groot,—voor ónze ooren.
Er zijn Multatulianen (of Multatulisten), die het huiselijk leven van Multatuli en de lotgevallen van zijn gezin tot onderwerp hunner vrome overwegingen hebben gekozen, zooals de orthodoxe Christenen het familieleven van Jozef, Maria en Jezus overdenken.... Was Jozef een goed huisvader?—Voorzeker, want er staat geschreven, dat Jozef werkte aan de schaafbank. Hij verdiende dus het geld (of liever: de levensmiddelen) voor zijn gezin. Ieder Christelijkhuisvader moet Jozef als voorbeeld nemen. Enz.... Was Maria een goede huismoeder?—Voorzeker, want zij verzorgde haar kind, legde het in windselen om het tegen weer en wind te beschutten. Enz. Iedere huismoeder moet zich styleeren op het voorbeeld van Maria.
Er is trouwens grooter verband tusschen de legende omtrent Jozef, Maria en Jezus en het oordeel, vooral van niet-Multatulisten, over Multatuli in zijne verhouding tot zijn gezin, dan men oppervlakkig geneigd zoude zijn te meenen. Immers tot grondslag aan de algemeene misprijzing, die Multatuli’s gedrag tegenover de zijnen heeft ondervonden, ligt niets anders dan die eeuwenoude Christelijke moraal van het familiebegrip, die in de tot goddelijk type verheven legende omtrent de Heilige Familie haar oorsprong heeft gevonden.
De menschen, die niet Multatulist zijn, keuren éene groote zaak in hem af, waartoe al de overige in hunne waardeering afkeurenswaardige handelingen en eigenschappen terug te brengen zijn, namelijk: dat Multatulide zijnen heeft verlaten en niet als zijn éerste plicht beschouwde voor hén te werken.
De Multatulisten zeggen: hij had iets hoogers te doen, een hoogere stem riep hem naar elders, ver van de zijnen, hij moest in de woestijn gaan om tot God (d. i. zijne ziel in haar hoogste uiting) te komen. De meer matige bewonderaars antwoorden: goed, maar mag men den naastbijliggenden plicht verzaken om een hoogeren te volbrengen, mag iemand om met het geld van zijn vader een weeshuis te bouwen, in eene gemeente waar vele noodlijdende kinderen zijn en waar geen gesticht is om die op te nemen,—zijn vader vermoorden?
Multatuli zelf heeft in zijn Ideën meermalen dit vraagstuk aangeroerd en het voorgesteld als gaf Tine hem gelijk in al zijn doen en laten. Waar hij in zijneMinnebrievende verhouding tusschen man en vrouw bespreekt, zooals die uiterst zelden is, maar zoo als die altijd zoude móeten zijn, en de vrouw „officieel zelfs.... een certificaat van onbruikbaarheid” noemt, omdat gehuwde mannen niet tot de eerste militielichtingenbehooren, welke in geval van oorlog worden opgeroepen—brengt hij er Hector en Andromache bij te pas:
„Dat was anders in Troje.... zie maar dat afscheid van Hector en Andromache.... ’t hoeveelste boek weet ik niet.... de kleine jongen wordt bang voor Hectors pluim.... maar Hector gaat....
—’t Staat in ’t zesde boek, zei de bezoeker, die Doctor in de Letteren was.
—Goed, maar Andromache wilde dat hijnietzou gaan....
—Dat was infaam van Andromache!... En als ’tmijgebeurd was.... maar zóó iets gebeurt mijniet! Zie hier....” En hij citeert eenige regels uit een brief van Tine, waarin ze hem schrijft liever met hem te sterven dan goed te vinden, dat hij zijn denkbeelden, stijl en ziel zou „verkoopen”.
Wij mogen veilig aannemen, althans uit de tot nu toe uitgegeven Brieven blijkt nergens het tegendeel, dat Tine van het begin tot het einde, of liever van het begin tot dicht bij het einde, Multatuli’s handelingen heeft goedgekeurd. Het moet nadrukkelijkgezegd worden, dat dit, ten minste voor de eerste jaren na het ontslag, als volstrekt zeker mag worden aangenomen. Want in de Brieven, waarin de geheele toestand, tot in de minste en intiemste bijzonderheden bloot ligt, is nergens sprake van eenig verzet van Tine tegen Multatuli’s gedrag. En als zij ook maar heel even er op gezinspeeld had, dat Multatuli niet in alles volkomen naar haar wensch handelde, zou hij ongetwijfeld in een stortvloed van verontwaardigde woorden daarop geantwoord hebben. Er is alleen die eerste brief, door Tine uit ’s Gravenhage naar Antwerpen geschreven, waarin ze hem aanraadt van haar te scheiden en zich als matroos of hofmeester op een schip te verhuren. Maar onder-aan dien zelfden brief, schrijft zij, dat zij hem uit „politiek” zoo geschreven heeft als zij daarin deed.
Overigens wordt Multatuli’s handelwijze ook door Tine’s goedkeuring niet schoon gewasschen. De meeste predikers die een kemelsvel gingen verslijten in de woestijn, waren niet getrouwd. Jezus, dien Multatuli steeds als voorbeeld neemt, was niet getrouwd.Kluizenaars en kloosterlingen hebben altijd geweten, dat de levensstaat, dien zij wenschten, met het huwelijk niet vereenigbaar was. Zij hebben daarom bij den aanvang van hun loopbaangekozen, in de volle wetenschap van wat zij deden, en dusdoende zijn zij nooit voor het dilemma gekomen, dat Multatuli’s leven heeft beheerscht.
Maar nu is het ons niet te doen om eene nadere waardeering dezer genoeg besproken handelwijze, maar alleen om een psychologische kenschetsing van Multatuli’s verhouding tegenover Tine.
Wat blijkt hieromtrent uit de Brieven? In de Brieven leeren wij wat dit betreft, Multatuli kennen als een hartelijk echtgenoot en vader. Uit de hartelijkheid, waarmee hij over zijn kinderen schrijft en nooit vergeet dat te doen, maakt ons voorstellingsvermogen als van zelve de gevolgtrekking, dat hij zich met losse vroolijkheid en oningehouden vriendelijkheid onder de zijnen bewoog als hij thuis was, spelend met de kinderen als een oudere makker, schertsend met zijne vrouw als een verknochte vriend. „Dag, pierewieten!”schrijft hij op ’t eind van veel zijner brieven aan zijn tweetal. „Dag, Nonnie en Edu-Max” (dit laatste een verkorting der samenvoeging van „Eduard”, zoo als Dekker zelf en ook zijn zoontje heette, en „Max”, zoo als Dekker’s ideaal-type Havelaar en ook diens zoontje heette); of „kus de pierewieten voor me,” „ziet mijn kèrel zoo bleek?” „kus het menschdom.” Het „menschdom” waren de kinderen. Dekker, vroolijk en uitgelaten van natuur zijnde, als ten minste de bitterheid van zijn lot hem niet ter neder drukte, moet een opgewekt en onderhoudend huisgenoot zijn geweest. Men kan hem zich voorstellen, met zijn levendig en uitdrukkingsvol gezicht, spelend met de kinderen, hen na-zittend door kamers en portalen, hen „krijgend” en opheffend hoog in de lucht, lachend van vadertrots en vadervreugd, als de kleinen juichten en kraaiden. Een anderen keer ging hij er met een op zijn schouder voor den spiegel staan en zei dan: „kijk je vader nu eens goed aan, Edu, en dan je zelf ook. Zie je ons alle bei? Zie je wel, dat je op me lijkt? Nu, wat ik in het leven heb willen doen, dat moet jijook zien te doen hoor! En dan hoop ik, dat je beter zult slagen!”
Zijn vrouw had hij lief als een zeldzaam goede zuster, met dankbaarheid en aanhankelijkheid, het eenige wezen op de geheele wereld, waarvan hij wist dat zij, het gansche leven door, geluk ènleedmet hem zou willen deelen. Hij had haar lief als degene, die altijd in hem geloofd had en zou blijven gelooven.
Multatuli was de eerste persoon in deze echtvereeniging. In de eerste jaren van hun huwelijk beschouwde zijn vrouw hem als een halve godheid. Gelijk hij later, naar het gerucht wil, door zijne tweede vrouw zoo goed als ten huwelijk is gevraagd, lijdt het ook geen twijfel, of het huwelijk met zijn eerste vrouw is tot stand gekomen en heeft, enkele jaren althans, harmonisch geduurd door dwepende vereering van de zijde der vrouw en hartelijke toegenegenheid van de zijde van den man.
