I.

[Inhoud]I.Op Slavante.Op een zonnigen namiddag in de laatste helft van Juli des jaars 185., was het in den omtrek van den bouwval van het slot Lichtenberg, in de nabijheid van Maastricht op den Sint Pietersberg gelegen,bijzonderlevendig.Op Slavante, die lieve buitensocieteit, welke op de helling van den genoemden berg verrijst, gaf dien dag de kapel van het 28stePruisische linie-regiment—daartoe uit het naburige Aken overgekomen—eenmatinée musicaleen de élite van Limburgs hoofdstad was daar vereenigd om de heerlijke melodiën te genieten; terwijl een dartel zuidewindje door het hoog geboomte voer, hetwelk zich op de berghellingen achter het Casino verhief, en met zijn eigenaardig suizen in het gebladerte een zacht maar wondervol lispelen aan de akkoorden toevoegde, waardoor eene liefelijkheid te meer aan die fraaie muziek bijgezet werd.Statig, maar toch gezellig waren eene menigte dames en heeren op het lommerrijk plateau, hetwelk het schilderachtige Casino-gebouw omgaf, rondom kleine tuintafels gezeten. Op sommige dier tafeltjes prijkte het traditioneele Nederlandsche theeservies, waarbij dan de[4]ruischende waterketel aan de voeten der minst jonge dame van het gezelschap niet ontbrak. Meer aan den Limburgschen landaard getrouw, was op andere de koffiepot te ontwaren, waarin in die streken gewoonlijk een afschuwelijk brouwsel van zeer weinig koffie met zeer veel chicorei—„soekerei”, zooals de inboorlingen zeggen,—vervat was; maar die, als bij vergoeding, geflankeerd werd door een paar borden met zeer dunne boterhammetjes van blanke „mik” en van een of meer „pruimen- of kersen-vlaas”, die onwillekeurig aan een wagenrad deden denken. De meesten der aanwezigen vergastten zich evenwel aan Maastrichter bier, dat zoo overheerlijk smaakt; zoodat dan ook verreweg de meeste tafeltjes met een eerbiedwaardig aantal flesschen prijkten, op welker etiquetten in groote letters het woord „schuimbier” te lezen was.Die daar zaten, waren de meer bedaagden, de stemmigen van de aanwezigen: de papa’s en mama’s, de ooms en tantes. Ook enkele dochters, nichten en zusters, arme wezens reeds in den dalenden tak van het leven, waren rondom die tafeltjes blijven zitten. Levendigheid, ging de laatstbedoelden niet meer zoo goed af, en.… men kon toch niet weten, wellicht dat onder dat loofdak, de een of andere rondkuierende van het sterkere geslacht, smachtende naar een gevoelig hart, eene bevalligheid in het oog kreeg, die helaas! tot nu toe onopgemerkt bleef.Op de ruimte evenwel, die zich beneden aan de helling van dat plateau uitstrekte, langs de wandelwegen, die slingerend en steil klimmend en dalend, door dichte boschjes van „meibloem”-struiken (seringen), die reeds uitgebloeid waren, of van jasmijnen, die de lucht met heerlijke geuren vulden, van dat plateau naar die ruimte voerden, krioelde eene dartele jeugd van beiderlei[5]kunne, hier stoeiend en plagend, daar elkander vervolgend, elders weer in den hoogen schommel wiegelend, maar overal met den frisschen blos van gezondheid, genoegen en levenslust op de koonen, op die koonen, die, vooral bij het teedere geslacht in ons Limburg, met haar zacht dons, lief en bevallig zoo veel overeenkomst met eene heerlijk ontwikkelde perzik hebben.En daar dartelden lieve meisjesgroepen, snoeperige bakvischjes en meer ontwikkelden, met bruine haarlokken, die hen een bevalligen diadeem vormden; met lelieblanke voorhoofden, als ware het marmer; met fijn gevormde neusjes, die wel iets van den stijven Griekschen vorm afweken, en eenige overeenkomst met een kaarsendompertje vertoonden; met dunne maar toch tot zoenen gevormde lipjes; met ronde kinnetjes, die van een bewegelijk onderkaaksvermogen getuigden; met donkere vlammende oogen, die aan de naburige Waalsche type deden denken; met fraaie en weelderig ontluikende bustes, die een beeldhouwer in verrukking moesten brengen;—daar dartelden en stoeiden die lieve wezentjes te midden van jongelingsgroepen, die den krachtigen Limburgschen grondvorm in zijne volle ontwikkeling vertoonden.Maar bij stoeien en dartelen bleef het niet.Sloeg toch de opmerker de paden in, die langs de grensmuren van het Casinoterrein voerden, dan zag hij heel wat anders. Langs die muren, die, van mergelblokken opgetrokken, door haar in puin vallend kanteelwerk of door hare ogiefvormige versieringen aanduidden, dat zij eenmaal eene Gode gewijde plaats omheinden, wandelde menig jeugdig paartje, dat zich van het gejoel daar ginds afgezonderd had. Langs die muren, die vroeger vrome lofzangen ter verheerlijking van den Schepper, of treurige psalmen tot boetedoening weerkaatst hadden,[6]klonk nu zacht gefluister van jeugdige harten, als waren zij bevreesd hunne stemmen onder het lommerrijke dak, dat hun pad overwelfde, te verheffen. Langs die muren, die weleer slechts in zwart gehulde vrouwengedaanten, met het brevier in de hand en het kruisbeeld aan den gordel, voorbij hadden zien sluipen, werden nu hier en daar—ja waarom zou zulks verheeld worden? het is toch zoo natuurlijk—achter beschermende „konkernollen” struiken, of vooruitspringende muurgedeelten, zachte en verrukkelijke geluiden vernomen, als b.v. van het luchtledige op eene wang veroorzaakt.De jeugd blijft altijd jeugd! Zij kan het—het luchtledige op eene wang veroorzaken, wel te verstaan—nooit jonger doen.Aan een der tafeltjes op het bovenbedoeld plateau zat eene Maastrichter familie, bestaande uit man, vrouw en een zoon, die ter wille van het volgende verhaal voor een oogenblik onze aandacht moet bezighouden. Eenige tuinstoeltjes, die, voorover gebogen, tegen den tafelrand leunden, duidden aan, dat het gezin talrijker was; maar dat de afwezigen tot de dartelende, wellicht tot de pneumatische pompen van straks behoorden, hetgeen voor den loop dezer geschiedenis minder belangwekkend is.Het zij hier ter loops gezegd, dat de familie Riethoven een gezin was van gegoede burgerlieden, die met een vrij talrijk kroost gezegend waren. De beide ouders waren de vijftig vrij wel genaderd, en leverden overigens weinig opmerkenswaardigs op, om ons mee bezig te houden.De zoon, die bij hen was blijven zitten, was een jongeling van achttien of negentien jaren, die een frisch blozend gelaat bij een flink ontwikkelden lichaamsbouw vertoonde. Over het algemeen had hij geen ongunstig uiterlijk; alleen zijn oogopslag was minder aangenaam. Bijna nooit durfde hij den persoon aan te zien, met wien[7]hij sprak. Hij hield dan den blik schuchter ter neergeslagen, en waagde het alleen de oogen op te slaan, wanneer hij meende, dat zijn toespreker hem niet aankeek, en diens aandacht elders gevestigd was. Daarbij had hij het hoofdhaar zeer kort en zoodanig afgeknipt, dat de haarlijn in een halven boog zonder inspringende hoeken boven dat hooge voorhoofd welfde van het eene oor tot het andere, waardoor hij in zijn uiterlijk wel iets van het terugstootende van een kwakerhoofd vertoonde. Hij was daarenboven in een zwart lakensche jas met lange afhangende panden gekleed, waaronder een dito vest zichtbaar werd, dat tot hoog bij den hals zonder borstomslagen te vertoonen, dichtgeknoopt was; zoodat geen ander linnengoed te zien was dan een heel smal boordje, dat boven een vrij breede zwart zijden das uitstak. Aan de handen, die het spoor droegen van niet veel zorg te erlangen, waren geen manchetten te bespeuren. Zij zouden ook overbodig geweest zijn, want met hunnen eigenaardigen snit omsloten de mouwen den arm bij het polsgewricht zoo nauwkeurig, als wilden zij ijdele blikken afweren.Het was in één woord een beeld van den seminarist, van den Christelijken jonkman, zooals dergelijken in die dagen genoemd werden. Hij was dan ook een der studeerende jongelingen van Rolduc, van die kweekschool van jonge priesters, op de grenzen van Nederland en Pruisen gelegen. Het was thans vacantie, en het had den vader veel moeite gekost om zijn vromen zoon over te halen, zoo’n wereldsch vermaak als eenmatinée musicaleis, in tegenwoordigheid zijner ouders bij te wonen. Toen hij niet meer weigeren kon, had hij het „vademecum”, dat hij van zijn biechtvader meegekregen had, geraadpleegd en toen hij daarin geschreven vond, dat hij, die het gevaar zoekt, in het gevaar vergaan zal,[8]had hij het boekje met een zekeren weemoed dichtgeslagen. Hij kantte zich nog wel tegen den wensch zijns vaders aan, maar gaf toch eindelijk toe, en troostte zich met de gedachte, dat hij het niet was, die het gevaar opzocht. Hij werd tegen zijn wil in het gevaar gebracht. Als aanstaande strijder van de Kerk, zou hij evenwel weten pal te staan. Intusschen prevelde hij op de wandeling naar Slavante met vuur: „In viam pacis.… In nomine Domini!”1een gebed, dat hem als „itinerarium”, als marschorder op het pad des levens gedurende de vacantie verstrekt was.Hij zat daar nu bij zijne ouders, keek voor zich en deed zich bijzonder te goed aan de „pruimenvlaai”, die hem door zijn „vademecum” niet verboden scheen.„Kom, hoe zit je daar zoo als een druiloor, Herman?” sprak de vader. „Ik meende je genoegen te verschaffen, door je die heerlijke muziek te laten hooren.”„Genoegen!” antwoordde Herman—want zoo heette onze seminarist. „Genoegen!” antwoordde hij met bitterheid in zijn stem. „Ik had veel liever het Lof in de O. L. V. Kerk bijgewoond. Mompeer2, het „pangue langua”3is andere muziek dan dit! dat verzeker ik u.”„Gij kent mijn gevoelen,” hernam de vader. „Vóór gij den onherroepelijken stap doet, vóór gij de „soutane” aantrekt, is het mijn wensch, dat gij een blik werpt in de wereld, die gij op het punt staat vaarwel te zeggen.”„O! niets zal mij aan het wankelen brengen,” sprak de jongeling met vuur. „Niets, het allerminst die wereld”…„Die zoo schoon is, die zooveel betooverends heeft!” klonk eene stem achter Herman, terwijl hij tevens eene hand voelde, die op zijn schouders rustte.Het was de stem van een jonkman, die de vrome ontboezeming afbrak.[9]De nieuw aangekomene vormde met Herman wel een scherp contrast. Was deze ernstig, stemmig, teruggetrokken, de andere was de vroolijkheid in persoon, was opgeruimd en mededeelzaam. In zijn open helderen blik lag zijne geheele ziel te lezen. Zelfs zijn krullebol stak aangenaam af bij het vrome hoofd van den ander; terwijl zijn jaquette, zijn vest van keurigen snit en zijne pantalon-collant getuigenis aflegden, dat hij over kleeding en modes anders dacht, dan dat in het seminarie, gedaan werd.„God! zijt gij dat, Frank?” kreet Herman, terwijl hij opsprong, toen hij zijn vriend herkende, die hem de hand toestak.„Ja, dat ben ik! Ik, Frank Brinkman.”„En waar komt gij vandaan?”„Niet regelrecht van Leiden,” antwoordde Frank met een schaterlach, terwijl hij op de ouders van Herman toetrad en hen als oude bekenden begroette.Hij greep een stoel, en zette zich bij het gezelschap neder.„Ik heb van mijn goeden vader verlof gekregen om een reisje door België te maken,” ging hij voort, toen hij gezeten was,„enben nu zoo wat aan het boemelen. Ik ben van Leiden naar Brussel gereisd, spoorde van daar naar Namen en Dinant, en bezocht de grot van Han. Dat was eigenlijk het groote doel mijner excursie, en nu keer ik over Maastricht naar Nederland weer. Evenwel zoo langzaam mogelijk, dat begrijpt gij!”„Maar hoe komt ge thans hier?”„Wel, dat is doodeenvoudig. Ik kwam heden ochtend met de Maasboot van Luik aan. Ik vernam in de „Levrier”4, dat er heden namiddag te Slavante muziek gemaakt werd en dat geheel Maastricht daar vereenigd zou zijn. Ik wou mijn kennis van land- en volkenkunde vermeerderen.[10]Ik had vernomen, dat de Maastrichtsche meisjes de mooiste meisjes van Nederland waren, en ik wilde in de gelegenheid zijn om punten van vergelijking te maken.”„Gij!… Frank, gij?…” stamelde Herman met ontzetting in zijne stem.„Ja … ik! O ja, je weet nog niet, dat ik „le froc aux orties” geworpen heb.”„Gij! Frank, gij? Hoe is het bij God mogelijk? Gij de vroomste van ons allen!…”„Gij weet dat mijne ouders mij, nadat ik Rolduc verlaten had, naar het gesticht der paters Jezuïeten te Katwijk gezonden hebben. Dat was dichter in de buurt, verzekerde mijn vader. Begon het mij evenwel te Rolduc al weinig aan te staan, daar te Katwijk was het heelemaal mis. Maar, dat zal ik je later wel eens verhalen. Kom nu met mij mee. Ik heb mijn punten van vergelijking nog te maken.”„Wees nu toch niet dwaas!” antwoordde Herman.„Noem je dat dwaas, naar mooie meisjes om te zien? Kom, wat ik er al in het voorbijgaan van gezien heb, doet mij naar het voortzetten mijner vergelijkingen verlangen.”Hermans vader knikte Frank toe, als om hem aan te moedigen op het ingeslagen pad voort te gaan, en de poging niet op te geven.De vrome jongeling stribbelde tegen; maar het mocht niet baten. Frank’s overredingskracht was onweerstaanbaar. Hij greep zijns vriends arm, noodzaakte hem op te staan, en verwijderde zich met hem.„Dat ge den jongen zoo plagen kunt, en hem zijne roeping niet ongestoord volgen laat,” was de bemerking der moeder, toen de jongelieden weg waren. Zij had den wenk van haren echtvriend wel bespeurd. Haar[11]was die niet ontgaan. „Gij ziet toch welk hartzeer gij hem telkens aandoet.”„Ik wil hebben, dat hij de wereld leert kennen, alvorens hij den onherroepelijken stap doet,” herhaalde de vader met grommende stem. „Het is zoo maar niets, niet waar? om in eene ondoordachte, ja onbezonnen bui, ieder huiselijk geluk vaarwel te zeggen, zich te midden der maatschappij op een eiland te plaatsen nog eenzamer als dat van Robinson Crusoë was, ja zich in vollen strijd met die maatschappij te begeven!”De moeder zuchtte, maar antwoordde niet. Instinktmatig gevoelde zij, in weerwil van haren godsdienstijver, dat de vader gelijk had.De beide vrienden waren inmiddels voortgeloopen. Frank, aan zijn vergelijkingsplan getrouw, zocht natuurlijk de lanen, de slingerpaden op, waar de liefste kopjes dartelden. Ja, hij versmaadde ook de paden langs de omheiningsmuren niet.„O! kijk eens,” riep hij nu en dan uit, „kijk eens, wat een lief bekje!”„Kijk eens, wat bekoorlijk golvende krullen!” klonk het iets verder.„O! maar zulke lieve blauwe oogjes zag ik nimmer!” was de volgende uitroep.Wat Herman bij die hartstochtelijke ontboezemingen leed, is niet te beschrijven. Het was hem te moede alsof hij met vuur speelde. Bij iederen uitroep zijns vriends waagde hij een oogopslag, schuchter en bliksemsnel, maar toch langdurig genoeg om hem de juistheid dien geestdriftvolle opmerkingen te doen inzien. Het waren inderdaad lieve bakkesjes, bekoorlijke krullen en betooverende oogen, die men daar opmerkte.„Vade retro Satanas!”5prevelde hij met een soort grimmigen moed, wanneer zijn blik dien van de eene[12]of andere schalksche schoone kruiste, die een glimlach niet kon onderdrukken, bij het zien van dien langgejasten jongeling, en die nog meer getinteld zoude hebben van spotlust, wanneer het lieve kind had kunnen raden, dat zij even als satan verzocht werd achteruit te wijken.Of hij boog demoedig het hoofd, als voelde hij, dat hij niet de sterkste was, dat zijn gebiedend woord aan den vorst der duisternis zonder kracht bleef, en prevelde met den meest mogelijken ootmoed:„Sub tuum presidium confugimus sancta Dei genetrix!”6Frank schaterde het uit van lachen. In plaats van zich in de hoede der Moedermaagd aan te bevelen, spoorde hij met zijne blikken de schoonen na, keek haar stoutmoedig in de fraaie oogen, en noodzaakte haar die spiegels der ziel voor den stouten blik van dien aanvalligen krullekop neer te slaan.