III.

[Inhoud]III.Een man over boord.Op een teeken van den directeur hadden Herman’s makkers hem naar de kerk gebracht. Wezenloos en met loomen tred had hij zich laten geleiden; maar toen hij tot bezinning kwam, en zich aan den voet van het altaar der H. Maagd bevond, toen vloog hij met een woesten kreet op:„Ik hoor niet meer hier! ik hoor niet meer hier!”En voort ijlde hij de kerk uit.Het was inmiddels laat geworden. Het souper was reeds afgeloopen. De leerlingen kwamen het refectoire uit, en verspreidden zich door de kruisgangen en over de speelplaats. Gedurende een uur mochten zij zich vermaken. Daarna zou de klok voor het avondgebed kleppen, waarna ieder zich ter ruste zou begeven.Maar wat bekommerde Herman zich om dat alles? Toen hij de kerk uitkwam, liep hij met somber gelaat de kruisgangen door, sprak tegen niemand, en sloeg acht op niemand. Zijne kameraden keken hem schuw aan, zoo eenigszins als zij een pestlijder zouden aangezien hebben. Het gebeurde was eenigermate uitgelekt. Hij doorliep een paar malen die sombere kruisgangen; toen vloog hij naar boven naar den dortoir, zocht zijn[45]„chambrette” op, ontkleedde zich, en lag zich te bed om in den slaap vergetelheid te zoeken.Dat was een inbreuk op de reglementen. De „chef de dortoir” gaf den directeur kennis van het gebeurde. Deze beval Herman met rust te laten. Toen evenwel iets later het avondgebed geëindigd was en het „In manus tuas Domine, commendo spiritum meum”13weerklonken had, en de leerlingen reeds wilden opstaan om zich naar de slaapzalen te begeven, sprak de directeur, die in het gebed voorgegaan was, met eene stem, welke van innige ontroering trilde:„Mes frères, prions Dieu; il y a parmi nous une âme en perdition!”Een oogenblik zaten allen in het gebed verzonken. Daarna weerklonk statig en somber als eene zelfaanklacht, als een uiterste noodkreet het vierstemmig koraal:„De profundis clamavi ad te Domine, Domine, exaudi vocem meam!”14Wat ging er in Herman’s ziel in die oogenblikken om? Hij had zich op zijn bed gesmeten, en getracht den slaap te vatten. Dat mislukte volkomen. In zoo’n gemoedsstemming slaapt men niet. Hij wierp zich nu eens op deze, dan weer op gene zijde. Te vergeefs. Daar weerklonken de eerste tonen van het „In manus”, door drie honderd stemmen aangeheven, krachtig door die gewelven, en vervulden het geheele monumentale gebouw. Herman luisterde toe, kruiste zich de armen over de borst, en prevelde:„Ja Heer, in uwe handen beveel ik mijnen geest!”Toen dat sluitlied afgeloopen was, dacht hij weldra de voetstappen te zullen hooren van zijn medeleerlingen, die nu ook hunne slaapsteden zouden opzoeken. Maar neen, alles bleef stil. Hij luisterde, luisterde. Hij wist[46]niets van dat stilzwijgen te maken. Plotseling barstte het „de profundis”, die weeklagende psalm, door al die monden aangeheven, los.„O! dat geldt mij!” gilde hij, en vloog zijn bed uit.Hij knielde neer voor het kruisbeeld, dat zijne „chambrette” versierde, boog het hoofd voorover, en verborg zijn gelaat met zijne handen:„Ja, Heer!” mompelde hij. „Ja, uit de diepte roep ik tot u, o Heer! Heer, verhoor mijne stem!”„Si iniquitates observaberis, quis sustinebit?” ruischte het van onder die gewelven naar boven.„Als Gij onze ongerechtigheden gadeslaat, wie zal er genade in Uwe oogen vinden?” mompelde Herman.Zoo volgde hij dien geheelen psalm, vers voor vers. Maar wonderlijk! Hij was in den grootsten angst opgevlogen; maar naarmate dat koraal vorderde, keerde de vrede in zijn gemoed weder. Een glimlach verscheen zelfs op zijn gelaat, en toen het „amen” weerklonken had, stond hij op.„Ik dank u Heer! voor den vrede, die mij weergegeven is. Het was maar eene beproeving! Ik zal niet meer weifelen. Ik zal haar standvastig aankleven. O! Lydia!” zoo ging hij hartstochtelijk voort; „Lydia, ik heb u zoo lief, zoo onuitsprekelijk lief!”Toen zijne medeleerlingen zich over de dortoirs verspreidden, lag hij weer rustig in zijn bed. Iets later ging de gordijn even open, die zijn kamertje voor het ingluren beschermde, en verscheen het hoofd van den directeur. Toen hij Herman met een glans van vergenoegen op het gelaat in slaap gedompeld zag, vertrokken zijne lippen zich tot een glimlach en prevelde hij:„Nu reeds in slaap! De strijd is niet zwaar geweest! Met Gods hulp heeft hetde profundisverwonnen.”Ja, hetde profundishad overwonnen, evenwel niet[47]zooals de directeur dat verondersteld had. De ijverige geestelijke zou dat spoedig genoeg ontwaren.Na dien dag, zoo gewichtig voor zijne toekomst, was het verdere verblijf te Rolduc voor Herman ondragelijk, en werd de last daarvan nog vermeerderd door de pogingen, die aangewend werden om hem op zijn eens genomen besluit terug te doen komen. Nu eens wees de directeur hem op hetgeen hij noemde „l’excellence du sacerdoce,” dan weer was het zijn biechtvader, die zich omtrent zijn zielenheil ongerust maakte. In de wereld was het door hare bekoringen zoo moeielijk tot de zaligheid te geraken, femelde deze laatste. Slechts de priester was zeker er van, in staat van genade te sterven.Dat alles gaf niets. Aan den een antwoordde onze jongeling, dat iedere maatschappelijke staat eensacerdocewas, een priesterschap, mits de verplichtingen daarvan met nauwgezetheid vervuld werden. Hij voegde er nog bij, dat in zijn oog geen schooner en waardigersacerdocebestond dan het vaderschap. Verbitterd over zoo’n antwoord, liet de directeur hem in den steek. Aan zijn biechtvader luidde zijn antwoord, dat hij juist zijn zielenheil in het oog hield. Want zich aan den dienst des Heeren te wijden, zonder er roeping toe te gevoelen, was zich onvermijdelijk aan het eeuwig verderf blootstellen.Nu begon een tijd voor hem, dien hij later met volle recht zijn martelaarschap noemde. Voor hem werd de algemeene regel verscherpt, dat nimmer de jongelieden van het seminarie zich twee aan twee met elkander mochten onderhouden, nimmer twee aan twee wandelen. Steeds moest een derde tegenwoordig zijn. Dat was den eenen verklikker van den anderen maken. Dat was het spionnenstelsel in zijne volmaaktheid. Men zag zeer ongaarne, dat twee leerlingen vriendschap met elkander sloten. Dat werd zooveel mogelijk belet, en twee jongelingen,[48]die wat te dikwijls volgens de meening der geestelijke heeren met elkander praatten of wandelden, haalden zich zeer zeker eene strenge berisping op den hals. Eene herhaling van zoo’n handeling zou als eene misdaad beschouwd zijn. Herman werd nu door een stelsel van delatie omgeven, dat hem hoogelijk verbitterde. Al zijne woorden werden overgebracht, niet altijd nauwkeurig; zij werden gekommenteerd, gewogen, gedraaid, en de wonderlijkste gevolgtrekkingen werden er uitgehaald. Dan werd hij bij den directeur geroepen, en hoorde hij zich vermaningen toevoegen, die verdiend zouden geweest zijn, wanneer het door hem gesprokene niet verdraaid en niet overdreven ware geweest. Hij stond dan daar als een misdadiger, en mocht en wilde zich niet verdedigen.Waar was die Christelijke liefde, die hij zoo honderde, zoo duizende malen had hooren aanprijzen? Waren dat die mannen, die steeds preekten: doe aan anderen niet, wat gij zelf niet zoudt willen gedaan zijn? Er begon in zijn geest wortel te schieten, dat het alles huichelarij was, dat al die verheven deugden slechts dienden, wanneer zij in de kraam te pas kwamen; dat zij overigens als onnutten ballast over boord werden geworpen. Wat de maat volmat, dat was, toen Provisor Raetsen Herman op een keer, dat hij eene toevlucht aan den voet van het altaar der H. Maagd gezocht, en daar vurig gebeden had, toevoegde: „het gebed zonder daden is een ijdel gebed, evenals een geloof zonder daden een dood geloof is”; eigenlijk niets anders dan huichelarij. „En mocht uw gebed ooit ten doel hebben, Gods hulp of de tusschenkomst der H. Maagd ter bereiking uwer wereldsche plannen of ter bevrediging uwer vleeschelijke aanvechtingen in te roepen, dan kunt gij er op rekenen, dan zijt gij een gruwel in hunne oogen.”[49]Dus, zelfs zijne godsvrucht werd verdacht, zijne gebeden zelfs werden bezoedeld!Hij trok zich nu geheel terug, verscheen niet meer in de kerk dan daartoe gedwongen, en slechts wanneer de andere leerlingen gemeenschappelijk daar heengingen. Gefolterd door de vermaningen zijns biechtvaders, maar meer nog door diens onbescheiden vragen, die het onkiesche nabij kwamen, ging hij zoo zelden mogelijk ter biecht, en verscheen dus niet minder zeldzaam aan de Avondmaalsbank. Dat verwekte ergernis, zoowel bij zijne medeleerlingen als bij zijne leeraren, en hun omgang droeg daarvan de onmiskenbare sporen.Zoo naderde de vacantie.Bij de prijsuitdeeling op den laatsten dag ondervond hij nieuwe teleurstelling. Werd zijn ijver in vroegere jaren voldoende bij zoo’n gelegenheid beloond, dezen keer zag hij zich van alles verstoken. Het liet hem vrij koud.„Vos études ont bien souffert,” merkte hem de directeur dien laatsten dag met soetsappig gelaat op.Hij trok de schouders op. Hij was zich niet bewust in zijne studiën te kort te zijn gekomen, en het lustte hem niet na te gaan, aan welke andere oorzaken hij die ongenade te wijten had.Den volgenden dag schudde hij het stof zijner schoenen bij het verlaten van het gesticht, en maakte zich op weg. Hij vermeed de reis met zijne Maastrichtsche medeleerlingen, die gewoonlijk per grooten Jan van Pleizier afgehaald werden, gezamenlijk te doen, ten einde hunne toespelingen, hunne opmerkingen en hunne vertogen te ontgaan. Hij greep zijn wandelstok, kuierde tot Heerlen, wat langs een binnenpad van Kerkrade daarheen zoo ver niet was. Toen hij dat pad ingeslagen was, ontwaardde hij voor zich uit een groepje seminaristen, van de naburige dorpen afkomstig, die den weg naar[50]de plaats hunner inwoning gezamenlijk aflegden. Vroolijk en opgeruimd weerklonken hunne stemmen, en vernam Herman hun lied:„Adieu! berceau de mon enfance!Adieu Rolduc, aimable lieu!Rolduc! où regne l’innocence!La paix et le bonheur adieu!Je pars pour consoler un père!Adieu riant exil des bois!Je suis au bout de ma carrière!Salut! pour la dernière fois!”„La paix et le bonheur adieu!” herhaalde Herman meesmuilende. „Ik ga den vrede des harten en het geluk te gemoet!”Hij volgde het fraaie gezang met de lippen.„Ja, waarlijk, dat Rolduc was:un riant exil des bois!Maar toch zing ik met geestdrift:Salut! pour la dernière fois!”Te Heerlen besteeg hij de diligence van Cremers, en kwam zoo ongeveer tegen het middaguur in hetouderlijkehuis aan.Daar was hem evenwel ook nog niet veel rust beschoren. Natuurlijk had hij van wege zijne goede moeder nog menigen aanval te verduren. Had hij met mannelijke kracht tegenover het doceerend personeel van het seminarie kunnen staan, hier, tegenover die teedere, die liefdevolle moeder, moest zijn gedrag veel van zijne scherpte verliezen. Haar, die onder de gebeurtenissen zoo naamloos veel leed, mocht hij wel het allerminst kwetsen. Menig droevig gesprek werd zoo tusschen moeder en zoon gevoerd.Bij haar was slechts een grondtoon, die zij daarbijaansloeg: de gelukzaligheid, die haar zou doortintelen, wanneer een harer kinderen, een van die telgen, die zij in haren schoot[51]gedragen, die zij gezoogd had, die zij zoo lief had, zich aan den dienst des Heeren zoude wijden. Het was haar alsof zij niet alleen haar eeuwig heil daarmeê kocht; want zij kon onmogelijk vatten, dat een harer andere kinderen, of haar echtgenoot zou kunnen verloren gaan. God zou toch zoo ondankbaar niet kunnen zijn, om niet minstens de ouders, broeders en zusters van hem, die zich aan zijn H. dienst wijdde, onder Zijne almachtige hoede te nemen.Van Herman’s zijde klonk slechts één antwoord op die moederlijke smeekingen:„O! moeder,” zuchtte hij, „verg dat niet van mij.Ik heb Lydia zoo lief, zoo onuitsprekelijk lief!”Toen zij evenwel de meening uitte, dat de stap nog onberaden was, dat Herman de toestand niet genoegzaam overdacht had, toen zij dientengevolge voorsloeg om nog een jaar naar het seminarie terug te keeren, toen verdween iedere weekhartigheid bij hem, toen weigerde hij kortweg:„Neen! mameer, dat kan niet!”Of zij hem al voorhield, dat hij juist in dat jaar, hetwelk hij zou intreden, het altaar meer nabij komen zou, dat hij dan meer met kennis van zaken zou kunnen beslissen, het hielp niets, niets!„Neen! mameer, dat kan niet!” was zijn onveranderlijk antwoord.„Zijt gij dan zoo onder den invloed van die deern?” vroeg de moeder niet zonder eenige ergernis.„Moeder, ik heb haar lief, onuitsprekelijk lief!” sprak hij met zachte stem, als wilde hij den indruk verzachten. „Maar geloof niet, dat zij een struikelblok voor mijne studiën zal wezen. Ik heb er over nagedacht, en ben tot het besluit gekomen, om naar de Hoogeschool te Leuven te gaan, om daar mijne studiën te voleindigen.”[52]„Dat nooit!” sprak de moeder met eene bij haar ongewone uitdrukking van wilskracht. „Dat nooit!”Verbaasd keek Herman haar aan. Hij wist niet of hij goed gehoord had.„Nooit?.…” vroeg hij met bevende stem.„Nooit!” was het even besliste antwoord.„Maar, mameer.…”„Laat af, iedere poging daartoe is te vergeefs!”„Maar.…”„Wilt gij uwe studiën voortzetten, keer dan naar Rolduc weer!”„Nooit!” klonk nu zijn antwoord even beslist weerom.„Dan zult gij u een andere loopbaan moeten kiezen dan die, waarvoor wetenschappelijke opleiding noodig is!”„Een andere loopbaan?.… Ik wilde mij aan de studie der rechtsgeleerdheid wijden.”De moeder sloeg hare handen met een wanhopig gebaar te zamen.„De rechtsgeleerdheid!.…” riep zij uit. „Was het mij niet voorspeld?.… Nooit! nooit!”„Maar, mameer.…”„Dus advokaat worden? niet waar?” klonk het als een bitter verwijt.„Advokaat, of griffier, of rechter. De rechterlijke macht biedt zooveel gelegenheden aan om.…”„Een mantel des duivels! zooals Pater Bernhart die heeren der rechterlijke macht zoo juist betiteld heeft.”„Pater Bernhart heeft geene rechtsgeleerde studiën gemaakt,” was het droge antwoord, „nimmer heeft hij ook zoo’n kleedingstuk van den vorst der duisternis gezien. Hij is dus niet bevoegd zoo’n vergelijking te maken. Maar, mameer, gij moogt nu zoo’n uitdrukking, die in een sermoen slechts eene oratorische wending te noemen is, en er alleen op berekend is, om bij het[53]onontwikkelde publiek effekt te sorteeren, niet meer waarde toekennen dan zij verdient.”„Genoeg, nimmer zal ik mijne toestemming geven, dat gij naar eene Hoogeschool vertrekt!”„Maar waarom dan toch, mameer, liefste moeder?”„Omdat de verleiding daar te groot, is, omdat gij daar uw verderf te gemoet zoudt snellen!”„Een fraai getuigschrift voor onze studeerende jongelingschap!” riep Herman uit. „Maar.… zoo even zeidet gij, dat het u voorspeld was, dat ik zou vragen om advokaat te worden. Wie was die profeet?.…”„Dat is mijne zaak.”„Mameer!.…”„Vraag mij niet, dat is mijne zaak!”„Als het dan toch mijne toekomst geldt, dan.…”„Zeker geldt het uwe toekomst! Het geldt uwe toekomst hiernamaals! het geldt het heil der Kerk!”„Wat groote woorden, mameer! Wie legde u die in den mond? In iedere betrekking kan men den hemel verwerven. Ik begrijp niet, hoe het heil der Kerk in gevaar kan gebracht worden, wanneer ik rechtsgeleerde werd?”„Laat af! ik zeg het u niet.”„Mameer!.…”Hij greep haar bij de handen, klemde die met alle innigheid in de zijne, boog zich over haar, en keek haar zacht maar vertrouwvol in de oogen.„Mameer!.…” herhaalde hij.De arme vrouw, door gewetensangst gefolterd, aarzelde; toch antwoordde zij:„Laat af!.… ik zeg het niet.”Toen trok hij haar met zacht geweld op zijn schoot, vleide haar op zijn knie neer, streelde haar met de eene hand de wang, sloeg den anderen arm om haren hals,[54]drukte hare gerimpelde wang tegen zijne blozende koon, terwijl de grauwe haren van de eerbiedwaardige vrouw over zijn nog kortgeknipt hoofd dwarrelden.„Moeder!.