Multatuli heeft niet voor zijne eerste vrouw een van die overweldigende passiën gehad, zooals de biografieën van dichters en kunstenaarser soms vermelden, een van die passiën voor een geestelijk geheel gewone of minder dan gewone vrouw, of voor een geestelijk zéér buitengewone vrouw, zooals de Mathilde van Heine, die een naaistertje was, of Mrs. Browning, die eene dichteres is. Hij heeft die ook vóór zijn huwelijk noch in de allereerste jaren gehad, want nergens wordt in de intiemste passages der brieven daarop gezinspeeld. Als Tine zich eens uit gekheid beklaagt over zijn minnekoozerijen met andere vrouwen of meisjes, dan antwoordt hij, dat zij toch wel weet, dat zij zijn liefste engel en schat is, en daarmede is alles gezegd.
Tine schijnt tot die zeer zeldzame vrouwen behoord te hebben, in wier inborst een groote lijdzaamheid vereenigd met moed en flinkheid wordt aangetroffen. Tot lang na Dekker’s ontslagneming bleef zij niet alleen alles goedkeuren, ja alles bewonderenswaardig achten, wat hij verkoos te doen of na te laten, maar door de omstandigheden, waarmede zij dientengevolge te strijden kreeg, wist zij zich met een zekere vastberadenheid heen te slaan, dieons niet zelden niet de grootste waardeering voor haar vervult.
„C’est un emploi assez difficile que d’être la femme d’un poète,” zegt de Pène, en dat „emploi” heeft Tine met zeldzame volharding en zeldzaam geduld jaren en jaren volgehouden. Toen zij, als freule Van Wijnbergen, den begaafden Indischen ambtenaar, die zich bevond aan het begin van een veel voor de toekomst belovende loopbaan, haar hand schonk, kon zij van het volgend leven allerlei lotgevallen verwachten, behalve juist die, welke haar beschoren zouden zijn. Haar man, die als zoo bekwaam bekend stond, zou spoedig op bevordering kunnen rekenen, zou al hooger en hooger in rang en aanzien stijgen, zij zouden lieve kinderen krijgen en door velen worden benijd. O, wel schoon spiegelde zich de toekomst voor haar af. En mocht het hun al eens tegenloopen, mocht al het leven niet de zoo hoog gespannen verwachtingen vervullen, die Dekker zelf koesterde en door zijn beminde reeds spoedig wist te doen deelen, als hij met zijn levendig woord de toekomst voor haar in beeldbracht,—ook al bracht Eduard het nooit verder dan Resident, of zelfs maar Assistent-Resident,—zou haar daaraan weinig gelegen zijn, want ook in die omstandigheden zou zij, altijd aan de zijde van den aangebeden man, altijd samen met hun geliefde kinderen, het leven een hemel op aarde vinden. O, hoe vlekkeloos gelukkig moest het leven aan het door den geestdriftigen man beminde meisje schijnen! Maar ach, hoeveel te bitterder moet juist daarom later de vreeselijke, geheel onvoorziene, teleurstelling voor haar geweest zijn. Er is geen reden om te veronderstellen dat de eerste huwelijksjaren niet geheel aan de verwachtingen zouden hebben beantwoord. Integendeel. Al de voorspellingen en illusiën schenen werkelijkheid te zullen worden.
Heerlijke uren, onvergetelijke tijden moeten dat geweest zijn—later vooral onvergetelijk helaas—als, na volbrachte dagtaak, het jeugdige gezin in de galerij hunner woning van den schoonen avond zat te genieten, Eduard zijn schoone gedachten en groote droomen aan zijne gretig luisterendevrouw mededeelend, Tine hem, met een enkel zacht gesproken woord, altijd gelijk gevend, altijd bewonderend, en ook, als vrucht der opvoeding door haar man zelf haar gegeven, toonend hem beter te begrijpen dan wie anders ook daartoe in staat zoude zijn: en de kleine spring-in-’t-velden, hun schat en hun hoop, spelend aan hun voeten. Welk een blijde gewaarwording, welk een welkome storing, als de vader den hoogen ernst zijner woorden onderbroken hoorde door een lachend, juichend, kraaiend kinderstemmetje.
Terwijl de onmetelijke hemel zich, als met zoovele flonkerende edelsteenen, met sterrenmyriaden bezette, terwijl een warme wind, die de hooge donkere boomen deed wuiven en deinen in de nachtelijke atmosfeer, de weemoedige klanken van den gamelan uit de dessa’s helderder in hun ooren deed klinken, zag Tine daar haren man bij zich, het hoofd een weinig naar achteren geleund, en hoorde met juichend hart de schoone woorden aan, waarin hij zijne droomen voor haar vertolkte. Zij was meestal met hemalleen, zij zagen weinig menschen en wat zij van de andere menschen zag en hoorde, hoe werd zij dáardoor juist het groote onderscheid tusschen die anderen en háar grooten man gewaar! Hare liefde maakte natuurlijk het onderscheid veel grooter dan het in werkelijkheid was. De gewoonheid der anderen maakte nu op haar den indruk van laagheid te zijn, in vergelijking met de buitengewone hoogheid van haar eenigen beminde. Wat waren die anderen meer dan kooplieden, schacheraars, zwendelaars, roovers, ja,—had hij zelf het haar niet geleerd?—die om voor zich een, dikwijls zoo gewonnen zoo geronnen, rijkdom te verwerven, de arme inlandsche bevolking onrecht aandeden, verdrukten en aan haar ellendig lot overlieten! Wat waren zij meer dan spelers en drinkers, die na zoo snel fortuin te hebben gemaakt, Indië Indië lieten, hun rug toekeerden aan de donkerkleurige loonslaven, die zij valschelijk door hun godsdienst-leeraars als broeders deden begroeten, om in hun vaderland van de door afpersing verworven schatten een weelderig leventjete gaan leiden? En haar man, haaraangebedenechtgenoot?—Als die zich eens te buiten ging, dan was ’t om zijn door geestdrift en overmatigen arbeid geschokt gemoed afleiding te geven, dan was ’t om zooveel als een veiligheidsklep te openen voor de overvloedige krachten van zijn buitensporig ontwikkeld zenuwgestel. Hoe gelukkig moest zij zich niet gevoelen de vrouw te zijn van een dichter, van een man, van een zóo zeldzaam mensch, die niet slechts een dichterlijke ziel had, maar die van zijn loopbaan, van zijn praktisch beheer, een poëem van rechtvaardige wijsheid bedoelde te maken. Wat de jonge meisjes droomen als zij op haar balkon staan en de eerste lentegeuren bespeuren in de lucht, wat de jonge meisjes mijmeren als zij in den zomernacht, op haar vensterkozijn geleund, de schuchtere verlangens bespieden, die rijzen in hare ziel,—was voor haar, zeldzaam gelukkige vrouw, werkelijkheid geworden. Zij behoefde hem niet als eene onwezenlijke gestalte, als een geheimzinnigen, alleen in de verbeelding bestaanden, minnaar, in stilte te begeeren, metde zekerheid hem nooit in haar armen te zullen sluiten,—neen, zij was vereenigd, zij was voor altijd vereenigd, zij was voor het geheele leven één, met den dichter, met den held, met den koning harer droomen.
Deze overtuiging, deze gelukkige zekerheid, was zoo vast geworden in Tine’s ziel, was dermate tot een gedeelte van haar zieleleven, tot een gedeelte van haar bestaan geworden, dat die niet wankelde bij haar man’s ontslagneming en de daaropvolgende jaren van bitteren kommer. Men kan zeggen, dat het hoogere bestanddeel van hun huwelijk, het huwelijk in zijn geestelijke beteekenis, voor de hoofdzaak juist hierin bestond, dat Tine deelde in den grootheidsdroom van haar man. Als Multatuli later verhaalt hoe hij met woeker oogst hetgeen hij gezaaid had in de ziel zijner vrouw, moet dat beduiden, dat hij wist hoe eindeloos trouw Tine hem was toegedaan—in het gelooven, in het steeds blijven gelooven, aan de glorierijke toekomst, die hen wachtte. Dáardoor had hij haar in de hoogste beteekenis tot zíjne vrouw gemaakt, dat ook inháar de schoone dwaasheid had wortel geschoten, even vast als in hem zelf, die hen het ideaal met de werkelijkheid deed verwarren.
Zij hadden zoo lang gewacht, nietwaar, op het groote geluk, dat in aantocht was, zoo vele uren en uren hadden zij het in hun eenzame woningen in stilte verbeid, dat, toen Multatuli, ten toppunt van exaltatie, de groote daad deed die hem buiten de werkelijkheid in het rijk der idealen verplaatste, het ook háar niet anders kon schijnen of nú was de groote slag geslagen, de tooverslag, die hen tot de glorie zou brengen, door haar dichter-echtgenoot altijd voorspeld en voorzien. Zij kende het leven betrekkelijk zoo weinig! Was zij niet als argeloos jong meisje, in de netten van zijn schoone minnetaal gevangen, hem in de Indische eenzaamheid gevolgd, toen hij haar gevraagd had zijne levensgezellin te worden? Had zij niet jaren lang schier dag aan dag hem de groote, de wondervolle toekomst hooren prijzen, waarheen het leven hen zonder twijfel voerde?... Men ziet haar van hier, toen er van Lebak weg verhuisd moest worden,in opgewonden drukte de toebereidselen tot de afreis makend, het hoofd gebukt over de open koffers en kisten, de oogen schitterend, de wangen gloeiend, in de angstig-verheugde zekerheid, dat nú het oogenblik gekomen was voor de groote reis, die hen brengen zou... ja, waarheen?, waar anders heen dan in het levenstijdperk van macht en roem, dat haar man op de plaats zou brengen, die hem toekwam, krachtens zijn hooge gaven en zeldzamen geest?