„God! wat is de wereld toch schoon!” riep de geestdriftvolle jongeling als in een dankgebed uit.Zij hadden het terrein reeds verscheiden malen doorgewandeld. Geen laan, geen slingerpad was door hen onbezocht gebleven, en nog liet Frank niet merken, dat hij aan zijn vergelijkingstocht een einde wilde maken. Herman trachtte hem mee te troonen naar de zitplaats der oude lieden; maar daar had de schalk geen ooren naar. Eindelijk in vertwijfeling stelde de vrome jongeling voor:„Kom, laat ons naar de ruïne van Lichtenberg gaan.”„Naar Lichtenberg?” vroeg Frank.„Men heeft daar een fraai uitzicht,” verzekerde Herman.„Fraaier als dat, wat men daar van dat soort balkon geniet, waar men boven op dien loodrechten muur staande, als het ware het geheele Maasdal overziet?”„O! veel fraaier!”[13]„Is het ver van hier?”„Neen, vlak bij.”„Vooruit dan maar!” zei Frank na eene lichte aarzeling. En bij zich zelven mompelde hij: „Een fraai uitzicht, en vlak bij … wel, dan zullen daar ook wel jonge meisjes aangetroffen worden. De schoonen zoeken het schoone!”Beiden verlieten door de zuiderpoort de enceinte van het Casinoterrein. De niet al te breede weg voerde een poos door dicht struikgewas, een waar bosch van hazelnotenstruiken. Toen splitste hij zich in twee takken, waarvan een rechtsom sloeg, en de andere nog een poos in zuidelijke richting voortging.„Welke van de twee?” vroeg Frank, die op het mulle pad vooruittrad.„Rechtdoor,” antwoordde Herman, „die daar rechts voert naar den ingang van den Sint Pietersberg.”„Drommels! dien moet ik ook nog zien,” zei Frank, „maar heden niet. Morgen wellicht.”Zij volgden het aangewezen pad, dat aan den linkerkant meer vrij werd, en eindelijk een fraai uitzicht over het Maasdal opende. Maar plotseling boog het ook rechts om, en steeg nu door een soort ravijn vrij steil omhoog. Boven gekomen, geleidde Herman zijn vriend door een hek van ruwe planken in elkander getimmerd. Daar verrees de ruïne van het oude Ridderslot, die het doel van hun tocht was, aan hunne rechterzijde. Maar, bij het betreden van dat terrein, ontsnapte aan Frank een kreet van bewondering.Het was de bouwval niet, hoe opmerkenswaardig overigens, die hem dien kreet ontwrong. Neen, maar daar vlak voor onze jongelingen ontwikkelde zich een panorama, dat al heel spoedig hun beider ziel vervulde, en hunne geestvermogens boeide. Zij bevonden zich op[14]een soort van bergplat, op welks midden de ruïne in alle statigheid verrees. Van den bouwval helde het terrein met eene zachte glooiing een paar honderd passen naar den kant van het Oosten, vormde daar een rand, en daalde met zeer scherpe helling naar beneden. Die helling was met struikgewas overdekt, voornamelijk met wilde rozelaars, welker scherpdoornige vertakkingen wijd en zijd uitgespreid en doorweven waren met de woest dooreengroeiende ranken van niet minder stekelige braambeziën-struiken. Die dicht begroeide helling vormde een fraaien voorgrond aan de voeten onzer beschouwers, vooral daar ook te midden van die struiken, allerliefste meisjeskopjes te voorschijn kwamen, die zich bezighielden met braambessen,—„brommelen” in de landstaal geheeten,—te zoeken, en zoo te midden van die wild groeiende takken met haar frisch groen en met hare roode eglantiersbottels en donkerblauwe bessen eene allerliefste omlijsting vonden.Maar, aan den voet van de helling ontwaarde de blik de Maas, die daar zacht murmelend voortstroomde over haar bed van keien, welke zelfs van die hoogte in het heldere water zichtbaar waren. De rivier was daar vrij breed, doch van het punt gezien, waar onze jongelingen stonden, vertoonde zij zich als een breed zilveren lint, dat zich naar het zuiden toe in zachte bochten door het bekoorlijke landschap wrong, en waren hare kronkelingen in die richting tot bij den gezichteinder met het oog te volgen. Naar den noordkant schoot de stroom in nagenoeg lijnrechte richting voort, maar verdween weldra voor het oog, verborgen door de scherpere hellingen van den Sint Pietersberg, welke aan dien kant als omhoog steigerden. Alleen kon het oog aan die zijde als in een hoekje eenige daken en hooge fabriekschoorsteenen bespeuren, die aangaven dat eene[15]stad in de nabijheid lag. En inderdaad, die daken behoorden tot de voorstad Wijk, en die schoorsteenen tot de fabriek van aardewerk, die aan den zuidkant van die voorstad gelegen was.Naar den oostkant, daar vlak voor onze jeugdige beschouwers, aan den overkant der Maas, strekte zich een landschap, uit, dat in den volsten zin des woords betooverend mocht genoemd worden. Aan de boorden van de Maas, daar vlak tegenover Lichtenberg, lag een lief kasteeltje, hetwelk zijn helder witte muren en zijn bevallig torentje in het spiegelgladde water weerkaatst zag. Links daarvan, naar den kant van Maastricht, strekte zich het dorpje Heugem evenwijdig aan de Maas uit. Iets verder meer in het noordoosten vertoonde zich het dorpje Scharn, daarnaast het grootere dorp Heer, daar vlak tegenover geheel in het oosten het dorp Gronsveld met zijnen schilderachtigen windmolen, die zijne wieken lustig liet ronddraaien, en het landschap eigenaardig stoffeerde. Meer in het zuidoosten werd het dorpje Rijckholt ontwaard, en daar ginds bij die sierlijke buiging van den Maasstroom schitterden de witte muren van het dorp Eijsden, de laatste plaats op Nederlandsch grondgebied, in het zonlicht; en bij den horizon duidden eenige glinsterende stippen Visé aan, dat eerste stadje op Belgisch grondgebied.Het landschap tusschen die dorpen was een echt Zuid-Limburgsch landschap; d.w.z. een zoo vruchtbare landouw, als maar voor oogen getooverd kon worden. Uitgestrekte graanvelden, die, het rijpen nabij, haren goudgelen rijkdom onder de bries lieten golven, afgewisseld met aardappelenvelden, waarvan het donkere loof in dat jaargetijde een verrassend contrast daarmede vormde. Daartusschen staken koolzaadvelden met hare[16]zwavel-geelkleurige, en klavervelden met hare lilakleurige bloemen af, en vormden te zamen met hare groene heggen en hare rijen van popels, welke die velden omzoomden, een onmetelijk schaakbord met vele vakken, dat rijk geschakeerd, tot aan den Keerderbergrug reikte, die daar ginds den gezichteinder in het oosten begrensde, en daar een’ heerlijken achtergrond vormde. Die heuvelenrij strekte zich zuidwaarts uit, naderde op hare beurt in het verschiet de Maas, liep dan nagenoeg evenwijdig aan den Sint Pietersberg, en vormde met dien een dal voor de schoone rivier, dat verrukkelijk te noemen was, en iedereen, die een open oog voor natuurschoon had, moest boeien.„Het is schoon! wonderschoon!” betuigde Frank met geestdrift, „en ik dank je Herman, dat ge mij hierheen gebracht hebt. Ziet ge nu wel, dat het zijn nut heeft.… op vergelijkingen uittegaan. Als wij bij je ouders hadden blijven zitten, dan.… dan had ik althans dat gezicht gemist.”Frank kreeg geen antwoord op die ontboezeming. Hij lette daar voorshands niet op.Daar ginds op de Maas, in dien bocht daar bij het dorp Eijsden, vertoonde zich eene stip, die in hooge mate zijne aandacht trok.„Wat is dat daar op de rivier?” vroeg hij.Geen antwoord. Andermaal lette hij daar niet op, maar keek scherp uit, terwijl hij de handen, met de vingertoppen tegen elkander, om en boven de oogen bracht om zijn gezichtsvermogen te versterken.„O! nu zie ik het,” riep hij na een poos turens eensklaps uit. „O! nu zie ik het! het is de Maasboot met haren zwarten romp, die als een zwart puntje op den helderen waterspiegel afsteekt, maar waarboven zich de stoomwolken, die zij ontlast, als eene onmetelijke pluim[17]uitstrekken, ombuigen en als eene schitterend witte streep vormen, die fijn begint en langzamerhand verbreedt. O! wat is dat fraai! Zeg.… Herman.…”Geen antwoord.„Zeg, Herman!.… Zie je dat?”Geen antwoord. Thans keerde Frank zich om, met de woorden op de lippen:„Waar zit hij?”Hij ontwaarde toen zijn vriend, die op een kleinen afstand achter hem, maar half met den rug naar hem toegekeerd, naar iets te turen stond. In den stand, waarin Herman geplaatst was, kon ontwaard worden, dat hij de armen over de borst gekruisd hield, en duidelijk hoorbaar prevelde:„Sub tuum presidium.…”6„Confugimus sancta Dei genetrix,”6viel Frank lachend in. „Het is bij mijn ziel nu wel tijd om zich onder de hoede van de Heilige Maagd te stellen! Maar, waar kijk je naar?.… Drommels! wat een paar mooie meisjes! O! zoo; is dat het presidium, hetwelk je wenscht te aanvaarden! Zoo, zoo!”Daar op dat bergplat, bij de ruïne, wandelden temidden van de velen, die ook daar stoeiden en dartelden, een paar jonge dames, die door het schoone panorama, hetwelk daar onder de Julizon lag te glinsteren, ook aangetrokken schenen, en geen oog daarvan afwendden. Beiden hadden bevallige slanke gestalten, vertoonden eene heerlijke buigzame leest op weelderig gevormde heupen en eene ontwikkeling van schouders en borst, die allerbekoorlijkst mocht heeten.Beiden droegen een diadeem van overvloedige krullen om het fraai gevormde hoofdje, maar bij de eene was die haardos blond, en gingen daarmede een paar fraaie azuurkleurige oogen gepaard; terwijl hij bij de andere[18]donkerbruin was, en onder de fraai geteekende wenkbrauwen een paar donkere oogen glinsterden, die met recht diamanten mochten genoemd worden. Een fraai gevormd neusje, een mondje, liefelijk als een pas geopende granaatappel, een mat wit voorhoofd en bevallig genuanceerde wangen voltooiden het beeld van de laatstbedoelde lieve maagd, welker verschijning onzen vromen jongeling dermate boeide, dat hij de aarde voor zich verdwenen achtte, althans van de vragen zijns vriends niets vernomen had.„Schoon vat van devotie!” mompelde hij in zijn verbijstering, en als uit een oude gewoonte, „Toren van David! Guldenhuis! Arke des verbonds.…!”Frank legde hem de hand op den schouder, en stuitte zoo de vrome uitroepen, die den omvang van de geheele litanie van Lorette dreigden te verkrijgen.„Wie zijn die dames, die vaten van devotie?” vroeg hij.„Die dames?.…” sprak Herman aarzelend en als verschrikt. „Ik weet niet, wie je bedoelt.… Ik ken ze niet.”Frank keek hem uitvorschend aan. Hij greep zijn vriend onder den arm.„Kom,” zei hij, „laten wij naar de ouwe lui terugkeeren. Ik ben eenigszins vermoeid.”Beiden keerden om, daalden door het ravijntje af, waarlangs zij naar boven gekomen waren. Toen zij beneden gekomen, evenwel nog voor dat zij de poort van het Casinoterrein binnengetreden waren, haalden zij de twee jonge dames, die ook den terugtocht aangenomen hadden, in. De beide vriendinnen stonden met een derde, die haar tegemoet gekomen was, te snappen. Bij het omgaan van eene buiging, die het pad vormde, stonden onze jongelieden eensklaps voor haar. Frank[19]voelde het lichaam van zijn vriend, met wien hij gearmd wandelde, hevig trillen. De dames traden wat op zijde; de heeren stapten met eene beleefde buiging voorbij.„Zult ge nu nog zeggen, dat gij die dames niet kent?” vroeg Frank.„Neen, ik ken ze niet,” betuigde Herman andermaal, met de hand op het hart.„Dan zal ik mijn vraag aan uw’ vader richten, die zal ze wel kennen.”„Om Godswil! neen, doe dat niet!” sprak de vrome jongeling met iets hartstochtelijks in zijne stem.„Waarom niet?”„Gij zoudt mijne goede moeder verontrusten, die is er zoo op gesteld dat ik geestelijke word, en.…”„Zoo?… Ik geloof evenwel, dat gij goed zult doen, als gij die roeping in nauwgezette overweging neemt. Ik vergis mij niet veel, als ik beweer dat die bruine krullen daar achter ons, in strijd komen met de soutane, die tot heden uw eenigst droombeeld uitmaakte. Is het zoo niet?”„Ik ga morgen-ochtend dadelijk te biecht. Ik moet mijn gemoed aan de voeten van mijn biechtvader uitstorten,” sprak Herman met dweepachtige overtuiging.„Mijn raad zou zijn: dat getrachtette weten te komen, wie die jonge dame is, daarna zoudt gij hare familie een bezoek kunnen brengen. Ik geloof dat die proef meer afdoend zou zijn, dan dat gewauwel in een biechtstoel.”„St!… de ouwe lui kunnen ons hooren.”Werkelijk waren de beide jongelingen het tafeltje weer genaderd, waar Herman’s ouders gezeten waren.„Wel, mijnheer Frank,” vroeg de heer Riethoven, „zijt gij in uwe vergelijkende studiën geslaagd? Is uwe opinie omtrent de Maastrichtsche jonge dames gevestigd?”„Ik moet erkennen, dat de faam dezen keer niet overdreven[20]heeft,” antwoordde Frank met vuur.„Wij hebben beelderig mooie kopjes gezien, nietwaar Herman?”Deze trok onverschillig de schouders op.„Twee hebben vooral onze aandacht geboeid,” ging Frank voort, en kon daarbij eene kleine plagerij niet nalaten. „Een lieve blondine en eene heerlijke brunette. Kijk, maar zoo iets liefs” en hij wendde zich tot mevrouw Riethoven, „zoo iets liefs was mij nog niet onder de oogen gekomen.”„Wie waren het?” vroeg deze aan haren zoon.„Weet ik het, mameer?” antwoordde deze op onverschilligen toon. „Ik heb er niet op gelet.”„Hij heeft er niet op gelet, de brave Herman!” lachte Frank. „Hij prevelde maar zoo wat van: schoon vat van devotie!”Herman bloosde licht, en wierp op zijn vriend een snellen blik. Daarin was evenwel zoo eene bede om te zwijgen opgesloten, dat Frank het gesprek over dat onderwerp staakte. Slechts nog eene plagerij wilde hij aanwenden, meer om zekerheid te krijgen, dan wel omdat hij er genoegen in vond.„Kijk, mevrouw,” sprak hij tot Hermans moeder, „kijk daar komen ze aan. Vindt ge die blondine niet een juweel van een meisje?”Mevrouw Riethoven keek naar de aankomende aandachtig.„Die blondine ken ik niet. Dat is zeker een logeetje,” zeide zij. „Maar de andere dat is de oudste dochter van mijne beste vriendin, dat is Lydia Fraenkel. Bonjour Lydia!” riep ze.De beide meisjes traden op de familie toe, wisselden een hartelijken handdruk met de ouwe lui, eene buiging met de jonge heeren, en verwijderden zich, om zich naar haar eigen gezelschap te begeven.[21]Frank had inmiddels een vreemden blik op Herman geslagen, die dezen tot achter de ooren deed blozen.De Pruisische muzikanten hadden inmiddels hun programma afgespeeld. Als toegift gaven zij nog het in dien tijd algemeen bekende:Sie sollen ihn nicht haben den freien Deutschen Rhein, dat evenwel al heel weinig sympathie opwekte. De Maastrichtenaars hadden voorzeker veel liever deMarseillaiseof deBrabançonne, en kon dat niet, dan hetWien Neêrland’s bloedgehoord, dan die Duitsche poespas, die iedereen onverschillig liet. Toen de muziek zweeg, was het plateau van het Casino spoedig leeg. Slechts weinige tafeltjes bleven door bierproevers bezet. Het overige van het publiek nam den terugtocht aan. Ook de familie Riethoven, waarbij Frank zich natuurlijk aansloot, toog stadwaarts. Terwijl zij den zigzagweg afdaalde, die langs de helling van den berg naar de Maasboorden voerde, klonk een lied, door frissche flinke stemmen aangeheven, die een goed mannenkoor geen oneer zouden aangedaan hebben. In die dagen had een gezelschap van Pyreneesche bergzangers noordelijk Europa bezocht en het lied, wat thans voorgedragen werd, was eene navolging van een hunner nationale gezangen, en klonk allerliefst van daar boven over de Maas-oppervlakte:Riants bords de la Meuse! à toi tous mes amours!Patrie du houblon, je t’aimerai toujours!Rien n’est si beau que le mont Saint Pierre!Rien n’est ni bon qu’un verre de bierre!O! Maastrichtois (bis) Chantes en paix (bis) De ton pays (bis) la bierre et le bonheurLa lalala la la la lalala la la![22]

