[Inhoud]IV.In den Atlantischen Oceaan.Lang lagen de opvarenden van deFernandina Maria Emma, nog over de verschansing gebogen naar dat notedopje daar ginds te turen. Voor het bloote oog waren de daarin zittende personen niet meer herkenbaar, en hij of zij, die zich aan het hoogroode en volle gelaat van den loods nog eens wilde vermeien, moest den langen scheepskijker te baat nemen.Eindelijk had het sloepje, dansende op de baren, den loodskotter bereikt, en weldra zag men de mannen overstappen en zeil zetten naar de Engelsche kust.„Morgen avond zijn onze brieven op destinatie,” verzekerde kapitein Butteling.Een zucht, uit veler mond geslaakt, vloog nog over de watervlakte de loodsboot als laatste groet aan Nederland van de opvarenden van deFernandina Maria Emmaachterna. Helaas! die boot was nog maar als een stipje op den waterplas zichtbaar; het duurde niet lang of ook dat stipje was verdwenen.„Bezaanschoot aan!” kommandeerde kapitein Butteling, die de naargeestige stemming, door dat vertrek veroorzaakt, wilde verdrijven, en eigenlijk blij was van de voogdijschap van den loods ontslagen te zijn, en zich nu eerst schipper naast God aan boord van zijn fregat gevoelde.[154]Dat „bezaanschoot aan!” werd èn door soldaten èn door matrozen met gejuich begroet. Stuurman Bagman spoedde naar het victualieruim en verscheen weldra met ettelijke flesschen jenever, waarmede hij zich bij den grooten mast plaatste en daar oorlam uitreikte. Middelerwijl verscheen de hofmeester en presenteerde aan de dames en heeren, een glas port, madera, vermouth of Kaapschen wijn. Allen, niemand uitgezonderd, maakten van het aanbod gebruik, want allen hadden behoefte aan verstrooiing, aan eenige opwekking.Terwijl deFernandina Maria Emmaden loodskotter te gemoet geloopen was, had zij zuidoost aangehouden en was den hoekzak van Havre, waarin zich de Seine, die hoofdader van Frankrijk, ontlast, ingestevend. Zoodra de loods van boord en de zeilen volgebrast waren, stuurde het fregat noord ten westen op, totdat het het eiland Wight genaderd zou zijn.Gedurende dien oversteek bevond men zich in de stoomvaartlijn van Southampton en Portsmouth naar Havre en Cherbourg. Het verkeer scheen er druk te zijn; want nog voor men Wight bereikt had, ontmoette men vier stoombooten, die dampende en snuivende voorbijstoomden. Steeds werd het gewone salut met het vlaggen op en neerhalen gewisseld. Een der booten stevende zoo dicht langs deFernandina Maria Emma, dat de opvarenden van beide schepen elkander met levendige hoerrah’s konden begroeten.„Verscheidene van de reizigers op die boot,” zei luitenant Leidermooi tot Emma Groenewald, die in zijne nabijheid zat, „zullen heden avond hunnedemie tasseop een der boulevards te Parijs slurpen, en waarschijnlijk in hetthéatre Françaiseen der klassieke kunstgewrochten genieten, waardoor de Fransche tooneel-litteratuur zich zoo gunstig onderscheidt.”[155]De fraaie oogen van het schoone meisje schitterden een oogenblik. Zij vroeg evenwel:„Zijt gij zoo ingenomen met de Fransche tooneel-litteratuur, mijnheer Leidermooi? Ik heb er weinig verstand van; maar ik meen toch, dat zij door velen veroordeeld wordt.”„De wufte, de onz.… de minder passende,” hernam de jongman na een korte aarzeling, „die veroordeelt de man of vrouw van smaak terecht. Maar ik sprak van klassieke tooneel-litteratuur en dan moet gij mij toegeven, dat de Fransche aan het hoofd daarvan staat!”„Ik zou op de Engelsche kunnen wijzen, en dan, triomfantelijk Shakespeare aanhalen,” antwoordde, het jonge meisje.„Ik ben er ver van af Shakespeare te miskennen. Zijn Hamlet, zijn Othello bijvoorbeeld, zijn meesterstukken; maar tegenover dien eenen auteur kan Frankrijk er velen stellen, die even verdienstelijk zijn als Shakespeare.”„Even verdienstelijk als Shakespeare?” viel Behren—die in de nabijheid stond, in. „O, dat kunt gijniet meenen!”„Zeker meen ik dat,” hernam Leidermooi met vuur. „Zijn er tooneelstukken gelijk te stellen b.v. aan dePhèdre, aan deIphigenie, aan deAndromaqueen aan deAthalievan Racine; aan deCinna, aan deHeraclius, en aan deHoracesvan Corneille; aan deZaïreen aan deSémiramis, van Voltaire; aan deHenri VIIIvan Chénier; en, om tot den tegenwoordigen tijd over te gaan, aan deHernanivan Victor Hugo?”Emma had Behren met een dankbaren blik begunstigd, toen hij haar te hulp kwam. Toen zij evenwel de opsomming van Leidermooi hoorde, kwamen haar al die meesterstukken voor den geest, die haar gedurende haar[156]verblijf in Europa door een begaafd letterkundige ontvouwd waren. Met een bekoorlijken glimlach antwoordde zij:„Gij zijt een enthousiast, mijnheer Leidermooi; maar ik moet u gelijk geven: de tooneelstukken, die gij aangehaald hebt, zijn onnavolgbaar, wat verhevenheid van gedachte, sierlijkheid van uitdrukking en bevallige versificatie betreft.”De stoomboot, die deze letterkundige uitweiding ontlokte, was reeds ver. De „Fernandina Maria Emma” liep nog steeds op Wight aan. Het eiland begon zich duidelijk voor het ongewapende oog voor te doen. Het fregat viel toen van den wind af en stevende nagenoeg west ten zuiden op. De wind was oost, zoodat alle bovenzeilen flink bol stonden. Alleen de schoot van het grootzeil was omhoog gehaald, om hetfokkezeilgelegenheid te geven vollen dienst te doen.„Loggen!” beval kapitein Butteling, toen het schipvoor denwind liep.De log werd uitgeworpen.„Kijk eens, juffrouw Adelien,” riep Behren, die zooiets nooit gezien had, „ze gaan visschen!”„Vielleicht wohl Kabeljau fangen!” vulde dokter Hannius aan.Adelien proestte het uit. Zij, die reeds eene reis van Batavia naar Nederland gemaakt had, wist wel beter.„Neen, heeren,” zei ze; „daar wordt geen kabeljauw gevischt. Kijk, daar wordt eenvoudig gemeten, hoe snel het schip zich voortbeweegt.”„Dat moeten wij zien,” zeiden Leidermooi, Hannius en Behren tot de twee zusters: „Komt mede, dames.”Zij verdrongen zich weldra om stuurman Ellenbaan, die door een matroos geholpen, bezig met loggen was.„Wel, juffrouw Adelien, wat gebeurt nu,” vroeg Behren met een glimlach.[157]„Kijk,” sprak het meisje, gelukkig ook eens iets voor het sterkere geslacht te kunnen uitleggen. „Kijk, dat is de logrol, welke door dien matroos vastgehouden wordt. Om die rol is de loglijn gewonden en aan het uiteinde dier lijn is een driekant plankje, het logplankje genaamd, bevestigd. Dat plankje ligt thans in zee, en ziet, de stuurman laat de loglijn, die van afstand tot afstand met teekens gemerkt is, door de hand loopen. Die scheepsjongen daar heeft een zandlooper in de hand, die juist eene halve minuut aanwijst. Wanneer het zand in het ondersterecipiëntis overgegaan, dan roept die jongen.…”„Stop!” schreeuwde het kleine kereltje uit al zijn macht.De stuurman klemde de lijn in de hand, bekeek het teeken, dat daar het naaste bij was, wendde zich toen tot den kapitein en riep:„Acht knoopen!”„Wat wil dat nu zeggen, juffrouw Adelien?” vroeg Behren, die er schik in vond, het jonge meisje te hooren uitleggen.„Dat wil zeggen, heeren,” antwoordde het lieve kind, „dat het schip in die halve minuut, door den zandlooper aangegeven, een afstand van 8 × 15,425 M. heeft afgelegd.”„Flink geantwoord,” zei stuurman Ellenbaan met een goedkeurenden glimlach.„En dat dus,” ging het jonge meisje met hare uitlegging voort, „het schip, dat in een heele minuut 8 × 30,85 aflegt en bij constante snelheid in het uur 14808 M. of twee mijlen, derhalve in de wacht 4 × 14808 M. of acht mijlen zal afleggen.”„Bravo! bravo!” riep stuurman Ellenbaan opgetogen. „Juffrouw Groenewald, gij zijt voor zeem.… voor zeevrouw in de wieg gelegd!” verbeterde hij.[158]„Het zou een mooi opgetuigd zeemeerminnetje zijn!” mompelde de matroos, die met den scheepsjongen de loglijn inpalmde. „Maar ze zijn toch nog zoo dom niet die meerminnetjes, als ze wel onder hun tuig liggen.”De beide meisjes schenen die matrozenopmerking gehoord te hebben. Zij gierden het althans uit.„In de wacht! in de wacht!” zei dokter Hannius. „Aber was ist eine Wacht?”„O! wat zijn die moffen dom!” pruttelde Janmaat.„Weet ge dat niet, heer dokter?” vroeg het lieve meisje.„Nein, mein Fräulein,” antwoordde de volger van Esculaap.„Nu dan, luister,” ging het lieve ding met aanminnig snoeperig bekje voort. „Het etmaal aan boord wordt in zes wachten verdeeld, die ieder hare eigen benaming hebben. Van 8–12 uur des ochtends wordt devoormiddagwachtgenoemd. Van 12–4 heet deachtermiddagwacht. Daarop volgt deplatvoet, deeerste wacht, dehondenwachten eindelijk dedagwacht. De hondenwacht is de minst pleizierige, niet waar stuurman?”„Ja, juffrouw, dan is het zoo moeielijk om wakker te blijven,” antwoordde de stuurman lachende.„Als ’n mensch maar zoo’n lieve praatster, die je het loggen leert, tot gezelschap had, dan.…” mompelde de matroos, die eindelijk de loglijn binnen en opgerold had.„Wil jij eens maken dat je vooruitkomt!” gelastte hem de stuurman.Pruttelend, maar met een blik van welgevallen en goedkeuring op het jonge meisje, verwijderde zich Janmaat.„Nog geen gang in,” mompelde kapitein Butteling, toen hij gehoord had, dat zijn schip slechts acht mijlen liep.[159]„Voorlij-zeilspieren uit!… Hijsch lijzeilen!” klonk zijn commando.„Gaat ge er een melkmeisje37van maken?” vroeg kapiteinVanDam aan den gezagvoerder.„Waarachtig niet,” antwoordde kapitein Butteling. „Dat mag ik niet wagen. Te drommel! kijk die lucht eens in het westen werken. Uit dien hoek gaat het blazen. Als het maar niet te vroeg komt. Ik wou, dat ik het Kanaal uit was.”DeFernandina Maria Emmastevende thans langs de zuidkust van Wight. De krijtband, die het hoogland langs het strand omgeeft, was duidelijk zichtbaar. In het midden van het eiland verhief zich een kegelvormige heuvel, op welks top met het gewapende oog eene obelisk ontwaard werd. Het fregat stevende het kleine plaatsje Ventnor voorbij, en iets later Catharina point, waarop zich een kolossale witte vuurtoren verhief. Kapitein Butteling vertelde den passagiers, dat de lantaarn van dien toren zich op 715 Eng. voeten boven de oppervlakte der zee bevond.Toen Wight voorbij gestevend was, werd koers op Start-point gezet. Toen men die kaap dwars vooruit had, werden de lijzeilen ingenomen en zuid-west voorgelegd. Het Kanaal was hier in zijne grootste breedte; men was den Atlantischen Oceaan nabij. In dezelfde rede als het vaarwater breeder werd, verminderde ook het aantal schepen. Bij den heerschenden oostenwind, ontmoette ons fregat geen enkelen tegenlegger. Al de vaartuigen met bestemming naar het Kanaal lagen buiten op de Gronden op gunstigen wind te wachten. De meeleggers hadden allen verschillende bestemmingen, als: naar de Fransche kust, naar het westen, om naar Amerika over te steken. Slechts weinigen zetten koers met deFernandina Maria Emma, en die werden nog door haar geklopt, dat wil zeggen,[160]dat ons fregat hen allen inhaalde en ver achter zich liet. De tijden waren voorbij, dat de Nederlandsche koopvaardijschepen aangehaald konden worden als modellen van logheid, lamlendigheid en onbeholpenheid. Ons fregat was een flink vaartuig, dat gerust den handschoen kon opnemen. Er waren oogenblikken, dat van het dek derFernandina Maria Emmageen enkele kiel meer te ontwaren was. De zeehorizon breidde zich al meer en meer uit. Achter het schip verwijderde de Engelsche kust zich met iedere seconde en zou weldra in de nevelen, die uit het westen langzaam opzetten, verdwijnen. Aan bakboord werden heel in de verte de Normandische eilanden ontwaard.„Het is daar vuil,” zei stuurman Bagman, terwijl hij in de richting dier eilanden wees. „Daarbij liggen de Kiskassen, zeer gevaarlijke klippen, waarop menig zeeman het leven gelaten heeft.”Het was ongeveer vijf uren. De zon was reeds in de nevelbank in het westen verdwenen, zoodat de avond begon te vallen. De hofmeester riep de passagiers aan tafel, waaromtrent niemand rouwig was. Onder den invloed van de oostelijke bries, die nog steeds doorstond, evenwel merkbaar verzwakt was, was de oppervlakte der zee effen en vertoonde geen golven. Het schip lag dan ook zoo stil mogelijk. Alleen uit den vollen oceaan deden zich nu en dan lange deininggolven gevoelen, die het schip zacht optilden en wiegelden. De zeilen verleenden evenwel te veel steun om slingeringen toe te laten; zoodat de passagiers van die bewegingen hoegenaamd geen last hadden. Allen togen dan ook naar beneden en met te meer eetlust, daar bij het vele, wat er in de Hoofden en in het Kanaal te zien en te bewonderen was geweest, niemand zich veel om het ontbijt en om de lunch bekreund had. Men was toen zoo eens een enkele maal ter loops naar beneden gevlogen,[161]had zich een sneedje brood gesmeerd, dat met wat rookvleesch aangekleed en in der haast verorberd, om toch maar niets van het vreemde en aantrekkelijke schouwspel te verliezen.Het was de eerste maal, dat de passagiers thans gezamenlijk dineerden en met scherts vroegen zij elkander af, hoe dikwijls dat zou gebeuren. De tafel werd gepresideerd door kapitein Butteling. Aan zijne rechterzijde noodigde hij mevrouw Groenewald, naast wie hare twee dochters plaats namen. Met een gebaar wees hij kapitein Van Dam plaats aan zijne linkerzijde, terwijl naast dezen in opvolging de heeren Groenewald, Hannius, Slierendrecht en Denniston hunne plaatsen aangewezen werden. Leidermooi was gelukkig genoeg een zetel naast Adelien Groenewald te verkrijgen, terwijl Van Diepbrugge en Behren, naast hem geplaatst waren. Vlak tegenover kapitein Butteling zat de scheepsdokter, die steeds belast was de vleeschgerechten voor te snijden.„Spreid je vilderstalent ten toon, dokter,” was eene vaste ui, waarmede de gezagvoerder hem tot voorsnijden uitnoodigde.Die plaatsing was zeer oordeelkundig door kapitein Butteling geschied, hoewel hij door de jongelieden—de mannelijke namelijk—verdacht werd, te veel het oor geleend te hebben aan een smeekbede van luitenant Leidermooi, hetgeen niet geheel onmogelijk was.Dat eerste diner droeg een uiterst gezellig karakter. De reis stelde zich zoo voorspoedig mogelijk in, men vond elkander zoo goed geassorteerd, de kok had zich zelven overtroffen, alles smaakte althans zoo heerlijk, dat het geen wonder was, dat de heeren bij het dessert een voor een opstonden, en een bezoek brachten aan hun wijnvoorraad in hunne hut, en dat menige toost geslagen werd: door den gezagvoerder op zijne passagiers, door[162]kapitein Van Dam op den Schipper naast God, door luitenant Leidermooi op de dames, door dokter Hannius op das Vaterland,—welk hij bedoelde: het nieuwe of het oude, liet hij in het midden,—door Behrtje op de eensgezindheid, enz. enz. Maar de dronk, welke het meeste toejuiching verwierf, was die van den scheepsdokter Van Pinksteren, waarbij die het gezelschap eene voorspoedige reis en behouden aankomst te Batavia toewenschte. Er kwam geen einde aan het gejuich. Allen zouden en moesten met den goeden Esculaap klinken. Vooral de dames waren hem dankbaar voor zijn dronk. Zoo werden eenige genoegelijke uren gesleten en was het ongeveer negen uur, toen de hofmeester een lekkere kop koffie bracht, met een glaasje Barcelona brandewijn er bij, dat de kenners zich de lippen deed aflikken, zoo lekker was het.Toen de passagiers aan het dek kwamen was het bladstil, geen zuchtje liet zich voelen, deFernandina Maria Emmalag inkatzjammer, zooals de zeelui dat noemen, op de nog steeds zacht aanrollende deining te wiegelen, terwijl hare zeilen, bij iedere beweging met naar geluid tegen de masten klapperden. De hemel was zwart als roet, geen enkele ster schitterde aan het uitspansel en het was zoo donker aan het dek, dat men in den vollen zin des woords geen hand voor oogen kon zien. Alleen daar ginds in het noordoost ten oosten was een licht te zien, dat bij de zwarte duisternis nog al afstak.„Dat is het kustlicht van Ouessant, een klein laag eiland,” verklaarde stuurman Abels, „dat voor het noordwestelijk uiteinde der Fransche provincie Bretagne gelegen is. De Hollandsche matrozen noemen het Heizand. Bij den dans, die straks beginnen gaat, ben ik blij, dat wij dat eilandje te boven zijn.”Een oogenblik later kwam kapitein Butteling aan het[163]dek. Toen hij van tafel opstond, had hij den barometer, die in zijne hut hing, waargenomen, en die had hem niet veel goeds verkondigd. Boven komende liet hij dadelijk alle bovenzeilen, de bram- en bovenbramzeilen aan de beide voorste masten en het kruiszeil en grietje aan den achtermast innemen. Ook werd de bezaan en het grootzeil gegeid. DeFernandina Maria Emmalag nu nog maar onder haren fok, onder hare marszeilen en haar bagijnezeil, terwijl het voorstengstagzeil, de kluiver en de jager, drie driehoekige zeilen, die tot den boegspriet en het kluifhout behoorden, bijgezet bleven, om, bij het invallen der bui, het te zeer oploeven te verhelpen.In die dikke duisternis was het een akelig wachten op de dingen die komen zouden. De vuurtoren van Ouessant geleek een bloederig dreigend oog in den donkeren nacht.Dat duurde zoo omstreeks tot tien uur. Toen liet zich eerst eene zachte bries gevoelen, die uit het noordoosten scheen te komen. Het fregat, dat met klapperende zeilen zonder stuur rondgedobberd, en dat roode licht van Ouessant nu eens voor, dan eens achter, nu eens aan bakboord, dan weer eens aan stuurboordszij gehad had, hervatte den koers, die thans west ten zuiden door kapitein Butteling aangegeven werd.„Dat ’s het begin,” grinnikte stuurman Bagman. „Goddank wij zijn buiten! Laat het nu maar waaien!”Ja, het was het begin. Met iedere seconde wakkerde de wind aan. De zeilen die straks slap hingen en aan vaatdoeken gelijk waren, stonden nu bol en dreven het gevaarte voorwaarts. De wind wakkerde niet alleen aan, hij versprong ook langzamerhand. Hij ruimde, zooals de zeelieden zeggen, totdat hij in het noordwesten gekomen was en begon toen uit alle macht te blazen.