II.

[Inhoud]II.Te Rolduc.Ettelijke maanden waren sedert dematinée musicalevoorbijgegaan, waarvan in het vorig hoofdstuk werd gewaagd. De vacantie der seminaristen van Rolduc was voorbij gespoed. Het was nu November, en daar onder de sombere gewelven van die kweekschool van geestelijken was de somberheid van het saisoen nog vermeerderd door de uitspattingen van menschelijke dwaasheid.Herman was daar teruggekeerd. Zooals hij aan Frank betuigd had, was hij daags na zijn bezoek bij de ruïne van Lichtenberg, alwaar hij een engelenkopje in het verschiet gezien had, den biechtstoel genaderd, en had daar zijn hart uitgestort, en zijn biechtvader een blik gegund op hetgeen in dat hart omging.„Alle kwaad is der wereld van wege de vrouw overkomen!” had de eerwaarde heer gepreveld, en daarbij niet bedacht dat hij eene moeder had of althans gehad had.„Verootmoedig u voor den Heer,” had hij er bijgevoegd. „Vraag hem sterkte in uwen strijd. Maar wend u voornamelijk tot de moeder Gods. Zij, de kuische Maagd, moet u in uwe zwakheid schragen!”De raad werd verder gegeven om dikwijls de genademiddelen[23]der H. Kerk te naderen, dikwijls het gemoed in den biechtstoel uit te storten, en dikwijls het Brood der engelen te nuttigen.„Vervalt gij, al is het nog zoo onwillekeurig, in onbetamelijke gedachten ten opzichte van haar, die God slechts schiep om onze standvastigheid in den strijd tegen de vleeschelijke lusten te beproeven, bid dan, bid veel, bid altijd, bid vurig, bid aanhoudend. Gij hebt maar één wapen, dat is het gebed. En mocht ge in den strijd bezwijken, en een oogenblik van genoegen bij die gedachte ondervinden, haast u dan naar den biechtstoel. Laat nimmer de zon ondergaan zonder uwe ziel gereinigd te hebben. Het kleinste spatje op het gebied van onkuischheid breidt zich als eene olievlek uit, en bederft weldra de geheele ziel.”En de vrome jongeling had gebeden, had gebiecht, had zelfs bij de reinste gedachte aan het liefelijk wezen, hetwelk hij op zijn pad ontmoette, zijn gemoed bezwaard gevoeld, had voor eene uiting van onkuischheid beschouwd, als de fraaie gestalte voor zijn oog verrees in al hare reinheid aan een engel Gods gelijk. Dan had hij tranen gestort, dan had hij zich voor den Heer verdemoedigd, dan had hij de hulp van de Heilige Maagd ingeroepen, en was er zoo toe gekomen om zijn gemoed onder een kunstmatig juk te dwingen. Zoo was hij tot de meening geraakt, dat hij den vleeschduivel meester zou blijven. Weg uit dat gemoed iedere dichterlijke vlucht! dat was slechts betoovering der zinnen, dat was slechts verzoeking van den booze, die zoo trachtte de liefde in zijn hart te doen sluipen, in dat hart dat voor alle wereldschegeneugtengesloten moest zijn, in dat hart, hetwelk slechts ontvlammen mocht voor zijn’ Schepper. Liefde?… Hij! liefde koesteren voor een schepsel?… Hij?… de bruidegom des Heeren!… Nooit!… nooit![24]„Nooit! nooit!” ruischte hem de doffe echo na in de Crypte7waarin hij, voor het altaar geknield liggende, soms die verzuchtingen slaakte. „Nooit! nooit!” herhaalden die sombere wanden, die zoo dikwijls dergelijke betuigingen opgevangen hadden, en ze telkens terugkaatsten, als weigerden zij er akte van te nemen.De strijd was evenwel bang en zwaar. O! hoe dikwijls rees niet het verboden beeld voor zijne ziel!Ontmoette hij op de wandelingen, die door de seminaristen tweemaal ’s weeks onder geleide van een paar professoren of regenten, des dinsdags en des donderdags namiddag in den omtrek ondernomen werden, eene vrouwengestalte, dan reeds van heel in de verte, lang reeds voor dat de omtrekken van het mensch in hunne bijzonderheden te onderscheiden waren, nam die gestalte in zijne verbeelding Lydia’s gedaante aan. Hij mocht dan God smeeken en de H. Maagd te hulp roepen, hij kon onmogelijk de oogen afwenden van de naderende, totdat hij, als ontwaakte hij uit een droom, ontnuchterd erkennen moest, dat die gestalteharegestalte niet, dat het soms die eener oude boerin was. Grimmig, ja teleurgesteld, wendde hij dan den blik af, om evenwel weinige oogenblikken later dezelfde poets van wege zijne opgewekte verbeelding te ondervinden. Waarlijk, hij vond dat Professor Canoy8groot gelijk had, toen hij de jongelieden op een door hen gedaan verzoek antwoordde:„Ik zou onze wandelingen wel door den kom der dorpen geleiden, als ik ieder uwer een blinddoek voor de oogen kon binden.”De wensch was onuitvoerbaar; men kon geen driehonderd à driehonderd vijftig jongelingen blindemannetje laten spelen.Sloeg de benarde zijne oogen tot een Maria-beeld op, dan nam dat beeld Lydia’s trekken aan. Bad hij de[25]litanie van alle Heiligen, dan gebeurde het hem schier altijd, dat hij bij de opsomming der H.H. Maagden met even veel godsvrucht prevelde: „Sancta Lydia, ora pro nobis.”9Zoo was de maand November genaderd. In die maand had de gewoonlijke jaarlijkscheretraiteplaats. Dat was het tijdperk om voor goed van alle zondige gedachten afscheid te nemen. Met onnavolgbare geestdrift volgde Herman alle de geestelijke oefeningen gedurende die negendaagsche boetedoening. Met de meest mogelijke aandacht luisterde hij naar de godsdienstige verhandelingen en sermoenen, door een paar paters redemptoristen, daartoe speciaal overgekomen, gehouden. Hij onderwierp zich goedsmoeds aan het strenge vasten gedurende dienretraite-tijd, betrachtte ook stipt het diepste stilzwijgen, hetwelk gedurende die dagen in het groote gesticht allerwege heerschen moest, en eindigde die boetedoening evenals al de andere leerlingen met eene algemeene biecht, die reiniging der ziel, zooals zij te Rolduc genoemd werd, die „ketelschuring” zooals de volbloed Maastrichtenaars haar heetten. Toen voelde hij zich als herboren. De pater, bij wien hij die algemeene biecht afgelegd had, had hem den ketel zoowel in- als uitwendig zoodanig geschuurd, en met grof zand ook, dat iedere gedachte aan Lydia uit zijne ziel verbannen bleef. En verrees het liefelijke beeld nog een enkelen keer voor zijne oogen, dan had hij de wilskracht om zijn geest daaraan te onttrekken, en had zijn:retro Satanasalle succes. De pater had hem eene „disciplien”, in minder gewijde bewoordingen: „zweep,” ter hand gesteld, waarmede hij zich iederen avond het vleesch kastijden moest, wanneer hij over zichzelven niet tevreden was. Dat middel, met alle godsvrucht toegepast, had geholpen. De herinnering aan de striemende slagen, op de naakte huid toegebracht,[26]gaf hem kracht om iedere gedachte aan de lieve Lydia terstond op de vlucht te drijven. De keuze was ook te bar tusschen zweepslagen en.… eenige dichterlijke droomerijen betreffende een jong meisje. Het middel was bepaald als probaat aan te bevelen.Met zijne nadering tot de tafel des Heeren na die algemeene biecht was hij, volgens zijne meening, een nieuw leven ingetreden en had den ouden mensch afgelegd. Met ijver zette hij zijne studiën voort, en verwierf van de superieuren van het seminarium de meest ondubbelzinnige teekenen van tevredenheid niet alleen over zijne vorderingen, maar vooral over zijn gedrag en zijne godsvrucht, die als voorbeeldig geroemd werden. Zelfs de regent Schlietz, de leeraar der zesde klasse, die de Maastrichtsche jongelieden een niet te miskennen haat toedroeg, en zich vaak niet ontzag om bij wijze van gebed met luider stem te prevelen:des paresseux de Maastricht, délivrez nous Seigneur, getuigde van onzen Herman in het taaleigen van de inrichting:qu’il était un saint jeune homme, hetgeen bij sommige der leerlingen, evenwel niet altijd juist, beteekende, dat hij, wien die getuigenis betrof, een huichelaar en een verklikker was.De winter spoedde voorbij, en het voorjaar brak aan. Natuurlijk had Herman, toen hij met de Paaschvacantie te Maastricht verscheen, zijne godsdienstige plichten, voor het Opstandingsfeest voorgeschreven, te Rolduc stipt volbracht. Maar toch de Heilige week, de „Passie-week”, bracht hij grootendeels in de parochie-kerken door, ongeacht de bezoeken, die hij in andere bidoorden, zooals in de kerk der Paters Jesuiten op de Tongersche straat en de kapel der Broeders van den Heiligen Vincentius in den Capucijner gang, aflegde. Hij woonde de „lijdens-meditatiën” in de Sint Servaas-kerk bij; was op Witten Donderdag in de O. L. Vrouwekerk,[27]ter herinnering aan de instelling van het H. Avondmaal, in aanbidding voor het H. Sakrament verzonken, volgde op Goeden Vrijdag in de Sint Mathiaskerk de kruisvinding en juichte zijn ziel het „Hallelujah” op Paaschdag in de Sint Maartens-kerk, in de voorstad Wijk, mede. Maar gedurende de twee weken, die op Paschen volgden, was het infaam slecht weer, een van die stormachtige lentes, die ons Nederland zoo vaak vertoont. Hij ging toen weinig uit, en zoo verliep de drieweeksche vacantie, zonder dat hij Lydia te zien kreeg, zonder dat hem gelegenheid geopend werd afdoend te bewijzen, dat hij den vleeschduivel onder den knie had. Er mag niet verheeld worden, dat hij hoegenaamd geen poging deed om het lieve kopje in het oog te krijgen. Zelfs had hij zich, onder het voorwendsel van naar het Lof te moeten, er van afgemaakt om zijne ouders te vergezellen op eene koffie visite bij de familie Fraenkel. Wantrouwde hij zijne zwakheid? Dan was de overwinning niet volkomen!De maand Mei—die maand van Maria—bood onzen Herman heerlijke geneuchten aan. Met wat ijver had hij niet geholpen om het altaar, dat te Rolduc midden in de kerk opgericht was, en waarop het Moeder Godsbeeld prijkte, te versieren. Al de planten van de broeikas waren naar de kerk verhuisd, en inderdaad was de heuvel van veelkleurige Geraniums en Begonia’s, waarop of beter waartusschen het Mariabeeld, zelve uitermate fraai uitgedoscht, geplaatst was, zeer smaakvol aangelegd. Hoe geestdriftvol stemde Herman met den lofzang in:C’est le mois de Marie,C’est le mois le plus beau!A la Vierge chérieDisons un chant nouveau![28]wanneer de gezamenlijke leerlingen des avonds nog een bezoek brachten aan de kleine kapel der H. Maagd gewijd, op een kleinen afstand ten zuidwesten van het gesticht aan een kruisweg gelegen, en daar die werkelijk fraaie Hymne uit volle borst zongen. Met hoeveel godsvrucht volgde hij de „conférences,” die gedurende die maand gehouden werden, en waarin de deugden, de hoedanigheden, de eigenschappen van de Godsmoeder haarfijn uitgeplozen werden, en zich ten slotte in eene algemeene verheerlijking oplosten.Bij een dier „conférences” had de Professor der Rhetorica Jansen het over de kuischheid der H. Maagd gehad. Hij legde uit, dat die deugd bij Haar allesoverheerschend was, dat zij die steeds en altijd betracht had, en zich zelfs in het huwelijk kuisch en rein had weten te bewaren. In fraaie oratorische wendingen wees hij er op, dat zij daardoor Gods genade deelachtig was geworden, en uitverkoren werd om de Maagd-moeder te zijn bij de vleeschwording van den Verlosser, die der wereld beloofd was. Dit gaf aanleiding om over de zegeningen der kuischheid uit te wijden; den heilstaat te beschrijven, die er uit voortvloeit; hoe welgevallig het Opperwezen neerziet op hem, die steeds met dat reine kleed getooid blijft; hoe de engelen in den hemel in dien heilstaat verkeeren, enz. enz. Daarna ging hij met de tegenstelling voort. Hij schilderde de schandelijkheid der onkuischheid; welken gruwel zij in Gods oogen was; hoe zij de grondoorzaak was van alle andere ondeugden, ja van alle andere misdaden, en eindigde zijne verhandeling met voor den aanblik der vrouw te waarschuwen, en haar af te schilderen als de bron van iedere onkuische gedachte en bijgevolg van alle kwaad.Het was een hachelijk onderwerp geweest, hetwelk daar ten gehoore van al die jongelieden gebracht was. Toch[29]had Professor Jansen zich met de meeste kieschheid en met takt van die taak gekweten. Door het meerendeel van hen, die hem begrijpen konden, was meer gelet geworden op de oratorische kunstgrepen, die hij vertoond had, dan wel op den inhoud zijner „conférence.” Slechts één had hem in zijne redeneering gevolgd, had de spitsvondigheden in zich opgenomen. En die één was Herman. Met hijgend hart had hij die uitweidingen over den heilstaat der kuischheid aangehoord; het bloed was hem daarbij naar de wangen gestegen. Hij begreep en voelde, dat slechts eene Maagd de moeder van Christus kon zijn. Hij genoot met de engelen in de reine sfeer, die zij daar om Gods troon bevolkten. Maar hij ijsde ook bij de gedachte aan het lot van den ontuchtige, en zag in zijne verbeelding bij de woeste schilderij het vertoornde gelaat van den Almachtige, die den onkuische uitspuwt, en hem voor eeuwig ten vuurhelle doemt. Hij stemde volkomen met de slotperiode der verhandeling in, namelijk dat de vrouw de bron is van alle kwaad en eindigde, toen Professor Jansen zijne rede met een kort gebed besloot, met wellicht voor de honderdste maal de belofte in zijn binnenste te prevelen: van immer kuisch te blijven en zich van iederen omgang met het andere geslacht te onthouden.De mensch wikt, maar God beschikt! Dat zou hij al spoedig ondervinden.Weinige dagen later riep men Herman in het „parloir”.„Uwe mama is er,” had hem de portier gezegd.Juist was het eerste klassenuur afgeloopen en verliet professor Canoy den katheder. Herman vroeg en verkreeg verlof om dien dag vrijaf te hebben, ten einde hem aan zijne moeder te kunnen wijden. Daarop spoedde hij naar de spreekkamer.[30]Toen hij daar binnentrad, stonden een viertal vrouwengestalten met den rug naar de deur, een der vele teekeningen die daar aan den wand te pronk hingen en door de leerlingen gemaakt waren, te bewonderen. In een dier gestalten kon hij zich niet vergissen. Bij het opengaan der deur daarenboven dwong haar hart haar zich om te keeren. Dat was Herman’s moeder! Zij vloog haar kind om den hals, en al was het ook nauwelijks zes weken geleden, dat haar zoon Maastricht verliet, om na de Paaschvacantie naar Rolduc terug te keeren, toch prangde zij hem met onstuimigheid aan haar hart. Twee der andere dames waren ook mamatjes, die met verlangen naar het verschijnen harer telgen uitkeken. De vierde had zich bij het opengaan der deur niet omgekeerd. Was het toeval of opzet? Zij bleef naar de teekeningen aan den muur kijken.Toen Herman zijne moeder omhelsd had, trad hij op de overige dames toe om haar te begroeten.„Waar blijft Henri?” zei de een.„Waar blijft Gustaaf?” vroeg de andere even ongeduldig.„Ik weet het niet, dames,” antwoordde Herman. „Zal ik eens bij den portier informeeren of hij hen, evenals hij mij deed, gewaarschuwd heeft?”Het was niet noodig. De beide bedoelde jongelieden stormden in dit oogenblik het parloir in, en lagen weldra vreugdedronken in de armen hunner mama’s besloten.Boven moederliefde gaat niets!Inmiddels was Herman de andere dame, die nog steeds de teekeningen stond te bewonderen, genaderd, om ook jegens haar de beleefdheidsvormen te betrachten. Deze keerde zich juist om.„Lydia!” ontsnapte bijna met een kreet aan Hermans mond.[31]Hij had nog juist tegenwoordigheid van geest genoeg om dien half te smoren. Maar een oogenblik bleef hij stokstijf met gesloten oogen voor de jonge dame staan. Gelukkig, dat de algemeene aandacht op de pas binnengekomen jongelingen gevestigd was.Ja, het was Lydia! Toen zij vernam, dat mevrouw Riethoven, de beste vriendin harer moeder, met nog een paar dames hare zoons in het seminarie een bezoek gingen brengen, had zij verzocht meê te mogen rijden. Zij had een broeder, die daar ook studeerde, en evenals Herman in de Rhetorica was. Zonder aarzeling had mevrouw Riethoven dat verzoek toegestaan. Deze had geen de minste gedachte van hetgeen er in de ziel van haar kind omging. Had zij dat kunnen gissen, dan zou zij, bij haar innig verlangen om een harer kinderen zich aan den altaardienst te zien wijden, Lydia voorzeker geweigerd hebben.Het jonge meisje zelve wist ook niet, wat er in het gemoed van den jongeling omging. Zij was nog kortgeleden van de kostschool der Ursulinen-zusters te Maaseyk voor goed te huis gekomen, en was zich volkomen onbewust, welken hartstocht hare fraaie zwarte oogen ontvonkt hadden. Zij had, toen zij zich omkeerde, den gedempten kreet van den jongeling gehoord, waarbij hij haar naam uitsprak; zij had hem zien verbleeken en de oogen sluiten. Hoe jeugdig ook, hoe onervaren omtrent hetgeen er in de wereld omging, werd toch haar vrouwelijk gevoel wakker. Meenende evenwel, dat de jongeling plotseling onwel werd, trad zij op hem toe:„Zijt gij ongesteld?” vroeg zij deelnemend, terwijl zij hem bij de hand vatte.Een schok voer hem door de ledematen bij die aanraking. Hij opende de oogen, greep die hand, drukte en kneedde haar met zenuwachtige woestheid, en fluisterde zacht:[32]„Neen, het is niets! Het is al weer over!.… Eene duizeligheid … dat is alles!… In Gods naam, wees stil … Laat mijne moeder er niets van merken. Zij zou zich ongerust maken.”Hij sloeg de oogen op het lieftallige gelaat van de rijzige jonkvrouw, die hem nog altijd met eenige bezorgdheid aankeek; maar die toch onder zijn doordringenden blik bloosde, en zacht hare hand terugtrok.In dit oogenblik trad de heer Peeters, directeur van het seminarie binnen, en begroette de dames op ongedwongen toon als een man van de wereld, hoewel zijne gebaren door ettelijke zonderlinge gewoonten gekenmerkt werden, die aan zijne hoffelijkheid eenigermate afbreuk deden. Zoo bracht hij gewoonlijk, hetzij hij den preekstoel in de kerk, of den katheder in de leerzalen besteeg, of dat hij zich voor iemand groetend boog, den duim der rechterhand vlak tegen de neusopeningen, terwijl hij den wijsvinger over den rug van den neus ettelijke malen van boven naar beneden liet glijden, als streelde hij dat reukorgaan. De jongere leerlingen, de bengels beweerden, dat, wanneer hij zoo deed, er vuurvonken uit zijne neusspits spoten.Eene tweede hebbelijkheid, die evenwel minder aardig gevonden werd, was, dat wanneer hij in het vuur van het gesprek was, of zich driftig maakte, hij zich alsdan met de beide middelvingers de ooghoeken bij den neus uitwreef, waarna hij een rood katoenen zakdoek uit zijn soutane te voorschijn haalde, en zijn gevel, dien hij vrij kolossaal had, met kracht snoot. Ging het vonkentrekken met het oogenpoetsen en het snuiten samen, of beter, volgden die drie bewegingen zonder tusschentempo achter elkander, dan was er een onweder aan de lucht, en was het hen, die iets op hun geweten hadden, geraden buiten zijn radius te blijven.