[Inhoud]I.Op Slavante.Op een zonnigen namiddag in de laatste helft van Juli des jaars 185., was het in den omtrek van den bouwval van het slot Lichtenberg, in de nabijheid van Maastricht op den Sint Pietersberg gelegen,bijzonderlevendig.Op Slavante, die lieve buitensocieteit, welke op de helling van den genoemden berg verrijst, gaf dien dag de kapel van het 28stePruisische linie-regiment—daartoe uit het naburige Aken overgekomen—eenmatinée musicaleen de élite van Limburgs hoofdstad was daar vereenigd om de heerlijke melodiën te genieten; terwijl een dartel zuidewindje door het hoog geboomte voer, hetwelk zich op de berghellingen achter het Casino verhief, en met zijn eigenaardig suizen in het gebladerte een zacht maar wondervol lispelen aan de akkoorden toevoegde, waardoor eene liefelijkheid te meer aan die fraaie muziek bijgezet werd.Statig, maar toch gezellig waren eene menigte dames en heeren op het lommerrijk plateau, hetwelk het schilderachtige Casino-gebouw omgaf, rondom kleine tuintafels gezeten. Op sommige dier tafeltjes prijkte het traditioneele Nederlandsche theeservies, waarbij dan de[4]ruischende waterketel aan de voeten der minst jonge dame van het gezelschap niet ontbrak. Meer aan den Limburgschen landaard getrouw, was op andere de koffiepot te ontwaren, waarin in die streken gewoonlijk een afschuwelijk brouwsel van zeer weinig koffie met zeer veel chicorei—„soekerei”, zooals de inboorlingen zeggen,—vervat was; maar die, als bij vergoeding, geflankeerd werd door een paar borden met zeer dunne boterhammetjes van blanke „mik” en van een of meer „pruimen- of kersen-vlaas”, die onwillekeurig aan een wagenrad deden denken. De meesten der aanwezigen vergastten zich evenwel aan Maastrichter bier, dat zoo overheerlijk smaakt; zoodat dan ook verreweg de meeste tafeltjes met een eerbiedwaardig aantal flesschen prijkten, op welker etiquetten in groote letters het woord „schuimbier” te lezen was.Die daar zaten, waren de meer bedaagden, de stemmigen van de aanwezigen: de papa’s en mama’s, de ooms en tantes. Ook enkele dochters, nichten en zusters, arme wezens reeds in den dalenden tak van het leven, waren rondom die tafeltjes blijven zitten. Levendigheid, ging de laatstbedoelden niet meer zoo goed af, en.… men kon toch niet weten, wellicht dat onder dat loofdak, de een of andere rondkuierende van het sterkere geslacht, smachtende naar een gevoelig hart, eene bevalligheid in het oog kreeg, die helaas! tot nu toe onopgemerkt bleef.Op de ruimte evenwel, die zich beneden aan de helling van dat plateau uitstrekte, langs de wandelwegen, die slingerend en steil klimmend en dalend, door dichte boschjes van „meibloem”-struiken (seringen), die reeds uitgebloeid waren, of van jasmijnen, die de lucht met heerlijke geuren vulden, van dat plateau naar die ruimte voerden, krioelde eene dartele jeugd van beiderlei[5]kunne, hier stoeiend en plagend, daar elkander vervolgend, elders weer in den hoogen schommel wiegelend, maar overal met den frisschen blos van gezondheid, genoegen en levenslust op de koonen, op die koonen, die, vooral bij het teedere geslacht in ons Limburg, met haar zacht dons, lief en bevallig zoo veel overeenkomst met eene heerlijk ontwikkelde perzik hebben.En daar dartelden lieve meisjesgroepen, snoeperige bakvischjes en meer ontwikkelden, met bruine haarlokken, die hen een bevalligen diadeem vormden; met lelieblanke voorhoofden, als ware het marmer; met fijn gevormde neusjes, die wel iets van den stijven Griekschen vorm afweken, en eenige overeenkomst met een kaarsendompertje vertoonden; met dunne maar toch tot zoenen gevormde lipjes; met ronde kinnetjes, die van een bewegelijk onderkaaksvermogen getuigden; met donkere vlammende oogen, die aan de naburige Waalsche type deden denken; met fraaie en weelderig ontluikende bustes, die een beeldhouwer in verrukking moesten brengen;—daar dartelden en stoeiden die lieve wezentjes te midden van jongelingsgroepen, die den krachtigen Limburgschen grondvorm in zijne volle ontwikkeling vertoonden.Maar bij stoeien en dartelen bleef het niet.Sloeg toch de opmerker de paden in, die langs de grensmuren van het Casinoterrein voerden, dan zag hij heel wat anders. Langs die muren, die, van mergelblokken opgetrokken, door haar in puin vallend kanteelwerk of door hare ogiefvormige versieringen aanduidden, dat zij eenmaal eene Gode gewijde plaats omheinden, wandelde menig jeugdig paartje, dat zich van het gejoel daar ginds afgezonderd had. Langs die muren, die vroeger vrome lofzangen ter verheerlijking van den Schepper, of treurige psalmen tot boetedoening weerkaatst hadden,[6]klonk nu zacht gefluister van jeugdige harten, als waren zij bevreesd hunne stemmen onder het lommerrijke dak, dat hun pad overwelfde, te verheffen. Langs die muren, die weleer slechts in zwart gehulde vrouwengedaanten, met het brevier in de hand en het kruisbeeld aan den gordel, voorbij hadden zien sluipen, werden nu hier en daar—ja waarom zou zulks verheeld worden? het is toch zoo natuurlijk—achter beschermende „konkernollen” struiken, of vooruitspringende muurgedeelten, zachte en verrukkelijke geluiden vernomen, als b.v. van het luchtledige op eene wang veroorzaakt.De jeugd blijft altijd jeugd! Zij kan het—het luchtledige op eene wang veroorzaken, wel te verstaan—nooit jonger doen.Aan een der tafeltjes op het bovenbedoeld plateau zat eene Maastrichter familie, bestaande uit man, vrouw en een zoon, die ter wille van het volgende verhaal voor een oogenblik onze aandacht moet bezighouden. Eenige tuinstoeltjes, die, voorover gebogen, tegen den tafelrand leunden, duidden aan, dat het gezin talrijker was; maar dat de afwezigen tot de dartelende, wellicht tot de pneumatische pompen van straks behoorden, hetgeen voor den loop dezer geschiedenis minder belangwekkend is.Het zij hier ter loops gezegd, dat de familie Riethoven een gezin was van gegoede burgerlieden, die met een vrij talrijk kroost gezegend waren. De beide ouders waren de vijftig vrij wel genaderd, en leverden overigens weinig opmerkenswaardigs op, om ons mee bezig te houden.De zoon, die bij hen was blijven zitten, was een jongeling van achttien of negentien jaren, die een frisch blozend gelaat bij een flink ontwikkelden lichaamsbouw vertoonde. Over het algemeen had hij geen ongunstig uiterlijk; alleen zijn oogopslag was minder aangenaam. Bijna nooit durfde hij den persoon aan te zien, met wien[7]hij sprak. Hij hield dan den blik schuchter ter neergeslagen, en waagde het alleen de oogen op te slaan, wanneer hij meende, dat zijn toespreker hem niet aankeek, en diens aandacht elders gevestigd was. Daarbij had hij het hoofdhaar zeer kort en zoodanig afgeknipt, dat de haarlijn in een halven boog zonder inspringende hoeken boven dat hooge voorhoofd welfde van het eene oor tot het andere, waardoor hij in zijn uiterlijk wel iets van het terugstootende van een kwakerhoofd vertoonde. Hij was daarenboven in een zwart lakensche jas met lange afhangende panden gekleed, waaronder een dito vest zichtbaar werd, dat tot hoog bij den hals zonder borstomslagen te vertoonen, dichtgeknoopt was; zoodat geen ander linnengoed te zien was dan een heel smal boordje, dat boven een vrij breede zwart zijden das uitstak. Aan de handen, die het spoor droegen van niet veel zorg te erlangen, waren geen manchetten te bespeuren. Zij zouden ook overbodig geweest zijn, want met hunnen eigenaardigen snit omsloten de mouwen den arm bij het polsgewricht zoo nauwkeurig, als wilden zij ijdele blikken afweren.Het was in één woord een beeld van den seminarist, van den Christelijken jonkman, zooals dergelijken in die dagen genoemd werden. Hij was dan ook een der studeerende jongelingen van Rolduc, van die kweekschool van jonge priesters, op de grenzen van Nederland en Pruisen gelegen. Het was thans vacantie, en het had den vader veel moeite gekost om zijn vromen zoon over te halen, zoo’n wereldsch vermaak als eenmatinée musicaleis, in tegenwoordigheid zijner ouders bij te wonen. Toen hij niet meer weigeren kon, had hij het „vademecum”, dat hij van zijn biechtvader meegekregen had, geraadpleegd en toen hij daarin geschreven vond, dat hij, die het gevaar zoekt, in het gevaar vergaan zal,[8]had hij het boekje met een zekeren weemoed dichtgeslagen. Hij kantte zich nog wel tegen den wensch zijns vaders aan, maar gaf toch eindelijk toe, en troostte zich met de gedachte, dat hij het niet was, die het gevaar opzocht. Hij werd tegen zijn wil in het gevaar gebracht. Als aanstaande strijder van de Kerk, zou hij evenwel weten pal te staan. Intusschen prevelde hij op de wandeling naar Slavante met vuur: „In viam pacis.… In nomine Domini!”1een gebed, dat hem als „itinerarium”, als marschorder op het pad des levens gedurende de vacantie verstrekt was.Hij zat daar nu bij zijne ouders, keek voor zich en deed zich bijzonder te goed aan de „pruimenvlaai”, die hem door zijn „vademecum” niet verboden scheen.„Kom, hoe zit je daar zoo als een druiloor, Herman?” sprak de vader. „Ik meende je genoegen te verschaffen, door je die heerlijke muziek te laten hooren.”„Genoegen!” antwoordde Herman—want zoo heette onze seminarist. „Genoegen!” antwoordde hij met bitterheid in zijn stem. „Ik had veel liever het Lof in de O. L. V. Kerk bijgewoond. Mompeer2, het „pangue langua”3is andere muziek dan dit! dat verzeker ik u.”„Gij kent mijn gevoelen,” hernam de vader. „Vóór gij den onherroepelijken stap doet, vóór gij de „soutane” aantrekt, is het mijn wensch, dat gij een blik werpt in de wereld, die gij op het punt staat vaarwel te zeggen.”„O! niets zal mij aan het wankelen brengen,” sprak de jongeling met vuur. „Niets, het allerminst die wereld”…„Die zoo schoon is, die zooveel betooverends heeft!” klonk eene stem achter Herman, terwijl hij tevens eene hand voelde, die op zijn schouders rustte.Het was de stem van een jonkman, die de vrome ontboezeming afbrak.[9]De nieuw aangekomene vormde met Herman wel een scherp contrast. Was deze ernstig, stemmig, teruggetrokken, de andere was de vroolijkheid in persoon, was opgeruimd en mededeelzaam. In zijn open helderen blik lag zijne geheele ziel te lezen. Zelfs zijn krullebol stak aangenaam af bij het vrome hoofd van den ander; terwijl zijn jaquette, zijn vest van keurigen snit en zijne pantalon-collant getuigenis aflegden, dat hij over kleeding en modes anders dacht, dan dat in het seminarie, gedaan werd.„God! zijt gij dat, Frank?” kreet Herman, terwijl hij opsprong, toen hij zijn vriend herkende, die hem de hand toestak.„Ja, dat ben ik! Ik, Frank Brinkman.”„En waar komt gij vandaan?”„Niet regelrecht van Leiden,” antwoordde Frank met een schaterlach, terwijl hij op de ouders van Herman toetrad en hen als oude bekenden begroette.Hij greep een stoel, en zette zich bij het gezelschap neder.„Ik heb van mijn goeden vader verlof gekregen om een reisje door België te maken,” ging hij voort, toen hij gezeten was,„enben nu zoo wat aan het boemelen. Ik ben van Leiden naar Brussel gereisd, spoorde van daar naar Namen en Dinant, en bezocht de grot van Han. Dat was eigenlijk het groote doel mijner excursie, en nu keer ik over Maastricht naar Nederland weer. Evenwel zoo langzaam mogelijk, dat begrijpt gij!”„Maar hoe komt ge thans hier?”„Wel, dat is doodeenvoudig. Ik kwam heden ochtend met de Maasboot van Luik aan. Ik vernam in de „Levrier”4, dat er heden namiddag te Slavante muziek gemaakt werd en dat geheel Maastricht daar vereenigd zou zijn. Ik wou mijn kennis van land- en volkenkunde vermeerderen.[10]Ik had vernomen, dat de Maastrichtsche meisjes de mooiste meisjes van Nederland waren, en ik wilde in de gelegenheid zijn om punten van vergelijking te maken.”„Gij!… Frank, gij?…” stamelde Herman met ontzetting in zijne stem.„Ja … ik! O ja, je weet nog niet, dat ik „le froc aux orties” geworpen heb.”„Gij! Frank, gij? Hoe is het bij God mogelijk? Gij de vroomste van ons allen!…”„Gij weet dat mijne ouders mij, nadat ik Rolduc verlaten had, naar het gesticht der paters Jezuïeten te Katwijk gezonden hebben. Dat was dichter in de buurt, verzekerde mijn vader. Begon het mij evenwel te Rolduc al weinig aan te staan, daar te Katwijk was het heelemaal mis. Maar, dat zal ik je later wel eens verhalen. Kom nu met mij mee. Ik heb mijn punten van vergelijking nog te maken.”„Wees nu toch niet dwaas!” antwoordde Herman.„Noem je dat dwaas, naar mooie meisjes om te zien? Kom, wat ik er al in het voorbijgaan van gezien heb, doet mij naar het voortzetten mijner vergelijkingen verlangen.”Hermans vader knikte Frank toe, als om hem aan te moedigen op het ingeslagen pad voort te gaan, en de poging niet op te geven.De vrome jongeling stribbelde tegen; maar het mocht niet baten. Frank’s overredingskracht was onweerstaanbaar. Hij greep zijns vriends arm, noodzaakte hem op te staan, en verwijderde zich met hem.„Dat ge den jongen zoo plagen kunt, en hem zijne roeping niet ongestoord volgen laat,” was de bemerking der moeder, toen de jongelieden weg waren. Zij had den wenk van haren echtvriend wel bespeurd. Haar[11]was die niet ontgaan. „Gij ziet toch welk hartzeer gij hem telkens aandoet.”„Ik wil hebben, dat hij de wereld leert kennen, alvorens hij den onherroepelijken stap doet,” herhaalde de vader met grommende stem. „Het is zoo maar niets, niet waar? om in eene ondoordachte, ja onbezonnen bui, ieder huiselijk geluk vaarwel te zeggen, zich te midden der maatschappij op een eiland te plaatsen nog eenzamer als dat van Robinson Crusoë was, ja zich in vollen strijd met die maatschappij te begeven!”De moeder zuchtte, maar antwoordde niet. Instinktmatig gevoelde zij, in weerwil van haren godsdienstijver, dat de vader gelijk had.De beide vrienden waren inmiddels voortgeloopen. Frank, aan zijn vergelijkingsplan getrouw, zocht natuurlijk de lanen, de slingerpaden op, waar de liefste kopjes dartelden. Ja, hij versmaadde ook de paden langs de omheiningsmuren niet.„O! kijk eens,” riep hij nu en dan uit, „kijk eens, wat een lief bekje!”„Kijk eens, wat bekoorlijk golvende krullen!” klonk het iets verder.„O! maar zulke lieve blauwe oogjes zag ik nimmer!” was de volgende uitroep.Wat Herman bij die hartstochtelijke ontboezemingen leed, is niet te beschrijven. Het was hem te moede alsof hij met vuur speelde. Bij iederen uitroep zijns vriends waagde hij een oogopslag, schuchter en bliksemsnel, maar toch langdurig genoeg om hem de juistheid dien geestdriftvolle opmerkingen te doen inzien. Het waren inderdaad lieve bakkesjes, bekoorlijke krullen en betooverende oogen, die men daar opmerkte.„Vade retro Satanas!”5prevelde hij met een soort grimmigen moed, wanneer zijn blik dien van de eene[12]of andere schalksche schoone kruiste, die een glimlach niet kon onderdrukken, bij het zien van dien langgejasten jongeling, en die nog meer getinteld zoude hebben van spotlust, wanneer het lieve kind had kunnen raden, dat zij even als satan verzocht werd achteruit te wijken.Of hij boog demoedig het hoofd, als voelde hij, dat hij niet de sterkste was, dat zijn gebiedend woord aan den vorst der duisternis zonder kracht bleef, en prevelde met den meest mogelijken ootmoed:„Sub tuum presidium confugimus sancta Dei genetrix!”6Frank schaterde het uit van lachen. In plaats van zich in de hoede der Moedermaagd aan te bevelen, spoorde hij met zijne blikken de schoonen na, keek haar stoutmoedig in de fraaie oogen, en noodzaakte haar die spiegels der ziel voor den stouten blik van dien aanvalligen krullekop neer te slaan.„God! wat is de wereld toch schoon!” riep de geestdriftvolle jongeling als in een dankgebed uit.Zij hadden het terrein reeds verscheiden malen doorgewandeld. Geen laan, geen slingerpad was door hen onbezocht gebleven, en nog liet Frank niet merken, dat hij aan zijn vergelijkingstocht een einde wilde maken. Herman trachtte hem mee te troonen naar de zitplaats der oude lieden; maar daar had de schalk geen ooren naar. Eindelijk in vertwijfeling stelde de vrome jongeling voor:„Kom, laat ons naar de ruïne van Lichtenberg gaan.”„Naar Lichtenberg?” vroeg Frank.„Men heeft daar een fraai uitzicht,” verzekerde Herman.„Fraaier als dat, wat men daar van dat soort balkon geniet, waar men boven op dien loodrechten muur staande, als het ware het geheele Maasdal overziet?”„O! veel fraaier!”[13]„Is het ver van hier?”„Neen, vlak bij.”„Vooruit dan maar!” zei Frank na eene lichte aarzeling. En bij zich zelven mompelde hij: „Een fraai uitzicht, en vlak bij … wel, dan zullen daar ook wel jonge meisjes aangetroffen worden. De schoonen zoeken het schoone!”Beiden verlieten door de zuiderpoort de enceinte van het Casinoterrein. De niet al te breede weg voerde een poos door dicht struikgewas, een waar bosch van hazelnotenstruiken. Toen splitste hij zich in twee takken, waarvan een rechtsom sloeg, en de andere nog een poos in zuidelijke richting voortging.„Welke van de twee?” vroeg Frank, die op het mulle pad vooruittrad.„Rechtdoor,” antwoordde Herman, „die daar rechts voert naar den ingang van den Sint Pietersberg.”„Drommels! dien moet ik ook nog zien,” zei Frank, „maar heden niet. Morgen wellicht.”Zij volgden het aangewezen pad, dat aan den linkerkant meer vrij werd, en eindelijk een fraai uitzicht over het Maasdal opende. Maar plotseling boog het ook rechts om, en steeg nu door een soort ravijn vrij steil omhoog. Boven gekomen, geleidde Herman zijn vriend door een hek van ruwe planken in elkander getimmerd. Daar verrees de ruïne van het oude Ridderslot, die het doel van hun tocht was, aan hunne rechterzijde. Maar, bij het betreden van dat terrein, ontsnapte aan Frank een kreet van bewondering.Het was de bouwval niet, hoe opmerkenswaardig overigens, die hem dien kreet ontwrong. Neen, maar daar vlak voor onze jongelingen ontwikkelde zich een panorama, dat al heel spoedig hun beider ziel vervulde, en hunne geestvermogens boeide. Zij bevonden zich op[14]een soort van bergplat, op welks midden de ruïne in alle statigheid verrees. Van den bouwval helde het terrein met eene zachte glooiing een paar honderd passen naar den kant van het Oosten, vormde daar een rand, en daalde met zeer scherpe helling naar beneden. Die helling was met struikgewas overdekt, voornamelijk met wilde rozelaars, welker scherpdoornige vertakkingen wijd en zijd uitgespreid en doorweven waren met de woest dooreengroeiende ranken van niet minder stekelige braambeziën-struiken. Die dicht begroeide helling vormde een fraaien voorgrond aan de voeten onzer beschouwers, vooral daar ook te midden van die struiken, allerliefste meisjeskopjes te voorschijn kwamen, die zich bezighielden met braambessen,—„brommelen” in de landstaal geheeten,—te zoeken, en zoo te midden van die wild groeiende takken met haar frisch groen en met hare roode eglantiersbottels en donkerblauwe bessen eene allerliefste omlijsting vonden.Maar, aan den voet van de helling ontwaarde de blik de Maas, die daar zacht murmelend voortstroomde over haar bed van keien, welke zelfs van die hoogte in het heldere water zichtbaar waren. De rivier was daar vrij breed, doch van het punt gezien, waar onze jongelingen stonden, vertoonde zij zich als een breed zilveren lint, dat zich naar het zuiden toe in zachte bochten door het bekoorlijke landschap wrong, en waren hare kronkelingen in die richting tot bij den gezichteinder met het oog te volgen. Naar den noordkant schoot de stroom in nagenoeg lijnrechte richting voort, maar verdween weldra voor het oog, verborgen door de scherpere hellingen van den Sint Pietersberg, welke aan dien kant als omhoog steigerden. Alleen kon het oog aan die zijde als in een hoekje eenige daken en hooge fabriekschoorsteenen bespeuren, die aangaven dat eene[15]stad in de nabijheid lag. En inderdaad, die daken behoorden tot de voorstad Wijk, en die schoorsteenen tot de fabriek van aardewerk, die aan den zuidkant van die voorstad gelegen was.Naar den oostkant, daar vlak voor onze jeugdige beschouwers, aan den overkant der Maas, strekte zich een landschap, uit, dat in den volsten zin des woords betooverend mocht genoemd worden. Aan de boorden van de Maas, daar vlak tegenover Lichtenberg, lag een lief kasteeltje, hetwelk zijn helder witte muren en zijn bevallig torentje in het spiegelgladde water weerkaatst zag. Links daarvan, naar den kant van Maastricht, strekte zich het dorpje Heugem evenwijdig aan de Maas uit. Iets verder meer in het noordoosten vertoonde zich het dorpje Scharn, daarnaast het grootere dorp Heer, daar vlak tegenover geheel in het oosten het dorp Gronsveld met zijnen schilderachtigen windmolen, die zijne wieken lustig liet ronddraaien, en het landschap eigenaardig stoffeerde. Meer in het zuidoosten werd het dorpje Rijckholt ontwaard, en daar ginds bij die sierlijke buiging van den Maasstroom schitterden de witte muren van het dorp Eijsden, de laatste plaats op Nederlandsch grondgebied, in het zonlicht; en bij den horizon duidden eenige glinsterende stippen Visé aan, dat eerste stadje op Belgisch grondgebied.Het landschap tusschen die dorpen was een echt Zuid-Limburgsch landschap; d.w.z. een zoo vruchtbare landouw, als maar voor oogen getooverd kon worden. Uitgestrekte graanvelden, die, het rijpen nabij, haren goudgelen rijkdom onder de bries lieten golven, afgewisseld met aardappelenvelden, waarvan het donkere loof in dat jaargetijde een verrassend contrast daarmede vormde. Daartusschen staken koolzaadvelden met hare[16]zwavel-geelkleurige, en klavervelden met hare lilakleurige bloemen af, en vormden te zamen met hare groene heggen en hare rijen van popels, welke die velden omzoomden, een onmetelijk schaakbord met vele vakken, dat rijk geschakeerd, tot aan den Keerderbergrug reikte, die daar ginds den gezichteinder in het oosten begrensde, en daar een’ heerlijken achtergrond vormde. Die heuvelenrij strekte zich zuidwaarts uit, naderde op hare beurt in het verschiet de Maas, liep dan nagenoeg evenwijdig aan den Sint Pietersberg, en vormde met dien een dal voor de schoone rivier, dat verrukkelijk te noemen was, en iedereen, die een open oog voor natuurschoon had, moest boeien.„Het is schoon! wonderschoon!” betuigde Frank met geestdrift, „en ik dank je Herman, dat ge mij hierheen gebracht hebt. Ziet ge nu wel, dat het zijn nut heeft.… op vergelijkingen uittegaan. Als wij bij je ouders hadden blijven zitten, dan.… dan had ik althans dat gezicht gemist.”Frank kreeg geen antwoord op die ontboezeming. Hij lette daar voorshands niet op.Daar ginds op de Maas, in dien bocht daar bij het dorp Eijsden, vertoonde zich eene stip, die in hooge mate zijne aandacht trok.„Wat is dat daar op de rivier?” vroeg hij.Geen antwoord. Andermaal lette hij daar niet op, maar keek scherp uit, terwijl hij de handen, met de vingertoppen tegen elkander, om en boven de oogen bracht om zijn gezichtsvermogen te versterken.„O! nu zie ik het,” riep hij na een poos turens eensklaps uit. „O! nu zie ik het! het is de Maasboot met haren zwarten romp, die als een zwart puntje op den helderen waterspiegel afsteekt, maar waarboven zich de stoomwolken, die zij ontlast, als eene onmetelijke pluim[17]uitstrekken, ombuigen en als eene schitterend witte streep vormen, die fijn begint en langzamerhand verbreedt. O! wat is dat fraai! Zeg.… Herman.…”Geen antwoord.„Zeg, Herman!.… Zie je dat?”Geen antwoord. Thans keerde Frank zich om, met de woorden op de lippen:„Waar zit hij?”Hij ontwaarde toen zijn vriend, die op een kleinen afstand achter hem, maar half met den rug naar hem toegekeerd, naar iets te turen stond. In den stand, waarin Herman geplaatst was, kon ontwaard worden, dat hij de armen over de borst gekruisd hield, en duidelijk hoorbaar prevelde:„Sub tuum presidium.…”6„Confugimus sancta Dei genetrix,”6viel Frank lachend in. „Het is bij mijn ziel nu wel tijd om zich onder de hoede van de Heilige Maagd te stellen! Maar, waar kijk je naar?.… Drommels! wat een paar mooie meisjes! O! zoo; is dat het presidium, hetwelk je wenscht te aanvaarden! Zoo, zoo!”Daar op dat bergplat, bij de ruïne, wandelden temidden van de velen, die ook daar stoeiden en dartelden, een paar jonge dames, die door het schoone panorama, hetwelk daar onder de Julizon lag te glinsteren, ook aangetrokken schenen, en geen oog daarvan afwendden. Beiden hadden bevallige slanke gestalten, vertoonden eene heerlijke buigzame leest op weelderig gevormde heupen en eene ontwikkeling van schouders en borst, die allerbekoorlijkst mocht heeten.Beiden droegen een diadeem van overvloedige krullen om het fraai gevormde hoofdje, maar bij de eene was die haardos blond, en gingen daarmede een paar fraaie azuurkleurige oogen gepaard; terwijl hij bij de andere[18]donkerbruin was, en onder de fraai geteekende wenkbrauwen een paar donkere oogen glinsterden, die met recht diamanten mochten genoemd worden. Een fraai gevormd neusje, een mondje, liefelijk als een pas geopende granaatappel, een mat wit voorhoofd en bevallig genuanceerde wangen voltooiden het beeld van de laatstbedoelde lieve maagd, welker verschijning onzen vromen jongeling dermate boeide, dat hij de aarde voor zich verdwenen achtte, althans van de vragen zijns vriends niets vernomen had.„Schoon vat van devotie!” mompelde hij in zijn verbijstering, en als uit een oude gewoonte, „Toren van David! Guldenhuis! Arke des verbonds.…!”Frank legde hem de hand op den schouder, en stuitte zoo de vrome uitroepen, die den omvang van de geheele litanie van Lorette dreigden te verkrijgen.„Wie zijn die dames, die vaten van devotie?” vroeg hij.„Die dames?.…” sprak Herman aarzelend en als verschrikt. „Ik weet niet, wie je bedoelt.… Ik ken ze niet.”Frank keek hem uitvorschend aan. Hij greep zijn vriend onder den arm.„Kom,” zei hij, „laten wij naar de ouwe lui terugkeeren. Ik ben eenigszins vermoeid.”Beiden keerden om, daalden door het ravijntje af, waarlangs zij naar boven gekomen waren. Toen zij beneden gekomen, evenwel nog voor dat zij de poort van het Casinoterrein binnengetreden waren, haalden zij de twee jonge dames, die ook den terugtocht aangenomen hadden, in. De beide vriendinnen stonden met een derde, die haar tegemoet gekomen was, te snappen. Bij het omgaan van eene buiging, die het pad vormde, stonden onze jongelieden eensklaps voor haar. Frank[19]voelde het lichaam van zijn vriend, met wien hij gearmd wandelde, hevig trillen. De dames traden wat op zijde; de heeren stapten met eene beleefde buiging voorbij.„Zult ge nu nog zeggen, dat gij die dames niet kent?” vroeg Frank.„Neen, ik ken ze niet,” betuigde Herman andermaal, met de hand op het hart.„Dan zal ik mijn vraag aan uw’ vader richten, die zal ze wel kennen.”„Om Godswil! neen, doe dat niet!” sprak de vrome jongeling met iets hartstochtelijks in zijne stem.„Waarom niet?”„Gij zoudt mijne goede moeder verontrusten, die is er zoo op gesteld dat ik geestelijke word, en.…”„Zoo?… Ik geloof evenwel, dat gij goed zult doen, als gij die roeping in nauwgezette overweging neemt. Ik vergis mij niet veel, als ik beweer dat die bruine krullen daar achter ons, in strijd komen met de soutane, die tot heden uw eenigst droombeeld uitmaakte. Is het zoo niet?”„Ik ga morgen-ochtend dadelijk te biecht. Ik moet mijn gemoed aan de voeten van mijn biechtvader uitstorten,” sprak Herman met dweepachtige overtuiging.„Mijn raad zou zijn: dat getrachtette weten te komen, wie die jonge dame is, daarna zoudt gij hare familie een bezoek kunnen brengen. Ik geloof dat die proef meer afdoend zou zijn, dan dat gewauwel in een biechtstoel.”„St!… de ouwe lui kunnen ons hooren.”Werkelijk waren de beide jongelingen het tafeltje weer genaderd, waar Herman’s ouders gezeten waren.„Wel, mijnheer Frank,” vroeg de heer Riethoven, „zijt gij in uwe vergelijkende studiën geslaagd? Is uwe opinie omtrent de Maastrichtsche jonge dames gevestigd?”„Ik moet erkennen, dat de faam dezen keer niet overdreven[20]heeft,” antwoordde Frank met vuur.„Wij hebben beelderig mooie kopjes gezien, nietwaar Herman?”Deze trok onverschillig de schouders op.„Twee hebben vooral onze aandacht geboeid,” ging Frank voort, en kon daarbij eene kleine plagerij niet nalaten. „Een lieve blondine en eene heerlijke brunette. Kijk, maar zoo iets liefs” en hij wendde zich tot mevrouw Riethoven, „zoo iets liefs was mij nog niet onder de oogen gekomen.”„Wie waren het?” vroeg deze aan haren zoon.„Weet ik het, mameer?” antwoordde deze op onverschilligen toon. „Ik heb er niet op gelet.”„Hij heeft er niet op gelet, de brave Herman!” lachte Frank. „Hij prevelde maar zoo wat van: schoon vat van devotie!”Herman bloosde licht, en wierp op zijn vriend een snellen blik. Daarin was evenwel zoo eene bede om te zwijgen opgesloten, dat Frank het gesprek over dat onderwerp staakte. Slechts nog eene plagerij wilde hij aanwenden, meer om zekerheid te krijgen, dan wel omdat hij er genoegen in vond.„Kijk, mevrouw,” sprak hij tot Hermans moeder, „kijk daar komen ze aan. Vindt ge die blondine niet een juweel van een meisje?”Mevrouw Riethoven keek naar de aankomende aandachtig.„Die blondine ken ik niet. Dat is zeker een logeetje,” zeide zij. „Maar de andere dat is de oudste dochter van mijne beste vriendin, dat is Lydia Fraenkel. Bonjour Lydia!” riep ze.De beide meisjes traden op de familie toe, wisselden een hartelijken handdruk met de ouwe lui, eene buiging met de jonge heeren, en verwijderden zich, om zich naar haar eigen gezelschap te begeven.[21]Frank had inmiddels een vreemden blik op Herman geslagen, die dezen tot achter de ooren deed blozen.De Pruisische muzikanten hadden inmiddels hun programma afgespeeld. Als toegift gaven zij nog het in dien tijd algemeen bekende:Sie sollen ihn nicht haben den freien Deutschen Rhein, dat evenwel al heel weinig sympathie opwekte. De Maastrichtenaars hadden voorzeker veel liever deMarseillaiseof deBrabançonne, en kon dat niet, dan hetWien Neêrland’s bloedgehoord, dan die Duitsche poespas, die iedereen onverschillig liet. Toen de muziek zweeg, was het plateau van het Casino spoedig leeg. Slechts weinige tafeltjes bleven door bierproevers bezet. Het overige van het publiek nam den terugtocht aan. Ook de familie Riethoven, waarbij Frank zich natuurlijk aansloot, toog stadwaarts. Terwijl zij den zigzagweg afdaalde, die langs de helling van den berg naar de Maasboorden voerde, klonk een lied, door frissche flinke stemmen aangeheven, die een goed mannenkoor geen oneer zouden aangedaan hebben. In die dagen had een gezelschap van Pyreneesche bergzangers noordelijk Europa bezocht en het lied, wat thans voorgedragen werd, was eene navolging van een hunner nationale gezangen, en klonk allerliefst van daar boven over de Maas-oppervlakte:Riants bords de la Meuse! à toi tous mes amours!Patrie du houblon, je t’aimerai toujours!Rien n’est si beau que le mont Saint Pierre!Rien n’est ni bon qu’un verre de bierre!O! Maastrichtois (bis) Chantes en paix (bis) De ton pays (bis) la bierre et le bonheurLa lalala la la la lalala la la![22]

