[Inhoud]III.Verdere kennismaking.—In het Kanaal.Toen de passagiers den volgenden ochtend ontwaakten en aan het dek kwamen, scheen de zon vroolijk en hield deFernandina Maria Emmavoor Dungeness op en neer, ten einde den dienstkotter in het oog te krijgen, die den loods moest overnemen. Wel werden verscheiden van die vaartuigen ontmoet, maar allen voerden met groote letters in hun grootzeil de woorden: Antwerpen, Vlissingen of Goerêe; terwijl geen enkel ontwaard werd, dat het woord: Texel te zien gaf. Bij den slag, dien het schip maakte, was het alsof het eene baai wilde binnenstevenen.Frank en Herman, onze twee onderofficieren, waren reeds aan het dek en bewonderden het fraaie gezicht, dat men van het fregat op de krijtbergen van Engeland had. Die witte band, die als uit zee scheen op te rijzen, maakte een vreemd maar lief effekt op de helgroene strook, die de zee vertoonde. Hier en daar ontwaarde hun oog groepen huizen met hunne roode pannendaken; terwijl onder langs den krijtwand, en hier en daar ook op den nokrand van het gebergte, spoortreinen ijlden, die met hunne achterwaarts gebogene stoompluim eene bevallige vertooning opleverden. Opzij, voor en achter[135]van deFernandina Maria Emmawemelde het van vaartuigen. De wind, die tot nu toe uit het noorden geblazen had, was thans in het oosten geloopen. Nu maakten al de schepen, die de Hoofden niet binnen konden en, hier dagen lang opgehouden, ten anker lagen, zich zeilklaar om de Noordzee in te stevenen. Het was een gewemel op dat watervlak, hetwelk de onbevarenen, die zoo’n schouwspel ongewoon waren, in verrukking bracht. Bij tientallen waren de driemasters te tellen, die bezig waren zeil te zetten, en waarvan eenigen hun anker reeds gewonden hadden en noordwaarts voortspoedden. Daaronder waren ettelijke fregatten, en klipper-fregatten. De meesten dier driemasters waren barken. Veel grooter was het getal brikken, en schoenerbrikken, die wel bij honderden te tellen waren, en door elkander wemelden. Maar de kleinere vaartuigen, als: schoeners, kotters, chasse-marée’s, kanaalbooten, enz. waren legio, ontelbaar in den letterlijken zin des woords. Daartusschen stevenden, onafhankelijk van den wind, vele stoomvaartuigen. Raderschepen, die met groot geweld het water met hunne schoepen wild en woest langs hunne zijden opzweepten, of schroefbooten, die sierlijk en vlug het watervlak sneden en slechts eene koking, eene hevige opborreling achter den scheepsspiegel te zien gaven, groote en kleine stoomvaartuigen, van de oorlogsboot af, welker dubbele schoorsteen als verloren scheen en gezocht moest worden tusschen het loopend en staand wand der volgetuigde masten, tot de sierlijke stoomsloep toe, die met vluggen zwaai te midden van al die honderde vaartuigen stevende en welker baan, wanneer zij op het watervlak afgeteekend kon gebleven zijn, zich als eene slang zoude gekronkeld hebben.„Is dat geen fraai gezicht hier?” vroeg stuurman Bagman aan de beide onderofficieren, die nog steeds[136]over de verschansing gebogen, het panorama, dat zich voor hunne oogen ontrolde, stonden te bewonderen.„Prachtig, stuurman! prachtig!” was beider opgetogen instemming.„Dat liefgroene watervlak, hetwelk in kleine golfjes opkabbelt,” sprak Herman met aandoening, „die honderde en honderde vaartuigen, welker banen aan elkander evenwijdig loopen, elkander naderen, of elkander snijden; die duizende witte zeilen, die onder de bries bevallig zwellen en zich behaagzuchtig in het water spiegelen; die veelkleurige vlaggen, die aan de gaffels wapperen of zich aan de masttoppen ontplooien, die kustlijn, welke zich daar scherp afteekent en met haren sneeuwwitten band, doorspikkeld met roode vlekjes, die de daken der woningen aanduiden, eenen voorbeeldeloos fraaien achtergrond daarstelt; terwijl de zon dat tafereel met haar opwekkend licht beschijnt, en ieder onderdeel als met levendmakenden vinger aanroert; dat alles vormt een panorama, hetwelk, dunkt me, slechts op dit punt van den aardbol hier waar te nemen is, alwaar de handelsbeweging der geheele aarde in deze zeeëngte te samen geperst wordt.”De jongman had die ontboezeming met geestdrift uitgesproken en zweeg nu, alsof hij de bijzonderheden van het panorama, hetwelk zich daar ontrolde en bij iedere minuut, bij iedere sekonde veranderde, maar daarom niets van zijne schoonheid verloor, in zich wilde opnemen. De twee onderofficieren hadden bij hunne beschouwing niet ontwaard, dat twee andere jongelieden zich naast stuurman Bagman over de verschansing gebogen hadden, om hetzelfde gezicht te bewonderen.„Bravo, sergeant!” riep de een, toen Herman zweeg. „Dat noem ik met het woord penseelen. Met weinige woorden hebt gij de voornaamste bijzonderheden van het[137]fraaie vergezicht, hetwelk wij genieten, op den voorgrond doen treden en daarop de aandacht uwer hoorders gevestigd. Het zij mij vergund met u kennis te maken, ik heet Jan Slierendrecht, ambtenaar ter beschikking. Ik zie, gij zijt sergeant, en …?”De heer Jan Slierendrecht stak bij die laatste woorden Herman zijne hand toe en legde in dat vragende: en zoo’n hartelijkheid, dat deze, hoewel door de beschaafde Nederlanders ten opzichte van beleefdheidsvormen jegens de landsverdedigers beneden den rang van officier niet verwend, op hem toetrad, de toegestoken hand greep en haar ongedwongen schudde en antwoordde:„Ik heet Riethoven, mijnheer Slierendrecht. Het is mij een genoegen kennis met u te maken!”En op Frank wijzende, vervolgde hij:„Dat is mijn vriend Brinkman, dien ik de eer heb u voor te stellen.”De heer Slierendrecht reikte Frank de hand, terwijl hij ook zijn makker aan de beide onderofficieren voortelde:„De heer Piet van Diepbrugge, ambtenaar ter beschikking evenals ik,” zeide hij met plichtpleging; terwijl deze laatste boog en de beide jongelieden, die hem voorgesteld werden, de hand drukte.„Wij bewonderden met u,” sprak de heer Van Diepbrugge, „het fraaie zeegezicht, hetwelk zich voor ons uitspreidt, en waren onwillekeurige toehoorders van uwe ontboezeming, mijnheer Riethoven, die ons door hare zuiverheid van detailleering trof.”Herman boog bij dat compliment, hetwelk hem toch streelde.„Wat zijn dat voor plaatsjes, die daar aan de kust ontwaard worden?” vroeg hij aan stuurman Bagman.„Dat, daar dwars achteruit, is Folkestone; wij hebben[138]Dungeness dwars van ons. Vlak vooruit, zie dáár, ligt Hastings, en die kaap daar bakboord vooruit isBeachy Head. Als wij die te boven gekruist zijn, dan hebben wij het eiland Wight in het gezicht.”Een schel gefluit klonk over het dek.„Ieder op zijn werk! Klaar om te wenden!” liet het commando van kapitein Butteling zich hooren.Stuurman Bagman spoedde voort op dat gefluit. Hij wees de jongelieden evenwel, voor dat hij wegijlde, aan bakboordszijde op de zee:„De loodskotter!” riep hij.En weg was hij.Inderdaad daar aan bakboordszijde was heel in de verte een klein vaartuig zichtbaar, dat in zijn grootzeil het woord „Texel” voerde, hetwelk evenwel thans niet met het bloote oog te ontwaren was.„Wenden!” klonk het commando.Alle raas werden met behulp der gezamenlijke matrozen en soldaten, die langzamerhand voor den dag gekomen waren, nagenoeg terzelfder tijd rondgebrast. Het fregat ging overstag en toen de zeilen weer vastgemaakt waren, liep het scherp bij den wind nagenoeg zuidoost, den loodskotter te gemoet.„Drommels!” zei Frank. „Zij kunnen toch handig met zoo’n gevaarte, als zoo’n schip is, omgaan.”Inmiddels waren ook de andere ons reeds bekende passagiers voor den dag gekomen, en stonden op het achterdek onder het genot van een geurige kop koffie, die de matroos-hofmeester hen aangereikt had, het fraaie tafereel, hetwelk de zee aanbood, te bewonderen.„Wat duiker!” riep eensklaps luitenant Denniston uit. „Kijk eens, wie zijn die twee politieken, die daar met die onderofficieren staan te praten?”„Wellicht passagiers tweede klasse,” meende Behren.[139]„Neen, daartoe zien ze er te fatsoenlijk uit,” antwoordde Denniston.„Zeer geestig geantwoord!” sprak kapitein Van Dam terechtwijzend. „Alsof het fatsoenlijk uitzien het criterium is van de passagiersklasse, waarin iemand reist.”En zich tot den eersten stuurman Abels wendende, die juist achteruit kwam, om bij het kompas het voorleggen van het schip te controleeren.„Zeg stuur,” sprak hij. „Wie zijn die twee heeren, die daar middenscheeps bij de verschansing staan?”„Dat zijn twee aanstaande ambtenaren, kapitein,” sprak stuurman Abels met een glimlach.„Dus passagiers eerste klasse?” vroeg Van Dam.„Ja, kapitein,” was het antwoord, „wij hebben geen tweede klasse of dekpassagiers aan boord.”„Maar, waar komen ze van daan? Wij hebben nog niets van hen gemerkt.”„O!” sprak stuurman Abels met een glimlach om de lippen. „Dat ’s zeer eenvoudig. Gisteren kwamen zij zoo omstreeks een uur voor het detachement aan boord. Zij schenen in Den Burg33copieus gedineerd en daarbij een goed glas tot afscheid van het vaderland gedronken te hebben. Hunne vrienden, Delftsche studenten, zoo ik hoorde, hebben hen toen liefderijk te kooi bezorgd en zijn toen waarschijnlijk ook naar bed gegaan, daar zij niet minder laveerden dan de vertrekkenden. Toen gij aan boord kwaamt, sliepen die jongelui den slaap des rechtvaardigen, onbewust van hetgeen rondom hen voorviel. Nu schijnen zij weer fiksch en nuchter te zijn. Maar, ik moet voort, vergeef mij.”De beide jongelieden werden thans het gezelschap officieren op het achterdek gewaar, traden als mannen van opvoeding, ongedwongen op hen toe, stelden zich als medepassagiers voor, en knoopten zoo eene kennismaking[140]aan, die zij hoopten, dat tot aller genoegen bestendigd zoude blijven.Het waren een paar flinke jongelui, die twee ambtenaren ter beschikking, met open oog, rond gelaat en vroolijk opgeruimd karakter. Een ware aanwinst voor de gezelligheid der reis.„Ik heb de heeren gisteren niet bij het vertrek ontwaard,” sprak kapitein Van Dam na de voorstelling, met ondeugend gelaat.Beiden glimlachten ongedwongen.„Wat zal ik daarop antwoorden?” sprak Jan Slierendrecht. „Wij dineerden gisteren in Den Burg. De „Veuve Cliquot” is er overheerlijk. Die kan ik u recommandeeren, kapitein, als gij in de gelegenheid komt, dan.…”„Ja, die gelegenheid zal zich eerstdaags wel voordoen,” zei kapitein Van Dam met een spottenden glimlach.„Wij hadden zooveel afscheidsdronken te ledigen, zooveel toasten te beantwoorden, hetIö vivat! nostrorum sanitas!klonk zoo opwekkend, dat wij zijn blijven tafelen totdat hetDumnihil est in poculo!34eene jammerlijke waarheid bevatte. Toen.…”Hier aarzelde de jongman zijne bekentenis. Kapitein Van Dam hielp hem.„Toen was het ’t beste, om naar kooi te gaan,” zeide hij.„Zie kapitein,” sprak Piet Van Diepbrugge op koddigen toon. „Les beaux esprits se rencontrent!Wij dachten er ook zoo over. Wij zijn naar kooi gegaan.…”„Gebracht!” verbeterde Behren.„Gebracht dan, als het zoo zijn moet” ging Piet voort.[141]„En in den slaap hebben wij van het geheele vertrek niets vernomen.”„Wat mij zeer spijt” viel Slierendrecht met ernstige stem in. „Ik had nog zoo gaarne een laatsten blik op den vaderlandschen bodem willen werpen.”„Sjtt!… sjtt!… daar komen de dames,” zei Behren.„Zijn er dames aan boord?” vroegen de twee ambtenaren in spe als om strijd.„Ja, zeker,” antwoordde de apotheker. „Drie engelachtige lieve dames.”„Hoe weet je dat Behrtje?” vroeg kapitein Van Dam.„De koksmaat heeft het mij verteld,” antwoordde Behren in allen ernst.„Ja, dan zul je wel goed ingelicht zijn,” meende de kapitein met even ernstig gezicht. „Maar stil.… daar komen ze. Wij zullen zien of de koksmaat gelijk had.Kijk, kijk, ik geloof het niet.”Drie dames en een heer waren den kajuitstrap opgekomen, en richtten hunne schreden naar het gezelschap, dat op het achterdek bij elkander stond.„Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, juist! Ben ik goed ingelicht, dan treffen wij onze medepassagiers allen bij elkaâr,” sprak de heer.En zich tot kapitein Van Dam wendende:„Het zij mij vergund kennis met u te maken, kapitein,” sprak hij. „Ik heet Groenewald, dat is mijne echtgenoote, en dat zijn mijne twee dochters.”Kapitein Van Dam boog, noemde zijn naam en stelde daarna de jongelieden, aan de familie Groenewald voor, in de volgorde zoo als zij bij hem stonden. Eerst Behren, daarna Denniston, toen Van Diepbrugge, Hannius, Slierendrecht en Leidermooi.Onmiddellijk was het gesprek algemeen. Behren was op mevrouw Groenewald toegetreden, en ving een gesprek[142]aan, zooals alle gesprekken in dergelijke gevallen tusschen wildvreemde menschen begonnen worden, namelijk over het weer, over de omgeving, over de reis, enz.Kapitein Van Dam wierp een spottenden blik op Behrtje, dien deze wel begreep.Ja, omtrent de engelachtigheid, door den koksmaat der drie dames toebedeeld, moest omtrent haar, die met onzen apotheker stond te praten, wel ietwat afgedongen worden. Mevrouw Groenewald was uit een morganatisch huwelijk gesproten, hetwelk haar vader met eene Javaansche schoone had aangegaan, en droeg daarvan de onmiskenbare kenteekenen. Zij was ietwat bruin van tint, had een dik kort ineengedrongen neusje en lippen, die ook ietwat meer omvang hadden dan de schoonheidsvormen strikt eischten. Het weelderig zwart haar, dat zij in dit morgenuur in een dikke kondeh35opgebonden had, begon hier en daar te grijzen, terwijl èn haar gelaat èn hare taille mede verrieden, dat prille jeugd haar deel niet meer was. Dat gelaat had evenwel zoo eene goedaardige uitdrukking, en hare oogen, die zij zeer fraai behouden had, konden iemand zoo vertrouwvol, zoo innig hartelijk aankijken, dat wie haar naderde, zich tot haar aangetrokken gevoelde. Zij drukte zich zeer beschaafd uit, hoewel haar Hollandsch iets schoolsch had en den indruk gaf, alsof het haar moeite kostte, zich in die taal verstaanbaar te maken. Diezelfde indruk werd geboren, wanneer zij Fransch of Engelsch sprak. Toch kende zij die talen zoo grondig, als slechts weinig Nederlandsche vrouwen in die dagen eigen was.Zij was eene liefderijke moeder, die in overwicht en omgang met hare kinderen meer eene toegenegen oudere zuster was, dan wel eene mama, die haar gezag deed voelen. Hare kinderen aanbaden haar dan ook, en wel met zoo’n innigheid, dat nimmer, zelfs in de vlegeljaren,[143]die ook voor meisjes bestaan, de tusschenkomst van den vader noodig geweest was, om hen naar hare hand te zetten.Die vader, volbloed Nederlander van geboorte, in weerwil van zijn half Duitschen naam, was een hoogst eenvoudig man, met een zeer dagelijksch uiterlijk, niet te dik, niet te mager, die op zijn getaand gelaat, de teekenen droeg van een arbeidzaam leven onder de keerkringen. Op de vraag van kapitein Van Dam na de presentatie of hij, evenals de heeren Van Diepbrugge en Slierendrecht, ook ambtenaar was, had hij eenvoudig geantwoord, dat hij landhuurder was, en eene koffie-onderneming in de Residentie Soerakarta op de hellingen van den Lawoe had. Hij was voor herstel van gezondheid naar Europa geweest, en was nu weer op de terugreis naar Indië. Zijne gezondheid liet niets meer te wenschen over. Toch hadden de geneesheeren hem aangeraden, om zijn lichaam te stalen, de reis rondom de kaap de Goede Hoop te maken, in stede van met de mail te gaan, die trouwens in die dagen zeer kostbaar was en den reizigers weinig gemakken bood. Door zijne handelsvrienden te Amsterdam was het fregatschipFernandina Maria Emmaals een solied en snelzeilend vaartuig aanbevolen, dat een geëxamineerden dokter en eene melkgevende koe aan boord voerde. Met den dokter maakten de lezers reeds kennis, en van harte zullen zij voor de passagiers den wensch slaken, dat het diploma van de melkgevigheid der koe van beter allooi moge geweest zijn dan dat, hetwelk de wetenschappelijke kennis van den dokter moest schragen. Mijnheer Groenewald had te eerder zijne keus op een zeilschip laten vallen, dewijl hij meende, dat daar meer huiselijkheid en gezelligheid te vinden waren, dan aan boord der mailbooten. Wel had hij tegen de reis met deFernandina Maria Emmaeenigermate opgezien, omdat,[144]zoo had hij tegen zijne vrouw gezegd, er zooveel officieren aan boord waren, hetgeen hij gevaarlijk voor de gemoedsrust zijner dochters achtte. Mevrouw Groenewald had hem evenwel verzekerd, dat onder de officieren flinke mannen gevonden werden, en dat zij er niet tegen op zou zien een officier tot schoonzoon te hebben. Daarenboven in die dagen had geen ander schip in de Nederlandsche zeehavens zeilklaar gelegen, hetwelk dezelfde voordeelen van ruimte, soliditeit en welbezeildheid als deFernandina Maria Emmaaanbood, zoodat hij tot de reis met dien bodem besloten had. Of zijne zorg voor de gemoedsrust zijner dochters gegrond genoemd kon worden?De twee lieve meisjes stonden daar te midden van dien kring jongelieden, en het viel niet te ontkennen, dat de algemeene bewondering haar deel was. En te recht. Beiden waren lieve slanke ontwikkelde deernen, die veel op elkander geleken, zoo zelfs, dat het duidelijk was, zij een zusterpaar waren, maar die bij nadere beschouwing toch eene verschillende type te bewonderen gaven.Emma, de oudste bij voorbeeld, eene maagd, die een en twintig lentes telde, was eene bekoorlijke brunette, die hare oostersche afkomst ten volle staafde. Wel was zij ten volle blank, zoo blank als slechts eene volbloed Europeesche schoone wezen kan, maar hare wangen vertoonden dat schelle niet, hetwelk bij zoo menige jonge dame aan een potje karmijn van Rimmel, van Piver of van Pinaud doet denken, en waarbij men de strepen meent te ontdekken des penseels, die de bedriegelijke kleur op de koon bracht. Integendeel het lieve rozenrood harer wangen ging zacht en onmerkbaar in het albastwitte harer huid over, en bracht juist door hare fijne nuanceering den beoefenaar van natuurschoon in verrukking. Haar hoog intelligent voorhoofd was matwit, aan marmer gelijk, aan marmer, waaraan door een grooten beeldhouwer[145]leven en bezieling geschonken zou zijn. Dat voorhoofd werd omgeven door donkerbruine krullen, die het gelaat heerlijk omlijstten, en dartel en weelderig over de goedgevormde schouders op den welgevulden boezem daalden. Hare gelaatstrekken waren overigens niet zoo regelmatig, dat die aan een Griekschen kunstenaar tot model zouden hebben kunnen strekken; maar het oog rustte met welgevallen op dat fraai gevormd neusje, op die fijne geteekende lippen, die wanneer zij zich openden, de fraaiste en witste tanden der wereld lieten zien, en die met hare goed afgeronde wangen en haar heerlijk voorhoofd een geheel vormden, dat niet dan uiterst lieftallig kon genoemd worden. Wat dat gelaat evenwel eene buitengewone aantrekkingskracht verleende, waren de oogen der lieve maagd, welker appels donkerbruin, bij het zwarte af, zich grondeloos diep voordeden voor den gelukkigen, die het gegund was dien blik te peilen, maar overigens dien oogopslag bezaten, die als de zonnestraal opgewektheid en helderheid om zich verspreidde. Slank en heerlijk ontwikkeld, vertoonden hare leest en haar tred eene buitengewone buigzaamheid en veerkracht, en verraadde zij in hare bewegingen eene waarlijk vorstelijke houding, die de bewondering tot vergoding stemde.Hare zuster Adelien—wij zeiden het reeds—had sprekend hare gelaatstrekken. Het was volkomen dezelfde snede. Alleen gene was eene brunette, deze eene blondine. Zij had denzelfden weelderigen haardos, maar zacht genuanceerd in die heerlijke tint, die de Franschen eigenaardigblond cendrénoemen. Als de wind in die lieve krullen speelde en de uiterst fijne haren eenigszins in de war bracht, dan was het alsof Adeliens voorhoofd door een uiterst ijl wolkje, door iets etherisch omgeven was. Haar blik was niet zoo vurig als die harer zuster; integendeel hare fraaie blauwe oogen hadden[146]iets ijls en iets vochtigs, waardoor zij eenigermate kwijnend van uitdrukking waren, en waardoor ook de scherpte van den oogopslag geheel weggenomen was.Hare wangen waren, zonder bleek genoemd te kunnen worden, niet zoo levendig getint als die harer zuster, maar waren overdekt met dat uiterst fijne dons, waarmede de koonen der blondinen gewoonlijk prijken, en wat haar zooveel overeenkomst met eene heerlijk ontwikkelde perzik geeft. Ook de houding van Adelien Groenewald was eene geheel andere dan die harer zuster. Hoewel hare leest even buigzaam, haar tred even veerkrachtig was, zoo was daarin toch die waardigheid niet te bespeuren als bij gene. Er was daarentegen iets liefs, iets goedigs, iets innemends in hare houding en bewegingen. Kon de oudere zuster hartstochtelijke bewondering inboezemen, voor Adelien gevoelde ieder, die haar naderde, eene hartelijke toegenegenheid.Eene kenmerkende eigenaardigheid der beide zusters was, dat zij zeer kleine voetjes hadden, die uitermate smaakvol gechausseerd waren, en mollige, maar fijne lieve handjes, die evenwel bij eene eerste kennismaking met de overige passagiers derFernandina Maria Emmazorgvuldig geganteerd waren.Hoewel niet tot den kring der bevoorrechte achterdekspassagiers behoorende, stonden toch nog een paar oogen naar de liefelijke verschijning der schoone meisjes te turen. Het waren die van Frank Brinkman, die nog steeds met zijn vriend Herman Riethoven ter hoogte van den grooten mast bij de verschansing stond. De laatstgenoemde stond evenwel in den aanblik verzonken, welke het tafereel, dat zich op de zee ontwikkelde, aanbood; terwijl de andere geen oog afwendde van de liefelijke gestalten, die daar op het achterdek verschenen waren.