[164]Het was een gehuil in het staand en loopend want van het schip, dat het voor de nieuwelingen wezenlijk was om angstig te worden, en werkelijk was het niet zoo donker geweest, dan ware menige bleeke tronie bespeurd geworden, zoowel bij de soldaten als bij de kajuitspassagiers; vooral bij hen die overdag wel iets tartends in de gelaatstrekken vertoond hadden. De drie dames hielden zich als bevaren vrouwen nog het beste; terwijl een glimlach hun gelaat sierde, wanneer zij de eene of andere stem in hare nabijheid angstig hoorden prevelen:„Hoort den wind eens huilen!”Maar de zee begon ook driftig te worden. Er kwam beweging in die wateroppervlakte, die tot nu toe slechts in zachte deining op en neer gegaan was, even alsof een onmetelijk groot monster ademhaalde. De golfjes, want golfjes waren het nog maar, begonnen tegen den scheepsromp te kabbelen. Zij werden evenwel al grooter en grooter, hoewel het nog maar spelen was, dat zij met elkander deden. Daar ginds kuifden zij zich reeds met wit schuim, hetwelk een phosphorisch licht afgaf en bijgevolg in het donker te zien was. Het kabbelen begon op klotsen te gelijken, de golven begonnen te krullen en driftiger op het schip toe te schieten, dat nu ook meer beweging onderging. De koers was nu nagenoeg zuidwest en de wind noordwest, zoodat de golven dwars inkwamen en het schip, al meer en meer deden slingeren. Voor en na was het stil op het dek geworden. Van de luidruchtigheid, die na tafel geheerscht had, was niets meer te bespeuren, en van de passagiers waren alleen de jonge meisjes even opgeruimd gebleven, zoo ook hare ouders en kapitein Van Dam.Helaas, de zeeziekte begon haren scepter te zwaaien. De meeste der jonge mannen liepen het achterdek op en neer en poogden door veel beweging de kwaal te bestrijden.[165]Enkelen lagen op de kajuitskap en bij de meesten was de hoofdgedachte in dit noodlottige uur:„Had ik toch maar aan dat diner, dat mij zoo gesmaakt heeft, niet meegedaan!”Zoo akelig en benauwd gevoelden zij zich.„Ik raad de dames en heeren naar omlaag te gaan,” sprak kapitein Butteling. „Bij zeeziekte is men nergens beter dan in zijn bed. Daarenboven, bij den aanwakkerenden wind zal het niet lang meer duren, of het schip zal water overkrijgen.”Het was alsof de oceaan de woorden van den kapitein wilde bezegelen. Nauwelijks had hij toch zijn volzin geëindigd, toen een groote golf en met steilere wanden dan de vorigen aangestoven kwam. Juist krulde zijn kam, toen hij het scheepsboord genaderd was. Hij brak woedend, klotste, daar het vaartuig den tijd niet had om zich te verheffen, tegen dat boord op en wipte een klein gedeelte van zijne watermassa speelsch over de verschansing, terwijl de wind het fijnverdeelde schuim allen, die daar aan dek waren, in het aangezicht woei.„Help, help!” riep Behren, die vrij akelig gestemd over de verschansing gebogen gelegen en nu dat speelziek golfje vlak achter in den nek gekregen had.Hij was door den schrik, nog meer dan door den druk van het water achterover getuimeld, en lag nu in een plas heen en weer te wentelen, naar mate het schip overhelde of zijn evenwicht hernam.De heer Groenewald had den rampzaligen spoedig gegrepen en overeind geholpen.„Ik ben.… (hik).… door en door.… nat,” kreet Behrtje met naargeestige stem.Hij hikte, alsof de uitbarsting der zeeziekte voor de deur stond.„Het is … (hik)… alsof ik … (hik)… in ’t … water.”[166]„In het water gelegen heb!” vulden de jonge meisjes spottend aan.De apotheker begreep dat de jolige meisjes hem uitlachten. Als het dag ware geweest, dan hadden de lieve kinderen een grimmigen blik kunnen opvangen, dien hij haar toewierp, toen hij voortstrompelde om zich naar beneden te begeven.„Dat ’snummer een!” zei kapitein Van Dam tot de dames.Het begon nu vrij ongezellig aan het dek te worden. Het was er glad en glibberig; terwijl het schip onder den aandrang van wind en golven onrustbarend kon overhellen. Het voorbeeld van Behrtje werd weldra gevolgd. Voor en na verdwenen de jongelieden: eerst Denniston, daarna Slierendrecht, toen Hannius en Van Diepbrugge, die elkander bij die groote reis naar beneden zouden ondersteunen. Leidermooi hield zich nog het beste; maar zijne neerlaag was ook nabij.„Zoo dapper, mijnheer Leidermooi?” vroeg de heer Groenewald aan den jongen luitenant.Helaas! deze wilde zich dapper houden; maar het schip slingerde hem te sterk. Hij was reeds zoover onder den invloed der gevreesde ziekte, dat hij niet spreken durfde, dat het hem gevaarlijk toescheen den mond te openen. Hij antwoordde met een gebaar, hetwelk de heer Groenewald in het donker toch niet zag. Eindelijk werd het hem te erg. Met de hand voor de lippen vloog hij naar de verschansing, plengde daar zijn offer en strompelde toen naar beneden.Van harte lachten hem de beide meisjes uit.„Hebt gij dan niets geen medelijden met den armen jongen?” vroeg haar kapitein Van Dam zelf lachende.„Och, kapitein,” antwoordde Emma, „het is zoo komiek iemand zeeziek te zien.”[167]Het is ontegenzeggelijk, dat zeeziekte aan boord niemand tot deernis stemt. Valt er iemand, kneust hij zich den arm of het been, iedereen schiet toe om hulp te bieden; heeft iemand wat koorts of eenige andere lichte ziekte, dan zullen alle opvarenden zich ter beschikking stellen om de smart te lenigen. Maar is iemand zeeziek, dan ontwaart hij slechts een spottenden glimlach op aller gelaat. Bij niemand eenig medelijden, tenzij bij hen, die zelf eenige aandoeningen beginnen te gevoelen. Het is of die ziekte niets is dan eene verplichte schatting, die de nieuweling aan den God der zee moet brengen. En toch gevoelt de lijder zich zoo vreeselijk naar, zoo akelig, zoo benauwd, dat er oogenblikken zijn, waarin hij om den dood verlangt, en waarin hij zelfmoord zoude plegen, wanneer hem kracht genoeg overgebleven ware om handelend op te treden. Zijne levensopvattingen zijn zoo in de war, hij is zoozeer hulpbehoevend, dat hij bij iedere op en neer gaande beweging van het schip, waarbij het hem is of zijn hoofd geheel leeg is, vermeent, dat het laatste oogenblik daar is en hij reeds in den æther, in een ijleren dampkring vervoerd wordt.Een poos nog stond de familie Groenewald aan het dek te turen. Het licht van Ouessant was reeds lang achteruit aan den horizon verdwenen, en toen de stuurman van de wacht acht glazen sloeg en de eerste wacht door de hondenwacht vervangen werd, ging ook zij naar beneden en werd daarin door kapitein Van Dam gevolgd.Gedurende den nacht was de noordwestenwind nog aangewakkerd. Het was nog wel geen storm, die woei; maar heel veel scheelde het niet. Om het vreeselijk overgaan van het schip met die dwarse zeeën eenigermate[168]te verminderen, was de kapitein genoodzaakt geweest de marszeilen en het bagijnezeil te laten reven; toch liep het schip onder den machtigen aandrang nog ruim elf mijlen.De zeeziekte hield intusschen geducht huis, zoowel in het tusschendek bij de bewoners van het soldatenlogies, als van het achteruit. Slechts weinige der militairen waren door de zoo lastige kwaal gespaard gebleven. Onder die door het noodlot begunstigden bevonden zich Herman Riethoven en Frank Brinkman. Hoe dat kwam, ja daarvan wisten zij zelf geene verklaring te geven, maar er zijn zoo van die gelukkigen, die te midden van de algemeene onpasselijkheid, zich frisch, opgewekt en ongedeerd blijven gevoelen.Toch was er een klein oogenblik gekomen, dat ook hen het hart in het lijf dreigde om te keeren. Toen de zeeziekte haar toppunt bereikte, en daarbeneden in dat tusschendek vele hoofden zich stervensnabij buiten de hangmatten bogen, toen werden daar zoo’n akelig gekreun en zulke wanhopige geluiden vernomen, toen werd de atmospheer daarbeneden, toch al zoo bijzonder frisch niet, met zulke walgelijke zoetzure geuren doortrokken, dat het niet uit te houden was.„Ik ga naar boven,” sprak Frank tot zijn vriend, die naast hem in zijne hangmat hing te wiegelen.Met een sprongetje was hij uit zijne schommelende slaapstede. Hij boog zich onder de anderen door en was blijde dat hij, zonder een cadeautje van een der zeezieken opgeloopen te hebben, den trap bereikt had. In een oogwenk was hij aan dek, alwaar hij al heel spoedig door Herman gevolgd werd. Beide onderofficieren hadden toen een oppertje38gezocht, en dat op aanwijzing der matrozen achter de groote boot gevonden, die tusschen den grooten- en den fokkenmast gesjord[169]stond, en waarboven de koebrug zich uitstrekte.Daar terneer gedoken en voor weer en wind beschut, hadden zij den dag afgewacht. Welke herinneringen waren daar, terwijl de wind door het touwwerk huilend raasde, en de golven daar aan lij bij het overgaan van het schip, aan dek dreigden te spoelen, hunne lippen ontgleden? Voorzeker hadden hunne herinneringen toen vrijen loop genomen. Maastricht, Leiden, Rolduc, Katwijk en Slavante kregen allen een beurt. Ja, vooral Slavante!„Een heerlijk plekje,” verklaarde Frank. „Herinner je je nog ons bezoek aan dien bouwval? Hoe heet dat slot ook weer?”„Lichtenberg,” antwoordde Herman.„Juist, Lichtenberg! Herinner je dat bezoek nog?”„Zou ik mij dat bezoek niet herinneren!” zuchtte Herman. „Het was toen, dat ik Lydia voor het eerst zag.”„Voor het eerst?” vroeg Frank schalks. „De oudste dochter van de beste vriendin van je moeder?”„Nu ja, voor het eerst met menschen-oogen,” antwoordde Herman. „Voor dien tijd bestond zij niet voor mij, was zij slechts een beeld voor mij.”„Toch een zeer fraai beeld! nietwaar?” lachte Frank Brinkman.Herman antwoordde niet, maar zuchtte, en deed eene beweging als stak hij de armen uit.Ook de wederzijdsche ouders kregen eene beurt bij die nachtelijke herinneringen. Helaas! Frank was als wees de wereld ingetrokken. Zijne herinneringen eindigden steeds bij het graf, waarin hij de stoffelijke overblijfselen zijner moeder vroegtijdig, en van zijn vader later had zien nederdalen. Herman wijdde eene gedachte aan hen, die hij verliet.[170]„Als mijne moeder eens,” dacht hij, „dat schip zoo kon zien slingeren, den wind zoo hooren huilen, die golven zoo klotsen en woelen, dan zou wel berouw in het hart der arme vrouw binnensluipen, dat zij den raad, die haar die zwartrokken gegeven hebben, zoo standvastig opgevolgd heeft.”Maar gelukkige jeugd! Na het verleden kreeg de toekomst hare beurt. Na de herinneringen kwamen de droombeelden,les chateaux en Espagne, zooals de Franschen dat noemen. Die droombeelden waren evenwel niet overdreven; zij reikten naar Batavia, naar het land van bestemming. O! de beide jongelingen hadden over het land van belofte zoo veel gelezen, dat het hun niet vreemd zoude voorkomen. Die droombeelden omhelsden hunne toekomstige loopbaan. O! officier worden! Te velde gaan! In Indië wordt immers steeds gevochten. Had men in de laatste tijden geene veldtochten ter Westkust van Borneo gehad ter beteugeling der overmoedige Chineezen, in het Palembangsche ter bestrijding van den hoofdmuiteling Radja Tiang Alam? Het was nog zoo lang niet geleden, dat Djaga Raga op Bali zoo roemrijk stormenderhand genomen was. O! als zij het geluk hadden deel te nemen aan eene expeditie! Zij zouden zich voorzeker heldhaftig gedragen!.… misschien wel de Militaire Willems-Orde verwerven!„Verbeeld je,” sprak Herman geestdriftvol, „dat ik met den sleepsabel op zij en het juweel van Moed, Beleid en Trouw op de borst voor Lydia verschijn.….”„Dan vliegt ze je om den hals!” juichte Frank bij de gedachte. „Dan.… maar.… dan is zij eene dikke matrone geworden, dan vindt je ze omringd van een troep schreeuwende kinderen met vuile neuzen.…”„Schei uit! in Gods naam,” kreetHerman.„Want je kunt eerst verlof krijgen na een verblijf[171]van twaalf jaren in Indië, en in twaalf jaren verandert eene bloeiende maagd gemakkelijk in.….”„Zwijg, wat ik je bidden mag!” smeekte Herman.Zoo praatten de vrienden voort, totdat de dag aan den hemel kwam, en het nachtelijke duister verdreef.[172]
[Inhoud]IV.In den Atlantischen Oceaan.Lang lagen de opvarenden van deFernandina Maria Emma, nog over de verschansing gebogen naar dat notedopje daar ginds te turen. Voor het bloote oog waren de daarin zittende personen niet meer herkenbaar, en hij of zij, die zich aan het hoogroode en volle gelaat van den loods nog eens wilde vermeien, moest den langen scheepskijker te baat nemen.Eindelijk had het sloepje, dansende op de baren, den loodskotter bereikt, en weldra zag men de mannen overstappen en zeil zetten naar de Engelsche kust.„Morgen avond zijn onze brieven op destinatie,” verzekerde kapitein Butteling.Een zucht, uit veler mond geslaakt, vloog nog over de watervlakte de loodsboot als laatste groet aan Nederland van de opvarenden van deFernandina Maria Emmaachterna. Helaas! die boot was nog maar als een stipje op den waterplas zichtbaar; het duurde niet lang of ook dat stipje was verdwenen.„Bezaanschoot aan!” kommandeerde kapitein Butteling, die de naargeestige stemming, door dat vertrek veroorzaakt, wilde verdrijven, en eigenlijk blij was van de voogdijschap van den loods ontslagen te zijn, en zich nu eerst schipper naast God aan boord van zijn fregat gevoelde.[154]Dat „bezaanschoot aan!” werd èn door soldaten èn door matrozen met gejuich begroet. Stuurman Bagman spoedde naar het victualieruim en verscheen weldra met ettelijke flesschen jenever, waarmede hij zich bij den grooten mast plaatste en daar oorlam uitreikte. Middelerwijl verscheen de hofmeester en presenteerde aan de dames en heeren, een glas port, madera, vermouth of Kaapschen wijn. Allen, niemand uitgezonderd, maakten van het aanbod gebruik, want allen hadden behoefte aan verstrooiing, aan eenige opwekking.Terwijl deFernandina Maria Emmaden loodskotter te gemoet geloopen was, had zij zuidoost aangehouden en was den hoekzak van Havre, waarin zich de Seine, die hoofdader van Frankrijk, ontlast, ingestevend. Zoodra de loods van boord en de zeilen volgebrast waren, stuurde het fregat noord ten westen op, totdat het het eiland Wight genaderd zou zijn.Gedurende dien oversteek bevond men zich in de stoomvaartlijn van Southampton en Portsmouth naar Havre en Cherbourg. Het verkeer scheen er druk te zijn; want nog voor men Wight bereikt had, ontmoette men vier stoombooten, die dampende en snuivende voorbijstoomden. Steeds werd het gewone salut met het vlaggen op en neerhalen gewisseld. Een der booten stevende zoo dicht langs deFernandina Maria Emma, dat de opvarenden van beide schepen elkander met levendige hoerrah’s konden begroeten.„Verscheidene van de reizigers op die boot,” zei luitenant Leidermooi tot Emma Groenewald, die in zijne nabijheid zat, „zullen heden avond hunnedemie tasseop een der boulevards te Parijs slurpen, en waarschijnlijk in hetthéatre Françaiseen der klassieke kunstgewrochten genieten, waardoor de Fransche tooneel-litteratuur zich zoo gunstig onderscheidt.”[155]De fraaie oogen van het schoone meisje schitterden een oogenblik. Zij vroeg evenwel:„Zijt gij zoo ingenomen met de Fransche tooneel-litteratuur, mijnheer Leidermooi? Ik heb er weinig verstand van; maar ik meen toch, dat zij door velen veroordeeld wordt.”„De wufte, de onz.… de minder passende,” hernam de jongman na een korte aarzeling, „die veroordeelt de man of vrouw van smaak terecht. Maar ik sprak van klassieke tooneel-litteratuur en dan moet gij mij toegeven, dat de Fransche aan het hoofd daarvan staat!”„Ik zou op de Engelsche kunnen wijzen, en dan, triomfantelijk Shakespeare aanhalen,” antwoordde, het jonge meisje.„Ik ben er ver van af Shakespeare te miskennen. Zijn Hamlet, zijn Othello bijvoorbeeld, zijn meesterstukken; maar tegenover dien eenen auteur kan Frankrijk er velen stellen, die even verdienstelijk zijn als Shakespeare.”„Even verdienstelijk als Shakespeare?” viel Behren—die in de nabijheid stond, in. „O, dat kunt gijniet meenen!”„Zeker meen ik dat,” hernam Leidermooi met vuur. „Zijn er tooneelstukken gelijk te stellen b.v. aan dePhèdre, aan deIphigenie, aan deAndromaqueen aan deAthalievan Racine; aan deCinna, aan deHeraclius, en aan deHoracesvan Corneille; aan deZaïreen aan deSémiramis, van Voltaire; aan deHenri VIIIvan Chénier; en, om tot den tegenwoordigen tijd over te gaan, aan deHernanivan Victor Hugo?”Emma had Behren met een dankbaren blik begunstigd, toen hij haar te hulp kwam. Toen zij evenwel de opsomming van Leidermooi hoorde, kwamen haar al die meesterstukken voor den geest, die haar gedurende haar[156]verblijf in Europa door een begaafd letterkundige ontvouwd waren. Met een bekoorlijken glimlach antwoordde zij:„Gij zijt een enthousiast, mijnheer Leidermooi; maar ik moet u gelijk geven: de tooneelstukken, die gij aangehaald hebt, zijn onnavolgbaar, wat verhevenheid van gedachte, sierlijkheid van uitdrukking en bevallige versificatie betreft.”De stoomboot, die deze letterkundige uitweiding ontlokte, was reeds ver. De „Fernandina Maria Emma” liep nog steeds op Wight aan. Het eiland begon zich duidelijk voor het ongewapende oog voor te doen. Het fregat viel toen van den wind af en stevende nagenoeg west ten zuiden op. De wind was oost, zoodat alle bovenzeilen flink bol stonden. Alleen de schoot van het grootzeil was omhoog gehaald, om hetfokkezeilgelegenheid te geven vollen dienst te doen.„Loggen!” beval kapitein Butteling, toen het schipvoor denwind liep.De log werd uitgeworpen.„Kijk eens, juffrouw Adelien,” riep Behren, die zooiets nooit gezien had, „ze gaan visschen!”„Vielleicht wohl Kabeljau fangen!” vulde dokter Hannius aan.Adelien proestte het uit. Zij, die reeds eene reis van Batavia naar Nederland gemaakt had, wist wel beter.„Neen, heeren,” zei ze; „daar wordt geen kabeljauw gevischt. Kijk, daar wordt eenvoudig gemeten, hoe snel het schip zich voortbeweegt.”„Dat moeten wij zien,” zeiden Leidermooi, Hannius en Behren tot de twee zusters: „Komt mede, dames.”Zij verdrongen zich weldra om stuurman Ellenbaan, die door een matroos geholpen, bezig met loggen was.