[Inhoud]II.In de Noordzee.—Kennismaking.Het was stil op het dek van de „Fernandina Maria Emma” geworden, nadat dat rumoerig troepje in het tusschendeks verdwenen was. Een derde gedeelte van het detachement moest evenwel volgens de verordeningen gereed zijn, om bij noodzakelijkheid de equipage te helpen. Die wacht zat rondom den fokkemast gezellig te praten en had als posten uitgesteld: een man bij het galjoen, om daar voor de zindelijkheid te waken; een man aan het groote luik van het tusschendeks, om een waakzaam oog op den daar hangenden lantaarn te houden; en een korporaal bij het watervat, dat achter den grooten mast stond, met strenge consigne ieder zoo veel te laten drinken als hem lustte, maar overigens het medenemen van water in veldflesschen of kommen, of iedere andere waterverspilling, tegen te gaan.Ook de manschappen der scheeps-equipage, die alles en alles, de drie stuurlieden medegerekend, uit veertig koppen bestond, hadden het op dien vertrekdag met het aanvullen der lading, met het innemen van water, met het uitbrengen der sleeptrossen, met het zeil zetten en met honderde andere werkzaamheden, onafscheidelijk aan het naar zee gaan van een groot schip verbonden,[116]zeer druk gehad, zoodat ook zij weldra naar rust haakten. Volgens den scheepsrooster betrokken twee derde gedeelten hunner, volgens hunne eigenaardige uitdrukking, de wacht te kooi24; terwijl de anderen de wacht aan het dek hadden. Deze laatsten sloten zich bij de wachthebbende soldaten aan, en vormden met hen een gezellig kringetje, waarin het kwinkslagen regende, en waarin Janmaat zich ten koste van die ellendige landkrabben heerlijk te goed deed.„Kun jullie zoo ’s nachts varen?” vroeg een onnoozele boerenlummel, nog zeer kort in het soldatenpak gestoken.„Is het je soms te donker, boontje?” vroeg een der pikbroeken, terwijl hij zijne pruim tabak van de eene wangholte naar de andere liet verhuizen.„Ik zou geen weg in het donker weten,” antwoordde de soldaat eenvoudig.„Kijk daar eens aan bakboord over de verschansing,” zei de matroos. „Wat zie je daar bij de kim.”„Bij de kim.…?”„Ja, daar ginds, waar je meent, dat de hemel het water aanraakt. Wat zie je daar?”Het uitspansel was licht bewolkt, zoodat geen sterren zichtbaar waren. Maar naar den aangeduiden kant waren bij den gezichteinder drie kustlichten zichtbaar.„Meen je die lichtjes?” vroeg de soldaat.„Ja, zie je, dat daar ginds achteruit is het lichtje van Katwijk, dat daar dwars van ons is het lichtje van Scheveningen, en dat daar bakboord vooruit is het lichtje van Goeree, en ga je nu vooruit op het galjoen staan, en doe je dan je potdeksels goed open, dan zul je nog een zien, dat is het lichtje van Noord-Hinder.25Begrijp je nu?”„Neen, nog niet goed.”„Wel dat zijn kaarsjes, die ze daar aangestoken hebben, om ons des nachts den weg te wijzen.”[117]„Kaarsjes? den geheelen weg langs, tot Batavia toe?”De matrozen van het gezelschap schaterden van het lachen bij die vraag.„Neen, domme slampamper!” was het antwoord. „Die kaarsjes branden slechts in den nabijheid van de wal. Als wij het Kanaal uit en in volle zee gekomen zijn, zul jij je vingertoppen niet branden kunnen, als je ze snuiten wilt. Daar heb je ze ook niet meer noodig, daar ga je maar rechtuit rechtaan, en loopt geen gevaar om bij een boer in het venster te loopen.”Of de soldaat de toelichting op zijne vraag of er ’s nachts ook gevaren kon worden begrepen had? Hij hield zich stil en vroeg niet meer.Op het achterdek, d.w.z. op de ruimte van het dek tusschen den grooten mast en den achtersteven, zaten de meeste der mannelijke passagiers te zamen, en genoten van den fraaien avond. Zij waren niet talrijk en bestonden alleen uit den kommandant van het detachement militairen aan boord, een kapitein van hetNederlandsch-Indischeleger, die van verlof naar Indië terugkeerde, uit twee piepjonge tweede luitenants, die pas van de Militaire Akademie kwamen, en als medegeleiders van het detachement medegegeven waren, uit een officier van gezondheid en een militairen apotheker.De detachements-kommandant, Van Dam geheeten, was een gezet man, niet te dik, wiens geheele gestalte zijn ouderdom verried, namelijk dat hij een goede dertiger was. De man had een goedig en innemend gelaat, was gezien bij zijne superieuren, die zijne diensten steeds gewaardeerd hadden, en bemind bij zijne ondergeschikten, die in hem een meerderen vonden, steeds gereed om rekening te houden met hunne menschelijke zwakheden, wanneer de dienst daardoor niet leed; maar die onverbiddelijk streng was, wanneer de dienstplichten[118]vergeten werden. Onverbiddelijk streng, ja; hoewel hierbij aan geene hardheid behoefde gedacht te worden, daar hij zelfs bij het toepassen dier strengheid, de geaardheid en het doorgaand gedrag van den schuldigen in het oog hield, en de straf dienovereenkomstig bepaalde.Zijne twee luitenants waren, zooals reeds gezegd is, pas aangestelde officieren, zonder eenige ondervinding, die zoo pas van de school gekomen, geroepen waren, om gezag over een aantal mannen te voeren, waarvan het meerendeel veel ouder in jaren was dan zij, ja waarvan er ettelijke gevoegelijk hun vader hadden kunnen zijn. De een, Denniston geheeten, was een hoogblond ventje, met een blank gezichtje, dat aan het gelaat van een jong meisje zou hebben doen denken, wanneer op zijne bovenlip niet iets ontwaard werd, hetwelk nog in proces scheen, wat het worden mocht; maar intusschen nu er veel op geleek, alsof daar eene jeugdige kamerspin een begin gemaakt had haar web te weven. Gelaatskleur en haardos gaven aan, dat hij van Angelsaksische afkomst was, hetgeen zijn naam ook aantoonde, maar wat door zijne verwaandheid en opgeblazenheid geheel en al bevestigd werd. Hij kleedde zich smaakvol en met angstvallige zorg, zat in zijne uniform als gegoten en was daarin gewoonlijk zoodanig besloten, dat hij de verdenking niet ontgaan kon, van even als eene wufte schoone een keurslijfje te dragen.„Hij zal dat ding wel uitgooien, als hij onder de linie komt,” zei kapitein Van Dam vergoelijkend, wanneer de behaagzuchtige door zijne medeofficieren bespot werd.„En doet hij het daar niet,” vulde de scheeps-kapitein aan „dan zal te Batavia de rooie hond hem daartoe wel noodzaken. Een mensch moet zich daar soms geweld aandoen om zijn hemd op de huid te behouden.”Kapitein Van Dam knikte lachend en bevestigend met het hoofd.[119]„Die gekheid komt ook te recht” zeide hij.De andere luitenant was een slank opgeschoten jongeling, met een van nature dun middel, die met zijne ravenzwarte sluike haren, met zijne donkere huidskleur, die wel ietwat de tint vertoonde van koffie met veel melk, met zijne vurige oogen en eenigszins platten neus, met zijn schaars geplant kneveltje daaronder, onmiskenbaar zijn certificaat van oorsprong bij zich droeg, heette Leidermooi. Hij was de zoon van een handelsman op Celebes, die een morganatisch huwelijk had aangegaan met eene Makassaarsche schoone. Uit deze vereeniging was onze luitenant gesproten. Hij deed de opvoeding, die hem zijn vader had laten geven, alle eer aan. Met glans had hij zijne examens afgelegd, maar had daarbij eene bescheidenheid en zedigheid behouden, die wel afstaken bij de verwatenheid van zijn krijgsmakker, wiens studiën niet zoo brillant geweest waren.De officier van gezondheid, Hannius, was een blonde Germaan, met gelaatstrekken à la Werther, met een sierlijk brilletje op den wel ietwat smallen en vooruitstekenden neus, die zijne politiemuts even als vroeger het studentenpetje op een oor droeg, zijn uniformjas voor eene tunica aanzag, en niets streelender vond dan het rinkelen van zijn sleepsabel naast zijne hielen op den grond te hooren. Hij nam dan ook iedere gelegenheid te baat om met dat onschuldige wapen op het dek te verschijnen, vooral wanneer hij zijn collega, den scheepsdokter, bij het houden van geneeskundige inspectie ter zijde stond, hetgeen wekelijks eens geschiedde. Het was komiek onzen geneeskundige dan te hooren bevelen:„Die Zunge!”En als de betrokkene dan de tong uitstak, gaf Dr. Hannius zich op zijneteenenomhoog,—want hij was zeer klein van gestalte—om dat lichaamsdeel, hetwelk hem[120]soms vervaarlijk lang toescheen, door zijn bril op zijn gemak te bekijken en verzuimde dan nimmer, wanneer hij weer op zijne hakken neerkwam, zijn sabel met geweld op het dek te laten neervallen. Volgens zijne papieren was hij een zeer knap jong mensch, die te Heidelberg gestudeerd en daar schitterende examens afgelegd had. In Nederland had hij slechts een „colloquium doctum” ondergaan, om tot officier van gezondheid bij hetNederlandsch-Indischeleger aangesteld te worden. Men had het daar niet noodig geacht, zich anders dan door een zoogenaamd geleerd praatje van ’s mans bekwaamheid te vergewissen, om hem gezondheid en leven van de verdedigers der koloniën toetevertrouwen, en was slechts verblind geraakt door de uitgebreide entomologische kennis van den candidaat-officier van gezondheid.De militaire apotheker, Behren genaamd, was een welopgevoed jongmensch, met levendig en innemend gelaat, die zijne studiën te Utrecht voltooid had en voor apotheker geschapen scheen. Hij was scheikundige van top tot teen, en plantenkundige in zijn hart. Wanneer zijne reisgenooten hem plagen wilden, dan klonk het:„Zeg Behrtje, moet je niet naar de koebrug26om te herboriseeren?”Of wel:„Behrtje, er heerscht in het tusschendek eene eigenaardige lucht, zou je niet eens met den dokter onderzoeken, of daar geen Rosa Damascena27groeit?”Vooral kapitein Van Dam was onuitputtelijk in dergelijke uien, en liet vooral in het begin der reis den apotheker bijna dagelijks koopjes snappen. Later ging dat zoo gemakkelijk niet meer, toen was ons Behrtje meer op zijne hoede, en kaatste den bal soms geestig terug.„Of er nog andere passagiers aan boord zijn?” vroeg luitenant Leidermooi.[121]„Te drommel! wat vraag!” antwoordde zijn collega Denniston. „Het tusschendek is vol gestuwd.”„Ik meen passagiers eerste klasse. Ik ontwaarde niemand in de kerk.”28„Straks zag ik twee koffers hier aan het dek,” zeide kapitein Van Dam, „waarop de adressen luidden:„Groenewald, aan boord van de „Fernandina Maria Emma.””„Alleen Groenewald, kapitein?” vroeg Behren.„Alleen Groenewald!”„Daaruit is dus niet op te maken of de eigenaar van die koffers een heer of een dame is?”„Neen Behrtje, al is je apothekersneus nog zoo verfijnd met het snuffelen aan fleschjes en potjes, aan die adressen zou je reukorgaan te kort geschoten zijn, niet waar dokter?”„Allerdings!” antwoordde Hannius in een eigenaardig spraakeigen, zoowat saamgeknutseld uit twee woorden Hollandsch op vijf woorden Duitsch. „Allerdings! aber die koffers konnten Geruch verspreiden, sanfter liebliches Geruch. Das Geruch eines Fräuleins. Ich meinte so etwas.….”„Geruch?” vroeg kapitein Van Dam. „Ik zet het iemand om hier te midden van die pik- en teerlucht, van die uitwasemingen van lading en victualie, das Geruch eines Fräuleins, hetwelk uit eene koffer zou opstijgen, te onderscheiden.”„Aber, kapitein.…”„Neen, neen, mijn waardste mof, hoe wetenschappelijk ontwikkeld gijlieden van us. a. um ook zijt, zóó zijn jullie reukorganen niet in ontwikkeling toegenomen.”„Aber das Geruch war ja da!” fluisterde de Germaan in triomf. „Gewiss, ich habe mij nicht vergist.”En hij wees op twee gedaanten, die in de opening van den kajuitstrap verschenen.[122]„Sakkerloot!” prevelde Leidermooi, „dat zijn dames! Sjt!.….”De officieren zaten in gespannen verwachting. Het was duidelijk, dat er leden van het schoone geslacht aan boord waren; maar wie waren het? Wel was het niet zwart donker. De hemel was evenwel bewolkt, zoodat slechts de omtrekken van de twee vrouwen waarneembaar waren.Van de kajuitskap traden zij op de bakboordsverschansing toe, tuurden over boord naar het licht van den Noord-Hinder, hetwelk de „Fernandina Maria Emma” thans voorbij stevende. Toen zij zich evenwel daar zoo alleen op het dek zagen, terwijl bij de stuurboordverschansing een troepje heeren te babbelen zaten, en overigens de man aan het roer slechts ontwaard werd, trokken zij zich terug en gingen weer naar beneden.„Ik wed dat zij beiden jong en schoon zijn,” stelde Behren voor.Niemand wilde voor het tegendeel optreden; want allen hoopten, dat de apotheker gelijk zou hebben.„Zeg stuur,” sprak luitenant Leidermooi tot den 1enstuurman, die thans het achterdek betrad. „Zijn er dames aan boord?”„Ja, heeren,” antwoordde stuurman Abels, „wij hebben drie dames onder de passagiers.”„Wie zijn het?” vroeg kapitein Van Dam, nog nieuwsgieriger dan zijne luitenants.„Een mama met hare twee dochters.”„Zijn het mooie meisjes?” viel Denniston in.„Puik!”„Jong?”„Achttien en twintig jaren, reken ik.”„Maar, wie zijn het?” herhaalde kapitein Van Dam zijne vraag. „Hoe heeten zij?”[123]„Groenew …”Een schel gefluit klonk over het dek. Stuurman Abels liet onze officieren in den steek en spoedde naar voren. Daar stond de loods met den scheepsgezagvoerder en de twee andere stuurlieden ter hoogte van den fokkemast.29Het gefluit riep het wachthebbend scheepsvolk te samen. Nu het schip den Noord-Hinder dwars had, moest er gelood worden. Het fregat stevende nu te midden der Vlaamsche banken, en voorzichtigheid was hier de boodschap. Dwars had men den Noord-Hinder, bakboord vooruit lag de West-Hinder, vlak vooruit de Fairybank. Het schip moest iets afvallen om tusschen de Sandettie en Goodwin’s-sand30door te zeilen. De wind was inmiddels aangewakkerd en de boeg van het schip sneed met kracht het zeewater en wierp eene omhoogstijgende baar van wit schuim voor zijn steven uit. De loods beval de bovenzeilen in te nemen.„Grietje31geien!” klonk het schorre kommando van den 1enstuurman.De zeelieden togen aan het werk, aan het trekken, aan het halen; dit alles vergezeld van het onvermijdelijk matrozengezang, waarin het woord ahoi! met een onbeschrijfelijken keelklank gegild, de hoofdschotel uitmaakte.„Voor-bovenbramzeil en voorbramzeil geien!”Toen die zeilen geborgen waren:„Groot-bovenbramzeil en grootbramzeil geien!” gilde de 1estuurman.De vaart van het fregat begon merkbaar te minderen. Toch was het nog niet naar den zin van den loods. Die keek uit naar het licht van Goodwin’s-sand, wat nog niet te bespeuren was. Hij riep den scheeps-kapitein iets toe.„Bezaan, grootzeil en fok geien!” klonk diens kommando.De matrozen repten zich. De soldaten van de wacht moesten mee touwtje trekken. Weldra hingen de genoemde[124]zeilen slap en waren gedeeltelijk gegeid. Het schip voerde nu nog slechts zijne marszeilen, het kruiszeil en zijn kluiver en jager, en verminderde zijn vaart zeer.Buitenboords in de rust van den voormast was inmiddels een matroos gestegen, die daar met een zeer lange lijn, waaraan een stuk lood gebonden was, in de hand, dat stuk lood zwaaide, nog eens zwaaide, het aan het uiteinde van zijn arm langs het scheepsboord een cirkel liet beschrijven, de lijn op een gegeven oogenblik schieten liet, waardoor het lood aan de middelpuntvliedende en zwaartekracht gehoorzamende eene slingerbaan beschreef, en ver voorbij den boeg van het schip in het water plompte, terwijl de peiler de lijn door de hand liet glijden, totdat hij voelde, dat het lood den bodem der zee raakte. Dan palmde hij de lijn in, waarin hij door een aantal matrozen van de wacht geholpen werd; terwijl hij met luider stem aangaf de diepte, die door lapjes zeildoek, aan de lijn geknoopt, aangeduid werd.„Twaalf en een halve vaâm!”32klonk zijne stem luid over de watervlakte.Wanneer het lood opgehaald was, gaf hij het aan den loods over, die het bekeek met eene aandacht, welke den oningewijden voor het minst vreemd moest toeschijnen.De officieren waren bij het rumoer, hetwelk zich bij het zeilengeien en het daarop gevolgd looden ontwikkeld had, opgestaan, en naar het voorschip gegaan.„Wat doen ze daar toch?” vroeg Leidermooi aan zijne makkers.„Ze zijn aan het looden,” antwoordde kapitein Van Dam, die al een paar reizen naar en van Oost-Indië gemaakt had en derhalve eenigermate op de hoogte was.„Weten ze dan niet hoeveel water hier staat?” vroeg Behren ietwat verwonderd.[125]„Ja en neen,” was het antwoord. „Hier tusschen die Vlaamsche banken wisselt de diepte veelvuldig en snel af. Let maar op, zooeven was twaalf en een halve vaâm gepeild, let maar op, dan.…..”„Negen vaâm!!!” klonk het langgerekte en zangerige geroep van den looder.De loods liep naar den man aan het roer, nam voor een oogenblik het stuurrad in handen en liet het schip afvallen. Voor een korten poos lag west voor. Daarna werd weer zuidwest gestevend.„Achttien vaâm!!!” klonk daarop van buiten boord over de watervlakte.„Maar, wat bekijken ze toch dat lood, wanneer het opgehaald is?” vroeg Behren. „Kijk, daar doen ze het weer. Wat mag daaraan te zien zijn?”„Bij de verschillende diepten,” vervolgde kapitein Van Dam zijne zeevaartkundige uitleggingen, „bestaat de bodem der Noordzee ook uit uiteenloopende bestanddeelen. Hier wordt slechts zand, elders gebroken schulpjes, ergens anders weer kittelsteentjes aangetroffen. Dat alles is behoorlijk gepeild en in kaart gebracht, zelfs de kleur van het zand is daarbij aangegeven. Het dieplood bestaat, zoo als ge zien kunt, uit een cylindervormig stuk ijzer, hetwelk met lood volgegoten is, maar waarbij eene holte in het onderste gedeelte van den cylinder gespaard is gebleven. Deze holte werd met kaarsvet aangevuld, dat met den onderrand gelijk gestreken is. Komt het lood nu op den grond, dan blijven de bestanddeelen van den zeebodem aan het vet kleven, en brengt dat lood aan het licht, waaruit die bodem bestaat. Geeft het lood b.v. twaalf en een halve vaâm, met wit zand aan, dan is op de kaart met de grootste nauwkeurigheid aan te wijzen, waar het schip staat.”Zooals de zeelieden, die aan het looden hunne aandacht[126]wijdden, daar bij elkander stonden, vormden zij een merkwaardige groep, die den lezer wel een oogenblik mag bezighouden.De scheepsgezagvoerder, kapitein Butteling, was een oude zeerob van den echten stempel. Hij had sneeuwwitte haren, die hem in weelderigen rijkdom tot op de schouders golfden, terwijl zijn gelaat met een niet minder witten en zwaren baard omlijst werd. Hij was een door en door goedig man, die reeds op zijn twaalfde jaar zijne loopbaan op het verraderlijke element als scheepsjongen begonnen was. Hoewel, vooral met de opleiding, die in die dagen den zeeman deelachtig was, zijne gesprekken daarvan het onloochenbaar kenmerk droegen, zoo moest toch toegegeven worden, dat hij zich eene zekere mate van beschaving had eigen gemaakt, hetgeen voornamelijk daaruit voortsproot, dat hij steeds, van zijne prilste jeugd af, de voorkeur gegeven had aan den omgang met menschen van degelijke opvoeding boven die van de zeebonken, die uit den aard der zaak zijne dagelijksche omgeving uitmaakten. Hij was een zeeman in zijn hart, en had het blauwe water—zooals hij dat uitdrukte—lief, en gevoelde zich nergens prettiger dan aan boord van zijn schip.