…” herhaalde hij ten derde male. „Ik smeek u bij al de liefde, die gij mij toedraagt, het geldt mijne geheele toekomst. Wie was uw raadgever?”Tegen dien aandrang was de arme vrouw niet bestand. Wel was haar geheimhouding gevraagd, maar welk kwaad kon er uit ontstaan, dat zij mededeelde wie haar geraden had? De raad was immers goed.„Directeur Peeters is hier geweest,” fluisterde zij schier onhoorbaar.„Directeur Peeters!.…” kreet de jongman met ontzetting.Hij begreep, welken hefboom men in de godvruchtige gevoelens zijner moeder gevonden had.„Hij wees er mij op, welke ommekeer bij u plaats had, die niet alleen uwe loopbaan, maar ook uwe godsdienstige gevoelens betrof.”„Mijne godsdienstige gevoelens?.…”„Gij waart in den laatsten tijd lauw geworden, gij voldeedt niet meer zoo regelmatig aan uwe godsdienstplichten. Nu en dan ontsnapte u een bitter woord jegens God en zijne plaatsvervangers op aarde!”„Maar, dat is niet waar!.…”„U uwe studiën te laten voortzetten, zonder behoorlijke leiding, was u blootstellen aan het gevaar de moderne grondstellingen in u op te nemen, met een Kant, met eenSchopenhauer, met een Renan, met een Voltaire, met een Rousseau te dwepen; was u aan het gevaar blootstellen een gevaarlijk vijand van de Kerk van Christus te worden.”„O! dat is te erg!.…” kreet de verontwaardigde jongeling. „Dat is te erg!”[55]„Laat mij voortgaan,” sprak de moeder haastig, als vreesde zij hare bekentenis niet ten einde te zullen brengen. „De eerwaarde heer wees er mij op, dat ik onder die omstandigheden zielenlast had. Hij wees op de noodzakelijkheid, dat ik u, dat ik de Kerk moest redden. Hij weet, welken invloed ik op uwen vader heb. In zijne handen legde ik de plechtige gelofte voor God af, dat, tenzij gij naar Rolduc terugkeert, gij uwe studiën niet voort zult zetten!”„Mameer!.…” kreet de jongeling ontzet.„Die belofte zal ik nauwkeurig volbrengen, mijn zoon!”Bleek en ontdaan liet hij haar uit zijne armen los, en sprong op.„O! die ellendelingen! Is dan voor dat adderengebroed niets heilig?” barstte Herman uit. „Eerst ontheiligden zij de vriendschappelijke gevoelens, die ik voor enkele mijner medeleerlingen koesterde. Door delatie en spionneering wisten zij dat edele gevoel te verstikken. Toen bezoedelden zij mijne liefdevolle gevoelens voor den engel, die op mijn pad verscheen, en aan wien ik slechts denk kuisch en rein, zooals ik eene gedachte aan de Godheid zelve zoude wijden. Nu word ik bij mijne ouders, bij mijne moeder verdacht gemaakt! Waar zullen die aterlingen toch eindigen?.…”Bij die woeste taal haars zoons had mevrouw Riethoven herhaaldelijk het teeken des kruizes gemaakt. Had Herman haar kalm en bedaard te woord gestaan, had hij haar medegedeeld, hoe hij in de laatste maanden te Rolduc verbitterd was geworden, hoe nu ook deze aanval weer te beschouwen was als te zijn een uitvloeisel van een vast plan, waarna men te werk ging, dan had hij wellicht de oogen der toch zoo liefdevolle moeder geopend. Nu versterkte hij hare meening omtrent zijne veranderde gevoelens. Nu bedierf hij alles, omdat in[56]zijn woorden een vijandigheid ontwaard werd, niet tegen de personen, die tegenover hem huichelachtig en dubbelzinnig te werk gingen, maar tegen de geheele geestelijkheid, ja, tegen de geheele Katholieke Kerk. Een begin dus in de oogen van de arme moeder van de vreeselijke voorspelling, die haar gedaan was.Het was dan ook volkomen vruchteloos, toen Herman nog aanhield om zijne studiën te mogen vervolgen. Op al zijn smeeken, op al zijne beden ontving hij slechts één antwoord, dat van een door en door godvruchtige vrouw, welker oordeel door de geestelijkheid bestuurd wordt:„Het gebeurt niet! De Hemel moge mij straffen! Daarmee uit!”„Om het even,”troostte zich de jongeling, wien die soort verwensching, zoo gewoon in den mond der vromen, alle hoop benam.„Mijne Lydia blijft mij!”Neen, zelfs die begoocheling mocht hem niet lang bijblijven.Toen hij eenige dagen later, schuchter en bedeesd, zooals jongelieden, maar vooral gewezen seminaristen, bij hunne eerste liefde zijn, een bezoek bij haar bracht, die hij zich verstoutte in zijn binnenste reeds „mijne Lydia” te noemen, werd hij door hare ouders uiterst vriendelijk ontvangen, maar kreeg het meisje niet te zien.Zoo ging het hem den tweeden, den derden, den vierden keer. Het wachtwoord was gegeven. Eindelijk in vertwijfeling wierp hij zich op een morgen, dat het arme kind uit de vroegmis kwam, op haar pad. Het was een droevige Decembermorgen, de wind huilde en raasde door de daken, de lucht was dik van regen. Er was dan ook niemand nog zoo vroeg op den weg. Toen hij haar de O. L. Vrouwe Kerk zag uittreden, ontroerde hij geweldig. Toch trad hij moedig voorwaarts. De lieve maagd, die hem ook bespeurd had, was niet minder bewogen[57]dan hij. Zij evenwel kwam uit den biechtstoel, alwaar haar de les gelezen en haar godsdienstig gevoel gaande gemaakt was.Wat was er met haar gebeurd? De directeur Peeters was na zijn bezoek bij mevrouw Riethoven naar de familie Fraenkel gekuierd, en had eerst een half uur met Lydia’s moeder in afzonderlijk gesprek doorgebracht. Daarna had hij een onderhoud met haren vader gehad, en eindelijk was de dochter geroepen, en was het hart en geweten van het argelooze meisje onder de bedreven hand van den vlijtigen en sluwen beoefenaar van het „Compendium” spoedig als eene zacht glacé leeren handschoen het binnenste buiten gekeerd. Tegen zoo eene casuistiek was geen meisjeshart bestand. Toch vlotten de zaken hier niet zoo, als dat bij de beide mama’s gegaan was. Had werkelijk de lieve maagd eenige genegenheid voor Herman opgevat? Wie zal dat ooit kunnen zeggen? Nimmer heeft zij zich daarover uitgelaten. Maar zoo heel gedwee volgde zij de adviezen van den eerwaarden heer Peeters niet. Toen die haar op het einde van het gesprek vrij ruw en onkiesch aanraadde de aanzoeken van Herman ter wille van de Kerk, waaraan hij zich reeds bij geloften verbonden had, van de hand te wijzen, vroeg zij, niet zonder dat een zweem van bitterheid haar lieftallig gelaat ontsierde: of geloften van kinderen ook meededen, en antwoordde verder, dat de geestelijke heeren verzocht werden zich met hare zaken niet te bemoeien; dat er nog geen aanzoek gedaan was, dus dat er nog niets viel van de hand te wijzen. Maar nu werd hare moeder verder in den arm genomen; toen werd haren biechtvader de les gelezen. Eerstbedoelde bracht zeer weinig effekt te weeg, en zou door haren tegenstand het wellicht ontluikende vuurtje aangewakkerd hebben. Toen evenwel het lieve kind in den[58]biechtstoel gekapitteld werd, toen zij zich daar behandeld gevoelde met eene ruwheid, die ieder kiesch gevoel kwetste, toen zij zich de „absolutie” hoorde weigeren en haar de nadering tot de tafel des Heeren als onwaardig ontzegd werd, toen was alle weerstand bij het arme kind gebroken. Zich aan de algemeene verachting prijs gegeven te zien, wanneer de buitenwereld te weten komen zou, dat haar de vergiffenis der zonden geweigerd was—en dat dit niet geheim zou blijven, begreep zij maar al te goed—ziet, dat durfde zij niet trotseeren. Zij had het hoofd gebogen, en zooeven was haar hare les voorgezegd. Dat trof.„Wat ben ik gelukkig juffrouw Lydia u te ontmoeten!” sprak Herman met opgewondenheid en met een van vreugde stralend gelaat. „Ik heb vier malen een bezoek bij u gebracht; maar telkens vond ik u niet te huis. Het was of het noodlot er mee speelde! Maar thans, och! ik voel mij zoo gelukkig u ontmoet te hebben!”Hij greep hare hand, die zij evenwel schuchter terugtrok. Hij lette daar niet op; maar ging voort:„Gij kent het innigste geheim van mijn hart, juffrouw Lydia; zeg mij, wanneer kan ik u te huis vinden, wanneer kan ik u een oogenblik alleen spreken?”„Alleen spreken?.… mijnheer Herman.… wat vraagt ge?”„O!” riep hij in vervoering, „uwe moeder, uwe zuster mogen bij het gesprek tegenwoordig zijn. Versta mij toch niet verkeerd. Ik wilde u slechts verlof vragen om mij tot uwe ouders te wenden.…”„Tot mijne ouders wenden?.… waarom?”Herman keek haar op die vraag met open mond aan.„Waarom?.… waarom?.…” stamelde hij.„Ja, waarom?” herhaalde het meisje uiterlijk kalm.„Wel, om.…”[59]Beiden stonden daar op het O. L. Vrouwe plein, terwijl de wind haar mantel met geweld zweepte, en hij verplicht was zijn hoed vast te houden. Zij greep zijn arm en viel hem in de rede.„Wij kunnen hier zoo niet blijven staan,” zeide zij. „Kom, het is wel geen wandelweer; maar wij willen een kleinen omweg over den O. L. V. wal tot aan de Maasbrug maken. Daar laat gij mij mijn weg weer alleen vervolgen tot bij mijn huis op het Vrijthof, zult ge?”Hij beloofde alles, wat Lydia maar wilde, overgelukkig als hij was, haren arm op den zijnen te voelen rusten. Toen zij den bedoelden kant uit, opgegaan waren:„Welnu, gij zeidet, mijnheer Riethoven?.…” vroeg het jonge meisje.„Ik zeide, dat ik u verlof wilde vragen, dierbare Lydia!” antwoordde Herman, zonder op die betiteling te letten van „mijnheer Riethoven”„om mij tot uwe ouders te mogen wenden.”„En ik vroeg u, waarom?”„Waarom?”…De deern voelde zijn arm trillen.„Waarom? Wel, om aanzoek om uwe hand te doen, dierbare Lydia!” antwoordde hij, al zijn moed tezamen rapende.„Om … mijne … hand … te vragen?” vroeg het jonge meisje als ten uiterste verwonderd en hare woorden afmetende.„Verbaast u dat zoo?” vroeg hij smartelijk verwonderd.„Zeker, verbaast mij dat. Ik was op zoo’n declaratie niet voorbereid.”„Dus slechts het onverwachte deed u ontstellen. Wees gerust, ik zal u allen tijd laten, mijne Lydia, ik kan wachten.”„Mijnheer Riethoven, ik moet u ernstig verzoeken[60]die uitdrukkingen van „mijne Lydia” en van „dierbare Lydia” achterwege te laten. Ik vind ze op zijn zachtst uitgedrukt ongepast. Ik ben uwe Lydia niet, en zal dat ook nooit worden.”Dat was op den man af.„Maar lieve Lyd …”„Alweer?”„Maar lieve juffrouw Fraenkel. Ik meende te hopen.”„Dan meendet en hooptet gij verkeerd! Nimmer is mij een woord of een gebaar ontsnapt, dat u eenige hoop heeft kunnen geven.”„Dat moet ik erkennen,” antwoordde hij bedeesd. „Maar gij weet toch, hoe lief ik u heb. Gij waart toch bij dat gesprek te Rolduc met mijne moeder tegenwoordig. Herinnert gij u?”„Zou ik mij dat niet herinneren? Ja zeker herinner ik mij dat gesprek nog, waarbij gij mij in tegenwoordigheid van nog twee andere dames, in tegenwoordigheid van directeur Peeters, in tegenwoordigheid van drie uwer medeleerlingen compromitteerdet.”„Vergeef mij Lydia.…”„Alweer?…” zei het meisje met bestraffenden blik, dien zij zoo streng mogelijk trachtte te maken.„O! vergeef mij!… Ik heb u zoo lief!” smeekte hij met tranen in zijne stem.„Kan ik daar iets aan doen? Is dat mijn schuld?”„Ik heb alles voor u opgeofferd!” klonk het als een verwijt, maar toch zoo zacht mogelijk.„Daaraan hebt ge ongelijk gehad. Keer naar Rolduc weder … De priesterstand … is zoo’n schoone stand …” sprak zij met aarzeling in hare stem.Een tipje van het gevoel kwam boven bij het jonge meisje. Maar, daar rees het beeld van haren biechtvader haar voor den geest.[61]„Lydia, wijs mij niet af … Gij beseft niet, wat gij doet …” smeekte hij.Zij stapte stilzwijgend naast hem voort. Die stilte woog hem loodzwaar.„Lydia, ik bezweer u, wijs mij zoo niet af. Ik bemin u onuitsprekelijk!”„Ik u niet!”„Wellicht een ander?” stoof de jongeling in drift op. „Wellicht een ander?”„Mijnheer Riethoven,” zei Lydia, terwijl zij zijn arm losliet, „nu wordt gij onbescheiden …”„O! ik heb u zoo lief. Laat mij dan toch de hoop. Laat mij dan toch beproeven uwe liefde te verwerven.…”„Dat is geheel overbodig, mijnheer Riethoven. Ik bemin u niet, en zal u nimmer beminnen.”„Dan bemint ge een ander!” zei hij met woestheid.Lydia antwoordde niet. Zij deinsde er voor terug, zoo wreed te zijn. Haar hart waarschuwde haar, het spel niet te ver te drijven.„Dan bemint gij een ander!” herhaalde Herman met klimmenden hartstocht.Zij gevoelde medelijden met den armen jongen. Zij was op het punt om hem een sprankje hoop te laten. Zij sloot de oogen en dacht in zich zelve: wie weet, wellicht komt er uitkomst. Maar daar doemde die gedaante weer op. Alle verteedering was weer gevlogen.„Dan bemint gij een ander!” herhaalde Herman met alle woestheid, terwijl hij haar bij den arm greep.„Welnu … ja!…”„Wien?… Zeg mij zijn naam!…”„O! dat gaat te ver!…” riep het jonge meisje. „Laat mij los, mijnheer!”En zich los rukkende vervolgde zij:„Wij zijn hier bij de Maasbrug. Gij zult mij thans[62]wel alleen laten gaan. Gij weet nu, wat gij weten moet. God geve u sterkte! Vaarwel!”En vlug als eene hinde spoedde zij voort.„God geve u sterkte!…” herhaalde hij. „God!… God!…”Er lag iets sarkastisch in zijne stem, toen hij die woorden sprak. Hij oogde de aangebeden gestalte na zoo ver hij kon. Hij zag haar de Brugstraat ten einde toe aftrippelen, daarna den KleinenStraatinslaan; toen was zij voor zijn oog verdwenen.„Weg, weg. Ieder droombeeld is weg!” mompelde hij, en keerde op zijne schreden terug.Toch gaf hij het nog niet op. In weerwil van hare verzekering, dat zij een ander beminde, wilde hij nog eene poging wagen. Tot dat einde begaf hij zich later op den dag naar Lydia’s woning, en verzocht hare ouders te spreken. Hij werd slechts bij haren vader toegelaten. Deze,een eenvoudig, bedaard, maar oprecht man, hoorde den jongeling met alle geduld aan. Hij liet hem zijne plannen voor de toekomst ontwikkelen, en had menigen goedkeurenden glimlach ten beste bij het aanhooren van die inderdaad welsprekende en met alle vuur uitgesproken pleitrede. Maar toen de jongman zijne medewerking verzocht, om Lydia’s genegenheid te verwerven, veranderde hij van houding.„Mijn beste jongen,” antwoordde hij zoetsappig. „Daar kan ik niets aandoen. Vooreerst zou ik nimmer een mijner kinderen in huwelijkszaken willen dwingen. Dan..!”Hier aarzelde hij een oogenblik.„Dan, al wilde ik mijne medewerking verleenen, dan zoudt gij nog niet terecht met mijne vrouw, Lydia’s moeder, komen …”„Wat heeft die tegen mij?”„Niets; zij houdt integendeel veel van u, als van den oudsten zoon harer beste vriendin. Maar zij deelt den[63]wensch dier vriendin: zij zou u zoo gaarne geestelijk zien worden.”„Dat word ik nimmer!”„Dat is jammer! Stel u evenwel het verwerven van Lydia’s hand uit het hoofd.”„Maar, als ik uwe vrouw voor mij win?…”De heer Fraenkel lachte fijntjes. Herman lette daar niet op.„Maar als ik uwe vrouw voor mij win?” ging hij voort, „kan ik dan op uwe medewerking rekenen?”„Volstrekt niet!”„Volstrekt niet. Dus de tegenkanting komt van uwe zijde?”„Maar bedenk dan toch mijn jonge vriend, dat ik kerkmeester ben. Ik ben broedermeester van het H. Hart, ik ben lid van de O. L. Vrouwenkamer, ik ben …”„Wat heeft dat alles met mijne liefde voor uwe dochter te maken? Word ik Lydia’s echtgenoot, zult gij dan minder broedermeester, minder kerkmeester zijn?”„Als gij de echtgenoot mijner Lydia wordt, dan kom ik in openbaren oorlog met al de kapelaans, met al de pastoors van Maastricht, ja, van geheel Limburg!”„Hoe dat?”Hier aarzelde de heer Fraenkel een oogenblik. Hij was evenwel te ver gegaan. Daarbij, hij wilde een einde aan dat gesprek maken, dat hem zwaar begon te wegen.„Ik wilde u maar in het kort mededeelen: de eerwaarde heer Peeters is hier geweest …”„De eerwaarde heer Peeters!” riep Herman uit, terwijl hij wanhopig de handen aan het voorhoofd bracht.„Ja, en hij heeft Lydia, hare moeder en mij uitgelegd, hoe misdadig wij zouden handelen, wanneer wij iemand in de familie opnamen, die bestemd was om de bruidegom des Heeren te zijn. Dat zult gij ook wel begrijpen?…[64]Mijn jonge vriend, ik heb diep deernis met uwe teleurstelling. Maar … het hemd is nader dan de rok; ik heb voor mijn eeuwig heil en voor dat der mijne te zorgen. Dring derhalve niet verder aan! Het is geheel overbodig!”Ja, het was overbodig, dat voelde Herman zelf. Hij wist met welke kracht hij te doen had. Bij het heengaan mompelde hij in overspanning:„Ook daar heeft die man mijne toekomst vernietigd! Gevloekt zij die priester, die zich een gezalfde des Heeren noemt!”[65]

