DE MINNEBRIEVEN.

DE MINNEBRIEVEN.Door de drukte en opwinding over zijn zaak is hij zelden in de stemming om te schrijven. Op aandrang van redacties en uitgevers geeft hij enkele stukjes in deTijdspiegel; zijneIndrukken van den dagverschijnen bij Thieme; op aandringen zijner politieke vrienden schrijft hij enkele krantenartikels en een Rotterdamsch uitgever weet hem te bewegen een stuk te schrijven ten bate van de slachtoffers van een banjir. In deze bladzijden, getiteld: “Wijs mij de plaats, waar ik gezaaid heb” tracht hij met statistische tabellen den Hollanders aan het verstand te brengen, welk groot belang zij bij Indië hebben; maar vooral wil hij de Hollandsche harten tot ontferming bewegen door een ontroerend beeld van het lijden van den inlander. EvenalsSaïdjah’sgeschiedenis is ook de inlandsche idylle van ’t feest ter eere van ’n gedooden tijger, die door den banjir zoo wreed werd verstoord, sentimenteel. Al die feestvierenden hebben hun eigen vreugdevolle verwachtingen, en die spreken ze uit in de korte zinrijke regelsvan hun dichtspel: ’t verlangen van de vrouw naar haar eerstgeborene, en dat van de bruid, de trots van den man op zijn klewang, op zijn snelrijdend paard; maar “sterker is de kracht van den stroom,” riep een oud man die veel banjirs beleefd had. En dan komt de banjir en alle geluk, alle verwachting wordt weggevaagd en die hoopvolle menschen worden dan geschetst als lijken, lijken die dreigen met de pest, zegt de krant. ”’t Zijn de lijken vanmensen!” roept Multatuli.Zy voelden, hoopten, vreesden, als wy. Ze hadden aanspraak op levensgeluk als wy...Lezer, Nederlander, het warenmensen, die Javanen!En de overblyvende, die treurig staart op de verwoeste landstreek, en vruchteloos rondschouwt naar de plaats waar hy gezaaid heeft, is ’nmens!En waar hy het lyk zoekt van z’n kind, krimpt hem het hart ineen, zoowel door de vreeze van niet te vinden wat hy zocht, als uit angst dat hy ’t vinden zal. En waar hy slaagt in z’n droevig nasporen, snydt hem de wanhoop door de ziel, zooals dat wezen zou byUzelf, lezers! wanneergy’t lyk vond van uw kind, van uw bruid, van uwe moeder...Die Javaan, is ’nmens, lezer!”Een beroep op ’t menschelijk medegevoel isdeze idylle, maar in de vrees, dat dit niet verstaan zou worden, besluit hij met een beroep op het welbegrepenbelangvan den Hollander bij een dankbare gezindheid van den inlander.“De lyken daarginder zullen worden weggenomen. De lieve ryke natuur zal met haar groen kleed alles bedekken wat bloot lag, alles versieren wat verstoord werd. Gouden halmen zullen vredig ruischen op de graven der gestorvenen. Na jaren zullen de meisjes in de dorpen byeenzitten, en gretig luisteren naar de verhalen over denbanjir. De ouden van dagen zullen de ellende schetsen die ze bywoonden of vernamen van hun ouders...Is ’t u onverschillig, Nederlanders, Christenen, beschavers, hoe het slot zal luiden van die verhalen?Uw kleinkinderen zullen die mede aanhooren. Want de toekomst uwer kleinkinderen is in Indië. Is ’t u onverschillig hoe zy zullen hooren spreken over hun voorvaderen? Is het u om ’t even hoegyzult genoemd worden in depantoensvan het nageslacht? Wilt ge dat er op den aanhef:Hard is de rots die er staat aan den ingang van het dorp, een weerslag volge als deze:Harder is ’t gemoed van den blanken broeder aan de overzyde der zee?Wilt ge dat?Of wilt ge dat de oude dorpspriester z’n hand zal leggen op het hoofd van uw kind, en tot hem zeggen:Kom tot ons... zet u neder aan ons maal en neem uw deel van wat we hebben... want ik heb uw vaderen gekend!En ten slotte, gy die zegt te weten dat er ’n onsterfelykheid is, en ’n oordeel... gy die predikt dat dit leven ’n tyd is van arbeid om te geraken tot hooger staat... gy die beweert te gelooven dat u hier ’n veld is aangewezen ter bebouwing waarop eenmaal ’n oogst zal te gaêren zyn, ryk of schraal naar de mate van uwen yver... u vraag ik of gebeschaamdwilt staan op de vraag die eens zal worden voorgelegd aan ieder Nederlander dieIndiëzyneigendomnoemde:“WYS MY DE PLAATS WAAR GE GEZAAID HEBT.”Voor de mentaliteit van ’t Nederland dier dagen is het teekenend, dat dit stukje van den armen idealist ƒ 1300 opbracht van de ƒ 11000, die ons land naar Java zond.Dergelijke ondervindingen stemdenD. D.bitter: hij vraagt zich af of zijn woord tevergeefs heeft geklonken, of Nederland evenmin recht wil doen als de Indische regeering. Door den geweldigenopgang, die zijn boek had gemaakt, had hij de stemming zoowel ten opzichte van zichzelf, als ten opzichte van den Javaan overschat.Niet alleen de Indische regeering, ook de regeerende kringen van Nederland, ook de burgerij, die in het onrecht berust, gaat hij aanvallen. En hij verwacht veel van de jongeren en van de vrouwen. Hun gezichtskring te verruimen, hun enthousiasme tot daden op te zweepen wordt nu zijn doel. Vooral jonge meisjes ontvlammen in geestdrift voor de idealen van Multatuli: ze bieden hem haar medewerking aan in zijn strijd, zonder zich bewust te zijn, waarin die hulp zou kunnen bestaan. Multatuli aanvaardt die hulp: die aanhankelijkheid doet hem goed. Zoo ontstaan tal van vriendschappelijke verhoudingen, die in vele gevallenamoureusgetint waren. Tegenover hun omgeving is het hun eerste taak Multatuli’s persoon en denkbeelden te verdedigen en als ze er toe in de gelegenheid waren hebben verscheidenen dezer vriendinnetjes hem financiëel op royale wijze bijgestaan. In den zomer van 1861 biecht hij aan Tine op dat hij vier amourettes heeft: voor zijn werk heeft hij behoefte aan jongeren, die hem met groote gehechtheid en overgave aanhangen.Veel sympathie heeft hij gevonden bij de kinderen zijner overleden zuster. De vader en stiefmoeder maakten zich al spoedig ongerust overde enthousiaste vereering van de negentienjarige Sietske en haar broertje voor de revolutionnaire idealen van hun oom.In den cirkelgang van ’t eentonig meisjesleven met zijn kleine plichten en benepen vooruitzichten, viel Multatuli binnen als een meteoor. En op hem heeft de geestdrift van dit jonge meisje in de opwinding en toch betrekkelijke eenzaamheid van het hotelleven een groote bekoring uitgeoefend. Zelf klaagt de negentienjarige over haar lot in deze woorden: “Na ’t zien van zoo’n tuin voel ik eerst regt hoe prozaisch mijn dagelijks bleekveldje is... och, je begrijpt me wel! Maar bekommer je daarover niet, want bij al die gêne en bekrompenheid is er iets heerlijks: ik mag denken wat ik wil, ik mag droomen wat ik wil, ik mag hopen wat ik wil, dàt kunnen ze mij niet verwijten, dat kunnen ze mij niet ontnemen. Dáárin kan niemand mij dwingen!” en later getuigt ze:... “Brieven en ’t levende woord brachten me onder een begoocheling die me bezielde met een geloof, dat bergen verzetten kon.”Steeds enthousiaster schrijft hij aan Tine over dit nichtje: Siet is mijn oogappel, Siet inspireert me. Zij is de eenige persoon die ik gebruiken kan als hulp om te schrijven, met Siet kan ik driemaal meer voortbrengen dan alleen. Hoewel Tine reeds aan zijn “caprices” gewend was, en hoewel haar stelselmatig werd voorgehouden,dat zij boven een gewoon huwelijk verheven moest zijn, heeft deze verhouding tot Sietske haar erg gehinderd. En hij kwam in een moeilijk parket, toen ’t hoe langer hoe duidelijker werd, dat Tine niet dezelfde was als het beeld van de ideale, alles begrijpende en aanvaardende vrouw, dat hij in zijn brieven aan Ottilie, aan Sietske van haar had ontworpen. Zijn vriendinnetjes dwepen dan ook met Tine, verscheidenen hebben bij haar gelogeerd, en Sietske wil niets doen, dat Tine zou afkeuren. Hoewel vervuld van Sietske, toch blijft Tine de eerste: “Je weet heel goed dat ik dood ongelukkig zou wezen zonder jou, en je begrijpt heel goed het onderscheid tusschen eene caprice en de verhouding tusschen u en mij die oneindig inniger is,” schrijft hij haar als antwoord op een verdrietigen brief, waarin ze hem verwijt, dat Siet hoogstwaarschijnlijk meer waarde voor hem heeft dan zij. Dergelijke bezwaren vindt hij “klein en niet in harmonie met alles.” Op zijn aansporing gaat Sietske werken voor het examen voor onderwijzeres; zij moet zich ontwikkelen om hem van dienst te kunnen zijn.Sietske heeft zich door hare akten onafhankelijk gemaakt: ze heeft werk gevonden in Engeland, later in Indië. Als ze in Amsterdam is blijft ze haar oom helpen; hare vereering bekoelt, slaat om in antipathie, en dan is haar sympathie voor Tine, die haar geregeld had geschreven, toenze in Engeland was: Tine begreep hoe ze daar met vele gedachten alleen stond.Onder den indruk van de hartstochtelijke vereering van Sietske is in den zomer van 1861 zijn scheppingsdrang plotseling opgevlamd: in enkele weken schrijft hij deMinnebrieven. Evenals in de dagen, dat hijMax Havelaarschiep, geniet hij van zijn eigen schepping. Aan Tine schrijft hij: “Ik heb een stijl die ik zelf niet ken. Je zult zien, muziek en onweer. Ik maak mij tot den eersten schrijver van Europa.—Men erkent dat ik een omkeering maak in de literatuur. Ja, omkeeren is mijn métier!”DeMinnebrievenzijn in opzet en vorm ongelijk aanMax Havelaar, en evenzoo zullen ook deIdeënen deMillioenenstudiënweer een eigen vorm hebben. Ook in dit opzicht is Multatuli aan hetomkeerengeweest. Na al de geijkte genres geeft hij aan iedere uiting van zijn geest een nieuwen vorm;Max Havelaarwas een roman, waarin ’t romantisch verhalen met ’t satirisch schetsen en pathetische pleidooien voor recht met fellen hoon afwisselen.DeMinnebrievenbestaan uit een reeks brieven, parabelen, politieke stukken en beschouwingen, soms zeer persoonlijk, dan weer zeer objectief van karakter: geen zijner werken beantwoordt zoozeer aan Multatuli’s ideaal van methode, n.l. de afwezigheid van alle methodeals dit boekje. Ieder onderdeel is de zuivere uitdrukking zijner stemming geworden: deze wisselingen van stemming in zijn strijd om recht, om vrijheid, die meer en meer een strijd werd tegen alle vormen van gezag, waarin de levende geest ten doode toe bekneld was, spiegelen zich in vormenrhytme der minnebrieven af. De volle rijkdom van zijn geest en van zijn taalgenie is hier ontplooid in hooge ernst, bitter sarcasme en in zwevende, speelsche phantasieën. In dit schijnbaar onsamenhangende en grillige geschrift zit toch lijn, het is beheerscht door een gedachte: het vinden, verliezen en herwinnen van Fancy.De scherpe tegenstellingen tusschen ’t zachte en ’t bittere in zijn gemoed, zijn streven naar recht en zijn hoonen van alle gezag vinden in Fancy, in zijn dichterlijk schouwen hun hoogere eenheid en verzoening. Fancy geeft hem de kracht om de disharmonie in zijn innerlijk leven te overwinnen.DeMinnebrievenzijn geenminnebrieven, of liever, ’t zijn vergeestelijkte minnebrieven. De liefde voor Sietske, de briefwisseling met Sietske, de afkeer van haar stiefmoeder, zoowel als de liefde voor Tine en de kinderen en zijn Indisch streven vormen er den achtergrond van. Sietske is geïdealiseerd tot Fancy, maar Fancy doet zich in haar brieven aan Max voor als een gewoon meisje, dat voor haar examen leert,omdat hij anders te wolkerig schrijft, om begrepen te worden door meisjes, dienietin de wolken wonen. Daarom vraagt Fancy aan Max om haar iets teleeren. Max biecht zijne zonderlinge liefdesgeschiedenis aan Tine op en zij moedigt hem aan, want Fancy is ook de steun in haar zwaar en moeilijk leven. Geboren uit de bekoring door Sietske op hem uitgeoefend, is dit boekje toch een apotheose voor Tine geworden: Tine wordt boven Max door Fancy tot vertrouwde uitverkoren. En in de inleidende bladzijden blijkt het, dat Tine Max’ waarachtige Fancy is uit deze schoone passage: “Eenevrouwis niets. Niets bij de optelling van lasten, maar veel, oneindig veel, jaalles, zoodra er sprake is van hulp en steun! Ik zou volstrekt geen pleizier hebben in gebrek lijden, als ik m’n vrouw niet had...O, ge weet niet hoe ’n vrouw liefheeft... ge kunt niet begrijpen, met hoe groote woekerwinst zij den man de indrukken weergeeft, die hij neerschreef in haar ziel! Kunnen de vrouwen het helpen dat zoo vele mannen daarin niets wisten neer te schrijven? Kan men oogst verwachten, waar niet gezaaid is... baring, zonder bevruchting?” En als het lot den man neerbuigt door smart, dan toont de vrouw de oogst van haar huwelijk als ze zegt: “Waarom weent ge? Hebt ge mij niet een schat te bewaren gegeven? Zie, hoe ik gewoekerd hebmet het talent dat ge neerlaagt in mijn schoot. We zijn rijk, rijk in liefde, rijk in adel!Ikheb bewaard wat gij weggaaft!Ikheb gespaard en uitgezet met groote winst, wat door u werd verkwist!Ikben uwhuishoudstergeweest, ja, de huishoudster uwerziel!”Fancy is echter ook een verheerlijking van Sietske: maar Fancy is nog meer, ze is het beeld van Multatuli’s dichterlijke genius, ze is het droomwezen, dat hem bezielt. Zijn dichtergemoed ziet dan ook in meisjes, die hem enthousiast tegemoet komen, verschijningen van de eeuwige schoonheid, van de poëzie. Maar als de betoovering breekt, dan is weer een andere zijne Fancy, die hem inspireert: het is de telkens terugkeerende ontgoocheling van een dichterliefde. Maar naast die vluchtige Fancy-verschijningen heeft hij vasten steun voor zijn ziel gevonden in de trouw van Tine, die in hem gelooft, en die in hare groote liefde alles verdraagt. En Tine is in deMinnebrievengeïdealiseerd tot de vrouw, die alles begrijpt en meevoelt en goedkeurt, tot de vrouw, die Fancy smeekt haren Max te blijven steunen.Uit de werkelijke brieven vanD. D.aan Tine blijkt echter, dat zij zich over deze “caprice” ongerust maakt, nu hij haar onomwonden verklaard heeft, dat Sietske zijn Fancy is. Tot troost schrijft hij haar: “Zonder dat ik eraan dacht ben jij in deM. B.de hoofdpersoon geworden. Faber, de advocaat, merkte mij dat op (hij is heel fijn) hoe ik door de dichterlijke verheffing van Fancy, ù in de hoogte stak. (Dat is geheel natuur geweest en ik heb de waarheid gezegd als een kind of dronken man.) Weet je hoe dat blijkt? Fancy is met u eigen, intiem, identiek. Zij (de wil, de kracht, de energie, de fantasie) zij is met u vertrouwelijk en mij fopt zij. Voor u is zij bondgenoot, voor mij meesteres. U zegt zij de waarheid, met mij speelt ze.” Maar ’t is het tragische lot van de vrouw van den dichter geweest, dat Fancy zich telkens voor hem openbaarde in andere, jonge vrouwen, terwijlzijvoor hem de blijvende Fancy was... op den achtergrond. Deze tweeledigheid in zijn liefdeleven tracht hij telkens haar te doen begrijpen, maar ze kàn er niet in meeleven, ze kan het hoogstens uit groote liefde... dulden.De humor en de geestigheid der Minnebrieven hebben een tragischen ondergrond. Ook in dit opzicht vinden we een scherpe tegenstelling in de motieven.Tot grappige misverstanden geeft Fancy’s dubbelzijdig wezen aanleiding. Ze is een huishouderig meisje èn tevens ’t wezen van poëzie en schoonheid, aan wie Max vraagt: “Wie zijt gij eigenlijk? Hoe heet gij? Waar woont ge? Moet ik u zoeken in de wolken of in de strateneener stad? Moet ik vragen aan de schildwachten die de poort bewaken: hebt gij gezien wat mijne ziel liefheeft? Moet ik ’n tooverspreuk uitvinden, om u te doen nederdalen van omhoog? Om u op te zweren uit de diepte? Woont ge op ’n ster die stof is? Draait en slingert uwe woning als de mijne, die onder heeft noch boven? Kunt gij de zon zien, Fancy? Of, Fancy,zijtgij de zon? Zijt gij ’t middelpunt der aarde, dat alles aantrekt... Maar, Fancy, dan is elke regendrup een boodschap aan u! Dan is elke bliksemstraal die wegschiet in den grond, een minnebrief aan u! Ja, ja, ik zal dezen brief neerwerpen op de straten, en de voorbijganger zal meenen dat er onderschepping mogelijk is, door ’n koperstuk te geven voor de bladzij... maar hij zal zich vergissen... de bliksem zal ’t niet toelaten... Schrijf mij of hij terecht is gekomen? En zend mij ’n lok uwer haren, Fancy... wanneer ge haren hebt als anderen... wat ik niet hoop!” En dan komt het grappig contrasteerende antwoord van Fancy: “Ja, haren heb ik wel, maar ik woon... neen, ik woon niet. M’n ouders wonen, en ik ben bij hen. Doe in ’t vervolg een postzegel op uw brieven. Ik ben somwijlen schraal bij kas, en ge begrijpt dat er op onze begrooting geen gelden worden toegestaan voor port aan minnebrieven.” En ze klaagt over haar huishoudelijke plichten, hetrekken van lakens, die lang genoeg zijn, het maken van anti-makassars, tegen haarolie, die ze niet gebruiken. En Max antwoordt verdrietig dat hij met haar huishouderij niet wil concurreeren. Tine dringt hem om Fancy vergeving te vragen, want zonder Fancy kan hij niet leven. En weer schrijft Fancy hem: zeiseen meisje, maar ze wil de zijne zijn... geheel-en-al, ze zal hem aanhangen en hem doen overwinnen. “Maar vergeef mij intusschen, dat ik maar een meisje ben, en leer mij een en ander, als het waar is tenminste dat ge meer weet dan ik. Ik weet zeer weinig, en dit is natuurlijk... door al die beddelakens. Is het waar dat kousenweven is uitgevonden door de liefde? Hebt ge mij niet genoeg lief om ’n machine uit-te-denken diehuishoudt? Ach, m’n moeder is dood! Er is geen poëzie in ons huis, alles is dor en droog en fatsoenlijk en vervelend. Ik ben geestig maar kan hier niets uitvoeren met m’n geest. En m’n hart is overkompleet.”Als Max haar iets zal leeren, begint hij haar de fout aan te wijzen, die aan de gangbare wereldbeschouwing ten grondslag ligt: in “een kort begrip van de leer der zaligheid” laat hij een scherp licht vallen op al de ongerijmdheden in de leer van schepping, zondeval en verlossing.Maar wie wil leeren, moetzelf leeren begrijpen: de grond van alle misstanden steekt hierin, datgezagentraditieheerschen in den staat, in desamenleving, in den godsdienst, inplaats van redelijkheid.Dat licht hij toe in een negental Geschiedenissen van Gezag: en dit Gezag berust op kracht, list, bedrog, onwetendheid, geloof. Dit zijn de bronnen van ’t gezag van vorsten, opvoeders en ouders, van priesters, van de publieke opinie en van den man over de vrouw. Overal waar de redelijkheid, de gerechtigheid, de liefde uit menschelijke verhoudingen verdwijnt, daar treedt onrechtmatig gezag in de plaats. De verleugening van ’t maatschappelijk en geestelijk leven zal Multatuli ontmaskeren, door alle geüsurpeerd gezag te ondermijnen. In de eerste plaats tast hij conventioneele deugd en Godsdienst aan. En als Fancy dit troosteloos vindt wijst Max haar opgezagdoorliefde, opwelvaartdoorrechtvaardigheid, opgelukdoordeugd:mensch zijndat is alles!Maar Max blijft twijfelen aan Fancy’s meisjesschap: en hij vraagt Tine, wie ze is, en Tine kent haar ook, al jarenlang. “Zij heeft mijn leven heerlijk schoon gemaakt en ik wijt de schrale voeding onzer kinderen niet aan haar, zooals gij meermalen deedt in buien van onrechtvaardigheid.” En Fancy geeft aan de kinderen dichterlijke gedachtetjes en ze leert ze ook jokkentjes, en ze fluistert hun moeder het juiste woord in, om hun hartjes te treffen, als ze uit speelschheid een ander leed berokkenden. MaarFancy beknort Tine, omdat ze haar heeft verklapt aan Max: “Lààt hem zoo dom als-i is. ’t Is maar eenman, hij die altijd roept: Ze is maar ’nmeisje!” En dan schrijft Fancy deze woorden aan Tine: “Ik zal u blijven steunen in uw moeilijke taak, edele moedige verhevene vrouw... trouwe dappere echtgenoot... sterke moeder... heldin! Ik zal blijven bij u, naast u, in u! Ik zal u begeleiden tot de laatste ure, en die ure zal ik u zoet maken door ’t vóórhouden eener schilderij van uw rein leven, dat het u zij als ’n spiegel van gelukkiger toekomst! Want ik zegge u hier, wat ik nooit zeide tothem, U zeg ik dat gij onsterfelijk zijt!”Het huis van de firma R. C. MEIJER, uitgeefster van de eerste Ideën-bundels, op het Damrak te Amsterdam.Het huis van de firma R. C. MEIJER, uitgeefster van de eerste Ideën-bundels, op het Damrak te Amsterdam.(Geheel links op de photo).PORTRET VAN MULTATULI,PORTRET VAN MULTATULI,in het prospectus “Aan de Lezers mijner Ideën” aangeboden, met eigenhandig citaat uit de “Minnebrieven” 1865.Op Fancy’s noodkreet, dat ze om de ontvangen minnebrieven gedreigd wordt met ’t verbeterhuis volgt een reeks brieven van nijdige vaders, stiefmoeders, dominee’s, kappellieden en ooms, die allen even verbolgen zijn over Max’ verdorvenheid. Door de aanvallen en de laster van publiek, de armoede van zijn gezin en den tegenspoed met zijn Indische plannen komt hij onder den druk der ellende, waardoor hij de voeling met Fancy verliest. Zijn brieven aan Tine worden zakelijk en als hij zich boven de sfeer van het proza verheft, wordt hij cynisch. Hij zendt haar zijn brief aan den gouverneur-generaal, allerlei gegevens ten bewijze dat de Javaan wordt mishandeld, en een brief aan de kiezers te Tiel, waarin hij het stichten van een derde partijaanbeveelt, die de meening zou voorstaan, “dat men den Javaan niet moet mishandelen.”