„Dat de haaien mij halen, als het niet waar is!” was hij gewoon te zeggen, „maar aan den wal, voel ik mij bij al de grimassen, die daar verkocht worden, akelig en zeeziek!”De man was gelukkig echtgenoot en nog gelukkiger vader van drie flinke jongens, die alle drie op de kweekschool voor Zeevaartkunde waren, en waarvan de oudste weldra aan boord van de „Fernandina Maria Emma” zou komen, om zijne zeemans-opleiding onder het vader-oog te voltooien.„Als Job aan boord zal zijn, zie je,” sprak kapitein[127]Butteling, „dan zal ik eerst schik in mijn leven hebben!”Voor het overige had hij nimmer gedoogd, dat vrouw of kroost aan boord waren gekomen. Hij beweerde, dat de aanwezigheid van vrouw en kinderen op een schip den zeeman slechts van het stipt vervullen zijner plichten aftrekt. Noch de stuurlieden, noch de bootslieden hadden dan ook de ega van hunnen kapitein te zien gekregen. Alleen de scheepsdokter had, lange jaren geleden, dat voorrecht genoten bij gelegenheid, dat hij met allen spoed geroepen was geworden om geneeskundige hulp te verleenen aan een der kinderen van kapitein Butteling, dat van de trappen gevallen was en zich erg bezeerd had.De drie stuurlieden Abels, Bagman en Ellenbaas waren jonge flinke zeelieden, die hunnen kapitein waardig ter zijde stonden. Zij hadden hunne opleiding op de voornoemde kweekschool genoten, en deden hunne leermeesters alle eer aan. De 1estuurman Abels had zoo’n voorliefde voor zijn vak van zeeman, dat hij gul uit bekende niet te kunnen begrijpen, waartoe de goede God het land anders geschapen had dan om een schip in de gelegenheid te stellen water te kunnen innemen.„En dat had Hij nog anders kunnen inrichten, door de zee met zoet water te vullen,” verklaarde hij.Soms gaf hij grootmoedig toe, wanneer hij namelijk in de engte gedreven werd, dat de wal ook nog zijn nut kon hebben om eens te passagieren en.… ja, ook nog, om nu en dan koffie, suiker en Banka-tin in te laden.Die drie artikelen maakten de meest geliefkoosde lading voor stuurman Abels uit. Die lieten zich zoo gemakkelijk stuwen, beweerde hij.Hoewel de scheepsdokter Van Pinksteren in dat nachtelijk uur niet aan het dek aanwezig was, zal het niet ondienstig schijnen, hier eene korte schets omtrent[128]dien onmisbaren persoon aan boord te laten volgen. Hij was een vrij bejaard man, die in ’s levens stormen niet veel haar op den schedel overgehouden had. Het kransje witte haren, dat zijn achterhoofd van het eene oor tot het andere omgaf, was het treurige overblijfsel van een haardos, die zelfs in zijne jeugd pover moest genoemd worden. Hij was uiterst mager, en had dientengevolge een hoekig gelaat, dat zoo oud-geel van kleur was, alsof het met perkament overtogen was. Hij had zijne loopbaan in het edele vak van Hippocrates als barbiersjongen begonnen, en had met het hanteeren van schaar, scheermes en krultang eene zekere vaardigheid erlangd, die hem met vertrouwen naar de lancet en de bistouri hadden doen grijpen. De recepten, die hij voorheen gaf, om het haar te verven en om het te doen groeien, hadden hem in de dagen zijner jeugd eene zekere aanspraak verleend om ook anderen b.v. tegen haarworm, zomersproeten, ja, tegen likdoorns te schrijven. Toen die met succes bekroond werden, betrad hij een meer uitgebreid terrein en wierp zich met ijver en hartstocht der geneeskunde in de armen. Heel veel geneesmiddelen hield hij er waarachtig niet op na.„Dat was ook niet noodig,” beweerde hij. „Het menschdom heeft aan een geneesmiddel genoeg, mits het maar goed zij!”Zijn panaceum bestond in lijnkoeken. Had iemand de koorts: gauw een stuk lijnkoek ter grootte van een rijksdaalder, even in water geweekt, achter tegen de kuiten van den patiënt gebonden. Was het geval acuut, o! geen nood! eene kleine sneê in iedere kuit en daar de stukken lijnkoek op, was probaat. Eene zachte pap van hetzelfde middel gekookt, den lijder inwendig toegediend, verwekte wonderen.Voor waterzucht: lijnkoeken tegen de kuiten![129]Voor buikzucht: lijnkoeken tegen de kuiten.Voor hart- en nieraandoeningen: lijnkoeken tegen de kuiten.Voor hoofdpijnen: lijnkoeken tegen de kuiten.Steeds lijnkoeken! lijnkoeken altijd! bij welken ziektevorm ook! Het middel was onfeilbaar!„Ik zal,” verzekerde Van Pinksteren zijn’ collega Hannius, „de premie van vijf gulden, welke het gouvernement uitlooft voor iederen man, die te Batavia gezond aan wal gezet wordt, dank zij de onschatbare lijnkoeken, gemakkelijk verdienen. Gemakkelijker althans dan onze gezagvoerder!”Dokter Hannius glimlachte beteekenisvol, trok de schouders even op, maar antwoordde niets. In zijn brein berekende hij toen evenwel, hoeveel kapitein Butteling van de hem toegezegde premie door de lijnkoekenkuur zou moeten verliezen, wanneer het ongeluk wilde, dat eene ziekte aan boord uitbrak.Het was ongeveer middernacht, toen het lichtschip op Goodwin’s-sand in het gezicht kwam. Dat was het onfeilbare teeken, dat men op den goeden weg was en aan vergissing in den koers niet meer te denken viel. De uitstaande zeilen werden volgebrast en de andere, die een paar uren te voren gegeid waren, bijgezet, om den nog steeds heerschenden noordenwind te benuttigen. De masten overdekten zich met bolstaande zeilen, die zwart tegen den grauwen licht bewolkten nachtelijken hemel scherp afstaken. Het schip kliefde onder dien druk met kracht de golven, en wierp een breeden band van helder wit schuim voor zijn boeg uit, dat blinkend in het nachtelijke duister bij de zwartschijnende wateren en bij den zwartgeverfden romp van het schip afstak. Achter het schip sloten de vaneen gescheiden golven zich weder en vormden daar het zoogenaamde kielzog, hetwelk door[130]zijn wit schuim zich, tot zoover het oog reikte, van de donkere watermassa onderscheidde.Toen het licht van Zuid-Foreland in het gezicht was, gingen de passagiers naar beneden. Ook de eerste en tweede stuurman gingen naar kooi, en bleven de scheepskapitein en de derde stuurman met den loods aan het dek. Die liepen op en neer, terwijl de matrozen en de soldaten der wacht zich weer in een kringetje vergaderden om de verdere wachturen zoo gezellig mogelijk te slijten.Bij den grooten mast en in de nabijheid van het grootluik leunden de sergeanten Riethoven en Brinkman over de verschansing, en tuurden in zee. Die eerste nacht, aan boord doorgebracht, was niet van de aangenaamste. Hoewel hetonderofficieren-verblijfin het tusschendek door een heel licht beschot van het soldatenlogies was afgescheiden, had de warmte, het bedompte, de scheepslucht, het kraken van de inhouten bij de minste beweging van het vaartuig, de vreemde ligging in de hangmatten, maar voornamelijk het wiegelen daarvan, dat alles te samen tot gevolg gehad, dat onze jongelieden den slaap niet vatten konden. Zij hadden zich heen en weer gewenteld, waren eindelijk uit hunne zwevende slaapsteden gesprongen en hadden hunne toevlucht op het dek gezocht.„Ik heb geen oog dicht gedaan,” pruttelde Frank. „Het is daaronder niet uit te houden. Wat moet dat geven, wanneer wij meer zuidelijk komen en het warmer zal worden?”„Och,” antwoordde Herman, „dat is het niet, wat mij schortte; ik geloof zelfs, dat ik daaraan wel gewennen zal. Maar zoo’n eerste nacht aan boord, die drukte bij het vertrek, die laatste blik op den vaderlandschen bodem, dien wij voor onze oogen hebben zien verdwijnen, de gedachte aan mijne ouders, waarvan ik reeds zoo ver[131]verwijderd ben en die ik bij hunnen gevorderden leeftijd wel nimmer meer zal terug zien, dat alles rees voor mijn overspannen brein op, vertoonde zich als nevelbeelden, die onmerkbaar in elkander overgingen, maar die mij ten slotte belett’en in slaap te geraken. Daar tusschen al die beelden had er zich een gemengd, dat van Lydia Fraenkel, hetwelk het losscheuren van den vaderlandschen grond nog smartelijker maakt. Och! dat ik mij van de herinnering daaraan niet kan ontdoen, dat dat beeld mij tot hier moet vervolgen!”„Ja, dat zijn zoo van die zaken, die je niet als een leege flesch kunt over boord zetten,” antwoordde Frank. „Daar zal de tijd het zijne moeten toebrengen om vergetelheid aan te brengen. Gij zijt hier in de gelegenheid om te vergeten.”„Daar vestig ik mijne hoop op,” zei Herman. „Als mij geen tafereelen van liefde, van geluk onder de oogen zullen komen, als ik geruimen tijd geen vrouwelijk wezen in mijne nabijheid zal zien, dat mij Lydia zal herinneren, dan zal wellicht de vergetelheid komen, die al het gebeurde in een nevelachtig waas zal hullen en mij de gemoedsrust zal wedergeven.”„Drommels, Herman,” antwoordde Frank, „als slechts de afwezigheid van vrouwelijke wezens die vergetelheid zal kunnen bewerken, dan vrees ik, dat het verblijf hier aan boord daartoe niet zal kunnen meewerken.”„Hoedat zoo?”„Wel, straks ontwaarde ik twee dames, die daar op het achterdek tegen de verschansing geleund stonden, en met een blik het reeds verdwenen vaderland schenen te zoeken. Zoo ver ik in het avondduister heb kunnen opmerken, waren zij beiden jong. De derde stuurman vertelde mij, dat zij met hare ouders aan boord waren.”Herman zuchtte, maar antwoordde niet.[132]„Kom, kom,” hernam Frank, „het vertrek, het verlaten van den geboortegrond maakt je eenigszins neerslachtig. Dat zal ook wel overgaan. Te Harderwijk waart ge zoo niet, is niet?”„Je hebt gelijk, Frank. Het zijn de herinneringen aan het laatste afscheid, dat ik vanhaarnam, die mij zoo ter neer drukken. O! als je hadt kunnen zien, hoe kalm en gevoelloos zij mijne hand aannam, en naar den hemel wees met het woordà Dieuop de lippen, alsof zij mij wreed en onwraakbaar wou doen gevoelen, dat onze scheiding onherroepelijk, voor het leven was. Neen, die vrouw heeft nimmer een gevoel van genegenheid voor mij ondervonden!”„Goed zoo!” riep Frank. „Nu ben je op het ware pad! Vestigt zich die overtuiging in je brein, dan is de genezing niet ver meer af.”De twee jongelieden op de verschansing geleund stonden zoo nog een oogenblik met elkander te praten, terwijl het fregat voortstoof en weldra het licht van Zuid-Foreland voorbij was. Het schip bevond zich nu in het nauw van Calais, in het smalste gedeelte van het Engelsche Kanaal, dat de zuidelijke verbinding van de Noordzee met den Atlantischen Oceaan daarstelt. Herman en Frank tuurden nog een poos naar Britannië’s kust, die daar stuurboord vooruit als uit de zee oprees. Het was evenwel donker.Niets was er te onderscheiden, dan de schitterende kustlichten van Dover en van Folkestone.„Kom”, zei Frank, „ik ga nog eens probeeren of ik niet een paar uren zal kunnen slapen. Doe gij ook zoo.”Herman antwoordde niet. Frank ging naar beneden. Nog een poos bleef de andere in zee turen. Welke gedachten in die oogenblikken van eenzaamheid hem bestormden, zou hij nimmer hebben kunnen mededeelen.[133]Het was een chaos van weemoed, van leed, van treurige herinneringen, maar toch ook van hoop in de toekomst, die zich baan begon te breken. Eindelijk keerde hij zich om en ging ook naar beneden, om te trachten nog eenige uren rust te vinden.[134]
[Inhoud]II.In de Noordzee.—Kennismaking.Het was stil op het dek van de „Fernandina Maria Emma” geworden, nadat dat rumoerig troepje in het tusschendeks verdwenen was. Een derde gedeelte van het detachement moest evenwel volgens de verordeningen gereed zijn, om bij noodzakelijkheid de equipage te helpen. Die wacht zat rondom den fokkemast gezellig te praten en had als posten uitgesteld: een man bij het galjoen, om daar voor de zindelijkheid te waken; een man aan het groote luik van het tusschendeks, om een waakzaam oog op den daar hangenden lantaarn te houden; en een korporaal bij het watervat, dat achter den grooten mast stond, met strenge consigne ieder zoo veel te laten drinken als hem lustte, maar overigens het medenemen van water in veldflesschen of kommen, of iedere andere waterverspilling, tegen te gaan.Ook de manschappen der scheeps-equipage, die alles en alles, de drie stuurlieden medegerekend, uit veertig koppen bestond, hadden het op dien vertrekdag met het aanvullen der lading, met het innemen van water, met het uitbrengen der sleeptrossen, met het zeil zetten en met honderde andere werkzaamheden, onafscheidelijk aan het naar zee gaan van een groot schip verbonden,[116]zeer druk gehad, zoodat ook zij weldra naar rust haakten. Volgens den scheepsrooster betrokken twee derde gedeelten hunner, volgens hunne eigenaardige uitdrukking, de wacht te kooi24; terwijl de anderen de wacht aan het dek hadden. Deze laatsten sloten zich bij de wachthebbende soldaten aan, en vormden met hen een gezellig kringetje, waarin het kwinkslagen regende, en waarin Janmaat zich ten koste van die ellendige landkrabben heerlijk te goed deed.„Kun jullie zoo ’s nachts varen?” vroeg een onnoozele boerenlummel, nog zeer kort in het soldatenpak gestoken.„Is het je soms te donker, boontje?” vroeg een der pikbroeken, terwijl hij zijne pruim tabak van de eene wangholte naar de andere liet verhuizen.„Ik zou geen weg in het donker weten,” antwoordde de soldaat eenvoudig.„Kijk daar eens aan bakboord over de verschansing,” zei de matroos. „Wat zie je daar bij de kim.”„Bij de kim.…?”„Ja, daar ginds, waar je meent, dat de hemel het water aanraakt. Wat zie je daar?”Het uitspansel was licht bewolkt, zoodat geen sterren zichtbaar waren. Maar naar den aangeduiden kant waren bij den gezichteinder drie kustlichten zichtbaar.„Meen je die lichtjes?” vroeg de soldaat.„Ja, zie je, dat daar ginds achteruit is het lichtje van Katwijk, dat daar dwars van ons is het lichtje van Scheveningen, en dat daar bakboord vooruit is het lichtje van Goeree, en ga je nu vooruit op het galjoen staan, en doe je dan je potdeksels goed open, dan zul je nog een zien, dat is het lichtje van Noord-Hinder.25Begrijp je nu?”„Neen, nog niet goed.”„Wel dat zijn kaarsjes, die ze daar aangestoken hebben, om ons des nachts den weg te wijzen.”[117]„Kaarsjes? den geheelen weg langs, tot Batavia toe?”De matrozen van het gezelschap schaterden van het lachen bij die vraag.„Neen, domme slampamper!” was het antwoord. „Die kaarsjes branden slechts in den nabijheid van de wal. Als wij het Kanaal uit en in volle zee gekomen zijn, zul jij je vingertoppen niet branden kunnen, als je ze snuiten wilt. Daar heb je ze ook niet meer noodig, daar ga je maar rechtuit rechtaan, en loopt geen gevaar om bij een boer in het venster te loopen.”Of de soldaat de toelichting op zijne vraag of er ’s nachts ook gevaren kon worden begrepen had? Hij hield zich stil en vroeg niet meer.Op het achterdek, d.w.z. op de ruimte van het dek tusschen den grooten mast en den achtersteven, zaten de meeste der mannelijke passagiers te zamen, en genoten van den fraaien avond. Zij waren niet talrijk en bestonden alleen uit den kommandant van het detachement militairen aan boord, een kapitein van hetNederlandsch-Indischeleger, die van verlof naar Indië terugkeerde, uit twee piepjonge tweede luitenants, die pas van de Militaire Akademie kwamen, en als medegeleiders van het detachement medegegeven waren, uit een officier van gezondheid en een militairen apotheker.De detachements-kommandant, Van Dam geheeten, was een gezet man, niet te dik, wiens geheele gestalte zijn ouderdom verried, namelijk dat hij een goede dertiger was. De man had een goedig en innemend gelaat, was gezien bij zijne superieuren, die zijne diensten steeds gewaardeerd hadden, en bemind bij zijne ondergeschikten, die in hem een meerderen vonden, steeds gereed om rekening te houden met hunne menschelijke zwakheden, wanneer de dienst daardoor niet leed; maar die onverbiddelijk streng was, wanneer de dienstplichten[118]vergeten werden. Onverbiddelijk streng, ja; hoewel hierbij aan geene hardheid behoefde gedacht te worden, daar hij zelfs bij het toepassen dier strengheid, de geaardheid en het doorgaand gedrag van den schuldigen in het oog hield, en de straf dienovereenkomstig bepaalde.Zijne twee luitenants waren, zooals reeds gezegd is, pas aangestelde officieren, zonder eenige ondervinding, die zoo pas van de school gekomen, geroepen waren, om gezag over een aantal mannen te voeren, waarvan het meerendeel veel ouder in jaren was dan zij, ja waarvan er ettelijke gevoegelijk hun vader hadden kunnen zijn. De een, Denniston geheeten, was een hoogblond ventje, met een blank gezichtje, dat aan het gelaat van een jong meisje zou hebben doen denken, wanneer op zijne bovenlip niet iets ontwaard werd, hetwelk nog in proces scheen, wat het worden mocht; maar intusschen nu er veel op geleek, alsof daar eene jeugdige kamerspin een begin gemaakt had haar web te weven. Gelaatskleur en haardos gaven aan, dat hij van Angelsaksische afkomst was, hetgeen zijn naam ook aantoonde, maar wat door zijne verwaandheid en opgeblazenheid geheel en al bevestigd werd. Hij kleedde zich smaakvol en met angstvallige zorg, zat in zijne uniform als gegoten en was daarin gewoonlijk zoodanig besloten, dat hij de verdenking niet ontgaan kon, van even als eene wufte schoone een keurslijfje te dragen.