[Inhoud]III.Een man over boord.Op een teeken van den directeur hadden Herman’s makkers hem naar de kerk gebracht. Wezenloos en met loomen tred had hij zich laten geleiden; maar toen hij tot bezinning kwam, en zich aan den voet van het altaar der H. Maagd bevond, toen vloog hij met een woesten kreet op:„Ik hoor niet meer hier! ik hoor niet meer hier!”En voort ijlde hij de kerk uit.Het was inmiddels laat geworden. Het souper was reeds afgeloopen. De leerlingen kwamen het refectoire uit, en verspreidden zich door de kruisgangen en over de speelplaats. Gedurende een uur mochten zij zich vermaken. Daarna zou de klok voor het avondgebed kleppen, waarna ieder zich ter ruste zou begeven.Maar wat bekommerde Herman zich om dat alles? Toen hij de kerk uitkwam, liep hij met somber gelaat de kruisgangen door, sprak tegen niemand, en sloeg acht op niemand. Zijne kameraden keken hem schuw aan, zoo eenigszins als zij een pestlijder zouden aangezien hebben. Het gebeurde was eenigermate uitgelekt. Hij doorliep een paar malen die sombere kruisgangen; toen vloog hij naar boven naar den dortoir, zocht zijn[45]„chambrette” op, ontkleedde zich, en lag zich te bed om in den slaap vergetelheid te zoeken.Dat was een inbreuk op de reglementen. De „chef de dortoir” gaf den directeur kennis van het gebeurde. Deze beval Herman met rust te laten. Toen evenwel iets later het avondgebed geëindigd was en het „In manus tuas Domine, commendo spiritum meum”13weerklonken had, en de leerlingen reeds wilden opstaan om zich naar de slaapzalen te begeven, sprak de directeur, die in het gebed voorgegaan was, met eene stem, welke van innige ontroering trilde:„Mes frères, prions Dieu; il y a parmi nous une âme en perdition!”Een oogenblik zaten allen in het gebed verzonken. Daarna weerklonk statig en somber als eene zelfaanklacht, als een uiterste noodkreet het vierstemmig koraal:„De profundis clamavi ad te Domine, Domine, exaudi vocem meam!”14Wat ging er in Herman’s ziel in die oogenblikken om? Hij had zich op zijn bed gesmeten, en getracht den slaap te vatten. Dat mislukte volkomen. In zoo’n gemoedsstemming slaapt men niet. Hij wierp zich nu eens op deze, dan weer op gene zijde. Te vergeefs. Daar weerklonken de eerste tonen van het „In manus”, door drie honderd stemmen aangeheven, krachtig door die gewelven, en vervulden het geheele monumentale gebouw. Herman luisterde toe, kruiste zich de armen over de borst, en prevelde:„Ja Heer, in uwe handen beveel ik mijnen geest!”Toen dat sluitlied afgeloopen was, dacht hij weldra de voetstappen te zullen hooren van zijn medeleerlingen, die nu ook hunne slaapsteden zouden opzoeken. Maar neen, alles bleef stil. Hij luisterde, luisterde. Hij wist[46]niets van dat stilzwijgen te maken. Plotseling barstte het „de profundis”, die weeklagende psalm, door al die monden aangeheven, los.„O! dat geldt mij!” gilde hij, en vloog zijn bed uit.Hij knielde neer voor het kruisbeeld, dat zijne „chambrette” versierde, boog het hoofd voorover, en verborg zijn gelaat met zijne handen:„Ja, Heer!” mompelde hij. „Ja, uit de diepte roep ik tot u, o Heer! Heer, verhoor mijne stem!”„Si iniquitates observaberis, quis sustinebit?” ruischte het van onder die gewelven naar boven.„Als Gij onze ongerechtigheden gadeslaat, wie zal er genade in Uwe oogen vinden?” mompelde Herman.Zoo volgde hij dien geheelen psalm, vers voor vers. Maar wonderlijk! Hij was in den grootsten angst opgevlogen; maar naarmate dat koraal vorderde, keerde de vrede in zijn gemoed weder. Een glimlach verscheen zelfs op zijn gelaat, en toen het „amen” weerklonken had, stond hij op.„Ik dank u Heer! voor den vrede, die mij weergegeven is. Het was maar eene beproeving! Ik zal niet meer weifelen. Ik zal haar standvastig aankleven. O! Lydia!” zoo ging hij hartstochtelijk voort; „Lydia, ik heb u zoo lief, zoo onuitsprekelijk lief!”Toen zijne medeleerlingen zich over de dortoirs verspreidden, lag hij weer rustig in zijn bed. Iets later ging de gordijn even open, die zijn kamertje voor het ingluren beschermde, en verscheen het hoofd van den directeur. Toen hij Herman met een glans van vergenoegen op het gelaat in slaap gedompeld zag, vertrokken zijne lippen zich tot een glimlach en prevelde hij:„Nu reeds in slaap! De strijd is niet zwaar geweest! Met Gods hulp heeft hetde profundisverwonnen.”Ja, hetde profundishad overwonnen, evenwel niet[47]zooals de directeur dat verondersteld had. De ijverige geestelijke zou dat spoedig genoeg ontwaren.Na dien dag, zoo gewichtig voor zijne toekomst, was het verdere verblijf te Rolduc voor Herman ondragelijk, en werd de last daarvan nog vermeerderd door de pogingen, die aangewend werden om hem op zijn eens genomen besluit terug te doen komen. Nu eens wees de directeur hem op hetgeen hij noemde „l’excellence du sacerdoce,” dan weer was het zijn biechtvader, die zich omtrent zijn zielenheil ongerust maakte. In de wereld was het door hare bekoringen zoo moeielijk tot de zaligheid te geraken, femelde deze laatste. Slechts de priester was zeker er van, in staat van genade te sterven.Dat alles gaf niets. Aan den een antwoordde onze jongeling, dat iedere maatschappelijke staat eensacerdocewas, een priesterschap, mits de verplichtingen daarvan met nauwgezetheid vervuld werden. Hij voegde er nog bij, dat in zijn oog geen schooner en waardigersacerdocebestond dan het vaderschap. Verbitterd over zoo’n antwoord, liet de directeur hem in den steek. Aan zijn biechtvader luidde zijn antwoord, dat hij juist zijn zielenheil in het oog hield. Want zich aan den dienst des Heeren te wijden, zonder er roeping toe te gevoelen, was zich onvermijdelijk aan het eeuwig verderf blootstellen.Nu begon een tijd voor hem, dien hij later met volle recht zijn martelaarschap noemde. Voor hem werd de algemeene regel verscherpt, dat nimmer de jongelieden van het seminarie zich twee aan twee met elkander mochten onderhouden, nimmer twee aan twee wandelen. Steeds moest een derde tegenwoordig zijn. Dat was den eenen verklikker van den anderen maken. Dat was het spionnenstelsel in zijne volmaaktheid. Men zag zeer ongaarne, dat twee leerlingen vriendschap met elkander sloten. Dat werd zooveel mogelijk belet, en twee jongelingen,[48]die wat te dikwijls volgens de meening der geestelijke heeren met elkander praatten of wandelden, haalden zich zeer zeker eene strenge berisping op den hals. Eene herhaling van zoo’n handeling zou als eene misdaad beschouwd zijn. Herman werd nu door een stelsel van delatie omgeven, dat hem hoogelijk verbitterde. Al zijne woorden werden overgebracht, niet altijd nauwkeurig; zij werden gekommenteerd, gewogen, gedraaid, en de wonderlijkste gevolgtrekkingen werden er uitgehaald. Dan werd hij bij den directeur geroepen, en hoorde hij zich vermaningen toevoegen, die verdiend zouden geweest zijn, wanneer het door hem gesprokene niet verdraaid en niet overdreven ware geweest. Hij stond dan daar als een misdadiger, en mocht en wilde zich niet verdedigen.Waar was die Christelijke liefde, die hij zoo honderde, zoo duizende malen had hooren aanprijzen? Waren dat die mannen, die steeds preekten: doe aan anderen niet, wat gij zelf niet zoudt willen gedaan zijn? Er begon in zijn geest wortel te schieten, dat het alles huichelarij was, dat al die verheven deugden slechts dienden, wanneer zij in de kraam te pas kwamen; dat zij overigens als onnutten ballast over boord werden geworpen. Wat de maat volmat, dat was, toen Provisor Raetsen Herman op een keer, dat hij eene toevlucht aan den voet van het altaar der H. Maagd gezocht, en daar vurig gebeden had, toevoegde: „het gebed zonder daden is een ijdel gebed, evenals een geloof zonder daden een dood geloof is”; eigenlijk niets anders dan huichelarij. „En mocht uw gebed ooit ten doel hebben, Gods hulp of de tusschenkomst der H. Maagd ter bereiking uwer wereldsche plannen of ter bevrediging uwer vleeschelijke aanvechtingen in te roepen, dan kunt gij er op rekenen, dan zijt gij een gruwel in hunne oogen.”[49]Dus, zelfs zijne godsvrucht werd verdacht, zijne gebeden zelfs werden bezoedeld!Hij trok zich nu geheel terug, verscheen niet meer in de kerk dan daartoe gedwongen, en slechts wanneer de andere leerlingen gemeenschappelijk daar heengingen. Gefolterd door de vermaningen zijns biechtvaders, maar meer nog door diens onbescheiden vragen, die het onkiesche nabij kwamen, ging hij zoo zelden mogelijk ter biecht, en verscheen dus niet minder zeldzaam aan de Avondmaalsbank. Dat verwekte ergernis, zoowel bij zijne medeleerlingen als bij zijne leeraren, en hun omgang droeg daarvan de onmiskenbare sporen.Zoo naderde de vacantie.Bij de prijsuitdeeling op den laatsten dag ondervond hij nieuwe teleurstelling. Werd zijn ijver in vroegere jaren voldoende bij zoo’n gelegenheid beloond, dezen keer zag hij zich van alles verstoken. Het liet hem vrij koud.„Vos études ont bien souffert,” merkte hem de directeur dien laatsten dag met soetsappig gelaat op.Hij trok de schouders op. Hij was zich niet bewust in zijne studiën te kort te zijn gekomen, en het lustte hem niet na te gaan, aan welke andere oorzaken hij die ongenade te wijten had.Den volgenden dag schudde hij het stof zijner schoenen bij het verlaten van het gesticht, en maakte zich op weg. Hij vermeed de reis met zijne Maastrichtsche medeleerlingen, die gewoonlijk per grooten Jan van Pleizier afgehaald werden, gezamenlijk te doen, ten einde hunne toespelingen, hunne opmerkingen en hunne vertogen te ontgaan. Hij greep zijn wandelstok, kuierde tot Heerlen, wat langs een binnenpad van Kerkrade daarheen zoo ver niet was. Toen hij dat pad ingeslagen was, ontwaardde hij voor zich uit een groepje seminaristen, van de naburige dorpen afkomstig, die den weg naar[50]de plaats hunner inwoning gezamenlijk aflegden. Vroolijk en opgeruimd weerklonken hunne stemmen, en vernam Herman hun lied:„Adieu! berceau de mon enfance!Adieu Rolduc, aimable lieu!Rolduc! où regne l’innocence!La paix et le bonheur adieu!Je pars pour consoler un père!Adieu riant exil des bois!Je suis au bout de ma carrière!Salut! pour la dernière fois!”„La paix et le bonheur adieu!” herhaalde Herman meesmuilende. „Ik ga den vrede des harten en het geluk te gemoet!”Hij volgde het fraaie gezang met de lippen.„Ja, waarlijk, dat Rolduc was:un riant exil des bois!Maar toch zing ik met geestdrift:Salut! pour la dernière fois!”Te Heerlen besteeg hij de diligence van Cremers, en kwam zoo ongeveer tegen het middaguur in hetouderlijkehuis aan.Daar was hem evenwel ook nog niet veel rust beschoren. Natuurlijk had hij van wege zijne goede moeder nog menigen aanval te verduren. Had hij met mannelijke kracht tegenover het doceerend personeel van het seminarie kunnen staan, hier, tegenover die teedere, die liefdevolle moeder, moest zijn gedrag veel van zijne scherpte verliezen. Haar, die onder de gebeurtenissen zoo naamloos veel leed, mocht hij wel het allerminst kwetsen. Menig droevig gesprek werd zoo tusschen moeder en zoon gevoerd.Bij haar was slechts een grondtoon, die zij daarbijaansloeg: de gelukzaligheid, die haar zou doortintelen, wanneer een harer kinderen, een van die telgen, die zij in haren schoot[51]gedragen, die zij gezoogd had, die zij zoo lief had, zich aan den dienst des Heeren zoude wijden. Het was haar alsof zij niet alleen haar eeuwig heil daarmeê kocht; want zij kon onmogelijk vatten, dat een harer andere kinderen, of haar echtgenoot zou kunnen verloren gaan. God zou toch zoo ondankbaar niet kunnen zijn, om niet minstens de ouders, broeders en zusters van hem, die zich aan zijn H. dienst wijdde, onder Zijne almachtige hoede te nemen.Van Herman’s zijde klonk slechts één antwoord op die moederlijke smeekingen:„O! moeder,” zuchtte hij, „verg dat niet van mij.Ik heb Lydia zoo lief, zoo onuitsprekelijk lief!”Toen zij evenwel de meening uitte, dat de stap nog onberaden was, dat Herman de toestand niet genoegzaam overdacht had, toen zij dientengevolge voorsloeg om nog een jaar naar het seminarie terug te keeren, toen verdween iedere weekhartigheid bij hem, toen weigerde hij kortweg:„Neen! mameer, dat kan niet!”Of zij hem al voorhield, dat hij juist in dat jaar, hetwelk hij zou intreden, het altaar meer nabij komen zou, dat hij dan meer met kennis van zaken zou kunnen beslissen, het hielp niets, niets!„Neen! mameer, dat kan niet!” was zijn onveranderlijk antwoord.„Zijt gij dan zoo onder den invloed van die deern?” vroeg de moeder niet zonder eenige ergernis.„Moeder, ik heb haar lief, onuitsprekelijk lief!” sprak hij met zachte stem, als wilde hij den indruk verzachten. „Maar geloof niet, dat zij een struikelblok voor mijne studiën zal wezen. Ik heb er over nagedacht, en ben tot het besluit gekomen, om naar de Hoogeschool te Leuven te gaan, om daar mijne studiën te voleindigen.”[52]„Dat nooit!” sprak de moeder met eene bij haar ongewone uitdrukking van wilskracht. „Dat nooit!”Verbaasd keek Herman haar aan. Hij wist niet of hij goed gehoord had.„Nooit?.…” vroeg hij met bevende stem.„Nooit!” was het even besliste antwoord.„Maar, mameer.…”„Laat af, iedere poging daartoe is te vergeefs!”„Maar.…”„Wilt gij uwe studiën voortzetten, keer dan naar Rolduc weer!”„Nooit!” klonk nu zijn antwoord even beslist weerom.„Dan zult gij u een andere loopbaan moeten kiezen dan die, waarvoor wetenschappelijke opleiding noodig is!”„Een andere loopbaan?.… Ik wilde mij aan de studie der rechtsgeleerdheid wijden.”De moeder sloeg hare handen met een wanhopig gebaar te zamen.„De rechtsgeleerdheid!.…” riep zij uit. „Was het mij niet voorspeld?.… Nooit! nooit!”„Maar, mameer.…”„Dus advokaat worden? niet waar?” klonk het als een bitter verwijt.„Advokaat, of griffier, of rechter. De rechterlijke macht biedt zooveel gelegenheden aan om.…”„Een mantel des duivels! zooals Pater Bernhart die heeren der rechterlijke macht zoo juist betiteld heeft.”„Pater Bernhart heeft geene rechtsgeleerde studiën gemaakt,” was het droge antwoord, „nimmer heeft hij ook zoo’n kleedingstuk van den vorst der duisternis gezien. Hij is dus niet bevoegd zoo’n vergelijking te maken. Maar, mameer, gij moogt nu zoo’n uitdrukking, die in een sermoen slechts eene oratorische wending te noemen is, en er alleen op berekend is, om bij het[53]onontwikkelde publiek effekt te sorteeren, niet meer waarde toekennen dan zij verdient.”„Genoeg, nimmer zal ik mijne toestemming geven, dat gij naar eene Hoogeschool vertrekt!”„Maar waarom dan toch, mameer, liefste moeder?”„Omdat de verleiding daar te groot, is, omdat gij daar uw verderf te gemoet zoudt snellen!”„Een fraai getuigschrift voor onze studeerende jongelingschap!” riep Herman uit. „Maar.… zoo even zeidet gij, dat het u voorspeld was, dat ik zou vragen om advokaat te worden. Wie was die profeet?.…”„Dat is mijne zaak.”„Mameer!.…”„Vraag mij niet, dat is mijne zaak!”„Als het dan toch mijne toekomst geldt, dan.…”„Zeker geldt het uwe toekomst! Het geldt uwe toekomst hiernamaals! het geldt het heil der Kerk!”„Wat groote woorden, mameer! Wie legde u die in den mond? In iedere betrekking kan men den hemel verwerven. Ik begrijp niet, hoe het heil der Kerk in gevaar kan gebracht worden, wanneer ik rechtsgeleerde werd?”„Laat af! ik zeg het u niet.”„Mameer!.…”Hij greep haar bij de handen, klemde die met alle innigheid in de zijne, boog zich over haar, en keek haar zacht maar vertrouwvol in de oogen.„Mameer!.…” herhaalde hij.De arme vrouw, door gewetensangst gefolterd, aarzelde; toch antwoordde zij:„Laat af!.… ik zeg het niet.”Toen trok hij haar met zacht geweld op zijn schoot, vleide haar op zijn knie neer, streelde haar met de eene hand de wang, sloeg den anderen arm om haren hals,[54]drukte hare gerimpelde wang tegen zijne blozende koon, terwijl de grauwe haren van de eerbiedwaardige vrouw over zijn nog kortgeknipt hoofd dwarrelden.„Moeder!.…” herhaalde hij ten derde male. „Ik smeek u bij al de liefde, die gij mij toedraagt, het geldt mijne geheele toekomst. Wie was uw raadgever?”Tegen dien aandrang was de arme vrouw niet bestand. Wel was haar geheimhouding gevraagd, maar welk kwaad kon er uit ontstaan, dat zij mededeelde wie haar geraden had? De raad was immers goed.„Directeur Peeters is hier geweest,” fluisterde zij schier onhoorbaar.„Directeur Peeters!.…” kreet de jongman met ontzetting.Hij begreep, welken hefboom men in de godvruchtige gevoelens zijner moeder gevonden had.„Hij wees er mij op, welke ommekeer bij u plaats had, die niet alleen uwe loopbaan, maar ook uwe godsdienstige gevoelens betrof.”„Mijne godsdienstige gevoelens?.…”„Gij waart in den laatsten tijd lauw geworden, gij voldeedt niet meer zoo regelmatig aan uwe godsdienstplichten. Nu en dan ontsnapte u een bitter woord jegens God en zijne plaatsvervangers op aarde!”„Maar, dat is niet waar!.…”„U uwe studiën te laten voortzetten, zonder behoorlijke leiding, was u blootstellen aan het gevaar de moderne grondstellingen in u op te nemen, met een Kant, met eenSchopenhauer, met een Renan, met een Voltaire, met een Rousseau te dwepen; was u aan het gevaar blootstellen een gevaarlijk vijand van de Kerk van Christus te worden.”„O! dat is te erg!.…” kreet de verontwaardigde jongeling. „Dat is te erg!”[55]„Laat mij voortgaan,” sprak de moeder haastig, als vreesde zij hare bekentenis niet ten einde te zullen brengen. „De eerwaarde heer wees er mij op, dat ik onder die omstandigheden zielenlast had. Hij wees op de noodzakelijkheid, dat ik u, dat ik de Kerk moest redden. Hij weet, welken invloed ik op uwen vader heb. In zijne handen legde ik de plechtige gelofte voor God af, dat, tenzij gij naar Rolduc terugkeert, gij uwe studiën niet voort zult zetten!”„Mameer!.…” kreet de jongeling ontzet.„Die belofte zal ik nauwkeurig volbrengen, mijn zoon!”Bleek en ontdaan liet hij haar uit zijne armen los, en sprong op.„O! die ellendelingen! Is dan voor dat adderengebroed niets heilig?” barstte Herman uit. „Eerst ontheiligden zij de vriendschappelijke gevoelens, die ik voor enkele mijner medeleerlingen koesterde. Door delatie en spionneering wisten zij dat edele gevoel te verstikken. Toen bezoedelden zij mijne liefdevolle gevoelens voor den engel, die op mijn pad verscheen, en aan wien ik slechts denk kuisch en rein, zooals ik eene gedachte aan de Godheid zelve zoude wijden. Nu word ik bij mijne ouders, bij mijne moeder verdacht gemaakt! Waar zullen die aterlingen toch eindigen?.…”Bij die woeste taal haars zoons had mevrouw Riethoven herhaaldelijk het teeken des kruizes gemaakt. Had Herman haar kalm en bedaard te woord gestaan, had hij haar medegedeeld, hoe hij in de laatste maanden te Rolduc verbitterd was geworden, hoe nu ook deze aanval weer te beschouwen was als te zijn een uitvloeisel van een vast plan, waarna men te werk ging, dan had hij wellicht de oogen der toch zoo liefdevolle moeder geopend. Nu versterkte hij hare meening omtrent zijne veranderde gevoelens. Nu bedierf hij alles, omdat in[56]zijn woorden een vijandigheid ontwaard werd, niet tegen de personen, die tegenover hem huichelachtig en dubbelzinnig te werk gingen, maar tegen de geheele geestelijkheid, ja, tegen de geheele Katholieke Kerk. Een begin dus in de oogen van de arme moeder van de vreeselijke voorspelling, die haar gedaan was.Het was dan ook volkomen vruchteloos, toen Herman nog aanhield om zijne studiën te mogen vervolgen. Op al zijn smeeken, op al zijne beden ontving hij slechts één antwoord, dat van een door en door godvruchtige vrouw, welker oordeel door de geestelijkheid bestuurd wordt:„Het gebeurt niet! De Hemel moge mij straffen! Daarmee uit!”„Om het even,”troostte zich de jongeling, wien die soort verwensching, zoo gewoon in den mond der vromen, alle hoop benam.„Mijne Lydia blijft mij!”Neen, zelfs die begoocheling mocht hem niet lang bijblijven.Toen hij eenige dagen later, schuchter en bedeesd, zooals jongelieden, maar vooral gewezen seminaristen, bij hunne eerste liefde zijn, een bezoek bij haar bracht, die hij zich verstoutte in zijn binnenste reeds „mijne Lydia” te noemen, werd hij door hare ouders uiterst vriendelijk ontvangen, maar kreeg het meisje niet te zien.Zoo ging het hem den tweeden, den derden, den vierden keer. Het wachtwoord was gegeven. Eindelijk in vertwijfeling wierp hij zich op een morgen, dat het arme kind uit de vroegmis kwam, op haar pad. Het was een droevige Decembermorgen, de wind huilde en raasde door de daken, de lucht was dik van regen. Er was dan ook niemand nog zoo vroeg op den weg. Toen hij haar de O. L. Vrouwe Kerk zag uittreden, ontroerde hij geweldig. Toch trad hij moedig voorwaarts. De lieve maagd, die hem ook bespeurd had, was niet minder bewogen[57]dan hij. Zij evenwel kwam uit den biechtstoel, alwaar haar de les gelezen en haar godsdienstig gevoel gaande gemaakt was.Wat was er met haar gebeurd? De directeur Peeters was na zijn bezoek bij mevrouw Riethoven naar de familie Fraenkel gekuierd, en had eerst een half uur met Lydia’s moeder in afzonderlijk gesprek doorgebracht. Daarna had hij een onderhoud met haren vader gehad, en eindelijk was de dochter geroepen, en was het hart en geweten van het argelooze meisje onder de bedreven hand van den vlijtigen en sluwen beoefenaar van het „Compendium” spoedig als eene zacht glacé leeren handschoen het binnenste buiten gekeerd. Tegen zoo eene casuistiek was geen meisjeshart bestand. Toch vlotten de zaken hier niet zoo, als dat bij de beide mama’s gegaan was. Had werkelijk de lieve maagd eenige genegenheid voor Herman opgevat? Wie zal dat ooit kunnen zeggen? Nimmer heeft zij zich daarover uitgelaten. Maar zoo heel gedwee volgde zij de adviezen van den eerwaarden heer Peeters niet. Toen die haar op het einde van het gesprek vrij ruw en onkiesch aanraadde de aanzoeken van Herman ter wille van de Kerk, waaraan hij zich reeds bij geloften verbonden had, van de hand te wijzen, vroeg zij, niet zonder dat een zweem van bitterheid haar lieftallig gelaat ontsierde: of geloften van kinderen ook meededen, en antwoordde verder, dat de geestelijke heeren verzocht werden zich met hare zaken niet te bemoeien; dat er nog geen aanzoek gedaan was, dus dat er nog niets viel van de hand te wijzen. Maar nu werd hare moeder verder in den arm genomen; toen werd haren biechtvader de les gelezen. Eerstbedoelde bracht zeer weinig effekt te weeg, en zou door haren tegenstand het wellicht ontluikende vuurtje aangewakkerd hebben. Toen evenwel het lieve kind in den[58]biechtstoel gekapitteld werd, toen zij zich daar behandeld gevoelde met eene ruwheid, die ieder kiesch gevoel kwetste, toen zij zich de „absolutie” hoorde weigeren en haar de nadering tot de tafel des Heeren als onwaardig ontzegd werd, toen was alle weerstand bij het arme kind gebroken. Zich aan de algemeene verachting prijs gegeven te zien, wanneer de buitenwereld te weten komen zou, dat haar de vergiffenis der zonden geweigerd was—en dat dit niet geheim zou blijven, begreep zij maar al te goed—ziet, dat durfde zij niet trotseeren. Zij had het hoofd gebogen, en zooeven was haar hare les voorgezegd. Dat trof.„Wat ben ik gelukkig juffrouw Lydia u te ontmoeten!” sprak Herman met opgewondenheid en met een van vreugde stralend gelaat. „Ik heb vier malen een bezoek bij u gebracht; maar telkens vond ik u niet te huis. Het was of het noodlot er mee speelde! Maar thans, och! ik voel mij zoo gelukkig u ontmoet te hebben!”Hij greep hare hand, die zij evenwel schuchter terugtrok. Hij lette daar niet op; maar ging voort:„Gij kent het innigste geheim van mijn hart, juffrouw Lydia; zeg mij, wanneer kan ik u te huis vinden, wanneer kan ik u een oogenblik alleen spreken?”„Alleen spreken?.… mijnheer Herman.… wat vraagt ge?”„O!” riep hij in vervoering, „uwe moeder, uwe zuster mogen bij het gesprek tegenwoordig zijn. Versta mij toch niet verkeerd. Ik wilde u slechts verlof vragen om mij tot uwe ouders te wenden.…”„Tot mijne ouders wenden?.… waarom?”Herman keek haar op die vraag met open mond aan.„Waarom?.… waarom?.…” stamelde hij.„Ja, waarom?” herhaalde het meisje uiterlijk kalm.„Wel, om.…”[59]Beiden stonden daar op het O. L. Vrouwe plein, terwijl de wind haar mantel met geweld zweepte, en hij verplicht was zijn hoed vast te houden. Zij greep zijn arm en viel hem in de rede.„Wij kunnen hier zoo niet blijven staan,” zeide zij. „Kom, het is wel geen wandelweer; maar wij willen een kleinen omweg over den O. L. V. wal tot aan de Maasbrug maken. Daar laat gij mij mijn weg weer alleen vervolgen tot bij mijn huis op het Vrijthof, zult ge?”Hij beloofde alles, wat Lydia maar wilde, overgelukkig als hij was, haren arm op den zijnen te voelen rusten. Toen zij den bedoelden kant uit, opgegaan waren:„Welnu, gij zeidet, mijnheer Riethoven?.…” vroeg het jonge meisje.„Ik zeide, dat ik u verlof wilde vragen, dierbare Lydia!” antwoordde Herman, zonder op die betiteling te letten van „mijnheer Riethoven”„om mij tot uwe ouders te mogen wenden.”„En ik vroeg u, waarom?”„Waarom?”…De deern voelde zijn arm trillen.„Waarom? Wel, om aanzoek om uwe hand te doen, dierbare Lydia!” antwoordde hij, al zijn moed tezamen rapende.„Om … mijne … hand … te vragen?” vroeg het jonge meisje als ten uiterste verwonderd en hare woorden afmetende.„Verbaast u dat zoo?” vroeg hij smartelijk verwonderd.„Zeker, verbaast mij dat. Ik was op zoo’n declaratie niet voorbereid.”„Dus slechts het onverwachte deed u ontstellen. Wees gerust, ik zal u allen tijd laten, mijne Lydia, ik kan wachten.”„Mijnheer Riethoven, ik moet u ernstig verzoeken[60]die uitdrukkingen van „mijne Lydia” en van „dierbare Lydia” achterwege te laten. Ik vind ze op zijn zachtst uitgedrukt ongepast. Ik ben uwe Lydia niet, en zal dat ook nooit worden.”Dat was op den man af.„Maar lieve Lyd …”„Alweer?”„Maar lieve juffrouw Fraenkel. Ik meende te hopen.”„Dan meendet en hooptet gij verkeerd! Nimmer is mij een woord of een gebaar ontsnapt, dat u eenige hoop heeft kunnen geven.”„Dat moet ik erkennen,” antwoordde hij bedeesd. „Maar gij weet toch, hoe lief ik u heb. Gij waart toch bij dat gesprek te Rolduc met mijne moeder tegenwoordig. Herinnert gij u?”„Zou ik mij dat niet herinneren? Ja zeker herinner ik mij dat gesprek nog, waarbij gij mij in tegenwoordigheid van nog twee andere dames, in tegenwoordigheid van directeur Peeters, in tegenwoordigheid van drie uwer medeleerlingen compromitteerdet.”„Vergeef mij Lydia.…”„Alweer?…” zei het meisje met bestraffenden blik, dien zij zoo streng mogelijk trachtte te maken.„O! vergeef mij!… Ik heb u zoo lief!” smeekte hij met tranen in zijne stem.„Kan ik daar iets aan doen? Is dat mijn schuld?”„Ik heb alles voor u opgeofferd!” klonk het als een verwijt, maar toch zoo zacht mogelijk.„Daaraan hebt ge ongelijk gehad. Keer naar Rolduc weder … De priesterstand … is zoo’n schoone stand …” sprak zij met aarzeling in hare stem.Een tipje van het gevoel kwam boven bij het jonge meisje. Maar, daar rees het beeld van haren biechtvader haar voor den geest.[61]„Lydia, wijs mij niet af … Gij beseft niet, wat gij doet …” smeekte hij.Zij stapte stilzwijgend naast hem voort. Die stilte woog hem loodzwaar.„Lydia, ik bezweer u, wijs mij zoo niet af. Ik bemin u onuitsprekelijk!”„Ik u niet!”„Wellicht een ander?” stoof de jongeling in drift op. „Wellicht een ander?”„Mijnheer Riethoven,” zei Lydia, terwijl zij zijn arm losliet, „nu wordt gij onbescheiden …”„O! ik heb u zoo lief. Laat mij dan toch de hoop. Laat mij dan toch beproeven uwe liefde te verwerven.…”„Dat is geheel overbodig, mijnheer Riethoven. Ik bemin u niet, en zal u nimmer beminnen.”„Dan bemint ge een ander!” zei hij met woestheid.Lydia antwoordde niet. Zij deinsde er voor terug, zoo wreed te zijn. Haar hart waarschuwde haar, het spel niet te ver te drijven.„Dan bemint gij een ander!” herhaalde Herman met klimmenden hartstocht.Zij gevoelde medelijden met den armen jongen. Zij was op het punt om hem een sprankje hoop te laten. Zij sloot de oogen en dacht in zich zelve: wie weet, wellicht komt er uitkomst. Maar daar doemde die gedaante weer op. Alle verteedering was weer gevlogen.„Dan bemint gij een ander!” herhaalde Herman met alle woestheid, terwijl hij haar bij den arm greep.„Welnu … ja!…”„Wien?… Zeg mij zijn naam!…”„O! dat gaat te ver!…” riep het jonge meisje. „Laat mij los, mijnheer!”En zich los rukkende vervolgde zij:„Wij zijn hier bij de Maasbrug. Gij zult mij thans[62]wel alleen laten gaan. Gij weet nu, wat gij weten moet. God geve u sterkte! Vaarwel!”En vlug als eene hinde spoedde zij voort.„God geve u sterkte!…” herhaalde hij. „God!… God!…”Er lag iets sarkastisch in zijne stem, toen hij die woorden sprak. Hij oogde de aangebeden gestalte na zoo ver hij kon. Hij zag haar de Brugstraat ten einde toe aftrippelen, daarna den KleinenStraatinslaan; toen was zij voor zijn oog verdwenen.„Weg, weg. Ieder droombeeld is weg!” mompelde hij, en keerde op zijne schreden terug.Toch gaf hij het nog niet op. In weerwil van hare verzekering, dat zij een ander beminde, wilde hij nog eene poging wagen. Tot dat einde begaf hij zich later op den dag naar Lydia’s woning, en verzocht hare ouders te spreken. Hij werd slechts bij haren vader toegelaten. Deze,een eenvoudig, bedaard, maar oprecht man, hoorde den jongeling met alle geduld aan. Hij liet hem zijne plannen voor de toekomst ontwikkelen, en had menigen goedkeurenden glimlach ten beste bij het aanhooren van die inderdaad welsprekende en met alle vuur uitgesproken pleitrede. Maar toen de jongman zijne medewerking verzocht, om Lydia’s genegenheid te verwerven, veranderde hij van houding.„Mijn beste jongen,” antwoordde hij zoetsappig. „Daar kan ik niets aandoen. Vooreerst zou ik nimmer een mijner kinderen in huwelijkszaken willen dwingen. Dan..!”Hier aarzelde hij een oogenblik.„Dan, al wilde ik mijne medewerking verleenen, dan zoudt gij nog niet terecht met mijne vrouw, Lydia’s moeder, komen …”„Wat heeft die tegen mij?”„Niets; zij houdt integendeel veel van u, als van den oudsten zoon harer beste vriendin. Maar zij deelt den[63]wensch dier vriendin: zij zou u zoo gaarne geestelijk zien worden.”„Dat word ik nimmer!”„Dat is jammer! Stel u evenwel het verwerven van Lydia’s hand uit het hoofd.”„Maar, als ik uwe vrouw voor mij win?…”De heer Fraenkel lachte fijntjes. Herman lette daar niet op.„Maar als ik uwe vrouw voor mij win?” ging hij voort, „kan ik dan op uwe medewerking rekenen?”„Volstrekt niet!”„Volstrekt niet. Dus de tegenkanting komt van uwe zijde?”„Maar bedenk dan toch mijn jonge vriend, dat ik kerkmeester ben. Ik ben broedermeester van het H. Hart, ik ben lid van de O. L. Vrouwenkamer, ik ben …”„Wat heeft dat alles met mijne liefde voor uwe dochter te maken? Word ik Lydia’s echtgenoot, zult gij dan minder broedermeester, minder kerkmeester zijn?”„Als gij de echtgenoot mijner Lydia wordt, dan kom ik in openbaren oorlog met al de kapelaans, met al de pastoors van Maastricht, ja, van geheel Limburg!”„Hoe dat?”Hier aarzelde de heer Fraenkel een oogenblik. Hij was evenwel te ver gegaan. Daarbij, hij wilde een einde aan dat gesprek maken, dat hem zwaar begon te wegen.„Ik wilde u maar in het kort mededeelen: de eerwaarde heer Peeters is hier geweest …”„De eerwaarde heer Peeters!” riep Herman uit, terwijl hij wanhopig de handen aan het voorhoofd bracht.„Ja, en hij heeft Lydia, hare moeder en mij uitgelegd, hoe misdadig wij zouden handelen, wanneer wij iemand in de familie opnamen, die bestemd was om de bruidegom des Heeren te zijn. Dat zult gij ook wel begrijpen?…[64]Mijn jonge vriend, ik heb diep deernis met uwe teleurstelling. Maar … het hemd is nader dan de rok; ik heb voor mijn eeuwig heil en voor dat der mijne te zorgen. Dring derhalve niet verder aan! Het is geheel overbodig!”Ja, het was overbodig, dat voelde Herman zelf. Hij wist met welke kracht hij te doen had. Bij het heengaan mompelde hij in overspanning:„Ook daar heeft die man mijne toekomst vernietigd! Gevloekt zij die priester, die zich een gezalfde des Heeren noemt!”[65]