[Inhoud]I.Op Slavante.Op een zonnigen namiddag in de laatste helft van Juli des jaars 185., was het in den omtrek van den bouwval van het slot Lichtenberg, in de nabijheid van Maastricht op den Sint Pietersberg gelegen,bijzonderlevendig.Op Slavante, die lieve buitensocieteit, welke op de helling van den genoemden berg verrijst, gaf dien dag de kapel van het 28stePruisische linie-regiment—daartoe uit het naburige Aken overgekomen—eenmatinée musicaleen de élite van Limburgs hoofdstad was daar vereenigd om de heerlijke melodiën te genieten; terwijl een dartel zuidewindje door het hoog geboomte voer, hetwelk zich op de berghellingen achter het Casino verhief, en met zijn eigenaardig suizen in het gebladerte een zacht maar wondervol lispelen aan de akkoorden toevoegde, waardoor eene liefelijkheid te meer aan die fraaie muziek bijgezet werd.Statig, maar toch gezellig waren eene menigte dames en heeren op het lommerrijk plateau, hetwelk het schilderachtige Casino-gebouw omgaf, rondom kleine tuintafels gezeten. Op sommige dier tafeltjes prijkte het traditioneele Nederlandsche theeservies, waarbij dan de[4]ruischende waterketel aan de voeten der minst jonge dame van het gezelschap niet ontbrak. Meer aan den Limburgschen landaard getrouw, was op andere de koffiepot te ontwaren, waarin in die streken gewoonlijk een afschuwelijk brouwsel van zeer weinig koffie met zeer veel chicorei—„soekerei”, zooals de inboorlingen zeggen,—vervat was; maar die, als bij vergoeding, geflankeerd werd door een paar borden met zeer dunne boterhammetjes van blanke „mik” en van een of meer „pruimen- of kersen-vlaas”, die onwillekeurig aan een wagenrad deden denken. De meesten der aanwezigen vergastten zich evenwel aan Maastrichter bier, dat zoo overheerlijk smaakt; zoodat dan ook verreweg de meeste tafeltjes met een eerbiedwaardig aantal flesschen prijkten, op welker etiquetten in groote letters het woord „schuimbier” te lezen was.Die daar zaten, waren de meer bedaagden, de stemmigen van de aanwezigen: de papa’s en mama’s, de ooms en tantes. Ook enkele dochters, nichten en zusters, arme wezens reeds in den dalenden tak van het leven, waren rondom die tafeltjes blijven zitten. Levendigheid, ging de laatstbedoelden niet meer zoo goed af, en.… men kon toch niet weten, wellicht dat onder dat loofdak, de een of andere rondkuierende van het sterkere geslacht, smachtende naar een gevoelig hart, eene bevalligheid in het oog kreeg, die helaas! tot nu toe onopgemerkt bleef.Op de ruimte evenwel, die zich beneden aan de helling van dat plateau uitstrekte, langs de wandelwegen, die slingerend en steil klimmend en dalend, door dichte boschjes van „meibloem”-struiken (seringen), die reeds uitgebloeid waren, of van jasmijnen, die de lucht met heerlijke geuren vulden, van dat plateau naar die ruimte voerden, krioelde eene dartele jeugd van beiderlei[5]kunne, hier stoeiend en plagend, daar elkander vervolgend, elders weer in den hoogen schommel wiegelend, maar overal met den frisschen blos van gezondheid, genoegen en levenslust op de koonen, op die koonen, die, vooral bij het teedere geslacht in ons Limburg, met haar zacht dons, lief en bevallig zoo veel overeenkomst met eene heerlijk ontwikkelde perzik hebben.En daar dartelden lieve meisjesgroepen, snoeperige bakvischjes en meer ontwikkelden, met bruine haarlokken, die hen een bevalligen diadeem vormden; met lelieblanke voorhoofden, als ware het marmer; met fijn gevormde neusjes, die wel iets van den stijven Griekschen vorm afweken, en eenige overeenkomst met een kaarsendompertje vertoonden; met dunne maar toch tot zoenen gevormde lipjes; met ronde kinnetjes, die van een bewegelijk onderkaaksvermogen getuigden; met donkere vlammende oogen, die aan de naburige Waalsche type deden denken; met fraaie en weelderig ontluikende bustes, die een beeldhouwer in verrukking moesten brengen;—daar dartelden en stoeiden die lieve wezentjes te midden van jongelingsgroepen, die den krachtigen Limburgschen grondvorm in zijne volle ontwikkeling vertoonden.Maar bij stoeien en dartelen bleef het niet.Sloeg toch de opmerker de paden in, die langs de grensmuren van het Casinoterrein voerden, dan zag hij heel wat anders. Langs die muren, die, van mergelblokken opgetrokken, door haar in puin vallend kanteelwerk of door hare ogiefvormige versieringen aanduidden, dat zij eenmaal eene Gode gewijde plaats omheinden, wandelde menig jeugdig paartje, dat zich van het gejoel daar ginds afgezonderd had. Langs die muren, die vroeger vrome lofzangen ter verheerlijking van den Schepper, of treurige psalmen tot boetedoening weerkaatst hadden,[6]klonk nu zacht gefluister van jeugdige harten, als waren zij bevreesd hunne stemmen onder het lommerrijke dak, dat hun pad overwelfde, te verheffen. Langs die muren, die weleer slechts in zwart gehulde vrouwengedaanten, met het brevier in de hand en het kruisbeeld aan den gordel, voorbij hadden zien sluipen, werden nu hier en daar—ja waarom zou zulks verheeld worden? het is toch zoo natuurlijk—achter beschermende „konkernollen” struiken, of vooruitspringende muurgedeelten, zachte en verrukkelijke geluiden vernomen, als b.v. van het luchtledige op eene wang veroorzaakt.De jeugd blijft altijd jeugd! Zij kan het—het luchtledige op eene wang veroorzaken, wel te verstaan—nooit jonger doen.Aan een der tafeltjes op het bovenbedoeld plateau zat eene Maastrichter familie, bestaande uit man, vrouw en een zoon, die ter wille van het volgende verhaal voor een oogenblik onze aandacht moet bezighouden. Eenige tuinstoeltjes, die, voorover gebogen, tegen den tafelrand leunden, duidden aan, dat het gezin talrijker was; maar dat de afwezigen tot de dartelende, wellicht tot de pneumatische pompen van straks behoorden, hetgeen voor den loop dezer geschiedenis minder belangwekkend is.Het zij hier ter loops gezegd, dat de familie Riethoven een gezin was van gegoede burgerlieden, die met een vrij talrijk kroost gezegend waren. De beide ouders waren de vijftig vrij wel genaderd, en leverden overigens weinig opmerkenswaardigs op, om ons mee bezig te houden.De zoon, die bij hen was blijven zitten, was een jongeling van achttien of negentien jaren, die een frisch blozend gelaat bij een flink ontwikkelden lichaamsbouw vertoonde. Over het algemeen had hij geen ongunstig uiterlijk; alleen zijn oogopslag was minder aangenaam. Bijna nooit durfde hij den persoon aan te zien, met wien[7]hij sprak. Hij hield dan den blik schuchter ter neergeslagen, en waagde het alleen de oogen op te slaan, wanneer hij meende, dat zijn toespreker hem niet aankeek, en diens aandacht elders gevestigd was. Daarbij had hij het hoofdhaar zeer kort en zoodanig afgeknipt, dat de haarlijn in een halven boog zonder inspringende hoeken boven dat hooge voorhoofd welfde van het eene oor tot het andere, waardoor hij in zijn uiterlijk wel iets van het terugstootende van een kwakerhoofd vertoonde. Hij was daarenboven in een zwart lakensche jas met lange afhangende panden gekleed, waaronder een dito vest zichtbaar werd, dat tot hoog bij den hals zonder borstomslagen te vertoonen, dichtgeknoopt was; zoodat geen ander linnengoed te zien was dan een heel smal boordje, dat boven een vrij breede zwart zijden das uitstak. Aan de handen, die het spoor droegen van niet veel zorg te erlangen, waren geen manchetten te bespeuren. Zij zouden ook overbodig geweest zijn, want met hunnen eigenaardigen snit omsloten de mouwen den arm bij het polsgewricht zoo nauwkeurig, als wilden zij ijdele blikken afweren.Het was in één woord een beeld van den seminarist, van den Christelijken jonkman, zooals dergelijken in die dagen genoemd werden. Hij was dan ook een der studeerende jongelingen van Rolduc, van die kweekschool van jonge priesters, op de grenzen van Nederland en Pruisen gelegen. Het was thans vacantie, en het had den vader veel moeite gekost om zijn vromen zoon over te halen, zoo’n wereldsch vermaak als eenmatinée musicaleis, in tegenwoordigheid zijner ouders bij te wonen. Toen hij niet meer weigeren kon, had hij het „vademecum”, dat hij van zijn biechtvader meegekregen had, geraadpleegd en toen hij daarin geschreven vond, dat hij, die het gevaar zoekt, in het gevaar vergaan zal,[8]had hij het boekje met een zekeren weemoed dichtgeslagen. Hij kantte zich nog wel tegen den wensch zijns vaders aan, maar gaf toch eindelijk toe, en troostte zich met de gedachte, dat hij het niet was, die het gevaar opzocht. Hij werd tegen zijn wil in het gevaar gebracht. Als aanstaande strijder van de Kerk, zou hij evenwel weten pal te staan. Intusschen prevelde hij op de wandeling naar Slavante met vuur: „In viam pacis.… In nomine Domini!”1een gebed, dat hem als „itinerarium”, als marschorder op het pad des levens gedurende de vacantie verstrekt was.Hij zat daar nu bij zijne ouders, keek voor zich en deed zich bijzonder te goed aan de „pruimenvlaai”, die hem door zijn „vademecum” niet verboden scheen.„Kom, hoe zit je daar zoo als een druiloor, Herman?” sprak de vader. „Ik meende je genoegen te verschaffen, door je die heerlijke muziek te laten hooren.”„Genoegen!” antwoordde Herman—want zoo heette onze seminarist. „Genoegen!” antwoordde hij met bitterheid in zijn stem. „Ik had veel liever het Lof in de O. L. V. Kerk bijgewoond. Mompeer2, het „pangue langua”3is andere muziek dan dit! dat verzeker ik u.”„Gij kent mijn gevoelen,” hernam de vader. „Vóór gij den onherroepelijken stap doet, vóór gij de „soutane” aantrekt, is het mijn wensch, dat gij een blik werpt in de wereld, die gij op het punt staat vaarwel te zeggen.”„O! niets zal mij aan het wankelen brengen,” sprak de jongeling met vuur. „Niets, het allerminst die wereld”…„Die zoo schoon is, die zooveel betooverends heeft!” klonk eene stem achter Herman, terwijl hij tevens eene hand voelde, die op zijn schouders rustte.Het was de stem van een jonkman, die de vrome ontboezeming afbrak.[9]De nieuw aangekomene vormde met Herman wel een scherp contrast. Was deze ernstig, stemmig, teruggetrokken, de andere was de vroolijkheid in persoon, was opgeruimd en mededeelzaam. In zijn open helderen blik lag zijne geheele ziel te lezen. Zelfs zijn krullebol stak aangenaam af bij het vrome hoofd van den ander; terwijl zijn jaquette, zijn vest van keurigen snit en zijne pantalon-collant getuigenis aflegden, dat hij over kleeding en modes anders dacht, dan dat in het seminarie, gedaan werd.„God! zijt gij dat, Frank?” kreet Herman, terwijl hij opsprong, toen hij zijn vriend herkende, die hem de hand toestak.„Ja, dat ben ik! Ik, Frank Brinkman.”„En waar komt gij vandaan?”„Niet regelrecht van Leiden,” antwoordde Frank met een schaterlach, terwijl hij op de ouders van Herman toetrad en hen als oude bekenden begroette.Hij greep een stoel, en zette zich bij het gezelschap neder.„Ik heb van mijn goeden vader verlof gekregen om een reisje door België te maken,” ging hij voort, toen hij gezeten was,„enben nu zoo wat aan het boemelen. Ik ben van Leiden naar Brussel gereisd, spoorde van daar naar Namen en Dinant, en bezocht de grot van Han. Dat was eigenlijk het groote doel mijner excursie, en nu keer ik over Maastricht naar Nederland weer. Evenwel zoo langzaam mogelijk, dat begrijpt gij!”„Maar hoe komt ge thans hier?”„Wel, dat is doodeenvoudig. Ik kwam heden ochtend met de Maasboot van Luik aan. Ik vernam in de „Levrier”4, dat er heden namiddag te Slavante muziek gemaakt werd en dat geheel Maastricht daar vereenigd zou zijn. Ik wou mijn kennis van land- en volkenkunde vermeerderen.[10]Ik had vernomen, dat de Maastrichtsche meisjes de mooiste meisjes van Nederland waren, en ik wilde in de gelegenheid zijn om punten van vergelijking te maken.”„Gij!… Frank, gij?…” stamelde Herman met ontzetting in zijne stem.„Ja … ik! O ja, je weet nog niet, dat ik „le froc aux orties” geworpen heb.”„Gij! Frank, gij? Hoe is het bij God mogelijk? Gij de vroomste van ons allen!…”„Gij weet dat mijne ouders mij, nadat ik Rolduc verlaten had, naar het gesticht der paters Jezuïeten te Katwijk gezonden hebben. Dat was dichter in de buurt, verzekerde mijn vader. Begon het mij evenwel te Rolduc al weinig aan te staan, daar te Katwijk was het heelemaal mis. Maar, dat zal ik je later wel eens verhalen. Kom nu met mij mee. Ik heb mijn punten van vergelijking nog te maken.”„Wees nu toch niet dwaas!” antwoordde Herman.„Noem je dat dwaas, naar mooie meisjes om te zien? Kom, wat ik er al in het voorbijgaan van gezien heb, doet mij naar het voortzetten mijner vergelijkingen verlangen.”Hermans vader knikte Frank toe, als om hem aan te moedigen op het ingeslagen pad voort te gaan, en de poging niet op te geven.De vrome jongeling stribbelde tegen; maar het mocht niet baten. Frank’s overredingskracht was onweerstaanbaar. Hij greep zijns vriends arm, noodzaakte hem op te staan, en verwijderde zich met hem.„Dat ge den jongen zoo plagen kunt, en hem zijne roeping niet ongestoord volgen laat,” was de bemerking der moeder, toen de jongelieden weg waren. Zij had den wenk van haren echtvriend wel bespeurd. Haar[11]was die niet ontgaan. „Gij ziet toch welk hartzeer gij hem telkens aandoet.”„Ik wil hebben, dat hij de wereld leert kennen, alvorens hij den onherroepelijken stap doet,” herhaalde de vader met grommende stem. „Het is zoo maar niets, niet waar? om in eene ondoordachte, ja onbezonnen bui, ieder huiselijk geluk vaarwel te zeggen, zich te midden der maatschappij op een eiland te plaatsen nog eenzamer als dat van Robinson Crusoë was, ja zich in vollen strijd met die maatschappij te begeven!”De moeder zuchtte, maar antwoordde niet. Instinktmatig gevoelde zij, in weerwil van haren godsdienstijver, dat de vader gelijk had.De beide vrienden waren inmiddels voortgeloopen. Frank, aan zijn vergelijkingsplan getrouw, zocht natuurlijk de lanen, de slingerpaden op, waar de liefste kopjes dartelden. Ja, hij versmaadde ook de paden langs de omheiningsmuren niet.„O! kijk eens,” riep hij nu en dan uit, „kijk eens, wat een lief bekje!”„Kijk eens, wat bekoorlijk golvende krullen!” klonk het iets verder.„O! maar zulke lieve blauwe oogjes zag ik nimmer!” was de volgende uitroep.Wat Herman bij die hartstochtelijke ontboezemingen leed, is niet te beschrijven. Het was hem te moede alsof hij met vuur speelde. Bij iederen uitroep zijns vriends waagde hij een oogopslag, schuchter en bliksemsnel, maar toch langdurig genoeg om hem de juistheid dien geestdriftvolle opmerkingen te doen inzien. Het waren inderdaad lieve bakkesjes, bekoorlijke krullen en betooverende oogen, die men daar opmerkte.„Vade retro Satanas!”5prevelde hij met een soort grimmigen moed, wanneer zijn blik dien van de eene[12]of andere schalksche schoone kruiste, die een glimlach niet kon onderdrukken, bij het zien van dien langgejasten jongeling, en die nog meer getinteld zoude hebben van spotlust, wanneer het lieve kind had kunnen raden, dat zij even als satan verzocht werd achteruit te wijken.Of hij boog demoedig het hoofd, als voelde hij, dat hij niet de sterkste was, dat zijn gebiedend woord aan den vorst der duisternis zonder kracht bleef, en prevelde met den meest mogelijken ootmoed:„Sub tuum presidium confugimus sancta Dei genetrix!”6Frank schaterde het uit van lachen. In plaats van zich in de hoede der Moedermaagd aan te bevelen, spoorde hij met zijne blikken de schoonen na, keek haar stoutmoedig in de fraaie oogen, en noodzaakte haar die spiegels der ziel voor den stouten blik van dien aanvalligen krullekop neer te slaan.