V.

[Inhoud]V.Eene stortzee.Met den dag verschenen voor en na ettelijke bleeke troniën aan het dek. Men kon het allen aanzien, dat de nacht voor het meerendeel rampzalig geweest was. Het beste was dat te bespeuren, toen de hoornblazer met veel moeite het „Wilhelmus” liet weerklinken, ten teeken dat de oorlam zoude uitgereikt worden. Zeer weinige manschappen vertoonden zich om hun zoo geliefkoosd morgenslokje te nemen.„De afschaffing maakt vorderingen,” zeide stuurman Ellenbaan lachende.Toen de onderofficieren de manschappen wilden aansporen om hunne hangmatten behoorlijk opgerold en saamgebonden naar boven te brengen, om haar op de koebrug op te bergen, gaf kapitein Butteling tegenbevel.„Laat die maar blijven, sergeant,” zei hij tot Herman Riethoven. „Bij zulk weer en bij de heerschende zeeziekte zijn de kerels het best te kooi. Laat evenwel de gezonde manschappen het tusschendeks reinigen en aanvegen. Ik zal bevelen geven, dat de kwade dampen daar beneden verdreven worden.”Toen de bevolen reiniging volbracht was, werd de[173]vloer daar beneden met kookende azijn besprenkeld, hetgeen de bedompte en kwalijk riekende atmospheer eenigermate zuiverde.De hemel was niet geheel en al bedekt. Dikke wolken, die door den wind aan flarden gescheurd schenen, dreven met ijlende vaart door het luchtruim, en lieten hier en daar gedeelten van het blauwe uitspansel ontwaren. Van tijd tot tijd brak de zon door de voortgezweepte wolkenmassa’s heen en vroolijkte met hare stralen het woeste tooneel wat op. De zee stond uitermate hol. Het waren geen golven, die ze rolde, maar heuvelen, die met woest geweld op het schip afkwamen. Die heuvelen, door den wind voortgejaagd en met hunne toppen sneller voortijlende dan hun basis volgen kon, helden in een onmetelijken boog over, braken en kuifden zich zoodoende met verblindend wit schuim, hetwelk aan de woestheid der baren een eigendommelijk karakter bijzette.DeFernandina Maria Emmabevond zich nog op de Gronden, waardoor de zeelieden verstaan dat gedeelte van den Atlantischen Oceaan, hetwelk zich voor het Engelsche Kanaal nagenoeg in een halven cirkel van Biarritz, in den hoekzak van de Golf van Biscaia, tot Kaap Valentia op de Iersche kust uitstrekt, en waarop eene mindere diepte dan van honderd vademen wordt aangetroffen. Bij harden wind zijn de golven op de Gronden kort, maar verheffen zich tot eene ontzettende hoogte. Zij hebben daardoor vrij steile wanden of ruggen en veroorzaken, vooral bij groote schepen, zoo als deFernandina Maria Emmawas, eene zeer moeielijke beweging.Was de zon omfloersd, dan had de zee eene grauw vale tint, die naarmate de schaduw viel, hier en daar zwart kon schijnen. De schuimende koppen boden hierbij een[174]droefgeestig tooneel. Het was nagenoeg of zwarte heuvelen met een rand wit geboord waren en gaven zoo den indruk van een beeld van rouw. Braken de zonnestralen voor een kort oogenblik door eene wolkenscheur, dan was het of de zeeoppervlakte met een tooverstaf aangeraakt werd. Onmiddellijk verloor zij haar somber karakter; zij tintte zich dan met uitermate levendige kleuren, van het donkergroen af tot het donkerblauw toe en onderging daarbij, tengevolge van de straalbreking bij de bewegelijkheid der hooggaande golven, al de tusschenliggende schakeeringen van groen, lichtgroen, flesschengroen, teedergroen, van blauw, hemelsblauw, lichtblauw; terwijl de zon, in de hevig bewogen watervlakte weerkaatsende, kortstondige stralenbundels deed uitschieten en weer uitdoofde, en het schuim op de toppen der baren verblindend wit deed schitteren.Dat alles namen Brinkman en Riethoven waar, terwijl zij ter hoogte van den grooten mast bij de stuurboordsverschansing stonden; toen zij de beide jonge dames Groenewald den kajuitstrap opkomen en aan het dek verschijnen zagen.„Zietdaar een nog fraaiere zonnestraal!” mompelde Frank.Juist in dit oogenblik weerklonk de stem van stuurman Bagman, die riep:„Grijpen en vasthouden!”Het was eene hoognoodige waarschuwing, want een oogenblik later, krulde eene buitengewoon hooge baar ter hoogte van het midden-schip over de verschansing, en stortte met woedend geweld op het dek neder. De beide onderofficieren hadden zich op de waarschuwing van den stuurman aan de bij hen staande pardoens39gegrepen. Zij konden evenwel niet beletten, dat zij door de monsterachtige golf van de been geslagen werden,[175]en zouden voorzeker door de woedende watermassa meegesleept en over boord gespoeld zijn, als zij zich niet met de kracht der wanhoop aan de stevig gespannen pardoens vastgeklemd hadden. Op het achterdek had die overgekomen zee even rampvolle gevolgen. Wel was daar de kracht van de golf, die meer middenscheeps binnengekomen was, veel minder, maar toch nog sterk genoeg om de twee jonge meisjes in gevaarvollen toestand te brengen. Zij waren juist van onder de kap van den kajuitstrap te voorschijn getreden, toen het ongeval hen verraste. Wel poogde Emma zich, toen de waarschuwende stem van „grijpen en vasthouden” weerklonk, aan den bovenrichel van die kap te klemmen, terwijl hare zuster Adelien haar bij den arm vasthield; maar toen het woedende water hare beenen meesleepte, was de oudste onmachtig om haar houvast te blijven omklemmen; zij moest loslaten en beiden werden toen door het oproerige element medegesleept. Het achterschip werd door de monsterachtige baar, waarvan een gedeelte overgekruld was, in dat oogenblik opgeheven; zoodat het water aan dek met ijlende vaart naar voren schoot en de bewustelooze meisjes met zich medesleepte. Frank en Herman, van de eerste ontsteltenis bekomen, zagen het onheil. Zij hadden hun evenwicht nauwelijks hernomen, of zij lieten de reddende pardoens los en ijlden ter hulp. Tusschen den middenmast en de groote boot doorschietende, met het water tot aan de knieën, kwamen zij juist ter tijd om bijstand te bieden en een groot ongeluk te voorkomen. Herman greep Emma, die over het dek voortgerold werd, en hield haar met de eene hand stevig vast, totdat het water, hetwelk als een stortvloed over het voorschip stroomde, weggeloopen was; terwijl hij zich met de andere hand aan de sjorringen der groote boot vastklemde. Frank was op Adelien toegesprongen, en redde die uit[176]meer wezenlijk gevaar. Toen het schip onder den schok sterk naar lij overhelde, lag de verschansing aan bakboord een oogenblik te water. Het jonge meisje dreef daar heen en lag reeds op die verschansing gedeeltelijk buiten boord, toen Frank haar greep. Gelukkig, dat zij tegen het groot want was aangedreven. Wel had zij hoegenaamd geen bewustzijn om zich aan een der hoofdtouwen van dat want of een der weeglijntjes vast te klemmen; maar de kracht, waarmede zij voortgesleept werd, was gebroken en daardoor was het haren redder mogelijk, haar met beide armen te omvatten en binnen boord te halen. Daaronder zou hij haar hebben moeten loslaten en zou zij voor zijne oogen in de diepte reddeloos verdwenen zijn.Dat alles gebeurde bliksemsnel, in minder tijd dan noodig was om het te vertellen.Toen het water door de spuigaten en onder de reeling door weggeloopen was, tilden de beide onderofficieren de jonge meisjes op, en droegen haar met behulp van de stuurlieden Bagman en Ellenbaan, die inmiddels toegeschoten waren, in de kajuit.Het gebeurde verwekte veel ontsteltenis bij de ouders der lieve meisjes. Beiden beijverden zich evenwel hunne nog steeds bewustelooze kinderen te verzorgen en te kooi te brengen. Toen kapitein Van Dam van stuurman Bagman vernam, hoe de redding der twee meisjes zich toegedragen had, drukte hij de beide onderofficieren innig de hand, en betuigde hen zijne volle tevredenheid, terwijl hij hun de verzekering gaf, dat deze hunne daad niet onopgemerkt zoude blijven. Te Harderwijk had hij reeds zeer gunstige inlichtingen omtrent hun gedrag, beschaving en omgang ingewonnen; zoodat de toegenegenheid van den waardigen chef voor de jongelieden door die redding ten top steeg.[177]De overgekomen zee had evenwel nog andere ongevallen veroorzaakt. Niemand, en wel het allerminst kapitein Butteling met zijne stuurlieden, waren op zoo’n overstrooming verdacht geweest. Het woei wel stevig, de zee stond wel hoog; maar niet in die mate, dat het overkomen van een breker te vreezen stond. Het groot luik had dan ook opengestaan om luchtverversching in het soldatenlogies te verschaffen, en daarin was een groot gedeelte der aan boord gestortte watermassa verzwolgen.Velen der zeezieken, die in hunne hangmatten lagen, waren daaruit geslagen en dreven hulpeloos te midden van eene menigte goederen in het tusschendek rond en rolden bij het slingeren van het vaartuig, op gevaar af van binnenscheeps te verdrinken, van bakboord naar stuurboord en van stuurboord naar bakboord, totdat ze door hunne kameraden gegrepen en overeind geholpen werden.Ras sprong stuurman Abels in het tusschendek, opende daar een luik in den vloer, waardoor het water zich in het ruim en van daar in het hol van het schip kon ontlasten, van waar de matrozen het met de lenspompen konden uitpompen.Door de ondervinding voorgelicht, liet kapitein Butteling het fregat een paar streken afvallen, waardoor de zeeën, niet meer zoo dwars, maar meer van achteren inkwamen, en het gevaar om water aan het dek te krijgen niet meer zoo groot was.De koers was nu zuid-zuidwest.Tegen het middaguur van dien dag—20 October—werd het bestek opgemaakt, waartoe de zon zich gelukkig gewillig leende. Het fregat bevond zich toen op 47° 36′ noorderbreedte en op 8° 5′ westerlengte van Greenwich.Het onaangename weder, dat deFernandina Maria Emma[178]bij het uitkomen van het kanaal overvallen had, bleef verscheidene dagen voortduren. Het volgende bestek wees aan 44° 13′ noorderbreedte en 12° 4′ westerlengte. Het fregat had in dat etmaal 66 mijlen afgelegd, of zoo als de zeelieden zeiden: elf mijlen in de wacht behouden. Men was toen zoo omstreeks op de breedte van Kaap Finisterre en bijgevolg buiten de Gronden. De zee had hier eene diepte van over de 2000 vademen. De deininggolven waren dan ook niet meer zoo kort en zoo steil, en zeer zeker zouden de reizigers minder last van de beweging van het schip gehad hebben, ware de wind in het noordwesten gebleven. Maar bij het naderen van het Iberische schiereiland was de wind, hoewel niet in kracht verminderende, meer noordwaarts getrokken om in den zoogenaamden Portugeeschen Noord over te gaan. Hij was nu wel ruimer geworden; kapitein Butteling had de gelegenheid benut, om de reven uit de marszeilen te doen nemen, ja om de bramzeilen bij te zetten; maar het schip met den wind zoo vlak van achteren, slingerde nu in die hooge deining ontzettend, wat de zeezieken minder te stade kwam. Niemand van de passagiers achteruit vertoonde zich dan ook aan dek, behalve kapitein Van Dam en de echtgenooten Groenewald en deze laatsten nog maar heel zelden. De beide jonge dames waren na het gebeurde wel nog iets angstvallig; zij durfden zich, zoo lang het weer duurde, niet op het dek te wagen. Van de militairen begonnen er meerderen op te krabbelen, maar het grootste gedeelte bleef toch beneden in de hangmatten de zeeziekte uitvieren.Volgens het derde bestek had het fregat 62 mijlen afgelegd en bevond zich op 40° 13′ noorderbreedte en 13° 17′ westerlengte.Nog altijd raasde de wind en joeg huilend door het[179]want. Van een bedaren scheen geen sprake. Het schip slingerde als een bezetene, maar snelde met spoed vooruit. Tegen het middaguur van den 23 October bevond het fregat zich nagenoeg ter hoogte van Kaap Sint Vincent. Het had in het laatste etmaal 66 mijlen afgelegd en bevond zich op 36°38′ noorderbreedte en 16°30′ westerlengte.Maar het ergste was nu geleden. Voor de kranken zou verademing komen.In de achtermiddagwacht begon de wind merkbaar te bedaren, zoodat kapitein Butteling al de zeilen, die maar aan te brengen waren, liet bijzetten. Gedurende den platvoet nam de wind nog meer af; zelfs zoo, dat de groote zeilen niet altijd gevuld bleven. De zee stond evenwel nog zeer hol, waardoor de slingeringen, nu het schip van den wind weinig steun meer had, nog grooter werden en de zeezieken het nog erger kregen.Maar den volgenden ochtend was de zee nagenoeg geheel geslecht en liep het fregat, met alle zeilen bijgezet, bij eene matige bries uit het westen, zoodat ongeveer vijf mijlen in de wacht behouden bleven.Het schip lag zoo stil mogelijk, en helde onder den druk zijner zeilen licht bakboord over.Al van den vroegen morgen waren de soldaten aan het dek en beijverden zich alle sporen der doorgestane zeeziekte te doen verdwijnen. De hangmatten waren al zeer gauw opgerold en op de koebrug geborgen. Daar vooruit bij de verschillende pompen was het een gewasch en geplas, dat het een aard had, om de laatste onzindelijkheid te doen verdwijnen. De knoopen werden blinkend gepoetst, de kapotjassen ter deeg geborsteld, hier en daar stond er een zich te kappen en de weerstrevende lokken met God weet wat in behaagzuchtige plooi te dwingen.Het detachement zag er eindelijk uit om door een ringetje[180]te halen, en ieder soldaat kon gerust het inspecteerend oog van een Haagsch—kindermeisje valt ons uit de pen, maar wij hervatten: van een Haagsch generaal doorstaan; en, bij het uitreiken der oorlam mankeerde er geen een.Tegen negen uur waren ook de mannelijke kajuitspassagiers op het dek vereenigd, en feliciteerden de nieuwbakken zeevaarders elkander, dat zij er zoo goed afgekomen waren. Volgens hunne meening toch had het schip een woedenden storm doorstaan. In ieders oog blonk eenige spotlust; want ieder meende, dat zijn reisgenoot meer van de zeeziekte te lijden had gehad, dan hij zelf.„Hoe zag jij er uit Behrtje!” spotte Denniston met den apotheker. „Ge zaagt bepaald bleek om je neus, man!”„Ik heb er gezien, die aschgrauw om den neus waren,” zei kapitein Van Dam met een glimlach.„Maar, ik zie de dames niet?” vroeg Leidermooi aan den heer Groenewald.„O! die zullen dadelijk verschijnen,” antwoordde deze, „ze waren naar omstandigheden al vroeg in de weer.”„Naar omstandigheden?… Hebben de dames het ook te kwaad gehad?”„Och, het verstandigste, wat zij hebben kunnen doen, was in hare kooi te blijven. Zij hebben die dagen met lezen doorgebracht.”„Dus ook zeeziek?” vroeg Denniston.De heer Groenewald beantwoordde die vraag niet. In dit oogenblik verschenen zijne echtgenoot en beide dochters, alle drie in een elegant morgentoilet, vroolijk en opgeruimd, alsof er niets gebeurd ware. De heeren complimenteerden en feliciteerden haar, dat zij aan het gevaar ontkomen waren.„Wij danken u,” sprak Emma. „Zeker was het gevaar, waarin wij arme meisjes verkeerden, zeer groot. Maar, Goddank! redding was nabij.”[181]„Gevaar! waarin gij arme meisjes verkeerdet!” sprak Denniston met iets heldhaftigs in zijne stem. „Mij dunkt, dat wij allen hetzelfde gevaar gedeeld hebben.”„Het mocht wat!” zei Emma met een glimlach.„Toen wij in gevaar verkeerden, lagen de heeren nog dapper te kooi,” vulde Adelien aan.„Gij spreekt dus niet van den storm, dien wij gezamenlijk getrotseerd hebben,” vroeg Denniston.„Een storm! een storm!!” schaterden de meisjes het uit.