Langzamerhand, zeer langzaam aan, ontwaakte zij uit hare droomen, door de nawerkingen van de groote botsing waarin zij met de werkelijkheid waren gekomen; toen zij van haar heer en haar God, ver van haar aangebeden man, alleen in kommer en verdriet moest leven met de kinderen, die tevergeefs om hun vader riepen, toen kwam zij zachtjesaan tot het bittere besef, dat zij in ijdelen waan had verkeerd, dat zij nu onverbiddelijk de slachtoffers werden van de edele dwaling, waaraan zij zich hadden overgegeven, dat zij het leven verkéerd hadden begrepen.
Voorzeker is het hier de plaats de nagedachtenis te eeren van eene vrouw, die martelares werd door het te ver gedreven schoonste gevoel, dat eene gehuwde vrouw kan bezielen: het onbeperkte geloof en vertrouwen in de verwezenlijking van het ideaal, dat haar man zich in het leven heeft gesteld. Want wat moest Tine nu ondervinden, nu haar man tot de eenige voor hem mogelijke grootheid inderdaad scheen te komen! Ziet, nu geschiedde het, nu erkende ieder het buitengewone, dat zij altijd in hem had gezien, nu was de schat, waarvan zij zoo lang alléen geweten had, de schat, dien zij alleen zoo lang had bemind en vereerd, openbaar eigendom geworden. Nu kon een ieder vrij de bloemen plukken, die zoo lang voor haar alleen hadden gebloeid in de verborgenheid van haars geliefden ziele-rijkdom. Maar had zíj nu, in den oogst van erkenning en roem, het aandeel, waarvan hij haar altijd gesproken had en voorzegd, dat het bijna niet geringer dan het zijne wezen zou? Al viel de oogst geheel anders en in hun schatting schraler uit, danzij hadden verwacht, deelde hij dien nu dan toch ten minste met haar, opdat hun huwelijk, zij ’t op deze onvoorziene wijze, de bekroning zou geworden, aan wier verschijning zij nimmer hadden gewanhoopt?... Neen, het tegendeel geschiedde. Nu de tijd dáár was, nu was hij altijd verre van haar, nu kreeg zij van den schitterenden maaltijd niets dan de bittere brokken te eten, nu moest zij telkens in zijne brieven lezen, dat hij niet bij haar kon komen, dat hij nog wat toeven moest, verre van haar, dat hij alleen zijnde beter werken kon, dat hij haar aan dit niet kon helpen en aan dát niet, dat zij zich maar alleen moest zien te behelpen en tevreden te stellen.
Groot moet het leed van deze vrouw geweest zijn, toen zij langzamerhand tot de ontdekking kwam, dat haar ziel zich al de huwelijksjaren lang gevoed had met eene illuzie. Niet in hare waardeering van haren man was de illuzie gelegen, want al had zijne buitengewoonheid ook andere uitkomsten dan zij beiden er van hadden verondersteld, die buitengewoonheid bléek dan toch nuvoor de oogen der geheele wereld. Maar hare illuzie was geweest dat zij in die buitengewoonheid deelen zou op de dubbele wijze; niet alleen zou zij er met hem de vruchten van plukken en de blijdschap van hebben, neen, er was nog een inniger aandeel, dat zij altijd gehoopt had het hare te zullen kunnen noemen; al durfde zij het zich zelve ternauwernood bekennen, tóch bewaarde zij die hoop in hare ziel als haar kostbaarst kleinood: het was de gedachte, dat hij, om buitengewoon te zijn, om met zijne buitengewoonheid te werken, háar aanwezigheid en hare medewerking behoefde. Had hij het haar niet dikwijls ingefluisterd, had hij het haar niet honderd maal verzekerd, dat hij aan haar lieve oogen zijn beste inspiratiën dankte, dat hij aan haar moedvol woord de volharding verschuldigd was, die hem in zijn loopbaan zou doen slagen? Hoe verlangde zij, nu hij het werk, het groote werk, dat werk, waarin alleen hij toch eigenlijk bleek uit te schitteren, begonnen was, hoe verlangde zij nu bij hem te zijn. Hoe vurig begeerde zij met hem te bespreken debladzijden, die hij dìen dag schrijven zou, zijne tevredenheid te vernemen over de taak, die was volbracht, zijne bitterheid te verzachten, als hij eens mocht meenen dat zijn genius hem minder goed dan gewoonlijk had ter zijde gestaan.
Hoezeer wenschte zij met hem te wonen onder één dak, met hem de maaltijden te deelen, met hem gezien te worden ook vooral, op de wandeling, op de plaatsen van openbaar vermaak! Welk een tintelende gloed van fierheid zou haar doorstroomd hebben, als zij overal had mogen hooren fluisteren: kijk, daar loopt de schitterende schrijver Multatuli met zijn vrouw. En nu, nu zag zij in, dat deze vurige hoop nooit verwezenlijkt zoude worden... Was het dan niet waar geweest, als hij haar zijn tweede ik noemde, was het dan maar leugen of vleierij of zelfbedrog geweest, als hij zoo menigmaal gezegd had, dat zíj alleen in zijne ziel kon lezen, dat zíj alleen hem begreep! En als zij er ooit iets toe mocht hebben bijgedragen om hem dat vast geloof in zich zelf te geven, waaraan hij voor een grootgedeelte te danken had, dat zijne verve hem nooit in den steek liet, ja, als zij de éenige was, die daartoe ooit iets bijgedragen had, was zij dan niet als van zelve de aangewezen persoon om, door voortdurende en onmiddellijke tegenwoordigheid, te zien wat dat geloof uitwerkte en hoe die verve hem de meest schitterende resultaten opleverde!
Tine kwam tot het besef dat haar man haar niet noodig had. Wat de stoffelijke zijden van het bestaan aanging, was zij hem tot last, en zij kon dien last niet kompenseeren door hem in het geestelijke behulpzaam te zijn, want zijn geest bleek juist beter te kunnen werken buiten haar aanwezigheid.
Hoe wreed moet het leven haar toegeschenen hebben, als zij haren kinderen de afwezigheid van hun vader te verklaren had, als de kleinen, die haar telkens hoorden spreken van vader die dit deed of vader daar dát meê gebeurd was, haar ietwat angstig de vraag stelden, waarom vader niet bij hen was, waarom zij vader nimmer zagen!
Aan deze wetenschap, die zij thans omtrentharen man opdeed, sloot die andere, wellicht nog pijnlijker, zich onmiddellijk aan, dat haar man ook nooit den grooten hartstocht voor haar gehad had, waarvan zij zich altijd gevleid had het voorwerp te zijn. Nu begreep zij het ten volle en besefte het met groot verdriet, dat hij alleen zich zelf steeds gezocht had, niet in grof zelfzuchtige beteekenis, maar in zich zelf zijn Muze, zijne godheid, die hem meer waard was dan alle aardsche dingen. Zij begreep, dat hij haar had liefgehad, dat hij haar liefhad, met hartelijke genegenheid, maar geenszins met de onbevredigde passie, waarvan eene vrouw droomt in den geheimsten schuilhoek harer ziel.
Ja, hij schreef wel telkenmale aan het einde zijner brieven aan haar: „Ik verlang dol, ik verlang dol [om bij u te zijn],” maar als dat verlangen werkelijk zoo onstuimig in zijn binnenste had gewoed, zou hij, die zich zelf zoo weinig meester was, zich niet hebben kunnen dwingen van haar gescheiden te leven. Hij zou haar geschreven hebben: kom Tine, kom bij mij, ik heb het wel niet breed,ik ben wel klein behuisd, en met de kinderen zal het wel wat lastig zijn, maar buiten ù kan ik niet! Ik hoop en vertrouw, dat we het met de kinderen zullen weten te schikken, maar mócht het niet lukken, nu, dan zullen wij ze ergens uitbesteden of iets dergelijks; liever dàt, dan uwe tegenwoordigheid te missen. Als ik zoo veel meesterschap over mij zelf heb, dat ik mij maanden en maanden heb kunnen weêrhouden naar u toe te snellen niettegenstaande mijn groot verlangen,—nu, dan zal ik ook, als het moet, mijn neiging om mij tegenover u zóo uit te storten, dat er niets meer voor mijn pen en inkt te doen blijft, wel weten te beteugelen. (Immers, dàt was zijn bijzondere reden om zich niet met zijne vrouw te vereenigen.)