[Inhoud]III.Een man over boord.Op een teeken van den directeur hadden Herman’s makkers hem naar de kerk gebracht. Wezenloos en met loomen tred had hij zich laten geleiden; maar toen hij tot bezinning kwam, en zich aan den voet van het altaar der H. Maagd bevond, toen vloog hij met een woesten kreet op:„Ik hoor niet meer hier! ik hoor niet meer hier!”En voort ijlde hij de kerk uit.Het was inmiddels laat geworden. Het souper was reeds afgeloopen. De leerlingen kwamen het refectoire uit, en verspreidden zich door de kruisgangen en over de speelplaats. Gedurende een uur mochten zij zich vermaken. Daarna zou de klok voor het avondgebed kleppen, waarna ieder zich ter ruste zou begeven.Maar wat bekommerde Herman zich om dat alles? Toen hij de kerk uitkwam, liep hij met somber gelaat de kruisgangen door, sprak tegen niemand, en sloeg acht op niemand. Zijne kameraden keken hem schuw aan, zoo eenigszins als zij een pestlijder zouden aangezien hebben. Het gebeurde was eenigermate uitgelekt. Hij doorliep een paar malen die sombere kruisgangen; toen vloog hij naar boven naar den dortoir, zocht zijn[45]„chambrette” op, ontkleedde zich, en lag zich te bed om in den slaap vergetelheid te zoeken.Dat was een inbreuk op de reglementen. De „chef de dortoir” gaf den directeur kennis van het gebeurde. Deze beval Herman met rust te laten. Toen evenwel iets later het avondgebed geëindigd was en het „In manus tuas Domine, commendo spiritum meum”13weerklonken had, en de leerlingen reeds wilden opstaan om zich naar de slaapzalen te begeven, sprak de directeur, die in het gebed voorgegaan was, met eene stem, welke van innige ontroering trilde:„Mes frères, prions Dieu; il y a parmi nous une âme en perdition!”Een oogenblik zaten allen in het gebed verzonken. Daarna weerklonk statig en somber als eene zelfaanklacht, als een uiterste noodkreet het vierstemmig koraal:„De profundis clamavi ad te Domine, Domine, exaudi vocem meam!”14Wat ging er in Herman’s ziel in die oogenblikken om? Hij had zich op zijn bed gesmeten, en getracht den slaap te vatten. Dat mislukte volkomen. In zoo’n gemoedsstemming slaapt men niet. Hij wierp zich nu eens op deze, dan weer op gene zijde. Te vergeefs. Daar weerklonken de eerste tonen van het „In manus”, door drie honderd stemmen aangeheven, krachtig door die gewelven, en vervulden het geheele monumentale gebouw. Herman luisterde toe, kruiste zich de armen over de borst, en prevelde:„Ja Heer, in uwe handen beveel ik mijnen geest!”Toen dat sluitlied afgeloopen was, dacht hij weldra de voetstappen te zullen hooren van zijn medeleerlingen, die nu ook hunne slaapsteden zouden opzoeken. Maar neen, alles bleef stil. Hij luisterde, luisterde. Hij wist[46]niets van dat stilzwijgen te maken. Plotseling barstte het „de profundis”, die weeklagende psalm, door al die monden aangeheven, los.„O! dat geldt mij!” gilde hij, en vloog zijn bed uit.Hij knielde neer voor het kruisbeeld, dat zijne „chambrette” versierde, boog het hoofd voorover, en verborg zijn gelaat met zijne handen:„Ja, Heer!” mompelde hij. „Ja, uit de diepte roep ik tot u, o Heer! Heer, verhoor mijne stem!”„Si iniquitates observaberis, quis sustinebit?” ruischte het van onder die gewelven naar boven.„Als Gij onze ongerechtigheden gadeslaat, wie zal er genade in Uwe oogen vinden?” mompelde Herman.Zoo volgde hij dien geheelen psalm, vers voor vers. Maar wonderlijk! Hij was in den grootsten angst opgevlogen; maar naarmate dat koraal vorderde, keerde de vrede in zijn gemoed weder. Een glimlach verscheen zelfs op zijn gelaat, en toen het „amen” weerklonken had, stond hij op.„Ik dank u Heer! voor den vrede, die mij weergegeven is. Het was maar eene beproeving! Ik zal niet meer weifelen. Ik zal haar standvastig aankleven. O! Lydia!” zoo ging hij hartstochtelijk voort; „Lydia, ik heb u zoo lief, zoo onuitsprekelijk lief!”Toen zijne medeleerlingen zich over de dortoirs verspreidden, lag hij weer rustig in zijn bed. Iets later ging de gordijn even open, die zijn kamertje voor het ingluren beschermde, en verscheen het hoofd van den directeur. Toen hij Herman met een glans van vergenoegen op het gelaat in slaap gedompeld zag, vertrokken zijne lippen zich tot een glimlach en prevelde hij:„Nu reeds in slaap! De strijd is niet zwaar geweest! Met Gods hulp heeft hetde profundisverwonnen.”Ja, hetde profundishad overwonnen, evenwel niet[47]zooals de directeur dat verondersteld had. De ijverige geestelijke zou dat spoedig genoeg ontwaren.Na dien dag, zoo gewichtig voor zijne toekomst, was het verdere verblijf te Rolduc voor Herman ondragelijk, en werd de last daarvan nog vermeerderd door de pogingen, die aangewend werden om hem op zijn eens genomen besluit terug te doen komen. Nu eens wees de directeur hem op hetgeen hij noemde „l’excellence du sacerdoce,” dan weer was het zijn biechtvader, die zich omtrent zijn zielenheil ongerust maakte. In de wereld was het door hare bekoringen zoo moeielijk tot de zaligheid te geraken, femelde deze laatste. Slechts de priester was zeker er van, in staat van genade te sterven.Dat alles gaf niets. Aan den een antwoordde onze jongeling, dat iedere maatschappelijke staat eensacerdocewas, een priesterschap, mits de verplichtingen daarvan met nauwgezetheid vervuld werden. Hij voegde er nog bij, dat in zijn oog geen schooner en waardigersacerdocebestond dan het vaderschap. Verbitterd over zoo’n antwoord, liet de directeur hem in den steek. Aan zijn biechtvader luidde zijn antwoord, dat hij juist zijn zielenheil in het oog hield. Want zich aan den dienst des Heeren te wijden, zonder er roeping toe te gevoelen, was zich onvermijdelijk aan het eeuwig verderf blootstellen.Nu begon een tijd voor hem, dien hij later met volle recht zijn martelaarschap noemde. Voor hem werd de algemeene regel verscherpt, dat nimmer de jongelieden van het seminarie zich twee aan twee met elkander mochten onderhouden, nimmer twee aan twee wandelen. Steeds moest een derde tegenwoordig zijn. Dat was den eenen verklikker van den anderen maken. Dat was het spionnenstelsel in zijne volmaaktheid. Men zag zeer ongaarne, dat twee leerlingen vriendschap met elkander sloten. Dat werd zooveel mogelijk belet, en twee jongelingen,[48]die wat te dikwijls volgens de meening der geestelijke heeren met elkander praatten of wandelden, haalden zich zeer zeker eene strenge berisping op den hals. Eene herhaling van zoo’n handeling zou als eene misdaad beschouwd zijn. Herman werd nu door een stelsel van delatie omgeven, dat hem hoogelijk verbitterde. Al zijne woorden werden overgebracht, niet altijd nauwkeurig; zij werden gekommenteerd, gewogen, gedraaid, en de wonderlijkste gevolgtrekkingen werden er uitgehaald. Dan werd hij bij den directeur geroepen, en hoorde hij zich vermaningen toevoegen, die verdiend zouden geweest zijn, wanneer het door hem gesprokene niet verdraaid en niet overdreven ware geweest. Hij stond dan daar als een misdadiger, en mocht en wilde zich niet verdedigen.Waar was die Christelijke liefde, die hij zoo honderde, zoo duizende malen had hooren aanprijzen? Waren dat die mannen, die steeds preekten: doe aan anderen niet, wat gij zelf niet zoudt willen gedaan zijn? Er begon in zijn geest wortel te schieten, dat het alles huichelarij was, dat al die verheven deugden slechts dienden, wanneer zij in de kraam te pas kwamen; dat zij overigens als onnutten ballast over boord werden geworpen. Wat de maat volmat, dat was, toen Provisor Raetsen Herman op een keer, dat hij eene toevlucht aan den voet van het altaar der H. Maagd gezocht, en daar vurig gebeden had, toevoegde: „het gebed zonder daden is een ijdel gebed, evenals een geloof zonder daden een dood geloof is”; eigenlijk niets anders dan huichelarij. „En mocht uw gebed ooit ten doel hebben, Gods hulp of de tusschenkomst der H. Maagd ter bereiking uwer wereldsche plannen of ter bevrediging uwer vleeschelijke aanvechtingen in te roepen, dan kunt gij er op rekenen, dan zijt gij een gruwel in hunne oogen.”[49]Dus, zelfs zijne godsvrucht werd verdacht, zijne gebeden zelfs werden bezoedeld!Hij trok zich nu geheel terug, verscheen niet meer in de kerk dan daartoe gedwongen, en slechts wanneer de andere leerlingen gemeenschappelijk daar heengingen. Gefolterd door de vermaningen zijns biechtvaders, maar meer nog door diens onbescheiden vragen, die het onkiesche nabij kwamen, ging hij zoo zelden mogelijk ter biecht, en verscheen dus niet minder zeldzaam aan de Avondmaalsbank. Dat verwekte ergernis, zoowel bij zijne medeleerlingen als bij zijne leeraren, en hun omgang droeg daarvan de onmiskenbare sporen.Zoo naderde de vacantie.Bij de prijsuitdeeling op den laatsten dag ondervond hij nieuwe teleurstelling. Werd zijn ijver in vroegere jaren voldoende bij zoo’n gelegenheid beloond, dezen keer zag hij zich van alles verstoken. Het liet hem vrij koud.„Vos études ont bien souffert,” merkte hem de directeur dien laatsten dag met soetsappig gelaat op.Hij trok de schouders op. Hij was zich niet bewust in zijne studiën te kort te zijn gekomen, en het lustte hem niet na te gaan, aan welke andere oorzaken hij die ongenade te wijten had.Den volgenden dag schudde hij het stof zijner schoenen bij het verlaten van het gesticht, en maakte zich op weg. Hij vermeed de reis met zijne Maastrichtsche medeleerlingen, die gewoonlijk per grooten Jan van Pleizier afgehaald werden, gezamenlijk te doen, ten einde hunne toespelingen, hunne opmerkingen en hunne vertogen te ontgaan. Hij greep zijn wandelstok, kuierde tot Heerlen, wat langs een binnenpad van Kerkrade daarheen zoo ver niet was. Toen hij dat pad ingeslagen was, ontwaardde hij voor zich uit een groepje seminaristen, van de naburige dorpen afkomstig, die den weg naar[50]de plaats hunner inwoning gezamenlijk aflegden. Vroolijk en opgeruimd weerklonken hunne stemmen, en vernam Herman hun lied:„Adieu! berceau de mon enfance!Adieu Rolduc, aimable lieu!Rolduc! où regne l’innocence!La paix et le bonheur adieu!Je pars pour consoler un père!Adieu riant exil des bois!Je suis au bout de ma carrière!Salut! pour la dernière fois!”„La paix et le bonheur adieu!” herhaalde Herman meesmuilende. „Ik ga den vrede des harten en het geluk te gemoet!”Hij volgde het fraaie gezang met de lippen.„Ja, waarlijk, dat Rolduc was:un riant exil des bois!Maar toch zing ik met geestdrift:Salut! pour la dernière fois!”Te Heerlen besteeg hij de diligence van Cremers, en kwam zoo ongeveer tegen het middaguur in hetouderlijkehuis aan.Daar was hem evenwel ook nog niet veel rust beschoren. Natuurlijk had hij van wege zijne goede moeder nog menigen aanval te verduren. Had hij met mannelijke kracht tegenover het doceerend personeel van het seminarie kunnen staan, hier, tegenover die teedere, die liefdevolle moeder, moest zijn gedrag veel van zijne scherpte verliezen. Haar, die onder de gebeurtenissen zoo naamloos veel leed, mocht hij wel het allerminst kwetsen. Menig droevig gesprek werd zoo tusschen moeder en zoon gevoerd.Bij haar was slechts een grondtoon, die zij daarbijaansloeg: de gelukzaligheid, die haar zou doortintelen, wanneer een harer kinderen, een van die telgen, die zij in haren schoot[51]gedragen, die zij gezoogd had, die zij zoo lief had, zich aan den dienst des Heeren zoude wijden. Het was haar alsof zij niet alleen haar eeuwig heil daarmeê kocht; want zij kon onmogelijk vatten, dat een harer andere kinderen, of haar echtgenoot zou kunnen verloren gaan. God zou toch zoo ondankbaar niet kunnen zijn, om niet minstens de ouders, broeders en zusters van hem, die zich aan zijn H. dienst wijdde, onder Zijne almachtige hoede te nemen.Van Herman’s zijde klonk slechts één antwoord op die moederlijke smeekingen:„O! moeder,” zuchtte hij, „verg dat niet van mij.Ik heb Lydia zoo lief, zoo onuitsprekelijk lief!”Toen zij evenwel de meening uitte, dat de stap nog onberaden was, dat Herman de toestand niet genoegzaam overdacht had, toen zij dientengevolge voorsloeg om nog een jaar naar het seminarie terug te keeren, toen verdween iedere weekhartigheid bij hem, toen weigerde hij kortweg:„Neen! mameer, dat kan niet!”Of zij hem al voorhield, dat hij juist in dat jaar, hetwelk hij zou intreden, het altaar meer nabij komen zou, dat hij dan meer met kennis van zaken zou kunnen beslissen, het hielp niets, niets!„Neen! mameer, dat kan niet!” was zijn onveranderlijk antwoord.„Zijt gij dan zoo onder den invloed van die deern?” vroeg de moeder niet zonder eenige ergernis.„Moeder, ik heb haar lief, onuitsprekelijk lief!” sprak hij met zachte stem, als wilde hij den indruk verzachten. „Maar geloof niet, dat zij een struikelblok voor mijne studiën zal wezen. Ik heb er over nagedacht, en ben tot het besluit gekomen, om naar de Hoogeschool te Leuven te gaan, om daar mijne studiën te voleindigen.”[52]„Dat nooit!” sprak de moeder met eene bij haar ongewone uitdrukking van wilskracht. „Dat nooit!”Verbaasd keek Herman haar aan. Hij wist niet of hij goed gehoord had.„Nooit?.…” vroeg hij met bevende stem.„Nooit!” was het even besliste antwoord.„Maar, mameer.…”„Laat af, iedere poging daartoe is te vergeefs!”„Maar.…”„Wilt gij uwe studiën voortzetten, keer dan naar Rolduc weer!”„Nooit!” klonk nu zijn antwoord even beslist weerom.„Dan zult gij u een andere loopbaan moeten kiezen dan die, waarvoor wetenschappelijke opleiding noodig is!”„Een andere loopbaan?.… Ik wilde mij aan de studie der rechtsgeleerdheid wijden.”De moeder sloeg hare handen met een wanhopig gebaar te zamen.„De rechtsgeleerdheid!.…” riep zij uit. „Was het mij niet voorspeld?.… Nooit! nooit!”„Maar, mameer.…”„Dus advokaat worden? niet waar?” klonk het als een bitter verwijt.„Advokaat, of griffier, of rechter. De rechterlijke macht biedt zooveel gelegenheden aan om.…”„Een mantel des duivels! zooals Pater Bernhart die heeren der rechterlijke macht zoo juist betiteld heeft.”„Pater Bernhart heeft geene rechtsgeleerde studiën gemaakt,” was het droge antwoord, „nimmer heeft hij ook zoo’n kleedingstuk van den vorst der duisternis gezien. Hij is dus niet bevoegd zoo’n vergelijking te maken. Maar, mameer, gij moogt nu zoo’n uitdrukking, die in een sermoen slechts eene oratorische wending te noemen is, en er alleen op berekend is, om bij het[53]onontwikkelde publiek effekt te sorteeren, niet meer waarde toekennen dan zij verdient.”„Genoeg, nimmer zal ik mijne toestemming geven, dat gij naar eene Hoogeschool vertrekt!”„Maar waarom dan toch, mameer, liefste moeder?”„Omdat de verleiding daar te groot, is, omdat gij daar uw verderf te gemoet zoudt snellen!”„Een fraai getuigschrift voor onze studeerende jongelingschap!” riep Herman uit. „Maar.… zoo even zeidet gij, dat het u voorspeld was, dat ik zou vragen om advokaat te worden. Wie was die profeet?.…”„Dat is mijne zaak.”„Mameer!.…”„Vraag mij niet, dat is mijne zaak!”„Als het dan toch mijne toekomst geldt, dan.…”„Zeker geldt het uwe toekomst! Het geldt uwe toekomst hiernamaals! het geldt het heil der Kerk!”„Wat groote woorden, mameer! Wie legde u die in den mond? In iedere betrekking kan men den hemel verwerven. Ik begrijp niet, hoe het heil der Kerk in gevaar kan gebracht worden, wanneer ik rechtsgeleerde werd?”„Laat af! ik zeg het u niet.”„Mameer!.…”Hij greep haar bij de handen, klemde die met alle innigheid in de zijne, boog zich over haar, en keek haar zacht maar vertrouwvol in de oogen.„Mameer!.…” herhaalde hij.De arme vrouw, door gewetensangst gefolterd, aarzelde; toch antwoordde zij:„Laat af!.… ik zeg het niet.”Toen trok hij haar met zacht geweld op zijn schoot, vleide haar op zijn knie neer, streelde haar met de eene hand de wang, sloeg den anderen arm om haren hals,[54]drukte hare gerimpelde wang tegen zijne blozende koon, terwijl de grauwe haren van de eerbiedwaardige vrouw over zijn nog kortgeknipt hoofd dwarrelden.„Moeder!.