[147]„Gelukkige officieren!” zuchtte Frank. „Och, was ik toch ook zoo ver!”Herman lette op die ontboezeming niet. Zijn blik waarde slechts op de oppervlakte der zee.„Kijk die loodskotter eens naderen!” riep hij. „Men kan de bemanning aan boord reeds onderscheiden.”In dat oogenblik trad de scheepsgezagvoerder Butteling op kapitein Van Dam toe, en fluisterde hem eenige woorden in.„Sergeant Brinkman en sergeant Riethoven, komt eens hier!” riep laatstgenoemde tot de twee onderofficieren.Beiden haastten zich te gehoorzamen, naderden ongedwongen, en zich als mannen van beschaving voor de dames buigende, den kring der passagiers en stelden zich in onberispelijke militaire houding met de hand aan de klep hunner politiemuts naast elkander voor den kapitein, die een paar passen vooruitgetreden was.„Wat zijn uwe orders, kapitein?” vroeg Herman, terwijl beiden de oogen met gepaste vrijmoedigheid op hunnen officier vestigden.„De loods gaat straks het schip verlaten,” sprak kapitein Van Dam, niet zonder welgevallen de twee flinke onderofficieren aankijkende, „en zal de laatste tijding van boord medenemen. Gij sergeant Riethoven zult de brieven van het detachement ophalen, gij sergeant Brinkman die van de passagiers. De derde stuurman zal u die van de equipage ter hand stellen; maakt daarvan beneden in de kerk een pakket, hetwelk behoorlijk verzegeld en geadresseerd moet zijn aan den postmeester te Shoreham, waar de loods landen zal.”„Tot uwe orders, kapitein!” spraken de beide onderofficieren, maakten onberispelijk rechtsomkeert, en spoedden voort, om de ontvangen bevelen ten uitvoer te brengen.[148]Herman was in een oogenblik te midden der soldaten van het detachement verdwenen, terwijl Frank zich tot de passagiers wendde. Als bij instinkt vervoegde hij zich eerst tot de heeren van het gezelschap, die naar beneden ijlden om hunne brieven te sluiten. Eindelijk stond hij met de familie Groenewald alleen aan het dek.„Hebben de dames mij ook brieven te overhandigen, die zij met de post wenschen te verzenden?” vroeg hij met een glimlach op het gelaat aan de jonge meisjes.„Brieven?” vroeg Emma met eenige voornaamheid in stem en houding.„Brieven met de post?” vroeg Adelien met hare gewone lieftalligheid, het oog op den rijzigen onder-officier slaande.„Ja, dames!” antwoordde Frank. „Straks verlaat de loods het schip, en zal de Engelsche kust aandoen, alwaar de brieven op de post zullen gedaan worden. Ziet, de loodskotter is reeds nabij.”„Een goede gelegenheid om nog aan Klara te schrijven,” juichte Adelien tot hare zuster.„Ik zou ook nog wel willen schrijven,” zei Emma, terwijl een hooger blosje als gewoonlijk hare wangen verfde.„Maar, zou er nog tijd zijn?” vroeg Emma aan Frank.„Veel niet,” antwoordde deze. „De loodskotter nadert al meer en meer.”„Hoe jammer,” zei Adelien. „Ik heb Klara zooveel te schrijven, ja waarlijk veel.”„Dat de dames gerust hare correspondentie beginnen,” zeide Frank met een glimlach, „mij is het sluiten van het postpakket opgedragen. Ik zal daarmeê zoolang dralen, totdat ik uwe brieven in ontvangst zal genomen hebben.”„O, hoe heerlijk!” kreet Adelien. „Maar.…”„Haast u evenwel,” sprak Frank. „Ziet, de loodskotter nadert, nadert.”[149]„Juist,” sprak het jonge meisje. „Kom Emma!”En weg waren zij, den trap af, naar beneden in de kerk, alwaar al de passagiers om de tafel zaten en in hunneschrijverijenverdiept waren. Het waren de laatste afscheidsgroeten, die daar aan ouders, vrienden en bekenden werden toegeroepen. Verscheidene maanden zouden voorbij snellen, zonder dat de opvarenden in de mogelijkheid zouden zijn taal of teeken te geven. Hier en daar werd dan ook een zucht vernomen, hier en daar werd zelfs een traan weggepinkt, soms niet vlug genoeg, om te verhoeden, dat zij op het papier terecht kwam.Herman had inmiddels aan de hem gedane opdracht bij het detachement gevolg gegeven. Ook daar had de bekendmaking, dat er nog tijdingen met den loods konden medegegeven worden, dezelfde uitwerking als op hetachterdekgehad.De soldaten hadden evenwel geen kerk, geene kajuit, zelfs geen tafel of stoel ter beschikking om hunne correspondentie te voeren. Het schouwspel, hetwelk thans het dek van deFernandina Maria Emmaaanbood, was hoogst eigenaardig.Hier lagen ettelijke manschappen, zoo lang als zij waren, op hun buik op den vloer uitgestrekt, en poogden in die houding ijverig de pen te hanteeren. Daar ginds zaten er vier op de voorplecht ijverig te schermen ieder op een vel papier, dat niet al te zindelijk scheen, en waren elkander daarbij niet weinig in den weg. Om het spil stonden er zes op hunne penhouders te bijten, alsof zij de denkbeelden, die zij misten, er uit wilden zuigen. Zelfs een der lippen van het groote anker diende tot schrijftafel. De potdeksels, de trapkappen, de kraanbalken, het bovenvlak der kippen- en varkenshokken waren met scribenten overdekt. Zelfs het dak van het koeienhok was door een schrijflustige, die er op uitgestrekt lag, ingenomen. Cadmus, de vermeende[150]uitvinder van de schrijfkunst, had voorzeker nimmer kunnen bedenken, toen hij de eerste schrede op het gebied der zichtbare mededeeling van de gedachte zette, dat de mensch zich zoo zou kunnen behelpen bij het beoefenen zijner uitvinding!Frank en Herman hadden een der kippenhokken, die ter hoogte van den bezaansmast stonden, in beslag genomen en stonden daarbij volijverig te schrijven.Terwijl het meerendeel der opvarenden zich zoo onledig hield, was de loodsboot nabij gekomen. Op een gegeven oogenblik had de equipage op bevel van haren gezagvoerder de eene helft der zeilen tegengebrast36, zoodat het schip nagenoeg bewegingloos lag en geen vaart meer maakte. De loodskotter zette nu een sloepje, een notendopje uit, dat door twee man geroeid, spoedig op zij van het fregat bij den stormtrap aangelegd had. De opvarenden van dat bootje brachten een pak Engelsche couranten aan boord, die het laatste Europeesche nieuws bevatten. De loodskotter was dien eigen morgen van de reede van Brighton gezeild, om in het Kanaal te kruisen. De loods maakte nu aanstalten om het schip te verlaten. Het was belangrijk de hoeveelheden erwten, boonen, zoutvleesch en rookspek, die kapitein Butteling hem uit den scheepsvoorraad geschonken had, en die nu in het sloepje overgingen.„Zijn de brieven klaar?” vroeg de gezagvoerder aan de beide sergeanten.Riethoven had zijne inzameling nagenoeg gehouden. Brinkman was in de kerk afgedaald en spoorde daar de briefschrijvers tot spoed aan. Van de heeren, die een voor een naar het dek gingen, had hij de epistels reeds in ontvangst genomen, en wachtte nog slechts op die der dames.„Gij zult u moeten haasten, dames,” sprak hij, „de loods wordt ongeduldig.”[151]„Ik haast mij al zooveel ik kan,” antwoordde Emma eenigszins hooghartig. „Ik kan niet vliegen.”„Nog een oogenblik,” sprak Adelien met innemenden glimlach. „Denk aan uwe belofte van straks, sergeant.”Frank boog. Inmiddels was Herman met zijne brieven beneden gekomen. Zijn vriend wees op de dames en lei zijn vinger op den mond.„Waar blijven de brieven?” riep de loods aan den kerktrap.„Oogenblikkelijk, loods!” riep Frank tot antwoord. „Wij zijn dadelijk met het pakket klaar.”Na een poos wachtens kwam kapitein Butteling naar beneden.„Waar blijft het brievenpakket toch?” vroeg hij met eenig ongeduld in de stem aan de onderofficieren. „Gij moest meer voortmaken!”Met een oogopslag zag hij evenwel hoe hier de zaken geschapen stonden. Hij keerde zich om, ging naar het dek en liet den loods een paar vierkante flesschen jenever geven. Daarmede werd tijd gewonnen. Daarna noodigde hij hem uit tot een afscheidsdronk. De zeebonk liet zich dat geen tweemaal herhalen; hij schoof de beide flesschen in de zakken zijner broekspijpen, die daarin als in een afgrond verdwenen, greep het glas jenever, dat hem stuurman Ellenbaan aanreikte, nam zijne dikke pruim uit den mond, en sprak:„Nou, kaptein, goeje reis! Daar ga je!”De kelk Schiedammervocht verdween als in eene goot. De loods veegde zich met den mouw van zijn pijekker den mond af en vroeg:„Waar, bliksem! blijven de brieven toch?”„Daar zijn ze, loods,” sprak sergeant Riethoven, terwijl hij hem een lijvig pakket ter hand stelde.In de kerk had Emma haren brief met eene hoffelijke[152]buiging aan Herman overhandigd. Adelien had voor de beide onderofficieren een vriendelijken glimlach ten beste gehad. Toen zij haren brief overreikte, dankte zij hen met innemende stem en stak hen haar handje toe, dat beiden ongedwongen, maar toch kiesch drukten.Beiden oogden haar opgetogen na. Toen zij verdwenen was, mompelde Frank:„Wat een dotje! Wat een dotje!”Beiden beijverden zich nu het postpakket te sluiten en verschenen daarmede juist op het dek, toen de loods in zijn ongeduld andermaal daarnaar vroeg.Het postpakket verdween in den afgrond, waarin de vierkante flesschen jenever verzonken waren. De loods reikte een ieder der omstanders een hand.„Goeje reis!” riep hij, en daalde den stormtrap af.Nauwelijks had hij plaats in het notendopje genomen, dat hem naar den loodskotter over moest brengen, toen een schril gefluit en verschillende commando’s over het dek weerklonken. De zeilen werden voor den wind gebrast en deFernandina Maria Emmahervatte haren koers als een flink fregat, dat zij was.Alle opvarenden, zoowel de dames, de officieren en de ambtenaren, als de soldaten en matrozen lagen, over de verschansing gebogen den loods na te staren, die in zijn notedopje naar den loodskotter stevende, en langzamerhand achteruit van het fregat geraakte. Straks was die ruwe zeeman allen aan boord nog onverschillig. Thans oogden hem allen met eene belangstelling na, die niemand trachtte te verhelen. Het was de laatste vaderlander aan boord, die niet mee naar Indië ging. Nu hij weg was, was het alsof de laatste band, die de reizigers aan den geboortegrond verbond, verbroken was.[153]
[Inhoud]III.Verdere kennismaking.—In het Kanaal.Toen de passagiers den volgenden ochtend ontwaakten en aan het dek kwamen, scheen de zon vroolijk en hield deFernandina Maria Emmavoor Dungeness op en neer, ten einde den dienstkotter in het oog te krijgen, die den loods moest overnemen. Wel werden verscheiden van die vaartuigen ontmoet, maar allen voerden met groote letters in hun grootzeil de woorden: Antwerpen, Vlissingen of Goerêe; terwijl geen enkel ontwaard werd, dat het woord: Texel te zien gaf. Bij den slag, dien het schip maakte, was het alsof het eene baai wilde binnenstevenen.Frank en Herman, onze twee onderofficieren, waren reeds aan het dek en bewonderden het fraaie gezicht, dat men van het fregat op de krijtbergen van Engeland had. Die witte band, die als uit zee scheen op te rijzen, maakte een vreemd maar lief effekt op de helgroene strook, die de zee vertoonde. Hier en daar ontwaarde hun oog groepen huizen met hunne roode pannendaken; terwijl onder langs den krijtwand, en hier en daar ook op den nokrand van het gebergte, spoortreinen ijlden, die met hunne achterwaarts gebogene stoompluim eene bevallige vertooning opleverden. Opzij, voor en achter[135]van deFernandina Maria Emmawemelde het van vaartuigen. De wind, die tot nu toe uit het noorden geblazen had, was thans in het oosten geloopen. Nu maakten al de schepen, die de Hoofden niet binnen konden en, hier dagen lang opgehouden, ten anker lagen, zich zeilklaar om de Noordzee in te stevenen. Het was een gewemel op dat watervlak, hetwelk de onbevarenen, die zoo’n schouwspel ongewoon waren, in verrukking bracht. Bij tientallen waren de driemasters te tellen, die bezig waren zeil te zetten, en waarvan eenigen hun anker reeds gewonden hadden en noordwaarts voortspoedden. Daaronder waren ettelijke fregatten, en klipper-fregatten. De meesten dier driemasters waren barken. Veel grooter was het getal brikken, en schoenerbrikken, die wel bij honderden te tellen waren, en door elkander wemelden. Maar de kleinere vaartuigen, als: schoeners, kotters, chasse-marée’s, kanaalbooten, enz. waren legio, ontelbaar in den letterlijken zin des woords. Daartusschen stevenden, onafhankelijk van den wind, vele stoomvaartuigen. Raderschepen, die met groot geweld het water met hunne schoepen wild en woest langs hunne zijden opzweepten, of schroefbooten, die sierlijk en vlug het watervlak sneden en slechts eene koking, eene hevige opborreling achter den scheepsspiegel te zien gaven, groote en kleine stoomvaartuigen, van de oorlogsboot af, welker dubbele schoorsteen als verloren scheen en gezocht moest worden tusschen het loopend en staand wand der volgetuigde masten, tot de sierlijke stoomsloep toe, die met vluggen zwaai te midden van al die honderde vaartuigen stevende en welker baan, wanneer zij op het watervlak afgeteekend kon gebleven zijn, zich als eene slang zoude gekronkeld hebben.„Is dat geen fraai gezicht hier?” vroeg stuurman Bagman aan de beide onderofficieren, die nog steeds[136]over de verschansing gebogen, het panorama, dat zich voor hunne oogen ontrolde, stonden te bewonderen.„Prachtig, stuurman! prachtig!” was beider opgetogen instemming.„Dat liefgroene watervlak, hetwelk in kleine golfjes opkabbelt,” sprak Herman met aandoening, „die honderde en honderde vaartuigen, welker banen aan elkander evenwijdig loopen, elkander naderen, of elkander snijden; die duizende witte zeilen, die onder de bries bevallig zwellen en zich behaagzuchtig in het water spiegelen; die veelkleurige vlaggen, die aan de gaffels wapperen of zich aan de masttoppen ontplooien, die kustlijn, welke zich daar scherp afteekent en met haren sneeuwwitten band, doorspikkeld met roode vlekjes, die de daken der woningen aanduiden, eenen voorbeeldeloos fraaien achtergrond daarstelt; terwijl de zon dat tafereel met haar opwekkend licht beschijnt, en ieder onderdeel als met levendmakenden vinger aanroert; dat alles vormt een panorama, hetwelk, dunkt me, slechts op dit punt van den aardbol hier waar te nemen is, alwaar de handelsbeweging der geheele aarde in deze zeeëngte te samen geperst wordt.”De jongman had die ontboezeming met geestdrift uitgesproken en zweeg nu, alsof hij de bijzonderheden van het panorama, hetwelk zich daar ontrolde en bij iedere minuut, bij iedere sekonde veranderde, maar daarom niets van zijne schoonheid verloor, in zich wilde opnemen. De twee onderofficieren hadden bij hunne beschouwing niet ontwaard, dat twee andere jongelieden zich naast stuurman Bagman over de verschansing gebogen hadden, om hetzelfde gezicht te bewonderen.„Bravo, sergeant!” riep de een, toen Herman zweeg. „Dat noem ik met het woord penseelen. Met weinige woorden hebt gij de voornaamste bijzonderheden van het[137]fraaie vergezicht, hetwelk wij genieten, op den voorgrond doen treden en daarop de aandacht uwer hoorders gevestigd. Het zij mij vergund met u kennis te maken, ik heet Jan Slierendrecht, ambtenaar ter beschikking. Ik zie, gij zijt sergeant, en …?”De heer Jan Slierendrecht stak bij die laatste woorden Herman zijne hand toe en legde in dat vragende: en zoo’n hartelijkheid, dat deze, hoewel door de beschaafde Nederlanders ten opzichte van beleefdheidsvormen jegens de landsverdedigers beneden den rang van officier niet verwend, op hem toetrad, de toegestoken hand greep en haar ongedwongen schudde en antwoordde:„Ik heet Riethoven, mijnheer Slierendrecht. Het is mij een genoegen kennis met u te maken!”En op Frank wijzende, vervolgde hij:„Dat is mijn vriend Brinkman, dien ik de eer heb u voor te stellen.”De heer Slierendrecht reikte Frank de hand, terwijl hij ook zijn makker aan de beide onderofficieren voortelde:„De heer Piet van Diepbrugge, ambtenaar ter beschikking evenals ik,” zeide hij met plichtpleging; terwijl deze laatste boog en de beide jongelieden, die hem voorgesteld werden, de hand drukte.„Wij bewonderden met u,” sprak de heer Van Diepbrugge, „het fraaie zeegezicht, hetwelk zich voor ons uitspreidt, en waren onwillekeurige toehoorders van uwe ontboezeming, mijnheer Riethoven, die ons door hare zuiverheid van detailleering trof.”Herman boog bij dat compliment, hetwelk hem toch streelde.„Wat zijn dat voor plaatsjes, die daar aan de kust ontwaard worden?” vroeg hij aan stuurman Bagman.