[Inhoud]IX.Eene lijkplechtigheid aan boord.De nacht was verder ongestoord voorbijgegaan. Toen de dag aanbrak, geleek het dek van deFernandina Maria Emmawel op het kamp eener rooverbende. Op het voorschip, op het middenschip, op het achterschip stonden gewapende troepjes matrozen en onderofficieren, die het geweer niet uit de hand legden. Bij ieder der twee kanonnen, die het schip in zijne volle lengte bestreken, stond een matroos met de brandende lont in de hand.Na de reveille werd het grootluik geopend en mochten de manschappen een voor een het dek bestijgen om hunne hangmatten op de gewone wijze op te bergen. Zij werden daarbij ten scherpste onderzocht en alles, wat maar naar een wapen zweemde, werd hun afgenomen, terwijl het tusschendek zorgvuldig door de matrozen onderzocht en ook daar alles weggenomen werd, wat maar naar wapentuig zweemde. Toen het detachement aangetreden stond, sprak kapitein Van Dam de manschappen toe, vroeg hen wat de redenen waren van hun baldadig gedrag, wees hen op het misdadige daarvan en eischte de opgave der schuldigen.Gedurende het verbinden hadden de gekwetsten in[250]hun doodsangst al menige bekentenis gedaan en menigebijzonderheidaan het licht gebracht; zoodat, toen er eenige aarzeling aan den dag gelegd werd om aan de bevelen van den kapitein te voldoen, hij gelastte dat een zestal manschappen in hechtenis genomen zouden worden. Deze werden dadelijk zwaar geboeid en afzonderlijk op het dek ter hoogte van den fokkemast zoodanig vastgebonden, dat zij met elkander niet spreken konden. Een korporaal werd daarenboven op post geplaatst, om iedere gemeenschap met de manschappen van het detachement te beletten.De aanwijzing der voornaamste schuldigen bleef niet zonder uitwerking op de overige samenzweerders. Allen lieten het hoofd hangen en gaven blijken van innig berouw. Op een gegeven oogenblik drongen zij om kapitein Van Dam en smeekten om vergiffenis.„Het recht moet zijn loop hebben, mannen!” sprak deze. „Gij hebt u zwaar aan de krijgstucht vergrepen. Veel zal evenwel afhangen van uw verder gedrag. Stelt mij in de gelegenheid om bij aankomst te Batavia er op te kunnen wijzen, dat dit berouw oprecht gemeend, dat uw gedrag verder uitmuntend was, dan zal dat voorzeker als verlichtende omstandigheid in aanmerking komen.”„Maar, ik zie den fuselier Zondervan niet,” zei de kapitein, terwijl hij langs de gelederen stapte. „Waar is die?”De naam Zondervan weerklonk overal: op het dek, op het voorschip, op het achterschip, in het tusschendek; geen antwoord werd evenwel gegeven.„Maar, daar bengelt nog eene hangmat, daar ginds in dien hoek van het ruim,” riep een der onderofficieren, die beneden naar den vermisten was gaan zoeken. Hij trad op de hangmat toe.[251]„Hij ligt er in,” riep hij. „Zondervan!.… Zondervan!.… Hemel! hij beweegt zich niet. Hij is dood en reeds stijf!”Toen het oproer uitbarstte, was de jood stil in zijne hangmat blijven liggen. Het had hem evenwel niets gebaat. Een verloren kogel had hem onder de korte ribben getroffen. Zijn doodstrijd was zeer kort geweest, en bij het nachtelijk rumoer onopgemerkt gebleven. Geene uitwendige verbloeding was waargenomen; zoodat Zondervan overleden was zonder dat iemand het wist.Het lijk werd in zijne hangmat genaaid, verder aan het voeteneinde van eene flinke partij zand voorzien, daarna in een Nederlandsche vlag gewikkeld en op de koebrug gelegd, in afwachting dat alles voor de overboordzetting in gereedheid zou gebracht zijn. Die plechtigheid werd tegen het middaguur bepaald. Zoodra het lijk gevonden was, werd de vlag aan de gaffel halfstok gehaald.De gerechtelijke verhooren begonnen nu dadelijk. De luitenants Denniston en Leidermooi werden daartoe in commissie benoemd, terwijl Behren daarbij als secretaris diende.Het geheele snoode bedrijf kwam nu aan het licht. Taugwalder, een gewezen officier van het Engelsche vreemden-legioen, dat voor de Krim bestemd geweest was, maar het niet verder dan Smyrna gebracht had, waar het korps na den val van Sebastopol ontbonden werd, was de leider van het komplot geweest. Hij was ontevreden met zijn lot, dat hij te laat donker inzag, toen hij begreep, dat de officiersrang niet meer voor hem openstond, omdat hij zich door de wervers had laten verlokken om handgeld aan te nemen. Hij was een ontwikkeld en energiek man, wiens verleden onberispelijk was, en waarvan in de koloniën vele diensten hadden[252]kunnen verwacht worden, wanneer hij te Harderwijk iemand aangetroffen had, die hem ten goede geraden had. Toen hij in het Britsche vreemden-legioen getreden was, had hij ook een soort van handgeld of gratificatie genoten. Dat was geen hinderpaal geweest om tot officier bevorderd te worden. Hij had in de meening verkeerd, dat dit evenzoo bij het Nederlandsch-Indische leger het geval zoude zijn, en had zich stellig voorgenomen, door dapperheid, dienstijver en goed gedrag de epauletten te verwerven. Te laat vernam hij dat het handgeld hem den weg tot eene loopbaan, die met zijne opvoeding overeenkwam, afsneed. Het geld, waarop te Harderwijk door zoovelen geaasd werd, was, hoewel niet in uitspattingen, toch met lichtzinnigheid uitgegeven; zoodat, toen hem de oogen opengingen, hij het niet teruggeven kon. Met wanhoop in het hart was hij aan boord gegaan, en met zijne geestkracht had hij in de vele ledige uren, die zoo eene zeereis aanbieden moest, het wanhopige plan gevormd. Het was hem niet te doen geweest om schatten te verwerven, of oneerlijkheid te plegen. Uit het onderzoek bleek voldingend, dat het hem alleen te doen was geweest om zijne vrijheid te herwinnen. Was het de bestemming van het schip geweest eenig tusschenstation aan te doen, alvorens Nederlandsch-Indië te bereiken, dan zou hij ieder plan om zich van het fregat meester te maken, hebben laten varen, wellicht ware het nimmer in zijn brein opgekomen; want dan zou hij een plan tot desertie ontworpen, dat gedurende de lange reis gestreeld, en, het kostte wat het wilde, uitgevoerd hebben. Zooveel bleek verder uit het onderzoek, dat hij aan de samenzweerders aanbevolen had, niet dan in den uitersten nood bloed te vergieten, of levensgevaarlijk geweld te plegen. In