„Zeg, stuurman Abels,” wendde zich Emma tot dezen, die zich op het achterdek bevond en bezig was met zijn sextant waarnemingen te doen, „was het een storm?”„Wel neen, juffrouw,” antwoordde deze. „Het had niets te beteekenen, het was eigenlijk niets meer dan eene gereefde bramzeilskoelte.”„Maar dat gevaar dan, waarin gij verkeerd hebt?” vroeg Leidermooi met belangstelling.Behrtje had eenige woorden met den stuurman gewisseld. Hij was op de hoogte en kon niet nalaten zich te wreken over den spotlust, waarmede de jonge dames zijn ongeval begroet hadden, toen hij dat golfje in den nek kreeg.„Het is … (hik) alsof ik … (hik)… in ’t water … (hik)… gelegen heb,” parodieerde hij zijn eigen uitroep.„Juist, mijnheer Behren, wij hebben in het water gelegen …” zei Emma.„In het water gelegen? in de zee?” vroeg Leidermooi verschrikt, en een teederen blik op Adelien werpende.„In de zee?” herhaalde hij op tragischen toon. „En ik was er niet bij?”„Pends toi brave Crillon!” declameerde Van Diepbrugge „on a vaincu sans toi!”„Juist, mijnheer Van Diepbrugge,” wilde Emma voortgaan „en zonder.….”[182]Hare zuster stootte haar aan en wees haar naar voren. Beide zusters wisselden een paar woorden met hunnen vader, die op zijne beurt een oogenblik met kapitein Van Dam sprak.„Sergeant Riethoven en sergeant Brinkman!” riep deze met luider stem.De twee onderofficieren stonden op hun oud plekje bij de verschansing in de nabijheid van den grooten mast, hetwelk hun hoofdkwartier op de grenzen, die het gebied van het achterdek van het vooruit scheidden, scheen te zijn, en tuurden in zee. Op die bekende stem traden zij vooruit, brachten de hand aan de kwartiermuts en wachtten in militaire houding de bevelen van hunnen kommandant af.„Hier de heer Groenewald wenscht aan u voorgesteld te worden,” zeide de kapitein. „Mijnheer Groenewald, dat zijn de sergeanten Riethoven en Brinkman, twee flinke onderofficieren, die ik hoog waardeer!”De jongelieden bogen en kleurden bij die woorden, te midden van dien kring en in tegenwoordigheid der jonge dames uitgesproken. Zij gevoelden zich echter gestreeld door die openbare waardeering van hunnen chef.„Laat ik u aan mijne echtgenoote voorstellen, heeren,” sprak de heer Groenewald, met plichtpleging, „dan kunnen wij gezamenlijk u onzen dank brengen voor de redding mijner kinderen.”Hij en mevrouw Groenewald drukten de wakkere onderofficieren met warmte de hand, een voorbeeld, dat door de jonge dames met prijzenswaardigen ijver gevolgd werd, terwijl hare lieve mondjes ongedwongen en onverholen hunnen dank uitspraken.Toen Frank het poezelige handje van Adelien in de zijne voelde, was het hem wonder te moede. Hij wist later zich niet te herinneren, of hij gebloosd had of[183]verbleekt was. Zijne houding zou als verlegenheid kunnen aangemerkt zijn, had hij niet als man van opvoeding dadelijk zijne tegenwoordigheid van geest hernomen en het lieve handje met alle kieschheid ter nauwernood gedrukt. Herman evenwel stond daar zoo kalm en zoo koud als de bezaansmast in de nabijheid.„Het heeft zoo veel niet te beduiden gehad,” antwoordden de beide jongelieden hoffelijk om de dankbaarheidsbetuigingen èn van de lieve meisjes èn van hare ouders eenigermate te stuiten.„Wat, niets te beduiden?” riep Emma uit.„Ik werd door de woeste golven over het dek voortgerold!”„En ik was reeds buiten boord, heeft mij stuurman Bagman verteld,” zei Adelien tot Frank. „Ik was bijna voor de haaien, toen gij mij greept. Zou dat niets te beduiden hebben!? Integendeel, ik ben u mijn leven verschuldigd!”„Maar, wat is er toch gebeurd?”vroeg luitenant Leidermooi.De heer Groenewald gaf nu een kort relaas van het gebeurde, en vertelde met bewogen stem, in welk gevaar zijne jongste dochter verkeerd had en op hoedanige wijze zij gered was. En, nogmaals de beide jongelieden de hand drukkende, zeide hij:„Ik hoop, dat gij in mij steeds een goeden vriend zult zien, die u groote verplichting heeft. Met toestemming van uwen kommandant en van kapitein Butteling, verzoek ik u mij en mijn gezin de eer, en vooral het genoegen te willen aandoen heden en voortaan iederen zondag de kajuitstafel met ons te willen deelen.”De beide jongelieden sloegen een blik eerst op hunnen chef, daarna op de jonge dames. Eerstbedoelde knikte toestemmend. In het oog der lieve geredden blonk zoo’n innige hartelijkheid ten opzichte der beide onderofficieren,[184]zoo’n kiesche zweem van bede om toch toetestemmen, dat Herman, zich zelve beter meester dan Frank, antwoordde:„De dienst, die wij gelukkig genoeg geweest zijn de jonge dames te bewijzen, is zoo natuurlijk geweest, dat ieder ander, daartoe in de gelegenheid, zou gehandeld hebben als wij deden. Van dankbaarheid kan dus geen sprake zijn. Intusschen nemen wij de uitnoodiging van mijnheer Groenewald vol erkentelijkheid aan; zij zal ons eene zeer gewenschte gelegenheid zijn, ons van tijd tot tijd en kortstondig in een anderen kring te bewegen, dan het tusschendek ons kan aanbieden.”De oogen der twee meisjes glinsterden van genoegen bij dit antwoord.„Gelukkige kerels!” mompelde luitenant Leidermooi, „juffrouw Adelien gered te hebben!”Zijne inborst was evenwel te edel om meer dan een enkel verlangen, dat hij in hunne plaats mocht geweest zijn, en geen onedelen ijverzucht ten opzichte der onderofficieren in zijn hart toe te laten. Hij trad dan ook rond en openhartig op hen toe, reikte hun de hand en heette hen geluk met die redding. Al de overige passagiers, waaronder vooral de heeren Slierendrecht en Van Diepbrugge sloten zich daarbij aan, en in een oogwenk bevonden de beide onderofficieren zich door welwillende wezens omringd, die hun hunnen vroegeren omgang herinnerden. Alleen luitenant Denniston had een oogenblik geaarzeld met het reiken eener hand aan de jongelieden. Met zijne hooghartige inborst meende hij, dat een te familiaren omgang met onderofficieren zijn gezag en bijgevolg het prestige van den meerderen tegenover den minderen moest benadeelen. Toen hij evenwel al de passagiers en daaronder ook kapitein Van Dam, die een type van ridderlijken militairen geest moest genoemd[185]worden, en een stipt bewaker der ondergeschiktheid was, de jongelieden zag omringen en hen met warmte de hand drukken, weifelde hij niet langer, en kwam hen ook vriendelijk te gemoet. Het was hem ook geraden. Zijne aarzeling, die niet onopgemerkt gebleven was, had Emma reeds de fraaie wenkbrauwen doen fronsen. Zij bezon zich reeds, hoe zij dien verwaanden luitenant die onwelvoegelijkheid volgens haar zoude inpeperen.„Zoo is het goed!” sprak de heer Groenewald, „en daar het heden zondag is, zijt gij mijne gasten!Sapada!…” Ouder gewoonte wilde hij roepen:Sapada! bawa minoeman!40Bij het eerste woord bedacht hij zich evenwel en riep glimlachende:„Hofmeester, breng madera!”„Als gij wat harder roept, mijnheer Groenewald,” zei kapitein Butteling lachende, „dan zoudt gij de onvervalschte madera dry kunnen bekomen.”„Hoedat zoo, kapitein? Ik hoop toch, dat de hofmeester geen vervalscht bocht zal aanreiken.”„Wij hebben het eiland Madera nu zoo wat aan bakboord dwars van ons,”antwoorddekapitein Butteling.„Goddank, dan zijn wij in mildere streken aangekomen,” sprak mevrouw Groenewald. „Dan zullen wij heden avond den Piek van Teneriffe zien, nietwaar kapitein?”„Tu, tu, tu,” antwoordde kapitein Butteling „ik wou dat het waar was, mevrouwtje. Het fregat loopt thans niet veel vaart. Ik durf te wedden, dat het de vijftig mijlen in dit etmaal niet haalt. Als wij dien Piek morgen ochtend zien, zal het al mooi zijn.”En werkelijk, toen dien dag—25 October—het middagbestek opgemaakt werd, bevond het fregat zich op 31° 25′ noorderbreedte en 18° 43′ westerlengte en had derhalve slechts 45½ mijl in het laatste etmaal afgelegd.Genoeglijk zat het gezelschap onder een glas madera[186]te zamen, en was het onzen onderofficieren wel te moede in dien kring. Het was ongeveer één uur, toen de hofmeester de passagiers tot de lunch kwam noodigen.„Is het weer lapskous?” vroeg Slierendrecht aan den maritiemen Vatèl.„Ja, mijnheer,” was het antwoord.„En lekker?”„Overheerlijk!”De beide onderofficieren spitsten de ooren.„Lapskous?” vroeg Frank aan Adelien, die hij aan tafel geleidde.„Wat wonderlijke naam!”Het meisje glimlachte.„Dichterlijk is hij voorzeker niet,” sprak zij „en de samenstelling van dat kostje is nog prozaïscher.”„Wat is het dan toch?”„Kijk, daar staat het, die fraai bruingebakken massa in die schotels. Het zijn de kliekjes vleesch, aardappelen, blikgroenten enz. die met uien en veel boter opgebakken werden, tot zij met die bruine korst overtogen waren.”De lapskous werd, in weerwil van den raren naam, gekruid door een glas goeden wijn, uitmuntend gevonden.Ook het diner des avonds smaakte onzen onderofficieren uitstekend, terwijl hartelijkheid en geestigheid het gesprek aan tafel kruidden. Allen, maar vooral de familie Groenewald, beijverden zich de gastvrijheid ten opzichte der jongelieden in hare volle uitgestrektheid te betrachten, en hen die uren, daar achteruit doorgebracht, zoo aangenaam mogelijk te maken.Toen het diner afgeloopen was, verwijderden Herman en Frank zich kieschheidshalve. Wel deden mevrouw en mijnheer Groenewald welgemeende pogingen om het samenzijn langer te rekken, zelfs de meisjes kwamen hen daarbij te hulp; maar de welopgevoede jongelieden[187]waren van meening, dat zij hunne aanwezigheid aan het overige gezelschap niet langer mochten opdringen, en namen derhalve afscheid. Een lieve handdruk werd hen bij het heengaan nog meegegeven.Lang nog stonden zij op hun oud plekje bij den grooten mast de gebeurtenissen en de gesprekken van dien dag na te breeuwen en te herinneren. Ieder gebaar, ieder woord van de familie Groenewald werd besproken en gecommenteerd. Ten slotte erkenden de twee onderofficieren, dat zij een heerlijken dag doorgebracht hadden, en waren innig verheugd, dat hun nog zoo menig prettige zondag te wachten stond. Herman merkte evenwel op, dat Frank zich gedurende het geheele gesprek geen enkelen maal den naam van Adelien liet ontglippen, noch zich eene toespeling op haar veroorloofde.Toen de beide jongelingen boven gekomen waren, was de zon reeds ondergegaan, en vertoonde het uitspansel thans die wondervolle kleurtinten, die alsdan waargenomen worden, en als het ware het afscheid der dagvorstin te kennen geven en het naderen van den somberen nacht aankondigen. Het was als spreidde zich eene streepsgewijze mengeling voor hun oog uit van purper en zwart, van licht en donker, van dag en nacht.Beide mannen waren nog al dichterlijk begaafd en stonden dan ook dat fraaie schouwspel met belangstelling waar te nemen.„Herinnert gij u nog onze declamatie-oefeningen te Rolduc?” vroeg Frank. „Dat tafereel hier brengt mij het gedicht van Michaud, dat gij ook kent,le printemps d’un proscritte binnen. Hoe vaak heb ik dat gereciteerd! Weinig vermoedde ik destijds, dat ik in degelegenheidzou komen, als „proscrit” de nauwkeurigheid der schildering zoo te kunnen toetsen. Een gedeelte van dat gedicht, hetwelk zoo merkwaardig overeenkomt met[188]het tafereel, hetwelk wij daar voor oogen hebben, is mij niet uit het hoofd te zetten en doen zich hare Alexandrijnen overluid in mijn brein vernemen.”En zacht, zeer zacht prevelde hij, om de nabijzijnde militairen zijne ontboezeming niet te laten vernemen:. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .„O qui pourra jamais voir sans être attendriL’éclat demi voilé de l’horizon plus sombre,Ce mélange confus du soleil et de l’ombre,Ces combats indécis de la nuit et du jour,Ces feux mourants épars sur les flots d’alentour,Ce brillant occident où le soleil étaleSa chevelure d’or et sa robe d’opale,Ce ciel qui par degrés se peint d’un gris obscur,Et le jour qui s’éteint sous un voile d’azur.”Op het achterdek had de heer Groenewald, terwijl zijne dochters met de heeren in gesprek waren en met hen gezamenlijk de fraaie avondtinten ook bewonderden, een ander onderhoud met zijne echtgenoote, dat meer van praktischen zin bij den koffieplanter getuigde:„Wel,” sprak hij, en daarbij voorzeker op een voorafgaand gesprek doelende, „hoe zijn u die jongelieden meegevallen?”„Mij, zeer goed,” antwoordde mevrouw Groenewald.„Eene gedachte weerhoudt mij, om hen nu reeds het voorstel te doen, bij aankomst te Batavia hun ontslag te bewerken, en op mijne koffie-onderneming als opzichters in dienst te treden.”„En die is?.…”„Hebt gij wel gemerkt, welke blikken die Frank Brinkman op onze Adelien wierp? Terwijl het mij voorkomt, dat de andere, Herman Riethoven, onze Emma lang niet onverschillig is?”[189]Mevrouw Groenewald beantwoordde die vraag met eene andere:„Is het dat alleen wat u weerhoudt?”„Mij dunkt, dat die opmerking niet van belang ontbloot is,” antwoordde hij. „Vuur met stroo dient niet alzoo, zegt een oud spreekwoord. Ik geloof dat voorzichtigheid hier de boodschap zal zijn. Onze kinderente laten verlieven op twee jongelieden, die niets bezitten en zich nog eene toekomst moeten scheppen.…”„Dat is het niet wat mij bedenkelijk voorkomt. Wij bezitten voldoend vermogen, om onze twee kinderen onbezorgd de toekomst te gemoet te laten treden. Geeft gij aan de eene het koffieland Wilatoong en aan de andere Koewajangan ten huwelijk mede, dan blijft ons nog Moengong Djamoes over. Onze schoonzoons behoeven dan geen vermogen te bezitten, dan is slechts arbeidzaamheid en gezond verstand noodig, om fatsoenlijk door de wereld te komen. Maar.…”„Maar?” vroeg mijnheer Groenewald.„Dat is de bedenking niet, die ik opperen zou. In de eerste plaats zou ik tot schoonzoons wenschen, flinke ontwikkelde mannen, wier gedrag, opvoeding en onbesproken verleden de meeste waarborgen voor het geluk onzer kinderen zouden opleveren, en die daarbij jeugdig genoeg waren om, zonder te veel van hun verleden op te offeren, eene nieuwe loopbaan te kunnen aanvaarden. Dit laatste, dunkt me, is bij die twee onderofficieren aanwezig; maar wie waarborgt ons hun gedrag, wie geeft ons zekerheid omtrent hun verleden?”„Zoodat gij mij ontraden zoudt die twee jongelieden tot opzichters te nemen?”„Daar heb ik geen woord van gesproken,” antwoordde mevrouw Groenewald. „Maar, wel raad ik u omzichtig te zijn en u niet te overijlen. Laten wij nog nadere[190]kennis met die jonge mannen maken, dan kunnen wij beter oordeelen. Gij hebt hen des zondags aan tafel verzocht; welnu, wij zullen gelegenheid hebben hen nader te leeren kennen. Nadere kennismaking met onze kinderen zal ons ook moeten aantoonen of wij ons niet vergissen, wanneer wij eene ontluikende genegenheid meenen te ontwaren, waar waarschijnlijk van de eene zijde slechts hoffelijkheid tegenover dames, en van den anderen kant slechts dankbaarheid voor de redding en toenadering tot alles wat jong en vroolijk is, aanwezig geacht moet worden. Laten wij een ongedwongen omgang tusschen de jongelieden begunstigen, dan zullen wij bij het einde der reis over onze verdere gedragslijn kunnen beslissen. Ziedaar mijn raad!”„En dien raad wensch ik stipt op te volgen,” zei de heer Groenewald, die aan dergelijke eindbesluiten niet ongewoon was.[191]