„Wel, juffrouw Adelien, wat gebeurt nu,” vroeg Behren met een glimlach.[157]„Kijk,” sprak het meisje, gelukkig ook eens iets voor het sterkere geslacht te kunnen uitleggen. „Kijk, dat is de logrol, welke door dien matroos vastgehouden wordt. Om die rol is de loglijn gewonden en aan het uiteinde dier lijn is een driekant plankje, het logplankje genaamd, bevestigd. Dat plankje ligt thans in zee, en ziet, de stuurman laat de loglijn, die van afstand tot afstand met teekens gemerkt is, door de hand loopen. Die scheepsjongen daar heeft een zandlooper in de hand, die juist eene halve minuut aanwijst. Wanneer het zand in het ondersterecipiëntis overgegaan, dan roept die jongen.…”„Stop!” schreeuwde het kleine kereltje uit al zijn macht.De stuurman klemde de lijn in de hand, bekeek het teeken, dat daar het naaste bij was, wendde zich toen tot den kapitein en riep:„Acht knoopen!”„Wat wil dat nu zeggen, juffrouw Adelien?” vroeg Behren, die er schik in vond, het jonge meisje te hooren uitleggen.„Dat wil zeggen, heeren,” antwoordde het lieve kind, „dat het schip in die halve minuut, door den zandlooper aangegeven, een afstand van 8 × 15,425 M. heeft afgelegd.”„Flink geantwoord,” zei stuurman Ellenbaan met een goedkeurenden glimlach.„En dat dus,” ging het jonge meisje met hare uitlegging voort, „het schip, dat in een heele minuut 8 × 30,85 aflegt en bij constante snelheid in het uur 14808 M. of twee mijlen, derhalve in de wacht 4 × 14808 M. of acht mijlen zal afleggen.”„Bravo! bravo!” riep stuurman Ellenbaan opgetogen. „Juffrouw Groenewald, gij zijt voor zeem.… voor zeevrouw in de wieg gelegd!” verbeterde hij.[158]„Het zou een mooi opgetuigd zeemeerminnetje zijn!” mompelde de matroos, die met den scheepsjongen de loglijn inpalmde. „Maar ze zijn toch nog zoo dom niet die meerminnetjes, als ze wel onder hun tuig liggen.”De beide meisjes schenen die matrozenopmerking gehoord te hebben. Zij gierden het althans uit.„In de wacht! in de wacht!” zei dokter Hannius. „Aber was ist eine Wacht?”„O! wat zijn die moffen dom!” pruttelde Janmaat.„Weet ge dat niet, heer dokter?” vroeg het lieve meisje.„Nein, mein Fräulein,” antwoordde de volger van Esculaap.„Nu dan, luister,” ging het lieve ding met aanminnig snoeperig bekje voort. „Het etmaal aan boord wordt in zes wachten verdeeld, die ieder hare eigen benaming hebben. Van 8–12 uur des ochtends wordt devoormiddagwachtgenoemd. Van 12–4 heet deachtermiddagwacht. Daarop volgt deplatvoet, deeerste wacht, dehondenwachten eindelijk dedagwacht. De hondenwacht is de minst pleizierige, niet waar stuurman?”„Ja, juffrouw, dan is het zoo moeielijk om wakker te blijven,” antwoordde de stuurman lachende.„Als ’n mensch maar zoo’n lieve praatster, die je het loggen leert, tot gezelschap had, dan.…” mompelde de matroos, die eindelijk de loglijn binnen en opgerold had.„Wil jij eens maken dat je vooruitkomt!” gelastte hem de stuurman.Pruttelend, maar met een blik van welgevallen en goedkeuring op het jonge meisje, verwijderde zich Janmaat.„Nog geen gang in,” mompelde kapitein Butteling, toen hij gehoord had, dat zijn schip slechts acht mijlen liep.[159]„Voorlij-zeilspieren uit!… Hijsch lijzeilen!” klonk zijn commando.„Gaat ge er een melkmeisje37van maken?” vroeg kapiteinVanDam aan den gezagvoerder.„Waarachtig niet,” antwoordde kapitein Butteling. „Dat mag ik niet wagen. Te drommel! kijk die lucht eens in het westen werken. Uit dien hoek gaat het blazen. Als het maar niet te vroeg komt. Ik wou, dat ik het Kanaal uit was.”DeFernandina Maria Emmastevende thans langs de zuidkust van Wight. De krijtband, die het hoogland langs het strand omgeeft, was duidelijk zichtbaar. In het midden van het eiland verhief zich een kegelvormige heuvel, op welks top met het gewapende oog eene obelisk ontwaard werd. Het fregat stevende het kleine plaatsje Ventnor voorbij, en iets later Catharina point, waarop zich een kolossale witte vuurtoren verhief. Kapitein Butteling vertelde den passagiers, dat de lantaarn van dien toren zich op 715 Eng. voeten boven de oppervlakte der zee bevond.Toen Wight voorbij gestevend was, werd koers op Start-point gezet. Toen men die kaap dwars vooruit had, werden de lijzeilen ingenomen en zuid-west voorgelegd. Het Kanaal was hier in zijne grootste breedte; men was den Atlantischen Oceaan nabij. In dezelfde rede als het vaarwater breeder werd, verminderde ook het aantal schepen. Bij den heerschenden oostenwind, ontmoette ons fregat geen enkelen tegenlegger. Al de vaartuigen met bestemming naar het Kanaal lagen buiten op de Gronden op gunstigen wind te wachten. De meeleggers hadden allen verschillende bestemmingen, als: naar de Fransche kust, naar het westen, om naar Amerika over te steken. Slechts weinigen zetten koers met deFernandina Maria Emma, en die werden nog door haar geklopt, dat wil zeggen,[160]dat ons fregat hen allen inhaalde en ver achter zich liet. De tijden waren voorbij, dat de Nederlandsche koopvaardijschepen aangehaald konden worden als modellen van logheid, lamlendigheid en onbeholpenheid. Ons fregat was een flink vaartuig, dat gerust den handschoen kon opnemen. Er waren oogenblikken, dat van het dek derFernandina Maria Emmageen enkele kiel meer te ontwaren was. De zeehorizon breidde zich al meer en meer uit. Achter het schip verwijderde de Engelsche kust zich met iedere seconde en zou weldra in de nevelen, die uit het westen langzaam opzetten, verdwijnen. Aan bakboord werden heel in de verte de Normandische eilanden ontwaard.„Het is daar vuil,” zei stuurman Bagman, terwijl hij in de richting dier eilanden wees. „Daarbij liggen de Kiskassen, zeer gevaarlijke klippen, waarop menig zeeman het leven gelaten heeft.”Het was ongeveer vijf uren. De zon was reeds in de nevelbank in het westen verdwenen, zoodat de avond begon te vallen. De hofmeester riep de passagiers aan tafel, waaromtrent niemand rouwig was. Onder den invloed van de oostelijke bries, die nog steeds doorstond, evenwel merkbaar verzwakt was, was de oppervlakte der zee effen en vertoonde geen golven. Het schip lag dan ook zoo stil mogelijk. Alleen uit den vollen oceaan deden zich nu en dan lange deininggolven gevoelen, die het schip zacht optilden en wiegelden. De zeilen verleenden evenwel te veel steun om slingeringen toe te laten; zoodat de passagiers van die bewegingen hoegenaamd geen last hadden. Allen togen dan ook naar beneden en met te meer eetlust, daar bij het vele, wat er in de Hoofden en in het Kanaal te zien en te bewonderen was geweest, niemand zich veel om het ontbijt en om de lunch bekreund had. Men was toen zoo eens een enkele maal ter loops naar beneden gevlogen,[161]had zich een sneedje brood gesmeerd, dat met wat rookvleesch aangekleed en in der haast verorberd, om toch maar niets van het vreemde en aantrekkelijke schouwspel te verliezen.Het was de eerste maal, dat de passagiers thans gezamenlijk dineerden en met scherts vroegen zij elkander af, hoe dikwijls dat zou gebeuren. De tafel werd gepresideerd door kapitein Butteling. Aan zijne rechterzijde noodigde hij mevrouw Groenewald, naast wie hare twee dochters plaats namen. Met een gebaar wees hij kapitein Van Dam plaats aan zijne linkerzijde, terwijl naast dezen in opvolging de heeren Groenewald, Hannius, Slierendrecht en Denniston hunne plaatsen aangewezen werden. Leidermooi was gelukkig genoeg een zetel naast Adelien Groenewald te verkrijgen, terwijl Van Diepbrugge en Behren, naast hem geplaatst waren. Vlak tegenover kapitein Butteling zat de scheepsdokter, die steeds belast was de vleeschgerechten voor te snijden.„Spreid je vilderstalent ten toon, dokter,” was eene vaste ui, waarmede de gezagvoerder hem tot voorsnijden uitnoodigde.Die plaatsing was zeer oordeelkundig door kapitein Butteling geschied, hoewel hij door de jongelieden—de mannelijke namelijk—verdacht werd, te veel het oor geleend te hebben aan een smeekbede van luitenant Leidermooi, hetgeen niet geheel onmogelijk was.Dat eerste diner droeg een uiterst gezellig karakter. De reis stelde zich zoo voorspoedig mogelijk in, men vond elkander zoo goed geassorteerd, de kok had zich zelven overtroffen, alles smaakte althans zoo heerlijk, dat het geen wonder was, dat de heeren bij het dessert een voor een opstonden, en een bezoek brachten aan hun wijnvoorraad in hunne hut, en dat menige toost geslagen werd: door den gezagvoerder op zijne passagiers, door[162]kapitein Van Dam op den Schipper naast God, door luitenant Leidermooi op de dames, door dokter Hannius op das Vaterland,—welk hij bedoelde: het nieuwe of het oude, liet hij in het midden,—door Behrtje op de eensgezindheid, enz. enz. Maar de dronk, welke het meeste toejuiching verwierf, was die van den scheepsdokter Van Pinksteren, waarbij die het gezelschap eene voorspoedige reis en behouden aankomst te Batavia toewenschte. Er kwam geen einde aan het gejuich. Allen zouden en moesten met den goeden Esculaap klinken. Vooral de dames waren hem dankbaar voor zijn dronk. Zoo werden eenige genoegelijke uren gesleten en was het ongeveer negen uur, toen de hofmeester een lekkere kop koffie bracht, met een glaasje Barcelona brandewijn er bij, dat de kenners zich de lippen deed aflikken, zoo lekker was het.Toen de passagiers aan het dek kwamen was het bladstil, geen zuchtje liet zich voelen, deFernandina Maria Emmalag inkatzjammer, zooals de zeelui dat noemen, op de nog steeds zacht aanrollende deining te wiegelen, terwijl hare zeilen, bij iedere beweging met naar geluid tegen de masten klapperden. De hemel was zwart als roet, geen enkele ster schitterde aan het uitspansel en het was zoo donker aan het dek, dat men in den vollen zin des woords geen hand voor oogen kon zien. Alleen daar ginds in het noordoost ten oosten was een licht te zien, dat bij de zwarte duisternis nog al afstak.„Dat is het kustlicht van Ouessant, een klein laag eiland,” verklaarde stuurman Abels, „dat voor het noordwestelijk uiteinde der Fransche provincie Bretagne gelegen is. De Hollandsche matrozen noemen het Heizand. Bij den dans, die straks beginnen gaat, ben ik blij, dat wij dat eilandje te boven zijn.”Een oogenblik later kwam kapitein Butteling aan het[163]dek. Toen hij van tafel opstond, had hij den barometer, die in zijne hut hing, waargenomen, en die had hem niet veel goeds verkondigd. Boven komende liet hij dadelijk alle bovenzeilen, de bram- en bovenbramzeilen aan de beide voorste masten en het kruiszeil en grietje aan den achtermast innemen. Ook werd de bezaan en het grootzeil gegeid. DeFernandina Maria Emmalag nu nog maar onder haren fok, onder hare marszeilen en haar bagijnezeil, terwijl het voorstengstagzeil, de kluiver en de jager, drie driehoekige zeilen, die tot den boegspriet en het kluifhout behoorden, bijgezet bleven, om, bij het invallen der bui, het te zeer oploeven te verhelpen.In die dikke duisternis was het een akelig wachten op de dingen die komen zouden. De vuurtoren van Ouessant geleek een bloederig dreigend oog in den donkeren nacht.Dat duurde zoo omstreeks tot tien uur. Toen liet zich eerst eene zachte bries gevoelen, die uit het noordoosten scheen te komen. Het fregat, dat met klapperende zeilen zonder stuur rondgedobberd, en dat roode licht van Ouessant nu eens voor, dan eens achter, nu eens aan bakboord, dan weer eens aan stuurboordszij gehad had, hervatte den koers, die thans west ten zuiden door kapitein Butteling aangegeven werd.„Dat ’s het begin,” grinnikte stuurman Bagman. „Goddank wij zijn buiten! Laat het nu maar waaien!”Ja, het was het begin. Met iedere seconde wakkerde de wind aan. De zeilen die straks slap hingen en aan vaatdoeken gelijk waren, stonden nu bol en dreven het gevaarte voorwaarts. De wind wakkerde niet alleen aan, hij versprong ook langzamerhand. Hij ruimde, zooals de zeelieden zeggen, totdat hij in het noordwesten gekomen was en begon toen uit alle macht te blazen.[164]Het was een gehuil in het staand en loopend want van het schip, dat het voor de nieuwelingen wezenlijk was om angstig te worden, en werkelijk was het niet zoo donker geweest, dan ware menige bleeke tronie bespeurd geworden, zoowel bij de soldaten als bij de kajuitspassagiers; vooral bij hen die overdag wel iets tartends in de gelaatstrekken vertoond hadden. De drie dames hielden zich als bevaren vrouwen nog het beste; terwijl een glimlach hun gelaat sierde, wanneer zij de eene of andere stem in hare nabijheid angstig hoorden prevelen:„Hoort den wind eens huilen!”Maar de zee begon ook driftig te worden. Er kwam beweging in die wateroppervlakte, die tot nu toe slechts in zachte deining op en neer gegaan was, even alsof een onmetelijk groot monster ademhaalde. De golfjes, want golfjes waren het nog maar, begonnen tegen den scheepsromp te kabbelen. Zij werden evenwel al grooter en grooter, hoewel het nog maar spelen was, dat zij met elkander deden. Daar ginds kuifden zij zich reeds met wit schuim, hetwelk een phosphorisch licht afgaf en bijgevolg in het donker te zien was. Het kabbelen begon op klotsen te gelijken, de golven begonnen te krullen en driftiger op het schip toe te schieten, dat nu ook meer beweging onderging. De koers was nu nagenoeg zuidwest en de wind noordwest, zoodat de golven dwars inkwamen en het schip, al meer en meer deden slingeren. Voor en na was het stil op het dek geworden. Van de luidruchtigheid, die na tafel geheerscht had, was niets meer te bespeuren, en van de passagiers waren alleen de jonge meisjes even opgeruimd gebleven, zoo ook hare ouders en kapitein Van Dam.Helaas, de zeeziekte begon haren scepter te zwaaien. De meeste der jonge mannen liepen het achterdek op en neer en poogden door veel beweging de kwaal te bestrijden.[165]Enkelen lagen op de kajuitskap en bij de meesten was de hoofdgedachte in dit noodlottige uur:„Had ik toch maar aan dat diner, dat mij zoo gesmaakt heeft, niet meegedaan!”Zoo akelig en benauwd gevoelden zij zich.„Ik raad de dames en heeren naar omlaag te gaan,” sprak kapitein Butteling. „Bij zeeziekte is men nergens beter dan in zijn bed. Daarenboven, bij den aanwakkerenden wind zal het niet lang meer duren, of het schip zal water overkrijgen.”Het was alsof de oceaan de woorden van den kapitein wilde bezegelen. Nauwelijks had hij toch zijn volzin geëindigd, toen een groote golf en met steilere wanden dan de vorigen aangestoven kwam. Juist krulde zijn kam, toen hij het scheepsboord genaderd was. Hij brak woedend, klotste, daar het vaartuig den tijd niet had om zich te verheffen, tegen dat boord op en wipte een klein gedeelte van zijne watermassa speelsch over de verschansing, terwijl de wind het fijnverdeelde schuim allen, die daar aan dek waren, in het aangezicht woei.„Help, help!” riep Behren, die vrij akelig gestemd over de verschansing gebogen gelegen en nu dat speelziek golfje vlak achter in den nek gekregen had.Hij was door den schrik, nog meer dan door den druk van het water achterover getuimeld, en lag nu in een plas heen en weer te wentelen, naar mate het schip overhelde of zijn evenwicht hernam.De heer Groenewald had den rampzaligen spoedig gegrepen en overeind geholpen.„Ik ben.… (hik).… door en door.… nat,” kreet Behrtje met naargeestige stem.Hij hikte, alsof de uitbarsting der zeeziekte voor de deur stond.„Het is … (hik)… alsof ik … (hik)… in ’t … water.”[166]„In het water gelegen heb!” vulden de jonge meisjes spottend aan.De apotheker begreep dat de jolige meisjes hem uitlachten. Als het dag ware geweest, dan hadden de lieve kinderen een grimmigen blik kunnen opvangen, dien hij haar toewierp, toen hij voortstrompelde om zich naar beneden te begeven.„Dat ’snummer een!” zei kapitein Van Dam tot de dames.Het begon nu vrij ongezellig aan het dek te worden. Het was er glad en glibberig; terwijl het schip onder den aandrang van wind en golven onrustbarend kon overhellen. Het voorbeeld van Behrtje werd weldra gevolgd. Voor en na verdwenen de jongelieden: eerst Denniston, daarna Slierendrecht, toen Hannius en Van Diepbrugge, die elkander bij die groote reis naar beneden zouden ondersteunen. Leidermooi hield zich nog het beste; maar zijne neerlaag was ook nabij.„Zoo dapper, mijnheer Leidermooi?” vroeg de heer Groenewald aan den jongen luitenant.Helaas! deze wilde zich dapper houden; maar het schip slingerde hem te sterk. Hij was reeds zoover onder den invloed der gevreesde ziekte, dat hij niet spreken durfde, dat het hem gevaarlijk toescheen den mond te openen. Hij antwoordde met een gebaar, hetwelk de heer Groenewald in het donker toch niet zag. Eindelijk werd het hem te erg. Met de hand voor de lippen vloog hij naar de verschansing, plengde daar zijn offer en strompelde toen naar beneden.Van harte lachten hem de beide meisjes uit.„Hebt gij dan niets geen medelijden met den armen jongen?” vroeg haar kapitein Van Dam zelf lachende.„Och, kapitein,” antwoordde Emma, „het is zoo komiek iemand zeeziek te zien.”