…” herhaalde hij ten derde male. „Ik smeek u bij al de liefde, die gij mij toedraagt, het geldt mijne geheele toekomst. Wie was uw raadgever?”Tegen dien aandrang was de arme vrouw niet bestand. Wel was haar geheimhouding gevraagd, maar welk kwaad kon er uit ontstaan, dat zij mededeelde wie haar geraden had? De raad was immers goed.„Directeur Peeters is hier geweest,” fluisterde zij schier onhoorbaar.„Directeur Peeters!.…” kreet de jongman met ontzetting.Hij begreep, welken hefboom men in de godvruchtige gevoelens zijner moeder gevonden had.„Hij wees er mij op, welke ommekeer bij u plaats had, die niet alleen uwe loopbaan, maar ook uwe godsdienstige gevoelens betrof.”„Mijne godsdienstige gevoelens?.…”„Gij waart in den laatsten tijd lauw geworden, gij voldeedt niet meer zoo regelmatig aan uwe godsdienstplichten. Nu en dan ontsnapte u een bitter woord jegens God en zijne plaatsvervangers op aarde!”„Maar, dat is niet waar!.…”„U uwe studiën te laten voortzetten, zonder behoorlijke leiding, was u blootstellen aan het gevaar de moderne grondstellingen in u op te nemen, met een Kant, met eenSchopenhauer, met een Renan, met een Voltaire, met een Rousseau te dwepen; was u aan het gevaar blootstellen een gevaarlijk vijand van de Kerk van Christus te worden.”„O! dat is te erg!.…” kreet de verontwaardigde jongeling. „Dat is te erg!”[55]„Laat mij voortgaan,” sprak de moeder haastig, als vreesde zij hare bekentenis niet ten einde te zullen brengen. „De eerwaarde heer wees er mij op, dat ik onder die omstandigheden zielenlast had. Hij wees op de noodzakelijkheid, dat ik u, dat ik de Kerk moest redden. Hij weet, welken invloed ik op uwen vader heb. In zijne handen legde ik de plechtige gelofte voor God af, dat, tenzij gij naar Rolduc terugkeert, gij uwe studiën niet voort zult zetten!”„Mameer!.…” kreet de jongeling ontzet.„Die belofte zal ik nauwkeurig volbrengen, mijn zoon!”Bleek en ontdaan liet hij haar uit zijne armen los, en sprong op.„O! die ellendelingen! Is dan voor dat adderengebroed niets heilig?” barstte Herman uit. „Eerst ontheiligden zij de vriendschappelijke gevoelens, die ik voor enkele mijner medeleerlingen koesterde. Door delatie en spionneering wisten zij dat edele gevoel te verstikken. Toen bezoedelden zij mijne liefdevolle gevoelens voor den engel, die op mijn pad verscheen, en aan wien ik slechts denk kuisch en rein, zooals ik eene gedachte aan de Godheid zelve zoude wijden. Nu word ik bij mijne ouders, bij mijne moeder verdacht gemaakt! Waar zullen die aterlingen toch eindigen?.…”Bij die woeste taal haars zoons had mevrouw Riethoven herhaaldelijk het teeken des kruizes gemaakt. Had Herman haar kalm en bedaard te woord gestaan, had hij haar medegedeeld, hoe hij in de laatste maanden te Rolduc verbitterd was geworden, hoe nu ook deze aanval weer te beschouwen was als te zijn een uitvloeisel van een vast plan, waarna men te werk ging, dan had hij wellicht de oogen der toch zoo liefdevolle moeder geopend. Nu versterkte hij hare meening omtrent zijne veranderde gevoelens. Nu bedierf hij alles, omdat in[56]zijn woorden een vijandigheid ontwaard werd, niet tegen de personen, die tegenover hem huichelachtig en dubbelzinnig te werk gingen, maar tegen de geheele geestelijkheid, ja, tegen de geheele Katholieke Kerk. Een begin dus in de oogen van de arme moeder van de vreeselijke voorspelling, die haar gedaan was.Het was dan ook volkomen vruchteloos, toen Herman nog aanhield om zijne studiën te mogen vervolgen. Op al zijn smeeken, op al zijne beden ontving hij slechts één antwoord, dat van een door en door godvruchtige vrouw, welker oordeel door de geestelijkheid bestuurd wordt:„Het gebeurt niet! De Hemel moge mij straffen! Daarmee uit!”„Om het even,”troostte zich de jongeling, wien die soort verwensching, zoo gewoon in den mond der vromen, alle hoop benam.„Mijne Lydia blijft mij!”Neen, zelfs die begoocheling mocht hem niet lang bijblijven.Toen hij eenige dagen later, schuchter en bedeesd, zooals jongelieden, maar vooral gewezen seminaristen, bij hunne eerste liefde zijn, een bezoek bij haar bracht, die hij zich verstoutte in zijn binnenste reeds „mijne Lydia” te noemen, werd hij door hare ouders uiterst vriendelijk ontvangen, maar kreeg het meisje niet te zien.Zoo ging het hem den tweeden, den derden, den vierden keer. Het wachtwoord was gegeven. Eindelijk in vertwijfeling wierp hij zich op een morgen, dat het arme kind uit de vroegmis kwam, op haar pad. Het was een droevige Decembermorgen, de wind huilde en raasde door de daken, de lucht was dik van regen. Er was dan ook niemand nog zoo vroeg op den weg. Toen hij haar de O. L. Vrouwe Kerk zag uittreden, ontroerde hij geweldig. Toch trad hij moedig voorwaarts. De lieve maagd, die hem ook bespeurd had, was niet minder bewogen[57]dan hij. Zij evenwel kwam uit den biechtstoel, alwaar haar de les gelezen en haar godsdienstig gevoel gaande gemaakt was.Wat was er met haar gebeurd? De directeur Peeters was na zijn bezoek bij mevrouw Riethoven naar de familie Fraenkel gekuierd, en had eerst een half uur met Lydia’s moeder in afzonderlijk gesprek doorgebracht. Daarna had hij een onderhoud met haren vader gehad, en eindelijk was de dochter geroepen, en was het hart en geweten van het argelooze meisje onder de bedreven hand van den vlijtigen en sluwen beoefenaar van het „Compendium” spoedig als eene zacht glacé leeren handschoen het binnenste buiten gekeerd. Tegen zoo eene casuistiek was geen meisjeshart bestand. Toch vlotten de zaken hier niet zoo, als dat bij de beide mama’s gegaan was. Had werkelijk de lieve maagd eenige genegenheid voor Herman opgevat? Wie zal dat ooit kunnen zeggen? Nimmer heeft zij zich daarover uitgelaten. Maar zoo heel gedwee volgde zij de adviezen van den eerwaarden heer Peeters niet. Toen die haar op het einde van het gesprek vrij ruw en onkiesch aanraadde de aanzoeken van Herman ter wille van de Kerk, waaraan hij zich reeds bij geloften verbonden had, van de hand te wijzen, vroeg zij, niet zonder dat een zweem van bitterheid haar lieftallig gelaat ontsierde: of geloften van kinderen ook meededen, en antwoordde verder, dat de geestelijke heeren verzocht werden zich met hare zaken niet te bemoeien; dat er nog geen aanzoek gedaan was, dus dat er nog niets viel van de hand te wijzen. Maar nu werd hare moeder verder in den arm genomen; toen werd haren biechtvader de les gelezen. Eerstbedoelde bracht zeer weinig effekt te weeg, en zou door haren tegenstand het wellicht ontluikende vuurtje aangewakkerd hebben. Toen evenwel het lieve kind in den[58]biechtstoel gekapitteld werd, toen zij zich daar behandeld gevoelde met eene ruwheid, die ieder kiesch gevoel kwetste, toen zij zich de „absolutie” hoorde weigeren en haar de nadering tot de tafel des Heeren als onwaardig ontzegd werd, toen was alle weerstand bij het arme kind gebroken. Zich aan de algemeene verachting prijs gegeven te zien, wanneer de buitenwereld te weten komen zou, dat haar de vergiffenis der zonden geweigerd was—en dat dit niet geheim zou blijven, begreep zij maar al te goed—ziet, dat durfde zij niet trotseeren. Zij had het hoofd gebogen, en zooeven was haar hare les voorgezegd. Dat trof.„Wat ben ik gelukkig juffrouw Lydia u te ontmoeten!” sprak Herman met opgewondenheid en met een van vreugde stralend gelaat. „Ik heb vier malen een bezoek bij u gebracht; maar telkens vond ik u niet te huis. Het was of het noodlot er mee speelde! Maar thans, och! ik voel mij zoo gelukkig u ontmoet te hebben!”Hij greep hare hand, die zij evenwel schuchter terugtrok. Hij lette daar niet op; maar ging voort:„Gij kent het innigste geheim van mijn hart, juffrouw Lydia; zeg mij, wanneer kan ik u te huis vinden, wanneer kan ik u een oogenblik alleen spreken?”„Alleen spreken?.… mijnheer Herman.… wat vraagt ge?”„O!” riep hij in vervoering, „uwe moeder, uwe zuster mogen bij het gesprek tegenwoordig zijn. Versta mij toch niet verkeerd. Ik wilde u slechts verlof vragen om mij tot uwe ouders te wenden.…”„Tot mijne ouders wenden?.… waarom?”Herman keek haar op die vraag met open mond aan.„Waarom?.… waarom?.…” stamelde hij.„Ja, waarom?” herhaalde het meisje uiterlijk kalm.„Wel, om.…”[59]Beiden stonden daar op het O. L. Vrouwe plein, terwijl de wind haar mantel met geweld zweepte, en hij verplicht was zijn hoed vast te houden. Zij greep zijn arm en viel hem in de rede.„Wij kunnen hier zoo niet blijven staan,” zeide zij. „Kom, het is wel geen wandelweer; maar wij willen een kleinen omweg over den O. L. V. wal tot aan de Maasbrug maken. Daar laat gij mij mijn weg weer alleen vervolgen tot bij mijn huis op het Vrijthof, zult ge?”Hij beloofde alles, wat Lydia maar wilde, overgelukkig als hij was, haren arm op den zijnen te voelen rusten. Toen zij den bedoelden kant uit, opgegaan waren:„Welnu, gij zeidet, mijnheer Riethoven?.…” vroeg het jonge meisje.„Ik zeide, dat ik u verlof wilde vragen, dierbare Lydia!” antwoordde Herman, zonder op die betiteling te letten van „mijnheer Riethoven”„om mij tot uwe ouders te mogen wenden.”„En ik vroeg u, waarom?”„Waarom?”…De deern voelde zijn arm trillen.„Waarom? Wel, om aanzoek om uwe hand te doen, dierbare Lydia!” antwoordde hij, al zijn moed tezamen rapende.„Om … mijne … hand … te vragen?” vroeg het jonge meisje als ten uiterste verwonderd en hare woorden afmetende.„Verbaast u dat zoo?” vroeg hij smartelijk verwonderd.„Zeker, verbaast mij dat. Ik was op zoo’n declaratie niet voorbereid.”„Dus slechts het onverwachte deed u ontstellen. Wees gerust, ik zal u allen tijd laten, mijne Lydia, ik kan wachten.”„Mijnheer Riethoven, ik moet u ernstig verzoeken[60]die uitdrukkingen van „mijne Lydia” en van „dierbare Lydia” achterwege te laten. Ik vind ze op zijn zachtst uitgedrukt ongepast. Ik ben uwe Lydia niet, en zal dat ook nooit worden.”Dat was op den man af.„Maar lieve Lyd …”„Alweer?”„Maar lieve juffrouw Fraenkel. Ik meende te hopen.”„Dan meendet en hooptet gij verkeerd! Nimmer is mij een woord of een gebaar ontsnapt, dat u eenige hoop heeft kunnen geven.”„Dat moet ik erkennen,” antwoordde hij bedeesd. „Maar gij weet toch, hoe lief ik u heb. Gij waart toch bij dat gesprek te Rolduc met mijne moeder tegenwoordig. Herinnert gij u?”„Zou ik mij dat niet herinneren? Ja zeker herinner ik mij dat gesprek nog, waarbij gij mij in tegenwoordigheid van nog twee andere dames, in tegenwoordigheid van directeur Peeters, in tegenwoordigheid van drie uwer medeleerlingen compromitteerdet.”„Vergeef mij Lydia.…”„Alweer?…” zei het meisje met bestraffenden blik, dien zij zoo streng mogelijk trachtte te maken.„O! vergeef mij!… Ik heb u zoo lief!” smeekte hij met tranen in zijne stem.„Kan ik daar iets aan doen? Is dat mijn schuld?”„Ik heb alles voor u opgeofferd!” klonk het als een verwijt, maar toch zoo zacht mogelijk.„Daaraan hebt ge ongelijk gehad. Keer naar Rolduc weder … De priesterstand … is zoo’n schoone stand …” sprak zij met aarzeling in hare stem.Een tipje van het gevoel kwam boven bij het jonge meisje. Maar, daar rees het beeld van haren biechtvader haar voor den geest.[61]„Lydia, wijs mij niet af … Gij beseft niet, wat gij doet …” smeekte hij.Zij stapte stilzwijgend naast hem voort. Die stilte woog hem loodzwaar.„Lydia, ik bezweer u, wijs mij zoo niet af. Ik bemin u onuitsprekelijk!”„Ik u niet!”„Wellicht een ander?” stoof de jongeling in drift op. „Wellicht een ander?”„Mijnheer Riethoven,” zei Lydia, terwijl zij zijn arm losliet, „nu wordt gij onbescheiden …”„O! ik heb u zoo lief. Laat mij dan toch de hoop. Laat mij dan toch beproeven uwe liefde te verwerven.…”„Dat is geheel overbodig, mijnheer Riethoven. Ik bemin u niet, en zal u nimmer beminnen.”„Dan bemint ge een ander!” zei hij met woestheid.Lydia antwoordde niet. Zij deinsde er voor terug, zoo wreed te zijn. Haar hart waarschuwde haar, het spel niet te ver te drijven.„Dan bemint gij een ander!” herhaalde Herman met klimmenden hartstocht.Zij gevoelde medelijden met den armen jongen. Zij was op het punt om hem een sprankje hoop te laten. Zij sloot de oogen en dacht in zich zelve: wie weet, wellicht komt er uitkomst. Maar daar doemde die gedaante weer op. Alle verteedering was weer gevlogen.„Dan bemint gij een ander!” herhaalde Herman met alle woestheid, terwijl hij haar bij den arm greep.„Welnu … ja!…”„Wien?… Zeg mij zijn naam!…”„O! dat gaat te ver!…” riep het jonge meisje. „Laat mij los, mijnheer!”En zich los rukkende vervolgde zij:„Wij zijn hier bij de Maasbrug. Gij zult mij thans[62]wel alleen laten gaan. Gij weet nu, wat gij weten moet. God geve u sterkte! Vaarwel!”En vlug als eene hinde spoedde zij voort.„God geve u sterkte!…” herhaalde hij. „God!… God!…”Er lag iets sarkastisch in zijne stem, toen hij die woorden sprak. Hij oogde de aangebeden gestalte na zoo ver hij kon. Hij zag haar de Brugstraat ten einde toe aftrippelen, daarna den KleinenStraatinslaan; toen was zij voor zijn oog verdwenen.„Weg, weg. Ieder droombeeld is weg!” mompelde hij, en keerde op zijne schreden terug.Toch gaf hij het nog niet op. In weerwil van hare verzekering, dat zij een ander beminde, wilde hij nog eene poging wagen. Tot dat einde begaf hij zich later op den dag naar Lydia’s woning, en verzocht hare ouders te spreken. Hij werd slechts bij haren vader toegelaten. Deze,een eenvoudig, bedaard, maar oprecht man, hoorde den jongeling met alle geduld aan. Hij liet hem zijne plannen voor de toekomst ontwikkelen, en had menigen goedkeurenden glimlach ten beste bij het aanhooren van die inderdaad welsprekende en met alle vuur uitgesproken pleitrede. Maar toen de jongman zijne medewerking verzocht, om Lydia’s genegenheid te verwerven, veranderde hij van houding.„Mijn beste jongen,” antwoordde hij zoetsappig. „Daar kan ik niets aandoen. Vooreerst zou ik nimmer een mijner kinderen in huwelijkszaken willen dwingen. Dan..!”Hier aarzelde hij een oogenblik.„Dan, al wilde ik mijne medewerking verleenen, dan zoudt gij nog niet terecht met mijne vrouw, Lydia’s moeder, komen …”„Wat heeft die tegen mij?”„Niets; zij houdt integendeel veel van u, als van den oudsten zoon harer beste vriendin. Maar zij deelt den[63]wensch dier vriendin: zij zou u zoo gaarne geestelijk zien worden.”„Dat word ik nimmer!”„Dat is jammer! Stel u evenwel het verwerven van Lydia’s hand uit het hoofd.”„Maar, als ik uwe vrouw voor mij win?…”De heer Fraenkel lachte fijntjes. Herman lette daar niet op.„Maar als ik uwe vrouw voor mij win?” ging hij voort, „kan ik dan op uwe medewerking rekenen?”„Volstrekt niet!”„Volstrekt niet. Dus de tegenkanting komt van uwe zijde?”„Maar bedenk dan toch mijn jonge vriend, dat ik kerkmeester ben. Ik ben broedermeester van het H. Hart, ik ben lid van de O. L. Vrouwenkamer, ik ben …”„Wat heeft dat alles met mijne liefde voor uwe dochter te maken? Word ik Lydia’s echtgenoot, zult gij dan minder broedermeester, minder kerkmeester zijn?”„Als gij de echtgenoot mijner Lydia wordt, dan kom ik in openbaren oorlog met al de kapelaans, met al de pastoors van Maastricht, ja, van geheel Limburg!”„Hoe dat?”Hier aarzelde de heer Fraenkel een oogenblik. Hij was evenwel te ver gegaan. Daarbij, hij wilde een einde aan dat gesprek maken, dat hem zwaar begon te wegen.„Ik wilde u maar in het kort mededeelen: de eerwaarde heer Peeters is hier geweest …”„De eerwaarde heer Peeters!” riep Herman uit, terwijl hij wanhopig de handen aan het voorhoofd bracht.„Ja, en hij heeft Lydia, hare moeder en mij uitgelegd, hoe misdadig wij zouden handelen, wanneer wij iemand in de familie opnamen, die bestemd was om de bruidegom des Heeren te zijn. Dat zult gij ook wel begrijpen?…[64]Mijn jonge vriend, ik heb diep deernis met uwe teleurstelling. Maar … het hemd is nader dan de rok; ik heb voor mijn eeuwig heil en voor dat der mijne te zorgen. Dring derhalve niet verder aan! Het is geheel overbodig!”Ja, het was overbodig, dat voelde Herman zelf. Hij wist met welke kracht hij te doen had. Bij het heengaan mompelde hij in overspanning:„Ook daar heeft die man mijne toekomst vernietigd! Gevloekt zij die priester, die zich een gezalfde des Heeren noemt!”[65]