[33]Hij was eene lange magere figuur, die met zijn „bonnet” op het hoofd en in zijn soutane gestoken, er uitzag als een parapluie in zijn foudraal. Van zijn neus gewaagden wij reeds; die was lang, smal en krom, en had veel van een pikhouweel. Boven een paar ascetisch bleeke wangen glinsterden een paar oogen, die wel eens onbescheiden kijken konden. „Het is, alsof hij iemand in de ziel leest,” zeiden de leerlingen.Toen hij naar den welstand der dames, naar dien van hare echtgenooten en verder kroost vernomen had, gaf hij aan het ongeduld dier moeders gehoor, en onderhield zich met haar over hare zoons, en was weldra in een druk gesprek gewikkeld. Hij had gelukkig niets dan goede berichten mede te deelen. De naam van geen der aanwezige jongelieden was in het „parloir” in het „tableau noir”, als aan een schandpaal opgehangen. Geen hunner had een „compareat”10ondergaan, d.w.z. dat hij op „numero treize,” de eet- en societeits-kamer van het doceerend personeel, door de gezamenlijke professoren en regenten wegens minder goed gedrag was onderhouden. Zelfs de lijst der „mauvais points” toonde een uiterst gunstig gemiddeld aan. Toen mevrouw Riethoven dan ook het verzoek voordroeg, of de vier jongelieden met hunne mama’s mochten gaan dineeren in een der restaurants in den omtrek, betuigde de directeur heel goedgunstig, dat bij hem tegen de inwilliging geen bedenkingen bestonden.„Maar eerst,” zeide hij met een fijnen glimlach, „zal ik de dames eens rondleiden in het gesticht. Allen, meen ik, hebben hier nog geen bezoek gebracht.”Daarop geleidde hij de bezoeksters, vergezeld van hare telgen, door de hooge kruisgangen rond, liet haar een blik werpen in het „refectoire”, waar men bezig was de tafels voor het middagmaal te dekken; in de verschillende[34]klassen- en studiezalen, in de gebedzaal, op de „dortoirs”, op de speelplaats, waar de jongelingschap, voorgegaan door hare leeraren, juist bezig was lichaam en geest heilzaam te ontspannen. Eindelijk bracht hij haar in de kerk, liet haar de „Crypte,” eene onderaardsche bedeplaats onder het koor zien, wees op de naaktheid van het „jubé,” de orgelplaats, die zich op vier dennenstammen verhief, die ter nauwernood van hunne schors ontdaan en ruw vierkant bekapt waren.„Onze kerkfabriek is zeer arm,” betuigde de eerwaarde gids. „Dat is meer dan armoede, dat is naaktheid.”Toen hij die woorden sprak, stond het gezelschap juist een oogenblik bij den zuidoostelijken ingang stil, om het geheele gebouw nog eens te overzien. Daar bij het wijwatersvat stond een offerstok met opschrift in groote letters: „pour l’église.” Mevrouw Riethoven gaf het voorbeeld, hetwelk door de drie andere dames gevolgd werd. Ieder harer liet een geldstuk, door de nauwe opening naar beneden vallen.Eindelijk was die bezichtiging afgeloopen. Het gezelschap bedankte den directeur voor zijn geleide, stapte de speelplaats over, en verliet het gesticht door de noordoosterpoort.Gedurende die wandeling door het zeer groote gebouw, waren de mama’s door den directeur bezig gehouden, en hadden zij onverdeeld hare aandacht gewijd aan zijne uitleggingen en inlichtingen. De zoons volgden en pruttelden niet weinig, dat van den schoonen dag, die hun beschoren was, nog zooveel verloren moest gaan om dat oude gebouw te bezichtigen. Lydia en Herman wandelden naast elkander. Waarover zij spraken? Helaas, het gesprek vlotte niet erg tusschen die twee. Er heerschte eenige schuchterheid, eene zekere bedeesdheid, die hen somwijlen op het onverwachtst blozen deed,[35]zonder dat er oorzaken toe bestonden; maar die toch zoo eene bekoorlijkheid voor hen bezat, dat geen van beiden er aan dacht, zich daaraan te onttrekken. Lydia vond wel, dat Herman van tijd tot tijd een langen doordringenden blik op haar vestigde, dat hij hare wezenstrekken dan in zich opnam, als het ware opzoog. Dat hinderde haar wel ietwat, dat deed haar blozen. Maar die blik eindigde steeds met een even hoog rood, hetwelk de wangen van den jongeling kleurde en dat streelde het jonge meisje.Toen het gezelschap de poort uitgetreden was, en de directeur hen verlaten had, staken de jongelieden in alle haast een sigaar op, en vormden zich tot groepjes. De mama’s namen hare zoons in beslag. Behalve het eerste oogenblik van ontmoeting in het „parloir” was er nog geen oogenblik van vertrouwelijkheid geweest. Nu haalden die moeders haar hart ter dege op. De vragen en antwoorden kruisten elkander allerwege, en menig antwoord werd bezegeld met menigen kus. Lydia wandelde aan de zijde van haren broeder voort. Toen zoowat de eerste mededeelingen geschied waren, betrok Herman dien broeder en het meisje in het gesprek, en zoo wandelde men gezellig keuvelend verder.De weg voerde aanvankelijk door eene dichte beukenlaan, die met haar frisch groen een lommerrijk gewelf over het pad vormde. Rechts en links strekte zich een boschje van hoog opgaande dennen uit, welker naaldenkruin onder den invloed van eene zachte bries liefelijk ruischte.„Dat is het „bosquet”, waarin wij in dit seizoen in de vrije middaguren veel vertoeven,” lichtte een der jongelieden toe.De weg splitste zich een eind verder in twee takken. De rechtsche werd ingeslagen. Die voerde om de groentetuinen[36]van het gesticht, daalde daarna een steilen heuvel van een paar honderd voet af, voerde tusschen een vijver en eene dichte haag door, die uitgestrekte weilanden afsloot, slingerde daarna om een heuvel, wier kruin met dennenboomen beplant was, en uit welker wanden arbeiders verblindend wit zand en fijn china-clay te voorschijn haalden, om naar de aardenwerkfabriek van den Heer Regout te Maastricht vervoerd te worden. Verder kromde de weg tusschen heggen van meidoorns door, die met haar witte bloemtuiltjes heerlijk geurden. Aan de linker zijde kregen de wandelaars een kasteeltje, of beter gezegd, een klein slot in het oog, dat zich op den top van een heuvel verhief. Herman vertelde aan zijne moeder en aan Lydia, dat dit het kasteel der Ridders van den Groenen Bok was, en wist daaraan eene wezenlijke boeiende Bokkenrijdersgeschiedenis vast te knoopen. Zijne moeder verbaasde zich over zijne mededeelzaamheid, die zoo afstak bij zijn gewone teruggetrokkenheid, maar bewonderdeveel meerde gemakkelijkheid, waarmede hij dat verhaal voordroeg, en de keuze van uitdrukkingen, die hij daarbij bezigde.Zoo was men het dorp Herzogenrath genaderd, hetwelk in een fraai dal gelegen was, waardoor de Worms vloot. Men wandelde dat dorp gedeeltelijk door, en besteeg den heuvel, die het dal aan de noordzij insloot, en waarover de fraaie steenweg leidde, die van Aken over de dorpen Herzogenrath en Geilenkirchen naarDüsseldorfvoerde, en in die dagen, toen de spoorbaan die twee steden nog niet verbond, een zeer gewichtige gemeenschapsader was.Vooral waren de dames niet rouwig, dat het einddoel van het uitstapje bereikt werd; want het kon eene gezonde wandeling genoemd worden, die zij afgelegd hadden; en het voortdurend klimmen en dalen, waartoe de[37]weg genoodzaakt had, had het zijne er toe bijgedragen, om haar zoo niet vermoeid te maken, dan toch naar een plekje te doen omzien, waar men eens gezellig bij elkander zou zitten. Dat plekje werd in hetGasthausvan Vorage gevonden, hetwelk vrij aardig op het kruispunt, waar evenbedoelde straatweg zich aan dien van Heerlen via Kerkrade naar Aken aansloot, gelegen was. Aan het diner, waarbij Herman gelegenheid had gevonden, Lydia tusschen hem en haren broeder in te plaatsen, en hij zijne moeder aan de andere zijde had, ging het over het algemeen vroolijk toe, hoewel eene zekere opgewondenheid bij den held van dit verhaal, de opmerkzaamheid niet ontgaan zou hebben, wanneer niet allen die eenigermate gedeeld hadden. De jongelingen waren opgetogen, dat zij voor een oogenblik aan den knellenden band der tucht, die in het seminarie heerschte, ontsnapt waren, en de mama’s waren overgelukkig, dewijl zij hare zoons zoo zagen genieten, dat de sporen er van op hunne wangen duidelijk zichtbaar waren.Lydia zat stil en ingetogen, als altijd, maar met welwillendheid te luisteren naar de verhalen van haren buurman, en kon nu en dan een glimlach niet onderdrukken, wanneer deze de eene of andere studentensnakerij voordroeg, en de onbetaalbare zetten mededeelde, die den heeren professoren gespeeld werden. Vooral wekte het luimige verhaal van de koddige tooneelen, welke op het laatste feest van de H. Katharina voorgevallen waren, een onbedwingbaren lachlust op. De jongelieden, die, na hunne Rhetorica voltooid te hebben, den wensch te kennen gaven, den geestelijken stand te omhelzen, volbrachten dan, alvorens naar het Groot Seminarie te Roermond over te gaan, een zoogenaamden „Cours inférieur en philosophie,” die twee jaren duurde, en werden alsdan door hunne medeleerlingen[38]„monsieur le philosophe” geheeten, hoewel hetgeen hun gedoceerd werd, evenveel op „philosophie” (wijsbegeerte) geleek, als de slaapmuts van den Grooten Turk het evenbeeld van de hedendaagsche tournure van eene jonge dame is.Nu was de H. Katharina—waarom, dat was niet bekend—de patrones der philosophen, en liepen dezen op dien dag gepareerd en gemaskerd door de kruisgangen van het seminarie, parodieerden min of meer geestig de regenten en professoren en aapten hen in hunne zwakheden na. Lydia proestte het eindelijk uit, toen Herman bij die voorstelling zijn neus tusschen duim en voorsten vinger nam, en dien behandelde, zooals zij straks den directeur Peeters had zien doen.Zoo spoedden die zalige uren voort.Eindelijk naderde het tijdstip om te vertrekken. Het kon een heele tocht heeten in die dagen, van Maastricht over Valkenburg, Klimmen, Heerlen en Kerkrade naar Rolduc te reizen. De dagen waren evenwel reeds lang, zoodat nog tot eene wandeling besloten werd. Het gezelschap bracht een bezoek aan Kerkrade, dronk daar koffie met de onvermijdelijke vla, en keerde van daar, langs een veldweg, die dwars door de vruchtbare graanakkers voerde, naar het seminarie terug. De dames brachten nog een bezoek aan den directeur om hem hare lievelingen aan te bevelen. De eerwaarde heer geleidde het gezelschap zeer vriendelijk naar het rijtuig, hetwelk gereed stond.In de laatste oogenblikken evenwel was Herman in het oogvallend somber en in zich zelven gekeerd geweest. Zijne opgewekte luim was geweken. Nu en dan sloeg hij een schuchteren blik op Lydia, die met een soort angst naar hem keek, alsof zij zich schuldig aan die stilzwijgendheid gevoelde. Het arme kind kon[39]onmogelijk bevroeden, hoe groote oorzaak zij van die sombere gemoedsstemming was.Toen het oogenblik daar was om afscheid te nemen, stak mevrouw Riethoven haren zoon de hand toe; ja, zij opende hem hare armen. Zonder op dat uitnoodigende gebaar te letten, keek hij haar met strakken blik aan.„Kom, Herman, het is tijd,” zei zijne moeder, „geef mij een zoen.”Zonder een woord te spreken, wendde Herman zich van haar af, trad op het rijtuig toe, waarvan het portier geopend stond, steeg er in, en nam plaats op de voorbank.„Ik ga meê naar Maastricht,” was het eenige antwoord, dat hij gaf.Allen stonden bij het rijtuig en lachten. Zij zagen dat antwoord voor een ui aan.„Er valt niet te lachen,” hernam hij. „Ik ga meê naar Maastricht.”„Het is nog geen vacantie,” antwoordde zijne moeder nog steeds met een glimlach.„Vacantie of niet,” sprak Herman met iets woest in zijne stem. „Vacantie of niet, ik ga meê naar Maastricht. Ik blijf hier niet meer!”In den toon van dat gezegde was zich niet te vergissen. Allen keken dan ook verbaasd op. De directeur Peeters niet het minst. Hij streek over zijn neus, wreef zich de ooghoeken uit, en de roode zakdoek was in aantocht.„Maar Herman, dat is de scherts te ver drijven,” zei zijne moeder. „Kom, stap uit, en laat ons instijgen. Wij moeten vertrekken, anders wordt het laat in den nacht, alvorens wij te huis zijn.”„Het is geen scherts, mameer!”„Maar, je plan dan om priester te worden?”„Ik word geen priester!”[40]„Geen priester?”„Neen!”Dat „neen” klonk afdoende als een hamerslag. Op zoo’n toon had mevrouw Riethoven zich nog nimmer door haren oudsten zoon hooren toespreken.„Maar, van waar die veranderde roeping!” kreet zij als in vertwijfeling.„Ja, van waar?” vroeg de directeur met ernstig gezicht, terwijl hij zijn neus tot bloedens toe wreef.„Van waar? Wilt ge dat weten?” vroeg Herman aan zijne moeder, zonder den directeur aan te zien.„Ja, mij dunkt dat ik, uwe moeder, van de oorzaken niet onkundig mag blijven!”De jongeling was doodsbleek geworden. Een oogenblik aarzelde hij. Maar tot onwaarheid spreken was hij niet in staat.„Welnu, ik ben verliefd op deze jonge dame,” sprak hij rad, als had hij haast die woorden te uiten, en met de hand naar Lydia wijzende.Het arme kind kleurde tot achter hare lieve oortjes. Onder die woorden trad zij achteruit, en bedekte zich het gelaat met beide handen.„En?” vroeg mevrouw Riethoven, met doordringenden blik op het jonge meisje.„O! kijk Lydia zoo verwijtend niet aan,” sprak Herman met nadruk. „Zij heeft hoegenaamd geen schuld aan mijne veranderde gevoelens. Kan zij het helpen, dat ik haar lief, grenzenloos lief heb? Hoe zij er over denkt, weet ik niet. Maar met zoo’n liefde in het hart, kan ik mij aan den altaardienst niet wijden. Dat ware heiligschennis!”„Mijn jonge vriend, mijn zoon, gij zoudt behooren tot de strijdende Kerk,” viel de directeur met zalving in. „Roep de Heilige Maagd aan!”[41]„Genoeg met dat gewauwel!” viel Herman barsch in. „Vade retro Satanas!”De directeur schokte onder die uitspraak. Zoo was hij nog nooit afgewezen. Hij zwaaide met zijn rooden zakdoek als met een noodvlag op eene sloep, die aan het zinken was. Dat „vade retro satanas” klonk den geestelijken heer schrikkelijk in de ooren.Er heerschte een oogenblik stilte. De drie mama’s hadden elkander aangestaard. Het geval was uiterst moeielijk. Mevrouw Riethoven zag een van haar heerlijkste droombeelden vernietigd. O! hoe dikwijls had zij in den geest met eene soort van verrukking het misoffer bijgewoond, en dan, door eene moederlijke verbijstering vervoerd, in den waan verkeerd, dat het haar zoon was, die daar het:Vere dignum et justum est11zong, of dat hij het was, die daar over de hostie bad:ecce agnus Dei, qui tollit peccata mundi.12O! als zij dat eens in werkelijkheid had kunnen zien! En nu was dat alles weg! Iedere illusie verdwenen. Een traan blonk in haar oog. Zij vermande zich evenwel. Zij begreep dat bij afwezigheid van haren echtgenoot zij handelen moest.„Van een meêgaan naar Maastricht,” sprak zij met vaste stem, „kan geen sprake zijn. Vooreerst, is er geen plaats in het rijtuig. Wij zijn met ons vieren.…”„Is het niet anders,” was het antwoord. „Ik kan bij den koetsier op den bok gaan zitten.”In een wip was Herman uitgestegen, en wilde aan zijn voornemen gevolg geven.„Maar luister dan toch,” sprak de moeder en greep haren zoon bij den arm. „Ik herhaal het, van een meêgaan naar Maastricht kan geen sprake wezen. Die verandering van roeping gaat mij te snel in zijn werk. Die is slechts het gevolg van een oogenblik.”„Dat is zij! Daarin hebt ge gelijk, mameer. Maar ik[42]gevoel het, nimmer zal ik meer veranderen. Ik heb met het priesterschap afgerekend.”De heer Peeters sloeg de oogen hemelwaarts. Hij riep bijstand van boven, en zwaaide daarbij de noodvlag met nog meer hevigheid dan vroeger.„Daar ben ik nog niet zeker van,” hernam de moeder. „Nog niet lang geleden spraakt gij met even veel overtuiging in tegenovergestelde richting.… Wat zou uw vader zeggen, wanneer wij u nu meê thuis brachten? Wat de geheele stad? Zoo midden in den cursus! Iedereen zou meenen, dat ge weggejaagd waart!”„Wat gaat mij de opinie van zoo’n kleine kwaadsprekerige stad aan!”„Gij moogt er over denken, zooals gij wilt. Ik hecht voor uwe toekomst te veel aan uwe reputatie. Kort en goed.…”Hier hikte de arme moeder, de stem begaf haar.… Zij hervatte een poos daarna, maar met tranen in de oogen:„Gij weet, hoe gaarne ik gezien had, dat gij u aan den dienst des Heeren zoudt gewijd hebben.…”„Mameer! moeder! ga zoo niet voort. Geen tranen, o! wat ik u bidden mag! Gij zoudt mij tot iets overhalen, dat oorzaak van naamloos wee in dit leven, van mijne verdoemenis in het andere zoude zijn!”De moeder ijsde bij het hooren van die hartstochtelijke taal. De directeur sloeg een kruis.„Val mij niet in de reden,” ging mevrouw Riethoven voort. „Wat ook mijn wensch moge zijn, nimmer zou ik willen, dat één mijner kinderen een stand tegen zijn zin zoude aanvaarden. Wilt gij dus verandering in uwe bestemming brengen, mij wel. Ik zal mij niet tegen uwen wensch verzetten. Wat ik alleen verg, is, dat gij niet overijld handelt.”[43]„Ik handel niet overijld, beste moeder. Ik handel volgens de inspraak van mijn geweten!”„Gij blijft hier, tot de groote vacantie,” sprak de moeder met vaste stem. „Blijft gij dan bij uwe meening om uwe studiën te staken!…”„Mijne studiën staken,” riep Herman vertwijfelend uit. „Mijne studiën voortzetten, meent ge, maar van doelwit veranderen …?”De directeur deed der vrome vrouw een onmerkbaar teeken. Zij antwoordde haar zoon niet, maar ging voort.„… Dan blijft ge volkomen vrij.”„Wat zegt juffrouw Lydia,” vroeg Herman met vertwijfeling.„Ik!… ik zou raad geven in een strijd, waarin ik mij mijns ondanks gesleept zie?” kreet snikkend het arme kind. „Ik kan ternauwernood denken.… hoe zou ik raad kunnen geven?.…”Zij stikte bijna in hare tranen, vloog het rijtuig in en verborg daar haar gelaat in hare handen.„Aan dat tooneel moet een einde komen, Herman,” sprak mevrouw Riethoven. „Geef mij een hand. Kom, dames, stapt in. En nu.… mijn jongen.… houd moed.… Vaarwel!”Herman rukte zich uit de omhelzing zijner moeder los, sprong het rijtuig in, sloot Lydia met woest gebaar in zijne armen, overdekte haar voorhoofd, hare wangen, hare lippen met vurige kussen. Het arme kind had de macht niet zich te weer te stellen. Toen sprong hij op den grond, bedekte zich het gelaat met beide handen, en liet zich door zijne makkers gedwee naar binnen leiden. De koetsier legde de zweep over de paarden, en in een oogwenk was het rijtuig uit het oog verdwenen.[44]