„God! wat is de wereld toch schoon!” riep de geestdriftvolle jongeling als in een dankgebed uit.Zij hadden het terrein reeds verscheiden malen doorgewandeld. Geen laan, geen slingerpad was door hen onbezocht gebleven, en nog liet Frank niet merken, dat hij aan zijn vergelijkingstocht een einde wilde maken. Herman trachtte hem mee te troonen naar de zitplaats der oude lieden; maar daar had de schalk geen ooren naar. Eindelijk in vertwijfeling stelde de vrome jongeling voor:„Kom, laat ons naar de ruïne van Lichtenberg gaan.”„Naar Lichtenberg?” vroeg Frank.„Men heeft daar een fraai uitzicht,” verzekerde Herman.„Fraaier als dat, wat men daar van dat soort balkon geniet, waar men boven op dien loodrechten muur staande, als het ware het geheele Maasdal overziet?”„O! veel fraaier!”[13]„Is het ver van hier?”„Neen, vlak bij.”„Vooruit dan maar!” zei Frank na eene lichte aarzeling. En bij zich zelven mompelde hij: „Een fraai uitzicht, en vlak bij … wel, dan zullen daar ook wel jonge meisjes aangetroffen worden. De schoonen zoeken het schoone!”Beiden verlieten door de zuiderpoort de enceinte van het Casinoterrein. De niet al te breede weg voerde een poos door dicht struikgewas, een waar bosch van hazelnotenstruiken. Toen splitste hij zich in twee takken, waarvan een rechtsom sloeg, en de andere nog een poos in zuidelijke richting voortging.„Welke van de twee?” vroeg Frank, die op het mulle pad vooruittrad.„Rechtdoor,” antwoordde Herman, „die daar rechts voert naar den ingang van den Sint Pietersberg.”„Drommels! dien moet ik ook nog zien,” zei Frank, „maar heden niet. Morgen wellicht.”Zij volgden het aangewezen pad, dat aan den linkerkant meer vrij werd, en eindelijk een fraai uitzicht over het Maasdal opende. Maar plotseling boog het ook rechts om, en steeg nu door een soort ravijn vrij steil omhoog. Boven gekomen, geleidde Herman zijn vriend door een hek van ruwe planken in elkander getimmerd. Daar verrees de ruïne van het oude Ridderslot, die het doel van hun tocht was, aan hunne rechterzijde. Maar, bij het betreden van dat terrein, ontsnapte aan Frank een kreet van bewondering.Het was de bouwval niet, hoe opmerkenswaardig overigens, die hem dien kreet ontwrong. Neen, maar daar vlak voor onze jongelingen ontwikkelde zich een panorama, dat al heel spoedig hun beider ziel vervulde, en hunne geestvermogens boeide. Zij bevonden zich op[14]een soort van bergplat, op welks midden de ruïne in alle statigheid verrees. Van den bouwval helde het terrein met eene zachte glooiing een paar honderd passen naar den kant van het Oosten, vormde daar een rand, en daalde met zeer scherpe helling naar beneden. Die helling was met struikgewas overdekt, voornamelijk met wilde rozelaars, welker scherpdoornige vertakkingen wijd en zijd uitgespreid en doorweven waren met de woest dooreengroeiende ranken van niet minder stekelige braambeziën-struiken. Die dicht begroeide helling vormde een fraaien voorgrond aan de voeten onzer beschouwers, vooral daar ook te midden van die struiken, allerliefste meisjeskopjes te voorschijn kwamen, die zich bezighielden met braambessen,—„brommelen” in de landstaal geheeten,—te zoeken, en zoo te midden van die wild groeiende takken met haar frisch groen en met hare roode eglantiersbottels en donkerblauwe bessen eene allerliefste omlijsting vonden.Maar, aan den voet van de helling ontwaarde de blik de Maas, die daar zacht murmelend voortstroomde over haar bed van keien, welke zelfs van die hoogte in het heldere water zichtbaar waren. De rivier was daar vrij breed, doch van het punt gezien, waar onze jongelingen stonden, vertoonde zij zich als een breed zilveren lint, dat zich naar het zuiden toe in zachte bochten door het bekoorlijke landschap wrong, en waren hare kronkelingen in die richting tot bij den gezichteinder met het oog te volgen. Naar den noordkant schoot de stroom in nagenoeg lijnrechte richting voort, maar verdween weldra voor het oog, verborgen door de scherpere hellingen van den Sint Pietersberg, welke aan dien kant als omhoog steigerden. Alleen kon het oog aan die zijde als in een hoekje eenige daken en hooge fabriekschoorsteenen bespeuren, die aangaven dat eene[15]stad in de nabijheid lag. En inderdaad, die daken behoorden tot de voorstad Wijk, en die schoorsteenen tot de fabriek van aardewerk, die aan den zuidkant van die voorstad gelegen was.Naar den oostkant, daar vlak voor onze jeugdige beschouwers, aan den overkant der Maas, strekte zich een landschap, uit, dat in den volsten zin des woords betooverend mocht genoemd worden. Aan de boorden van de Maas, daar vlak tegenover Lichtenberg, lag een lief kasteeltje, hetwelk zijn helder witte muren en zijn bevallig torentje in het spiegelgladde water weerkaatst zag. Links daarvan, naar den kant van Maastricht, strekte zich het dorpje Heugem evenwijdig aan de Maas uit. Iets verder meer in het noordoosten vertoonde zich het dorpje Scharn, daarnaast het grootere dorp Heer, daar vlak tegenover geheel in het oosten het dorp Gronsveld met zijnen schilderachtigen windmolen, die zijne wieken lustig liet ronddraaien, en het landschap eigenaardig stoffeerde. Meer in het zuidoosten werd het dorpje Rijckholt ontwaard, en daar ginds bij die sierlijke buiging van den Maasstroom schitterden de witte muren van het dorp Eijsden, de laatste plaats op Nederlandsch grondgebied, in het zonlicht; en bij den horizon duidden eenige glinsterende stippen Visé aan, dat eerste stadje op Belgisch grondgebied.Het landschap tusschen die dorpen was een echt Zuid-Limburgsch landschap; d.w.z. een zoo vruchtbare landouw, als maar voor oogen getooverd kon worden. Uitgestrekte graanvelden, die, het rijpen nabij, haren goudgelen rijkdom onder de bries lieten golven, afgewisseld met aardappelenvelden, waarvan het donkere loof in dat jaargetijde een verrassend contrast daarmede vormde. Daartusschen staken koolzaadvelden met hare[16]zwavel-geelkleurige, en klavervelden met hare lilakleurige bloemen af, en vormden te zamen met hare groene heggen en hare rijen van popels, welke die velden omzoomden, een onmetelijk schaakbord met vele vakken, dat rijk geschakeerd, tot aan den Keerderbergrug reikte, die daar ginds den gezichteinder in het oosten begrensde, en daar een’ heerlijken achtergrond vormde. Die heuvelenrij strekte zich zuidwaarts uit, naderde op hare beurt in het verschiet de Maas, liep dan nagenoeg evenwijdig aan den Sint Pietersberg, en vormde met dien een dal voor de schoone rivier, dat verrukkelijk te noemen was, en iedereen, die een open oog voor natuurschoon had, moest boeien.„Het is schoon! wonderschoon!” betuigde Frank met geestdrift, „en ik dank je Herman, dat ge mij hierheen gebracht hebt. Ziet ge nu wel, dat het zijn nut heeft.… op vergelijkingen uittegaan. Als wij bij je ouders hadden blijven zitten, dan.… dan had ik althans dat gezicht gemist.”Frank kreeg geen antwoord op die ontboezeming. Hij lette daar voorshands niet op.Daar ginds op de Maas, in dien bocht daar bij het dorp Eijsden, vertoonde zich eene stip, die in hooge mate zijne aandacht trok.„Wat is dat daar op de rivier?” vroeg hij.Geen antwoord. Andermaal lette hij daar niet op, maar keek scherp uit, terwijl hij de handen, met de vingertoppen tegen elkander, om en boven de oogen bracht om zijn gezichtsvermogen te versterken.„O! nu zie ik het,” riep hij na een poos turens eensklaps uit. „O! nu zie ik het! het is de Maasboot met haren zwarten romp, die als een zwart puntje op den helderen waterspiegel afsteekt, maar waarboven zich de stoomwolken, die zij ontlast, als eene onmetelijke pluim[17]uitstrekken, ombuigen en als eene schitterend witte streep vormen, die fijn begint en langzamerhand verbreedt. O! wat is dat fraai! Zeg.… Herman.…”Geen antwoord.„Zeg, Herman!.… Zie je dat?”Geen antwoord. Thans keerde Frank zich om, met de woorden op de lippen:„Waar zit hij?”Hij ontwaarde toen zijn vriend, die op een kleinen afstand achter hem, maar half met den rug naar hem toegekeerd, naar iets te turen stond. In den stand, waarin Herman geplaatst was, kon ontwaard worden, dat hij de armen over de borst gekruisd hield, en duidelijk hoorbaar prevelde:„Sub tuum presidium.…”6„Confugimus sancta Dei genetrix,”6viel Frank lachend in. „Het is bij mijn ziel nu wel tijd om zich onder de hoede van de Heilige Maagd te stellen! Maar, waar kijk je naar?.… Drommels! wat een paar mooie meisjes! O! zoo; is dat het presidium, hetwelk je wenscht te aanvaarden! Zoo, zoo!”Daar op dat bergplat, bij de ruïne, wandelden temidden van de velen, die ook daar stoeiden en dartelden, een paar jonge dames, die door het schoone panorama, hetwelk daar onder de Julizon lag te glinsteren, ook aangetrokken schenen, en geen oog daarvan afwendden. Beiden hadden bevallige slanke gestalten, vertoonden eene heerlijke buigzame leest op weelderig gevormde heupen en eene ontwikkeling van schouders en borst, die allerbekoorlijkst mocht heeten.Beiden droegen een diadeem van overvloedige krullen om het fraai gevormde hoofdje, maar bij de eene was die haardos blond, en gingen daarmede een paar fraaie azuurkleurige oogen gepaard; terwijl hij bij de andere[18]donkerbruin was, en onder de fraai geteekende wenkbrauwen een paar donkere oogen glinsterden, die met recht diamanten mochten genoemd worden. Een fraai gevormd neusje, een mondje, liefelijk als een pas geopende granaatappel, een mat wit voorhoofd en bevallig genuanceerde wangen voltooiden het beeld van de laatstbedoelde lieve maagd, welker verschijning onzen vromen jongeling dermate boeide, dat hij de aarde voor zich verdwenen achtte, althans van de vragen zijns vriends niets vernomen had.„Schoon vat van devotie!” mompelde hij in zijn verbijstering, en als uit een oude gewoonte, „Toren van David! Guldenhuis! Arke des verbonds.…!”Frank legde hem de hand op den schouder, en stuitte zoo de vrome uitroepen, die den omvang van de geheele litanie van Lorette dreigden te verkrijgen.„Wie zijn die dames, die vaten van devotie?” vroeg hij.„Die dames?.…” sprak Herman aarzelend en als verschrikt. „Ik weet niet, wie je bedoelt.… Ik ken ze niet.”Frank keek hem uitvorschend aan. Hij greep zijn vriend onder den arm.„Kom,” zei hij, „laten wij naar de ouwe lui terugkeeren. Ik ben eenigszins vermoeid.”Beiden keerden om, daalden door het ravijntje af, waarlangs zij naar boven gekomen waren. Toen zij beneden gekomen, evenwel nog voor dat zij de poort van het Casinoterrein binnengetreden waren, haalden zij de twee jonge dames, die ook den terugtocht aangenomen hadden, in. De beide vriendinnen stonden met een derde, die haar tegemoet gekomen was, te snappen. Bij het omgaan van eene buiging, die het pad vormde, stonden onze jongelieden eensklaps voor haar. Frank[19]voelde het lichaam van zijn vriend, met wien hij gearmd wandelde, hevig trillen. De dames traden wat op zijde; de heeren stapten met eene beleefde buiging voorbij.„Zult ge nu nog zeggen, dat gij die dames niet kent?” vroeg Frank.„Neen, ik ken ze niet,” betuigde Herman andermaal, met de hand op het hart.„Dan zal ik mijn vraag aan uw’ vader richten, die zal ze wel kennen.”„Om Godswil! neen, doe dat niet!” sprak de vrome jongeling met iets hartstochtelijks in zijne stem.„Waarom niet?”„Gij zoudt mijne goede moeder verontrusten, die is er zoo op gesteld dat ik geestelijke word, en.…”„Zoo?… Ik geloof evenwel, dat gij goed zult doen, als gij die roeping in nauwgezette overweging neemt. Ik vergis mij niet veel, als ik beweer dat die bruine krullen daar achter ons, in strijd komen met de soutane, die tot heden uw eenigst droombeeld uitmaakte. Is het zoo niet?”„Ik ga morgen-ochtend dadelijk te biecht. Ik moet mijn gemoed aan de voeten van mijn biechtvader uitstorten,” sprak Herman met dweepachtige overtuiging.„Mijn raad zou zijn: dat getrachtette weten te komen, wie die jonge dame is, daarna zoudt gij hare familie een bezoek kunnen brengen. Ik geloof dat die proef meer afdoend zou zijn, dan dat gewauwel in een biechtstoel.”„St!… de ouwe lui kunnen ons hooren.”Werkelijk waren de beide jongelingen het tafeltje weer genaderd, waar Herman’s ouders gezeten waren.„Wel, mijnheer Frank,” vroeg de heer Riethoven, „zijt gij in uwe vergelijkende studiën geslaagd? Is uwe opinie omtrent de Maastrichtsche jonge dames gevestigd?”„Ik moet erkennen, dat de faam dezen keer niet overdreven[20]heeft,” antwoordde Frank met vuur.„Wij hebben beelderig mooie kopjes gezien, nietwaar Herman?”Deze trok onverschillig de schouders op.„Twee hebben vooral onze aandacht geboeid,” ging Frank voort, en kon daarbij eene kleine plagerij niet nalaten. „Een lieve blondine en eene heerlijke brunette. Kijk, maar zoo iets liefs” en hij wendde zich tot mevrouw Riethoven, „zoo iets liefs was mij nog niet onder de oogen gekomen.”„Wie waren het?” vroeg deze aan haren zoon.„Weet ik het, mameer?” antwoordde deze op onverschilligen toon. „Ik heb er niet op gelet.”„Hij heeft er niet op gelet, de brave Herman!” lachte Frank. „Hij prevelde maar zoo wat van: schoon vat van devotie!”Herman bloosde licht, en wierp op zijn vriend een snellen blik. Daarin was evenwel zoo eene bede om te zwijgen opgesloten, dat Frank het gesprek over dat onderwerp staakte. Slechts nog eene plagerij wilde hij aanwenden, meer om zekerheid te krijgen, dan wel omdat hij er genoegen in vond.„Kijk, mevrouw,” sprak hij tot Hermans moeder, „kijk daar komen ze aan. Vindt ge die blondine niet een juweel van een meisje?”Mevrouw Riethoven keek naar de aankomende aandachtig.„Die blondine ken ik niet. Dat is zeker een logeetje,” zeide zij. „Maar de andere dat is de oudste dochter van mijne beste vriendin, dat is Lydia Fraenkel. Bonjour Lydia!” riep ze.De beide meisjes traden op de familie toe, wisselden een hartelijken handdruk met de ouwe lui, eene buiging met de jonge heeren, en verwijderden zich, om zich naar haar eigen gezelschap te begeven.[21]Frank had inmiddels een vreemden blik op Herman geslagen, die dezen tot achter de ooren deed blozen.De Pruisische muzikanten hadden inmiddels hun programma afgespeeld. Als toegift gaven zij nog het in dien tijd algemeen bekende:Sie sollen ihn nicht haben den freien Deutschen Rhein, dat evenwel al heel weinig sympathie opwekte. De Maastrichtenaars hadden voorzeker veel liever deMarseillaiseof deBrabançonne, en kon dat niet, dan hetWien Neêrland’s bloedgehoord, dan die Duitsche poespas, die iedereen onverschillig liet. Toen de muziek zweeg, was het plateau van het Casino spoedig leeg. Slechts weinige tafeltjes bleven door bierproevers bezet. Het overige van het publiek nam den terugtocht aan. Ook de familie Riethoven, waarbij Frank zich natuurlijk aansloot, toog stadwaarts. Terwijl zij den zigzagweg afdaalde, die langs de helling van den berg naar de Maasboorden voerde, klonk een lied, door frissche flinke stemmen aangeheven, die een goed mannenkoor geen oneer zouden aangedaan hebben. In die dagen had een gezelschap van Pyreneesche bergzangers noordelijk Europa bezocht en het lied, wat thans voorgedragen werd, was eene navolging van een hunner nationale gezangen, en klonk allerliefst van daar boven over de Maas-oppervlakte:Riants bords de la Meuse! à toi tous mes amours!Patrie du houblon, je t’aimerai toujours!Rien n’est si beau que le mont Saint Pierre!Rien n’est ni bon qu’un verre de bierre!O! Maastrichtois (bis) Chantes en paix (bis) De ton pays (bis) la bierre et le bonheurLa lalala la la la lalala la la![22]