[Inhoud]V.Eene stortzee.Met den dag verschenen voor en na ettelijke bleeke troniën aan het dek. Men kon het allen aanzien, dat de nacht voor het meerendeel rampzalig geweest was. Het beste was dat te bespeuren, toen de hoornblazer met veel moeite het „Wilhelmus” liet weerklinken, ten teeken dat de oorlam zoude uitgereikt worden. Zeer weinige manschappen vertoonden zich om hun zoo geliefkoosd morgenslokje te nemen.„De afschaffing maakt vorderingen,” zeide stuurman Ellenbaan lachende.Toen de onderofficieren de manschappen wilden aansporen om hunne hangmatten behoorlijk opgerold en saamgebonden naar boven te brengen, om haar op de koebrug op te bergen, gaf kapitein Butteling tegenbevel.„Laat die maar blijven, sergeant,” zei hij tot Herman Riethoven. „Bij zulk weer en bij de heerschende zeeziekte zijn de kerels het best te kooi. Laat evenwel de gezonde manschappen het tusschendeks reinigen en aanvegen. Ik zal bevelen geven, dat de kwade dampen daar beneden verdreven worden.”Toen de bevolen reiniging volbracht was, werd de[173]vloer daar beneden met kookende azijn besprenkeld, hetgeen de bedompte en kwalijk riekende atmospheer eenigermate zuiverde.De hemel was niet geheel en al bedekt. Dikke wolken, die door den wind aan flarden gescheurd schenen, dreven met ijlende vaart door het luchtruim, en lieten hier en daar gedeelten van het blauwe uitspansel ontwaren. Van tijd tot tijd brak de zon door de voortgezweepte wolkenmassa’s heen en vroolijkte met hare stralen het woeste tooneel wat op. De zee stond uitermate hol. Het waren geen golven, die ze rolde, maar heuvelen, die met woest geweld op het schip afkwamen. Die heuvelen, door den wind voortgejaagd en met hunne toppen sneller voortijlende dan hun basis volgen kon, helden in een onmetelijken boog over, braken en kuifden zich zoodoende met verblindend wit schuim, hetwelk aan de woestheid der baren een eigendommelijk karakter bijzette.DeFernandina Maria Emmabevond zich nog op de Gronden, waardoor de zeelieden verstaan dat gedeelte van den Atlantischen Oceaan, hetwelk zich voor het Engelsche Kanaal nagenoeg in een halven cirkel van Biarritz, in den hoekzak van de Golf van Biscaia, tot Kaap Valentia op de Iersche kust uitstrekt, en waarop eene mindere diepte dan van honderd vademen wordt aangetroffen. Bij harden wind zijn de golven op de Gronden kort, maar verheffen zich tot eene ontzettende hoogte. Zij hebben daardoor vrij steile wanden of ruggen en veroorzaken, vooral bij groote schepen, zoo als deFernandina Maria Emmawas, eene zeer moeielijke beweging.Was de zon omfloersd, dan had de zee eene grauw vale tint, die naarmate de schaduw viel, hier en daar zwart kon schijnen. De schuimende koppen boden hierbij een[174]droefgeestig tooneel. Het was nagenoeg of zwarte heuvelen met een rand wit geboord waren en gaven zoo den indruk van een beeld van rouw. Braken de zonnestralen voor een kort oogenblik door eene wolkenscheur, dan was het of de zeeoppervlakte met een tooverstaf aangeraakt werd. Onmiddellijk verloor zij haar somber karakter; zij tintte zich dan met uitermate levendige kleuren, van het donkergroen af tot het donkerblauw toe en onderging daarbij, tengevolge van de straalbreking bij de bewegelijkheid der hooggaande golven, al de tusschenliggende schakeeringen van groen, lichtgroen, flesschengroen, teedergroen, van blauw, hemelsblauw, lichtblauw; terwijl de zon, in de hevig bewogen watervlakte weerkaatsende, kortstondige stralenbundels deed uitschieten en weer uitdoofde, en het schuim op de toppen der baren verblindend wit deed schitteren.Dat alles namen Brinkman en Riethoven waar, terwijl zij ter hoogte van den grooten mast bij de stuurboordsverschansing stonden; toen zij de beide jonge dames Groenewald den kajuitstrap opkomen en aan het dek verschijnen zagen.„Zietdaar een nog fraaiere zonnestraal!” mompelde Frank.Juist in dit oogenblik weerklonk de stem van stuurman Bagman, die riep:„Grijpen en vasthouden!”Het was eene hoognoodige waarschuwing, want een oogenblik later, krulde eene buitengewoon hooge baar ter hoogte van het midden-schip over de verschansing, en stortte met woedend geweld op het dek neder. De beide onderofficieren hadden zich op de waarschuwing van den stuurman aan de bij hen staande pardoens39gegrepen. Zij konden evenwel niet beletten, dat zij door de monsterachtige golf van de been geslagen werden,[175]en zouden voorzeker door de woedende watermassa meegesleept en over boord gespoeld zijn, als zij zich niet met de kracht der wanhoop aan de stevig gespannen pardoens vastgeklemd hadden. Op het achterdek had die overgekomen zee even rampvolle gevolgen. Wel was daar de kracht van de golf, die meer middenscheeps binnengekomen was, veel minder, maar toch nog sterk genoeg om de twee jonge meisjes in gevaarvollen toestand te brengen. Zij waren juist van onder de kap van den kajuitstrap te voorschijn getreden, toen het ongeval hen verraste. Wel poogde Emma zich, toen de waarschuwende stem van „grijpen en vasthouden” weerklonk, aan den bovenrichel van die kap te klemmen, terwijl hare zuster Adelien haar bij den arm vasthield; maar toen het woedende water hare beenen meesleepte, was de oudste onmachtig om haar houvast te blijven omklemmen; zij moest loslaten en beiden werden toen door het oproerige element medegesleept. Het achterschip werd door de monsterachtige baar, waarvan een gedeelte overgekruld was, in dat oogenblik opgeheven; zoodat het water aan dek met ijlende vaart naar voren schoot en de bewustelooze meisjes met zich medesleepte. Frank en Herman, van de eerste ontsteltenis bekomen, zagen het onheil. Zij hadden hun evenwicht nauwelijks hernomen, of zij lieten de reddende pardoens los en ijlden ter hulp. Tusschen den middenmast en de groote boot doorschietende, met het water tot aan de knieën, kwamen zij juist ter tijd om bijstand te bieden en een groot ongeluk te voorkomen. Herman greep Emma, die over het dek voortgerold werd, en hield haar met de eene hand stevig vast, totdat het water, hetwelk als een stortvloed over het voorschip stroomde, weggeloopen was; terwijl hij zich met de andere hand aan de sjorringen der groote boot vastklemde. Frank was op Adelien toegesprongen, en redde die uit[176]meer wezenlijk gevaar. Toen het schip onder den schok sterk naar lij overhelde, lag de verschansing aan bakboord een oogenblik te water. Het jonge meisje dreef daar heen en lag reeds op die verschansing gedeeltelijk buiten boord, toen Frank haar greep. Gelukkig, dat zij tegen het groot want was aangedreven. Wel had zij hoegenaamd geen bewustzijn om zich aan een der hoofdtouwen van dat want of een der weeglijntjes vast te klemmen; maar de kracht, waarmede zij voortgesleept werd, was gebroken en daardoor was het haren redder mogelijk, haar met beide armen te omvatten en binnen boord te halen. Daaronder zou hij haar hebben moeten loslaten en zou zij voor zijne oogen in de diepte reddeloos verdwenen zijn.Dat alles gebeurde bliksemsnel, in minder tijd dan noodig was om het te vertellen.Toen het water door de spuigaten en onder de reeling door weggeloopen was, tilden de beide onderofficieren de jonge meisjes op, en droegen haar met behulp van de stuurlieden Bagman en Ellenbaan, die inmiddels toegeschoten waren, in de kajuit.Het gebeurde verwekte veel ontsteltenis bij de ouders der lieve meisjes. Beiden beijverden zich evenwel hunne nog steeds bewustelooze kinderen te verzorgen en te kooi te brengen. Toen kapitein Van Dam van stuurman Bagman vernam, hoe de redding der twee meisjes zich toegedragen had, drukte hij de beide onderofficieren innig de hand, en betuigde hen zijne volle tevredenheid, terwijl hij hun de verzekering gaf, dat deze hunne daad niet onopgemerkt zoude blijven. Te Harderwijk had hij reeds zeer gunstige inlichtingen omtrent hun gedrag, beschaving en omgang ingewonnen; zoodat de toegenegenheid van den waardigen chef voor de jongelieden door die redding ten top steeg.[177]De overgekomen zee had evenwel nog andere ongevallen veroorzaakt. Niemand, en wel het allerminst kapitein Butteling met zijne stuurlieden, waren op zoo’n overstrooming verdacht geweest. Het woei wel stevig, de zee stond wel hoog; maar niet in die mate, dat het overkomen van een breker te vreezen stond. Het groot luik had dan ook opengestaan om luchtverversching in het soldatenlogies te verschaffen, en daarin was een groot gedeelte der aan boord gestortte watermassa verzwolgen.Velen der zeezieken, die in hunne hangmatten lagen, waren daaruit geslagen en dreven hulpeloos te midden van eene menigte goederen in het tusschendek rond en rolden bij het slingeren van het vaartuig, op gevaar af van binnenscheeps te verdrinken, van bakboord naar stuurboord en van stuurboord naar bakboord, totdat ze door hunne kameraden gegrepen en overeind geholpen werden.Ras sprong stuurman Abels in het tusschendek, opende daar een luik in den vloer, waardoor het water zich in het ruim en van daar in het hol van het schip kon ontlasten, van waar de matrozen het met de lenspompen konden uitpompen.Door de ondervinding voorgelicht, liet kapitein Butteling het fregat een paar streken afvallen, waardoor de zeeën, niet meer zoo dwars, maar meer van achteren inkwamen, en het gevaar om water aan het dek te krijgen niet meer zoo groot was.De koers was nu zuid-zuidwest.Tegen het middaguur van dien dag—20 October—werd het bestek opgemaakt, waartoe de zon zich gelukkig gewillig leende. Het fregat bevond zich toen op 47° 36′ noorderbreedte en op 8° 5′ westerlengte van Greenwich.Het onaangename weder, dat deFernandina Maria Emma[178]bij het uitkomen van het kanaal overvallen had, bleef verscheidene dagen voortduren. Het volgende bestek wees aan 44° 13′ noorderbreedte en 12° 4′ westerlengte. Het fregat had in dat etmaal 66 mijlen afgelegd, of zoo als de zeelieden zeiden: elf mijlen in de wacht behouden. Men was toen zoo omstreeks op de breedte van Kaap Finisterre en bijgevolg buiten de Gronden. De zee had hier eene diepte van over de 2000 vademen. De deininggolven waren dan ook niet meer zoo kort en zoo steil, en zeer zeker zouden de reizigers minder last van de beweging van het schip gehad hebben, ware de wind in het noordwesten gebleven. Maar bij het naderen van het Iberische schiereiland was de wind, hoewel niet in kracht verminderende, meer noordwaarts getrokken om in den zoogenaamden Portugeeschen Noord over te gaan. Hij was nu wel ruimer geworden; kapitein Butteling had de gelegenheid benut, om de reven uit de marszeilen te doen nemen, ja om de bramzeilen bij te zetten; maar het schip met den wind zoo vlak van achteren, slingerde nu in die hooge deining ontzettend, wat de zeezieken minder te stade kwam. Niemand van de passagiers achteruit vertoonde zich dan ook aan dek, behalve kapitein Van Dam en de echtgenooten Groenewald en deze laatsten nog maar heel zelden. De beide jonge dames waren na het gebeurde wel nog iets angstvallig; zij durfden zich, zoo lang het weer duurde, niet op het dek te wagen. Van de militairen begonnen er meerderen op te krabbelen, maar het grootste gedeelte bleef toch beneden in de hangmatten de zeeziekte uitvieren.Volgens het derde bestek had het fregat 62 mijlen afgelegd en bevond zich op 40° 13′ noorderbreedte en 13° 17′ westerlengte.Nog altijd raasde de wind en joeg huilend door het[179]want. Van een bedaren scheen geen sprake. Het schip slingerde als een bezetene, maar snelde met spoed vooruit. Tegen het middaguur van den 23 October bevond het fregat zich nagenoeg ter hoogte van Kaap Sint Vincent. Het had in het laatste etmaal 66 mijlen afgelegd en bevond zich op 36°38′ noorderbreedte en 16°30′ westerlengte.Maar het ergste was nu geleden. Voor de kranken zou verademing komen.In de achtermiddagwacht begon de wind merkbaar te bedaren, zoodat kapitein Butteling al de zeilen, die maar aan te brengen waren, liet bijzetten. Gedurende den platvoet nam de wind nog meer af; zelfs zoo, dat de groote zeilen niet altijd gevuld bleven. De zee stond evenwel nog zeer hol, waardoor de slingeringen, nu het schip van den wind weinig steun meer had, nog grooter werden en de zeezieken het nog erger kregen.Maar den volgenden ochtend was de zee nagenoeg geheel geslecht en liep het fregat, met alle zeilen bijgezet, bij eene matige bries uit het westen, zoodat ongeveer vijf mijlen in de wacht behouden bleven.Het schip lag zoo stil mogelijk, en helde onder den druk zijner zeilen licht bakboord over.Al van den vroegen morgen waren de soldaten aan het dek en beijverden zich alle sporen der doorgestane zeeziekte te doen verdwijnen. De hangmatten waren al zeer gauw opgerold en op de koebrug geborgen. Daar vooruit bij de verschillende pompen was het een gewasch en geplas, dat het een aard had, om de laatste onzindelijkheid te doen verdwijnen. De knoopen werden blinkend gepoetst, de kapotjassen ter deeg geborsteld, hier en daar stond er een zich te kappen en de weerstrevende lokken met God weet wat in behaagzuchtige plooi te dwingen.Het detachement zag er eindelijk uit om door een ringetje[180]te halen, en ieder soldaat kon gerust het inspecteerend oog van een Haagsch—kindermeisje valt ons uit de pen, maar wij hervatten: van een Haagsch generaal doorstaan; en, bij het uitreiken der oorlam mankeerde er geen een.Tegen negen uur waren ook de mannelijke kajuitspassagiers op het dek vereenigd, en feliciteerden de nieuwbakken zeevaarders elkander, dat zij er zoo goed afgekomen waren. Volgens hunne meening toch had het schip een woedenden storm doorstaan. In ieders oog blonk eenige spotlust; want ieder meende, dat zijn reisgenoot meer van de zeeziekte te lijden had gehad, dan hij zelf.„Hoe zag jij er uit Behrtje!” spotte Denniston met den apotheker. „Ge zaagt bepaald bleek om je neus, man!”„Ik heb er gezien, die aschgrauw om den neus waren,” zei kapitein Van Dam met een glimlach.„Maar, ik zie de dames niet?” vroeg Leidermooi aan den heer Groenewald.„O! die zullen dadelijk verschijnen,” antwoordde deze, „ze waren naar omstandigheden al vroeg in de weer.”„Naar omstandigheden?… Hebben de dames het ook te kwaad gehad?”„Och, het verstandigste, wat zij hebben kunnen doen, was in hare kooi te blijven. Zij hebben die dagen met lezen doorgebracht.”„Dus ook zeeziek?” vroeg Denniston.De heer Groenewald beantwoordde die vraag niet. In dit oogenblik verschenen zijne echtgenoot en beide dochters, alle drie in een elegant morgentoilet, vroolijk en opgeruimd, alsof er niets gebeurd ware. De heeren complimenteerden en feliciteerden haar, dat zij aan het gevaar ontkomen waren.„Wij danken u,” sprak Emma. „Zeker was het gevaar, waarin wij arme meisjes verkeerden, zeer groot. Maar, Goddank! redding was nabij.”[181]„Gevaar! waarin gij arme meisjes verkeerdet!” sprak Denniston met iets heldhaftigs in zijne stem. „Mij dunkt, dat wij allen hetzelfde gevaar gedeeld hebben.”„Het mocht wat!” zei Emma met een glimlach.„Toen wij in gevaar verkeerden, lagen de heeren nog dapper te kooi,” vulde Adelien aan.„Gij spreekt dus niet van den storm, dien wij gezamenlijk getrotseerd hebben,” vroeg Denniston.„Een storm! een storm!!” schaterden de meisjes het uit.„Zeg, stuurman Abels,” wendde zich Emma tot dezen, die zich op het achterdek bevond en bezig was met zijn sextant waarnemingen te doen, „was het een storm?”„Wel neen, juffrouw,” antwoordde deze. „Het had niets te beteekenen, het was eigenlijk niets meer dan eene gereefde bramzeilskoelte.”„Maar dat gevaar dan, waarin gij verkeerd hebt?” vroeg Leidermooi met belangstelling.Behrtje had eenige woorden met den stuurman gewisseld. Hij was op de hoogte en kon niet nalaten zich te wreken over den spotlust, waarmede de jonge dames zijn ongeval begroet hadden, toen hij dat golfje in den nek kreeg.„Het is … (hik) alsof ik … (hik)… in ’t water … (hik)… gelegen heb,” parodieerde hij zijn eigen uitroep.„Juist, mijnheer Behren, wij hebben in het water gelegen …” zei Emma.„In het water gelegen? in de zee?” vroeg Leidermooi verschrikt, en een teederen blik op Adelien werpende.„In de zee?” herhaalde hij op tragischen toon. „En ik was er niet bij?”„Pends toi brave Crillon!” declameerde Van Diepbrugge „on a vaincu sans toi!”„Juist, mijnheer Van Diepbrugge,” wilde Emma voortgaan „en zonder.….”[182]Hare zuster stootte haar aan en wees haar naar voren. Beide zusters wisselden een paar woorden met hunnen vader, die op zijne beurt een oogenblik met kapitein Van Dam sprak.„Sergeant Riethoven en sergeant Brinkman!” riep deze met luider stem.De twee onderofficieren stonden op hun oud plekje bij de verschansing in de nabijheid van den grooten mast, hetwelk hun hoofdkwartier op de grenzen, die het gebied van het achterdek van het vooruit scheidden, scheen te zijn, en tuurden in zee. Op die bekende stem traden zij vooruit, brachten de hand aan de kwartiermuts en wachtten in militaire houding de bevelen van hunnen kommandant af.„Hier de heer Groenewald wenscht aan u voorgesteld te worden,” zeide de kapitein. „Mijnheer Groenewald, dat zijn de sergeanten Riethoven en Brinkman, twee flinke onderofficieren, die ik hoog waardeer!”De jongelieden bogen en kleurden bij die woorden, te midden van dien kring en in tegenwoordigheid der jonge dames uitgesproken. Zij gevoelden zich echter gestreeld door die openbare waardeering van hunnen chef.„Laat ik u aan mijne echtgenoote voorstellen, heeren,” sprak de heer Groenewald, met plichtpleging, „dan kunnen wij gezamenlijk u onzen dank brengen voor de redding mijner kinderen.”Hij en mevrouw Groenewald drukten de wakkere onderofficieren met warmte de hand, een voorbeeld, dat door de jonge dames met prijzenswaardigen ijver gevolgd werd, terwijl hare lieve mondjes ongedwongen en onverholen hunnen dank uitspraken.Toen Frank het poezelige handje van Adelien in de zijne voelde, was het hem wonder te moede. Hij wist later zich niet te herinneren, of hij gebloosd had of[183]verbleekt was. Zijne houding zou als verlegenheid kunnen aangemerkt zijn, had hij niet als man van opvoeding dadelijk zijne tegenwoordigheid van geest hernomen en het lieve handje met alle kieschheid ter nauwernood gedrukt. Herman evenwel stond daar zoo kalm en zoo koud als de bezaansmast in de nabijheid.„Het heeft zoo veel niet te beduiden gehad,” antwoordden de beide jongelieden hoffelijk om de dankbaarheidsbetuigingen èn van de lieve meisjes èn van hare ouders eenigermate te stuiten.„Wat, niets te beduiden?” riep Emma uit.„Ik werd door de woeste golven over het dek voortgerold!”„En ik was reeds buiten boord, heeft mij stuurman Bagman verteld,” zei Adelien tot Frank. „Ik was bijna voor de haaien, toen gij mij greept. Zou dat niets te beduiden hebben!? Integendeel, ik ben u mijn leven verschuldigd!”„Maar, wat is er toch gebeurd?”vroeg luitenant Leidermooi.De heer Groenewald gaf nu een kort relaas van het gebeurde, en vertelde met bewogen stem, in welk gevaar zijne jongste dochter verkeerd had en op hoedanige wijze zij gered was. En, nogmaals de beide jongelieden de hand drukkende, zeide hij:„Ik hoop, dat gij in mij steeds een goeden vriend zult zien, die u groote verplichting heeft. Met toestemming van uwen kommandant en van kapitein Butteling, verzoek ik u mij en mijn gezin de eer, en vooral het genoegen te willen aandoen heden en voortaan iederen zondag de kajuitstafel met ons te willen deelen.”De beide jongelieden sloegen een blik eerst op hunnen chef, daarna op de jonge dames. Eerstbedoelde knikte toestemmend. In het oog der lieve geredden blonk zoo’n innige hartelijkheid ten opzichte der beide onderofficieren,[184]zoo’n kiesche zweem van bede om toch toetestemmen, dat Herman, zich zelve beter meester dan Frank, antwoordde:„De dienst, die wij gelukkig genoeg geweest zijn de jonge dames te bewijzen, is zoo natuurlijk geweest, dat ieder ander, daartoe in de gelegenheid, zou gehandeld hebben als wij deden. Van dankbaarheid kan dus geen sprake zijn. Intusschen nemen wij de uitnoodiging van mijnheer Groenewald vol erkentelijkheid aan; zij zal ons eene zeer gewenschte gelegenheid zijn, ons van tijd tot tijd en kortstondig in een anderen kring te bewegen, dan het tusschendek ons kan aanbieden.”De oogen der twee meisjes glinsterden van genoegen bij dit antwoord.„Gelukkige kerels!” mompelde luitenant Leidermooi, „juffrouw Adelien gered te hebben!”Zijne inborst was evenwel te edel om meer dan een enkel verlangen, dat hij in hunne plaats mocht geweest zijn, en geen onedelen ijverzucht ten opzichte der onderofficieren in zijn hart toe te laten. Hij trad dan ook rond en openhartig op hen toe, reikte hun de hand en heette hen geluk met die redding. Al de overige passagiers, waaronder vooral de heeren Slierendrecht en Van Diepbrugge sloten zich daarbij aan, en in een oogwenk bevonden de beide onderofficieren zich door welwillende wezens omringd, die hun hunnen vroegeren omgang herinnerden. Alleen luitenant Denniston had een oogenblik geaarzeld met het reiken eener hand aan de jongelieden. Met zijne hooghartige inborst meende hij, dat een te familiaren omgang met onderofficieren zijn gezag en bijgevolg het prestige van den meerderen tegenover den minderen moest benadeelen. Toen hij evenwel al de passagiers en daaronder ook kapitein Van Dam, die een type van ridderlijken militairen geest moest genoemd[185]worden, en een stipt bewaker der ondergeschiktheid was, de jongelieden zag omringen en hen met warmte de hand drukken, weifelde hij niet langer, en kwam hen ook vriendelijk te gemoet. Het was hem ook geraden. Zijne aarzeling, die niet onopgemerkt gebleven was, had Emma reeds de fraaie wenkbrauwen doen fronsen. Zij bezon zich reeds, hoe zij dien verwaanden luitenant die onwelvoegelijkheid volgens haar zoude inpeperen.„Zoo is het goed!” sprak de heer Groenewald, „en daar het heden zondag is, zijt gij mijne gasten!Sapada!…” Ouder gewoonte wilde hij roepen:Sapada! bawa minoeman!40Bij het eerste woord bedacht hij zich evenwel en riep glimlachende:„Hofmeester, breng madera!”„Als gij wat harder roept, mijnheer Groenewald,” zei kapitein Butteling lachende, „dan zoudt gij de onvervalschte madera dry kunnen bekomen.”„Hoedat zoo, kapitein? Ik hoop toch, dat de hofmeester geen vervalscht bocht zal aanreiken.”„Wij hebben het eiland Madera nu zoo wat aan bakboord dwars van ons,”antwoorddekapitein Butteling.„Goddank, dan zijn wij in mildere streken aangekomen,” sprak mevrouw Groenewald. „Dan zullen wij heden avond den Piek van Teneriffe zien, nietwaar kapitein?”„Tu, tu, tu,” antwoordde kapitein Butteling „ik wou dat het waar was, mevrouwtje. Het fregat loopt thans niet veel vaart. Ik durf te wedden, dat het de vijftig mijlen in dit etmaal niet haalt. Als wij dien Piek morgen ochtend zien, zal het al mooi zijn.”En werkelijk, toen dien dag—25 October—het middagbestek opgemaakt werd, bevond het fregat zich op 31° 25′ noorderbreedte en 18° 43′ westerlengte en had derhalve slechts 45½ mijl in het laatste etmaal afgelegd.Genoeglijk zat het gezelschap onder een glas madera[186]te zamen, en was het onzen onderofficieren wel te moede in dien kring. Het was ongeveer één uur, toen de hofmeester de passagiers tot de lunch kwam noodigen.„Is het weer lapskous?” vroeg Slierendrecht aan den maritiemen Vatèl.„Ja, mijnheer,” was het antwoord.„En lekker?”„Overheerlijk!”De beide onderofficieren spitsten de ooren.„Lapskous?” vroeg Frank aan Adelien, die hij aan tafel geleidde.„Wat wonderlijke naam!”Het meisje glimlachte.„Dichterlijk is hij voorzeker niet,” sprak zij „en de samenstelling van dat kostje is nog prozaïscher.”„Wat is het dan toch?”„Kijk, daar staat het, die fraai bruingebakken massa in die schotels. Het zijn de kliekjes vleesch, aardappelen, blikgroenten enz. die met uien en veel boter opgebakken werden, tot zij met die bruine korst overtogen waren.”De lapskous werd, in weerwil van den raren naam, gekruid door een glas goeden wijn, uitmuntend gevonden.Ook het diner des avonds smaakte onzen onderofficieren uitstekend, terwijl hartelijkheid en geestigheid het gesprek aan tafel kruidden. Allen, maar vooral de familie Groenewald, beijverden zich de gastvrijheid ten opzichte der jongelieden in hare volle uitgestrektheid te betrachten, en hen die uren, daar achteruit doorgebracht, zoo aangenaam mogelijk te maken.Toen het diner afgeloopen was, verwijderden Herman en Frank zich kieschheidshalve. Wel deden mevrouw en mijnheer Groenewald welgemeende pogingen om het samenzijn langer te rekken, zelfs de meisjes kwamen hen daarbij te hulp; maar de welopgevoede jongelieden[187]waren van meening, dat zij hunne aanwezigheid aan het overige gezelschap niet langer mochten opdringen, en namen derhalve afscheid. Een lieve handdruk werd hen bij het heengaan nog meegegeven.Lang nog stonden zij op hun oud plekje bij den grooten mast de gebeurtenissen en de gesprekken van dien dag na te breeuwen en te herinneren. Ieder gebaar, ieder woord van de familie Groenewald werd besproken en gecommenteerd. Ten slotte erkenden de twee onderofficieren, dat zij een heerlijken dag doorgebracht hadden, en waren innig verheugd, dat hun nog zoo menig prettige zondag te wachten stond. Herman merkte evenwel op, dat Frank zich gedurende het geheele gesprek geen enkelen maal den naam van Adelien liet ontglippen, noch zich eene toespeling op haar veroorloofde.Toen de beide jongelingen boven gekomen waren, was de zon reeds ondergegaan, en vertoonde het uitspansel thans die wondervolle kleurtinten, die alsdan waargenomen worden, en als het ware het afscheid der dagvorstin te kennen geven en het naderen van den somberen nacht aankondigen. Het was als spreidde zich eene streepsgewijze mengeling voor hun oog uit van purper en zwart, van licht en donker, van dag en nacht.Beide mannen waren nog al dichterlijk begaafd en stonden dan ook dat fraaie schouwspel met belangstelling waar te nemen.„Herinnert gij u nog onze declamatie-oefeningen te Rolduc?” vroeg Frank. „Dat tafereel hier brengt mij het gedicht van Michaud, dat gij ook kent,le printemps d’un proscritte binnen. Hoe vaak heb ik dat gereciteerd! Weinig vermoedde ik destijds, dat ik in degelegenheidzou komen, als „proscrit” de nauwkeurigheid der schildering zoo te kunnen toetsen. Een gedeelte van dat gedicht, hetwelk zoo merkwaardig overeenkomt met[188]het tafereel, hetwelk wij daar voor oogen hebben, is mij niet uit het hoofd te zetten en doen zich hare Alexandrijnen overluid in mijn brein vernemen.”En zacht, zeer zacht prevelde hij, om de nabijzijnde militairen zijne ontboezeming niet te laten vernemen:. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .„O qui pourra jamais voir sans être attendriL’éclat demi voilé de l’horizon plus sombre,Ce mélange confus du soleil et de l’ombre,Ces combats indécis de la nuit et du jour,Ces feux mourants épars sur les flots d’alentour,Ce brillant occident où le soleil étaleSa chevelure d’or et sa robe d’opale,Ce ciel qui par degrés se peint d’un gris obscur,Et le jour qui s’éteint sous un voile d’azur.”Op het achterdek had de heer Groenewald, terwijl zijne dochters met de heeren in gesprek waren en met hen gezamenlijk de fraaie avondtinten ook bewonderden, een ander onderhoud met zijne echtgenoote, dat meer van praktischen zin bij den koffieplanter getuigde:„Wel,” sprak hij, en daarbij voorzeker op een voorafgaand gesprek doelende, „hoe zijn u die jongelieden meegevallen?”„Mij, zeer goed,” antwoordde mevrouw Groenewald.„Eene gedachte weerhoudt mij, om hen nu reeds het voorstel te doen, bij aankomst te Batavia hun ontslag te bewerken, en op mijne koffie-onderneming als opzichters in dienst te treden.”„En die is?.…”„Hebt gij wel gemerkt, welke blikken die Frank Brinkman op onze Adelien wierp? Terwijl het mij voorkomt, dat de andere, Herman Riethoven, onze Emma lang niet onverschillig is?”[189]Mevrouw Groenewald beantwoordde die vraag met eene andere:„Is het dat alleen wat u weerhoudt?”„Mij dunkt, dat die opmerking niet van belang ontbloot is,” antwoordde hij. „Vuur met stroo dient niet alzoo, zegt een oud spreekwoord. Ik geloof dat voorzichtigheid hier de boodschap zal zijn. Onze kinderente laten verlieven op twee jongelieden, die niets bezitten en zich nog eene toekomst moeten scheppen.…”„Dat is het niet wat mij bedenkelijk voorkomt. Wij bezitten voldoend vermogen, om onze twee kinderen onbezorgd de toekomst te gemoet te laten treden. Geeft gij aan de eene het koffieland Wilatoong en aan de andere Koewajangan ten huwelijk mede, dan blijft ons nog Moengong Djamoes over. Onze schoonzoons behoeven dan geen vermogen te bezitten, dan is slechts arbeidzaamheid en gezond verstand noodig, om fatsoenlijk door de wereld te komen. Maar.…”„Maar?” vroeg mijnheer Groenewald.„Dat is de bedenking niet, die ik opperen zou. In de eerste plaats zou ik tot schoonzoons wenschen, flinke ontwikkelde mannen, wier gedrag, opvoeding en onbesproken verleden de meeste waarborgen voor het geluk onzer kinderen zouden opleveren, en die daarbij jeugdig genoeg waren om, zonder te veel van hun verleden op te offeren, eene nieuwe loopbaan te kunnen aanvaarden. Dit laatste, dunkt me, is bij die twee onderofficieren aanwezig; maar wie waarborgt ons hun gedrag, wie geeft ons zekerheid omtrent hun verleden?”„Zoodat gij mij ontraden zoudt die twee jongelieden tot opzichters te nemen?”„Daar heb ik geen woord van gesproken,” antwoordde mevrouw Groenewald. „Maar, wel raad ik u omzichtig te zijn en u niet te overijlen. Laten wij nog nadere[190]kennis met die jonge mannen maken, dan kunnen wij beter oordeelen. Gij hebt hen des zondags aan tafel verzocht; welnu, wij zullen gelegenheid hebben hen nader te leeren kennen. Nadere kennismaking met onze kinderen zal ons ook moeten aantoonen of wij ons niet vergissen, wanneer wij eene ontluikende genegenheid meenen te ontwaren, waar waarschijnlijk van de eene zijde slechts hoffelijkheid tegenover dames, en van den anderen kant slechts dankbaarheid voor de redding en toenadering tot alles wat jong en vroolijk is, aanwezig geacht moet worden. Laten wij een ongedwongen omgang tusschen de jongelieden begunstigen, dan zullen wij bij het einde der reis over onze verdere gedragslijn kunnen beslissen. Ziedaar mijn raad!”„En dien raad wensch ik stipt op te volgen,” zei de heer Groenewald, die aan dergelijke eindbesluiten niet ongewoon was.[191]