[Inhoud]II.Te Rolduc.Ettelijke maanden waren sedert dematinée musicalevoorbijgegaan, waarvan in het vorig hoofdstuk werd gewaagd. De vacantie der seminaristen van Rolduc was voorbij gespoed. Het was nu November, en daar onder de sombere gewelven van die kweekschool van geestelijken was de somberheid van het saisoen nog vermeerderd door de uitspattingen van menschelijke dwaasheid.Herman was daar teruggekeerd. Zooals hij aan Frank betuigd had, was hij daags na zijn bezoek bij de ruïne van Lichtenberg, alwaar hij een engelenkopje in het verschiet gezien had, den biechtstoel genaderd, en had daar zijn hart uitgestort, en zijn biechtvader een blik gegund op hetgeen in dat hart omging.„Alle kwaad is der wereld van wege de vrouw overkomen!” had de eerwaarde heer gepreveld, en daarbij niet bedacht dat hij eene moeder had of althans gehad had.„Verootmoedig u voor den Heer,” had hij er bijgevoegd. „Vraag hem sterkte in uwen strijd. Maar wend u voornamelijk tot de moeder Gods. Zij, de kuische Maagd, moet u in uwe zwakheid schragen!”De raad werd verder gegeven om dikwijls de genademiddelen[23]der H. Kerk te naderen, dikwijls het gemoed in den biechtstoel uit te storten, en dikwijls het Brood der engelen te nuttigen.„Vervalt gij, al is het nog zoo onwillekeurig, in onbetamelijke gedachten ten opzichte van haar, die God slechts schiep om onze standvastigheid in den strijd tegen de vleeschelijke lusten te beproeven, bid dan, bid veel, bid altijd, bid vurig, bid aanhoudend. Gij hebt maar één wapen, dat is het gebed. En mocht ge in den strijd bezwijken, en een oogenblik van genoegen bij die gedachte ondervinden, haast u dan naar den biechtstoel. Laat nimmer de zon ondergaan zonder uwe ziel gereinigd te hebben. Het kleinste spatje op het gebied van onkuischheid breidt zich als eene olievlek uit, en bederft weldra de geheele ziel.”En de vrome jongeling had gebeden, had gebiecht, had zelfs bij de reinste gedachte aan het liefelijk wezen, hetwelk hij op zijn pad ontmoette, zijn gemoed bezwaard gevoeld, had voor eene uiting van onkuischheid beschouwd, als de fraaie gestalte voor zijn oog verrees in al hare reinheid aan een engel Gods gelijk. Dan had hij tranen gestort, dan had hij zich voor den Heer verdemoedigd, dan had hij de hulp van de Heilige Maagd ingeroepen, en was er zoo toe gekomen om zijn gemoed onder een kunstmatig juk te dwingen. Zoo was hij tot de meening geraakt, dat hij den vleeschduivel meester zou blijven. Weg uit dat gemoed iedere dichterlijke vlucht! dat was slechts betoovering der zinnen, dat was slechts verzoeking van den booze, die zoo trachtte de liefde in zijn hart te doen sluipen, in dat hart dat voor alle wereldschegeneugtengesloten moest zijn, in dat hart, hetwelk slechts ontvlammen mocht voor zijn’ Schepper. Liefde?… Hij! liefde koesteren voor een schepsel?… Hij?… de bruidegom des Heeren!… Nooit!… nooit![24]„Nooit! nooit!” ruischte hem de doffe echo na in de Crypte7waarin hij, voor het altaar geknield liggende, soms die verzuchtingen slaakte. „Nooit! nooit!” herhaalden die sombere wanden, die zoo dikwijls dergelijke betuigingen opgevangen hadden, en ze telkens terugkaatsten, als weigerden zij er akte van te nemen.De strijd was evenwel bang en zwaar. O! hoe dikwijls rees niet het verboden beeld voor zijne ziel!Ontmoette hij op de wandelingen, die door de seminaristen tweemaal ’s weeks onder geleide van een paar professoren of regenten, des dinsdags en des donderdags namiddag in den omtrek ondernomen werden, eene vrouwengestalte, dan reeds van heel in de verte, lang reeds voor dat de omtrekken van het mensch in hunne bijzonderheden te onderscheiden waren, nam die gestalte in zijne verbeelding Lydia’s gedaante aan. Hij mocht dan God smeeken en de H. Maagd te hulp roepen, hij kon onmogelijk de oogen afwenden van de naderende, totdat hij, als ontwaakte hij uit een droom, ontnuchterd erkennen moest, dat die gestalteharegestalte niet, dat het soms die eener oude boerin was. Grimmig, ja teleurgesteld, wendde hij dan den blik af, om evenwel weinige oogenblikken later dezelfde poets van wege zijne opgewekte verbeelding te ondervinden. Waarlijk, hij vond dat Professor Canoy8groot gelijk had, toen hij de jongelieden op een door hen gedaan verzoek antwoordde:„Ik zou onze wandelingen wel door den kom der dorpen geleiden, als ik ieder uwer een blinddoek voor de oogen kon binden.”De wensch was onuitvoerbaar; men kon geen driehonderd à driehonderd vijftig jongelingen blindemannetje laten spelen.Sloeg de benarde zijne oogen tot een Maria-beeld op, dan nam dat beeld Lydia’s trekken aan. Bad hij de[25]litanie van alle Heiligen, dan gebeurde het hem schier altijd, dat hij bij de opsomming der H.H. Maagden met even veel godsvrucht prevelde: „Sancta Lydia, ora pro nobis.”9Zoo was de maand November genaderd. In die maand had de gewoonlijke jaarlijkscheretraiteplaats. Dat was het tijdperk om voor goed van alle zondige gedachten afscheid te nemen. Met onnavolgbare geestdrift volgde Herman alle de geestelijke oefeningen gedurende die negendaagsche boetedoening. Met de meest mogelijke aandacht luisterde hij naar de godsdienstige verhandelingen en sermoenen, door een paar paters redemptoristen, daartoe speciaal overgekomen, gehouden. Hij onderwierp zich goedsmoeds aan het strenge vasten gedurende dienretraite-tijd, betrachtte ook stipt het diepste stilzwijgen, hetwelk gedurende die dagen in het groote gesticht allerwege heerschen moest, en eindigde die boetedoening evenals al de andere leerlingen met eene algemeene biecht, die reiniging der ziel, zooals zij te Rolduc genoemd werd, die „ketelschuring” zooals de volbloed Maastrichtenaars haar heetten. Toen voelde hij zich als herboren. De pater, bij wien hij die algemeene biecht afgelegd had, had hem den ketel zoowel in- als uitwendig zoodanig geschuurd, en met grof zand ook, dat iedere gedachte aan Lydia uit zijne ziel verbannen bleef. En verrees het liefelijke beeld nog een enkelen keer voor zijne oogen, dan had hij de wilskracht om zijn geest daaraan te onttrekken, en had zijn:retro Satanasalle succes. De pater had hem eene „disciplien”, in minder gewijde bewoordingen: „zweep,” ter hand gesteld, waarmede hij zich iederen avond het vleesch kastijden moest, wanneer hij over zichzelven niet tevreden was. Dat middel, met alle godsvrucht toegepast, had geholpen. De herinnering aan de striemende slagen, op de naakte huid toegebracht,[26]gaf hem kracht om iedere gedachte aan de lieve Lydia terstond op de vlucht te drijven. De keuze was ook te bar tusschen zweepslagen en.… eenige dichterlijke droomerijen betreffende een jong meisje. Het middel was bepaald als probaat aan te bevelen.Met zijne nadering tot de tafel des Heeren na die algemeene biecht was hij, volgens zijne meening, een nieuw leven ingetreden en had den ouden mensch afgelegd. Met ijver zette hij zijne studiën voort, en verwierf van de superieuren van het seminarium de meest ondubbelzinnige teekenen van tevredenheid niet alleen over zijne vorderingen, maar vooral over zijn gedrag en zijne godsvrucht, die als voorbeeldig geroemd werden. Zelfs de regent Schlietz, de leeraar der zesde klasse, die de Maastrichtsche jongelieden een niet te miskennen haat toedroeg, en zich vaak niet ontzag om bij wijze van gebed met luider stem te prevelen:des paresseux de Maastricht, délivrez nous Seigneur, getuigde van onzen Herman in het taaleigen van de inrichting:qu’il était un saint jeune homme, hetgeen bij sommige der leerlingen, evenwel niet altijd juist, beteekende, dat hij, wien die getuigenis betrof, een huichelaar en een verklikker was.De winter spoedde voorbij, en het voorjaar brak aan. Natuurlijk had Herman, toen hij met de Paaschvacantie te Maastricht verscheen, zijne godsdienstige plichten, voor het Opstandingsfeest voorgeschreven, te Rolduc stipt volbracht. Maar toch de Heilige week, de „Passie-week”, bracht hij grootendeels in de parochie-kerken door, ongeacht de bezoeken, die hij in andere bidoorden, zooals in de kerk der Paters Jesuiten op de Tongersche straat en de kapel der Broeders van den Heiligen Vincentius in den Capucijner gang, aflegde. Hij woonde de „lijdens-meditatiën” in de Sint Servaas-kerk bij; was op Witten Donderdag in de O. L. Vrouwekerk,[27]ter herinnering aan de instelling van het H. Avondmaal, in aanbidding voor het H. Sakrament verzonken, volgde op Goeden Vrijdag in de Sint Mathiaskerk de kruisvinding en juichte zijn ziel het „Hallelujah” op Paaschdag in de Sint Maartens-kerk, in de voorstad Wijk, mede. Maar gedurende de twee weken, die op Paschen volgden, was het infaam slecht weer, een van die stormachtige lentes, die ons Nederland zoo vaak vertoont. Hij ging toen weinig uit, en zoo verliep de drieweeksche vacantie, zonder dat hij Lydia te zien kreeg, zonder dat hem gelegenheid geopend werd afdoend te bewijzen, dat hij den vleeschduivel onder den knie had. Er mag niet verheeld worden, dat hij hoegenaamd geen poging deed om het lieve kopje in het oog te krijgen. Zelfs had hij zich, onder het voorwendsel van naar het Lof te moeten, er van afgemaakt om zijne ouders te vergezellen op eene koffie visite bij de familie Fraenkel. Wantrouwde hij zijne zwakheid? Dan was de overwinning niet volkomen!De maand Mei—die maand van Maria—bood onzen Herman heerlijke geneuchten aan. Met wat ijver had hij niet geholpen om het altaar, dat te Rolduc midden in de kerk opgericht was, en waarop het Moeder Godsbeeld prijkte, te versieren. Al de planten van de broeikas waren naar de kerk verhuisd, en inderdaad was de heuvel van veelkleurige Geraniums en Begonia’s, waarop of beter waartusschen het Mariabeeld, zelve uitermate fraai uitgedoscht, geplaatst was, zeer smaakvol aangelegd. Hoe geestdriftvol stemde Herman met den lofzang in:C’est le mois de Marie,C’est le mois le plus beau!A la Vierge chérieDisons un chant nouveau![28]wanneer de gezamenlijke leerlingen des avonds nog een bezoek brachten aan de kleine kapel der H. Maagd gewijd, op een kleinen afstand ten zuidwesten van het gesticht aan een kruisweg gelegen, en daar die werkelijk fraaie Hymne uit volle borst zongen. Met hoeveel godsvrucht volgde hij de „conférences,” die gedurende die maand gehouden werden, en waarin de deugden, de hoedanigheden, de eigenschappen van de Godsmoeder haarfijn uitgeplozen werden, en zich ten slotte in eene algemeene verheerlijking oplosten.Bij een dier „conférences” had de Professor der Rhetorica Jansen het over de kuischheid der H. Maagd gehad. Hij legde uit, dat die deugd bij Haar allesoverheerschend was, dat zij die steeds en altijd betracht had, en zich zelfs in het huwelijk kuisch en rein had weten te bewaren. In fraaie oratorische wendingen wees hij er op, dat zij daardoor Gods genade deelachtig was geworden, en uitverkoren werd om de Maagd-moeder te zijn bij de vleeschwording van den Verlosser, die der wereld beloofd was. Dit gaf aanleiding om over de zegeningen der kuischheid uit te wijden; den heilstaat te beschrijven, die er uit voortvloeit; hoe welgevallig het Opperwezen neerziet op hem, die steeds met dat reine kleed getooid blijft; hoe de engelen in den hemel in dien heilstaat verkeeren, enz. enz. Daarna ging hij met de tegenstelling voort. Hij schilderde de schandelijkheid der onkuischheid; welken gruwel zij in Gods oogen was; hoe zij de grondoorzaak was van alle andere ondeugden, ja van alle andere misdaden, en eindigde zijne verhandeling met voor den aanblik der vrouw te waarschuwen, en haar af te schilderen als de bron van iedere onkuische gedachte en bijgevolg van alle kwaad.Het was een hachelijk onderwerp geweest, hetwelk daar ten gehoore van al die jongelieden gebracht was. Toch[29]had Professor Jansen zich met de meeste kieschheid en met takt van die taak gekweten. Door het meerendeel van hen, die hem begrijpen konden, was meer gelet geworden op de oratorische kunstgrepen, die hij vertoond had, dan wel op den inhoud zijner „conférence.” Slechts één had hem in zijne redeneering gevolgd, had de spitsvondigheden in zich opgenomen. En die één was Herman. Met hijgend hart had hij die uitweidingen over den heilstaat der kuischheid aangehoord; het bloed was hem daarbij naar de wangen gestegen. Hij begreep en voelde, dat slechts eene Maagd de moeder van Christus kon zijn. Hij genoot met de engelen in de reine sfeer, die zij daar om Gods troon bevolkten. Maar hij ijsde ook bij de gedachte aan het lot van den ontuchtige, en zag in zijne verbeelding bij de woeste schilderij het vertoornde gelaat van den Almachtige, die den onkuische uitspuwt, en hem voor eeuwig ten vuurhelle doemt. Hij stemde volkomen met de slotperiode der verhandeling in, namelijk dat de vrouw de bron is van alle kwaad en eindigde, toen Professor Jansen zijne rede met een kort gebed besloot, met wellicht voor de honderdste maal de belofte in zijn binnenste te prevelen: van immer kuisch te blijven en zich van iederen omgang met het andere geslacht te onthouden.De mensch wikt, maar God beschikt! Dat zou hij al spoedig ondervinden.Weinige dagen later riep men Herman in het „parloir”.„Uwe mama is er,” had hem de portier gezegd.Juist was het eerste klassenuur afgeloopen en verliet professor Canoy den katheder. Herman vroeg en verkreeg verlof om dien dag vrijaf te hebben, ten einde hem aan zijne moeder te kunnen wijden. Daarop spoedde hij naar de spreekkamer.[30]Toen hij daar binnentrad, stonden een viertal vrouwengestalten met den rug naar de deur, een der vele teekeningen die daar aan den wand te pronk hingen en door de leerlingen gemaakt waren, te bewonderen. In een dier gestalten kon hij zich niet vergissen. Bij het opengaan der deur daarenboven dwong haar hart haar zich om te keeren. Dat was Herman’s moeder! Zij vloog haar kind om den hals, en al was het ook nauwelijks zes weken geleden, dat haar zoon Maastricht verliet, om na de Paaschvacantie naar Rolduc terug te keeren, toch prangde zij hem met onstuimigheid aan haar hart. Twee der andere dames waren ook mamatjes, die met verlangen naar het verschijnen harer telgen uitkeken. De vierde had zich bij het opengaan der deur niet omgekeerd. Was het toeval of opzet? Zij bleef naar de teekeningen aan den muur kijken.Toen Herman zijne moeder omhelsd had, trad hij op de overige dames toe om haar te begroeten.„Waar blijft Henri?” zei de een.„Waar blijft Gustaaf?” vroeg de andere even ongeduldig.„Ik weet het niet, dames,” antwoordde Herman. „Zal ik eens bij den portier informeeren of hij hen, evenals hij mij deed, gewaarschuwd heeft?”Het was niet noodig. De beide bedoelde jongelieden stormden in dit oogenblik het parloir in, en lagen weldra vreugdedronken in de armen hunner mama’s besloten.Boven moederliefde gaat niets!Inmiddels was Herman de andere dame, die nog steeds de teekeningen stond te bewonderen, genaderd, om ook jegens haar de beleefdheidsvormen te betrachten. Deze keerde zich juist om.„Lydia!” ontsnapte bijna met een kreet aan Hermans mond.[31]Hij had nog juist tegenwoordigheid van geest genoeg om dien half te smoren. Maar een oogenblik bleef hij stokstijf met gesloten oogen voor de jonge dame staan. Gelukkig, dat de algemeene aandacht op de pas binnengekomen jongelingen gevestigd was.Ja, het was Lydia! Toen zij vernam, dat mevrouw Riethoven, de beste vriendin harer moeder, met nog een paar dames hare zoons in het seminarie een bezoek gingen brengen, had zij verzocht meê te mogen rijden. Zij had een broeder, die daar ook studeerde, en evenals Herman in de Rhetorica was. Zonder aarzeling had mevrouw Riethoven dat verzoek toegestaan. Deze had geen de minste gedachte van hetgeen er in de ziel van haar kind omging. Had zij dat kunnen gissen, dan zou zij, bij haar innig verlangen om een harer kinderen zich aan den altaardienst te zien wijden, Lydia voorzeker geweigerd hebben.Het jonge meisje zelve wist ook niet, wat er in het gemoed van den jongeling omging. Zij was nog kortgeleden van de kostschool der Ursulinen-zusters te Maaseyk voor goed te huis gekomen, en was zich volkomen onbewust, welken hartstocht hare fraaie zwarte oogen ontvonkt hadden. Zij had, toen zij zich omkeerde, den gedempten kreet van den jongeling gehoord, waarbij hij haar naam uitsprak; zij had hem zien verbleeken en de oogen sluiten. Hoe jeugdig ook, hoe onervaren omtrent hetgeen er in de wereld omging, werd toch haar vrouwelijk gevoel wakker. Meenende evenwel, dat de jongeling plotseling onwel werd, trad zij op hem toe:„Zijt gij ongesteld?” vroeg zij deelnemend, terwijl zij hem bij de hand vatte.Een schok voer hem door de ledematen bij die aanraking. Hij opende de oogen, greep die hand, drukte en kneedde haar met zenuwachtige woestheid, en fluisterde zacht:[32]„Neen, het is niets! Het is al weer over!.… Eene duizeligheid … dat is alles!… In Gods naam, wees stil … Laat mijne moeder er niets van merken. Zij zou zich ongerust maken.”Hij sloeg de oogen op het lieftallige gelaat van de rijzige jonkvrouw, die hem nog altijd met eenige bezorgdheid aankeek; maar die toch onder zijn doordringenden blik bloosde, en zacht hare hand terugtrok.In dit oogenblik trad de heer Peeters, directeur van het seminarie binnen, en begroette de dames op ongedwongen toon als een man van de wereld, hoewel zijne gebaren door ettelijke zonderlinge gewoonten gekenmerkt werden, die aan zijne hoffelijkheid eenigermate afbreuk deden. Zoo bracht hij gewoonlijk, hetzij hij den preekstoel in de kerk, of den katheder in de leerzalen besteeg, of dat hij zich voor iemand groetend boog, den duim der rechterhand vlak tegen de neusopeningen, terwijl hij den wijsvinger over den rug van den neus ettelijke malen van boven naar beneden liet glijden, als streelde hij dat reukorgaan. De jongere leerlingen, de bengels beweerden, dat, wanneer hij zoo deed, er vuurvonken uit zijne neusspits spoten.Eene tweede hebbelijkheid, die evenwel minder aardig gevonden werd, was, dat wanneer hij in het vuur van het gesprek was, of zich driftig maakte, hij zich alsdan met de beide middelvingers de ooghoeken bij den neus uitwreef, waarna hij een rood katoenen zakdoek uit zijn soutane te voorschijn haalde, en zijn gevel, dien hij vrij kolossaal had, met kracht snoot. Ging het vonkentrekken met het oogenpoetsen en het snuiten samen, of beter, volgden die drie bewegingen zonder tusschentempo achter elkander, dan was er een onweder aan de lucht, en was het hen, die iets op hun geweten hadden, geraden buiten zijn radius te blijven.[33]Hij was eene lange magere figuur, die met zijn „bonnet” op het hoofd en in zijn soutane gestoken, er uitzag als een parapluie in zijn foudraal. Van zijn neus gewaagden wij reeds; die was lang, smal en krom, en had veel van een pikhouweel. Boven een paar ascetisch bleeke wangen glinsterden een paar oogen, die wel eens onbescheiden kijken konden. „Het is, alsof hij iemand in de ziel leest,” zeiden de leerlingen.Toen hij naar den welstand der dames, naar dien van hare echtgenooten en verder kroost vernomen had, gaf hij aan het ongeduld dier moeders gehoor, en onderhield zich met haar over hare zoons, en was weldra in een druk gesprek gewikkeld. Hij had gelukkig niets dan goede berichten mede te deelen. De naam van geen der aanwezige jongelieden was in het „parloir” in het „tableau noir”, als aan een schandpaal opgehangen. Geen hunner had een „compareat”10ondergaan, d.w.z. dat hij op „numero treize,” de eet- en societeits-kamer van het doceerend personeel, door de gezamenlijke professoren en regenten wegens minder goed gedrag was onderhouden. Zelfs de lijst der „mauvais points” toonde een uiterst gunstig gemiddeld aan. Toen mevrouw Riethoven dan ook het verzoek voordroeg, of de vier jongelieden met hunne mama’s mochten gaan dineeren in een der restaurants in den omtrek, betuigde de directeur heel goedgunstig, dat bij hem tegen de inwilliging geen bedenkingen bestonden.„Maar eerst,” zeide hij met een fijnen glimlach, „zal ik de dames eens rondleiden in het gesticht. Allen, meen ik, hebben hier nog geen bezoek gebracht.”Daarop geleidde hij de bezoeksters, vergezeld van hare telgen, door de hooge kruisgangen rond, liet haar een blik werpen in het „refectoire”, waar men bezig was de tafels voor het middagmaal te dekken; in de verschillende[34]klassen- en studiezalen, in de gebedzaal, op de „dortoirs”, op de speelplaats, waar de jongelingschap, voorgegaan door hare leeraren, juist bezig was lichaam en geest heilzaam te ontspannen. Eindelijk bracht hij haar in de kerk, liet haar de „Crypte,” eene onderaardsche bedeplaats onder het koor zien, wees op de naaktheid van het „jubé,” de orgelplaats, die zich op vier dennenstammen verhief, die ter nauwernood van hunne schors ontdaan en ruw vierkant bekapt waren.„Onze kerkfabriek is zeer arm,” betuigde de eerwaarde gids. „Dat is meer dan armoede, dat is naaktheid.”Toen hij die woorden sprak, stond het gezelschap juist een oogenblik bij den zuidoostelijken ingang stil, om het geheele gebouw nog eens te overzien. Daar bij het wijwatersvat stond een offerstok met opschrift in groote letters: „pour l’église.” Mevrouw Riethoven gaf het voorbeeld, hetwelk door de drie andere dames gevolgd werd. Ieder harer liet een geldstuk, door de nauwe opening naar beneden vallen.Eindelijk was die bezichtiging afgeloopen. Het gezelschap bedankte den directeur voor zijn geleide, stapte de speelplaats over, en verliet het gesticht door de noordoosterpoort.Gedurende die wandeling door het zeer groote gebouw, waren de mama’s door den directeur bezig gehouden, en hadden zij onverdeeld hare aandacht gewijd aan zijne uitleggingen en inlichtingen. De zoons volgden en pruttelden niet weinig, dat van den schoonen dag, die hun beschoren was, nog zooveel verloren moest gaan om dat oude gebouw te bezichtigen. Lydia en Herman wandelden naast elkander. Waarover zij spraken? Helaas, het gesprek vlotte niet erg tusschen die twee. Er heerschte eenige schuchterheid, eene zekere bedeesdheid, die hen somwijlen op het onverwachtst blozen deed,[35]zonder dat er oorzaken toe bestonden; maar die toch zoo eene bekoorlijkheid voor hen bezat, dat geen van beiden er aan dacht, zich daaraan te onttrekken. Lydia vond wel, dat Herman van tijd tot tijd een langen doordringenden blik op haar vestigde, dat hij hare wezenstrekken dan in zich opnam, als het ware opzoog. Dat hinderde haar wel ietwat, dat deed haar blozen. Maar die blik eindigde steeds met een even hoog rood, hetwelk de wangen van den jongeling kleurde en dat streelde het jonge meisje.Toen het gezelschap de poort uitgetreden was, en de directeur hen verlaten had, staken de jongelieden in alle haast een sigaar op, en vormden zich tot groepjes. De mama’s namen hare zoons in beslag. Behalve het eerste oogenblik van ontmoeting in het „parloir” was er nog geen oogenblik van vertrouwelijkheid geweest. Nu haalden die moeders haar hart ter dege op. De vragen en antwoorden kruisten elkander allerwege, en menig antwoord werd bezegeld met menigen kus. Lydia wandelde aan de zijde van haren broeder voort. Toen zoowat de eerste mededeelingen geschied waren, betrok Herman dien broeder en het meisje in het gesprek, en zoo wandelde men gezellig keuvelend verder.De weg voerde aanvankelijk door eene dichte beukenlaan, die met haar frisch groen een lommerrijk gewelf over het pad vormde. Rechts en links strekte zich een boschje van hoog opgaande dennen uit, welker naaldenkruin onder den invloed van eene zachte bries liefelijk ruischte.„Dat is het „bosquet”, waarin wij in dit seizoen in de vrije middaguren veel vertoeven,” lichtte een der jongelieden toe.De weg splitste zich een eind verder in twee takken. De rechtsche werd ingeslagen. Die voerde om de groentetuinen[36]van het gesticht, daalde daarna een steilen heuvel van een paar honderd voet af, voerde tusschen een vijver en eene dichte haag door, die uitgestrekte weilanden afsloot, slingerde daarna om een heuvel, wier kruin met dennenboomen beplant was, en uit welker wanden arbeiders verblindend wit zand en fijn china-clay te voorschijn haalden, om naar de aardenwerkfabriek van den Heer Regout te Maastricht vervoerd te worden. Verder kromde de weg tusschen heggen van meidoorns door, die met haar witte bloemtuiltjes heerlijk geurden. Aan de linker zijde kregen de wandelaars een kasteeltje, of beter gezegd, een klein slot in het oog, dat zich op den top van een heuvel verhief. Herman vertelde aan zijne moeder en aan Lydia, dat dit het kasteel der Ridders van den Groenen Bok was, en wist daaraan eene wezenlijke boeiende Bokkenrijdersgeschiedenis vast te knoopen. Zijne moeder verbaasde zich over zijne mededeelzaamheid, die zoo afstak bij zijn gewone teruggetrokkenheid, maar bewonderdeveel meerde gemakkelijkheid, waarmede hij dat verhaal voordroeg, en de keuze van uitdrukkingen, die hij daarbij bezigde.Zoo was men het dorp Herzogenrath genaderd, hetwelk in een fraai dal gelegen was, waardoor de Worms vloot. Men wandelde dat dorp gedeeltelijk door, en besteeg den heuvel, die het dal aan de noordzij insloot, en waarover de fraaie steenweg leidde, die van Aken over de dorpen Herzogenrath en Geilenkirchen naarDüsseldorfvoerde, en in die dagen, toen de spoorbaan die twee steden nog niet verbond, een zeer gewichtige gemeenschapsader was.Vooral waren de dames niet rouwig, dat het einddoel van het uitstapje bereikt werd; want het kon eene gezonde wandeling genoemd worden, die zij afgelegd hadden; en het voortdurend klimmen en dalen, waartoe de[37]weg genoodzaakt had, had het zijne er toe bijgedragen, om haar zoo niet vermoeid te maken, dan toch naar een plekje te doen omzien, waar men eens gezellig bij elkander zou zitten. Dat plekje werd in hetGasthausvan Vorage gevonden, hetwelk vrij aardig op het kruispunt, waar evenbedoelde straatweg zich aan dien van Heerlen via Kerkrade naar Aken aansloot, gelegen was. Aan het diner, waarbij Herman gelegenheid had gevonden, Lydia tusschen hem en haren broeder in te plaatsen, en hij zijne moeder aan de andere zijde had, ging het over het algemeen vroolijk toe, hoewel eene zekere opgewondenheid bij den held van dit verhaal, de opmerkzaamheid niet ontgaan zou hebben, wanneer niet allen die eenigermate gedeeld hadden. De jongelingen waren opgetogen, dat zij voor een oogenblik aan den knellenden band der tucht, die in het seminarie heerschte, ontsnapt waren, en de mama’s waren overgelukkig, dewijl zij hare zoons zoo zagen genieten, dat de sporen er van op hunne wangen duidelijk zichtbaar waren.Lydia zat stil en ingetogen, als altijd, maar met welwillendheid te luisteren naar de verhalen van haren buurman, en kon nu en dan een glimlach niet onderdrukken, wanneer deze de eene of andere studentensnakerij voordroeg, en de onbetaalbare zetten mededeelde, die den heeren professoren gespeeld werden. Vooral wekte het luimige verhaal van de koddige tooneelen, welke op het laatste feest van de H. Katharina voorgevallen waren, een onbedwingbaren lachlust op. De jongelieden, die, na hunne Rhetorica voltooid te hebben, den wensch te kennen gaven, den geestelijken stand te omhelzen, volbrachten dan, alvorens naar het Groot Seminarie te Roermond over te gaan, een zoogenaamden „Cours inférieur en philosophie,” die twee jaren duurde, en werden alsdan door hunne medeleerlingen[38]„monsieur le philosophe” geheeten, hoewel hetgeen hun gedoceerd werd, evenveel op „philosophie” (wijsbegeerte) geleek, als de slaapmuts van den Grooten Turk het evenbeeld van de hedendaagsche tournure van eene jonge dame is.Nu was de H. Katharina—waarom, dat was niet bekend—de patrones der philosophen, en liepen dezen op dien dag gepareerd en gemaskerd door de kruisgangen van het seminarie, parodieerden min of meer geestig de regenten en professoren en aapten hen in hunne zwakheden na. Lydia proestte het eindelijk uit, toen Herman bij die voorstelling zijn neus tusschen duim en voorsten vinger nam, en dien behandelde, zooals zij straks den directeur Peeters had zien doen.Zoo spoedden die zalige uren voort.Eindelijk naderde het tijdstip om te vertrekken. Het kon een heele tocht heeten in die dagen, van Maastricht over Valkenburg, Klimmen, Heerlen en Kerkrade naar Rolduc te reizen. De dagen waren evenwel reeds lang, zoodat nog tot eene wandeling besloten werd. Het gezelschap bracht een bezoek aan Kerkrade, dronk daar koffie met de onvermijdelijke vla, en keerde van daar, langs een veldweg, die dwars door de vruchtbare graanakkers voerde, naar het seminarie terug. De dames brachten nog een bezoek aan den directeur om hem hare lievelingen aan te bevelen. De eerwaarde heer geleidde het gezelschap zeer vriendelijk naar het rijtuig, hetwelk gereed stond.In de laatste oogenblikken evenwel was Herman in het oogvallend somber en in zich zelven gekeerd geweest. Zijne opgewekte luim was geweken. Nu en dan sloeg hij een schuchteren blik op Lydia, die met een soort angst naar hem keek, alsof zij zich schuldig aan die stilzwijgendheid gevoelde. Het arme kind kon[39]onmogelijk bevroeden, hoe groote oorzaak zij van die sombere gemoedsstemming was.Toen het oogenblik daar was om afscheid te nemen, stak mevrouw Riethoven haren zoon de hand toe; ja, zij opende hem hare armen. Zonder op dat uitnoodigende gebaar te letten, keek hij haar met strakken blik aan.„Kom, Herman, het is tijd,” zei zijne moeder, „geef mij een zoen.”Zonder een woord te spreken, wendde Herman zich van haar af, trad op het rijtuig toe, waarvan het portier geopend stond, steeg er in, en nam plaats op de voorbank.„Ik ga meê naar Maastricht,” was het eenige antwoord, dat hij gaf.Allen stonden bij het rijtuig en lachten. Zij zagen dat antwoord voor een ui aan.„Er valt niet te lachen,” hernam hij. „Ik ga meê naar Maastricht.”„Het is nog geen vacantie,” antwoordde zijne moeder nog steeds met een glimlach.„Vacantie of niet,” sprak Herman met iets woest in zijne stem. „Vacantie of niet, ik ga meê naar Maastricht. Ik blijf hier niet meer!”In den toon van dat gezegde was zich niet te vergissen. Allen keken dan ook verbaasd op. De directeur Peeters niet het minst. Hij streek over zijn neus, wreef zich de ooghoeken uit, en de roode zakdoek was in aantocht.„Maar Herman, dat is de scherts te ver drijven,” zei zijne moeder. „Kom, stap uit, en laat ons instijgen. Wij moeten vertrekken, anders wordt het laat in den nacht, alvorens wij te huis zijn.”„Het is geen scherts, mameer!”„Maar, je plan dan om priester te worden?”„Ik word geen priester!”[40]„Geen priester?”„Neen!”Dat „neen” klonk afdoende als een hamerslag. Op zoo’n toon had mevrouw Riethoven zich nog nimmer door haren oudsten zoon hooren toespreken.„Maar, van waar die veranderde roeping!” kreet zij als in vertwijfeling.„Ja, van waar?” vroeg de directeur met ernstig gezicht, terwijl hij zijn neus tot bloedens toe wreef.„Van waar? Wilt ge dat weten?” vroeg Herman aan zijne moeder, zonder den directeur aan te zien.„Ja, mij dunkt dat ik, uwe moeder, van de oorzaken niet onkundig mag blijven!”De jongeling was doodsbleek geworden. Een oogenblik aarzelde hij. Maar tot onwaarheid spreken was hij niet in staat.„Welnu, ik ben verliefd op deze jonge dame,” sprak hij rad, als had hij haast die woorden te uiten, en met de hand naar Lydia wijzende.Het arme kind kleurde tot achter hare lieve oortjes. Onder die woorden trad zij achteruit, en bedekte zich het gelaat met beide handen.„En?” vroeg mevrouw Riethoven, met doordringenden blik op het jonge meisje.„O! kijk Lydia zoo verwijtend niet aan,” sprak Herman met nadruk. „Zij heeft hoegenaamd geen schuld aan mijne veranderde gevoelens. Kan zij het helpen, dat ik haar lief, grenzenloos lief heb? Hoe zij er over denkt, weet ik niet. Maar met zoo’n liefde in het hart, kan ik mij aan den altaardienst niet wijden. Dat ware heiligschennis!”„Mijn jonge vriend, mijn zoon, gij zoudt behooren tot de strijdende Kerk,” viel de directeur met zalving in. „Roep de Heilige Maagd aan!”[41]„Genoeg met dat gewauwel!” viel Herman barsch in. „Vade retro Satanas!”De directeur schokte onder die uitspraak. Zoo was hij nog nooit afgewezen. Hij zwaaide met zijn rooden zakdoek als met een noodvlag op eene sloep, die aan het zinken was. Dat „vade retro satanas” klonk den geestelijken heer schrikkelijk in de ooren.Er heerschte een oogenblik stilte. De drie mama’s hadden elkander aangestaard. Het geval was uiterst moeielijk. Mevrouw Riethoven zag een van haar heerlijkste droombeelden vernietigd. O! hoe dikwijls had zij in den geest met eene soort van verrukking het misoffer bijgewoond, en dan, door eene moederlijke verbijstering vervoerd, in den waan verkeerd, dat het haar zoon was, die daar het:Vere dignum et justum est11zong, of dat hij het was, die daar over de hostie bad:ecce agnus Dei, qui tollit peccata mundi.12O! als zij dat eens in werkelijkheid had kunnen zien! En nu was dat alles weg! Iedere illusie verdwenen. Een traan blonk in haar oog. Zij vermande zich evenwel. Zij begreep dat bij afwezigheid van haren echtgenoot zij handelen moest.„Van een meêgaan naar Maastricht,” sprak zij met vaste stem, „kan geen sprake zijn. Vooreerst, is er geen plaats in het rijtuig. Wij zijn met ons vieren.…”„Is het niet anders,” was het antwoord. „Ik kan bij den koetsier op den bok gaan zitten.”In een wip was Herman uitgestegen, en wilde aan zijn voornemen gevolg geven.„Maar luister dan toch,” sprak de moeder en greep haren zoon bij den arm. „Ik herhaal het, van een meêgaan naar Maastricht kan geen sprake wezen. Die verandering van roeping gaat mij te snel in zijn werk. Die is slechts het gevolg van een oogenblik.”„Dat is zij! Daarin hebt ge gelijk, mameer. Maar ik[42]gevoel het, nimmer zal ik meer veranderen. Ik heb met het priesterschap afgerekend.”De heer Peeters sloeg de oogen hemelwaarts. Hij riep bijstand van boven, en zwaaide daarbij de noodvlag met nog meer hevigheid dan vroeger.„Daar ben ik nog niet zeker van,” hernam de moeder. „Nog niet lang geleden spraakt gij met even veel overtuiging in tegenovergestelde richting.… Wat zou uw vader zeggen, wanneer wij u nu meê thuis brachten? Wat de geheele stad? Zoo midden in den cursus! Iedereen zou meenen, dat ge weggejaagd waart!”„Wat gaat mij de opinie van zoo’n kleine kwaadsprekerige stad aan!”„Gij moogt er over denken, zooals gij wilt. Ik hecht voor uwe toekomst te veel aan uwe reputatie. Kort en goed.…”Hier hikte de arme moeder, de stem begaf haar.… Zij hervatte een poos daarna, maar met tranen in de oogen:„Gij weet, hoe gaarne ik gezien had, dat gij u aan den dienst des Heeren zoudt gewijd hebben.…”„Mameer! moeder! ga zoo niet voort. Geen tranen, o! wat ik u bidden mag! Gij zoudt mij tot iets overhalen, dat oorzaak van naamloos wee in dit leven, van mijne verdoemenis in het andere zoude zijn!”De moeder ijsde bij het hooren van die hartstochtelijke taal. De directeur sloeg een kruis.„Val mij niet in de reden,” ging mevrouw Riethoven voort. „Wat ook mijn wensch moge zijn, nimmer zou ik willen, dat één mijner kinderen een stand tegen zijn zin zoude aanvaarden. Wilt gij dus verandering in uwe bestemming brengen, mij wel. Ik zal mij niet tegen uwen wensch verzetten. Wat ik alleen verg, is, dat gij niet overijld handelt.”[43]„Ik handel niet overijld, beste moeder. Ik handel volgens de inspraak van mijn geweten!”„Gij blijft hier, tot de groote vacantie,” sprak de moeder met vaste stem. „Blijft gij dan bij uwe meening om uwe studiën te staken!…”„Mijne studiën staken,” riep Herman vertwijfelend uit. „Mijne studiën voortzetten, meent ge, maar van doelwit veranderen …?”De directeur deed der vrome vrouw een onmerkbaar teeken. Zij antwoordde haar zoon niet, maar ging voort.„… Dan blijft ge volkomen vrij.”„Wat zegt juffrouw Lydia,” vroeg Herman met vertwijfeling.„Ik!… ik zou raad geven in een strijd, waarin ik mij mijns ondanks gesleept zie?” kreet snikkend het arme kind. „Ik kan ternauwernood denken.… hoe zou ik raad kunnen geven?.…”Zij stikte bijna in hare tranen, vloog het rijtuig in en verborg daar haar gelaat in hare handen.„Aan dat tooneel moet een einde komen, Herman,” sprak mevrouw Riethoven. „Geef mij een hand. Kom, dames, stapt in. En nu.… mijn jongen.… houd moed.… Vaarwel!”Herman rukte zich uit de omhelzing zijner moeder los, sprong het rijtuig in, sloot Lydia met woest gebaar in zijne armen, overdekte haar voorhoofd, hare wangen, hare lippen met vurige kussen. Het arme kind had de macht niet zich te weer te stellen. Toen sprong hij op den grond, bedekte zich het gelaat met beide handen, en liet zich door zijne makkers gedwee naar binnen leiden. De koetsier legde de zweep over de paarden, en in een oogwenk was het rijtuig uit het oog verdwenen.[44]