. Ondanks Tine’s noodkreten blijft Fancy zich schuilhouden. Max blijft moedeloos: voor publiek kan hij niet schrijven, maar wel voor Tine. Voor haar dicht hij drie bitter cynische sprookjes: evenzoovele aanklachten, dat het publiek den schrijver vanMax Havelaarnietwilbegrijpen, hem hoogstens prijst om zijn mooien stijl: in de eerste parabel biedt een impresario aan de moeder, die zoo mooigildetoen ze haar kind in ’t water nasprong om het te redden, een engagement aan bij ’t theater; in de tweede parabel wordt Chresos, die de beroovers van zijn dorp aanklaagde, veroordeeld door den magistraat die met de roovers heult; en in deKruissprokebereikt de verbittering zijn hoogtepunt. De tragedie van Christus’ dood is een feest geweest voor de Joden te Jerusalem, een feest voor kinderen, die kruismannetje speelden, nog wekenlang, een feest voor volwassenen belust op sensatie. Het lijden van den man, die wèl deed, is een schouwspel, een amusement voor ’t domme publiek, dat van zijn streven geen flauw besef heeft. Maar tot dit domme publiek hooren niet alleen de Joden uit Christus’ dagen, Multatuli roept er ook de mannen van handel en beurs en industrie, burgers en theologen bij: ook voor hen is de kruistragedie slechts een vermaak, een schouwspel; immers Christuswoordenpraten zij na, zonder er naar tehandelen.De verbittering over de miskenning der zuiverste en hoogste bedoelingen verjaagt Fancy uit zijn gemoed, zoodat hij verzinkt in het proza der politieke propaganda. Maar dit kan hij niet verdragen, hij wordt ziek en in ijlende koorts schrijft hij een brief aan Tine, waarin alle motieven der Minnebrieven rhapsodisch verward terugkeeren, maarindie dooreenhaspeling zit toch zin: “Ben je de moeder of de vrouw? Waar zijn de kinderen? Zijn de kleertjes al verkocht? Hu, huup... waar is je tulband? Zingt, kinderen, zingt, uw vader draagt het kruis! Dag Schmoel... dag Nathan... dag Judas! Heb je Fancy gezien? Mee, mee, allen mee... Jochébed, (in de Kruissproke tilde zij haar kind omhoog, om het goed te laten genieten) wil je dien gouverneur-generaal wat omhoog houden? Zwaar is hij niet! Geef hem ’n buffel... één, hoort ge?” Max’ herstel beteekent Fancy’s terugkeer: hij herinnert zich de keeren, dat hij Fancy in zijn leven ontmoet heeft: Fancy’s goedkeuring lichtte hem toe uit de oogen van een voorbijgangster, toen hij als kind een goede daad verrichtte, hij vond haar terug in het jonge meisje, dat hem om voorlichting vroeg, in de oogen van een werkman, die langs zijn venster klom. En hij heeft nu van haar de zekerheid, dat zij hem zal geven“den wil, later de kracht, in ’t eind de overwinning.”In de maanden van inspiratie en van succes verwacht hij niet alleen herstel van carrière, maar ook een volksbeweging, die hèm aan ’t hoofd van ’t koloniale bestuur zal plaatsen: hij droomt met Sietske van het keizerschap van Insulinde en Sietske beleefde in hare verbeelding al de kroning te Buitenzorg. In deze stemming slaat hij den raad van een goed vriend in den wind, om zijn eischen niet te hoog te stellen: door de openbare sympathie zal het bestaan van zijn gezin nooit verzekerd zijn en nu hoofd en richting van ’t koloniaal bewind van richting veranderd zijn, zou ieder ’t in hem prijzen, zoo hij weer in dienst trad. Zijn droomen van macht en hervorming hadden hem echter zoo in beslag genomen, dat hij dezen practischen raad niet meer kon opvolgen.Het succes van deMinnebrievenwas lang zoo groot niet als dat van zijn eerste boek: dat leek nog op een roman, maar de kritiek wist met deMinnebrievengeen raad: enkele bladen prijzen de “verhaaltjes”, vele zwijgen.De hoop om op Indische zaken invloed te oefenen geeft hem in datzelfde jaar een brochureOver vrijen arbeid in Nederlandsch-Indiëin de pen. Hij hoopt op den val van het ministerie enop de benoeming van Rochussen, zijn beschermer, tot minister van koloniën; deze hoop is verijdeld. Zeer helder zet hij uiteen, dat vrije arbeid van inlanders moet leiden tot teugellooze exploitatie door industrieelen. En dat deze veel meedoogenloozer zal zijn dan de knevelarijen onder het Cultuurstelsel. Beide stelsels verduidelijkt hij door een teekenend beeld: Deteugeldoor den gouverneur-generaal vastgehouden, die onderverdeeld is in lijnen en koorden, die ten laatste elk individu bereiken en in toom houden, is het beeld van hetgezag. “Verander al die lijnen inbuizen, zet de twaalf-millioen dunne, twintigmaal onderverdeelde bij-buisjes op de borst van twaalf-millioen Javanen, breng ’n zuiger, ’n Hinken stoomzuiger aan op de hoofdbuis, en daarna...Pomp,pomp,pomp, zeg ik u.Pompvoor den duivel... en voor Nederland.—Dat is ’t kultuurstelsel. Geef elken avonturier toegang tot de machine, tot de hoofdbuis, tot de onderbuis, tot de kleine nevenbuisjes... Vergun hem z’n eigen buizen, de buizen van de WelEdele Heeren Droogstoppel en Consorten, te plaatsen op de borst van twaalf millioen Javanen...Laat hem boren dóór die borst, tot hij ’t hart raakt... En dan... ja, dan...Pomp...pomp...pomp... voor den duivel... en voor devrije arbeiders...”Niet in het stelsel zit de fout, maar in baatzuchtige toepassing. Het liberale denkbeeld vanvrije arbeid past niet in het inlandsch gezagsysteem: het zal geen vrijwilligheid van den arbeid scheppen of waarborgen. Nadrukkelijk waarschuwt Dekker zijn landgenooten, dat Indië voor Nederland verloren zal gaan, “als Nederland niet zorgt, dat den Javaan recht wordt gedaan”.HET TWEEDE HUWELIJKMeer en meer gaat Multatuli inzien, dat Indië alleen gered kan worden, door Nederland te redden van den leugen. Hij roept, wie nog niet heelemaal zijn verleugend, op tot den strijd, tot het streven naar waarheid. Indië geraakt eenigszins op den achtergrond en “de naam Insulinde representeert voortaan (zijn) algemeen streven, als Nasareth het Christus-idee.”In het politieke en het maatschappelijke leven, in zeden, opvoeding en godsdienst zal hij den leugen aantoonen. Hij trekt te velde tegen Droogstoppelarij in alle beteekenissen: d. i. “tegen al wat op zedelijk, maatschappelijk en staatkundig gebied klein, gemeen, bekrompen of benauwd is.” (I. 403.)Zijn levensomstandigheden blijven even onzeker; feitelijk heeft hij vanaf 1860 van zijn pen geleefd, later ook van ’t geven van voordrachten, maar eerst tegen 1870 laat hij alle hoop op herstel zijner carrière varen en neemt ’t besluit schrijver te worden. Verscheiden geestverwanten steunen hem met grooter of kleinerbedragen. Maar ’t is een bodemlooze put: het impulsief “weldoen” kan hij nooit laten, als hij geld op zak heeft; zijn verblijf in hotels kost schatten, en met de uiterste zuinigheid kan Tine niet uit de schulden blijven. Zijn hoop is eerst gevestigd geweest op een nationale inschrijving ten bate van Max Havelaar, op pogingen om hem over zijn 17 dienstjaren pensioen te verleenen, maar er gebeurt niets. Als zijnIdeënopgang maken biedt hij zijn portret in 500 exemplaren voor ƒ 10 of ƒ 50 (met autograaph) te koop aan, om met die som ter verwerkelijking zijner plannen een tijdschrift op te richten: de geestverwanten laten hem in den steek.Af en toe blijft hij enkele weken, een enkelen keer langer tijd bij zijn gezin in Brussel. In den zomer van 1864 schieten een paar leden van de “Dageraad”, voor wie hij soms optrad, belangeloos eenige kamertjes voor hem af op den zolder van zijn uitgever. Daar woont hij anderhalf jaar, tot hij naar Duitschland vlucht, omdat hij tot boete en gevangenisstraf veroordeeld was: hij had n.l. een schouwburgbezoeker, die een actrice in tegenwoordigheid van haar kind bespotte, een oorvijg toegediend! Als Tine hare wissels onmogelijk kan voldoen, vlucht ze naar Amsterdam, naar de verlaten zolderkamertjes van haar man en in een restaurant in de buurt bezorgde Dekker zijn vrouw en kind het middagmaal op crediet.In 1862 was hij begonnen aan de uitgave zijnerIdeën; naar aanleiding hiervan kwam hij in briefwisseling met Mimi Hamminck Schepel, een zeer begaafd meisje uit een deftige, behoudende, Haagsche familie.MinnebrievenenIdeënwerden er niet geduld: van een vriendin kreeg ze deze boeken te leen. Ze werd meegesleept en bezield door Multatuli’s strijd voor waarheid en recht: de troosteloosheid van de geschiedenissen van gezag, het tragische van het martelaarschap grepen haar aan, maar haar jeugdige geestdrift zette het leed om ’t onrecht om in bezielden moed. Haar begrijpend en meelevend enthousiasme zijn voor den verkondiger der Ideën, een heerlijken troost en steun geweest in zijn moeilijk leven. Heel spoedig groeit deze vriendschap, uit geestverwantschap geboren, tot liefde: inniger en bestendiger is deze liefde geworden, dan die voor Sietske en anderen. En Mimi heeft een zwaren, moeilijken strijd te voeren gehad tusschen haar tot liefde ontbloeide vereering voor Multatuli en haar plicht en liefde jegens hare ouders. Deze kúnnen zich in de romantische liefdesopvattingen niet indenken, nog minder invoelen.D. D.stelt Tine steeds voor als de alles begrijpende, meevoelende vrouw; hij spoort Mimi aan hare liefde aan zijn vrouw te bekennen. En om haar man tegen praatjes, als zou zij een ongelukkige, verlaten vrouw zijn, te verdedigen, reist zij methaar kinderen naar Den Haag om Mimi’s ouders gerust te stellen; ’t is haar gelukt, schrijft ze aan een vriendin, die familie het nobele karakter vanD. D.te doen begrijpen, en ze ervan te overtuigen, dat het hooge enthousiasme van hun dochter wèl geplaatst was. Ze voelt zich gelukkig anderen gelukkig te hebben kunnen maken en zelf was ze beloond, doordat haar man over haar tevreden was. Na den dood harer moeder gaat Mimi naar ’t buitenland, later is ze onderwijzeres aan de Arnhemsche kweekschool; ter wille van haren vader mijdt zeD. D.Maar als deze armer en verlatener dan ooit in Duitschland rondzwerft gaat ze naar hem toe, om tot het einde toe met en voor hem te leven. En terwijl Mimi zijn tweede vrouw is, blijft hij naar Tine en de kinderen verlangen: en dat is geen “literatuur”, in zijn romantische liefdesverhoudingen is hij oprecht, ja hij suggereert zich zelfs, dat ook Tine hierin met hem meevoelt. Dit nu is het tragische, dat Tine wel gepoogd heeft hem te waarschuwen, maar ten slotte nooit krachtighareopvatting heeft gesteld tegenover de zijne: ze wilde den prikkelbaren man sparen, ze wil als vrouw van een genie alles offeren; ze weet zich als weinig vrouwen bemind, en ze verwijt zich soms, dat ze zich niet genoeg verheffen kan tot zijn hoogheid van ziel. Toen hij altijd bij haar was kon ze alle moeilijkheden dragen, maar in hare eenzaamheidovermant haar de melancholie. Haar grooten troost vindt ze in de kinderen en in hare vriendschap voor Stéphanie, die ze als jong meisje te Brussel leerde kennen. Stéphanie was in den vollen zin des woords Tine’s Fancy!Maar de romantische liefdesverhoudingen keurt ze af, ze kan er zich niet mee vereenigen. Als ze weet dat Mimi bij haar man is, neemt ze het besluit te trachten voor zich en de kinderen te zorgen: ze vraagt hulp aan vrienden om naar Indië te gaan.De pogingen van Van Vloten e.a. om haar aan een vast inkomen te helpen, mislukken. Dan komt de uitnoodiging van Stéphanie, die met professor Omboni gehuwd is, om in Italië te komen, als een uitredding. Door eigen arbeid als gezelschapsdame, later als onderwijzeres, heeft Tine met hulp van vrienden voor zich zelve en de kinderen gezorgd.D. D.doet ook wat hij kan en eindelijk, in 1869, is er hoop op hereeniging van het gezin. Door een erfenis is Mimi in staat in Den Haag een huis in te richten: en daar neemt het gezin met Mimi hun intrek. Door journalistieken arbeid wasD. D.van een bescheiden vast inkomen verzekerd.Uit Tine’s brieven aan Stéphanie blijkt het, dat dit jaar in Den Haag haar alle illusies heeft benomen: de kinderen blijken van hun vader vervreemd, die toch zoo veel van ze houdt. Ze is niet op haar gemak: “waar alles onnatuurlijkis, ben ik niet mezelf”, de verhoudingen zijn allerverwardst en pijnlijk voor haar, want haar hart veroudert niet. Ze bekent aan hare vriendin, dat ze Italië niet had moeten verlaten. AlsD. D.met Mimi voor eenige weken naar Duitschland is gegaan, reist ze met de kinderen naar Milaan. Haar kinderen ontwikkelen zich voorspoedig, haar zoon krijgt een betrekking in Venetië, waar ze bij hem woont: en hier is ze, verzwakt door al het leed en de ontbering, in 1874 gestorven.Onder de definitieve scheiding van Tine en zijn kinderen heeftD. D.blijvend geleden. Doordat hij zijn ideaal van vrije liefde werkelijk heeft uitgeleefd, heeft hij groot leed gebracht over de vrouw, van wie hij is blijven houden zelf heeft hij de kinderen er door verloren. En de tweede vrouw, Mimi, heeft ten slotte ook geleden onder zijn telkens opvlammende nieuwe neigingen. Wat Tine voor hem is geweest in de Indische huwelijksjaren: de vrouw, die zijn materieele bestaan verzorgt en daardoor ook evenwicht brengt in zijn innerlijk leven, maar die in de eerste plaats met hem opgaat in zijn geestelijke roeping,—dat is Mimi voor hem geweest in zijn laatste twintig levensjaren.Het ligt in den aard der omstandigheden, dat bij een vrij huwelijk de vrouw den meesten moed toont: zijbreektmet maatschappelijke opvattingen, die haar veel sterker bonden danden man. En ze deed het, niet in een eerste vlaag van dwepende vereering, maar na jarenlange gedachtenwisseling en aanvankelijke weifeling. Maar toen eens haar besluit genomen was om ondanks wet en conventie de uitspraak van haar hart te volgen heeft zij trouw en standvastig haar liefdestaak vervuld. “Ik vind uw leven het ideaal van een vrouwenleven,” schrijft haar eens een onzer eerste “geëmancipeerde” vrouwen! Zij weet in zijn rusteloos bohêmeleven weer eenige rust en huiselijkheid te brengen: logementen, waar hij anders maanden kon blijven hangen, heeten nu de pest in zijn brieven en hij eet voor weinig geld eigenlijk beter dan in een logement: op spiritus kookt Mimi hun potje! Met vertalen en journalistiek werk tracht ze ook wat te verdienen. En dat sobere, werkzame leven wordt overstraald door een geluk, dat ze aldus heeft beschreven: “Ja, we waren zeer arm in Coblenz; maar in weerwil van die armoede is de indruk die mij uit dien tijd is overgebleven een indruk van rijkdom en heerlijkheid. We woonden er in één kamer in de Rheinstrasse boven een banketbakker, Werner. De kamer was vriendelijk en zindelijk maar uiterst eenvoudig ingericht. We hadden haar gehuurd voor zes thaler ’s maands. Maar op dat kanapétje aan die wrakke tafel zat hij...Multatuli. Zijn positie was ellendig, maar dat kon niet zoo blijven. Als hij zeide: Jou althanskan niemand mij afnemen! dan was ik voldaan. Ik ook had zorg en smart, maar de grootte van zijn leed hield mij staande en maakte mij moedig. Er was iets groots in alles. We hadden ongelukken gehad en zaten daar als schipbreukelingen op een rots. Onze eenzaamheid, de schoonheid der natuur, de groote geschiedenis die wij zagen afspelen als een boeiend drama, ’t was alles aangrijpend. En dan met hem! Als uit een eeuwig frissche fontein zoo welden zijn opmerkingen, beschouwingen, boutades uit zijn hoofd, uit zijn hart. Zij kleurden en verlevendigden voor mij de gebeurtenissen die reeds uit zich zelf zoo merkwaardig en ook in de zijdelingsche lichten waarin wij ze zagen zoo pikant en bijzonder waren.” (Brieven VII, 103–104).Een jaar na Tine’s overlijden is het tweede huwelijk gesloten: een bewuste concessie aan het verachte publiek, en een verstandige daad ter wille van de twintig jaar jongere tweede vrouw, die al bijna een tiental jaren zijn leven gedeeld had. Zelf noemt hij het “een verdrietige noodzakelijkheid, omdat we niet onafhankelijk zijn van de wereld.”Al heeftD. D.de laatste 20 jaar van zijn leven in Duitschland geleefd, toch bleef hij in geregeld contact met Holland. Een enkele maal tracht hij invloed uit te oefenen op de politiek; in 1867 “weert (hij) zich als een oud konijn”om het ministerie te laten vallen, maar in hoofdzaak tracht hij invloed te oefenen op den geest van zijn volk. Verschillende vrienden zijn hem bijgevallen. Vosmaer is vol bewondering en sympathie, met Van Vloten (die hem later bitter zal grieven met zijn “Onkruid onder de tarwe”, een scherpe kritiek opD. D.als mensch en schrijver), Busken Huet, Tiele, den Vlaming De Geyter, met Mina Krüseman e. a. is hij in schriftelijk verkeer.Tusschen 1866–1869 bezorgde Huet hem een vast medewerkerschap aan deOpregte Haarlemmer Courant: hij moest geregeld “kleurlooze” berichten geven. Om eigen beschouwingen toch te kunnen plaatsen, gaf hij deze als citaten uit een door hem gefingeerd blad deMainzer Beobachter. Toen dit den uitgever ter oore kwam, hield zijn medewerking op. In verschillende bladen heeft hij bijdragen en feuilletons gegeven; zoo verschenenDe Japansche gesprekken,De Millioenenstudiën: maar de lezers ergerden zich of begrepen het niet, zoodat de redacties voortzetting niet aandurfden.De vriendschappelijke relatie sedert 1871 met den uitgever Funke is zoowel aan zijn werk als aan zijn financiën ten goede gekomen. Wel was d’Ablaing, de eerste uitgever van de twee eerste bundelsIdeëneen vriend en geestverwant, maar hij konD. D.financieel niet genoeg steunen, omdat hij zelf herhaaldelijk krap zat; zoo moest hijop honorarium wachten, of kon geen voorschot krijgen, dat onmisbaar was, om aan ’t werk te kunnen komen. De verstandhouding met d’Ablaing, die zoowel voor den schrijver als voor zichzelf voordeel beoogde uit diensIdeën, leed hieronder: ’t liep uit op wederzijdsche beschuldigingen en verwijdering.Funke daarentegen verlichtte door voorschotten en ruime honoraria de geldzorgen, en verschafteD. D.“loisir” om te schrijven. Hij waardeerde hem niet alleen als schrijver, maar wist ook zijn eigenaardigheden te eerbiedigen. Zoo verschenen tusschen 1871 en 1877 herdrukken met aanteekeningen van de twee eerste bundelsIdeën, die in 1862 en 1864 waren verschenen. Tusschen 1870 en 1873 kwamen daar nog bundel III–VI bij; bundel VII werd onderbroken door de zenuwspanning na Tine’s overlijden en kwam eerst drie jaar later gereed.D. D.bleef in Duitschland wonen; eerst te Wiesbaden, na 1880 te Nieder-Ingelheim waar de vader van hun pleegkindWouterze in staat stelde een huisje te koopen. Hier sleet hij zijne laatste, nu zoo rustige levensjaren en overleed er den 19denFebruari 1887. Ook door de bemoeiingen van de aanbieders van hetHuldeblijkwaren de financiëele zorgen verlicht. Een som van ƒ 20.000 werd bijeengebracht en daarvoor werden lijfrenten voorD. D.en zijn vrouw gekocht. Ook dit bewijs van Hollandsche waardeeringheeft den grooten man bitter gestemd bij alle dankbaarheid aan warme vrienden. “Het is die armzalige taxatie die me grieft.—Ik ben wel voor een millioen uitgescholden aan den eenen kant en voor even zoo veel in de hoogte gestoken aan den anderen kant. Vrome tijdschriften verklaren dat ik God onttroond heb.—Ik heb nu ’t zelfde inkomen als toen ik 43 jaar geleden als negentienjarig jongetje klerk bij de algemeene Rekenkamer te Batavia was.—We weten nu wat toejuiching, opgang en Godonttroonenin Hollandwaard is!” (Brieven X. 192–193).TER VERSPREIDING.AAN DE LEZERS MIJNER IDEËN.Weldra zal de Zegelwet worden afgeschaft. Ik wenste daarvan gebruik te maken, om, door het uitgeven van een Dagblad, meer algemeen ingang te verschaffen aan de denkbeelden welke, naar ik hoop, iets zullen bijdragen tot genezing van ’t “Contagium dat er heerst in onzen staat.”Ik beroep mij hieromtrent op wat ik schreef, en aantoonde, in denHavelaar, in de Minnebrieven, in denVrij-Arbeid, in de Ideën.Om een Dagblad optezetten, heb ik geld nodig, en wel een aanzienlijke som. Het zou mij onmogelijk zijn, in een dagelijkse Courant te verdedigen wat ik voor waarheid houd, zonder zekere maat van onafhankelijkheid, en die onafhankelijkheid gaat verloren, als het finantiëel gedeelte van zodanige onderneming in handen is van geldschieters.Zulke afhankelijkheid is een der hoofdoorzaken waardoor onze Couranten zijn... zo-als ze zijn.Dagelijks ontvang ik brieven van belangstellende personen, die mij vragen op welke wijze men mij blijken geven kan, hetzij van sympathie mot mijn moeielijk verleden, hetzij van belangstelling in mijn persoon en tegenwoordigen arbeid, hetzij van deelneming in mijn streven voor de toekomst.Ziet-hier nu een antwoord op die vragen. Ik heb mijn portret laten vervaardigen, en verzoek U dat te kopen tegen hogen prijs. De som die ik zal nodig hebben om te geraken tot betrekkelijke onafhankelijkheid, is groot; vooral daar ik sedert jaren gebukt ga onder allerlei moeielijkheden, die niet kunnen worden weggenomen door mijn aandeel in de opbrengst der Ideën, al is dan ook,voor Holland, de opgang van mijn geschrijf buitengewoon.Ik zal elk Exemplaar mijner portretten tekenen met een spreuk of ’n gezegde uit mijn werken; wie dus ongaarne een te hogen prijs betaalt voor mijn afbeeldsel, betale die voor mijn autograaf Of liever, men beschouwe z’n uitgaaf ala een bijdrage tot de betrekkelijke onafhankelijkheid, waartoe ik langs dezen weg geraken wil.Wie, om een der genoemde redenen, een portret van mij verlangt, wordt uitgenodigd, in postwissel of aangetekenden brief,tienofvijftigGulden te zenden aan mijnen Uitgever, de firma B. C. MEIJER,Kalverstraat246,Amsterdam.VoortienGulden zal eenSTEENDRUK-EXEMPLAARworden gezonden; voorvijftig, eenPHOTOGRAFIE, beiden goed uitgevoerd, (doorMitkiewiczte Brussel.)Ik voel mij verpligt hier uitdrukkelijk te verklaren, dat ik mij niet kan verbinden tot het uitvoeren van mijn plan, als ik daartoe niet word in staat gesteld door vrij algeméne deelname. Zonder volkomen onafhankelijkheid—en wat rust!—kan ik geen Courant uitgeven. De welwillende bestellers van mijn portret zouden in dat geval bun uitgaaf moeten beschouwen als een blijk van sympathie voor mijn persoon, of van enige ingenomenheid met mijn werk.En—in verband met ontstentenis van behoorlijke wetten tegen namaak—ik verzoek ieder geen portretten van mij te kopen waarop mijn handschrift niet staat.Duur?... Och, aan niemand kan deze zaak zo-veel kosten, als zemijkost!MULTATULI.Aan deFirmaR. C. MEIJER.Amsterdam.Mijnheer: Ik verzoek U mij te doen geworden:EenSteendruk-Exemplaar/Photografie-Exemplaarvan het Portret vanMULTATULI.waarvoor hierin geslotenTien/VijftigGulden.Handteekening:Naam:Woonplaats:(Wordt verzocht het niet begeerde, of niet gezondene, door te halen, en Naam en Woonplaats duidelijk te schrijven).Prospectus voor den verkoop van MULTATULI’S portret, waardoor hij de middelen hoopte te vinden om een Dagblad te kunnen oprichten, 1865.