„Hij zal dat ding wel uitgooien, als hij onder de linie komt,” zei kapitein Van Dam vergoelijkend, wanneer de behaagzuchtige door zijne medeofficieren bespot werd.„En doet hij het daar niet,” vulde de scheeps-kapitein aan „dan zal te Batavia de rooie hond hem daartoe wel noodzaken. Een mensch moet zich daar soms geweld aandoen om zijn hemd op de huid te behouden.”Kapitein Van Dam knikte lachend en bevestigend met het hoofd.[119]„Die gekheid komt ook te recht” zeide hij.De andere luitenant was een slank opgeschoten jongeling, met een van nature dun middel, die met zijne ravenzwarte sluike haren, met zijne donkere huidskleur, die wel ietwat de tint vertoonde van koffie met veel melk, met zijne vurige oogen en eenigszins platten neus, met zijn schaars geplant kneveltje daaronder, onmiskenbaar zijn certificaat van oorsprong bij zich droeg, heette Leidermooi. Hij was de zoon van een handelsman op Celebes, die een morganatisch huwelijk had aangegaan met eene Makassaarsche schoone. Uit deze vereeniging was onze luitenant gesproten. Hij deed de opvoeding, die hem zijn vader had laten geven, alle eer aan. Met glans had hij zijne examens afgelegd, maar had daarbij eene bescheidenheid en zedigheid behouden, die wel afstaken bij de verwatenheid van zijn krijgsmakker, wiens studiën niet zoo brillant geweest waren.De officier van gezondheid, Hannius, was een blonde Germaan, met gelaatstrekken à la Werther, met een sierlijk brilletje op den wel ietwat smallen en vooruitstekenden neus, die zijne politiemuts even als vroeger het studentenpetje op een oor droeg, zijn uniformjas voor eene tunica aanzag, en niets streelender vond dan het rinkelen van zijn sleepsabel naast zijne hielen op den grond te hooren. Hij nam dan ook iedere gelegenheid te baat om met dat onschuldige wapen op het dek te verschijnen, vooral wanneer hij zijn collega, den scheepsdokter, bij het houden van geneeskundige inspectie ter zijde stond, hetgeen wekelijks eens geschiedde. Het was komiek onzen geneeskundige dan te hooren bevelen:„Die Zunge!”En als de betrokkene dan de tong uitstak, gaf Dr. Hannius zich op zijneteenenomhoog,—want hij was zeer klein van gestalte—om dat lichaamsdeel, hetwelk hem[120]soms vervaarlijk lang toescheen, door zijn bril op zijn gemak te bekijken en verzuimde dan nimmer, wanneer hij weer op zijne hakken neerkwam, zijn sabel met geweld op het dek te laten neervallen. Volgens zijne papieren was hij een zeer knap jong mensch, die te Heidelberg gestudeerd en daar schitterende examens afgelegd had. In Nederland had hij slechts een „colloquium doctum” ondergaan, om tot officier van gezondheid bij hetNederlandsch-Indischeleger aangesteld te worden. Men had het daar niet noodig geacht, zich anders dan door een zoogenaamd geleerd praatje van ’s mans bekwaamheid te vergewissen, om hem gezondheid en leven van de verdedigers der koloniën toetevertrouwen, en was slechts verblind geraakt door de uitgebreide entomologische kennis van den candidaat-officier van gezondheid.De militaire apotheker, Behren genaamd, was een welopgevoed jongmensch, met levendig en innemend gelaat, die zijne studiën te Utrecht voltooid had en voor apotheker geschapen scheen. Hij was scheikundige van top tot teen, en plantenkundige in zijn hart. Wanneer zijne reisgenooten hem plagen wilden, dan klonk het:„Zeg Behrtje, moet je niet naar de koebrug26om te herboriseeren?”Of wel:„Behrtje, er heerscht in het tusschendek eene eigenaardige lucht, zou je niet eens met den dokter onderzoeken, of daar geen Rosa Damascena27groeit?”Vooral kapitein Van Dam was onuitputtelijk in dergelijke uien, en liet vooral in het begin der reis den apotheker bijna dagelijks koopjes snappen. Later ging dat zoo gemakkelijk niet meer, toen was ons Behrtje meer op zijne hoede, en kaatste den bal soms geestig terug.„Of er nog andere passagiers aan boord zijn?” vroeg luitenant Leidermooi.[121]„Te drommel! wat vraag!” antwoordde zijn collega Denniston. „Het tusschendek is vol gestuwd.”„Ik meen passagiers eerste klasse. Ik ontwaarde niemand in de kerk.”28„Straks zag ik twee koffers hier aan het dek,” zeide kapitein Van Dam, „waarop de adressen luidden:„Groenewald, aan boord van de „Fernandina Maria Emma.””„Alleen Groenewald, kapitein?” vroeg Behren.„Alleen Groenewald!”„Daaruit is dus niet op te maken of de eigenaar van die koffers een heer of een dame is?”„Neen Behrtje, al is je apothekersneus nog zoo verfijnd met het snuffelen aan fleschjes en potjes, aan die adressen zou je reukorgaan te kort geschoten zijn, niet waar dokter?”„Allerdings!” antwoordde Hannius in een eigenaardig spraakeigen, zoowat saamgeknutseld uit twee woorden Hollandsch op vijf woorden Duitsch. „Allerdings! aber die koffers konnten Geruch verspreiden, sanfter liebliches Geruch. Das Geruch eines Fräuleins. Ich meinte so etwas.….”„Geruch?” vroeg kapitein Van Dam. „Ik zet het iemand om hier te midden van die pik- en teerlucht, van die uitwasemingen van lading en victualie, das Geruch eines Fräuleins, hetwelk uit eene koffer zou opstijgen, te onderscheiden.”„Aber, kapitein.…”„Neen, neen, mijn waardste mof, hoe wetenschappelijk ontwikkeld gijlieden van us. a. um ook zijt, zóó zijn jullie reukorganen niet in ontwikkeling toegenomen.”„Aber das Geruch war ja da!” fluisterde de Germaan in triomf. „Gewiss, ich habe mij nicht vergist.”En hij wees op twee gedaanten, die in de opening van den kajuitstrap verschenen.[122]„Sakkerloot!” prevelde Leidermooi, „dat zijn dames! Sjt!.….”De officieren zaten in gespannen verwachting. Het was duidelijk, dat er leden van het schoone geslacht aan boord waren; maar wie waren het? Wel was het niet zwart donker. De hemel was evenwel bewolkt, zoodat slechts de omtrekken van de twee vrouwen waarneembaar waren.Van de kajuitskap traden zij op de bakboordsverschansing toe, tuurden over boord naar het licht van den Noord-Hinder, hetwelk de „Fernandina Maria Emma” thans voorbij stevende. Toen zij zich evenwel daar zoo alleen op het dek zagen, terwijl bij de stuurboordverschansing een troepje heeren te babbelen zaten, en overigens de man aan het roer slechts ontwaard werd, trokken zij zich terug en gingen weer naar beneden.„Ik wed dat zij beiden jong en schoon zijn,” stelde Behren voor.Niemand wilde voor het tegendeel optreden; want allen hoopten, dat de apotheker gelijk zou hebben.„Zeg stuur,” sprak luitenant Leidermooi tot den 1enstuurman, die thans het achterdek betrad. „Zijn er dames aan boord?”„Ja, heeren,” antwoordde stuurman Abels, „wij hebben drie dames onder de passagiers.”„Wie zijn het?” vroeg kapitein Van Dam, nog nieuwsgieriger dan zijne luitenants.„Een mama met hare twee dochters.”„Zijn het mooie meisjes?” viel Denniston in.„Puik!”„Jong?”„Achttien en twintig jaren, reken ik.”„Maar, wie zijn het?” herhaalde kapitein Van Dam zijne vraag. „Hoe heeten zij?”[123]„Groenew …”Een schel gefluit klonk over het dek. Stuurman Abels liet onze officieren in den steek en spoedde naar voren. Daar stond de loods met den scheepsgezagvoerder en de twee andere stuurlieden ter hoogte van den fokkemast.29Het gefluit riep het wachthebbend scheepsvolk te samen. Nu het schip den Noord-Hinder dwars had, moest er gelood worden. Het fregat stevende nu te midden der Vlaamsche banken, en voorzichtigheid was hier de boodschap. Dwars had men den Noord-Hinder, bakboord vooruit lag de West-Hinder, vlak vooruit de Fairybank. Het schip moest iets afvallen om tusschen de Sandettie en Goodwin’s-sand30door te zeilen. De wind was inmiddels aangewakkerd en de boeg van het schip sneed met kracht het zeewater en wierp eene omhoogstijgende baar van wit schuim voor zijn steven uit. De loods beval de bovenzeilen in te nemen.„Grietje31geien!” klonk het schorre kommando van den 1enstuurman.De zeelieden togen aan het werk, aan het trekken, aan het halen; dit alles vergezeld van het onvermijdelijk matrozengezang, waarin het woord ahoi! met een onbeschrijfelijken keelklank gegild, de hoofdschotel uitmaakte.„Voor-bovenbramzeil en voorbramzeil geien!”Toen die zeilen geborgen waren:„Groot-bovenbramzeil en grootbramzeil geien!” gilde de 1estuurman.De vaart van het fregat begon merkbaar te minderen. Toch was het nog niet naar den zin van den loods. Die keek uit naar het licht van Goodwin’s-sand, wat nog niet te bespeuren was. Hij riep den scheeps-kapitein iets toe.„Bezaan, grootzeil en fok geien!” klonk diens kommando.De matrozen repten zich. De soldaten van de wacht moesten mee touwtje trekken. Weldra hingen de genoemde[124]zeilen slap en waren gedeeltelijk gegeid. Het schip voerde nu nog slechts zijne marszeilen, het kruiszeil en zijn kluiver en jager, en verminderde zijn vaart zeer.Buitenboords in de rust van den voormast was inmiddels een matroos gestegen, die daar met een zeer lange lijn, waaraan een stuk lood gebonden was, in de hand, dat stuk lood zwaaide, nog eens zwaaide, het aan het uiteinde van zijn arm langs het scheepsboord een cirkel liet beschrijven, de lijn op een gegeven oogenblik schieten liet, waardoor het lood aan de middelpuntvliedende en zwaartekracht gehoorzamende eene slingerbaan beschreef, en ver voorbij den boeg van het schip in het water plompte, terwijl de peiler de lijn door de hand liet glijden, totdat hij voelde, dat het lood den bodem der zee raakte. Dan palmde hij de lijn in, waarin hij door een aantal matrozen van de wacht geholpen werd; terwijl hij met luider stem aangaf de diepte, die door lapjes zeildoek, aan de lijn geknoopt, aangeduid werd.„Twaalf en een halve vaâm!”32klonk zijne stem luid over de watervlakte.Wanneer het lood opgehaald was, gaf hij het aan den loods over, die het bekeek met eene aandacht, welke den oningewijden voor het minst vreemd moest toeschijnen.De officieren waren bij het rumoer, hetwelk zich bij het zeilengeien en het daarop gevolgd looden ontwikkeld had, opgestaan, en naar het voorschip gegaan.„Wat doen ze daar toch?” vroeg Leidermooi aan zijne makkers.„Ze zijn aan het looden,” antwoordde kapitein Van Dam, die al een paar reizen naar en van Oost-Indië gemaakt had en derhalve eenigermate op de hoogte was.„Weten ze dan niet hoeveel water hier staat?” vroeg Behren ietwat verwonderd.[125]„Ja en neen,” was het antwoord. „Hier tusschen die Vlaamsche banken wisselt de diepte veelvuldig en snel af. Let maar op, zooeven was twaalf en een halve vaâm gepeild, let maar op, dan.…..”„Negen vaâm!!!” klonk het langgerekte en zangerige geroep van den looder.De loods liep naar den man aan het roer, nam voor een oogenblik het stuurrad in handen en liet het schip afvallen. Voor een korten poos lag west voor. Daarna werd weer zuidwest gestevend.„Achttien vaâm!!!” klonk daarop van buiten boord over de watervlakte.„Maar, wat bekijken ze toch dat lood, wanneer het opgehaald is?” vroeg Behren. „Kijk, daar doen ze het weer. Wat mag daaraan te zien zijn?”„Bij de verschillende diepten,” vervolgde kapitein Van Dam zijne zeevaartkundige uitleggingen, „bestaat de bodem der Noordzee ook uit uiteenloopende bestanddeelen. Hier wordt slechts zand, elders gebroken schulpjes, ergens anders weer kittelsteentjes aangetroffen. Dat alles is behoorlijk gepeild en in kaart gebracht, zelfs de kleur van het zand is daarbij aangegeven. Het dieplood bestaat, zoo als ge zien kunt, uit een cylindervormig stuk ijzer, hetwelk met lood volgegoten is, maar waarbij eene holte in het onderste gedeelte van den cylinder gespaard is gebleven. Deze holte werd met kaarsvet aangevuld, dat met den onderrand gelijk gestreken is. Komt het lood nu op den grond, dan blijven de bestanddeelen van den zeebodem aan het vet kleven, en brengt dat lood aan het licht, waaruit die bodem bestaat. Geeft het lood b.v. twaalf en een halve vaâm, met wit zand aan, dan is op de kaart met de grootste nauwkeurigheid aan te wijzen, waar het schip staat.”Zooals de zeelieden, die aan het looden hunne aandacht[126]wijdden, daar bij elkander stonden, vormden zij een merkwaardige groep, die den lezer wel een oogenblik mag bezighouden.De scheepsgezagvoerder, kapitein Butteling, was een oude zeerob van den echten stempel. Hij had sneeuwwitte haren, die hem in weelderigen rijkdom tot op de schouders golfden, terwijl zijn gelaat met een niet minder witten en zwaren baard omlijst werd. Hij was een door en door goedig man, die reeds op zijn twaalfde jaar zijne loopbaan op het verraderlijke element als scheepsjongen begonnen was. Hoewel, vooral met de opleiding, die in die dagen den zeeman deelachtig was, zijne gesprekken daarvan het onloochenbaar kenmerk droegen, zoo moest toch toegegeven worden, dat hij zich eene zekere mate van beschaving had eigen gemaakt, hetgeen voornamelijk daaruit voortsproot, dat hij steeds, van zijne prilste jeugd af, de voorkeur gegeven had aan den omgang met menschen van degelijke opvoeding boven die van de zeebonken, die uit den aard der zaak zijne dagelijksche omgeving uitmaakten. Hij was een zeeman in zijn hart, en had het blauwe water—zooals hij dat uitdrukte—lief, en gevoelde zich nergens prettiger dan aan boord van zijn schip.„Dat de haaien mij halen, als het niet waar is!” was hij gewoon te zeggen, „maar aan den wal, voel ik mij bij al de grimassen, die daar verkocht worden, akelig en zeeziek!”De man was gelukkig echtgenoot en nog gelukkiger vader van drie flinke jongens, die alle drie op de kweekschool voor Zeevaartkunde waren, en waarvan de oudste weldra aan boord van de „Fernandina Maria Emma” zou komen, om zijne zeemans-opleiding onder het vader-oog te voltooien.„Als Job aan boord zal zijn, zie je,” sprak kapitein[127]Butteling, „dan zal ik eerst schik in mijn leven hebben!”Voor het overige had hij nimmer gedoogd, dat vrouw of kroost aan boord waren gekomen. Hij beweerde, dat de aanwezigheid van vrouw en kinderen op een schip den zeeman slechts van het stipt vervullen zijner plichten aftrekt. Noch de stuurlieden, noch de bootslieden hadden dan ook de ega van hunnen kapitein te zien gekregen. Alleen de scheepsdokter had, lange jaren geleden, dat voorrecht genoten bij gelegenheid, dat hij met allen spoed geroepen was geworden om geneeskundige hulp te verleenen aan een der kinderen van kapitein Butteling, dat van de trappen gevallen was en zich erg bezeerd had.De drie stuurlieden Abels, Bagman en Ellenbaas waren jonge flinke zeelieden, die hunnen kapitein waardig ter zijde stonden. Zij hadden hunne opleiding op de voornoemde kweekschool genoten, en deden hunne leermeesters alle eer aan. De 1estuurman Abels had zoo’n voorliefde voor zijn vak van zeeman, dat hij gul uit bekende niet te kunnen begrijpen, waartoe de goede God het land anders geschapen had dan om een schip in de gelegenheid te stellen water te kunnen innemen.„En dat had Hij nog anders kunnen inrichten, door de zee met zoet water te vullen,” verklaarde hij.Soms gaf hij grootmoedig toe, wanneer hij namelijk in de engte gedreven werd, dat de wal ook nog zijn nut kon hebben om eens te passagieren en.… ja, ook nog, om nu en dan koffie, suiker en Banka-tin in te laden.Die drie artikelen maakten de meest geliefkoosde lading voor stuurman Abels uit. Die lieten zich zoo gemakkelijk stuwen, beweerde hij.Hoewel de scheepsdokter Van Pinksteren in dat nachtelijk uur niet aan het dek aanwezig was, zal het niet ondienstig schijnen, hier eene korte schets omtrent[128]dien onmisbaren persoon aan boord te laten volgen. Hij was een vrij bejaard man, die in ’s levens stormen niet veel haar op den schedel overgehouden had. Het kransje witte haren, dat zijn achterhoofd van het eene oor tot het andere omgaf, was het treurige overblijfsel van een haardos, die zelfs in zijne jeugd pover moest genoemd worden. Hij was uiterst mager, en had dientengevolge een hoekig gelaat, dat zoo oud-geel van kleur was, alsof het met perkament overtogen was. Hij had zijne loopbaan in het edele vak van Hippocrates als barbiersjongen begonnen, en had met het hanteeren van schaar, scheermes en krultang eene zekere vaardigheid erlangd, die hem met vertrouwen naar de lancet en de bistouri hadden doen grijpen. De recepten, die hij voorheen gaf, om het haar te verven en om het te doen groeien, hadden hem in de dagen zijner jeugd eene zekere aanspraak verleend om ook anderen b.v. tegen haarworm, zomersproeten, ja, tegen likdoorns te schrijven. Toen die met succes bekroond werden, betrad hij een meer uitgebreid terrein en wierp zich met ijver en hartstocht der geneeskunde in de armen. Heel veel geneesmiddelen hield hij er waarachtig niet op na.„Dat was ook niet noodig,” beweerde hij. „Het menschdom heeft aan een geneesmiddel genoeg, mits het maar goed zij!”Zijn panaceum bestond in lijnkoeken. Had iemand de koorts: gauw een stuk lijnkoek ter grootte van een rijksdaalder, even in water geweekt, achter tegen de kuiten van den patiënt gebonden. Was het geval acuut, o! geen nood! eene kleine sneê in iedere kuit en daar de stukken lijnkoek op, was probaat. Eene zachte pap van hetzelfde middel gekookt, den lijder inwendig toegediend, verwekte wonderen.Voor waterzucht: lijnkoeken tegen de kuiten![129]Voor buikzucht: lijnkoeken tegen de kuiten.Voor hart- en nieraandoeningen: lijnkoeken tegen de kuiten.Voor hoofdpijnen: lijnkoeken tegen de kuiten.Steeds lijnkoeken! lijnkoeken altijd! bij welken ziektevorm ook! Het middel was onfeilbaar!