[Inhoud]II.Te Rolduc.Ettelijke maanden waren sedert dematinée musicalevoorbijgegaan, waarvan in het vorig hoofdstuk werd gewaagd. De vacantie der seminaristen van Rolduc was voorbij gespoed. Het was nu November, en daar onder de sombere gewelven van die kweekschool van geestelijken was de somberheid van het saisoen nog vermeerderd door de uitspattingen van menschelijke dwaasheid.Herman was daar teruggekeerd. Zooals hij aan Frank betuigd had, was hij daags na zijn bezoek bij de ruïne van Lichtenberg, alwaar hij een engelenkopje in het verschiet gezien had, den biechtstoel genaderd, en had daar zijn hart uitgestort, en zijn biechtvader een blik gegund op hetgeen in dat hart omging.„Alle kwaad is der wereld van wege de vrouw overkomen!” had de eerwaarde heer gepreveld, en daarbij niet bedacht dat hij eene moeder had of althans gehad had.„Verootmoedig u voor den Heer,” had hij er bijgevoegd. „Vraag hem sterkte in uwen strijd. Maar wend u voornamelijk tot de moeder Gods. Zij, de kuische Maagd, moet u in uwe zwakheid schragen!”De raad werd verder gegeven om dikwijls de genademiddelen[23]der H. Kerk te naderen, dikwijls het gemoed in den biechtstoel uit te storten, en dikwijls het Brood der engelen te nuttigen.„Vervalt gij, al is het nog zoo onwillekeurig, in onbetamelijke gedachten ten opzichte van haar, die God slechts schiep om onze standvastigheid in den strijd tegen de vleeschelijke lusten te beproeven, bid dan, bid veel, bid altijd, bid vurig, bid aanhoudend. Gij hebt maar één wapen, dat is het gebed. En mocht ge in den strijd bezwijken, en een oogenblik van genoegen bij die gedachte ondervinden, haast u dan naar den biechtstoel. Laat nimmer de zon ondergaan zonder uwe ziel gereinigd te hebben. Het kleinste spatje op het gebied van onkuischheid breidt zich als eene olievlek uit, en bederft weldra de geheele ziel.”En de vrome jongeling had gebeden, had gebiecht, had zelfs bij de reinste gedachte aan het liefelijk wezen, hetwelk hij op zijn pad ontmoette, zijn gemoed bezwaard gevoeld, had voor eene uiting van onkuischheid beschouwd, als de fraaie gestalte voor zijn oog verrees in al hare reinheid aan een engel Gods gelijk. Dan had hij tranen gestort, dan had hij zich voor den Heer verdemoedigd, dan had hij de hulp van de Heilige Maagd ingeroepen, en was er zoo toe gekomen om zijn gemoed onder een kunstmatig juk te dwingen. Zoo was hij tot de meening geraakt, dat hij den vleeschduivel meester zou blijven. Weg uit dat gemoed iedere dichterlijke vlucht! dat was slechts betoovering der zinnen, dat was slechts verzoeking van den booze, die zoo trachtte de liefde in zijn hart te doen sluipen, in dat hart dat voor alle wereldschegeneugtengesloten moest zijn, in dat hart, hetwelk slechts ontvlammen mocht voor zijn’ Schepper. Liefde?… Hij! liefde koesteren voor een schepsel?… Hij?… de bruidegom des Heeren!… Nooit!… nooit![24]„Nooit! nooit!” ruischte hem de doffe echo na in de Crypte7waarin hij, voor het altaar geknield liggende, soms die verzuchtingen slaakte. „Nooit! nooit!” herhaalden die sombere wanden, die zoo dikwijls dergelijke betuigingen opgevangen hadden, en ze telkens terugkaatsten, als weigerden zij er akte van te nemen.De strijd was evenwel bang en zwaar. O! hoe dikwijls rees niet het verboden beeld voor zijne ziel!Ontmoette hij op de wandelingen, die door de seminaristen tweemaal ’s weeks onder geleide van een paar professoren of regenten, des dinsdags en des donderdags namiddag in den omtrek ondernomen werden, eene vrouwengestalte, dan reeds van heel in de verte, lang reeds voor dat de omtrekken van het mensch in hunne bijzonderheden te onderscheiden waren, nam die gestalte in zijne verbeelding Lydia’s gedaante aan. Hij mocht dan God smeeken en de H. Maagd te hulp roepen, hij kon onmogelijk de oogen afwenden van de naderende, totdat hij, als ontwaakte hij uit een droom, ontnuchterd erkennen moest, dat die gestalteharegestalte niet, dat het soms die eener oude boerin was. Grimmig, ja teleurgesteld, wendde hij dan den blik af, om evenwel weinige oogenblikken later dezelfde poets van wege zijne opgewekte verbeelding te ondervinden. Waarlijk, hij vond dat Professor Canoy8groot gelijk had, toen hij de jongelieden op een door hen gedaan verzoek antwoordde:„Ik zou onze wandelingen wel door den kom der dorpen geleiden, als ik ieder uwer een blinddoek voor de oogen kon binden.”De wensch was onuitvoerbaar; men kon geen driehonderd à driehonderd vijftig jongelingen blindemannetje laten spelen.Sloeg de benarde zijne oogen tot een Maria-beeld op, dan nam dat beeld Lydia’s trekken aan. Bad hij de[25]litanie van alle Heiligen, dan gebeurde het hem schier altijd, dat hij bij de opsomming der H.H. Maagden met even veel godsvrucht prevelde: „Sancta Lydia, ora pro nobis.”9Zoo was de maand November genaderd. In die maand had de gewoonlijke jaarlijkscheretraiteplaats. Dat was het tijdperk om voor goed van alle zondige gedachten afscheid te nemen. Met onnavolgbare geestdrift volgde Herman alle de geestelijke oefeningen gedurende die negendaagsche boetedoening. Met de meest mogelijke aandacht luisterde hij naar de godsdienstige verhandelingen en sermoenen, door een paar paters redemptoristen, daartoe speciaal overgekomen, gehouden. Hij onderwierp zich goedsmoeds aan het strenge vasten gedurende dienretraite-tijd, betrachtte ook stipt het diepste stilzwijgen, hetwelk gedurende die dagen in het groote gesticht allerwege heerschen moest, en eindigde die boetedoening evenals al de andere leerlingen met eene algemeene biecht, die reiniging der ziel, zooals zij te Rolduc genoemd werd, die „ketelschuring” zooals de volbloed Maastrichtenaars haar heetten. Toen voelde hij zich als herboren. De pater, bij wien hij die algemeene biecht afgelegd had, had hem den ketel zoowel in- als uitwendig zoodanig geschuurd, en met grof zand ook, dat iedere gedachte aan Lydia uit zijne ziel verbannen bleef. En verrees het liefelijke beeld nog een enkelen keer voor zijne oogen, dan had hij de wilskracht om zijn geest daaraan te onttrekken, en had zijn:retro Satanasalle succes. De pater had hem eene „disciplien”, in minder gewijde bewoordingen: „zweep,” ter hand gesteld, waarmede hij zich iederen avond het vleesch kastijden moest, wanneer hij over zichzelven niet tevreden was. Dat middel, met alle godsvrucht toegepast, had geholpen. De herinnering aan de striemende slagen, op de naakte huid toegebracht,[26]gaf hem kracht om iedere gedachte aan de lieve Lydia terstond op de vlucht te drijven. De keuze was ook te bar tusschen zweepslagen en.… eenige dichterlijke droomerijen betreffende een jong meisje. Het middel was bepaald als probaat aan te bevelen.Met zijne nadering tot de tafel des Heeren na die algemeene biecht was hij, volgens zijne meening, een nieuw leven ingetreden en had den ouden mensch afgelegd. Met ijver zette hij zijne studiën voort, en verwierf van de superieuren van het seminarium de meest ondubbelzinnige teekenen van tevredenheid niet alleen over zijne vorderingen, maar vooral over zijn gedrag en zijne godsvrucht, die als voorbeeldig geroemd werden. Zelfs de regent Schlietz, de leeraar der zesde klasse, die de Maastrichtsche jongelieden een niet te miskennen haat toedroeg, en zich vaak niet ontzag om bij wijze van gebed met luider stem te prevelen:des paresseux de Maastricht, délivrez nous Seigneur, getuigde van onzen Herman in het taaleigen van de inrichting:qu’il était un saint jeune homme, hetgeen bij sommige der leerlingen, evenwel niet altijd juist, beteekende, dat hij, wien die getuigenis betrof, een huichelaar en een verklikker was.De winter spoedde voorbij, en het voorjaar brak aan. Natuurlijk had Herman, toen hij met de Paaschvacantie te Maastricht verscheen, zijne godsdienstige plichten, voor het Opstandingsfeest voorgeschreven, te Rolduc stipt volbracht. Maar toch de Heilige week, de „Passie-week”, bracht hij grootendeels in de parochie-kerken door, ongeacht de bezoeken, die hij in andere bidoorden, zooals in de kerk der Paters Jesuiten op de Tongersche straat en de kapel der Broeders van den Heiligen Vincentius in den Capucijner gang, aflegde. Hij woonde de „lijdens-meditatiën” in de Sint Servaas-kerk bij; was op Witten Donderdag in de O. L. Vrouwekerk,[27]ter herinnering aan de instelling van het H. Avondmaal, in aanbidding voor het H. Sakrament verzonken, volgde op Goeden Vrijdag in de Sint Mathiaskerk de kruisvinding en juichte zijn ziel het „Hallelujah” op Paaschdag in de Sint Maartens-kerk, in de voorstad Wijk, mede. Maar gedurende de twee weken, die op Paschen volgden, was het infaam slecht weer, een van die stormachtige lentes, die ons Nederland zoo vaak vertoont. Hij ging toen weinig uit, en zoo verliep de drieweeksche vacantie, zonder dat hij Lydia te zien kreeg, zonder dat hem gelegenheid geopend werd afdoend te bewijzen, dat hij den vleeschduivel onder den knie had. Er mag niet verheeld worden, dat hij hoegenaamd geen poging deed om het lieve kopje in het oog te krijgen. Zelfs had hij zich, onder het voorwendsel van naar het Lof te moeten, er van afgemaakt om zijne ouders te vergezellen op eene koffie visite bij de familie Fraenkel. Wantrouwde hij zijne zwakheid? Dan was de overwinning niet volkomen!De maand Mei—die maand van Maria—bood onzen Herman heerlijke geneuchten aan. Met wat ijver had hij niet geholpen om het altaar, dat te Rolduc midden in de kerk opgericht was, en waarop het Moeder Godsbeeld prijkte, te versieren. Al de planten van de broeikas waren naar de kerk verhuisd, en inderdaad was de heuvel van veelkleurige Geraniums en Begonia’s, waarop of beter waartusschen het Mariabeeld, zelve uitermate fraai uitgedoscht, geplaatst was, zeer smaakvol aangelegd. Hoe geestdriftvol stemde Herman met den lofzang in:C’est le mois de Marie,C’est le mois le plus beau!A la Vierge chérieDisons un chant nouveau![28]wanneer de gezamenlijke leerlingen des avonds nog een bezoek brachten aan de kleine kapel der H. Maagd gewijd, op een kleinen afstand ten zuidwesten van het gesticht aan een kruisweg gelegen, en daar die werkelijk fraaie Hymne uit volle borst zongen. Met hoeveel godsvrucht volgde hij de „conférences,” die gedurende die maand gehouden werden, en waarin de deugden, de hoedanigheden, de eigenschappen van de Godsmoeder haarfijn uitgeplozen werden, en zich ten slotte in eene algemeene verheerlijking oplosten.Bij een dier „conférences” had de Professor der Rhetorica Jansen het over de kuischheid der H. Maagd gehad. Hij legde uit, dat die deugd bij Haar allesoverheerschend was, dat zij die steeds en altijd betracht had, en zich zelfs in het huwelijk kuisch en rein had weten te bewaren. In fraaie oratorische wendingen wees hij er op, dat zij daardoor Gods genade deelachtig was geworden, en uitverkoren werd om de Maagd-moeder te zijn bij de vleeschwording van den Verlosser, die der wereld beloofd was. Dit gaf aanleiding om over de zegeningen der kuischheid uit te wijden; den heilstaat te beschrijven, die er uit voortvloeit; hoe welgevallig het Opperwezen neerziet op hem, die steeds met dat reine kleed getooid blijft; hoe de engelen in den hemel in dien heilstaat verkeeren, enz. enz. Daarna ging hij met de tegenstelling voort. Hij schilderde de schandelijkheid der onkuischheid; welken gruwel zij in Gods oogen was; hoe zij de grondoorzaak was van alle andere ondeugden, ja van alle andere misdaden, en eindigde zijne verhandeling met voor den aanblik der vrouw te waarschuwen, en haar af te schilderen als de bron van iedere onkuische gedachte en bijgevolg van alle kwaad.Het was een hachelijk onderwerp geweest, hetwelk daar ten gehoore van al die jongelieden gebracht was. Toch[29]had Professor Jansen zich met de meeste kieschheid en met takt van die taak gekweten. Door het meerendeel van hen, die hem begrijpen konden, was meer gelet geworden op de oratorische kunstgrepen, die hij vertoond had, dan wel op den inhoud zijner „conférence.” Slechts één had hem in zijne redeneering gevolgd, had de spitsvondigheden in zich opgenomen. En die één was Herman. Met hijgend hart had hij die uitweidingen over den heilstaat der kuischheid aangehoord; het bloed was hem daarbij naar de wangen gestegen. Hij begreep en voelde, dat slechts eene Maagd de moeder van Christus kon zijn. Hij genoot met de engelen in de reine sfeer, die zij daar om Gods troon bevolkten. Maar hij ijsde ook bij de gedachte aan het lot van den ontuchtige, en zag in zijne verbeelding bij de woeste schilderij het vertoornde gelaat van den Almachtige, die den onkuische uitspuwt, en hem voor eeuwig ten vuurhelle doemt. Hij stemde volkomen met de slotperiode der verhandeling in, namelijk dat de vrouw de bron is van alle kwaad en eindigde, toen Professor Jansen zijne rede met een kort gebed besloot, met wellicht voor de honderdste maal de belofte in zijn binnenste te prevelen: van immer kuisch te blijven en zich van iederen omgang met het andere geslacht te onthouden.De mensch wikt, maar God beschikt! Dat zou hij al spoedig ondervinden.Weinige dagen later riep men Herman in het „parloir”.„Uwe mama is er,” had hem de portier gezegd.Juist was het eerste klassenuur afgeloopen en verliet professor Canoy den katheder. Herman vroeg en verkreeg verlof om dien dag vrijaf te hebben, ten einde hem aan zijne moeder te kunnen wijden. Daarop spoedde hij naar de spreekkamer.[30]Toen hij daar binnentrad, stonden een viertal vrouwengestalten met den rug naar de deur, een der vele teekeningen die daar aan den wand te pronk hingen en door de leerlingen gemaakt waren, te bewonderen. In een dier gestalten kon hij zich niet vergissen. Bij het opengaan der deur daarenboven dwong haar hart haar zich om te keeren. Dat was Herman’s moeder! Zij vloog haar kind om den hals, en al was het ook nauwelijks zes weken geleden, dat haar zoon Maastricht verliet, om na de Paaschvacantie naar Rolduc terug te keeren, toch prangde zij hem met onstuimigheid aan haar hart. Twee der andere dames waren ook mamatjes, die met verlangen naar het verschijnen harer telgen uitkeken. De vierde had zich bij het opengaan der deur niet omgekeerd. Was het toeval of opzet? Zij bleef naar de teekeningen aan den muur kijken.Toen Herman zijne moeder omhelsd had, trad hij op de overige dames toe om haar te begroeten.„Waar blijft Henri?” zei de een.„Waar blijft Gustaaf?” vroeg de andere even ongeduldig.„Ik weet het niet, dames,” antwoordde Herman. „Zal ik eens bij den portier informeeren of hij hen, evenals hij mij deed, gewaarschuwd heeft?”Het was niet noodig. De beide bedoelde jongelieden stormden in dit oogenblik het parloir in, en lagen weldra vreugdedronken in de armen hunner mama’s besloten.Boven moederliefde gaat niets!Inmiddels was Herman de andere dame, die nog steeds de teekeningen stond te bewonderen, genaderd, om ook jegens haar de beleefdheidsvormen te betrachten. Deze keerde zich juist om.„Lydia!” ontsnapte bijna met een kreet aan Hermans mond.[31]Hij had nog juist tegenwoordigheid van geest genoeg om dien half te smoren. Maar een oogenblik bleef hij stokstijf met gesloten oogen voor de jonge dame staan. Gelukkig, dat de algemeene aandacht op de pas binnengekomen jongelingen gevestigd was.Ja, het was Lydia! Toen zij vernam, dat mevrouw Riethoven, de beste vriendin harer moeder, met nog een paar dames hare zoons in het seminarie een bezoek gingen brengen, had zij verzocht meê te mogen rijden. Zij had een broeder, die daar ook studeerde, en evenals Herman in de Rhetorica was. Zonder aarzeling had mevrouw Riethoven dat verzoek toegestaan. Deze had geen de minste gedachte van hetgeen er in de ziel van haar kind omging. Had zij dat kunnen gissen, dan zou zij, bij haar innig verlangen om een harer kinderen zich aan den altaardienst te zien wijden, Lydia voorzeker geweigerd hebben.Het jonge meisje zelve wist ook niet, wat er in het gemoed van den jongeling omging. Zij was nog kortgeleden van de kostschool der Ursulinen-zusters te Maaseyk voor goed te huis gekomen, en was zich volkomen onbewust, welken hartstocht hare fraaie zwarte oogen ontvonkt hadden. Zij had, toen zij zich omkeerde, den gedempten kreet van den jongeling gehoord, waarbij hij haar naam uitsprak; zij had hem zien verbleeken en de oogen sluiten. Hoe jeugdig ook, hoe onervaren omtrent hetgeen er in de wereld omging, werd toch haar vrouwelijk gevoel wakker. Meenende evenwel, dat de jongeling plotseling onwel werd, trad zij op hem toe:„Zijt gij ongesteld?” vroeg zij deelnemend, terwijl zij hem bij de hand vatte.Een schok voer hem door de ledematen bij die aanraking. Hij opende de oogen, greep die hand, drukte en kneedde haar met zenuwachtige woestheid, en fluisterde zacht:[32]„Neen, het is niets! Het is al weer over!.… Eene duizeligheid … dat is alles!… In Gods naam, wees stil … Laat mijne moeder er niets van merken. Zij zou zich ongerust maken.”Hij sloeg de oogen op het lieftallige gelaat van de rijzige jonkvrouw, die hem nog altijd met eenige bezorgdheid aankeek; maar die toch onder zijn doordringenden blik bloosde, en zacht hare hand terugtrok.In dit oogenblik trad de heer Peeters, directeur van het seminarie binnen, en begroette de dames op ongedwongen toon als een man van de wereld, hoewel zijne gebaren door ettelijke zonderlinge gewoonten gekenmerkt werden, die aan zijne hoffelijkheid eenigermate afbreuk deden. Zoo bracht hij gewoonlijk, hetzij hij den preekstoel in de kerk, of den katheder in de leerzalen besteeg, of dat hij zich voor iemand groetend boog, den duim der rechterhand vlak tegen de neusopeningen, terwijl hij den wijsvinger over den rug van den neus ettelijke malen van boven naar beneden liet glijden, als streelde hij dat reukorgaan. De jongere leerlingen, de bengels beweerden, dat, wanneer hij zoo deed, er vuurvonken uit zijne neusspits spoten.Eene tweede hebbelijkheid, die evenwel minder aardig gevonden werd, was, dat wanneer hij in het vuur van het gesprek was, of zich driftig maakte, hij zich alsdan met de beide middelvingers de ooghoeken bij den neus uitwreef, waarna hij een rood katoenen zakdoek uit zijn soutane te voorschijn haalde, en zijn gevel, dien hij vrij kolossaal had, met kracht snoot. Ging het vonkentrekken met het oogenpoetsen en het snuiten samen, of beter, volgden die drie bewegingen zonder tusschentempo achter elkander, dan was er een onweder aan de lucht, en was het hen, die iets op hun geweten hadden, geraden buiten zijn radius te blijven.