I.Op Slavante.

Op een zonnigen namiddag in de laatste helft van Juli des jaars 185., was het in den omtrek van den bouwval van het slot Lichtenberg, in de nabijheid van Maastricht op den Sint Pietersberg gelegen,bijzonderlevendig.Op Slavante, die lieve buitensocieteit, welke op de helling van den genoemden berg verrijst, gaf dien dag de kapel van het 28stePruisische linie-regiment—daartoe uit het naburige Aken overgekomen—eenmatinée musicaleen de élite van Limburgs hoofdstad was daar vereenigd om de heerlijke melodiën te genieten; terwijl een dartel zuidewindje door het hoog geboomte voer, hetwelk zich op de berghellingen achter het Casino verhief, en met zijn eigenaardig suizen in het gebladerte een zacht maar wondervol lispelen aan de akkoorden toevoegde, waardoor eene liefelijkheid te meer aan die fraaie muziek bijgezet werd.Statig, maar toch gezellig waren eene menigte dames en heeren op het lommerrijk plateau, hetwelk het schilderachtige Casino-gebouw omgaf, rondom kleine tuintafels gezeten. Op sommige dier tafeltjes prijkte het traditioneele Nederlandsche theeservies, waarbij dan de[4]ruischende waterketel aan de voeten der minst jonge dame van het gezelschap niet ontbrak. Meer aan den Limburgschen landaard getrouw, was op andere de koffiepot te ontwaren, waarin in die streken gewoonlijk een afschuwelijk brouwsel van zeer weinig koffie met zeer veel chicorei—„soekerei”, zooals de inboorlingen zeggen,—vervat was; maar die, als bij vergoeding, geflankeerd werd door een paar borden met zeer dunne boterhammetjes van blanke „mik” en van een of meer „pruimen- of kersen-vlaas”, die onwillekeurig aan een wagenrad deden denken. De meesten der aanwezigen vergastten zich evenwel aan Maastrichter bier, dat zoo overheerlijk smaakt; zoodat dan ook verreweg de meeste tafeltjes met een eerbiedwaardig aantal flesschen prijkten, op welker etiquetten in groote letters het woord „schuimbier” te lezen was.Die daar zaten, waren de meer bedaagden, de stemmigen van de aanwezigen: de papa’s en mama’s, de ooms en tantes. Ook enkele dochters, nichten en zusters, arme wezens reeds in den dalenden tak van het leven, waren rondom die tafeltjes blijven zitten. Levendigheid, ging de laatstbedoelden niet meer zoo goed af, en.… men kon toch niet weten, wellicht dat onder dat loofdak, de een of andere rondkuierende van het sterkere geslacht, smachtende naar een gevoelig hart, eene bevalligheid in het oog kreeg, die helaas! tot nu toe onopgemerkt bleef.Op de ruimte evenwel, die zich beneden aan de helling van dat plateau uitstrekte, langs de wandelwegen, die slingerend en steil klimmend en dalend, door dichte boschjes van „meibloem”-struiken (seringen), die reeds uitgebloeid waren, of van jasmijnen, die de lucht met heerlijke geuren vulden, van dat plateau naar die ruimte voerden, krioelde eene dartele jeugd van beiderlei[5]kunne, hier stoeiend en plagend, daar elkander vervolgend, elders weer in den hoogen schommel wiegelend, maar overal met den frisschen blos van gezondheid, genoegen en levenslust op de koonen, op die koonen, die, vooral bij het teedere geslacht in ons Limburg, met haar zacht dons, lief en bevallig zoo veel overeenkomst met eene heerlijk ontwikkelde perzik hebben.En daar dartelden lieve meisjesgroepen, snoeperige bakvischjes en meer ontwikkelden, met bruine haarlokken, die hen een bevalligen diadeem vormden; met lelieblanke voorhoofden, als ware het marmer; met fijn gevormde neusjes, die wel iets van den stijven Griekschen vorm afweken, en eenige overeenkomst met een kaarsendompertje vertoonden; met dunne maar toch tot zoenen gevormde lipjes; met ronde kinnetjes, die van een bewegelijk onderkaaksvermogen getuigden; met donkere vlammende oogen, die aan de naburige Waalsche type deden denken; met fraaie en weelderig ontluikende bustes, die een beeldhouwer in verrukking moesten brengen;—daar dartelden en stoeiden die lieve wezentjes te midden van jongelingsgroepen, die den krachtigen Limburgschen grondvorm in zijne volle ontwikkeling vertoonden.Maar bij stoeien en dartelen bleef het niet.Sloeg toch de opmerker de paden in, die langs de grensmuren van het Casinoterrein voerden, dan zag hij heel wat anders. Langs die muren, die, van mergelblokken opgetrokken, door haar in puin vallend kanteelwerk of door hare ogiefvormige versieringen aanduidden, dat zij eenmaal eene Gode gewijde plaats omheinden, wandelde menig jeugdig paartje, dat zich van het gejoel daar ginds afgezonderd had. Langs die muren, die vroeger vrome lofzangen ter verheerlijking van den Schepper, of treurige psalmen tot boetedoening weerkaatst hadden,[6]klonk nu zacht gefluister van jeugdige harten, als waren zij bevreesd hunne stemmen onder het lommerrijke dak, dat hun pad overwelfde, te verheffen. Langs die muren, die weleer slechts in zwart gehulde vrouwengedaanten, met het brevier in de hand en het kruisbeeld aan den gordel, voorbij hadden zien sluipen, werden nu hier en daar—ja waarom zou zulks verheeld worden? het is toch zoo natuurlijk—achter beschermende „konkernollen” struiken, of vooruitspringende muurgedeelten, zachte en verrukkelijke geluiden vernomen, als b.v. van het luchtledige op eene wang veroorzaakt.De jeugd blijft altijd jeugd! Zij kan het—het luchtledige op eene wang veroorzaken, wel te verstaan—nooit jonger doen.Aan een der tafeltjes op het bovenbedoeld plateau zat eene Maastrichter familie, bestaande uit man, vrouw en een zoon, die ter wille van het volgende verhaal voor een oogenblik onze aandacht moet bezighouden. Eenige tuinstoeltjes, die, voorover gebogen, tegen den tafelrand leunden, duidden aan, dat het gezin talrijker was; maar dat de afwezigen tot de dartelende, wellicht tot de pneumatische pompen van straks behoorden, hetgeen voor den loop dezer geschiedenis minder belangwekkend is.Het zij hier ter loops gezegd, dat de familie Riethoven een gezin was van gegoede burgerlieden, die met een vrij talrijk kroost gezegend waren. De beide ouders waren de vijftig vrij wel genaderd, en leverden overigens weinig opmerkenswaardigs op, om ons mee bezig te houden.De zoon, die bij hen was blijven zitten, was een jongeling van achttien of negentien jaren, die een frisch blozend gelaat bij een flink ontwikkelden lichaamsbouw vertoonde. Over het algemeen had hij geen ongunstig uiterlijk; alleen zijn oogopslag was minder aangenaam. Bijna nooit durfde hij den persoon aan te zien, met wien[7]hij sprak. Hij hield dan den blik schuchter ter neergeslagen, en waagde het alleen de oogen op te slaan, wanneer hij meende, dat zijn toespreker hem niet aankeek, en diens aandacht elders gevestigd was. Daarbij had hij het hoofdhaar zeer kort en zoodanig afgeknipt, dat de haarlijn in een halven boog zonder inspringende hoeken boven dat hooge voorhoofd welfde van het eene oor tot het andere, waardoor hij in zijn uiterlijk wel iets van het terugstootende van een kwakerhoofd vertoonde. Hij was daarenboven in een zwart lakensche jas met lange afhangende panden gekleed, waaronder een dito vest zichtbaar werd, dat tot hoog bij den hals zonder borstomslagen te vertoonen, dichtgeknoopt was; zoodat geen ander linnengoed te zien was dan een heel smal boordje, dat boven een vrij breede zwart zijden das uitstak. Aan de handen, die het spoor droegen van niet veel zorg te erlangen, waren geen manchetten te bespeuren. Zij zouden ook overbodig geweest zijn, want met hunnen eigenaardigen snit omsloten de mouwen den arm bij het polsgewricht zoo nauwkeurig, als wilden zij ijdele blikken afweren.Het was in één woord een beeld van den seminarist, van den Christelijken jonkman, zooals dergelijken in die dagen genoemd werden. Hij was dan ook een der studeerende jongelingen van Rolduc, van die kweekschool van jonge priesters, op de grenzen van Nederland en Pruisen gelegen. Het was thans vacantie, en het had den vader veel moeite gekost om zijn vromen zoon over te halen, zoo’n wereldsch vermaak als eenmatinée musicaleis, in tegenwoordigheid zijner ouders bij te wonen. Toen hij niet meer weigeren kon, had hij het „vademecum”, dat hij van zijn biechtvader meegekregen had, geraadpleegd en toen hij daarin geschreven vond, dat hij, die het gevaar zoekt, in het gevaar vergaan zal,[8]had hij het boekje met een zekeren weemoed dichtgeslagen. Hij kantte zich nog wel tegen den wensch zijns vaders aan, maar gaf toch eindelijk toe, en troostte zich met de gedachte, dat hij het niet was, die het gevaar opzocht. Hij werd tegen zijn wil in het gevaar gebracht. Als aanstaande strijder van de Kerk, zou hij evenwel weten pal te staan. Intusschen prevelde hij op de wandeling naar Slavante met vuur: „In viam pacis.… In nomine Domini!”1een gebed, dat hem als „itinerarium”, als marschorder op het pad des levens gedurende de vacantie verstrekt was.Hij zat daar nu bij zijne ouders, keek voor zich en deed zich bijzonder te goed aan de „pruimenvlaai”, die hem door zijn „vademecum” niet verboden scheen.„Kom, hoe zit je daar zoo als een druiloor, Herman?” sprak de vader. „Ik meende je genoegen te verschaffen, door je die heerlijke muziek te laten hooren.”„Genoegen!” antwoordde Herman—want zoo heette onze seminarist. „Genoegen!” antwoordde hij met bitterheid in zijn stem. „Ik had veel liever het Lof in de O. L. V. Kerk bijgewoond. Mompeer2, het „pangue langua”3is andere muziek dan dit! dat verzeker ik u.”„Gij kent mijn gevoelen,” hernam de vader. „Vóór gij den onherroepelijken stap doet, vóór gij de „soutane” aantrekt, is het mijn wensch, dat gij een blik werpt in de wereld, die gij op het punt staat vaarwel te zeggen.”„O! niets zal mij aan het wankelen brengen,” sprak de jongeling met vuur. „Niets, het allerminst die wereld”…„Die zoo schoon is, die zooveel betooverends heeft!” klonk eene stem achter Herman, terwijl hij tevens eene hand voelde, die op zijn schouders rustte.Het was de stem van een jonkman, die de vrome ontboezeming afbrak.[9]De nieuw aangekomene vormde met Herman wel een scherp contrast. Was deze ernstig, stemmig, teruggetrokken, de andere was de vroolijkheid in persoon, was opgeruimd en mededeelzaam. In zijn open helderen blik lag zijne geheele ziel te lezen. Zelfs zijn krullebol stak aangenaam af bij het vrome hoofd van den ander; terwijl zijn jaquette, zijn vest van keurigen snit en zijne pantalon-collant getuigenis aflegden, dat hij over kleeding en modes anders dacht, dan dat in het seminarie, gedaan werd.„God! zijt gij dat, Frank?” kreet Herman, terwijl hij opsprong, toen hij zijn vriend herkende, die hem de hand toestak.„Ja, dat ben ik! Ik, Frank Brinkman.”„En waar komt gij vandaan?”„Niet regelrecht van Leiden,” antwoordde Frank met een schaterlach, terwijl hij op de ouders van Herman toetrad en hen als oude bekenden begroette.Hij greep een stoel, en zette zich bij het gezelschap neder.„Ik heb van mijn goeden vader verlof gekregen om een reisje door België te maken,” ging hij voort, toen hij gezeten was,„enben nu zoo wat aan het boemelen. Ik ben van Leiden naar Brussel gereisd, spoorde van daar naar Namen en Dinant, en bezocht de grot van Han. Dat was eigenlijk het groote doel mijner excursie, en nu keer ik over Maastricht naar Nederland weer. Evenwel zoo langzaam mogelijk, dat begrijpt gij!”„Maar hoe komt ge thans hier?”„Wel, dat is doodeenvoudig. Ik kwam heden ochtend met de Maasboot van Luik aan. Ik vernam in de „Levrier”4, dat er heden namiddag te Slavante muziek gemaakt werd en dat geheel Maastricht daar vereenigd zou zijn. Ik wou mijn kennis van land- en volkenkunde vermeerderen.[10]Ik had vernomen, dat de Maastrichtsche meisjes de mooiste meisjes van Nederland waren, en ik wilde in de gelegenheid zijn om punten van vergelijking te maken.”„Gij!… Frank, gij?…” stamelde Herman met ontzetting in zijne stem.„Ja … ik! O ja, je weet nog niet, dat ik „le froc aux orties” geworpen heb.”„Gij! Frank, gij? Hoe is het bij God mogelijk? Gij de vroomste van ons allen!…”„Gij weet dat mijne ouders mij, nadat ik Rolduc verlaten had, naar het gesticht der paters Jezuïeten te Katwijk gezonden hebben. Dat was dichter in de buurt, verzekerde mijn vader. Begon het mij evenwel te Rolduc al weinig aan te staan, daar te Katwijk was het heelemaal mis. Maar, dat zal ik je later wel eens verhalen. Kom nu met mij mee. Ik heb mijn punten van vergelijking nog te maken.”„Wees nu toch niet dwaas!” antwoordde Herman.„Noem je dat dwaas, naar mooie meisjes om te zien? Kom, wat ik er al in het voorbijgaan van gezien heb, doet mij naar het voortzetten mijner vergelijkingen verlangen.”Hermans vader knikte Frank toe, als om hem aan te moedigen op het ingeslagen pad voort te gaan, en de poging niet op te geven.De vrome jongeling stribbelde tegen; maar het mocht niet baten. Frank’s overredingskracht was onweerstaanbaar. Hij greep zijns vriends arm, noodzaakte hem op te staan, en verwijderde zich met hem.„Dat ge den jongen zoo plagen kunt, en hem zijne roeping niet ongestoord volgen laat,” was de bemerking der moeder, toen de jongelieden weg waren. Zij had den wenk van haren echtvriend wel bespeurd. Haar[11]was die niet ontgaan. „Gij ziet toch welk hartzeer gij hem telkens aandoet.”„Ik wil hebben, dat hij de wereld leert kennen, alvorens hij den onherroepelijken stap doet,” herhaalde de vader met grommende stem. „Het is zoo maar niets, niet waar? om in eene ondoordachte, ja onbezonnen bui, ieder huiselijk geluk vaarwel te zeggen, zich te midden der maatschappij op een eiland te plaatsen nog eenzamer als dat van Robinson Crusoë was, ja zich in vollen strijd met die maatschappij te begeven!”De moeder zuchtte, maar antwoordde niet. Instinktmatig gevoelde zij, in weerwil van haren godsdienstijver, dat de vader gelijk had.De beide vrienden waren inmiddels voortgeloopen. Frank, aan zijn vergelijkingsplan getrouw, zocht natuurlijk de lanen, de slingerpaden op, waar de liefste kopjes dartelden. Ja, hij versmaadde ook de paden langs de omheiningsmuren niet.„O! kijk eens,” riep hij nu en dan uit, „kijk eens, wat een lief bekje!”„Kijk eens, wat bekoorlijk golvende krullen!” klonk het iets verder.„O! maar zulke lieve blauwe oogjes zag ik nimmer!” was de volgende uitroep.Wat Herman bij die hartstochtelijke ontboezemingen leed, is niet te beschrijven. Het was hem te moede alsof hij met vuur speelde. Bij iederen uitroep zijns vriends waagde hij een oogopslag, schuchter en bliksemsnel, maar toch langdurig genoeg om hem de juistheid dien geestdriftvolle opmerkingen te doen inzien. Het waren inderdaad lieve bakkesjes, bekoorlijke krullen en betooverende oogen, die men daar opmerkte.„Vade retro Satanas!”5prevelde hij met een soort grimmigen moed, wanneer zijn blik dien van de eene[12]of andere schalksche schoone kruiste, die een glimlach niet kon onderdrukken, bij het zien van dien langgejasten jongeling, en die nog meer getinteld zoude hebben van spotlust, wanneer het lieve kind had kunnen raden, dat zij even als satan verzocht werd achteruit te wijken.Of hij boog demoedig het hoofd, als voelde hij, dat hij niet de sterkste was, dat zijn gebiedend woord aan den vorst der duisternis zonder kracht bleef, en prevelde met den meest mogelijken ootmoed:„Sub tuum presidium confugimus sancta Dei genetrix!”6Frank schaterde het uit van lachen. In plaats van zich in de hoede der Moedermaagd aan te bevelen, spoorde hij met zijne blikken de schoonen na, keek haar stoutmoedig in de fraaie oogen, en noodzaakte haar die spiegels der ziel voor den stouten blik van dien aanvalligen krullekop neer te slaan.„God! wat is de wereld toch schoon!” riep de geestdriftvolle jongeling als in een dankgebed uit.Zij hadden het terrein reeds verscheiden malen doorgewandeld. Geen laan, geen slingerpad was door hen onbezocht gebleven, en nog liet Frank niet merken, dat hij aan zijn vergelijkingstocht een einde wilde maken. Herman trachtte hem mee te troonen naar de zitplaats der oude lieden; maar daar had de schalk geen ooren naar. Eindelijk in vertwijfeling stelde de vrome jongeling voor:„Kom, laat ons naar de ruïne van Lichtenberg gaan.”„Naar Lichtenberg?” vroeg Frank.„Men heeft daar een fraai uitzicht,” verzekerde Herman.„Fraaier als dat, wat men daar van dat soort balkon geniet, waar men boven op dien loodrechten muur staande, als het ware het geheele Maasdal overziet?”„O! veel fraaier!”[13]„Is het ver van hier?”„Neen, vlak bij.”„Vooruit dan maar!” zei Frank na eene lichte aarzeling. En bij zich zelven mompelde hij: „Een fraai uitzicht, en vlak bij … wel, dan zullen daar ook wel jonge meisjes aangetroffen worden. De schoonen zoeken het schoone!”Beiden verlieten door de zuiderpoort de enceinte van het Casinoterrein. De niet al te breede weg voerde een poos door dicht struikgewas, een waar bosch van hazelnotenstruiken. Toen splitste hij zich in twee takken, waarvan een rechtsom sloeg, en de andere nog een poos in zuidelijke richting voortging.„Welke van de twee?” vroeg Frank, die op het mulle pad vooruittrad.„Rechtdoor,” antwoordde Herman, „die daar rechts voert naar den ingang van den Sint Pietersberg.”„Drommels! dien moet ik ook nog zien,” zei Frank, „maar heden niet. Morgen wellicht.”Zij volgden het aangewezen pad, dat aan den linkerkant meer vrij werd, en eindelijk een fraai uitzicht over het Maasdal opende. Maar plotseling boog het ook rechts om, en steeg nu door een soort ravijn vrij steil omhoog. Boven gekomen, geleidde Herman zijn vriend door een hek van ruwe planken in elkander getimmerd. Daar verrees de ruïne van het oude Ridderslot, die het doel van hun tocht was, aan hunne rechterzijde. Maar, bij het betreden van dat terrein, ontsnapte aan Frank een kreet van bewondering.Het was de bouwval niet, hoe opmerkenswaardig overigens, die hem dien kreet ontwrong. Neen, maar daar vlak voor onze jongelingen ontwikkelde zich een panorama, dat al heel spoedig hun beider ziel vervulde, en hunne geestvermogens boeide. Zij bevonden zich op[14]een soort van bergplat, op welks midden de ruïne in alle statigheid verrees. Van den bouwval helde het terrein met eene zachte glooiing een paar honderd passen naar den kant van het Oosten, vormde daar een rand, en daalde met zeer scherpe helling naar beneden. Die helling was met struikgewas overdekt, voornamelijk met wilde rozelaars, welker scherpdoornige vertakkingen wijd en zijd uitgespreid en doorweven waren met de woest dooreengroeiende ranken van niet minder stekelige braambeziën-struiken. Die dicht begroeide helling vormde een fraaien voorgrond aan de voeten onzer beschouwers, vooral daar ook te midden van die struiken, allerliefste meisjeskopjes te voorschijn kwamen, die zich bezighielden met braambessen,—„brommelen” in de landstaal geheeten,—te zoeken, en zoo te midden van die wild groeiende takken met haar frisch groen en met hare roode eglantiersbottels en donkerblauwe bessen eene allerliefste omlijsting vonden.Maar, aan den voet van de helling ontwaarde de blik de Maas, die daar zacht murmelend voortstroomde over haar bed van keien, welke zelfs van die hoogte in het heldere water zichtbaar waren. De rivier was daar vrij breed, doch van het punt gezien, waar onze jongelingen stonden, vertoonde zij zich als een breed zilveren lint, dat zich naar het zuiden toe in zachte bochten door het bekoorlijke landschap wrong, en waren hare kronkelingen in die richting tot bij den gezichteinder met het oog te volgen. Naar den noordkant schoot de stroom in nagenoeg lijnrechte richting voort, maar verdween weldra voor het oog, verborgen door de scherpere hellingen van den Sint Pietersberg, welke aan dien kant als omhoog steigerden. Alleen kon het oog aan die zijde als in een hoekje eenige daken en hooge fabriekschoorsteenen bespeuren, die aangaven dat eene[15]stad in de nabijheid lag. En inderdaad, die daken behoorden tot de voorstad Wijk, en die schoorsteenen tot de fabriek van aardewerk, die aan den zuidkant van die voorstad gelegen was.Naar den oostkant, daar vlak voor onze jeugdige beschouwers, aan den overkant der Maas, strekte zich een landschap, uit, dat in den volsten zin des woords betooverend mocht genoemd worden. Aan de boorden van de Maas, daar vlak tegenover Lichtenberg, lag een lief kasteeltje, hetwelk zijn helder witte muren en zijn bevallig torentje in het spiegelgladde water weerkaatst zag. Links daarvan, naar den kant van Maastricht, strekte zich het dorpje Heugem evenwijdig aan de Maas uit. Iets verder meer in het noordoosten vertoonde zich het dorpje Scharn, daarnaast het grootere dorp Heer, daar vlak tegenover geheel in het oosten het dorp Gronsveld met zijnen schilderachtigen windmolen, die zijne wieken lustig liet ronddraaien, en het landschap eigenaardig stoffeerde. Meer in het zuidoosten werd het dorpje Rijckholt ontwaard, en daar ginds bij die sierlijke buiging van den Maasstroom schitterden de witte muren van het dorp Eijsden, de laatste plaats op Nederlandsch grondgebied, in het zonlicht; en bij den horizon duidden eenige glinsterende stippen Visé aan, dat eerste stadje op Belgisch grondgebied.Het landschap tusschen die dorpen was een echt Zuid-Limburgsch landschap; d.w.z. een zoo vruchtbare landouw, als maar voor oogen getooverd kon worden. Uitgestrekte graanvelden, die, het rijpen nabij, haren goudgelen rijkdom onder de bries lieten golven, afgewisseld met aardappelenvelden, waarvan het donkere loof in dat jaargetijde een verrassend contrast daarmede vormde. Daartusschen staken koolzaadvelden met hare[16]zwavel-geelkleurige, en klavervelden met hare lilakleurige bloemen af, en vormden te zamen met hare groene heggen en hare rijen van popels, welke die velden omzoomden, een onmetelijk schaakbord met vele vakken, dat rijk geschakeerd, tot aan den Keerderbergrug reikte, die daar ginds den gezichteinder in het oosten begrensde, en daar een’ heerlijken achtergrond vormde. Die heuvelenrij strekte zich zuidwaarts uit, naderde op hare beurt in het verschiet de Maas, liep dan nagenoeg evenwijdig aan den Sint Pietersberg, en vormde met dien een dal voor de schoone rivier, dat verrukkelijk te noemen was, en iedereen, die een open oog voor natuurschoon had, moest boeien.„Het is schoon! wonderschoon!” betuigde Frank met geestdrift, „en ik dank je Herman, dat ge mij hierheen gebracht hebt. Ziet ge nu wel, dat het zijn nut heeft.… op vergelijkingen uittegaan. Als wij bij je ouders hadden blijven zitten, dan.… dan had ik althans dat gezicht gemist.”Frank kreeg geen antwoord op die ontboezeming. Hij lette daar voorshands niet op.Daar ginds op de Maas, in dien bocht daar bij het dorp Eijsden, vertoonde zich eene stip, die in hooge mate zijne aandacht trok.„Wat is dat daar op de rivier?” vroeg hij.Geen antwoord. Andermaal lette hij daar niet op, maar keek scherp uit, terwijl hij de handen, met de vingertoppen tegen elkander, om en boven de oogen bracht om zijn gezichtsvermogen te versterken.„O! nu zie ik het,” riep hij na een poos turens eensklaps uit. „O! nu zie ik het! het is de Maasboot met haren zwarten romp, die als een zwart puntje op den helderen waterspiegel afsteekt, maar waarboven zich de stoomwolken, die zij ontlast, als eene onmetelijke pluim[17]uitstrekken, ombuigen en als eene schitterend witte streep vormen, die fijn begint en langzamerhand verbreedt. O! wat is dat fraai! Zeg.… Herman.…”Geen antwoord.„Zeg, Herman!.… Zie je dat?”Geen antwoord. Thans keerde Frank zich om, met de woorden op de lippen:„Waar zit hij?”Hij ontwaarde toen zijn vriend, die op een kleinen afstand achter hem, maar half met den rug naar hem toegekeerd, naar iets te turen stond. In den stand, waarin Herman geplaatst was, kon ontwaard worden, dat hij de armen over de borst gekruisd hield, en duidelijk hoorbaar prevelde:„Sub tuum presidium.…”6„Confugimus sancta Dei genetrix,”6viel Frank lachend in. „Het is bij mijn ziel nu wel tijd om zich onder de hoede van de Heilige Maagd te stellen! Maar, waar kijk je naar?.… Drommels! wat een paar mooie meisjes! O! zoo; is dat het presidium, hetwelk je wenscht te aanvaarden! Zoo, zoo!”Daar op dat bergplat, bij de ruïne, wandelden temidden van de velen, die ook daar stoeiden en dartelden, een paar jonge dames, die door het schoone panorama, hetwelk daar onder de Julizon lag te glinsteren, ook aangetrokken schenen, en geen oog daarvan afwendden. Beiden hadden bevallige slanke gestalten, vertoonden eene heerlijke buigzame leest op weelderig gevormde heupen en eene ontwikkeling van schouders en borst, die allerbekoorlijkst mocht heeten.Beiden droegen een diadeem van overvloedige krullen om het fraai gevormde hoofdje, maar bij de eene was die haardos blond, en gingen daarmede een paar fraaie azuurkleurige oogen gepaard; terwijl hij bij de andere[18]donkerbruin was, en onder de fraai geteekende wenkbrauwen een paar donkere oogen glinsterden, die met recht diamanten mochten genoemd worden. Een fraai gevormd neusje, een mondje, liefelijk als een pas geopende granaatappel, een mat wit voorhoofd en bevallig genuanceerde wangen voltooiden het beeld van de laatstbedoelde lieve maagd, welker verschijning onzen vromen jongeling dermate boeide, dat hij de aarde voor zich verdwenen achtte, althans van de vragen zijns vriends niets vernomen had.„Schoon vat van devotie!” mompelde hij in zijn verbijstering, en als uit een oude gewoonte, „Toren van David! Guldenhuis! Arke des verbonds.…!”Frank legde hem de hand op den schouder, en stuitte zoo de vrome uitroepen, die den omvang van de geheele litanie van Lorette dreigden te verkrijgen.„Wie zijn die dames, die vaten van devotie?” vroeg hij.„Die dames?.…” sprak Herman aarzelend en als verschrikt. „Ik weet niet, wie je bedoelt.… Ik ken ze niet.”Frank keek hem uitvorschend aan. Hij greep zijn vriend onder den arm.„Kom,” zei hij, „laten wij naar de ouwe lui terugkeeren. Ik ben eenigszins vermoeid.”Beiden keerden om, daalden door het ravijntje af, waarlangs zij naar boven gekomen waren. Toen zij beneden gekomen, evenwel nog voor dat zij de poort van het Casinoterrein binnengetreden waren, haalden zij de twee jonge dames, die ook den terugtocht aangenomen hadden, in. De beide vriendinnen stonden met een derde, die haar tegemoet gekomen was, te snappen. Bij het omgaan van eene buiging, die het pad vormde, stonden onze jongelieden eensklaps voor haar. Frank[19]voelde het lichaam van zijn vriend, met wien hij gearmd wandelde, hevig trillen. De dames traden wat op zijde; de heeren stapten met eene beleefde buiging voorbij.„Zult ge nu nog zeggen, dat gij die dames niet kent?” vroeg Frank.„Neen, ik ken ze niet,” betuigde Herman andermaal, met de hand op het hart.„Dan zal ik mijn vraag aan uw’ vader richten, die zal ze wel kennen.”„Om Godswil! neen, doe dat niet!” sprak de vrome jongeling met iets hartstochtelijks in zijne stem.„Waarom niet?”„Gij zoudt mijne goede moeder verontrusten, die is er zoo op gesteld dat ik geestelijke word, en.…”„Zoo?… Ik geloof evenwel, dat gij goed zult doen, als gij die roeping in nauwgezette overweging neemt. Ik vergis mij niet veel, als ik beweer dat die bruine krullen daar achter ons, in strijd komen met de soutane, die tot heden uw eenigst droombeeld uitmaakte. Is het zoo niet?”„Ik ga morgen-ochtend dadelijk te biecht. Ik moet mijn gemoed aan de voeten van mijn biechtvader uitstorten,” sprak Herman met dweepachtige overtuiging.„Mijn raad zou zijn: dat getrachtette weten te komen, wie die jonge dame is, daarna zoudt gij hare familie een bezoek kunnen brengen. Ik geloof dat die proef meer afdoend zou zijn, dan dat gewauwel in een biechtstoel.”„St!… de ouwe lui kunnen ons hooren.”Werkelijk waren de beide jongelingen het tafeltje weer genaderd, waar Herman’s ouders gezeten waren.„Wel, mijnheer Frank,” vroeg de heer Riethoven, „zijt gij in uwe vergelijkende studiën geslaagd? Is uwe opinie omtrent de Maastrichtsche jonge dames gevestigd?”„Ik moet erkennen, dat de faam dezen keer niet overdreven[20]heeft,” antwoordde Frank met vuur.„Wij hebben beelderig mooie kopjes gezien, nietwaar Herman?”Deze trok onverschillig de schouders op.„Twee hebben vooral onze aandacht geboeid,” ging Frank voort, en kon daarbij eene kleine plagerij niet nalaten. „Een lieve blondine en eene heerlijke brunette. Kijk, maar zoo iets liefs” en hij wendde zich tot mevrouw Riethoven, „zoo iets liefs was mij nog niet onder de oogen gekomen.”„Wie waren het?” vroeg deze aan haren zoon.„Weet ik het, mameer?” antwoordde deze op onverschilligen toon. „Ik heb er niet op gelet.”„Hij heeft er niet op gelet, de brave Herman!” lachte Frank. „Hij prevelde maar zoo wat van: schoon vat van devotie!”Herman bloosde licht, en wierp op zijn vriend een snellen blik. Daarin was evenwel zoo eene bede om te zwijgen opgesloten, dat Frank het gesprek over dat onderwerp staakte. Slechts nog eene plagerij wilde hij aanwenden, meer om zekerheid te krijgen, dan wel omdat hij er genoegen in vond.„Kijk, mevrouw,” sprak hij tot Hermans moeder, „kijk daar komen ze aan. Vindt ge die blondine niet een juweel van een meisje?”Mevrouw Riethoven keek naar de aankomende aandachtig.„Die blondine ken ik niet. Dat is zeker een logeetje,” zeide zij. „Maar de andere dat is de oudste dochter van mijne beste vriendin, dat is Lydia Fraenkel. Bonjour Lydia!” riep ze.De beide meisjes traden op de familie toe, wisselden een hartelijken handdruk met de ouwe lui, eene buiging met de jonge heeren, en verwijderden zich, om zich naar haar eigen gezelschap te begeven.[21]Frank had inmiddels een vreemden blik op Herman geslagen, die dezen tot achter de ooren deed blozen.De Pruisische muzikanten hadden inmiddels hun programma afgespeeld. Als toegift gaven zij nog het in dien tijd algemeen bekende:Sie sollen ihn nicht haben den freien Deutschen Rhein, dat evenwel al heel weinig sympathie opwekte. De Maastrichtenaars hadden voorzeker veel liever deMarseillaiseof deBrabançonne, en kon dat niet, dan hetWien Neêrland’s bloedgehoord, dan die Duitsche poespas, die iedereen onverschillig liet. Toen de muziek zweeg, was het plateau van het Casino spoedig leeg. Slechts weinige tafeltjes bleven door bierproevers bezet. Het overige van het publiek nam den terugtocht aan. Ook de familie Riethoven, waarbij Frank zich natuurlijk aansloot, toog stadwaarts. Terwijl zij den zigzagweg afdaalde, die langs de helling van den berg naar de Maasboorden voerde, klonk een lied, door frissche flinke stemmen aangeheven, die een goed mannenkoor geen oneer zouden aangedaan hebben. In die dagen had een gezelschap van Pyreneesche bergzangers noordelijk Europa bezocht en het lied, wat thans voorgedragen werd, was eene navolging van een hunner nationale gezangen, en klonk allerliefst van daar boven over de Maas-oppervlakte:Riants bords de la Meuse! à toi tous mes amours!Patrie du houblon, je t’aimerai toujours!Rien n’est si beau que le mont Saint Pierre!Rien n’est ni bon qu’un verre de bierre!O! Maastrichtois (bis) Chantes en paix (bis) De ton pays (bis) la bierre et le bonheurLa lalala la la la lalala la la![22]