[167]Het is ontegenzeggelijk, dat zeeziekte aan boord niemand tot deernis stemt. Valt er iemand, kneust hij zich den arm of het been, iedereen schiet toe om hulp te bieden; heeft iemand wat koorts of eenige andere lichte ziekte, dan zullen alle opvarenden zich ter beschikking stellen om de smart te lenigen. Maar is iemand zeeziek, dan ontwaart hij slechts een spottenden glimlach op aller gelaat. Bij niemand eenig medelijden, tenzij bij hen, die zelf eenige aandoeningen beginnen te gevoelen. Het is of die ziekte niets is dan eene verplichte schatting, die de nieuweling aan den God der zee moet brengen. En toch gevoelt de lijder zich zoo vreeselijk naar, zoo akelig, zoo benauwd, dat er oogenblikken zijn, waarin hij om den dood verlangt, en waarin hij zelfmoord zoude plegen, wanneer hem kracht genoeg overgebleven ware om handelend op te treden. Zijne levensopvattingen zijn zoo in de war, hij is zoozeer hulpbehoevend, dat hij bij iedere op en neer gaande beweging van het schip, waarbij het hem is of zijn hoofd geheel leeg is, vermeent, dat het laatste oogenblik daar is en hij reeds in den æther, in een ijleren dampkring vervoerd wordt.Een poos nog stond de familie Groenewald aan het dek te turen. Het licht van Ouessant was reeds lang achteruit aan den horizon verdwenen, en toen de stuurman van de wacht acht glazen sloeg en de eerste wacht door de hondenwacht vervangen werd, ging ook zij naar beneden en werd daarin door kapitein Van Dam gevolgd.Gedurende den nacht was de noordwestenwind nog aangewakkerd. Het was nog wel geen storm, die woei; maar heel veel scheelde het niet. Om het vreeselijk overgaan van het schip met die dwarse zeeën eenigermate[168]te verminderen, was de kapitein genoodzaakt geweest de marszeilen en het bagijnezeil te laten reven; toch liep het schip onder den machtigen aandrang nog ruim elf mijlen.De zeeziekte hield intusschen geducht huis, zoowel in het tusschendek bij de bewoners van het soldatenlogies, als van het achteruit. Slechts weinige der militairen waren door de zoo lastige kwaal gespaard gebleven. Onder die door het noodlot begunstigden bevonden zich Herman Riethoven en Frank Brinkman. Hoe dat kwam, ja daarvan wisten zij zelf geene verklaring te geven, maar er zijn zoo van die gelukkigen, die te midden van de algemeene onpasselijkheid, zich frisch, opgewekt en ongedeerd blijven gevoelen.Toch was er een klein oogenblik gekomen, dat ook hen het hart in het lijf dreigde om te keeren. Toen de zeeziekte haar toppunt bereikte, en daarbeneden in dat tusschendek vele hoofden zich stervensnabij buiten de hangmatten bogen, toen werden daar zoo’n akelig gekreun en zulke wanhopige geluiden vernomen, toen werd de atmospheer daarbeneden, toch al zoo bijzonder frisch niet, met zulke walgelijke zoetzure geuren doortrokken, dat het niet uit te houden was.„Ik ga naar boven,” sprak Frank tot zijn vriend, die naast hem in zijne hangmat hing te wiegelen.Met een sprongetje was hij uit zijne schommelende slaapstede. Hij boog zich onder de anderen door en was blijde dat hij, zonder een cadeautje van een der zeezieken opgeloopen te hebben, den trap bereikt had. In een oogwenk was hij aan dek, alwaar hij al heel spoedig door Herman gevolgd werd. Beide onderofficieren hadden toen een oppertje38gezocht, en dat op aanwijzing der matrozen achter de groote boot gevonden, die tusschen den grooten- en den fokkenmast gesjord[169]stond, en waarboven de koebrug zich uitstrekte.Daar terneer gedoken en voor weer en wind beschut, hadden zij den dag afgewacht. Welke herinneringen waren daar, terwijl de wind door het touwwerk huilend raasde, en de golven daar aan lij bij het overgaan van het schip, aan dek dreigden te spoelen, hunne lippen ontgleden? Voorzeker hadden hunne herinneringen toen vrijen loop genomen. Maastricht, Leiden, Rolduc, Katwijk en Slavante kregen allen een beurt. Ja, vooral Slavante!„Een heerlijk plekje,” verklaarde Frank. „Herinner je je nog ons bezoek aan dien bouwval? Hoe heet dat slot ook weer?”„Lichtenberg,” antwoordde Herman.„Juist, Lichtenberg! Herinner je dat bezoek nog?”„Zou ik mij dat bezoek niet herinneren!” zuchtte Herman. „Het was toen, dat ik Lydia voor het eerst zag.”„Voor het eerst?” vroeg Frank schalks. „De oudste dochter van de beste vriendin van je moeder?”„Nu ja, voor het eerst met menschen-oogen,” antwoordde Herman. „Voor dien tijd bestond zij niet voor mij, was zij slechts een beeld voor mij.”„Toch een zeer fraai beeld! nietwaar?” lachte Frank Brinkman.Herman antwoordde niet, maar zuchtte, en deed eene beweging als stak hij de armen uit.Ook de wederzijdsche ouders kregen eene beurt bij die nachtelijke herinneringen. Helaas! Frank was als wees de wereld ingetrokken. Zijne herinneringen eindigden steeds bij het graf, waarin hij de stoffelijke overblijfselen zijner moeder vroegtijdig, en van zijn vader later had zien nederdalen. Herman wijdde eene gedachte aan hen, die hij verliet.[170]„Als mijne moeder eens,” dacht hij, „dat schip zoo kon zien slingeren, den wind zoo hooren huilen, die golven zoo klotsen en woelen, dan zou wel berouw in het hart der arme vrouw binnensluipen, dat zij den raad, die haar die zwartrokken gegeven hebben, zoo standvastig opgevolgd heeft.”Maar gelukkige jeugd! Na het verleden kreeg de toekomst hare beurt. Na de herinneringen kwamen de droombeelden,les chateaux en Espagne, zooals de Franschen dat noemen. Die droombeelden waren evenwel niet overdreven; zij reikten naar Batavia, naar het land van bestemming. O! de beide jongelingen hadden over het land van belofte zoo veel gelezen, dat het hun niet vreemd zoude voorkomen. Die droombeelden omhelsden hunne toekomstige loopbaan. O! officier worden! Te velde gaan! In Indië wordt immers steeds gevochten. Had men in de laatste tijden geene veldtochten ter Westkust van Borneo gehad ter beteugeling der overmoedige Chineezen, in het Palembangsche ter bestrijding van den hoofdmuiteling Radja Tiang Alam? Het was nog zoo lang niet geleden, dat Djaga Raga op Bali zoo roemrijk stormenderhand genomen was. O! als zij het geluk hadden deel te nemen aan eene expeditie! Zij zouden zich voorzeker heldhaftig gedragen!.… misschien wel de Militaire Willems-Orde verwerven!„Verbeeld je,” sprak Herman geestdriftvol, „dat ik met den sleepsabel op zij en het juweel van Moed, Beleid en Trouw op de borst voor Lydia verschijn.….”„Dan vliegt ze je om den hals!” juichte Frank bij de gedachte. „Dan.… maar.… dan is zij eene dikke matrone geworden, dan vindt je ze omringd van een troep schreeuwende kinderen met vuile neuzen.…”„Schei uit! in Gods naam,” kreetHerman.„Want je kunt eerst verlof krijgen na een verblijf[171]van twaalf jaren in Indië, en in twaalf jaren verandert eene bloeiende maagd gemakkelijk in.….”„Zwijg, wat ik je bidden mag!” smeekte Herman.Zoo praatten de vrienden voort, totdat de dag aan den hemel kwam, en het nachtelijke duister verdreef.[172]
[Inhoud]IV.In den Atlantischen Oceaan.Lang lagen de opvarenden van deFernandina Maria Emma, nog over de verschansing gebogen naar dat notedopje daar ginds te turen. Voor het bloote oog waren de daarin zittende personen niet meer herkenbaar, en hij of zij, die zich aan het hoogroode en volle gelaat van den loods nog eens wilde vermeien, moest den langen scheepskijker te baat nemen.Eindelijk had het sloepje, dansende op de baren, den loodskotter bereikt, en weldra zag men de mannen overstappen en zeil zetten naar de Engelsche kust.„Morgen avond zijn onze brieven op destinatie,” verzekerde kapitein Butteling.Een zucht, uit veler mond geslaakt, vloog nog over de watervlakte de loodsboot als laatste groet aan Nederland van de opvarenden van deFernandina Maria Emmaachterna. Helaas! die boot was nog maar als een stipje op den waterplas zichtbaar; het duurde niet lang of ook dat stipje was verdwenen.„Bezaanschoot aan!” kommandeerde kapitein Butteling, die de naargeestige stemming, door dat vertrek veroorzaakt, wilde verdrijven, en eigenlijk blij was van de voogdijschap van den loods ontslagen te zijn, en zich nu eerst schipper naast God aan boord van zijn fregat gevoelde.[154]Dat „bezaanschoot aan!” werd èn door soldaten èn door matrozen met gejuich begroet. Stuurman Bagman spoedde naar het victualieruim en verscheen weldra met ettelijke flesschen jenever, waarmede hij zich bij den grooten mast plaatste en daar oorlam uitreikte. Middelerwijl verscheen de hofmeester en presenteerde aan de dames en heeren, een glas port, madera, vermouth of Kaapschen wijn. Allen, niemand uitgezonderd, maakten van het aanbod gebruik, want allen hadden behoefte aan verstrooiing, aan eenige opwekking.Terwijl deFernandina Maria Emmaden loodskotter te gemoet geloopen was, had zij zuidoost aangehouden en was den hoekzak van Havre, waarin zich de Seine, die hoofdader van Frankrijk, ontlast, ingestevend. Zoodra de loods van boord en de zeilen volgebrast waren, stuurde het fregat noord ten westen op, totdat het het eiland Wight genaderd zou zijn.Gedurende dien oversteek bevond men zich in de stoomvaartlijn van Southampton en Portsmouth naar Havre en Cherbourg. Het verkeer scheen er druk te zijn; want nog voor men Wight bereikt had, ontmoette men vier stoombooten, die dampende en snuivende voorbijstoomden. Steeds werd het gewone salut met het vlaggen op en neerhalen gewisseld. Een der booten stevende zoo dicht langs deFernandina Maria Emma, dat de opvarenden van beide schepen elkander met levendige hoerrah’s konden begroeten.„Verscheidene van de reizigers op die boot,” zei luitenant Leidermooi tot Emma Groenewald, die in zijne nabijheid zat, „zullen heden avond hunnedemie tasseop een der boulevards te Parijs slurpen, en waarschijnlijk in hetthéatre Françaiseen der klassieke kunstgewrochten genieten, waardoor de Fransche tooneel-litteratuur zich zoo gunstig onderscheidt.”[155]De fraaie oogen van het schoone meisje schitterden een oogenblik. Zij vroeg evenwel:„Zijt gij zoo ingenomen met de Fransche tooneel-litteratuur, mijnheer Leidermooi? Ik heb er weinig verstand van; maar ik meen toch, dat zij door velen veroordeeld wordt.”„De wufte, de onz.… de minder passende,” hernam de jongman na een korte aarzeling, „die veroordeelt de man of vrouw van smaak terecht. Maar ik sprak van klassieke tooneel-litteratuur en dan moet gij mij toegeven, dat de Fransche aan het hoofd daarvan staat!”„Ik zou op de Engelsche kunnen wijzen, en dan, triomfantelijk Shakespeare aanhalen,” antwoordde, het jonge meisje.„Ik ben er ver van af Shakespeare te miskennen. Zijn Hamlet, zijn Othello bijvoorbeeld, zijn meesterstukken; maar tegenover dien eenen auteur kan Frankrijk er velen stellen, die even verdienstelijk zijn als Shakespeare.”„Even verdienstelijk als Shakespeare?” viel Behren—die in de nabijheid stond, in. „O, dat kunt gijniet meenen!”„Zeker meen ik dat,” hernam Leidermooi met vuur. „Zijn er tooneelstukken gelijk te stellen b.v. aan dePhèdre, aan deIphigenie, aan deAndromaqueen aan deAthalievan Racine; aan deCinna, aan deHeraclius, en aan deHoracesvan Corneille; aan deZaïreen aan deSémiramis, van Voltaire; aan deHenri VIIIvan Chénier; en, om tot den tegenwoordigen tijd over te gaan, aan deHernanivan Victor Hugo?”Emma had Behren met een dankbaren blik begunstigd, toen hij haar te hulp kwam. Toen zij evenwel de opsomming van Leidermooi hoorde, kwamen haar al die meesterstukken voor den geest, die haar gedurende haar[156]verblijf in Europa door een begaafd letterkundige ontvouwd waren. Met een bekoorlijken glimlach antwoordde zij:„Gij zijt een enthousiast, mijnheer Leidermooi; maar ik moet u gelijk geven: de tooneelstukken, die gij aangehaald hebt, zijn onnavolgbaar, wat verhevenheid van gedachte, sierlijkheid van uitdrukking en bevallige versificatie betreft.”De stoomboot, die deze letterkundige uitweiding ontlokte, was reeds ver. De „Fernandina Maria Emma” liep nog steeds op Wight aan. Het eiland begon zich duidelijk voor het ongewapende oog voor te doen. Het fregat viel toen van den wind af en stevende nagenoeg west ten zuiden op. De wind was oost, zoodat alle bovenzeilen flink bol stonden. Alleen de schoot van het grootzeil was omhoog gehaald, om hetfokkezeilgelegenheid te geven vollen dienst te doen.„Loggen!” beval kapitein Butteling, toen het schipvoor denwind liep.De log werd uitgeworpen.„Kijk eens, juffrouw Adelien,” riep Behren, die zooiets nooit gezien had, „ze gaan visschen!”„Vielleicht wohl Kabeljau fangen!” vulde dokter Hannius aan.Adelien proestte het uit. Zij, die reeds eene reis van Batavia naar Nederland gemaakt had, wist wel beter.„Neen, heeren,” zei ze; „daar wordt geen kabeljauw gevischt. Kijk, daar wordt eenvoudig gemeten, hoe snel het schip zich voortbeweegt.”„Dat moeten wij zien,” zeiden Leidermooi, Hannius en Behren tot de twee zusters: „Komt mede, dames.”Zij verdrongen zich weldra om stuurman Ellenbaan, die door een matroos geholpen, bezig met loggen was.„Wel, juffrouw Adelien, wat gebeurt nu,” vroeg Behren met een glimlach.[157]„Kijk,” sprak het meisje, gelukkig ook eens iets voor het sterkere geslacht te kunnen uitleggen. „Kijk, dat is de logrol, welke door dien matroos vastgehouden wordt. Om die rol is de loglijn gewonden en aan het uiteinde dier lijn is een driekant plankje, het logplankje genaamd, bevestigd. Dat plankje ligt thans in zee, en ziet, de stuurman laat de loglijn, die van afstand tot afstand met teekens gemerkt is, door de hand loopen. Die scheepsjongen daar heeft een zandlooper in de hand, die juist eene halve minuut aanwijst. Wanneer het zand in het ondersterecipiëntis overgegaan, dan roept die jongen.…”„Stop!” schreeuwde het kleine kereltje uit al zijn macht.De stuurman klemde de lijn in de hand, bekeek het teeken, dat daar het naaste bij was, wendde zich toen tot den kapitein en riep:„Acht knoopen!”„Wat wil dat nu zeggen, juffrouw Adelien?” vroeg Behren, die er schik in vond, het jonge meisje te hooren uitleggen.„Dat wil zeggen, heeren,” antwoordde het lieve kind, „dat het schip in die halve minuut, door den zandlooper aangegeven, een afstand van 8 × 15,425 M. heeft afgelegd.”„Flink geantwoord,” zei stuurman Ellenbaan met een goedkeurenden glimlach.„En dat dus,” ging het jonge meisje met hare uitlegging voort, „het schip, dat in een heele minuut 8 × 30,85 aflegt en bij constante snelheid in het uur 14808 M. of twee mijlen, derhalve in de wacht 4 × 14808 M. of acht mijlen zal afleggen.”„Bravo! bravo!” riep stuurman Ellenbaan opgetogen. „Juffrouw Groenewald, gij zijt voor zeem.… voor zeevrouw in de wieg gelegd!” verbeterde hij.[158]„Het zou een mooi opgetuigd zeemeerminnetje zijn!” mompelde de matroos, die met den scheepsjongen de loglijn inpalmde. „Maar ze zijn toch nog zoo dom niet die meerminnetjes, als ze wel onder hun tuig liggen.”De beide meisjes schenen die matrozenopmerking gehoord te hebben. Zij gierden het althans uit.„In de wacht! in de wacht!” zei dokter Hannius. „Aber was ist eine Wacht?”„O! wat zijn die moffen dom!” pruttelde Janmaat.„Weet ge dat niet, heer dokter?” vroeg het lieve meisje.„Nein, mein Fräulein,” antwoordde de volger van Esculaap.„Nu dan, luister,” ging het lieve ding met aanminnig snoeperig bekje voort. „Het etmaal aan boord wordt in zes wachten verdeeld, die ieder hare eigen benaming hebben. Van 8–12 uur des ochtends wordt devoormiddagwachtgenoemd. Van 12–4 heet deachtermiddagwacht. Daarop volgt deplatvoet, deeerste wacht, dehondenwachten eindelijk dedagwacht. De hondenwacht is de minst pleizierige, niet waar stuurman?”„Ja, juffrouw, dan is het zoo moeielijk om wakker te blijven,” antwoordde de stuurman lachende.„Als ’n mensch maar zoo’n lieve praatster, die je het loggen leert, tot gezelschap had, dan.…” mompelde de matroos, die eindelijk de loglijn binnen en opgerold had.„Wil jij eens maken dat je vooruitkomt!” gelastte hem de stuurman.Pruttelend, maar met een blik van welgevallen en goedkeuring op het jonge meisje, verwijderde zich Janmaat.„Nog geen gang in,” mompelde kapitein Butteling, toen hij gehoord had, dat zijn schip slechts acht mijlen liep.[159]„Voorlij-zeilspieren uit!… Hijsch lijzeilen!” klonk zijn commando.„Gaat ge er een melkmeisje37van maken?” vroeg kapiteinVanDam aan den gezagvoerder.„Waarachtig niet,” antwoordde kapitein Butteling. „Dat mag ik niet wagen. Te drommel! kijk die lucht eens in het westen werken. Uit dien hoek gaat het blazen. Als het maar niet te vroeg komt. Ik wou, dat ik het Kanaal uit was.”DeFernandina Maria Emmastevende thans langs de zuidkust van Wight. De krijtband, die het hoogland langs het strand omgeeft, was duidelijk zichtbaar. In het midden van het eiland verhief zich een kegelvormige heuvel, op welks top met het gewapende oog eene obelisk ontwaard werd. Het fregat stevende het kleine plaatsje Ventnor voorbij, en iets later Catharina point, waarop zich een kolossale witte vuurtoren verhief. Kapitein Butteling vertelde den passagiers, dat de lantaarn van dien toren zich op 715 Eng. voeten boven de oppervlakte der zee bevond.Toen Wight voorbij gestevend was, werd koers op Start-point gezet. Toen men die kaap dwars vooruit had, werden de lijzeilen ingenomen en zuid-west voorgelegd. Het Kanaal was hier in zijne grootste breedte; men was den Atlantischen Oceaan nabij. In dezelfde rede als het vaarwater breeder werd, verminderde ook het aantal schepen. Bij den heerschenden oostenwind, ontmoette ons fregat geen enkelen tegenlegger. Al de vaartuigen met bestemming naar het Kanaal lagen buiten op de Gronden op gunstigen wind te wachten. De meeleggers hadden allen verschillende bestemmingen, als: naar de Fransche kust, naar het westen, om naar Amerika over te steken. Slechts weinigen zetten koers met deFernandina Maria Emma, en die werden nog door haar geklopt, dat wil zeggen,[160]dat ons fregat hen allen inhaalde en ver achter zich liet. De tijden waren voorbij, dat de Nederlandsche koopvaardijschepen aangehaald konden worden als modellen van logheid, lamlendigheid en onbeholpenheid. Ons fregat was een flink vaartuig, dat gerust den handschoen kon opnemen. Er waren oogenblikken, dat van het dek derFernandina Maria Emmageen enkele kiel meer te ontwaren was. De zeehorizon breidde zich al meer en meer uit. Achter het schip verwijderde de Engelsche kust zich met iedere seconde en zou weldra in de nevelen, die uit het westen langzaam opzetten, verdwijnen. Aan bakboord werden heel in de verte de Normandische eilanden ontwaard.