Dit is een der leelijke zaken in Multatuli’s loopbaan, dat hij eenmaal het huwelijk als levensstaat gekozen hebbende, zich niet verplicht heeft gevoeld, van die keuze de onvermijdelijke konsequenties te dragen.
Heeft Multatuli al niet de groote passie voor de vrouw, voor ééne vrouw, gekend,—toch had hij in zijn persoon iets dat de vrouwensterk aantrok en ook eene onmiskenbare behoefte aan omgang met vrouwen.
Tot de opvoeding, welke hij zijne eigene vrouw gegeven had, tot hetgene, wat hij in hare ziel had „gezaaid”, behoorden onder andere de denkbeelden over liefde en godsdienst, tegenovergesteld aan die, welke zij van huis uit had medegebracht. Want Tine was van huis uit vroom, in den ouderwetschen, kerkschen zin van het woord. Wij weten dat niet alleen omdat zij tot eene familie van ouden adel behoorde, maar van hare zuster Henriëtte van Heeckeren vinden wij herhaaldelijk vermeld dat zij zoo erg godvruchtig was en steeds maar riep van Heere! Heere! Nu, zooals de éene zuster, met een kerkschen man gehuwd zijnde, haar geheele leven gebleven is, zoo zal de andere natuurlijk ook geweest zijn, vóor zij met een onkerkschen man in het huwelijk trad.
Dekker nu veranderde de denkbeelden zijner vrouw over godsdienst en liefde. Van den godsdienst, zooals hare familieleden die opvatten, maakte hij haar afkeerig op velerlei manier. Gedurende de eerste jaren vanhun huwelijk was dit zeker vaak het onderwerp van hun gesprek; maar na de ontslagneming, gedurende zijn lijdensperiode te Brussel vooral, was meer dan ooit deze zaak aan de orde van den dag in zijn brieven. Dubbel ergerde hem nu, dat menschen, die altijd van God en Gods liefde spraken, naar zijn indruk zoo weinig liefde voor hun evenmensch bleken te hebben. Uitlatingen als de volgende zijn daarom niet zeldzaam:
„Geloof me, lieve beste, waar een zeker soort van godsdienst in ’t spel is, is het altijd zoo. ’t Is phariseesche huichelarij die altijd een sabbath bij de hand heeft om ’t schaap niet te helpen dat in de groeve ligt. Ook zij zouden den Christus kruisigen, mits ’t maar geschieden kon onder beschutting van vreemd gezag. Ook zij zouden de handen vies terugtrekken van tollenaren, slagters en mijn arme Eugénie.”
Toen Tine te Brummen vertoefde, op het buitengoed van den heer Jan Dekker, had deze haar naar haar geloof gevraagd. Zij schijnt niet goed geweten te hebben wat daarop te antwoorden, en geantwoord, datzij ’t zelfde geloofde wat haar man geloofde, maar dat díe het beter uit kon leggen. Toen moet de heer Jan geantwoord hebben, dat zij haar man dan maar eens moest verzoeken zich daarover uit te spreken. En in een zijner brieven uit dien tijd geeft Dekker dan een geloofsbelijdenis. Hij, die door het minste en geringste hevig geraakt werd in die maanden vooral, begint echter met te zeggen dat hij ’t een schande vindt dat zijn broeder Jan daarnaar nú juist heeft gevraagd. De aanleiding voor dat vragen moet geweest zijn dat de kleine Eduard Dekker, Multatuli’s zoon, al spelend gezegd had: „die stok is onze lieve Heer.” Als hij (de kleine Eduard) weêr onder ons dak is, schrijft Dekker, mag hij zeggen: onze lieve Heer is Grietje of pierewiet. En op Jan’s vragen had Tine moeten antwoorden: „Jan, mijn plicht is te gelooven wat de man gelooft, die de macht heeft mijn arme kinderen op straat te zetten. De arme heeft geen recht op een eigen geloof.” Want stond Jan, in deze omstandigheden die vraag doende, niet gelijk met een Algerijnschen zeeroover, die een christengevangene vraagt wat hij vanMahomed denkt? Niettegenstaande dat alles, wilde Multatuli toch wel antwoorden. Zijn vrouw moet daarover een „opstelletje” hebben, en zij zàl het hebben, ofschoon hij het liever niet gaf omdat Tine’s en zijn geloof zoo negatief is. Hij vervolgt met te zeggen, dat hun geloof is niet te weten wat zij te gelooven hebben. Zij zijn nog altijd aan het zoeken, en het eenige, waarvan zij nagenoeg zeker zijn, is: nooit te zullen vinden. Niet omdat zij minder goed dan een ander zouden gezocht hebben, maar omdat zij minder spoedig tevreden zijn met het gevondene. Vervolgens schrijft hij, dat veel hem zegt dat er een God is, omdat alles niet uit niets kan voortgekomen zijn; maar daartegenover zegt ook veel hem, dat er geen God is. Voornamelijk: de volmaaktheid van de natuurwetten, die aan het heelal iets machinaals geven, dat de gedachte aan Almacht buitensluit. Vervolgens zoude, indien er een God was, die zich wel aan hem geopenbaard hebben. Noch onderzoek noch de ingevingen van zijn hart hebben hem een God geopenbaard. De slotsom is, dat hij niet weet of er een God is, dat, alshij er is, hij goed moet zijn, dat hij Multatuli’s diensten niet behoeft, dat hij hem dient door te trachten goed te zijn, en dat hij als eenig richtsnoer daarvoor zijn hart heeft.
Ziedaar de gedachten, die de lektuur der in dien tijd populaire wijze van oplossing van het wereldraadsel in Dekkers geest had achtergelaten, en die hij in zijne vrouw had overgeplant. Met wijsbegeerte of natuurkunde heeft dat al heel weinig te maken. Het is ongeveer de formuleering van een atheïsme, zooals elke onkerksche die min of meer bewust in zich omdraagt.
Nu rijst de vraag: was het goed van Multatuli gehandeld, hoorde het bij de nog al kalme liefde, bij de eenvoudig hartelijke toegenegenheid, welke hij zijne vrouw toedroeg, om haar godsdienst-gevoel te fnuiken zonder er iets anders voor in de plaats te kunnen geven, dan de vage redeneeringen eener praktische wijsbegeerte, die nauwelijks een man tevreden kan stellen?
Men kan zich tegenwoordig schier niet meer indenken in den toestand der gemoederen van dien tijd, toen menschen, die totde meest ontwikkelden en besten van hun geslacht behoorden, er hun edelste bezigheid in vonden bij alle mogelijke gelegenheden hartstochtelijk tegen den godsdienst te ageeren. Er is iets griezeligs, iets al te kouds en buitensporigs in den spot van een vader, die zijn zoontje leert spreken met hoonwoorden gericht tot een wezen, dat zooveel honderden jaren door geheele geslachten, ook van kunstenaars en denkers, als het meest eerbiedwaardige is beschouwd en behandeld.
„Kom, Eduardje, zeg nu: die stok is onze lieve Heer”—waarom dat, zouden wij geneigd zijn te vragen. Wilt gij uw kind buiten den godsdienst opvoeden, begin dan met er hem in ’t geheel niet over te spreken, doe hem dien naderhand kennen als een historisch verschijnsel, dat, als oorzaak van honderden daden, waarbij de ontslagneming te Lebak nog maar kinderspel lijkt, reeds daarom eenigen eerbied schijnt te verdienen; maar erger niet de geloovige menschen en daarbij de ongeloovigen van goeden smaak, door kinderlippen te gewennen godslasteringen te stamelen. Er is iets kinderachtigs en ietsverdachts, iets zwaks eigenlijk gezegd, in dezen hevigen haat tegen een wezen, dat niet bestaat. Het doet denken aan de grenzenlooze gevoelens van haat en wrok, die de boerenfamiliën tegen elkander kunnen hebben, zoodat als de buurman-vijand b.v. een ongelukkige krankzinnige zuster in huis heeft, de andere buurman zijn kinderen reeds zoo jong mogelijk leert haar na te roepen: de malle, kijk, daar loopt de malle.