„Dat, daar dwars achteruit, is Folkestone; wij hebben[138]Dungeness dwars van ons. Vlak vooruit, zie dáár, ligt Hastings, en die kaap daar bakboord vooruit isBeachy Head. Als wij die te boven gekruist zijn, dan hebben wij het eiland Wight in het gezicht.”Een schel gefluit klonk over het dek.„Ieder op zijn werk! Klaar om te wenden!” liet het commando van kapitein Butteling zich hooren.Stuurman Bagman spoedde voort op dat gefluit. Hij wees de jongelieden evenwel, voor dat hij wegijlde, aan bakboordszijde op de zee:„De loodskotter!” riep hij.En weg was hij.Inderdaad daar aan bakboordszijde was heel in de verte een klein vaartuig zichtbaar, dat in zijn grootzeil het woord „Texel” voerde, hetwelk evenwel thans niet met het bloote oog te ontwaren was.„Wenden!” klonk het commando.Alle raas werden met behulp der gezamenlijke matrozen en soldaten, die langzamerhand voor den dag gekomen waren, nagenoeg terzelfder tijd rondgebrast. Het fregat ging overstag en toen de zeilen weer vastgemaakt waren, liep het scherp bij den wind nagenoeg zuidoost, den loodskotter te gemoet.„Drommels!” zei Frank. „Zij kunnen toch handig met zoo’n gevaarte, als zoo’n schip is, omgaan.”Inmiddels waren ook de andere ons reeds bekende passagiers voor den dag gekomen, en stonden op het achterdek onder het genot van een geurige kop koffie, die de matroos-hofmeester hen aangereikt had, het fraaie tafereel, hetwelk de zee aanbood, te bewonderen.„Wat duiker!” riep eensklaps luitenant Denniston uit. „Kijk eens, wie zijn die twee politieken, die daar met die onderofficieren staan te praten?”„Wellicht passagiers tweede klasse,” meende Behren.[139]„Neen, daartoe zien ze er te fatsoenlijk uit,” antwoordde Denniston.„Zeer geestig geantwoord!” sprak kapitein Van Dam terechtwijzend. „Alsof het fatsoenlijk uitzien het criterium is van de passagiersklasse, waarin iemand reist.”En zich tot den eersten stuurman Abels wendende, die juist achteruit kwam, om bij het kompas het voorleggen van het schip te controleeren.„Zeg stuur,” sprak hij. „Wie zijn die twee heeren, die daar middenscheeps bij de verschansing staan?”„Dat zijn twee aanstaande ambtenaren, kapitein,” sprak stuurman Abels met een glimlach.„Dus passagiers eerste klasse?” vroeg Van Dam.„Ja, kapitein,” was het antwoord, „wij hebben geen tweede klasse of dekpassagiers aan boord.”„Maar, waar komen ze van daan? Wij hebben nog niets van hen gemerkt.”„O!” sprak stuurman Abels met een glimlach om de lippen. „Dat ’s zeer eenvoudig. Gisteren kwamen zij zoo omstreeks een uur voor het detachement aan boord. Zij schenen in Den Burg33copieus gedineerd en daarbij een goed glas tot afscheid van het vaderland gedronken te hebben. Hunne vrienden, Delftsche studenten, zoo ik hoorde, hebben hen toen liefderijk te kooi bezorgd en zijn toen waarschijnlijk ook naar bed gegaan, daar zij niet minder laveerden dan de vertrekkenden. Toen gij aan boord kwaamt, sliepen die jongelui den slaap des rechtvaardigen, onbewust van hetgeen rondom hen voorviel. Nu schijnen zij weer fiksch en nuchter te zijn. Maar, ik moet voort, vergeef mij.”De beide jongelieden werden thans het gezelschap officieren op het achterdek gewaar, traden als mannen van opvoeding, ongedwongen op hen toe, stelden zich als medepassagiers voor, en knoopten zoo eene kennismaking[140]aan, die zij hoopten, dat tot aller genoegen bestendigd zoude blijven.Het waren een paar flinke jongelui, die twee ambtenaren ter beschikking, met open oog, rond gelaat en vroolijk opgeruimd karakter. Een ware aanwinst voor de gezelligheid der reis.„Ik heb de heeren gisteren niet bij het vertrek ontwaard,” sprak kapitein Van Dam na de voorstelling, met ondeugend gelaat.Beiden glimlachten ongedwongen.„Wat zal ik daarop antwoorden?” sprak Jan Slierendrecht. „Wij dineerden gisteren in Den Burg. De „Veuve Cliquot” is er overheerlijk. Die kan ik u recommandeeren, kapitein, als gij in de gelegenheid komt, dan.…”„Ja, die gelegenheid zal zich eerstdaags wel voordoen,” zei kapitein Van Dam met een spottenden glimlach.„Wij hadden zooveel afscheidsdronken te ledigen, zooveel toasten te beantwoorden, hetIö vivat! nostrorum sanitas!klonk zoo opwekkend, dat wij zijn blijven tafelen totdat hetDumnihil est in poculo!34eene jammerlijke waarheid bevatte. Toen.…”Hier aarzelde de jongman zijne bekentenis. Kapitein Van Dam hielp hem.„Toen was het ’t beste, om naar kooi te gaan,” zeide hij.„Zie kapitein,” sprak Piet Van Diepbrugge op koddigen toon. „Les beaux esprits se rencontrent!Wij dachten er ook zoo over. Wij zijn naar kooi gegaan.…”„Gebracht!” verbeterde Behren.„Gebracht dan, als het zoo zijn moet” ging Piet voort.[141]„En in den slaap hebben wij van het geheele vertrek niets vernomen.”„Wat mij zeer spijt” viel Slierendrecht met ernstige stem in. „Ik had nog zoo gaarne een laatsten blik op den vaderlandschen bodem willen werpen.”„Sjtt!… sjtt!… daar komen de dames,” zei Behren.„Zijn er dames aan boord?” vroegen de twee ambtenaren in spe als om strijd.„Ja, zeker,” antwoordde de apotheker. „Drie engelachtige lieve dames.”„Hoe weet je dat Behrtje?” vroeg kapitein Van Dam.„De koksmaat heeft het mij verteld,” antwoordde Behren in allen ernst.„Ja, dan zul je wel goed ingelicht zijn,” meende de kapitein met even ernstig gezicht. „Maar stil.… daar komen ze. Wij zullen zien of de koksmaat gelijk had.Kijk, kijk, ik geloof het niet.”Drie dames en een heer waren den kajuitstrap opgekomen, en richtten hunne schreden naar het gezelschap, dat op het achterdek bij elkander stond.„Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, juist! Ben ik goed ingelicht, dan treffen wij onze medepassagiers allen bij elkaâr,” sprak de heer.En zich tot kapitein Van Dam wendende:„Het zij mij vergund kennis met u te maken, kapitein,” sprak hij. „Ik heet Groenewald, dat is mijne echtgenoote, en dat zijn mijne twee dochters.”Kapitein Van Dam boog, noemde zijn naam en stelde daarna de jongelieden, aan de familie Groenewald voor, in de volgorde zoo als zij bij hem stonden. Eerst Behren, daarna Denniston, toen Van Diepbrugge, Hannius, Slierendrecht en Leidermooi.Onmiddellijk was het gesprek algemeen. Behren was op mevrouw Groenewald toegetreden, en ving een gesprek[142]aan, zooals alle gesprekken in dergelijke gevallen tusschen wildvreemde menschen begonnen worden, namelijk over het weer, over de omgeving, over de reis, enz.Kapitein Van Dam wierp een spottenden blik op Behrtje, dien deze wel begreep.Ja, omtrent de engelachtigheid, door den koksmaat der drie dames toebedeeld, moest omtrent haar, die met onzen apotheker stond te praten, wel ietwat afgedongen worden. Mevrouw Groenewald was uit een morganatisch huwelijk gesproten, hetwelk haar vader met eene Javaansche schoone had aangegaan, en droeg daarvan de onmiskenbare kenteekenen. Zij was ietwat bruin van tint, had een dik kort ineengedrongen neusje en lippen, die ook ietwat meer omvang hadden dan de schoonheidsvormen strikt eischten. Het weelderig zwart haar, dat zij in dit morgenuur in een dikke kondeh35opgebonden had, begon hier en daar te grijzen, terwijl èn haar gelaat èn hare taille mede verrieden, dat prille jeugd haar deel niet meer was. Dat gelaat had evenwel zoo eene goedaardige uitdrukking, en hare oogen, die zij zeer fraai behouden had, konden iemand zoo vertrouwvol, zoo innig hartelijk aankijken, dat wie haar naderde, zich tot haar aangetrokken gevoelde. Zij drukte zich zeer beschaafd uit, hoewel haar Hollandsch iets schoolsch had en den indruk gaf, alsof het haar moeite kostte, zich in die taal verstaanbaar te maken. Diezelfde indruk werd geboren, wanneer zij Fransch of Engelsch sprak. Toch kende zij die talen zoo grondig, als slechts weinig Nederlandsche vrouwen in die dagen eigen was.Zij was eene liefderijke moeder, die in overwicht en omgang met hare kinderen meer eene toegenegen oudere zuster was, dan wel eene mama, die haar gezag deed voelen. Hare kinderen aanbaden haar dan ook, en wel met zoo’n innigheid, dat nimmer, zelfs in de vlegeljaren,[143]die ook voor meisjes bestaan, de tusschenkomst van den vader noodig geweest was, om hen naar hare hand te zetten.Die vader, volbloed Nederlander van geboorte, in weerwil van zijn half Duitschen naam, was een hoogst eenvoudig man, met een zeer dagelijksch uiterlijk, niet te dik, niet te mager, die op zijn getaand gelaat, de teekenen droeg van een arbeidzaam leven onder de keerkringen. Op de vraag van kapitein Van Dam na de presentatie of hij, evenals de heeren Van Diepbrugge en Slierendrecht, ook ambtenaar was, had hij eenvoudig geantwoord, dat hij landhuurder was, en eene koffie-onderneming in de Residentie Soerakarta op de hellingen van den Lawoe had. Hij was voor herstel van gezondheid naar Europa geweest, en was nu weer op de terugreis naar Indië. Zijne gezondheid liet niets meer te wenschen over. Toch hadden de geneesheeren hem aangeraden, om zijn lichaam te stalen, de reis rondom de kaap de Goede Hoop te maken, in stede van met de mail te gaan, die trouwens in die dagen zeer kostbaar was en den reizigers weinig gemakken bood. Door zijne handelsvrienden te Amsterdam was het fregatschipFernandina Maria Emmaals een solied en snelzeilend vaartuig aanbevolen, dat een geëxamineerden dokter en eene melkgevende koe aan boord voerde. Met den dokter maakten de lezers reeds kennis, en van harte zullen zij voor de passagiers den wensch slaken, dat het diploma van de melkgevigheid der koe van beter allooi moge geweest zijn dan dat, hetwelk de wetenschappelijke kennis van den dokter moest schragen. Mijnheer Groenewald had te eerder zijne keus op een zeilschip laten vallen, dewijl hij meende, dat daar meer huiselijkheid en gezelligheid te vinden waren, dan aan boord der mailbooten. Wel had hij tegen de reis met deFernandina Maria Emmaeenigermate opgezien, omdat,[144]zoo had hij tegen zijne vrouw gezegd, er zooveel officieren aan boord waren, hetgeen hij gevaarlijk voor de gemoedsrust zijner dochters achtte. Mevrouw Groenewald had hem evenwel verzekerd, dat onder de officieren flinke mannen gevonden werden, en dat zij er niet tegen op zou zien een officier tot schoonzoon te hebben. Daarenboven in die dagen had geen ander schip in de Nederlandsche zeehavens zeilklaar gelegen, hetwelk dezelfde voordeelen van ruimte, soliditeit en welbezeildheid als deFernandina Maria Emmaaanbood, zoodat hij tot de reis met dien bodem besloten had. Of zijne zorg voor de gemoedsrust zijner dochters gegrond genoemd kon worden?De twee lieve meisjes stonden daar te midden van dien kring jongelieden, en het viel niet te ontkennen, dat de algemeene bewondering haar deel was. En te recht. Beiden waren lieve slanke ontwikkelde deernen, die veel op elkander geleken, zoo zelfs, dat het duidelijk was, zij een zusterpaar waren, maar die bij nadere beschouwing toch eene verschillende type te bewonderen gaven.Emma, de oudste bij voorbeeld, eene maagd, die een en twintig lentes telde, was eene bekoorlijke brunette, die hare oostersche afkomst ten volle staafde. Wel was zij ten volle blank, zoo blank als slechts eene volbloed Europeesche schoone wezen kan, maar hare wangen vertoonden dat schelle niet, hetwelk bij zoo menige jonge dame aan een potje karmijn van Rimmel, van Piver of van Pinaud doet denken, en waarbij men de strepen meent te ontdekken des penseels, die de bedriegelijke kleur op de koon bracht. Integendeel het lieve rozenrood harer wangen ging zacht en onmerkbaar in het albastwitte harer huid over, en bracht juist door hare fijne nuanceering den beoefenaar van natuurschoon in verrukking. Haar hoog intelligent voorhoofd was matwit, aan marmer gelijk, aan marmer, waaraan door een grooten beeldhouwer[145]leven en bezieling geschonken zou zijn. Dat voorhoofd werd omgeven door donkerbruine krullen, die het gelaat heerlijk omlijstten, en dartel en weelderig over de goedgevormde schouders op den welgevulden boezem daalden. Hare gelaatstrekken waren overigens niet zoo regelmatig, dat die aan een Griekschen kunstenaar tot model zouden hebben kunnen strekken; maar het oog rustte met welgevallen op dat fraai gevormd neusje, op die fijne geteekende lippen, die wanneer zij zich openden, de fraaiste en witste tanden der wereld lieten zien, en die met hare goed afgeronde wangen en haar heerlijk voorhoofd een geheel vormden, dat niet dan uiterst lieftallig kon genoemd worden. Wat dat gelaat evenwel eene buitengewone aantrekkingskracht verleende, waren de oogen der lieve maagd, welker appels donkerbruin, bij het zwarte af, zich grondeloos diep voordeden voor den gelukkigen, die het gegund was dien blik te peilen, maar overigens dien oogopslag bezaten, die als de zonnestraal opgewektheid en helderheid om zich verspreidde. Slank en heerlijk ontwikkeld, vertoonden hare leest en haar tred eene buitengewone buigzaamheid en veerkracht, en verraadde zij in hare bewegingen eene waarlijk vorstelijke houding, die de bewondering tot vergoding stemde.Hare zuster Adelien—wij zeiden het reeds—had sprekend hare gelaatstrekken. Het was volkomen dezelfde snede. Alleen gene was eene brunette, deze eene blondine. Zij had denzelfden weelderigen haardos, maar zacht genuanceerd in die heerlijke tint, die de Franschen eigenaardigblond cendrénoemen. Als de wind in die lieve krullen speelde en de uiterst fijne haren eenigszins in de war bracht, dan was het alsof Adeliens voorhoofd door een uiterst ijl wolkje, door iets etherisch omgeven was. Haar blik was niet zoo vurig als die harer zuster; integendeel hare fraaie blauwe oogen hadden[146]iets ijls en iets vochtigs, waardoor zij eenigermate kwijnend van uitdrukking waren, en waardoor ook de scherpte van den oogopslag geheel weggenomen was.Hare wangen waren, zonder bleek genoemd te kunnen worden, niet zoo levendig getint als die harer zuster, maar waren overdekt met dat uiterst fijne dons, waarmede de koonen der blondinen gewoonlijk prijken, en wat haar zooveel overeenkomst met eene heerlijk ontwikkelde perzik geeft. Ook de houding van Adelien Groenewald was eene geheel andere dan die harer zuster. Hoewel hare leest even buigzaam, haar tred even veerkrachtig was, zoo was daarin toch die waardigheid niet te bespeuren als bij gene. Er was daarentegen iets liefs, iets goedigs, iets innemends in hare houding en bewegingen. Kon de oudere zuster hartstochtelijke bewondering inboezemen, voor Adelien gevoelde ieder, die haar naderde, eene hartelijke toegenegenheid.Eene kenmerkende eigenaardigheid der beide zusters was, dat zij zeer kleine voetjes hadden, die uitermate smaakvol gechausseerd waren, en mollige, maar fijne lieve handjes, die evenwel bij eene eerste kennismaking met de overige passagiers derFernandina Maria Emmazorgvuldig geganteerd waren.Hoewel niet tot den kring der bevoorrechte achterdekspassagiers behoorende, stonden toch nog een paar oogen naar de liefelijke verschijning der schoone meisjes te turen. Het waren die van Frank Brinkman, die nog steeds met zijn vriend Herman Riethoven ter hoogte van den grooten mast bij de verschansing stond. De laatstgenoemde stond evenwel in den aanblik verzonken, welke het tafereel, dat zich op de zee ontwikkelde, aanbood; terwijl de andere geen oog afwendde van de liefelijke gestalten, die daar op het achterdek verschenen waren.[147]„Gelukkige officieren!” zuchtte Frank. „Och, was ik toch ook zoo ver!”Herman lette op die ontboezeming niet. Zijn blik waarde slechts op de oppervlakte der zee.„Kijk die loodskotter eens naderen!” riep hij. „Men kan de bemanning aan boord reeds onderscheiden.”In dat oogenblik trad de scheepsgezagvoerder Butteling op kapitein Van Dam toe, en fluisterde hem eenige woorden in.„Sergeant Brinkman en sergeant Riethoven, komt eens hier!” riep laatstgenoemde tot de twee onderofficieren.Beiden haastten zich te gehoorzamen, naderden ongedwongen, en zich als mannen van beschaving voor de dames buigende, den kring der passagiers en stelden zich in onberispelijke militaire houding met de hand aan de klep hunner politiemuts naast elkander voor den kapitein, die een paar passen vooruitgetreden was.„Wat zijn uwe orders, kapitein?” vroeg Herman, terwijl beiden de oogen met gepaste vrijmoedigheid op hunnen officier vestigden.„De loods gaat straks het schip verlaten,” sprak kapitein Van Dam, niet zonder welgevallen de twee flinke onderofficieren aankijkende, „en zal de laatste tijding van boord medenemen. Gij sergeant Riethoven zult de brieven van het detachement ophalen, gij sergeant Brinkman die van de passagiers. De derde stuurman zal u die van de equipage ter hand stellen; maakt daarvan beneden in de kerk een pakket, hetwelk behoorlijk verzegeld en geadresseerd moet zijn aan den postmeester te Shoreham, waar de loods landen zal.”„Tot uwe orders, kapitein!” spraken de beide onderofficieren, maakten onberispelijk rechtsomkeert, en spoedden voort, om de ontvangen bevelen ten uitvoer te brengen.[148]Herman was in een oogenblik te midden der soldaten van het detachement verdwenen, terwijl Frank zich tot de passagiers wendde. Als bij instinkt vervoegde hij zich eerst tot de heeren van het gezelschap, die naar beneden ijlden om hunne brieven te sluiten. Eindelijk stond hij met de familie Groenewald alleen aan het dek.„Hebben de dames mij ook brieven te overhandigen, die zij met de post wenschen te verzenden?” vroeg hij met een glimlach op het gelaat aan de jonge meisjes.„Brieven?” vroeg Emma met eenige voornaamheid in stem en houding.„Brieven met de post?” vroeg Adelien met hare gewone lieftalligheid, het oog op den rijzigen onder-officier slaande.„Ja, dames!” antwoordde Frank. „Straks verlaat de loods het schip, en zal de Engelsche kust aandoen, alwaar de brieven op de post zullen gedaan worden. Ziet, de loodskotter is reeds nabij.”„Een goede gelegenheid om nog aan Klara te schrijven,” juichte Adelien tot hare zuster.„Ik zou ook nog wel willen schrijven,” zei Emma, terwijl een hooger blosje als gewoonlijk hare wangen verfde.„Maar, zou er nog tijd zijn?” vroeg Emma aan Frank.„Veel niet,” antwoordde deze. „De loodskotter nadert al meer en meer.”„Hoe jammer,” zei Adelien. „Ik heb Klara zooveel te schrijven, ja waarlijk veel.”„Dat de dames gerust hare correspondentie beginnen,” zeide Frank met een glimlach, „mij is het sluiten van het postpakket opgedragen. Ik zal daarmeê zoolang dralen, totdat ik uwe brieven in ontvangst zal genomen hebben.”„O, hoe heerlijk!” kreet Adelien. „Maar.…”„Haast u evenwel,” sprak Frank. „Ziet, de loodskotter nadert, nadert.”