„Het is daar vuil,” zei stuurman Bagman, terwijl hij in de richting dier eilanden wees. „Daarbij liggen de Kiskassen, zeer gevaarlijke klippen, waarop menig zeeman het leven gelaten heeft.”Het was ongeveer vijf uren. De zon was reeds in de nevelbank in het westen verdwenen, zoodat de avond begon te vallen. De hofmeester riep de passagiers aan tafel, waaromtrent niemand rouwig was. Onder den invloed van de oostelijke bries, die nog steeds doorstond, evenwel merkbaar verzwakt was, was de oppervlakte der zee effen en vertoonde geen golven. Het schip lag dan ook zoo stil mogelijk. Alleen uit den vollen oceaan deden zich nu en dan lange deininggolven gevoelen, die het schip zacht optilden en wiegelden. De zeilen verleenden evenwel te veel steun om slingeringen toe te laten; zoodat de passagiers van die bewegingen hoegenaamd geen last hadden. Allen togen dan ook naar beneden en met te meer eetlust, daar bij het vele, wat er in de Hoofden en in het Kanaal te zien en te bewonderen was geweest, niemand zich veel om het ontbijt en om de lunch bekreund had. Men was toen zoo eens een enkele maal ter loops naar beneden gevlogen,[161]had zich een sneedje brood gesmeerd, dat met wat rookvleesch aangekleed en in der haast verorberd, om toch maar niets van het vreemde en aantrekkelijke schouwspel te verliezen.Het was de eerste maal, dat de passagiers thans gezamenlijk dineerden en met scherts vroegen zij elkander af, hoe dikwijls dat zou gebeuren. De tafel werd gepresideerd door kapitein Butteling. Aan zijne rechterzijde noodigde hij mevrouw Groenewald, naast wie hare twee dochters plaats namen. Met een gebaar wees hij kapitein Van Dam plaats aan zijne linkerzijde, terwijl naast dezen in opvolging de heeren Groenewald, Hannius, Slierendrecht en Denniston hunne plaatsen aangewezen werden. Leidermooi was gelukkig genoeg een zetel naast Adelien Groenewald te verkrijgen, terwijl Van Diepbrugge en Behren, naast hem geplaatst waren. Vlak tegenover kapitein Butteling zat de scheepsdokter, die steeds belast was de vleeschgerechten voor te snijden.„Spreid je vilderstalent ten toon, dokter,” was eene vaste ui, waarmede de gezagvoerder hem tot voorsnijden uitnoodigde.Die plaatsing was zeer oordeelkundig door kapitein Butteling geschied, hoewel hij door de jongelieden—de mannelijke namelijk—verdacht werd, te veel het oor geleend te hebben aan een smeekbede van luitenant Leidermooi, hetgeen niet geheel onmogelijk was.Dat eerste diner droeg een uiterst gezellig karakter. De reis stelde zich zoo voorspoedig mogelijk in, men vond elkander zoo goed geassorteerd, de kok had zich zelven overtroffen, alles smaakte althans zoo heerlijk, dat het geen wonder was, dat de heeren bij het dessert een voor een opstonden, en een bezoek brachten aan hun wijnvoorraad in hunne hut, en dat menige toost geslagen werd: door den gezagvoerder op zijne passagiers, door[162]kapitein Van Dam op den Schipper naast God, door luitenant Leidermooi op de dames, door dokter Hannius op das Vaterland,—welk hij bedoelde: het nieuwe of het oude, liet hij in het midden,—door Behrtje op de eensgezindheid, enz. enz. Maar de dronk, welke het meeste toejuiching verwierf, was die van den scheepsdokter Van Pinksteren, waarbij die het gezelschap eene voorspoedige reis en behouden aankomst te Batavia toewenschte. Er kwam geen einde aan het gejuich. Allen zouden en moesten met den goeden Esculaap klinken. Vooral de dames waren hem dankbaar voor zijn dronk. Zoo werden eenige genoegelijke uren gesleten en was het ongeveer negen uur, toen de hofmeester een lekkere kop koffie bracht, met een glaasje Barcelona brandewijn er bij, dat de kenners zich de lippen deed aflikken, zoo lekker was het.Toen de passagiers aan het dek kwamen was het bladstil, geen zuchtje liet zich voelen, deFernandina Maria Emmalag inkatzjammer, zooals de zeelui dat noemen, op de nog steeds zacht aanrollende deining te wiegelen, terwijl hare zeilen, bij iedere beweging met naar geluid tegen de masten klapperden. De hemel was zwart als roet, geen enkele ster schitterde aan het uitspansel en het was zoo donker aan het dek, dat men in den vollen zin des woords geen hand voor oogen kon zien. Alleen daar ginds in het noordoost ten oosten was een licht te zien, dat bij de zwarte duisternis nog al afstak.„Dat is het kustlicht van Ouessant, een klein laag eiland,” verklaarde stuurman Abels, „dat voor het noordwestelijk uiteinde der Fransche provincie Bretagne gelegen is. De Hollandsche matrozen noemen het Heizand. Bij den dans, die straks beginnen gaat, ben ik blij, dat wij dat eilandje te boven zijn.”Een oogenblik later kwam kapitein Butteling aan het[163]dek. Toen hij van tafel opstond, had hij den barometer, die in zijne hut hing, waargenomen, en die had hem niet veel goeds verkondigd. Boven komende liet hij dadelijk alle bovenzeilen, de bram- en bovenbramzeilen aan de beide voorste masten en het kruiszeil en grietje aan den achtermast innemen. Ook werd de bezaan en het grootzeil gegeid. DeFernandina Maria Emmalag nu nog maar onder haren fok, onder hare marszeilen en haar bagijnezeil, terwijl het voorstengstagzeil, de kluiver en de jager, drie driehoekige zeilen, die tot den boegspriet en het kluifhout behoorden, bijgezet bleven, om, bij het invallen der bui, het te zeer oploeven te verhelpen.In die dikke duisternis was het een akelig wachten op de dingen die komen zouden. De vuurtoren van Ouessant geleek een bloederig dreigend oog in den donkeren nacht.Dat duurde zoo omstreeks tot tien uur. Toen liet zich eerst eene zachte bries gevoelen, die uit het noordoosten scheen te komen. Het fregat, dat met klapperende zeilen zonder stuur rondgedobberd, en dat roode licht van Ouessant nu eens voor, dan eens achter, nu eens aan bakboord, dan weer eens aan stuurboordszij gehad had, hervatte den koers, die thans west ten zuiden door kapitein Butteling aangegeven werd.„Dat ’s het begin,” grinnikte stuurman Bagman. „Goddank wij zijn buiten! Laat het nu maar waaien!”Ja, het was het begin. Met iedere seconde wakkerde de wind aan. De zeilen die straks slap hingen en aan vaatdoeken gelijk waren, stonden nu bol en dreven het gevaarte voorwaarts. De wind wakkerde niet alleen aan, hij versprong ook langzamerhand. Hij ruimde, zooals de zeelieden zeggen, totdat hij in het noordwesten gekomen was en begon toen uit alle macht te blazen.[164]Het was een gehuil in het staand en loopend want van het schip, dat het voor de nieuwelingen wezenlijk was om angstig te worden, en werkelijk was het niet zoo donker geweest, dan ware menige bleeke tronie bespeurd geworden, zoowel bij de soldaten als bij de kajuitspassagiers; vooral bij hen die overdag wel iets tartends in de gelaatstrekken vertoond hadden. De drie dames hielden zich als bevaren vrouwen nog het beste; terwijl een glimlach hun gelaat sierde, wanneer zij de eene of andere stem in hare nabijheid angstig hoorden prevelen:„Hoort den wind eens huilen!”Maar de zee begon ook driftig te worden. Er kwam beweging in die wateroppervlakte, die tot nu toe slechts in zachte deining op en neer gegaan was, even alsof een onmetelijk groot monster ademhaalde. De golfjes, want golfjes waren het nog maar, begonnen tegen den scheepsromp te kabbelen. Zij werden evenwel al grooter en grooter, hoewel het nog maar spelen was, dat zij met elkander deden. Daar ginds kuifden zij zich reeds met wit schuim, hetwelk een phosphorisch licht afgaf en bijgevolg in het donker te zien was. Het kabbelen begon op klotsen te gelijken, de golven begonnen te krullen en driftiger op het schip toe te schieten, dat nu ook meer beweging onderging. De koers was nu nagenoeg zuidwest en de wind noordwest, zoodat de golven dwars inkwamen en het schip, al meer en meer deden slingeren. Voor en na was het stil op het dek geworden. Van de luidruchtigheid, die na tafel geheerscht had, was niets meer te bespeuren, en van de passagiers waren alleen de jonge meisjes even opgeruimd gebleven, zoo ook hare ouders en kapitein Van Dam.Helaas, de zeeziekte begon haren scepter te zwaaien. De meeste der jonge mannen liepen het achterdek op en neer en poogden door veel beweging de kwaal te bestrijden.[165]Enkelen lagen op de kajuitskap en bij de meesten was de hoofdgedachte in dit noodlottige uur:„Had ik toch maar aan dat diner, dat mij zoo gesmaakt heeft, niet meegedaan!”Zoo akelig en benauwd gevoelden zij zich.„Ik raad de dames en heeren naar omlaag te gaan,” sprak kapitein Butteling. „Bij zeeziekte is men nergens beter dan in zijn bed. Daarenboven, bij den aanwakkerenden wind zal het niet lang meer duren, of het schip zal water overkrijgen.”Het was alsof de oceaan de woorden van den kapitein wilde bezegelen. Nauwelijks had hij toch zijn volzin geëindigd, toen een groote golf en met steilere wanden dan de vorigen aangestoven kwam. Juist krulde zijn kam, toen hij het scheepsboord genaderd was. Hij brak woedend, klotste, daar het vaartuig den tijd niet had om zich te verheffen, tegen dat boord op en wipte een klein gedeelte van zijne watermassa speelsch over de verschansing, terwijl de wind het fijnverdeelde schuim allen, die daar aan dek waren, in het aangezicht woei.„Help, help!” riep Behren, die vrij akelig gestemd over de verschansing gebogen gelegen en nu dat speelziek golfje vlak achter in den nek gekregen had.Hij was door den schrik, nog meer dan door den druk van het water achterover getuimeld, en lag nu in een plas heen en weer te wentelen, naar mate het schip overhelde of zijn evenwicht hernam.De heer Groenewald had den rampzaligen spoedig gegrepen en overeind geholpen.„Ik ben.… (hik).… door en door.… nat,” kreet Behrtje met naargeestige stem.Hij hikte, alsof de uitbarsting der zeeziekte voor de deur stond.„Het is … (hik)… alsof ik … (hik)… in ’t … water.”[166]„In het water gelegen heb!” vulden de jonge meisjes spottend aan.De apotheker begreep dat de jolige meisjes hem uitlachten. Als het dag ware geweest, dan hadden de lieve kinderen een grimmigen blik kunnen opvangen, dien hij haar toewierp, toen hij voortstrompelde om zich naar beneden te begeven.„Dat ’snummer een!” zei kapitein Van Dam tot de dames.Het begon nu vrij ongezellig aan het dek te worden. Het was er glad en glibberig; terwijl het schip onder den aandrang van wind en golven onrustbarend kon overhellen. Het voorbeeld van Behrtje werd weldra gevolgd. Voor en na verdwenen de jongelieden: eerst Denniston, daarna Slierendrecht, toen Hannius en Van Diepbrugge, die elkander bij die groote reis naar beneden zouden ondersteunen. Leidermooi hield zich nog het beste; maar zijne neerlaag was ook nabij.„Zoo dapper, mijnheer Leidermooi?” vroeg de heer Groenewald aan den jongen luitenant.Helaas! deze wilde zich dapper houden; maar het schip slingerde hem te sterk. Hij was reeds zoover onder den invloed der gevreesde ziekte, dat hij niet spreken durfde, dat het hem gevaarlijk toescheen den mond te openen. Hij antwoordde met een gebaar, hetwelk de heer Groenewald in het donker toch niet zag. Eindelijk werd het hem te erg. Met de hand voor de lippen vloog hij naar de verschansing, plengde daar zijn offer en strompelde toen naar beneden.Van harte lachten hem de beide meisjes uit.„Hebt gij dan niets geen medelijden met den armen jongen?” vroeg haar kapitein Van Dam zelf lachende.„Och, kapitein,” antwoordde Emma, „het is zoo komiek iemand zeeziek te zien.”[167]Het is ontegenzeggelijk, dat zeeziekte aan boord niemand tot deernis stemt. Valt er iemand, kneust hij zich den arm of het been, iedereen schiet toe om hulp te bieden; heeft iemand wat koorts of eenige andere lichte ziekte, dan zullen alle opvarenden zich ter beschikking stellen om de smart te lenigen. Maar is iemand zeeziek, dan ontwaart hij slechts een spottenden glimlach op aller gelaat. Bij niemand eenig medelijden, tenzij bij hen, die zelf eenige aandoeningen beginnen te gevoelen. Het is of die ziekte niets is dan eene verplichte schatting, die de nieuweling aan den God der zee moet brengen. En toch gevoelt de lijder zich zoo vreeselijk naar, zoo akelig, zoo benauwd, dat er oogenblikken zijn, waarin hij om den dood verlangt, en waarin hij zelfmoord zoude plegen, wanneer hem kracht genoeg overgebleven ware om handelend op te treden. Zijne levensopvattingen zijn zoo in de war, hij is zoozeer hulpbehoevend, dat hij bij iedere op en neer gaande beweging van het schip, waarbij het hem is of zijn hoofd geheel leeg is, vermeent, dat het laatste oogenblik daar is en hij reeds in den æther, in een ijleren dampkring vervoerd wordt.Een poos nog stond de familie Groenewald aan het dek te turen. Het licht van Ouessant was reeds lang achteruit aan den horizon verdwenen, en toen de stuurman van de wacht acht glazen sloeg en de eerste wacht door de hondenwacht vervangen werd, ging ook zij naar beneden en werd daarin door kapitein Van Dam gevolgd.Gedurende den nacht was de noordwestenwind nog aangewakkerd. Het was nog wel geen storm, die woei; maar heel veel scheelde het niet. Om het vreeselijk overgaan van het schip met die dwarse zeeën eenigermate[168]te verminderen, was de kapitein genoodzaakt geweest de marszeilen en het bagijnezeil te laten reven; toch liep het schip onder den machtigen aandrang nog ruim elf mijlen.De zeeziekte hield intusschen geducht huis, zoowel in het tusschendek bij de bewoners van het soldatenlogies, als van het achteruit. Slechts weinige der militairen waren door de zoo lastige kwaal gespaard gebleven. Onder die door het noodlot begunstigden bevonden zich Herman Riethoven en Frank Brinkman. Hoe dat kwam, ja daarvan wisten zij zelf geene verklaring te geven, maar er zijn zoo van die gelukkigen, die te midden van de algemeene onpasselijkheid, zich frisch, opgewekt en ongedeerd blijven gevoelen.Toch was er een klein oogenblik gekomen, dat ook hen het hart in het lijf dreigde om te keeren. Toen de zeeziekte haar toppunt bereikte, en daarbeneden in dat tusschendek vele hoofden zich stervensnabij buiten de hangmatten bogen, toen werden daar zoo’n akelig gekreun en zulke wanhopige geluiden vernomen, toen werd de atmospheer daarbeneden, toch al zoo bijzonder frisch niet, met zulke walgelijke zoetzure geuren doortrokken, dat het niet uit te houden was.„Ik ga naar boven,” sprak Frank tot zijn vriend, die naast hem in zijne hangmat hing te wiegelen.Met een sprongetje was hij uit zijne schommelende slaapstede. Hij boog zich onder de anderen door en was blijde dat hij, zonder een cadeautje van een der zeezieken opgeloopen te hebben, den trap bereikt had. In een oogwenk was hij aan dek, alwaar hij al heel spoedig door Herman gevolgd werd. Beide onderofficieren hadden toen een oppertje38gezocht, en dat op aanwijzing der matrozen achter de groote boot gevonden, die tusschen den grooten- en den fokkenmast gesjord[169]stond, en waarboven de koebrug zich uitstrekte.Daar terneer gedoken en voor weer en wind beschut, hadden zij den dag afgewacht. Welke herinneringen waren daar, terwijl de wind door het touwwerk huilend raasde, en de golven daar aan lij bij het overgaan van het schip, aan dek dreigden te spoelen, hunne lippen ontgleden? Voorzeker hadden hunne herinneringen toen vrijen loop genomen. Maastricht, Leiden, Rolduc, Katwijk en Slavante kregen allen een beurt. Ja, vooral Slavante!„Een heerlijk plekje,” verklaarde Frank. „Herinner je je nog ons bezoek aan dien bouwval? Hoe heet dat slot ook weer?”„Lichtenberg,” antwoordde Herman.„Juist, Lichtenberg! Herinner je dat bezoek nog?”„Zou ik mij dat bezoek niet herinneren!” zuchtte Herman. „Het was toen, dat ik Lydia voor het eerst zag.”„Voor het eerst?” vroeg Frank schalks. „De oudste dochter van de beste vriendin van je moeder?”„Nu ja, voor het eerst met menschen-oogen,” antwoordde Herman. „Voor dien tijd bestond zij niet voor mij, was zij slechts een beeld voor mij.”„Toch een zeer fraai beeld! nietwaar?” lachte Frank Brinkman.Herman antwoordde niet, maar zuchtte, en deed eene beweging als stak hij de armen uit.Ook de wederzijdsche ouders kregen eene beurt bij die nachtelijke herinneringen. Helaas! Frank was als wees de wereld ingetrokken. Zijne herinneringen eindigden steeds bij het graf, waarin hij de stoffelijke overblijfselen zijner moeder vroegtijdig, en van zijn vader later had zien nederdalen. Herman wijdde eene gedachte aan hen, die hij verliet.[170]„Als mijne moeder eens,” dacht hij, „dat schip zoo kon zien slingeren, den wind zoo hooren huilen, die golven zoo klotsen en woelen, dan zou wel berouw in het hart der arme vrouw binnensluipen, dat zij den raad, die haar die zwartrokken gegeven hebben, zoo standvastig opgevolgd heeft.”Maar gelukkige jeugd! Na het verleden kreeg de toekomst hare beurt. Na de herinneringen kwamen de droombeelden,les chateaux en Espagne, zooals de Franschen dat noemen. Die droombeelden waren evenwel niet overdreven; zij reikten naar Batavia, naar het land van bestemming. O! de beide jongelingen hadden over het land van belofte zoo veel gelezen, dat het hun niet vreemd zoude voorkomen. Die droombeelden omhelsden hunne toekomstige loopbaan. O! officier worden! Te velde gaan! In Indië wordt immers steeds gevochten. Had men in de laatste tijden geene veldtochten ter Westkust van Borneo gehad ter beteugeling der overmoedige Chineezen, in het Palembangsche ter bestrijding van den hoofdmuiteling Radja Tiang Alam? Het was nog zoo lang niet geleden, dat Djaga Raga op Bali zoo roemrijk stormenderhand genomen was. O! als zij het geluk hadden deel te nemen aan eene expeditie! Zij zouden zich voorzeker heldhaftig gedragen!.… misschien wel de Militaire Willems-Orde verwerven!„Verbeeld je,” sprak Herman geestdriftvol, „dat ik met den sleepsabel op zij en het juweel van Moed, Beleid en Trouw op de borst voor Lydia verschijn.….”„Dan vliegt ze je om den hals!” juichte Frank bij de gedachte. „Dan.… maar.… dan is zij eene dikke matrone geworden, dan vindt je ze omringd van een troep schreeuwende kinderen met vuile neuzen.…”„Schei uit! in Gods naam,” kreetHerman.„Want je kunt eerst verlof krijgen na een verblijf[171]van twaalf jaren in Indië, en in twaalf jaren verandert eene bloeiende maagd gemakkelijk in.….”„Zwijg, wat ik je bidden mag!” smeekte Herman.Zoo praatten de vrienden voort, totdat de dag aan den hemel kwam, en het nachtelijke duister verdreef.[172]
IV.In den Atlantischen Oceaan.