Doch, wij herhalen, wij die al deze verschijnselen historisch hebben leeren waardeeren, die ons niet meer van afkeer tegen de bestaande godsdienstvormen bewust zijn, eenvoudig omdat ze ons op zich zelf onverschillig zijn geworden, terwijl buitendien hun aspekt ons door zijn pittoresque eigenschappen artistiek doet genieten,—wij kunnen ons in den toestand nauwelijks meer denken van iemand, die om zoo te zeggen pas aan den godsdienst is ontgroeid en nu uit kwaadheid hierover, dat hij zijn eerste twintig levensjaren zoo onnoozel heeft gedwaald, aan het voorwerp dier dwaling zooveel als haat heeft gezworen. Het warenniet alleen de algemeene tijdsomstandigheden, de atheïstische gedachtenstrooming die over de wereld was gekomen, het waren ook waarschijnlijk Dekker’s bijzondere levensomstandigheden, die, als een toestand van reaktie, den God-haat in hem hadden doen geboren geworden. In zijn jeugd was hij vermoedelijk langdurig in aanraking geweest met menschen, in wier zeden en gewoonten het „Geloof” zich van zijn minst beminnelijke zijde openbaarde. Men had hem, de wilde natuur, het opbruisende karakter, wellicht jaren en jaren in bedwang gehouden door verwijzingen naar allerlei harde leerstukken en onvermurwbare zedenwetten. Wie weet welke strenge gezichten, welke droge zielen van in der tijd geduchte katechizeermeesters en schoolvossen nog in zijne herinnering leefden, die hij of hij wilde of niet naar hartelust moest verachten en bespotten toen hij eenmaal aan den band ontsprongen was.
Bedenkelijker dan de spot met den godsdienst, die aan de kinderen werd geleerd, was het uitroeien van het godsdienstige gevoel uit het hart van de vrouw. Op zichzelf reeds bedenkelijk, werd het bepaald huiveringwekkend, toen Dekker aan de vrouw, die hij ontnomen had wat tot zekeren tijd wellicht haar kostbaarste schat was geweest, ten slotte niets in de plaats kon geven dan verdriet en ellende.
Zeker, kunt gij, gehuwd man, als gij ontdekt dat uw vrouw zonderlinge en voor hare rust en gezondheid gevaarlijke eigenaardigheden heeft, b.v. een groote vrees voor spoken, voor voorteekenen, of andere gemeenlijk met den naam van „bijgeloof” aangeduide affekties,—zeker kunt gij niet beter doen, dan zooveel mogelijk trachten haar die dingen uit het hoofd te praten. Als uw vrouw dus een nerveus persoontje is, die het godsdienstig gevoel als een schrik-aanjagende fataliteit in hare ziel heeft, die het u den heelen dag lastig maakt met allerlei scrupules en naargeestige gemoedsbezwaren omtrent de eenvoudigste zaken en voorvallen des levens, die aanhoudend voorstellingen van „de hel” ontwaart in haar ontstelde verbeelding en weigert u naar den schouwburg te vergezellen omdat zij den vorigen avondGods waarschuwende stem heeft vernomen, die haar dat verboden heeft,—dan zult gij haar een weldaad bewijzen met het licht der waarheid voor haar te doen opgaan, en haar, door het ongeloof, de gerustheid des gemoeds te schenken. Vooral indien gij er zeker van meent te zijn dat er maar een heel klein of in ’t geheel geen lichthoekje zich naast de groote schaduwen bevindt, die de godsdienst geworpen heeft in de ziel uwer vrouw; en indien gij ’t hoogst waarschijnlijk acht, dat gij steeds, het geheele leven door, met uwe liefde daar aan hare zijde aanwezig zult zijn om te voldoen aan de behoefte aan troost en verlichting, die uw levensgezellin wellicht menigmaal zal gevoelen.
Maar indien de godsdienst zich meest van hare lichtzijden aan uw vrouw heeft vertoond, indien zij de gerustheid en de blijdschap haars levens juist dáaruit voor een groot gedeelte put,—dan zult gij, al dwaalt zij naar uw meening, u toch twee keer moeten bedenken voor gij de hand aan die, voor haar schoone, dwaling slaat.
Multatuli had meer dan één reden, meerredenen dan gewone ongeloovigen kunnen hebben, om den godsdienst in den boezem zijner vrouw te smoren, want hij wilde dat daarin geen andere god dan hij zelf zou wonen. Men vatte dit niet op als dolzinnigen hoogmoed. Hij vond zich zelf, dat wil zeggen, de groote, nieuwe waarheden in zich zelf en den schoonen, bezielden vorm, dien hij daaraan wist te geven, een beter, grooter en meer levende god, dan dien der oude voorstellingen, waarbij zijn vrouw was opgevoed.
Hij stond zoo veel boven haar, dat zij zich de wijziging, welke hij hare denkbeelden wilde doen ondergaan, met gretigheid liet wèlgevallen. Zooveel hechtte zij niet aan haar godsgevoel en godsdienstbegrip of zij wilde die wel vaarwel zeggen voor de nieuwe leer door haar man haar verkondigd. En als zij zich bedrukt voelde of neerslachtig door ziekte of ander levensleed, zou hij daar dan niet altijd wezen om haar op te beuren en moed in te spreken; was zijn trouwe borst niet voor het geheele leven onder haar bereik, om er haar hoofd tegen te laten rusten als zij moede was?
Toen Dekker later zijne vrouw aan haar zelve alleen overliet in allesbehalve heuglijke omstandigheden, zullen er misschien wel oogenblikken zijn geweest, dat hij er berouw over voelde eertijds den geloofsboom in haar binnenste te hebben geveld, waaraan zij zich nu in haar nood had kunnen vastklemmen. Wat moet die vrouw zich ongelukkig hebben gevoeld! Met hoeveel angst en wanhoop moet zij zich nu het geloof harer jonge jaren en de vertroostende kracht, die dit in der tijd voor haar bezat, te binnen hebben gebracht! Daar stond zij nu, zooveel als met ledige armen! Maar moest zij nu heen, waaraan zich steunen? De sterke man, in wien alleen zij al haar vertrouwen had gesteld, had haar verlaten, die steun was onherroepelijk voor haar verloren gegaan, en tot God kon zij zich niet meer wenden, omdat hij ’t geloof aan dien God uitgeroeid had uit hare ziel. Hoe moet zij verzucht hebben: ach, kón ik nog maar gelooven, bezat ik het vertrouwen nog maar in God als in een liefderijk vader, dan was ten minste de toekomst nu niet voor mij zoo geheel grijs, donker en ledig!
Had Multatuli het huwelijk en zijne betrekking tot zijn vrouw anders opgevat, had hij, zij ’t met opoffering van de grootere innigheid in den band, die noodzakelijk moest ontstaan waar ook de innigste en hoogste gedachten van man en vrouw hun gemeenschappelijk goed worden,—had hij haar godsdienstige gevoelens ontzien, zoodat die als een verborgen schat in haar binnenste konden blijven bestaan, hij zoude later de grievende verwijten nimmer hebben vernomen, die ongetwijfeld zijn geweten hem op sommige oogenblikken deed.
In verband met zijne godsdienstige, of liever ongodsdienstige, begrippen, had Dekker ook zijne opvatting van het huwelijk en de liefde gewijzigd. Hij had polygamische neigingen; en niet alleen had hij die „zoo maar” gelijk zoovele gehuwde mannen, maar hij bezat daar allerlei theorieën en redeneeringen over, die het oude, van het christendom afkomstige, gevoel daarover in hem moesten dood-praten. Evenals hij met het godsdienstige had gedaan, wordt het uit verscheidene passages in de brieven duidelijk, dat hij ook op dit punt dehoogere opvoeding zijner vrouw op zich had genomen.
Van de vier relaties, waarvan wij in de brieven hooren: die met Pauline, die met Eugénie, die met Sietske Abrahamsz, die met het ongenoemde meisje, dat later een soort oplichtster bleek te zijn,—vier relaties, waaronder slechts twee, of wellicht maar één, van anders dan oppervlakkigen aard,—hield hij getrouwelijk zijn vrouw op de hoogte; zoodat, indien men in aanmerking neemt dat Multatuli bijna niets deed of hij had een stel redeneeringen ter rechtvaardiging zijner daden bij de hand, indien men er op let dat hij in ’t algemeen theoretisch zeer ontwikkeld was en alles vastknoopte aan eene theorie, het meer dan waarschijnlijk wordt, dat hij zijne vrouw had beduid, dat zij op grond hiervan en op grond dáarvan, het behoorde goed te keuren indien haar man nog met andere vrouwen intiemen omgang had, nog andere vrouwen liefhad, dan met haar, en haar alleen.
Hiermede bevinden wij ons in aanraking met het onderdeel der korrespondentie, dat vele lezers vermoedelijk minder aangenaamzal hebben getroffen. Want al hebt ge vrij uw vrouw overreed, dat God niet bestaat, en dat de verschillende godsdiensten ouderwetsche larie zijn, waarmede verstandige menschen, die de negentiende-eeuwsche beschaving mede maken, zich niet meer behooren op te houden, dat dus ook zij van den godsdienst, waarin zij geboren is en opgegroeid, afstand behoort te doen,—daarom zoudt gij toch tevergeefs trachten haar ook aan ’t verstand te brengen, dat uit de stelling, dat wij geen God kennen, die ons een leer- en zedenwet zou hebben geopenbaard, eene andere stelling afgeleid moet worden, inhoudende dat aan den man een zekere vrijheid van liefde of keus moet gelaten worden, geheel in strijd met het oude huwelijksbegrip, waarbij de vrouw een éénig recht op haar man had, of waarbij ten minste het den man als een eerste plicht was opgelegd de trouw ongeschonden te handhaven, die hij zijner vrouw bij den aanvang hunner verbintenis had gezworen of beloofd.