Op een zonnigen namiddag in de laatste helft van Juli des jaars 185., was het in den omtrek van den bouwval van het slot Lichtenberg, in de nabijheid van Maastricht op den Sint Pietersberg gelegen,bijzonderlevendig.

Op Slavante, die lieve buitensocieteit, welke op de helling van den genoemden berg verrijst, gaf dien dag de kapel van het 28stePruisische linie-regiment—daartoe uit het naburige Aken overgekomen—eenmatinée musicaleen de élite van Limburgs hoofdstad was daar vereenigd om de heerlijke melodiën te genieten; terwijl een dartel zuidewindje door het hoog geboomte voer, hetwelk zich op de berghellingen achter het Casino verhief, en met zijn eigenaardig suizen in het gebladerte een zacht maar wondervol lispelen aan de akkoorden toevoegde, waardoor eene liefelijkheid te meer aan die fraaie muziek bijgezet werd.

Statig, maar toch gezellig waren eene menigte dames en heeren op het lommerrijk plateau, hetwelk het schilderachtige Casino-gebouw omgaf, rondom kleine tuintafels gezeten. Op sommige dier tafeltjes prijkte het traditioneele Nederlandsche theeservies, waarbij dan de[4]ruischende waterketel aan de voeten der minst jonge dame van het gezelschap niet ontbrak. Meer aan den Limburgschen landaard getrouw, was op andere de koffiepot te ontwaren, waarin in die streken gewoonlijk een afschuwelijk brouwsel van zeer weinig koffie met zeer veel chicorei—„soekerei”, zooals de inboorlingen zeggen,—vervat was; maar die, als bij vergoeding, geflankeerd werd door een paar borden met zeer dunne boterhammetjes van blanke „mik” en van een of meer „pruimen- of kersen-vlaas”, die onwillekeurig aan een wagenrad deden denken. De meesten der aanwezigen vergastten zich evenwel aan Maastrichter bier, dat zoo overheerlijk smaakt; zoodat dan ook verreweg de meeste tafeltjes met een eerbiedwaardig aantal flesschen prijkten, op welker etiquetten in groote letters het woord „schuimbier” te lezen was.

Die daar zaten, waren de meer bedaagden, de stemmigen van de aanwezigen: de papa’s en mama’s, de ooms en tantes. Ook enkele dochters, nichten en zusters, arme wezens reeds in den dalenden tak van het leven, waren rondom die tafeltjes blijven zitten. Levendigheid, ging de laatstbedoelden niet meer zoo goed af, en.… men kon toch niet weten, wellicht dat onder dat loofdak, de een of andere rondkuierende van het sterkere geslacht, smachtende naar een gevoelig hart, eene bevalligheid in het oog kreeg, die helaas! tot nu toe onopgemerkt bleef.

Op de ruimte evenwel, die zich beneden aan de helling van dat plateau uitstrekte, langs de wandelwegen, die slingerend en steil klimmend en dalend, door dichte boschjes van „meibloem”-struiken (seringen), die reeds uitgebloeid waren, of van jasmijnen, die de lucht met heerlijke geuren vulden, van dat plateau naar die ruimte voerden, krioelde eene dartele jeugd van beiderlei[5]kunne, hier stoeiend en plagend, daar elkander vervolgend, elders weer in den hoogen schommel wiegelend, maar overal met den frisschen blos van gezondheid, genoegen en levenslust op de koonen, op die koonen, die, vooral bij het teedere geslacht in ons Limburg, met haar zacht dons, lief en bevallig zoo veel overeenkomst met eene heerlijk ontwikkelde perzik hebben.

En daar dartelden lieve meisjesgroepen, snoeperige bakvischjes en meer ontwikkelden, met bruine haarlokken, die hen een bevalligen diadeem vormden; met lelieblanke voorhoofden, als ware het marmer; met fijn gevormde neusjes, die wel iets van den stijven Griekschen vorm afweken, en eenige overeenkomst met een kaarsendompertje vertoonden; met dunne maar toch tot zoenen gevormde lipjes; met ronde kinnetjes, die van een bewegelijk onderkaaksvermogen getuigden; met donkere vlammende oogen, die aan de naburige Waalsche type deden denken; met fraaie en weelderig ontluikende bustes, die een beeldhouwer in verrukking moesten brengen;—daar dartelden en stoeiden die lieve wezentjes te midden van jongelingsgroepen, die den krachtigen Limburgschen grondvorm in zijne volle ontwikkeling vertoonden.

Maar bij stoeien en dartelen bleef het niet.

Sloeg toch de opmerker de paden in, die langs de grensmuren van het Casinoterrein voerden, dan zag hij heel wat anders. Langs die muren, die, van mergelblokken opgetrokken, door haar in puin vallend kanteelwerk of door hare ogiefvormige versieringen aanduidden, dat zij eenmaal eene Gode gewijde plaats omheinden, wandelde menig jeugdig paartje, dat zich van het gejoel daar ginds afgezonderd had. Langs die muren, die vroeger vrome lofzangen ter verheerlijking van den Schepper, of treurige psalmen tot boetedoening weerkaatst hadden,[6]klonk nu zacht gefluister van jeugdige harten, als waren zij bevreesd hunne stemmen onder het lommerrijke dak, dat hun pad overwelfde, te verheffen. Langs die muren, die weleer slechts in zwart gehulde vrouwengedaanten, met het brevier in de hand en het kruisbeeld aan den gordel, voorbij hadden zien sluipen, werden nu hier en daar—ja waarom zou zulks verheeld worden? het is toch zoo natuurlijk—achter beschermende „konkernollen” struiken, of vooruitspringende muurgedeelten, zachte en verrukkelijke geluiden vernomen, als b.v. van het luchtledige op eene wang veroorzaakt.

De jeugd blijft altijd jeugd! Zij kan het—het luchtledige op eene wang veroorzaken, wel te verstaan—nooit jonger doen.

Aan een der tafeltjes op het bovenbedoeld plateau zat eene Maastrichter familie, bestaande uit man, vrouw en een zoon, die ter wille van het volgende verhaal voor een oogenblik onze aandacht moet bezighouden. Eenige tuinstoeltjes, die, voorover gebogen, tegen den tafelrand leunden, duidden aan, dat het gezin talrijker was; maar dat de afwezigen tot de dartelende, wellicht tot de pneumatische pompen van straks behoorden, hetgeen voor den loop dezer geschiedenis minder belangwekkend is.

Het zij hier ter loops gezegd, dat de familie Riethoven een gezin was van gegoede burgerlieden, die met een vrij talrijk kroost gezegend waren. De beide ouders waren de vijftig vrij wel genaderd, en leverden overigens weinig opmerkenswaardigs op, om ons mee bezig te houden.

De zoon, die bij hen was blijven zitten, was een jongeling van achttien of negentien jaren, die een frisch blozend gelaat bij een flink ontwikkelden lichaamsbouw vertoonde. Over het algemeen had hij geen ongunstig uiterlijk; alleen zijn oogopslag was minder aangenaam. Bijna nooit durfde hij den persoon aan te zien, met wien[7]hij sprak. Hij hield dan den blik schuchter ter neergeslagen, en waagde het alleen de oogen op te slaan, wanneer hij meende, dat zijn toespreker hem niet aankeek, en diens aandacht elders gevestigd was. Daarbij had hij het hoofdhaar zeer kort en zoodanig afgeknipt, dat de haarlijn in een halven boog zonder inspringende hoeken boven dat hooge voorhoofd welfde van het eene oor tot het andere, waardoor hij in zijn uiterlijk wel iets van het terugstootende van een kwakerhoofd vertoonde. Hij was daarenboven in een zwart lakensche jas met lange afhangende panden gekleed, waaronder een dito vest zichtbaar werd, dat tot hoog bij den hals zonder borstomslagen te vertoonen, dichtgeknoopt was; zoodat geen ander linnengoed te zien was dan een heel smal boordje, dat boven een vrij breede zwart zijden das uitstak. Aan de handen, die het spoor droegen van niet veel zorg te erlangen, waren geen manchetten te bespeuren. Zij zouden ook overbodig geweest zijn, want met hunnen eigenaardigen snit omsloten de mouwen den arm bij het polsgewricht zoo nauwkeurig, als wilden zij ijdele blikken afweren.

Het was in één woord een beeld van den seminarist, van den Christelijken jonkman, zooals dergelijken in die dagen genoemd werden. Hij was dan ook een der studeerende jongelingen van Rolduc, van die kweekschool van jonge priesters, op de grenzen van Nederland en Pruisen gelegen. Het was thans vacantie, en het had den vader veel moeite gekost om zijn vromen zoon over te halen, zoo’n wereldsch vermaak als eenmatinée musicaleis, in tegenwoordigheid zijner ouders bij te wonen. Toen hij niet meer weigeren kon, had hij het „vademecum”, dat hij van zijn biechtvader meegekregen had, geraadpleegd en toen hij daarin geschreven vond, dat hij, die het gevaar zoekt, in het gevaar vergaan zal,[8]had hij het boekje met een zekeren weemoed dichtgeslagen. Hij kantte zich nog wel tegen den wensch zijns vaders aan, maar gaf toch eindelijk toe, en troostte zich met de gedachte, dat hij het niet was, die het gevaar opzocht. Hij werd tegen zijn wil in het gevaar gebracht. Als aanstaande strijder van de Kerk, zou hij evenwel weten pal te staan. Intusschen prevelde hij op de wandeling naar Slavante met vuur: „In viam pacis.… In nomine Domini!”1een gebed, dat hem als „itinerarium”, als marschorder op het pad des levens gedurende de vacantie verstrekt was.

Hij zat daar nu bij zijne ouders, keek voor zich en deed zich bijzonder te goed aan de „pruimenvlaai”, die hem door zijn „vademecum” niet verboden scheen.

„Kom, hoe zit je daar zoo als een druiloor, Herman?” sprak de vader. „Ik meende je genoegen te verschaffen, door je die heerlijke muziek te laten hooren.”

„Genoegen!” antwoordde Herman—want zoo heette onze seminarist. „Genoegen!” antwoordde hij met bitterheid in zijn stem. „Ik had veel liever het Lof in de O. L. V. Kerk bijgewoond. Mompeer2, het „pangue langua”3is andere muziek dan dit! dat verzeker ik u.”

„Gij kent mijn gevoelen,” hernam de vader. „Vóór gij den onherroepelijken stap doet, vóór gij de „soutane” aantrekt, is het mijn wensch, dat gij een blik werpt in de wereld, die gij op het punt staat vaarwel te zeggen.”

„O! niets zal mij aan het wankelen brengen,” sprak de jongeling met vuur. „Niets, het allerminst die wereld”…

„Die zoo schoon is, die zooveel betooverends heeft!” klonk eene stem achter Herman, terwijl hij tevens eene hand voelde, die op zijn schouders rustte.

Het was de stem van een jonkman, die de vrome ontboezeming afbrak.[9]

De nieuw aangekomene vormde met Herman wel een scherp contrast. Was deze ernstig, stemmig, teruggetrokken, de andere was de vroolijkheid in persoon, was opgeruimd en mededeelzaam. In zijn open helderen blik lag zijne geheele ziel te lezen. Zelfs zijn krullebol stak aangenaam af bij het vrome hoofd van den ander; terwijl zijn jaquette, zijn vest van keurigen snit en zijne pantalon-collant getuigenis aflegden, dat hij over kleeding en modes anders dacht, dan dat in het seminarie, gedaan werd.

„God! zijt gij dat, Frank?” kreet Herman, terwijl hij opsprong, toen hij zijn vriend herkende, die hem de hand toestak.

„Ja, dat ben ik! Ik, Frank Brinkman.”

„En waar komt gij vandaan?”

„Niet regelrecht van Leiden,” antwoordde Frank met een schaterlach, terwijl hij op de ouders van Herman toetrad en hen als oude bekenden begroette.

Hij greep een stoel, en zette zich bij het gezelschap neder.

„Ik heb van mijn goeden vader verlof gekregen om een reisje door België te maken,” ging hij voort, toen hij gezeten was,„enben nu zoo wat aan het boemelen. Ik ben van Leiden naar Brussel gereisd, spoorde van daar naar Namen en Dinant, en bezocht de grot van Han. Dat was eigenlijk het groote doel mijner excursie, en nu keer ik over Maastricht naar Nederland weer. Evenwel zoo langzaam mogelijk, dat begrijpt gij!”

„Maar hoe komt ge thans hier?”

„Wel, dat is doodeenvoudig. Ik kwam heden ochtend met de Maasboot van Luik aan. Ik vernam in de „Levrier”4, dat er heden namiddag te Slavante muziek gemaakt werd en dat geheel Maastricht daar vereenigd zou zijn. Ik wou mijn kennis van land- en volkenkunde vermeerderen.[10]Ik had vernomen, dat de Maastrichtsche meisjes de mooiste meisjes van Nederland waren, en ik wilde in de gelegenheid zijn om punten van vergelijking te maken.”

„Gij!… Frank, gij?…” stamelde Herman met ontzetting in zijne stem.

„Ja … ik! O ja, je weet nog niet, dat ik „le froc aux orties” geworpen heb.”

„Gij! Frank, gij? Hoe is het bij God mogelijk? Gij de vroomste van ons allen!…”

„Gij weet dat mijne ouders mij, nadat ik Rolduc verlaten had, naar het gesticht der paters Jezuïeten te Katwijk gezonden hebben. Dat was dichter in de buurt, verzekerde mijn vader. Begon het mij evenwel te Rolduc al weinig aan te staan, daar te Katwijk was het heelemaal mis. Maar, dat zal ik je later wel eens verhalen. Kom nu met mij mee. Ik heb mijn punten van vergelijking nog te maken.”