Lang lagen de opvarenden van deFernandina Maria Emma, nog over de verschansing gebogen naar dat notedopje daar ginds te turen. Voor het bloote oog waren de daarin zittende personen niet meer herkenbaar, en hij of zij, die zich aan het hoogroode en volle gelaat van den loods nog eens wilde vermeien, moest den langen scheepskijker te baat nemen.Eindelijk had het sloepje, dansende op de baren, den loodskotter bereikt, en weldra zag men de mannen overstappen en zeil zetten naar de Engelsche kust.„Morgen avond zijn onze brieven op destinatie,” verzekerde kapitein Butteling.Een zucht, uit veler mond geslaakt, vloog nog over de watervlakte de loodsboot als laatste groet aan Nederland van de opvarenden van deFernandina Maria Emmaachterna. Helaas! die boot was nog maar als een stipje op den waterplas zichtbaar; het duurde niet lang of ook dat stipje was verdwenen.„Bezaanschoot aan!” kommandeerde kapitein Butteling, die de naargeestige stemming, door dat vertrek veroorzaakt, wilde verdrijven, en eigenlijk blij was van de voogdijschap van den loods ontslagen te zijn, en zich nu eerst schipper naast God aan boord van zijn fregat gevoelde.[154]Dat „bezaanschoot aan!” werd èn door soldaten èn door matrozen met gejuich begroet. Stuurman Bagman spoedde naar het victualieruim en verscheen weldra met ettelijke flesschen jenever, waarmede hij zich bij den grooten mast plaatste en daar oorlam uitreikte. Middelerwijl verscheen de hofmeester en presenteerde aan de dames en heeren, een glas port, madera, vermouth of Kaapschen wijn. Allen, niemand uitgezonderd, maakten van het aanbod gebruik, want allen hadden behoefte aan verstrooiing, aan eenige opwekking.Terwijl deFernandina Maria Emmaden loodskotter te gemoet geloopen was, had zij zuidoost aangehouden en was den hoekzak van Havre, waarin zich de Seine, die hoofdader van Frankrijk, ontlast, ingestevend. Zoodra de loods van boord en de zeilen volgebrast waren, stuurde het fregat noord ten westen op, totdat het het eiland Wight genaderd zou zijn.Gedurende dien oversteek bevond men zich in de stoomvaartlijn van Southampton en Portsmouth naar Havre en Cherbourg. Het verkeer scheen er druk te zijn; want nog voor men Wight bereikt had, ontmoette men vier stoombooten, die dampende en snuivende voorbijstoomden. Steeds werd het gewone salut met het vlaggen op en neerhalen gewisseld. Een der booten stevende zoo dicht langs deFernandina Maria Emma, dat de opvarenden van beide schepen elkander met levendige hoerrah’s konden begroeten.„Verscheidene van de reizigers op die boot,” zei luitenant Leidermooi tot Emma Groenewald, die in zijne nabijheid zat, „zullen heden avond hunnedemie tasseop een der boulevards te Parijs slurpen, en waarschijnlijk in hetthéatre Françaiseen der klassieke kunstgewrochten genieten, waardoor de Fransche tooneel-litteratuur zich zoo gunstig onderscheidt.”[155]De fraaie oogen van het schoone meisje schitterden een oogenblik. Zij vroeg evenwel:„Zijt gij zoo ingenomen met de Fransche tooneel-litteratuur, mijnheer Leidermooi? Ik heb er weinig verstand van; maar ik meen toch, dat zij door velen veroordeeld wordt.”„De wufte, de onz.… de minder passende,” hernam de jongman na een korte aarzeling, „die veroordeelt de man of vrouw van smaak terecht. Maar ik sprak van klassieke tooneel-litteratuur en dan moet gij mij toegeven, dat de Fransche aan het hoofd daarvan staat!”„Ik zou op de Engelsche kunnen wijzen, en dan, triomfantelijk Shakespeare aanhalen,” antwoordde, het jonge meisje.„Ik ben er ver van af Shakespeare te miskennen. Zijn Hamlet, zijn Othello bijvoorbeeld, zijn meesterstukken; maar tegenover dien eenen auteur kan Frankrijk er velen stellen, die even verdienstelijk zijn als Shakespeare.”„Even verdienstelijk als Shakespeare?” viel Behren—die in de nabijheid stond, in. „O, dat kunt gijniet meenen!”„Zeker meen ik dat,” hernam Leidermooi met vuur. „Zijn er tooneelstukken gelijk te stellen b.v. aan dePhèdre, aan deIphigenie, aan deAndromaqueen aan deAthalievan Racine; aan deCinna, aan deHeraclius, en aan deHoracesvan Corneille; aan deZaïreen aan deSémiramis, van Voltaire; aan deHenri VIIIvan Chénier; en, om tot den tegenwoordigen tijd over te gaan, aan deHernanivan Victor Hugo?”Emma had Behren met een dankbaren blik begunstigd, toen hij haar te hulp kwam. Toen zij evenwel de opsomming van Leidermooi hoorde, kwamen haar al die meesterstukken voor den geest, die haar gedurende haar[156]verblijf in Europa door een begaafd letterkundige ontvouwd waren. Met een bekoorlijken glimlach antwoordde zij:„Gij zijt een enthousiast, mijnheer Leidermooi; maar ik moet u gelijk geven: de tooneelstukken, die gij aangehaald hebt, zijn onnavolgbaar, wat verhevenheid van gedachte, sierlijkheid van uitdrukking en bevallige versificatie betreft.”De stoomboot, die deze letterkundige uitweiding ontlokte, was reeds ver. De „Fernandina Maria Emma” liep nog steeds op Wight aan. Het eiland begon zich duidelijk voor het ongewapende oog voor te doen. Het fregat viel toen van den wind af en stevende nagenoeg west ten zuiden op. De wind was oost, zoodat alle bovenzeilen flink bol stonden. Alleen de schoot van het grootzeil was omhoog gehaald, om hetfokkezeilgelegenheid te geven vollen dienst te doen.„Loggen!” beval kapitein Butteling, toen het schipvoor denwind liep.De log werd uitgeworpen.„Kijk eens, juffrouw Adelien,” riep Behren, die zooiets nooit gezien had, „ze gaan visschen!”„Vielleicht wohl Kabeljau fangen!” vulde dokter Hannius aan.Adelien proestte het uit. Zij, die reeds eene reis van Batavia naar Nederland gemaakt had, wist wel beter.„Neen, heeren,” zei ze; „daar wordt geen kabeljauw gevischt. Kijk, daar wordt eenvoudig gemeten, hoe snel het schip zich voortbeweegt.”„Dat moeten wij zien,” zeiden Leidermooi, Hannius en Behren tot de twee zusters: „Komt mede, dames.”Zij verdrongen zich weldra om stuurman Ellenbaan, die door een matroos geholpen, bezig met loggen was.„Wel, juffrouw Adelien, wat gebeurt nu,” vroeg Behren met een glimlach.[157]„Kijk,” sprak het meisje, gelukkig ook eens iets voor het sterkere geslacht te kunnen uitleggen. „Kijk, dat is de logrol, welke door dien matroos vastgehouden wordt. Om die rol is de loglijn gewonden en aan het uiteinde dier lijn is een driekant plankje, het logplankje genaamd, bevestigd. Dat plankje ligt thans in zee, en ziet, de stuurman laat de loglijn, die van afstand tot afstand met teekens gemerkt is, door de hand loopen. Die scheepsjongen daar heeft een zandlooper in de hand, die juist eene halve minuut aanwijst. Wanneer het zand in het ondersterecipiëntis overgegaan, dan roept die jongen.…”„Stop!” schreeuwde het kleine kereltje uit al zijn macht.De stuurman klemde de lijn in de hand, bekeek het teeken, dat daar het naaste bij was, wendde zich toen tot den kapitein en riep:„Acht knoopen!”„Wat wil dat nu zeggen, juffrouw Adelien?” vroeg Behren, die er schik in vond, het jonge meisje te hooren uitleggen.„Dat wil zeggen, heeren,” antwoordde het lieve kind, „dat het schip in die halve minuut, door den zandlooper aangegeven, een afstand van 8 × 15,425 M. heeft afgelegd.”„Flink geantwoord,” zei stuurman Ellenbaan met een goedkeurenden glimlach.„En dat dus,” ging het jonge meisje met hare uitlegging voort, „het schip, dat in een heele minuut 8 × 30,85 aflegt en bij constante snelheid in het uur 14808 M. of twee mijlen, derhalve in de wacht 4 × 14808 M. of acht mijlen zal afleggen.”„Bravo! bravo!” riep stuurman Ellenbaan opgetogen. „Juffrouw Groenewald, gij zijt voor zeem.… voor zeevrouw in de wieg gelegd!” verbeterde hij.[158]„Het zou een mooi opgetuigd zeemeerminnetje zijn!” mompelde de matroos, die met den scheepsjongen de loglijn inpalmde. „Maar ze zijn toch nog zoo dom niet die meerminnetjes, als ze wel onder hun tuig liggen.”De beide meisjes schenen die matrozenopmerking gehoord te hebben. Zij gierden het althans uit.„In de wacht! in de wacht!” zei dokter Hannius. „Aber was ist eine Wacht?”„O! wat zijn die moffen dom!” pruttelde Janmaat.„Weet ge dat niet, heer dokter?” vroeg het lieve meisje.„Nein, mein Fräulein,” antwoordde de volger van Esculaap.„Nu dan, luister,” ging het lieve ding met aanminnig snoeperig bekje voort. „Het etmaal aan boord wordt in zes wachten verdeeld, die ieder hare eigen benaming hebben. Van 8–12 uur des ochtends wordt devoormiddagwachtgenoemd. Van 12–4 heet deachtermiddagwacht. Daarop volgt deplatvoet, deeerste wacht, dehondenwachten eindelijk dedagwacht. De hondenwacht is de minst pleizierige, niet waar stuurman?”„Ja, juffrouw, dan is het zoo moeielijk om wakker te blijven,” antwoordde de stuurman lachende.„Als ’n mensch maar zoo’n lieve praatster, die je het loggen leert, tot gezelschap had, dan.…” mompelde de matroos, die eindelijk de loglijn binnen en opgerold had.„Wil jij eens maken dat je vooruitkomt!” gelastte hem de stuurman.Pruttelend, maar met een blik van welgevallen en goedkeuring op het jonge meisje, verwijderde zich Janmaat.„Nog geen gang in,” mompelde kapitein Butteling, toen hij gehoord had, dat zijn schip slechts acht mijlen liep.[159]„Voorlij-zeilspieren uit!… Hijsch lijzeilen!” klonk zijn commando.„Gaat ge er een melkmeisje37van maken?” vroeg kapiteinVanDam aan den gezagvoerder.„Waarachtig niet,” antwoordde kapitein Butteling. „Dat mag ik niet wagen. Te drommel! kijk die lucht eens in het westen werken. Uit dien hoek gaat het blazen. Als het maar niet te vroeg komt. Ik wou, dat ik het Kanaal uit was.”DeFernandina Maria Emmastevende thans langs de zuidkust van Wight. De krijtband, die het hoogland langs het strand omgeeft, was duidelijk zichtbaar. In het midden van het eiland verhief zich een kegelvormige heuvel, op welks top met het gewapende oog eene obelisk ontwaard werd. Het fregat stevende het kleine plaatsje Ventnor voorbij, en iets later Catharina point, waarop zich een kolossale witte vuurtoren verhief. Kapitein Butteling vertelde den passagiers, dat de lantaarn van dien toren zich op 715 Eng. voeten boven de oppervlakte der zee bevond.Toen Wight voorbij gestevend was, werd koers op Start-point gezet. Toen men die kaap dwars vooruit had, werden de lijzeilen ingenomen en zuid-west voorgelegd. Het Kanaal was hier in zijne grootste breedte; men was den Atlantischen Oceaan nabij. In dezelfde rede als het vaarwater breeder werd, verminderde ook het aantal schepen. Bij den heerschenden oostenwind, ontmoette ons fregat geen enkelen tegenlegger. Al de vaartuigen met bestemming naar het Kanaal lagen buiten op de Gronden op gunstigen wind te wachten. De meeleggers hadden allen verschillende bestemmingen, als: naar de Fransche kust, naar het westen, om naar Amerika over te steken. Slechts weinigen zetten koers met deFernandina Maria Emma, en die werden nog door haar geklopt, dat wil zeggen,[160]dat ons fregat hen allen inhaalde en ver achter zich liet. De tijden waren voorbij, dat de Nederlandsche koopvaardijschepen aangehaald konden worden als modellen van logheid, lamlendigheid en onbeholpenheid. Ons fregat was een flink vaartuig, dat gerust den handschoen kon opnemen. Er waren oogenblikken, dat van het dek derFernandina Maria Emmageen enkele kiel meer te ontwaren was. De zeehorizon breidde zich al meer en meer uit. Achter het schip verwijderde de Engelsche kust zich met iedere seconde en zou weldra in de nevelen, die uit het westen langzaam opzetten, verdwijnen. Aan bakboord werden heel in de verte de Normandische eilanden ontwaard.„Het is daar vuil,” zei stuurman Bagman, terwijl hij in de richting dier eilanden wees. „Daarbij liggen de Kiskassen, zeer gevaarlijke klippen, waarop menig zeeman het leven gelaten heeft.”Het was ongeveer vijf uren. De zon was reeds in de nevelbank in het westen verdwenen, zoodat de avond begon te vallen. De hofmeester riep de passagiers aan tafel, waaromtrent niemand rouwig was. Onder den invloed van de oostelijke bries, die nog steeds doorstond, evenwel merkbaar verzwakt was, was de oppervlakte der zee effen en vertoonde geen golven. Het schip lag dan ook zoo stil mogelijk. Alleen uit den vollen oceaan deden zich nu en dan lange deininggolven gevoelen, die het schip zacht optilden en wiegelden. De zeilen verleenden evenwel te veel steun om slingeringen toe te laten; zoodat de passagiers van die bewegingen hoegenaamd geen last hadden. Allen togen dan ook naar beneden en met te meer eetlust, daar bij het vele, wat er in de Hoofden en in het Kanaal te zien en te bewonderen was geweest, niemand zich veel om het ontbijt en om de lunch bekreund had. Men was toen zoo eens een enkele maal ter loops naar beneden gevlogen,[161]had zich een sneedje brood gesmeerd, dat met wat rookvleesch aangekleed en in der haast verorberd, om toch maar niets van het vreemde en aantrekkelijke schouwspel te verliezen.Het was de eerste maal, dat de passagiers thans gezamenlijk dineerden en met scherts vroegen zij elkander af, hoe dikwijls dat zou gebeuren. De tafel werd gepresideerd door kapitein Butteling. Aan zijne rechterzijde noodigde hij mevrouw Groenewald, naast wie hare twee dochters plaats namen. Met een gebaar wees hij kapitein Van Dam plaats aan zijne linkerzijde, terwijl naast dezen in opvolging de heeren Groenewald, Hannius, Slierendrecht en Denniston hunne plaatsen aangewezen werden. Leidermooi was gelukkig genoeg een zetel naast Adelien Groenewald te verkrijgen, terwijl Van Diepbrugge en Behren, naast hem geplaatst waren. Vlak tegenover kapitein Butteling zat de scheepsdokter, die steeds belast was de vleeschgerechten voor te snijden.„Spreid je vilderstalent ten toon, dokter,” was eene vaste ui, waarmede de gezagvoerder hem tot voorsnijden uitnoodigde.Die plaatsing was zeer oordeelkundig door kapitein Butteling geschied, hoewel hij door de jongelieden—de mannelijke namelijk—verdacht werd, te veel het oor geleend te hebben aan een smeekbede van luitenant Leidermooi, hetgeen niet geheel onmogelijk was.Dat eerste diner droeg een uiterst gezellig karakter. De reis stelde zich zoo voorspoedig mogelijk in, men vond elkander zoo goed geassorteerd, de kok had zich zelven overtroffen, alles smaakte althans zoo heerlijk, dat het geen wonder was, dat de heeren bij het dessert een voor een opstonden, en een bezoek brachten aan hun wijnvoorraad in hunne hut, en dat menige toost geslagen werd: door den gezagvoerder op zijne passagiers, door[162]kapitein Van Dam op den Schipper naast God, door luitenant Leidermooi op de dames, door dokter Hannius op das Vaterland,—welk hij bedoelde: het nieuwe of het oude, liet hij in het midden,—door Behrtje op de eensgezindheid, enz. enz. Maar de dronk, welke het meeste toejuiching verwierf, was die van den scheepsdokter Van Pinksteren, waarbij die het gezelschap eene voorspoedige reis en behouden aankomst te Batavia toewenschte. Er kwam geen einde aan het gejuich. Allen zouden en moesten met den goeden Esculaap klinken. Vooral de dames waren hem dankbaar voor zijn dronk. Zoo werden eenige genoegelijke uren gesleten en was het ongeveer negen uur, toen de hofmeester een lekkere kop koffie bracht, met een glaasje Barcelona brandewijn er bij, dat de kenners zich de lippen deed aflikken, zoo lekker was het.Toen de passagiers aan het dek kwamen was het bladstil, geen zuchtje liet zich voelen, deFernandina Maria Emmalag inkatzjammer, zooals de zeelui dat noemen, op de nog steeds zacht aanrollende deining te wiegelen, terwijl hare zeilen, bij iedere beweging met naar geluid tegen de masten klapperden. De hemel was zwart als roet, geen enkele ster schitterde aan het uitspansel en het was zoo donker aan het dek, dat men in den vollen zin des woords geen hand voor oogen kon zien. Alleen daar ginds in het noordoost ten oosten was een licht te zien, dat bij de zwarte duisternis nog al afstak.„Dat is het kustlicht van Ouessant, een klein laag eiland,” verklaarde stuurman Abels, „dat voor het noordwestelijk uiteinde der Fransche provincie Bretagne gelegen is. De Hollandsche matrozen noemen het Heizand. Bij den dans, die straks beginnen gaat, ben ik blij, dat wij dat eilandje te boven zijn.”Een oogenblik later kwam kapitein Butteling aan het[163]dek. Toen hij van tafel opstond, had hij den barometer, die in zijne hut hing, waargenomen, en die had hem niet veel goeds verkondigd. Boven komende liet hij dadelijk alle bovenzeilen, de bram- en bovenbramzeilen aan de beide voorste masten en het kruiszeil en grietje aan den achtermast innemen. Ook werd de bezaan en het grootzeil gegeid. DeFernandina Maria Emmalag nu nog maar onder haren fok, onder hare marszeilen en haar bagijnezeil, terwijl het voorstengstagzeil, de kluiver en de jager, drie driehoekige zeilen, die tot den boegspriet en het kluifhout behoorden, bijgezet bleven, om, bij het invallen der bui, het te zeer oploeven te verhelpen.In die dikke duisternis was het een akelig wachten op de dingen die komen zouden. De vuurtoren van Ouessant geleek een bloederig dreigend oog in den donkeren nacht.Dat duurde zoo omstreeks tot tien uur. Toen liet zich eerst eene zachte bries gevoelen, die uit het noordoosten scheen te komen. Het fregat, dat met klapperende zeilen zonder stuur rondgedobberd, en dat roode licht van Ouessant nu eens voor, dan eens achter, nu eens aan bakboord, dan weer eens aan stuurboordszij gehad had, hervatte den koers, die thans west ten zuiden door kapitein Butteling aangegeven werd.„Dat ’s het begin,” grinnikte stuurman Bagman. „Goddank wij zijn buiten! Laat het nu maar waaien!”Ja, het was het begin. Met iedere seconde wakkerde de wind aan. De zeilen die straks slap hingen en aan vaatdoeken gelijk waren, stonden nu bol en dreven het gevaarte voorwaarts. De wind wakkerde niet alleen aan, hij versprong ook langzamerhand. Hij ruimde, zooals de zeelieden zeggen, totdat hij in het noordwesten gekomen was en begon toen uit alle macht te blazen.[164]Het was een gehuil in het staand en loopend want van het schip, dat het voor de nieuwelingen wezenlijk was om angstig te worden, en werkelijk was het niet zoo donker geweest, dan ware menige bleeke tronie bespeurd geworden, zoowel bij de soldaten als bij de kajuitspassagiers; vooral bij hen die overdag wel iets tartends in de gelaatstrekken vertoond hadden. De drie dames hielden zich als bevaren vrouwen nog het beste; terwijl een glimlach hun gelaat sierde, wanneer zij de eene of andere stem in hare nabijheid angstig hoorden prevelen:„Hoort den wind eens huilen!”Maar de zee begon ook driftig te worden. Er kwam beweging in die wateroppervlakte, die tot nu toe slechts in zachte deining op en neer gegaan was, even alsof een onmetelijk groot monster ademhaalde. De golfjes, want golfjes waren het nog maar, begonnen tegen den scheepsromp te kabbelen. Zij werden evenwel al grooter en grooter, hoewel het nog maar spelen was, dat zij met elkander deden. Daar ginds kuifden zij zich reeds met wit schuim, hetwelk een phosphorisch licht afgaf en bijgevolg in het donker te zien was. Het kabbelen begon op klotsen te gelijken, de golven begonnen te krullen en driftiger op het schip toe te schieten, dat nu ook meer beweging onderging. De koers was nu nagenoeg zuidwest en de wind noordwest, zoodat de golven dwars inkwamen en het schip, al meer en meer deden slingeren. Voor en na was het stil op het dek geworden. Van de luidruchtigheid, die na tafel geheerscht had, was niets meer te bespeuren, en van de passagiers waren alleen de jonge meisjes even opgeruimd gebleven, zoo ook hare ouders en kapitein Van Dam.Helaas, de zeeziekte begon haren scepter te zwaaien. De meeste der jonge mannen liepen het achterdek op en neer en poogden door veel beweging de kwaal te bestrijden.[165]Enkelen lagen op de kajuitskap en bij de meesten was de hoofdgedachte in dit noodlottige uur:„Had ik toch maar aan dat diner, dat mij zoo gesmaakt heeft, niet meegedaan!”Zoo akelig en benauwd gevoelden zij zich.„Ik raad de dames en heeren naar omlaag te gaan,” sprak kapitein Butteling. „Bij zeeziekte is men nergens beter dan in zijn bed. Daarenboven, bij den aanwakkerenden wind zal het niet lang meer duren, of het schip zal water overkrijgen.”Het was alsof de oceaan de woorden van den kapitein wilde bezegelen. Nauwelijks had hij toch zijn volzin geëindigd, toen een groote golf en met steilere wanden dan de vorigen aangestoven kwam. Juist krulde zijn kam, toen hij het scheepsboord genaderd was. Hij brak woedend, klotste, daar het vaartuig den tijd niet had om zich te verheffen, tegen dat boord op en wipte een klein gedeelte van zijne watermassa speelsch over de verschansing, terwijl de wind het fijnverdeelde schuim allen, die daar aan dek waren, in het aangezicht woei.