Het is mogelijk dat menschen, die gevoelen gelijk wij, als laat-negentiende-eeuwers minof meer een mal figuur maken; het is mogelijk dat wij, om konsequent te zijn, nu wij het oude geloof aan één God hebben verlaten, met de geheele levensbeschouwing, die daarvan afhankelijk was, ook ons begrip omtrent den echt zouden dienen te wijzigen, en, in samenhang met dat begrip, de sentimenten die er de uitvloeiselen of de basis van zijn; maar wij kúnnen dat niet, en, konsequentie of geen konsequentie, daarmede is alles gezegd. Ons begrip kunnen wij wel wijzigen, met genoegen zelfs indien het iemand aangenaam kan zijn, maar ons gevóel, zie, dat is een heele andere zaak, dat kan veel minder gemakkelijk gewijzigd worden. Bewijst ons nu maar met a plus b, dat het christendom heeft uitgediend, en dat men dientengevolge, het eene logisch afleidend uit het andere, tot het besluit moet komen, dat wij de oude christelijke sentimenten omtrent de heiligheid van het huwelijk en de schoonheid der smettelooze trouw tusschen man en vrouw moeten laten varen, om vervolgens ook onze praktijk naar de nieuwe begrippen te regelen, gij zult met de meest spitsvondige bewijsvoeringenons gevoel, dat wij als de erfenis van achttien eeuwen in ons bloed dragen, niet omverpraten. En tot dat gevoel behoort, dat wij het bepaald wreed, afschuwelijk wreed vinden, de hand van het koele moderne gezond-verstand te slaan aan de schoone en teedere bloemen van christelijke huwelijkstrouw, die daar bloeien op die verborgen plekjes in het hart der vrouw, waar het woord van den man niet ontwijdend mag binnendringen.
Wij kunnen niet aannemen, dat Tine in haar hart toegejuicht zou hebben, dat haar man zich met andere vrouwen afgaf; wij kunnen ons wel voorstellen, dat zij eene zoo onbegrensde vereering koesterde voor Multatuli’s inzichten, dat zijtrachtte, wijl hij het goedvond, het zelve ook goed te vinden, indien hij haar ontrouw was, maar ongetwijfeld is haar dit nooit gelukt en deden zijne mededeelingen over zijn avonturen haar grievend leed, hoezeer ze dit ook voor hem geheim poogde te houden.
Indien Multatuli dit zelf niet inzag, moet zulks aan gebrek aan menschenkennis gewetenworden; zag hij het wèl in, dan komt ons zijn gedrag in dezen geheel en al onverschoonbaar voor. En, alles in aanmerking genomen, vreezen wij, dat hij ’t half en half begreep, zonder zich volledig van den toestand rekenschap te geven; en nu, uit een soort van goedig-plagerige dwingelandij, haar geen enkel der berichten spaarde, die haar wellicht hinderden, maar die haar dan hinderden tengevolge van eene opvatting, welke zij, om zijnentwil, reeds lang had behooren prijs te geven. Zoo denken wij ons zijn standpunt.
Stelt u voor een man, een echtgenoot, die zijne vrouw in de kommervolste omstandigheden van hem gescheiden moet doen leven, eerst in een zeer ver afgelegen land, later nog steeds in een ander land, op eene dagreize van hem verwijderd, en dat die echtgenoot dan aan zijn vrouw, die hem liefheeft en aanbidt, onophoudelijk dingen schrijft als (van vreemde of haar nauwelijks bekende jonge vrouwen schrijvend): Lieve Tine, beste trouwe Tine, ik heb Pauline weêr gezien, zij had haar onecht kind op haar schoot... lieveTine, ik heb vruchteloos gepoogd Eugénie hier weêr te ontmoeten, je herinnert je, dat is dat meisje dat ik in der tijd uit een publiek huis heb medegenomen,... lieve Tine, ik ben verliefd op Sietske Abrahamsz, je weet wel, dat mooie lieve nichtje van ons... lieve Tine, elken ochtend komt er een meisje bij mij ontbijten... lieve Tine, ik heb allerlei amourettes, te veel om te vertellen... Enz. Enz.
... Je wordt nu wel een opwelling van wrevel daarover gewaar, lieve Tine, maar herinner je maar, dat wij afgesproken hebben, dat ik je duidelijk heb gemaakt, dat ik je heb doen inzien: je moet dat goedvinden, je moet daarin berusten... ik blijf altijd van jóu het méest houden, dat weet je wel... op die Sietske ben ik puur verliefd,... die arme Eugénie, je moest haar kennen... neen, neen, kind, bedwing nu je afkeer; ik, weet je wel, ik, die zoo ontzettend veel wijzer, rechtvaardiger en beter ben dan jij, die zooveel als je opvoeder in alles ben geweest, ik zeg je: je moet je meester blijven, je moet je niet door je gevoel laten medeslepen, maar je verstand raadplegen; ...ik vertel je opzettelijkzooveel van mijn relatiën met andere vrouwen om je op de proef te stellen, om te zien of het goede inzicht niet bij je zal zegevieren,... wees dus nu verstandig en trek het je niet aan... je zult nog wel meer hooren, gisteren ontmoette ik nog een dame, die...
Dit zijn in ’t geheel geen citaten, wij bedoelen alleen, dat men dien geest en dien toon bespeurt in de brieven. En wij willen de vrouw beklagen, die daaraan blootstond. Ach, met hoeveel bitterheid moet zij zich later deze korrespondentie herinnerd hebben, toen zij merkte, dat haar man voor altijd van haar scheiden zou. Dáarvoor had zij zich dan deze gruwelijke plagerijen getroost, dáarvoor had zij een vriendelijk gezicht gezet als zij leed gevoelde van binnen, dáarvoor had zij de stem van haar gevoel gesmoord, wijl zij het hooge verstand van haar man over haar vrouwelijk gevoel wilde doen zegevieren—om nu te zien dat hij ten slotte geheel van haar vervreemdde... Wie had gelijk gehad? Zijn verstand of háar gevoel? O, die stille stem van binnen had het haarwel altijd gezegd... Zij had altijd, wel flauw, een wanhopig vermoeden gehad, dat het onvermijdelijk eens zóó worden zou...
Beschouwen wij thans Multatuli in zijne verhouding tot de opeenvolgende minnaressen, die een plaats konden innemen in zijn hart, dat niet geheel alleen door Tine ingenomen bleek te zijn.
Vóór de genegenheid, welke Multatuli opvatte voor mejuffrouw Hamminck Schepel, die later zijn tweede echtgenoote werd, treffen wij de meergemelde Eugénie aan, als de eerste en voornaamste vertegenwoordigster dergenen, die Tine’s deelgenooten werden in zijn omgang en liefde.
De betrekking van Multatuli met Eugénie hebben wij bekeken: vooreerst wat aangaat den indruk, dien Multatuli’s verwanten en in ’t algemeen de maatschappij daarvan moest ontvangen; vervolgens wat aangaat het gevoel dat de mededeelingen daaromtrent bij Tine moesten gaande maken; thans geldt onze overweging het geval op zich zelf, de verklaring van dezen toestand zooals diezijn aanleiding vond en zich weêrspiegelde in Multatuli’s gemoed zelf.
Het is ons niet te doen een absoluut en leerstellig standpunt in te nemen ter beoordeeling van het gedrag van een gehuwd man, die publieke vrouwen frequenteert of op andere wijze buiten het huwelijk liefdesbetrekkingen onderhoudt. Dit standpunt zij overgelaten aan moralisten en staathuishoudkundigen. Wij willen vooropstellen, dat wij het laakbare in Multatuli’s handelwijze thans slechts hierin vinden, dat hij zijne vrouw van zijnfaits et gestesop de hoogte hield, en haar onzes inziens daardoor ten diepste moest grieven.