„Wees nu toch niet dwaas!” antwoordde Herman.

„Noem je dat dwaas, naar mooie meisjes om te zien? Kom, wat ik er al in het voorbijgaan van gezien heb, doet mij naar het voortzetten mijner vergelijkingen verlangen.”

Hermans vader knikte Frank toe, als om hem aan te moedigen op het ingeslagen pad voort te gaan, en de poging niet op te geven.

De vrome jongeling stribbelde tegen; maar het mocht niet baten. Frank’s overredingskracht was onweerstaanbaar. Hij greep zijns vriends arm, noodzaakte hem op te staan, en verwijderde zich met hem.

„Dat ge den jongen zoo plagen kunt, en hem zijne roeping niet ongestoord volgen laat,” was de bemerking der moeder, toen de jongelieden weg waren. Zij had den wenk van haren echtvriend wel bespeurd. Haar[11]was die niet ontgaan. „Gij ziet toch welk hartzeer gij hem telkens aandoet.”

„Ik wil hebben, dat hij de wereld leert kennen, alvorens hij den onherroepelijken stap doet,” herhaalde de vader met grommende stem. „Het is zoo maar niets, niet waar? om in eene ondoordachte, ja onbezonnen bui, ieder huiselijk geluk vaarwel te zeggen, zich te midden der maatschappij op een eiland te plaatsen nog eenzamer als dat van Robinson Crusoë was, ja zich in vollen strijd met die maatschappij te begeven!”

De moeder zuchtte, maar antwoordde niet. Instinktmatig gevoelde zij, in weerwil van haren godsdienstijver, dat de vader gelijk had.

De beide vrienden waren inmiddels voortgeloopen. Frank, aan zijn vergelijkingsplan getrouw, zocht natuurlijk de lanen, de slingerpaden op, waar de liefste kopjes dartelden. Ja, hij versmaadde ook de paden langs de omheiningsmuren niet.

„O! kijk eens,” riep hij nu en dan uit, „kijk eens, wat een lief bekje!”

„Kijk eens, wat bekoorlijk golvende krullen!” klonk het iets verder.

„O! maar zulke lieve blauwe oogjes zag ik nimmer!” was de volgende uitroep.

Wat Herman bij die hartstochtelijke ontboezemingen leed, is niet te beschrijven. Het was hem te moede alsof hij met vuur speelde. Bij iederen uitroep zijns vriends waagde hij een oogopslag, schuchter en bliksemsnel, maar toch langdurig genoeg om hem de juistheid dien geestdriftvolle opmerkingen te doen inzien. Het waren inderdaad lieve bakkesjes, bekoorlijke krullen en betooverende oogen, die men daar opmerkte.

„Vade retro Satanas!”5prevelde hij met een soort grimmigen moed, wanneer zijn blik dien van de eene[12]of andere schalksche schoone kruiste, die een glimlach niet kon onderdrukken, bij het zien van dien langgejasten jongeling, en die nog meer getinteld zoude hebben van spotlust, wanneer het lieve kind had kunnen raden, dat zij even als satan verzocht werd achteruit te wijken.

Of hij boog demoedig het hoofd, als voelde hij, dat hij niet de sterkste was, dat zijn gebiedend woord aan den vorst der duisternis zonder kracht bleef, en prevelde met den meest mogelijken ootmoed:

„Sub tuum presidium confugimus sancta Dei genetrix!”6

Frank schaterde het uit van lachen. In plaats van zich in de hoede der Moedermaagd aan te bevelen, spoorde hij met zijne blikken de schoonen na, keek haar stoutmoedig in de fraaie oogen, en noodzaakte haar die spiegels der ziel voor den stouten blik van dien aanvalligen krullekop neer te slaan.

„God! wat is de wereld toch schoon!” riep de geestdriftvolle jongeling als in een dankgebed uit.

Zij hadden het terrein reeds verscheiden malen doorgewandeld. Geen laan, geen slingerpad was door hen onbezocht gebleven, en nog liet Frank niet merken, dat hij aan zijn vergelijkingstocht een einde wilde maken. Herman trachtte hem mee te troonen naar de zitplaats der oude lieden; maar daar had de schalk geen ooren naar. Eindelijk in vertwijfeling stelde de vrome jongeling voor:

„Kom, laat ons naar de ruïne van Lichtenberg gaan.”

„Naar Lichtenberg?” vroeg Frank.

„Men heeft daar een fraai uitzicht,” verzekerde Herman.

„Fraaier als dat, wat men daar van dat soort balkon geniet, waar men boven op dien loodrechten muur staande, als het ware het geheele Maasdal overziet?”

„O! veel fraaier!”[13]

„Is het ver van hier?”

„Neen, vlak bij.”

„Vooruit dan maar!” zei Frank na eene lichte aarzeling. En bij zich zelven mompelde hij: „Een fraai uitzicht, en vlak bij … wel, dan zullen daar ook wel jonge meisjes aangetroffen worden. De schoonen zoeken het schoone!”

Beiden verlieten door de zuiderpoort de enceinte van het Casinoterrein. De niet al te breede weg voerde een poos door dicht struikgewas, een waar bosch van hazelnotenstruiken. Toen splitste hij zich in twee takken, waarvan een rechtsom sloeg, en de andere nog een poos in zuidelijke richting voortging.

„Welke van de twee?” vroeg Frank, die op het mulle pad vooruittrad.

„Rechtdoor,” antwoordde Herman, „die daar rechts voert naar den ingang van den Sint Pietersberg.”

„Drommels! dien moet ik ook nog zien,” zei Frank, „maar heden niet. Morgen wellicht.”

Zij volgden het aangewezen pad, dat aan den linkerkant meer vrij werd, en eindelijk een fraai uitzicht over het Maasdal opende. Maar plotseling boog het ook rechts om, en steeg nu door een soort ravijn vrij steil omhoog. Boven gekomen, geleidde Herman zijn vriend door een hek van ruwe planken in elkander getimmerd. Daar verrees de ruïne van het oude Ridderslot, die het doel van hun tocht was, aan hunne rechterzijde. Maar, bij het betreden van dat terrein, ontsnapte aan Frank een kreet van bewondering.

Het was de bouwval niet, hoe opmerkenswaardig overigens, die hem dien kreet ontwrong. Neen, maar daar vlak voor onze jongelingen ontwikkelde zich een panorama, dat al heel spoedig hun beider ziel vervulde, en hunne geestvermogens boeide. Zij bevonden zich op[14]een soort van bergplat, op welks midden de ruïne in alle statigheid verrees. Van den bouwval helde het terrein met eene zachte glooiing een paar honderd passen naar den kant van het Oosten, vormde daar een rand, en daalde met zeer scherpe helling naar beneden. Die helling was met struikgewas overdekt, voornamelijk met wilde rozelaars, welker scherpdoornige vertakkingen wijd en zijd uitgespreid en doorweven waren met de woest dooreengroeiende ranken van niet minder stekelige braambeziën-struiken. Die dicht begroeide helling vormde een fraaien voorgrond aan de voeten onzer beschouwers, vooral daar ook te midden van die struiken, allerliefste meisjeskopjes te voorschijn kwamen, die zich bezighielden met braambessen,—„brommelen” in de landstaal geheeten,—te zoeken, en zoo te midden van die wild groeiende takken met haar frisch groen en met hare roode eglantiersbottels en donkerblauwe bessen eene allerliefste omlijsting vonden.

Maar, aan den voet van de helling ontwaarde de blik de Maas, die daar zacht murmelend voortstroomde over haar bed van keien, welke zelfs van die hoogte in het heldere water zichtbaar waren. De rivier was daar vrij breed, doch van het punt gezien, waar onze jongelingen stonden, vertoonde zij zich als een breed zilveren lint, dat zich naar het zuiden toe in zachte bochten door het bekoorlijke landschap wrong, en waren hare kronkelingen in die richting tot bij den gezichteinder met het oog te volgen. Naar den noordkant schoot de stroom in nagenoeg lijnrechte richting voort, maar verdween weldra voor het oog, verborgen door de scherpere hellingen van den Sint Pietersberg, welke aan dien kant als omhoog steigerden. Alleen kon het oog aan die zijde als in een hoekje eenige daken en hooge fabriekschoorsteenen bespeuren, die aangaven dat eene[15]stad in de nabijheid lag. En inderdaad, die daken behoorden tot de voorstad Wijk, en die schoorsteenen tot de fabriek van aardewerk, die aan den zuidkant van die voorstad gelegen was.

Naar den oostkant, daar vlak voor onze jeugdige beschouwers, aan den overkant der Maas, strekte zich een landschap, uit, dat in den volsten zin des woords betooverend mocht genoemd worden. Aan de boorden van de Maas, daar vlak tegenover Lichtenberg, lag een lief kasteeltje, hetwelk zijn helder witte muren en zijn bevallig torentje in het spiegelgladde water weerkaatst zag. Links daarvan, naar den kant van Maastricht, strekte zich het dorpje Heugem evenwijdig aan de Maas uit. Iets verder meer in het noordoosten vertoonde zich het dorpje Scharn, daarnaast het grootere dorp Heer, daar vlak tegenover geheel in het oosten het dorp Gronsveld met zijnen schilderachtigen windmolen, die zijne wieken lustig liet ronddraaien, en het landschap eigenaardig stoffeerde. Meer in het zuidoosten werd het dorpje Rijckholt ontwaard, en daar ginds bij die sierlijke buiging van den Maasstroom schitterden de witte muren van het dorp Eijsden, de laatste plaats op Nederlandsch grondgebied, in het zonlicht; en bij den horizon duidden eenige glinsterende stippen Visé aan, dat eerste stadje op Belgisch grondgebied.

Het landschap tusschen die dorpen was een echt Zuid-Limburgsch landschap; d.w.z. een zoo vruchtbare landouw, als maar voor oogen getooverd kon worden. Uitgestrekte graanvelden, die, het rijpen nabij, haren goudgelen rijkdom onder de bries lieten golven, afgewisseld met aardappelenvelden, waarvan het donkere loof in dat jaargetijde een verrassend contrast daarmede vormde. Daartusschen staken koolzaadvelden met hare[16]zwavel-geelkleurige, en klavervelden met hare lilakleurige bloemen af, en vormden te zamen met hare groene heggen en hare rijen van popels, welke die velden omzoomden, een onmetelijk schaakbord met vele vakken, dat rijk geschakeerd, tot aan den Keerderbergrug reikte, die daar ginds den gezichteinder in het oosten begrensde, en daar een’ heerlijken achtergrond vormde. Die heuvelenrij strekte zich zuidwaarts uit, naderde op hare beurt in het verschiet de Maas, liep dan nagenoeg evenwijdig aan den Sint Pietersberg, en vormde met dien een dal voor de schoone rivier, dat verrukkelijk te noemen was, en iedereen, die een open oog voor natuurschoon had, moest boeien.

„Het is schoon! wonderschoon!” betuigde Frank met geestdrift, „en ik dank je Herman, dat ge mij hierheen gebracht hebt. Ziet ge nu wel, dat het zijn nut heeft.… op vergelijkingen uittegaan. Als wij bij je ouders hadden blijven zitten, dan.… dan had ik althans dat gezicht gemist.”

Frank kreeg geen antwoord op die ontboezeming. Hij lette daar voorshands niet op.

Daar ginds op de Maas, in dien bocht daar bij het dorp Eijsden, vertoonde zich eene stip, die in hooge mate zijne aandacht trok.

„Wat is dat daar op de rivier?” vroeg hij.

Geen antwoord. Andermaal lette hij daar niet op, maar keek scherp uit, terwijl hij de handen, met de vingertoppen tegen elkander, om en boven de oogen bracht om zijn gezichtsvermogen te versterken.

„O! nu zie ik het,” riep hij na een poos turens eensklaps uit. „O! nu zie ik het! het is de Maasboot met haren zwarten romp, die als een zwart puntje op den helderen waterspiegel afsteekt, maar waarboven zich de stoomwolken, die zij ontlast, als eene onmetelijke pluim[17]uitstrekken, ombuigen en als eene schitterend witte streep vormen, die fijn begint en langzamerhand verbreedt. O! wat is dat fraai! Zeg.… Herman.…”

Geen antwoord.

„Zeg, Herman!.… Zie je dat?”

Geen antwoord. Thans keerde Frank zich om, met de woorden op de lippen:

„Waar zit hij?”

Hij ontwaarde toen zijn vriend, die op een kleinen afstand achter hem, maar half met den rug naar hem toegekeerd, naar iets te turen stond. In den stand, waarin Herman geplaatst was, kon ontwaard worden, dat hij de armen over de borst gekruisd hield, en duidelijk hoorbaar prevelde:

„Sub tuum presidium.…”6

„Confugimus sancta Dei genetrix,”6viel Frank lachend in. „Het is bij mijn ziel nu wel tijd om zich onder de hoede van de Heilige Maagd te stellen! Maar, waar kijk je naar?.… Drommels! wat een paar mooie meisjes! O! zoo; is dat het presidium, hetwelk je wenscht te aanvaarden! Zoo, zoo!”

Daar op dat bergplat, bij de ruïne, wandelden temidden van de velen, die ook daar stoeiden en dartelden, een paar jonge dames, die door het schoone panorama, hetwelk daar onder de Julizon lag te glinsteren, ook aangetrokken schenen, en geen oog daarvan afwendden. Beiden hadden bevallige slanke gestalten, vertoonden eene heerlijke buigzame leest op weelderig gevormde heupen en eene ontwikkeling van schouders en borst, die allerbekoorlijkst mocht heeten.

Beiden droegen een diadeem van overvloedige krullen om het fraai gevormde hoofdje, maar bij de eene was die haardos blond, en gingen daarmede een paar fraaie azuurkleurige oogen gepaard; terwijl hij bij de andere[18]donkerbruin was, en onder de fraai geteekende wenkbrauwen een paar donkere oogen glinsterden, die met recht diamanten mochten genoemd worden. Een fraai gevormd neusje, een mondje, liefelijk als een pas geopende granaatappel, een mat wit voorhoofd en bevallig genuanceerde wangen voltooiden het beeld van de laatstbedoelde lieve maagd, welker verschijning onzen vromen jongeling dermate boeide, dat hij de aarde voor zich verdwenen achtte, althans van de vragen zijns vriends niets vernomen had.

„Schoon vat van devotie!” mompelde hij in zijn verbijstering, en als uit een oude gewoonte, „Toren van David! Guldenhuis! Arke des verbonds.…!”

Frank legde hem de hand op den schouder, en stuitte zoo de vrome uitroepen, die den omvang van de geheele litanie van Lorette dreigden te verkrijgen.

„Wie zijn die dames, die vaten van devotie?” vroeg hij.

„Die dames?.…” sprak Herman aarzelend en als verschrikt. „Ik weet niet, wie je bedoelt.… Ik ken ze niet.”

Frank keek hem uitvorschend aan. Hij greep zijn vriend onder den arm.

„Kom,” zei hij, „laten wij naar de ouwe lui terugkeeren. Ik ben eenigszins vermoeid.”

Beiden keerden om, daalden door het ravijntje af, waarlangs zij naar boven gekomen waren. Toen zij beneden gekomen, evenwel nog voor dat zij de poort van het Casinoterrein binnengetreden waren, haalden zij de twee jonge dames, die ook den terugtocht aangenomen hadden, in. De beide vriendinnen stonden met een derde, die haar tegemoet gekomen was, te snappen. Bij het omgaan van eene buiging, die het pad vormde, stonden onze jongelieden eensklaps voor haar. Frank[19]voelde het lichaam van zijn vriend, met wien hij gearmd wandelde, hevig trillen. De dames traden wat op zijde; de heeren stapten met eene beleefde buiging voorbij.

„Zult ge nu nog zeggen, dat gij die dames niet kent?” vroeg Frank.

„Neen, ik ken ze niet,” betuigde Herman andermaal, met de hand op het hart.

„Dan zal ik mijn vraag aan uw’ vader richten, die zal ze wel kennen.”

„Om Godswil! neen, doe dat niet!” sprak de vrome jongeling met iets hartstochtelijks in zijne stem.

„Waarom niet?”

„Gij zoudt mijne goede moeder verontrusten, die is er zoo op gesteld dat ik geestelijke word, en.…”

„Zoo?… Ik geloof evenwel, dat gij goed zult doen, als gij die roeping in nauwgezette overweging neemt. Ik vergis mij niet veel, als ik beweer dat die bruine krullen daar achter ons, in strijd komen met de soutane, die tot heden uw eenigst droombeeld uitmaakte. Is het zoo niet?”

„Ik ga morgen-ochtend dadelijk te biecht. Ik moet mijn gemoed aan de voeten van mijn biechtvader uitstorten,” sprak Herman met dweepachtige overtuiging.

„Mijn raad zou zijn: dat getrachtette weten te komen, wie die jonge dame is, daarna zoudt gij hare familie een bezoek kunnen brengen. Ik geloof dat die proef meer afdoend zou zijn, dan dat gewauwel in een biechtstoel.”

„St!… de ouwe lui kunnen ons hooren.”

Werkelijk waren de beide jongelingen het tafeltje weer genaderd, waar Herman’s ouders gezeten waren.

„Wel, mijnheer Frank,” vroeg de heer Riethoven, „zijt gij in uwe vergelijkende studiën geslaagd? Is uwe opinie omtrent de Maastrichtsche jonge dames gevestigd?”

„Ik moet erkennen, dat de faam dezen keer niet overdreven[20]heeft,” antwoordde Frank met vuur.„Wij hebben beelderig mooie kopjes gezien, nietwaar Herman?”

Deze trok onverschillig de schouders op.

„Twee hebben vooral onze aandacht geboeid,” ging Frank voort, en kon daarbij eene kleine plagerij niet nalaten. „Een lieve blondine en eene heerlijke brunette. Kijk, maar zoo iets liefs” en hij wendde zich tot mevrouw Riethoven, „zoo iets liefs was mij nog niet onder de oogen gekomen.”

„Wie waren het?” vroeg deze aan haren zoon.

„Weet ik het, mameer?” antwoordde deze op onverschilligen toon. „Ik heb er niet op gelet.”

„Hij heeft er niet op gelet, de brave Herman!” lachte Frank. „Hij prevelde maar zoo wat van: schoon vat van devotie!”

Herman bloosde licht, en wierp op zijn vriend een snellen blik. Daarin was evenwel zoo eene bede om te zwijgen opgesloten, dat Frank het gesprek over dat onderwerp staakte. Slechts nog eene plagerij wilde hij aanwenden, meer om zekerheid te krijgen, dan wel omdat hij er genoegen in vond.

„Kijk, mevrouw,” sprak hij tot Hermans moeder, „kijk daar komen ze aan. Vindt ge die blondine niet een juweel van een meisje?”

Mevrouw Riethoven keek naar de aankomende aandachtig.

„Die blondine ken ik niet. Dat is zeker een logeetje,” zeide zij. „Maar de andere dat is de oudste dochter van mijne beste vriendin, dat is Lydia Fraenkel. Bonjour Lydia!” riep ze.

De beide meisjes traden op de familie toe, wisselden een hartelijken handdruk met de ouwe lui, eene buiging met de jonge heeren, en verwijderden zich, om zich naar haar eigen gezelschap te begeven.[21]

Frank had inmiddels een vreemden blik op Herman geslagen, die dezen tot achter de ooren deed blozen.

De Pruisische muzikanten hadden inmiddels hun programma afgespeeld. Als toegift gaven zij nog het in dien tijd algemeen bekende:Sie sollen ihn nicht haben den freien Deutschen Rhein, dat evenwel al heel weinig sympathie opwekte. De Maastrichtenaars hadden voorzeker veel liever deMarseillaiseof deBrabançonne, en kon dat niet, dan hetWien Neêrland’s bloedgehoord, dan die Duitsche poespas, die iedereen onverschillig liet. Toen de muziek zweeg, was het plateau van het Casino spoedig leeg. Slechts weinige tafeltjes bleven door bierproevers bezet. Het overige van het publiek nam den terugtocht aan. Ook de familie Riethoven, waarbij Frank zich natuurlijk aansloot, toog stadwaarts. Terwijl zij den zigzagweg afdaalde, die langs de helling van den berg naar de Maasboorden voerde, klonk een lied, door frissche flinke stemmen aangeheven, die een goed mannenkoor geen oneer zouden aangedaan hebben. In die dagen had een gezelschap van Pyreneesche bergzangers noordelijk Europa bezocht en het lied, wat thans voorgedragen werd, was eene navolging van een hunner nationale gezangen, en klonk allerliefst van daar boven over de Maas-oppervlakte:

Riants bords de la Meuse! à toi tous mes amours!Patrie du houblon, je t’aimerai toujours!Rien n’est si beau que le mont Saint Pierre!Rien n’est ni bon qu’un verre de bierre!O! Maastrichtois (bis) Chantes en paix (bis) De ton pays (bis) la bierre et le bonheurLa lalala la la la lalala la la!

Riants bords de la Meuse! à toi tous mes amours!

Patrie du houblon, je t’aimerai toujours!

Rien n’est si beau que le mont Saint Pierre!

Rien n’est ni bon qu’un verre de bierre!

O! Maastrichtois (bis) Chantes en paix (bis) De ton pays (bis) la bierre et le bonheur

La lalala la la la lalala la la!

[22]


Back to IndexNext