[33]Hij was eene lange magere figuur, die met zijn „bonnet” op het hoofd en in zijn soutane gestoken, er uitzag als een parapluie in zijn foudraal. Van zijn neus gewaagden wij reeds; die was lang, smal en krom, en had veel van een pikhouweel. Boven een paar ascetisch bleeke wangen glinsterden een paar oogen, die wel eens onbescheiden kijken konden. „Het is, alsof hij iemand in de ziel leest,” zeiden de leerlingen.Toen hij naar den welstand der dames, naar dien van hare echtgenooten en verder kroost vernomen had, gaf hij aan het ongeduld dier moeders gehoor, en onderhield zich met haar over hare zoons, en was weldra in een druk gesprek gewikkeld. Hij had gelukkig niets dan goede berichten mede te deelen. De naam van geen der aanwezige jongelieden was in het „parloir” in het „tableau noir”, als aan een schandpaal opgehangen. Geen hunner had een „compareat”10ondergaan, d.w.z. dat hij op „numero treize,” de eet- en societeits-kamer van het doceerend personeel, door de gezamenlijke professoren en regenten wegens minder goed gedrag was onderhouden. Zelfs de lijst der „mauvais points” toonde een uiterst gunstig gemiddeld aan. Toen mevrouw Riethoven dan ook het verzoek voordroeg, of de vier jongelieden met hunne mama’s mochten gaan dineeren in een der restaurants in den omtrek, betuigde de directeur heel goedgunstig, dat bij hem tegen de inwilliging geen bedenkingen bestonden.„Maar eerst,” zeide hij met een fijnen glimlach, „zal ik de dames eens rondleiden in het gesticht. Allen, meen ik, hebben hier nog geen bezoek gebracht.”Daarop geleidde hij de bezoeksters, vergezeld van hare telgen, door de hooge kruisgangen rond, liet haar een blik werpen in het „refectoire”, waar men bezig was de tafels voor het middagmaal te dekken; in de verschillende[34]klassen- en studiezalen, in de gebedzaal, op de „dortoirs”, op de speelplaats, waar de jongelingschap, voorgegaan door hare leeraren, juist bezig was lichaam en geest heilzaam te ontspannen. Eindelijk bracht hij haar in de kerk, liet haar de „Crypte,” eene onderaardsche bedeplaats onder het koor zien, wees op de naaktheid van het „jubé,” de orgelplaats, die zich op vier dennenstammen verhief, die ter nauwernood van hunne schors ontdaan en ruw vierkant bekapt waren.„Onze kerkfabriek is zeer arm,” betuigde de eerwaarde gids. „Dat is meer dan armoede, dat is naaktheid.”Toen hij die woorden sprak, stond het gezelschap juist een oogenblik bij den zuidoostelijken ingang stil, om het geheele gebouw nog eens te overzien. Daar bij het wijwatersvat stond een offerstok met opschrift in groote letters: „pour l’église.” Mevrouw Riethoven gaf het voorbeeld, hetwelk door de drie andere dames gevolgd werd. Ieder harer liet een geldstuk, door de nauwe opening naar beneden vallen.Eindelijk was die bezichtiging afgeloopen. Het gezelschap bedankte den directeur voor zijn geleide, stapte de speelplaats over, en verliet het gesticht door de noordoosterpoort.Gedurende die wandeling door het zeer groote gebouw, waren de mama’s door den directeur bezig gehouden, en hadden zij onverdeeld hare aandacht gewijd aan zijne uitleggingen en inlichtingen. De zoons volgden en pruttelden niet weinig, dat van den schoonen dag, die hun beschoren was, nog zooveel verloren moest gaan om dat oude gebouw te bezichtigen. Lydia en Herman wandelden naast elkander. Waarover zij spraken? Helaas, het gesprek vlotte niet erg tusschen die twee. Er heerschte eenige schuchterheid, eene zekere bedeesdheid, die hen somwijlen op het onverwachtst blozen deed,[35]zonder dat er oorzaken toe bestonden; maar die toch zoo eene bekoorlijkheid voor hen bezat, dat geen van beiden er aan dacht, zich daaraan te onttrekken. Lydia vond wel, dat Herman van tijd tot tijd een langen doordringenden blik op haar vestigde, dat hij hare wezenstrekken dan in zich opnam, als het ware opzoog. Dat hinderde haar wel ietwat, dat deed haar blozen. Maar die blik eindigde steeds met een even hoog rood, hetwelk de wangen van den jongeling kleurde en dat streelde het jonge meisje.Toen het gezelschap de poort uitgetreden was, en de directeur hen verlaten had, staken de jongelieden in alle haast een sigaar op, en vormden zich tot groepjes. De mama’s namen hare zoons in beslag. Behalve het eerste oogenblik van ontmoeting in het „parloir” was er nog geen oogenblik van vertrouwelijkheid geweest. Nu haalden die moeders haar hart ter dege op. De vragen en antwoorden kruisten elkander allerwege, en menig antwoord werd bezegeld met menigen kus. Lydia wandelde aan de zijde van haren broeder voort. Toen zoowat de eerste mededeelingen geschied waren, betrok Herman dien broeder en het meisje in het gesprek, en zoo wandelde men gezellig keuvelend verder.De weg voerde aanvankelijk door eene dichte beukenlaan, die met haar frisch groen een lommerrijk gewelf over het pad vormde. Rechts en links strekte zich een boschje van hoog opgaande dennen uit, welker naaldenkruin onder den invloed van eene zachte bries liefelijk ruischte.„Dat is het „bosquet”, waarin wij in dit seizoen in de vrije middaguren veel vertoeven,” lichtte een der jongelieden toe.De weg splitste zich een eind verder in twee takken. De rechtsche werd ingeslagen. Die voerde om de groentetuinen[36]van het gesticht, daalde daarna een steilen heuvel van een paar honderd voet af, voerde tusschen een vijver en eene dichte haag door, die uitgestrekte weilanden afsloot, slingerde daarna om een heuvel, wier kruin met dennenboomen beplant was, en uit welker wanden arbeiders verblindend wit zand en fijn china-clay te voorschijn haalden, om naar de aardenwerkfabriek van den Heer Regout te Maastricht vervoerd te worden. Verder kromde de weg tusschen heggen van meidoorns door, die met haar witte bloemtuiltjes heerlijk geurden. Aan de linker zijde kregen de wandelaars een kasteeltje, of beter gezegd, een klein slot in het oog, dat zich op den top van een heuvel verhief. Herman vertelde aan zijne moeder en aan Lydia, dat dit het kasteel der Ridders van den Groenen Bok was, en wist daaraan eene wezenlijke boeiende Bokkenrijdersgeschiedenis vast te knoopen. Zijne moeder verbaasde zich over zijne mededeelzaamheid, die zoo afstak bij zijn gewone teruggetrokkenheid, maar bewonderdeveel meerde gemakkelijkheid, waarmede hij dat verhaal voordroeg, en de keuze van uitdrukkingen, die hij daarbij bezigde.Zoo was men het dorp Herzogenrath genaderd, hetwelk in een fraai dal gelegen was, waardoor de Worms vloot. Men wandelde dat dorp gedeeltelijk door, en besteeg den heuvel, die het dal aan de noordzij insloot, en waarover de fraaie steenweg leidde, die van Aken over de dorpen Herzogenrath en Geilenkirchen naarDüsseldorfvoerde, en in die dagen, toen de spoorbaan die twee steden nog niet verbond, een zeer gewichtige gemeenschapsader was.Vooral waren de dames niet rouwig, dat het einddoel van het uitstapje bereikt werd; want het kon eene gezonde wandeling genoemd worden, die zij afgelegd hadden; en het voortdurend klimmen en dalen, waartoe de[37]weg genoodzaakt had, had het zijne er toe bijgedragen, om haar zoo niet vermoeid te maken, dan toch naar een plekje te doen omzien, waar men eens gezellig bij elkander zou zitten. Dat plekje werd in hetGasthausvan Vorage gevonden, hetwelk vrij aardig op het kruispunt, waar evenbedoelde straatweg zich aan dien van Heerlen via Kerkrade naar Aken aansloot, gelegen was. Aan het diner, waarbij Herman gelegenheid had gevonden, Lydia tusschen hem en haren broeder in te plaatsen, en hij zijne moeder aan de andere zijde had, ging het over het algemeen vroolijk toe, hoewel eene zekere opgewondenheid bij den held van dit verhaal, de opmerkzaamheid niet ontgaan zou hebben, wanneer niet allen die eenigermate gedeeld hadden. De jongelingen waren opgetogen, dat zij voor een oogenblik aan den knellenden band der tucht, die in het seminarie heerschte, ontsnapt waren, en de mama’s waren overgelukkig, dewijl zij hare zoons zoo zagen genieten, dat de sporen er van op hunne wangen duidelijk zichtbaar waren.Lydia zat stil en ingetogen, als altijd, maar met welwillendheid te luisteren naar de verhalen van haren buurman, en kon nu en dan een glimlach niet onderdrukken, wanneer deze de eene of andere studentensnakerij voordroeg, en de onbetaalbare zetten mededeelde, die den heeren professoren gespeeld werden. Vooral wekte het luimige verhaal van de koddige tooneelen, welke op het laatste feest van de H. Katharina voorgevallen waren, een onbedwingbaren lachlust op. De jongelieden, die, na hunne Rhetorica voltooid te hebben, den wensch te kennen gaven, den geestelijken stand te omhelzen, volbrachten dan, alvorens naar het Groot Seminarie te Roermond over te gaan, een zoogenaamden „Cours inférieur en philosophie,” die twee jaren duurde, en werden alsdan door hunne medeleerlingen[38]„monsieur le philosophe” geheeten, hoewel hetgeen hun gedoceerd werd, evenveel op „philosophie” (wijsbegeerte) geleek, als de slaapmuts van den Grooten Turk het evenbeeld van de hedendaagsche tournure van eene jonge dame is.Nu was de H. Katharina—waarom, dat was niet bekend—de patrones der philosophen, en liepen dezen op dien dag gepareerd en gemaskerd door de kruisgangen van het seminarie, parodieerden min of meer geestig de regenten en professoren en aapten hen in hunne zwakheden na. Lydia proestte het eindelijk uit, toen Herman bij die voorstelling zijn neus tusschen duim en voorsten vinger nam, en dien behandelde, zooals zij straks den directeur Peeters had zien doen.Zoo spoedden die zalige uren voort.Eindelijk naderde het tijdstip om te vertrekken. Het kon een heele tocht heeten in die dagen, van Maastricht over Valkenburg, Klimmen, Heerlen en Kerkrade naar Rolduc te reizen. De dagen waren evenwel reeds lang, zoodat nog tot eene wandeling besloten werd. Het gezelschap bracht een bezoek aan Kerkrade, dronk daar koffie met de onvermijdelijke vla, en keerde van daar, langs een veldweg, die dwars door de vruchtbare graanakkers voerde, naar het seminarie terug. De dames brachten nog een bezoek aan den directeur om hem hare lievelingen aan te bevelen. De eerwaarde heer geleidde het gezelschap zeer vriendelijk naar het rijtuig, hetwelk gereed stond.In de laatste oogenblikken evenwel was Herman in het oogvallend somber en in zich zelven gekeerd geweest. Zijne opgewekte luim was geweken. Nu en dan sloeg hij een schuchteren blik op Lydia, die met een soort angst naar hem keek, alsof zij zich schuldig aan die stilzwijgendheid gevoelde. Het arme kind kon[39]onmogelijk bevroeden, hoe groote oorzaak zij van die sombere gemoedsstemming was.Toen het oogenblik daar was om afscheid te nemen, stak mevrouw Riethoven haren zoon de hand toe; ja, zij opende hem hare armen. Zonder op dat uitnoodigende gebaar te letten, keek hij haar met strakken blik aan.„Kom, Herman, het is tijd,” zei zijne moeder, „geef mij een zoen.”Zonder een woord te spreken, wendde Herman zich van haar af, trad op het rijtuig toe, waarvan het portier geopend stond, steeg er in, en nam plaats op de voorbank.„Ik ga meê naar Maastricht,” was het eenige antwoord, dat hij gaf.Allen stonden bij het rijtuig en lachten. Zij zagen dat antwoord voor een ui aan.„Er valt niet te lachen,” hernam hij. „Ik ga meê naar Maastricht.”„Het is nog geen vacantie,” antwoordde zijne moeder nog steeds met een glimlach.„Vacantie of niet,” sprak Herman met iets woest in zijne stem. „Vacantie of niet, ik ga meê naar Maastricht. Ik blijf hier niet meer!”In den toon van dat gezegde was zich niet te vergissen. Allen keken dan ook verbaasd op. De directeur Peeters niet het minst. Hij streek over zijn neus, wreef zich de ooghoeken uit, en de roode zakdoek was in aantocht.„Maar Herman, dat is de scherts te ver drijven,” zei zijne moeder. „Kom, stap uit, en laat ons instijgen. Wij moeten vertrekken, anders wordt het laat in den nacht, alvorens wij te huis zijn.”„Het is geen scherts, mameer!”„Maar, je plan dan om priester te worden?”„Ik word geen priester!”[40]„Geen priester?”„Neen!”Dat „neen” klonk afdoende als een hamerslag. Op zoo’n toon had mevrouw Riethoven zich nog nimmer door haren oudsten zoon hooren toespreken.„Maar, van waar die veranderde roeping!” kreet zij als in vertwijfeling.„Ja, van waar?” vroeg de directeur met ernstig gezicht, terwijl hij zijn neus tot bloedens toe wreef.„Van waar? Wilt ge dat weten?” vroeg Herman aan zijne moeder, zonder den directeur aan te zien.„Ja, mij dunkt dat ik, uwe moeder, van de oorzaken niet onkundig mag blijven!”De jongeling was doodsbleek geworden. Een oogenblik aarzelde hij. Maar tot onwaarheid spreken was hij niet in staat.„Welnu, ik ben verliefd op deze jonge dame,” sprak hij rad, als had hij haast die woorden te uiten, en met de hand naar Lydia wijzende.Het arme kind kleurde tot achter hare lieve oortjes. Onder die woorden trad zij achteruit, en bedekte zich het gelaat met beide handen.„En?” vroeg mevrouw Riethoven, met doordringenden blik op het jonge meisje.„O! kijk Lydia zoo verwijtend niet aan,” sprak Herman met nadruk. „Zij heeft hoegenaamd geen schuld aan mijne veranderde gevoelens. Kan zij het helpen, dat ik haar lief, grenzenloos lief heb? Hoe zij er over denkt, weet ik niet. Maar met zoo’n liefde in het hart, kan ik mij aan den altaardienst niet wijden. Dat ware heiligschennis!”„Mijn jonge vriend, mijn zoon, gij zoudt behooren tot de strijdende Kerk,” viel de directeur met zalving in. „Roep de Heilige Maagd aan!”[41]„Genoeg met dat gewauwel!” viel Herman barsch in. „Vade retro Satanas!”De directeur schokte onder die uitspraak. Zoo was hij nog nooit afgewezen. Hij zwaaide met zijn rooden zakdoek als met een noodvlag op eene sloep, die aan het zinken was. Dat „vade retro satanas” klonk den geestelijken heer schrikkelijk in de ooren.Er heerschte een oogenblik stilte. De drie mama’s hadden elkander aangestaard. Het geval was uiterst moeielijk. Mevrouw Riethoven zag een van haar heerlijkste droombeelden vernietigd. O! hoe dikwijls had zij in den geest met eene soort van verrukking het misoffer bijgewoond, en dan, door eene moederlijke verbijstering vervoerd, in den waan verkeerd, dat het haar zoon was, die daar het:Vere dignum et justum est11zong, of dat hij het was, die daar over de hostie bad:ecce agnus Dei, qui tollit peccata mundi.12O! als zij dat eens in werkelijkheid had kunnen zien! En nu was dat alles weg! Iedere illusie verdwenen. Een traan blonk in haar oog. Zij vermande zich evenwel. Zij begreep dat bij afwezigheid van haren echtgenoot zij handelen moest.„Van een meêgaan naar Maastricht,” sprak zij met vaste stem, „kan geen sprake zijn. Vooreerst, is er geen plaats in het rijtuig. Wij zijn met ons vieren.…”„Is het niet anders,” was het antwoord. „Ik kan bij den koetsier op den bok gaan zitten.”In een wip was Herman uitgestegen, en wilde aan zijn voornemen gevolg geven.„Maar luister dan toch,” sprak de moeder en greep haren zoon bij den arm. „Ik herhaal het, van een meêgaan naar Maastricht kan geen sprake wezen. Die verandering van roeping gaat mij te snel in zijn werk. Die is slechts het gevolg van een oogenblik.”„Dat is zij! Daarin hebt ge gelijk, mameer. Maar ik[42]gevoel het, nimmer zal ik meer veranderen. Ik heb met het priesterschap afgerekend.”De heer Peeters sloeg de oogen hemelwaarts. Hij riep bijstand van boven, en zwaaide daarbij de noodvlag met nog meer hevigheid dan vroeger.„Daar ben ik nog niet zeker van,” hernam de moeder. „Nog niet lang geleden spraakt gij met even veel overtuiging in tegenovergestelde richting.… Wat zou uw vader zeggen, wanneer wij u nu meê thuis brachten? Wat de geheele stad? Zoo midden in den cursus! Iedereen zou meenen, dat ge weggejaagd waart!”„Wat gaat mij de opinie van zoo’n kleine kwaadsprekerige stad aan!”„Gij moogt er over denken, zooals gij wilt. Ik hecht voor uwe toekomst te veel aan uwe reputatie. Kort en goed.…”Hier hikte de arme moeder, de stem begaf haar.… Zij hervatte een poos daarna, maar met tranen in de oogen:„Gij weet, hoe gaarne ik gezien had, dat gij u aan den dienst des Heeren zoudt gewijd hebben.…”„Mameer! moeder! ga zoo niet voort. Geen tranen, o! wat ik u bidden mag! Gij zoudt mij tot iets overhalen, dat oorzaak van naamloos wee in dit leven, van mijne verdoemenis in het andere zoude zijn!”De moeder ijsde bij het hooren van die hartstochtelijke taal. De directeur sloeg een kruis.„Val mij niet in de reden,” ging mevrouw Riethoven voort. „Wat ook mijn wensch moge zijn, nimmer zou ik willen, dat één mijner kinderen een stand tegen zijn zin zoude aanvaarden. Wilt gij dus verandering in uwe bestemming brengen, mij wel. Ik zal mij niet tegen uwen wensch verzetten. Wat ik alleen verg, is, dat gij niet overijld handelt.”[43]„Ik handel niet overijld, beste moeder. Ik handel volgens de inspraak van mijn geweten!”„Gij blijft hier, tot de groote vacantie,” sprak de moeder met vaste stem. „Blijft gij dan bij uwe meening om uwe studiën te staken!…”„Mijne studiën staken,” riep Herman vertwijfelend uit. „Mijne studiën voortzetten, meent ge, maar van doelwit veranderen …?”De directeur deed der vrome vrouw een onmerkbaar teeken. Zij antwoordde haar zoon niet, maar ging voort.„… Dan blijft ge volkomen vrij.”„Wat zegt juffrouw Lydia,” vroeg Herman met vertwijfeling.„Ik!… ik zou raad geven in een strijd, waarin ik mij mijns ondanks gesleept zie?” kreet snikkend het arme kind. „Ik kan ternauwernood denken.… hoe zou ik raad kunnen geven?.…”Zij stikte bijna in hare tranen, vloog het rijtuig in en verborg daar haar gelaat in hare handen.„Aan dat tooneel moet een einde komen, Herman,” sprak mevrouw Riethoven. „Geef mij een hand. Kom, dames, stapt in. En nu.… mijn jongen.… houd moed.… Vaarwel!”Herman rukte zich uit de omhelzing zijner moeder los, sprong het rijtuig in, sloot Lydia met woest gebaar in zijne armen, overdekte haar voorhoofd, hare wangen, hare lippen met vurige kussen. Het arme kind had de macht niet zich te weer te stellen. Toen sprong hij op den grond, bedekte zich het gelaat met beide handen, en liet zich door zijne makkers gedwee naar binnen leiden. De koetsier legde de zweep over de paarden, en in een oogwenk was het rijtuig uit het oog verdwenen.[44]