Het is een bekende stelling van den hertog De Richelieu, dat men met het grootste gemak en zonder gevaar voor onze gemoedsrust meer dan éene vrouw tegelijk kan beminnen. Maar eene dergelijke stelling kan alleen ontstaan in het brein van en als psychologische kuriositeit geformuleerd worden door lieden, die van de liefde eene opvatting hebben, zooals aan de Bourbonhoven van vóór Lodewijk den XVIdeninzwang was en een paar eeuwen in zwang is gebleven. Zij bedoelden met het woord liefde, noch de groote passie, die de werkelijkheid voor hem die haar ondervindt als ’t ware van gedaante doet veranderen en aan het voorwerp der liefde zooveel als een bovennatuurlijken glans en ook macht verleent, zoodat hij letterlijk door het voorwerp dier liefde „betooverd” lijkt en dus dat veel gebruikte woord nu tot eene wezenlijke waarheid maakt; evenmin hadden zij er de innige, in haar eenvoud groote, trouwe, genegenheid meê voor, zooals het christendom ons die heeft doen koncipiëeren en die het eigenaardig huwelijkssentiment is van ons, westersche, monogamische volken; maar zij bedoelden er meê eene liefde, die wel eenige oppervlakkige overeenkomst vertoont met de oostersche liefde, maar toch het eigenaardig beestachtig wilde van den haremwellust mist, en van een kleiner, een wel fijner, wel beschaafder, maar tegelijk nietiger opvatting getuigt; zij beschouwden de liefde als een gril, een caprice, eene toquade, een aangename tijdelijke manie,meer niet; en inderdaad, indien men haar aldus opvat, is er een reden om, zich in een tijdverdrijvend spel van intrigue en coquetterie werpend, meer dan éene vrouw tegelijk te courtiseeren. Of men dan met een dier verschillende vrouwen toevallig gehuwd is, doet er niet toe; dat is in zulk een geval een bijkomende omstandigheid zonder beteekenis of waarde, want van het huwelijk eigenlijk gezegd en de gevoelens van eerbied, trouw en bescherming, die het in onze ziel onderhoudt, is daarbij in ’t geheel geen sprake meer. Dit is geen werkelijk beminnen, en meer dan éene vrouw te gelijk waarlijk lief te hebben, past niet in onze westersche psychologie en is een onmogelijkheid.
Niet alleen dus, dat Dekker de groote verterende passie niet kende, maar uit het feit, dat hij, alleen op zijn gemak door Europa reizende, bordeelen bezocht en langdurige betrekkingen aanknoopte, is op te maken, dat de hartelijke genegenheid, welke hij koesterde voor zijn vrouw, er in alle opzichten een was van de allergewoonste soort, endat die genegenheid volstrekt geen poëtisch teeder en religieus karakter in zijn gemoed had aangenomen.
Als een getrouwd manen garçonuit is met vrienden van vroeger, en men is wat gemonteerd doordat men den kelder een weinig te veel heeft aangesproken, en men sukkelt, om het feest voort te zetten, zulk een huis binnen en vermaakt zich daar tot het krieken van den ochtend—nu, dát wordt door eenigen als eene vrij vergeeflijke gebeurtenis beschouwd. De bewoonsters blijven bij haar beroep, men vermaakt haar en zichzelf, en laat ze wat verdienen.
Dekker vond het buitendien in beginsel goed: Wat zou het? Genot is deugd, vermaak is gezond, ieder man, gescheiden van zijn vrouw levende, heeft daar behoefte aan, het is een hygiënische gymnastiek, en, de alles beheerschende rechtvaardiging: niemand lijdt er immers schade door, niemand immers wordt er ook maar een greintje leed door berokkend. Hij vond het, voor personen zooals hij, zelfs bijzonder aanbevelenswaardig:omdat het goed is voor publieke vrouwen, die arme, medelijden-wekkende schepselen, die zoo algemeen veracht worden door vromen en schijnheiligen, die zoo weinig het voorwerp zijn der elders dikwijls zoo ruimschoots bestede naastenliefde, die meestal slechts met gemeene, liederlijke mannen in aanraking komen,—omdat het voor dezulken heel goed is eens een man te ontmoeten, die haar ten minste nog als menschen beschouwt, die het oprecht goed met haar meent, haar een vriendelijk woord zal toespreken en op beschaafde, edele wijze met haar zal verkeeren. Ja, dus redeneerde hij, geholpen door zijn steeds dadelijk bij de hand zijnde fantasie, waarschijnlijk door: het was een weldaad, die hij haar bewees, het was een hoogere plicht, dien hij vervulde, hij dacht aan vele groote namen uit de wereldgeschiedenis, wier dragers met courtisanes omgang hadden gehad, hij vergeleek zich, ook nu weder, met Christus, die immers Maria Magdalena toeliet zijn voeten te wasschen en vergaf aan de overspelige vrouw. En zoo voorts, en zoo voorts.
Dit is alles goed en wel. Wij herhalen, dat wij niet partij wenschen te kiezen in de beoordeeling van het geval in ’t algemeen van een gehuwd man, dieen garçonuitgaat. Er komt altijd belofte-breuk bij te pas, de breuk namelijk van de belofte, die men zijn vrouw heeft gedaan van háar alléen tot den dood toe getrouw te zullen zijn. Maar er zijn tal van argumenten beschikbaar om in zekere gevallen een belofte-breuk te wettigen, en wij zullen ons niet in eene moralistische uitpluizing van deze zaken verdiepen. De hoofdzaak is ongetwijfeld, dat er niemand leed worde gedaan.
Maar,—hierop willen wij neêrkomen—Dekker wás niet op een dronkemanspartij en met vrienden uit; hij reisde geheel alleen, en ging, in koelen bloede, dat zelf in alle opzichten goedvindend, daarheen. En nu zeggen wij alléén, dat dáaruit blijkt, dat zijne genegenheid voor zijn vrouw niet vanongemeenteederen aard was. Immers al deed hij hier geen leed (op dat oogenblik ten minste niet, later deed hij haar dat wel door zijne op theorie berustende zonderlinge opvattingvan het echtgenootschap, welke hem haar van al zijn avonturen op de hoogte deed houden), al deed hij háar dus geen leed, noch Eugénie, en al deed hij zich zelf een genoegen, dus het tegendeel van leed, en al schijnen dus al de bij het geval betrokken personen veilig voor leed,—tóch zou hij, ware zijn genegenheid voor Tine van hoogeren aard geweest, het edelste gevoel in eigen borst door zoo eene handeling een kwetsuur hebben toegebracht, waarvan de schrijnende pijn het genoegen dat hij er op andere wijze van had, ten zeerste beperken moest, zoo al niet geheel vernietigen.
Want, indien de gehuwde man, die zijn vrouw met vrome trouw bemint, op de purperen sofa heeft plaats genomen, en daar in eene weelderige afzondering zich opsluit met eene vreemde, kleurrijk uitgedoste, vrouw, wier mond met den beroepsglimlach hem tegenlacht, wier oogen, boven de half weggeblankette vale kringen schel schitteren van de nachtelijke vreugden, wier adem riekt naar den professioneelen feestwijn van elken dag—en hij moet dan liefkoozingen ontvangen,en hij moet liefkoozingen geven, dezelfde, ja werktuiglijk dezelfde liefkoozingen, welke hij anders in een stillere, meer zedige eenzaamheid alleen voor zijn eenige vrouw overheeft,—dan komt er een groot, pijnigend, wanhopig verdriet, en een spijt vol wrok en wrevel in hem op, die hem al het hier aanwezige ruwe en bonte genot zal vergallen.
Vooreerst is het de ontwijding der liefde, die een niet onderdrukbaar gevoel van groote neerslachtigheid over hem zal brengen, waar de stralen van de schitterende lichtkroon noch het gefonkel van het door den wijn goud gekleurd kristal iets tegen vermogen. Niet de ontwijding der liefde, omdat hij leerstellig het huwelijk voor eene vereening der zielen zou houden, en de vereeniging zonder liefde, zonder ziel, dus voor eene profanatie van dat huwelijksbegrip; veel minder eene ontwijding der liefde omdat hij het in beginsel iets slechts zou vinden, er aan toe te geven zonder dat een geestelijk of burgerlijk ambtenaar van te voren daartoe een brevet van bevoegdheid heeft uitgereikt; want wij spreken van een modern gewoon menschelijkgevoelend man; maar eene ontwijding der liefde omdat hetzelfde wat alleen waarde en beteekenis scheen te hebben in het verkeer met de eenige, ziels-vertrouwde, voor het geheele leven uitverkoren éénige vrouw, hetzelfde, wat een onmisbaar schijnend teeder mysterieus karakter verkreeg, als de verwezenlijking van lang gekoesterde slechts half bewuste verlangens, waar het, niet nader ontleed, zich in zoo een dronkenschap van reine zaligheid voltrok, dat men alleen den indruk kreeg dat het wezen op zijn innigst met het éénig geliefde wezen één werd, waarbij het lichaam werd vergeten en het scheen als hoorde men nu alleen duidelijker elkanders harteklop, als waren de harten nu slechts op een bijzonder innige wijze tot elkaar genaderd; omdat dit zelfde, anders een mysterie dat een langzaam gegroeide vervoering bekroonde, nu zijn hooge charme verliest door de brutaliteit, waarmede het eenvoudig als pikant tijdverdrijf aangewend blijkt te kunnen worden. Eene ontwijding der liefde, omdat zij ontnuchtert van de edelste aller dronkenschappen. Omdat zij van een poëem eenemachinerie maakt, van een visioen een fysiologisch experiment.