een vijftal ontevreden Zwitsers evenals hij, die bij de oproerige Napelsche[253]regimenten in der tijd gediend hadden, vond hij ijverige helpers, en dezen hadden het onzalige onkruid der muiterij onder het meerendeel der vreemdelingen aan boord verbreid. Deze vijf waren eigenlijk zedelijk meer schuldig dan Taugwalder. Wel hadden zij het komplot niet ontworpen, maar zij sloten zich daarbij aan met de geheime gedachte, zich te verrijken met de bezittingen der passagiers, met de lading en met den verkoop van het schip, terwijl hun opperhoofd het voornemen te kennen had gegeven, het schip te Iquique te verlaten, zooals hij aan boord gekomen was, zonder dat een cent, die hem niet toekwam, zijne hand bezoedeld zoude hebben.Uit het onderzoek bleek ook, dat die vijf onverlaten—buiten weten van Taugwalder—reeds om het bezit der beide jonge meisjes, aan boord aanwezig, gedobbeld hadden, en dat bij die vreeselijke partij bepaald was, dat dienzelfden nacht van het oproer hare onteering had moeten voltrokken worden, waarna zij aan de overige muiters zouden overgeleverd zijn.Behren ijsde, toen hij als secretaris die snoode ontwerpen moest opschrijven.Hoe was het echter met die jonge dames gegaan, gedurende de gebeurtenissen, die hierboven verhaald werden?Bij het eerste gerucht waren zij opgevlogen, en hadden bij de ontwikkeling van het drama eene toevlucht in de hut van hare ouders gezocht.Daar zaten alle vier in doodsangst af te wachten, wat aller lot zoude zijn. De meisjes verbloemden zich geenszins, dat dit lot voor haar allerverschrikkelijkst zoude zijn, wanneer de opstandelingen zegevierden. Zij hoorden de worsteling boven, de worsteling beneden; zij vernamen de bijlslagen, die de beschotten en deuren deden[254]bezwijken; de kreten van woede, van vertwijfeling, het schelden en tieren der muiters drongen tot haar door; zij hoorden de kalme aanmaning van kapitein Van Dam; eindelijk deed het salvo geweerschoten hen hevig verschrikt opvliegen, terwijl de arme meisjes in onduldbaren angst, eene toevlucht in de armen harer ouders zochten.Kort daarop verwijderde het gevecht zich, en trad eene doodsche stilte in.Toen de heer Groenewald iets later omzichtig naar buiten trad, ontmoette hij stuurman Bagman, die met den hofmeester den boel in de kerk een weinig kwam opruimen.„Alles afgeloopen, mijnheer Groenewald!” zei hij opgeruimd. „De jonge dames kunnen gerust gaan slapen. De oproerlingen zijn zoo mak als schoothondjes.”Kapitein Butteling gaf een oogenblik later hetzelfde antwoord en denzelfden raad. Toen evenwel de familie Groenewald op meer bijzonderheden aandrong, antwoordde hij:„Morgen, lieve dames! Ik heb nu geen tijd. Ik zou u ook raden thans te gaan rusten. Alle gevaar is voorbij! Ziet, al de heeren komen beneden om ook zoo te doen.”Maar de raad was gemakkelijker gegeven, dan opgevolgd. De gebeurtenissen waren te schrikwekkend en de angst was te groot geweest, om nu reeds rustigen slaap te gedoogen. Iedere voetstap op het dek, ieder gerucht in de kerk of in de kajuit, ja het kraken eener deur of eener plank deed de arme vrouwen ontstellen en den slaap vluchten, die op het punt stond zich harer te ontfermen. Eindelijk toen het daglicht door de patrijspoortjes51gloorde, week de onrust eenigermate en vielen zij in slaap.Toen de jonge dames later op het dek verschenen, waren de sporen van de nachtelijke gebeurtenissen zoo veel[255]mogelijk verwijderd. Het was nabij het middaguur. De scheepsgezaghebber en zijne stuurlui waren bezig met het zonschieten. Het detachement stond op twee gelederen aangetreden, de manschappen met hunne beste plunje aan, de officieren in groot tenu. Ook de scheepsequipage had hare zondagskleederen aan. De vlag wapperde halfstok.„Stop!” riep eensklaps stuurman Abels, terwijl hij zijn sextant nu voor het oog afnam.Onmiddellijk daarop sloeg stuurman Ellenbaan acht glazen op de klok.Zes soldaten traden nu vooruit, lieten het lijk van den fuselier Zondervan, steeds in de Nederlandsche vlag gewikkeld, van de koebrug afglijden, legden het op eene plank, die zij op hunne schouders tilden.„Mijn God! wat gaat er gebeuren?” vroegen Adelien en Emma aan dokter Van Pinksteren.„Een begrafenis, dames,” antwoordde hij hoogst ernstig.„Eene begrafenis? Is er dan iemand dood?”„Een soldaat is heden nacht in zijne hangmat doodgeschoten. Een ander is bij het gevecht omgekomen.”Achter het lijk schaarden zich eerst de officieren; daarachter kwamen de onderofficieren en de manschappen van het detachement; terwijl de trein besloten werd door de scheepsequipage. Toen de stoet gevormd was, zette hij zich in beweging. Driemaal werd het lijk rond het schip gedragen, bij welke omgangen allen volgden. De meeste konden niet nalaten een hoogst ernstigen blik te werpen op de gearresteerden, die op het dek geboeid lagen, en wien de gewelddadige dood van den overledene geweten kon worden. Geen hunner had den moed, om den blik naar het lijk op te slaan. Het geweten zei hun, dat daar een slachtoffer van hunnen aanslag voorbij gedragen werd.[256]Na den derden omgang werd de plank op de valreep aan stuurboordszij gelegd. Het lijk werd van de vlag ontdaan. Kapitein Butteling prevelde een gebed, terwijl het geheele detachement rondom hem stond. Daarna klonk de stem van den eersten stuurman:„Een,—twee,—drie,—in Gods naam!”De bootsman, die bij het neerleggen van het lijk op de valreep de verdere behandeling aanvaard had, wipte bij de laatste woorden de plank rechtstandig, waardoor het lijk er af gleed en in zee plofte. De meeste manschappen vlogen naar de verschansing om hunnen krijgsmakker nog eens te zien. Het was te vergeefs; door de zwaarte van het zand meegesleept, hadden de golven zich reeds boven het lijk gesloten. Zij zagen slechts eenige luchtbellen opborrelen, die bij de vaart, welke het schip liep, al heel spoedig in het zog van het schip verdwenen.Kapitein Butteling gaf een teeken aan een paar matrozen. Deze grepen het lijk van Schlapina, legden het op de plank en lieten het zonder eenig ceremoniëel in zee schuiven. Daarop wenkte de gezagvoerder den scheepsjongen, die bij den spiegel met de vlaggelijn in de hand stond. Statig steeg de driekleur omhoog en wapperde vroolijk aan de gaffel, alsof er niets gebeurd was.