DE MINNEBRIEVEN.Door de drukte en opwinding over zijn zaak is hij zelden in de stemming om te schrijven. Op aandrang van redacties en uitgevers geeft hij enkele stukjes in deTijdspiegel; zijneIndrukken van den dagverschijnen bij Thieme; op aandringen zijner politieke vrienden schrijft hij enkele krantenartikels en een Rotterdamsch uitgever weet hem te bewegen een stuk te schrijven ten bate van de slachtoffers van een banjir. In deze bladzijden, getiteld: “Wijs mij de plaats, waar ik gezaaid heb” tracht hij met statistische tabellen den Hollanders aan het verstand te brengen, welk groot belang zij bij Indië hebben; maar vooral wil hij de Hollandsche harten tot ontferming bewegen door een ontroerend beeld van het lijden van den inlander. EvenalsSaïdjah’sgeschiedenis is ook de inlandsche idylle van ’t feest ter eere van ’n gedooden tijger, die door den banjir zoo wreed werd verstoord, sentimenteel. Al die feestvierenden hebben hun eigen vreugdevolle verwachtingen, en die spreken ze uit in de korte zinrijke regelsvan hun dichtspel: ’t verlangen van de vrouw naar haar eerstgeborene, en dat van de bruid, de trots van den man op zijn klewang, op zijn snelrijdend paard; maar “sterker is de kracht van den stroom,” riep een oud man die veel banjirs beleefd had. En dan komt de banjir en alle geluk, alle verwachting wordt weggevaagd en die hoopvolle menschen worden dan geschetst als lijken, lijken die dreigen met de pest, zegt de krant. ”’t Zijn de lijken vanmensen!” roept Multatuli.Zy voelden, hoopten, vreesden, als wy. Ze hadden aanspraak op levensgeluk als wy...Lezer, Nederlander, het warenmensen, die Javanen!En de overblyvende, die treurig staart op de verwoeste landstreek, en vruchteloos rondschouwt naar de plaats waar hy gezaaid heeft, is ’nmens!En waar hy het lyk zoekt van z’n kind, krimpt hem het hart ineen, zoowel door de vreeze van niet te vinden wat hy zocht, als uit angst dat hy ’t vinden zal. En waar hy slaagt in z’n droevig nasporen, snydt hem de wanhoop door de ziel, zooals dat wezen zou byUzelf, lezers! wanneergy’t lyk vond van uw kind, van uw bruid, van uwe moeder...Die Javaan, is ’nmens, lezer!”Een beroep op ’t menschelijk medegevoel isdeze idylle, maar in de vrees, dat dit niet verstaan zou worden, besluit hij met een beroep op het welbegrepenbelangvan den Hollander bij een dankbare gezindheid van den inlander.“De lyken daarginder zullen worden weggenomen. De lieve ryke natuur zal met haar groen kleed alles bedekken wat bloot lag, alles versieren wat verstoord werd. Gouden halmen zullen vredig ruischen op de graven der gestorvenen. Na jaren zullen de meisjes in de dorpen byeenzitten, en gretig luisteren naar de verhalen over denbanjir. De ouden van dagen zullen de ellende schetsen die ze bywoonden of vernamen van hun ouders...Is ’t u onverschillig, Nederlanders, Christenen, beschavers, hoe het slot zal luiden van die verhalen?Uw kleinkinderen zullen die mede aanhooren. Want de toekomst uwer kleinkinderen is in Indië. Is ’t u onverschillig hoe zy zullen hooren spreken over hun voorvaderen? Is het u om ’t even hoegyzult genoemd worden in depantoensvan het nageslacht? Wilt ge dat er op den aanhef:Hard is de rots die er staat aan den ingang van het dorp, een weerslag volge als deze:Harder is ’t gemoed van den blanken broeder aan de overzyde der zee?Wilt ge dat?Of wilt ge dat de oude dorpspriester z’n hand zal leggen op het hoofd van uw kind, en tot hem zeggen:Kom tot ons... zet u neder aan ons maal en neem uw deel van wat we hebben... want ik heb uw vaderen gekend!En ten slotte, gy die zegt te weten dat er ’n onsterfelykheid is, en ’n oordeel... gy die predikt dat dit leven ’n tyd is van arbeid om te geraken tot hooger staat... gy die beweert te gelooven dat u hier ’n veld is aangewezen ter bebouwing waarop eenmaal ’n oogst zal te gaêren zyn, ryk of schraal naar de mate van uwen yver... u vraag ik of gebeschaamdwilt staan op de vraag die eens zal worden voorgelegd aan ieder Nederlander dieIndiëzyneigendomnoemde:“WYS MY DE PLAATS WAAR GE GEZAAID HEBT.”Voor de mentaliteit van ’t Nederland dier dagen is het teekenend, dat dit stukje van den armen idealist ƒ 1300 opbracht van de ƒ 11000, die ons land naar Java zond.Dergelijke ondervindingen stemdenD. D.bitter: hij vraagt zich af of zijn woord tevergeefs heeft geklonken, of Nederland evenmin recht wil doen als de Indische regeering. Door den geweldigenopgang, die zijn boek had gemaakt, had hij de stemming zoowel ten opzichte van zichzelf, als ten opzichte van den Javaan overschat.Niet alleen de Indische regeering, ook de regeerende kringen van Nederland, ook de burgerij, die in het onrecht berust, gaat hij aanvallen. En hij verwacht veel van de jongeren en van de vrouwen. Hun gezichtskring te verruimen, hun enthousiasme tot daden op te zweepen wordt nu zijn doel. Vooral jonge meisjes ontvlammen in geestdrift voor de idealen van Multatuli: ze bieden hem haar medewerking aan in zijn strijd, zonder zich bewust te zijn, waarin die hulp zou kunnen bestaan. Multatuli aanvaardt die hulp: die aanhankelijkheid doet hem goed. Zoo ontstaan tal van vriendschappelijke verhoudingen, die in vele gevallenamoureusgetint waren. Tegenover hun omgeving is het hun eerste taak Multatuli’s persoon en denkbeelden te verdedigen en als ze er toe in de gelegenheid waren hebben verscheidenen dezer vriendinnetjes hem financiëel op royale wijze bijgestaan. In den zomer van 1861 biecht hij aan Tine op dat hij vier amourettes heeft: voor zijn werk heeft hij behoefte aan jongeren, die hem met groote gehechtheid en overgave aanhangen.Veel sympathie heeft hij gevonden bij de kinderen zijner overleden zuster. De vader en stiefmoeder maakten zich al spoedig ongerust overde enthousiaste vereering van de negentienjarige Sietske en haar broertje voor de revolutionnaire idealen van hun oom.In den cirkelgang van ’t eentonig meisjesleven met zijn kleine plichten en benepen vooruitzichten, viel Multatuli binnen als een meteoor. En op hem heeft de geestdrift van dit jonge meisje in de opwinding en toch betrekkelijke eenzaamheid van het hotelleven een groote bekoring uitgeoefend. Zelf klaagt de negentienjarige over haar lot in deze woorden: “Na ’t zien van zoo’n tuin voel ik eerst regt hoe prozaisch mijn dagelijks bleekveldje is... och, je begrijpt me wel! Maar bekommer je daarover niet, want bij al die gêne en bekrompenheid is er iets heerlijks: ik mag denken wat ik wil, ik mag droomen wat ik wil, ik mag hopen wat ik wil, dàt kunnen ze mij niet verwijten, dat kunnen ze mij niet ontnemen. Dáárin kan niemand mij dwingen!” en later getuigt ze:... “Brieven en ’t levende woord brachten me onder een begoocheling die me bezielde met een geloof, dat bergen verzetten kon.”Steeds enthousiaster schrijft hij aan Tine over dit nichtje: Siet is mijn oogappel, Siet inspireert me. Zij is de eenige persoon die ik gebruiken kan als hulp om te schrijven, met Siet kan ik driemaal meer voortbrengen dan alleen. Hoewel Tine reeds aan zijn “caprices” gewend was, en hoewel haar stelselmatig werd voorgehouden,dat zij boven een gewoon huwelijk verheven moest zijn, heeft deze verhouding tot Sietske haar erg gehinderd. En hij kwam in een moeilijk parket, toen ’t hoe langer hoe duidelijker werd, dat Tine niet dezelfde was als het beeld van de ideale, alles begrijpende en aanvaardende vrouw, dat hij in zijn brieven aan Ottilie, aan Sietske van haar had ontworpen. Zijn vriendinnetjes dwepen dan ook met Tine, verscheidenen hebben bij haar gelogeerd, en Sietske wil niets doen, dat Tine zou afkeuren. Hoewel vervuld van Sietske, toch blijft Tine de eerste: “Je weet heel goed dat ik dood ongelukkig zou wezen zonder jou, en je begrijpt heel goed het onderscheid tusschen eene caprice en de verhouding tusschen u en mij die oneindig inniger is,” schrijft hij haar als antwoord op een verdrietigen brief, waarin ze hem verwijt, dat Siet hoogstwaarschijnlijk meer waarde voor hem heeft dan zij. Dergelijke bezwaren vindt hij “klein en niet in harmonie met alles.” Op zijn aansporing gaat Sietske werken voor het examen voor onderwijzeres; zij moet zich ontwikkelen om hem van dienst te kunnen zijn.Sietske heeft zich door hare akten onafhankelijk gemaakt: ze heeft werk gevonden in Engeland, later in Indië. Als ze in Amsterdam is blijft ze haar oom helpen; hare vereering bekoelt, slaat om in antipathie, en dan is haar sympathie voor Tine, die haar geregeld had geschreven, toenze in Engeland was: Tine begreep hoe ze daar met vele gedachten alleen stond.Onder den indruk van de hartstochtelijke vereering van Sietske is in den zomer van 1861 zijn scheppingsdrang plotseling opgevlamd: in enkele weken schrijft hij deMinnebrieven. Evenals in de dagen, dat hijMax Havelaarschiep, geniet hij van zijn eigen schepping. Aan Tine schrijft hij: “Ik heb een stijl die ik zelf niet ken. Je zult zien, muziek en onweer. Ik maak mij tot den eersten schrijver van Europa.—Men erkent dat ik een omkeering maak in de literatuur. Ja, omkeeren is mijn métier!”DeMinnebrievenzijn in opzet en vorm ongelijk aanMax Havelaar, en evenzoo zullen ook deIdeënen deMillioenenstudiënweer een eigen vorm hebben. Ook in dit opzicht is Multatuli aan hetomkeerengeweest. Na al de geijkte genres geeft hij aan iedere uiting van zijn geest een nieuwen vorm;Max Havelaarwas een roman, waarin ’t romantisch verhalen met ’t satirisch schetsen en pathetische pleidooien voor recht met fellen hoon afwisselen.DeMinnebrievenbestaan uit een reeks brieven, parabelen, politieke stukken en beschouwingen, soms zeer persoonlijk, dan weer zeer objectief van karakter: geen zijner werken beantwoordt zoozeer aan Multatuli’s ideaal van methode, n.l. de afwezigheid van alle methodeals dit boekje. Ieder onderdeel is de zuivere uitdrukking zijner stemming geworden: deze wisselingen van stemming in zijn strijd om recht, om vrijheid, die meer en meer een strijd werd tegen alle vormen van gezag, waarin de levende geest ten doode toe bekneld was, spiegelen zich in vormenrhytme der minnebrieven af. De volle rijkdom van zijn geest en van zijn taalgenie is hier ontplooid in hooge ernst, bitter sarcasme en in zwevende, speelsche phantasieën. In dit schijnbaar onsamenhangende en grillige geschrift zit toch lijn, het is beheerscht door een gedachte: het vinden, verliezen en herwinnen van Fancy.De scherpe tegenstellingen tusschen ’t zachte en ’t bittere in zijn gemoed, zijn streven naar recht en zijn hoonen van alle gezag vinden in Fancy, in zijn dichterlijk schouwen hun hoogere eenheid en verzoening. Fancy geeft hem de kracht om de disharmonie in zijn innerlijk leven te overwinnen.DeMinnebrievenzijn geenminnebrieven, of liever, ’t zijn vergeestelijkte minnebrieven. De liefde voor Sietske, de briefwisseling met Sietske, de afkeer van haar stiefmoeder, zoowel als de liefde voor Tine en de kinderen en zijn Indisch streven vormen er den achtergrond van. Sietske is geïdealiseerd tot Fancy, maar Fancy doet zich in haar brieven aan Max voor als een gewoon meisje, dat voor haar examen leert,omdat hij anders te wolkerig schrijft, om begrepen te worden door meisjes, dienietin de wolken wonen. Daarom vraagt Fancy aan Max om haar iets teleeren. Max biecht zijne zonderlinge liefdesgeschiedenis aan Tine op en zij moedigt hem aan, want Fancy is ook de steun in haar zwaar en moeilijk leven. Geboren uit de bekoring door Sietske op hem uitgeoefend, is dit boekje toch een apotheose voor Tine geworden: Tine wordt boven Max door Fancy tot vertrouwde uitverkoren. En in de inleidende bladzijden blijkt het, dat Tine Max’ waarachtige Fancy is uit deze schoone passage: “Eenevrouwis niets. Niets bij de optelling van lasten, maar veel, oneindig veel, jaalles, zoodra er sprake is van hulp en steun! Ik zou volstrekt geen pleizier hebben in gebrek lijden, als ik m’n vrouw niet had...O, ge weet niet hoe ’n vrouw liefheeft... ge kunt niet begrijpen, met hoe groote woekerwinst zij den man de indrukken weergeeft, die hij neerschreef in haar ziel! Kunnen de vrouwen het helpen dat zoo vele mannen daarin niets wisten neer te schrijven? Kan men oogst verwachten, waar niet gezaaid is... baring, zonder bevruchting?” En als het lot den man neerbuigt door smart, dan toont de vrouw de oogst van haar huwelijk als ze zegt: “Waarom weent ge? Hebt ge mij niet een schat te bewaren gegeven? Zie, hoe ik gewoekerd hebmet het talent dat ge neerlaagt in mijn schoot. We zijn rijk, rijk in liefde, rijk in adel!Ikheb bewaard wat gij weggaaft!Ikheb gespaard en uitgezet met groote winst, wat door u werd verkwist!Ikben uwhuishoudstergeweest, ja, de huishoudster uwerziel!”Fancy is echter ook een verheerlijking van Sietske: maar Fancy is nog meer, ze is het beeld van Multatuli’s dichterlijke genius, ze is het droomwezen, dat hem bezielt. Zijn dichtergemoed ziet dan ook in meisjes, die hem enthousiast tegemoet komen, verschijningen van de eeuwige schoonheid, van de poëzie. Maar als de betoovering breekt, dan is weer een andere zijne Fancy, die hem inspireert: het is de telkens terugkeerende ontgoocheling van een dichterliefde. Maar naast die vluchtige Fancy-verschijningen heeft hij vasten steun voor zijn ziel gevonden in de trouw van Tine, die in hem gelooft, en die in hare groote liefde alles verdraagt. En Tine is in deMinnebrievengeïdealiseerd tot de vrouw, die alles begrijpt en meevoelt en goedkeurt, tot de vrouw, die Fancy smeekt haren Max te blijven steunen.Uit de werkelijke brieven vanD. D.aan Tine blijkt echter, dat zij zich over deze “caprice” ongerust maakt, nu hij haar onomwonden verklaard heeft, dat Sietske zijn Fancy is. Tot troost schrijft hij haar: “Zonder dat ik eraan dacht ben jij in deM. B.de hoofdpersoon geworden. Faber, de advocaat, merkte mij dat op (hij is heel fijn) hoe ik door de dichterlijke verheffing van Fancy, ù in de hoogte stak. (Dat is geheel natuur geweest en ik heb de waarheid gezegd als een kind of dronken man.) Weet je hoe dat blijkt? Fancy is met u eigen, intiem, identiek. Zij (de wil, de kracht, de energie, de fantasie) zij is met u vertrouwelijk en mij fopt zij. Voor u is zij bondgenoot, voor mij meesteres. U zegt zij de waarheid, met mij speelt ze.” Maar ’t is het tragische lot van de vrouw van den dichter geweest, dat Fancy zich telkens voor hem openbaarde in andere, jonge vrouwen, terwijlzijvoor hem de blijvende Fancy was... op den achtergrond. Deze tweeledigheid in zijn liefdeleven tracht hij telkens haar te doen begrijpen, maar ze kàn er niet in meeleven, ze kan het hoogstens uit groote liefde... dulden.De humor en de geestigheid der Minnebrieven hebben een tragischen ondergrond. Ook in dit opzicht vinden we een scherpe tegenstelling in de motieven.Tot grappige misverstanden geeft Fancy’s dubbelzijdig wezen aanleiding. Ze is een huishouderig meisje èn tevens ’t wezen van poëzie en schoonheid, aan wie Max vraagt: “Wie zijt gij eigenlijk? Hoe heet gij? Waar woont ge? Moet ik u zoeken in de wolken of in de strateneener stad? Moet ik vragen aan de schildwachten die de poort bewaken: hebt gij gezien wat mijne ziel liefheeft? Moet ik ’n tooverspreuk uitvinden, om u te doen nederdalen van omhoog? Om u op te zweren uit de diepte? Woont ge op ’n ster die stof is? Draait en slingert uwe woning als de mijne, die onder heeft noch boven? Kunt gij de zon zien, Fancy? Of, Fancy,zijtgij de zon? Zijt gij ’t middelpunt der aarde, dat alles aantrekt... Maar, Fancy, dan is elke regendrup een boodschap aan u! Dan is elke bliksemstraal die wegschiet in den grond, een minnebrief aan u! Ja, ja, ik zal dezen brief neerwerpen op de straten, en de voorbijganger zal meenen dat er onderschepping mogelijk is, door ’n koperstuk te geven voor de bladzij... maar hij zal zich vergissen... de bliksem zal ’t niet toelaten... Schrijf mij of hij terecht is gekomen? En zend mij ’n lok uwer haren, Fancy... wanneer ge haren hebt als anderen... wat ik niet hoop!” En dan komt het grappig contrasteerende antwoord van Fancy: “Ja, haren heb ik wel, maar ik woon... neen, ik woon niet. M’n ouders wonen, en ik ben bij hen. Doe in ’t vervolg een postzegel op uw brieven. Ik ben somwijlen schraal bij kas, en ge begrijpt dat er op onze begrooting geen gelden worden toegestaan voor port aan minnebrieven.” En ze klaagt over haar huishoudelijke plichten, hetrekken van lakens, die lang genoeg zijn, het maken van anti-makassars, tegen haarolie, die ze niet gebruiken. En Max antwoordt verdrietig dat hij met haar huishouderij niet wil concurreeren. Tine dringt hem om Fancy vergeving te vragen, want zonder Fancy kan hij niet leven. En weer schrijft Fancy hem: zeiseen meisje, maar ze wil de zijne zijn... geheel-en-al, ze zal hem aanhangen en hem doen overwinnen. “Maar vergeef mij intusschen, dat ik maar een meisje ben, en leer mij een en ander, als het waar is tenminste dat ge meer weet dan ik. Ik weet zeer weinig, en dit is natuurlijk... door al die beddelakens. Is het waar dat kousenweven is uitgevonden door de liefde? Hebt ge mij niet genoeg lief om ’n machine uit-te-denken diehuishoudt? Ach, m’n moeder is dood! Er is geen poëzie in ons huis, alles is dor en droog en fatsoenlijk en vervelend. Ik ben geestig maar kan hier niets uitvoeren met m’n geest. En m’n hart is overkompleet.”Als Max haar iets zal leeren, begint hij haar de fout aan te wijzen, die aan de gangbare wereldbeschouwing ten grondslag ligt: in “een kort begrip van de leer der zaligheid” laat hij een scherp licht vallen op al de ongerijmdheden in de leer van schepping, zondeval en verlossing.Maar wie wil leeren, moetzelf leeren begrijpen: de grond van alle misstanden steekt hierin, datgezagentraditieheerschen in den staat, in desamenleving, in den godsdienst, inplaats van redelijkheid.Dat licht hij toe in een negental Geschiedenissen van Gezag: en dit Gezag berust op kracht, list, bedrog, onwetendheid, geloof. Dit zijn de bronnen van ’t gezag van vorsten, opvoeders en ouders, van priesters, van de publieke opinie en van den man over de vrouw. Overal waar de redelijkheid, de gerechtigheid, de liefde uit menschelijke verhoudingen verdwijnt, daar treedt onrechtmatig gezag in de plaats. De verleugening van ’t maatschappelijk en geestelijk leven zal Multatuli ontmaskeren, door alle geüsurpeerd gezag te ondermijnen. In de eerste plaats tast hij conventioneele deugd en Godsdienst aan. En als Fancy dit troosteloos vindt wijst Max haar opgezagdoorliefde, opwelvaartdoorrechtvaardigheid, opgelukdoordeugd:mensch zijndat is alles!Maar Max blijft twijfelen aan Fancy’s meisjesschap: en hij vraagt Tine, wie ze is, en Tine kent haar ook, al jarenlang. “Zij heeft mijn leven heerlijk schoon gemaakt en ik wijt de schrale voeding onzer kinderen niet aan haar, zooals gij meermalen deedt in buien van onrechtvaardigheid.” En Fancy geeft aan de kinderen dichterlijke gedachtetjes en ze leert ze ook jokkentjes, en ze fluistert hun moeder het juiste woord in, om hun hartjes te treffen, als ze uit speelschheid een ander leed berokkenden. MaarFancy beknort Tine, omdat ze haar heeft verklapt aan Max: “Lààt hem zoo dom als-i is. ’t Is maar eenman, hij die altijd roept: Ze is maar ’nmeisje!” En dan schrijft Fancy deze woorden aan Tine: “Ik zal u blijven steunen in uw moeilijke taak, edele moedige verhevene vrouw... trouwe dappere echtgenoot... sterke moeder... heldin! Ik zal blijven bij u, naast u, in u! Ik zal u begeleiden tot de laatste ure, en die ure zal ik u zoet maken door ’t vóórhouden eener schilderij van uw rein leven, dat het u zij als ’n spiegel van gelukkiger toekomst! Want ik zegge u hier, wat ik nooit zeide tothem, U zeg ik dat gij onsterfelijk zijt!”Het huis van de firma R. C. MEIJER, uitgeefster van de eerste Ideën-bundels, op het Damrak te Amsterdam.Het huis van de firma R. C. MEIJER, uitgeefster van de eerste Ideën-bundels, op het Damrak te Amsterdam.(Geheel links op de photo).PORTRET VAN MULTATULI,PORTRET VAN MULTATULI,in het prospectus “Aan de Lezers mijner Ideën” aangeboden, met eigenhandig citaat uit de “Minnebrieven” 1865.Op Fancy’s noodkreet, dat ze om de ontvangen minnebrieven gedreigd wordt met ’t verbeterhuis volgt een reeks brieven van nijdige vaders, stiefmoeders, dominee’s, kappellieden en ooms, die allen even verbolgen zijn over Max’ verdorvenheid. Door de aanvallen en de laster van publiek, de armoede van zijn gezin en den tegenspoed met zijn Indische plannen komt hij onder den druk der ellende, waardoor hij de voeling met Fancy verliest. Zijn brieven aan Tine worden zakelijk en als hij zich boven de sfeer van het proza verheft, wordt hij cynisch. Hij zendt haar zijn brief aan den gouverneur-generaal, allerlei gegevens ten bewijze dat de Javaan wordt mishandeld, en een brief aan de kiezers te Tiel, waarin hij het stichten van een derde partijaanbeveelt, die de meening zou voorstaan, “dat men den Javaan niet moet mishandelen.”. Ondanks Tine’s noodkreten blijft Fancy zich schuilhouden. Max blijft moedeloos: voor publiek kan hij niet schrijven, maar wel voor Tine. Voor haar dicht hij drie bitter cynische sprookjes: evenzoovele aanklachten, dat het publiek den schrijver vanMax Havelaarnietwilbegrijpen, hem hoogstens prijst om zijn mooien stijl: in de eerste parabel biedt een impresario aan de moeder, die zoo mooigildetoen ze haar kind in ’t water nasprong om het te redden, een engagement aan bij ’t theater; in de tweede parabel wordt Chresos, die de beroovers van zijn dorp aanklaagde, veroordeeld door den magistraat die met de roovers heult; en in deKruissprokebereikt de verbittering zijn hoogtepunt. De tragedie van Christus’ dood is een feest geweest voor de Joden te Jerusalem, een feest voor kinderen, die kruismannetje speelden, nog wekenlang, een feest voor volwassenen belust op sensatie. Het lijden van den man, die wèl deed, is een schouwspel, een amusement voor ’t domme publiek, dat van zijn streven geen flauw besef heeft. Maar tot dit domme publiek hooren niet alleen de Joden uit Christus’ dagen, Multatuli roept er ook de mannen van handel en beurs en industrie, burgers en theologen bij: ook voor hen is de kruistragedie slechts een vermaak, een schouwspel; immers Christuswoordenpraten zij na, zonder er naar tehandelen.De verbittering over de miskenning der zuiverste en hoogste bedoelingen verjaagt Fancy uit zijn gemoed, zoodat hij verzinkt in het proza der politieke propaganda. Maar dit kan hij niet verdragen, hij wordt ziek en in ijlende koorts schrijft hij een brief aan Tine, waarin alle motieven der Minnebrieven rhapsodisch verward terugkeeren, maarindie dooreenhaspeling zit toch zin: “Ben je de moeder of de vrouw? Waar zijn de kinderen? Zijn de kleertjes al verkocht? Hu, huup... waar is je tulband? Zingt, kinderen, zingt, uw vader draagt het kruis! Dag Schmoel... dag Nathan... dag Judas! Heb je Fancy gezien? Mee, mee, allen mee... Jochébed, (in de Kruissproke tilde zij haar kind omhoog, om het goed te laten genieten) wil je dien gouverneur-generaal wat omhoog houden? Zwaar is hij niet! Geef hem ’n buffel... één, hoort ge?” Max’ herstel beteekent Fancy’s terugkeer: hij herinnert zich de keeren, dat hij Fancy in zijn leven ontmoet heeft: Fancy’s goedkeuring lichtte hem toe uit de oogen van een voorbijgangster, toen hij als kind een goede daad verrichtte, hij vond haar terug in het jonge meisje, dat hem om voorlichting vroeg, in de oogen van een werkman, die langs zijn venster klom. En hij heeft nu van haar de zekerheid, dat zij hem zal geven“den wil, later de kracht, in ’t eind de overwinning.”In de maanden van inspiratie en van succes verwacht hij niet alleen herstel van carrière, maar ook een volksbeweging, die hèm aan ’t hoofd van ’t koloniale bestuur zal plaatsen: hij droomt met Sietske van het keizerschap van Insulinde en Sietske beleefde in hare verbeelding al de kroning te Buitenzorg. In deze stemming slaat hij den raad van een goed vriend in den wind, om zijn eischen niet te hoog te stellen: door de openbare sympathie zal het bestaan van zijn gezin nooit verzekerd zijn en nu hoofd en richting van ’t koloniaal bewind van richting veranderd zijn, zou ieder ’t in hem prijzen, zoo hij weer in dienst trad. Zijn droomen van macht en hervorming hadden hem echter zoo in beslag genomen, dat hij dezen practischen raad niet meer kon opvolgen.Het succes van deMinnebrievenwas lang zoo groot niet als dat van zijn eerste boek: dat leek nog op een roman, maar de kritiek wist met deMinnebrievengeen raad: enkele bladen prijzen de “verhaaltjes”, vele zwijgen.De hoop om op Indische zaken invloed te oefenen geeft hem in datzelfde jaar een brochureOver vrijen arbeid in Nederlandsch-Indiëin de pen. Hij hoopt op den val van het ministerie enop de benoeming van Rochussen, zijn beschermer, tot minister van koloniën; deze hoop is verijdeld. Zeer helder zet hij uiteen, dat vrije arbeid van inlanders moet leiden tot teugellooze exploitatie door industrieelen. En dat deze veel meedoogenloozer zal zijn dan de knevelarijen onder het Cultuurstelsel. Beide stelsels verduidelijkt hij door een teekenend beeld: Deteugeldoor den gouverneur-generaal vastgehouden, die onderverdeeld is in lijnen en koorden, die ten laatste elk individu bereiken en in toom houden, is het beeld van hetgezag. “Verander al die lijnen inbuizen, zet de twaalf-millioen dunne, twintigmaal onderverdeelde bij-buisjes op de borst van twaalf-millioen Javanen, breng ’n zuiger, ’n Hinken stoomzuiger aan op de hoofdbuis, en daarna...Pomp,pomp,pomp, zeg ik u.Pompvoor den duivel... en voor Nederland.—Dat is ’t kultuurstelsel. Geef elken avonturier toegang tot de machine, tot de hoofdbuis, tot de onderbuis, tot de kleine nevenbuisjes... Vergun hem z’n eigen buizen, de buizen van de WelEdele Heeren Droogstoppel en Consorten, te plaatsen op de borst van twaalf millioen Javanen...Laat hem boren dóór die borst, tot hij ’t hart raakt... En dan... ja, dan...Pomp...pomp...pomp... voor den duivel... en voor devrije arbeiders...”Niet in het stelsel zit de fout, maar in baatzuchtige toepassing. Het liberale denkbeeld vanvrije arbeid past niet in het inlandsch gezagsysteem: het zal geen vrijwilligheid van den arbeid scheppen of waarborgen. Nadrukkelijk waarschuwt Dekker zijn landgenooten, dat Indië voor Nederland verloren zal gaan, “als Nederland niet zorgt, dat den Javaan recht wordt gedaan”.