[149]„Juist,” sprak het jonge meisje. „Kom Emma!”En weg waren zij, den trap af, naar beneden in de kerk, alwaar al de passagiers om de tafel zaten en in hunneschrijverijenverdiept waren. Het waren de laatste afscheidsgroeten, die daar aan ouders, vrienden en bekenden werden toegeroepen. Verscheidene maanden zouden voorbij snellen, zonder dat de opvarenden in de mogelijkheid zouden zijn taal of teeken te geven. Hier en daar werd dan ook een zucht vernomen, hier en daar werd zelfs een traan weggepinkt, soms niet vlug genoeg, om te verhoeden, dat zij op het papier terecht kwam.Herman had inmiddels aan de hem gedane opdracht bij het detachement gevolg gegeven. Ook daar had de bekendmaking, dat er nog tijdingen met den loods konden medegegeven worden, dezelfde uitwerking als op hetachterdekgehad.De soldaten hadden evenwel geen kerk, geene kajuit, zelfs geen tafel of stoel ter beschikking om hunne correspondentie te voeren. Het schouwspel, hetwelk thans het dek van deFernandina Maria Emmaaanbood, was hoogst eigenaardig.Hier lagen ettelijke manschappen, zoo lang als zij waren, op hun buik op den vloer uitgestrekt, en poogden in die houding ijverig de pen te hanteeren. Daar ginds zaten er vier op de voorplecht ijverig te schermen ieder op een vel papier, dat niet al te zindelijk scheen, en waren elkander daarbij niet weinig in den weg. Om het spil stonden er zes op hunne penhouders te bijten, alsof zij de denkbeelden, die zij misten, er uit wilden zuigen. Zelfs een der lippen van het groote anker diende tot schrijftafel. De potdeksels, de trapkappen, de kraanbalken, het bovenvlak der kippen- en varkenshokken waren met scribenten overdekt. Zelfs het dak van het koeienhok was door een schrijflustige, die er op uitgestrekt lag, ingenomen. Cadmus, de vermeende[150]uitvinder van de schrijfkunst, had voorzeker nimmer kunnen bedenken, toen hij de eerste schrede op het gebied der zichtbare mededeeling van de gedachte zette, dat de mensch zich zoo zou kunnen behelpen bij het beoefenen zijner uitvinding!Frank en Herman hadden een der kippenhokken, die ter hoogte van den bezaansmast stonden, in beslag genomen en stonden daarbij volijverig te schrijven.Terwijl het meerendeel der opvarenden zich zoo onledig hield, was de loodsboot nabij gekomen. Op een gegeven oogenblik had de equipage op bevel van haren gezagvoerder de eene helft der zeilen tegengebrast36, zoodat het schip nagenoeg bewegingloos lag en geen vaart meer maakte. De loodskotter zette nu een sloepje, een notendopje uit, dat door twee man geroeid, spoedig op zij van het fregat bij den stormtrap aangelegd had. De opvarenden van dat bootje brachten een pak Engelsche couranten aan boord, die het laatste Europeesche nieuws bevatten. De loodskotter was dien eigen morgen van de reede van Brighton gezeild, om in het Kanaal te kruisen. De loods maakte nu aanstalten om het schip te verlaten. Het was belangrijk de hoeveelheden erwten, boonen, zoutvleesch en rookspek, die kapitein Butteling hem uit den scheepsvoorraad geschonken had, en die nu in het sloepje overgingen.„Zijn de brieven klaar?” vroeg de gezagvoerder aan de beide sergeanten.Riethoven had zijne inzameling nagenoeg gehouden. Brinkman was in de kerk afgedaald en spoorde daar de briefschrijvers tot spoed aan. Van de heeren, die een voor een naar het dek gingen, had hij de epistels reeds in ontvangst genomen, en wachtte nog slechts op die der dames.„Gij zult u moeten haasten, dames,” sprak hij, „de loods wordt ongeduldig.”[151]„Ik haast mij al zooveel ik kan,” antwoordde Emma eenigszins hooghartig. „Ik kan niet vliegen.”„Nog een oogenblik,” sprak Adelien met innemenden glimlach. „Denk aan uwe belofte van straks, sergeant.”Frank boog. Inmiddels was Herman met zijne brieven beneden gekomen. Zijn vriend wees op de dames en lei zijn vinger op den mond.„Waar blijven de brieven?” riep de loods aan den kerktrap.„Oogenblikkelijk, loods!” riep Frank tot antwoord. „Wij zijn dadelijk met het pakket klaar.”Na een poos wachtens kwam kapitein Butteling naar beneden.„Waar blijft het brievenpakket toch?” vroeg hij met eenig ongeduld in de stem aan de onderofficieren. „Gij moest meer voortmaken!”Met een oogopslag zag hij evenwel hoe hier de zaken geschapen stonden. Hij keerde zich om, ging naar het dek en liet den loods een paar vierkante flesschen jenever geven. Daarmede werd tijd gewonnen. Daarna noodigde hij hem uit tot een afscheidsdronk. De zeebonk liet zich dat geen tweemaal herhalen; hij schoof de beide flesschen in de zakken zijner broekspijpen, die daarin als in een afgrond verdwenen, greep het glas jenever, dat hem stuurman Ellenbaan aanreikte, nam zijne dikke pruim uit den mond, en sprak:„Nou, kaptein, goeje reis! Daar ga je!”De kelk Schiedammervocht verdween als in eene goot. De loods veegde zich met den mouw van zijn pijekker den mond af en vroeg:„Waar, bliksem! blijven de brieven toch?”„Daar zijn ze, loods,” sprak sergeant Riethoven, terwijl hij hem een lijvig pakket ter hand stelde.In de kerk had Emma haren brief met eene hoffelijke[152]buiging aan Herman overhandigd. Adelien had voor de beide onderofficieren een vriendelijken glimlach ten beste gehad. Toen zij haren brief overreikte, dankte zij hen met innemende stem en stak hen haar handje toe, dat beiden ongedwongen, maar toch kiesch drukten.Beiden oogden haar opgetogen na. Toen zij verdwenen was, mompelde Frank:„Wat een dotje! Wat een dotje!”Beiden beijverden zich nu het postpakket te sluiten en verschenen daarmede juist op het dek, toen de loods in zijn ongeduld andermaal daarnaar vroeg.Het postpakket verdween in den afgrond, waarin de vierkante flesschen jenever verzonken waren. De loods reikte een ieder der omstanders een hand.„Goeje reis!” riep hij, en daalde den stormtrap af.Nauwelijks had hij plaats in het notendopje genomen, dat hem naar den loodskotter over moest brengen, toen een schril gefluit en verschillende commando’s over het dek weerklonken. De zeilen werden voor den wind gebrast en deFernandina Maria Emmahervatte haren koers als een flink fregat, dat zij was.Alle opvarenden, zoowel de dames, de officieren en de ambtenaren, als de soldaten en matrozen lagen, over de verschansing gebogen den loods na te staren, die in zijn notedopje naar den loodskotter stevende, en langzamerhand achteruit van het fregat geraakte. Straks was die ruwe zeeman allen aan boord nog onverschillig. Thans oogden hem allen met eene belangstelling na, die niemand trachtte te verhelen. Het was de laatste vaderlander aan boord, die niet mee naar Indië ging. Nu hij weg was, was het alsof de laatste band, die de reizigers aan den geboortegrond verbond, verbroken was.[153]
[Inhoud]III.Verdere kennismaking.—In het Kanaal.Toen de passagiers den volgenden ochtend ontwaakten en aan het dek kwamen, scheen de zon vroolijk en hield deFernandina Maria Emmavoor Dungeness op en neer, ten einde den dienstkotter in het oog te krijgen, die den loods moest overnemen. Wel werden verscheiden van die vaartuigen ontmoet, maar allen voerden met groote letters in hun grootzeil de woorden: Antwerpen, Vlissingen of Goerêe; terwijl geen enkel ontwaard werd, dat het woord: Texel te zien gaf. Bij den slag, dien het schip maakte, was het alsof het eene baai wilde binnenstevenen.Frank en Herman, onze twee onderofficieren, waren reeds aan het dek en bewonderden het fraaie gezicht, dat men van het fregat op de krijtbergen van Engeland had. Die witte band, die als uit zee scheen op te rijzen, maakte een vreemd maar lief effekt op de helgroene strook, die de zee vertoonde. Hier en daar ontwaarde hun oog groepen huizen met hunne roode pannendaken; terwijl onder langs den krijtwand, en hier en daar ook op den nokrand van het gebergte, spoortreinen ijlden, die met hunne achterwaarts gebogene stoompluim eene bevallige vertooning opleverden. Opzij, voor en achter[135]van deFernandina Maria Emmawemelde het van vaartuigen. De wind, die tot nu toe uit het noorden geblazen had, was thans in het oosten geloopen. Nu maakten al de schepen, die de Hoofden niet binnen konden en, hier dagen lang opgehouden, ten anker lagen, zich zeilklaar om de Noordzee in te stevenen. Het was een gewemel op dat watervlak, hetwelk de onbevarenen, die zoo’n schouwspel ongewoon waren, in verrukking bracht. Bij tientallen waren de driemasters te tellen, die bezig waren zeil te zetten, en waarvan eenigen hun anker reeds gewonden hadden en noordwaarts voortspoedden. Daaronder waren ettelijke fregatten, en klipper-fregatten. De meesten dier driemasters waren barken. Veel grooter was het getal brikken, en schoenerbrikken, die wel bij honderden te tellen waren, en door elkander wemelden. Maar de kleinere vaartuigen, als: schoeners, kotters, chasse-marée’s, kanaalbooten, enz. waren legio, ontelbaar in den letterlijken zin des woords. Daartusschen stevenden, onafhankelijk van den wind, vele stoomvaartuigen. Raderschepen, die met groot geweld het water met hunne schoepen wild en woest langs hunne zijden opzweepten, of schroefbooten, die sierlijk en vlug het watervlak sneden en slechts eene koking, eene hevige opborreling achter den scheepsspiegel te zien gaven, groote en kleine stoomvaartuigen, van de oorlogsboot af, welker dubbele schoorsteen als verloren scheen en gezocht moest worden tusschen het loopend en staand wand der volgetuigde masten, tot de sierlijke stoomsloep toe, die met vluggen zwaai te midden van al die honderde vaartuigen stevende en welker baan, wanneer zij op het watervlak afgeteekend kon gebleven zijn, zich als eene slang zoude gekronkeld hebben.„Is dat geen fraai gezicht hier?” vroeg stuurman Bagman aan de beide onderofficieren, die nog steeds[136]over de verschansing gebogen, het panorama, dat zich voor hunne oogen ontrolde, stonden te bewonderen.„Prachtig, stuurman! prachtig!” was beider opgetogen instemming.„Dat liefgroene watervlak, hetwelk in kleine golfjes opkabbelt,” sprak Herman met aandoening, „die honderde en honderde vaartuigen, welker banen aan elkander evenwijdig loopen, elkander naderen, of elkander snijden; die duizende witte zeilen, die onder de bries bevallig zwellen en zich behaagzuchtig in het water spiegelen; die veelkleurige vlaggen, die aan de gaffels wapperen of zich aan de masttoppen ontplooien, die kustlijn, welke zich daar scherp afteekent en met haren sneeuwwitten band, doorspikkeld met roode vlekjes, die de daken der woningen aanduiden, eenen voorbeeldeloos fraaien achtergrond daarstelt; terwijl de zon dat tafereel met haar opwekkend licht beschijnt, en ieder onderdeel als met levendmakenden vinger aanroert; dat alles vormt een panorama, hetwelk, dunkt me, slechts op dit punt van den aardbol hier waar te nemen is, alwaar de handelsbeweging der geheele aarde in deze zeeëngte te samen geperst wordt.”De jongman had die ontboezeming met geestdrift uitgesproken en zweeg nu, alsof hij de bijzonderheden van het panorama, hetwelk zich daar ontrolde en bij iedere minuut, bij iedere sekonde veranderde, maar daarom niets van zijne schoonheid verloor, in zich wilde opnemen. De twee onderofficieren hadden bij hunne beschouwing niet ontwaard, dat twee andere jongelieden zich naast stuurman Bagman over de verschansing gebogen hadden, om hetzelfde gezicht te bewonderen.„Bravo, sergeant!” riep de een, toen Herman zweeg. „Dat noem ik met het woord penseelen. Met weinige woorden hebt gij de voornaamste bijzonderheden van het[137]fraaie vergezicht, hetwelk wij genieten, op den voorgrond doen treden en daarop de aandacht uwer hoorders gevestigd. Het zij mij vergund met u kennis te maken, ik heet Jan Slierendrecht, ambtenaar ter beschikking. Ik zie, gij zijt sergeant, en …?”De heer Jan Slierendrecht stak bij die laatste woorden Herman zijne hand toe en legde in dat vragende: en zoo’n hartelijkheid, dat deze, hoewel door de beschaafde Nederlanders ten opzichte van beleefdheidsvormen jegens de landsverdedigers beneden den rang van officier niet verwend, op hem toetrad, de toegestoken hand greep en haar ongedwongen schudde en antwoordde:„Ik heet Riethoven, mijnheer Slierendrecht. Het is mij een genoegen kennis met u te maken!”En op Frank wijzende, vervolgde hij:„Dat is mijn vriend Brinkman, dien ik de eer heb u voor te stellen.”De heer Slierendrecht reikte Frank de hand, terwijl hij ook zijn makker aan de beide onderofficieren voortelde:„De heer Piet van Diepbrugge, ambtenaar ter beschikking evenals ik,” zeide hij met plichtpleging; terwijl deze laatste boog en de beide jongelieden, die hem voorgesteld werden, de hand drukte.„Wij bewonderden met u,” sprak de heer Van Diepbrugge, „het fraaie zeegezicht, hetwelk zich voor ons uitspreidt, en waren onwillekeurige toehoorders van uwe ontboezeming, mijnheer Riethoven, die ons door hare zuiverheid van detailleering trof.”Herman boog bij dat compliment, hetwelk hem toch streelde.„Wat zijn dat voor plaatsjes, die daar aan de kust ontwaard worden?” vroeg hij aan stuurman Bagman.„Dat, daar dwars achteruit, is Folkestone; wij hebben[138]Dungeness dwars van ons. Vlak vooruit, zie dáár, ligt Hastings, en die kaap daar bakboord vooruit isBeachy Head. Als wij die te boven gekruist zijn, dan hebben wij het eiland Wight in het gezicht.”Een schel gefluit klonk over het dek.„Ieder op zijn werk! Klaar om te wenden!” liet het commando van kapitein Butteling zich hooren.Stuurman Bagman spoedde voort op dat gefluit. Hij wees de jongelieden evenwel, voor dat hij wegijlde, aan bakboordszijde op de zee:„De loodskotter!” riep hij.En weg was hij.Inderdaad daar aan bakboordszijde was heel in de verte een klein vaartuig zichtbaar, dat in zijn grootzeil het woord „Texel” voerde, hetwelk evenwel thans niet met het bloote oog te ontwaren was.„Wenden!” klonk het commando.Alle raas werden met behulp der gezamenlijke matrozen en soldaten, die langzamerhand voor den dag gekomen waren, nagenoeg terzelfder tijd rondgebrast. Het fregat ging overstag en toen de zeilen weer vastgemaakt waren, liep het scherp bij den wind nagenoeg zuidoost, den loodskotter te gemoet.„Drommels!” zei Frank. „Zij kunnen toch handig met zoo’n gevaarte, als zoo’n schip is, omgaan.”Inmiddels waren ook de andere ons reeds bekende passagiers voor den dag gekomen, en stonden op het achterdek onder het genot van een geurige kop koffie, die de matroos-hofmeester hen aangereikt had, het fraaie tafereel, hetwelk de zee aanbood, te bewonderen.„Wat duiker!” riep eensklaps luitenant Denniston uit. „Kijk eens, wie zijn die twee politieken, die daar met die onderofficieren staan te praten?”„Wellicht passagiers tweede klasse,” meende Behren.[139]„Neen, daartoe zien ze er te fatsoenlijk uit,” antwoordde Denniston.„Zeer geestig geantwoord!” sprak kapitein Van Dam terechtwijzend. „Alsof het fatsoenlijk uitzien het criterium is van de passagiersklasse, waarin iemand reist.”En zich tot den eersten stuurman Abels wendende, die juist achteruit kwam, om bij het kompas het voorleggen van het schip te controleeren.„Zeg stuur,” sprak hij. „Wie zijn die twee heeren, die daar middenscheeps bij de verschansing staan?”„Dat zijn twee aanstaande ambtenaren, kapitein,” sprak stuurman Abels met een glimlach.„Dus passagiers eerste klasse?” vroeg Van Dam.„Ja, kapitein,” was het antwoord, „wij hebben geen tweede klasse of dekpassagiers aan boord.”„Maar, waar komen ze van daan? Wij hebben nog niets van hen gemerkt.”„O!” sprak stuurman Abels met een glimlach om de lippen. „Dat ’s zeer eenvoudig. Gisteren kwamen zij zoo omstreeks een uur voor het detachement aan boord. Zij schenen in Den Burg33copieus gedineerd en daarbij een goed glas tot afscheid van het vaderland gedronken te hebben. Hunne vrienden, Delftsche studenten, zoo ik hoorde, hebben hen toen liefderijk te kooi bezorgd en zijn toen waarschijnlijk ook naar bed gegaan, daar zij niet minder laveerden dan de vertrekkenden. Toen gij aan boord kwaamt, sliepen die jongelui den slaap des rechtvaardigen, onbewust van hetgeen rondom hen voorviel. Nu schijnen zij weer fiksch en nuchter te zijn. Maar, ik moet voort, vergeef mij.”De beide jongelieden werden thans het gezelschap officieren op het achterdek gewaar, traden als mannen van opvoeding, ongedwongen op hen toe, stelden zich als medepassagiers voor, en knoopten zoo eene kennismaking[140]aan, die zij hoopten, dat tot aller genoegen bestendigd zoude blijven.Het waren een paar flinke jongelui, die twee ambtenaren ter beschikking, met open oog, rond gelaat en vroolijk opgeruimd karakter. Een ware aanwinst voor de gezelligheid der reis.„Ik heb de heeren gisteren niet bij het vertrek ontwaard,” sprak kapitein Van Dam na de voorstelling, met ondeugend gelaat.Beiden glimlachten ongedwongen.„Wat zal ik daarop antwoorden?” sprak Jan Slierendrecht. „Wij dineerden gisteren in Den Burg. De „Veuve Cliquot” is er overheerlijk. Die kan ik u recommandeeren, kapitein, als gij in de gelegenheid komt, dan.…”„Ja, die gelegenheid zal zich eerstdaags wel voordoen,” zei kapitein Van Dam met een spottenden glimlach.„Wij hadden zooveel afscheidsdronken te ledigen, zooveel toasten te beantwoorden, hetIö vivat! nostrorum sanitas!klonk zoo opwekkend, dat wij zijn blijven tafelen totdat hetDumnihil est in poculo!34eene jammerlijke waarheid bevatte. Toen.…”Hier aarzelde de jongman zijne bekentenis. Kapitein Van Dam hielp hem.„Toen was het ’t beste, om naar kooi te gaan,” zeide hij.„Zie kapitein,” sprak Piet Van Diepbrugge op koddigen toon. „Les beaux esprits se rencontrent!Wij dachten er ook zoo over. Wij zijn naar kooi gegaan.…”„Gebracht!” verbeterde Behren.„Gebracht dan, als het zoo zijn moet” ging Piet voort.[141]„En in den slaap hebben wij van het geheele vertrek niets vernomen.”„Wat mij zeer spijt” viel Slierendrecht met ernstige stem in. „Ik had nog zoo gaarne een laatsten blik op den vaderlandschen bodem willen werpen.”„Sjtt!… sjtt!… daar komen de dames,” zei Behren.„Zijn er dames aan boord?” vroegen de twee ambtenaren in spe als om strijd.„Ja, zeker,” antwoordde de apotheker. „Drie engelachtige lieve dames.”„Hoe weet je dat Behrtje?” vroeg kapitein Van Dam.„De koksmaat heeft het mij verteld,” antwoordde Behren in allen ernst.„Ja, dan zul je wel goed ingelicht zijn,” meende de kapitein met even ernstig gezicht. „Maar stil.… daar komen ze. Wij zullen zien of de koksmaat gelijk had.Kijk, kijk, ik geloof het niet.”Drie dames en een heer waren den kajuitstrap opgekomen, en richtten hunne schreden naar het gezelschap, dat op het achterdek bij elkander stond.„Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, juist! Ben ik goed ingelicht, dan treffen wij onze medepassagiers allen bij elkaâr,” sprak de heer.En zich tot kapitein Van Dam wendende:„Het zij mij vergund kennis met u te maken, kapitein,” sprak hij. „Ik heet Groenewald, dat is mijne echtgenoote, en dat zijn mijne twee dochters.”Kapitein Van Dam boog, noemde zijn naam en stelde daarna de jongelieden, aan de familie Groenewald voor, in de volgorde zoo als zij bij hem stonden. Eerst Behren, daarna Denniston, toen Van Diepbrugge, Hannius, Slierendrecht en Leidermooi.Onmiddellijk was het gesprek algemeen. Behren was op mevrouw Groenewald toegetreden, en ving een gesprek[142]aan, zooals alle gesprekken in dergelijke gevallen tusschen wildvreemde menschen begonnen worden, namelijk over het weer, over de omgeving, over de reis, enz.Kapitein Van Dam wierp een spottenden blik op Behrtje, dien deze wel begreep.Ja, omtrent de engelachtigheid, door den koksmaat der drie dames toebedeeld, moest omtrent haar, die met onzen apotheker stond te praten, wel ietwat afgedongen worden. Mevrouw Groenewald was uit een morganatisch huwelijk gesproten, hetwelk haar vader met eene Javaansche schoone had aangegaan, en droeg daarvan de onmiskenbare kenteekenen. Zij was ietwat bruin van tint, had een dik kort ineengedrongen neusje en lippen, die ook ietwat meer omvang hadden dan de schoonheidsvormen strikt eischten. Het weelderig zwart haar, dat zij in dit morgenuur in een dikke kondeh35opgebonden had, begon hier en daar te grijzen, terwijl èn haar gelaat èn hare taille mede verrieden, dat prille jeugd haar deel niet meer was. Dat gelaat had evenwel zoo eene goedaardige uitdrukking, en hare oogen, die zij zeer fraai behouden had, konden iemand zoo vertrouwvol, zoo innig hartelijk aankijken, dat wie haar naderde, zich tot haar aangetrokken gevoelde. Zij drukte zich zeer beschaafd uit, hoewel haar Hollandsch iets schoolsch had en den indruk gaf, alsof het haar moeite kostte, zich in die taal verstaanbaar te maken. Diezelfde indruk werd geboren, wanneer zij Fransch of Engelsch sprak. Toch kende zij die talen zoo grondig, als slechts weinig Nederlandsche vrouwen in die dagen eigen was.Zij was eene liefderijke moeder, die in overwicht en omgang met hare kinderen meer eene toegenegen oudere zuster was, dan wel eene mama, die haar gezag deed voelen. Hare kinderen aanbaden haar dan ook, en wel met zoo’n innigheid, dat nimmer, zelfs in de vlegeljaren,[143]die ook voor meisjes bestaan, de tusschenkomst van den vader noodig geweest was, om hen naar hare hand te zetten.Die vader, volbloed Nederlander van geboorte, in weerwil van zijn half Duitschen naam, was een hoogst eenvoudig man, met een zeer dagelijksch uiterlijk, niet te dik, niet te mager, die op zijn getaand gelaat, de teekenen droeg van een arbeidzaam leven onder de keerkringen. Op de vraag van kapitein Van Dam na de presentatie of hij, evenals de heeren Van Diepbrugge en Slierendrecht, ook ambtenaar was, had hij eenvoudig geantwoord, dat hij landhuurder was, en eene koffie-onderneming in de Residentie Soerakarta op de hellingen van den Lawoe had. Hij was voor herstel van gezondheid naar Europa geweest, en was nu weer op de terugreis naar Indië. Zijne gezondheid liet niets meer te wenschen over. Toch hadden de geneesheeren hem aangeraden, om zijn lichaam te stalen, de reis rondom de kaap de Goede Hoop te maken, in stede van met de mail te gaan, die trouwens in die dagen zeer kostbaar was en den reizigers weinig gemakken bood. Door zijne handelsvrienden te Amsterdam was het fregatschipFernandina Maria Emmaals een solied en snelzeilend vaartuig aanbevolen, dat een geëxamineerden dokter en eene melkgevende koe aan boord voerde. Met den dokter maakten de lezers reeds kennis, en van harte zullen zij voor de passagiers den wensch slaken, dat het diploma van de melkgevigheid der koe van beter allooi moge geweest zijn dan dat, hetwelk de wetenschappelijke kennis van den dokter moest schragen. Mijnheer Groenewald had te eerder zijne keus op een zeilschip laten vallen, dewijl hij meende, dat daar meer huiselijkheid en gezelligheid te vinden waren, dan aan boord der mailbooten. Wel had hij tegen de reis met deFernandina Maria Emmaeenigermate opgezien, omdat,[144]zoo had hij tegen zijne vrouw gezegd, er zooveel officieren aan boord waren, hetgeen hij gevaarlijk voor de gemoedsrust zijner dochters achtte. Mevrouw Groenewald had hem evenwel verzekerd, dat onder de officieren flinke mannen gevonden werden, en dat zij er niet tegen op zou zien een officier tot schoonzoon te hebben. Daarenboven in die dagen had geen ander schip in de Nederlandsche zeehavens zeilklaar gelegen, hetwelk dezelfde voordeelen van ruimte, soliditeit en welbezeildheid als deFernandina Maria Emmaaanbood, zoodat hij tot de reis met dien bodem besloten had. Of zijne zorg voor de gemoedsrust zijner dochters gegrond genoemd kon worden?De twee lieve meisjes stonden daar te midden van dien kring jongelieden, en het viel niet te ontkennen, dat de algemeene bewondering haar deel was. En te recht. Beiden waren lieve slanke ontwikkelde deernen, die veel op elkander geleken, zoo zelfs, dat het duidelijk was, zij een zusterpaar waren, maar die bij nadere beschouwing toch eene verschillende type te bewonderen gaven.Emma, de oudste bij voorbeeld, eene maagd, die een en twintig lentes telde, was eene bekoorlijke brunette, die hare oostersche afkomst ten volle staafde. Wel was zij ten volle blank, zoo blank als slechts eene volbloed Europeesche schoone wezen kan, maar hare wangen vertoonden dat schelle niet, hetwelk bij zoo menige jonge dame aan een potje karmijn van Rimmel, van Piver of van Pinaud doet denken, en waarbij men de strepen meent te ontdekken des penseels, die de bedriegelijke kleur op de koon bracht. Integendeel het lieve rozenrood harer wangen ging zacht en onmerkbaar in het albastwitte harer huid over, en bracht juist door hare fijne nuanceering den beoefenaar van natuurschoon in verrukking. Haar hoog intelligent voorhoofd was matwit, aan marmer gelijk, aan marmer, waaraan door een grooten beeldhouwer[145]leven en bezieling geschonken zou zijn. Dat voorhoofd werd omgeven door donkerbruine krullen, die het gelaat heerlijk omlijstten, en dartel en weelderig over de goedgevormde schouders op den welgevulden boezem daalden. Hare gelaatstrekken waren overigens niet zoo regelmatig, dat die aan een Griekschen kunstenaar tot model zouden hebben kunnen strekken; maar het oog rustte met welgevallen op dat fraai gevormd neusje, op die fijne geteekende lippen, die wanneer zij zich openden, de fraaiste en witste tanden der wereld lieten zien, en die met hare goed afgeronde wangen en haar heerlijk voorhoofd een geheel vormden, dat niet dan uiterst lieftallig kon genoemd worden. Wat dat gelaat evenwel eene buitengewone aantrekkingskracht verleende, waren de oogen der lieve maagd, welker appels donkerbruin, bij het zwarte af, zich grondeloos diep voordeden voor den gelukkigen, die het gegund was dien blik te peilen, maar overigens dien oogopslag bezaten, die als de zonnestraal opgewektheid en helderheid om zich verspreidde. Slank en heerlijk ontwikkeld, vertoonden hare leest en haar tred eene buitengewone buigzaamheid en veerkracht, en verraadde zij in hare bewegingen eene waarlijk vorstelijke houding, die de bewondering tot vergoding stemde.Hare zuster Adelien—wij zeiden het reeds—had sprekend hare gelaatstrekken. Het was volkomen dezelfde snede. Alleen gene was eene brunette, deze eene blondine. Zij had denzelfden weelderigen haardos, maar zacht genuanceerd in die heerlijke tint, die de Franschen eigenaardigblond cendrénoemen. Als de wind in die lieve krullen speelde en de uiterst fijne haren eenigszins in de war bracht, dan was het alsof Adeliens voorhoofd door een uiterst ijl wolkje, door iets etherisch omgeven was. Haar blik was niet zoo vurig als die harer zuster; integendeel hare fraaie blauwe oogen hadden[146]iets ijls en iets vochtigs, waardoor zij eenigermate kwijnend van uitdrukking waren, en waardoor ook de scherpte van den oogopslag geheel weggenomen was.Hare wangen waren, zonder bleek genoemd te kunnen worden, niet zoo levendig getint als die harer zuster, maar waren overdekt met dat uiterst fijne dons, waarmede de koonen der blondinen gewoonlijk prijken, en wat haar zooveel overeenkomst met eene heerlijk ontwikkelde perzik geeft. Ook de houding van Adelien Groenewald was eene geheel andere dan die harer zuster. Hoewel hare leest even buigzaam, haar tred even veerkrachtig was, zoo was daarin toch die waardigheid niet te bespeuren als bij gene. Er was daarentegen iets liefs, iets goedigs, iets innemends in hare houding en bewegingen. Kon de oudere zuster hartstochtelijke bewondering inboezemen, voor Adelien gevoelde ieder, die haar naderde, eene hartelijke toegenegenheid.Eene kenmerkende eigenaardigheid der beide zusters was, dat zij zeer kleine voetjes hadden, die uitermate smaakvol gechausseerd waren, en mollige, maar fijne lieve handjes, die evenwel bij eene eerste kennismaking met de overige passagiers derFernandina Maria Emmazorgvuldig geganteerd waren.Hoewel niet tot den kring der bevoorrechte achterdekspassagiers behoorende, stonden toch nog een paar oogen naar de liefelijke verschijning der schoone meisjes te turen. Het waren die van Frank Brinkman, die nog steeds met zijn vriend Herman Riethoven ter hoogte van den grooten mast bij de verschansing stond. De laatstgenoemde stond evenwel in den aanblik verzonken, welke het tafereel, dat zich op de zee ontwikkelde, aanbood; terwijl de andere geen oog afwendde van de liefelijke gestalten, die daar op het achterdek verschenen waren.[147]„Gelukkige officieren!” zuchtte Frank. „Och, was ik toch ook zoo ver!”Herman lette op die ontboezeming niet. Zijn blik waarde slechts op de oppervlakte der zee.„Kijk die loodskotter eens naderen!” riep hij. „Men kan de bemanning aan boord reeds onderscheiden.”In dat oogenblik trad de scheepsgezagvoerder Butteling op kapitein Van Dam toe, en fluisterde hem eenige woorden in.„Sergeant Brinkman en sergeant Riethoven, komt eens hier!” riep laatstgenoemde tot de twee onderofficieren.Beiden haastten zich te gehoorzamen, naderden ongedwongen, en zich als mannen van beschaving voor de dames buigende, den kring der passagiers en stelden zich in onberispelijke militaire houding met de hand aan de klep hunner politiemuts naast elkander voor den kapitein, die een paar passen vooruitgetreden was.„Wat zijn uwe orders, kapitein?” vroeg Herman, terwijl beiden de oogen met gepaste vrijmoedigheid op hunnen officier vestigden.„De loods gaat straks het schip verlaten,” sprak kapitein Van Dam, niet zonder welgevallen de twee flinke onderofficieren aankijkende, „en zal de laatste tijding van boord medenemen. Gij sergeant Riethoven zult de brieven van het detachement ophalen, gij sergeant Brinkman die van de passagiers. De derde stuurman zal u die van de equipage ter hand stellen; maakt daarvan beneden in de kerk een pakket, hetwelk behoorlijk verzegeld en geadresseerd moet zijn aan den postmeester te Shoreham, waar de loods landen zal.”„Tot uwe orders, kapitein!” spraken de beide onderofficieren, maakten onberispelijk rechtsomkeert, en spoedden voort, om de ontvangen bevelen ten uitvoer te brengen.[148]Herman was in een oogenblik te midden der soldaten van het detachement verdwenen, terwijl Frank zich tot de passagiers wendde. Als bij instinkt vervoegde hij zich eerst tot de heeren van het gezelschap, die naar beneden ijlden om hunne brieven te sluiten. Eindelijk stond hij met de familie Groenewald alleen aan het dek.„Hebben de dames mij ook brieven te overhandigen, die zij met de post wenschen te verzenden?” vroeg hij met een glimlach op het gelaat aan de jonge meisjes.„Brieven?” vroeg Emma met eenige voornaamheid in stem en houding.„Brieven met de post?” vroeg Adelien met hare gewone lieftalligheid, het oog op den rijzigen onder-officier slaande.„Ja, dames!” antwoordde Frank. „Straks verlaat de loods het schip, en zal de Engelsche kust aandoen, alwaar de brieven op de post zullen gedaan worden. Ziet, de loodskotter is reeds nabij.”„Een goede gelegenheid om nog aan Klara te schrijven,” juichte Adelien tot hare zuster.„Ik zou ook nog wel willen schrijven,” zei Emma, terwijl een hooger blosje als gewoonlijk hare wangen verfde.„Maar, zou er nog tijd zijn?” vroeg Emma aan Frank.„Veel niet,” antwoordde deze. „De loodskotter nadert al meer en meer.”„Hoe jammer,” zei Adelien. „Ik heb Klara zooveel te schrijven, ja waarlijk veel.”„Dat de dames gerust hare correspondentie beginnen,” zeide Frank met een glimlach, „mij is het sluiten van het postpakket opgedragen. Ik zal daarmeê zoolang dralen, totdat ik uwe brieven in ontvangst zal genomen hebben.”„O, hoe heerlijk!” kreet Adelien. „Maar.…”„Haast u evenwel,” sprak Frank. „Ziet, de loodskotter nadert, nadert.”[149]„Juist,” sprak het jonge meisje. „Kom Emma!”En weg waren zij, den trap af, naar beneden in de kerk, alwaar al de passagiers om de tafel zaten en in hunneschrijverijenverdiept waren. Het waren de laatste afscheidsgroeten, die daar aan ouders, vrienden en bekenden werden toegeroepen. Verscheidene maanden zouden voorbij snellen, zonder dat de opvarenden in de mogelijkheid zouden zijn taal of teeken te geven. Hier en daar werd dan ook een zucht vernomen, hier en daar werd zelfs een traan weggepinkt, soms niet vlug genoeg, om te verhoeden, dat zij op het papier terecht kwam.Herman had inmiddels aan de hem gedane opdracht bij het detachement gevolg gegeven. Ook daar had de bekendmaking, dat er nog tijdingen met den loods konden medegegeven worden, dezelfde uitwerking als op hetachterdekgehad.De soldaten hadden evenwel geen kerk, geene kajuit, zelfs geen tafel of stoel ter beschikking om hunne correspondentie te voeren. Het schouwspel, hetwelk thans het dek van deFernandina Maria Emmaaanbood, was hoogst eigenaardig.Hier lagen ettelijke manschappen, zoo lang als zij waren, op hun buik op den vloer uitgestrekt, en poogden in die houding ijverig de pen te hanteeren. Daar ginds zaten er vier op de voorplecht ijverig te schermen ieder op een vel papier, dat niet al te zindelijk scheen, en waren elkander daarbij niet weinig in den weg. Om het spil stonden er zes op hunne penhouders te bijten, alsof zij de denkbeelden, die zij misten, er uit wilden zuigen. Zelfs een der lippen van het groote anker diende tot schrijftafel. De potdeksels, de trapkappen, de kraanbalken, het bovenvlak der kippen- en varkenshokken waren met scribenten overdekt. Zelfs het dak van het koeienhok was door een schrijflustige, die er op uitgestrekt lag, ingenomen. Cadmus, de vermeende[150]uitvinder van de schrijfkunst, had voorzeker nimmer kunnen bedenken, toen hij de eerste schrede op het gebied der zichtbare mededeeling van de gedachte zette, dat de mensch zich zoo zou kunnen behelpen bij het beoefenen zijner uitvinding!Frank en Herman hadden een der kippenhokken, die ter hoogte van den bezaansmast stonden, in beslag genomen en stonden daarbij volijverig te schrijven.Terwijl het meerendeel der opvarenden zich zoo onledig hield, was de loodsboot nabij gekomen. Op een gegeven oogenblik had de equipage op bevel van haren gezagvoerder de eene helft der zeilen tegengebrast36, zoodat het schip nagenoeg bewegingloos lag en geen vaart meer maakte. De loodskotter zette nu een sloepje, een notendopje uit, dat door twee man geroeid, spoedig op zij van het fregat bij den stormtrap aangelegd had. De opvarenden van dat bootje brachten een pak Engelsche couranten aan boord, die het laatste Europeesche nieuws bevatten. De loodskotter was dien eigen morgen van de reede van Brighton gezeild, om in het Kanaal te kruisen. De loods maakte nu aanstalten om het schip te verlaten. Het was belangrijk de hoeveelheden erwten, boonen, zoutvleesch en rookspek, die kapitein Butteling hem uit den scheepsvoorraad geschonken had, en die nu in het sloepje overgingen.„Zijn de brieven klaar?” vroeg de gezagvoerder aan de beide sergeanten.Riethoven had zijne inzameling nagenoeg gehouden. Brinkman was in de kerk afgedaald en spoorde daar de briefschrijvers tot spoed aan. Van de heeren, die een voor een naar het dek gingen, had hij de epistels reeds in ontvangst genomen, en wachtte nog slechts op die der dames.„Gij zult u moeten haasten, dames,” sprak hij, „de loods wordt ongeduldig.”[151]„Ik haast mij al zooveel ik kan,” antwoordde Emma eenigszins hooghartig. „Ik kan niet vliegen.”„Nog een oogenblik,” sprak Adelien met innemenden glimlach. „Denk aan uwe belofte van straks, sergeant.”Frank boog. Inmiddels was Herman met zijne brieven beneden gekomen. Zijn vriend wees op de dames en lei zijn vinger op den mond.„Waar blijven de brieven?” riep de loods aan den kerktrap.„Oogenblikkelijk, loods!” riep Frank tot antwoord. „Wij zijn dadelijk met het pakket klaar.”Na een poos wachtens kwam kapitein Butteling naar beneden.„Waar blijft het brievenpakket toch?” vroeg hij met eenig ongeduld in de stem aan de onderofficieren. „Gij moest meer voortmaken!”Met een oogopslag zag hij evenwel hoe hier de zaken geschapen stonden. Hij keerde zich om, ging naar het dek en liet den loods een paar vierkante flesschen jenever geven. Daarmede werd tijd gewonnen. Daarna noodigde hij hem uit tot een afscheidsdronk. De zeebonk liet zich dat geen tweemaal herhalen; hij schoof de beide flesschen in de zakken zijner broekspijpen, die daarin als in een afgrond verdwenen, greep het glas jenever, dat hem stuurman Ellenbaan aanreikte, nam zijne dikke pruim uit den mond, en sprak:„Nou, kaptein, goeje reis! Daar ga je!”De kelk Schiedammervocht verdween als in eene goot. De loods veegde zich met den mouw van zijn pijekker den mond af en vroeg:„Waar, bliksem! blijven de brieven toch?”„Daar zijn ze, loods,” sprak sergeant Riethoven, terwijl hij hem een lijvig pakket ter hand stelde.In de kerk had Emma haren brief met eene hoffelijke[152]buiging aan Herman overhandigd. Adelien had voor de beide onderofficieren een vriendelijken glimlach ten beste gehad. Toen zij haren brief overreikte, dankte zij hen met innemende stem en stak hen haar handje toe, dat beiden ongedwongen, maar toch kiesch drukten.Beiden oogden haar opgetogen na. Toen zij verdwenen was, mompelde Frank:„Wat een dotje! Wat een dotje!”Beiden beijverden zich nu het postpakket te sluiten en verschenen daarmede juist op het dek, toen de loods in zijn ongeduld andermaal daarnaar vroeg.Het postpakket verdween in den afgrond, waarin de vierkante flesschen jenever verzonken waren. De loods reikte een ieder der omstanders een hand.„Goeje reis!” riep hij, en daalde den stormtrap af.Nauwelijks had hij plaats in het notendopje genomen, dat hem naar den loodskotter over moest brengen, toen een schril gefluit en verschillende commando’s over het dek weerklonken. De zeilen werden voor den wind gebrast en deFernandina Maria Emmahervatte haren koers als een flink fregat, dat zij was.Alle opvarenden, zoowel de dames, de officieren en de ambtenaren, als de soldaten en matrozen lagen, over de verschansing gebogen den loods na te staren, die in zijn notedopje naar den loodskotter stevende, en langzamerhand achteruit van het fregat geraakte. Straks was die ruwe zeeman allen aan boord nog onverschillig. Thans oogden hem allen met eene belangstelling na, die niemand trachtte te verhelen. Het was de laatste vaderlander aan boord, die niet mee naar Indië ging. Nu hij weg was, was het alsof de laatste band, die de reizigers aan den geboortegrond verbond, verbroken was.[153]
III.Verdere kennismaking.—In het Kanaal.