„Ik zal,” verzekerde Van Pinksteren zijn’ collega Hannius, „de premie van vijf gulden, welke het gouvernement uitlooft voor iederen man, die te Batavia gezond aan wal gezet wordt, dank zij de onschatbare lijnkoeken, gemakkelijk verdienen. Gemakkelijker althans dan onze gezagvoerder!”Dokter Hannius glimlachte beteekenisvol, trok de schouders even op, maar antwoordde niets. In zijn brein berekende hij toen evenwel, hoeveel kapitein Butteling van de hem toegezegde premie door de lijnkoekenkuur zou moeten verliezen, wanneer het ongeluk wilde, dat eene ziekte aan boord uitbrak.Het was ongeveer middernacht, toen het lichtschip op Goodwin’s-sand in het gezicht kwam. Dat was het onfeilbare teeken, dat men op den goeden weg was en aan vergissing in den koers niet meer te denken viel. De uitstaande zeilen werden volgebrast en de andere, die een paar uren te voren gegeid waren, bijgezet, om den nog steeds heerschenden noordenwind te benuttigen. De masten overdekten zich met bolstaande zeilen, die zwart tegen den grauwen licht bewolkten nachtelijken hemel scherp afstaken. Het schip kliefde onder dien druk met kracht de golven, en wierp een breeden band van helder wit schuim voor zijn boeg uit, dat blinkend in het nachtelijke duister bij de zwartschijnende wateren en bij den zwartgeverfden romp van het schip afstak. Achter het schip sloten de vaneen gescheiden golven zich weder en vormden daar het zoogenaamde kielzog, hetwelk door[130]zijn wit schuim zich, tot zoover het oog reikte, van de donkere watermassa onderscheidde.Toen het licht van Zuid-Foreland in het gezicht was, gingen de passagiers naar beneden. Ook de eerste en tweede stuurman gingen naar kooi, en bleven de scheepskapitein en de derde stuurman met den loods aan het dek. Die liepen op en neer, terwijl de matrozen en de soldaten der wacht zich weer in een kringetje vergaderden om de verdere wachturen zoo gezellig mogelijk te slijten.Bij den grooten mast en in de nabijheid van het grootluik leunden de sergeanten Riethoven en Brinkman over de verschansing, en tuurden in zee. Die eerste nacht, aan boord doorgebracht, was niet van de aangenaamste. Hoewel hetonderofficieren-verblijfin het tusschendek door een heel licht beschot van het soldatenlogies was afgescheiden, had de warmte, het bedompte, de scheepslucht, het kraken van de inhouten bij de minste beweging van het vaartuig, de vreemde ligging in de hangmatten, maar voornamelijk het wiegelen daarvan, dat alles te samen tot gevolg gehad, dat onze jongelieden den slaap niet vatten konden. Zij hadden zich heen en weer gewenteld, waren eindelijk uit hunne zwevende slaapsteden gesprongen en hadden hunne toevlucht op het dek gezocht.„Ik heb geen oog dicht gedaan,” pruttelde Frank. „Het is daaronder niet uit te houden. Wat moet dat geven, wanneer wij meer zuidelijk komen en het warmer zal worden?”„Och,” antwoordde Herman, „dat is het niet, wat mij schortte; ik geloof zelfs, dat ik daaraan wel gewennen zal. Maar zoo’n eerste nacht aan boord, die drukte bij het vertrek, die laatste blik op den vaderlandschen bodem, dien wij voor onze oogen hebben zien verdwijnen, de gedachte aan mijne ouders, waarvan ik reeds zoo ver[131]verwijderd ben en die ik bij hunnen gevorderden leeftijd wel nimmer meer zal terug zien, dat alles rees voor mijn overspannen brein op, vertoonde zich als nevelbeelden, die onmerkbaar in elkander overgingen, maar die mij ten slotte belett’en in slaap te geraken. Daar tusschen al die beelden had er zich een gemengd, dat van Lydia Fraenkel, hetwelk het losscheuren van den vaderlandschen grond nog smartelijker maakt. Och! dat ik mij van de herinnering daaraan niet kan ontdoen, dat dat beeld mij tot hier moet vervolgen!”„Ja, dat zijn zoo van die zaken, die je niet als een leege flesch kunt over boord zetten,” antwoordde Frank. „Daar zal de tijd het zijne moeten toebrengen om vergetelheid aan te brengen. Gij zijt hier in de gelegenheid om te vergeten.”„Daar vestig ik mijne hoop op,” zei Herman. „Als mij geen tafereelen van liefde, van geluk onder de oogen zullen komen, als ik geruimen tijd geen vrouwelijk wezen in mijne nabijheid zal zien, dat mij Lydia zal herinneren, dan zal wellicht de vergetelheid komen, die al het gebeurde in een nevelachtig waas zal hullen en mij de gemoedsrust zal wedergeven.”„Drommels, Herman,” antwoordde Frank, „als slechts de afwezigheid van vrouwelijke wezens die vergetelheid zal kunnen bewerken, dan vrees ik, dat het verblijf hier aan boord daartoe niet zal kunnen meewerken.”„Hoedat zoo?”„Wel, straks ontwaarde ik twee dames, die daar op het achterdek tegen de verschansing geleund stonden, en met een blik het reeds verdwenen vaderland schenen te zoeken. Zoo ver ik in het avondduister heb kunnen opmerken, waren zij beiden jong. De derde stuurman vertelde mij, dat zij met hare ouders aan boord waren.”Herman zuchtte, maar antwoordde niet.[132]„Kom, kom,” hernam Frank, „het vertrek, het verlaten van den geboortegrond maakt je eenigszins neerslachtig. Dat zal ook wel overgaan. Te Harderwijk waart ge zoo niet, is niet?”„Je hebt gelijk, Frank. Het zijn de herinneringen aan het laatste afscheid, dat ik vanhaarnam, die mij zoo ter neer drukken. O! als je hadt kunnen zien, hoe kalm en gevoelloos zij mijne hand aannam, en naar den hemel wees met het woordà Dieuop de lippen, alsof zij mij wreed en onwraakbaar wou doen gevoelen, dat onze scheiding onherroepelijk, voor het leven was. Neen, die vrouw heeft nimmer een gevoel van genegenheid voor mij ondervonden!”„Goed zoo!” riep Frank. „Nu ben je op het ware pad! Vestigt zich die overtuiging in je brein, dan is de genezing niet ver meer af.”De twee jongelieden op de verschansing geleund stonden zoo nog een oogenblik met elkander te praten, terwijl het fregat voortstoof en weldra het licht van Zuid-Foreland voorbij was. Het schip bevond zich nu in het nauw van Calais, in het smalste gedeelte van het Engelsche Kanaal, dat de zuidelijke verbinding van de Noordzee met den Atlantischen Oceaan daarstelt. Herman en Frank tuurden nog een poos naar Britannië’s kust, die daar stuurboord vooruit als uit de zee oprees. Het was evenwel donker.Niets was er te onderscheiden, dan de schitterende kustlichten van Dover en van Folkestone.„Kom”, zei Frank, „ik ga nog eens probeeren of ik niet een paar uren zal kunnen slapen. Doe gij ook zoo.”Herman antwoordde niet. Frank ging naar beneden. Nog een poos bleef de andere in zee turen. Welke gedachten in die oogenblikken van eenzaamheid hem bestormden, zou hij nimmer hebben kunnen mededeelen.[133]Het was een chaos van weemoed, van leed, van treurige herinneringen, maar toch ook van hoop in de toekomst, die zich baan begon te breken. Eindelijk keerde hij zich om en ging ook naar beneden, om te trachten nog eenige uren rust te vinden.[134]
[Inhoud]II.In de Noordzee.—Kennismaking.Het was stil op het dek van de „Fernandina Maria Emma” geworden, nadat dat rumoerig troepje in het tusschendeks verdwenen was. Een derde gedeelte van het detachement moest evenwel volgens de verordeningen gereed zijn, om bij noodzakelijkheid de equipage te helpen. Die wacht zat rondom den fokkemast gezellig te praten en had als posten uitgesteld: een man bij het galjoen, om daar voor de zindelijkheid te waken; een man aan het groote luik van het tusschendeks, om een waakzaam oog op den daar hangenden lantaarn te houden; en een korporaal bij het watervat, dat achter den grooten mast stond, met strenge consigne ieder zoo veel te laten drinken als hem lustte, maar overigens het medenemen van water in veldflesschen of kommen, of iedere andere waterverspilling, tegen te gaan.Ook de manschappen der scheeps-equipage, die alles en alles, de drie stuurlieden medegerekend, uit veertig koppen bestond, hadden het op dien vertrekdag met het aanvullen der lading, met het innemen van water, met het uitbrengen der sleeptrossen, met het zeil zetten en met honderde andere werkzaamheden, onafscheidelijk aan het naar zee gaan van een groot schip verbonden,[116]zeer druk gehad, zoodat ook zij weldra naar rust haakten. Volgens den scheepsrooster betrokken twee derde gedeelten hunner, volgens hunne eigenaardige uitdrukking, de wacht te kooi24; terwijl de anderen de wacht aan het dek hadden. Deze laatsten sloten zich bij de wachthebbende soldaten aan, en vormden met hen een gezellig kringetje, waarin het kwinkslagen regende, en waarin Janmaat zich ten koste van die ellendige landkrabben heerlijk te goed deed.„Kun jullie zoo ’s nachts varen?” vroeg een onnoozele boerenlummel, nog zeer kort in het soldatenpak gestoken.„Is het je soms te donker, boontje?” vroeg een der pikbroeken, terwijl hij zijne pruim tabak van de eene wangholte naar de andere liet verhuizen.„Ik zou geen weg in het donker weten,” antwoordde de soldaat eenvoudig.„Kijk daar eens aan bakboord over de verschansing,” zei de matroos. „Wat zie je daar bij de kim.”„Bij de kim.…?”„Ja, daar ginds, waar je meent, dat de hemel het water aanraakt. Wat zie je daar?”Het uitspansel was licht bewolkt, zoodat geen sterren zichtbaar waren. Maar naar den aangeduiden kant waren bij den gezichteinder drie kustlichten zichtbaar.„Meen je die lichtjes?” vroeg de soldaat.„Ja, zie je, dat daar ginds achteruit is het lichtje van Katwijk, dat daar dwars van ons is het lichtje van Scheveningen, en dat daar bakboord vooruit is het lichtje van Goeree, en ga je nu vooruit op het galjoen staan, en doe je dan je potdeksels goed open, dan zul je nog een zien, dat is het lichtje van Noord-Hinder.25Begrijp je nu?”„Neen, nog niet goed.”„Wel dat zijn kaarsjes, die ze daar aangestoken hebben, om ons des nachts den weg te wijzen.”[117]„Kaarsjes? den geheelen weg langs, tot Batavia toe?”De matrozen van het gezelschap schaterden van het lachen bij die vraag.„Neen, domme slampamper!” was het antwoord. „Die kaarsjes branden slechts in den nabijheid van de wal. Als wij het Kanaal uit en in volle zee gekomen zijn, zul jij je vingertoppen niet branden kunnen, als je ze snuiten wilt. Daar heb je ze ook niet meer noodig, daar ga je maar rechtuit rechtaan, en loopt geen gevaar om bij een boer in het venster te loopen.”Of de soldaat de toelichting op zijne vraag of er ’s nachts ook gevaren kon worden begrepen had? Hij hield zich stil en vroeg niet meer.Op het achterdek, d.w.z. op de ruimte van het dek tusschen den grooten mast en den achtersteven, zaten de meeste der mannelijke passagiers te zamen, en genoten van den fraaien avond. Zij waren niet talrijk en bestonden alleen uit den kommandant van het detachement militairen aan boord, een kapitein van hetNederlandsch-Indischeleger, die van verlof naar Indië terugkeerde, uit twee piepjonge tweede luitenants, die pas van de Militaire Akademie kwamen, en als medegeleiders van het detachement medegegeven waren, uit een officier van gezondheid en een militairen apotheker.De detachements-kommandant, Van Dam geheeten, was een gezet man, niet te dik, wiens geheele gestalte zijn ouderdom verried, namelijk dat hij een goede dertiger was. De man had een goedig en innemend gelaat, was gezien bij zijne superieuren, die zijne diensten steeds gewaardeerd hadden, en bemind bij zijne ondergeschikten, die in hem een meerderen vonden, steeds gereed om rekening te houden met hunne menschelijke zwakheden, wanneer de dienst daardoor niet leed; maar die onverbiddelijk streng was, wanneer de dienstplichten[118]vergeten werden. Onverbiddelijk streng, ja; hoewel hierbij aan geene hardheid behoefde gedacht te worden, daar hij zelfs bij het toepassen dier strengheid, de geaardheid en het doorgaand gedrag van den schuldigen in het oog hield, en de straf dienovereenkomstig bepaalde.Zijne twee luitenants waren, zooals reeds gezegd is, pas aangestelde officieren, zonder eenige ondervinding, die zoo pas van de school gekomen, geroepen waren, om gezag over een aantal mannen te voeren, waarvan het meerendeel veel ouder in jaren was dan zij, ja waarvan er ettelijke gevoegelijk hun vader hadden kunnen zijn. De een, Denniston geheeten, was een hoogblond ventje, met een blank gezichtje, dat aan het gelaat van een jong meisje zou hebben doen denken, wanneer op zijne bovenlip niet iets ontwaard werd, hetwelk nog in proces scheen, wat het worden mocht; maar intusschen nu er veel op geleek, alsof daar eene jeugdige kamerspin een begin gemaakt had haar web te weven. Gelaatskleur en haardos gaven aan, dat hij van Angelsaksische afkomst was, hetgeen zijn naam ook aantoonde, maar wat door zijne verwaandheid en opgeblazenheid geheel en al bevestigd werd. Hij kleedde zich smaakvol en met angstvallige zorg, zat in zijne uniform als gegoten en was daarin gewoonlijk zoodanig besloten, dat hij de verdenking niet ontgaan kon, van even als eene wufte schoone een keurslijfje te dragen.„Hij zal dat ding wel uitgooien, als hij onder de linie komt,” zei kapitein Van Dam vergoelijkend, wanneer de behaagzuchtige door zijne medeofficieren bespot werd.„En doet hij het daar niet,” vulde de scheeps-kapitein aan „dan zal te Batavia de rooie hond hem daartoe wel noodzaken. Een mensch moet zich daar soms geweld aandoen om zijn hemd op de huid te behouden.”Kapitein Van Dam knikte lachend en bevestigend met het hoofd.[119]„Die gekheid komt ook te recht” zeide hij.De andere luitenant was een slank opgeschoten jongeling, met een van nature dun middel, die met zijne ravenzwarte sluike haren, met zijne donkere huidskleur, die wel ietwat de tint vertoonde van koffie met veel melk, met zijne vurige oogen en eenigszins platten neus, met zijn schaars geplant kneveltje daaronder, onmiskenbaar zijn certificaat van oorsprong bij zich droeg, heette Leidermooi. Hij was de zoon van een handelsman op Celebes, die een morganatisch huwelijk had aangegaan met eene Makassaarsche schoone. Uit deze vereeniging was onze luitenant gesproten. Hij deed de opvoeding, die hem zijn vader had laten geven, alle eer aan. Met glans had hij zijne examens afgelegd, maar had daarbij eene bescheidenheid en zedigheid behouden, die wel afstaken bij de verwatenheid van zijn krijgsmakker, wiens studiën niet zoo brillant geweest waren.De officier van gezondheid, Hannius, was een blonde Germaan, met gelaatstrekken à la Werther, met een sierlijk brilletje op den wel ietwat smallen en vooruitstekenden neus, die zijne politiemuts even als vroeger het studentenpetje op een oor droeg, zijn uniformjas voor eene tunica aanzag, en niets streelender vond dan het rinkelen van zijn sleepsabel naast zijne hielen op den grond te hooren. Hij nam dan ook iedere gelegenheid te baat om met dat onschuldige wapen op het dek te verschijnen, vooral wanneer hij zijn collega, den scheepsdokter, bij het houden van geneeskundige inspectie ter zijde stond, hetgeen wekelijks eens geschiedde. Het was komiek onzen geneeskundige dan te hooren bevelen:„Die Zunge!”En als de betrokkene dan de tong uitstak, gaf Dr. Hannius zich op zijneteenenomhoog,—want hij was zeer klein van gestalte—om dat lichaamsdeel, hetwelk hem[120]soms vervaarlijk lang toescheen, door zijn bril op zijn gemak te bekijken en verzuimde dan nimmer, wanneer hij weer op zijne hakken neerkwam, zijn sabel met geweld op het dek te laten neervallen. Volgens zijne papieren was hij een zeer knap jong mensch, die te Heidelberg gestudeerd en daar schitterende examens afgelegd had. In Nederland had hij slechts een „colloquium doctum” ondergaan, om tot officier van gezondheid bij hetNederlandsch-Indischeleger aangesteld te worden. Men had het daar niet noodig geacht, zich anders dan door een zoogenaamd geleerd praatje van ’s mans bekwaamheid te vergewissen, om hem gezondheid en leven van de verdedigers der koloniën toetevertrouwen, en was slechts verblind geraakt door de uitgebreide entomologische kennis van den candidaat-officier van gezondheid.De militaire apotheker, Behren genaamd, was een welopgevoed jongmensch, met levendig en innemend gelaat, die zijne studiën te Utrecht voltooid had en voor apotheker geschapen scheen. Hij was scheikundige van top tot teen, en plantenkundige in zijn hart. Wanneer zijne reisgenooten hem plagen wilden, dan klonk het:„Zeg Behrtje, moet je niet naar de koebrug26om te herboriseeren?”Of wel:„Behrtje, er heerscht in het tusschendek eene eigenaardige lucht, zou je niet eens met den dokter onderzoeken, of daar geen Rosa Damascena27groeit?”Vooral kapitein Van Dam was onuitputtelijk in dergelijke uien, en liet vooral in het begin der reis den apotheker bijna dagelijks koopjes snappen. Later ging dat zoo gemakkelijk niet meer, toen was ons Behrtje meer op zijne hoede, en kaatste den bal soms geestig terug.„Of er nog andere passagiers aan boord zijn?” vroeg luitenant Leidermooi.[121]„Te drommel! wat vraag!” antwoordde zijn collega Denniston. „Het tusschendek is vol gestuwd.”„Ik meen passagiers eerste klasse. Ik ontwaarde niemand in de kerk.”28„Straks zag ik twee koffers hier aan het dek,” zeide kapitein Van Dam, „waarop de adressen luidden:„Groenewald, aan boord van de „Fernandina Maria Emma.””„Alleen Groenewald, kapitein?” vroeg Behren.„Alleen Groenewald!”„Daaruit is dus niet op te maken of de eigenaar van die koffers een heer of een dame is?”„Neen Behrtje, al is je apothekersneus nog zoo verfijnd met het snuffelen aan fleschjes en potjes, aan die adressen zou je reukorgaan te kort geschoten zijn, niet waar dokter?”„Allerdings!” antwoordde Hannius in een eigenaardig spraakeigen, zoowat saamgeknutseld uit twee woorden Hollandsch op vijf woorden Duitsch. „Allerdings! aber die koffers konnten Geruch verspreiden, sanfter liebliches Geruch. Das Geruch eines Fräuleins. Ich meinte so etwas.….”„Geruch?” vroeg kapitein Van Dam. „Ik zet het iemand om hier te midden van die pik- en teerlucht, van die uitwasemingen van lading en victualie, das Geruch eines Fräuleins, hetwelk uit eene koffer zou opstijgen, te onderscheiden.”„Aber, kapitein.…”„Neen, neen, mijn waardste mof, hoe wetenschappelijk ontwikkeld gijlieden van us. a. um ook zijt, zóó zijn jullie reukorganen niet in ontwikkeling toegenomen.”„Aber das Geruch war ja da!” fluisterde de Germaan in triomf. „Gewiss, ich habe mij nicht vergist.”En hij wees op twee gedaanten, die in de opening van den kajuitstrap verschenen.[122]„Sakkerloot!” prevelde Leidermooi, „dat zijn dames! Sjt!.….”De officieren zaten in gespannen verwachting. Het was duidelijk, dat er leden van het schoone geslacht aan boord waren; maar wie waren het? Wel was het niet zwart donker. De hemel was evenwel bewolkt, zoodat slechts de omtrekken van de twee vrouwen waarneembaar waren.Van de kajuitskap traden zij op de bakboordsverschansing toe, tuurden over boord naar het licht van den Noord-Hinder, hetwelk de „Fernandina Maria Emma” thans voorbij stevende. Toen zij zich evenwel daar zoo alleen op het dek zagen, terwijl bij de stuurboordverschansing een troepje heeren te babbelen zaten, en overigens de man aan het roer slechts ontwaard werd, trokken zij zich terug en gingen weer naar beneden.