„Help, help!” riep Behren, die vrij akelig gestemd over de verschansing gebogen gelegen en nu dat speelziek golfje vlak achter in den nek gekregen had.Hij was door den schrik, nog meer dan door den druk van het water achterover getuimeld, en lag nu in een plas heen en weer te wentelen, naar mate het schip overhelde of zijn evenwicht hernam.De heer Groenewald had den rampzaligen spoedig gegrepen en overeind geholpen.„Ik ben.… (hik).… door en door.… nat,” kreet Behrtje met naargeestige stem.Hij hikte, alsof de uitbarsting der zeeziekte voor de deur stond.„Het is … (hik)… alsof ik … (hik)… in ’t … water.”[166]„In het water gelegen heb!” vulden de jonge meisjes spottend aan.De apotheker begreep dat de jolige meisjes hem uitlachten. Als het dag ware geweest, dan hadden de lieve kinderen een grimmigen blik kunnen opvangen, dien hij haar toewierp, toen hij voortstrompelde om zich naar beneden te begeven.„Dat ’snummer een!” zei kapitein Van Dam tot de dames.Het begon nu vrij ongezellig aan het dek te worden. Het was er glad en glibberig; terwijl het schip onder den aandrang van wind en golven onrustbarend kon overhellen. Het voorbeeld van Behrtje werd weldra gevolgd. Voor en na verdwenen de jongelieden: eerst Denniston, daarna Slierendrecht, toen Hannius en Van Diepbrugge, die elkander bij die groote reis naar beneden zouden ondersteunen. Leidermooi hield zich nog het beste; maar zijne neerlaag was ook nabij.„Zoo dapper, mijnheer Leidermooi?” vroeg de heer Groenewald aan den jongen luitenant.Helaas! deze wilde zich dapper houden; maar het schip slingerde hem te sterk. Hij was reeds zoover onder den invloed der gevreesde ziekte, dat hij niet spreken durfde, dat het hem gevaarlijk toescheen den mond te openen. Hij antwoordde met een gebaar, hetwelk de heer Groenewald in het donker toch niet zag. Eindelijk werd het hem te erg. Met de hand voor de lippen vloog hij naar de verschansing, plengde daar zijn offer en strompelde toen naar beneden.Van harte lachten hem de beide meisjes uit.„Hebt gij dan niets geen medelijden met den armen jongen?” vroeg haar kapitein Van Dam zelf lachende.„Och, kapitein,” antwoordde Emma, „het is zoo komiek iemand zeeziek te zien.”[167]Het is ontegenzeggelijk, dat zeeziekte aan boord niemand tot deernis stemt. Valt er iemand, kneust hij zich den arm of het been, iedereen schiet toe om hulp te bieden; heeft iemand wat koorts of eenige andere lichte ziekte, dan zullen alle opvarenden zich ter beschikking stellen om de smart te lenigen. Maar is iemand zeeziek, dan ontwaart hij slechts een spottenden glimlach op aller gelaat. Bij niemand eenig medelijden, tenzij bij hen, die zelf eenige aandoeningen beginnen te gevoelen. Het is of die ziekte niets is dan eene verplichte schatting, die de nieuweling aan den God der zee moet brengen. En toch gevoelt de lijder zich zoo vreeselijk naar, zoo akelig, zoo benauwd, dat er oogenblikken zijn, waarin hij om den dood verlangt, en waarin hij zelfmoord zoude plegen, wanneer hem kracht genoeg overgebleven ware om handelend op te treden. Zijne levensopvattingen zijn zoo in de war, hij is zoozeer hulpbehoevend, dat hij bij iedere op en neer gaande beweging van het schip, waarbij het hem is of zijn hoofd geheel leeg is, vermeent, dat het laatste oogenblik daar is en hij reeds in den æther, in een ijleren dampkring vervoerd wordt.Een poos nog stond de familie Groenewald aan het dek te turen. Het licht van Ouessant was reeds lang achteruit aan den horizon verdwenen, en toen de stuurman van de wacht acht glazen sloeg en de eerste wacht door de hondenwacht vervangen werd, ging ook zij naar beneden en werd daarin door kapitein Van Dam gevolgd.Gedurende den nacht was de noordwestenwind nog aangewakkerd. Het was nog wel geen storm, die woei; maar heel veel scheelde het niet. Om het vreeselijk overgaan van het schip met die dwarse zeeën eenigermate[168]te verminderen, was de kapitein genoodzaakt geweest de marszeilen en het bagijnezeil te laten reven; toch liep het schip onder den machtigen aandrang nog ruim elf mijlen.De zeeziekte hield intusschen geducht huis, zoowel in het tusschendek bij de bewoners van het soldatenlogies, als van het achteruit. Slechts weinige der militairen waren door de zoo lastige kwaal gespaard gebleven. Onder die door het noodlot begunstigden bevonden zich Herman Riethoven en Frank Brinkman. Hoe dat kwam, ja daarvan wisten zij zelf geene verklaring te geven, maar er zijn zoo van die gelukkigen, die te midden van de algemeene onpasselijkheid, zich frisch, opgewekt en ongedeerd blijven gevoelen.Toch was er een klein oogenblik gekomen, dat ook hen het hart in het lijf dreigde om te keeren. Toen de zeeziekte haar toppunt bereikte, en daarbeneden in dat tusschendek vele hoofden zich stervensnabij buiten de hangmatten bogen, toen werden daar zoo’n akelig gekreun en zulke wanhopige geluiden vernomen, toen werd de atmospheer daarbeneden, toch al zoo bijzonder frisch niet, met zulke walgelijke zoetzure geuren doortrokken, dat het niet uit te houden was.„Ik ga naar boven,” sprak Frank tot zijn vriend, die naast hem in zijne hangmat hing te wiegelen.Met een sprongetje was hij uit zijne schommelende slaapstede. Hij boog zich onder de anderen door en was blijde dat hij, zonder een cadeautje van een der zeezieken opgeloopen te hebben, den trap bereikt had. In een oogwenk was hij aan dek, alwaar hij al heel spoedig door Herman gevolgd werd. Beide onderofficieren hadden toen een oppertje38gezocht, en dat op aanwijzing der matrozen achter de groote boot gevonden, die tusschen den grooten- en den fokkenmast gesjord[169]stond, en waarboven de koebrug zich uitstrekte.Daar terneer gedoken en voor weer en wind beschut, hadden zij den dag afgewacht. Welke herinneringen waren daar, terwijl de wind door het touwwerk huilend raasde, en de golven daar aan lij bij het overgaan van het schip, aan dek dreigden te spoelen, hunne lippen ontgleden? Voorzeker hadden hunne herinneringen toen vrijen loop genomen. Maastricht, Leiden, Rolduc, Katwijk en Slavante kregen allen een beurt. Ja, vooral Slavante!„Een heerlijk plekje,” verklaarde Frank. „Herinner je je nog ons bezoek aan dien bouwval? Hoe heet dat slot ook weer?”„Lichtenberg,” antwoordde Herman.„Juist, Lichtenberg! Herinner je dat bezoek nog?”„Zou ik mij dat bezoek niet herinneren!” zuchtte Herman. „Het was toen, dat ik Lydia voor het eerst zag.”„Voor het eerst?” vroeg Frank schalks. „De oudste dochter van de beste vriendin van je moeder?”„Nu ja, voor het eerst met menschen-oogen,” antwoordde Herman. „Voor dien tijd bestond zij niet voor mij, was zij slechts een beeld voor mij.”„Toch een zeer fraai beeld! nietwaar?” lachte Frank Brinkman.Herman antwoordde niet, maar zuchtte, en deed eene beweging als stak hij de armen uit.Ook de wederzijdsche ouders kregen eene beurt bij die nachtelijke herinneringen. Helaas! Frank was als wees de wereld ingetrokken. Zijne herinneringen eindigden steeds bij het graf, waarin hij de stoffelijke overblijfselen zijner moeder vroegtijdig, en van zijn vader later had zien nederdalen. Herman wijdde eene gedachte aan hen, die hij verliet.[170]„Als mijne moeder eens,” dacht hij, „dat schip zoo kon zien slingeren, den wind zoo hooren huilen, die golven zoo klotsen en woelen, dan zou wel berouw in het hart der arme vrouw binnensluipen, dat zij den raad, die haar die zwartrokken gegeven hebben, zoo standvastig opgevolgd heeft.”Maar gelukkige jeugd! Na het verleden kreeg de toekomst hare beurt. Na de herinneringen kwamen de droombeelden,les chateaux en Espagne, zooals de Franschen dat noemen. Die droombeelden waren evenwel niet overdreven; zij reikten naar Batavia, naar het land van bestemming. O! de beide jongelingen hadden over het land van belofte zoo veel gelezen, dat het hun niet vreemd zoude voorkomen. Die droombeelden omhelsden hunne toekomstige loopbaan. O! officier worden! Te velde gaan! In Indië wordt immers steeds gevochten. Had men in de laatste tijden geene veldtochten ter Westkust van Borneo gehad ter beteugeling der overmoedige Chineezen, in het Palembangsche ter bestrijding van den hoofdmuiteling Radja Tiang Alam? Het was nog zoo lang niet geleden, dat Djaga Raga op Bali zoo roemrijk stormenderhand genomen was. O! als zij het geluk hadden deel te nemen aan eene expeditie! Zij zouden zich voorzeker heldhaftig gedragen!.… misschien wel de Militaire Willems-Orde verwerven!„Verbeeld je,” sprak Herman geestdriftvol, „dat ik met den sleepsabel op zij en het juweel van Moed, Beleid en Trouw op de borst voor Lydia verschijn.….”„Dan vliegt ze je om den hals!” juichte Frank bij de gedachte. „Dan.… maar.… dan is zij eene dikke matrone geworden, dan vindt je ze omringd van een troep schreeuwende kinderen met vuile neuzen.…”„Schei uit! in Gods naam,” kreetHerman.„Want je kunt eerst verlof krijgen na een verblijf[171]van twaalf jaren in Indië, en in twaalf jaren verandert eene bloeiende maagd gemakkelijk in.….”„Zwijg, wat ik je bidden mag!” smeekte Herman.Zoo praatten de vrienden voort, totdat de dag aan den hemel kwam, en het nachtelijke duister verdreef.[172]
Lang lagen de opvarenden van deFernandina Maria Emma, nog over de verschansing gebogen naar dat notedopje daar ginds te turen. Voor het bloote oog waren de daarin zittende personen niet meer herkenbaar, en hij of zij, die zich aan het hoogroode en volle gelaat van den loods nog eens wilde vermeien, moest den langen scheepskijker te baat nemen.
Eindelijk had het sloepje, dansende op de baren, den loodskotter bereikt, en weldra zag men de mannen overstappen en zeil zetten naar de Engelsche kust.
„Morgen avond zijn onze brieven op destinatie,” verzekerde kapitein Butteling.
Een zucht, uit veler mond geslaakt, vloog nog over de watervlakte de loodsboot als laatste groet aan Nederland van de opvarenden van deFernandina Maria Emmaachterna. Helaas! die boot was nog maar als een stipje op den waterplas zichtbaar; het duurde niet lang of ook dat stipje was verdwenen.
„Bezaanschoot aan!” kommandeerde kapitein Butteling, die de naargeestige stemming, door dat vertrek veroorzaakt, wilde verdrijven, en eigenlijk blij was van de voogdijschap van den loods ontslagen te zijn, en zich nu eerst schipper naast God aan boord van zijn fregat gevoelde.[154]
Dat „bezaanschoot aan!” werd èn door soldaten èn door matrozen met gejuich begroet. Stuurman Bagman spoedde naar het victualieruim en verscheen weldra met ettelijke flesschen jenever, waarmede hij zich bij den grooten mast plaatste en daar oorlam uitreikte. Middelerwijl verscheen de hofmeester en presenteerde aan de dames en heeren, een glas port, madera, vermouth of Kaapschen wijn. Allen, niemand uitgezonderd, maakten van het aanbod gebruik, want allen hadden behoefte aan verstrooiing, aan eenige opwekking.
Terwijl deFernandina Maria Emmaden loodskotter te gemoet geloopen was, had zij zuidoost aangehouden en was den hoekzak van Havre, waarin zich de Seine, die hoofdader van Frankrijk, ontlast, ingestevend. Zoodra de loods van boord en de zeilen volgebrast waren, stuurde het fregat noord ten westen op, totdat het het eiland Wight genaderd zou zijn.
Gedurende dien oversteek bevond men zich in de stoomvaartlijn van Southampton en Portsmouth naar Havre en Cherbourg. Het verkeer scheen er druk te zijn; want nog voor men Wight bereikt had, ontmoette men vier stoombooten, die dampende en snuivende voorbijstoomden. Steeds werd het gewone salut met het vlaggen op en neerhalen gewisseld. Een der booten stevende zoo dicht langs deFernandina Maria Emma, dat de opvarenden van beide schepen elkander met levendige hoerrah’s konden begroeten.
„Verscheidene van de reizigers op die boot,” zei luitenant Leidermooi tot Emma Groenewald, die in zijne nabijheid zat, „zullen heden avond hunnedemie tasseop een der boulevards te Parijs slurpen, en waarschijnlijk in hetthéatre Françaiseen der klassieke kunstgewrochten genieten, waardoor de Fransche tooneel-litteratuur zich zoo gunstig onderscheidt.”[155]
De fraaie oogen van het schoone meisje schitterden een oogenblik. Zij vroeg evenwel:
„Zijt gij zoo ingenomen met de Fransche tooneel-litteratuur, mijnheer Leidermooi? Ik heb er weinig verstand van; maar ik meen toch, dat zij door velen veroordeeld wordt.”
„De wufte, de onz.… de minder passende,” hernam de jongman na een korte aarzeling, „die veroordeelt de man of vrouw van smaak terecht. Maar ik sprak van klassieke tooneel-litteratuur en dan moet gij mij toegeven, dat de Fransche aan het hoofd daarvan staat!”
„Ik zou op de Engelsche kunnen wijzen, en dan, triomfantelijk Shakespeare aanhalen,” antwoordde, het jonge meisje.
„Ik ben er ver van af Shakespeare te miskennen. Zijn Hamlet, zijn Othello bijvoorbeeld, zijn meesterstukken; maar tegenover dien eenen auteur kan Frankrijk er velen stellen, die even verdienstelijk zijn als Shakespeare.”
„Even verdienstelijk als Shakespeare?” viel Behren—die in de nabijheid stond, in. „O, dat kunt gijniet meenen!”
„Zeker meen ik dat,” hernam Leidermooi met vuur. „Zijn er tooneelstukken gelijk te stellen b.v. aan dePhèdre, aan deIphigenie, aan deAndromaqueen aan deAthalievan Racine; aan deCinna, aan deHeraclius, en aan deHoracesvan Corneille; aan deZaïreen aan deSémiramis, van Voltaire; aan deHenri VIIIvan Chénier; en, om tot den tegenwoordigen tijd over te gaan, aan deHernanivan Victor Hugo?”
Emma had Behren met een dankbaren blik begunstigd, toen hij haar te hulp kwam. Toen zij evenwel de opsomming van Leidermooi hoorde, kwamen haar al die meesterstukken voor den geest, die haar gedurende haar[156]verblijf in Europa door een begaafd letterkundige ontvouwd waren. Met een bekoorlijken glimlach antwoordde zij:
„Gij zijt een enthousiast, mijnheer Leidermooi; maar ik moet u gelijk geven: de tooneelstukken, die gij aangehaald hebt, zijn onnavolgbaar, wat verhevenheid van gedachte, sierlijkheid van uitdrukking en bevallige versificatie betreft.”
De stoomboot, die deze letterkundige uitweiding ontlokte, was reeds ver. De „Fernandina Maria Emma” liep nog steeds op Wight aan. Het eiland begon zich duidelijk voor het ongewapende oog voor te doen. Het fregat viel toen van den wind af en stevende nagenoeg west ten zuiden op. De wind was oost, zoodat alle bovenzeilen flink bol stonden. Alleen de schoot van het grootzeil was omhoog gehaald, om hetfokkezeilgelegenheid te geven vollen dienst te doen.
„Loggen!” beval kapitein Butteling, toen het schipvoor denwind liep.
De log werd uitgeworpen.
„Kijk eens, juffrouw Adelien,” riep Behren, die zooiets nooit gezien had, „ze gaan visschen!”
„Vielleicht wohl Kabeljau fangen!” vulde dokter Hannius aan.
Adelien proestte het uit. Zij, die reeds eene reis van Batavia naar Nederland gemaakt had, wist wel beter.
„Neen, heeren,” zei ze; „daar wordt geen kabeljauw gevischt. Kijk, daar wordt eenvoudig gemeten, hoe snel het schip zich voortbeweegt.”
„Dat moeten wij zien,” zeiden Leidermooi, Hannius en Behren tot de twee zusters: „Komt mede, dames.”
Zij verdrongen zich weldra om stuurman Ellenbaan, die door een matroos geholpen, bezig met loggen was.
„Wel, juffrouw Adelien, wat gebeurt nu,” vroeg Behren met een glimlach.[157]
„Kijk,” sprak het meisje, gelukkig ook eens iets voor het sterkere geslacht te kunnen uitleggen. „Kijk, dat is de logrol, welke door dien matroos vastgehouden wordt. Om die rol is de loglijn gewonden en aan het uiteinde dier lijn is een driekant plankje, het logplankje genaamd, bevestigd. Dat plankje ligt thans in zee, en ziet, de stuurman laat de loglijn, die van afstand tot afstand met teekens gemerkt is, door de hand loopen. Die scheepsjongen daar heeft een zandlooper in de hand, die juist eene halve minuut aanwijst. Wanneer het zand in het ondersterecipiëntis overgegaan, dan roept die jongen.…”
„Stop!” schreeuwde het kleine kereltje uit al zijn macht.
De stuurman klemde de lijn in de hand, bekeek het teeken, dat daar het naaste bij was, wendde zich toen tot den kapitein en riep:
„Acht knoopen!”
„Wat wil dat nu zeggen, juffrouw Adelien?” vroeg Behren, die er schik in vond, het jonge meisje te hooren uitleggen.
„Dat wil zeggen, heeren,” antwoordde het lieve kind, „dat het schip in die halve minuut, door den zandlooper aangegeven, een afstand van 8 × 15,425 M. heeft afgelegd.”
„Flink geantwoord,” zei stuurman Ellenbaan met een goedkeurenden glimlach.
„En dat dus,” ging het jonge meisje met hare uitlegging voort, „het schip, dat in een heele minuut 8 × 30,85 aflegt en bij constante snelheid in het uur 14808 M. of twee mijlen, derhalve in de wacht 4 × 14808 M. of acht mijlen zal afleggen.”
„Bravo! bravo!” riep stuurman Ellenbaan opgetogen. „Juffrouw Groenewald, gij zijt voor zeem.… voor zeevrouw in de wieg gelegd!” verbeterde hij.[158]
„Het zou een mooi opgetuigd zeemeerminnetje zijn!” mompelde de matroos, die met den scheepsjongen de loglijn inpalmde. „Maar ze zijn toch nog zoo dom niet die meerminnetjes, als ze wel onder hun tuig liggen.”
De beide meisjes schenen die matrozenopmerking gehoord te hebben. Zij gierden het althans uit.
„In de wacht! in de wacht!” zei dokter Hannius. „Aber was ist eine Wacht?”
„O! wat zijn die moffen dom!” pruttelde Janmaat.
„Weet ge dat niet, heer dokter?” vroeg het lieve meisje.
„Nein, mein Fräulein,” antwoordde de volger van Esculaap.
„Nu dan, luister,” ging het lieve ding met aanminnig snoeperig bekje voort. „Het etmaal aan boord wordt in zes wachten verdeeld, die ieder hare eigen benaming hebben. Van 8–12 uur des ochtends wordt devoormiddagwachtgenoemd. Van 12–4 heet deachtermiddagwacht. Daarop volgt deplatvoet, deeerste wacht, dehondenwachten eindelijk dedagwacht. De hondenwacht is de minst pleizierige, niet waar stuurman?”
„Ja, juffrouw, dan is het zoo moeielijk om wakker te blijven,” antwoordde de stuurman lachende.
„Als ’n mensch maar zoo’n lieve praatster, die je het loggen leert, tot gezelschap had, dan.…” mompelde de matroos, die eindelijk de loglijn binnen en opgerold had.
„Wil jij eens maken dat je vooruitkomt!” gelastte hem de stuurman.
Pruttelend, maar met een blik van welgevallen en goedkeuring op het jonge meisje, verwijderde zich Janmaat.
„Nog geen gang in,” mompelde kapitein Butteling, toen hij gehoord had, dat zijn schip slechts acht mijlen liep.[159]
„Voorlij-zeilspieren uit!… Hijsch lijzeilen!” klonk zijn commando.
„Gaat ge er een melkmeisje37van maken?” vroeg kapiteinVanDam aan den gezagvoerder.
„Waarachtig niet,” antwoordde kapitein Butteling. „Dat mag ik niet wagen. Te drommel! kijk die lucht eens in het westen werken. Uit dien hoek gaat het blazen. Als het maar niet te vroeg komt. Ik wou, dat ik het Kanaal uit was.”
DeFernandina Maria Emmastevende thans langs de zuidkust van Wight. De krijtband, die het hoogland langs het strand omgeeft, was duidelijk zichtbaar. In het midden van het eiland verhief zich een kegelvormige heuvel, op welks top met het gewapende oog eene obelisk ontwaard werd. Het fregat stevende het kleine plaatsje Ventnor voorbij, en iets later Catharina point, waarop zich een kolossale witte vuurtoren verhief. Kapitein Butteling vertelde den passagiers, dat de lantaarn van dien toren zich op 715 Eng. voeten boven de oppervlakte der zee bevond.
Toen Wight voorbij gestevend was, werd koers op Start-point gezet. Toen men die kaap dwars vooruit had, werden de lijzeilen ingenomen en zuid-west voorgelegd. Het Kanaal was hier in zijne grootste breedte; men was den Atlantischen Oceaan nabij. In dezelfde rede als het vaarwater breeder werd, verminderde ook het aantal schepen. Bij den heerschenden oostenwind, ontmoette ons fregat geen enkelen tegenlegger. Al de vaartuigen met bestemming naar het Kanaal lagen buiten op de Gronden op gunstigen wind te wachten. De meeleggers hadden allen verschillende bestemmingen, als: naar de Fransche kust, naar het westen, om naar Amerika over te steken. Slechts weinigen zetten koers met deFernandina Maria Emma, en die werden nog door haar geklopt, dat wil zeggen,[160]dat ons fregat hen allen inhaalde en ver achter zich liet. De tijden waren voorbij, dat de Nederlandsche koopvaardijschepen aangehaald konden worden als modellen van logheid, lamlendigheid en onbeholpenheid. Ons fregat was een flink vaartuig, dat gerust den handschoen kon opnemen. Er waren oogenblikken, dat van het dek derFernandina Maria Emmageen enkele kiel meer te ontwaren was. De zeehorizon breidde zich al meer en meer uit. Achter het schip verwijderde de Engelsche kust zich met iedere seconde en zou weldra in de nevelen, die uit het westen langzaam opzetten, verdwijnen. Aan bakboord werden heel in de verte de Normandische eilanden ontwaard.