Toen de passagiers den volgenden ochtend ontwaakten en aan het dek kwamen, scheen de zon vroolijk en hield deFernandina Maria Emmavoor Dungeness op en neer, ten einde den dienstkotter in het oog te krijgen, die den loods moest overnemen. Wel werden verscheiden van die vaartuigen ontmoet, maar allen voerden met groote letters in hun grootzeil de woorden: Antwerpen, Vlissingen of Goerêe; terwijl geen enkel ontwaard werd, dat het woord: Texel te zien gaf. Bij den slag, dien het schip maakte, was het alsof het eene baai wilde binnenstevenen.Frank en Herman, onze twee onderofficieren, waren reeds aan het dek en bewonderden het fraaie gezicht, dat men van het fregat op de krijtbergen van Engeland had. Die witte band, die als uit zee scheen op te rijzen, maakte een vreemd maar lief effekt op de helgroene strook, die de zee vertoonde. Hier en daar ontwaarde hun oog groepen huizen met hunne roode pannendaken; terwijl onder langs den krijtwand, en hier en daar ook op den nokrand van het gebergte, spoortreinen ijlden, die met hunne achterwaarts gebogene stoompluim eene bevallige vertooning opleverden. Opzij, voor en achter[135]van deFernandina Maria Emmawemelde het van vaartuigen. De wind, die tot nu toe uit het noorden geblazen had, was thans in het oosten geloopen. Nu maakten al de schepen, die de Hoofden niet binnen konden en, hier dagen lang opgehouden, ten anker lagen, zich zeilklaar om de Noordzee in te stevenen. Het was een gewemel op dat watervlak, hetwelk de onbevarenen, die zoo’n schouwspel ongewoon waren, in verrukking bracht. Bij tientallen waren de driemasters te tellen, die bezig waren zeil te zetten, en waarvan eenigen hun anker reeds gewonden hadden en noordwaarts voortspoedden. Daaronder waren ettelijke fregatten, en klipper-fregatten. De meesten dier driemasters waren barken. Veel grooter was het getal brikken, en schoenerbrikken, die wel bij honderden te tellen waren, en door elkander wemelden. Maar de kleinere vaartuigen, als: schoeners, kotters, chasse-marée’s, kanaalbooten, enz. waren legio, ontelbaar in den letterlijken zin des woords. Daartusschen stevenden, onafhankelijk van den wind, vele stoomvaartuigen. Raderschepen, die met groot geweld het water met hunne schoepen wild en woest langs hunne zijden opzweepten, of schroefbooten, die sierlijk en vlug het watervlak sneden en slechts eene koking, eene hevige opborreling achter den scheepsspiegel te zien gaven, groote en kleine stoomvaartuigen, van de oorlogsboot af, welker dubbele schoorsteen als verloren scheen en gezocht moest worden tusschen het loopend en staand wand der volgetuigde masten, tot de sierlijke stoomsloep toe, die met vluggen zwaai te midden van al die honderde vaartuigen stevende en welker baan, wanneer zij op het watervlak afgeteekend kon gebleven zijn, zich als eene slang zoude gekronkeld hebben.„Is dat geen fraai gezicht hier?” vroeg stuurman Bagman aan de beide onderofficieren, die nog steeds[136]over de verschansing gebogen, het panorama, dat zich voor hunne oogen ontrolde, stonden te bewonderen.„Prachtig, stuurman! prachtig!” was beider opgetogen instemming.„Dat liefgroene watervlak, hetwelk in kleine golfjes opkabbelt,” sprak Herman met aandoening, „die honderde en honderde vaartuigen, welker banen aan elkander evenwijdig loopen, elkander naderen, of elkander snijden; die duizende witte zeilen, die onder de bries bevallig zwellen en zich behaagzuchtig in het water spiegelen; die veelkleurige vlaggen, die aan de gaffels wapperen of zich aan de masttoppen ontplooien, die kustlijn, welke zich daar scherp afteekent en met haren sneeuwwitten band, doorspikkeld met roode vlekjes, die de daken der woningen aanduiden, eenen voorbeeldeloos fraaien achtergrond daarstelt; terwijl de zon dat tafereel met haar opwekkend licht beschijnt, en ieder onderdeel als met levendmakenden vinger aanroert; dat alles vormt een panorama, hetwelk, dunkt me, slechts op dit punt van den aardbol hier waar te nemen is, alwaar de handelsbeweging der geheele aarde in deze zeeëngte te samen geperst wordt.”De jongman had die ontboezeming met geestdrift uitgesproken en zweeg nu, alsof hij de bijzonderheden van het panorama, hetwelk zich daar ontrolde en bij iedere minuut, bij iedere sekonde veranderde, maar daarom niets van zijne schoonheid verloor, in zich wilde opnemen. De twee onderofficieren hadden bij hunne beschouwing niet ontwaard, dat twee andere jongelieden zich naast stuurman Bagman over de verschansing gebogen hadden, om hetzelfde gezicht te bewonderen.„Bravo, sergeant!” riep de een, toen Herman zweeg. „Dat noem ik met het woord penseelen. Met weinige woorden hebt gij de voornaamste bijzonderheden van het[137]fraaie vergezicht, hetwelk wij genieten, op den voorgrond doen treden en daarop de aandacht uwer hoorders gevestigd. Het zij mij vergund met u kennis te maken, ik heet Jan Slierendrecht, ambtenaar ter beschikking. Ik zie, gij zijt sergeant, en …?”De heer Jan Slierendrecht stak bij die laatste woorden Herman zijne hand toe en legde in dat vragende: en zoo’n hartelijkheid, dat deze, hoewel door de beschaafde Nederlanders ten opzichte van beleefdheidsvormen jegens de landsverdedigers beneden den rang van officier niet verwend, op hem toetrad, de toegestoken hand greep en haar ongedwongen schudde en antwoordde:„Ik heet Riethoven, mijnheer Slierendrecht. Het is mij een genoegen kennis met u te maken!”En op Frank wijzende, vervolgde hij:„Dat is mijn vriend Brinkman, dien ik de eer heb u voor te stellen.”De heer Slierendrecht reikte Frank de hand, terwijl hij ook zijn makker aan de beide onderofficieren voortelde:„De heer Piet van Diepbrugge, ambtenaar ter beschikking evenals ik,” zeide hij met plichtpleging; terwijl deze laatste boog en de beide jongelieden, die hem voorgesteld werden, de hand drukte.„Wij bewonderden met u,” sprak de heer Van Diepbrugge, „het fraaie zeegezicht, hetwelk zich voor ons uitspreidt, en waren onwillekeurige toehoorders van uwe ontboezeming, mijnheer Riethoven, die ons door hare zuiverheid van detailleering trof.”Herman boog bij dat compliment, hetwelk hem toch streelde.„Wat zijn dat voor plaatsjes, die daar aan de kust ontwaard worden?” vroeg hij aan stuurman Bagman.„Dat, daar dwars achteruit, is Folkestone; wij hebben[138]Dungeness dwars van ons. Vlak vooruit, zie dáár, ligt Hastings, en die kaap daar bakboord vooruit isBeachy Head. Als wij die te boven gekruist zijn, dan hebben wij het eiland Wight in het gezicht.”Een schel gefluit klonk over het dek.„Ieder op zijn werk! Klaar om te wenden!” liet het commando van kapitein Butteling zich hooren.Stuurman Bagman spoedde voort op dat gefluit. Hij wees de jongelieden evenwel, voor dat hij wegijlde, aan bakboordszijde op de zee:„De loodskotter!” riep hij.En weg was hij.Inderdaad daar aan bakboordszijde was heel in de verte een klein vaartuig zichtbaar, dat in zijn grootzeil het woord „Texel” voerde, hetwelk evenwel thans niet met het bloote oog te ontwaren was.„Wenden!” klonk het commando.Alle raas werden met behulp der gezamenlijke matrozen en soldaten, die langzamerhand voor den dag gekomen waren, nagenoeg terzelfder tijd rondgebrast. Het fregat ging overstag en toen de zeilen weer vastgemaakt waren, liep het scherp bij den wind nagenoeg zuidoost, den loodskotter te gemoet.„Drommels!” zei Frank. „Zij kunnen toch handig met zoo’n gevaarte, als zoo’n schip is, omgaan.”Inmiddels waren ook de andere ons reeds bekende passagiers voor den dag gekomen, en stonden op het achterdek onder het genot van een geurige kop koffie, die de matroos-hofmeester hen aangereikt had, het fraaie tafereel, hetwelk de zee aanbood, te bewonderen.„Wat duiker!” riep eensklaps luitenant Denniston uit. „Kijk eens, wie zijn die twee politieken, die daar met die onderofficieren staan te praten?”„Wellicht passagiers tweede klasse,” meende Behren.[139]„Neen, daartoe zien ze er te fatsoenlijk uit,” antwoordde Denniston.„Zeer geestig geantwoord!” sprak kapitein Van Dam terechtwijzend. „Alsof het fatsoenlijk uitzien het criterium is van de passagiersklasse, waarin iemand reist.”En zich tot den eersten stuurman Abels wendende, die juist achteruit kwam, om bij het kompas het voorleggen van het schip te controleeren.„Zeg stuur,” sprak hij. „Wie zijn die twee heeren, die daar middenscheeps bij de verschansing staan?”„Dat zijn twee aanstaande ambtenaren, kapitein,” sprak stuurman Abels met een glimlach.„Dus passagiers eerste klasse?” vroeg Van Dam.„Ja, kapitein,” was het antwoord, „wij hebben geen tweede klasse of dekpassagiers aan boord.”„Maar, waar komen ze van daan? Wij hebben nog niets van hen gemerkt.”„O!” sprak stuurman Abels met een glimlach om de lippen. „Dat ’s zeer eenvoudig. Gisteren kwamen zij zoo omstreeks een uur voor het detachement aan boord. Zij schenen in Den Burg33copieus gedineerd en daarbij een goed glas tot afscheid van het vaderland gedronken te hebben. Hunne vrienden, Delftsche studenten, zoo ik hoorde, hebben hen toen liefderijk te kooi bezorgd en zijn toen waarschijnlijk ook naar bed gegaan, daar zij niet minder laveerden dan de vertrekkenden. Toen gij aan boord kwaamt, sliepen die jongelui den slaap des rechtvaardigen, onbewust van hetgeen rondom hen voorviel. Nu schijnen zij weer fiksch en nuchter te zijn. Maar, ik moet voort, vergeef mij.”De beide jongelieden werden thans het gezelschap officieren op het achterdek gewaar, traden als mannen van opvoeding, ongedwongen op hen toe, stelden zich als medepassagiers voor, en knoopten zoo eene kennismaking[140]aan, die zij hoopten, dat tot aller genoegen bestendigd zoude blijven.Het waren een paar flinke jongelui, die twee ambtenaren ter beschikking, met open oog, rond gelaat en vroolijk opgeruimd karakter. Een ware aanwinst voor de gezelligheid der reis.„Ik heb de heeren gisteren niet bij het vertrek ontwaard,” sprak kapitein Van Dam na de voorstelling, met ondeugend gelaat.Beiden glimlachten ongedwongen.„Wat zal ik daarop antwoorden?” sprak Jan Slierendrecht. „Wij dineerden gisteren in Den Burg. De „Veuve Cliquot” is er overheerlijk. Die kan ik u recommandeeren, kapitein, als gij in de gelegenheid komt, dan.…”„Ja, die gelegenheid zal zich eerstdaags wel voordoen,” zei kapitein Van Dam met een spottenden glimlach.„Wij hadden zooveel afscheidsdronken te ledigen, zooveel toasten te beantwoorden, hetIö vivat! nostrorum sanitas!klonk zoo opwekkend, dat wij zijn blijven tafelen totdat hetDumnihil est in poculo!34eene jammerlijke waarheid bevatte. Toen.…”Hier aarzelde de jongman zijne bekentenis. Kapitein Van Dam hielp hem.„Toen was het ’t beste, om naar kooi te gaan,” zeide hij.„Zie kapitein,” sprak Piet Van Diepbrugge op koddigen toon. „Les beaux esprits se rencontrent!Wij dachten er ook zoo over. Wij zijn naar kooi gegaan.…”„Gebracht!” verbeterde Behren.„Gebracht dan, als het zoo zijn moet” ging Piet voort.[141]„En in den slaap hebben wij van het geheele vertrek niets vernomen.”„Wat mij zeer spijt” viel Slierendrecht met ernstige stem in. „Ik had nog zoo gaarne een laatsten blik op den vaderlandschen bodem willen werpen.”„Sjtt!… sjtt!… daar komen de dames,” zei Behren.„Zijn er dames aan boord?” vroegen de twee ambtenaren in spe als om strijd.„Ja, zeker,” antwoordde de apotheker. „Drie engelachtige lieve dames.”„Hoe weet je dat Behrtje?” vroeg kapitein Van Dam.„De koksmaat heeft het mij verteld,” antwoordde Behren in allen ernst.„Ja, dan zul je wel goed ingelicht zijn,” meende de kapitein met even ernstig gezicht. „Maar stil.… daar komen ze. Wij zullen zien of de koksmaat gelijk had.Kijk, kijk, ik geloof het niet.”Drie dames en een heer waren den kajuitstrap opgekomen, en richtten hunne schreden naar het gezelschap, dat op het achterdek bij elkander stond.„Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, juist! Ben ik goed ingelicht, dan treffen wij onze medepassagiers allen bij elkaâr,” sprak de heer.En zich tot kapitein Van Dam wendende:„Het zij mij vergund kennis met u te maken, kapitein,” sprak hij. „Ik heet Groenewald, dat is mijne echtgenoote, en dat zijn mijne twee dochters.”Kapitein Van Dam boog, noemde zijn naam en stelde daarna de jongelieden, aan de familie Groenewald voor, in de volgorde zoo als zij bij hem stonden. Eerst Behren, daarna Denniston, toen Van Diepbrugge, Hannius, Slierendrecht en Leidermooi.Onmiddellijk was het gesprek algemeen. Behren was op mevrouw Groenewald toegetreden, en ving een gesprek[142]aan, zooals alle gesprekken in dergelijke gevallen tusschen wildvreemde menschen begonnen worden, namelijk over het weer, over de omgeving, over de reis, enz.Kapitein Van Dam wierp een spottenden blik op Behrtje, dien deze wel begreep.Ja, omtrent de engelachtigheid, door den koksmaat der drie dames toebedeeld, moest omtrent haar, die met onzen apotheker stond te praten, wel ietwat afgedongen worden. Mevrouw Groenewald was uit een morganatisch huwelijk gesproten, hetwelk haar vader met eene Javaansche schoone had aangegaan, en droeg daarvan de onmiskenbare kenteekenen. Zij was ietwat bruin van tint, had een dik kort ineengedrongen neusje en lippen, die ook ietwat meer omvang hadden dan de schoonheidsvormen strikt eischten. Het weelderig zwart haar, dat zij in dit morgenuur in een dikke kondeh35opgebonden had, begon hier en daar te grijzen, terwijl èn haar gelaat èn hare taille mede verrieden, dat prille jeugd haar deel niet meer was. Dat gelaat had evenwel zoo eene goedaardige uitdrukking, en hare oogen, die zij zeer fraai behouden had, konden iemand zoo vertrouwvol, zoo innig hartelijk aankijken, dat wie haar naderde, zich tot haar aangetrokken gevoelde. Zij drukte zich zeer beschaafd uit, hoewel haar Hollandsch iets schoolsch had en den indruk gaf, alsof het haar moeite kostte, zich in die taal verstaanbaar te maken. Diezelfde indruk werd geboren, wanneer zij Fransch of Engelsch sprak. Toch kende zij die talen zoo grondig, als slechts weinig Nederlandsche vrouwen in die dagen eigen was.Zij was eene liefderijke moeder, die in overwicht en omgang met hare kinderen meer eene toegenegen oudere zuster was, dan wel eene mama, die haar gezag deed voelen. Hare kinderen aanbaden haar dan ook, en wel met zoo’n innigheid, dat nimmer, zelfs in de vlegeljaren,[143]die ook voor meisjes bestaan, de tusschenkomst van den vader noodig geweest was, om hen naar hare hand te zetten.Die vader, volbloed Nederlander van geboorte, in weerwil van zijn half Duitschen naam, was een hoogst eenvoudig man, met een zeer dagelijksch uiterlijk, niet te dik, niet te mager, die op zijn getaand gelaat, de teekenen droeg van een arbeidzaam leven onder de keerkringen. Op de vraag van kapitein Van Dam na de presentatie of hij, evenals de heeren Van Diepbrugge en Slierendrecht, ook ambtenaar was, had hij eenvoudig geantwoord, dat hij landhuurder was, en eene koffie-onderneming in de Residentie Soerakarta op de hellingen van den Lawoe had. Hij was voor herstel van gezondheid naar Europa geweest, en was nu weer op de terugreis naar Indië. Zijne gezondheid liet niets meer te wenschen over. Toch hadden de geneesheeren hem aangeraden, om zijn lichaam te stalen, de reis rondom de kaap de Goede Hoop te maken, in stede van met de mail te gaan, die trouwens in die dagen zeer kostbaar was en den reizigers weinig gemakken bood. Door zijne handelsvrienden te Amsterdam was het fregatschipFernandina Maria Emmaals een solied en snelzeilend vaartuig aanbevolen, dat een geëxamineerden dokter en eene melkgevende koe aan boord voerde. Met den dokter maakten de lezers reeds kennis, en van harte zullen zij voor de passagiers den wensch slaken, dat het diploma van de melkgevigheid der koe van beter allooi moge geweest zijn dan dat, hetwelk de wetenschappelijke kennis van den dokter moest schragen. Mijnheer Groenewald had te eerder zijne keus op een zeilschip laten vallen, dewijl hij meende, dat daar meer huiselijkheid en gezelligheid te vinden waren, dan aan boord der mailbooten. Wel had hij tegen de reis met deFernandina Maria Emmaeenigermate opgezien, omdat,[144]zoo had hij tegen zijne vrouw gezegd, er zooveel officieren aan boord waren, hetgeen hij gevaarlijk voor de gemoedsrust zijner dochters achtte. Mevrouw Groenewald had hem evenwel verzekerd, dat onder de officieren flinke mannen gevonden werden, en dat zij er niet tegen op zou zien een officier tot schoonzoon te hebben. Daarenboven in die dagen had geen ander schip in de Nederlandsche zeehavens zeilklaar gelegen, hetwelk dezelfde voordeelen van ruimte, soliditeit en welbezeildheid als deFernandina Maria Emmaaanbood, zoodat hij tot de reis met dien bodem besloten had. Of zijne zorg voor de gemoedsrust zijner dochters gegrond genoemd kon worden?De twee lieve meisjes stonden daar te midden van dien kring jongelieden, en het viel niet te ontkennen, dat de algemeene bewondering haar deel was. En te recht. Beiden waren lieve slanke ontwikkelde deernen, die veel op elkander geleken, zoo zelfs, dat het duidelijk was, zij een zusterpaar waren, maar die bij nadere beschouwing toch eene verschillende type te bewonderen gaven.Emma, de oudste bij voorbeeld, eene maagd, die een en twintig lentes telde, was eene bekoorlijke brunette, die hare oostersche afkomst ten volle staafde. Wel was zij ten volle blank, zoo blank als slechts eene volbloed Europeesche schoone wezen kan, maar hare wangen vertoonden dat schelle niet, hetwelk bij zoo menige jonge dame aan een potje karmijn van Rimmel, van Piver of van Pinaud doet denken, en waarbij men de strepen meent te ontdekken des penseels, die de bedriegelijke kleur op de koon bracht. Integendeel het lieve rozenrood harer wangen ging zacht en onmerkbaar in het albastwitte harer huid over, en bracht juist door hare fijne nuanceering den beoefenaar van natuurschoon in verrukking. Haar hoog intelligent voorhoofd was matwit, aan marmer gelijk, aan marmer, waaraan door een grooten beeldhouwer[145]leven en bezieling geschonken zou zijn. Dat voorhoofd werd omgeven door donkerbruine krullen, die het gelaat heerlijk omlijstten, en dartel en weelderig over de goedgevormde schouders op den welgevulden boezem daalden. Hare gelaatstrekken waren overigens niet zoo regelmatig, dat die aan een Griekschen kunstenaar tot model zouden hebben kunnen strekken; maar het oog rustte met welgevallen op dat fraai gevormd neusje, op die fijne geteekende lippen, die wanneer zij zich openden, de fraaiste en witste tanden der wereld lieten zien, en die met hare goed afgeronde wangen en haar heerlijk voorhoofd een geheel vormden, dat niet dan uiterst lieftallig kon genoemd worden. Wat dat gelaat evenwel eene buitengewone aantrekkingskracht verleende, waren de oogen der lieve maagd, welker appels donkerbruin, bij het zwarte af, zich grondeloos diep voordeden voor den gelukkigen, die het gegund was dien blik te peilen, maar overigens dien oogopslag bezaten, die als de zonnestraal opgewektheid en helderheid om zich verspreidde. Slank en heerlijk ontwikkeld, vertoonden hare leest en haar tred eene buitengewone buigzaamheid en veerkracht, en verraadde zij in hare bewegingen eene waarlijk vorstelijke houding, die de bewondering tot vergoding stemde.Hare zuster Adelien—wij zeiden het reeds—had sprekend hare gelaatstrekken. Het was volkomen dezelfde snede. Alleen gene was eene brunette, deze eene blondine. Zij had denzelfden weelderigen haardos, maar zacht genuanceerd in die heerlijke tint, die de Franschen eigenaardigblond cendrénoemen. Als de wind in die lieve krullen speelde en de uiterst fijne haren eenigszins in de war bracht, dan was het alsof Adeliens voorhoofd door een uiterst ijl wolkje, door iets etherisch omgeven was. Haar blik was niet zoo vurig als die harer zuster; integendeel hare fraaie blauwe oogen hadden[146]iets ijls en iets vochtigs, waardoor zij eenigermate kwijnend van uitdrukking waren, en waardoor ook de scherpte van den oogopslag geheel weggenomen was.Hare wangen waren, zonder bleek genoemd te kunnen worden, niet zoo levendig getint als die harer zuster, maar waren overdekt met dat uiterst fijne dons, waarmede de koonen der blondinen gewoonlijk prijken, en wat haar zooveel overeenkomst met eene heerlijk ontwikkelde perzik geeft. Ook de houding van Adelien Groenewald was eene geheel andere dan die harer zuster. Hoewel hare leest even buigzaam, haar tred even veerkrachtig was, zoo was daarin toch die waardigheid niet te bespeuren als bij gene. Er was daarentegen iets liefs, iets goedigs, iets innemends in hare houding en bewegingen. Kon de oudere zuster hartstochtelijke bewondering inboezemen, voor Adelien gevoelde ieder, die haar naderde, eene hartelijke toegenegenheid.Eene kenmerkende eigenaardigheid der beide zusters was, dat zij zeer kleine voetjes hadden, die uitermate smaakvol gechausseerd waren, en mollige, maar fijne lieve handjes, die evenwel bij eene eerste kennismaking met de overige passagiers derFernandina Maria Emmazorgvuldig geganteerd waren.Hoewel niet tot den kring der bevoorrechte achterdekspassagiers behoorende, stonden toch nog een paar oogen naar de liefelijke verschijning der schoone meisjes te turen. Het waren die van Frank Brinkman, die nog steeds met zijn vriend Herman Riethoven ter hoogte van den grooten mast bij de verschansing stond. De laatstgenoemde stond evenwel in den aanblik verzonken, welke het tafereel, dat zich op de zee ontwikkelde, aanbood; terwijl de andere geen oog afwendde van de liefelijke gestalten, die daar op het achterdek verschenen waren.