„Ik wed dat zij beiden jong en schoon zijn,” stelde Behren voor.Niemand wilde voor het tegendeel optreden; want allen hoopten, dat de apotheker gelijk zou hebben.„Zeg stuur,” sprak luitenant Leidermooi tot den 1enstuurman, die thans het achterdek betrad. „Zijn er dames aan boord?”„Ja, heeren,” antwoordde stuurman Abels, „wij hebben drie dames onder de passagiers.”„Wie zijn het?” vroeg kapitein Van Dam, nog nieuwsgieriger dan zijne luitenants.„Een mama met hare twee dochters.”„Zijn het mooie meisjes?” viel Denniston in.„Puik!”„Jong?”„Achttien en twintig jaren, reken ik.”„Maar, wie zijn het?” herhaalde kapitein Van Dam zijne vraag. „Hoe heeten zij?”[123]„Groenew …”Een schel gefluit klonk over het dek. Stuurman Abels liet onze officieren in den steek en spoedde naar voren. Daar stond de loods met den scheepsgezagvoerder en de twee andere stuurlieden ter hoogte van den fokkemast.29Het gefluit riep het wachthebbend scheepsvolk te samen. Nu het schip den Noord-Hinder dwars had, moest er gelood worden. Het fregat stevende nu te midden der Vlaamsche banken, en voorzichtigheid was hier de boodschap. Dwars had men den Noord-Hinder, bakboord vooruit lag de West-Hinder, vlak vooruit de Fairybank. Het schip moest iets afvallen om tusschen de Sandettie en Goodwin’s-sand30door te zeilen. De wind was inmiddels aangewakkerd en de boeg van het schip sneed met kracht het zeewater en wierp eene omhoogstijgende baar van wit schuim voor zijn steven uit. De loods beval de bovenzeilen in te nemen.„Grietje31geien!” klonk het schorre kommando van den 1enstuurman.De zeelieden togen aan het werk, aan het trekken, aan het halen; dit alles vergezeld van het onvermijdelijk matrozengezang, waarin het woord ahoi! met een onbeschrijfelijken keelklank gegild, de hoofdschotel uitmaakte.„Voor-bovenbramzeil en voorbramzeil geien!”Toen die zeilen geborgen waren:„Groot-bovenbramzeil en grootbramzeil geien!” gilde de 1estuurman.De vaart van het fregat begon merkbaar te minderen. Toch was het nog niet naar den zin van den loods. Die keek uit naar het licht van Goodwin’s-sand, wat nog niet te bespeuren was. Hij riep den scheeps-kapitein iets toe.„Bezaan, grootzeil en fok geien!” klonk diens kommando.De matrozen repten zich. De soldaten van de wacht moesten mee touwtje trekken. Weldra hingen de genoemde[124]zeilen slap en waren gedeeltelijk gegeid. Het schip voerde nu nog slechts zijne marszeilen, het kruiszeil en zijn kluiver en jager, en verminderde zijn vaart zeer.Buitenboords in de rust van den voormast was inmiddels een matroos gestegen, die daar met een zeer lange lijn, waaraan een stuk lood gebonden was, in de hand, dat stuk lood zwaaide, nog eens zwaaide, het aan het uiteinde van zijn arm langs het scheepsboord een cirkel liet beschrijven, de lijn op een gegeven oogenblik schieten liet, waardoor het lood aan de middelpuntvliedende en zwaartekracht gehoorzamende eene slingerbaan beschreef, en ver voorbij den boeg van het schip in het water plompte, terwijl de peiler de lijn door de hand liet glijden, totdat hij voelde, dat het lood den bodem der zee raakte. Dan palmde hij de lijn in, waarin hij door een aantal matrozen van de wacht geholpen werd; terwijl hij met luider stem aangaf de diepte, die door lapjes zeildoek, aan de lijn geknoopt, aangeduid werd.„Twaalf en een halve vaâm!”32klonk zijne stem luid over de watervlakte.Wanneer het lood opgehaald was, gaf hij het aan den loods over, die het bekeek met eene aandacht, welke den oningewijden voor het minst vreemd moest toeschijnen.De officieren waren bij het rumoer, hetwelk zich bij het zeilengeien en het daarop gevolgd looden ontwikkeld had, opgestaan, en naar het voorschip gegaan.„Wat doen ze daar toch?” vroeg Leidermooi aan zijne makkers.„Ze zijn aan het looden,” antwoordde kapitein Van Dam, die al een paar reizen naar en van Oost-Indië gemaakt had en derhalve eenigermate op de hoogte was.„Weten ze dan niet hoeveel water hier staat?” vroeg Behren ietwat verwonderd.[125]„Ja en neen,” was het antwoord. „Hier tusschen die Vlaamsche banken wisselt de diepte veelvuldig en snel af. Let maar op, zooeven was twaalf en een halve vaâm gepeild, let maar op, dan.…..”„Negen vaâm!!!” klonk het langgerekte en zangerige geroep van den looder.De loods liep naar den man aan het roer, nam voor een oogenblik het stuurrad in handen en liet het schip afvallen. Voor een korten poos lag west voor. Daarna werd weer zuidwest gestevend.„Achttien vaâm!!!” klonk daarop van buiten boord over de watervlakte.„Maar, wat bekijken ze toch dat lood, wanneer het opgehaald is?” vroeg Behren. „Kijk, daar doen ze het weer. Wat mag daaraan te zien zijn?”„Bij de verschillende diepten,” vervolgde kapitein Van Dam zijne zeevaartkundige uitleggingen, „bestaat de bodem der Noordzee ook uit uiteenloopende bestanddeelen. Hier wordt slechts zand, elders gebroken schulpjes, ergens anders weer kittelsteentjes aangetroffen. Dat alles is behoorlijk gepeild en in kaart gebracht, zelfs de kleur van het zand is daarbij aangegeven. Het dieplood bestaat, zoo als ge zien kunt, uit een cylindervormig stuk ijzer, hetwelk met lood volgegoten is, maar waarbij eene holte in het onderste gedeelte van den cylinder gespaard is gebleven. Deze holte werd met kaarsvet aangevuld, dat met den onderrand gelijk gestreken is. Komt het lood nu op den grond, dan blijven de bestanddeelen van den zeebodem aan het vet kleven, en brengt dat lood aan het licht, waaruit die bodem bestaat. Geeft het lood b.v. twaalf en een halve vaâm, met wit zand aan, dan is op de kaart met de grootste nauwkeurigheid aan te wijzen, waar het schip staat.”Zooals de zeelieden, die aan het looden hunne aandacht[126]wijdden, daar bij elkander stonden, vormden zij een merkwaardige groep, die den lezer wel een oogenblik mag bezighouden.De scheepsgezagvoerder, kapitein Butteling, was een oude zeerob van den echten stempel. Hij had sneeuwwitte haren, die hem in weelderigen rijkdom tot op de schouders golfden, terwijl zijn gelaat met een niet minder witten en zwaren baard omlijst werd. Hij was een door en door goedig man, die reeds op zijn twaalfde jaar zijne loopbaan op het verraderlijke element als scheepsjongen begonnen was. Hoewel, vooral met de opleiding, die in die dagen den zeeman deelachtig was, zijne gesprekken daarvan het onloochenbaar kenmerk droegen, zoo moest toch toegegeven worden, dat hij zich eene zekere mate van beschaving had eigen gemaakt, hetgeen voornamelijk daaruit voortsproot, dat hij steeds, van zijne prilste jeugd af, de voorkeur gegeven had aan den omgang met menschen van degelijke opvoeding boven die van de zeebonken, die uit den aard der zaak zijne dagelijksche omgeving uitmaakten. Hij was een zeeman in zijn hart, en had het blauwe water—zooals hij dat uitdrukte—lief, en gevoelde zich nergens prettiger dan aan boord van zijn schip.„Dat de haaien mij halen, als het niet waar is!” was hij gewoon te zeggen, „maar aan den wal, voel ik mij bij al de grimassen, die daar verkocht worden, akelig en zeeziek!”De man was gelukkig echtgenoot en nog gelukkiger vader van drie flinke jongens, die alle drie op de kweekschool voor Zeevaartkunde waren, en waarvan de oudste weldra aan boord van de „Fernandina Maria Emma” zou komen, om zijne zeemans-opleiding onder het vader-oog te voltooien.„Als Job aan boord zal zijn, zie je,” sprak kapitein[127]Butteling, „dan zal ik eerst schik in mijn leven hebben!”Voor het overige had hij nimmer gedoogd, dat vrouw of kroost aan boord waren gekomen. Hij beweerde, dat de aanwezigheid van vrouw en kinderen op een schip den zeeman slechts van het stipt vervullen zijner plichten aftrekt. Noch de stuurlieden, noch de bootslieden hadden dan ook de ega van hunnen kapitein te zien gekregen. Alleen de scheepsdokter had, lange jaren geleden, dat voorrecht genoten bij gelegenheid, dat hij met allen spoed geroepen was geworden om geneeskundige hulp te verleenen aan een der kinderen van kapitein Butteling, dat van de trappen gevallen was en zich erg bezeerd had.De drie stuurlieden Abels, Bagman en Ellenbaas waren jonge flinke zeelieden, die hunnen kapitein waardig ter zijde stonden. Zij hadden hunne opleiding op de voornoemde kweekschool genoten, en deden hunne leermeesters alle eer aan. De 1estuurman Abels had zoo’n voorliefde voor zijn vak van zeeman, dat hij gul uit bekende niet te kunnen begrijpen, waartoe de goede God het land anders geschapen had dan om een schip in de gelegenheid te stellen water te kunnen innemen.„En dat had Hij nog anders kunnen inrichten, door de zee met zoet water te vullen,” verklaarde hij.Soms gaf hij grootmoedig toe, wanneer hij namelijk in de engte gedreven werd, dat de wal ook nog zijn nut kon hebben om eens te passagieren en.… ja, ook nog, om nu en dan koffie, suiker en Banka-tin in te laden.Die drie artikelen maakten de meest geliefkoosde lading voor stuurman Abels uit. Die lieten zich zoo gemakkelijk stuwen, beweerde hij.Hoewel de scheepsdokter Van Pinksteren in dat nachtelijk uur niet aan het dek aanwezig was, zal het niet ondienstig schijnen, hier eene korte schets omtrent[128]dien onmisbaren persoon aan boord te laten volgen. Hij was een vrij bejaard man, die in ’s levens stormen niet veel haar op den schedel overgehouden had. Het kransje witte haren, dat zijn achterhoofd van het eene oor tot het andere omgaf, was het treurige overblijfsel van een haardos, die zelfs in zijne jeugd pover moest genoemd worden. Hij was uiterst mager, en had dientengevolge een hoekig gelaat, dat zoo oud-geel van kleur was, alsof het met perkament overtogen was. Hij had zijne loopbaan in het edele vak van Hippocrates als barbiersjongen begonnen, en had met het hanteeren van schaar, scheermes en krultang eene zekere vaardigheid erlangd, die hem met vertrouwen naar de lancet en de bistouri hadden doen grijpen. De recepten, die hij voorheen gaf, om het haar te verven en om het te doen groeien, hadden hem in de dagen zijner jeugd eene zekere aanspraak verleend om ook anderen b.v. tegen haarworm, zomersproeten, ja, tegen likdoorns te schrijven. Toen die met succes bekroond werden, betrad hij een meer uitgebreid terrein en wierp zich met ijver en hartstocht der geneeskunde in de armen. Heel veel geneesmiddelen hield hij er waarachtig niet op na.„Dat was ook niet noodig,” beweerde hij. „Het menschdom heeft aan een geneesmiddel genoeg, mits het maar goed zij!”Zijn panaceum bestond in lijnkoeken. Had iemand de koorts: gauw een stuk lijnkoek ter grootte van een rijksdaalder, even in water geweekt, achter tegen de kuiten van den patiënt gebonden. Was het geval acuut, o! geen nood! eene kleine sneê in iedere kuit en daar de stukken lijnkoek op, was probaat. Eene zachte pap van hetzelfde middel gekookt, den lijder inwendig toegediend, verwekte wonderen.Voor waterzucht: lijnkoeken tegen de kuiten![129]Voor buikzucht: lijnkoeken tegen de kuiten.Voor hart- en nieraandoeningen: lijnkoeken tegen de kuiten.Voor hoofdpijnen: lijnkoeken tegen de kuiten.Steeds lijnkoeken! lijnkoeken altijd! bij welken ziektevorm ook! Het middel was onfeilbaar!„Ik zal,” verzekerde Van Pinksteren zijn’ collega Hannius, „de premie van vijf gulden, welke het gouvernement uitlooft voor iederen man, die te Batavia gezond aan wal gezet wordt, dank zij de onschatbare lijnkoeken, gemakkelijk verdienen. Gemakkelijker althans dan onze gezagvoerder!”Dokter Hannius glimlachte beteekenisvol, trok de schouders even op, maar antwoordde niets. In zijn brein berekende hij toen evenwel, hoeveel kapitein Butteling van de hem toegezegde premie door de lijnkoekenkuur zou moeten verliezen, wanneer het ongeluk wilde, dat eene ziekte aan boord uitbrak.Het was ongeveer middernacht, toen het lichtschip op Goodwin’s-sand in het gezicht kwam. Dat was het onfeilbare teeken, dat men op den goeden weg was en aan vergissing in den koers niet meer te denken viel. De uitstaande zeilen werden volgebrast en de andere, die een paar uren te voren gegeid waren, bijgezet, om den nog steeds heerschenden noordenwind te benuttigen. De masten overdekten zich met bolstaande zeilen, die zwart tegen den grauwen licht bewolkten nachtelijken hemel scherp afstaken. Het schip kliefde onder dien druk met kracht de golven, en wierp een breeden band van helder wit schuim voor zijn boeg uit, dat blinkend in het nachtelijke duister bij de zwartschijnende wateren en bij den zwartgeverfden romp van het schip afstak. Achter het schip sloten de vaneen gescheiden golven zich weder en vormden daar het zoogenaamde kielzog, hetwelk door[130]zijn wit schuim zich, tot zoover het oog reikte, van de donkere watermassa onderscheidde.Toen het licht van Zuid-Foreland in het gezicht was, gingen de passagiers naar beneden. Ook de eerste en tweede stuurman gingen naar kooi, en bleven de scheepskapitein en de derde stuurman met den loods aan het dek. Die liepen op en neer, terwijl de matrozen en de soldaten der wacht zich weer in een kringetje vergaderden om de verdere wachturen zoo gezellig mogelijk te slijten.Bij den grooten mast en in de nabijheid van het grootluik leunden de sergeanten Riethoven en Brinkman over de verschansing, en tuurden in zee. Die eerste nacht, aan boord doorgebracht, was niet van de aangenaamste. Hoewel hetonderofficieren-verblijfin het tusschendek door een heel licht beschot van het soldatenlogies was afgescheiden, had de warmte, het bedompte, de scheepslucht, het kraken van de inhouten bij de minste beweging van het vaartuig, de vreemde ligging in de hangmatten, maar voornamelijk het wiegelen daarvan, dat alles te samen tot gevolg gehad, dat onze jongelieden den slaap niet vatten konden. Zij hadden zich heen en weer gewenteld, waren eindelijk uit hunne zwevende slaapsteden gesprongen en hadden hunne toevlucht op het dek gezocht.„Ik heb geen oog dicht gedaan,” pruttelde Frank. „Het is daaronder niet uit te houden. Wat moet dat geven, wanneer wij meer zuidelijk komen en het warmer zal worden?”„Och,” antwoordde Herman, „dat is het niet, wat mij schortte; ik geloof zelfs, dat ik daaraan wel gewennen zal. Maar zoo’n eerste nacht aan boord, die drukte bij het vertrek, die laatste blik op den vaderlandschen bodem, dien wij voor onze oogen hebben zien verdwijnen, de gedachte aan mijne ouders, waarvan ik reeds zoo ver[131]verwijderd ben en die ik bij hunnen gevorderden leeftijd wel nimmer meer zal terug zien, dat alles rees voor mijn overspannen brein op, vertoonde zich als nevelbeelden, die onmerkbaar in elkander overgingen, maar die mij ten slotte belett’en in slaap te geraken. Daar tusschen al die beelden had er zich een gemengd, dat van Lydia Fraenkel, hetwelk het losscheuren van den vaderlandschen grond nog smartelijker maakt. Och! dat ik mij van de herinnering daaraan niet kan ontdoen, dat dat beeld mij tot hier moet vervolgen!”„Ja, dat zijn zoo van die zaken, die je niet als een leege flesch kunt over boord zetten,” antwoordde Frank. „Daar zal de tijd het zijne moeten toebrengen om vergetelheid aan te brengen. Gij zijt hier in de gelegenheid om te vergeten.”„Daar vestig ik mijne hoop op,” zei Herman. „Als mij geen tafereelen van liefde, van geluk onder de oogen zullen komen, als ik geruimen tijd geen vrouwelijk wezen in mijne nabijheid zal zien, dat mij Lydia zal herinneren, dan zal wellicht de vergetelheid komen, die al het gebeurde in een nevelachtig waas zal hullen en mij de gemoedsrust zal wedergeven.”„Drommels, Herman,” antwoordde Frank, „als slechts de afwezigheid van vrouwelijke wezens die vergetelheid zal kunnen bewerken, dan vrees ik, dat het verblijf hier aan boord daartoe niet zal kunnen meewerken.”„Hoedat zoo?”„Wel, straks ontwaarde ik twee dames, die daar op het achterdek tegen de verschansing geleund stonden, en met een blik het reeds verdwenen vaderland schenen te zoeken. Zoo ver ik in het avondduister heb kunnen opmerken, waren zij beiden jong. De derde stuurman vertelde mij, dat zij met hare ouders aan boord waren.”Herman zuchtte, maar antwoordde niet.[132]„Kom, kom,” hernam Frank, „het vertrek, het verlaten van den geboortegrond maakt je eenigszins neerslachtig. Dat zal ook wel overgaan. Te Harderwijk waart ge zoo niet, is niet?”„Je hebt gelijk, Frank. Het zijn de herinneringen aan het laatste afscheid, dat ik vanhaarnam, die mij zoo ter neer drukken. O! als je hadt kunnen zien, hoe kalm en gevoelloos zij mijne hand aannam, en naar den hemel wees met het woordà Dieuop de lippen, alsof zij mij wreed en onwraakbaar wou doen gevoelen, dat onze scheiding onherroepelijk, voor het leven was. Neen, die vrouw heeft nimmer een gevoel van genegenheid voor mij ondervonden!”„Goed zoo!” riep Frank. „Nu ben je op het ware pad! Vestigt zich die overtuiging in je brein, dan is de genezing niet ver meer af.”De twee jongelieden op de verschansing geleund stonden zoo nog een oogenblik met elkander te praten, terwijl het fregat voortstoof en weldra het licht van Zuid-Foreland voorbij was. Het schip bevond zich nu in het nauw van Calais, in het smalste gedeelte van het Engelsche Kanaal, dat de zuidelijke verbinding van de Noordzee met den Atlantischen Oceaan daarstelt. Herman en Frank tuurden nog een poos naar Britannië’s kust, die daar stuurboord vooruit als uit de zee oprees. Het was evenwel donker.Niets was er te onderscheiden, dan de schitterende kustlichten van Dover en van Folkestone.„Kom”, zei Frank, „ik ga nog eens probeeren of ik niet een paar uren zal kunnen slapen. Doe gij ook zoo.”Herman antwoordde niet. Frank ging naar beneden. Nog een poos bleef de andere in zee turen. Welke gedachten in die oogenblikken van eenzaamheid hem bestormden, zou hij nimmer hebben kunnen mededeelen.[133]Het was een chaos van weemoed, van leed, van treurige herinneringen, maar toch ook van hoop in de toekomst, die zich baan begon te breken. Eindelijk keerde hij zich om en ging ook naar beneden, om te trachten nog eenige uren rust te vinden.[134]
II.In de Noordzee.—Kennismaking.