II.Te Rolduc.

Ettelijke maanden waren sedert dematinée musicalevoorbijgegaan, waarvan in het vorig hoofdstuk werd gewaagd. De vacantie der seminaristen van Rolduc was voorbij gespoed. Het was nu November, en daar onder de sombere gewelven van die kweekschool van geestelijken was de somberheid van het saisoen nog vermeerderd door de uitspattingen van menschelijke dwaasheid.Herman was daar teruggekeerd. Zooals hij aan Frank betuigd had, was hij daags na zijn bezoek bij de ruïne van Lichtenberg, alwaar hij een engelenkopje in het verschiet gezien had, den biechtstoel genaderd, en had daar zijn hart uitgestort, en zijn biechtvader een blik gegund op hetgeen in dat hart omging.„Alle kwaad is der wereld van wege de vrouw overkomen!” had de eerwaarde heer gepreveld, en daarbij niet bedacht dat hij eene moeder had of althans gehad had.„Verootmoedig u voor den Heer,” had hij er bijgevoegd. „Vraag hem sterkte in uwen strijd. Maar wend u voornamelijk tot de moeder Gods. Zij, de kuische Maagd, moet u in uwe zwakheid schragen!”De raad werd verder gegeven om dikwijls de genademiddelen[23]der H. Kerk te naderen, dikwijls het gemoed in den biechtstoel uit te storten, en dikwijls het Brood der engelen te nuttigen.„Vervalt gij, al is het nog zoo onwillekeurig, in onbetamelijke gedachten ten opzichte van haar, die God slechts schiep om onze standvastigheid in den strijd tegen de vleeschelijke lusten te beproeven, bid dan, bid veel, bid altijd, bid vurig, bid aanhoudend. Gij hebt maar één wapen, dat is het gebed. En mocht ge in den strijd bezwijken, en een oogenblik van genoegen bij die gedachte ondervinden, haast u dan naar den biechtstoel. Laat nimmer de zon ondergaan zonder uwe ziel gereinigd te hebben. Het kleinste spatje op het gebied van onkuischheid breidt zich als eene olievlek uit, en bederft weldra de geheele ziel.”En de vrome jongeling had gebeden, had gebiecht, had zelfs bij de reinste gedachte aan het liefelijk wezen, hetwelk hij op zijn pad ontmoette, zijn gemoed bezwaard gevoeld, had voor eene uiting van onkuischheid beschouwd, als de fraaie gestalte voor zijn oog verrees in al hare reinheid aan een engel Gods gelijk. Dan had hij tranen gestort, dan had hij zich voor den Heer verdemoedigd, dan had hij de hulp van de Heilige Maagd ingeroepen, en was er zoo toe gekomen om zijn gemoed onder een kunstmatig juk te dwingen. Zoo was hij tot de meening geraakt, dat hij den vleeschduivel meester zou blijven. Weg uit dat gemoed iedere dichterlijke vlucht! dat was slechts betoovering der zinnen, dat was slechts verzoeking van den booze, die zoo trachtte de liefde in zijn hart te doen sluipen, in dat hart dat voor alle wereldschegeneugtengesloten moest zijn, in dat hart, hetwelk slechts ontvlammen mocht voor zijn’ Schepper. Liefde?… Hij! liefde koesteren voor een schepsel?… Hij?… de bruidegom des Heeren!… Nooit!… nooit![24]„Nooit! nooit!” ruischte hem de doffe echo na in de Crypte7waarin hij, voor het altaar geknield liggende, soms die verzuchtingen slaakte. „Nooit! nooit!” herhaalden die sombere wanden, die zoo dikwijls dergelijke betuigingen opgevangen hadden, en ze telkens terugkaatsten, als weigerden zij er akte van te nemen.De strijd was evenwel bang en zwaar. O! hoe dikwijls rees niet het verboden beeld voor zijne ziel!Ontmoette hij op de wandelingen, die door de seminaristen tweemaal ’s weeks onder geleide van een paar professoren of regenten, des dinsdags en des donderdags namiddag in den omtrek ondernomen werden, eene vrouwengestalte, dan reeds van heel in de verte, lang reeds voor dat de omtrekken van het mensch in hunne bijzonderheden te onderscheiden waren, nam die gestalte in zijne verbeelding Lydia’s gedaante aan. Hij mocht dan God smeeken en de H. Maagd te hulp roepen, hij kon onmogelijk de oogen afwenden van de naderende, totdat hij, als ontwaakte hij uit een droom, ontnuchterd erkennen moest, dat die gestalteharegestalte niet, dat het soms die eener oude boerin was. Grimmig, ja teleurgesteld, wendde hij dan den blik af, om evenwel weinige oogenblikken later dezelfde poets van wege zijne opgewekte verbeelding te ondervinden. Waarlijk, hij vond dat Professor Canoy8groot gelijk had, toen hij de jongelieden op een door hen gedaan verzoek antwoordde:„Ik zou onze wandelingen wel door den kom der dorpen geleiden, als ik ieder uwer een blinddoek voor de oogen kon binden.”De wensch was onuitvoerbaar; men kon geen driehonderd à driehonderd vijftig jongelingen blindemannetje laten spelen.Sloeg de benarde zijne oogen tot een Maria-beeld op, dan nam dat beeld Lydia’s trekken aan. Bad hij de[25]litanie van alle Heiligen, dan gebeurde het hem schier altijd, dat hij bij de opsomming der H.H. Maagden met even veel godsvrucht prevelde: „Sancta Lydia, ora pro nobis.”9Zoo was de maand November genaderd. In die maand had de gewoonlijke jaarlijkscheretraiteplaats. Dat was het tijdperk om voor goed van alle zondige gedachten afscheid te nemen. Met onnavolgbare geestdrift volgde Herman alle de geestelijke oefeningen gedurende die negendaagsche boetedoening. Met de meest mogelijke aandacht luisterde hij naar de godsdienstige verhandelingen en sermoenen, door een paar paters redemptoristen, daartoe speciaal overgekomen, gehouden. Hij onderwierp zich goedsmoeds aan het strenge vasten gedurende dienretraite-tijd, betrachtte ook stipt het diepste stilzwijgen, hetwelk gedurende die dagen in het groote gesticht allerwege heerschen moest, en eindigde die boetedoening evenals al de andere leerlingen met eene algemeene biecht, die reiniging der ziel, zooals zij te Rolduc genoemd werd, die „ketelschuring” zooals de volbloed Maastrichtenaars haar heetten. Toen voelde hij zich als herboren. De pater, bij wien hij die algemeene biecht afgelegd had, had hem den ketel zoowel in- als uitwendig zoodanig geschuurd, en met grof zand ook, dat iedere gedachte aan Lydia uit zijne ziel verbannen bleef. En verrees het liefelijke beeld nog een enkelen keer voor zijne oogen, dan had hij de wilskracht om zijn geest daaraan te onttrekken, en had zijn:retro Satanasalle succes. De pater had hem eene „disciplien”, in minder gewijde bewoordingen: „zweep,” ter hand gesteld, waarmede hij zich iederen avond het vleesch kastijden moest, wanneer hij over zichzelven niet tevreden was. Dat middel, met alle godsvrucht toegepast, had geholpen. De herinnering aan de striemende slagen, op de naakte huid toegebracht,[26]gaf hem kracht om iedere gedachte aan de lieve Lydia terstond op de vlucht te drijven. De keuze was ook te bar tusschen zweepslagen en.… eenige dichterlijke droomerijen betreffende een jong meisje. Het middel was bepaald als probaat aan te bevelen.Met zijne nadering tot de tafel des Heeren na die algemeene biecht was hij, volgens zijne meening, een nieuw leven ingetreden en had den ouden mensch afgelegd. Met ijver zette hij zijne studiën voort, en verwierf van de superieuren van het seminarium de meest ondubbelzinnige teekenen van tevredenheid niet alleen over zijne vorderingen, maar vooral over zijn gedrag en zijne godsvrucht, die als voorbeeldig geroemd werden. Zelfs de regent Schlietz, de leeraar der zesde klasse, die de Maastrichtsche jongelieden een niet te miskennen haat toedroeg, en zich vaak niet ontzag om bij wijze van gebed met luider stem te prevelen:des paresseux de Maastricht, délivrez nous Seigneur, getuigde van onzen Herman in het taaleigen van de inrichting:qu’il était un saint jeune homme, hetgeen bij sommige der leerlingen, evenwel niet altijd juist, beteekende, dat hij, wien die getuigenis betrof, een huichelaar en een verklikker was.De winter spoedde voorbij, en het voorjaar brak aan. Natuurlijk had Herman, toen hij met de Paaschvacantie te Maastricht verscheen, zijne godsdienstige plichten, voor het Opstandingsfeest voorgeschreven, te Rolduc stipt volbracht. Maar toch de Heilige week, de „Passie-week”, bracht hij grootendeels in de parochie-kerken door, ongeacht de bezoeken, die hij in andere bidoorden, zooals in de kerk der Paters Jesuiten op de Tongersche straat en de kapel der Broeders van den Heiligen Vincentius in den Capucijner gang, aflegde. Hij woonde de „lijdens-meditatiën” in de Sint Servaas-kerk bij; was op Witten Donderdag in de O. L. Vrouwekerk,[27]ter herinnering aan de instelling van het H. Avondmaal, in aanbidding voor het H. Sakrament verzonken, volgde op Goeden Vrijdag in de Sint Mathiaskerk de kruisvinding en juichte zijn ziel het „Hallelujah” op Paaschdag in de Sint Maartens-kerk, in de voorstad Wijk, mede. Maar gedurende de twee weken, die op Paschen volgden, was het infaam slecht weer, een van die stormachtige lentes, die ons Nederland zoo vaak vertoont. Hij ging toen weinig uit, en zoo verliep de drieweeksche vacantie, zonder dat hij Lydia te zien kreeg, zonder dat hem gelegenheid geopend werd afdoend te bewijzen, dat hij den vleeschduivel onder den knie had. Er mag niet verheeld worden, dat hij hoegenaamd geen poging deed om het lieve kopje in het oog te krijgen. Zelfs had hij zich, onder het voorwendsel van naar het Lof te moeten, er van afgemaakt om zijne ouders te vergezellen op eene koffie visite bij de familie Fraenkel. Wantrouwde hij zijne zwakheid? Dan was de overwinning niet volkomen!De maand Mei—die maand van Maria—bood onzen Herman heerlijke geneuchten aan. Met wat ijver had hij niet geholpen om het altaar, dat te Rolduc midden in de kerk opgericht was, en waarop het Moeder Godsbeeld prijkte, te versieren. Al de planten van de broeikas waren naar de kerk verhuisd, en inderdaad was de heuvel van veelkleurige Geraniums en Begonia’s, waarop of beter waartusschen het Mariabeeld, zelve uitermate fraai uitgedoscht, geplaatst was, zeer smaakvol aangelegd. Hoe geestdriftvol stemde Herman met den lofzang in:C’est le mois de Marie,C’est le mois le plus beau!A la Vierge chérieDisons un chant nouveau![28]wanneer de gezamenlijke leerlingen des avonds nog een bezoek brachten aan de kleine kapel der H. Maagd gewijd, op een kleinen afstand ten zuidwesten van het gesticht aan een kruisweg gelegen, en daar die werkelijk fraaie Hymne uit volle borst zongen. Met hoeveel godsvrucht volgde hij de „conférences,” die gedurende die maand gehouden werden, en waarin de deugden, de hoedanigheden, de eigenschappen van de Godsmoeder haarfijn uitgeplozen werden, en zich ten slotte in eene algemeene verheerlijking oplosten.Bij een dier „conférences” had de Professor der Rhetorica Jansen het over de kuischheid der H. Maagd gehad. Hij legde uit, dat die deugd bij Haar allesoverheerschend was, dat zij die steeds en altijd betracht had, en zich zelfs in het huwelijk kuisch en rein had weten te bewaren. In fraaie oratorische wendingen wees hij er op, dat zij daardoor Gods genade deelachtig was geworden, en uitverkoren werd om de Maagd-moeder te zijn bij de vleeschwording van den Verlosser, die der wereld beloofd was. Dit gaf aanleiding om over de zegeningen der kuischheid uit te wijden; den heilstaat te beschrijven, die er uit voortvloeit; hoe welgevallig het Opperwezen neerziet op hem, die steeds met dat reine kleed getooid blijft; hoe de engelen in den hemel in dien heilstaat verkeeren, enz. enz. Daarna ging hij met de tegenstelling voort. Hij schilderde de schandelijkheid der onkuischheid; welken gruwel zij in Gods oogen was; hoe zij de grondoorzaak was van alle andere ondeugden, ja van alle andere misdaden, en eindigde zijne verhandeling met voor den aanblik der vrouw te waarschuwen, en haar af te schilderen als de bron van iedere onkuische gedachte en bijgevolg van alle kwaad.Het was een hachelijk onderwerp geweest, hetwelk daar ten gehoore van al die jongelieden gebracht was. Toch[29]had Professor Jansen zich met de meeste kieschheid en met takt van die taak gekweten. Door het meerendeel van hen, die hem begrijpen konden, was meer gelet geworden op de oratorische kunstgrepen, die hij vertoond had, dan wel op den inhoud zijner „conférence.” Slechts één had hem in zijne redeneering gevolgd, had de spitsvondigheden in zich opgenomen. En die één was Herman. Met hijgend hart had hij die uitweidingen over den heilstaat der kuischheid aangehoord; het bloed was hem daarbij naar de wangen gestegen. Hij begreep en voelde, dat slechts eene Maagd de moeder van Christus kon zijn. Hij genoot met de engelen in de reine sfeer, die zij daar om Gods troon bevolkten. Maar hij ijsde ook bij de gedachte aan het lot van den ontuchtige, en zag in zijne verbeelding bij de woeste schilderij het vertoornde gelaat van den Almachtige, die den onkuische uitspuwt, en hem voor eeuwig ten vuurhelle doemt. Hij stemde volkomen met de slotperiode der verhandeling in, namelijk dat de vrouw de bron is van alle kwaad en eindigde, toen Professor Jansen zijne rede met een kort gebed besloot, met wellicht voor de honderdste maal de belofte in zijn binnenste te prevelen: van immer kuisch te blijven en zich van iederen omgang met het andere geslacht te onthouden.De mensch wikt, maar God beschikt! Dat zou hij al spoedig ondervinden.Weinige dagen later riep men Herman in het „parloir”.„Uwe mama is er,” had hem de portier gezegd.Juist was het eerste klassenuur afgeloopen en verliet professor Canoy den katheder. Herman vroeg en verkreeg verlof om dien dag vrijaf te hebben, ten einde hem aan zijne moeder te kunnen wijden. Daarop spoedde hij naar de spreekkamer.[30]Toen hij daar binnentrad, stonden een viertal vrouwengestalten met den rug naar de deur, een der vele teekeningen die daar aan den wand te pronk hingen en door de leerlingen gemaakt waren, te bewonderen. In een dier gestalten kon hij zich niet vergissen. Bij het opengaan der deur daarenboven dwong haar hart haar zich om te keeren. Dat was Herman’s moeder! Zij vloog haar kind om den hals, en al was het ook nauwelijks zes weken geleden, dat haar zoon Maastricht verliet, om na de Paaschvacantie naar Rolduc terug te keeren, toch prangde zij hem met onstuimigheid aan haar hart. Twee der andere dames waren ook mamatjes, die met verlangen naar het verschijnen harer telgen uitkeken. De vierde had zich bij het opengaan der deur niet omgekeerd. Was het toeval of opzet? Zij bleef naar de teekeningen aan den muur kijken.Toen Herman zijne moeder omhelsd had, trad hij op de overige dames toe om haar te begroeten.„Waar blijft Henri?” zei de een.„Waar blijft Gustaaf?” vroeg de andere even ongeduldig.„Ik weet het niet, dames,” antwoordde Herman. „Zal ik eens bij den portier informeeren of hij hen, evenals hij mij deed, gewaarschuwd heeft?”Het was niet noodig. De beide bedoelde jongelieden stormden in dit oogenblik het parloir in, en lagen weldra vreugdedronken in de armen hunner mama’s besloten.Boven moederliefde gaat niets!Inmiddels was Herman de andere dame, die nog steeds de teekeningen stond te bewonderen, genaderd, om ook jegens haar de beleefdheidsvormen te betrachten. Deze keerde zich juist om.„Lydia!” ontsnapte bijna met een kreet aan Hermans mond.[31]Hij had nog juist tegenwoordigheid van geest genoeg om dien half te smoren. Maar een oogenblik bleef hij stokstijf met gesloten oogen voor de jonge dame staan. Gelukkig, dat de algemeene aandacht op de pas binnengekomen jongelingen gevestigd was.Ja, het was Lydia! Toen zij vernam, dat mevrouw Riethoven, de beste vriendin harer moeder, met nog een paar dames hare zoons in het seminarie een bezoek gingen brengen, had zij verzocht meê te mogen rijden. Zij had een broeder, die daar ook studeerde, en evenals Herman in de Rhetorica was. Zonder aarzeling had mevrouw Riethoven dat verzoek toegestaan. Deze had geen de minste gedachte van hetgeen er in de ziel van haar kind omging. Had zij dat kunnen gissen, dan zou zij, bij haar innig verlangen om een harer kinderen zich aan den altaardienst te zien wijden, Lydia voorzeker geweigerd hebben.Het jonge meisje zelve wist ook niet, wat er in het gemoed van den jongeling omging. Zij was nog kortgeleden van de kostschool der Ursulinen-zusters te Maaseyk voor goed te huis gekomen, en was zich volkomen onbewust, welken hartstocht hare fraaie zwarte oogen ontvonkt hadden. Zij had, toen zij zich omkeerde, den gedempten kreet van den jongeling gehoord, waarbij hij haar naam uitsprak; zij had hem zien verbleeken en de oogen sluiten. Hoe jeugdig ook, hoe onervaren omtrent hetgeen er in de wereld omging, werd toch haar vrouwelijk gevoel wakker. Meenende evenwel, dat de jongeling plotseling onwel werd, trad zij op hem toe:„Zijt gij ongesteld?” vroeg zij deelnemend, terwijl zij hem bij de hand vatte.Een schok voer hem door de ledematen bij die aanraking. Hij opende de oogen, greep die hand, drukte en kneedde haar met zenuwachtige woestheid, en fluisterde zacht:[32]„Neen, het is niets! Het is al weer over!.… Eene duizeligheid … dat is alles!… In Gods naam, wees stil … Laat mijne moeder er niets van merken. Zij zou zich ongerust maken.”Hij sloeg de oogen op het lieftallige gelaat van de rijzige jonkvrouw, die hem nog altijd met eenige bezorgdheid aankeek; maar die toch onder zijn doordringenden blik bloosde, en zacht hare hand terugtrok.In dit oogenblik trad de heer Peeters, directeur van het seminarie binnen, en begroette de dames op ongedwongen toon als een man van de wereld, hoewel zijne gebaren door ettelijke zonderlinge gewoonten gekenmerkt werden, die aan zijne hoffelijkheid eenigermate afbreuk deden. Zoo bracht hij gewoonlijk, hetzij hij den preekstoel in de kerk, of den katheder in de leerzalen besteeg, of dat hij zich voor iemand groetend boog, den duim der rechterhand vlak tegen de neusopeningen, terwijl hij den wijsvinger over den rug van den neus ettelijke malen van boven naar beneden liet glijden, als streelde hij dat reukorgaan. De jongere leerlingen, de bengels beweerden, dat, wanneer hij zoo deed, er vuurvonken uit zijne neusspits spoten.Eene tweede hebbelijkheid, die evenwel minder aardig gevonden werd, was, dat wanneer hij in het vuur van het gesprek was, of zich driftig maakte, hij zich alsdan met de beide middelvingers de ooghoeken bij den neus uitwreef, waarna hij een rood katoenen zakdoek uit zijn soutane te voorschijn haalde, en zijn gevel, dien hij vrij kolossaal had, met kracht snoot. Ging het vonkentrekken met het oogenpoetsen en het snuiten samen, of beter, volgden die drie bewegingen zonder tusschentempo achter elkander, dan was er een onweder aan de lucht, en was het hen, die iets op hun geweten hadden, geraden buiten zijn radius te blijven.[33]Hij was eene lange magere figuur, die met zijn „bonnet” op het hoofd en in zijn soutane gestoken, er uitzag als een parapluie in zijn foudraal. Van zijn neus gewaagden wij reeds; die was lang, smal en krom, en had veel van een pikhouweel. Boven een paar ascetisch bleeke wangen glinsterden een paar oogen, die wel eens onbescheiden kijken konden. „Het is, alsof hij iemand in de ziel leest,” zeiden de leerlingen.Toen hij naar den welstand der dames, naar dien van hare echtgenooten en verder kroost vernomen had, gaf hij aan het ongeduld dier moeders gehoor, en onderhield zich met haar over hare zoons, en was weldra in een druk gesprek gewikkeld. Hij had gelukkig niets dan goede berichten mede te deelen. De naam van geen der aanwezige jongelieden was in het „parloir” in het „tableau noir”, als aan een schandpaal opgehangen. Geen hunner had een „compareat”10ondergaan, d.w.z. dat hij op „numero treize,” de eet- en societeits-kamer van het doceerend personeel, door de gezamenlijke professoren en regenten wegens minder goed gedrag was onderhouden. Zelfs de lijst der „mauvais points” toonde een uiterst gunstig gemiddeld aan. Toen mevrouw Riethoven dan ook het verzoek voordroeg, of de vier jongelieden met hunne mama’s mochten gaan dineeren in een der restaurants in den omtrek, betuigde de directeur heel goedgunstig, dat bij hem tegen de inwilliging geen bedenkingen bestonden.„Maar eerst,” zeide hij met een fijnen glimlach, „zal ik de dames eens rondleiden in het gesticht. Allen, meen ik, hebben hier nog geen bezoek gebracht.”Daarop geleidde hij de bezoeksters, vergezeld van hare telgen, door de hooge kruisgangen rond, liet haar een blik werpen in het „refectoire”, waar men bezig was de tafels voor het middagmaal te dekken; in de verschillende[34]klassen- en studiezalen, in de gebedzaal, op de „dortoirs”, op de speelplaats, waar de jongelingschap, voorgegaan door hare leeraren, juist bezig was lichaam en geest heilzaam te ontspannen. Eindelijk bracht hij haar in de kerk, liet haar de „Crypte,” eene onderaardsche bedeplaats onder het koor zien, wees op de naaktheid van het „jubé,” de orgelplaats, die zich op vier dennenstammen verhief, die ter nauwernood van hunne schors ontdaan en ruw vierkant bekapt waren.„Onze kerkfabriek is zeer arm,” betuigde de eerwaarde gids. „Dat is meer dan armoede, dat is naaktheid.”Toen hij die woorden sprak, stond het gezelschap juist een oogenblik bij den zuidoostelijken ingang stil, om het geheele gebouw nog eens te overzien. Daar bij het wijwatersvat stond een offerstok met opschrift in groote letters: „pour l’église.” Mevrouw Riethoven gaf het voorbeeld, hetwelk door de drie andere dames gevolgd werd. Ieder harer liet een geldstuk, door de nauwe opening naar beneden vallen.Eindelijk was die bezichtiging afgeloopen. Het gezelschap bedankte den directeur voor zijn geleide, stapte de speelplaats over, en verliet het gesticht door de noordoosterpoort.Gedurende die wandeling door het zeer groote gebouw, waren de mama’s door den directeur bezig gehouden, en hadden zij onverdeeld hare aandacht gewijd aan zijne uitleggingen en inlichtingen. De zoons volgden en pruttelden niet weinig, dat van den schoonen dag, die hun beschoren was, nog zooveel verloren moest gaan om dat oude gebouw te bezichtigen. Lydia en Herman wandelden naast elkander. Waarover zij spraken? Helaas, het gesprek vlotte niet erg tusschen die twee. Er heerschte eenige schuchterheid, eene zekere bedeesdheid, die hen somwijlen op het onverwachtst blozen deed,[35]zonder dat er oorzaken toe bestonden; maar die toch zoo eene bekoorlijkheid voor hen bezat, dat geen van beiden er aan dacht, zich daaraan te onttrekken. Lydia vond wel, dat Herman van tijd tot tijd een langen doordringenden blik op haar vestigde, dat hij hare wezenstrekken dan in zich opnam, als het ware opzoog. Dat hinderde haar wel ietwat, dat deed haar blozen. Maar die blik eindigde steeds met een even hoog rood, hetwelk de wangen van den jongeling kleurde en dat streelde het jonge meisje.Toen het gezelschap de poort uitgetreden was, en de directeur hen verlaten had, staken de jongelieden in alle haast een sigaar op, en vormden zich tot groepjes. De mama’s namen hare zoons in beslag. Behalve het eerste oogenblik van ontmoeting in het „parloir” was er nog geen oogenblik van vertrouwelijkheid geweest. Nu haalden die moeders haar hart ter dege op. De vragen en antwoorden kruisten elkander allerwege, en menig antwoord werd bezegeld met menigen kus. Lydia wandelde aan de zijde van haren broeder voort. Toen zoowat de eerste mededeelingen geschied waren, betrok Herman dien broeder en het meisje in het gesprek, en zoo wandelde men gezellig keuvelend verder.De weg voerde aanvankelijk door eene dichte beukenlaan, die met haar frisch groen een lommerrijk gewelf over het pad vormde. Rechts en links strekte zich een boschje van hoog opgaande dennen uit, welker naaldenkruin onder den invloed van eene zachte bries liefelijk ruischte.„Dat is het „bosquet”, waarin wij in dit seizoen in de vrije middaguren veel vertoeven,” lichtte een der jongelieden toe.De weg splitste zich een eind verder in twee takken. De rechtsche werd ingeslagen. Die voerde om de groentetuinen[36]van het gesticht, daalde daarna een steilen heuvel van een paar honderd voet af, voerde tusschen een vijver en eene dichte haag door, die uitgestrekte weilanden afsloot, slingerde daarna om een heuvel, wier kruin met dennenboomen beplant was, en uit welker wanden arbeiders verblindend wit zand en fijn china-clay te voorschijn haalden, om naar de aardenwerkfabriek van den Heer Regout te Maastricht vervoerd te worden. Verder kromde de weg tusschen heggen van meidoorns door, die met haar witte bloemtuiltjes heerlijk geurden. Aan de linker zijde kregen de wandelaars een kasteeltje, of beter gezegd, een klein slot in het oog, dat zich op den top van een heuvel verhief. Herman vertelde aan zijne moeder en aan Lydia, dat dit het kasteel der Ridders van den Groenen Bok was, en wist daaraan eene wezenlijke boeiende Bokkenrijdersgeschiedenis vast te knoopen. Zijne moeder verbaasde zich over zijne mededeelzaamheid, die zoo afstak bij zijn gewone teruggetrokkenheid, maar bewonderdeveel meerde gemakkelijkheid, waarmede hij dat verhaal voordroeg, en de keuze van uitdrukkingen, die hij daarbij bezigde.Zoo was men het dorp Herzogenrath genaderd, hetwelk in een fraai dal gelegen was, waardoor de Worms vloot. Men wandelde dat dorp gedeeltelijk door, en besteeg den heuvel, die het dal aan de noordzij insloot, en waarover de fraaie steenweg leidde, die van Aken over de dorpen Herzogenrath en Geilenkirchen naarDüsseldorfvoerde, en in die dagen, toen de spoorbaan die twee steden nog niet verbond, een zeer gewichtige gemeenschapsader was.Vooral waren de dames niet rouwig, dat het einddoel van het uitstapje bereikt werd; want het kon eene gezonde wandeling genoemd worden, die zij afgelegd hadden; en het voortdurend klimmen en dalen, waartoe de[37]weg genoodzaakt had, had het zijne er toe bijgedragen, om haar zoo niet vermoeid te maken, dan toch naar een plekje te doen omzien, waar men eens gezellig bij elkander zou zitten. Dat plekje werd in hetGasthausvan Vorage gevonden, hetwelk vrij aardig op het kruispunt, waar evenbedoelde straatweg zich aan dien van Heerlen via Kerkrade naar Aken aansloot, gelegen was. Aan het diner, waarbij Herman gelegenheid had gevonden, Lydia tusschen hem en haren broeder in te plaatsen, en hij zijne moeder aan de andere zijde had, ging het over het algemeen vroolijk toe, hoewel eene zekere opgewondenheid bij den held van dit verhaal, de opmerkzaamheid niet ontgaan zou hebben, wanneer niet allen die eenigermate gedeeld hadden. De jongelingen waren opgetogen, dat zij voor een oogenblik aan den knellenden band der tucht, die in het seminarie heerschte, ontsnapt waren, en de mama’s waren overgelukkig, dewijl zij hare zoons zoo zagen genieten, dat de sporen er van op hunne wangen duidelijk zichtbaar waren.Lydia zat stil en ingetogen, als altijd, maar met welwillendheid te luisteren naar de verhalen van haren buurman, en kon nu en dan een glimlach niet onderdrukken, wanneer deze de eene of andere studentensnakerij voordroeg, en de onbetaalbare zetten mededeelde, die den heeren professoren gespeeld werden. Vooral wekte het luimige verhaal van de koddige tooneelen, welke op het laatste feest van de H. Katharina voorgevallen waren, een onbedwingbaren lachlust op. De jongelieden, die, na hunne Rhetorica voltooid te hebben, den wensch te kennen gaven, den geestelijken stand te omhelzen, volbrachten dan, alvorens naar het Groot Seminarie te Roermond over te gaan, een zoogenaamden „Cours inférieur en philosophie,” die twee jaren duurde, en werden alsdan door hunne medeleerlingen[38]„monsieur le philosophe” geheeten, hoewel hetgeen hun gedoceerd werd, evenveel op „philosophie” (wijsbegeerte) geleek, als de slaapmuts van den Grooten Turk het evenbeeld van de hedendaagsche tournure van eene jonge dame is.Nu was de H. Katharina—waarom, dat was niet bekend—de patrones der philosophen, en liepen dezen op dien dag gepareerd en gemaskerd door de kruisgangen van het seminarie, parodieerden min of meer geestig de regenten en professoren en aapten hen in hunne zwakheden na. Lydia proestte het eindelijk uit, toen Herman bij die voorstelling zijn neus tusschen duim en voorsten vinger nam, en dien behandelde, zooals zij straks den directeur Peeters had zien doen.Zoo spoedden die zalige uren voort.Eindelijk naderde het tijdstip om te vertrekken. Het kon een heele tocht heeten in die dagen, van Maastricht over Valkenburg, Klimmen, Heerlen en Kerkrade naar Rolduc te reizen. De dagen waren evenwel reeds lang, zoodat nog tot eene wandeling besloten werd. Het gezelschap bracht een bezoek aan Kerkrade, dronk daar koffie met de onvermijdelijke vla, en keerde van daar, langs een veldweg, die dwars door de vruchtbare graanakkers voerde, naar het seminarie terug. De dames brachten nog een bezoek aan den directeur om hem hare lievelingen aan te bevelen. De eerwaarde heer geleidde het gezelschap zeer vriendelijk naar het rijtuig, hetwelk gereed stond.In de laatste oogenblikken evenwel was Herman in het oogvallend somber en in zich zelven gekeerd geweest. Zijne opgewekte luim was geweken. Nu en dan sloeg hij een schuchteren blik op Lydia, die met een soort angst naar hem keek, alsof zij zich schuldig aan die stilzwijgendheid gevoelde. Het arme kind kon[39]onmogelijk bevroeden, hoe groote oorzaak zij van die sombere gemoedsstemming was.Toen het oogenblik daar was om afscheid te nemen, stak mevrouw Riethoven haren zoon de hand toe; ja, zij opende hem hare armen. Zonder op dat uitnoodigende gebaar te letten, keek hij haar met strakken blik aan.„Kom, Herman, het is tijd,” zei zijne moeder, „geef mij een zoen.”Zonder een woord te spreken, wendde Herman zich van haar af, trad op het rijtuig toe, waarvan het portier geopend stond, steeg er in, en nam plaats op de voorbank.„Ik ga meê naar Maastricht,” was het eenige antwoord, dat hij gaf.Allen stonden bij het rijtuig en lachten. Zij zagen dat antwoord voor een ui aan.„Er valt niet te lachen,” hernam hij. „Ik ga meê naar Maastricht.”„Het is nog geen vacantie,” antwoordde zijne moeder nog steeds met een glimlach.„Vacantie of niet,” sprak Herman met iets woest in zijne stem. „Vacantie of niet, ik ga meê naar Maastricht. Ik blijf hier niet meer!”In den toon van dat gezegde was zich niet te vergissen. Allen keken dan ook verbaasd op. De directeur Peeters niet het minst. Hij streek over zijn neus, wreef zich de ooghoeken uit, en de roode zakdoek was in aantocht.„Maar Herman, dat is de scherts te ver drijven,” zei zijne moeder. „Kom, stap uit, en laat ons instijgen. Wij moeten vertrekken, anders wordt het laat in den nacht, alvorens wij te huis zijn.”„Het is geen scherts, mameer!”„Maar, je plan dan om priester te worden?”„Ik word geen priester!”[40]„Geen priester?”„Neen!”Dat „neen” klonk afdoende als een hamerslag. Op zoo’n toon had mevrouw Riethoven zich nog nimmer door haren oudsten zoon hooren toespreken.„Maar, van waar die veranderde roeping!” kreet zij als in vertwijfeling.„Ja, van waar?” vroeg de directeur met ernstig gezicht, terwijl hij zijn neus tot bloedens toe wreef.„Van waar? Wilt ge dat weten?” vroeg Herman aan zijne moeder, zonder den directeur aan te zien.„Ja, mij dunkt dat ik, uwe moeder, van de oorzaken niet onkundig mag blijven!”De jongeling was doodsbleek geworden. Een oogenblik aarzelde hij. Maar tot onwaarheid spreken was hij niet in staat.„Welnu, ik ben verliefd op deze jonge dame,” sprak hij rad, als had hij haast die woorden te uiten, en met de hand naar Lydia wijzende.Het arme kind kleurde tot achter hare lieve oortjes. Onder die woorden trad zij achteruit, en bedekte zich het gelaat met beide handen.„En?” vroeg mevrouw Riethoven, met doordringenden blik op het jonge meisje.„O! kijk Lydia zoo verwijtend niet aan,” sprak Herman met nadruk. „Zij heeft hoegenaamd geen schuld aan mijne veranderde gevoelens. Kan zij het helpen, dat ik haar lief, grenzenloos lief heb? Hoe zij er over denkt, weet ik niet. Maar met zoo’n liefde in het hart, kan ik mij aan den altaardienst niet wijden. Dat ware heiligschennis!”„Mijn jonge vriend, mijn zoon, gij zoudt behooren tot de strijdende Kerk,” viel de directeur met zalving in. „Roep de Heilige Maagd aan!”[41]„Genoeg met dat gewauwel!” viel Herman barsch in. „Vade retro Satanas!”De directeur schokte onder die uitspraak. Zoo was hij nog nooit afgewezen. Hij zwaaide met zijn rooden zakdoek als met een noodvlag op eene sloep, die aan het zinken was. Dat „vade retro satanas” klonk den geestelijken heer schrikkelijk in de ooren.Er heerschte een oogenblik stilte. De drie mama’s hadden elkander aangestaard. Het geval was uiterst moeielijk. Mevrouw Riethoven zag een van haar heerlijkste droombeelden vernietigd. O! hoe dikwijls had zij in den geest met eene soort van verrukking het misoffer bijgewoond, en dan, door eene moederlijke verbijstering vervoerd, in den waan verkeerd, dat het haar zoon was, die daar het:Vere dignum et justum est11zong, of dat hij het was, die daar over de hostie bad:ecce agnus Dei, qui tollit peccata mundi.12O! als zij dat eens in werkelijkheid had kunnen zien! En nu was dat alles weg! Iedere illusie verdwenen. Een traan blonk in haar oog. Zij vermande zich evenwel. Zij begreep dat bij afwezigheid van haren echtgenoot zij handelen moest.„Van een meêgaan naar Maastricht,” sprak zij met vaste stem, „kan geen sprake zijn. Vooreerst, is er geen plaats in het rijtuig. Wij zijn met ons vieren.…”„Is het niet anders,” was het antwoord. „Ik kan bij den koetsier op den bok gaan zitten.”In een wip was Herman uitgestegen, en wilde aan zijn voornemen gevolg geven.„Maar luister dan toch,” sprak de moeder en greep haren zoon bij den arm. „Ik herhaal het, van een meêgaan naar Maastricht kan geen sprake wezen. Die verandering van roeping gaat mij te snel in zijn werk. Die is slechts het gevolg van een oogenblik.”„Dat is zij! Daarin hebt ge gelijk, mameer. Maar ik[42]gevoel het, nimmer zal ik meer veranderen. Ik heb met het priesterschap afgerekend.”De heer Peeters sloeg de oogen hemelwaarts. Hij riep bijstand van boven, en zwaaide daarbij de noodvlag met nog meer hevigheid dan vroeger.„Daar ben ik nog niet zeker van,” hernam de moeder. „Nog niet lang geleden spraakt gij met even veel overtuiging in tegenovergestelde richting.… Wat zou uw vader zeggen, wanneer wij u nu meê thuis brachten? Wat de geheele stad? Zoo midden in den cursus! Iedereen zou meenen, dat ge weggejaagd waart!”„Wat gaat mij de opinie van zoo’n kleine kwaadsprekerige stad aan!”„Gij moogt er over denken, zooals gij wilt. Ik hecht voor uwe toekomst te veel aan uwe reputatie. Kort en goed.…”Hier hikte de arme moeder, de stem begaf haar.… Zij hervatte een poos daarna, maar met tranen in de oogen:„Gij weet, hoe gaarne ik gezien had, dat gij u aan den dienst des Heeren zoudt gewijd hebben.…”„Mameer! moeder! ga zoo niet voort. Geen tranen, o! wat ik u bidden mag! Gij zoudt mij tot iets overhalen, dat oorzaak van naamloos wee in dit leven, van mijne verdoemenis in het andere zoude zijn!”De moeder ijsde bij het hooren van die hartstochtelijke taal. De directeur sloeg een kruis.„Val mij niet in de reden,” ging mevrouw Riethoven voort. „Wat ook mijn wensch moge zijn, nimmer zou ik willen, dat één mijner kinderen een stand tegen zijn zin zoude aanvaarden. Wilt gij dus verandering in uwe bestemming brengen, mij wel. Ik zal mij niet tegen uwen wensch verzetten. Wat ik alleen verg, is, dat gij niet overijld handelt.”[43]„Ik handel niet overijld, beste moeder. Ik handel volgens de inspraak van mijn geweten!”„Gij blijft hier, tot de groote vacantie,” sprak de moeder met vaste stem. „Blijft gij dan bij uwe meening om uwe studiën te staken!…”„Mijne studiën staken,” riep Herman vertwijfelend uit. „Mijne studiën voortzetten, meent ge, maar van doelwit veranderen …?”De directeur deed der vrome vrouw een onmerkbaar teeken. Zij antwoordde haar zoon niet, maar ging voort.„… Dan blijft ge volkomen vrij.”„Wat zegt juffrouw Lydia,” vroeg Herman met vertwijfeling.„Ik!… ik zou raad geven in een strijd, waarin ik mij mijns ondanks gesleept zie?” kreet snikkend het arme kind. „Ik kan ternauwernood denken.… hoe zou ik raad kunnen geven?.…”Zij stikte bijna in hare tranen, vloog het rijtuig in en verborg daar haar gelaat in hare handen.„Aan dat tooneel moet een einde komen, Herman,” sprak mevrouw Riethoven. „Geef mij een hand. Kom, dames, stapt in. En nu.… mijn jongen.… houd moed.… Vaarwel!”Herman rukte zich uit de omhelzing zijner moeder los, sprong het rijtuig in, sloot Lydia met woest gebaar in zijne armen, overdekte haar voorhoofd, hare wangen, hare lippen met vurige kussen. Het arme kind had de macht niet zich te weer te stellen. Toen sprong hij op den grond, bedekte zich het gelaat met beide handen, en liet zich door zijne makkers gedwee naar binnen leiden. De koetsier legde de zweep over de paarden, en in een oogwenk was het rijtuig uit het oog verdwenen.[44]