[Inhoud]V.Eene stortzee.Met den dag verschenen voor en na ettelijke bleeke troniën aan het dek. Men kon het allen aanzien, dat de nacht voor het meerendeel rampzalig geweest was. Het beste was dat te bespeuren, toen de hoornblazer met veel moeite het „Wilhelmus” liet weerklinken, ten teeken dat de oorlam zoude uitgereikt worden. Zeer weinige manschappen vertoonden zich om hun zoo geliefkoosd morgenslokje te nemen.„De afschaffing maakt vorderingen,” zeide stuurman Ellenbaan lachende.Toen de onderofficieren de manschappen wilden aansporen om hunne hangmatten behoorlijk opgerold en saamgebonden naar boven te brengen, om haar op de koebrug op te bergen, gaf kapitein Butteling tegenbevel.„Laat die maar blijven, sergeant,” zei hij tot Herman Riethoven. „Bij zulk weer en bij de heerschende zeeziekte zijn de kerels het best te kooi. Laat evenwel de gezonde manschappen het tusschendeks reinigen en aanvegen. Ik zal bevelen geven, dat de kwade dampen daar beneden verdreven worden.”Toen de bevolen reiniging volbracht was, werd de[173]vloer daar beneden met kookende azijn besprenkeld, hetgeen de bedompte en kwalijk riekende atmospheer eenigermate zuiverde.De hemel was niet geheel en al bedekt. Dikke wolken, die door den wind aan flarden gescheurd schenen, dreven met ijlende vaart door het luchtruim, en lieten hier en daar gedeelten van het blauwe uitspansel ontwaren. Van tijd tot tijd brak de zon door de voortgezweepte wolkenmassa’s heen en vroolijkte met hare stralen het woeste tooneel wat op. De zee stond uitermate hol. Het waren geen golven, die ze rolde, maar heuvelen, die met woest geweld op het schip afkwamen. Die heuvelen, door den wind voortgejaagd en met hunne toppen sneller voortijlende dan hun basis volgen kon, helden in een onmetelijken boog over, braken en kuifden zich zoodoende met verblindend wit schuim, hetwelk aan de woestheid der baren een eigendommelijk karakter bijzette.DeFernandina Maria Emmabevond zich nog op de Gronden, waardoor de zeelieden verstaan dat gedeelte van den Atlantischen Oceaan, hetwelk zich voor het Engelsche Kanaal nagenoeg in een halven cirkel van Biarritz, in den hoekzak van de Golf van Biscaia, tot Kaap Valentia op de Iersche kust uitstrekt, en waarop eene mindere diepte dan van honderd vademen wordt aangetroffen. Bij harden wind zijn de golven op de Gronden kort, maar verheffen zich tot eene ontzettende hoogte. Zij hebben daardoor vrij steile wanden of ruggen en veroorzaken, vooral bij groote schepen, zoo als deFernandina Maria Emmawas, eene zeer moeielijke beweging.Was de zon omfloersd, dan had de zee eene grauw vale tint, die naarmate de schaduw viel, hier en daar zwart kon schijnen. De schuimende koppen boden hierbij een[174]droefgeestig tooneel. Het was nagenoeg of zwarte heuvelen met een rand wit geboord waren en gaven zoo den indruk van een beeld van rouw. Braken de zonnestralen voor een kort oogenblik door eene wolkenscheur, dan was het of de zeeoppervlakte met een tooverstaf aangeraakt werd. Onmiddellijk verloor zij haar somber karakter; zij tintte zich dan met uitermate levendige kleuren, van het donkergroen af tot het donkerblauw toe en onderging daarbij, tengevolge van de straalbreking bij de bewegelijkheid der hooggaande golven, al de tusschenliggende schakeeringen van groen, lichtgroen, flesschengroen, teedergroen, van blauw, hemelsblauw, lichtblauw; terwijl de zon, in de hevig bewogen watervlakte weerkaatsende, kortstondige stralenbundels deed uitschieten en weer uitdoofde, en het schuim op de toppen der baren verblindend wit deed schitteren.Dat alles namen Brinkman en Riethoven waar, terwijl zij ter hoogte van den grooten mast bij de stuurboordsverschansing stonden; toen zij de beide jonge dames Groenewald den kajuitstrap opkomen en aan het dek verschijnen zagen.„Zietdaar een nog fraaiere zonnestraal!” mompelde Frank.Juist in dit oogenblik weerklonk de stem van stuurman Bagman, die riep:„Grijpen en vasthouden!”Het was eene hoognoodige waarschuwing, want een oogenblik later, krulde eene buitengewoon hooge baar ter hoogte van het midden-schip over de verschansing, en stortte met woedend geweld op het dek neder. De beide onderofficieren hadden zich op de waarschuwing van den stuurman aan de bij hen staande pardoens39gegrepen. Zij konden evenwel niet beletten, dat zij door de monsterachtige golf van de been geslagen werden,[175]en zouden voorzeker door de woedende watermassa meegesleept en over boord gespoeld zijn, als zij zich niet met de kracht der wanhoop aan de stevig gespannen pardoens vastgeklemd hadden. Op het achterdek had die overgekomen zee even rampvolle gevolgen. Wel was daar de kracht van de golf, die meer middenscheeps binnengekomen was, veel minder, maar toch nog sterk genoeg om de twee jonge meisjes in gevaarvollen toestand te brengen. Zij waren juist van onder de kap van den kajuitstrap te voorschijn getreden, toen het ongeval hen verraste. Wel poogde Emma zich, toen de waarschuwende stem van „grijpen en vasthouden” weerklonk, aan den bovenrichel van die kap te klemmen, terwijl hare zuster Adelien haar bij den arm vasthield; maar toen het woedende water hare beenen meesleepte, was de oudste onmachtig om haar houvast te blijven omklemmen; zij moest loslaten en beiden werden toen door het oproerige element medegesleept. Het achterschip werd door de monsterachtige baar, waarvan een gedeelte overgekruld was, in dat oogenblik opgeheven; zoodat het water aan dek met ijlende vaart naar voren schoot en de bewustelooze meisjes met zich medesleepte. Frank en Herman, van de eerste ontsteltenis bekomen, zagen het onheil. Zij hadden hun evenwicht nauwelijks hernomen, of zij lieten de reddende pardoens los en ijlden ter hulp. Tusschen den middenmast en de groote boot doorschietende, met het water tot aan de knieën, kwamen zij juist ter tijd om bijstand te bieden en een groot ongeluk te voorkomen. Herman greep Emma, die over het dek voortgerold werd, en hield haar met de eene hand stevig vast, totdat het water, hetwelk als een stortvloed over het voorschip stroomde, weggeloopen was; terwijl hij zich met de andere hand aan de sjorringen der groote boot vastklemde. Frank was op Adelien toegesprongen, en redde die uit[176]meer wezenlijk gevaar. Toen het schip onder den schok sterk naar lij overhelde, lag de verschansing aan bakboord een oogenblik te water. Het jonge meisje dreef daar heen en lag reeds op die verschansing gedeeltelijk buiten boord, toen Frank haar greep. Gelukkig, dat zij tegen het groot want was aangedreven. Wel had zij hoegenaamd geen bewustzijn om zich aan een der hoofdtouwen van dat want of een der weeglijntjes vast te klemmen; maar de kracht, waarmede zij voortgesleept werd, was gebroken en daardoor was het haren redder mogelijk, haar met beide armen te omvatten en binnen boord te halen. Daaronder zou hij haar hebben moeten loslaten en zou zij voor zijne oogen in de diepte reddeloos verdwenen zijn.Dat alles gebeurde bliksemsnel, in minder tijd dan noodig was om het te vertellen.Toen het water door de spuigaten en onder de reeling door weggeloopen was, tilden de beide onderofficieren de jonge meisjes op, en droegen haar met behulp van de stuurlieden Bagman en Ellenbaan, die inmiddels toegeschoten waren, in de kajuit.Het gebeurde verwekte veel ontsteltenis bij de ouders der lieve meisjes. Beiden beijverden zich evenwel hunne nog steeds bewustelooze kinderen te verzorgen en te kooi te brengen. Toen kapitein Van Dam van stuurman Bagman vernam, hoe de redding der twee meisjes zich toegedragen had, drukte hij de beide onderofficieren innig de hand, en betuigde hen zijne volle tevredenheid, terwijl hij hun de verzekering gaf, dat deze hunne daad niet onopgemerkt zoude blijven. Te Harderwijk had hij reeds zeer gunstige inlichtingen omtrent hun gedrag, beschaving en omgang ingewonnen; zoodat de toegenegenheid van den waardigen chef voor de jongelieden door die redding ten top steeg.[177]De overgekomen zee had evenwel nog andere ongevallen veroorzaakt. Niemand, en wel het allerminst kapitein Butteling met zijne stuurlieden, waren op zoo’n overstrooming verdacht geweest. Het woei wel stevig, de zee stond wel hoog; maar niet in die mate, dat het overkomen van een breker te vreezen stond. Het groot luik had dan ook opengestaan om luchtverversching in het soldatenlogies te verschaffen, en daarin was een groot gedeelte der aan boord gestortte watermassa verzwolgen.Velen der zeezieken, die in hunne hangmatten lagen, waren daaruit geslagen en dreven hulpeloos te midden van eene menigte goederen in het tusschendek rond en rolden bij het slingeren van het vaartuig, op gevaar af van binnenscheeps te verdrinken, van bakboord naar stuurboord en van stuurboord naar bakboord, totdat ze door hunne kameraden gegrepen en overeind geholpen werden.Ras sprong stuurman Abels in het tusschendek, opende daar een luik in den vloer, waardoor het water zich in het ruim en van daar in het hol van het schip kon ontlasten, van waar de matrozen het met de lenspompen konden uitpompen.Door de ondervinding voorgelicht, liet kapitein Butteling het fregat een paar streken afvallen, waardoor de zeeën, niet meer zoo dwars, maar meer van achteren inkwamen, en het gevaar om water aan het dek te krijgen niet meer zoo groot was.De koers was nu zuid-zuidwest.Tegen het middaguur van dien dag—20 October—werd het bestek opgemaakt, waartoe de zon zich gelukkig gewillig leende. Het fregat bevond zich toen op 47° 36′ noorderbreedte en op 8° 5′ westerlengte van Greenwich.Het onaangename weder, dat deFernandina Maria Emma[178]bij het uitkomen van het kanaal overvallen had, bleef verscheidene dagen voortduren. Het volgende bestek wees aan 44° 13′ noorderbreedte en 12° 4′ westerlengte. Het fregat had in dat etmaal 66 mijlen afgelegd, of zoo als de zeelieden zeiden: elf mijlen in de wacht behouden. Men was toen zoo omstreeks op de breedte van Kaap Finisterre en bijgevolg buiten de Gronden. De zee had hier eene diepte van over de 2000 vademen. De deininggolven waren dan ook niet meer zoo kort en zoo steil, en zeer zeker zouden de reizigers minder last van de beweging van het schip gehad hebben, ware de wind in het noordwesten gebleven. Maar bij het naderen van het Iberische schiereiland was de wind, hoewel niet in kracht verminderende, meer noordwaarts getrokken om in den zoogenaamden Portugeeschen Noord over te gaan. Hij was nu wel ruimer geworden; kapitein Butteling had de gelegenheid benut, om de reven uit de marszeilen te doen nemen, ja om de bramzeilen bij te zetten; maar het schip met den wind zoo vlak van achteren, slingerde nu in die hooge deining ontzettend, wat de zeezieken minder te stade kwam. Niemand van de passagiers achteruit vertoonde zich dan ook aan dek, behalve kapitein Van Dam en de echtgenooten Groenewald en deze laatsten nog maar heel zelden. De beide jonge dames waren na het gebeurde wel nog iets angstvallig; zij durfden zich, zoo lang het weer duurde, niet op het dek te wagen. Van de militairen begonnen er meerderen op te krabbelen, maar het grootste gedeelte bleef toch beneden in de hangmatten de zeeziekte uitvieren.Volgens het derde bestek had het fregat 62 mijlen afgelegd en bevond zich op 40° 13′ noorderbreedte en 13° 17′ westerlengte.Nog altijd raasde de wind en joeg huilend door het[179]want. Van een bedaren scheen geen sprake. Het schip slingerde als een bezetene, maar snelde met spoed vooruit. Tegen het middaguur van den 23 October bevond het fregat zich nagenoeg ter hoogte van Kaap Sint Vincent. Het had in het laatste etmaal 66 mijlen afgelegd en bevond zich op 36°38′ noorderbreedte en 16°30′ westerlengte.Maar het ergste was nu geleden. Voor de kranken zou verademing komen.In de achtermiddagwacht begon de wind merkbaar te bedaren, zoodat kapitein Butteling al de zeilen, die maar aan te brengen waren, liet bijzetten. Gedurende den platvoet nam de wind nog meer af; zelfs zoo, dat de groote zeilen niet altijd gevuld bleven. De zee stond evenwel nog zeer hol, waardoor de slingeringen, nu het schip van den wind weinig steun meer had, nog grooter werden en de zeezieken het nog erger kregen.Maar den volgenden ochtend was de zee nagenoeg geheel geslecht en liep het fregat, met alle zeilen bijgezet, bij eene matige bries uit het westen, zoodat ongeveer vijf mijlen in de wacht behouden bleven.Het schip lag zoo stil mogelijk, en helde onder den druk zijner zeilen licht bakboord over.Al van den vroegen morgen waren de soldaten aan het dek en beijverden zich alle sporen der doorgestane zeeziekte te doen verdwijnen. De hangmatten waren al zeer gauw opgerold en op de koebrug geborgen. Daar vooruit bij de verschillende pompen was het een gewasch en geplas, dat het een aard had, om de laatste onzindelijkheid te doen verdwijnen. De knoopen werden blinkend gepoetst, de kapotjassen ter deeg geborsteld, hier en daar stond er een zich te kappen en de weerstrevende lokken met God weet wat in behaagzuchtige plooi te dwingen.Het detachement zag er eindelijk uit om door een ringetje[180]te halen, en ieder soldaat kon gerust het inspecteerend oog van een Haagsch—kindermeisje valt ons uit de pen, maar wij hervatten: van een Haagsch generaal doorstaan; en, bij het uitreiken der oorlam mankeerde er geen een.Tegen negen uur waren ook de mannelijke kajuitspassagiers op het dek vereenigd, en feliciteerden de nieuwbakken zeevaarders elkander, dat zij er zoo goed afgekomen waren. Volgens hunne meening toch had het schip een woedenden storm doorstaan. In ieders oog blonk eenige spotlust; want ieder meende, dat zijn reisgenoot meer van de zeeziekte te lijden had gehad, dan hij zelf.„Hoe zag jij er uit Behrtje!” spotte Denniston met den apotheker. „Ge zaagt bepaald bleek om je neus, man!”„Ik heb er gezien, die aschgrauw om den neus waren,” zei kapitein Van Dam met een glimlach.„Maar, ik zie de dames niet?” vroeg Leidermooi aan den heer Groenewald.„O! die zullen dadelijk verschijnen,” antwoordde deze, „ze waren naar omstandigheden al vroeg in de weer.”„Naar omstandigheden?… Hebben de dames het ook te kwaad gehad?”„Och, het verstandigste, wat zij hebben kunnen doen, was in hare kooi te blijven. Zij hebben die dagen met lezen doorgebracht.”„Dus ook zeeziek?” vroeg Denniston.De heer Groenewald beantwoordde die vraag niet. In dit oogenblik verschenen zijne echtgenoot en beide dochters, alle drie in een elegant morgentoilet, vroolijk en opgeruimd, alsof er niets gebeurd ware. De heeren complimenteerden en feliciteerden haar, dat zij aan het gevaar ontkomen waren.„Wij danken u,” sprak Emma. „Zeker was het gevaar, waarin wij arme meisjes verkeerden, zeer groot. Maar, Goddank! redding was nabij.”[181]„Gevaar! waarin gij arme meisjes verkeerdet!” sprak Denniston met iets heldhaftigs in zijne stem. „Mij dunkt, dat wij allen hetzelfde gevaar gedeeld hebben.”„Het mocht wat!” zei Emma met een glimlach.„Toen wij in gevaar verkeerden, lagen de heeren nog dapper te kooi,” vulde Adelien aan.„Gij spreekt dus niet van den storm, dien wij gezamenlijk getrotseerd hebben,” vroeg Denniston.„Een storm! een storm!!” schaterden de meisjes het uit.