Het was stil op het dek van de „Fernandina Maria Emma” geworden, nadat dat rumoerig troepje in het tusschendeks verdwenen was. Een derde gedeelte van het detachement moest evenwel volgens de verordeningen gereed zijn, om bij noodzakelijkheid de equipage te helpen. Die wacht zat rondom den fokkemast gezellig te praten en had als posten uitgesteld: een man bij het galjoen, om daar voor de zindelijkheid te waken; een man aan het groote luik van het tusschendeks, om een waakzaam oog op den daar hangenden lantaarn te houden; en een korporaal bij het watervat, dat achter den grooten mast stond, met strenge consigne ieder zoo veel te laten drinken als hem lustte, maar overigens het medenemen van water in veldflesschen of kommen, of iedere andere waterverspilling, tegen te gaan.Ook de manschappen der scheeps-equipage, die alles en alles, de drie stuurlieden medegerekend, uit veertig koppen bestond, hadden het op dien vertrekdag met het aanvullen der lading, met het innemen van water, met het uitbrengen der sleeptrossen, met het zeil zetten en met honderde andere werkzaamheden, onafscheidelijk aan het naar zee gaan van een groot schip verbonden,[116]zeer druk gehad, zoodat ook zij weldra naar rust haakten. Volgens den scheepsrooster betrokken twee derde gedeelten hunner, volgens hunne eigenaardige uitdrukking, de wacht te kooi24; terwijl de anderen de wacht aan het dek hadden. Deze laatsten sloten zich bij de wachthebbende soldaten aan, en vormden met hen een gezellig kringetje, waarin het kwinkslagen regende, en waarin Janmaat zich ten koste van die ellendige landkrabben heerlijk te goed deed.„Kun jullie zoo ’s nachts varen?” vroeg een onnoozele boerenlummel, nog zeer kort in het soldatenpak gestoken.„Is het je soms te donker, boontje?” vroeg een der pikbroeken, terwijl hij zijne pruim tabak van de eene wangholte naar de andere liet verhuizen.„Ik zou geen weg in het donker weten,” antwoordde de soldaat eenvoudig.„Kijk daar eens aan bakboord over de verschansing,” zei de matroos. „Wat zie je daar bij de kim.”„Bij de kim.…?”„Ja, daar ginds, waar je meent, dat de hemel het water aanraakt. Wat zie je daar?”Het uitspansel was licht bewolkt, zoodat geen sterren zichtbaar waren. Maar naar den aangeduiden kant waren bij den gezichteinder drie kustlichten zichtbaar.„Meen je die lichtjes?” vroeg de soldaat.„Ja, zie je, dat daar ginds achteruit is het lichtje van Katwijk, dat daar dwars van ons is het lichtje van Scheveningen, en dat daar bakboord vooruit is het lichtje van Goeree, en ga je nu vooruit op het galjoen staan, en doe je dan je potdeksels goed open, dan zul je nog een zien, dat is het lichtje van Noord-Hinder.25Begrijp je nu?”„Neen, nog niet goed.”„Wel dat zijn kaarsjes, die ze daar aangestoken hebben, om ons des nachts den weg te wijzen.”[117]„Kaarsjes? den geheelen weg langs, tot Batavia toe?”De matrozen van het gezelschap schaterden van het lachen bij die vraag.„Neen, domme slampamper!” was het antwoord. „Die kaarsjes branden slechts in den nabijheid van de wal. Als wij het Kanaal uit en in volle zee gekomen zijn, zul jij je vingertoppen niet branden kunnen, als je ze snuiten wilt. Daar heb je ze ook niet meer noodig, daar ga je maar rechtuit rechtaan, en loopt geen gevaar om bij een boer in het venster te loopen.”Of de soldaat de toelichting op zijne vraag of er ’s nachts ook gevaren kon worden begrepen had? Hij hield zich stil en vroeg niet meer.Op het achterdek, d.w.z. op de ruimte van het dek tusschen den grooten mast en den achtersteven, zaten de meeste der mannelijke passagiers te zamen, en genoten van den fraaien avond. Zij waren niet talrijk en bestonden alleen uit den kommandant van het detachement militairen aan boord, een kapitein van hetNederlandsch-Indischeleger, die van verlof naar Indië terugkeerde, uit twee piepjonge tweede luitenants, die pas van de Militaire Akademie kwamen, en als medegeleiders van het detachement medegegeven waren, uit een officier van gezondheid en een militairen apotheker.De detachements-kommandant, Van Dam geheeten, was een gezet man, niet te dik, wiens geheele gestalte zijn ouderdom verried, namelijk dat hij een goede dertiger was. De man had een goedig en innemend gelaat, was gezien bij zijne superieuren, die zijne diensten steeds gewaardeerd hadden, en bemind bij zijne ondergeschikten, die in hem een meerderen vonden, steeds gereed om rekening te houden met hunne menschelijke zwakheden, wanneer de dienst daardoor niet leed; maar die onverbiddelijk streng was, wanneer de dienstplichten[118]vergeten werden. Onverbiddelijk streng, ja; hoewel hierbij aan geene hardheid behoefde gedacht te worden, daar hij zelfs bij het toepassen dier strengheid, de geaardheid en het doorgaand gedrag van den schuldigen in het oog hield, en de straf dienovereenkomstig bepaalde.Zijne twee luitenants waren, zooals reeds gezegd is, pas aangestelde officieren, zonder eenige ondervinding, die zoo pas van de school gekomen, geroepen waren, om gezag over een aantal mannen te voeren, waarvan het meerendeel veel ouder in jaren was dan zij, ja waarvan er ettelijke gevoegelijk hun vader hadden kunnen zijn. De een, Denniston geheeten, was een hoogblond ventje, met een blank gezichtje, dat aan het gelaat van een jong meisje zou hebben doen denken, wanneer op zijne bovenlip niet iets ontwaard werd, hetwelk nog in proces scheen, wat het worden mocht; maar intusschen nu er veel op geleek, alsof daar eene jeugdige kamerspin een begin gemaakt had haar web te weven. Gelaatskleur en haardos gaven aan, dat hij van Angelsaksische afkomst was, hetgeen zijn naam ook aantoonde, maar wat door zijne verwaandheid en opgeblazenheid geheel en al bevestigd werd. Hij kleedde zich smaakvol en met angstvallige zorg, zat in zijne uniform als gegoten en was daarin gewoonlijk zoodanig besloten, dat hij de verdenking niet ontgaan kon, van even als eene wufte schoone een keurslijfje te dragen.„Hij zal dat ding wel uitgooien, als hij onder de linie komt,” zei kapitein Van Dam vergoelijkend, wanneer de behaagzuchtige door zijne medeofficieren bespot werd.„En doet hij het daar niet,” vulde de scheeps-kapitein aan „dan zal te Batavia de rooie hond hem daartoe wel noodzaken. Een mensch moet zich daar soms geweld aandoen om zijn hemd op de huid te behouden.”Kapitein Van Dam knikte lachend en bevestigend met het hoofd.[119]„Die gekheid komt ook te recht” zeide hij.De andere luitenant was een slank opgeschoten jongeling, met een van nature dun middel, die met zijne ravenzwarte sluike haren, met zijne donkere huidskleur, die wel ietwat de tint vertoonde van koffie met veel melk, met zijne vurige oogen en eenigszins platten neus, met zijn schaars geplant kneveltje daaronder, onmiskenbaar zijn certificaat van oorsprong bij zich droeg, heette Leidermooi. Hij was de zoon van een handelsman op Celebes, die een morganatisch huwelijk had aangegaan met eene Makassaarsche schoone. Uit deze vereeniging was onze luitenant gesproten. Hij deed de opvoeding, die hem zijn vader had laten geven, alle eer aan. Met glans had hij zijne examens afgelegd, maar had daarbij eene bescheidenheid en zedigheid behouden, die wel afstaken bij de verwatenheid van zijn krijgsmakker, wiens studiën niet zoo brillant geweest waren.De officier van gezondheid, Hannius, was een blonde Germaan, met gelaatstrekken à la Werther, met een sierlijk brilletje op den wel ietwat smallen en vooruitstekenden neus, die zijne politiemuts even als vroeger het studentenpetje op een oor droeg, zijn uniformjas voor eene tunica aanzag, en niets streelender vond dan het rinkelen van zijn sleepsabel naast zijne hielen op den grond te hooren. Hij nam dan ook iedere gelegenheid te baat om met dat onschuldige wapen op het dek te verschijnen, vooral wanneer hij zijn collega, den scheepsdokter, bij het houden van geneeskundige inspectie ter zijde stond, hetgeen wekelijks eens geschiedde. Het was komiek onzen geneeskundige dan te hooren bevelen:„Die Zunge!”En als de betrokkene dan de tong uitstak, gaf Dr. Hannius zich op zijneteenenomhoog,—want hij was zeer klein van gestalte—om dat lichaamsdeel, hetwelk hem[120]soms vervaarlijk lang toescheen, door zijn bril op zijn gemak te bekijken en verzuimde dan nimmer, wanneer hij weer op zijne hakken neerkwam, zijn sabel met geweld op het dek te laten neervallen. Volgens zijne papieren was hij een zeer knap jong mensch, die te Heidelberg gestudeerd en daar schitterende examens afgelegd had. In Nederland had hij slechts een „colloquium doctum” ondergaan, om tot officier van gezondheid bij hetNederlandsch-Indischeleger aangesteld te worden. Men had het daar niet noodig geacht, zich anders dan door een zoogenaamd geleerd praatje van ’s mans bekwaamheid te vergewissen, om hem gezondheid en leven van de verdedigers der koloniën toetevertrouwen, en was slechts verblind geraakt door de uitgebreide entomologische kennis van den candidaat-officier van gezondheid.De militaire apotheker, Behren genaamd, was een welopgevoed jongmensch, met levendig en innemend gelaat, die zijne studiën te Utrecht voltooid had en voor apotheker geschapen scheen. Hij was scheikundige van top tot teen, en plantenkundige in zijn hart. Wanneer zijne reisgenooten hem plagen wilden, dan klonk het:„Zeg Behrtje, moet je niet naar de koebrug26om te herboriseeren?”Of wel:„Behrtje, er heerscht in het tusschendek eene eigenaardige lucht, zou je niet eens met den dokter onderzoeken, of daar geen Rosa Damascena27groeit?”Vooral kapitein Van Dam was onuitputtelijk in dergelijke uien, en liet vooral in het begin der reis den apotheker bijna dagelijks koopjes snappen. Later ging dat zoo gemakkelijk niet meer, toen was ons Behrtje meer op zijne hoede, en kaatste den bal soms geestig terug.„Of er nog andere passagiers aan boord zijn?” vroeg luitenant Leidermooi.[121]„Te drommel! wat vraag!” antwoordde zijn collega Denniston. „Het tusschendek is vol gestuwd.”„Ik meen passagiers eerste klasse. Ik ontwaarde niemand in de kerk.”28„Straks zag ik twee koffers hier aan het dek,” zeide kapitein Van Dam, „waarop de adressen luidden:„Groenewald, aan boord van de „Fernandina Maria Emma.””„Alleen Groenewald, kapitein?” vroeg Behren.„Alleen Groenewald!”„Daaruit is dus niet op te maken of de eigenaar van die koffers een heer of een dame is?”„Neen Behrtje, al is je apothekersneus nog zoo verfijnd met het snuffelen aan fleschjes en potjes, aan die adressen zou je reukorgaan te kort geschoten zijn, niet waar dokter?”„Allerdings!” antwoordde Hannius in een eigenaardig spraakeigen, zoowat saamgeknutseld uit twee woorden Hollandsch op vijf woorden Duitsch. „Allerdings! aber die koffers konnten Geruch verspreiden, sanfter liebliches Geruch. Das Geruch eines Fräuleins. Ich meinte so etwas.….”„Geruch?” vroeg kapitein Van Dam. „Ik zet het iemand om hier te midden van die pik- en teerlucht, van die uitwasemingen van lading en victualie, das Geruch eines Fräuleins, hetwelk uit eene koffer zou opstijgen, te onderscheiden.”„Aber, kapitein.…”„Neen, neen, mijn waardste mof, hoe wetenschappelijk ontwikkeld gijlieden van us. a. um ook zijt, zóó zijn jullie reukorganen niet in ontwikkeling toegenomen.”„Aber das Geruch war ja da!” fluisterde de Germaan in triomf. „Gewiss, ich habe mij nicht vergist.”En hij wees op twee gedaanten, die in de opening van den kajuitstrap verschenen.[122]„Sakkerloot!” prevelde Leidermooi, „dat zijn dames! Sjt!.….”De officieren zaten in gespannen verwachting. Het was duidelijk, dat er leden van het schoone geslacht aan boord waren; maar wie waren het? Wel was het niet zwart donker. De hemel was evenwel bewolkt, zoodat slechts de omtrekken van de twee vrouwen waarneembaar waren.Van de kajuitskap traden zij op de bakboordsverschansing toe, tuurden over boord naar het licht van den Noord-Hinder, hetwelk de „Fernandina Maria Emma” thans voorbij stevende. Toen zij zich evenwel daar zoo alleen op het dek zagen, terwijl bij de stuurboordverschansing een troepje heeren te babbelen zaten, en overigens de man aan het roer slechts ontwaard werd, trokken zij zich terug en gingen weer naar beneden.„Ik wed dat zij beiden jong en schoon zijn,” stelde Behren voor.Niemand wilde voor het tegendeel optreden; want allen hoopten, dat de apotheker gelijk zou hebben.„Zeg stuur,” sprak luitenant Leidermooi tot den 1enstuurman, die thans het achterdek betrad. „Zijn er dames aan boord?”„Ja, heeren,” antwoordde stuurman Abels, „wij hebben drie dames onder de passagiers.”„Wie zijn het?” vroeg kapitein Van Dam, nog nieuwsgieriger dan zijne luitenants.„Een mama met hare twee dochters.”„Zijn het mooie meisjes?” viel Denniston in.„Puik!”„Jong?”„Achttien en twintig jaren, reken ik.”„Maar, wie zijn het?” herhaalde kapitein Van Dam zijne vraag. „Hoe heeten zij?”[123]„Groenew …”Een schel gefluit klonk over het dek. Stuurman Abels liet onze officieren in den steek en spoedde naar voren. Daar stond de loods met den scheepsgezagvoerder en de twee andere stuurlieden ter hoogte van den fokkemast.29Het gefluit riep het wachthebbend scheepsvolk te samen. Nu het schip den Noord-Hinder dwars had, moest er gelood worden. Het fregat stevende nu te midden der Vlaamsche banken, en voorzichtigheid was hier de boodschap. Dwars had men den Noord-Hinder, bakboord vooruit lag de West-Hinder, vlak vooruit de Fairybank. Het schip moest iets afvallen om tusschen de Sandettie en Goodwin’s-sand30door te zeilen. De wind was inmiddels aangewakkerd en de boeg van het schip sneed met kracht het zeewater en wierp eene omhoogstijgende baar van wit schuim voor zijn steven uit. De loods beval de bovenzeilen in te nemen.„Grietje31geien!” klonk het schorre kommando van den 1enstuurman.De zeelieden togen aan het werk, aan het trekken, aan het halen; dit alles vergezeld van het onvermijdelijk matrozengezang, waarin het woord ahoi! met een onbeschrijfelijken keelklank gegild, de hoofdschotel uitmaakte.„Voor-bovenbramzeil en voorbramzeil geien!”Toen die zeilen geborgen waren:„Groot-bovenbramzeil en grootbramzeil geien!” gilde de 1estuurman.De vaart van het fregat begon merkbaar te minderen. Toch was het nog niet naar den zin van den loods. Die keek uit naar het licht van Goodwin’s-sand, wat nog niet te bespeuren was. Hij riep den scheeps-kapitein iets toe.„Bezaan, grootzeil en fok geien!” klonk diens kommando.De matrozen repten zich. De soldaten van de wacht moesten mee touwtje trekken. Weldra hingen de genoemde[124]zeilen slap en waren gedeeltelijk gegeid. Het schip voerde nu nog slechts zijne marszeilen, het kruiszeil en zijn kluiver en jager, en verminderde zijn vaart zeer.Buitenboords in de rust van den voormast was inmiddels een matroos gestegen, die daar met een zeer lange lijn, waaraan een stuk lood gebonden was, in de hand, dat stuk lood zwaaide, nog eens zwaaide, het aan het uiteinde van zijn arm langs het scheepsboord een cirkel liet beschrijven, de lijn op een gegeven oogenblik schieten liet, waardoor het lood aan de middelpuntvliedende en zwaartekracht gehoorzamende eene slingerbaan beschreef, en ver voorbij den boeg van het schip in het water plompte, terwijl de peiler de lijn door de hand liet glijden, totdat hij voelde, dat het lood den bodem der zee raakte. Dan palmde hij de lijn in, waarin hij door een aantal matrozen van de wacht geholpen werd; terwijl hij met luider stem aangaf de diepte, die door lapjes zeildoek, aan de lijn geknoopt, aangeduid werd.„Twaalf en een halve vaâm!”32klonk zijne stem luid over de watervlakte.Wanneer het lood opgehaald was, gaf hij het aan den loods over, die het bekeek met eene aandacht, welke den oningewijden voor het minst vreemd moest toeschijnen.De officieren waren bij het rumoer, hetwelk zich bij het zeilengeien en het daarop gevolgd looden ontwikkeld had, opgestaan, en naar het voorschip gegaan.„Wat doen ze daar toch?” vroeg Leidermooi aan zijne makkers.„Ze zijn aan het looden,” antwoordde kapitein Van Dam, die al een paar reizen naar en van Oost-Indië gemaakt had en derhalve eenigermate op de hoogte was.„Weten ze dan niet hoeveel water hier staat?” vroeg Behren ietwat verwonderd.[125]„Ja en neen,” was het antwoord. „Hier tusschen die Vlaamsche banken wisselt de diepte veelvuldig en snel af. Let maar op, zooeven was twaalf en een halve vaâm gepeild, let maar op, dan.…..”„Negen vaâm!!!” klonk het langgerekte en zangerige geroep van den looder.De loods liep naar den man aan het roer, nam voor een oogenblik het stuurrad in handen en liet het schip afvallen. Voor een korten poos lag west voor. Daarna werd weer zuidwest gestevend.„Achttien vaâm!!!” klonk daarop van buiten boord over de watervlakte.„Maar, wat bekijken ze toch dat lood, wanneer het opgehaald is?” vroeg Behren. „Kijk, daar doen ze het weer. Wat mag daaraan te zien zijn?”„Bij de verschillende diepten,” vervolgde kapitein Van Dam zijne zeevaartkundige uitleggingen, „bestaat de bodem der Noordzee ook uit uiteenloopende bestanddeelen. Hier wordt slechts zand, elders gebroken schulpjes, ergens anders weer kittelsteentjes aangetroffen. Dat alles is behoorlijk gepeild en in kaart gebracht, zelfs de kleur van het zand is daarbij aangegeven. Het dieplood bestaat, zoo als ge zien kunt, uit een cylindervormig stuk ijzer, hetwelk met lood volgegoten is, maar waarbij eene holte in het onderste gedeelte van den cylinder gespaard is gebleven. Deze holte werd met kaarsvet aangevuld, dat met den onderrand gelijk gestreken is. Komt het lood nu op den grond, dan blijven de bestanddeelen van den zeebodem aan het vet kleven, en brengt dat lood aan het licht, waaruit die bodem bestaat. Geeft het lood b.v. twaalf en een halve vaâm, met wit zand aan, dan is op de kaart met de grootste nauwkeurigheid aan te wijzen, waar het schip staat.”Zooals de zeelieden, die aan het looden hunne aandacht[126]wijdden, daar bij elkander stonden, vormden zij een merkwaardige groep, die den lezer wel een oogenblik mag bezighouden.De scheepsgezagvoerder, kapitein Butteling, was een oude zeerob van den echten stempel. Hij had sneeuwwitte haren, die hem in weelderigen rijkdom tot op de schouders golfden, terwijl zijn gelaat met een niet minder witten en zwaren baard omlijst werd. Hij was een door en door goedig man, die reeds op zijn twaalfde jaar zijne loopbaan op het verraderlijke element als scheepsjongen begonnen was. Hoewel, vooral met de opleiding, die in die dagen den zeeman deelachtig was, zijne gesprekken daarvan het onloochenbaar kenmerk droegen, zoo moest toch toegegeven worden, dat hij zich eene zekere mate van beschaving had eigen gemaakt, hetgeen voornamelijk daaruit voortsproot, dat hij steeds, van zijne prilste jeugd af, de voorkeur gegeven had aan den omgang met menschen van degelijke opvoeding boven die van de zeebonken, die uit den aard der zaak zijne dagelijksche omgeving uitmaakten. Hij was een zeeman in zijn hart, en had het blauwe water—zooals hij dat uitdrukte—lief, en gevoelde zich nergens prettiger dan aan boord van zijn schip.„Dat de haaien mij halen, als het niet waar is!” was hij gewoon te zeggen, „maar aan den wal, voel ik mij bij al de grimassen, die daar verkocht worden, akelig en zeeziek!”De man was gelukkig echtgenoot en nog gelukkiger vader van drie flinke jongens, die alle drie op de kweekschool voor Zeevaartkunde waren, en waarvan de oudste weldra aan boord van de „Fernandina Maria Emma” zou komen, om zijne zeemans-opleiding onder het vader-oog te voltooien.„Als Job aan boord zal zijn, zie je,” sprak kapitein[127]Butteling, „dan zal ik eerst schik in mijn leven hebben!”Voor het overige had hij nimmer gedoogd, dat vrouw of kroost aan boord waren gekomen. Hij beweerde, dat de aanwezigheid van vrouw en kinderen op een schip den zeeman slechts van het stipt vervullen zijner plichten aftrekt. Noch de stuurlieden, noch de bootslieden hadden dan ook de ega van hunnen kapitein te zien gekregen. Alleen de scheepsdokter had, lange jaren geleden, dat voorrecht genoten bij gelegenheid, dat hij met allen spoed geroepen was geworden om geneeskundige hulp te verleenen aan een der kinderen van kapitein Butteling, dat van de trappen gevallen was en zich erg bezeerd had.De drie stuurlieden Abels, Bagman en Ellenbaas waren jonge flinke zeelieden, die hunnen kapitein waardig ter zijde stonden. Zij hadden hunne opleiding op de voornoemde kweekschool genoten, en deden hunne leermeesters alle eer aan. De 1estuurman Abels had zoo’n voorliefde voor zijn vak van zeeman, dat hij gul uit bekende niet te kunnen begrijpen, waartoe de goede God het land anders geschapen had dan om een schip in de gelegenheid te stellen water te kunnen innemen.„En dat had Hij nog anders kunnen inrichten, door de zee met zoet water te vullen,” verklaarde hij.Soms gaf hij grootmoedig toe, wanneer hij namelijk in de engte gedreven werd, dat de wal ook nog zijn nut kon hebben om eens te passagieren en.