„Bezaanschoot aan!” kommandeerde kapitein Butteling.De hoornblazer toeterde het „Wilhelmus”, ten teeken dat eene extra-oorlam uitgereikt werd. Vele manschappen onthielden zich die te nemen. Zij voelden zich te zeer schuldig, om nu al een opwekkende teug te nemen.Terwijl stuurman Bagman met de uitreiking bezig was, zeide hij:„Die arme smous! hij ligt op 3° 29′ zuiderbreedte en 30° 59′ westerlengte in 2200 vademen water!”Dat was de eenige lijkrede, die over Nathan Zondervan[257]uitgesproken werd. Van het andere over boord gezette lijk werd door niemand gerept.De uitgereikte oorlam verdreef al heel spoedig de sombere gedachten, die bij een gedeelte der manschappen door die overboordzetting had kunnen opgewekt zijn. Drie dagen later werd zelfs de naam van den armen jood niet meer genoemd; tenzij door hem aan wien hij zijn rantsoen jenever verschacherde.„Er worden toch kortemettenaan boord met een mensch gemaakt. Tegen het middernachtuur gestorven, en tegen het middaguur reeds voor de haaien,” merkte de heer Groenewald op.„Dat kan niet anders, mijnheer Groenewald,” antwoordde kapitein Butteling. „De man is dood, en wij hadden geen plaats om zijn lijk lang te bewaren. Denk er daarenboven om, dat wij bijna onder de linie zijn. Ik wed dat het lijk nu reeds een luchtje verspreidde. Ik draag ook de verantwoordelijkheid betreffende den gezondheidstoestand van mijne opvarenden!”„Maar heel veel ceremoniëel vergt toch zoo’n begrafenis niet,” meende de oudste der dames Groenewald.„De man is het graf van een eerlijk zeeman deelachtig geworden, juffrouw Emma,” was het ernstige antwoord. „Hij ligt op bijna onpeilbare diepte in den schoot der blauwe wateren. Meer konden wij niet voor hem doen. Ik laat de vraag onbesproken of hij het graf, dat wij hem gaven wel verdiende. Hadden wij stilte gehad, of op eene reede gelegen, dan zouden wij de ra’s kruislings gehaald hebben. Bij deze flinke bries evenwel ware dat Gods weldaden versmaden geweest. Wij mochten daarvan geen zuchtje verloren laten gaan.”DeFernandina Maria Emmarepte zich intusschen voort. De zuidoostpassaat stond flink door, en het schip maakte dagen achtereen gemiddeld 52 mijlen in het etmaal;[258]hetgeen bij de scherp gebraste zeilen een goede vaart mocht genoemd worden. De dagen volgden de een na den anderen en geleken elkander volkomen. De zeilen stonden strak, het schip lag bestendig over een oor,—zooals de zeelui dat noemen,—en wierp met kracht geheele vlokken schuim voor zijn boeg, en ploegde zich een kielwater, dat achteruit tot aan den horizon met het oog te volgen was. Het was of die vore, die met blinkend wit schuim overdekt was, en waartegen de passaatgolfjes als het ware kwamen breken, den langen weg aanwees, die terug naar het verafgelegen vaderland voerde. Het was den reizigers, alsof zich dat kielzog ook nog verder daar achter den horizon afteekende, en als een waarneembaar merk daarstelde voor hen, die hun geboortegrond verlieten.Vooral des avonds, wanneer de zon was ondergegaan en geen maanlicht de donkerheid der nachten temperde, was die vore bewonderenswaardig. Zij was dan in den regel aan een stroom vloeibaar zilver gelijk, te midden waarvan schitterende vuurbollen draaiden en wentelden, uit elkander sprongen, zich weer vereenigden, om zich weer in ontelbare glinsterende punten te verdeelen. Phosphoresceerde52de zee daarbij, wat in deze warme streken niet zeldzaam gebeurde, dan was het schouwspel, hetwelk zich aan de verbaasde blikken voordeed, onbeschrijfelijk fraai. Dan was die zogstreep van het schip nog helderder dan anders, dan waren de daarin draaiende en wentelende bollen nog schitterender; maar dan was daarenboven die vore met eene schitterend vurige franje omzoomd, afkomstig van de golfjes, die er tegen braken. Iedere golf, die zich over dag met een licht randje van wit schuim kuifde, was dan getooid met een zacht schijnend phosphorlicht, dat een vreemden tint aan het donkere water verleende. Dan was, wanneer men zich over de verschansing[259]boog, de romp van het schip, zoo ver hij in het water dook, van gloeiend metaal; dan was de golf, dien de boeg bruisend voor zich uitwierp aan eene vuurbaar van eene schitterende witte tint gelijk, en kon men wanen, als salamanders over eene vuurzee te zweven. Zelfs de golfjes, die dartelend tegen de scheepswandenopspatten, waren aan schitterende vonken gelijk, die in een vurigen regen nedervielen.Op den 15enNovember—het was weer een Zondag—was het buitengewoon warm geweest, hoewel de zuidoostenwind, flink doorblazende, zich beijverd had de temperatuur af te koelen. Maar op dien dag stond de zon, die zich in het hemelteeken deSchorpioen, evenwel dicht bij den Schutter bevond, des middags nagenoeg loodrecht boven het schip en blakerde de zonnetent, zoodat het daaronder gedurende de middaguren bijna niet uit te houden was. Tegen den avond kwam er evenwel verademing. Toen de zonnetent opgerold en middels den spinnekop53omhoog gehaald was, kon de zuidoostpassaat naar hartelust over het dek zwieren en frischheid aanbrengen. Dien avond phosphoresceerde de zee allerprachtigst, en lagen de reizigers langen tijd over de verschansing gebogen, dat fraaie schouwspel te bewonderen. Maar het whist- en quadrillespel riep eindelijk de liefhebbers, en weldra was het vrij eenzaam op het dek, alwaar evenwel de jonge dames Groenewald in gezelschap van Herman Riethoven en Frank Brinkman achtergebleven waren, om nog meer van het fraaie vuurwerk, wat de zee aanbood, te genieten. Adelien en Emma waren evenwel onder de hoede harer moeder, die bij den koekoek in een wipstoel zat te wiegelen. De edele vrouw had in de harten harer dochters gelezen. Zij had daarin eene teedere genegenheid bij ieder harer zien ontluiken. Och! zij was ook jong geweest. Onder haar moederlijk oog[260]mochten hare telgen zich wel aan hare gevoelens overgeven. Toch was de aanblik van die gelukkige kinderen met eenigen weemoed vermengd:„Dochter aan het vrijen, moeder wordt oud!”zong toch Van der Hoop.