„Het is daar vuil,” zei stuurman Bagman, terwijl hij in de richting dier eilanden wees. „Daarbij liggen de Kiskassen, zeer gevaarlijke klippen, waarop menig zeeman het leven gelaten heeft.”
Het was ongeveer vijf uren. De zon was reeds in de nevelbank in het westen verdwenen, zoodat de avond begon te vallen. De hofmeester riep de passagiers aan tafel, waaromtrent niemand rouwig was. Onder den invloed van de oostelijke bries, die nog steeds doorstond, evenwel merkbaar verzwakt was, was de oppervlakte der zee effen en vertoonde geen golven. Het schip lag dan ook zoo stil mogelijk. Alleen uit den vollen oceaan deden zich nu en dan lange deininggolven gevoelen, die het schip zacht optilden en wiegelden. De zeilen verleenden evenwel te veel steun om slingeringen toe te laten; zoodat de passagiers van die bewegingen hoegenaamd geen last hadden. Allen togen dan ook naar beneden en met te meer eetlust, daar bij het vele, wat er in de Hoofden en in het Kanaal te zien en te bewonderen was geweest, niemand zich veel om het ontbijt en om de lunch bekreund had. Men was toen zoo eens een enkele maal ter loops naar beneden gevlogen,[161]had zich een sneedje brood gesmeerd, dat met wat rookvleesch aangekleed en in der haast verorberd, om toch maar niets van het vreemde en aantrekkelijke schouwspel te verliezen.
Het was de eerste maal, dat de passagiers thans gezamenlijk dineerden en met scherts vroegen zij elkander af, hoe dikwijls dat zou gebeuren. De tafel werd gepresideerd door kapitein Butteling. Aan zijne rechterzijde noodigde hij mevrouw Groenewald, naast wie hare twee dochters plaats namen. Met een gebaar wees hij kapitein Van Dam plaats aan zijne linkerzijde, terwijl naast dezen in opvolging de heeren Groenewald, Hannius, Slierendrecht en Denniston hunne plaatsen aangewezen werden. Leidermooi was gelukkig genoeg een zetel naast Adelien Groenewald te verkrijgen, terwijl Van Diepbrugge en Behren, naast hem geplaatst waren. Vlak tegenover kapitein Butteling zat de scheepsdokter, die steeds belast was de vleeschgerechten voor te snijden.
„Spreid je vilderstalent ten toon, dokter,” was eene vaste ui, waarmede de gezagvoerder hem tot voorsnijden uitnoodigde.
Die plaatsing was zeer oordeelkundig door kapitein Butteling geschied, hoewel hij door de jongelieden—de mannelijke namelijk—verdacht werd, te veel het oor geleend te hebben aan een smeekbede van luitenant Leidermooi, hetgeen niet geheel onmogelijk was.
Dat eerste diner droeg een uiterst gezellig karakter. De reis stelde zich zoo voorspoedig mogelijk in, men vond elkander zoo goed geassorteerd, de kok had zich zelven overtroffen, alles smaakte althans zoo heerlijk, dat het geen wonder was, dat de heeren bij het dessert een voor een opstonden, en een bezoek brachten aan hun wijnvoorraad in hunne hut, en dat menige toost geslagen werd: door den gezagvoerder op zijne passagiers, door[162]kapitein Van Dam op den Schipper naast God, door luitenant Leidermooi op de dames, door dokter Hannius op das Vaterland,—welk hij bedoelde: het nieuwe of het oude, liet hij in het midden,—door Behrtje op de eensgezindheid, enz. enz. Maar de dronk, welke het meeste toejuiching verwierf, was die van den scheepsdokter Van Pinksteren, waarbij die het gezelschap eene voorspoedige reis en behouden aankomst te Batavia toewenschte. Er kwam geen einde aan het gejuich. Allen zouden en moesten met den goeden Esculaap klinken. Vooral de dames waren hem dankbaar voor zijn dronk. Zoo werden eenige genoegelijke uren gesleten en was het ongeveer negen uur, toen de hofmeester een lekkere kop koffie bracht, met een glaasje Barcelona brandewijn er bij, dat de kenners zich de lippen deed aflikken, zoo lekker was het.
Toen de passagiers aan het dek kwamen was het bladstil, geen zuchtje liet zich voelen, deFernandina Maria Emmalag inkatzjammer, zooals de zeelui dat noemen, op de nog steeds zacht aanrollende deining te wiegelen, terwijl hare zeilen, bij iedere beweging met naar geluid tegen de masten klapperden. De hemel was zwart als roet, geen enkele ster schitterde aan het uitspansel en het was zoo donker aan het dek, dat men in den vollen zin des woords geen hand voor oogen kon zien. Alleen daar ginds in het noordoost ten oosten was een licht te zien, dat bij de zwarte duisternis nog al afstak.
„Dat is het kustlicht van Ouessant, een klein laag eiland,” verklaarde stuurman Abels, „dat voor het noordwestelijk uiteinde der Fransche provincie Bretagne gelegen is. De Hollandsche matrozen noemen het Heizand. Bij den dans, die straks beginnen gaat, ben ik blij, dat wij dat eilandje te boven zijn.”
Een oogenblik later kwam kapitein Butteling aan het[163]dek. Toen hij van tafel opstond, had hij den barometer, die in zijne hut hing, waargenomen, en die had hem niet veel goeds verkondigd. Boven komende liet hij dadelijk alle bovenzeilen, de bram- en bovenbramzeilen aan de beide voorste masten en het kruiszeil en grietje aan den achtermast innemen. Ook werd de bezaan en het grootzeil gegeid. DeFernandina Maria Emmalag nu nog maar onder haren fok, onder hare marszeilen en haar bagijnezeil, terwijl het voorstengstagzeil, de kluiver en de jager, drie driehoekige zeilen, die tot den boegspriet en het kluifhout behoorden, bijgezet bleven, om, bij het invallen der bui, het te zeer oploeven te verhelpen.
In die dikke duisternis was het een akelig wachten op de dingen die komen zouden. De vuurtoren van Ouessant geleek een bloederig dreigend oog in den donkeren nacht.
Dat duurde zoo omstreeks tot tien uur. Toen liet zich eerst eene zachte bries gevoelen, die uit het noordoosten scheen te komen. Het fregat, dat met klapperende zeilen zonder stuur rondgedobberd, en dat roode licht van Ouessant nu eens voor, dan eens achter, nu eens aan bakboord, dan weer eens aan stuurboordszij gehad had, hervatte den koers, die thans west ten zuiden door kapitein Butteling aangegeven werd.
„Dat ’s het begin,” grinnikte stuurman Bagman. „Goddank wij zijn buiten! Laat het nu maar waaien!”
Ja, het was het begin. Met iedere seconde wakkerde de wind aan. De zeilen die straks slap hingen en aan vaatdoeken gelijk waren, stonden nu bol en dreven het gevaarte voorwaarts. De wind wakkerde niet alleen aan, hij versprong ook langzamerhand. Hij ruimde, zooals de zeelieden zeggen, totdat hij in het noordwesten gekomen was en begon toen uit alle macht te blazen.[164]Het was een gehuil in het staand en loopend want van het schip, dat het voor de nieuwelingen wezenlijk was om angstig te worden, en werkelijk was het niet zoo donker geweest, dan ware menige bleeke tronie bespeurd geworden, zoowel bij de soldaten als bij de kajuitspassagiers; vooral bij hen die overdag wel iets tartends in de gelaatstrekken vertoond hadden. De drie dames hielden zich als bevaren vrouwen nog het beste; terwijl een glimlach hun gelaat sierde, wanneer zij de eene of andere stem in hare nabijheid angstig hoorden prevelen:
„Hoort den wind eens huilen!”
Maar de zee begon ook driftig te worden. Er kwam beweging in die wateroppervlakte, die tot nu toe slechts in zachte deining op en neer gegaan was, even alsof een onmetelijk groot monster ademhaalde. De golfjes, want golfjes waren het nog maar, begonnen tegen den scheepsromp te kabbelen. Zij werden evenwel al grooter en grooter, hoewel het nog maar spelen was, dat zij met elkander deden. Daar ginds kuifden zij zich reeds met wit schuim, hetwelk een phosphorisch licht afgaf en bijgevolg in het donker te zien was. Het kabbelen begon op klotsen te gelijken, de golven begonnen te krullen en driftiger op het schip toe te schieten, dat nu ook meer beweging onderging. De koers was nu nagenoeg zuidwest en de wind noordwest, zoodat de golven dwars inkwamen en het schip, al meer en meer deden slingeren. Voor en na was het stil op het dek geworden. Van de luidruchtigheid, die na tafel geheerscht had, was niets meer te bespeuren, en van de passagiers waren alleen de jonge meisjes even opgeruimd gebleven, zoo ook hare ouders en kapitein Van Dam.
Helaas, de zeeziekte begon haren scepter te zwaaien. De meeste der jonge mannen liepen het achterdek op en neer en poogden door veel beweging de kwaal te bestrijden.[165]Enkelen lagen op de kajuitskap en bij de meesten was de hoofdgedachte in dit noodlottige uur:
„Had ik toch maar aan dat diner, dat mij zoo gesmaakt heeft, niet meegedaan!”
Zoo akelig en benauwd gevoelden zij zich.
„Ik raad de dames en heeren naar omlaag te gaan,” sprak kapitein Butteling. „Bij zeeziekte is men nergens beter dan in zijn bed. Daarenboven, bij den aanwakkerenden wind zal het niet lang meer duren, of het schip zal water overkrijgen.”
Het was alsof de oceaan de woorden van den kapitein wilde bezegelen. Nauwelijks had hij toch zijn volzin geëindigd, toen een groote golf en met steilere wanden dan de vorigen aangestoven kwam. Juist krulde zijn kam, toen hij het scheepsboord genaderd was. Hij brak woedend, klotste, daar het vaartuig den tijd niet had om zich te verheffen, tegen dat boord op en wipte een klein gedeelte van zijne watermassa speelsch over de verschansing, terwijl de wind het fijnverdeelde schuim allen, die daar aan dek waren, in het aangezicht woei.
„Help, help!” riep Behren, die vrij akelig gestemd over de verschansing gebogen gelegen en nu dat speelziek golfje vlak achter in den nek gekregen had.
Hij was door den schrik, nog meer dan door den druk van het water achterover getuimeld, en lag nu in een plas heen en weer te wentelen, naar mate het schip overhelde of zijn evenwicht hernam.
De heer Groenewald had den rampzaligen spoedig gegrepen en overeind geholpen.
„Ik ben.… (hik).… door en door.… nat,” kreet Behrtje met naargeestige stem.
Hij hikte, alsof de uitbarsting der zeeziekte voor de deur stond.
„Het is … (hik)… alsof ik … (hik)… in ’t … water.”[166]
„In het water gelegen heb!” vulden de jonge meisjes spottend aan.
De apotheker begreep dat de jolige meisjes hem uitlachten. Als het dag ware geweest, dan hadden de lieve kinderen een grimmigen blik kunnen opvangen, dien hij haar toewierp, toen hij voortstrompelde om zich naar beneden te begeven.
„Dat ’snummer een!” zei kapitein Van Dam tot de dames.
Het begon nu vrij ongezellig aan het dek te worden. Het was er glad en glibberig; terwijl het schip onder den aandrang van wind en golven onrustbarend kon overhellen. Het voorbeeld van Behrtje werd weldra gevolgd. Voor en na verdwenen de jongelieden: eerst Denniston, daarna Slierendrecht, toen Hannius en Van Diepbrugge, die elkander bij die groote reis naar beneden zouden ondersteunen. Leidermooi hield zich nog het beste; maar zijne neerlaag was ook nabij.
„Zoo dapper, mijnheer Leidermooi?” vroeg de heer Groenewald aan den jongen luitenant.
Helaas! deze wilde zich dapper houden; maar het schip slingerde hem te sterk. Hij was reeds zoover onder den invloed der gevreesde ziekte, dat hij niet spreken durfde, dat het hem gevaarlijk toescheen den mond te openen. Hij antwoordde met een gebaar, hetwelk de heer Groenewald in het donker toch niet zag. Eindelijk werd het hem te erg. Met de hand voor de lippen vloog hij naar de verschansing, plengde daar zijn offer en strompelde toen naar beneden.
Van harte lachten hem de beide meisjes uit.
„Hebt gij dan niets geen medelijden met den armen jongen?” vroeg haar kapitein Van Dam zelf lachende.
„Och, kapitein,” antwoordde Emma, „het is zoo komiek iemand zeeziek te zien.”[167]
Het is ontegenzeggelijk, dat zeeziekte aan boord niemand tot deernis stemt. Valt er iemand, kneust hij zich den arm of het been, iedereen schiet toe om hulp te bieden; heeft iemand wat koorts of eenige andere lichte ziekte, dan zullen alle opvarenden zich ter beschikking stellen om de smart te lenigen. Maar is iemand zeeziek, dan ontwaart hij slechts een spottenden glimlach op aller gelaat. Bij niemand eenig medelijden, tenzij bij hen, die zelf eenige aandoeningen beginnen te gevoelen. Het is of die ziekte niets is dan eene verplichte schatting, die de nieuweling aan den God der zee moet brengen. En toch gevoelt de lijder zich zoo vreeselijk naar, zoo akelig, zoo benauwd, dat er oogenblikken zijn, waarin hij om den dood verlangt, en waarin hij zelfmoord zoude plegen, wanneer hem kracht genoeg overgebleven ware om handelend op te treden. Zijne levensopvattingen zijn zoo in de war, hij is zoozeer hulpbehoevend, dat hij bij iedere op en neer gaande beweging van het schip, waarbij het hem is of zijn hoofd geheel leeg is, vermeent, dat het laatste oogenblik daar is en hij reeds in den æther, in een ijleren dampkring vervoerd wordt.
Een poos nog stond de familie Groenewald aan het dek te turen. Het licht van Ouessant was reeds lang achteruit aan den horizon verdwenen, en toen de stuurman van de wacht acht glazen sloeg en de eerste wacht door de hondenwacht vervangen werd, ging ook zij naar beneden en werd daarin door kapitein Van Dam gevolgd.
Gedurende den nacht was de noordwestenwind nog aangewakkerd. Het was nog wel geen storm, die woei; maar heel veel scheelde het niet. Om het vreeselijk overgaan van het schip met die dwarse zeeën eenigermate[168]te verminderen, was de kapitein genoodzaakt geweest de marszeilen en het bagijnezeil te laten reven; toch liep het schip onder den machtigen aandrang nog ruim elf mijlen.
De zeeziekte hield intusschen geducht huis, zoowel in het tusschendek bij de bewoners van het soldatenlogies, als van het achteruit. Slechts weinige der militairen waren door de zoo lastige kwaal gespaard gebleven. Onder die door het noodlot begunstigden bevonden zich Herman Riethoven en Frank Brinkman. Hoe dat kwam, ja daarvan wisten zij zelf geene verklaring te geven, maar er zijn zoo van die gelukkigen, die te midden van de algemeene onpasselijkheid, zich frisch, opgewekt en ongedeerd blijven gevoelen.
Toch was er een klein oogenblik gekomen, dat ook hen het hart in het lijf dreigde om te keeren. Toen de zeeziekte haar toppunt bereikte, en daarbeneden in dat tusschendek vele hoofden zich stervensnabij buiten de hangmatten bogen, toen werden daar zoo’n akelig gekreun en zulke wanhopige geluiden vernomen, toen werd de atmospheer daarbeneden, toch al zoo bijzonder frisch niet, met zulke walgelijke zoetzure geuren doortrokken, dat het niet uit te houden was.
„Ik ga naar boven,” sprak Frank tot zijn vriend, die naast hem in zijne hangmat hing te wiegelen.
Met een sprongetje was hij uit zijne schommelende slaapstede. Hij boog zich onder de anderen door en was blijde dat hij, zonder een cadeautje van een der zeezieken opgeloopen te hebben, den trap bereikt had. In een oogwenk was hij aan dek, alwaar hij al heel spoedig door Herman gevolgd werd. Beide onderofficieren hadden toen een oppertje38gezocht, en dat op aanwijzing der matrozen achter de groote boot gevonden, die tusschen den grooten- en den fokkenmast gesjord[169]stond, en waarboven de koebrug zich uitstrekte.
Daar terneer gedoken en voor weer en wind beschut, hadden zij den dag afgewacht. Welke herinneringen waren daar, terwijl de wind door het touwwerk huilend raasde, en de golven daar aan lij bij het overgaan van het schip, aan dek dreigden te spoelen, hunne lippen ontgleden? Voorzeker hadden hunne herinneringen toen vrijen loop genomen. Maastricht, Leiden, Rolduc, Katwijk en Slavante kregen allen een beurt. Ja, vooral Slavante!
„Een heerlijk plekje,” verklaarde Frank. „Herinner je je nog ons bezoek aan dien bouwval? Hoe heet dat slot ook weer?”
„Lichtenberg,” antwoordde Herman.
„Juist, Lichtenberg! Herinner je dat bezoek nog?”
„Zou ik mij dat bezoek niet herinneren!” zuchtte Herman. „Het was toen, dat ik Lydia voor het eerst zag.”
„Voor het eerst?” vroeg Frank schalks. „De oudste dochter van de beste vriendin van je moeder?”
„Nu ja, voor het eerst met menschen-oogen,” antwoordde Herman. „Voor dien tijd bestond zij niet voor mij, was zij slechts een beeld voor mij.”
„Toch een zeer fraai beeld! nietwaar?” lachte Frank Brinkman.
Herman antwoordde niet, maar zuchtte, en deed eene beweging als stak hij de armen uit.
Ook de wederzijdsche ouders kregen eene beurt bij die nachtelijke herinneringen. Helaas! Frank was als wees de wereld ingetrokken. Zijne herinneringen eindigden steeds bij het graf, waarin hij de stoffelijke overblijfselen zijner moeder vroegtijdig, en van zijn vader later had zien nederdalen. Herman wijdde eene gedachte aan hen, die hij verliet.[170]
„Als mijne moeder eens,” dacht hij, „dat schip zoo kon zien slingeren, den wind zoo hooren huilen, die golven zoo klotsen en woelen, dan zou wel berouw in het hart der arme vrouw binnensluipen, dat zij den raad, die haar die zwartrokken gegeven hebben, zoo standvastig opgevolgd heeft.”
Maar gelukkige jeugd! Na het verleden kreeg de toekomst hare beurt. Na de herinneringen kwamen de droombeelden,les chateaux en Espagne, zooals de Franschen dat noemen. Die droombeelden waren evenwel niet overdreven; zij reikten naar Batavia, naar het land van bestemming. O! de beide jongelingen hadden over het land van belofte zoo veel gelezen, dat het hun niet vreemd zoude voorkomen. Die droombeelden omhelsden hunne toekomstige loopbaan. O! officier worden! Te velde gaan! In Indië wordt immers steeds gevochten. Had men in de laatste tijden geene veldtochten ter Westkust van Borneo gehad ter beteugeling der overmoedige Chineezen, in het Palembangsche ter bestrijding van den hoofdmuiteling Radja Tiang Alam? Het was nog zoo lang niet geleden, dat Djaga Raga op Bali zoo roemrijk stormenderhand genomen was. O! als zij het geluk hadden deel te nemen aan eene expeditie! Zij zouden zich voorzeker heldhaftig gedragen!.… misschien wel de Militaire Willems-Orde verwerven!
„Verbeeld je,” sprak Herman geestdriftvol, „dat ik met den sleepsabel op zij en het juweel van Moed, Beleid en Trouw op de borst voor Lydia verschijn.….”
„Dan vliegt ze je om den hals!” juichte Frank bij de gedachte. „Dan.… maar.… dan is zij eene dikke matrone geworden, dan vindt je ze omringd van een troep schreeuwende kinderen met vuile neuzen.…”
„Schei uit! in Gods naam,” kreetHerman.
„Want je kunt eerst verlof krijgen na een verblijf[171]van twaalf jaren in Indië, en in twaalf jaren verandert eene bloeiende maagd gemakkelijk in.….”
„Zwijg, wat ik je bidden mag!” smeekte Herman.
Zoo praatten de vrienden voort, totdat de dag aan den hemel kwam, en het nachtelijke duister verdreef.[172]