III.Een man over boord.

Op een teeken van den directeur hadden Herman’s makkers hem naar de kerk gebracht. Wezenloos en met loomen tred had hij zich laten geleiden; maar toen hij tot bezinning kwam, en zich aan den voet van het altaar der H. Maagd bevond, toen vloog hij met een woesten kreet op:„Ik hoor niet meer hier! ik hoor niet meer hier!”En voort ijlde hij de kerk uit.Het was inmiddels laat geworden. Het souper was reeds afgeloopen. De leerlingen kwamen het refectoire uit, en verspreidden zich door de kruisgangen en over de speelplaats. Gedurende een uur mochten zij zich vermaken. Daarna zou de klok voor het avondgebed kleppen, waarna ieder zich ter ruste zou begeven.Maar wat bekommerde Herman zich om dat alles? Toen hij de kerk uitkwam, liep hij met somber gelaat de kruisgangen door, sprak tegen niemand, en sloeg acht op niemand. Zijne kameraden keken hem schuw aan, zoo eenigszins als zij een pestlijder zouden aangezien hebben. Het gebeurde was eenigermate uitgelekt. Hij doorliep een paar malen die sombere kruisgangen; toen vloog hij naar boven naar den dortoir, zocht zijn[45]„chambrette” op, ontkleedde zich, en lag zich te bed om in den slaap vergetelheid te zoeken.Dat was een inbreuk op de reglementen. De „chef de dortoir” gaf den directeur kennis van het gebeurde. Deze beval Herman met rust te laten. Toen evenwel iets later het avondgebed geëindigd was en het „In manus tuas Domine, commendo spiritum meum”13weerklonken had, en de leerlingen reeds wilden opstaan om zich naar de slaapzalen te begeven, sprak de directeur, die in het gebed voorgegaan was, met eene stem, welke van innige ontroering trilde:„Mes frères, prions Dieu; il y a parmi nous une âme en perdition!”Een oogenblik zaten allen in het gebed verzonken. Daarna weerklonk statig en somber als eene zelfaanklacht, als een uiterste noodkreet het vierstemmig koraal:„De profundis clamavi ad te Domine, Domine, exaudi vocem meam!”14Wat ging er in Herman’s ziel in die oogenblikken om? Hij had zich op zijn bed gesmeten, en getracht den slaap te vatten. Dat mislukte volkomen. In zoo’n gemoedsstemming slaapt men niet. Hij wierp zich nu eens op deze, dan weer op gene zijde. Te vergeefs. Daar weerklonken de eerste tonen van het „In manus”, door drie honderd stemmen aangeheven, krachtig door die gewelven, en vervulden het geheele monumentale gebouw. Herman luisterde toe, kruiste zich de armen over de borst, en prevelde:„Ja Heer, in uwe handen beveel ik mijnen geest!”Toen dat sluitlied afgeloopen was, dacht hij weldra de voetstappen te zullen hooren van zijn medeleerlingen, die nu ook hunne slaapsteden zouden opzoeken. Maar neen, alles bleef stil. Hij luisterde, luisterde. Hij wist[46]niets van dat stilzwijgen te maken. Plotseling barstte het „de profundis”, die weeklagende psalm, door al die monden aangeheven, los.„O! dat geldt mij!” gilde hij, en vloog zijn bed uit.Hij knielde neer voor het kruisbeeld, dat zijne „chambrette” versierde, boog het hoofd voorover, en verborg zijn gelaat met zijne handen:„Ja, Heer!” mompelde hij. „Ja, uit de diepte roep ik tot u, o Heer! Heer, verhoor mijne stem!”„Si iniquitates observaberis, quis sustinebit?” ruischte het van onder die gewelven naar boven.„Als Gij onze ongerechtigheden gadeslaat, wie zal er genade in Uwe oogen vinden?” mompelde Herman.Zoo volgde hij dien geheelen psalm, vers voor vers. Maar wonderlijk! Hij was in den grootsten angst opgevlogen; maar naarmate dat koraal vorderde, keerde de vrede in zijn gemoed weder. Een glimlach verscheen zelfs op zijn gelaat, en toen het „amen” weerklonken had, stond hij op.„Ik dank u Heer! voor den vrede, die mij weergegeven is. Het was maar eene beproeving! Ik zal niet meer weifelen. Ik zal haar standvastig aankleven. O! Lydia!” zoo ging hij hartstochtelijk voort; „Lydia, ik heb u zoo lief, zoo onuitsprekelijk lief!”Toen zijne medeleerlingen zich over de dortoirs verspreidden, lag hij weer rustig in zijn bed. Iets later ging de gordijn even open, die zijn kamertje voor het ingluren beschermde, en verscheen het hoofd van den directeur. Toen hij Herman met een glans van vergenoegen op het gelaat in slaap gedompeld zag, vertrokken zijne lippen zich tot een glimlach en prevelde hij:„Nu reeds in slaap! De strijd is niet zwaar geweest! Met Gods hulp heeft hetde profundisverwonnen.”Ja, hetde profundishad overwonnen, evenwel niet[47]zooals de directeur dat verondersteld had. De ijverige geestelijke zou dat spoedig genoeg ontwaren.Na dien dag, zoo gewichtig voor zijne toekomst, was het verdere verblijf te Rolduc voor Herman ondragelijk, en werd de last daarvan nog vermeerderd door de pogingen, die aangewend werden om hem op zijn eens genomen besluit terug te doen komen. Nu eens wees de directeur hem op hetgeen hij noemde „l’excellence du sacerdoce,” dan weer was het zijn biechtvader, die zich omtrent zijn zielenheil ongerust maakte. In de wereld was het door hare bekoringen zoo moeielijk tot de zaligheid te geraken, femelde deze laatste. Slechts de priester was zeker er van, in staat van genade te sterven.Dat alles gaf niets. Aan den een antwoordde onze jongeling, dat iedere maatschappelijke staat eensacerdocewas, een priesterschap, mits de verplichtingen daarvan met nauwgezetheid vervuld werden. Hij voegde er nog bij, dat in zijn oog geen schooner en waardigersacerdocebestond dan het vaderschap. Verbitterd over zoo’n antwoord, liet de directeur hem in den steek. Aan zijn biechtvader luidde zijn antwoord, dat hij juist zijn zielenheil in het oog hield. Want zich aan den dienst des Heeren te wijden, zonder er roeping toe te gevoelen, was zich onvermijdelijk aan het eeuwig verderf blootstellen.Nu begon een tijd voor hem, dien hij later met volle recht zijn martelaarschap noemde. Voor hem werd de algemeene regel verscherpt, dat nimmer de jongelieden van het seminarie zich twee aan twee met elkander mochten onderhouden, nimmer twee aan twee wandelen. Steeds moest een derde tegenwoordig zijn. Dat was den eenen verklikker van den anderen maken. Dat was het spionnenstelsel in zijne volmaaktheid. Men zag zeer ongaarne, dat twee leerlingen vriendschap met elkander sloten. Dat werd zooveel mogelijk belet, en twee jongelingen,[48]die wat te dikwijls volgens de meening der geestelijke heeren met elkander praatten of wandelden, haalden zich zeer zeker eene strenge berisping op den hals. Eene herhaling van zoo’n handeling zou als eene misdaad beschouwd zijn. Herman werd nu door een stelsel van delatie omgeven, dat hem hoogelijk verbitterde. Al zijne woorden werden overgebracht, niet altijd nauwkeurig; zij werden gekommenteerd, gewogen, gedraaid, en de wonderlijkste gevolgtrekkingen werden er uitgehaald. Dan werd hij bij den directeur geroepen, en hoorde hij zich vermaningen toevoegen, die verdiend zouden geweest zijn, wanneer het door hem gesprokene niet verdraaid en niet overdreven ware geweest. Hij stond dan daar als een misdadiger, en mocht en wilde zich niet verdedigen.Waar was die Christelijke liefde, die hij zoo honderde, zoo duizende malen had hooren aanprijzen? Waren dat die mannen, die steeds preekten: doe aan anderen niet, wat gij zelf niet zoudt willen gedaan zijn? Er begon in zijn geest wortel te schieten, dat het alles huichelarij was, dat al die verheven deugden slechts dienden, wanneer zij in de kraam te pas kwamen; dat zij overigens als onnutten ballast over boord werden geworpen. Wat de maat volmat, dat was, toen Provisor Raetsen Herman op een keer, dat hij eene toevlucht aan den voet van het altaar der H. Maagd gezocht, en daar vurig gebeden had, toevoegde: „het gebed zonder daden is een ijdel gebed, evenals een geloof zonder daden een dood geloof is”; eigenlijk niets anders dan huichelarij. „En mocht uw gebed ooit ten doel hebben, Gods hulp of de tusschenkomst der H. Maagd ter bereiking uwer wereldsche plannen of ter bevrediging uwer vleeschelijke aanvechtingen in te roepen, dan kunt gij er op rekenen, dan zijt gij een gruwel in hunne oogen.”[49]Dus, zelfs zijne godsvrucht werd verdacht, zijne gebeden zelfs werden bezoedeld!Hij trok zich nu geheel terug, verscheen niet meer in de kerk dan daartoe gedwongen, en slechts wanneer de andere leerlingen gemeenschappelijk daar heengingen. Gefolterd door de vermaningen zijns biechtvaders, maar meer nog door diens onbescheiden vragen, die het onkiesche nabij kwamen, ging hij zoo zelden mogelijk ter biecht, en verscheen dus niet minder zeldzaam aan de Avondmaalsbank. Dat verwekte ergernis, zoowel bij zijne medeleerlingen als bij zijne leeraren, en hun omgang droeg daarvan de onmiskenbare sporen.Zoo naderde de vacantie.Bij de prijsuitdeeling op den laatsten dag ondervond hij nieuwe teleurstelling. Werd zijn ijver in vroegere jaren voldoende bij zoo’n gelegenheid beloond, dezen keer zag hij zich van alles verstoken. Het liet hem vrij koud.„Vos études ont bien souffert,” merkte hem de directeur dien laatsten dag met soetsappig gelaat op.Hij trok de schouders op. Hij was zich niet bewust in zijne studiën te kort te zijn gekomen, en het lustte hem niet na te gaan, aan welke andere oorzaken hij die ongenade te wijten had.Den volgenden dag schudde hij het stof zijner schoenen bij het verlaten van het gesticht, en maakte zich op weg. Hij vermeed de reis met zijne Maastrichtsche medeleerlingen, die gewoonlijk per grooten Jan van Pleizier afgehaald werden, gezamenlijk te doen, ten einde hunne toespelingen, hunne opmerkingen en hunne vertogen te ontgaan. Hij greep zijn wandelstok, kuierde tot Heerlen, wat langs een binnenpad van Kerkrade daarheen zoo ver niet was. Toen hij dat pad ingeslagen was, ontwaardde hij voor zich uit een groepje seminaristen, van de naburige dorpen afkomstig, die den weg naar[50]de plaats hunner inwoning gezamenlijk aflegden. Vroolijk en opgeruimd weerklonken hunne stemmen, en vernam Herman hun lied:„Adieu! berceau de mon enfance!Adieu Rolduc, aimable lieu!Rolduc! où regne l’innocence!La paix et le bonheur adieu!Je pars pour consoler un père!Adieu riant exil des bois!Je suis au bout de ma carrière!Salut! pour la dernière fois!”„La paix et le bonheur adieu!” herhaalde Herman meesmuilende. „Ik ga den vrede des harten en het geluk te gemoet!”Hij volgde het fraaie gezang met de lippen.„Ja, waarlijk, dat Rolduc was:un riant exil des bois!Maar toch zing ik met geestdrift:Salut! pour la dernière fois!”Te Heerlen besteeg hij de diligence van Cremers, en kwam zoo ongeveer tegen het middaguur in hetouderlijkehuis aan.Daar was hem evenwel ook nog niet veel rust beschoren. Natuurlijk had hij van wege zijne goede moeder nog menigen aanval te verduren. Had hij met mannelijke kracht tegenover het doceerend personeel van het seminarie kunnen staan, hier, tegenover die teedere, die liefdevolle moeder, moest zijn gedrag veel van zijne scherpte verliezen. Haar, die onder de gebeurtenissen zoo naamloos veel leed, mocht hij wel het allerminst kwetsen. Menig droevig gesprek werd zoo tusschen moeder en zoon gevoerd.Bij haar was slechts een grondtoon, die zij daarbijaansloeg: de gelukzaligheid, die haar zou doortintelen, wanneer een harer kinderen, een van die telgen, die zij in haren schoot[51]gedragen, die zij gezoogd had, die zij zoo lief had, zich aan den dienst des Heeren zoude wijden. Het was haar alsof zij niet alleen haar eeuwig heil daarmeê kocht; want zij kon onmogelijk vatten, dat een harer andere kinderen, of haar echtgenoot zou kunnen verloren gaan. God zou toch zoo ondankbaar niet kunnen zijn, om niet minstens de ouders, broeders en zusters van hem, die zich aan zijn H. dienst wijdde, onder Zijne almachtige hoede te nemen.Van Herman’s zijde klonk slechts één antwoord op die moederlijke smeekingen:„O! moeder,” zuchtte hij, „verg dat niet van mij.Ik heb Lydia zoo lief, zoo onuitsprekelijk lief!”Toen zij evenwel de meening uitte, dat de stap nog onberaden was, dat Herman de toestand niet genoegzaam overdacht had, toen zij dientengevolge voorsloeg om nog een jaar naar het seminarie terug te keeren, toen verdween iedere weekhartigheid bij hem, toen weigerde hij kortweg:„Neen! mameer, dat kan niet!”Of zij hem al voorhield, dat hij juist in dat jaar, hetwelk hij zou intreden, het altaar meer nabij komen zou, dat hij dan meer met kennis van zaken zou kunnen beslissen, het hielp niets, niets!„Neen! mameer, dat kan niet!” was zijn onveranderlijk antwoord.„Zijt gij dan zoo onder den invloed van die deern?” vroeg de moeder niet zonder eenige ergernis.„Moeder, ik heb haar lief, onuitsprekelijk lief!” sprak hij met zachte stem, als wilde hij den indruk verzachten. „Maar geloof niet, dat zij een struikelblok voor mijne studiën zal wezen. Ik heb er over nagedacht, en ben tot het besluit gekomen, om naar de Hoogeschool te Leuven te gaan, om daar mijne studiën te voleindigen.”[52]„Dat nooit!” sprak de moeder met eene bij haar ongewone uitdrukking van wilskracht. „Dat nooit!”Verbaasd keek Herman haar aan. Hij wist niet of hij goed gehoord had.„Nooit?.…” vroeg hij met bevende stem.„Nooit!” was het even besliste antwoord.„Maar, mameer.…”„Laat af, iedere poging daartoe is te vergeefs!”„Maar.…”„Wilt gij uwe studiën voortzetten, keer dan naar Rolduc weer!”„Nooit!” klonk nu zijn antwoord even beslist weerom.„Dan zult gij u een andere loopbaan moeten kiezen dan die, waarvoor wetenschappelijke opleiding noodig is!”„Een andere loopbaan?.… Ik wilde mij aan de studie der rechtsgeleerdheid wijden.”De moeder sloeg hare handen met een wanhopig gebaar te zamen.„De rechtsgeleerdheid!.…” riep zij uit. „Was het mij niet voorspeld?.… Nooit! nooit!”„Maar, mameer.…”„Dus advokaat worden? niet waar?” klonk het als een bitter verwijt.„Advokaat, of griffier, of rechter. De rechterlijke macht biedt zooveel gelegenheden aan om.…”„Een mantel des duivels! zooals Pater Bernhart die heeren der rechterlijke macht zoo juist betiteld heeft.”„Pater Bernhart heeft geene rechtsgeleerde studiën gemaakt,” was het droge antwoord, „nimmer heeft hij ook zoo’n kleedingstuk van den vorst der duisternis gezien. Hij is dus niet bevoegd zoo’n vergelijking te maken. Maar, mameer, gij moogt nu zoo’n uitdrukking, die in een sermoen slechts eene oratorische wending te noemen is, en er alleen op berekend is, om bij het[53]onontwikkelde publiek effekt te sorteeren, niet meer waarde toekennen dan zij verdient.”„Genoeg, nimmer zal ik mijne toestemming geven, dat gij naar eene Hoogeschool vertrekt!”„Maar waarom dan toch, mameer, liefste moeder?”„Omdat de verleiding daar te groot, is, omdat gij daar uw verderf te gemoet zoudt snellen!”„Een fraai getuigschrift voor onze studeerende jongelingschap!” riep Herman uit. „Maar.… zoo even zeidet gij, dat het u voorspeld was, dat ik zou vragen om advokaat te worden. Wie was die profeet?.…”„Dat is mijne zaak.”„Mameer!.…”„Vraag mij niet, dat is mijne zaak!”„Als het dan toch mijne toekomst geldt, dan.…”„Zeker geldt het uwe toekomst! Het geldt uwe toekomst hiernamaals! het geldt het heil der Kerk!”„Wat groote woorden, mameer! Wie legde u die in den mond? In iedere betrekking kan men den hemel verwerven. Ik begrijp niet, hoe het heil der Kerk in gevaar kan gebracht worden, wanneer ik rechtsgeleerde werd?”„Laat af! ik zeg het u niet.”„Mameer!.…”Hij greep haar bij de handen, klemde die met alle innigheid in de zijne, boog zich over haar, en keek haar zacht maar vertrouwvol in de oogen.„Mameer!.…” herhaalde hij.De arme vrouw, door gewetensangst gefolterd, aarzelde; toch antwoordde zij:„Laat af!.… ik zeg het niet.”Toen trok hij haar met zacht geweld op zijn schoot, vleide haar op zijn knie neer, streelde haar met de eene hand de wang, sloeg den anderen arm om haren hals,[54]drukte hare gerimpelde wang tegen zijne blozende koon, terwijl de grauwe haren van de eerbiedwaardige vrouw over zijn nog kortgeknipt hoofd dwarrelden.„Moeder!.…” herhaalde hij ten derde male. „Ik smeek u bij al de liefde, die gij mij toedraagt, het geldt mijne geheele toekomst. Wie was uw raadgever?”Tegen dien aandrang was de arme vrouw niet bestand. Wel was haar geheimhouding gevraagd, maar welk kwaad kon er uit ontstaan, dat zij mededeelde wie haar geraden had? De raad was immers goed.„Directeur Peeters is hier geweest,” fluisterde zij schier onhoorbaar.„Directeur Peeters!.…” kreet de jongman met ontzetting.Hij begreep, welken hefboom men in de godvruchtige gevoelens zijner moeder gevonden had.„Hij wees er mij op, welke ommekeer bij u plaats had, die niet alleen uwe loopbaan, maar ook uwe godsdienstige gevoelens betrof.”„Mijne godsdienstige gevoelens?.…”„Gij waart in den laatsten tijd lauw geworden, gij voldeedt niet meer zoo regelmatig aan uwe godsdienstplichten. Nu en dan ontsnapte u een bitter woord jegens God en zijne plaatsvervangers op aarde!”„Maar, dat is niet waar!.…”„U uwe studiën te laten voortzetten, zonder behoorlijke leiding, was u blootstellen aan het gevaar de moderne grondstellingen in u op te nemen, met een Kant, met eenSchopenhauer, met een Renan, met een Voltaire, met een Rousseau te dwepen; was u aan het gevaar blootstellen een gevaarlijk vijand van de Kerk van Christus te worden.”„O! dat is te erg!.…” kreet de verontwaardigde jongeling. „Dat is te erg!”[55]„Laat mij voortgaan,” sprak de moeder haastig, als vreesde zij hare bekentenis niet ten einde te zullen brengen. „De eerwaarde heer wees er mij op, dat ik onder die omstandigheden zielenlast had. Hij wees op de noodzakelijkheid, dat ik u, dat ik de Kerk moest redden. Hij weet, welken invloed ik op uwen vader heb. In zijne handen legde ik de plechtige gelofte voor God af, dat, tenzij gij naar Rolduc terugkeert, gij uwe studiën niet voort zult zetten!”„Mameer!.…” kreet de jongeling ontzet.„Die belofte zal ik nauwkeurig volbrengen, mijn zoon!”Bleek en ontdaan liet hij haar uit zijne armen los, en sprong op.„O! die ellendelingen! Is dan voor dat adderengebroed niets heilig?” barstte Herman uit. „Eerst ontheiligden zij de vriendschappelijke gevoelens, die ik voor enkele mijner medeleerlingen koesterde. Door delatie en spionneering wisten zij dat edele gevoel te verstikken. Toen bezoedelden zij mijne liefdevolle gevoelens voor den engel, die op mijn pad verscheen, en aan wien ik slechts denk kuisch en rein, zooals ik eene gedachte aan de Godheid zelve zoude wijden. Nu word ik bij mijne ouders, bij mijne moeder verdacht gemaakt! Waar zullen die aterlingen toch eindigen?.…”Bij die woeste taal haars zoons had mevrouw Riethoven herhaaldelijk het teeken des kruizes gemaakt. Had Herman haar kalm en bedaard te woord gestaan, had hij haar medegedeeld, hoe hij in de laatste maanden te Rolduc verbitterd was geworden, hoe nu ook deze aanval weer te beschouwen was als te zijn een uitvloeisel van een vast plan, waarna men te werk ging, dan had hij wellicht de oogen der toch zoo liefdevolle moeder geopend. Nu versterkte hij hare meening omtrent zijne veranderde gevoelens. Nu bedierf hij alles, omdat in[56]zijn woorden een vijandigheid ontwaard werd, niet tegen de personen, die tegenover hem huichelachtig en dubbelzinnig te werk gingen, maar tegen de geheele geestelijkheid, ja, tegen de geheele Katholieke Kerk. Een begin dus in de oogen van de arme moeder van de vreeselijke voorspelling, die haar gedaan was.Het was dan ook volkomen vruchteloos, toen Herman nog aanhield om zijne studiën te mogen vervolgen. Op al zijn smeeken, op al zijne beden ontving hij slechts één antwoord, dat van een door en door godvruchtige vrouw, welker oordeel door de geestelijkheid bestuurd wordt:„Het gebeurt niet! De Hemel moge mij straffen! Daarmee uit!”„Om het even,”troostte zich de jongeling, wien die soort verwensching, zoo gewoon in den mond der vromen, alle hoop benam.„Mijne Lydia blijft mij!”Neen, zelfs die begoocheling mocht hem niet lang bijblijven.Toen hij eenige dagen later, schuchter en bedeesd, zooals jongelieden, maar vooral gewezen seminaristen, bij hunne eerste liefde zijn, een bezoek bij haar bracht, die hij zich verstoutte in zijn binnenste reeds „mijne Lydia” te noemen, werd hij door hare ouders uiterst vriendelijk ontvangen, maar kreeg het meisje niet te zien.Zoo ging het hem den tweeden, den derden, den vierden keer. Het wachtwoord was gegeven. Eindelijk in vertwijfeling wierp hij zich op een morgen, dat het arme kind uit de vroegmis kwam, op haar pad. Het was een droevige Decembermorgen, de wind huilde en raasde door de daken, de lucht was dik van regen. Er was dan ook niemand nog zoo vroeg op den weg. Toen hij haar de O. L. Vrouwe Kerk zag uittreden, ontroerde hij geweldig. Toch trad hij moedig voorwaarts. De lieve maagd, die hem ook bespeurd had, was niet minder bewogen[57]dan hij. Zij evenwel kwam uit den biechtstoel, alwaar haar de les gelezen en haar godsdienstig gevoel gaande gemaakt was.Wat was er met haar gebeurd? De directeur Peeters was na zijn bezoek bij mevrouw Riethoven naar de familie Fraenkel gekuierd, en had eerst een half uur met Lydia’s moeder in afzonderlijk gesprek doorgebracht. Daarna had hij een onderhoud met haren vader gehad, en eindelijk was de dochter geroepen, en was het hart en geweten van het argelooze meisje onder de bedreven hand van den vlijtigen en sluwen beoefenaar van het „Compendium” spoedig als eene zacht glacé leeren handschoen het binnenste buiten gekeerd. Tegen zoo eene casuistiek was geen meisjeshart bestand. Toch vlotten de zaken hier niet zoo, als dat bij de beide mama’s gegaan was. Had werkelijk de lieve maagd eenige genegenheid voor Herman opgevat? Wie zal dat ooit kunnen zeggen? Nimmer heeft zij zich daarover uitgelaten. Maar zoo heel gedwee volgde zij de adviezen van den eerwaarden heer Peeters niet. Toen die haar op het einde van het gesprek vrij ruw en onkiesch aanraadde de aanzoeken van Herman ter wille van de Kerk, waaraan hij zich reeds bij geloften verbonden had, van de hand te wijzen, vroeg zij, niet zonder dat een zweem van bitterheid haar lieftallig gelaat ontsierde: of geloften van kinderen ook meededen, en antwoordde verder, dat de geestelijke heeren verzocht werden zich met hare zaken niet te bemoeien; dat er nog geen aanzoek gedaan was, dus dat er nog niets viel van de hand te wijzen. Maar nu werd hare moeder verder in den arm genomen; toen werd haren biechtvader de les gelezen. Eerstbedoelde bracht zeer weinig effekt te weeg, en zou door haren tegenstand het wellicht ontluikende vuurtje aangewakkerd hebben. Toen evenwel het lieve kind in den[58]biechtstoel gekapitteld werd, toen zij zich daar behandeld gevoelde met eene ruwheid, die ieder kiesch gevoel kwetste, toen zij zich de „absolutie” hoorde weigeren en haar de nadering tot de tafel des Heeren als onwaardig ontzegd werd, toen was alle weerstand bij het arme kind gebroken. Zich aan de algemeene verachting prijs gegeven te zien, wanneer de buitenwereld te weten komen zou, dat haar de vergiffenis der zonden geweigerd was—en dat dit niet geheim zou blijven, begreep zij maar al te goed—ziet, dat durfde zij niet trotseeren. Zij had het hoofd gebogen, en zooeven was haar hare les voorgezegd. Dat trof.„Wat ben ik gelukkig juffrouw Lydia u te ontmoeten!” sprak Herman met opgewondenheid en met een van vreugde stralend gelaat. „Ik heb vier malen een bezoek bij u gebracht; maar telkens vond ik u niet te huis. Het was of het noodlot er mee speelde! Maar thans, och! ik voel mij zoo gelukkig u ontmoet te hebben!”Hij greep hare hand, die zij evenwel schuchter terugtrok. Hij lette daar niet op; maar ging voort:„Gij kent het innigste geheim van mijn hart, juffrouw Lydia; zeg mij, wanneer kan ik u te huis vinden, wanneer kan ik u een oogenblik alleen spreken?”„Alleen spreken?.… mijnheer Herman.… wat vraagt ge?”„O!” riep hij in vervoering, „uwe moeder, uwe zuster mogen bij het gesprek tegenwoordig zijn. Versta mij toch niet verkeerd. Ik wilde u slechts verlof vragen om mij tot uwe ouders te wenden.…”„Tot mijne ouders wenden?.… waarom?”Herman keek haar op die vraag met open mond aan.„Waarom?.… waarom?.…” stamelde hij.„Ja, waarom?” herhaalde het meisje uiterlijk kalm.„Wel, om.…”[59]Beiden stonden daar op het O. L. Vrouwe plein, terwijl de wind haar mantel met geweld zweepte, en hij verplicht was zijn hoed vast te houden. Zij greep zijn arm en viel hem in de rede.„Wij kunnen hier zoo niet blijven staan,” zeide zij. „Kom, het is wel geen wandelweer; maar wij willen een kleinen omweg over den O. L. V. wal tot aan de Maasbrug maken. Daar laat gij mij mijn weg weer alleen vervolgen tot bij mijn huis op het Vrijthof, zult ge?”Hij beloofde alles, wat Lydia maar wilde, overgelukkig als hij was, haren arm op den zijnen te voelen rusten. Toen zij den bedoelden kant uit, opgegaan waren:„Welnu, gij zeidet, mijnheer Riethoven?.…” vroeg het jonge meisje.„Ik zeide, dat ik u verlof wilde vragen, dierbare Lydia!” antwoordde Herman, zonder op die betiteling te letten van „mijnheer Riethoven”„om mij tot uwe ouders te mogen wenden.”„En ik vroeg u, waarom?”„Waarom?”…De deern voelde zijn arm trillen.„Waarom? Wel, om aanzoek om uwe hand te doen, dierbare Lydia!” antwoordde hij, al zijn moed tezamen rapende.„Om … mijne … hand … te vragen?” vroeg het jonge meisje als ten uiterste verwonderd en hare woorden afmetende.„Verbaast u dat zoo?” vroeg hij smartelijk verwonderd.„Zeker, verbaast mij dat. Ik was op zoo’n declaratie niet voorbereid.”„Dus slechts het onverwachte deed u ontstellen. Wees gerust, ik zal u allen tijd laten, mijne Lydia, ik kan wachten.”„Mijnheer Riethoven, ik moet u ernstig verzoeken[60]die uitdrukkingen van „mijne Lydia” en van „dierbare Lydia” achterwege te laten. Ik vind ze op zijn zachtst uitgedrukt ongepast. Ik ben uwe Lydia niet, en zal dat ook nooit worden.”Dat was op den man af.„Maar lieve Lyd …”„Alweer?”„Maar lieve juffrouw Fraenkel. Ik meende te hopen.”„Dan meendet en hooptet gij verkeerd! Nimmer is mij een woord of een gebaar ontsnapt, dat u eenige hoop heeft kunnen geven.”„Dat moet ik erkennen,” antwoordde hij bedeesd. „Maar gij weet toch, hoe lief ik u heb. Gij waart toch bij dat gesprek te Rolduc met mijne moeder tegenwoordig. Herinnert gij u?”„Zou ik mij dat niet herinneren? Ja zeker herinner ik mij dat gesprek nog, waarbij gij mij in tegenwoordigheid van nog twee andere dames, in tegenwoordigheid van directeur Peeters, in tegenwoordigheid van drie uwer medeleerlingen compromitteerdet.”„Vergeef mij Lydia.…”„Alweer?…” zei het meisje met bestraffenden blik, dien zij zoo streng mogelijk trachtte te maken.„O! vergeef mij!… Ik heb u zoo lief!” smeekte hij met tranen in zijne stem.„Kan ik daar iets aan doen? Is dat mijn schuld?”„Ik heb alles voor u opgeofferd!” klonk het als een verwijt, maar toch zoo zacht mogelijk.„Daaraan hebt ge ongelijk gehad. Keer naar Rolduc weder … De priesterstand … is zoo’n schoone stand …” sprak zij met aarzeling in hare stem.Een tipje van het gevoel kwam boven bij het jonge meisje. Maar, daar rees het beeld van haren biechtvader haar voor den geest.[61]„Lydia, wijs mij niet af … Gij beseft niet, wat gij doet …” smeekte hij.Zij stapte stilzwijgend naast hem voort. Die stilte woog hem loodzwaar.„Lydia, ik bezweer u, wijs mij zoo niet af. Ik bemin u onuitsprekelijk!”„Ik u niet!”„Wellicht een ander?” stoof de jongeling in drift op. „Wellicht een ander?”„Mijnheer Riethoven,” zei Lydia, terwijl zij zijn arm losliet, „nu wordt gij onbescheiden …”„O! ik heb u zoo lief. Laat mij dan toch de hoop. Laat mij dan toch beproeven uwe liefde te verwerven.…”„Dat is geheel overbodig, mijnheer Riethoven. Ik bemin u niet, en zal u nimmer beminnen.”„Dan bemint ge een ander!” zei hij met woestheid.Lydia antwoordde niet. Zij deinsde er voor terug, zoo wreed te zijn. Haar hart waarschuwde haar, het spel niet te ver te drijven.„Dan bemint gij een ander!” herhaalde Herman met klimmenden hartstocht.Zij gevoelde medelijden met den armen jongen. Zij was op het punt om hem een sprankje hoop te laten. Zij sloot de oogen en dacht in zich zelve: wie weet, wellicht komt er uitkomst. Maar daar doemde die gedaante weer op. Alle verteedering was weer gevlogen.„Dan bemint gij een ander!” herhaalde Herman met alle woestheid, terwijl hij haar bij den arm greep.„Welnu … ja!…”„Wien?… Zeg mij zijn naam!…”„O! dat gaat te ver!…” riep het jonge meisje. „Laat mij los, mijnheer!”En zich los rukkende vervolgde zij:„Wij zijn hier bij de Maasbrug. Gij zult mij thans[62]wel alleen laten gaan. Gij weet nu, wat gij weten moet. God geve u sterkte! Vaarwel!”En vlug als eene hinde spoedde zij voort.„God geve u sterkte!…” herhaalde hij. „God!… God!…”Er lag iets sarkastisch in zijne stem, toen hij die woorden sprak. Hij oogde de aangebeden gestalte na zoo ver hij kon. Hij zag haar de Brugstraat ten einde toe aftrippelen, daarna den KleinenStraatinslaan; toen was zij voor zijn oog verdwenen.„Weg, weg. Ieder droombeeld is weg!” mompelde hij, en keerde op zijne schreden terug.Toch gaf hij het nog niet op. In weerwil van hare verzekering, dat zij een ander beminde, wilde hij nog eene poging wagen. Tot dat einde begaf hij zich later op den dag naar Lydia’s woning, en verzocht hare ouders te spreken. Hij werd slechts bij haren vader toegelaten. Deze,een eenvoudig, bedaard, maar oprecht man, hoorde den jongeling met alle geduld aan. Hij liet hem zijne plannen voor de toekomst ontwikkelen, en had menigen goedkeurenden glimlach ten beste bij het aanhooren van die inderdaad welsprekende en met alle vuur uitgesproken pleitrede. Maar toen de jongman zijne medewerking verzocht, om Lydia’s genegenheid te verwerven, veranderde hij van houding.„Mijn beste jongen,” antwoordde hij zoetsappig. „Daar kan ik niets aandoen. Vooreerst zou ik nimmer een mijner kinderen in huwelijkszaken willen dwingen. Dan..!”Hier aarzelde hij een oogenblik.„Dan, al wilde ik mijne medewerking verleenen, dan zoudt gij nog niet terecht met mijne vrouw, Lydia’s moeder, komen …”„Wat heeft die tegen mij?”„Niets; zij houdt integendeel veel van u, als van den oudsten zoon harer beste vriendin. Maar zij deelt den[63]wensch dier vriendin: zij zou u zoo gaarne geestelijk zien worden.”„Dat word ik nimmer!”„Dat is jammer! Stel u evenwel het verwerven van Lydia’s hand uit het hoofd.”„Maar, als ik uwe vrouw voor mij win?…”De heer Fraenkel lachte fijntjes. Herman lette daar niet op.„Maar als ik uwe vrouw voor mij win?” ging hij voort, „kan ik dan op uwe medewerking rekenen?”„Volstrekt niet!”„Volstrekt niet. Dus de tegenkanting komt van uwe zijde?”„Maar bedenk dan toch mijn jonge vriend, dat ik kerkmeester ben. Ik ben broedermeester van het H. Hart, ik ben lid van de O. L. Vrouwenkamer, ik ben …”„Wat heeft dat alles met mijne liefde voor uwe dochter te maken? Word ik Lydia’s echtgenoot, zult gij dan minder broedermeester, minder kerkmeester zijn?”„Als gij de echtgenoot mijner Lydia wordt, dan kom ik in openbaren oorlog met al de kapelaans, met al de pastoors van Maastricht, ja, van geheel Limburg!”„Hoe dat?”Hier aarzelde de heer Fraenkel een oogenblik. Hij was evenwel te ver gegaan. Daarbij, hij wilde een einde aan dat gesprek maken, dat hem zwaar begon te wegen.„Ik wilde u maar in het kort mededeelen: de eerwaarde heer Peeters is hier geweest …”„De eerwaarde heer Peeters!” riep Herman uit, terwijl hij wanhopig de handen aan het voorhoofd bracht.„Ja, en hij heeft Lydia, hare moeder en mij uitgelegd, hoe misdadig wij zouden handelen, wanneer wij iemand in de familie opnamen, die bestemd was om de bruidegom des Heeren te zijn. Dat zult gij ook wel begrijpen?…[64]Mijn jonge vriend, ik heb diep deernis met uwe teleurstelling. Maar … het hemd is nader dan de rok; ik heb voor mijn eeuwig heil en voor dat der mijne te zorgen. Dring derhalve niet verder aan! Het is geheel overbodig!”Ja, het was overbodig, dat voelde Herman zelf. Hij wist met welke kracht hij te doen had. Bij het heengaan mompelde hij in overspanning:„Ook daar heeft die man mijne toekomst vernietigd! Gevloekt zij die priester, die zich een gezalfde des Heeren noemt!”[65]