„O! kijk eens! wat is dat mooi!” kreet Adelien, terwijl zij achter het schip wees, waar de draaikolken door de waterverplaatsing bij de vaart van het schip veroorzaakt, in vurige streepen kronkelden.„En die golfjes, welker kuiven zich vertoonen, als mat zilver,” zei Emma. „Het is of ze door de maan beschenen worden, die zich in hare schuine vlakken weerspiegelt.”„En kijk dames, daar voren die golven eens, die door den voorsteven opgeworpen worden!” zei Herman. „Hoorde men het gebruis van het water niet, dan zou men in de donker kunnen wanen, dat het vurige wol of katoen is, die daar voor den boeg met ongekende kracht en vaart opkrult en oprolt, om een oogenblik later in stroomen en beken van vloeibaar metaal langs de zijden van het schip voorbij te schieten.”„Kijk, wat is daar ginds, daar in de verte, bij het achterschip?.… O! wat is dat mooi,” riep Adelien, terwijl zij in geestdriftvolle bewondering de hand van Frank Brinkman greep, die in hare onmiddellijke nabijheid stond. „O! wat is dat fraai!”Dejongmanscheen daar niet op te letten. Toch voer eene lichte rilling hem door de leden, toen die lieve hand hem aanraakte. Hij was geheel oog voor het schouwspel, dat zich voor zijn oog ontrolde.„Ja, wat is dat mooi!” herhaalde Emma, terwijl zij haar hoofdje naar Herman Riethoven keerde, die vlak naast haar stond, en onbewust in hare opgetogenheid tegen zijnen schouder aanleunde.[261]En werkelijk het gezicht, hetwelk de Oceaan in dat oogenblik aanbood was schoon. Daar naderde eene school van honderde, van duizende visschen, die ongeveer een halve meter lang waren en vrij dicht op elkaar gedrongen, het schip behoedzaam nabij zwommen. Zij hielden zich zoo omstreeks op de diepte van een voet beneden de oppervlakte des waters, zoodat zij duidelijk zichtbaar waren. Het was een wonderschoon schouwspel. Iedere visch vertoonde zich daar in het donkere water, alsof hij in een pantser van gouden schubben gestoken was, terwijl bij iedere beweging der borst-, rug- of staartvinnen, de visch door een lichtend hulsel als door een phosphorischen nevel omgeven werd, waarin zijn spoelvormig lichaam helder uitkwam. Lagen de visschen bewegingloos,—wat bij het naderen van het schip nu en dan gebeurde,—want zij schenen dat gevaarte, hetwelk zij ontwaarden, te willen verkennen, dan was het of zij in schitterend goud gegoten waren. Langzaam, zeer langzaam naderden die visschen, zij naderden nog meer en eindelijk waren zij zoo nabij het schip gekomen, dat de toeschouwers zich over de verschansing moesten buigen om het schoone schouwspel gade te slaan.„O! mama, kom toch kijken,” riep Adelien, terwijl zij plotseling haar lief kopje omwendde, waarbij hare blonde krullen in eene lichte bijna onmerkbare aanraking met Frank’s wang kwamen, die eene siddering van verrukking ondervond.Mevrouw Groenewald stond op en keek, naast de jongelieden plaats nemende, over de verschansing.„Inderdaad,” zei ze, „dat is zeer fraai.”Plotseling openbaarde zich eene hevige beweging onder de steeds naderende visschen. Zij schenen den aard van het schip, dat hunne aandacht trok, herkend te hebben, of wellicht ook door eene andere oorzaak bewogen,[262]zwommen zij bliksemsnel op den romp aan, schoten hem opzijde, zwommen hem voorbij, dartelden met de meest mogelijke levendigheid in den vuurgolf, die voor het schip uitgeworpen werd, stoeiden en krioelden, vloden en vervolgden elkander, schoten en dwarrelden dooreen, zoodat het oog niet altijd de vurige visschen, en de lichtende lijnen, die zij in het water vormden, kon volgen. Soms schoot de geheele school als op kommando gelijktijdig vooruit, en was het of een wedstrijd met het schip moest gehouden worden. Ware zij dan den boeg voorbij—want in snelheid behaalden zij gemakkelijk de overwinning—; dan wendden de dichte gelederen, schoten bliksemsnel langs de andere zijde van het schip, verschenen een oogenblik in het kielzog om het dartele spel van voren af aan weer te beginnen.Dat duurde zoo een poos voort. Bij iedere beweging, die de school visschen maakte, bewogen de jongelieden om haar met de oogen te volgen. De hoofden gingen nu eens rechts, nu eens links, waarbij nu eens een schouder met een anderen schouder, dan weer eene dartele krul met een oor, dat er niet bij hoorde, ook wel bij eene enkele plotselinge beweging eene wang met eene andere wang in aanraking kwam. De opgetogen jongelieden letten daar bijna niet op. De hand, die Adelien bij het begin van hare bewondering gegrepen had, had zij in hare vervoering niet losgelaten. Bij eene beweging, die het meisje maakte, om vlak beneden haar te zien, en waarbij zij zich onvoorzichtig ver over de verschansing boog, omvatte die hand bezorgd haar middel, terwijl Frank met iets angstigs in zijne stem fluisterde:„Wees toch voorzichtig, juffrouw Adelien. Als gij uw evenwicht verloort, ware redding onmogelijk!”Half verschrikt greep het meisje den arm, die haar omvatte, drukte dien zacht, boog zich naar Frank en[263]antwoordde zoo zacht, dat niemand der naastbijzijnde personen iets kon hooren:„Ik dank u, mijnheer Frank, voor uwe bezorgdheid!”In dit oogenblik maakte het schip, door een grooten golf opgetild, onverwachts de beweging van stampen. De hoofden naderden elkander onbewust en onwillekeurig, en de laatste lispelende woorden van de lieve maagd gingen verloren in een kus, die beiden onmachtig geweest waren in dat plechtig oogenblik te weerhouden. Ware het dag geweest, dan zou Adelien den blos niet hebben kunnen verbergen, die haar gelaat overtoog. Toch meende Frank, bij den weerschijn van de lichtende zee, daarvan iets te ontwaren, terwijl het lieve kind vol aandoening hem de hand krampachtig drukte, welke hij gegrepen had. Dat alles was bliksemsnel geschied; niemand had daarvan iets bespeurd; maar ongezocht hadden zich daar twee zielen voor elkander geopenbaard, en hadden zonder een woord te spreken, in tegenwoordigheid der moeder van het meisje, een verbond gesloten, dat op hunne toekomst van veel invloed zou zijn. De handen waren nog ineengestrengeld, toen mevrouw Groenewald vroeg:„Wat zouden dat voor visschen zijn?”