„Zeg, stuurman Abels,” wendde zich Emma tot dezen, die zich op het achterdek bevond en bezig was met zijn sextant waarnemingen te doen, „was het een storm?”„Wel neen, juffrouw,” antwoordde deze. „Het had niets te beteekenen, het was eigenlijk niets meer dan eene gereefde bramzeilskoelte.”„Maar dat gevaar dan, waarin gij verkeerd hebt?” vroeg Leidermooi met belangstelling.Behrtje had eenige woorden met den stuurman gewisseld. Hij was op de hoogte en kon niet nalaten zich te wreken over den spotlust, waarmede de jonge dames zijn ongeval begroet hadden, toen hij dat golfje in den nek kreeg.„Het is … (hik) alsof ik … (hik)… in ’t water … (hik)… gelegen heb,” parodieerde hij zijn eigen uitroep.„Juist, mijnheer Behren, wij hebben in het water gelegen …” zei Emma.„In het water gelegen? in de zee?” vroeg Leidermooi verschrikt, en een teederen blik op Adelien werpende.„In de zee?” herhaalde hij op tragischen toon. „En ik was er niet bij?”„Pends toi brave Crillon!” declameerde Van Diepbrugge „on a vaincu sans toi!”„Juist, mijnheer Van Diepbrugge,” wilde Emma voortgaan „en zonder.….”[182]Hare zuster stootte haar aan en wees haar naar voren. Beide zusters wisselden een paar woorden met hunnen vader, die op zijne beurt een oogenblik met kapitein Van Dam sprak.„Sergeant Riethoven en sergeant Brinkman!” riep deze met luider stem.De twee onderofficieren stonden op hun oud plekje bij de verschansing in de nabijheid van den grooten mast, hetwelk hun hoofdkwartier op de grenzen, die het gebied van het achterdek van het vooruit scheidden, scheen te zijn, en tuurden in zee. Op die bekende stem traden zij vooruit, brachten de hand aan de kwartiermuts en wachtten in militaire houding de bevelen van hunnen kommandant af.„Hier de heer Groenewald wenscht aan u voorgesteld te worden,” zeide de kapitein. „Mijnheer Groenewald, dat zijn de sergeanten Riethoven en Brinkman, twee flinke onderofficieren, die ik hoog waardeer!”De jongelieden bogen en kleurden bij die woorden, te midden van dien kring en in tegenwoordigheid der jonge dames uitgesproken. Zij gevoelden zich echter gestreeld door die openbare waardeering van hunnen chef.„Laat ik u aan mijne echtgenoote voorstellen, heeren,” sprak de heer Groenewald, met plichtpleging, „dan kunnen wij gezamenlijk u onzen dank brengen voor de redding mijner kinderen.”Hij en mevrouw Groenewald drukten de wakkere onderofficieren met warmte de hand, een voorbeeld, dat door de jonge dames met prijzenswaardigen ijver gevolgd werd, terwijl hare lieve mondjes ongedwongen en onverholen hunnen dank uitspraken.Toen Frank het poezelige handje van Adelien in de zijne voelde, was het hem wonder te moede. Hij wist later zich niet te herinneren, of hij gebloosd had of[183]verbleekt was. Zijne houding zou als verlegenheid kunnen aangemerkt zijn, had hij niet als man van opvoeding dadelijk zijne tegenwoordigheid van geest hernomen en het lieve handje met alle kieschheid ter nauwernood gedrukt. Herman evenwel stond daar zoo kalm en zoo koud als de bezaansmast in de nabijheid.„Het heeft zoo veel niet te beduiden gehad,” antwoordden de beide jongelieden hoffelijk om de dankbaarheidsbetuigingen èn van de lieve meisjes èn van hare ouders eenigermate te stuiten.„Wat, niets te beduiden?” riep Emma uit.„Ik werd door de woeste golven over het dek voortgerold!”„En ik was reeds buiten boord, heeft mij stuurman Bagman verteld,” zei Adelien tot Frank. „Ik was bijna voor de haaien, toen gij mij greept. Zou dat niets te beduiden hebben!? Integendeel, ik ben u mijn leven verschuldigd!”„Maar, wat is er toch gebeurd?”vroeg luitenant Leidermooi.De heer Groenewald gaf nu een kort relaas van het gebeurde, en vertelde met bewogen stem, in welk gevaar zijne jongste dochter verkeerd had en op hoedanige wijze zij gered was. En, nogmaals de beide jongelieden de hand drukkende, zeide hij:„Ik hoop, dat gij in mij steeds een goeden vriend zult zien, die u groote verplichting heeft. Met toestemming van uwen kommandant en van kapitein Butteling, verzoek ik u mij en mijn gezin de eer, en vooral het genoegen te willen aandoen heden en voortaan iederen zondag de kajuitstafel met ons te willen deelen.”De beide jongelieden sloegen een blik eerst op hunnen chef, daarna op de jonge dames. Eerstbedoelde knikte toestemmend. In het oog der lieve geredden blonk zoo’n innige hartelijkheid ten opzichte der beide onderofficieren,[184]zoo’n kiesche zweem van bede om toch toetestemmen, dat Herman, zich zelve beter meester dan Frank, antwoordde:„De dienst, die wij gelukkig genoeg geweest zijn de jonge dames te bewijzen, is zoo natuurlijk geweest, dat ieder ander, daartoe in de gelegenheid, zou gehandeld hebben als wij deden. Van dankbaarheid kan dus geen sprake zijn. Intusschen nemen wij de uitnoodiging van mijnheer Groenewald vol erkentelijkheid aan; zij zal ons eene zeer gewenschte gelegenheid zijn, ons van tijd tot tijd en kortstondig in een anderen kring te bewegen, dan het tusschendek ons kan aanbieden.”De oogen der twee meisjes glinsterden van genoegen bij dit antwoord.„Gelukkige kerels!” mompelde luitenant Leidermooi, „juffrouw Adelien gered te hebben!”Zijne inborst was evenwel te edel om meer dan een enkel verlangen, dat hij in hunne plaats mocht geweest zijn, en geen onedelen ijverzucht ten opzichte der onderofficieren in zijn hart toe te laten. Hij trad dan ook rond en openhartig op hen toe, reikte hun de hand en heette hen geluk met die redding. Al de overige passagiers, waaronder vooral de heeren Slierendrecht en Van Diepbrugge sloten zich daarbij aan, en in een oogwenk bevonden de beide onderofficieren zich door welwillende wezens omringd, die hun hunnen vroegeren omgang herinnerden. Alleen luitenant Denniston had een oogenblik geaarzeld met het reiken eener hand aan de jongelieden. Met zijne hooghartige inborst meende hij, dat een te familiaren omgang met onderofficieren zijn gezag en bijgevolg het prestige van den meerderen tegenover den minderen moest benadeelen. Toen hij evenwel al de passagiers en daaronder ook kapitein Van Dam, die een type van ridderlijken militairen geest moest genoemd[185]worden, en een stipt bewaker der ondergeschiktheid was, de jongelieden zag omringen en hen met warmte de hand drukken, weifelde hij niet langer, en kwam hen ook vriendelijk te gemoet. Het was hem ook geraden. Zijne aarzeling, die niet onopgemerkt gebleven was, had Emma reeds de fraaie wenkbrauwen doen fronsen. Zij bezon zich reeds, hoe zij dien verwaanden luitenant die onwelvoegelijkheid volgens haar zoude inpeperen.„Zoo is het goed!” sprak de heer Groenewald, „en daar het heden zondag is, zijt gij mijne gasten!Sapada!…” Ouder gewoonte wilde hij roepen:Sapada! bawa minoeman!40Bij het eerste woord bedacht hij zich evenwel en riep glimlachende:„Hofmeester, breng madera!”„Als gij wat harder roept, mijnheer Groenewald,” zei kapitein Butteling lachende, „dan zoudt gij de onvervalschte madera dry kunnen bekomen.”„Hoedat zoo, kapitein? Ik hoop toch, dat de hofmeester geen vervalscht bocht zal aanreiken.”„Wij hebben het eiland Madera nu zoo wat aan bakboord dwars van ons,”antwoorddekapitein Butteling.„Goddank, dan zijn wij in mildere streken aangekomen,” sprak mevrouw Groenewald. „Dan zullen wij heden avond den Piek van Teneriffe zien, nietwaar kapitein?”„Tu, tu, tu,” antwoordde kapitein Butteling „ik wou dat het waar was, mevrouwtje. Het fregat loopt thans niet veel vaart. Ik durf te wedden, dat het de vijftig mijlen in dit etmaal niet haalt. Als wij dien Piek morgen ochtend zien, zal het al mooi zijn.”En werkelijk, toen dien dag—25 October—het middagbestek opgemaakt werd, bevond het fregat zich op 31° 25′ noorderbreedte en 18° 43′ westerlengte en had derhalve slechts 45½ mijl in het laatste etmaal afgelegd.Genoeglijk zat het gezelschap onder een glas madera[186]te zamen, en was het onzen onderofficieren wel te moede in dien kring. Het was ongeveer één uur, toen de hofmeester de passagiers tot de lunch kwam noodigen.„Is het weer lapskous?” vroeg Slierendrecht aan den maritiemen Vatèl.„Ja, mijnheer,” was het antwoord.„En lekker?”„Overheerlijk!”De beide onderofficieren spitsten de ooren.„Lapskous?” vroeg Frank aan Adelien, die hij aan tafel geleidde.„Wat wonderlijke naam!”Het meisje glimlachte.„Dichterlijk is hij voorzeker niet,” sprak zij „en de samenstelling van dat kostje is nog prozaïscher.”„Wat is het dan toch?”„Kijk, daar staat het, die fraai bruingebakken massa in die schotels. Het zijn de kliekjes vleesch, aardappelen, blikgroenten enz. die met uien en veel boter opgebakken werden, tot zij met die bruine korst overtogen waren.”De lapskous werd, in weerwil van den raren naam, gekruid door een glas goeden wijn, uitmuntend gevonden.Ook het diner des avonds smaakte onzen onderofficieren uitstekend, terwijl hartelijkheid en geestigheid het gesprek aan tafel kruidden. Allen, maar vooral de familie Groenewald, beijverden zich de gastvrijheid ten opzichte der jongelieden in hare volle uitgestrektheid te betrachten, en hen die uren, daar achteruit doorgebracht, zoo aangenaam mogelijk te maken.Toen het diner afgeloopen was, verwijderden Herman en Frank zich kieschheidshalve. Wel deden mevrouw en mijnheer Groenewald welgemeende pogingen om het samenzijn langer te rekken, zelfs de meisjes kwamen hen daarbij te hulp; maar de welopgevoede jongelieden[187]waren van meening, dat zij hunne aanwezigheid aan het overige gezelschap niet langer mochten opdringen, en namen derhalve afscheid. Een lieve handdruk werd hen bij het heengaan nog meegegeven.Lang nog stonden zij op hun oud plekje bij den grooten mast de gebeurtenissen en de gesprekken van dien dag na te breeuwen en te herinneren. Ieder gebaar, ieder woord van de familie Groenewald werd besproken en gecommenteerd. Ten slotte erkenden de twee onderofficieren, dat zij een heerlijken dag doorgebracht hadden, en waren innig verheugd, dat hun nog zoo menig prettige zondag te wachten stond. Herman merkte evenwel op, dat Frank zich gedurende het geheele gesprek geen enkelen maal den naam van Adelien liet ontglippen, noch zich eene toespeling op haar veroorloofde.Toen de beide jongelingen boven gekomen waren, was de zon reeds ondergegaan, en vertoonde het uitspansel thans die wondervolle kleurtinten, die alsdan waargenomen worden, en als het ware het afscheid der dagvorstin te kennen geven en het naderen van den somberen nacht aankondigen. Het was als spreidde zich eene streepsgewijze mengeling voor hun oog uit van purper en zwart, van licht en donker, van dag en nacht.Beide mannen waren nog al dichterlijk begaafd en stonden dan ook dat fraaie schouwspel met belangstelling waar te nemen.„Herinnert gij u nog onze declamatie-oefeningen te Rolduc?” vroeg Frank. „Dat tafereel hier brengt mij het gedicht van Michaud, dat gij ook kent,le printemps d’un proscritte binnen. Hoe vaak heb ik dat gereciteerd! Weinig vermoedde ik destijds, dat ik in degelegenheidzou komen, als „proscrit” de nauwkeurigheid der schildering zoo te kunnen toetsen. Een gedeelte van dat gedicht, hetwelk zoo merkwaardig overeenkomt met[188]het tafereel, hetwelk wij daar voor oogen hebben, is mij niet uit het hoofd te zetten en doen zich hare Alexandrijnen overluid in mijn brein vernemen.”En zacht, zeer zacht prevelde hij, om de nabijzijnde militairen zijne ontboezeming niet te laten vernemen:. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .„O qui pourra jamais voir sans être attendriL’éclat demi voilé de l’horizon plus sombre,Ce mélange confus du soleil et de l’ombre,Ces combats indécis de la nuit et du jour,Ces feux mourants épars sur les flots d’alentour,Ce brillant occident où le soleil étaleSa chevelure d’or et sa robe d’opale,Ce ciel qui par degrés se peint d’un gris obscur,Et le jour qui s’éteint sous un voile d’azur.”Op het achterdek had de heer Groenewald, terwijl zijne dochters met de heeren in gesprek waren en met hen gezamenlijk de fraaie avondtinten ook bewonderden, een ander onderhoud met zijne echtgenoote, dat meer van praktischen zin bij den koffieplanter getuigde:„Wel,” sprak hij, en daarbij voorzeker op een voorafgaand gesprek doelende, „hoe zijn u die jongelieden meegevallen?”„Mij, zeer goed,” antwoordde mevrouw Groenewald.„Eene gedachte weerhoudt mij, om hen nu reeds het voorstel te doen, bij aankomst te Batavia hun ontslag te bewerken, en op mijne koffie-onderneming als opzichters in dienst te treden.”„En die is?.…”„Hebt gij wel gemerkt, welke blikken die Frank Brinkman op onze Adelien wierp? Terwijl het mij voorkomt, dat de andere, Herman Riethoven, onze Emma lang niet onverschillig is?”[189]Mevrouw Groenewald beantwoordde die vraag met eene andere:„Is het dat alleen wat u weerhoudt?”„Mij dunkt, dat die opmerking niet van belang ontbloot is,” antwoordde hij. „Vuur met stroo dient niet alzoo, zegt een oud spreekwoord. Ik geloof dat voorzichtigheid hier de boodschap zal zijn. Onze kinderente laten verlieven op twee jongelieden, die niets bezitten en zich nog eene toekomst moeten scheppen.…”„Dat is het niet wat mij bedenkelijk voorkomt. Wij bezitten voldoend vermogen, om onze twee kinderen onbezorgd de toekomst te gemoet te laten treden. Geeft gij aan de eene het koffieland Wilatoong en aan de andere Koewajangan ten huwelijk mede, dan blijft ons nog Moengong Djamoes over. Onze schoonzoons behoeven dan geen vermogen te bezitten, dan is slechts arbeidzaamheid en gezond verstand noodig, om fatsoenlijk door de wereld te komen. Maar.…”„Maar?” vroeg mijnheer Groenewald.„Dat is de bedenking niet, die ik opperen zou. In de eerste plaats zou ik tot schoonzoons wenschen, flinke ontwikkelde mannen, wier gedrag, opvoeding en onbesproken verleden de meeste waarborgen voor het geluk onzer kinderen zouden opleveren, en die daarbij jeugdig genoeg waren om, zonder te veel van hun verleden op te offeren, eene nieuwe loopbaan te kunnen aanvaarden. Dit laatste, dunkt me, is bij die twee onderofficieren aanwezig; maar wie waarborgt ons hun gedrag, wie geeft ons zekerheid omtrent hun verleden?”„Zoodat gij mij ontraden zoudt die twee jongelieden tot opzichters te nemen?”„Daar heb ik geen woord van gesproken,” antwoordde mevrouw Groenewald. „Maar, wel raad ik u omzichtig te zijn en u niet te overijlen. Laten wij nog nadere[190]kennis met die jonge mannen maken, dan kunnen wij beter oordeelen. Gij hebt hen des zondags aan tafel verzocht; welnu, wij zullen gelegenheid hebben hen nader te leeren kennen. Nadere kennismaking met onze kinderen zal ons ook moeten aantoonen of wij ons niet vergissen, wanneer wij eene ontluikende genegenheid meenen te ontwaren, waar waarschijnlijk van de eene zijde slechts hoffelijkheid tegenover dames, en van den anderen kant slechts dankbaarheid voor de redding en toenadering tot alles wat jong en vroolijk is, aanwezig geacht moet worden. Laten wij een ongedwongen omgang tusschen de jongelieden begunstigen, dan zullen wij bij het einde der reis over onze verdere gedragslijn kunnen beslissen. Ziedaar mijn raad!”„En dien raad wensch ik stipt op te volgen,” zei de heer Groenewald, die aan dergelijke eindbesluiten niet ongewoon was.[191]