Door de drukte en opwinding over zijn zaak is hij zelden in de stemming om te schrijven. Op aandrang van redacties en uitgevers geeft hij enkele stukjes in deTijdspiegel; zijneIndrukken van den dagverschijnen bij Thieme; op aandringen zijner politieke vrienden schrijft hij enkele krantenartikels en een Rotterdamsch uitgever weet hem te bewegen een stuk te schrijven ten bate van de slachtoffers van een banjir. In deze bladzijden, getiteld: “Wijs mij de plaats, waar ik gezaaid heb” tracht hij met statistische tabellen den Hollanders aan het verstand te brengen, welk groot belang zij bij Indië hebben; maar vooral wil hij de Hollandsche harten tot ontferming bewegen door een ontroerend beeld van het lijden van den inlander. EvenalsSaïdjah’sgeschiedenis is ook de inlandsche idylle van ’t feest ter eere van ’n gedooden tijger, die door den banjir zoo wreed werd verstoord, sentimenteel. Al die feestvierenden hebben hun eigen vreugdevolle verwachtingen, en die spreken ze uit in de korte zinrijke regelsvan hun dichtspel: ’t verlangen van de vrouw naar haar eerstgeborene, en dat van de bruid, de trots van den man op zijn klewang, op zijn snelrijdend paard; maar “sterker is de kracht van den stroom,” riep een oud man die veel banjirs beleefd had. En dan komt de banjir en alle geluk, alle verwachting wordt weggevaagd en die hoopvolle menschen worden dan geschetst als lijken, lijken die dreigen met de pest, zegt de krant. ”’t Zijn de lijken vanmensen!” roept Multatuli.