„Ik ken ze niet, mevrouw,” antwoordde Herman, die, meer teruggetrokken van aard dan zijn vriend Frank, bij de eerste aanraking van Emma’s hoofdje tegen zijn schouder, ietwat terzijde geweken was.Het moet er bij verteld worden, dat de oudste der beide jonge dames, hoewel hartstochtelijker van aard, hare gevoelens meer in bedwang had. Herman’s schuchtere beweging had zij met een bliksemsnellen blik en onmerkbaren glimlach beantwoord.„Ik ken die visschen niet,” had hij mevrouw Groenewald[264]geantwoord. „Maar.… daar komt stuurman Abels aan. Die zal ons wel kunnen inlichten.”„Wat is er van het believen der dames?” vroeg hij.„Wat zijn dat voor visschen, stuurman?” herhaalde mevrouw Groenewald hare vraag.Abels keek over boord.„Drommels!” zei hij, „dat is fraai!”En naar den kajuitstrap stormende:„Heeren!” riep hij, „komt spoedig boven. Er is iets moois te zien!”In een oogwenk waren de kaarten neergelegd en verschenen de spelers op het dek.„Mooi!”„Prachtig!”„Heerlijk!”„Overschoon!”Die bewonderende uitroepen kruisten elkander allerwege, en wekten de nieuwsgierigheid van de manschappen, die zich nog aan dek bevonden. Weldra was de geheele verschansing met voorovergebogen hoofden getooid om het bewonderenswaardige schouwspel te genieten.„Stuurman Abels, gij hebt ons nog niet gezegd, welke visschen dat zijn,” merkte mevrouw Groenewald met zachte stem op.„O! vergeef mij mevrouw. De wensch om de andere passagiers dat prachtvolle tooneel ook te laten genieten, heeft mij vervoerd. Die visschen noemt men makreelen.54Zoo als gij ziet, worden zij tot ongeveer een halven meter lang en wegen dan omstreeks 2 Ned. pond. Zij vertoonen bij daglicht een blauwen rug met zwarte dwarsbanden, terwijl de buik wit is. Zij worden veel in de Middellandsche zee aangetroffen; maar, zooals gij zien kunt, trekken zij ook in den Atlantischen Oceaan[265]in groote scholen rond. Ik heb er bij het eiland Sint Helena ongeloofelijke hoeveelheden bij elkander gezien. Het vleesch dier visschen is malsch en zeer smakelijk, doch wel een weinig weekachtig, zoodat zij zich minder eigenen om gerookt te worden. Gezouten evenwel worden ze van dat eiland veelvuldig verzonden …”„Wat is dat? Wat is dat?” riepen de passagiers.De steeds helglinsterende visschen schoten als bliksemschichten door elkaar. Het was alsof de vurige slangetjes van een onmetelijk vuurwerk door elkander krioelden. Allen schoten in de diepte.„O! ik zie wat de oorzaak van die vlucht is. Ziet, daar, twee haaien!”En werkelijk daar kwamen twee van die monsters te voorschijn. Hun lichaam was ook ten gevolge van het phosphoresceeren der zee, alsof het van gloeiend metaal was. Toen zij het schip naderden, waren de makreelen, als met een tooverstaf aangeraakt, verdwenen. De beide haaien zwommen een enkele maal zeer langzaam langs het schip op en neer, en volgden vervolgens het schip op eenigen afstand in het kielzog, waarin hun glinsterend lichaam volkomen zichtbaar bleef.„Dat zijn zoogenaamde menschenhaaien55” verklaarde kapitein Butteling. „Zij hebben een grauwkleurig lichaam, daarbij een breeden rug en een platten kop, die van voren driehoekig is. Zij hebben een wijden bek, die bij bejaarde visschen wel eens met zes rijen tanden in iedere kaak gewapend is. De voorste rijen dier tanden, die zaagvormig zijn, staan onbewegelijk in het kaakbeen; terwijl de achterste beweegbaar zijn en door het dier naar willekeur kunnen opgericht of neergeslagen worden. Iedere rij bevat minstens 30 tanden. Zij volgen nu het schip. Dat zal dagen lang duren, en zij zullen ons niet verlaten voor dat de verminderende warmtegraad[266]van het water hen daartoe noodzaken zal. Wee den ongelukkigen, die thans overboord valt. Voor hem is geen redding. Voor dat hulp zou kunnen verleend worden, zou hij door die monsters gehavend en naar de diepte gesleurd zijn.”„Zouden wij niet een haak kunnen uitwerpen?” vroeg Slierendrecht.„Bij de vaart, die het schip thans loopt, is dat niet doenlijk; daarenboven zou ik ongaarne in dit avonduur zoo’n beestje aan boord laten halen. Morgen, als de passaat ietwat mocht verflauwen, dan zou zulks te doen zijn.”„Juist! morgen ochtend,” zei kapitein Van Dam als speler gehaast. „Kom, laat ons ons partijtje vervolgen.”„Wordt die haaiensoort slechts tusschen de keerkringen aangetroffen?” vroeg Van Diepbrugge nog.„Hier wel het meest. Maar men vindt ze toch ook in de Middellandsche zee, alwaar er zelfs van monsterachtige grootte zijn aangetroffen. Het voornaamste voedsel dezer haaien schijnt de thonijn56, waarvan eene soort door den zeeman boniet57genaamd te zijn. Nimmer toch werd zoo’nhaai gevangen of steeds werden een aantal van die visschen in zijn maag aangetroffen. Dat is te merkwaardiger, daar de thonijn tot de stekelvinnigen behoort en dientengevolge venijnig scherpe rugvinnen bezit, die hij bij het minste gevaar overeind zet, even als de waterbaars in ons vaderland bij de nadering van een snoek. Morgen zullen wij waarschijnlijk geheele scholen vliegende visschen te zien krijgen.”„Waaruit leidt gij dat af, kapitein Butteling?” vroeg Slierendrecht.„Wel, uit de aanwezigheid van die school makreelen. Waar die ontmoet worden, zijn de vliegende visschen niet ver af. En omgekeerd, waar de vliegende visschen[267]in groote menigte ontmoet worden, zijn de makreelen en ook de bonieten in de nabijheid.”„Wij hebben nog niet veel vliegende visschen gezien,” meende Van Diepbrugge.„Toch. Zij worden vooral veel en dan met geheele scholen bij zonsopgang waargenomen. Dan.…”„Krijgen wij nu eene verhandeling over de vliegende visschen?” vroeg kapitein Van Dam ongeduldig. „Kom laat ons dan alvorens onze robber uitspelen.”Aan die uitnoodiging was geen weerstand te bieden. Alle heeren stoven naar beneden. Ook mevrouw Groenewald verliet met hare twee dochters het dek. Zij meende, in weerwil van het protest der jonge meisjes, dat het tijd was om te gaan rusten.[268]