Ettelijke maanden waren sedert dematinée musicalevoorbijgegaan, waarvan in het vorig hoofdstuk werd gewaagd. De vacantie der seminaristen van Rolduc was voorbij gespoed. Het was nu November, en daar onder de sombere gewelven van die kweekschool van geestelijken was de somberheid van het saisoen nog vermeerderd door de uitspattingen van menschelijke dwaasheid.

Herman was daar teruggekeerd. Zooals hij aan Frank betuigd had, was hij daags na zijn bezoek bij de ruïne van Lichtenberg, alwaar hij een engelenkopje in het verschiet gezien had, den biechtstoel genaderd, en had daar zijn hart uitgestort, en zijn biechtvader een blik gegund op hetgeen in dat hart omging.

„Alle kwaad is der wereld van wege de vrouw overkomen!” had de eerwaarde heer gepreveld, en daarbij niet bedacht dat hij eene moeder had of althans gehad had.

„Verootmoedig u voor den Heer,” had hij er bijgevoegd. „Vraag hem sterkte in uwen strijd. Maar wend u voornamelijk tot de moeder Gods. Zij, de kuische Maagd, moet u in uwe zwakheid schragen!”

De raad werd verder gegeven om dikwijls de genademiddelen[23]der H. Kerk te naderen, dikwijls het gemoed in den biechtstoel uit te storten, en dikwijls het Brood der engelen te nuttigen.

„Vervalt gij, al is het nog zoo onwillekeurig, in onbetamelijke gedachten ten opzichte van haar, die God slechts schiep om onze standvastigheid in den strijd tegen de vleeschelijke lusten te beproeven, bid dan, bid veel, bid altijd, bid vurig, bid aanhoudend. Gij hebt maar één wapen, dat is het gebed. En mocht ge in den strijd bezwijken, en een oogenblik van genoegen bij die gedachte ondervinden, haast u dan naar den biechtstoel. Laat nimmer de zon ondergaan zonder uwe ziel gereinigd te hebben. Het kleinste spatje op het gebied van onkuischheid breidt zich als eene olievlek uit, en bederft weldra de geheele ziel.”

En de vrome jongeling had gebeden, had gebiecht, had zelfs bij de reinste gedachte aan het liefelijk wezen, hetwelk hij op zijn pad ontmoette, zijn gemoed bezwaard gevoeld, had voor eene uiting van onkuischheid beschouwd, als de fraaie gestalte voor zijn oog verrees in al hare reinheid aan een engel Gods gelijk. Dan had hij tranen gestort, dan had hij zich voor den Heer verdemoedigd, dan had hij de hulp van de Heilige Maagd ingeroepen, en was er zoo toe gekomen om zijn gemoed onder een kunstmatig juk te dwingen. Zoo was hij tot de meening geraakt, dat hij den vleeschduivel meester zou blijven. Weg uit dat gemoed iedere dichterlijke vlucht! dat was slechts betoovering der zinnen, dat was slechts verzoeking van den booze, die zoo trachtte de liefde in zijn hart te doen sluipen, in dat hart dat voor alle wereldschegeneugtengesloten moest zijn, in dat hart, hetwelk slechts ontvlammen mocht voor zijn’ Schepper. Liefde?… Hij! liefde koesteren voor een schepsel?… Hij?… de bruidegom des Heeren!… Nooit!… nooit![24]

„Nooit! nooit!” ruischte hem de doffe echo na in de Crypte7waarin hij, voor het altaar geknield liggende, soms die verzuchtingen slaakte. „Nooit! nooit!” herhaalden die sombere wanden, die zoo dikwijls dergelijke betuigingen opgevangen hadden, en ze telkens terugkaatsten, als weigerden zij er akte van te nemen.

De strijd was evenwel bang en zwaar. O! hoe dikwijls rees niet het verboden beeld voor zijne ziel!

Ontmoette hij op de wandelingen, die door de seminaristen tweemaal ’s weeks onder geleide van een paar professoren of regenten, des dinsdags en des donderdags namiddag in den omtrek ondernomen werden, eene vrouwengestalte, dan reeds van heel in de verte, lang reeds voor dat de omtrekken van het mensch in hunne bijzonderheden te onderscheiden waren, nam die gestalte in zijne verbeelding Lydia’s gedaante aan. Hij mocht dan God smeeken en de H. Maagd te hulp roepen, hij kon onmogelijk de oogen afwenden van de naderende, totdat hij, als ontwaakte hij uit een droom, ontnuchterd erkennen moest, dat die gestalteharegestalte niet, dat het soms die eener oude boerin was. Grimmig, ja teleurgesteld, wendde hij dan den blik af, om evenwel weinige oogenblikken later dezelfde poets van wege zijne opgewekte verbeelding te ondervinden. Waarlijk, hij vond dat Professor Canoy8groot gelijk had, toen hij de jongelieden op een door hen gedaan verzoek antwoordde:

„Ik zou onze wandelingen wel door den kom der dorpen geleiden, als ik ieder uwer een blinddoek voor de oogen kon binden.”

De wensch was onuitvoerbaar; men kon geen driehonderd à driehonderd vijftig jongelingen blindemannetje laten spelen.

Sloeg de benarde zijne oogen tot een Maria-beeld op, dan nam dat beeld Lydia’s trekken aan. Bad hij de[25]litanie van alle Heiligen, dan gebeurde het hem schier altijd, dat hij bij de opsomming der H.H. Maagden met even veel godsvrucht prevelde: „Sancta Lydia, ora pro nobis.”9

Zoo was de maand November genaderd. In die maand had de gewoonlijke jaarlijkscheretraiteplaats. Dat was het tijdperk om voor goed van alle zondige gedachten afscheid te nemen. Met onnavolgbare geestdrift volgde Herman alle de geestelijke oefeningen gedurende die negendaagsche boetedoening. Met de meest mogelijke aandacht luisterde hij naar de godsdienstige verhandelingen en sermoenen, door een paar paters redemptoristen, daartoe speciaal overgekomen, gehouden. Hij onderwierp zich goedsmoeds aan het strenge vasten gedurende dienretraite-tijd, betrachtte ook stipt het diepste stilzwijgen, hetwelk gedurende die dagen in het groote gesticht allerwege heerschen moest, en eindigde die boetedoening evenals al de andere leerlingen met eene algemeene biecht, die reiniging der ziel, zooals zij te Rolduc genoemd werd, die „ketelschuring” zooals de volbloed Maastrichtenaars haar heetten. Toen voelde hij zich als herboren. De pater, bij wien hij die algemeene biecht afgelegd had, had hem den ketel zoowel in- als uitwendig zoodanig geschuurd, en met grof zand ook, dat iedere gedachte aan Lydia uit zijne ziel verbannen bleef. En verrees het liefelijke beeld nog een enkelen keer voor zijne oogen, dan had hij de wilskracht om zijn geest daaraan te onttrekken, en had zijn:retro Satanasalle succes. De pater had hem eene „disciplien”, in minder gewijde bewoordingen: „zweep,” ter hand gesteld, waarmede hij zich iederen avond het vleesch kastijden moest, wanneer hij over zichzelven niet tevreden was. Dat middel, met alle godsvrucht toegepast, had geholpen. De herinnering aan de striemende slagen, op de naakte huid toegebracht,[26]gaf hem kracht om iedere gedachte aan de lieve Lydia terstond op de vlucht te drijven. De keuze was ook te bar tusschen zweepslagen en.… eenige dichterlijke droomerijen betreffende een jong meisje. Het middel was bepaald als probaat aan te bevelen.

Met zijne nadering tot de tafel des Heeren na die algemeene biecht was hij, volgens zijne meening, een nieuw leven ingetreden en had den ouden mensch afgelegd. Met ijver zette hij zijne studiën voort, en verwierf van de superieuren van het seminarium de meest ondubbelzinnige teekenen van tevredenheid niet alleen over zijne vorderingen, maar vooral over zijn gedrag en zijne godsvrucht, die als voorbeeldig geroemd werden. Zelfs de regent Schlietz, de leeraar der zesde klasse, die de Maastrichtsche jongelieden een niet te miskennen haat toedroeg, en zich vaak niet ontzag om bij wijze van gebed met luider stem te prevelen:des paresseux de Maastricht, délivrez nous Seigneur, getuigde van onzen Herman in het taaleigen van de inrichting:qu’il était un saint jeune homme, hetgeen bij sommige der leerlingen, evenwel niet altijd juist, beteekende, dat hij, wien die getuigenis betrof, een huichelaar en een verklikker was.

De winter spoedde voorbij, en het voorjaar brak aan. Natuurlijk had Herman, toen hij met de Paaschvacantie te Maastricht verscheen, zijne godsdienstige plichten, voor het Opstandingsfeest voorgeschreven, te Rolduc stipt volbracht. Maar toch de Heilige week, de „Passie-week”, bracht hij grootendeels in de parochie-kerken door, ongeacht de bezoeken, die hij in andere bidoorden, zooals in de kerk der Paters Jesuiten op de Tongersche straat en de kapel der Broeders van den Heiligen Vincentius in den Capucijner gang, aflegde. Hij woonde de „lijdens-meditatiën” in de Sint Servaas-kerk bij; was op Witten Donderdag in de O. L. Vrouwekerk,[27]ter herinnering aan de instelling van het H. Avondmaal, in aanbidding voor het H. Sakrament verzonken, volgde op Goeden Vrijdag in de Sint Mathiaskerk de kruisvinding en juichte zijn ziel het „Hallelujah” op Paaschdag in de Sint Maartens-kerk, in de voorstad Wijk, mede. Maar gedurende de twee weken, die op Paschen volgden, was het infaam slecht weer, een van die stormachtige lentes, die ons Nederland zoo vaak vertoont. Hij ging toen weinig uit, en zoo verliep de drieweeksche vacantie, zonder dat hij Lydia te zien kreeg, zonder dat hem gelegenheid geopend werd afdoend te bewijzen, dat hij den vleeschduivel onder den knie had. Er mag niet verheeld worden, dat hij hoegenaamd geen poging deed om het lieve kopje in het oog te krijgen. Zelfs had hij zich, onder het voorwendsel van naar het Lof te moeten, er van afgemaakt om zijne ouders te vergezellen op eene koffie visite bij de familie Fraenkel. Wantrouwde hij zijne zwakheid? Dan was de overwinning niet volkomen!

De maand Mei—die maand van Maria—bood onzen Herman heerlijke geneuchten aan. Met wat ijver had hij niet geholpen om het altaar, dat te Rolduc midden in de kerk opgericht was, en waarop het Moeder Godsbeeld prijkte, te versieren. Al de planten van de broeikas waren naar de kerk verhuisd, en inderdaad was de heuvel van veelkleurige Geraniums en Begonia’s, waarop of beter waartusschen het Mariabeeld, zelve uitermate fraai uitgedoscht, geplaatst was, zeer smaakvol aangelegd. Hoe geestdriftvol stemde Herman met den lofzang in:

C’est le mois de Marie,C’est le mois le plus beau!A la Vierge chérieDisons un chant nouveau!

C’est le mois de Marie,

C’est le mois le plus beau!

A la Vierge chérie

Disons un chant nouveau!

[28]

wanneer de gezamenlijke leerlingen des avonds nog een bezoek brachten aan de kleine kapel der H. Maagd gewijd, op een kleinen afstand ten zuidwesten van het gesticht aan een kruisweg gelegen, en daar die werkelijk fraaie Hymne uit volle borst zongen. Met hoeveel godsvrucht volgde hij de „conférences,” die gedurende die maand gehouden werden, en waarin de deugden, de hoedanigheden, de eigenschappen van de Godsmoeder haarfijn uitgeplozen werden, en zich ten slotte in eene algemeene verheerlijking oplosten.

Bij een dier „conférences” had de Professor der Rhetorica Jansen het over de kuischheid der H. Maagd gehad. Hij legde uit, dat die deugd bij Haar allesoverheerschend was, dat zij die steeds en altijd betracht had, en zich zelfs in het huwelijk kuisch en rein had weten te bewaren. In fraaie oratorische wendingen wees hij er op, dat zij daardoor Gods genade deelachtig was geworden, en uitverkoren werd om de Maagd-moeder te zijn bij de vleeschwording van den Verlosser, die der wereld beloofd was. Dit gaf aanleiding om over de zegeningen der kuischheid uit te wijden; den heilstaat te beschrijven, die er uit voortvloeit; hoe welgevallig het Opperwezen neerziet op hem, die steeds met dat reine kleed getooid blijft; hoe de engelen in den hemel in dien heilstaat verkeeren, enz. enz. Daarna ging hij met de tegenstelling voort. Hij schilderde de schandelijkheid der onkuischheid; welken gruwel zij in Gods oogen was; hoe zij de grondoorzaak was van alle andere ondeugden, ja van alle andere misdaden, en eindigde zijne verhandeling met voor den aanblik der vrouw te waarschuwen, en haar af te schilderen als de bron van iedere onkuische gedachte en bijgevolg van alle kwaad.

Het was een hachelijk onderwerp geweest, hetwelk daar ten gehoore van al die jongelieden gebracht was. Toch[29]had Professor Jansen zich met de meeste kieschheid en met takt van die taak gekweten. Door het meerendeel van hen, die hem begrijpen konden, was meer gelet geworden op de oratorische kunstgrepen, die hij vertoond had, dan wel op den inhoud zijner „conférence.” Slechts één had hem in zijne redeneering gevolgd, had de spitsvondigheden in zich opgenomen. En die één was Herman. Met hijgend hart had hij die uitweidingen over den heilstaat der kuischheid aangehoord; het bloed was hem daarbij naar de wangen gestegen. Hij begreep en voelde, dat slechts eene Maagd de moeder van Christus kon zijn. Hij genoot met de engelen in de reine sfeer, die zij daar om Gods troon bevolkten. Maar hij ijsde ook bij de gedachte aan het lot van den ontuchtige, en zag in zijne verbeelding bij de woeste schilderij het vertoornde gelaat van den Almachtige, die den onkuische uitspuwt, en hem voor eeuwig ten vuurhelle doemt. Hij stemde volkomen met de slotperiode der verhandeling in, namelijk dat de vrouw de bron is van alle kwaad en eindigde, toen Professor Jansen zijne rede met een kort gebed besloot, met wellicht voor de honderdste maal de belofte in zijn binnenste te prevelen: van immer kuisch te blijven en zich van iederen omgang met het andere geslacht te onthouden.

De mensch wikt, maar God beschikt! Dat zou hij al spoedig ondervinden.

Weinige dagen later riep men Herman in het „parloir”.

„Uwe mama is er,” had hem de portier gezegd.

Juist was het eerste klassenuur afgeloopen en verliet professor Canoy den katheder. Herman vroeg en verkreeg verlof om dien dag vrijaf te hebben, ten einde hem aan zijne moeder te kunnen wijden. Daarop spoedde hij naar de spreekkamer.[30]

Toen hij daar binnentrad, stonden een viertal vrouwengestalten met den rug naar de deur, een der vele teekeningen die daar aan den wand te pronk hingen en door de leerlingen gemaakt waren, te bewonderen. In een dier gestalten kon hij zich niet vergissen. Bij het opengaan der deur daarenboven dwong haar hart haar zich om te keeren. Dat was Herman’s moeder! Zij vloog haar kind om den hals, en al was het ook nauwelijks zes weken geleden, dat haar zoon Maastricht verliet, om na de Paaschvacantie naar Rolduc terug te keeren, toch prangde zij hem met onstuimigheid aan haar hart. Twee der andere dames waren ook mamatjes, die met verlangen naar het verschijnen harer telgen uitkeken. De vierde had zich bij het opengaan der deur niet omgekeerd. Was het toeval of opzet? Zij bleef naar de teekeningen aan den muur kijken.