V.Eene stortzee.

Met den dag verschenen voor en na ettelijke bleeke troniën aan het dek. Men kon het allen aanzien, dat de nacht voor het meerendeel rampzalig geweest was. Het beste was dat te bespeuren, toen de hoornblazer met veel moeite het „Wilhelmus” liet weerklinken, ten teeken dat de oorlam zoude uitgereikt worden. Zeer weinige manschappen vertoonden zich om hun zoo geliefkoosd morgenslokje te nemen.„De afschaffing maakt vorderingen,” zeide stuurman Ellenbaan lachende.Toen de onderofficieren de manschappen wilden aansporen om hunne hangmatten behoorlijk opgerold en saamgebonden naar boven te brengen, om haar op de koebrug op te bergen, gaf kapitein Butteling tegenbevel.„Laat die maar blijven, sergeant,” zei hij tot Herman Riethoven. „Bij zulk weer en bij de heerschende zeeziekte zijn de kerels het best te kooi. Laat evenwel de gezonde manschappen het tusschendeks reinigen en aanvegen. Ik zal bevelen geven, dat de kwade dampen daar beneden verdreven worden.”Toen de bevolen reiniging volbracht was, werd de[173]vloer daar beneden met kookende azijn besprenkeld, hetgeen de bedompte en kwalijk riekende atmospheer eenigermate zuiverde.De hemel was niet geheel en al bedekt. Dikke wolken, die door den wind aan flarden gescheurd schenen, dreven met ijlende vaart door het luchtruim, en lieten hier en daar gedeelten van het blauwe uitspansel ontwaren. Van tijd tot tijd brak de zon door de voortgezweepte wolkenmassa’s heen en vroolijkte met hare stralen het woeste tooneel wat op. De zee stond uitermate hol. Het waren geen golven, die ze rolde, maar heuvelen, die met woest geweld op het schip afkwamen. Die heuvelen, door den wind voortgejaagd en met hunne toppen sneller voortijlende dan hun basis volgen kon, helden in een onmetelijken boog over, braken en kuifden zich zoodoende met verblindend wit schuim, hetwelk aan de woestheid der baren een eigendommelijk karakter bijzette.DeFernandina Maria Emmabevond zich nog op de Gronden, waardoor de zeelieden verstaan dat gedeelte van den Atlantischen Oceaan, hetwelk zich voor het Engelsche Kanaal nagenoeg in een halven cirkel van Biarritz, in den hoekzak van de Golf van Biscaia, tot Kaap Valentia op de Iersche kust uitstrekt, en waarop eene mindere diepte dan van honderd vademen wordt aangetroffen. Bij harden wind zijn de golven op de Gronden kort, maar verheffen zich tot eene ontzettende hoogte. Zij hebben daardoor vrij steile wanden of ruggen en veroorzaken, vooral bij groote schepen, zoo als deFernandina Maria Emmawas, eene zeer moeielijke beweging.Was de zon omfloersd, dan had de zee eene grauw vale tint, die naarmate de schaduw viel, hier en daar zwart kon schijnen. De schuimende koppen boden hierbij een[174]droefgeestig tooneel. Het was nagenoeg of zwarte heuvelen met een rand wit geboord waren en gaven zoo den indruk van een beeld van rouw. Braken de zonnestralen voor een kort oogenblik door eene wolkenscheur, dan was het of de zeeoppervlakte met een tooverstaf aangeraakt werd. Onmiddellijk verloor zij haar somber karakter; zij tintte zich dan met uitermate levendige kleuren, van het donkergroen af tot het donkerblauw toe en onderging daarbij, tengevolge van de straalbreking bij de bewegelijkheid der hooggaande golven, al de tusschenliggende schakeeringen van groen, lichtgroen, flesschengroen, teedergroen, van blauw, hemelsblauw, lichtblauw; terwijl de zon, in de hevig bewogen watervlakte weerkaatsende, kortstondige stralenbundels deed uitschieten en weer uitdoofde, en het schuim op de toppen der baren verblindend wit deed schitteren.Dat alles namen Brinkman en Riethoven waar, terwijl zij ter hoogte van den grooten mast bij de stuurboordsverschansing stonden; toen zij de beide jonge dames Groenewald den kajuitstrap opkomen en aan het dek verschijnen zagen.„Zietdaar een nog fraaiere zonnestraal!” mompelde Frank.Juist in dit oogenblik weerklonk de stem van stuurman Bagman, die riep:„Grijpen en vasthouden!”Het was eene hoognoodige waarschuwing, want een oogenblik later, krulde eene buitengewoon hooge baar ter hoogte van het midden-schip over de verschansing, en stortte met woedend geweld op het dek neder. De beide onderofficieren hadden zich op de waarschuwing van den stuurman aan de bij hen staande pardoens39gegrepen. Zij konden evenwel niet beletten, dat zij door de monsterachtige golf van de been geslagen werden,[175]en zouden voorzeker door de woedende watermassa meegesleept en over boord gespoeld zijn, als zij zich niet met de kracht der wanhoop aan de stevig gespannen pardoens vastgeklemd hadden. Op het achterdek had die overgekomen zee even rampvolle gevolgen. Wel was daar de kracht van de golf, die meer middenscheeps binnengekomen was, veel minder, maar toch nog sterk genoeg om de twee jonge meisjes in gevaarvollen toestand te brengen. Zij waren juist van onder de kap van den kajuitstrap te voorschijn getreden, toen het ongeval hen verraste. Wel poogde Emma zich, toen de waarschuwende stem van „grijpen en vasthouden” weerklonk, aan den bovenrichel van die kap te klemmen, terwijl hare zuster Adelien haar bij den arm vasthield; maar toen het woedende water hare beenen meesleepte, was de oudste onmachtig om haar houvast te blijven omklemmen; zij moest loslaten en beiden werden toen door het oproerige element medegesleept. Het achterschip werd door de monsterachtige baar, waarvan een gedeelte overgekruld was, in dat oogenblik opgeheven; zoodat het water aan dek met ijlende vaart naar voren schoot en de bewustelooze meisjes met zich medesleepte. Frank en Herman, van de eerste ontsteltenis bekomen, zagen het onheil. Zij hadden hun evenwicht nauwelijks hernomen, of zij lieten de reddende pardoens los en ijlden ter hulp. Tusschen den middenmast en de groote boot doorschietende, met het water tot aan de knieën, kwamen zij juist ter tijd om bijstand te bieden en een groot ongeluk te voorkomen. Herman greep Emma, die over het dek voortgerold werd, en hield haar met de eene hand stevig vast, totdat het water, hetwelk als een stortvloed over het voorschip stroomde, weggeloopen was; terwijl hij zich met de andere hand aan de sjorringen der groote boot vastklemde. Frank was op Adelien toegesprongen, en redde die uit[176]meer wezenlijk gevaar. Toen het schip onder den schok sterk naar lij overhelde, lag de verschansing aan bakboord een oogenblik te water. Het jonge meisje dreef daar heen en lag reeds op die verschansing gedeeltelijk buiten boord, toen Frank haar greep. Gelukkig, dat zij tegen het groot want was aangedreven. Wel had zij hoegenaamd geen bewustzijn om zich aan een der hoofdtouwen van dat want of een der weeglijntjes vast te klemmen; maar de kracht, waarmede zij voortgesleept werd, was gebroken en daardoor was het haren redder mogelijk, haar met beide armen te omvatten en binnen boord te halen. Daaronder zou hij haar hebben moeten loslaten en zou zij voor zijne oogen in de diepte reddeloos verdwenen zijn.Dat alles gebeurde bliksemsnel, in minder tijd dan noodig was om het te vertellen.Toen het water door de spuigaten en onder de reeling door weggeloopen was, tilden de beide onderofficieren de jonge meisjes op, en droegen haar met behulp van de stuurlieden Bagman en Ellenbaan, die inmiddels toegeschoten waren, in de kajuit.Het gebeurde verwekte veel ontsteltenis bij de ouders der lieve meisjes. Beiden beijverden zich evenwel hunne nog steeds bewustelooze kinderen te verzorgen en te kooi te brengen. Toen kapitein Van Dam van stuurman Bagman vernam, hoe de redding der twee meisjes zich toegedragen had, drukte hij de beide onderofficieren innig de hand, en betuigde hen zijne volle tevredenheid, terwijl hij hun de verzekering gaf, dat deze hunne daad niet onopgemerkt zoude blijven. Te Harderwijk had hij reeds zeer gunstige inlichtingen omtrent hun gedrag, beschaving en omgang ingewonnen; zoodat de toegenegenheid van den waardigen chef voor de jongelieden door die redding ten top steeg.[177]De overgekomen zee had evenwel nog andere ongevallen veroorzaakt. Niemand, en wel het allerminst kapitein Butteling met zijne stuurlieden, waren op zoo’n overstrooming verdacht geweest. Het woei wel stevig, de zee stond wel hoog; maar niet in die mate, dat het overkomen van een breker te vreezen stond. Het groot luik had dan ook opengestaan om luchtverversching in het soldatenlogies te verschaffen, en daarin was een groot gedeelte der aan boord gestortte watermassa verzwolgen.Velen der zeezieken, die in hunne hangmatten lagen, waren daaruit geslagen en dreven hulpeloos te midden van eene menigte goederen in het tusschendek rond en rolden bij het slingeren van het vaartuig, op gevaar af van binnenscheeps te verdrinken, van bakboord naar stuurboord en van stuurboord naar bakboord, totdat ze door hunne kameraden gegrepen en overeind geholpen werden.Ras sprong stuurman Abels in het tusschendek, opende daar een luik in den vloer, waardoor het water zich in het ruim en van daar in het hol van het schip kon ontlasten, van waar de matrozen het met de lenspompen konden uitpompen.Door de ondervinding voorgelicht, liet kapitein Butteling het fregat een paar streken afvallen, waardoor de zeeën, niet meer zoo dwars, maar meer van achteren inkwamen, en het gevaar om water aan het dek te krijgen niet meer zoo groot was.De koers was nu zuid-zuidwest.Tegen het middaguur van dien dag—20 October—werd het bestek opgemaakt, waartoe de zon zich gelukkig gewillig leende. Het fregat bevond zich toen op 47° 36′ noorderbreedte en op 8° 5′ westerlengte van Greenwich.Het onaangename weder, dat deFernandina Maria Emma[178]bij het uitkomen van het kanaal overvallen had, bleef verscheidene dagen voortduren. Het volgende bestek wees aan 44° 13′ noorderbreedte en 12° 4′ westerlengte. Het fregat had in dat etmaal 66 mijlen afgelegd, of zoo als de zeelieden zeiden: elf mijlen in de wacht behouden. Men was toen zoo omstreeks op de breedte van Kaap Finisterre en bijgevolg buiten de Gronden. De zee had hier eene diepte van over de 2000 vademen. De deininggolven waren dan ook niet meer zoo kort en zoo steil, en zeer zeker zouden de reizigers minder last van de beweging van het schip gehad hebben, ware de wind in het noordwesten gebleven. Maar bij het naderen van het Iberische schiereiland was de wind, hoewel niet in kracht verminderende, meer noordwaarts getrokken om in den zoogenaamden Portugeeschen Noord over te gaan. Hij was nu wel ruimer geworden; kapitein Butteling had de gelegenheid benut, om de reven uit de marszeilen te doen nemen, ja om de bramzeilen bij te zetten; maar het schip met den wind zoo vlak van achteren, slingerde nu in die hooge deining ontzettend, wat de zeezieken minder te stade kwam. Niemand van de passagiers achteruit vertoonde zich dan ook aan dek, behalve kapitein Van Dam en de echtgenooten Groenewald en deze laatsten nog maar heel zelden. De beide jonge dames waren na het gebeurde wel nog iets angstvallig; zij durfden zich, zoo lang het weer duurde, niet op het dek te wagen. Van de militairen begonnen er meerderen op te krabbelen, maar het grootste gedeelte bleef toch beneden in de hangmatten de zeeziekte uitvieren.Volgens het derde bestek had het fregat 62 mijlen afgelegd en bevond zich op 40° 13′ noorderbreedte en 13° 17′ westerlengte.Nog altijd raasde de wind en joeg huilend door het[179]want. Van een bedaren scheen geen sprake. Het schip slingerde als een bezetene, maar snelde met spoed vooruit. Tegen het middaguur van den 23 October bevond het fregat zich nagenoeg ter hoogte van Kaap Sint Vincent. Het had in het laatste etmaal 66 mijlen afgelegd en bevond zich op 36°38′ noorderbreedte en 16°30′ westerlengte.Maar het ergste was nu geleden. Voor de kranken zou verademing komen.In de achtermiddagwacht begon de wind merkbaar te bedaren, zoodat kapitein Butteling al de zeilen, die maar aan te brengen waren, liet bijzetten. Gedurende den platvoet nam de wind nog meer af; zelfs zoo, dat de groote zeilen niet altijd gevuld bleven. De zee stond evenwel nog zeer hol, waardoor de slingeringen, nu het schip van den wind weinig steun meer had, nog grooter werden en de zeezieken het nog erger kregen.Maar den volgenden ochtend was de zee nagenoeg geheel geslecht en liep het fregat, met alle zeilen bijgezet, bij eene matige bries uit het westen, zoodat ongeveer vijf mijlen in de wacht behouden bleven.Het schip lag zoo stil mogelijk, en helde onder den druk zijner zeilen licht bakboord over.Al van den vroegen morgen waren de soldaten aan het dek en beijverden zich alle sporen der doorgestane zeeziekte te doen verdwijnen. De hangmatten waren al zeer gauw opgerold en op de koebrug geborgen. Daar vooruit bij de verschillende pompen was het een gewasch en geplas, dat het een aard had, om de laatste onzindelijkheid te doen verdwijnen. De knoopen werden blinkend gepoetst, de kapotjassen ter deeg geborsteld, hier en daar stond er een zich te kappen en de weerstrevende lokken met God weet wat in behaagzuchtige plooi te dwingen.Het detachement zag er eindelijk uit om door een ringetje[180]te halen, en ieder soldaat kon gerust het inspecteerend oog van een Haagsch—kindermeisje valt ons uit de pen, maar wij hervatten: van een Haagsch generaal doorstaan; en, bij het uitreiken der oorlam mankeerde er geen een.Tegen negen uur waren ook de mannelijke kajuitspassagiers op het dek vereenigd, en feliciteerden de nieuwbakken zeevaarders elkander, dat zij er zoo goed afgekomen waren. Volgens hunne meening toch had het schip een woedenden storm doorstaan. In ieders oog blonk eenige spotlust; want ieder meende, dat zijn reisgenoot meer van de zeeziekte te lijden had gehad, dan hij zelf.„Hoe zag jij er uit Behrtje!” spotte Denniston met den apotheker. „Ge zaagt bepaald bleek om je neus, man!”„Ik heb er gezien, die aschgrauw om den neus waren,” zei kapitein Van Dam met een glimlach.„Maar, ik zie de dames niet?” vroeg Leidermooi aan den heer Groenewald.„O! die zullen dadelijk verschijnen,” antwoordde deze, „ze waren naar omstandigheden al vroeg in de weer.”„Naar omstandigheden?… Hebben de dames het ook te kwaad gehad?”„Och, het verstandigste, wat zij hebben kunnen doen, was in hare kooi te blijven. Zij hebben die dagen met lezen doorgebracht.”„Dus ook zeeziek?” vroeg Denniston.De heer Groenewald beantwoordde die vraag niet. In dit oogenblik verschenen zijne echtgenoot en beide dochters, alle drie in een elegant morgentoilet, vroolijk en opgeruimd, alsof er niets gebeurd ware. De heeren complimenteerden en feliciteerden haar, dat zij aan het gevaar ontkomen waren.„Wij danken u,” sprak Emma. „Zeker was het gevaar, waarin wij arme meisjes verkeerden, zeer groot. Maar, Goddank! redding was nabij.”[181]„Gevaar! waarin gij arme meisjes verkeerdet!” sprak Denniston met iets heldhaftigs in zijne stem. „Mij dunkt, dat wij allen hetzelfde gevaar gedeeld hebben.”„Het mocht wat!” zei Emma met een glimlach.„Toen wij in gevaar verkeerden, lagen de heeren nog dapper te kooi,” vulde Adelien aan.„Gij spreekt dus niet van den storm, dien wij gezamenlijk getrotseerd hebben,” vroeg Denniston.„Een storm! een storm!!” schaterden de meisjes het uit.„Zeg, stuurman Abels,” wendde zich Emma tot dezen, die zich op het achterdek bevond en bezig was met zijn sextant waarnemingen te doen, „was het een storm?”„Wel neen, juffrouw,” antwoordde deze. „Het had niets te beteekenen, het was eigenlijk niets meer dan eene gereefde bramzeilskoelte.”„Maar dat gevaar dan, waarin gij verkeerd hebt?” vroeg Leidermooi met belangstelling.Behrtje had eenige woorden met den stuurman gewisseld. Hij was op de hoogte en kon niet nalaten zich te wreken over den spotlust, waarmede de jonge dames zijn ongeval begroet hadden, toen hij dat golfje in den nek kreeg.„Het is … (hik) alsof ik … (hik)… in ’t water … (hik)… gelegen heb,” parodieerde hij zijn eigen uitroep.„Juist, mijnheer Behren, wij hebben in het water gelegen …” zei Emma.„In het water gelegen? in de zee?” vroeg Leidermooi verschrikt, en een teederen blik op Adelien werpende.„In de zee?” herhaalde hij op tragischen toon. „En ik was er niet bij?”„Pends toi brave Crillon!” declameerde Van Diepbrugge „on a vaincu sans toi!”„Juist, mijnheer Van Diepbrugge,” wilde Emma voortgaan „en zonder.….”[182]Hare zuster stootte haar aan en wees haar naar voren. Beide zusters wisselden een paar woorden met hunnen vader, die op zijne beurt een oogenblik met kapitein Van Dam sprak.„Sergeant Riethoven en sergeant Brinkman!” riep deze met luider stem.De twee onderofficieren stonden op hun oud plekje bij de verschansing in de nabijheid van den grooten mast, hetwelk hun hoofdkwartier op de grenzen, die het gebied van het achterdek van het vooruit scheidden, scheen te zijn, en tuurden in zee. Op die bekende stem traden zij vooruit, brachten de hand aan de kwartiermuts en wachtten in militaire houding de bevelen van hunnen kommandant af.„Hier de heer Groenewald wenscht aan u voorgesteld te worden,” zeide de kapitein. „Mijnheer Groenewald, dat zijn de sergeanten Riethoven en Brinkman, twee flinke onderofficieren, die ik hoog waardeer!”De jongelieden bogen en kleurden bij die woorden, te midden van dien kring en in tegenwoordigheid der jonge dames uitgesproken. Zij gevoelden zich echter gestreeld door die openbare waardeering van hunnen chef.„Laat ik u aan mijne echtgenoote voorstellen, heeren,” sprak de heer Groenewald, met plichtpleging, „dan kunnen wij gezamenlijk u onzen dank brengen voor de redding mijner kinderen.”Hij en mevrouw Groenewald drukten de wakkere onderofficieren met warmte de hand, een voorbeeld, dat door de jonge dames met prijzenswaardigen ijver gevolgd werd, terwijl hare lieve mondjes ongedwongen en onverholen hunnen dank uitspraken.Toen Frank het poezelige handje van Adelien in de zijne voelde, was het hem wonder te moede. Hij wist later zich niet te herinneren, of hij gebloosd had of[183]verbleekt was. Zijne houding zou als verlegenheid kunnen aangemerkt zijn, had hij niet als man van opvoeding dadelijk zijne tegenwoordigheid van geest hernomen en het lieve handje met alle kieschheid ter nauwernood gedrukt. Herman evenwel stond daar zoo kalm en zoo koud als de bezaansmast in de nabijheid.„Het heeft zoo veel niet te beduiden gehad,” antwoordden de beide jongelieden hoffelijk om de dankbaarheidsbetuigingen èn van de lieve meisjes èn van hare ouders eenigermate te stuiten.„Wat, niets te beduiden?” riep Emma uit.„Ik werd door de woeste golven over het dek voortgerold!”„En ik was reeds buiten boord, heeft mij stuurman Bagman verteld,” zei Adelien tot Frank. „Ik was bijna voor de haaien, toen gij mij greept. Zou dat niets te beduiden hebben!? Integendeel, ik ben u mijn leven verschuldigd!”„Maar, wat is er toch gebeurd?”vroeg luitenant Leidermooi.De heer Groenewald gaf nu een kort relaas van het gebeurde, en vertelde met bewogen stem, in welk gevaar zijne jongste dochter verkeerd had en op hoedanige wijze zij gered was. En, nogmaals de beide jongelieden de hand drukkende, zeide hij:„Ik hoop, dat gij in mij steeds een goeden vriend zult zien, die u groote verplichting heeft. Met toestemming van uwen kommandant en van kapitein Butteling, verzoek ik u mij en mijn gezin de eer, en vooral het genoegen te willen aandoen heden en voortaan iederen zondag de kajuitstafel met ons te willen deelen.”De beide jongelieden sloegen een blik eerst op hunnen chef, daarna op de jonge dames. Eerstbedoelde knikte toestemmend. In het oog der lieve geredden blonk zoo’n innige hartelijkheid ten opzichte der beide onderofficieren,[184]zoo’n kiesche zweem van bede om toch toetestemmen, dat Herman, zich zelve beter meester dan Frank, antwoordde:„De dienst, die wij gelukkig genoeg geweest zijn de jonge dames te bewijzen, is zoo natuurlijk geweest, dat ieder ander, daartoe in de gelegenheid, zou gehandeld hebben als wij deden. Van dankbaarheid kan dus geen sprake zijn. Intusschen nemen wij de uitnoodiging van mijnheer Groenewald vol erkentelijkheid aan; zij zal ons eene zeer gewenschte gelegenheid zijn, ons van tijd tot tijd en kortstondig in een anderen kring te bewegen, dan het tusschendek ons kan aanbieden.”De oogen der twee meisjes glinsterden van genoegen bij dit antwoord.„Gelukkige kerels!” mompelde luitenant Leidermooi, „juffrouw Adelien gered te hebben!”Zijne inborst was evenwel te edel om meer dan een enkel verlangen, dat hij in hunne plaats mocht geweest zijn, en geen onedelen ijverzucht ten opzichte der onderofficieren in zijn hart toe te laten. Hij trad dan ook rond en openhartig op hen toe, reikte hun de hand en heette hen geluk met die redding. Al de overige passagiers, waaronder vooral de heeren Slierendrecht en Van Diepbrugge sloten zich daarbij aan, en in een oogwenk bevonden de beide onderofficieren zich door welwillende wezens omringd, die hun hunnen vroegeren omgang herinnerden. Alleen luitenant Denniston had een oogenblik geaarzeld met het reiken eener hand aan de jongelieden. Met zijne hooghartige inborst meende hij, dat een te familiaren omgang met onderofficieren zijn gezag en bijgevolg het prestige van den meerderen tegenover den minderen moest benadeelen. Toen hij evenwel al de passagiers en daaronder ook kapitein Van Dam, die een type van ridderlijken militairen geest moest genoemd[185]worden, en een stipt bewaker der ondergeschiktheid was, de jongelieden zag omringen en hen met warmte de hand drukken, weifelde hij niet langer, en kwam hen ook vriendelijk te gemoet. Het was hem ook geraden. Zijne aarzeling, die niet onopgemerkt gebleven was, had Emma reeds de fraaie wenkbrauwen doen fronsen. Zij bezon zich reeds, hoe zij dien verwaanden luitenant die onwelvoegelijkheid volgens haar zoude inpeperen.„Zoo is het goed!” sprak de heer Groenewald, „en daar het heden zondag is, zijt gij mijne gasten!Sapada!…” Ouder gewoonte wilde hij roepen:Sapada! bawa minoeman!40Bij het eerste woord bedacht hij zich evenwel en riep glimlachende:„Hofmeester, breng madera!”„Als gij wat harder roept, mijnheer Groenewald,” zei kapitein Butteling lachende, „dan zoudt gij de onvervalschte madera dry kunnen bekomen.”„Hoedat zoo, kapitein? Ik hoop toch, dat de hofmeester geen vervalscht bocht zal aanreiken.”„Wij hebben het eiland Madera nu zoo wat aan bakboord dwars van ons,”antwoorddekapitein Butteling.„Goddank, dan zijn wij in mildere streken aangekomen,” sprak mevrouw Groenewald. „Dan zullen wij heden avond den Piek van Teneriffe zien, nietwaar kapitein?”„Tu, tu, tu,” antwoordde kapitein Butteling „ik wou dat het waar was, mevrouwtje. Het fregat loopt thans niet veel vaart. Ik durf te wedden, dat het de vijftig mijlen in dit etmaal niet haalt. Als wij dien Piek morgen ochtend zien, zal het al mooi zijn.”En werkelijk, toen dien dag—25 October—het middagbestek opgemaakt werd, bevond het fregat zich op 31° 25′ noorderbreedte en 18° 43′ westerlengte en had derhalve slechts 45½ mijl in het laatste etmaal afgelegd.Genoeglijk zat het gezelschap onder een glas madera[186]te zamen, en was het onzen onderofficieren wel te moede in dien kring. Het was ongeveer één uur, toen de hofmeester de passagiers tot de lunch kwam noodigen.„Is het weer lapskous?” vroeg Slierendrecht aan den maritiemen Vatèl.„Ja, mijnheer,” was het antwoord.„En lekker?”„Overheerlijk!”De beide onderofficieren spitsten de ooren.„Lapskous?” vroeg Frank aan Adelien, die hij aan tafel geleidde.„Wat wonderlijke naam!”Het meisje glimlachte.„Dichterlijk is hij voorzeker niet,” sprak zij „en de samenstelling van dat kostje is nog prozaïscher.”„Wat is het dan toch?”„Kijk, daar staat het, die fraai bruingebakken massa in die schotels. Het zijn de kliekjes vleesch, aardappelen, blikgroenten enz. die met uien en veel boter opgebakken werden, tot zij met die bruine korst overtogen waren.”De lapskous werd, in weerwil van den raren naam, gekruid door een glas goeden wijn, uitmuntend gevonden.Ook het diner des avonds smaakte onzen onderofficieren uitstekend, terwijl hartelijkheid en geestigheid het gesprek aan tafel kruidden. Allen, maar vooral de familie Groenewald, beijverden zich de gastvrijheid ten opzichte der jongelieden in hare volle uitgestrektheid te betrachten, en hen die uren, daar achteruit doorgebracht, zoo aangenaam mogelijk te maken.Toen het diner afgeloopen was, verwijderden Herman en Frank zich kieschheidshalve. Wel deden mevrouw en mijnheer Groenewald welgemeende pogingen om het samenzijn langer te rekken, zelfs de meisjes kwamen hen daarbij te hulp; maar de welopgevoede jongelieden[187]waren van meening, dat zij hunne aanwezigheid aan het overige gezelschap niet langer mochten opdringen, en namen derhalve afscheid. Een lieve handdruk werd hen bij het heengaan nog meegegeven.Lang nog stonden zij op hun oud plekje bij den grooten mast de gebeurtenissen en de gesprekken van dien dag na te breeuwen en te herinneren. Ieder gebaar, ieder woord van de familie Groenewald werd besproken en gecommenteerd. Ten slotte erkenden de twee onderofficieren, dat zij een heerlijken dag doorgebracht hadden, en waren innig verheugd, dat hun nog zoo menig prettige zondag te wachten stond. Herman merkte evenwel op, dat Frank zich gedurende het geheele gesprek geen enkelen maal den naam van Adelien liet ontglippen, noch zich eene toespeling op haar veroorloofde.Toen de beide jongelingen boven gekomen waren, was de zon reeds ondergegaan, en vertoonde het uitspansel thans die wondervolle kleurtinten, die alsdan waargenomen worden, en als het ware het afscheid der dagvorstin te kennen geven en het naderen van den somberen nacht aankondigen. Het was als spreidde zich eene streepsgewijze mengeling voor hun oog uit van purper en zwart, van licht en donker, van dag en nacht.Beide mannen waren nog al dichterlijk begaafd en stonden dan ook dat fraaie schouwspel met belangstelling waar te nemen.„Herinnert gij u nog onze declamatie-oefeningen te Rolduc?” vroeg Frank. „Dat tafereel hier brengt mij het gedicht van Michaud, dat gij ook kent,le printemps d’un proscritte binnen. Hoe vaak heb ik dat gereciteerd! Weinig vermoedde ik destijds, dat ik in degelegenheidzou komen, als „proscrit” de nauwkeurigheid der schildering zoo te kunnen toetsen. Een gedeelte van dat gedicht, hetwelk zoo merkwaardig overeenkomt met[188]het tafereel, hetwelk wij daar voor oogen hebben, is mij niet uit het hoofd te zetten en doen zich hare Alexandrijnen overluid in mijn brein vernemen.”En zacht, zeer zacht prevelde hij, om de nabijzijnde militairen zijne ontboezeming niet te laten vernemen:. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .„O qui pourra jamais voir sans être attendriL’éclat demi voilé de l’horizon plus sombre,Ce mélange confus du soleil et de l’ombre,Ces combats indécis de la nuit et du jour,Ces feux mourants épars sur les flots d’alentour,Ce brillant occident où le soleil étaleSa chevelure d’or et sa robe d’opale,Ce ciel qui par degrés se peint d’un gris obscur,Et le jour qui s’éteint sous un voile d’azur.”Op het achterdek had de heer Groenewald, terwijl zijne dochters met de heeren in gesprek waren en met hen gezamenlijk de fraaie avondtinten ook bewonderden, een ander onderhoud met zijne echtgenoote, dat meer van praktischen zin bij den koffieplanter getuigde:„Wel,” sprak hij, en daarbij voorzeker op een voorafgaand gesprek doelende, „hoe zijn u die jongelieden meegevallen?”„Mij, zeer goed,” antwoordde mevrouw Groenewald.„Eene gedachte weerhoudt mij, om hen nu reeds het voorstel te doen, bij aankomst te Batavia hun ontslag te bewerken, en op mijne koffie-onderneming als opzichters in dienst te treden.”„En die is?.…”„Hebt gij wel gemerkt, welke blikken die Frank Brinkman op onze Adelien wierp? Terwijl het mij voorkomt, dat de andere, Herman Riethoven, onze Emma lang niet onverschillig is?”[189]Mevrouw Groenewald beantwoordde die vraag met eene andere:„Is het dat alleen wat u weerhoudt?”„Mij dunkt, dat die opmerking niet van belang ontbloot is,” antwoordde hij. „Vuur met stroo dient niet alzoo, zegt een oud spreekwoord. Ik geloof dat voorzichtigheid hier de boodschap zal zijn. Onze kinderente laten verlieven op twee jongelieden, die niets bezitten en zich nog eene toekomst moeten scheppen.…”„Dat is het niet wat mij bedenkelijk voorkomt. Wij bezitten voldoend vermogen, om onze twee kinderen onbezorgd de toekomst te gemoet te laten treden. Geeft gij aan de eene het koffieland Wilatoong en aan de andere Koewajangan ten huwelijk mede, dan blijft ons nog Moengong Djamoes over. Onze schoonzoons behoeven dan geen vermogen te bezitten, dan is slechts arbeidzaamheid en gezond verstand noodig, om fatsoenlijk door de wereld te komen. Maar.…”„Maar?” vroeg mijnheer Groenewald.„Dat is de bedenking niet, die ik opperen zou. In de eerste plaats zou ik tot schoonzoons wenschen, flinke ontwikkelde mannen, wier gedrag, opvoeding en onbesproken verleden de meeste waarborgen voor het geluk onzer kinderen zouden opleveren, en die daarbij jeugdig genoeg waren om, zonder te veel van hun verleden op te offeren, eene nieuwe loopbaan te kunnen aanvaarden. Dit laatste, dunkt me, is bij die twee onderofficieren aanwezig; maar wie waarborgt ons hun gedrag, wie geeft ons zekerheid omtrent hun verleden?”„Zoodat gij mij ontraden zoudt die twee jongelieden tot opzichters te nemen?”„Daar heb ik geen woord van gesproken,” antwoordde mevrouw Groenewald. „Maar, wel raad ik u omzichtig te zijn en u niet te overijlen. Laten wij nog nadere[190]kennis met die jonge mannen maken, dan kunnen wij beter oordeelen. Gij hebt hen des zondags aan tafel verzocht; welnu, wij zullen gelegenheid hebben hen nader te leeren kennen. Nadere kennismaking met onze kinderen zal ons ook moeten aantoonen of wij ons niet vergissen, wanneer wij eene ontluikende genegenheid meenen te ontwaren, waar waarschijnlijk van de eene zijde slechts hoffelijkheid tegenover dames, en van den anderen kant slechts dankbaarheid voor de redding en toenadering tot alles wat jong en vroolijk is, aanwezig geacht moet worden. Laten wij een ongedwongen omgang tusschen de jongelieden begunstigen, dan zullen wij bij het einde der reis over onze verdere gedragslijn kunnen beslissen. Ziedaar mijn raad!”„En dien raad wensch ik stipt op te volgen,” zei de heer Groenewald, die aan dergelijke eindbesluiten niet ongewoon was.[191]