Zy voelden, hoopten, vreesden, als wy. Ze hadden aanspraak op levensgeluk als wy...

Lezer, Nederlander, het warenmensen, die Javanen!

En de overblyvende, die treurig staart op de verwoeste landstreek, en vruchteloos rondschouwt naar de plaats waar hy gezaaid heeft, is ’nmens!En waar hy het lyk zoekt van z’n kind, krimpt hem het hart ineen, zoowel door de vreeze van niet te vinden wat hy zocht, als uit angst dat hy ’t vinden zal. En waar hy slaagt in z’n droevig nasporen, snydt hem de wanhoop door de ziel, zooals dat wezen zou byUzelf, lezers! wanneergy’t lyk vond van uw kind, van uw bruid, van uwe moeder...

Die Javaan, is ’nmens, lezer!”

Een beroep op ’t menschelijk medegevoel isdeze idylle, maar in de vrees, dat dit niet verstaan zou worden, besluit hij met een beroep op het welbegrepenbelangvan den Hollander bij een dankbare gezindheid van den inlander.

“De lyken daarginder zullen worden weggenomen. De lieve ryke natuur zal met haar groen kleed alles bedekken wat bloot lag, alles versieren wat verstoord werd. Gouden halmen zullen vredig ruischen op de graven der gestorvenen. Na jaren zullen de meisjes in de dorpen byeenzitten, en gretig luisteren naar de verhalen over denbanjir. De ouden van dagen zullen de ellende schetsen die ze bywoonden of vernamen van hun ouders...

Is ’t u onverschillig, Nederlanders, Christenen, beschavers, hoe het slot zal luiden van die verhalen?

Uw kleinkinderen zullen die mede aanhooren. Want de toekomst uwer kleinkinderen is in Indië. Is ’t u onverschillig hoe zy zullen hooren spreken over hun voorvaderen? Is het u om ’t even hoegyzult genoemd worden in depantoensvan het nageslacht? Wilt ge dat er op den aanhef:

Hard is de rots die er staat aan den ingang van het dorp, een weerslag volge als deze:

Harder is ’t gemoed van den blanken broeder aan de overzyde der zee?

Wilt ge dat?

Of wilt ge dat de oude dorpspriester z’n hand zal leggen op het hoofd van uw kind, en tot hem zeggen:

Kom tot ons... zet u neder aan ons maal en neem uw deel van wat we hebben... want ik heb uw vaderen gekend!

En ten slotte, gy die zegt te weten dat er ’n onsterfelykheid is, en ’n oordeel... gy die predikt dat dit leven ’n tyd is van arbeid om te geraken tot hooger staat... gy die beweert te gelooven dat u hier ’n veld is aangewezen ter bebouwing waarop eenmaal ’n oogst zal te gaêren zyn, ryk of schraal naar de mate van uwen yver... u vraag ik of gebeschaamdwilt staan op de vraag die eens zal worden voorgelegd aan ieder Nederlander dieIndiëzyneigendomnoemde:

“WYS MY DE PLAATS WAAR GE GEZAAID HEBT.”

Voor de mentaliteit van ’t Nederland dier dagen is het teekenend, dat dit stukje van den armen idealist ƒ 1300 opbracht van de ƒ 11000, die ons land naar Java zond.

Dergelijke ondervindingen stemdenD. D.bitter: hij vraagt zich af of zijn woord tevergeefs heeft geklonken, of Nederland evenmin recht wil doen als de Indische regeering. Door den geweldigenopgang, die zijn boek had gemaakt, had hij de stemming zoowel ten opzichte van zichzelf, als ten opzichte van den Javaan overschat.

Niet alleen de Indische regeering, ook de regeerende kringen van Nederland, ook de burgerij, die in het onrecht berust, gaat hij aanvallen. En hij verwacht veel van de jongeren en van de vrouwen. Hun gezichtskring te verruimen, hun enthousiasme tot daden op te zweepen wordt nu zijn doel. Vooral jonge meisjes ontvlammen in geestdrift voor de idealen van Multatuli: ze bieden hem haar medewerking aan in zijn strijd, zonder zich bewust te zijn, waarin die hulp zou kunnen bestaan. Multatuli aanvaardt die hulp: die aanhankelijkheid doet hem goed. Zoo ontstaan tal van vriendschappelijke verhoudingen, die in vele gevallenamoureusgetint waren. Tegenover hun omgeving is het hun eerste taak Multatuli’s persoon en denkbeelden te verdedigen en als ze er toe in de gelegenheid waren hebben verscheidenen dezer vriendinnetjes hem financiëel op royale wijze bijgestaan. In den zomer van 1861 biecht hij aan Tine op dat hij vier amourettes heeft: voor zijn werk heeft hij behoefte aan jongeren, die hem met groote gehechtheid en overgave aanhangen.

Veel sympathie heeft hij gevonden bij de kinderen zijner overleden zuster. De vader en stiefmoeder maakten zich al spoedig ongerust overde enthousiaste vereering van de negentienjarige Sietske en haar broertje voor de revolutionnaire idealen van hun oom.

In den cirkelgang van ’t eentonig meisjesleven met zijn kleine plichten en benepen vooruitzichten, viel Multatuli binnen als een meteoor. En op hem heeft de geestdrift van dit jonge meisje in de opwinding en toch betrekkelijke eenzaamheid van het hotelleven een groote bekoring uitgeoefend. Zelf klaagt de negentienjarige over haar lot in deze woorden: “Na ’t zien van zoo’n tuin voel ik eerst regt hoe prozaisch mijn dagelijks bleekveldje is... och, je begrijpt me wel! Maar bekommer je daarover niet, want bij al die gêne en bekrompenheid is er iets heerlijks: ik mag denken wat ik wil, ik mag droomen wat ik wil, ik mag hopen wat ik wil, dàt kunnen ze mij niet verwijten, dat kunnen ze mij niet ontnemen. Dáárin kan niemand mij dwingen!” en later getuigt ze:... “Brieven en ’t levende woord brachten me onder een begoocheling die me bezielde met een geloof, dat bergen verzetten kon.”

Steeds enthousiaster schrijft hij aan Tine over dit nichtje: Siet is mijn oogappel, Siet inspireert me. Zij is de eenige persoon die ik gebruiken kan als hulp om te schrijven, met Siet kan ik driemaal meer voortbrengen dan alleen. Hoewel Tine reeds aan zijn “caprices” gewend was, en hoewel haar stelselmatig werd voorgehouden,dat zij boven een gewoon huwelijk verheven moest zijn, heeft deze verhouding tot Sietske haar erg gehinderd. En hij kwam in een moeilijk parket, toen ’t hoe langer hoe duidelijker werd, dat Tine niet dezelfde was als het beeld van de ideale, alles begrijpende en aanvaardende vrouw, dat hij in zijn brieven aan Ottilie, aan Sietske van haar had ontworpen. Zijn vriendinnetjes dwepen dan ook met Tine, verscheidenen hebben bij haar gelogeerd, en Sietske wil niets doen, dat Tine zou afkeuren. Hoewel vervuld van Sietske, toch blijft Tine de eerste: “Je weet heel goed dat ik dood ongelukkig zou wezen zonder jou, en je begrijpt heel goed het onderscheid tusschen eene caprice en de verhouding tusschen u en mij die oneindig inniger is,” schrijft hij haar als antwoord op een verdrietigen brief, waarin ze hem verwijt, dat Siet hoogstwaarschijnlijk meer waarde voor hem heeft dan zij. Dergelijke bezwaren vindt hij “klein en niet in harmonie met alles.” Op zijn aansporing gaat Sietske werken voor het examen voor onderwijzeres; zij moet zich ontwikkelen om hem van dienst te kunnen zijn.

Sietske heeft zich door hare akten onafhankelijk gemaakt: ze heeft werk gevonden in Engeland, later in Indië. Als ze in Amsterdam is blijft ze haar oom helpen; hare vereering bekoelt, slaat om in antipathie, en dan is haar sympathie voor Tine, die haar geregeld had geschreven, toenze in Engeland was: Tine begreep hoe ze daar met vele gedachten alleen stond.

Onder den indruk van de hartstochtelijke vereering van Sietske is in den zomer van 1861 zijn scheppingsdrang plotseling opgevlamd: in enkele weken schrijft hij deMinnebrieven. Evenals in de dagen, dat hijMax Havelaarschiep, geniet hij van zijn eigen schepping. Aan Tine schrijft hij: “Ik heb een stijl die ik zelf niet ken. Je zult zien, muziek en onweer. Ik maak mij tot den eersten schrijver van Europa.—Men erkent dat ik een omkeering maak in de literatuur. Ja, omkeeren is mijn métier!”

DeMinnebrievenzijn in opzet en vorm ongelijk aanMax Havelaar, en evenzoo zullen ook deIdeënen deMillioenenstudiënweer een eigen vorm hebben. Ook in dit opzicht is Multatuli aan hetomkeerengeweest. Na al de geijkte genres geeft hij aan iedere uiting van zijn geest een nieuwen vorm;Max Havelaarwas een roman, waarin ’t romantisch verhalen met ’t satirisch schetsen en pathetische pleidooien voor recht met fellen hoon afwisselen.

DeMinnebrievenbestaan uit een reeks brieven, parabelen, politieke stukken en beschouwingen, soms zeer persoonlijk, dan weer zeer objectief van karakter: geen zijner werken beantwoordt zoozeer aan Multatuli’s ideaal van methode, n.l. de afwezigheid van alle methodeals dit boekje. Ieder onderdeel is de zuivere uitdrukking zijner stemming geworden: deze wisselingen van stemming in zijn strijd om recht, om vrijheid, die meer en meer een strijd werd tegen alle vormen van gezag, waarin de levende geest ten doode toe bekneld was, spiegelen zich in vormenrhytme der minnebrieven af. De volle rijkdom van zijn geest en van zijn taalgenie is hier ontplooid in hooge ernst, bitter sarcasme en in zwevende, speelsche phantasieën. In dit schijnbaar onsamenhangende en grillige geschrift zit toch lijn, het is beheerscht door een gedachte: het vinden, verliezen en herwinnen van Fancy.

De scherpe tegenstellingen tusschen ’t zachte en ’t bittere in zijn gemoed, zijn streven naar recht en zijn hoonen van alle gezag vinden in Fancy, in zijn dichterlijk schouwen hun hoogere eenheid en verzoening. Fancy geeft hem de kracht om de disharmonie in zijn innerlijk leven te overwinnen.

DeMinnebrievenzijn geenminnebrieven, of liever, ’t zijn vergeestelijkte minnebrieven. De liefde voor Sietske, de briefwisseling met Sietske, de afkeer van haar stiefmoeder, zoowel als de liefde voor Tine en de kinderen en zijn Indisch streven vormen er den achtergrond van. Sietske is geïdealiseerd tot Fancy, maar Fancy doet zich in haar brieven aan Max voor als een gewoon meisje, dat voor haar examen leert,omdat hij anders te wolkerig schrijft, om begrepen te worden door meisjes, dienietin de wolken wonen. Daarom vraagt Fancy aan Max om haar iets teleeren. Max biecht zijne zonderlinge liefdesgeschiedenis aan Tine op en zij moedigt hem aan, want Fancy is ook de steun in haar zwaar en moeilijk leven. Geboren uit de bekoring door Sietske op hem uitgeoefend, is dit boekje toch een apotheose voor Tine geworden: Tine wordt boven Max door Fancy tot vertrouwde uitverkoren. En in de inleidende bladzijden blijkt het, dat Tine Max’ waarachtige Fancy is uit deze schoone passage: “Eenevrouwis niets. Niets bij de optelling van lasten, maar veel, oneindig veel, jaalles, zoodra er sprake is van hulp en steun! Ik zou volstrekt geen pleizier hebben in gebrek lijden, als ik m’n vrouw niet had...

O, ge weet niet hoe ’n vrouw liefheeft... ge kunt niet begrijpen, met hoe groote woekerwinst zij den man de indrukken weergeeft, die hij neerschreef in haar ziel! Kunnen de vrouwen het helpen dat zoo vele mannen daarin niets wisten neer te schrijven? Kan men oogst verwachten, waar niet gezaaid is... baring, zonder bevruchting?” En als het lot den man neerbuigt door smart, dan toont de vrouw de oogst van haar huwelijk als ze zegt: “Waarom weent ge? Hebt ge mij niet een schat te bewaren gegeven? Zie, hoe ik gewoekerd hebmet het talent dat ge neerlaagt in mijn schoot. We zijn rijk, rijk in liefde, rijk in adel!Ikheb bewaard wat gij weggaaft!Ikheb gespaard en uitgezet met groote winst, wat door u werd verkwist!Ikben uwhuishoudstergeweest, ja, de huishoudster uwerziel!”

Fancy is echter ook een verheerlijking van Sietske: maar Fancy is nog meer, ze is het beeld van Multatuli’s dichterlijke genius, ze is het droomwezen, dat hem bezielt. Zijn dichtergemoed ziet dan ook in meisjes, die hem enthousiast tegemoet komen, verschijningen van de eeuwige schoonheid, van de poëzie. Maar als de betoovering breekt, dan is weer een andere zijne Fancy, die hem inspireert: het is de telkens terugkeerende ontgoocheling van een dichterliefde. Maar naast die vluchtige Fancy-verschijningen heeft hij vasten steun voor zijn ziel gevonden in de trouw van Tine, die in hem gelooft, en die in hare groote liefde alles verdraagt. En Tine is in deMinnebrievengeïdealiseerd tot de vrouw, die alles begrijpt en meevoelt en goedkeurt, tot de vrouw, die Fancy smeekt haren Max te blijven steunen.

Uit de werkelijke brieven vanD. D.aan Tine blijkt echter, dat zij zich over deze “caprice” ongerust maakt, nu hij haar onomwonden verklaard heeft, dat Sietske zijn Fancy is. Tot troost schrijft hij haar: “Zonder dat ik eraan dacht ben jij in deM. B.de hoofdpersoon geworden. Faber, de advocaat, merkte mij dat op (hij is heel fijn) hoe ik door de dichterlijke verheffing van Fancy, ù in de hoogte stak. (Dat is geheel natuur geweest en ik heb de waarheid gezegd als een kind of dronken man.) Weet je hoe dat blijkt? Fancy is met u eigen, intiem, identiek. Zij (de wil, de kracht, de energie, de fantasie) zij is met u vertrouwelijk en mij fopt zij. Voor u is zij bondgenoot, voor mij meesteres. U zegt zij de waarheid, met mij speelt ze.” Maar ’t is het tragische lot van de vrouw van den dichter geweest, dat Fancy zich telkens voor hem openbaarde in andere, jonge vrouwen, terwijlzijvoor hem de blijvende Fancy was... op den achtergrond. Deze tweeledigheid in zijn liefdeleven tracht hij telkens haar te doen begrijpen, maar ze kàn er niet in meeleven, ze kan het hoogstens uit groote liefde... dulden.

De humor en de geestigheid der Minnebrieven hebben een tragischen ondergrond. Ook in dit opzicht vinden we een scherpe tegenstelling in de motieven.

Tot grappige misverstanden geeft Fancy’s dubbelzijdig wezen aanleiding. Ze is een huishouderig meisje èn tevens ’t wezen van poëzie en schoonheid, aan wie Max vraagt: “Wie zijt gij eigenlijk? Hoe heet gij? Waar woont ge? Moet ik u zoeken in de wolken of in de strateneener stad? Moet ik vragen aan de schildwachten die de poort bewaken: hebt gij gezien wat mijne ziel liefheeft? Moet ik ’n tooverspreuk uitvinden, om u te doen nederdalen van omhoog? Om u op te zweren uit de diepte? Woont ge op ’n ster die stof is? Draait en slingert uwe woning als de mijne, die onder heeft noch boven? Kunt gij de zon zien, Fancy? Of, Fancy,zijtgij de zon? Zijt gij ’t middelpunt der aarde, dat alles aantrekt... Maar, Fancy, dan is elke regendrup een boodschap aan u! Dan is elke bliksemstraal die wegschiet in den grond, een minnebrief aan u! Ja, ja, ik zal dezen brief neerwerpen op de straten, en de voorbijganger zal meenen dat er onderschepping mogelijk is, door ’n koperstuk te geven voor de bladzij... maar hij zal zich vergissen... de bliksem zal ’t niet toelaten... Schrijf mij of hij terecht is gekomen? En zend mij ’n lok uwer haren, Fancy... wanneer ge haren hebt als anderen... wat ik niet hoop!” En dan komt het grappig contrasteerende antwoord van Fancy: “Ja, haren heb ik wel, maar ik woon... neen, ik woon niet. M’n ouders wonen, en ik ben bij hen. Doe in ’t vervolg een postzegel op uw brieven. Ik ben somwijlen schraal bij kas, en ge begrijpt dat er op onze begrooting geen gelden worden toegestaan voor port aan minnebrieven.” En ze klaagt over haar huishoudelijke plichten, hetrekken van lakens, die lang genoeg zijn, het maken van anti-makassars, tegen haarolie, die ze niet gebruiken. En Max antwoordt verdrietig dat hij met haar huishouderij niet wil concurreeren. Tine dringt hem om Fancy vergeving te vragen, want zonder Fancy kan hij niet leven. En weer schrijft Fancy hem: zeiseen meisje, maar ze wil de zijne zijn... geheel-en-al, ze zal hem aanhangen en hem doen overwinnen. “Maar vergeef mij intusschen, dat ik maar een meisje ben, en leer mij een en ander, als het waar is tenminste dat ge meer weet dan ik. Ik weet zeer weinig, en dit is natuurlijk... door al die beddelakens. Is het waar dat kousenweven is uitgevonden door de liefde? Hebt ge mij niet genoeg lief om ’n machine uit-te-denken diehuishoudt? Ach, m’n moeder is dood! Er is geen poëzie in ons huis, alles is dor en droog en fatsoenlijk en vervelend. Ik ben geestig maar kan hier niets uitvoeren met m’n geest. En m’n hart is overkompleet.”

Als Max haar iets zal leeren, begint hij haar de fout aan te wijzen, die aan de gangbare wereldbeschouwing ten grondslag ligt: in “een kort begrip van de leer der zaligheid” laat hij een scherp licht vallen op al de ongerijmdheden in de leer van schepping, zondeval en verlossing.

Maar wie wil leeren, moetzelf leeren begrijpen: de grond van alle misstanden steekt hierin, datgezagentraditieheerschen in den staat, in desamenleving, in den godsdienst, inplaats van redelijkheid.

Dat licht hij toe in een negental Geschiedenissen van Gezag: en dit Gezag berust op kracht, list, bedrog, onwetendheid, geloof. Dit zijn de bronnen van ’t gezag van vorsten, opvoeders en ouders, van priesters, van de publieke opinie en van den man over de vrouw. Overal waar de redelijkheid, de gerechtigheid, de liefde uit menschelijke verhoudingen verdwijnt, daar treedt onrechtmatig gezag in de plaats. De verleugening van ’t maatschappelijk en geestelijk leven zal Multatuli ontmaskeren, door alle geüsurpeerd gezag te ondermijnen. In de eerste plaats tast hij conventioneele deugd en Godsdienst aan. En als Fancy dit troosteloos vindt wijst Max haar opgezagdoorliefde, opwelvaartdoorrechtvaardigheid, opgelukdoordeugd:mensch zijndat is alles!