Op een teeken van den directeur hadden Herman’s makkers hem naar de kerk gebracht. Wezenloos en met loomen tred had hij zich laten geleiden; maar toen hij tot bezinning kwam, en zich aan den voet van het altaar der H. Maagd bevond, toen vloog hij met een woesten kreet op:

„Ik hoor niet meer hier! ik hoor niet meer hier!”

En voort ijlde hij de kerk uit.

Het was inmiddels laat geworden. Het souper was reeds afgeloopen. De leerlingen kwamen het refectoire uit, en verspreidden zich door de kruisgangen en over de speelplaats. Gedurende een uur mochten zij zich vermaken. Daarna zou de klok voor het avondgebed kleppen, waarna ieder zich ter ruste zou begeven.

Maar wat bekommerde Herman zich om dat alles? Toen hij de kerk uitkwam, liep hij met somber gelaat de kruisgangen door, sprak tegen niemand, en sloeg acht op niemand. Zijne kameraden keken hem schuw aan, zoo eenigszins als zij een pestlijder zouden aangezien hebben. Het gebeurde was eenigermate uitgelekt. Hij doorliep een paar malen die sombere kruisgangen; toen vloog hij naar boven naar den dortoir, zocht zijn[45]„chambrette” op, ontkleedde zich, en lag zich te bed om in den slaap vergetelheid te zoeken.

Dat was een inbreuk op de reglementen. De „chef de dortoir” gaf den directeur kennis van het gebeurde. Deze beval Herman met rust te laten. Toen evenwel iets later het avondgebed geëindigd was en het „In manus tuas Domine, commendo spiritum meum”13weerklonken had, en de leerlingen reeds wilden opstaan om zich naar de slaapzalen te begeven, sprak de directeur, die in het gebed voorgegaan was, met eene stem, welke van innige ontroering trilde:

„Mes frères, prions Dieu; il y a parmi nous une âme en perdition!”

Een oogenblik zaten allen in het gebed verzonken. Daarna weerklonk statig en somber als eene zelfaanklacht, als een uiterste noodkreet het vierstemmig koraal:

„De profundis clamavi ad te Domine, Domine, exaudi vocem meam!”14

Wat ging er in Herman’s ziel in die oogenblikken om? Hij had zich op zijn bed gesmeten, en getracht den slaap te vatten. Dat mislukte volkomen. In zoo’n gemoedsstemming slaapt men niet. Hij wierp zich nu eens op deze, dan weer op gene zijde. Te vergeefs. Daar weerklonken de eerste tonen van het „In manus”, door drie honderd stemmen aangeheven, krachtig door die gewelven, en vervulden het geheele monumentale gebouw. Herman luisterde toe, kruiste zich de armen over de borst, en prevelde:

„Ja Heer, in uwe handen beveel ik mijnen geest!”

Toen dat sluitlied afgeloopen was, dacht hij weldra de voetstappen te zullen hooren van zijn medeleerlingen, die nu ook hunne slaapsteden zouden opzoeken. Maar neen, alles bleef stil. Hij luisterde, luisterde. Hij wist[46]niets van dat stilzwijgen te maken. Plotseling barstte het „de profundis”, die weeklagende psalm, door al die monden aangeheven, los.

„O! dat geldt mij!” gilde hij, en vloog zijn bed uit.

Hij knielde neer voor het kruisbeeld, dat zijne „chambrette” versierde, boog het hoofd voorover, en verborg zijn gelaat met zijne handen:

„Ja, Heer!” mompelde hij. „Ja, uit de diepte roep ik tot u, o Heer! Heer, verhoor mijne stem!”

„Si iniquitates observaberis, quis sustinebit?” ruischte het van onder die gewelven naar boven.

„Als Gij onze ongerechtigheden gadeslaat, wie zal er genade in Uwe oogen vinden?” mompelde Herman.

Zoo volgde hij dien geheelen psalm, vers voor vers. Maar wonderlijk! Hij was in den grootsten angst opgevlogen; maar naarmate dat koraal vorderde, keerde de vrede in zijn gemoed weder. Een glimlach verscheen zelfs op zijn gelaat, en toen het „amen” weerklonken had, stond hij op.

„Ik dank u Heer! voor den vrede, die mij weergegeven is. Het was maar eene beproeving! Ik zal niet meer weifelen. Ik zal haar standvastig aankleven. O! Lydia!” zoo ging hij hartstochtelijk voort; „Lydia, ik heb u zoo lief, zoo onuitsprekelijk lief!”

Toen zijne medeleerlingen zich over de dortoirs verspreidden, lag hij weer rustig in zijn bed. Iets later ging de gordijn even open, die zijn kamertje voor het ingluren beschermde, en verscheen het hoofd van den directeur. Toen hij Herman met een glans van vergenoegen op het gelaat in slaap gedompeld zag, vertrokken zijne lippen zich tot een glimlach en prevelde hij:

„Nu reeds in slaap! De strijd is niet zwaar geweest! Met Gods hulp heeft hetde profundisverwonnen.”

Ja, hetde profundishad overwonnen, evenwel niet[47]zooals de directeur dat verondersteld had. De ijverige geestelijke zou dat spoedig genoeg ontwaren.

Na dien dag, zoo gewichtig voor zijne toekomst, was het verdere verblijf te Rolduc voor Herman ondragelijk, en werd de last daarvan nog vermeerderd door de pogingen, die aangewend werden om hem op zijn eens genomen besluit terug te doen komen. Nu eens wees de directeur hem op hetgeen hij noemde „l’excellence du sacerdoce,” dan weer was het zijn biechtvader, die zich omtrent zijn zielenheil ongerust maakte. In de wereld was het door hare bekoringen zoo moeielijk tot de zaligheid te geraken, femelde deze laatste. Slechts de priester was zeker er van, in staat van genade te sterven.

Dat alles gaf niets. Aan den een antwoordde onze jongeling, dat iedere maatschappelijke staat eensacerdocewas, een priesterschap, mits de verplichtingen daarvan met nauwgezetheid vervuld werden. Hij voegde er nog bij, dat in zijn oog geen schooner en waardigersacerdocebestond dan het vaderschap. Verbitterd over zoo’n antwoord, liet de directeur hem in den steek. Aan zijn biechtvader luidde zijn antwoord, dat hij juist zijn zielenheil in het oog hield. Want zich aan den dienst des Heeren te wijden, zonder er roeping toe te gevoelen, was zich onvermijdelijk aan het eeuwig verderf blootstellen.

Nu begon een tijd voor hem, dien hij later met volle recht zijn martelaarschap noemde. Voor hem werd de algemeene regel verscherpt, dat nimmer de jongelieden van het seminarie zich twee aan twee met elkander mochten onderhouden, nimmer twee aan twee wandelen. Steeds moest een derde tegenwoordig zijn. Dat was den eenen verklikker van den anderen maken. Dat was het spionnenstelsel in zijne volmaaktheid. Men zag zeer ongaarne, dat twee leerlingen vriendschap met elkander sloten. Dat werd zooveel mogelijk belet, en twee jongelingen,[48]die wat te dikwijls volgens de meening der geestelijke heeren met elkander praatten of wandelden, haalden zich zeer zeker eene strenge berisping op den hals. Eene herhaling van zoo’n handeling zou als eene misdaad beschouwd zijn. Herman werd nu door een stelsel van delatie omgeven, dat hem hoogelijk verbitterde. Al zijne woorden werden overgebracht, niet altijd nauwkeurig; zij werden gekommenteerd, gewogen, gedraaid, en de wonderlijkste gevolgtrekkingen werden er uitgehaald. Dan werd hij bij den directeur geroepen, en hoorde hij zich vermaningen toevoegen, die verdiend zouden geweest zijn, wanneer het door hem gesprokene niet verdraaid en niet overdreven ware geweest. Hij stond dan daar als een misdadiger, en mocht en wilde zich niet verdedigen.

Waar was die Christelijke liefde, die hij zoo honderde, zoo duizende malen had hooren aanprijzen? Waren dat die mannen, die steeds preekten: doe aan anderen niet, wat gij zelf niet zoudt willen gedaan zijn? Er begon in zijn geest wortel te schieten, dat het alles huichelarij was, dat al die verheven deugden slechts dienden, wanneer zij in de kraam te pas kwamen; dat zij overigens als onnutten ballast over boord werden geworpen. Wat de maat volmat, dat was, toen Provisor Raetsen Herman op een keer, dat hij eene toevlucht aan den voet van het altaar der H. Maagd gezocht, en daar vurig gebeden had, toevoegde: „het gebed zonder daden is een ijdel gebed, evenals een geloof zonder daden een dood geloof is”; eigenlijk niets anders dan huichelarij. „En mocht uw gebed ooit ten doel hebben, Gods hulp of de tusschenkomst der H. Maagd ter bereiking uwer wereldsche plannen of ter bevrediging uwer vleeschelijke aanvechtingen in te roepen, dan kunt gij er op rekenen, dan zijt gij een gruwel in hunne oogen.”[49]

Dus, zelfs zijne godsvrucht werd verdacht, zijne gebeden zelfs werden bezoedeld!

Hij trok zich nu geheel terug, verscheen niet meer in de kerk dan daartoe gedwongen, en slechts wanneer de andere leerlingen gemeenschappelijk daar heengingen. Gefolterd door de vermaningen zijns biechtvaders, maar meer nog door diens onbescheiden vragen, die het onkiesche nabij kwamen, ging hij zoo zelden mogelijk ter biecht, en verscheen dus niet minder zeldzaam aan de Avondmaalsbank. Dat verwekte ergernis, zoowel bij zijne medeleerlingen als bij zijne leeraren, en hun omgang droeg daarvan de onmiskenbare sporen.

Zoo naderde de vacantie.

Bij de prijsuitdeeling op den laatsten dag ondervond hij nieuwe teleurstelling. Werd zijn ijver in vroegere jaren voldoende bij zoo’n gelegenheid beloond, dezen keer zag hij zich van alles verstoken. Het liet hem vrij koud.

„Vos études ont bien souffert,” merkte hem de directeur dien laatsten dag met soetsappig gelaat op.

Hij trok de schouders op. Hij was zich niet bewust in zijne studiën te kort te zijn gekomen, en het lustte hem niet na te gaan, aan welke andere oorzaken hij die ongenade te wijten had.

Den volgenden dag schudde hij het stof zijner schoenen bij het verlaten van het gesticht, en maakte zich op weg. Hij vermeed de reis met zijne Maastrichtsche medeleerlingen, die gewoonlijk per grooten Jan van Pleizier afgehaald werden, gezamenlijk te doen, ten einde hunne toespelingen, hunne opmerkingen en hunne vertogen te ontgaan. Hij greep zijn wandelstok, kuierde tot Heerlen, wat langs een binnenpad van Kerkrade daarheen zoo ver niet was. Toen hij dat pad ingeslagen was, ontwaardde hij voor zich uit een groepje seminaristen, van de naburige dorpen afkomstig, die den weg naar[50]de plaats hunner inwoning gezamenlijk aflegden. Vroolijk en opgeruimd weerklonken hunne stemmen, en vernam Herman hun lied:

„Adieu! berceau de mon enfance!Adieu Rolduc, aimable lieu!Rolduc! où regne l’innocence!La paix et le bonheur adieu!Je pars pour consoler un père!Adieu riant exil des bois!Je suis au bout de ma carrière!Salut! pour la dernière fois!”

„Adieu! berceau de mon enfance!

Adieu Rolduc, aimable lieu!

Rolduc! où regne l’innocence!

La paix et le bonheur adieu!

Je pars pour consoler un père!

Adieu riant exil des bois!

Je suis au bout de ma carrière!

Salut! pour la dernière fois!”

„La paix et le bonheur adieu!” herhaalde Herman meesmuilende. „Ik ga den vrede des harten en het geluk te gemoet!”

Hij volgde het fraaie gezang met de lippen.

„Ja, waarlijk, dat Rolduc was:un riant exil des bois!Maar toch zing ik met geestdrift:Salut! pour la dernière fois!”

Te Heerlen besteeg hij de diligence van Cremers, en kwam zoo ongeveer tegen het middaguur in hetouderlijkehuis aan.

Daar was hem evenwel ook nog niet veel rust beschoren. Natuurlijk had hij van wege zijne goede moeder nog menigen aanval te verduren. Had hij met mannelijke kracht tegenover het doceerend personeel van het seminarie kunnen staan, hier, tegenover die teedere, die liefdevolle moeder, moest zijn gedrag veel van zijne scherpte verliezen. Haar, die onder de gebeurtenissen zoo naamloos veel leed, mocht hij wel het allerminst kwetsen. Menig droevig gesprek werd zoo tusschen moeder en zoon gevoerd.

Bij haar was slechts een grondtoon, die zij daarbijaansloeg: de gelukzaligheid, die haar zou doortintelen, wanneer een harer kinderen, een van die telgen, die zij in haren schoot[51]gedragen, die zij gezoogd had, die zij zoo lief had, zich aan den dienst des Heeren zoude wijden. Het was haar alsof zij niet alleen haar eeuwig heil daarmeê kocht; want zij kon onmogelijk vatten, dat een harer andere kinderen, of haar echtgenoot zou kunnen verloren gaan. God zou toch zoo ondankbaar niet kunnen zijn, om niet minstens de ouders, broeders en zusters van hem, die zich aan zijn H. dienst wijdde, onder Zijne almachtige hoede te nemen.

Van Herman’s zijde klonk slechts één antwoord op die moederlijke smeekingen:

„O! moeder,” zuchtte hij, „verg dat niet van mij.Ik heb Lydia zoo lief, zoo onuitsprekelijk lief!”

Toen zij evenwel de meening uitte, dat de stap nog onberaden was, dat Herman de toestand niet genoegzaam overdacht had, toen zij dientengevolge voorsloeg om nog een jaar naar het seminarie terug te keeren, toen verdween iedere weekhartigheid bij hem, toen weigerde hij kortweg:

„Neen! mameer, dat kan niet!”

Of zij hem al voorhield, dat hij juist in dat jaar, hetwelk hij zou intreden, het altaar meer nabij komen zou, dat hij dan meer met kennis van zaken zou kunnen beslissen, het hielp niets, niets!

„Neen! mameer, dat kan niet!” was zijn onveranderlijk antwoord.

„Zijt gij dan zoo onder den invloed van die deern?” vroeg de moeder niet zonder eenige ergernis.