[147]„Gelukkige officieren!” zuchtte Frank. „Och, was ik toch ook zoo ver!”Herman lette op die ontboezeming niet. Zijn blik waarde slechts op de oppervlakte der zee.„Kijk die loodskotter eens naderen!” riep hij. „Men kan de bemanning aan boord reeds onderscheiden.”In dat oogenblik trad de scheepsgezagvoerder Butteling op kapitein Van Dam toe, en fluisterde hem eenige woorden in.„Sergeant Brinkman en sergeant Riethoven, komt eens hier!” riep laatstgenoemde tot de twee onderofficieren.Beiden haastten zich te gehoorzamen, naderden ongedwongen, en zich als mannen van beschaving voor de dames buigende, den kring der passagiers en stelden zich in onberispelijke militaire houding met de hand aan de klep hunner politiemuts naast elkander voor den kapitein, die een paar passen vooruitgetreden was.„Wat zijn uwe orders, kapitein?” vroeg Herman, terwijl beiden de oogen met gepaste vrijmoedigheid op hunnen officier vestigden.„De loods gaat straks het schip verlaten,” sprak kapitein Van Dam, niet zonder welgevallen de twee flinke onderofficieren aankijkende, „en zal de laatste tijding van boord medenemen. Gij sergeant Riethoven zult de brieven van het detachement ophalen, gij sergeant Brinkman die van de passagiers. De derde stuurman zal u die van de equipage ter hand stellen; maakt daarvan beneden in de kerk een pakket, hetwelk behoorlijk verzegeld en geadresseerd moet zijn aan den postmeester te Shoreham, waar de loods landen zal.”„Tot uwe orders, kapitein!” spraken de beide onderofficieren, maakten onberispelijk rechtsomkeert, en spoedden voort, om de ontvangen bevelen ten uitvoer te brengen.[148]Herman was in een oogenblik te midden der soldaten van het detachement verdwenen, terwijl Frank zich tot de passagiers wendde. Als bij instinkt vervoegde hij zich eerst tot de heeren van het gezelschap, die naar beneden ijlden om hunne brieven te sluiten. Eindelijk stond hij met de familie Groenewald alleen aan het dek.„Hebben de dames mij ook brieven te overhandigen, die zij met de post wenschen te verzenden?” vroeg hij met een glimlach op het gelaat aan de jonge meisjes.„Brieven?” vroeg Emma met eenige voornaamheid in stem en houding.„Brieven met de post?” vroeg Adelien met hare gewone lieftalligheid, het oog op den rijzigen onder-officier slaande.„Ja, dames!” antwoordde Frank. „Straks verlaat de loods het schip, en zal de Engelsche kust aandoen, alwaar de brieven op de post zullen gedaan worden. Ziet, de loodskotter is reeds nabij.”„Een goede gelegenheid om nog aan Klara te schrijven,” juichte Adelien tot hare zuster.„Ik zou ook nog wel willen schrijven,” zei Emma, terwijl een hooger blosje als gewoonlijk hare wangen verfde.„Maar, zou er nog tijd zijn?” vroeg Emma aan Frank.„Veel niet,” antwoordde deze. „De loodskotter nadert al meer en meer.”„Hoe jammer,” zei Adelien. „Ik heb Klara zooveel te schrijven, ja waarlijk veel.”„Dat de dames gerust hare correspondentie beginnen,” zeide Frank met een glimlach, „mij is het sluiten van het postpakket opgedragen. Ik zal daarmeê zoolang dralen, totdat ik uwe brieven in ontvangst zal genomen hebben.”„O, hoe heerlijk!” kreet Adelien. „Maar.…”„Haast u evenwel,” sprak Frank. „Ziet, de loodskotter nadert, nadert.”[149]„Juist,” sprak het jonge meisje. „Kom Emma!”En weg waren zij, den trap af, naar beneden in de kerk, alwaar al de passagiers om de tafel zaten en in hunneschrijverijenverdiept waren. Het waren de laatste afscheidsgroeten, die daar aan ouders, vrienden en bekenden werden toegeroepen. Verscheidene maanden zouden voorbij snellen, zonder dat de opvarenden in de mogelijkheid zouden zijn taal of teeken te geven. Hier en daar werd dan ook een zucht vernomen, hier en daar werd zelfs een traan weggepinkt, soms niet vlug genoeg, om te verhoeden, dat zij op het papier terecht kwam.Herman had inmiddels aan de hem gedane opdracht bij het detachement gevolg gegeven. Ook daar had de bekendmaking, dat er nog tijdingen met den loods konden medegegeven worden, dezelfde uitwerking als op hetachterdekgehad.De soldaten hadden evenwel geen kerk, geene kajuit, zelfs geen tafel of stoel ter beschikking om hunne correspondentie te voeren. Het schouwspel, hetwelk thans het dek van deFernandina Maria Emmaaanbood, was hoogst eigenaardig.Hier lagen ettelijke manschappen, zoo lang als zij waren, op hun buik op den vloer uitgestrekt, en poogden in die houding ijverig de pen te hanteeren. Daar ginds zaten er vier op de voorplecht ijverig te schermen ieder op een vel papier, dat niet al te zindelijk scheen, en waren elkander daarbij niet weinig in den weg. Om het spil stonden er zes op hunne penhouders te bijten, alsof zij de denkbeelden, die zij misten, er uit wilden zuigen. Zelfs een der lippen van het groote anker diende tot schrijftafel. De potdeksels, de trapkappen, de kraanbalken, het bovenvlak der kippen- en varkenshokken waren met scribenten overdekt. Zelfs het dak van het koeienhok was door een schrijflustige, die er op uitgestrekt lag, ingenomen. Cadmus, de vermeende[150]uitvinder van de schrijfkunst, had voorzeker nimmer kunnen bedenken, toen hij de eerste schrede op het gebied der zichtbare mededeeling van de gedachte zette, dat de mensch zich zoo zou kunnen behelpen bij het beoefenen zijner uitvinding!Frank en Herman hadden een der kippenhokken, die ter hoogte van den bezaansmast stonden, in beslag genomen en stonden daarbij volijverig te schrijven.Terwijl het meerendeel der opvarenden zich zoo onledig hield, was de loodsboot nabij gekomen. Op een gegeven oogenblik had de equipage op bevel van haren gezagvoerder de eene helft der zeilen tegengebrast36, zoodat het schip nagenoeg bewegingloos lag en geen vaart meer maakte. De loodskotter zette nu een sloepje, een notendopje uit, dat door twee man geroeid, spoedig op zij van het fregat bij den stormtrap aangelegd had. De opvarenden van dat bootje brachten een pak Engelsche couranten aan boord, die het laatste Europeesche nieuws bevatten. De loodskotter was dien eigen morgen van de reede van Brighton gezeild, om in het Kanaal te kruisen. De loods maakte nu aanstalten om het schip te verlaten. Het was belangrijk de hoeveelheden erwten, boonen, zoutvleesch en rookspek, die kapitein Butteling hem uit den scheepsvoorraad geschonken had, en die nu in het sloepje overgingen.„Zijn de brieven klaar?” vroeg de gezagvoerder aan de beide sergeanten.Riethoven had zijne inzameling nagenoeg gehouden. Brinkman was in de kerk afgedaald en spoorde daar de briefschrijvers tot spoed aan. Van de heeren, die een voor een naar het dek gingen, had hij de epistels reeds in ontvangst genomen, en wachtte nog slechts op die der dames.„Gij zult u moeten haasten, dames,” sprak hij, „de loods wordt ongeduldig.”[151]„Ik haast mij al zooveel ik kan,” antwoordde Emma eenigszins hooghartig. „Ik kan niet vliegen.”„Nog een oogenblik,” sprak Adelien met innemenden glimlach. „Denk aan uwe belofte van straks, sergeant.”Frank boog. Inmiddels was Herman met zijne brieven beneden gekomen. Zijn vriend wees op de dames en lei zijn vinger op den mond.„Waar blijven de brieven?” riep de loods aan den kerktrap.„Oogenblikkelijk, loods!” riep Frank tot antwoord. „Wij zijn dadelijk met het pakket klaar.”Na een poos wachtens kwam kapitein Butteling naar beneden.„Waar blijft het brievenpakket toch?” vroeg hij met eenig ongeduld in de stem aan de onderofficieren. „Gij moest meer voortmaken!”Met een oogopslag zag hij evenwel hoe hier de zaken geschapen stonden. Hij keerde zich om, ging naar het dek en liet den loods een paar vierkante flesschen jenever geven. Daarmede werd tijd gewonnen. Daarna noodigde hij hem uit tot een afscheidsdronk. De zeebonk liet zich dat geen tweemaal herhalen; hij schoof de beide flesschen in de zakken zijner broekspijpen, die daarin als in een afgrond verdwenen, greep het glas jenever, dat hem stuurman Ellenbaan aanreikte, nam zijne dikke pruim uit den mond, en sprak:„Nou, kaptein, goeje reis! Daar ga je!”De kelk Schiedammervocht verdween als in eene goot. De loods veegde zich met den mouw van zijn pijekker den mond af en vroeg:„Waar, bliksem! blijven de brieven toch?”„Daar zijn ze, loods,” sprak sergeant Riethoven, terwijl hij hem een lijvig pakket ter hand stelde.In de kerk had Emma haren brief met eene hoffelijke[152]buiging aan Herman overhandigd. Adelien had voor de beide onderofficieren een vriendelijken glimlach ten beste gehad. Toen zij haren brief overreikte, dankte zij hen met innemende stem en stak hen haar handje toe, dat beiden ongedwongen, maar toch kiesch drukten.Beiden oogden haar opgetogen na. Toen zij verdwenen was, mompelde Frank:„Wat een dotje! Wat een dotje!”Beiden beijverden zich nu het postpakket te sluiten en verschenen daarmede juist op het dek, toen de loods in zijn ongeduld andermaal daarnaar vroeg.Het postpakket verdween in den afgrond, waarin de vierkante flesschen jenever verzonken waren. De loods reikte een ieder der omstanders een hand.„Goeje reis!” riep hij, en daalde den stormtrap af.Nauwelijks had hij plaats in het notendopje genomen, dat hem naar den loodskotter over moest brengen, toen een schril gefluit en verschillende commando’s over het dek weerklonken. De zeilen werden voor den wind gebrast en deFernandina Maria Emmahervatte haren koers als een flink fregat, dat zij was.Alle opvarenden, zoowel de dames, de officieren en de ambtenaren, als de soldaten en matrozen lagen, over de verschansing gebogen den loods na te staren, die in zijn notedopje naar den loodskotter stevende, en langzamerhand achteruit van het fregat geraakte. Straks was die ruwe zeeman allen aan boord nog onverschillig. Thans oogden hem allen met eene belangstelling na, die niemand trachtte te verhelen. Het was de laatste vaderlander aan boord, die niet mee naar Indië ging. Nu hij weg was, was het alsof de laatste band, die de reizigers aan den geboortegrond verbond, verbroken was.[153]
Toen de passagiers den volgenden ochtend ontwaakten en aan het dek kwamen, scheen de zon vroolijk en hield deFernandina Maria Emmavoor Dungeness op en neer, ten einde den dienstkotter in het oog te krijgen, die den loods moest overnemen. Wel werden verscheiden van die vaartuigen ontmoet, maar allen voerden met groote letters in hun grootzeil de woorden: Antwerpen, Vlissingen of Goerêe; terwijl geen enkel ontwaard werd, dat het woord: Texel te zien gaf. Bij den slag, dien het schip maakte, was het alsof het eene baai wilde binnenstevenen.
Frank en Herman, onze twee onderofficieren, waren reeds aan het dek en bewonderden het fraaie gezicht, dat men van het fregat op de krijtbergen van Engeland had. Die witte band, die als uit zee scheen op te rijzen, maakte een vreemd maar lief effekt op de helgroene strook, die de zee vertoonde. Hier en daar ontwaarde hun oog groepen huizen met hunne roode pannendaken; terwijl onder langs den krijtwand, en hier en daar ook op den nokrand van het gebergte, spoortreinen ijlden, die met hunne achterwaarts gebogene stoompluim eene bevallige vertooning opleverden. Opzij, voor en achter[135]van deFernandina Maria Emmawemelde het van vaartuigen. De wind, die tot nu toe uit het noorden geblazen had, was thans in het oosten geloopen. Nu maakten al de schepen, die de Hoofden niet binnen konden en, hier dagen lang opgehouden, ten anker lagen, zich zeilklaar om de Noordzee in te stevenen. Het was een gewemel op dat watervlak, hetwelk de onbevarenen, die zoo’n schouwspel ongewoon waren, in verrukking bracht. Bij tientallen waren de driemasters te tellen, die bezig waren zeil te zetten, en waarvan eenigen hun anker reeds gewonden hadden en noordwaarts voortspoedden. Daaronder waren ettelijke fregatten, en klipper-fregatten. De meesten dier driemasters waren barken. Veel grooter was het getal brikken, en schoenerbrikken, die wel bij honderden te tellen waren, en door elkander wemelden. Maar de kleinere vaartuigen, als: schoeners, kotters, chasse-marée’s, kanaalbooten, enz. waren legio, ontelbaar in den letterlijken zin des woords. Daartusschen stevenden, onafhankelijk van den wind, vele stoomvaartuigen. Raderschepen, die met groot geweld het water met hunne schoepen wild en woest langs hunne zijden opzweepten, of schroefbooten, die sierlijk en vlug het watervlak sneden en slechts eene koking, eene hevige opborreling achter den scheepsspiegel te zien gaven, groote en kleine stoomvaartuigen, van de oorlogsboot af, welker dubbele schoorsteen als verloren scheen en gezocht moest worden tusschen het loopend en staand wand der volgetuigde masten, tot de sierlijke stoomsloep toe, die met vluggen zwaai te midden van al die honderde vaartuigen stevende en welker baan, wanneer zij op het watervlak afgeteekend kon gebleven zijn, zich als eene slang zoude gekronkeld hebben.
„Is dat geen fraai gezicht hier?” vroeg stuurman Bagman aan de beide onderofficieren, die nog steeds[136]over de verschansing gebogen, het panorama, dat zich voor hunne oogen ontrolde, stonden te bewonderen.
„Prachtig, stuurman! prachtig!” was beider opgetogen instemming.
„Dat liefgroene watervlak, hetwelk in kleine golfjes opkabbelt,” sprak Herman met aandoening, „die honderde en honderde vaartuigen, welker banen aan elkander evenwijdig loopen, elkander naderen, of elkander snijden; die duizende witte zeilen, die onder de bries bevallig zwellen en zich behaagzuchtig in het water spiegelen; die veelkleurige vlaggen, die aan de gaffels wapperen of zich aan de masttoppen ontplooien, die kustlijn, welke zich daar scherp afteekent en met haren sneeuwwitten band, doorspikkeld met roode vlekjes, die de daken der woningen aanduiden, eenen voorbeeldeloos fraaien achtergrond daarstelt; terwijl de zon dat tafereel met haar opwekkend licht beschijnt, en ieder onderdeel als met levendmakenden vinger aanroert; dat alles vormt een panorama, hetwelk, dunkt me, slechts op dit punt van den aardbol hier waar te nemen is, alwaar de handelsbeweging der geheele aarde in deze zeeëngte te samen geperst wordt.”
De jongman had die ontboezeming met geestdrift uitgesproken en zweeg nu, alsof hij de bijzonderheden van het panorama, hetwelk zich daar ontrolde en bij iedere minuut, bij iedere sekonde veranderde, maar daarom niets van zijne schoonheid verloor, in zich wilde opnemen. De twee onderofficieren hadden bij hunne beschouwing niet ontwaard, dat twee andere jongelieden zich naast stuurman Bagman over de verschansing gebogen hadden, om hetzelfde gezicht te bewonderen.
„Bravo, sergeant!” riep de een, toen Herman zweeg. „Dat noem ik met het woord penseelen. Met weinige woorden hebt gij de voornaamste bijzonderheden van het[137]fraaie vergezicht, hetwelk wij genieten, op den voorgrond doen treden en daarop de aandacht uwer hoorders gevestigd. Het zij mij vergund met u kennis te maken, ik heet Jan Slierendrecht, ambtenaar ter beschikking. Ik zie, gij zijt sergeant, en …?”
De heer Jan Slierendrecht stak bij die laatste woorden Herman zijne hand toe en legde in dat vragende: en zoo’n hartelijkheid, dat deze, hoewel door de beschaafde Nederlanders ten opzichte van beleefdheidsvormen jegens de landsverdedigers beneden den rang van officier niet verwend, op hem toetrad, de toegestoken hand greep en haar ongedwongen schudde en antwoordde:
„Ik heet Riethoven, mijnheer Slierendrecht. Het is mij een genoegen kennis met u te maken!”
En op Frank wijzende, vervolgde hij:
„Dat is mijn vriend Brinkman, dien ik de eer heb u voor te stellen.”
De heer Slierendrecht reikte Frank de hand, terwijl hij ook zijn makker aan de beide onderofficieren voortelde:
„De heer Piet van Diepbrugge, ambtenaar ter beschikking evenals ik,” zeide hij met plichtpleging; terwijl deze laatste boog en de beide jongelieden, die hem voorgesteld werden, de hand drukte.
„Wij bewonderden met u,” sprak de heer Van Diepbrugge, „het fraaie zeegezicht, hetwelk zich voor ons uitspreidt, en waren onwillekeurige toehoorders van uwe ontboezeming, mijnheer Riethoven, die ons door hare zuiverheid van detailleering trof.”
Herman boog bij dat compliment, hetwelk hem toch streelde.
„Wat zijn dat voor plaatsjes, die daar aan de kust ontwaard worden?” vroeg hij aan stuurman Bagman.
„Dat, daar dwars achteruit, is Folkestone; wij hebben[138]Dungeness dwars van ons. Vlak vooruit, zie dáár, ligt Hastings, en die kaap daar bakboord vooruit isBeachy Head. Als wij die te boven gekruist zijn, dan hebben wij het eiland Wight in het gezicht.”
Een schel gefluit klonk over het dek.
„Ieder op zijn werk! Klaar om te wenden!” liet het commando van kapitein Butteling zich hooren.
Stuurman Bagman spoedde voort op dat gefluit. Hij wees de jongelieden evenwel, voor dat hij wegijlde, aan bakboordszijde op de zee:
„De loodskotter!” riep hij.
En weg was hij.
Inderdaad daar aan bakboordszijde was heel in de verte een klein vaartuig zichtbaar, dat in zijn grootzeil het woord „Texel” voerde, hetwelk evenwel thans niet met het bloote oog te ontwaren was.
„Wenden!” klonk het commando.
Alle raas werden met behulp der gezamenlijke matrozen en soldaten, die langzamerhand voor den dag gekomen waren, nagenoeg terzelfder tijd rondgebrast. Het fregat ging overstag en toen de zeilen weer vastgemaakt waren, liep het scherp bij den wind nagenoeg zuidoost, den loodskotter te gemoet.
„Drommels!” zei Frank. „Zij kunnen toch handig met zoo’n gevaarte, als zoo’n schip is, omgaan.”
Inmiddels waren ook de andere ons reeds bekende passagiers voor den dag gekomen, en stonden op het achterdek onder het genot van een geurige kop koffie, die de matroos-hofmeester hen aangereikt had, het fraaie tafereel, hetwelk de zee aanbood, te bewonderen.
„Wat duiker!” riep eensklaps luitenant Denniston uit. „Kijk eens, wie zijn die twee politieken, die daar met die onderofficieren staan te praten?”
„Wellicht passagiers tweede klasse,” meende Behren.[139]
„Neen, daartoe zien ze er te fatsoenlijk uit,” antwoordde Denniston.
„Zeer geestig geantwoord!” sprak kapitein Van Dam terechtwijzend. „Alsof het fatsoenlijk uitzien het criterium is van de passagiersklasse, waarin iemand reist.”
En zich tot den eersten stuurman Abels wendende, die juist achteruit kwam, om bij het kompas het voorleggen van het schip te controleeren.
„Zeg stuur,” sprak hij. „Wie zijn die twee heeren, die daar middenscheeps bij de verschansing staan?”
„Dat zijn twee aanstaande ambtenaren, kapitein,” sprak stuurman Abels met een glimlach.
„Dus passagiers eerste klasse?” vroeg Van Dam.
„Ja, kapitein,” was het antwoord, „wij hebben geen tweede klasse of dekpassagiers aan boord.”
„Maar, waar komen ze van daan? Wij hebben nog niets van hen gemerkt.”
„O!” sprak stuurman Abels met een glimlach om de lippen. „Dat ’s zeer eenvoudig. Gisteren kwamen zij zoo omstreeks een uur voor het detachement aan boord. Zij schenen in Den Burg33copieus gedineerd en daarbij een goed glas tot afscheid van het vaderland gedronken te hebben. Hunne vrienden, Delftsche studenten, zoo ik hoorde, hebben hen toen liefderijk te kooi bezorgd en zijn toen waarschijnlijk ook naar bed gegaan, daar zij niet minder laveerden dan de vertrekkenden. Toen gij aan boord kwaamt, sliepen die jongelui den slaap des rechtvaardigen, onbewust van hetgeen rondom hen voorviel. Nu schijnen zij weer fiksch en nuchter te zijn. Maar, ik moet voort, vergeef mij.”
De beide jongelieden werden thans het gezelschap officieren op het achterdek gewaar, traden als mannen van opvoeding, ongedwongen op hen toe, stelden zich als medepassagiers voor, en knoopten zoo eene kennismaking[140]aan, die zij hoopten, dat tot aller genoegen bestendigd zoude blijven.
Het waren een paar flinke jongelui, die twee ambtenaren ter beschikking, met open oog, rond gelaat en vroolijk opgeruimd karakter. Een ware aanwinst voor de gezelligheid der reis.
„Ik heb de heeren gisteren niet bij het vertrek ontwaard,” sprak kapitein Van Dam na de voorstelling, met ondeugend gelaat.
Beiden glimlachten ongedwongen.
„Wat zal ik daarop antwoorden?” sprak Jan Slierendrecht. „Wij dineerden gisteren in Den Burg. De „Veuve Cliquot” is er overheerlijk. Die kan ik u recommandeeren, kapitein, als gij in de gelegenheid komt, dan.…”
„Ja, die gelegenheid zal zich eerstdaags wel voordoen,” zei kapitein Van Dam met een spottenden glimlach.
„Wij hadden zooveel afscheidsdronken te ledigen, zooveel toasten te beantwoorden, het
Iö vivat! nostrorum sanitas!
Iö vivat! nostrorum sanitas!
klonk zoo opwekkend, dat wij zijn blijven tafelen totdat het
Dumnihil est in poculo!34
Dumnihil est in poculo!34
eene jammerlijke waarheid bevatte. Toen.…”
Hier aarzelde de jongman zijne bekentenis. Kapitein Van Dam hielp hem.
„Toen was het ’t beste, om naar kooi te gaan,” zeide hij.
„Zie kapitein,” sprak Piet Van Diepbrugge op koddigen toon. „Les beaux esprits se rencontrent!Wij dachten er ook zoo over. Wij zijn naar kooi gegaan.…”
„Gebracht!” verbeterde Behren.
„Gebracht dan, als het zoo zijn moet” ging Piet voort.[141]„En in den slaap hebben wij van het geheele vertrek niets vernomen.”
„Wat mij zeer spijt” viel Slierendrecht met ernstige stem in. „Ik had nog zoo gaarne een laatsten blik op den vaderlandschen bodem willen werpen.”
„Sjtt!… sjtt!… daar komen de dames,” zei Behren.
„Zijn er dames aan boord?” vroegen de twee ambtenaren in spe als om strijd.
„Ja, zeker,” antwoordde de apotheker. „Drie engelachtige lieve dames.”
„Hoe weet je dat Behrtje?” vroeg kapitein Van Dam.
„De koksmaat heeft het mij verteld,” antwoordde Behren in allen ernst.
„Ja, dan zul je wel goed ingelicht zijn,” meende de kapitein met even ernstig gezicht. „Maar stil.… daar komen ze. Wij zullen zien of de koksmaat gelijk had.Kijk, kijk, ik geloof het niet.”