Maar Max blijft twijfelen aan Fancy’s meisjesschap: en hij vraagt Tine, wie ze is, en Tine kent haar ook, al jarenlang. “Zij heeft mijn leven heerlijk schoon gemaakt en ik wijt de schrale voeding onzer kinderen niet aan haar, zooals gij meermalen deedt in buien van onrechtvaardigheid.” En Fancy geeft aan de kinderen dichterlijke gedachtetjes en ze leert ze ook jokkentjes, en ze fluistert hun moeder het juiste woord in, om hun hartjes te treffen, als ze uit speelschheid een ander leed berokkenden. MaarFancy beknort Tine, omdat ze haar heeft verklapt aan Max: “Lààt hem zoo dom als-i is. ’t Is maar eenman, hij die altijd roept: Ze is maar ’nmeisje!” En dan schrijft Fancy deze woorden aan Tine: “Ik zal u blijven steunen in uw moeilijke taak, edele moedige verhevene vrouw... trouwe dappere echtgenoot... sterke moeder... heldin! Ik zal blijven bij u, naast u, in u! Ik zal u begeleiden tot de laatste ure, en die ure zal ik u zoet maken door ’t vóórhouden eener schilderij van uw rein leven, dat het u zij als ’n spiegel van gelukkiger toekomst! Want ik zegge u hier, wat ik nooit zeide tothem, U zeg ik dat gij onsterfelijk zijt!”

Het huis van de firma R. C. MEIJER, uitgeefster van de eerste Ideën-bundels, op het Damrak te Amsterdam.Het huis van de firma R. C. MEIJER, uitgeefster van de eerste Ideën-bundels, op het Damrak te Amsterdam.(Geheel links op de photo).

Het huis van de firma R. C. MEIJER, uitgeefster van de eerste Ideën-bundels, op het Damrak te Amsterdam.

(Geheel links op de photo).

PORTRET VAN MULTATULI,PORTRET VAN MULTATULI,in het prospectus “Aan de Lezers mijner Ideën” aangeboden, met eigenhandig citaat uit de “Minnebrieven” 1865.

PORTRET VAN MULTATULI,

in het prospectus “Aan de Lezers mijner Ideën” aangeboden, met eigenhandig citaat uit de “Minnebrieven” 1865.

Op Fancy’s noodkreet, dat ze om de ontvangen minnebrieven gedreigd wordt met ’t verbeterhuis volgt een reeks brieven van nijdige vaders, stiefmoeders, dominee’s, kappellieden en ooms, die allen even verbolgen zijn over Max’ verdorvenheid. Door de aanvallen en de laster van publiek, de armoede van zijn gezin en den tegenspoed met zijn Indische plannen komt hij onder den druk der ellende, waardoor hij de voeling met Fancy verliest. Zijn brieven aan Tine worden zakelijk en als hij zich boven de sfeer van het proza verheft, wordt hij cynisch. Hij zendt haar zijn brief aan den gouverneur-generaal, allerlei gegevens ten bewijze dat de Javaan wordt mishandeld, en een brief aan de kiezers te Tiel, waarin hij het stichten van een derde partijaanbeveelt, die de meening zou voorstaan, “dat men den Javaan niet moet mishandelen.”. Ondanks Tine’s noodkreten blijft Fancy zich schuilhouden. Max blijft moedeloos: voor publiek kan hij niet schrijven, maar wel voor Tine. Voor haar dicht hij drie bitter cynische sprookjes: evenzoovele aanklachten, dat het publiek den schrijver vanMax Havelaarnietwilbegrijpen, hem hoogstens prijst om zijn mooien stijl: in de eerste parabel biedt een impresario aan de moeder, die zoo mooigildetoen ze haar kind in ’t water nasprong om het te redden, een engagement aan bij ’t theater; in de tweede parabel wordt Chresos, die de beroovers van zijn dorp aanklaagde, veroordeeld door den magistraat die met de roovers heult; en in deKruissprokebereikt de verbittering zijn hoogtepunt. De tragedie van Christus’ dood is een feest geweest voor de Joden te Jerusalem, een feest voor kinderen, die kruismannetje speelden, nog wekenlang, een feest voor volwassenen belust op sensatie. Het lijden van den man, die wèl deed, is een schouwspel, een amusement voor ’t domme publiek, dat van zijn streven geen flauw besef heeft. Maar tot dit domme publiek hooren niet alleen de Joden uit Christus’ dagen, Multatuli roept er ook de mannen van handel en beurs en industrie, burgers en theologen bij: ook voor hen is de kruistragedie slechts een vermaak, een schouwspel; immers Christuswoordenpraten zij na, zonder er naar tehandelen.

De verbittering over de miskenning der zuiverste en hoogste bedoelingen verjaagt Fancy uit zijn gemoed, zoodat hij verzinkt in het proza der politieke propaganda. Maar dit kan hij niet verdragen, hij wordt ziek en in ijlende koorts schrijft hij een brief aan Tine, waarin alle motieven der Minnebrieven rhapsodisch verward terugkeeren, maarindie dooreenhaspeling zit toch zin: “Ben je de moeder of de vrouw? Waar zijn de kinderen? Zijn de kleertjes al verkocht? Hu, huup... waar is je tulband? Zingt, kinderen, zingt, uw vader draagt het kruis! Dag Schmoel... dag Nathan... dag Judas! Heb je Fancy gezien? Mee, mee, allen mee... Jochébed, (in de Kruissproke tilde zij haar kind omhoog, om het goed te laten genieten) wil je dien gouverneur-generaal wat omhoog houden? Zwaar is hij niet! Geef hem ’n buffel... één, hoort ge?” Max’ herstel beteekent Fancy’s terugkeer: hij herinnert zich de keeren, dat hij Fancy in zijn leven ontmoet heeft: Fancy’s goedkeuring lichtte hem toe uit de oogen van een voorbijgangster, toen hij als kind een goede daad verrichtte, hij vond haar terug in het jonge meisje, dat hem om voorlichting vroeg, in de oogen van een werkman, die langs zijn venster klom. En hij heeft nu van haar de zekerheid, dat zij hem zal geven“den wil, later de kracht, in ’t eind de overwinning.”

In de maanden van inspiratie en van succes verwacht hij niet alleen herstel van carrière, maar ook een volksbeweging, die hèm aan ’t hoofd van ’t koloniale bestuur zal plaatsen: hij droomt met Sietske van het keizerschap van Insulinde en Sietske beleefde in hare verbeelding al de kroning te Buitenzorg. In deze stemming slaat hij den raad van een goed vriend in den wind, om zijn eischen niet te hoog te stellen: door de openbare sympathie zal het bestaan van zijn gezin nooit verzekerd zijn en nu hoofd en richting van ’t koloniaal bewind van richting veranderd zijn, zou ieder ’t in hem prijzen, zoo hij weer in dienst trad. Zijn droomen van macht en hervorming hadden hem echter zoo in beslag genomen, dat hij dezen practischen raad niet meer kon opvolgen.

Het succes van deMinnebrievenwas lang zoo groot niet als dat van zijn eerste boek: dat leek nog op een roman, maar de kritiek wist met deMinnebrievengeen raad: enkele bladen prijzen de “verhaaltjes”, vele zwijgen.

De hoop om op Indische zaken invloed te oefenen geeft hem in datzelfde jaar een brochureOver vrijen arbeid in Nederlandsch-Indiëin de pen. Hij hoopt op den val van het ministerie enop de benoeming van Rochussen, zijn beschermer, tot minister van koloniën; deze hoop is verijdeld. Zeer helder zet hij uiteen, dat vrije arbeid van inlanders moet leiden tot teugellooze exploitatie door industrieelen. En dat deze veel meedoogenloozer zal zijn dan de knevelarijen onder het Cultuurstelsel. Beide stelsels verduidelijkt hij door een teekenend beeld: Deteugeldoor den gouverneur-generaal vastgehouden, die onderverdeeld is in lijnen en koorden, die ten laatste elk individu bereiken en in toom houden, is het beeld van hetgezag. “Verander al die lijnen inbuizen, zet de twaalf-millioen dunne, twintigmaal onderverdeelde bij-buisjes op de borst van twaalf-millioen Javanen, breng ’n zuiger, ’n Hinken stoomzuiger aan op de hoofdbuis, en daarna...

Pomp,pomp,pomp, zeg ik u.Pompvoor den duivel... en voor Nederland.—Dat is ’t kultuurstelsel. Geef elken avonturier toegang tot de machine, tot de hoofdbuis, tot de onderbuis, tot de kleine nevenbuisjes... Vergun hem z’n eigen buizen, de buizen van de WelEdele Heeren Droogstoppel en Consorten, te plaatsen op de borst van twaalf millioen Javanen...

Laat hem boren dóór die borst, tot hij ’t hart raakt... En dan... ja, dan...

Pomp...pomp...pomp... voor den duivel... en voor devrije arbeiders...”

Niet in het stelsel zit de fout, maar in baatzuchtige toepassing. Het liberale denkbeeld vanvrije arbeid past niet in het inlandsch gezagsysteem: het zal geen vrijwilligheid van den arbeid scheppen of waarborgen. Nadrukkelijk waarschuwt Dekker zijn landgenooten, dat Indië voor Nederland verloren zal gaan, “als Nederland niet zorgt, dat den Javaan recht wordt gedaan”.

HET TWEEDE HUWELIJKMeer en meer gaat Multatuli inzien, dat Indië alleen gered kan worden, door Nederland te redden van den leugen. Hij roept, wie nog niet heelemaal zijn verleugend, op tot den strijd, tot het streven naar waarheid. Indië geraakt eenigszins op den achtergrond en “de naam Insulinde representeert voortaan (zijn) algemeen streven, als Nasareth het Christus-idee.”In het politieke en het maatschappelijke leven, in zeden, opvoeding en godsdienst zal hij den leugen aantoonen. Hij trekt te velde tegen Droogstoppelarij in alle beteekenissen: d. i. “tegen al wat op zedelijk, maatschappelijk en staatkundig gebied klein, gemeen, bekrompen of benauwd is.” (I. 403.)Zijn levensomstandigheden blijven even onzeker; feitelijk heeft hij vanaf 1860 van zijn pen geleefd, later ook van ’t geven van voordrachten, maar eerst tegen 1870 laat hij alle hoop op herstel zijner carrière varen en neemt ’t besluit schrijver te worden. Verscheiden geestverwanten steunen hem met grooter of kleinerbedragen. Maar ’t is een bodemlooze put: het impulsief “weldoen” kan hij nooit laten, als hij geld op zak heeft; zijn verblijf in hotels kost schatten, en met de uiterste zuinigheid kan Tine niet uit de schulden blijven. Zijn hoop is eerst gevestigd geweest op een nationale inschrijving ten bate van Max Havelaar, op pogingen om hem over zijn 17 dienstjaren pensioen te verleenen, maar er gebeurt niets. Als zijnIdeënopgang maken biedt hij zijn portret in 500 exemplaren voor ƒ 10 of ƒ 50 (met autograaph) te koop aan, om met die som ter verwerkelijking zijner plannen een tijdschrift op te richten: de geestverwanten laten hem in den steek.Af en toe blijft hij enkele weken, een enkelen keer langer tijd bij zijn gezin in Brussel. In den zomer van 1864 schieten een paar leden van de “Dageraad”, voor wie hij soms optrad, belangeloos eenige kamertjes voor hem af op den zolder van zijn uitgever. Daar woont hij anderhalf jaar, tot hij naar Duitschland vlucht, omdat hij tot boete en gevangenisstraf veroordeeld was: hij had n.l. een schouwburgbezoeker, die een actrice in tegenwoordigheid van haar kind bespotte, een oorvijg toegediend! Als Tine hare wissels onmogelijk kan voldoen, vlucht ze naar Amsterdam, naar de verlaten zolderkamertjes van haar man en in een restaurant in de buurt bezorgde Dekker zijn vrouw en kind het middagmaal op crediet.In 1862 was hij begonnen aan de uitgave zijnerIdeën; naar aanleiding hiervan kwam hij in briefwisseling met Mimi Hamminck Schepel, een zeer begaafd meisje uit een deftige, behoudende, Haagsche familie.MinnebrievenenIdeënwerden er niet geduld: van een vriendin kreeg ze deze boeken te leen. Ze werd meegesleept en bezield door Multatuli’s strijd voor waarheid en recht: de troosteloosheid van de geschiedenissen van gezag, het tragische van het martelaarschap grepen haar aan, maar haar jeugdige geestdrift zette het leed om ’t onrecht om in bezielden moed. Haar begrijpend en meelevend enthousiasme zijn voor den verkondiger der Ideën, een heerlijken troost en steun geweest in zijn moeilijk leven. Heel spoedig groeit deze vriendschap, uit geestverwantschap geboren, tot liefde: inniger en bestendiger is deze liefde geworden, dan die voor Sietske en anderen. En Mimi heeft een zwaren, moeilijken strijd te voeren gehad tusschen haar tot liefde ontbloeide vereering voor Multatuli en haar plicht en liefde jegens hare ouders. Deze kúnnen zich in de romantische liefdesopvattingen niet indenken, nog minder invoelen.D. D.stelt Tine steeds voor als de alles begrijpende, meevoelende vrouw; hij spoort Mimi aan hare liefde aan zijn vrouw te bekennen. En om haar man tegen praatjes, als zou zij een ongelukkige, verlaten vrouw zijn, te verdedigen, reist zij methaar kinderen naar Den Haag om Mimi’s ouders gerust te stellen; ’t is haar gelukt, schrijft ze aan een vriendin, die familie het nobele karakter vanD. D.te doen begrijpen, en ze ervan te overtuigen, dat het hooge enthousiasme van hun dochter wèl geplaatst was. Ze voelt zich gelukkig anderen gelukkig te hebben kunnen maken en zelf was ze beloond, doordat haar man over haar tevreden was. Na den dood harer moeder gaat Mimi naar ’t buitenland, later is ze onderwijzeres aan de Arnhemsche kweekschool; ter wille van haren vader mijdt zeD. D.Maar als deze armer en verlatener dan ooit in Duitschland rondzwerft gaat ze naar hem toe, om tot het einde toe met en voor hem te leven. En terwijl Mimi zijn tweede vrouw is, blijft hij naar Tine en de kinderen verlangen: en dat is geen “literatuur”, in zijn romantische liefdesverhoudingen is hij oprecht, ja hij suggereert zich zelfs, dat ook Tine hierin met hem meevoelt. Dit nu is het tragische, dat Tine wel gepoogd heeft hem te waarschuwen, maar ten slotte nooit krachtighareopvatting heeft gesteld tegenover de zijne: ze wilde den prikkelbaren man sparen, ze wil als vrouw van een genie alles offeren; ze weet zich als weinig vrouwen bemind, en ze verwijt zich soms, dat ze zich niet genoeg verheffen kan tot zijn hoogheid van ziel. Toen hij altijd bij haar was kon ze alle moeilijkheden dragen, maar in hare eenzaamheidovermant haar de melancholie. Haar grooten troost vindt ze in de kinderen en in hare vriendschap voor Stéphanie, die ze als jong meisje te Brussel leerde kennen. Stéphanie was in den vollen zin des woords Tine’s Fancy!Maar de romantische liefdesverhoudingen keurt ze af, ze kan er zich niet mee vereenigen. Als ze weet dat Mimi bij haar man is, neemt ze het besluit te trachten voor zich en de kinderen te zorgen: ze vraagt hulp aan vrienden om naar Indië te gaan.De pogingen van Van Vloten e.a. om haar aan een vast inkomen te helpen, mislukken. Dan komt de uitnoodiging van Stéphanie, die met professor Omboni gehuwd is, om in Italië te komen, als een uitredding. Door eigen arbeid als gezelschapsdame, later als onderwijzeres, heeft Tine met hulp van vrienden voor zich zelve en de kinderen gezorgd.D. D.doet ook wat hij kan en eindelijk, in 1869, is er hoop op hereeniging van het gezin. Door een erfenis is Mimi in staat in Den Haag een huis in te richten: en daar neemt het gezin met Mimi hun intrek. Door journalistieken arbeid wasD. D.van een bescheiden vast inkomen verzekerd.Uit Tine’s brieven aan Stéphanie blijkt het, dat dit jaar in Den Haag haar alle illusies heeft benomen: de kinderen blijken van hun vader vervreemd, die toch zoo veel van ze houdt. Ze is niet op haar gemak: “waar alles onnatuurlijkis, ben ik niet mezelf”, de verhoudingen zijn allerverwardst en pijnlijk voor haar, want haar hart veroudert niet. Ze bekent aan hare vriendin, dat ze Italië niet had moeten verlaten. AlsD. D.met Mimi voor eenige weken naar Duitschland is gegaan, reist ze met de kinderen naar Milaan. Haar kinderen ontwikkelen zich voorspoedig, haar zoon krijgt een betrekking in Venetië, waar ze bij hem woont: en hier is ze, verzwakt door al het leed en de ontbering, in 1874 gestorven.Onder de definitieve scheiding van Tine en zijn kinderen heeftD. D.blijvend geleden. Doordat hij zijn ideaal van vrije liefde werkelijk heeft uitgeleefd, heeft hij groot leed gebracht over de vrouw, van wie hij is blijven houden zelf heeft hij de kinderen er door verloren. En de tweede vrouw, Mimi, heeft ten slotte ook geleden onder zijn telkens opvlammende nieuwe neigingen. Wat Tine voor hem is geweest in de Indische huwelijksjaren: de vrouw, die zijn materieele bestaan verzorgt en daardoor ook evenwicht brengt in zijn innerlijk leven, maar die in de eerste plaats met hem opgaat in zijn geestelijke roeping,—dat is Mimi voor hem geweest in zijn laatste twintig levensjaren.Het ligt in den aard der omstandigheden, dat bij een vrij huwelijk de vrouw den meesten moed toont: zijbreektmet maatschappelijke opvattingen, die haar veel sterker bonden danden man. En ze deed het, niet in een eerste vlaag van dwepende vereering, maar na jarenlange gedachtenwisseling en aanvankelijke weifeling. Maar toen eens haar besluit genomen was om ondanks wet en conventie de uitspraak van haar hart te volgen heeft zij trouw en standvastig haar liefdestaak vervuld. “Ik vind uw leven het ideaal van een vrouwenleven,” schrijft haar eens een onzer eerste “geëmancipeerde” vrouwen! Zij weet in zijn rusteloos bohêmeleven weer eenige rust en huiselijkheid te brengen: logementen, waar hij anders maanden kon blijven hangen, heeten nu de pest in zijn brieven en hij eet voor weinig geld eigenlijk beter dan in een logement: op spiritus kookt Mimi hun potje! Met vertalen en journalistiek werk tracht ze ook wat te verdienen. En dat sobere, werkzame leven wordt overstraald door een geluk, dat ze aldus heeft beschreven: “Ja, we waren zeer arm in Coblenz; maar in weerwil van die armoede is de indruk die mij uit dien tijd is overgebleven een indruk van rijkdom en heerlijkheid. We woonden er in één kamer in de Rheinstrasse boven een banketbakker, Werner. De kamer was vriendelijk en zindelijk maar uiterst eenvoudig ingericht. We hadden haar gehuurd voor zes thaler ’s maands. Maar op dat kanapétje aan die wrakke tafel zat hij...Multatuli. Zijn positie was ellendig, maar dat kon niet zoo blijven. Als hij zeide: Jou althanskan niemand mij afnemen! dan was ik voldaan. Ik ook had zorg en smart, maar de grootte van zijn leed hield mij staande en maakte mij moedig. Er was iets groots in alles. We hadden ongelukken gehad en zaten daar als schipbreukelingen op een rots. Onze eenzaamheid, de schoonheid der natuur, de groote geschiedenis die wij zagen afspelen als een boeiend drama, ’t was alles aangrijpend. En dan met hem! Als uit een eeuwig frissche fontein zoo welden zijn opmerkingen, beschouwingen, boutades uit zijn hoofd, uit zijn hart. Zij kleurden en verlevendigden voor mij de gebeurtenissen die reeds uit zich zelf zoo merkwaardig en ook in de zijdelingsche lichten waarin wij ze zagen zoo pikant en bijzonder waren.” (Brieven VII, 103–104).Een jaar na Tine’s overlijden is het tweede huwelijk gesloten: een bewuste concessie aan het verachte publiek, en een verstandige daad ter wille van de twintig jaar jongere tweede vrouw, die al bijna een tiental jaren zijn leven gedeeld had. Zelf noemt hij het “een verdrietige noodzakelijkheid, omdat we niet onafhankelijk zijn van de wereld.”Al heeftD. D.de laatste 20 jaar van zijn leven in Duitschland geleefd, toch bleef hij in geregeld contact met Holland. Een enkele maal tracht hij invloed uit te oefenen op de politiek; in 1867 “weert (hij) zich als een oud konijn”om het ministerie te laten vallen, maar in hoofdzaak tracht hij invloed te oefenen op den geest van zijn volk. Verschillende vrienden zijn hem bijgevallen. Vosmaer is vol bewondering en sympathie, met Van Vloten (die hem later bitter zal grieven met zijn “Onkruid onder de tarwe”, een scherpe kritiek opD. D.als mensch en schrijver), Busken Huet, Tiele, den Vlaming De Geyter, met Mina Krüseman e. a. is hij in schriftelijk verkeer.Tusschen 1866–1869 bezorgde Huet hem een vast medewerkerschap aan deOpregte Haarlemmer Courant: hij moest geregeld “kleurlooze” berichten geven. Om eigen beschouwingen toch te kunnen plaatsen, gaf hij deze als citaten uit een door hem gefingeerd blad deMainzer Beobachter. Toen dit den uitgever ter oore kwam, hield zijn medewerking op. In verschillende bladen heeft hij bijdragen en feuilletons gegeven; zoo verschenenDe Japansche gesprekken,De Millioenenstudiën: maar de lezers ergerden zich of begrepen het niet, zoodat de redacties voortzetting niet aandurfden.De vriendschappelijke relatie sedert 1871 met den uitgever Funke is zoowel aan zijn werk als aan zijn financiën ten goede gekomen. Wel was d’Ablaing, de eerste uitgever van de twee eerste bundelsIdeëneen vriend en geestverwant, maar hij konD. D.financieel niet genoeg steunen, omdat hij zelf herhaaldelijk krap zat; zoo moest hijop honorarium wachten, of kon geen voorschot krijgen, dat onmisbaar was, om aan ’t werk te kunnen komen. De verstandhouding met d’Ablaing, die zoowel voor den schrijver als voor zichzelf voordeel beoogde uit diensIdeën, leed hieronder: ’t liep uit op wederzijdsche beschuldigingen en verwijdering.Funke daarentegen verlichtte door voorschotten en ruime honoraria de geldzorgen, en verschafteD. D.“loisir” om te schrijven. Hij waardeerde hem niet alleen als schrijver, maar wist ook zijn eigenaardigheden te eerbiedigen. Zoo verschenen tusschen 1871 en 1877 herdrukken met aanteekeningen van de twee eerste bundelsIdeën, die in 1862 en 1864 waren verschenen. Tusschen 1870 en 1873 kwamen daar nog bundel III–VI bij; bundel VII werd onderbroken door de zenuwspanning na Tine’s overlijden en kwam eerst drie jaar later gereed.D. D.bleef in Duitschland wonen; eerst te Wiesbaden, na 1880 te Nieder-Ingelheim waar de vader van hun pleegkindWouterze in staat stelde een huisje te koopen. Hier sleet hij zijne laatste, nu zoo rustige levensjaren en overleed er den 19denFebruari 1887. Ook door de bemoeiingen van de aanbieders van hetHuldeblijkwaren de financiëele zorgen verlicht. Een som van ƒ 20.000 werd bijeengebracht en daarvoor werden lijfrenten voorD. D.en zijn vrouw gekocht. Ook dit bewijs van Hollandsche waardeeringheeft den grooten man bitter gestemd bij alle dankbaarheid aan warme vrienden. “Het is die armzalige taxatie die me grieft.—Ik ben wel voor een millioen uitgescholden aan den eenen kant en voor even zoo veel in de hoogte gestoken aan den anderen kant. Vrome tijdschriften verklaren dat ik God onttroond heb.—Ik heb nu ’t zelfde inkomen als toen ik 43 jaar geleden als negentienjarig jongetje klerk bij de algemeene Rekenkamer te Batavia was.—We weten nu wat toejuiching, opgang en Godonttroonenin Hollandwaard is!” (Brieven X. 192–193).TER VERSPREIDING.AAN DE LEZERS MIJNER IDEËN.Weldra zal de Zegelwet worden afgeschaft. Ik wenste daarvan gebruik te maken, om, door het uitgeven van een Dagblad, meer algemeen ingang te verschaffen aan de denkbeelden welke, naar ik hoop, iets zullen bijdragen tot genezing van ’t “Contagium dat er heerst in onzen staat.”Ik beroep mij hieromtrent op wat ik schreef, en aantoonde, in denHavelaar, in de Minnebrieven, in denVrij-Arbeid, in de Ideën.Om een Dagblad optezetten, heb ik geld nodig, en wel een aanzienlijke som. Het zou mij onmogelijk zijn, in een dagelijkse Courant te verdedigen wat ik voor waarheid houd, zonder zekere maat van onafhankelijkheid, en die onafhankelijkheid gaat verloren, als het finantiëel gedeelte van zodanige onderneming in handen is van geldschieters.Zulke afhankelijkheid is een der hoofdoorzaken waardoor onze Couranten zijn... zo-als ze zijn.Dagelijks ontvang ik brieven van belangstellende personen, die mij vragen op welke wijze men mij blijken geven kan, hetzij van sympathie mot mijn moeielijk verleden, hetzij van belangstelling in mijn persoon en tegenwoordigen arbeid, hetzij van deelneming in mijn streven voor de toekomst.Ziet-hier nu een antwoord op die vragen. Ik heb mijn portret laten vervaardigen, en verzoek U dat te kopen tegen hogen prijs. De som die ik zal nodig hebben om te geraken tot betrekkelijke onafhankelijkheid, is groot; vooral daar ik sedert jaren gebukt ga onder allerlei moeielijkheden, die niet kunnen worden weggenomen door mijn aandeel in de opbrengst der Ideën, al is dan ook,voor Holland, de opgang van mijn geschrijf buitengewoon.Ik zal elk Exemplaar mijner portretten tekenen met een spreuk of ’n gezegde uit mijn werken; wie dus ongaarne een te hogen prijs betaalt voor mijn afbeeldsel, betale die voor mijn autograaf Of liever, men beschouwe z’n uitgaaf ala een bijdrage tot de betrekkelijke onafhankelijkheid, waartoe ik langs dezen weg geraken wil.Wie, om een der genoemde redenen, een portret van mij verlangt, wordt uitgenodigd, in postwissel of aangetekenden brief,tienofvijftigGulden te zenden aan mijnen Uitgever, de firma B. C. MEIJER,Kalverstraat246,Amsterdam.VoortienGulden zal eenSTEENDRUK-EXEMPLAARworden gezonden; voorvijftig, eenPHOTOGRAFIE, beiden goed uitgevoerd, (doorMitkiewiczte Brussel.)Ik voel mij verpligt hier uitdrukkelijk te verklaren, dat ik mij niet kan verbinden tot het uitvoeren van mijn plan, als ik daartoe niet word in staat gesteld door vrij algeméne deelname. Zonder volkomen onafhankelijkheid—en wat rust!—kan ik geen Courant uitgeven. De welwillende bestellers van mijn portret zouden in dat geval bun uitgaaf moeten beschouwen als een blijk van sympathie voor mijn persoon, of van enige ingenomenheid met mijn werk.En—in verband met ontstentenis van behoorlijke wetten tegen namaak—ik verzoek ieder geen portretten van mij te kopen waarop mijn handschrift niet staat.Duur?... Och, aan niemand kan deze zaak zo-veel kosten, als zemijkost!MULTATULI.Aan deFirmaR. C. MEIJER.Amsterdam.Mijnheer: Ik verzoek U mij te doen geworden:EenSteendruk-Exemplaar/Photografie-Exemplaarvan het Portret vanMULTATULI.waarvoor hierin geslotenTien/VijftigGulden.Handteekening:Naam:Woonplaats:(Wordt verzocht het niet begeerde, of niet gezondene, door te halen, en Naam en Woonplaats duidelijk te schrijven).Prospectus voor den verkoop van MULTATULI’S portret, waardoor hij de middelen hoopte te vinden om een Dagblad te kunnen oprichten, 1865.