[Inhoud]IX.Eene lijkplechtigheid aan boord.De nacht was verder ongestoord voorbijgegaan. Toen de dag aanbrak, geleek het dek van deFernandina Maria Emmawel op het kamp eener rooverbende. Op het voorschip, op het middenschip, op het achterschip stonden gewapende troepjes matrozen en onderofficieren, die het geweer niet uit de hand legden. Bij ieder der twee kanonnen, die het schip in zijne volle lengte bestreken, stond een matroos met de brandende lont in de hand.Na de reveille werd het grootluik geopend en mochten de manschappen een voor een het dek bestijgen om hunne hangmatten op de gewone wijze op te bergen. Zij werden daarbij ten scherpste onderzocht en alles, wat maar naar een wapen zweemde, werd hun afgenomen, terwijl het tusschendek zorgvuldig door de matrozen onderzocht en ook daar alles weggenomen werd, wat maar naar wapentuig zweemde. Toen het detachement aangetreden stond, sprak kapitein Van Dam de manschappen toe, vroeg hen wat de redenen waren van hun baldadig gedrag, wees hen op het misdadige daarvan en eischte de opgave der schuldigen.Gedurende het verbinden hadden de gekwetsten in[250]hun doodsangst al menige bekentenis gedaan en menigebijzonderheidaan het licht gebracht; zoodat, toen er eenige aarzeling aan den dag gelegd werd om aan de bevelen van den kapitein te voldoen, hij gelastte dat een zestal manschappen in hechtenis genomen zouden worden. Deze werden dadelijk zwaar geboeid en afzonderlijk op het dek ter hoogte van den fokkemast zoodanig vastgebonden, dat zij met elkander niet spreken konden. Een korporaal werd daarenboven op post geplaatst, om iedere gemeenschap met de manschappen van het detachement te beletten.De aanwijzing der voornaamste schuldigen bleef niet zonder uitwerking op de overige samenzweerders. Allen lieten het hoofd hangen en gaven blijken van innig berouw. Op een gegeven oogenblik drongen zij om kapitein Van Dam en smeekten om vergiffenis.„Het recht moet zijn loop hebben, mannen!” sprak deze. „Gij hebt u zwaar aan de krijgstucht vergrepen. Veel zal evenwel afhangen van uw verder gedrag. Stelt mij in de gelegenheid om bij aankomst te Batavia er op te kunnen wijzen, dat dit berouw oprecht gemeend, dat uw gedrag verder uitmuntend was, dan zal dat voorzeker als verlichtende omstandigheid in aanmerking komen.”„Maar, ik zie den fuselier Zondervan niet,” zei de kapitein, terwijl hij langs de gelederen stapte. „Waar is die?”De naam Zondervan weerklonk overal: op het dek, op het voorschip, op het achterschip, in het tusschendek; geen antwoord werd evenwel gegeven.„Maar, daar bengelt nog eene hangmat, daar ginds in dien hoek van het ruim,” riep een der onderofficieren, die beneden naar den vermisten was gaan zoeken. Hij trad op de hangmat toe.[251]„Hij ligt er in,” riep hij. „Zondervan!.… Zondervan!.… Hemel! hij beweegt zich niet. Hij is dood en reeds stijf!”Toen het oproer uitbarstte, was de jood stil in zijne hangmat blijven liggen. Het had hem evenwel niets gebaat. Een verloren kogel had hem onder de korte ribben getroffen. Zijn doodstrijd was zeer kort geweest, en bij het nachtelijk rumoer onopgemerkt gebleven. Geene uitwendige verbloeding was waargenomen; zoodat Zondervan overleden was zonder dat iemand het wist.Het lijk werd in zijne hangmat genaaid, verder aan het voeteneinde van eene flinke partij zand voorzien, daarna in een Nederlandsche vlag gewikkeld en op de koebrug gelegd, in afwachting dat alles voor de overboordzetting in gereedheid zou gebracht zijn. Die plechtigheid werd tegen het middaguur bepaald. Zoodra het lijk gevonden was, werd de vlag aan de gaffel halfstok gehaald.De gerechtelijke verhooren begonnen nu dadelijk. De luitenants Denniston en Leidermooi werden daartoe in commissie benoemd, terwijl Behren daarbij als secretaris diende.Het geheele snoode bedrijf kwam nu aan het licht. Taugwalder, een gewezen officier van het Engelsche vreemden-legioen, dat voor de Krim bestemd geweest was, maar het niet verder dan Smyrna gebracht had, waar het korps na den val van Sebastopol ontbonden werd, was de leider van het komplot geweest. Hij was ontevreden met zijn lot, dat hij te laat donker inzag, toen hij begreep, dat de officiersrang niet meer voor hem openstond, omdat hij zich door de wervers had laten verlokken om handgeld aan te nemen. Hij was een ontwikkeld en energiek man, wiens verleden onberispelijk was, en waarvan in de koloniën vele diensten hadden[252]kunnen verwacht worden, wanneer hij te Harderwijk iemand aangetroffen had, die hem ten goede geraden had. Toen hij in het Britsche vreemden-legioen getreden was, had hij ook een soort van handgeld of gratificatie genoten. Dat was geen hinderpaal geweest om tot officier bevorderd te worden. Hij had in de meening verkeerd, dat dit evenzoo bij het Nederlandsch-Indische leger het geval zoude zijn, en had zich stellig voorgenomen, door dapperheid, dienstijver en goed gedrag de epauletten te verwerven. Te laat vernam hij dat het handgeld hem den weg tot eene loopbaan, die met zijne opvoeding overeenkwam, afsneed. Het geld, waarop te Harderwijk door zoovelen geaasd werd, was, hoewel niet in uitspattingen, toch met lichtzinnigheid uitgegeven; zoodat, toen hem de oogen opengingen, hij het niet teruggeven kon. Met wanhoop in het hart was hij aan boord gegaan, en met zijne geestkracht had hij in de vele ledige uren, die zoo eene zeereis aanbieden moest, het wanhopige plan gevormd. Het was hem niet te doen geweest om schatten te verwerven, of oneerlijkheid te plegen. Uit het onderzoek bleek voldingend, dat het hem alleen te doen was geweest om zijne vrijheid te herwinnen. Was het de bestemming van het schip geweest eenig tusschenstation aan te doen, alvorens Nederlandsch-Indië te bereiken, dan zou hij ieder plan om zich van het fregat meester te maken, hebben laten varen, wellicht ware het nimmer in zijn brein opgekomen; want dan zou hij een plan tot desertie ontworpen, dat gedurende de lange reis gestreeld, en, het kostte wat het wilde, uitgevoerd hebben. Zooveel bleek verder uit het onderzoek, dat hij aan de samenzweerders aanbevolen had, niet dan in den uitersten nood bloed te vergieten, of levensgevaarlijk geweld te plegen. In een vijftal ontevreden Zwitsers evenals hij, die bij de oproerige Napelsche[253]regimenten in der tijd gediend hadden, vond hij ijverige helpers, en dezen hadden het onzalige onkruid der muiterij onder het meerendeel der vreemdelingen aan boord verbreid. Deze vijf waren eigenlijk zedelijk meer schuldig dan Taugwalder. Wel hadden zij het komplot niet ontworpen, maar zij sloten zich daarbij aan met de geheime gedachte, zich