Drie dames en een heer waren den kajuitstrap opgekomen, en richtten hunne schreden naar het gezelschap, dat op het achterdek bij elkander stond.
„Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, juist! Ben ik goed ingelicht, dan treffen wij onze medepassagiers allen bij elkaâr,” sprak de heer.
En zich tot kapitein Van Dam wendende:
„Het zij mij vergund kennis met u te maken, kapitein,” sprak hij. „Ik heet Groenewald, dat is mijne echtgenoote, en dat zijn mijne twee dochters.”
Kapitein Van Dam boog, noemde zijn naam en stelde daarna de jongelieden, aan de familie Groenewald voor, in de volgorde zoo als zij bij hem stonden. Eerst Behren, daarna Denniston, toen Van Diepbrugge, Hannius, Slierendrecht en Leidermooi.
Onmiddellijk was het gesprek algemeen. Behren was op mevrouw Groenewald toegetreden, en ving een gesprek[142]aan, zooals alle gesprekken in dergelijke gevallen tusschen wildvreemde menschen begonnen worden, namelijk over het weer, over de omgeving, over de reis, enz.
Kapitein Van Dam wierp een spottenden blik op Behrtje, dien deze wel begreep.
Ja, omtrent de engelachtigheid, door den koksmaat der drie dames toebedeeld, moest omtrent haar, die met onzen apotheker stond te praten, wel ietwat afgedongen worden. Mevrouw Groenewald was uit een morganatisch huwelijk gesproten, hetwelk haar vader met eene Javaansche schoone had aangegaan, en droeg daarvan de onmiskenbare kenteekenen. Zij was ietwat bruin van tint, had een dik kort ineengedrongen neusje en lippen, die ook ietwat meer omvang hadden dan de schoonheidsvormen strikt eischten. Het weelderig zwart haar, dat zij in dit morgenuur in een dikke kondeh35opgebonden had, begon hier en daar te grijzen, terwijl èn haar gelaat èn hare taille mede verrieden, dat prille jeugd haar deel niet meer was. Dat gelaat had evenwel zoo eene goedaardige uitdrukking, en hare oogen, die zij zeer fraai behouden had, konden iemand zoo vertrouwvol, zoo innig hartelijk aankijken, dat wie haar naderde, zich tot haar aangetrokken gevoelde. Zij drukte zich zeer beschaafd uit, hoewel haar Hollandsch iets schoolsch had en den indruk gaf, alsof het haar moeite kostte, zich in die taal verstaanbaar te maken. Diezelfde indruk werd geboren, wanneer zij Fransch of Engelsch sprak. Toch kende zij die talen zoo grondig, als slechts weinig Nederlandsche vrouwen in die dagen eigen was.
Zij was eene liefderijke moeder, die in overwicht en omgang met hare kinderen meer eene toegenegen oudere zuster was, dan wel eene mama, die haar gezag deed voelen. Hare kinderen aanbaden haar dan ook, en wel met zoo’n innigheid, dat nimmer, zelfs in de vlegeljaren,[143]die ook voor meisjes bestaan, de tusschenkomst van den vader noodig geweest was, om hen naar hare hand te zetten.
Die vader, volbloed Nederlander van geboorte, in weerwil van zijn half Duitschen naam, was een hoogst eenvoudig man, met een zeer dagelijksch uiterlijk, niet te dik, niet te mager, die op zijn getaand gelaat, de teekenen droeg van een arbeidzaam leven onder de keerkringen. Op de vraag van kapitein Van Dam na de presentatie of hij, evenals de heeren Van Diepbrugge en Slierendrecht, ook ambtenaar was, had hij eenvoudig geantwoord, dat hij landhuurder was, en eene koffie-onderneming in de Residentie Soerakarta op de hellingen van den Lawoe had. Hij was voor herstel van gezondheid naar Europa geweest, en was nu weer op de terugreis naar Indië. Zijne gezondheid liet niets meer te wenschen over. Toch hadden de geneesheeren hem aangeraden, om zijn lichaam te stalen, de reis rondom de kaap de Goede Hoop te maken, in stede van met de mail te gaan, die trouwens in die dagen zeer kostbaar was en den reizigers weinig gemakken bood. Door zijne handelsvrienden te Amsterdam was het fregatschipFernandina Maria Emmaals een solied en snelzeilend vaartuig aanbevolen, dat een geëxamineerden dokter en eene melkgevende koe aan boord voerde. Met den dokter maakten de lezers reeds kennis, en van harte zullen zij voor de passagiers den wensch slaken, dat het diploma van de melkgevigheid der koe van beter allooi moge geweest zijn dan dat, hetwelk de wetenschappelijke kennis van den dokter moest schragen. Mijnheer Groenewald had te eerder zijne keus op een zeilschip laten vallen, dewijl hij meende, dat daar meer huiselijkheid en gezelligheid te vinden waren, dan aan boord der mailbooten. Wel had hij tegen de reis met deFernandina Maria Emmaeenigermate opgezien, omdat,[144]zoo had hij tegen zijne vrouw gezegd, er zooveel officieren aan boord waren, hetgeen hij gevaarlijk voor de gemoedsrust zijner dochters achtte. Mevrouw Groenewald had hem evenwel verzekerd, dat onder de officieren flinke mannen gevonden werden, en dat zij er niet tegen op zou zien een officier tot schoonzoon te hebben. Daarenboven in die dagen had geen ander schip in de Nederlandsche zeehavens zeilklaar gelegen, hetwelk dezelfde voordeelen van ruimte, soliditeit en welbezeildheid als deFernandina Maria Emmaaanbood, zoodat hij tot de reis met dien bodem besloten had. Of zijne zorg voor de gemoedsrust zijner dochters gegrond genoemd kon worden?
De twee lieve meisjes stonden daar te midden van dien kring jongelieden, en het viel niet te ontkennen, dat de algemeene bewondering haar deel was. En te recht. Beiden waren lieve slanke ontwikkelde deernen, die veel op elkander geleken, zoo zelfs, dat het duidelijk was, zij een zusterpaar waren, maar die bij nadere beschouwing toch eene verschillende type te bewonderen gaven.
Emma, de oudste bij voorbeeld, eene maagd, die een en twintig lentes telde, was eene bekoorlijke brunette, die hare oostersche afkomst ten volle staafde. Wel was zij ten volle blank, zoo blank als slechts eene volbloed Europeesche schoone wezen kan, maar hare wangen vertoonden dat schelle niet, hetwelk bij zoo menige jonge dame aan een potje karmijn van Rimmel, van Piver of van Pinaud doet denken, en waarbij men de strepen meent te ontdekken des penseels, die de bedriegelijke kleur op de koon bracht. Integendeel het lieve rozenrood harer wangen ging zacht en onmerkbaar in het albastwitte harer huid over, en bracht juist door hare fijne nuanceering den beoefenaar van natuurschoon in verrukking. Haar hoog intelligent voorhoofd was matwit, aan marmer gelijk, aan marmer, waaraan door een grooten beeldhouwer[145]leven en bezieling geschonken zou zijn. Dat voorhoofd werd omgeven door donkerbruine krullen, die het gelaat heerlijk omlijstten, en dartel en weelderig over de goedgevormde schouders op den welgevulden boezem daalden. Hare gelaatstrekken waren overigens niet zoo regelmatig, dat die aan een Griekschen kunstenaar tot model zouden hebben kunnen strekken; maar het oog rustte met welgevallen op dat fraai gevormd neusje, op die fijne geteekende lippen, die wanneer zij zich openden, de fraaiste en witste tanden der wereld lieten zien, en die met hare goed afgeronde wangen en haar heerlijk voorhoofd een geheel vormden, dat niet dan uiterst lieftallig kon genoemd worden. Wat dat gelaat evenwel eene buitengewone aantrekkingskracht verleende, waren de oogen der lieve maagd, welker appels donkerbruin, bij het zwarte af, zich grondeloos diep voordeden voor den gelukkigen, die het gegund was dien blik te peilen, maar overigens dien oogopslag bezaten, die als de zonnestraal opgewektheid en helderheid om zich verspreidde. Slank en heerlijk ontwikkeld, vertoonden hare leest en haar tred eene buitengewone buigzaamheid en veerkracht, en verraadde zij in hare bewegingen eene waarlijk vorstelijke houding, die de bewondering tot vergoding stemde.
Hare zuster Adelien—wij zeiden het reeds—had sprekend hare gelaatstrekken. Het was volkomen dezelfde snede. Alleen gene was eene brunette, deze eene blondine. Zij had denzelfden weelderigen haardos, maar zacht genuanceerd in die heerlijke tint, die de Franschen eigenaardigblond cendrénoemen. Als de wind in die lieve krullen speelde en de uiterst fijne haren eenigszins in de war bracht, dan was het alsof Adeliens voorhoofd door een uiterst ijl wolkje, door iets etherisch omgeven was. Haar blik was niet zoo vurig als die harer zuster; integendeel hare fraaie blauwe oogen hadden[146]iets ijls en iets vochtigs, waardoor zij eenigermate kwijnend van uitdrukking waren, en waardoor ook de scherpte van den oogopslag geheel weggenomen was.
Hare wangen waren, zonder bleek genoemd te kunnen worden, niet zoo levendig getint als die harer zuster, maar waren overdekt met dat uiterst fijne dons, waarmede de koonen der blondinen gewoonlijk prijken, en wat haar zooveel overeenkomst met eene heerlijk ontwikkelde perzik geeft. Ook de houding van Adelien Groenewald was eene geheel andere dan die harer zuster. Hoewel hare leest even buigzaam, haar tred even veerkrachtig was, zoo was daarin toch die waardigheid niet te bespeuren als bij gene. Er was daarentegen iets liefs, iets goedigs, iets innemends in hare houding en bewegingen. Kon de oudere zuster hartstochtelijke bewondering inboezemen, voor Adelien gevoelde ieder, die haar naderde, eene hartelijke toegenegenheid.
Eene kenmerkende eigenaardigheid der beide zusters was, dat zij zeer kleine voetjes hadden, die uitermate smaakvol gechausseerd waren, en mollige, maar fijne lieve handjes, die evenwel bij eene eerste kennismaking met de overige passagiers derFernandina Maria Emmazorgvuldig geganteerd waren.
Hoewel niet tot den kring der bevoorrechte achterdekspassagiers behoorende, stonden toch nog een paar oogen naar de liefelijke verschijning der schoone meisjes te turen. Het waren die van Frank Brinkman, die nog steeds met zijn vriend Herman Riethoven ter hoogte van den grooten mast bij de verschansing stond. De laatstgenoemde stond evenwel in den aanblik verzonken, welke het tafereel, dat zich op de zee ontwikkelde, aanbood; terwijl de andere geen oog afwendde van de liefelijke gestalten, die daar op het achterdek verschenen waren.[147]
„Gelukkige officieren!” zuchtte Frank. „Och, was ik toch ook zoo ver!”
Herman lette op die ontboezeming niet. Zijn blik waarde slechts op de oppervlakte der zee.
„Kijk die loodskotter eens naderen!” riep hij. „Men kan de bemanning aan boord reeds onderscheiden.”
In dat oogenblik trad de scheepsgezagvoerder Butteling op kapitein Van Dam toe, en fluisterde hem eenige woorden in.
„Sergeant Brinkman en sergeant Riethoven, komt eens hier!” riep laatstgenoemde tot de twee onderofficieren.
Beiden haastten zich te gehoorzamen, naderden ongedwongen, en zich als mannen van beschaving voor de dames buigende, den kring der passagiers en stelden zich in onberispelijke militaire houding met de hand aan de klep hunner politiemuts naast elkander voor den kapitein, die een paar passen vooruitgetreden was.
„Wat zijn uwe orders, kapitein?” vroeg Herman, terwijl beiden de oogen met gepaste vrijmoedigheid op hunnen officier vestigden.
„De loods gaat straks het schip verlaten,” sprak kapitein Van Dam, niet zonder welgevallen de twee flinke onderofficieren aankijkende, „en zal de laatste tijding van boord medenemen. Gij sergeant Riethoven zult de brieven van het detachement ophalen, gij sergeant Brinkman die van de passagiers. De derde stuurman zal u die van de equipage ter hand stellen; maakt daarvan beneden in de kerk een pakket, hetwelk behoorlijk verzegeld en geadresseerd moet zijn aan den postmeester te Shoreham, waar de loods landen zal.”
„Tot uwe orders, kapitein!” spraken de beide onderofficieren, maakten onberispelijk rechtsomkeert, en spoedden voort, om de ontvangen bevelen ten uitvoer te brengen.[148]
Herman was in een oogenblik te midden der soldaten van het detachement verdwenen, terwijl Frank zich tot de passagiers wendde. Als bij instinkt vervoegde hij zich eerst tot de heeren van het gezelschap, die naar beneden ijlden om hunne brieven te sluiten. Eindelijk stond hij met de familie Groenewald alleen aan het dek.
„Hebben de dames mij ook brieven te overhandigen, die zij met de post wenschen te verzenden?” vroeg hij met een glimlach op het gelaat aan de jonge meisjes.
„Brieven?” vroeg Emma met eenige voornaamheid in stem en houding.
„Brieven met de post?” vroeg Adelien met hare gewone lieftalligheid, het oog op den rijzigen onder-officier slaande.
„Ja, dames!” antwoordde Frank. „Straks verlaat de loods het schip, en zal de Engelsche kust aandoen, alwaar de brieven op de post zullen gedaan worden. Ziet, de loodskotter is reeds nabij.”
„Een goede gelegenheid om nog aan Klara te schrijven,” juichte Adelien tot hare zuster.
„Ik zou ook nog wel willen schrijven,” zei Emma, terwijl een hooger blosje als gewoonlijk hare wangen verfde.
„Maar, zou er nog tijd zijn?” vroeg Emma aan Frank.
„Veel niet,” antwoordde deze. „De loodskotter nadert al meer en meer.”
„Hoe jammer,” zei Adelien. „Ik heb Klara zooveel te schrijven, ja waarlijk veel.”
„Dat de dames gerust hare correspondentie beginnen,” zeide Frank met een glimlach, „mij is het sluiten van het postpakket opgedragen. Ik zal daarmeê zoolang dralen, totdat ik uwe brieven in ontvangst zal genomen hebben.”
„O, hoe heerlijk!” kreet Adelien. „Maar.…”
„Haast u evenwel,” sprak Frank. „Ziet, de loodskotter nadert, nadert.”[149]
„Juist,” sprak het jonge meisje. „Kom Emma!”
En weg waren zij, den trap af, naar beneden in de kerk, alwaar al de passagiers om de tafel zaten en in hunneschrijverijenverdiept waren. Het waren de laatste afscheidsgroeten, die daar aan ouders, vrienden en bekenden werden toegeroepen. Verscheidene maanden zouden voorbij snellen, zonder dat de opvarenden in de mogelijkheid zouden zijn taal of teeken te geven. Hier en daar werd dan ook een zucht vernomen, hier en daar werd zelfs een traan weggepinkt, soms niet vlug genoeg, om te verhoeden, dat zij op het papier terecht kwam.
Herman had inmiddels aan de hem gedane opdracht bij het detachement gevolg gegeven. Ook daar had de bekendmaking, dat er nog tijdingen met den loods konden medegegeven worden, dezelfde uitwerking als op hetachterdekgehad.
De soldaten hadden evenwel geen kerk, geene kajuit, zelfs geen tafel of stoel ter beschikking om hunne correspondentie te voeren. Het schouwspel, hetwelk thans het dek van deFernandina Maria Emmaaanbood, was hoogst eigenaardig.
Hier lagen ettelijke manschappen, zoo lang als zij waren, op hun buik op den vloer uitgestrekt, en poogden in die houding ijverig de pen te hanteeren. Daar ginds zaten er vier op de voorplecht ijverig te schermen ieder op een vel papier, dat niet al te zindelijk scheen, en waren elkander daarbij niet weinig in den weg. Om het spil stonden er zes op hunne penhouders te bijten, alsof zij de denkbeelden, die zij misten, er uit wilden zuigen. Zelfs een der lippen van het groote anker diende tot schrijftafel. De potdeksels, de trapkappen, de kraanbalken, het bovenvlak der kippen- en varkenshokken waren met scribenten overdekt. Zelfs het dak van het koeienhok was door een schrijflustige, die er op uitgestrekt lag, ingenomen. Cadmus, de vermeende[150]uitvinder van de schrijfkunst, had voorzeker nimmer kunnen bedenken, toen hij de eerste schrede op het gebied der zichtbare mededeeling van de gedachte zette, dat de mensch zich zoo zou kunnen behelpen bij het beoefenen zijner uitvinding!
Frank en Herman hadden een der kippenhokken, die ter hoogte van den bezaansmast stonden, in beslag genomen en stonden daarbij volijverig te schrijven.
Terwijl het meerendeel der opvarenden zich zoo onledig hield, was de loodsboot nabij gekomen. Op een gegeven oogenblik had de equipage op bevel van haren gezagvoerder de eene helft der zeilen tegengebrast36, zoodat het schip nagenoeg bewegingloos lag en geen vaart meer maakte. De loodskotter zette nu een sloepje, een notendopje uit, dat door twee man geroeid, spoedig op zij van het fregat bij den stormtrap aangelegd had. De opvarenden van dat bootje brachten een pak Engelsche couranten aan boord, die het laatste Europeesche nieuws bevatten. De loodskotter was dien eigen morgen van de reede van Brighton gezeild, om in het Kanaal te kruisen. De loods maakte nu aanstalten om het schip te verlaten. Het was belangrijk de hoeveelheden erwten, boonen, zoutvleesch en rookspek, die kapitein Butteling hem uit den scheepsvoorraad geschonken had, en die nu in het sloepje overgingen.
„Zijn de brieven klaar?” vroeg de gezagvoerder aan de beide sergeanten.
Riethoven had zijne inzameling nagenoeg gehouden. Brinkman was in de kerk afgedaald en spoorde daar de briefschrijvers tot spoed aan. Van de heeren, die een voor een naar het dek gingen, had hij de epistels reeds in ontvangst genomen, en wachtte nog slechts op die der dames.
„Gij zult u moeten haasten, dames,” sprak hij, „de loods wordt ongeduldig.”[151]
„Ik haast mij al zooveel ik kan,” antwoordde Emma eenigszins hooghartig. „Ik kan niet vliegen.”
„Nog een oogenblik,” sprak Adelien met innemenden glimlach. „Denk aan uwe belofte van straks, sergeant.”
Frank boog. Inmiddels was Herman met zijne brieven beneden gekomen. Zijn vriend wees op de dames en lei zijn vinger op den mond.
„Waar blijven de brieven?” riep de loods aan den kerktrap.
„Oogenblikkelijk, loods!” riep Frank tot antwoord. „Wij zijn dadelijk met het pakket klaar.”
Na een poos wachtens kwam kapitein Butteling naar beneden.
„Waar blijft het brievenpakket toch?” vroeg hij met eenig ongeduld in de stem aan de onderofficieren. „Gij moest meer voortmaken!”
Met een oogopslag zag hij evenwel hoe hier de zaken geschapen stonden. Hij keerde zich om, ging naar het dek en liet den loods een paar vierkante flesschen jenever geven. Daarmede werd tijd gewonnen. Daarna noodigde hij hem uit tot een afscheidsdronk. De zeebonk liet zich dat geen tweemaal herhalen; hij schoof de beide flesschen in de zakken zijner broekspijpen, die daarin als in een afgrond verdwenen, greep het glas jenever, dat hem stuurman Ellenbaan aanreikte, nam zijne dikke pruim uit den mond, en sprak:
„Nou, kaptein, goeje reis! Daar ga je!”
De kelk Schiedammervocht verdween als in eene goot. De loods veegde zich met den mouw van zijn pijekker den mond af en vroeg:
„Waar, bliksem! blijven de brieven toch?”
„Daar zijn ze, loods,” sprak sergeant Riethoven, terwijl hij hem een lijvig pakket ter hand stelde.
In de kerk had Emma haren brief met eene hoffelijke[152]buiging aan Herman overhandigd. Adelien had voor de beide onderofficieren een vriendelijken glimlach ten beste gehad. Toen zij haren brief overreikte, dankte zij hen met innemende stem en stak hen haar handje toe, dat beiden ongedwongen, maar toch kiesch drukten.
Beiden oogden haar opgetogen na. Toen zij verdwenen was, mompelde Frank:
„Wat een dotje! Wat een dotje!”
Beiden beijverden zich nu het postpakket te sluiten en verschenen daarmede juist op het dek, toen de loods in zijn ongeduld andermaal daarnaar vroeg.
Het postpakket verdween in den afgrond, waarin de vierkante flesschen jenever verzonken waren. De loods reikte een ieder der omstanders een hand.
„Goeje reis!” riep hij, en daalde den stormtrap af.
Nauwelijks had hij plaats in het notendopje genomen, dat hem naar den loodskotter over moest brengen, toen een schril gefluit en verschillende commando’s over het dek weerklonken. De zeilen werden voor den wind gebrast en deFernandina Maria Emmahervatte haren koers als een flink fregat, dat zij was.
Alle opvarenden, zoowel de dames, de officieren en de ambtenaren, als de soldaten en matrozen lagen, over de verschansing gebogen den loods na te staren, die in zijn notedopje naar den loodskotter stevende, en langzamerhand achteruit van het fregat geraakte. Straks was die ruwe zeeman allen aan boord nog onverschillig. Thans oogden hem allen met eene belangstelling na, die niemand trachtte te verhelen. Het was de laatste vaderlander aan boord, die niet mee naar Indië ging. Nu hij weg was, was het alsof de laatste band, die de reizigers aan den geboortegrond verbond, verbroken was.[153]