Met den dag verschenen voor en na ettelijke bleeke troniën aan het dek. Men kon het allen aanzien, dat de nacht voor het meerendeel rampzalig geweest was. Het beste was dat te bespeuren, toen de hoornblazer met veel moeite het „Wilhelmus” liet weerklinken, ten teeken dat de oorlam zoude uitgereikt worden. Zeer weinige manschappen vertoonden zich om hun zoo geliefkoosd morgenslokje te nemen.

„De afschaffing maakt vorderingen,” zeide stuurman Ellenbaan lachende.

Toen de onderofficieren de manschappen wilden aansporen om hunne hangmatten behoorlijk opgerold en saamgebonden naar boven te brengen, om haar op de koebrug op te bergen, gaf kapitein Butteling tegenbevel.

„Laat die maar blijven, sergeant,” zei hij tot Herman Riethoven. „Bij zulk weer en bij de heerschende zeeziekte zijn de kerels het best te kooi. Laat evenwel de gezonde manschappen het tusschendeks reinigen en aanvegen. Ik zal bevelen geven, dat de kwade dampen daar beneden verdreven worden.”

Toen de bevolen reiniging volbracht was, werd de[173]vloer daar beneden met kookende azijn besprenkeld, hetgeen de bedompte en kwalijk riekende atmospheer eenigermate zuiverde.

De hemel was niet geheel en al bedekt. Dikke wolken, die door den wind aan flarden gescheurd schenen, dreven met ijlende vaart door het luchtruim, en lieten hier en daar gedeelten van het blauwe uitspansel ontwaren. Van tijd tot tijd brak de zon door de voortgezweepte wolkenmassa’s heen en vroolijkte met hare stralen het woeste tooneel wat op. De zee stond uitermate hol. Het waren geen golven, die ze rolde, maar heuvelen, die met woest geweld op het schip afkwamen. Die heuvelen, door den wind voortgejaagd en met hunne toppen sneller voortijlende dan hun basis volgen kon, helden in een onmetelijken boog over, braken en kuifden zich zoodoende met verblindend wit schuim, hetwelk aan de woestheid der baren een eigendommelijk karakter bijzette.

DeFernandina Maria Emmabevond zich nog op de Gronden, waardoor de zeelieden verstaan dat gedeelte van den Atlantischen Oceaan, hetwelk zich voor het Engelsche Kanaal nagenoeg in een halven cirkel van Biarritz, in den hoekzak van de Golf van Biscaia, tot Kaap Valentia op de Iersche kust uitstrekt, en waarop eene mindere diepte dan van honderd vademen wordt aangetroffen. Bij harden wind zijn de golven op de Gronden kort, maar verheffen zich tot eene ontzettende hoogte. Zij hebben daardoor vrij steile wanden of ruggen en veroorzaken, vooral bij groote schepen, zoo als deFernandina Maria Emmawas, eene zeer moeielijke beweging.

Was de zon omfloersd, dan had de zee eene grauw vale tint, die naarmate de schaduw viel, hier en daar zwart kon schijnen. De schuimende koppen boden hierbij een[174]droefgeestig tooneel. Het was nagenoeg of zwarte heuvelen met een rand wit geboord waren en gaven zoo den indruk van een beeld van rouw. Braken de zonnestralen voor een kort oogenblik door eene wolkenscheur, dan was het of de zeeoppervlakte met een tooverstaf aangeraakt werd. Onmiddellijk verloor zij haar somber karakter; zij tintte zich dan met uitermate levendige kleuren, van het donkergroen af tot het donkerblauw toe en onderging daarbij, tengevolge van de straalbreking bij de bewegelijkheid der hooggaande golven, al de tusschenliggende schakeeringen van groen, lichtgroen, flesschengroen, teedergroen, van blauw, hemelsblauw, lichtblauw; terwijl de zon, in de hevig bewogen watervlakte weerkaatsende, kortstondige stralenbundels deed uitschieten en weer uitdoofde, en het schuim op de toppen der baren verblindend wit deed schitteren.

Dat alles namen Brinkman en Riethoven waar, terwijl zij ter hoogte van den grooten mast bij de stuurboordsverschansing stonden; toen zij de beide jonge dames Groenewald den kajuitstrap opkomen en aan het dek verschijnen zagen.

„Zietdaar een nog fraaiere zonnestraal!” mompelde Frank.

Juist in dit oogenblik weerklonk de stem van stuurman Bagman, die riep:

„Grijpen en vasthouden!”

Het was eene hoognoodige waarschuwing, want een oogenblik later, krulde eene buitengewoon hooge baar ter hoogte van het midden-schip over de verschansing, en stortte met woedend geweld op het dek neder. De beide onderofficieren hadden zich op de waarschuwing van den stuurman aan de bij hen staande pardoens39gegrepen. Zij konden evenwel niet beletten, dat zij door de monsterachtige golf van de been geslagen werden,[175]en zouden voorzeker door de woedende watermassa meegesleept en over boord gespoeld zijn, als zij zich niet met de kracht der wanhoop aan de stevig gespannen pardoens vastgeklemd hadden. Op het achterdek had die overgekomen zee even rampvolle gevolgen. Wel was daar de kracht van de golf, die meer middenscheeps binnengekomen was, veel minder, maar toch nog sterk genoeg om de twee jonge meisjes in gevaarvollen toestand te brengen. Zij waren juist van onder de kap van den kajuitstrap te voorschijn getreden, toen het ongeval hen verraste. Wel poogde Emma zich, toen de waarschuwende stem van „grijpen en vasthouden” weerklonk, aan den bovenrichel van die kap te klemmen, terwijl hare zuster Adelien haar bij den arm vasthield; maar toen het woedende water hare beenen meesleepte, was de oudste onmachtig om haar houvast te blijven omklemmen; zij moest loslaten en beiden werden toen door het oproerige element medegesleept. Het achterschip werd door de monsterachtige baar, waarvan een gedeelte overgekruld was, in dat oogenblik opgeheven; zoodat het water aan dek met ijlende vaart naar voren schoot en de bewustelooze meisjes met zich medesleepte. Frank en Herman, van de eerste ontsteltenis bekomen, zagen het onheil. Zij hadden hun evenwicht nauwelijks hernomen, of zij lieten de reddende pardoens los en ijlden ter hulp. Tusschen den middenmast en de groote boot doorschietende, met het water tot aan de knieën, kwamen zij juist ter tijd om bijstand te bieden en een groot ongeluk te voorkomen. Herman greep Emma, die over het dek voortgerold werd, en hield haar met de eene hand stevig vast, totdat het water, hetwelk als een stortvloed over het voorschip stroomde, weggeloopen was; terwijl hij zich met de andere hand aan de sjorringen der groote boot vastklemde. Frank was op Adelien toegesprongen, en redde die uit[176]meer wezenlijk gevaar. Toen het schip onder den schok sterk naar lij overhelde, lag de verschansing aan bakboord een oogenblik te water. Het jonge meisje dreef daar heen en lag reeds op die verschansing gedeeltelijk buiten boord, toen Frank haar greep. Gelukkig, dat zij tegen het groot want was aangedreven. Wel had zij hoegenaamd geen bewustzijn om zich aan een der hoofdtouwen van dat want of een der weeglijntjes vast te klemmen; maar de kracht, waarmede zij voortgesleept werd, was gebroken en daardoor was het haren redder mogelijk, haar met beide armen te omvatten en binnen boord te halen. Daaronder zou hij haar hebben moeten loslaten en zou zij voor zijne oogen in de diepte reddeloos verdwenen zijn.

Dat alles gebeurde bliksemsnel, in minder tijd dan noodig was om het te vertellen.

Toen het water door de spuigaten en onder de reeling door weggeloopen was, tilden de beide onderofficieren de jonge meisjes op, en droegen haar met behulp van de stuurlieden Bagman en Ellenbaan, die inmiddels toegeschoten waren, in de kajuit.

Het gebeurde verwekte veel ontsteltenis bij de ouders der lieve meisjes. Beiden beijverden zich evenwel hunne nog steeds bewustelooze kinderen te verzorgen en te kooi te brengen. Toen kapitein Van Dam van stuurman Bagman vernam, hoe de redding der twee meisjes zich toegedragen had, drukte hij de beide onderofficieren innig de hand, en betuigde hen zijne volle tevredenheid, terwijl hij hun de verzekering gaf, dat deze hunne daad niet onopgemerkt zoude blijven. Te Harderwijk had hij reeds zeer gunstige inlichtingen omtrent hun gedrag, beschaving en omgang ingewonnen; zoodat de toegenegenheid van den waardigen chef voor de jongelieden door die redding ten top steeg.[177]

De overgekomen zee had evenwel nog andere ongevallen veroorzaakt. Niemand, en wel het allerminst kapitein Butteling met zijne stuurlieden, waren op zoo’n overstrooming verdacht geweest. Het woei wel stevig, de zee stond wel hoog; maar niet in die mate, dat het overkomen van een breker te vreezen stond. Het groot luik had dan ook opengestaan om luchtverversching in het soldatenlogies te verschaffen, en daarin was een groot gedeelte der aan boord gestortte watermassa verzwolgen.

Velen der zeezieken, die in hunne hangmatten lagen, waren daaruit geslagen en dreven hulpeloos te midden van eene menigte goederen in het tusschendek rond en rolden bij het slingeren van het vaartuig, op gevaar af van binnenscheeps te verdrinken, van bakboord naar stuurboord en van stuurboord naar bakboord, totdat ze door hunne kameraden gegrepen en overeind geholpen werden.

Ras sprong stuurman Abels in het tusschendek, opende daar een luik in den vloer, waardoor het water zich in het ruim en van daar in het hol van het schip kon ontlasten, van waar de matrozen het met de lenspompen konden uitpompen.

Door de ondervinding voorgelicht, liet kapitein Butteling het fregat een paar streken afvallen, waardoor de zeeën, niet meer zoo dwars, maar meer van achteren inkwamen, en het gevaar om water aan het dek te krijgen niet meer zoo groot was.

De koers was nu zuid-zuidwest.

Tegen het middaguur van dien dag—20 October—werd het bestek opgemaakt, waartoe de zon zich gelukkig gewillig leende. Het fregat bevond zich toen op 47° 36′ noorderbreedte en op 8° 5′ westerlengte van Greenwich.

Het onaangename weder, dat deFernandina Maria Emma[178]bij het uitkomen van het kanaal overvallen had, bleef verscheidene dagen voortduren. Het volgende bestek wees aan 44° 13′ noorderbreedte en 12° 4′ westerlengte. Het fregat had in dat etmaal 66 mijlen afgelegd, of zoo als de zeelieden zeiden: elf mijlen in de wacht behouden. Men was toen zoo omstreeks op de breedte van Kaap Finisterre en bijgevolg buiten de Gronden. De zee had hier eene diepte van over de 2000 vademen. De deininggolven waren dan ook niet meer zoo kort en zoo steil, en zeer zeker zouden de reizigers minder last van de beweging van het schip gehad hebben, ware de wind in het noordwesten gebleven. Maar bij het naderen van het Iberische schiereiland was de wind, hoewel niet in kracht verminderende, meer noordwaarts getrokken om in den zoogenaamden Portugeeschen Noord over te gaan. Hij was nu wel ruimer geworden; kapitein Butteling had de gelegenheid benut, om de reven uit de marszeilen te doen nemen, ja om de bramzeilen bij te zetten; maar het schip met den wind zoo vlak van achteren, slingerde nu in die hooge deining ontzettend, wat de zeezieken minder te stade kwam. Niemand van de passagiers achteruit vertoonde zich dan ook aan dek, behalve kapitein Van Dam en de echtgenooten Groenewald en deze laatsten nog maar heel zelden. De beide jonge dames waren na het gebeurde wel nog iets angstvallig; zij durfden zich, zoo lang het weer duurde, niet op het dek te wagen. Van de militairen begonnen er meerderen op te krabbelen, maar het grootste gedeelte bleef toch beneden in de hangmatten de zeeziekte uitvieren.

Volgens het derde bestek had het fregat 62 mijlen afgelegd en bevond zich op 40° 13′ noorderbreedte en 13° 17′ westerlengte.

Nog altijd raasde de wind en joeg huilend door het[179]want. Van een bedaren scheen geen sprake. Het schip slingerde als een bezetene, maar snelde met spoed vooruit. Tegen het middaguur van den 23 October bevond het fregat zich nagenoeg ter hoogte van Kaap Sint Vincent. Het had in het laatste etmaal 66 mijlen afgelegd en bevond zich op 36°38′ noorderbreedte en 16°30′ westerlengte.

Maar het ergste was nu geleden. Voor de kranken zou verademing komen.

In de achtermiddagwacht begon de wind merkbaar te bedaren, zoodat kapitein Butteling al de zeilen, die maar aan te brengen waren, liet bijzetten. Gedurende den platvoet nam de wind nog meer af; zelfs zoo, dat de groote zeilen niet altijd gevuld bleven. De zee stond evenwel nog zeer hol, waardoor de slingeringen, nu het schip van den wind weinig steun meer had, nog grooter werden en de zeezieken het nog erger kregen.

Maar den volgenden ochtend was de zee nagenoeg geheel geslecht en liep het fregat, met alle zeilen bijgezet, bij eene matige bries uit het westen, zoodat ongeveer vijf mijlen in de wacht behouden bleven.