te verrijken met de bezittingen der passagiers, met de lading en met den verkoop van het schip, terwijl hun opperhoofd het voornemen te kennen had gegeven, het schip te Iquique te verlaten, zooals hij aan boord gekomen was, zonder dat een cent, die hem niet toekwam, zijne hand bezoedeld zoude hebben.Uit het onderzoek bleek ook, dat die vijf onverlaten—buiten weten van Taugwalder—reeds om het bezit der beide jonge meisjes, aan boord aanwezig, gedobbeld hadden, en dat bij die vreeselijke partij bepaald was, dat dienzelfden nacht van het oproer hare onteering had moeten voltrokken worden, waarna zij aan de overige muiters zouden overgeleverd zijn.Behren ijsde, toen hij als secretaris die snoode ontwerpen moest opschrijven.Hoe was het echter met die jonge dames gegaan, gedurende de gebeurtenissen, die hierboven verhaald werden?Bij het eerste gerucht waren zij opgevlogen, en hadden bij de ontwikkeling van het drama eene toevlucht in de hut van hare ouders gezocht.Daar zaten alle vier in doodsangst af te wachten, wat aller lot zoude zijn. De meisjes verbloemden zich geenszins, dat dit lot voor haar allerverschrikkelijkst zoude zijn, wanneer de opstandelingen zegevierden. Zij hoorden de worsteling boven, de worsteling beneden; zij vernamen de bijlslagen, die de beschotten en deuren deden[254]bezwijken; de kreten van woede, van vertwijfeling, het schelden en tieren der muiters drongen tot haar door; zij hoorden de kalme aanmaning van kapitein Van Dam; eindelijk deed het salvo geweerschoten hen hevig verschrikt opvliegen, terwijl de arme meisjes in onduldbaren angst, eene toevlucht in de armen harer ouders zochten.Kort daarop verwijderde het gevecht zich, en trad eene doodsche stilte in.Toen de heer Groenewald iets later omzichtig naar buiten trad, ontmoette hij stuurman Bagman, die met den hofmeester den boel in de kerk een weinig kwam opruimen.„Alles afgeloopen, mijnheer Groenewald!” zei hij opgeruimd. „De jonge dames kunnen gerust gaan slapen. De oproerlingen zijn zoo mak als schoothondjes.”Kapitein Butteling gaf een oogenblik later hetzelfde antwoord en denzelfden raad. Toen evenwel de familie Groenewald op meer bijzonderheden aandrong, antwoordde hij:„Morgen, lieve dames! Ik heb nu geen tijd. Ik zou u ook raden thans te gaan rusten. Alle gevaar is voorbij! Ziet, al de heeren komen beneden om ook zoo te doen.”Maar de raad was gemakkelijker gegeven, dan opgevolgd. De gebeurtenissen waren te schrikwekkend en de angst was te groot geweest, om nu reeds rustigen slaap te gedoogen. Iedere voetstap op het dek, ieder gerucht in de kerk of in de kajuit, ja het kraken eener deur of eener plank deed de arme vrouwen ontstellen en den slaap vluchten, die op het punt stond zich harer te ontfermen. Eindelijk toen het daglicht door de patrijspoortjes51gloorde, week de onrust eenigermate en vielen zij in slaap.Toen de jonge dames later op het dek verschenen, waren de sporen van de nachtelijke gebeurtenissen zoo veel[255]mogelijk verwijderd. Het was nabij het middaguur. De scheepsgezaghebber en zijne stuurlui waren bezig met het zonschieten. Het detachement stond op twee gelederen aangetreden, de manschappen met hunne beste plunje aan, de officieren in groot tenu. Ook de scheepsequipage had hare zondagskleederen aan. De vlag wapperde halfstok.„Stop!” riep eensklaps stuurman Abels, terwijl hij zijn sextant nu voor het oog afnam.Onmiddellijk daarop sloeg stuurman Ellenbaan acht glazen op de klok.Zes soldaten traden nu vooruit, lieten het lijk van den fuselier Zondervan, steeds in de Nederlandsche vlag gewikkeld, van de koebrug afglijden, legden het op eene plank, die zij op hunne schouders tilden.„Mijn God! wat gaat er gebeuren?” vroegen Adelien en Emma aan dokter Van Pinksteren.„Een begrafenis, dames,” antwoordde hij hoogst ernstig.„Eene begrafenis? Is er dan iemand dood?”„Een soldaat is heden nacht in zijne hangmat doodgeschoten. Een ander is bij het gevecht omgekomen.”Achter het lijk schaarden zich eerst de officieren; daarachter kwamen de onderofficieren en de manschappen van het detachement; terwijl de trein besloten werd door de scheepsequipage. Toen de stoet gevormd was, zette hij zich in beweging. Driemaal werd het lijk rond het schip gedragen, bij welke omgangen allen volgden. De meeste konden niet nalaten een hoogst ernstigen blik te werpen op de gearresteerden, die op het dek geboeid lagen, en wien de gewelddadige dood van den overledene geweten kon worden. Geen hunner had den moed, om den blik naar het lijk op te slaan. Het geweten zei hun, dat daar een slachtoffer van hunnen aanslag voorbij gedragen werd.[256]Na den derden omgang werd de plank op de valreep aan stuurboordszij gelegd. Het lijk werd van de vlag ontdaan. Kapitein Butteling prevelde een gebed, terwijl het geheele detachement rondom hem stond. Daarna klonk de stem van den eersten stuurman:„Een,—twee,—drie,—in Gods naam!”De bootsman, die bij het neerleggen van het lijk op de valreep de verdere behandeling aanvaard had, wipte bij de laatste woorden de plank rechtstandig, waardoor het lijk er af gleed en in zee plofte. De meeste manschappen vlogen naar de verschansing om hunnen krijgsmakker nog eens te zien. Het was te vergeefs; door de zwaarte van het zand meegesleept, hadden de golven zich reeds boven het lijk gesloten. Zij zagen slechts eenige luchtbellen opborrelen, die bij de vaart, welke het schip liep, al heel spoedig in het zog van het schip verdwenen.Kapitein Butteling gaf een teeken aan een paar matrozen. Deze grepen het lijk van Schlapina, legden het op de plank en lieten het zonder eenig ceremoniëel in zee schuiven. Daarop wenkte de gezagvoerder den scheepsjongen, die bij den spiegel met de vlaggelijn in de hand stond. Statig steeg de driekleur omhoog en wapperde vroolijk aan de gaffel, alsof er niets gebeurd was.