Meer en meer gaat Multatuli inzien, dat Indië alleen gered kan worden, door Nederland te redden van den leugen. Hij roept, wie nog niet heelemaal zijn verleugend, op tot den strijd, tot het streven naar waarheid. Indië geraakt eenigszins op den achtergrond en “de naam Insulinde representeert voortaan (zijn) algemeen streven, als Nasareth het Christus-idee.”

In het politieke en het maatschappelijke leven, in zeden, opvoeding en godsdienst zal hij den leugen aantoonen. Hij trekt te velde tegen Droogstoppelarij in alle beteekenissen: d. i. “tegen al wat op zedelijk, maatschappelijk en staatkundig gebied klein, gemeen, bekrompen of benauwd is.” (I. 403.)

Zijn levensomstandigheden blijven even onzeker; feitelijk heeft hij vanaf 1860 van zijn pen geleefd, later ook van ’t geven van voordrachten, maar eerst tegen 1870 laat hij alle hoop op herstel zijner carrière varen en neemt ’t besluit schrijver te worden. Verscheiden geestverwanten steunen hem met grooter of kleinerbedragen. Maar ’t is een bodemlooze put: het impulsief “weldoen” kan hij nooit laten, als hij geld op zak heeft; zijn verblijf in hotels kost schatten, en met de uiterste zuinigheid kan Tine niet uit de schulden blijven. Zijn hoop is eerst gevestigd geweest op een nationale inschrijving ten bate van Max Havelaar, op pogingen om hem over zijn 17 dienstjaren pensioen te verleenen, maar er gebeurt niets. Als zijnIdeënopgang maken biedt hij zijn portret in 500 exemplaren voor ƒ 10 of ƒ 50 (met autograaph) te koop aan, om met die som ter verwerkelijking zijner plannen een tijdschrift op te richten: de geestverwanten laten hem in den steek.

Af en toe blijft hij enkele weken, een enkelen keer langer tijd bij zijn gezin in Brussel. In den zomer van 1864 schieten een paar leden van de “Dageraad”, voor wie hij soms optrad, belangeloos eenige kamertjes voor hem af op den zolder van zijn uitgever. Daar woont hij anderhalf jaar, tot hij naar Duitschland vlucht, omdat hij tot boete en gevangenisstraf veroordeeld was: hij had n.l. een schouwburgbezoeker, die een actrice in tegenwoordigheid van haar kind bespotte, een oorvijg toegediend! Als Tine hare wissels onmogelijk kan voldoen, vlucht ze naar Amsterdam, naar de verlaten zolderkamertjes van haar man en in een restaurant in de buurt bezorgde Dekker zijn vrouw en kind het middagmaal op crediet.

In 1862 was hij begonnen aan de uitgave zijnerIdeën; naar aanleiding hiervan kwam hij in briefwisseling met Mimi Hamminck Schepel, een zeer begaafd meisje uit een deftige, behoudende, Haagsche familie.MinnebrievenenIdeënwerden er niet geduld: van een vriendin kreeg ze deze boeken te leen. Ze werd meegesleept en bezield door Multatuli’s strijd voor waarheid en recht: de troosteloosheid van de geschiedenissen van gezag, het tragische van het martelaarschap grepen haar aan, maar haar jeugdige geestdrift zette het leed om ’t onrecht om in bezielden moed. Haar begrijpend en meelevend enthousiasme zijn voor den verkondiger der Ideën, een heerlijken troost en steun geweest in zijn moeilijk leven. Heel spoedig groeit deze vriendschap, uit geestverwantschap geboren, tot liefde: inniger en bestendiger is deze liefde geworden, dan die voor Sietske en anderen. En Mimi heeft een zwaren, moeilijken strijd te voeren gehad tusschen haar tot liefde ontbloeide vereering voor Multatuli en haar plicht en liefde jegens hare ouders. Deze kúnnen zich in de romantische liefdesopvattingen niet indenken, nog minder invoelen.D. D.stelt Tine steeds voor als de alles begrijpende, meevoelende vrouw; hij spoort Mimi aan hare liefde aan zijn vrouw te bekennen. En om haar man tegen praatjes, als zou zij een ongelukkige, verlaten vrouw zijn, te verdedigen, reist zij methaar kinderen naar Den Haag om Mimi’s ouders gerust te stellen; ’t is haar gelukt, schrijft ze aan een vriendin, die familie het nobele karakter vanD. D.te doen begrijpen, en ze ervan te overtuigen, dat het hooge enthousiasme van hun dochter wèl geplaatst was. Ze voelt zich gelukkig anderen gelukkig te hebben kunnen maken en zelf was ze beloond, doordat haar man over haar tevreden was. Na den dood harer moeder gaat Mimi naar ’t buitenland, later is ze onderwijzeres aan de Arnhemsche kweekschool; ter wille van haren vader mijdt zeD. D.Maar als deze armer en verlatener dan ooit in Duitschland rondzwerft gaat ze naar hem toe, om tot het einde toe met en voor hem te leven. En terwijl Mimi zijn tweede vrouw is, blijft hij naar Tine en de kinderen verlangen: en dat is geen “literatuur”, in zijn romantische liefdesverhoudingen is hij oprecht, ja hij suggereert zich zelfs, dat ook Tine hierin met hem meevoelt. Dit nu is het tragische, dat Tine wel gepoogd heeft hem te waarschuwen, maar ten slotte nooit krachtighareopvatting heeft gesteld tegenover de zijne: ze wilde den prikkelbaren man sparen, ze wil als vrouw van een genie alles offeren; ze weet zich als weinig vrouwen bemind, en ze verwijt zich soms, dat ze zich niet genoeg verheffen kan tot zijn hoogheid van ziel. Toen hij altijd bij haar was kon ze alle moeilijkheden dragen, maar in hare eenzaamheidovermant haar de melancholie. Haar grooten troost vindt ze in de kinderen en in hare vriendschap voor Stéphanie, die ze als jong meisje te Brussel leerde kennen. Stéphanie was in den vollen zin des woords Tine’s Fancy!

Maar de romantische liefdesverhoudingen keurt ze af, ze kan er zich niet mee vereenigen. Als ze weet dat Mimi bij haar man is, neemt ze het besluit te trachten voor zich en de kinderen te zorgen: ze vraagt hulp aan vrienden om naar Indië te gaan.

De pogingen van Van Vloten e.a. om haar aan een vast inkomen te helpen, mislukken. Dan komt de uitnoodiging van Stéphanie, die met professor Omboni gehuwd is, om in Italië te komen, als een uitredding. Door eigen arbeid als gezelschapsdame, later als onderwijzeres, heeft Tine met hulp van vrienden voor zich zelve en de kinderen gezorgd.D. D.doet ook wat hij kan en eindelijk, in 1869, is er hoop op hereeniging van het gezin. Door een erfenis is Mimi in staat in Den Haag een huis in te richten: en daar neemt het gezin met Mimi hun intrek. Door journalistieken arbeid wasD. D.van een bescheiden vast inkomen verzekerd.

Uit Tine’s brieven aan Stéphanie blijkt het, dat dit jaar in Den Haag haar alle illusies heeft benomen: de kinderen blijken van hun vader vervreemd, die toch zoo veel van ze houdt. Ze is niet op haar gemak: “waar alles onnatuurlijkis, ben ik niet mezelf”, de verhoudingen zijn allerverwardst en pijnlijk voor haar, want haar hart veroudert niet. Ze bekent aan hare vriendin, dat ze Italië niet had moeten verlaten. AlsD. D.met Mimi voor eenige weken naar Duitschland is gegaan, reist ze met de kinderen naar Milaan. Haar kinderen ontwikkelen zich voorspoedig, haar zoon krijgt een betrekking in Venetië, waar ze bij hem woont: en hier is ze, verzwakt door al het leed en de ontbering, in 1874 gestorven.

Onder de definitieve scheiding van Tine en zijn kinderen heeftD. D.blijvend geleden. Doordat hij zijn ideaal van vrije liefde werkelijk heeft uitgeleefd, heeft hij groot leed gebracht over de vrouw, van wie hij is blijven houden zelf heeft hij de kinderen er door verloren. En de tweede vrouw, Mimi, heeft ten slotte ook geleden onder zijn telkens opvlammende nieuwe neigingen. Wat Tine voor hem is geweest in de Indische huwelijksjaren: de vrouw, die zijn materieele bestaan verzorgt en daardoor ook evenwicht brengt in zijn innerlijk leven, maar die in de eerste plaats met hem opgaat in zijn geestelijke roeping,—dat is Mimi voor hem geweest in zijn laatste twintig levensjaren.

Het ligt in den aard der omstandigheden, dat bij een vrij huwelijk de vrouw den meesten moed toont: zijbreektmet maatschappelijke opvattingen, die haar veel sterker bonden danden man. En ze deed het, niet in een eerste vlaag van dwepende vereering, maar na jarenlange gedachtenwisseling en aanvankelijke weifeling. Maar toen eens haar besluit genomen was om ondanks wet en conventie de uitspraak van haar hart te volgen heeft zij trouw en standvastig haar liefdestaak vervuld. “Ik vind uw leven het ideaal van een vrouwenleven,” schrijft haar eens een onzer eerste “geëmancipeerde” vrouwen! Zij weet in zijn rusteloos bohêmeleven weer eenige rust en huiselijkheid te brengen: logementen, waar hij anders maanden kon blijven hangen, heeten nu de pest in zijn brieven en hij eet voor weinig geld eigenlijk beter dan in een logement: op spiritus kookt Mimi hun potje! Met vertalen en journalistiek werk tracht ze ook wat te verdienen. En dat sobere, werkzame leven wordt overstraald door een geluk, dat ze aldus heeft beschreven: “Ja, we waren zeer arm in Coblenz; maar in weerwil van die armoede is de indruk die mij uit dien tijd is overgebleven een indruk van rijkdom en heerlijkheid. We woonden er in één kamer in de Rheinstrasse boven een banketbakker, Werner. De kamer was vriendelijk en zindelijk maar uiterst eenvoudig ingericht. We hadden haar gehuurd voor zes thaler ’s maands. Maar op dat kanapétje aan die wrakke tafel zat hij...Multatuli. Zijn positie was ellendig, maar dat kon niet zoo blijven. Als hij zeide: Jou althanskan niemand mij afnemen! dan was ik voldaan. Ik ook had zorg en smart, maar de grootte van zijn leed hield mij staande en maakte mij moedig. Er was iets groots in alles. We hadden ongelukken gehad en zaten daar als schipbreukelingen op een rots. Onze eenzaamheid, de schoonheid der natuur, de groote geschiedenis die wij zagen afspelen als een boeiend drama, ’t was alles aangrijpend. En dan met hem! Als uit een eeuwig frissche fontein zoo welden zijn opmerkingen, beschouwingen, boutades uit zijn hoofd, uit zijn hart. Zij kleurden en verlevendigden voor mij de gebeurtenissen die reeds uit zich zelf zoo merkwaardig en ook in de zijdelingsche lichten waarin wij ze zagen zoo pikant en bijzonder waren.” (Brieven VII, 103–104).

Een jaar na Tine’s overlijden is het tweede huwelijk gesloten: een bewuste concessie aan het verachte publiek, en een verstandige daad ter wille van de twintig jaar jongere tweede vrouw, die al bijna een tiental jaren zijn leven gedeeld had. Zelf noemt hij het “een verdrietige noodzakelijkheid, omdat we niet onafhankelijk zijn van de wereld.”