… ja, ook nog, om nu en dan koffie, suiker en Banka-tin in te laden.Die drie artikelen maakten de meest geliefkoosde lading voor stuurman Abels uit. Die lieten zich zoo gemakkelijk stuwen, beweerde hij.Hoewel de scheepsdokter Van Pinksteren in dat nachtelijk uur niet aan het dek aanwezig was, zal het niet ondienstig schijnen, hier eene korte schets omtrent[128]dien onmisbaren persoon aan boord te laten volgen. Hij was een vrij bejaard man, die in ’s levens stormen niet veel haar op den schedel overgehouden had. Het kransje witte haren, dat zijn achterhoofd van het eene oor tot het andere omgaf, was het treurige overblijfsel van een haardos, die zelfs in zijne jeugd pover moest genoemd worden. Hij was uiterst mager, en had dientengevolge een hoekig gelaat, dat zoo oud-geel van kleur was, alsof het met perkament overtogen was. Hij had zijne loopbaan in het edele vak van Hippocrates als barbiersjongen begonnen, en had met het hanteeren van schaar, scheermes en krultang eene zekere vaardigheid erlangd, die hem met vertrouwen naar de lancet en de bistouri hadden doen grijpen. De recepten, die hij voorheen gaf, om het haar te verven en om het te doen groeien, hadden hem in de dagen zijner jeugd eene zekere aanspraak verleend om ook anderen b.v. tegen haarworm, zomersproeten, ja, tegen likdoorns te schrijven. Toen die met succes bekroond werden, betrad hij een meer uitgebreid terrein en wierp zich met ijver en hartstocht der geneeskunde in de armen. Heel veel geneesmiddelen hield hij er waarachtig niet op na.„Dat was ook niet noodig,” beweerde hij. „Het menschdom heeft aan een geneesmiddel genoeg, mits het maar goed zij!”Zijn panaceum bestond in lijnkoeken. Had iemand de koorts: gauw een stuk lijnkoek ter grootte van een rijksdaalder, even in water geweekt, achter tegen de kuiten van den patiënt gebonden. Was het geval acuut, o! geen nood! eene kleine sneê in iedere kuit en daar de stukken lijnkoek op, was probaat. Eene zachte pap van hetzelfde middel gekookt, den lijder inwendig toegediend, verwekte wonderen.Voor waterzucht: lijnkoeken tegen de kuiten![129]Voor buikzucht: lijnkoeken tegen de kuiten.Voor hart- en nieraandoeningen: lijnkoeken tegen de kuiten.Voor hoofdpijnen: lijnkoeken tegen de kuiten.Steeds lijnkoeken! lijnkoeken altijd! bij welken ziektevorm ook! Het middel was onfeilbaar!„Ik zal,” verzekerde Van Pinksteren zijn’ collega Hannius, „de premie van vijf gulden, welke het gouvernement uitlooft voor iederen man, die te Batavia gezond aan wal gezet wordt, dank zij de onschatbare lijnkoeken, gemakkelijk verdienen. Gemakkelijker althans dan onze gezagvoerder!”Dokter Hannius glimlachte beteekenisvol, trok de schouders even op, maar antwoordde niets. In zijn brein berekende hij toen evenwel, hoeveel kapitein Butteling van de hem toegezegde premie door de lijnkoekenkuur zou moeten verliezen, wanneer het ongeluk wilde, dat eene ziekte aan boord uitbrak.Het was ongeveer middernacht, toen het lichtschip op Goodwin’s-sand in het gezicht kwam. Dat was het onfeilbare teeken, dat men op den goeden weg was en aan vergissing in den koers niet meer te denken viel. De uitstaande zeilen werden volgebrast en de andere, die een paar uren te voren gegeid waren, bijgezet, om den nog steeds heerschenden noordenwind te benuttigen. De masten overdekten zich met bolstaande zeilen, die zwart tegen den grauwen licht bewolkten nachtelijken hemel scherp afstaken. Het schip kliefde onder dien druk met kracht de golven, en wierp een breeden band van helder wit schuim voor zijn boeg uit, dat blinkend in het nachtelijke duister bij de zwartschijnende wateren en bij den zwartgeverfden romp van het schip afstak. Achter het schip sloten de vaneen gescheiden golven zich weder en vormden daar het zoogenaamde kielzog, hetwelk door[130]zijn wit schuim zich, tot zoover het oog reikte, van de donkere watermassa onderscheidde.Toen het licht van Zuid-Foreland in het gezicht was, gingen de passagiers naar beneden. Ook de eerste en tweede stuurman gingen naar kooi, en bleven de scheepskapitein en de derde stuurman met den loods aan het dek. Die liepen op en neer, terwijl de matrozen en de soldaten der wacht zich weer in een kringetje vergaderden om de verdere wachturen zoo gezellig mogelijk te slijten.Bij den grooten mast en in de nabijheid van het grootluik leunden de sergeanten Riethoven en Brinkman over de verschansing, en tuurden in zee. Die eerste nacht, aan boord doorgebracht, was niet van de aangenaamste. Hoewel hetonderofficieren-verblijfin het tusschendek door een heel licht beschot van het soldatenlogies was afgescheiden, had de warmte, het bedompte, de scheepslucht, het kraken van de inhouten bij de minste beweging van het vaartuig, de vreemde ligging in de hangmatten, maar voornamelijk het wiegelen daarvan, dat alles te samen tot gevolg gehad, dat onze jongelieden den slaap niet vatten konden. Zij hadden zich heen en weer gewenteld, waren eindelijk uit hunne zwevende slaapsteden gesprongen en hadden hunne toevlucht op het dek gezocht.„Ik heb geen oog dicht gedaan,” pruttelde Frank. „Het is daaronder niet uit te houden. Wat moet dat geven, wanneer wij meer zuidelijk komen en het warmer zal worden?”„Och,” antwoordde Herman, „dat is het niet, wat mij schortte; ik geloof zelfs, dat ik daaraan wel gewennen zal. Maar zoo’n eerste nacht aan boord, die drukte bij het vertrek, die laatste blik op den vaderlandschen bodem, dien wij voor onze oogen hebben zien verdwijnen, de gedachte aan mijne ouders, waarvan ik reeds zoo ver[131]verwijderd ben en die ik bij hunnen gevorderden leeftijd wel nimmer meer zal terug zien, dat alles rees voor mijn overspannen brein op, vertoonde zich als nevelbeelden, die onmerkbaar in elkander overgingen, maar die mij ten slotte belett’en in slaap te geraken. Daar tusschen al die beelden had er zich een gemengd, dat van Lydia Fraenkel, hetwelk het losscheuren van den vaderlandschen grond nog smartelijker maakt. Och! dat ik mij van de herinnering daaraan niet kan ontdoen, dat dat beeld mij tot hier moet vervolgen!”„Ja, dat zijn zoo van die zaken, die je niet als een leege flesch kunt over boord zetten,” antwoordde Frank. „Daar zal de tijd het zijne moeten toebrengen om vergetelheid aan te brengen. Gij zijt hier in de gelegenheid om te vergeten.”„Daar vestig ik mijne hoop op,” zei Herman. „Als mij geen tafereelen van liefde, van geluk onder de oogen zullen komen, als ik geruimen tijd geen vrouwelijk wezen in mijne nabijheid zal zien, dat mij Lydia zal herinneren, dan zal wellicht de vergetelheid komen, die al het gebeurde in een nevelachtig waas zal hullen en mij de gemoedsrust zal wedergeven.”„Drommels, Herman,” antwoordde Frank, „als slechts de afwezigheid van vrouwelijke wezens die vergetelheid zal kunnen bewerken, dan vrees ik, dat het verblijf hier aan boord daartoe niet zal kunnen meewerken.”„Hoedat zoo?”„Wel, straks ontwaarde ik twee dames, die daar op het achterdek tegen de verschansing geleund stonden, en met een blik het reeds verdwenen vaderland schenen te zoeken. Zoo ver ik in het avondduister heb kunnen opmerken, waren zij beiden jong. De derde stuurman vertelde mij, dat zij met hare ouders aan boord waren.”Herman zuchtte, maar antwoordde niet.[132]„Kom, kom,” hernam Frank, „het vertrek, het verlaten van den geboortegrond maakt je eenigszins neerslachtig. Dat zal ook wel overgaan. Te Harderwijk waart ge zoo niet, is niet?”„Je hebt gelijk, Frank. Het zijn de herinneringen aan het laatste afscheid, dat ik vanhaarnam, die mij zoo ter neer drukken. O! als je hadt kunnen zien, hoe kalm en gevoelloos zij mijne hand aannam, en naar den hemel wees met het woordà Dieuop de lippen, alsof zij mij wreed en onwraakbaar wou doen gevoelen, dat onze scheiding onherroepelijk, voor het leven was. Neen, die vrouw heeft nimmer een gevoel van genegenheid voor mij ondervonden!”„Goed zoo!” riep Frank. „Nu ben je op het ware pad! Vestigt zich die overtuiging in je brein, dan is de genezing niet ver meer af.”De twee jongelieden op de verschansing geleund stonden zoo nog een oogenblik met elkander te praten, terwijl het fregat voortstoof en weldra het licht van Zuid-Foreland voorbij was. Het schip bevond zich nu in het nauw van Calais, in het smalste gedeelte van het Engelsche Kanaal, dat de zuidelijke verbinding van de Noordzee met den Atlantischen Oceaan daarstelt. Herman en Frank tuurden nog een poos naar Britannië’s kust, die daar stuurboord vooruit als uit de zee oprees. Het was evenwel donker.Niets was er te onderscheiden, dan de schitterende kustlichten van Dover en van Folkestone.„Kom”, zei Frank, „ik ga nog eens probeeren of ik niet een paar uren zal kunnen slapen. Doe gij ook zoo.”Herman antwoordde niet. Frank ging naar beneden. Nog een poos bleef de andere in zee turen. Welke gedachten in die oogenblikken van eenzaamheid hem bestormden, zou hij nimmer hebben kunnen mededeelen.[133]Het was een chaos van weemoed, van leed, van treurige herinneringen, maar toch ook van hoop in de toekomst, die zich baan begon te breken. Eindelijk keerde hij zich om en ging ook naar beneden, om te trachten nog eenige uren rust te vinden.[134]
Het was stil op het dek van de „Fernandina Maria Emma” geworden, nadat dat rumoerig troepje in het tusschendeks verdwenen was. Een derde gedeelte van het detachement moest evenwel volgens de verordeningen gereed zijn, om bij noodzakelijkheid de equipage te helpen. Die wacht zat rondom den fokkemast gezellig te praten en had als posten uitgesteld: een man bij het galjoen, om daar voor de zindelijkheid te waken; een man aan het groote luik van het tusschendeks, om een waakzaam oog op den daar hangenden lantaarn te houden; en een korporaal bij het watervat, dat achter den grooten mast stond, met strenge consigne ieder zoo veel te laten drinken als hem lustte, maar overigens het medenemen van water in veldflesschen of kommen, of iedere andere waterverspilling, tegen te gaan.
Ook de manschappen der scheeps-equipage, die alles en alles, de drie stuurlieden medegerekend, uit veertig koppen bestond, hadden het op dien vertrekdag met het aanvullen der lading, met het innemen van water, met het uitbrengen der sleeptrossen, met het zeil zetten en met honderde andere werkzaamheden, onafscheidelijk aan het naar zee gaan van een groot schip verbonden,[116]zeer druk gehad, zoodat ook zij weldra naar rust haakten. Volgens den scheepsrooster betrokken twee derde gedeelten hunner, volgens hunne eigenaardige uitdrukking, de wacht te kooi24; terwijl de anderen de wacht aan het dek hadden. Deze laatsten sloten zich bij de wachthebbende soldaten aan, en vormden met hen een gezellig kringetje, waarin het kwinkslagen regende, en waarin Janmaat zich ten koste van die ellendige landkrabben heerlijk te goed deed.
„Kun jullie zoo ’s nachts varen?” vroeg een onnoozele boerenlummel, nog zeer kort in het soldatenpak gestoken.
„Is het je soms te donker, boontje?” vroeg een der pikbroeken, terwijl hij zijne pruim tabak van de eene wangholte naar de andere liet verhuizen.
„Ik zou geen weg in het donker weten,” antwoordde de soldaat eenvoudig.
„Kijk daar eens aan bakboord over de verschansing,” zei de matroos. „Wat zie je daar bij de kim.”
„Bij de kim.…?”
„Ja, daar ginds, waar je meent, dat de hemel het water aanraakt. Wat zie je daar?”
Het uitspansel was licht bewolkt, zoodat geen sterren zichtbaar waren. Maar naar den aangeduiden kant waren bij den gezichteinder drie kustlichten zichtbaar.
„Meen je die lichtjes?” vroeg de soldaat.
„Ja, zie je, dat daar ginds achteruit is het lichtje van Katwijk, dat daar dwars van ons is het lichtje van Scheveningen, en dat daar bakboord vooruit is het lichtje van Goeree, en ga je nu vooruit op het galjoen staan, en doe je dan je potdeksels goed open, dan zul je nog een zien, dat is het lichtje van Noord-Hinder.25Begrijp je nu?”
„Neen, nog niet goed.”
„Wel dat zijn kaarsjes, die ze daar aangestoken hebben, om ons des nachts den weg te wijzen.”[117]
„Kaarsjes? den geheelen weg langs, tot Batavia toe?”
De matrozen van het gezelschap schaterden van het lachen bij die vraag.
„Neen, domme slampamper!” was het antwoord. „Die kaarsjes branden slechts in den nabijheid van de wal. Als wij het Kanaal uit en in volle zee gekomen zijn, zul jij je vingertoppen niet branden kunnen, als je ze snuiten wilt. Daar heb je ze ook niet meer noodig, daar ga je maar rechtuit rechtaan, en loopt geen gevaar om bij een boer in het venster te loopen.”
Of de soldaat de toelichting op zijne vraag of er ’s nachts ook gevaren kon worden begrepen had? Hij hield zich stil en vroeg niet meer.
Op het achterdek, d.w.z. op de ruimte van het dek tusschen den grooten mast en den achtersteven, zaten de meeste der mannelijke passagiers te zamen, en genoten van den fraaien avond. Zij waren niet talrijk en bestonden alleen uit den kommandant van het detachement militairen aan boord, een kapitein van hetNederlandsch-Indischeleger, die van verlof naar Indië terugkeerde, uit twee piepjonge tweede luitenants, die pas van de Militaire Akademie kwamen, en als medegeleiders van het detachement medegegeven waren, uit een officier van gezondheid en een militairen apotheker.
De detachements-kommandant, Van Dam geheeten, was een gezet man, niet te dik, wiens geheele gestalte zijn ouderdom verried, namelijk dat hij een goede dertiger was. De man had een goedig en innemend gelaat, was gezien bij zijne superieuren, die zijne diensten steeds gewaardeerd hadden, en bemind bij zijne ondergeschikten, die in hem een meerderen vonden, steeds gereed om rekening te houden met hunne menschelijke zwakheden, wanneer de dienst daardoor niet leed; maar die onverbiddelijk streng was, wanneer de dienstplichten[118]vergeten werden. Onverbiddelijk streng, ja; hoewel hierbij aan geene hardheid behoefde gedacht te worden, daar hij zelfs bij het toepassen dier strengheid, de geaardheid en het doorgaand gedrag van den schuldigen in het oog hield, en de straf dienovereenkomstig bepaalde.
Zijne twee luitenants waren, zooals reeds gezegd is, pas aangestelde officieren, zonder eenige ondervinding, die zoo pas van de school gekomen, geroepen waren, om gezag over een aantal mannen te voeren, waarvan het meerendeel veel ouder in jaren was dan zij, ja waarvan er ettelijke gevoegelijk hun vader hadden kunnen zijn. De een, Denniston geheeten, was een hoogblond ventje, met een blank gezichtje, dat aan het gelaat van een jong meisje zou hebben doen denken, wanneer op zijne bovenlip niet iets ontwaard werd, hetwelk nog in proces scheen, wat het worden mocht; maar intusschen nu er veel op geleek, alsof daar eene jeugdige kamerspin een begin gemaakt had haar web te weven. Gelaatskleur en haardos gaven aan, dat hij van Angelsaksische afkomst was, hetgeen zijn naam ook aantoonde, maar wat door zijne verwaandheid en opgeblazenheid geheel en al bevestigd werd. Hij kleedde zich smaakvol en met angstvallige zorg, zat in zijne uniform als gegoten en was daarin gewoonlijk zoodanig besloten, dat hij de verdenking niet ontgaan kon, van even als eene wufte schoone een keurslijfje te dragen.
„Hij zal dat ding wel uitgooien, als hij onder de linie komt,” zei kapitein Van Dam vergoelijkend, wanneer de behaagzuchtige door zijne medeofficieren bespot werd.
„En doet hij het daar niet,” vulde de scheeps-kapitein aan „dan zal te Batavia de rooie hond hem daartoe wel noodzaken. Een mensch moet zich daar soms geweld aandoen om zijn hemd op de huid te behouden.”
Kapitein Van Dam knikte lachend en bevestigend met het hoofd.[119]
„Die gekheid komt ook te recht” zeide hij.
De andere luitenant was een slank opgeschoten jongeling, met een van nature dun middel, die met zijne ravenzwarte sluike haren, met zijne donkere huidskleur, die wel ietwat de tint vertoonde van koffie met veel melk, met zijne vurige oogen en eenigszins platten neus, met zijn schaars geplant kneveltje daaronder, onmiskenbaar zijn certificaat van oorsprong bij zich droeg, heette Leidermooi. Hij was de zoon van een handelsman op Celebes, die een morganatisch huwelijk had aangegaan met eene Makassaarsche schoone. Uit deze vereeniging was onze luitenant gesproten. Hij deed de opvoeding, die hem zijn vader had laten geven, alle eer aan. Met glans had hij zijne examens afgelegd, maar had daarbij eene bescheidenheid en zedigheid behouden, die wel afstaken bij de verwatenheid van zijn krijgsmakker, wiens studiën niet zoo brillant geweest waren.
De officier van gezondheid, Hannius, was een blonde Germaan, met gelaatstrekken à la Werther, met een sierlijk brilletje op den wel ietwat smallen en vooruitstekenden neus, die zijne politiemuts even als vroeger het studentenpetje op een oor droeg, zijn uniformjas voor eene tunica aanzag, en niets streelender vond dan het rinkelen van zijn sleepsabel naast zijne hielen op den grond te hooren. Hij nam dan ook iedere gelegenheid te baat om met dat onschuldige wapen op het dek te verschijnen, vooral wanneer hij zijn collega, den scheepsdokter, bij het houden van geneeskundige inspectie ter zijde stond, hetgeen wekelijks eens geschiedde. Het was komiek onzen geneeskundige dan te hooren bevelen:
„Die Zunge!”
En als de betrokkene dan de tong uitstak, gaf Dr. Hannius zich op zijneteenenomhoog,—want hij was zeer klein van gestalte—om dat lichaamsdeel, hetwelk hem[120]soms vervaarlijk lang toescheen, door zijn bril op zijn gemak te bekijken en verzuimde dan nimmer, wanneer hij weer op zijne hakken neerkwam, zijn sabel met geweld op het dek te laten neervallen. Volgens zijne papieren was hij een zeer knap jong mensch, die te Heidelberg gestudeerd en daar schitterende examens afgelegd had. In Nederland had hij slechts een „colloquium doctum” ondergaan, om tot officier van gezondheid bij hetNederlandsch-Indischeleger aangesteld te worden. Men had het daar niet noodig geacht, zich anders dan door een zoogenaamd geleerd praatje van ’s mans bekwaamheid te vergewissen, om hem gezondheid en leven van de verdedigers der koloniën toetevertrouwen, en was slechts verblind geraakt door de uitgebreide entomologische kennis van den candidaat-officier van gezondheid.
De militaire apotheker, Behren genaamd, was een welopgevoed jongmensch, met levendig en innemend gelaat, die zijne studiën te Utrecht voltooid had en voor apotheker geschapen scheen. Hij was scheikundige van top tot teen, en plantenkundige in zijn hart. Wanneer zijne reisgenooten hem plagen wilden, dan klonk het:
„Zeg Behrtje, moet je niet naar de koebrug26om te herboriseeren?”
Of wel:
„Behrtje, er heerscht in het tusschendek eene eigenaardige lucht, zou je niet eens met den dokter onderzoeken, of daar geen Rosa Damascena27groeit?”
Vooral kapitein Van Dam was onuitputtelijk in dergelijke uien, en liet vooral in het begin der reis den apotheker bijna dagelijks koopjes snappen. Later ging dat zoo gemakkelijk niet meer, toen was ons Behrtje meer op zijne hoede, en kaatste den bal soms geestig terug.
„Of er nog andere passagiers aan boord zijn?” vroeg luitenant Leidermooi.[121]
„Te drommel! wat vraag!” antwoordde zijn collega Denniston. „Het tusschendek is vol gestuwd.”
„Ik meen passagiers eerste klasse. Ik ontwaarde niemand in de kerk.”28
„Straks zag ik twee koffers hier aan het dek,” zeide kapitein Van Dam, „waarop de adressen luidden:
„Groenewald, aan boord van de „Fernandina Maria Emma.””
„Alleen Groenewald, kapitein?” vroeg Behren.
„Alleen Groenewald!”
„Daaruit is dus niet op te maken of de eigenaar van die koffers een heer of een dame is?”
„Neen Behrtje, al is je apothekersneus nog zoo verfijnd met het snuffelen aan fleschjes en potjes, aan die adressen zou je reukorgaan te kort geschoten zijn, niet waar dokter?”
„Allerdings!” antwoordde Hannius in een eigenaardig spraakeigen, zoowat saamgeknutseld uit twee woorden Hollandsch op vijf woorden Duitsch. „Allerdings! aber die koffers konnten Geruch verspreiden, sanfter liebliches Geruch. Das Geruch eines Fräuleins. Ich meinte so etwas.….”
„Geruch?” vroeg kapitein Van Dam. „Ik zet het iemand om hier te midden van die pik- en teerlucht, van die uitwasemingen van lading en victualie, das Geruch eines Fräuleins, hetwelk uit eene koffer zou opstijgen, te onderscheiden.”
„Aber, kapitein.…”
„Neen, neen, mijn waardste mof, hoe wetenschappelijk ontwikkeld gijlieden van us. a. um ook zijt, zóó zijn jullie reukorganen niet in ontwikkeling toegenomen.”
„Aber das Geruch war ja da!” fluisterde de Germaan in triomf. „Gewiss, ich habe mij nicht vergist.”
En hij wees op twee gedaanten, die in de opening van den kajuitstrap verschenen.[122]
„Sakkerloot!” prevelde Leidermooi, „dat zijn dames! Sjt!.….”