Ten tweede zal het genot van den bovenomschreven echtgenoot verbitterd worden, omdat zijn verbeelding hem zal beginnen te plagen; onophoudelijk zal de figuur zijner kuische vrouw zich in zijne gedachten dringen, als eene die hem zacht droevig zijn schennis van hun vertrouwelijken omgang verwijt. Hij zal zich het diepe verdriet voorstellen, dat haar zou vervullen indien zij hem hier eens zag. Hij zal vergelijkingen gaan maken, hij zal dat móeten, hoe weinig gaarne hij ’t ook doet, zijn geweten zal er hem toe dwingen,—tusschen zijne vrouw en degene, die thans naast hem is. In de geheele afschuwelijkheid harer grimeering, van haren weelderigen verleidingstooi, harer geveinsde lachjes en gespeelde minzaamheid zal zijn tijdelijke gezellin hem plotseling voor oogen komen; zijn blik zal zich verscherpen, hij zal achter haar masker van cold-cream en rouge impérial de sporen van het vroegtijdig jeugd-verlies en der aanhoudend walgelijke vermoeienissen zien, en hij zal zich verwenschen,dat hij tot deze sjacheraarster van genoegens gelijkluidende liefde-woorden sprak als anders slechts de intieme stilte binnen de zedige wanden van zijn huiselijk geluk van zijn lippen hoorde komen. Hij zal daar, als een aangeleerde manoeuvre, gebaren zien maken, en ze herkennen als de zelfde, welke hij als eene argelooze, spontane, naïeve, kinderlijke beweging heeft gezien. En als hij dan zijn hoed niet neemt en wegsnelt, is hij een man zonder ziel en zonder smaak, of liever,—wat wij hier van Multatuli betoogen—bemint hij zijne vrouw met eene vulgaire koele genegenheid.
Zien wij nu, hoe Dekker, eenmaal er aan gewend die huizen te bezoeken, zijne langdurige betrekking met Eugénie tegenover zich zelf verontschuldigde en tot iets zoo moois maakte, dat bij de overdenking dier betrekking de edelste neigingen zijner ziel niet uitgesloten behoefden te blijven.
’t Moge zijn dat Dekker in lang geen publiek huis bezocht had, toen hij Eugénie leerde kennen, en dus niet goed besefte, dat hare mededeelingen overeenkwamen met de gewonepraatjes dier zeer tijdelijke geliefden, die haar bezoeker bijna altijd een in hoofdzaak gelijkluidend verhaal doen, waarin steeds dezelfde episoden voorkomen: 1o. zijn zij dochters van boeren of arme werklieden en verleid en ongelukkig gemaakt door een vrijer, die beloofd had haar te trouwen en aan wiens woorden zij geloof hadden geslagen; 2o. hebben zij éens, toen zij figurante in den een of anderen kleinen schouwburg waren, of ook, toen zij het wilde leven reeds waren begonnen, eene schitterende relatie gehad met een schatrijk of hoogst voornaam jongmensch, die haar gedurende eenige maanden als eene prinses heeft doen leven, welke relatie voor altijd eene glansrijke herinnering bij haar heeft achtergelaten; 3o. zijn zij daarna van het eene huis in het andere gekomen en hebben nu hetzij de flauwe hoop dat een zéér jonge man nog eens de een of andere dwaasheid om harentwil zal begaan door haar als maîtresse te nemen, hetzij de ambitie met een flinken kellner of kappersbediende een „net” huwelijk aan te gaan, hetzij de hoogere eerzucht zelf eens aan ’t hoofd van een dergelijk etablissementte staan als waaraan zij nu ondergeschikt zijn verbonden en op hare beurt te kommandeeren;—òf ’t moge zijn, dat Eugénie tot de niet zoo frequent voorkomende vrouwen van dat slag behoorde, die gouvernante, kamenier of juffrouw van gezelschap geweest zijn, dat hare konversatie dientengevolge iets meer gesoigneerd was en zij een weinig betere manieren had, dat bij haar sterker dan bij hare beroepsgenooten het verlangen sprak om van het leven aldaar verlost te worden;—zéker is, dat Dekker zich tot haar aangetrokken gevoelde door de verwantschap die hij tusschen haar toestand en den zijnen bespeurde. De geheimzinnige sympathie, die tusschen de rassen van paria’s bestaat en door De Goncourt ter sprake wordt gebracht, waar hij het intieme verkeer van soldaten en dergelijke vrouwen behandelt inLa fille Elisa,—die zelfde sympathie was het, welke Dekker er toe dreef, zich in een ongewoon intiem kontakt met Eugénie te begeven. Hij bevond zich daar tegenover eene vrouw van oorspronkelijk goeden en fatsoenlijken aanleg, die, eigenlijk buiten hare schuld, en nietalleen buiten hare schuld maar tengevolge van het uit goedheid, uit edelmoedigheid, toegeven aan eischen, door een man, dien zij het meest vertrouwde, haar gesteld,—door de maatschappij was uitgestooten en genoodzaakt met het uitoefenen van een ellendig beroep, op een niet te avouëeren wijze, in haar onderhoud te voorzien. Nu, was er dan niet een treffende overeenkomst tusschen haar lotgeval en het zijne? Was ook hij niet ongelukkig geworden en door de maatschappij uitgestooten, omdat hij een te goedgeloovig vertrouwen in de leden dier maatschappij had gesteld? Hij óok had, zonder voorzichtigheid, zonder om te zien, geluisterd naar de stem van zijn hart, denkend dat de maatschappij hem daarvoor zou loven en beloonen.
Hij dacht nu van zich zelf: ik ben goed, de maatschappij is slecht; ik heb de ware liefde, den waren harteadel; en nu wilde hij samengaan met die andere verstootene, wijl ook zij de ware liefde, den waren harteadel had, of althans gehad had, hoezeer die nu ook schuil was gegaan in hare verworpenheid.
Dekker vond het in alle opzichten iets schoons en edels om deze vrouw te beschermen en bij te staan; in die handeling was een protest, een protest van menschenliefde en zielegrootheid tegen al het laffe, lauwe en kleinzielige der maatschappelijke opvattingen.
Behalve eenige zinnelijke liefde, waarvan overigens weinig blijkt, maar die toch zeer waarschijnlijk met het andere gevoel vermengd was, was het dus een algemeen, half en half theoretisch, gevoelen, een revolutionair gevoelen, gericht tegen maatschappelijke denkbeelden, èn een bijzonder gevoel van medelijden, dat Dekker zich het lot van Eugénie dermate deed aantrekken.
Zonder dat hij ’t zich ten volle bewust was, werd, zoo stellen wij het ons voor, het gevoel medelijden in Dekker één met de zinnelijke liefde, evenals dit bij vele vrouwen het geval is. Vele vrouwen toch, die zich overgeven aan een man, doen dat veeleer uit goedheid, uit medelijden, uit zucht om hulp te bieden, dan uit zinnelijke aandrift. Zij willen dien armen minnaar tevredenstellen, zij willen hem gelukkig maken, en het besef der voldoening harer eigen zinnen gaat te loor in haar wetenschap van een groote weldaad te bewijzen, van het hoogste weg te schenken, van het kostbaarste afstand te doen, waarover zij te beschikken hebben. Hier neemt de liefde het karakter aan van hoogste menschlievendheid.
Dekker vond het geval buitendien interessant. Hij had behoefte, een koortsige behoefte, aan interessante ontmoetingen en lotgevallen. Daarom drong hij zich op, dat Eugénie een veel buitengewoner persoon was, dan zij in werkelijkheid zal geweest zijn, daarom verfantazeerde hij haar tot een soort heldin, aan wier zijde het hem voegde te treden. Zij gaf hem eene soortgelijke gewaarwording als iemand, die voor het eerst in een ver van zijn geboortegrond gelegen centraalwereldverkeerstation komt, van de zich daar bevindende in vreemde engelsche reisdracht gestoken gebasaneerde medereizigers ontvangt. Hij ziet een man met vaste trekken, donkere gelaatskleur, groote, strenge, zwarte oogen, die zich met een beteuterendekalmte door wachtzalen en perrons beweegt. Dit moet wel een zeer gewichtig en belangrijk personage zijn, denkt hij dan. Later blijkt het te wezen de gewoonste aller scheepskapiteins, die wel zijn beroep goed kent, maar overigens in niets uitmunt en het heen- en wedervaren tusschen Europa en Amerika met dezelfde werktuiglijkheid jaar aan jaar verricht, als een vaderlandsche schoolmeester dagelijks zijn klassen bestuurt.
Dekker achtte de ontmoeting van Eugénie bepaald een uitnemende vondst. Hij had nu gezelschap, een in alle opzichten aantrekkelijk gezelschap, op reis. Wat was daar niet een delicieuze afleiding voor zijn kommer en zorg in, om met die belang inboezemende fransche dame op reis te zijn, steeds in vriendschappelijke gesprekken met haar gewikkeld, haar begeleidend in hotels en stations, haar steunend bij het instijgen van rijtuigen, bespied, in stilte gelukgewenscht en benijd door die omstanders, welke iets van de verhouding begrepen!