„Moeder, ik heb haar lief, onuitsprekelijk lief!” sprak hij met zachte stem, als wilde hij den indruk verzachten. „Maar geloof niet, dat zij een struikelblok voor mijne studiën zal wezen. Ik heb er over nagedacht, en ben tot het besluit gekomen, om naar de Hoogeschool te Leuven te gaan, om daar mijne studiën te voleindigen.”[52]

„Dat nooit!” sprak de moeder met eene bij haar ongewone uitdrukking van wilskracht. „Dat nooit!”

Verbaasd keek Herman haar aan. Hij wist niet of hij goed gehoord had.

„Nooit?.…” vroeg hij met bevende stem.

„Nooit!” was het even besliste antwoord.

„Maar, mameer.…”

„Laat af, iedere poging daartoe is te vergeefs!”

„Maar.…”

„Wilt gij uwe studiën voortzetten, keer dan naar Rolduc weer!”

„Nooit!” klonk nu zijn antwoord even beslist weerom.

„Dan zult gij u een andere loopbaan moeten kiezen dan die, waarvoor wetenschappelijke opleiding noodig is!”

„Een andere loopbaan?.… Ik wilde mij aan de studie der rechtsgeleerdheid wijden.”

De moeder sloeg hare handen met een wanhopig gebaar te zamen.

„De rechtsgeleerdheid!.…” riep zij uit. „Was het mij niet voorspeld?.… Nooit! nooit!”

„Maar, mameer.…”

„Dus advokaat worden? niet waar?” klonk het als een bitter verwijt.

„Advokaat, of griffier, of rechter. De rechterlijke macht biedt zooveel gelegenheden aan om.…”

„Een mantel des duivels! zooals Pater Bernhart die heeren der rechterlijke macht zoo juist betiteld heeft.”

„Pater Bernhart heeft geene rechtsgeleerde studiën gemaakt,” was het droge antwoord, „nimmer heeft hij ook zoo’n kleedingstuk van den vorst der duisternis gezien. Hij is dus niet bevoegd zoo’n vergelijking te maken. Maar, mameer, gij moogt nu zoo’n uitdrukking, die in een sermoen slechts eene oratorische wending te noemen is, en er alleen op berekend is, om bij het[53]onontwikkelde publiek effekt te sorteeren, niet meer waarde toekennen dan zij verdient.”

„Genoeg, nimmer zal ik mijne toestemming geven, dat gij naar eene Hoogeschool vertrekt!”

„Maar waarom dan toch, mameer, liefste moeder?”

„Omdat de verleiding daar te groot, is, omdat gij daar uw verderf te gemoet zoudt snellen!”

„Een fraai getuigschrift voor onze studeerende jongelingschap!” riep Herman uit. „Maar.… zoo even zeidet gij, dat het u voorspeld was, dat ik zou vragen om advokaat te worden. Wie was die profeet?.…”

„Dat is mijne zaak.”

„Mameer!.…”

„Vraag mij niet, dat is mijne zaak!”

„Als het dan toch mijne toekomst geldt, dan.…”

„Zeker geldt het uwe toekomst! Het geldt uwe toekomst hiernamaals! het geldt het heil der Kerk!”

„Wat groote woorden, mameer! Wie legde u die in den mond? In iedere betrekking kan men den hemel verwerven. Ik begrijp niet, hoe het heil der Kerk in gevaar kan gebracht worden, wanneer ik rechtsgeleerde werd?”

„Laat af! ik zeg het u niet.”

„Mameer!.…”

Hij greep haar bij de handen, klemde die met alle innigheid in de zijne, boog zich over haar, en keek haar zacht maar vertrouwvol in de oogen.

„Mameer!.…” herhaalde hij.

De arme vrouw, door gewetensangst gefolterd, aarzelde; toch antwoordde zij:

„Laat af!.… ik zeg het niet.”

Toen trok hij haar met zacht geweld op zijn schoot, vleide haar op zijn knie neer, streelde haar met de eene hand de wang, sloeg den anderen arm om haren hals,[54]drukte hare gerimpelde wang tegen zijne blozende koon, terwijl de grauwe haren van de eerbiedwaardige vrouw over zijn nog kortgeknipt hoofd dwarrelden.

„Moeder!.…” herhaalde hij ten derde male. „Ik smeek u bij al de liefde, die gij mij toedraagt, het geldt mijne geheele toekomst. Wie was uw raadgever?”

Tegen dien aandrang was de arme vrouw niet bestand. Wel was haar geheimhouding gevraagd, maar welk kwaad kon er uit ontstaan, dat zij mededeelde wie haar geraden had? De raad was immers goed.

„Directeur Peeters is hier geweest,” fluisterde zij schier onhoorbaar.

„Directeur Peeters!.…” kreet de jongman met ontzetting.

Hij begreep, welken hefboom men in de godvruchtige gevoelens zijner moeder gevonden had.

„Hij wees er mij op, welke ommekeer bij u plaats had, die niet alleen uwe loopbaan, maar ook uwe godsdienstige gevoelens betrof.”

„Mijne godsdienstige gevoelens?.…”

„Gij waart in den laatsten tijd lauw geworden, gij voldeedt niet meer zoo regelmatig aan uwe godsdienstplichten. Nu en dan ontsnapte u een bitter woord jegens God en zijne plaatsvervangers op aarde!”

„Maar, dat is niet waar!.…”

„U uwe studiën te laten voortzetten, zonder behoorlijke leiding, was u blootstellen aan het gevaar de moderne grondstellingen in u op te nemen, met een Kant, met eenSchopenhauer, met een Renan, met een Voltaire, met een Rousseau te dwepen; was u aan het gevaar blootstellen een gevaarlijk vijand van de Kerk van Christus te worden.”

„O! dat is te erg!.…” kreet de verontwaardigde jongeling. „Dat is te erg!”[55]

„Laat mij voortgaan,” sprak de moeder haastig, als vreesde zij hare bekentenis niet ten einde te zullen brengen. „De eerwaarde heer wees er mij op, dat ik onder die omstandigheden zielenlast had. Hij wees op de noodzakelijkheid, dat ik u, dat ik de Kerk moest redden. Hij weet, welken invloed ik op uwen vader heb. In zijne handen legde ik de plechtige gelofte voor God af, dat, tenzij gij naar Rolduc terugkeert, gij uwe studiën niet voort zult zetten!”

„Mameer!.…” kreet de jongeling ontzet.

„Die belofte zal ik nauwkeurig volbrengen, mijn zoon!”

Bleek en ontdaan liet hij haar uit zijne armen los, en sprong op.

„O! die ellendelingen! Is dan voor dat adderengebroed niets heilig?” barstte Herman uit. „Eerst ontheiligden zij de vriendschappelijke gevoelens, die ik voor enkele mijner medeleerlingen koesterde. Door delatie en spionneering wisten zij dat edele gevoel te verstikken. Toen bezoedelden zij mijne liefdevolle gevoelens voor den engel, die op mijn pad verscheen, en aan wien ik slechts denk kuisch en rein, zooals ik eene gedachte aan de Godheid zelve zoude wijden. Nu word ik bij mijne ouders, bij mijne moeder verdacht gemaakt! Waar zullen die aterlingen toch eindigen?.…”

Bij die woeste taal haars zoons had mevrouw Riethoven herhaaldelijk het teeken des kruizes gemaakt. Had Herman haar kalm en bedaard te woord gestaan, had hij haar medegedeeld, hoe hij in de laatste maanden te Rolduc verbitterd was geworden, hoe nu ook deze aanval weer te beschouwen was als te zijn een uitvloeisel van een vast plan, waarna men te werk ging, dan had hij wellicht de oogen der toch zoo liefdevolle moeder geopend. Nu versterkte hij hare meening omtrent zijne veranderde gevoelens. Nu bedierf hij alles, omdat in[56]zijn woorden een vijandigheid ontwaard werd, niet tegen de personen, die tegenover hem huichelachtig en dubbelzinnig te werk gingen, maar tegen de geheele geestelijkheid, ja, tegen de geheele Katholieke Kerk. Een begin dus in de oogen van de arme moeder van de vreeselijke voorspelling, die haar gedaan was.

Het was dan ook volkomen vruchteloos, toen Herman nog aanhield om zijne studiën te mogen vervolgen. Op al zijn smeeken, op al zijne beden ontving hij slechts één antwoord, dat van een door en door godvruchtige vrouw, welker oordeel door de geestelijkheid bestuurd wordt:

„Het gebeurt niet! De Hemel moge mij straffen! Daarmee uit!”

„Om het even,”troostte zich de jongeling, wien die soort verwensching, zoo gewoon in den mond der vromen, alle hoop benam.„Mijne Lydia blijft mij!”

Neen, zelfs die begoocheling mocht hem niet lang bijblijven.

Toen hij eenige dagen later, schuchter en bedeesd, zooals jongelieden, maar vooral gewezen seminaristen, bij hunne eerste liefde zijn, een bezoek bij haar bracht, die hij zich verstoutte in zijn binnenste reeds „mijne Lydia” te noemen, werd hij door hare ouders uiterst vriendelijk ontvangen, maar kreeg het meisje niet te zien.

Zoo ging het hem den tweeden, den derden, den vierden keer. Het wachtwoord was gegeven. Eindelijk in vertwijfeling wierp hij zich op een morgen, dat het arme kind uit de vroegmis kwam, op haar pad. Het was een droevige Decembermorgen, de wind huilde en raasde door de daken, de lucht was dik van regen. Er was dan ook niemand nog zoo vroeg op den weg. Toen hij haar de O. L. Vrouwe Kerk zag uittreden, ontroerde hij geweldig. Toch trad hij moedig voorwaarts. De lieve maagd, die hem ook bespeurd had, was niet minder bewogen[57]dan hij. Zij evenwel kwam uit den biechtstoel, alwaar haar de les gelezen en haar godsdienstig gevoel gaande gemaakt was.

Wat was er met haar gebeurd? De directeur Peeters was na zijn bezoek bij mevrouw Riethoven naar de familie Fraenkel gekuierd, en had eerst een half uur met Lydia’s moeder in afzonderlijk gesprek doorgebracht. Daarna had hij een onderhoud met haren vader gehad, en eindelijk was de dochter geroepen, en was het hart en geweten van het argelooze meisje onder de bedreven hand van den vlijtigen en sluwen beoefenaar van het „Compendium” spoedig als eene zacht glacé leeren handschoen het binnenste buiten gekeerd. Tegen zoo eene casuistiek was geen meisjeshart bestand. Toch vlotten de zaken hier niet zoo, als dat bij de beide mama’s gegaan was. Had werkelijk de lieve maagd eenige genegenheid voor Herman opgevat? Wie zal dat ooit kunnen zeggen? Nimmer heeft zij zich daarover uitgelaten. Maar zoo heel gedwee volgde zij de adviezen van den eerwaarden heer Peeters niet. Toen die haar op het einde van het gesprek vrij ruw en onkiesch aanraadde de aanzoeken van Herman ter wille van de Kerk, waaraan hij zich reeds bij geloften verbonden had, van de hand te wijzen, vroeg zij, niet zonder dat een zweem van bitterheid haar lieftallig gelaat ontsierde: of geloften van kinderen ook meededen, en antwoordde verder, dat de geestelijke heeren verzocht werden zich met hare zaken niet te bemoeien; dat er nog geen aanzoek gedaan was, dus dat er nog niets viel van de hand te wijzen. Maar nu werd hare moeder verder in den arm genomen; toen werd haren biechtvader de les gelezen. Eerstbedoelde bracht zeer weinig effekt te weeg, en zou door haren tegenstand het wellicht ontluikende vuurtje aangewakkerd hebben. Toen evenwel het lieve kind in den[58]biechtstoel gekapitteld werd, toen zij zich daar behandeld gevoelde met eene ruwheid, die ieder kiesch gevoel kwetste, toen zij zich de „absolutie” hoorde weigeren en haar de nadering tot de tafel des Heeren als onwaardig ontzegd werd, toen was alle weerstand bij het arme kind gebroken. Zich aan de algemeene verachting prijs gegeven te zien, wanneer de buitenwereld te weten komen zou, dat haar de vergiffenis der zonden geweigerd was—en dat dit niet geheim zou blijven, begreep zij maar al te goed—ziet, dat durfde zij niet trotseeren. Zij had het hoofd gebogen, en zooeven was haar hare les voorgezegd. Dat trof.

„Wat ben ik gelukkig juffrouw Lydia u te ontmoeten!” sprak Herman met opgewondenheid en met een van vreugde stralend gelaat. „Ik heb vier malen een bezoek bij u gebracht; maar telkens vond ik u niet te huis. Het was of het noodlot er mee speelde! Maar thans, och! ik voel mij zoo gelukkig u ontmoet te hebben!”

Hij greep hare hand, die zij evenwel schuchter terugtrok. Hij lette daar niet op; maar ging voort:

„Gij kent het innigste geheim van mijn hart, juffrouw Lydia; zeg mij, wanneer kan ik u te huis vinden, wanneer kan ik u een oogenblik alleen spreken?”

„Alleen spreken?.… mijnheer Herman.… wat vraagt ge?”

„O!” riep hij in vervoering, „uwe moeder, uwe zuster mogen bij het gesprek tegenwoordig zijn. Versta mij toch niet verkeerd. Ik wilde u slechts verlof vragen om mij tot uwe ouders te wenden.…”

„Tot mijne ouders wenden?.… waarom?”

Herman keek haar op die vraag met open mond aan.

„Waarom?.… waarom?.…” stamelde hij.

„Ja, waarom?” herhaalde het meisje uiterlijk kalm.

„Wel, om.…”[59]

Beiden stonden daar op het O. L. Vrouwe plein, terwijl de wind haar mantel met geweld zweepte, en hij verplicht was zijn hoed vast te houden. Zij greep zijn arm en viel hem in de rede.

„Wij kunnen hier zoo niet blijven staan,” zeide zij. „Kom, het is wel geen wandelweer; maar wij willen een kleinen omweg over den O. L. V. wal tot aan de Maasbrug maken. Daar laat gij mij mijn weg weer alleen vervolgen tot bij mijn huis op het Vrijthof, zult ge?”

Hij beloofde alles, wat Lydia maar wilde, overgelukkig als hij was, haren arm op den zijnen te voelen rusten. Toen zij den bedoelden kant uit, opgegaan waren:

„Welnu, gij zeidet, mijnheer Riethoven?.…” vroeg het jonge meisje.

„Ik zeide, dat ik u verlof wilde vragen, dierbare Lydia!” antwoordde Herman, zonder op die betiteling te letten van „mijnheer Riethoven”„om mij tot uwe ouders te mogen wenden.”

„En ik vroeg u, waarom?”

„Waarom?”…

De deern voelde zijn arm trillen.

„Waarom? Wel, om aanzoek om uwe hand te doen, dierbare Lydia!” antwoordde hij, al zijn moed tezamen rapende.

„Om … mijne … hand … te vragen?” vroeg het jonge meisje als ten uiterste verwonderd en hare woorden afmetende.

„Verbaast u dat zoo?” vroeg hij smartelijk verwonderd.

„Zeker, verbaast mij dat. Ik was op zoo’n declaratie niet voorbereid.”

„Dus slechts het onverwachte deed u ontstellen. Wees gerust, ik zal u allen tijd laten, mijne Lydia, ik kan wachten.”

„Mijnheer Riethoven, ik moet u ernstig verzoeken[60]die uitdrukkingen van „mijne Lydia” en van „dierbare Lydia” achterwege te laten. Ik vind ze op zijn zachtst uitgedrukt ongepast. Ik ben uwe Lydia niet, en zal dat ook nooit worden.”

Dat was op den man af.

„Maar lieve Lyd …”

„Alweer?”

„Maar lieve juffrouw Fraenkel. Ik meende te hopen.”

„Dan meendet en hooptet gij verkeerd! Nimmer is mij een woord of een gebaar ontsnapt, dat u eenige hoop heeft kunnen geven.”

„Dat moet ik erkennen,” antwoordde hij bedeesd. „Maar gij weet toch, hoe lief ik u heb. Gij waart toch bij dat gesprek te Rolduc met mijne moeder tegenwoordig. Herinnert gij u?”

„Zou ik mij dat niet herinneren? Ja zeker herinner ik mij dat gesprek nog, waarbij gij mij in tegenwoordigheid van nog twee andere dames, in tegenwoordigheid van directeur Peeters, in tegenwoordigheid van drie uwer medeleerlingen compromitteerdet.”

„Vergeef mij Lydia.…”

„Alweer?…” zei het meisje met bestraffenden blik, dien zij zoo streng mogelijk trachtte te maken.

„O! vergeef mij!… Ik heb u zoo lief!” smeekte hij met tranen in zijne stem.

„Kan ik daar iets aan doen? Is dat mijn schuld?”

„Ik heb alles voor u opgeofferd!” klonk het als een verwijt, maar toch zoo zacht mogelijk.

„Daaraan hebt ge ongelijk gehad. Keer naar Rolduc weder … De priesterstand … is zoo’n schoone stand …” sprak zij met aarzeling in hare stem.

Een tipje van het gevoel kwam boven bij het jonge meisje. Maar, daar rees het beeld van haren biechtvader haar voor den geest.[61]

„Lydia, wijs mij niet af … Gij beseft niet, wat gij doet …” smeekte hij.

Zij stapte stilzwijgend naast hem voort. Die stilte woog hem loodzwaar.

„Lydia, ik bezweer u, wijs mij zoo niet af. Ik bemin u onuitsprekelijk!”

„Ik u niet!”

„Wellicht een ander?” stoof de jongeling in drift op. „Wellicht een ander?”

„Mijnheer Riethoven,” zei Lydia, terwijl zij zijn arm losliet, „nu wordt gij onbescheiden …”

„O! ik heb u zoo lief. Laat mij dan toch de hoop. Laat mij dan toch beproeven uwe liefde te verwerven.…”

„Dat is geheel overbodig, mijnheer Riethoven. Ik bemin u niet, en zal u nimmer beminnen.”

„Dan bemint ge een ander!” zei hij met woestheid.

Lydia antwoordde niet. Zij deinsde er voor terug, zoo wreed te zijn. Haar hart waarschuwde haar, het spel niet te ver te drijven.

„Dan bemint gij een ander!” herhaalde Herman met klimmenden hartstocht.

Zij gevoelde medelijden met den armen jongen. Zij was op het punt om hem een sprankje hoop te laten. Zij sloot de oogen en dacht in zich zelve: wie weet, wellicht komt er uitkomst. Maar daar doemde die gedaante weer op. Alle verteedering was weer gevlogen.

„Dan bemint gij een ander!” herhaalde Herman met alle woestheid, terwijl hij haar bij den arm greep.

„Welnu … ja!…”

„Wien?… Zeg mij zijn naam!…”

„O! dat gaat te ver!…” riep het jonge meisje. „Laat mij los, mijnheer!”

En zich los rukkende vervolgde zij:

„Wij zijn hier bij de Maasbrug. Gij zult mij thans[62]wel alleen laten gaan. Gij weet nu, wat gij weten moet. God geve u sterkte! Vaarwel!”

En vlug als eene hinde spoedde zij voort.

„God geve u sterkte!…” herhaalde hij. „God!… God!…”

Er lag iets sarkastisch in zijne stem, toen hij die woorden sprak. Hij oogde de aangebeden gestalte na zoo ver hij kon. Hij zag haar de Brugstraat ten einde toe aftrippelen, daarna den KleinenStraatinslaan; toen was zij voor zijn oog verdwenen.

„Weg, weg. Ieder droombeeld is weg!” mompelde hij, en keerde op zijne schreden terug.

Toch gaf hij het nog niet op. In weerwil van hare verzekering, dat zij een ander beminde, wilde hij nog eene poging wagen. Tot dat einde begaf hij zich later op den dag naar Lydia’s woning, en verzocht hare ouders te spreken. Hij werd slechts bij haren vader toegelaten. Deze,een eenvoudig, bedaard, maar oprecht man, hoorde den jongeling met alle geduld aan. Hij liet hem zijne plannen voor de toekomst ontwikkelen, en had menigen goedkeurenden glimlach ten beste bij het aanhooren van die inderdaad welsprekende en met alle vuur uitgesproken pleitrede. Maar toen de jongman zijne medewerking verzocht, om Lydia’s genegenheid te verwerven, veranderde hij van houding.

„Mijn beste jongen,” antwoordde hij zoetsappig. „Daar kan ik niets aandoen. Vooreerst zou ik nimmer een mijner kinderen in huwelijkszaken willen dwingen. Dan..!”

Hier aarzelde hij een oogenblik.

„Dan, al wilde ik mijne medewerking verleenen, dan zoudt gij nog niet terecht met mijne vrouw, Lydia’s moeder, komen …”

„Wat heeft die tegen mij?”

„Niets; zij houdt integendeel veel van u, als van den oudsten zoon harer beste vriendin. Maar zij deelt den[63]wensch dier vriendin: zij zou u zoo gaarne geestelijk zien worden.”

„Dat word ik nimmer!”

„Dat is jammer! Stel u evenwel het verwerven van Lydia’s hand uit het hoofd.”

„Maar, als ik uwe vrouw voor mij win?…”

De heer Fraenkel lachte fijntjes. Herman lette daar niet op.

„Maar als ik uwe vrouw voor mij win?” ging hij voort, „kan ik dan op uwe medewerking rekenen?”

„Volstrekt niet!”

„Volstrekt niet. Dus de tegenkanting komt van uwe zijde?”

„Maar bedenk dan toch mijn jonge vriend, dat ik kerkmeester ben. Ik ben broedermeester van het H. Hart, ik ben lid van de O. L. Vrouwenkamer, ik ben …”

„Wat heeft dat alles met mijne liefde voor uwe dochter te maken? Word ik Lydia’s echtgenoot, zult gij dan minder broedermeester, minder kerkmeester zijn?”

„Als gij de echtgenoot mijner Lydia wordt, dan kom ik in openbaren oorlog met al de kapelaans, met al de pastoors van Maastricht, ja, van geheel Limburg!”

„Hoe dat?”

Hier aarzelde de heer Fraenkel een oogenblik. Hij was evenwel te ver gegaan. Daarbij, hij wilde een einde aan dat gesprek maken, dat hem zwaar begon te wegen.

„Ik wilde u maar in het kort mededeelen: de eerwaarde heer Peeters is hier geweest …”

„De eerwaarde heer Peeters!” riep Herman uit, terwijl hij wanhopig de handen aan het voorhoofd bracht.

„Ja, en hij heeft Lydia, hare moeder en mij uitgelegd, hoe misdadig wij zouden handelen, wanneer wij iemand in de familie opnamen, die bestemd was om de bruidegom des Heeren te zijn. Dat zult gij ook wel begrijpen?…[64]Mijn jonge vriend, ik heb diep deernis met uwe teleurstelling. Maar … het hemd is nader dan de rok; ik heb voor mijn eeuwig heil en voor dat der mijne te zorgen. Dring derhalve niet verder aan! Het is geheel overbodig!”

Ja, het was overbodig, dat voelde Herman zelf. Hij wist met welke kracht hij te doen had. Bij het heengaan mompelde hij in overspanning:

„Ook daar heeft die man mijne toekomst vernietigd! Gevloekt zij die priester, die zich een gezalfde des Heeren noemt!”[65]


Back to IndexNext