De officieren zaten in gespannen verwachting. Het was duidelijk, dat er leden van het schoone geslacht aan boord waren; maar wie waren het? Wel was het niet zwart donker. De hemel was evenwel bewolkt, zoodat slechts de omtrekken van de twee vrouwen waarneembaar waren.
Van de kajuitskap traden zij op de bakboordsverschansing toe, tuurden over boord naar het licht van den Noord-Hinder, hetwelk de „Fernandina Maria Emma” thans voorbij stevende. Toen zij zich evenwel daar zoo alleen op het dek zagen, terwijl bij de stuurboordverschansing een troepje heeren te babbelen zaten, en overigens de man aan het roer slechts ontwaard werd, trokken zij zich terug en gingen weer naar beneden.
„Ik wed dat zij beiden jong en schoon zijn,” stelde Behren voor.
Niemand wilde voor het tegendeel optreden; want allen hoopten, dat de apotheker gelijk zou hebben.
„Zeg stuur,” sprak luitenant Leidermooi tot den 1enstuurman, die thans het achterdek betrad. „Zijn er dames aan boord?”
„Ja, heeren,” antwoordde stuurman Abels, „wij hebben drie dames onder de passagiers.”
„Wie zijn het?” vroeg kapitein Van Dam, nog nieuwsgieriger dan zijne luitenants.
„Een mama met hare twee dochters.”
„Zijn het mooie meisjes?” viel Denniston in.
„Puik!”
„Jong?”
„Achttien en twintig jaren, reken ik.”
„Maar, wie zijn het?” herhaalde kapitein Van Dam zijne vraag. „Hoe heeten zij?”[123]
„Groenew …”
Een schel gefluit klonk over het dek. Stuurman Abels liet onze officieren in den steek en spoedde naar voren. Daar stond de loods met den scheepsgezagvoerder en de twee andere stuurlieden ter hoogte van den fokkemast.29Het gefluit riep het wachthebbend scheepsvolk te samen. Nu het schip den Noord-Hinder dwars had, moest er gelood worden. Het fregat stevende nu te midden der Vlaamsche banken, en voorzichtigheid was hier de boodschap. Dwars had men den Noord-Hinder, bakboord vooruit lag de West-Hinder, vlak vooruit de Fairybank. Het schip moest iets afvallen om tusschen de Sandettie en Goodwin’s-sand30door te zeilen. De wind was inmiddels aangewakkerd en de boeg van het schip sneed met kracht het zeewater en wierp eene omhoogstijgende baar van wit schuim voor zijn steven uit. De loods beval de bovenzeilen in te nemen.
„Grietje31geien!” klonk het schorre kommando van den 1enstuurman.
De zeelieden togen aan het werk, aan het trekken, aan het halen; dit alles vergezeld van het onvermijdelijk matrozengezang, waarin het woord ahoi! met een onbeschrijfelijken keelklank gegild, de hoofdschotel uitmaakte.
„Voor-bovenbramzeil en voorbramzeil geien!”
Toen die zeilen geborgen waren:
„Groot-bovenbramzeil en grootbramzeil geien!” gilde de 1estuurman.
De vaart van het fregat begon merkbaar te minderen. Toch was het nog niet naar den zin van den loods. Die keek uit naar het licht van Goodwin’s-sand, wat nog niet te bespeuren was. Hij riep den scheeps-kapitein iets toe.
„Bezaan, grootzeil en fok geien!” klonk diens kommando.
De matrozen repten zich. De soldaten van de wacht moesten mee touwtje trekken. Weldra hingen de genoemde[124]zeilen slap en waren gedeeltelijk gegeid. Het schip voerde nu nog slechts zijne marszeilen, het kruiszeil en zijn kluiver en jager, en verminderde zijn vaart zeer.
Buitenboords in de rust van den voormast was inmiddels een matroos gestegen, die daar met een zeer lange lijn, waaraan een stuk lood gebonden was, in de hand, dat stuk lood zwaaide, nog eens zwaaide, het aan het uiteinde van zijn arm langs het scheepsboord een cirkel liet beschrijven, de lijn op een gegeven oogenblik schieten liet, waardoor het lood aan de middelpuntvliedende en zwaartekracht gehoorzamende eene slingerbaan beschreef, en ver voorbij den boeg van het schip in het water plompte, terwijl de peiler de lijn door de hand liet glijden, totdat hij voelde, dat het lood den bodem der zee raakte. Dan palmde hij de lijn in, waarin hij door een aantal matrozen van de wacht geholpen werd; terwijl hij met luider stem aangaf de diepte, die door lapjes zeildoek, aan de lijn geknoopt, aangeduid werd.
„Twaalf en een halve vaâm!”32klonk zijne stem luid over de watervlakte.
Wanneer het lood opgehaald was, gaf hij het aan den loods over, die het bekeek met eene aandacht, welke den oningewijden voor het minst vreemd moest toeschijnen.
De officieren waren bij het rumoer, hetwelk zich bij het zeilengeien en het daarop gevolgd looden ontwikkeld had, opgestaan, en naar het voorschip gegaan.
„Wat doen ze daar toch?” vroeg Leidermooi aan zijne makkers.
„Ze zijn aan het looden,” antwoordde kapitein Van Dam, die al een paar reizen naar en van Oost-Indië gemaakt had en derhalve eenigermate op de hoogte was.
„Weten ze dan niet hoeveel water hier staat?” vroeg Behren ietwat verwonderd.[125]
„Ja en neen,” was het antwoord. „Hier tusschen die Vlaamsche banken wisselt de diepte veelvuldig en snel af. Let maar op, zooeven was twaalf en een halve vaâm gepeild, let maar op, dan.…..”
„Negen vaâm!!!” klonk het langgerekte en zangerige geroep van den looder.
De loods liep naar den man aan het roer, nam voor een oogenblik het stuurrad in handen en liet het schip afvallen. Voor een korten poos lag west voor. Daarna werd weer zuidwest gestevend.
„Achttien vaâm!!!” klonk daarop van buiten boord over de watervlakte.
„Maar, wat bekijken ze toch dat lood, wanneer het opgehaald is?” vroeg Behren. „Kijk, daar doen ze het weer. Wat mag daaraan te zien zijn?”
„Bij de verschillende diepten,” vervolgde kapitein Van Dam zijne zeevaartkundige uitleggingen, „bestaat de bodem der Noordzee ook uit uiteenloopende bestanddeelen. Hier wordt slechts zand, elders gebroken schulpjes, ergens anders weer kittelsteentjes aangetroffen. Dat alles is behoorlijk gepeild en in kaart gebracht, zelfs de kleur van het zand is daarbij aangegeven. Het dieplood bestaat, zoo als ge zien kunt, uit een cylindervormig stuk ijzer, hetwelk met lood volgegoten is, maar waarbij eene holte in het onderste gedeelte van den cylinder gespaard is gebleven. Deze holte werd met kaarsvet aangevuld, dat met den onderrand gelijk gestreken is. Komt het lood nu op den grond, dan blijven de bestanddeelen van den zeebodem aan het vet kleven, en brengt dat lood aan het licht, waaruit die bodem bestaat. Geeft het lood b.v. twaalf en een halve vaâm, met wit zand aan, dan is op de kaart met de grootste nauwkeurigheid aan te wijzen, waar het schip staat.”
Zooals de zeelieden, die aan het looden hunne aandacht[126]wijdden, daar bij elkander stonden, vormden zij een merkwaardige groep, die den lezer wel een oogenblik mag bezighouden.
De scheepsgezagvoerder, kapitein Butteling, was een oude zeerob van den echten stempel. Hij had sneeuwwitte haren, die hem in weelderigen rijkdom tot op de schouders golfden, terwijl zijn gelaat met een niet minder witten en zwaren baard omlijst werd. Hij was een door en door goedig man, die reeds op zijn twaalfde jaar zijne loopbaan op het verraderlijke element als scheepsjongen begonnen was. Hoewel, vooral met de opleiding, die in die dagen den zeeman deelachtig was, zijne gesprekken daarvan het onloochenbaar kenmerk droegen, zoo moest toch toegegeven worden, dat hij zich eene zekere mate van beschaving had eigen gemaakt, hetgeen voornamelijk daaruit voortsproot, dat hij steeds, van zijne prilste jeugd af, de voorkeur gegeven had aan den omgang met menschen van degelijke opvoeding boven die van de zeebonken, die uit den aard der zaak zijne dagelijksche omgeving uitmaakten. Hij was een zeeman in zijn hart, en had het blauwe water—zooals hij dat uitdrukte—lief, en gevoelde zich nergens prettiger dan aan boord van zijn schip.
„Dat de haaien mij halen, als het niet waar is!” was hij gewoon te zeggen, „maar aan den wal, voel ik mij bij al de grimassen, die daar verkocht worden, akelig en zeeziek!”
De man was gelukkig echtgenoot en nog gelukkiger vader van drie flinke jongens, die alle drie op de kweekschool voor Zeevaartkunde waren, en waarvan de oudste weldra aan boord van de „Fernandina Maria Emma” zou komen, om zijne zeemans-opleiding onder het vader-oog te voltooien.
„Als Job aan boord zal zijn, zie je,” sprak kapitein[127]Butteling, „dan zal ik eerst schik in mijn leven hebben!”
Voor het overige had hij nimmer gedoogd, dat vrouw of kroost aan boord waren gekomen. Hij beweerde, dat de aanwezigheid van vrouw en kinderen op een schip den zeeman slechts van het stipt vervullen zijner plichten aftrekt. Noch de stuurlieden, noch de bootslieden hadden dan ook de ega van hunnen kapitein te zien gekregen. Alleen de scheepsdokter had, lange jaren geleden, dat voorrecht genoten bij gelegenheid, dat hij met allen spoed geroepen was geworden om geneeskundige hulp te verleenen aan een der kinderen van kapitein Butteling, dat van de trappen gevallen was en zich erg bezeerd had.
De drie stuurlieden Abels, Bagman en Ellenbaas waren jonge flinke zeelieden, die hunnen kapitein waardig ter zijde stonden. Zij hadden hunne opleiding op de voornoemde kweekschool genoten, en deden hunne leermeesters alle eer aan. De 1estuurman Abels had zoo’n voorliefde voor zijn vak van zeeman, dat hij gul uit bekende niet te kunnen begrijpen, waartoe de goede God het land anders geschapen had dan om een schip in de gelegenheid te stellen water te kunnen innemen.
„En dat had Hij nog anders kunnen inrichten, door de zee met zoet water te vullen,” verklaarde hij.
Soms gaf hij grootmoedig toe, wanneer hij namelijk in de engte gedreven werd, dat de wal ook nog zijn nut kon hebben om eens te passagieren en.… ja, ook nog, om nu en dan koffie, suiker en Banka-tin in te laden.
Die drie artikelen maakten de meest geliefkoosde lading voor stuurman Abels uit. Die lieten zich zoo gemakkelijk stuwen, beweerde hij.
Hoewel de scheepsdokter Van Pinksteren in dat nachtelijk uur niet aan het dek aanwezig was, zal het niet ondienstig schijnen, hier eene korte schets omtrent[128]dien onmisbaren persoon aan boord te laten volgen. Hij was een vrij bejaard man, die in ’s levens stormen niet veel haar op den schedel overgehouden had. Het kransje witte haren, dat zijn achterhoofd van het eene oor tot het andere omgaf, was het treurige overblijfsel van een haardos, die zelfs in zijne jeugd pover moest genoemd worden. Hij was uiterst mager, en had dientengevolge een hoekig gelaat, dat zoo oud-geel van kleur was, alsof het met perkament overtogen was. Hij had zijne loopbaan in het edele vak van Hippocrates als barbiersjongen begonnen, en had met het hanteeren van schaar, scheermes en krultang eene zekere vaardigheid erlangd, die hem met vertrouwen naar de lancet en de bistouri hadden doen grijpen. De recepten, die hij voorheen gaf, om het haar te verven en om het te doen groeien, hadden hem in de dagen zijner jeugd eene zekere aanspraak verleend om ook anderen b.v. tegen haarworm, zomersproeten, ja, tegen likdoorns te schrijven. Toen die met succes bekroond werden, betrad hij een meer uitgebreid terrein en wierp zich met ijver en hartstocht der geneeskunde in de armen. Heel veel geneesmiddelen hield hij er waarachtig niet op na.
„Dat was ook niet noodig,” beweerde hij. „Het menschdom heeft aan een geneesmiddel genoeg, mits het maar goed zij!”
Zijn panaceum bestond in lijnkoeken. Had iemand de koorts: gauw een stuk lijnkoek ter grootte van een rijksdaalder, even in water geweekt, achter tegen de kuiten van den patiënt gebonden. Was het geval acuut, o! geen nood! eene kleine sneê in iedere kuit en daar de stukken lijnkoek op, was probaat. Eene zachte pap van hetzelfde middel gekookt, den lijder inwendig toegediend, verwekte wonderen.
Voor waterzucht: lijnkoeken tegen de kuiten![129]
Voor buikzucht: lijnkoeken tegen de kuiten.
Voor hart- en nieraandoeningen: lijnkoeken tegen de kuiten.
Voor hoofdpijnen: lijnkoeken tegen de kuiten.
Steeds lijnkoeken! lijnkoeken altijd! bij welken ziektevorm ook! Het middel was onfeilbaar!
„Ik zal,” verzekerde Van Pinksteren zijn’ collega Hannius, „de premie van vijf gulden, welke het gouvernement uitlooft voor iederen man, die te Batavia gezond aan wal gezet wordt, dank zij de onschatbare lijnkoeken, gemakkelijk verdienen. Gemakkelijker althans dan onze gezagvoerder!”
Dokter Hannius glimlachte beteekenisvol, trok de schouders even op, maar antwoordde niets. In zijn brein berekende hij toen evenwel, hoeveel kapitein Butteling van de hem toegezegde premie door de lijnkoekenkuur zou moeten verliezen, wanneer het ongeluk wilde, dat eene ziekte aan boord uitbrak.
Het was ongeveer middernacht, toen het lichtschip op Goodwin’s-sand in het gezicht kwam. Dat was het onfeilbare teeken, dat men op den goeden weg was en aan vergissing in den koers niet meer te denken viel. De uitstaande zeilen werden volgebrast en de andere, die een paar uren te voren gegeid waren, bijgezet, om den nog steeds heerschenden noordenwind te benuttigen. De masten overdekten zich met bolstaande zeilen, die zwart tegen den grauwen licht bewolkten nachtelijken hemel scherp afstaken. Het schip kliefde onder dien druk met kracht de golven, en wierp een breeden band van helder wit schuim voor zijn boeg uit, dat blinkend in het nachtelijke duister bij de zwartschijnende wateren en bij den zwartgeverfden romp van het schip afstak. Achter het schip sloten de vaneen gescheiden golven zich weder en vormden daar het zoogenaamde kielzog, hetwelk door[130]zijn wit schuim zich, tot zoover het oog reikte, van de donkere watermassa onderscheidde.
Toen het licht van Zuid-Foreland in het gezicht was, gingen de passagiers naar beneden. Ook de eerste en tweede stuurman gingen naar kooi, en bleven de scheepskapitein en de derde stuurman met den loods aan het dek. Die liepen op en neer, terwijl de matrozen en de soldaten der wacht zich weer in een kringetje vergaderden om de verdere wachturen zoo gezellig mogelijk te slijten.
Bij den grooten mast en in de nabijheid van het grootluik leunden de sergeanten Riethoven en Brinkman over de verschansing, en tuurden in zee. Die eerste nacht, aan boord doorgebracht, was niet van de aangenaamste. Hoewel hetonderofficieren-verblijfin het tusschendek door een heel licht beschot van het soldatenlogies was afgescheiden, had de warmte, het bedompte, de scheepslucht, het kraken van de inhouten bij de minste beweging van het vaartuig, de vreemde ligging in de hangmatten, maar voornamelijk het wiegelen daarvan, dat alles te samen tot gevolg gehad, dat onze jongelieden den slaap niet vatten konden. Zij hadden zich heen en weer gewenteld, waren eindelijk uit hunne zwevende slaapsteden gesprongen en hadden hunne toevlucht op het dek gezocht.
„Ik heb geen oog dicht gedaan,” pruttelde Frank. „Het is daaronder niet uit te houden. Wat moet dat geven, wanneer wij meer zuidelijk komen en het warmer zal worden?”
„Och,” antwoordde Herman, „dat is het niet, wat mij schortte; ik geloof zelfs, dat ik daaraan wel gewennen zal. Maar zoo’n eerste nacht aan boord, die drukte bij het vertrek, die laatste blik op den vaderlandschen bodem, dien wij voor onze oogen hebben zien verdwijnen, de gedachte aan mijne ouders, waarvan ik reeds zoo ver[131]verwijderd ben en die ik bij hunnen gevorderden leeftijd wel nimmer meer zal terug zien, dat alles rees voor mijn overspannen brein op, vertoonde zich als nevelbeelden, die onmerkbaar in elkander overgingen, maar die mij ten slotte belett’en in slaap te geraken. Daar tusschen al die beelden had er zich een gemengd, dat van Lydia Fraenkel, hetwelk het losscheuren van den vaderlandschen grond nog smartelijker maakt. Och! dat ik mij van de herinnering daaraan niet kan ontdoen, dat dat beeld mij tot hier moet vervolgen!”
„Ja, dat zijn zoo van die zaken, die je niet als een leege flesch kunt over boord zetten,” antwoordde Frank. „Daar zal de tijd het zijne moeten toebrengen om vergetelheid aan te brengen. Gij zijt hier in de gelegenheid om te vergeten.”
„Daar vestig ik mijne hoop op,” zei Herman. „Als mij geen tafereelen van liefde, van geluk onder de oogen zullen komen, als ik geruimen tijd geen vrouwelijk wezen in mijne nabijheid zal zien, dat mij Lydia zal herinneren, dan zal wellicht de vergetelheid komen, die al het gebeurde in een nevelachtig waas zal hullen en mij de gemoedsrust zal wedergeven.”
„Drommels, Herman,” antwoordde Frank, „als slechts de afwezigheid van vrouwelijke wezens die vergetelheid zal kunnen bewerken, dan vrees ik, dat het verblijf hier aan boord daartoe niet zal kunnen meewerken.”
„Hoedat zoo?”
„Wel, straks ontwaarde ik twee dames, die daar op het achterdek tegen de verschansing geleund stonden, en met een blik het reeds verdwenen vaderland schenen te zoeken. Zoo ver ik in het avondduister heb kunnen opmerken, waren zij beiden jong. De derde stuurman vertelde mij, dat zij met hare ouders aan boord waren.”
Herman zuchtte, maar antwoordde niet.[132]
„Kom, kom,” hernam Frank, „het vertrek, het verlaten van den geboortegrond maakt je eenigszins neerslachtig. Dat zal ook wel overgaan. Te Harderwijk waart ge zoo niet, is niet?”
„Je hebt gelijk, Frank. Het zijn de herinneringen aan het laatste afscheid, dat ik vanhaarnam, die mij zoo ter neer drukken. O! als je hadt kunnen zien, hoe kalm en gevoelloos zij mijne hand aannam, en naar den hemel wees met het woordà Dieuop de lippen, alsof zij mij wreed en onwraakbaar wou doen gevoelen, dat onze scheiding onherroepelijk, voor het leven was. Neen, die vrouw heeft nimmer een gevoel van genegenheid voor mij ondervonden!”
„Goed zoo!” riep Frank. „Nu ben je op het ware pad! Vestigt zich die overtuiging in je brein, dan is de genezing niet ver meer af.”
De twee jongelieden op de verschansing geleund stonden zoo nog een oogenblik met elkander te praten, terwijl het fregat voortstoof en weldra het licht van Zuid-Foreland voorbij was. Het schip bevond zich nu in het nauw van Calais, in het smalste gedeelte van het Engelsche Kanaal, dat de zuidelijke verbinding van de Noordzee met den Atlantischen Oceaan daarstelt. Herman en Frank tuurden nog een poos naar Britannië’s kust, die daar stuurboord vooruit als uit de zee oprees. Het was evenwel donker.Niets was er te onderscheiden, dan de schitterende kustlichten van Dover en van Folkestone.
„Kom”, zei Frank, „ik ga nog eens probeeren of ik niet een paar uren zal kunnen slapen. Doe gij ook zoo.”
Herman antwoordde niet. Frank ging naar beneden. Nog een poos bleef de andere in zee turen. Welke gedachten in die oogenblikken van eenzaamheid hem bestormden, zou hij nimmer hebben kunnen mededeelen.[133]Het was een chaos van weemoed, van leed, van treurige herinneringen, maar toch ook van hoop in de toekomst, die zich baan begon te breken. Eindelijk keerde hij zich om en ging ook naar beneden, om te trachten nog eenige uren rust te vinden.[134]