Al heeftD. D.de laatste 20 jaar van zijn leven in Duitschland geleefd, toch bleef hij in geregeld contact met Holland. Een enkele maal tracht hij invloed uit te oefenen op de politiek; in 1867 “weert (hij) zich als een oud konijn”om het ministerie te laten vallen, maar in hoofdzaak tracht hij invloed te oefenen op den geest van zijn volk. Verschillende vrienden zijn hem bijgevallen. Vosmaer is vol bewondering en sympathie, met Van Vloten (die hem later bitter zal grieven met zijn “Onkruid onder de tarwe”, een scherpe kritiek opD. D.als mensch en schrijver), Busken Huet, Tiele, den Vlaming De Geyter, met Mina Krüseman e. a. is hij in schriftelijk verkeer.

Tusschen 1866–1869 bezorgde Huet hem een vast medewerkerschap aan deOpregte Haarlemmer Courant: hij moest geregeld “kleurlooze” berichten geven. Om eigen beschouwingen toch te kunnen plaatsen, gaf hij deze als citaten uit een door hem gefingeerd blad deMainzer Beobachter. Toen dit den uitgever ter oore kwam, hield zijn medewerking op. In verschillende bladen heeft hij bijdragen en feuilletons gegeven; zoo verschenenDe Japansche gesprekken,De Millioenenstudiën: maar de lezers ergerden zich of begrepen het niet, zoodat de redacties voortzetting niet aandurfden.

De vriendschappelijke relatie sedert 1871 met den uitgever Funke is zoowel aan zijn werk als aan zijn financiën ten goede gekomen. Wel was d’Ablaing, de eerste uitgever van de twee eerste bundelsIdeëneen vriend en geestverwant, maar hij konD. D.financieel niet genoeg steunen, omdat hij zelf herhaaldelijk krap zat; zoo moest hijop honorarium wachten, of kon geen voorschot krijgen, dat onmisbaar was, om aan ’t werk te kunnen komen. De verstandhouding met d’Ablaing, die zoowel voor den schrijver als voor zichzelf voordeel beoogde uit diensIdeën, leed hieronder: ’t liep uit op wederzijdsche beschuldigingen en verwijdering.

Funke daarentegen verlichtte door voorschotten en ruime honoraria de geldzorgen, en verschafteD. D.“loisir” om te schrijven. Hij waardeerde hem niet alleen als schrijver, maar wist ook zijn eigenaardigheden te eerbiedigen. Zoo verschenen tusschen 1871 en 1877 herdrukken met aanteekeningen van de twee eerste bundelsIdeën, die in 1862 en 1864 waren verschenen. Tusschen 1870 en 1873 kwamen daar nog bundel III–VI bij; bundel VII werd onderbroken door de zenuwspanning na Tine’s overlijden en kwam eerst drie jaar later gereed.

D. D.bleef in Duitschland wonen; eerst te Wiesbaden, na 1880 te Nieder-Ingelheim waar de vader van hun pleegkindWouterze in staat stelde een huisje te koopen. Hier sleet hij zijne laatste, nu zoo rustige levensjaren en overleed er den 19denFebruari 1887. Ook door de bemoeiingen van de aanbieders van hetHuldeblijkwaren de financiëele zorgen verlicht. Een som van ƒ 20.000 werd bijeengebracht en daarvoor werden lijfrenten voorD. D.en zijn vrouw gekocht. Ook dit bewijs van Hollandsche waardeeringheeft den grooten man bitter gestemd bij alle dankbaarheid aan warme vrienden. “Het is die armzalige taxatie die me grieft.—Ik ben wel voor een millioen uitgescholden aan den eenen kant en voor even zoo veel in de hoogte gestoken aan den anderen kant. Vrome tijdschriften verklaren dat ik God onttroond heb.—Ik heb nu ’t zelfde inkomen als toen ik 43 jaar geleden als negentienjarig jongetje klerk bij de algemeene Rekenkamer te Batavia was.—We weten nu wat toejuiching, opgang en Godonttroonenin Hollandwaard is!” (Brieven X. 192–193).

TER VERSPREIDING.AAN DE LEZERS MIJNER IDEËN.Weldra zal de Zegelwet worden afgeschaft. Ik wenste daarvan gebruik te maken, om, door het uitgeven van een Dagblad, meer algemeen ingang te verschaffen aan de denkbeelden welke, naar ik hoop, iets zullen bijdragen tot genezing van ’t “Contagium dat er heerst in onzen staat.”Ik beroep mij hieromtrent op wat ik schreef, en aantoonde, in denHavelaar, in de Minnebrieven, in denVrij-Arbeid, in de Ideën.Om een Dagblad optezetten, heb ik geld nodig, en wel een aanzienlijke som. Het zou mij onmogelijk zijn, in een dagelijkse Courant te verdedigen wat ik voor waarheid houd, zonder zekere maat van onafhankelijkheid, en die onafhankelijkheid gaat verloren, als het finantiëel gedeelte van zodanige onderneming in handen is van geldschieters.Zulke afhankelijkheid is een der hoofdoorzaken waardoor onze Couranten zijn... zo-als ze zijn.Dagelijks ontvang ik brieven van belangstellende personen, die mij vragen op welke wijze men mij blijken geven kan, hetzij van sympathie mot mijn moeielijk verleden, hetzij van belangstelling in mijn persoon en tegenwoordigen arbeid, hetzij van deelneming in mijn streven voor de toekomst.Ziet-hier nu een antwoord op die vragen. Ik heb mijn portret laten vervaardigen, en verzoek U dat te kopen tegen hogen prijs. De som die ik zal nodig hebben om te geraken tot betrekkelijke onafhankelijkheid, is groot; vooral daar ik sedert jaren gebukt ga onder allerlei moeielijkheden, die niet kunnen worden weggenomen door mijn aandeel in de opbrengst der Ideën, al is dan ook,voor Holland, de opgang van mijn geschrijf buitengewoon.Ik zal elk Exemplaar mijner portretten tekenen met een spreuk of ’n gezegde uit mijn werken; wie dus ongaarne een te hogen prijs betaalt voor mijn afbeeldsel, betale die voor mijn autograaf Of liever, men beschouwe z’n uitgaaf ala een bijdrage tot de betrekkelijke onafhankelijkheid, waartoe ik langs dezen weg geraken wil.Wie, om een der genoemde redenen, een portret van mij verlangt, wordt uitgenodigd, in postwissel of aangetekenden brief,tienofvijftigGulden te zenden aan mijnen Uitgever, de firma B. C. MEIJER,Kalverstraat246,Amsterdam.VoortienGulden zal eenSTEENDRUK-EXEMPLAARworden gezonden; voorvijftig, eenPHOTOGRAFIE, beiden goed uitgevoerd, (doorMitkiewiczte Brussel.)Ik voel mij verpligt hier uitdrukkelijk te verklaren, dat ik mij niet kan verbinden tot het uitvoeren van mijn plan, als ik daartoe niet word in staat gesteld door vrij algeméne deelname. Zonder volkomen onafhankelijkheid—en wat rust!—kan ik geen Courant uitgeven. De welwillende bestellers van mijn portret zouden in dat geval bun uitgaaf moeten beschouwen als een blijk van sympathie voor mijn persoon, of van enige ingenomenheid met mijn werk.En—in verband met ontstentenis van behoorlijke wetten tegen namaak—ik verzoek ieder geen portretten van mij te kopen waarop mijn handschrift niet staat.Duur?... Och, aan niemand kan deze zaak zo-veel kosten, als zemijkost!MULTATULI.Aan deFirmaR. C. MEIJER.Amsterdam.Mijnheer: Ik verzoek U mij te doen geworden:EenSteendruk-Exemplaar/Photografie-Exemplaarvan het Portret vanMULTATULI.waarvoor hierin geslotenTien/VijftigGulden.Handteekening:Naam:Woonplaats:(Wordt verzocht het niet begeerde, of niet gezondene, door te halen, en Naam en Woonplaats duidelijk te schrijven).Prospectus voor den verkoop van MULTATULI’S portret, waardoor hij de middelen hoopte te vinden om een Dagblad te kunnen oprichten, 1865.

TER VERSPREIDING.AAN DE LEZERS MIJNER IDEËN.Weldra zal de Zegelwet worden afgeschaft. Ik wenste daarvan gebruik te maken, om, door het uitgeven van een Dagblad, meer algemeen ingang te verschaffen aan de denkbeelden welke, naar ik hoop, iets zullen bijdragen tot genezing van ’t “Contagium dat er heerst in onzen staat.”Ik beroep mij hieromtrent op wat ik schreef, en aantoonde, in denHavelaar, in de Minnebrieven, in denVrij-Arbeid, in de Ideën.Om een Dagblad optezetten, heb ik geld nodig, en wel een aanzienlijke som. Het zou mij onmogelijk zijn, in een dagelijkse Courant te verdedigen wat ik voor waarheid houd, zonder zekere maat van onafhankelijkheid, en die onafhankelijkheid gaat verloren, als het finantiëel gedeelte van zodanige onderneming in handen is van geldschieters.Zulke afhankelijkheid is een der hoofdoorzaken waardoor onze Couranten zijn... zo-als ze zijn.Dagelijks ontvang ik brieven van belangstellende personen, die mij vragen op welke wijze men mij blijken geven kan, hetzij van sympathie mot mijn moeielijk verleden, hetzij van belangstelling in mijn persoon en tegenwoordigen arbeid, hetzij van deelneming in mijn streven voor de toekomst.Ziet-hier nu een antwoord op die vragen. Ik heb mijn portret laten vervaardigen, en verzoek U dat te kopen tegen hogen prijs. De som die ik zal nodig hebben om te geraken tot betrekkelijke onafhankelijkheid, is groot; vooral daar ik sedert jaren gebukt ga onder allerlei moeielijkheden, die niet kunnen worden weggenomen door mijn aandeel in de opbrengst der Ideën, al is dan ook,voor Holland, de opgang van mijn geschrijf buitengewoon.Ik zal elk Exemplaar mijner portretten tekenen met een spreuk of ’n gezegde uit mijn werken; wie dus ongaarne een te hogen prijs betaalt voor mijn afbeeldsel, betale die voor mijn autograaf Of liever, men beschouwe z’n uitgaaf ala een bijdrage tot de betrekkelijke onafhankelijkheid, waartoe ik langs dezen weg geraken wil.Wie, om een der genoemde redenen, een portret van mij verlangt, wordt uitgenodigd, in postwissel of aangetekenden brief,tienofvijftigGulden te zenden aan mijnen Uitgever, de firma B. C. MEIJER,Kalverstraat246,Amsterdam.VoortienGulden zal eenSTEENDRUK-EXEMPLAARworden gezonden; voorvijftig, eenPHOTOGRAFIE, beiden goed uitgevoerd, (doorMitkiewiczte Brussel.)Ik voel mij verpligt hier uitdrukkelijk te verklaren, dat ik mij niet kan verbinden tot het uitvoeren van mijn plan, als ik daartoe niet word in staat gesteld door vrij algeméne deelname. Zonder volkomen onafhankelijkheid—en wat rust!—kan ik geen Courant uitgeven. De welwillende bestellers van mijn portret zouden in dat geval bun uitgaaf moeten beschouwen als een blijk van sympathie voor mijn persoon, of van enige ingenomenheid met mijn werk.En—in verband met ontstentenis van behoorlijke wetten tegen namaak—ik verzoek ieder geen portretten van mij te kopen waarop mijn handschrift niet staat.Duur?... Och, aan niemand kan deze zaak zo-veel kosten, als zemijkost!MULTATULI.Aan deFirmaR. C. MEIJER.Amsterdam.Mijnheer: Ik verzoek U mij te doen geworden:EenSteendruk-Exemplaar/Photografie-Exemplaarvan het Portret vanMULTATULI.waarvoor hierin geslotenTien/VijftigGulden.Handteekening:Naam:Woonplaats:(Wordt verzocht het niet begeerde, of niet gezondene, door te halen, en Naam en Woonplaats duidelijk te schrijven).Prospectus voor den verkoop van MULTATULI’S portret, waardoor hij de middelen hoopte te vinden om een Dagblad te kunnen oprichten, 1865.

TER VERSPREIDING.AAN DE LEZERS MIJNER IDEËN.Weldra zal de Zegelwet worden afgeschaft. Ik wenste daarvan gebruik te maken, om, door het uitgeven van een Dagblad, meer algemeen ingang te verschaffen aan de denkbeelden welke, naar ik hoop, iets zullen bijdragen tot genezing van ’t “Contagium dat er heerst in onzen staat.”Ik beroep mij hieromtrent op wat ik schreef, en aantoonde, in denHavelaar, in de Minnebrieven, in denVrij-Arbeid, in de Ideën.Om een Dagblad optezetten, heb ik geld nodig, en wel een aanzienlijke som. Het zou mij onmogelijk zijn, in een dagelijkse Courant te verdedigen wat ik voor waarheid houd, zonder zekere maat van onafhankelijkheid, en die onafhankelijkheid gaat verloren, als het finantiëel gedeelte van zodanige onderneming in handen is van geldschieters.Zulke afhankelijkheid is een der hoofdoorzaken waardoor onze Couranten zijn... zo-als ze zijn.Dagelijks ontvang ik brieven van belangstellende personen, die mij vragen op welke wijze men mij blijken geven kan, hetzij van sympathie mot mijn moeielijk verleden, hetzij van belangstelling in mijn persoon en tegenwoordigen arbeid, hetzij van deelneming in mijn streven voor de toekomst.Ziet-hier nu een antwoord op die vragen. Ik heb mijn portret laten vervaardigen, en verzoek U dat te kopen tegen hogen prijs. De som die ik zal nodig hebben om te geraken tot betrekkelijke onafhankelijkheid, is groot; vooral daar ik sedert jaren gebukt ga onder allerlei moeielijkheden, die niet kunnen worden weggenomen door mijn aandeel in de opbrengst der Ideën, al is dan ook,voor Holland, de opgang van mijn geschrijf buitengewoon.Ik zal elk Exemplaar mijner portretten tekenen met een spreuk of ’n gezegde uit mijn werken; wie dus ongaarne een te hogen prijs betaalt voor mijn afbeeldsel, betale die voor mijn autograaf Of liever, men beschouwe z’n uitgaaf ala een bijdrage tot de betrekkelijke onafhankelijkheid, waartoe ik langs dezen weg geraken wil.Wie, om een der genoemde redenen, een portret van mij verlangt, wordt uitgenodigd, in postwissel of aangetekenden brief,tienofvijftigGulden te zenden aan mijnen Uitgever, de firma B. C. MEIJER,Kalverstraat246,Amsterdam.VoortienGulden zal eenSTEENDRUK-EXEMPLAARworden gezonden; voorvijftig, eenPHOTOGRAFIE, beiden goed uitgevoerd, (doorMitkiewiczte Brussel.)Ik voel mij verpligt hier uitdrukkelijk te verklaren, dat ik mij niet kan verbinden tot het uitvoeren van mijn plan, als ik daartoe niet word in staat gesteld door vrij algeméne deelname. Zonder volkomen onafhankelijkheid—en wat rust!—kan ik geen Courant uitgeven. De welwillende bestellers van mijn portret zouden in dat geval bun uitgaaf moeten beschouwen als een blijk van sympathie voor mijn persoon, of van enige ingenomenheid met mijn werk.En—in verband met ontstentenis van behoorlijke wetten tegen namaak—ik verzoek ieder geen portretten van mij te kopen waarop mijn handschrift niet staat.Duur?... Och, aan niemand kan deze zaak zo-veel kosten, als zemijkost!MULTATULI.Aan deFirmaR. C. MEIJER.Amsterdam.Mijnheer: Ik verzoek U mij te doen geworden:EenSteendruk-Exemplaar/Photografie-Exemplaarvan het Portret vanMULTATULI.waarvoor hierin geslotenTien/VijftigGulden.Handteekening:Naam:Woonplaats:(Wordt verzocht het niet begeerde, of niet gezondene, door te halen, en Naam en Woonplaats duidelijk te schrijven).Prospectus voor den verkoop van MULTATULI’S portret, waardoor hij de middelen hoopte te vinden om een Dagblad te kunnen oprichten, 1865.

TER VERSPREIDING.

AAN DE LEZERS MIJNER IDEËN.

Weldra zal de Zegelwet worden afgeschaft. Ik wenste daarvan gebruik te maken, om, door het uitgeven van een Dagblad, meer algemeen ingang te verschaffen aan de denkbeelden welke, naar ik hoop, iets zullen bijdragen tot genezing van ’t “Contagium dat er heerst in onzen staat.”

Ik beroep mij hieromtrent op wat ik schreef, en aantoonde, in denHavelaar, in de Minnebrieven, in denVrij-Arbeid, in de Ideën.

Om een Dagblad optezetten, heb ik geld nodig, en wel een aanzienlijke som. Het zou mij onmogelijk zijn, in een dagelijkse Courant te verdedigen wat ik voor waarheid houd, zonder zekere maat van onafhankelijkheid, en die onafhankelijkheid gaat verloren, als het finantiëel gedeelte van zodanige onderneming in handen is van geldschieters.

Zulke afhankelijkheid is een der hoofdoorzaken waardoor onze Couranten zijn... zo-als ze zijn.

Dagelijks ontvang ik brieven van belangstellende personen, die mij vragen op welke wijze men mij blijken geven kan, hetzij van sympathie mot mijn moeielijk verleden, hetzij van belangstelling in mijn persoon en tegenwoordigen arbeid, hetzij van deelneming in mijn streven voor de toekomst.

Ziet-hier nu een antwoord op die vragen. Ik heb mijn portret laten vervaardigen, en verzoek U dat te kopen tegen hogen prijs. De som die ik zal nodig hebben om te geraken tot betrekkelijke onafhankelijkheid, is groot; vooral daar ik sedert jaren gebukt ga onder allerlei moeielijkheden, die niet kunnen worden weggenomen door mijn aandeel in de opbrengst der Ideën, al is dan ook,voor Holland, de opgang van mijn geschrijf buitengewoon.

Ik zal elk Exemplaar mijner portretten tekenen met een spreuk of ’n gezegde uit mijn werken; wie dus ongaarne een te hogen prijs betaalt voor mijn afbeeldsel, betale die voor mijn autograaf Of liever, men beschouwe z’n uitgaaf ala een bijdrage tot de betrekkelijke onafhankelijkheid, waartoe ik langs dezen weg geraken wil.

Wie, om een der genoemde redenen, een portret van mij verlangt, wordt uitgenodigd, in postwissel of aangetekenden brief,tienofvijftigGulden te zenden aan mijnen Uitgever, de firma B. C. MEIJER,Kalverstraat246,Amsterdam.

VoortienGulden zal eenSTEENDRUK-EXEMPLAARworden gezonden; voorvijftig, eenPHOTOGRAFIE, beiden goed uitgevoerd, (doorMitkiewiczte Brussel.)

Ik voel mij verpligt hier uitdrukkelijk te verklaren, dat ik mij niet kan verbinden tot het uitvoeren van mijn plan, als ik daartoe niet word in staat gesteld door vrij algeméne deelname. Zonder volkomen onafhankelijkheid—en wat rust!—kan ik geen Courant uitgeven. De welwillende bestellers van mijn portret zouden in dat geval bun uitgaaf moeten beschouwen als een blijk van sympathie voor mijn persoon, of van enige ingenomenheid met mijn werk.

En—in verband met ontstentenis van behoorlijke wetten tegen namaak—ik verzoek ieder geen portretten van mij te kopen waarop mijn handschrift niet staat.

Duur?... Och, aan niemand kan deze zaak zo-veel kosten, als zemijkost!

MULTATULI.

Aan de

FirmaR. C. MEIJER.

Amsterdam.

Mijnheer: Ik verzoek U mij te doen geworden:

EenSteendruk-Exemplaar/Photografie-Exemplaarvan het Portret vanMULTATULI.

waarvoor hierin geslotenTien/VijftigGulden.

Handteekening:

Naam:

Woonplaats:

(Wordt verzocht het niet begeerde, of niet gezondene, door te halen, en Naam en Woonplaats duidelijk te schrijven).

Prospectus voor den verkoop van MULTATULI’S portret, waardoor hij de middelen hoopte te vinden om een Dagblad te kunnen oprichten, 1865.


Back to IndexNext