Het schip lag zoo stil mogelijk, en helde onder den druk zijner zeilen licht bakboord over.

Al van den vroegen morgen waren de soldaten aan het dek en beijverden zich alle sporen der doorgestane zeeziekte te doen verdwijnen. De hangmatten waren al zeer gauw opgerold en op de koebrug geborgen. Daar vooruit bij de verschillende pompen was het een gewasch en geplas, dat het een aard had, om de laatste onzindelijkheid te doen verdwijnen. De knoopen werden blinkend gepoetst, de kapotjassen ter deeg geborsteld, hier en daar stond er een zich te kappen en de weerstrevende lokken met God weet wat in behaagzuchtige plooi te dwingen.

Het detachement zag er eindelijk uit om door een ringetje[180]te halen, en ieder soldaat kon gerust het inspecteerend oog van een Haagsch—kindermeisje valt ons uit de pen, maar wij hervatten: van een Haagsch generaal doorstaan; en, bij het uitreiken der oorlam mankeerde er geen een.

Tegen negen uur waren ook de mannelijke kajuitspassagiers op het dek vereenigd, en feliciteerden de nieuwbakken zeevaarders elkander, dat zij er zoo goed afgekomen waren. Volgens hunne meening toch had het schip een woedenden storm doorstaan. In ieders oog blonk eenige spotlust; want ieder meende, dat zijn reisgenoot meer van de zeeziekte te lijden had gehad, dan hij zelf.

„Hoe zag jij er uit Behrtje!” spotte Denniston met den apotheker. „Ge zaagt bepaald bleek om je neus, man!”

„Ik heb er gezien, die aschgrauw om den neus waren,” zei kapitein Van Dam met een glimlach.

„Maar, ik zie de dames niet?” vroeg Leidermooi aan den heer Groenewald.

„O! die zullen dadelijk verschijnen,” antwoordde deze, „ze waren naar omstandigheden al vroeg in de weer.”

„Naar omstandigheden?… Hebben de dames het ook te kwaad gehad?”

„Och, het verstandigste, wat zij hebben kunnen doen, was in hare kooi te blijven. Zij hebben die dagen met lezen doorgebracht.”

„Dus ook zeeziek?” vroeg Denniston.

De heer Groenewald beantwoordde die vraag niet. In dit oogenblik verschenen zijne echtgenoot en beide dochters, alle drie in een elegant morgentoilet, vroolijk en opgeruimd, alsof er niets gebeurd ware. De heeren complimenteerden en feliciteerden haar, dat zij aan het gevaar ontkomen waren.

„Wij danken u,” sprak Emma. „Zeker was het gevaar, waarin wij arme meisjes verkeerden, zeer groot. Maar, Goddank! redding was nabij.”[181]

„Gevaar! waarin gij arme meisjes verkeerdet!” sprak Denniston met iets heldhaftigs in zijne stem. „Mij dunkt, dat wij allen hetzelfde gevaar gedeeld hebben.”

„Het mocht wat!” zei Emma met een glimlach.

„Toen wij in gevaar verkeerden, lagen de heeren nog dapper te kooi,” vulde Adelien aan.

„Gij spreekt dus niet van den storm, dien wij gezamenlijk getrotseerd hebben,” vroeg Denniston.

„Een storm! een storm!!” schaterden de meisjes het uit.

„Zeg, stuurman Abels,” wendde zich Emma tot dezen, die zich op het achterdek bevond en bezig was met zijn sextant waarnemingen te doen, „was het een storm?”

„Wel neen, juffrouw,” antwoordde deze. „Het had niets te beteekenen, het was eigenlijk niets meer dan eene gereefde bramzeilskoelte.”

„Maar dat gevaar dan, waarin gij verkeerd hebt?” vroeg Leidermooi met belangstelling.

Behrtje had eenige woorden met den stuurman gewisseld. Hij was op de hoogte en kon niet nalaten zich te wreken over den spotlust, waarmede de jonge dames zijn ongeval begroet hadden, toen hij dat golfje in den nek kreeg.

„Het is … (hik) alsof ik … (hik)… in ’t water … (hik)… gelegen heb,” parodieerde hij zijn eigen uitroep.

„Juist, mijnheer Behren, wij hebben in het water gelegen …” zei Emma.

„In het water gelegen? in de zee?” vroeg Leidermooi verschrikt, en een teederen blik op Adelien werpende.

„In de zee?” herhaalde hij op tragischen toon. „En ik was er niet bij?”

„Pends toi brave Crillon!” declameerde Van Diepbrugge „on a vaincu sans toi!”

„Juist, mijnheer Van Diepbrugge,” wilde Emma voortgaan „en zonder.….”[182]

Hare zuster stootte haar aan en wees haar naar voren. Beide zusters wisselden een paar woorden met hunnen vader, die op zijne beurt een oogenblik met kapitein Van Dam sprak.

„Sergeant Riethoven en sergeant Brinkman!” riep deze met luider stem.

De twee onderofficieren stonden op hun oud plekje bij de verschansing in de nabijheid van den grooten mast, hetwelk hun hoofdkwartier op de grenzen, die het gebied van het achterdek van het vooruit scheidden, scheen te zijn, en tuurden in zee. Op die bekende stem traden zij vooruit, brachten de hand aan de kwartiermuts en wachtten in militaire houding de bevelen van hunnen kommandant af.

„Hier de heer Groenewald wenscht aan u voorgesteld te worden,” zeide de kapitein. „Mijnheer Groenewald, dat zijn de sergeanten Riethoven en Brinkman, twee flinke onderofficieren, die ik hoog waardeer!”

De jongelieden bogen en kleurden bij die woorden, te midden van dien kring en in tegenwoordigheid der jonge dames uitgesproken. Zij gevoelden zich echter gestreeld door die openbare waardeering van hunnen chef.

„Laat ik u aan mijne echtgenoote voorstellen, heeren,” sprak de heer Groenewald, met plichtpleging, „dan kunnen wij gezamenlijk u onzen dank brengen voor de redding mijner kinderen.”

Hij en mevrouw Groenewald drukten de wakkere onderofficieren met warmte de hand, een voorbeeld, dat door de jonge dames met prijzenswaardigen ijver gevolgd werd, terwijl hare lieve mondjes ongedwongen en onverholen hunnen dank uitspraken.

Toen Frank het poezelige handje van Adelien in de zijne voelde, was het hem wonder te moede. Hij wist later zich niet te herinneren, of hij gebloosd had of[183]verbleekt was. Zijne houding zou als verlegenheid kunnen aangemerkt zijn, had hij niet als man van opvoeding dadelijk zijne tegenwoordigheid van geest hernomen en het lieve handje met alle kieschheid ter nauwernood gedrukt. Herman evenwel stond daar zoo kalm en zoo koud als de bezaansmast in de nabijheid.

„Het heeft zoo veel niet te beduiden gehad,” antwoordden de beide jongelieden hoffelijk om de dankbaarheidsbetuigingen èn van de lieve meisjes èn van hare ouders eenigermate te stuiten.

„Wat, niets te beduiden?” riep Emma uit.„Ik werd door de woeste golven over het dek voortgerold!”

„En ik was reeds buiten boord, heeft mij stuurman Bagman verteld,” zei Adelien tot Frank. „Ik was bijna voor de haaien, toen gij mij greept. Zou dat niets te beduiden hebben!? Integendeel, ik ben u mijn leven verschuldigd!”

„Maar, wat is er toch gebeurd?”vroeg luitenant Leidermooi.

De heer Groenewald gaf nu een kort relaas van het gebeurde, en vertelde met bewogen stem, in welk gevaar zijne jongste dochter verkeerd had en op hoedanige wijze zij gered was. En, nogmaals de beide jongelieden de hand drukkende, zeide hij:

„Ik hoop, dat gij in mij steeds een goeden vriend zult zien, die u groote verplichting heeft. Met toestemming van uwen kommandant en van kapitein Butteling, verzoek ik u mij en mijn gezin de eer, en vooral het genoegen te willen aandoen heden en voortaan iederen zondag de kajuitstafel met ons te willen deelen.”

De beide jongelieden sloegen een blik eerst op hunnen chef, daarna op de jonge dames. Eerstbedoelde knikte toestemmend. In het oog der lieve geredden blonk zoo’n innige hartelijkheid ten opzichte der beide onderofficieren,[184]zoo’n kiesche zweem van bede om toch toetestemmen, dat Herman, zich zelve beter meester dan Frank, antwoordde:

„De dienst, die wij gelukkig genoeg geweest zijn de jonge dames te bewijzen, is zoo natuurlijk geweest, dat ieder ander, daartoe in de gelegenheid, zou gehandeld hebben als wij deden. Van dankbaarheid kan dus geen sprake zijn. Intusschen nemen wij de uitnoodiging van mijnheer Groenewald vol erkentelijkheid aan; zij zal ons eene zeer gewenschte gelegenheid zijn, ons van tijd tot tijd en kortstondig in een anderen kring te bewegen, dan het tusschendek ons kan aanbieden.”

De oogen der twee meisjes glinsterden van genoegen bij dit antwoord.

„Gelukkige kerels!” mompelde luitenant Leidermooi, „juffrouw Adelien gered te hebben!”

Zijne inborst was evenwel te edel om meer dan een enkel verlangen, dat hij in hunne plaats mocht geweest zijn, en geen onedelen ijverzucht ten opzichte der onderofficieren in zijn hart toe te laten. Hij trad dan ook rond en openhartig op hen toe, reikte hun de hand en heette hen geluk met die redding. Al de overige passagiers, waaronder vooral de heeren Slierendrecht en Van Diepbrugge sloten zich daarbij aan, en in een oogwenk bevonden de beide onderofficieren zich door welwillende wezens omringd, die hun hunnen vroegeren omgang herinnerden. Alleen luitenant Denniston had een oogenblik geaarzeld met het reiken eener hand aan de jongelieden. Met zijne hooghartige inborst meende hij, dat een te familiaren omgang met onderofficieren zijn gezag en bijgevolg het prestige van den meerderen tegenover den minderen moest benadeelen. Toen hij evenwel al de passagiers en daaronder ook kapitein Van Dam, die een type van ridderlijken militairen geest moest genoemd[185]worden, en een stipt bewaker der ondergeschiktheid was, de jongelieden zag omringen en hen met warmte de hand drukken, weifelde hij niet langer, en kwam hen ook vriendelijk te gemoet. Het was hem ook geraden. Zijne aarzeling, die niet onopgemerkt gebleven was, had Emma reeds de fraaie wenkbrauwen doen fronsen. Zij bezon zich reeds, hoe zij dien verwaanden luitenant die onwelvoegelijkheid volgens haar zoude inpeperen.

„Zoo is het goed!” sprak de heer Groenewald, „en daar het heden zondag is, zijt gij mijne gasten!Sapada!…” Ouder gewoonte wilde hij roepen:Sapada! bawa minoeman!40Bij het eerste woord bedacht hij zich evenwel en riep glimlachende:

„Hofmeester, breng madera!”

„Als gij wat harder roept, mijnheer Groenewald,” zei kapitein Butteling lachende, „dan zoudt gij de onvervalschte madera dry kunnen bekomen.”

„Hoedat zoo, kapitein? Ik hoop toch, dat de hofmeester geen vervalscht bocht zal aanreiken.”

„Wij hebben het eiland Madera nu zoo wat aan bakboord dwars van ons,”antwoorddekapitein Butteling.

„Goddank, dan zijn wij in mildere streken aangekomen,” sprak mevrouw Groenewald. „Dan zullen wij heden avond den Piek van Teneriffe zien, nietwaar kapitein?”

„Tu, tu, tu,” antwoordde kapitein Butteling „ik wou dat het waar was, mevrouwtje. Het fregat loopt thans niet veel vaart. Ik durf te wedden, dat het de vijftig mijlen in dit etmaal niet haalt. Als wij dien Piek morgen ochtend zien, zal het al mooi zijn.”

En werkelijk, toen dien dag—25 October—het middagbestek opgemaakt werd, bevond het fregat zich op 31° 25′ noorderbreedte en 18° 43′ westerlengte en had derhalve slechts 45½ mijl in het laatste etmaal afgelegd.

Genoeglijk zat het gezelschap onder een glas madera[186]te zamen, en was het onzen onderofficieren wel te moede in dien kring. Het was ongeveer één uur, toen de hofmeester de passagiers tot de lunch kwam noodigen.

„Is het weer lapskous?” vroeg Slierendrecht aan den maritiemen Vatèl.

„Ja, mijnheer,” was het antwoord.

„En lekker?”

„Overheerlijk!”

De beide onderofficieren spitsten de ooren.

„Lapskous?” vroeg Frank aan Adelien, die hij aan tafel geleidde.„Wat wonderlijke naam!”

Het meisje glimlachte.

„Dichterlijk is hij voorzeker niet,” sprak zij „en de samenstelling van dat kostje is nog prozaïscher.”

„Wat is het dan toch?”

„Kijk, daar staat het, die fraai bruingebakken massa in die schotels. Het zijn de kliekjes vleesch, aardappelen, blikgroenten enz. die met uien en veel boter opgebakken werden, tot zij met die bruine korst overtogen waren.”

De lapskous werd, in weerwil van den raren naam, gekruid door een glas goeden wijn, uitmuntend gevonden.

Ook het diner des avonds smaakte onzen onderofficieren uitstekend, terwijl hartelijkheid en geestigheid het gesprek aan tafel kruidden. Allen, maar vooral de familie Groenewald, beijverden zich de gastvrijheid ten opzichte der jongelieden in hare volle uitgestrektheid te betrachten, en hen die uren, daar achteruit doorgebracht, zoo aangenaam mogelijk te maken.

Toen het diner afgeloopen was, verwijderden Herman en Frank zich kieschheidshalve. Wel deden mevrouw en mijnheer Groenewald welgemeende pogingen om het samenzijn langer te rekken, zelfs de meisjes kwamen hen daarbij te hulp; maar de welopgevoede jongelieden[187]waren van meening, dat zij hunne aanwezigheid aan het overige gezelschap niet langer mochten opdringen, en namen derhalve afscheid. Een lieve handdruk werd hen bij het heengaan nog meegegeven.

Lang nog stonden zij op hun oud plekje bij den grooten mast de gebeurtenissen en de gesprekken van dien dag na te breeuwen en te herinneren. Ieder gebaar, ieder woord van de familie Groenewald werd besproken en gecommenteerd. Ten slotte erkenden de twee onderofficieren, dat zij een heerlijken dag doorgebracht hadden, en waren innig verheugd, dat hun nog zoo menig prettige zondag te wachten stond. Herman merkte evenwel op, dat Frank zich gedurende het geheele gesprek geen enkelen maal den naam van Adelien liet ontglippen, noch zich eene toespeling op haar veroorloofde.

Toen de beide jongelingen boven gekomen waren, was de zon reeds ondergegaan, en vertoonde het uitspansel thans die wondervolle kleurtinten, die alsdan waargenomen worden, en als het ware het afscheid der dagvorstin te kennen geven en het naderen van den somberen nacht aankondigen. Het was als spreidde zich eene streepsgewijze mengeling voor hun oog uit van purper en zwart, van licht en donker, van dag en nacht.

Beide mannen waren nog al dichterlijk begaafd en stonden dan ook dat fraaie schouwspel met belangstelling waar te nemen.

„Herinnert gij u nog onze declamatie-oefeningen te Rolduc?” vroeg Frank. „Dat tafereel hier brengt mij het gedicht van Michaud, dat gij ook kent,le printemps d’un proscritte binnen. Hoe vaak heb ik dat gereciteerd! Weinig vermoedde ik destijds, dat ik in degelegenheidzou komen, als „proscrit” de nauwkeurigheid der schildering zoo te kunnen toetsen. Een gedeelte van dat gedicht, hetwelk zoo merkwaardig overeenkomt met[188]het tafereel, hetwelk wij daar voor oogen hebben, is mij niet uit het hoofd te zetten en doen zich hare Alexandrijnen overluid in mijn brein vernemen.”

En zacht, zeer zacht prevelde hij, om de nabijzijnde militairen zijne ontboezeming niet te laten vernemen:

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .„O qui pourra jamais voir sans être attendriL’éclat demi voilé de l’horizon plus sombre,Ce mélange confus du soleil et de l’ombre,Ces combats indécis de la nuit et du jour,Ces feux mourants épars sur les flots d’alentour,Ce brillant occident où le soleil étaleSa chevelure d’or et sa robe d’opale,Ce ciel qui par degrés se peint d’un gris obscur,Et le jour qui s’éteint sous un voile d’azur.”

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

„O qui pourra jamais voir sans être attendri

L’éclat demi voilé de l’horizon plus sombre,

Ce mélange confus du soleil et de l’ombre,

Ces combats indécis de la nuit et du jour,

Ces feux mourants épars sur les flots d’alentour,

Ce brillant occident où le soleil étale

Sa chevelure d’or et sa robe d’opale,

Ce ciel qui par degrés se peint d’un gris obscur,

Et le jour qui s’éteint sous un voile d’azur.”

Op het achterdek had de heer Groenewald, terwijl zijne dochters met de heeren in gesprek waren en met hen gezamenlijk de fraaie avondtinten ook bewonderden, een ander onderhoud met zijne echtgenoote, dat meer van praktischen zin bij den koffieplanter getuigde:

„Wel,” sprak hij, en daarbij voorzeker op een voorafgaand gesprek doelende, „hoe zijn u die jongelieden meegevallen?”

„Mij, zeer goed,” antwoordde mevrouw Groenewald.

„Eene gedachte weerhoudt mij, om hen nu reeds het voorstel te doen, bij aankomst te Batavia hun ontslag te bewerken, en op mijne koffie-onderneming als opzichters in dienst te treden.”

„En die is?.…”

„Hebt gij wel gemerkt, welke blikken die Frank Brinkman op onze Adelien wierp? Terwijl het mij voorkomt, dat de andere, Herman Riethoven, onze Emma lang niet onverschillig is?”[189]

Mevrouw Groenewald beantwoordde die vraag met eene andere:

„Is het dat alleen wat u weerhoudt?”

„Mij dunkt, dat die opmerking niet van belang ontbloot is,” antwoordde hij. „Vuur met stroo dient niet alzoo, zegt een oud spreekwoord. Ik geloof dat voorzichtigheid hier de boodschap zal zijn. Onze kinderente laten verlieven op twee jongelieden, die niets bezitten en zich nog eene toekomst moeten scheppen.…”

„Dat is het niet wat mij bedenkelijk voorkomt. Wij bezitten voldoend vermogen, om onze twee kinderen onbezorgd de toekomst te gemoet te laten treden. Geeft gij aan de eene het koffieland Wilatoong en aan de andere Koewajangan ten huwelijk mede, dan blijft ons nog Moengong Djamoes over. Onze schoonzoons behoeven dan geen vermogen te bezitten, dan is slechts arbeidzaamheid en gezond verstand noodig, om fatsoenlijk door de wereld te komen. Maar.…”

„Maar?” vroeg mijnheer Groenewald.

„Dat is de bedenking niet, die ik opperen zou. In de eerste plaats zou ik tot schoonzoons wenschen, flinke ontwikkelde mannen, wier gedrag, opvoeding en onbesproken verleden de meeste waarborgen voor het geluk onzer kinderen zouden opleveren, en die daarbij jeugdig genoeg waren om, zonder te veel van hun verleden op te offeren, eene nieuwe loopbaan te kunnen aanvaarden. Dit laatste, dunkt me, is bij die twee onderofficieren aanwezig; maar wie waarborgt ons hun gedrag, wie geeft ons zekerheid omtrent hun verleden?”

„Zoodat gij mij ontraden zoudt die twee jongelieden tot opzichters te nemen?”

„Daar heb ik geen woord van gesproken,” antwoordde mevrouw Groenewald. „Maar, wel raad ik u omzichtig te zijn en u niet te overijlen. Laten wij nog nadere[190]kennis met die jonge mannen maken, dan kunnen wij beter oordeelen. Gij hebt hen des zondags aan tafel verzocht; welnu, wij zullen gelegenheid hebben hen nader te leeren kennen. Nadere kennismaking met onze kinderen zal ons ook moeten aantoonen of wij ons niet vergissen, wanneer wij eene ontluikende genegenheid meenen te ontwaren, waar waarschijnlijk van de eene zijde slechts hoffelijkheid tegenover dames, en van den anderen kant slechts dankbaarheid voor de redding en toenadering tot alles wat jong en vroolijk is, aanwezig geacht moet worden. Laten wij een ongedwongen omgang tusschen de jongelieden begunstigen, dan zullen wij bij het einde der reis over onze verdere gedragslijn kunnen beslissen. Ziedaar mijn raad!”

„En dien raad wensch ik stipt op te volgen,” zei de heer Groenewald, die aan dergelijke eindbesluiten niet ongewoon was.[191]


Back to IndexNext