Toen Herman zijne moeder omhelsd had, trad hij op de overige dames toe om haar te begroeten.

„Waar blijft Henri?” zei de een.

„Waar blijft Gustaaf?” vroeg de andere even ongeduldig.

„Ik weet het niet, dames,” antwoordde Herman. „Zal ik eens bij den portier informeeren of hij hen, evenals hij mij deed, gewaarschuwd heeft?”

Het was niet noodig. De beide bedoelde jongelieden stormden in dit oogenblik het parloir in, en lagen weldra vreugdedronken in de armen hunner mama’s besloten.

Boven moederliefde gaat niets!

Inmiddels was Herman de andere dame, die nog steeds de teekeningen stond te bewonderen, genaderd, om ook jegens haar de beleefdheidsvormen te betrachten. Deze keerde zich juist om.

„Lydia!” ontsnapte bijna met een kreet aan Hermans mond.[31]

Hij had nog juist tegenwoordigheid van geest genoeg om dien half te smoren. Maar een oogenblik bleef hij stokstijf met gesloten oogen voor de jonge dame staan. Gelukkig, dat de algemeene aandacht op de pas binnengekomen jongelingen gevestigd was.

Ja, het was Lydia! Toen zij vernam, dat mevrouw Riethoven, de beste vriendin harer moeder, met nog een paar dames hare zoons in het seminarie een bezoek gingen brengen, had zij verzocht meê te mogen rijden. Zij had een broeder, die daar ook studeerde, en evenals Herman in de Rhetorica was. Zonder aarzeling had mevrouw Riethoven dat verzoek toegestaan. Deze had geen de minste gedachte van hetgeen er in de ziel van haar kind omging. Had zij dat kunnen gissen, dan zou zij, bij haar innig verlangen om een harer kinderen zich aan den altaardienst te zien wijden, Lydia voorzeker geweigerd hebben.

Het jonge meisje zelve wist ook niet, wat er in het gemoed van den jongeling omging. Zij was nog kortgeleden van de kostschool der Ursulinen-zusters te Maaseyk voor goed te huis gekomen, en was zich volkomen onbewust, welken hartstocht hare fraaie zwarte oogen ontvonkt hadden. Zij had, toen zij zich omkeerde, den gedempten kreet van den jongeling gehoord, waarbij hij haar naam uitsprak; zij had hem zien verbleeken en de oogen sluiten. Hoe jeugdig ook, hoe onervaren omtrent hetgeen er in de wereld omging, werd toch haar vrouwelijk gevoel wakker. Meenende evenwel, dat de jongeling plotseling onwel werd, trad zij op hem toe:

„Zijt gij ongesteld?” vroeg zij deelnemend, terwijl zij hem bij de hand vatte.

Een schok voer hem door de ledematen bij die aanraking. Hij opende de oogen, greep die hand, drukte en kneedde haar met zenuwachtige woestheid, en fluisterde zacht:[32]

„Neen, het is niets! Het is al weer over!.… Eene duizeligheid … dat is alles!… In Gods naam, wees stil … Laat mijne moeder er niets van merken. Zij zou zich ongerust maken.”

Hij sloeg de oogen op het lieftallige gelaat van de rijzige jonkvrouw, die hem nog altijd met eenige bezorgdheid aankeek; maar die toch onder zijn doordringenden blik bloosde, en zacht hare hand terugtrok.

In dit oogenblik trad de heer Peeters, directeur van het seminarie binnen, en begroette de dames op ongedwongen toon als een man van de wereld, hoewel zijne gebaren door ettelijke zonderlinge gewoonten gekenmerkt werden, die aan zijne hoffelijkheid eenigermate afbreuk deden. Zoo bracht hij gewoonlijk, hetzij hij den preekstoel in de kerk, of den katheder in de leerzalen besteeg, of dat hij zich voor iemand groetend boog, den duim der rechterhand vlak tegen de neusopeningen, terwijl hij den wijsvinger over den rug van den neus ettelijke malen van boven naar beneden liet glijden, als streelde hij dat reukorgaan. De jongere leerlingen, de bengels beweerden, dat, wanneer hij zoo deed, er vuurvonken uit zijne neusspits spoten.

Eene tweede hebbelijkheid, die evenwel minder aardig gevonden werd, was, dat wanneer hij in het vuur van het gesprek was, of zich driftig maakte, hij zich alsdan met de beide middelvingers de ooghoeken bij den neus uitwreef, waarna hij een rood katoenen zakdoek uit zijn soutane te voorschijn haalde, en zijn gevel, dien hij vrij kolossaal had, met kracht snoot. Ging het vonkentrekken met het oogenpoetsen en het snuiten samen, of beter, volgden die drie bewegingen zonder tusschentempo achter elkander, dan was er een onweder aan de lucht, en was het hen, die iets op hun geweten hadden, geraden buiten zijn radius te blijven.[33]

Hij was eene lange magere figuur, die met zijn „bonnet” op het hoofd en in zijn soutane gestoken, er uitzag als een parapluie in zijn foudraal. Van zijn neus gewaagden wij reeds; die was lang, smal en krom, en had veel van een pikhouweel. Boven een paar ascetisch bleeke wangen glinsterden een paar oogen, die wel eens onbescheiden kijken konden. „Het is, alsof hij iemand in de ziel leest,” zeiden de leerlingen.

Toen hij naar den welstand der dames, naar dien van hare echtgenooten en verder kroost vernomen had, gaf hij aan het ongeduld dier moeders gehoor, en onderhield zich met haar over hare zoons, en was weldra in een druk gesprek gewikkeld. Hij had gelukkig niets dan goede berichten mede te deelen. De naam van geen der aanwezige jongelieden was in het „parloir” in het „tableau noir”, als aan een schandpaal opgehangen. Geen hunner had een „compareat”10ondergaan, d.w.z. dat hij op „numero treize,” de eet- en societeits-kamer van het doceerend personeel, door de gezamenlijke professoren en regenten wegens minder goed gedrag was onderhouden. Zelfs de lijst der „mauvais points” toonde een uiterst gunstig gemiddeld aan. Toen mevrouw Riethoven dan ook het verzoek voordroeg, of de vier jongelieden met hunne mama’s mochten gaan dineeren in een der restaurants in den omtrek, betuigde de directeur heel goedgunstig, dat bij hem tegen de inwilliging geen bedenkingen bestonden.

„Maar eerst,” zeide hij met een fijnen glimlach, „zal ik de dames eens rondleiden in het gesticht. Allen, meen ik, hebben hier nog geen bezoek gebracht.”

Daarop geleidde hij de bezoeksters, vergezeld van hare telgen, door de hooge kruisgangen rond, liet haar een blik werpen in het „refectoire”, waar men bezig was de tafels voor het middagmaal te dekken; in de verschillende[34]klassen- en studiezalen, in de gebedzaal, op de „dortoirs”, op de speelplaats, waar de jongelingschap, voorgegaan door hare leeraren, juist bezig was lichaam en geest heilzaam te ontspannen. Eindelijk bracht hij haar in de kerk, liet haar de „Crypte,” eene onderaardsche bedeplaats onder het koor zien, wees op de naaktheid van het „jubé,” de orgelplaats, die zich op vier dennenstammen verhief, die ter nauwernood van hunne schors ontdaan en ruw vierkant bekapt waren.

„Onze kerkfabriek is zeer arm,” betuigde de eerwaarde gids. „Dat is meer dan armoede, dat is naaktheid.”

Toen hij die woorden sprak, stond het gezelschap juist een oogenblik bij den zuidoostelijken ingang stil, om het geheele gebouw nog eens te overzien. Daar bij het wijwatersvat stond een offerstok met opschrift in groote letters: „pour l’église.” Mevrouw Riethoven gaf het voorbeeld, hetwelk door de drie andere dames gevolgd werd. Ieder harer liet een geldstuk, door de nauwe opening naar beneden vallen.

Eindelijk was die bezichtiging afgeloopen. Het gezelschap bedankte den directeur voor zijn geleide, stapte de speelplaats over, en verliet het gesticht door de noordoosterpoort.

Gedurende die wandeling door het zeer groote gebouw, waren de mama’s door den directeur bezig gehouden, en hadden zij onverdeeld hare aandacht gewijd aan zijne uitleggingen en inlichtingen. De zoons volgden en pruttelden niet weinig, dat van den schoonen dag, die hun beschoren was, nog zooveel verloren moest gaan om dat oude gebouw te bezichtigen. Lydia en Herman wandelden naast elkander. Waarover zij spraken? Helaas, het gesprek vlotte niet erg tusschen die twee. Er heerschte eenige schuchterheid, eene zekere bedeesdheid, die hen somwijlen op het onverwachtst blozen deed,[35]zonder dat er oorzaken toe bestonden; maar die toch zoo eene bekoorlijkheid voor hen bezat, dat geen van beiden er aan dacht, zich daaraan te onttrekken. Lydia vond wel, dat Herman van tijd tot tijd een langen doordringenden blik op haar vestigde, dat hij hare wezenstrekken dan in zich opnam, als het ware opzoog. Dat hinderde haar wel ietwat, dat deed haar blozen. Maar die blik eindigde steeds met een even hoog rood, hetwelk de wangen van den jongeling kleurde en dat streelde het jonge meisje.

Toen het gezelschap de poort uitgetreden was, en de directeur hen verlaten had, staken de jongelieden in alle haast een sigaar op, en vormden zich tot groepjes. De mama’s namen hare zoons in beslag. Behalve het eerste oogenblik van ontmoeting in het „parloir” was er nog geen oogenblik van vertrouwelijkheid geweest. Nu haalden die moeders haar hart ter dege op. De vragen en antwoorden kruisten elkander allerwege, en menig antwoord werd bezegeld met menigen kus. Lydia wandelde aan de zijde van haren broeder voort. Toen zoowat de eerste mededeelingen geschied waren, betrok Herman dien broeder en het meisje in het gesprek, en zoo wandelde men gezellig keuvelend verder.

De weg voerde aanvankelijk door eene dichte beukenlaan, die met haar frisch groen een lommerrijk gewelf over het pad vormde. Rechts en links strekte zich een boschje van hoog opgaande dennen uit, welker naaldenkruin onder den invloed van eene zachte bries liefelijk ruischte.

„Dat is het „bosquet”, waarin wij in dit seizoen in de vrije middaguren veel vertoeven,” lichtte een der jongelieden toe.

De weg splitste zich een eind verder in twee takken. De rechtsche werd ingeslagen. Die voerde om de groentetuinen[36]van het gesticht, daalde daarna een steilen heuvel van een paar honderd voet af, voerde tusschen een vijver en eene dichte haag door, die uitgestrekte weilanden afsloot, slingerde daarna om een heuvel, wier kruin met dennenboomen beplant was, en uit welker wanden arbeiders verblindend wit zand en fijn china-clay te voorschijn haalden, om naar de aardenwerkfabriek van den Heer Regout te Maastricht vervoerd te worden. Verder kromde de weg tusschen heggen van meidoorns door, die met haar witte bloemtuiltjes heerlijk geurden. Aan de linker zijde kregen de wandelaars een kasteeltje, of beter gezegd, een klein slot in het oog, dat zich op den top van een heuvel verhief. Herman vertelde aan zijne moeder en aan Lydia, dat dit het kasteel der Ridders van den Groenen Bok was, en wist daaraan eene wezenlijke boeiende Bokkenrijdersgeschiedenis vast te knoopen. Zijne moeder verbaasde zich over zijne mededeelzaamheid, die zoo afstak bij zijn gewone teruggetrokkenheid, maar bewonderdeveel meerde gemakkelijkheid, waarmede hij dat verhaal voordroeg, en de keuze van uitdrukkingen, die hij daarbij bezigde.

Zoo was men het dorp Herzogenrath genaderd, hetwelk in een fraai dal gelegen was, waardoor de Worms vloot. Men wandelde dat dorp gedeeltelijk door, en besteeg den heuvel, die het dal aan de noordzij insloot, en waarover de fraaie steenweg leidde, die van Aken over de dorpen Herzogenrath en Geilenkirchen naarDüsseldorfvoerde, en in die dagen, toen de spoorbaan die twee steden nog niet verbond, een zeer gewichtige gemeenschapsader was.

Vooral waren de dames niet rouwig, dat het einddoel van het uitstapje bereikt werd; want het kon eene gezonde wandeling genoemd worden, die zij afgelegd hadden; en het voortdurend klimmen en dalen, waartoe de[37]weg genoodzaakt had, had het zijne er toe bijgedragen, om haar zoo niet vermoeid te maken, dan toch naar een plekje te doen omzien, waar men eens gezellig bij elkander zou zitten. Dat plekje werd in hetGasthausvan Vorage gevonden, hetwelk vrij aardig op het kruispunt, waar evenbedoelde straatweg zich aan dien van Heerlen via Kerkrade naar Aken aansloot, gelegen was. Aan het diner, waarbij Herman gelegenheid had gevonden, Lydia tusschen hem en haren broeder in te plaatsen, en hij zijne moeder aan de andere zijde had, ging het over het algemeen vroolijk toe, hoewel eene zekere opgewondenheid bij den held van dit verhaal, de opmerkzaamheid niet ontgaan zou hebben, wanneer niet allen die eenigermate gedeeld hadden. De jongelingen waren opgetogen, dat zij voor een oogenblik aan den knellenden band der tucht, die in het seminarie heerschte, ontsnapt waren, en de mama’s waren overgelukkig, dewijl zij hare zoons zoo zagen genieten, dat de sporen er van op hunne wangen duidelijk zichtbaar waren.

Lydia zat stil en ingetogen, als altijd, maar met welwillendheid te luisteren naar de verhalen van haren buurman, en kon nu en dan een glimlach niet onderdrukken, wanneer deze de eene of andere studentensnakerij voordroeg, en de onbetaalbare zetten mededeelde, die den heeren professoren gespeeld werden. Vooral wekte het luimige verhaal van de koddige tooneelen, welke op het laatste feest van de H. Katharina voorgevallen waren, een onbedwingbaren lachlust op. De jongelieden, die, na hunne Rhetorica voltooid te hebben, den wensch te kennen gaven, den geestelijken stand te omhelzen, volbrachten dan, alvorens naar het Groot Seminarie te Roermond over te gaan, een zoogenaamden „Cours inférieur en philosophie,” die twee jaren duurde, en werden alsdan door hunne medeleerlingen[38]„monsieur le philosophe” geheeten, hoewel hetgeen hun gedoceerd werd, evenveel op „philosophie” (wijsbegeerte) geleek, als de slaapmuts van den Grooten Turk het evenbeeld van de hedendaagsche tournure van eene jonge dame is.

Nu was de H. Katharina—waarom, dat was niet bekend—de patrones der philosophen, en liepen dezen op dien dag gepareerd en gemaskerd door de kruisgangen van het seminarie, parodieerden min of meer geestig de regenten en professoren en aapten hen in hunne zwakheden na. Lydia proestte het eindelijk uit, toen Herman bij die voorstelling zijn neus tusschen duim en voorsten vinger nam, en dien behandelde, zooals zij straks den directeur Peeters had zien doen.

Zoo spoedden die zalige uren voort.

Eindelijk naderde het tijdstip om te vertrekken. Het kon een heele tocht heeten in die dagen, van Maastricht over Valkenburg, Klimmen, Heerlen en Kerkrade naar Rolduc te reizen. De dagen waren evenwel reeds lang, zoodat nog tot eene wandeling besloten werd. Het gezelschap bracht een bezoek aan Kerkrade, dronk daar koffie met de onvermijdelijke vla, en keerde van daar, langs een veldweg, die dwars door de vruchtbare graanakkers voerde, naar het seminarie terug. De dames brachten nog een bezoek aan den directeur om hem hare lievelingen aan te bevelen. De eerwaarde heer geleidde het gezelschap zeer vriendelijk naar het rijtuig, hetwelk gereed stond.

In de laatste oogenblikken evenwel was Herman in het oogvallend somber en in zich zelven gekeerd geweest. Zijne opgewekte luim was geweken. Nu en dan sloeg hij een schuchteren blik op Lydia, die met een soort angst naar hem keek, alsof zij zich schuldig aan die stilzwijgendheid gevoelde. Het arme kind kon[39]onmogelijk bevroeden, hoe groote oorzaak zij van die sombere gemoedsstemming was.

Toen het oogenblik daar was om afscheid te nemen, stak mevrouw Riethoven haren zoon de hand toe; ja, zij opende hem hare armen. Zonder op dat uitnoodigende gebaar te letten, keek hij haar met strakken blik aan.

„Kom, Herman, het is tijd,” zei zijne moeder, „geef mij een zoen.”

Zonder een woord te spreken, wendde Herman zich van haar af, trad op het rijtuig toe, waarvan het portier geopend stond, steeg er in, en nam plaats op de voorbank.

„Ik ga meê naar Maastricht,” was het eenige antwoord, dat hij gaf.

Allen stonden bij het rijtuig en lachten. Zij zagen dat antwoord voor een ui aan.

„Er valt niet te lachen,” hernam hij. „Ik ga meê naar Maastricht.”

„Het is nog geen vacantie,” antwoordde zijne moeder nog steeds met een glimlach.

„Vacantie of niet,” sprak Herman met iets woest in zijne stem. „Vacantie of niet, ik ga meê naar Maastricht. Ik blijf hier niet meer!”

In den toon van dat gezegde was zich niet te vergissen. Allen keken dan ook verbaasd op. De directeur Peeters niet het minst. Hij streek over zijn neus, wreef zich de ooghoeken uit, en de roode zakdoek was in aantocht.

„Maar Herman, dat is de scherts te ver drijven,” zei zijne moeder. „Kom, stap uit, en laat ons instijgen. Wij moeten vertrekken, anders wordt het laat in den nacht, alvorens wij te huis zijn.”

„Het is geen scherts, mameer!”

„Maar, je plan dan om priester te worden?”

„Ik word geen priester!”[40]

„Geen priester?”

„Neen!”

Dat „neen” klonk afdoende als een hamerslag. Op zoo’n toon had mevrouw Riethoven zich nog nimmer door haren oudsten zoon hooren toespreken.

„Maar, van waar die veranderde roeping!” kreet zij als in vertwijfeling.

„Ja, van waar?” vroeg de directeur met ernstig gezicht, terwijl hij zijn neus tot bloedens toe wreef.

„Van waar? Wilt ge dat weten?” vroeg Herman aan zijne moeder, zonder den directeur aan te zien.

„Ja, mij dunkt dat ik, uwe moeder, van de oorzaken niet onkundig mag blijven!”

De jongeling was doodsbleek geworden. Een oogenblik aarzelde hij. Maar tot onwaarheid spreken was hij niet in staat.

„Welnu, ik ben verliefd op deze jonge dame,” sprak hij rad, als had hij haast die woorden te uiten, en met de hand naar Lydia wijzende.

Het arme kind kleurde tot achter hare lieve oortjes. Onder die woorden trad zij achteruit, en bedekte zich het gelaat met beide handen.

„En?” vroeg mevrouw Riethoven, met doordringenden blik op het jonge meisje.

„O! kijk Lydia zoo verwijtend niet aan,” sprak Herman met nadruk. „Zij heeft hoegenaamd geen schuld aan mijne veranderde gevoelens. Kan zij het helpen, dat ik haar lief, grenzenloos lief heb? Hoe zij er over denkt, weet ik niet. Maar met zoo’n liefde in het hart, kan ik mij aan den altaardienst niet wijden. Dat ware heiligschennis!”

„Mijn jonge vriend, mijn zoon, gij zoudt behooren tot de strijdende Kerk,” viel de directeur met zalving in. „Roep de Heilige Maagd aan!”[41]

„Genoeg met dat gewauwel!” viel Herman barsch in. „Vade retro Satanas!”

De directeur schokte onder die uitspraak. Zoo was hij nog nooit afgewezen. Hij zwaaide met zijn rooden zakdoek als met een noodvlag op eene sloep, die aan het zinken was. Dat „vade retro satanas” klonk den geestelijken heer schrikkelijk in de ooren.

Er heerschte een oogenblik stilte. De drie mama’s hadden elkander aangestaard. Het geval was uiterst moeielijk. Mevrouw Riethoven zag een van haar heerlijkste droombeelden vernietigd. O! hoe dikwijls had zij in den geest met eene soort van verrukking het misoffer bijgewoond, en dan, door eene moederlijke verbijstering vervoerd, in den waan verkeerd, dat het haar zoon was, die daar het:Vere dignum et justum est11zong, of dat hij het was, die daar over de hostie bad:ecce agnus Dei, qui tollit peccata mundi.12O! als zij dat eens in werkelijkheid had kunnen zien! En nu was dat alles weg! Iedere illusie verdwenen. Een traan blonk in haar oog. Zij vermande zich evenwel. Zij begreep dat bij afwezigheid van haren echtgenoot zij handelen moest.

„Van een meêgaan naar Maastricht,” sprak zij met vaste stem, „kan geen sprake zijn. Vooreerst, is er geen plaats in het rijtuig. Wij zijn met ons vieren.…”

„Is het niet anders,” was het antwoord. „Ik kan bij den koetsier op den bok gaan zitten.”

In een wip was Herman uitgestegen, en wilde aan zijn voornemen gevolg geven.

„Maar luister dan toch,” sprak de moeder en greep haren zoon bij den arm. „Ik herhaal het, van een meêgaan naar Maastricht kan geen sprake wezen. Die verandering van roeping gaat mij te snel in zijn werk. Die is slechts het gevolg van een oogenblik.”

„Dat is zij! Daarin hebt ge gelijk, mameer. Maar ik[42]gevoel het, nimmer zal ik meer veranderen. Ik heb met het priesterschap afgerekend.”

De heer Peeters sloeg de oogen hemelwaarts. Hij riep bijstand van boven, en zwaaide daarbij de noodvlag met nog meer hevigheid dan vroeger.

„Daar ben ik nog niet zeker van,” hernam de moeder. „Nog niet lang geleden spraakt gij met even veel overtuiging in tegenovergestelde richting.… Wat zou uw vader zeggen, wanneer wij u nu meê thuis brachten? Wat de geheele stad? Zoo midden in den cursus! Iedereen zou meenen, dat ge weggejaagd waart!”

„Wat gaat mij de opinie van zoo’n kleine kwaadsprekerige stad aan!”

„Gij moogt er over denken, zooals gij wilt. Ik hecht voor uwe toekomst te veel aan uwe reputatie. Kort en goed.…”

Hier hikte de arme moeder, de stem begaf haar.… Zij hervatte een poos daarna, maar met tranen in de oogen:

„Gij weet, hoe gaarne ik gezien had, dat gij u aan den dienst des Heeren zoudt gewijd hebben.…”

„Mameer! moeder! ga zoo niet voort. Geen tranen, o! wat ik u bidden mag! Gij zoudt mij tot iets overhalen, dat oorzaak van naamloos wee in dit leven, van mijne verdoemenis in het andere zoude zijn!”

De moeder ijsde bij het hooren van die hartstochtelijke taal. De directeur sloeg een kruis.

„Val mij niet in de reden,” ging mevrouw Riethoven voort. „Wat ook mijn wensch moge zijn, nimmer zou ik willen, dat één mijner kinderen een stand tegen zijn zin zoude aanvaarden. Wilt gij dus verandering in uwe bestemming brengen, mij wel. Ik zal mij niet tegen uwen wensch verzetten. Wat ik alleen verg, is, dat gij niet overijld handelt.”[43]

„Ik handel niet overijld, beste moeder. Ik handel volgens de inspraak van mijn geweten!”

„Gij blijft hier, tot de groote vacantie,” sprak de moeder met vaste stem. „Blijft gij dan bij uwe meening om uwe studiën te staken!…”

„Mijne studiën staken,” riep Herman vertwijfelend uit. „Mijne studiën voortzetten, meent ge, maar van doelwit veranderen …?”

De directeur deed der vrome vrouw een onmerkbaar teeken. Zij antwoordde haar zoon niet, maar ging voort.

„… Dan blijft ge volkomen vrij.”

„Wat zegt juffrouw Lydia,” vroeg Herman met vertwijfeling.

„Ik!… ik zou raad geven in een strijd, waarin ik mij mijns ondanks gesleept zie?” kreet snikkend het arme kind. „Ik kan ternauwernood denken.… hoe zou ik raad kunnen geven?.…”

Zij stikte bijna in hare tranen, vloog het rijtuig in en verborg daar haar gelaat in hare handen.

„Aan dat tooneel moet een einde komen, Herman,” sprak mevrouw Riethoven. „Geef mij een hand. Kom, dames, stapt in. En nu.… mijn jongen.… houd moed.… Vaarwel!”

Herman rukte zich uit de omhelzing zijner moeder los, sprong het rijtuig in, sloot Lydia met woest gebaar in zijne armen, overdekte haar voorhoofd, hare wangen, hare lippen met vurige kussen. Het arme kind had de macht niet zich te weer te stellen. Toen sprong hij op den grond, bedekte zich het gelaat met beide handen, en liet zich door zijne makkers gedwee naar binnen leiden. De koetsier legde de zweep over de paarden, en in een oogwenk was het rijtuig uit het oog verdwenen.[44]


Back to IndexNext