„Bezaanschoot aan!” kommandeerde kapitein Butteling.De hoornblazer toeterde het „Wilhelmus”, ten teeken dat eene extra-oorlam uitgereikt werd. Vele manschappen onthielden zich die te nemen. Zij voelden zich te zeer schuldig, om nu al een opwekkende teug te nemen.Terwijl stuurman Bagman met de uitreiking bezig was, zeide hij:„Die arme smous! hij ligt op 3° 29′ zuiderbreedte en 30° 59′ westerlengte in 2200 vademen water!”Dat was de eenige lijkrede, die over Nathan Zondervan[257]uitgesproken werd. Van het andere over boord gezette lijk werd door niemand gerept.De uitgereikte oorlam verdreef al heel spoedig de sombere gedachten, die bij een gedeelte der manschappen door die overboordzetting had kunnen opgewekt zijn. Drie dagen later werd zelfs de naam van den armen jood niet meer genoemd; tenzij door hem aan wien hij zijn rantsoen jenever verschacherde.„Er worden toch kortemettenaan boord met een mensch gemaakt. Tegen het middernachtuur gestorven, en tegen het middaguur reeds voor de haaien,” merkte de heer Groenewald op.„Dat kan niet anders, mijnheer Groenewald,” antwoordde kapitein Butteling. „De man is dood, en wij hadden geen plaats om zijn lijk lang te bewaren. Denk er daarenboven om, dat wij bijna onder de linie zijn. Ik wed dat het lijk nu reeds een luchtje verspreidde. Ik draag ook de verantwoordelijkheid betreffende den gezondheidstoestand van mijne opvarenden!”„Maar heel veel ceremoniëel vergt toch zoo’n begrafenis niet,” meende de oudste der dames Groenewald.„De man is het graf van een eerlijk zeeman deelachtig geworden, juffrouw Emma,” was het ernstige antwoord. „Hij ligt op bijna onpeilbare diepte in den schoot der blauwe wateren. Meer konden wij niet voor hem doen. Ik laat de vraag onbesproken of hij het graf, dat wij hem gaven wel verdiende. Hadden wij stilte gehad, of op eene reede gelegen, dan zouden wij de ra’s kruislings gehaald hebben. Bij deze flinke bries evenwel ware dat Gods weldaden versmaden geweest. Wij mochten daarvan geen zuchtje verloren laten gaan.”DeFernandina Maria Emmarepte zich intusschen voort. De zuidoostpassaat stond flink door, en het schip maakte dagen achtereen gemiddeld 52 mijlen in het etmaal;[258]hetgeen bij de scherp gebraste zeilen een goede vaart mocht genoemd worden. De dagen volgden de een na den anderen en geleken elkander volkomen. De zeilen stonden strak, het schip lag bestendig over een oor,—zooals de zeelui dat noemen,—en wierp met kracht geheele vlokken schuim voor zijn boeg, en ploegde zich een kielwater, dat achteruit tot aan den horizon met het oog te volgen was. Het was of die vore, die met blinkend wit schuim overdekt was, en waartegen de passaatgolfjes als het ware kwamen breken, den langen weg aanwees, die terug naar het verafgelegen vaderland voerde. Het was den reizigers, alsof zich dat kielzog ook nog verder daar achter den horizon afteekende, en als een waarneembaar merk daarstelde voor hen, die hun geboortegrond verlieten.Vooral des avonds, wanneer de zon was ondergegaan en geen maanlicht de donkerheid der nachten temperde, was die vore bewonderenswaardig. Zij was dan in den regel aan een stroom vloeibaar zilver gelijk, te midden waarvan schitterende vuurbollen draaiden en wentelden, uit elkander sprongen, zich weer vereenigden, om zich weer in ontelbare glinsterende punten te verdeelen. Phosphoresceerde52de zee daarbij, wat in deze warme streken niet zeldzaam gebeurde, dan was het schouwspel, hetwelk zich aan de verbaasde blikken voordeed, onbeschrijfelijk fraai. Dan was die zogstreep van het schip nog helderder dan anders, dan waren de daarin draaiende en wentelende bollen nog schitterender; maar dan was daarenboven die vore met eene schitterend vurige franje omzoomd, afkomstig van de golfjes, die er tegen braken. Iedere golf, die zich over dag met een licht randje van wit schuim kuifde, was dan getooid met een zacht schijnend phosphorlicht, dat een vreemden tint aan het donkere water verleende. Dan was, wanneer men zich over de verschansing[259]boog, de romp van het schip, zoo ver hij in het water dook, van gloeiend metaal; dan was de golf, dien de boeg bruisend voor zich uitwierp aan eene vuurbaar van eene schitterende witte tint gelijk, en kon men wanen, als salamanders over eene vuurzee te zweven. Zelfs de golfjes, die dartelend tegen de scheepswandenopspatten, waren aan schitterende vonken gelijk, die in een vurigen regen nedervielen.Op den 15enNovember—het was weer een Zondag—was het buitengewoon warm geweest, hoewel de zuidoostenwind, flink doorblazende, zich beijverd had de temperatuur af te koelen. Maar op dien dag stond de zon, die zich in het hemelteeken deSchorpioen, evenwel dicht bij den Schutter bevond, des middags nagenoeg loodrecht boven het schip en blakerde de zonnetent, zoodat het daaronder gedurende de middaguren bijna niet uit te houden was. Tegen den avond kwam er evenwel verademing. Toen de zonnetent opgerold en middels den spinnekop53omhoog gehaald was, kon de zuidoostpassaat naar hartelust over het dek zwieren en frischheid aanbrengen. Dien avond phosphoresceerde de zee allerprachtigst, en lagen de reizigers langen tijd over de verschansing gebogen, dat fraaie schouwspel te bewonderen. Maar het whist- en quadrillespel riep eindelijk de liefhebbers, en weldra was het vrij eenzaam op het dek, alwaar evenwel de jonge dames Groenewald in gezelschap van Herman Riethoven en Frank Brinkman achtergebleven waren, om nog meer van het fraaie vuurwerk, wat de zee aanbood, te genieten. Adelien en Emma waren evenwel onder de hoede harer moeder, die bij den koekoek in een wipstoel zat te wiegelen. De edele vrouw had in de harten harer dochters gelezen. Zij had daarin eene teedere genegenheid bij ieder harer zien ontluiken. Och! zij was ook jong geweest. Onder haar moederlijk oog[260]mochten hare telgen zich wel aan hare gevoelens overgeven. Toch was de aanblik van die gelukkige kinderen met eenigen weemoed vermengd:„Dochter aan het vrijen, moeder wordt oud!”zong toch Van der Hoop.„O! kijk eens! wat is dat mooi!” kreet Adelien, terwijl zij achter het schip wees, waar de draaikolken door de waterverplaatsing bij de vaart van het schip veroorzaakt, in vurige streepen kronkelden.„En die golfjes, welker kuiven zich vertoonen, als mat zilver,” zei Emma. „Het is of ze door de maan beschenen worden, die zich in hare schuine vlakken weerspiegelt.”„En kijk dames, daar voren die golven eens, die door den voorsteven opgeworpen worden!” zei Herman. „Hoorde men het gebruis van het water niet, dan zou men in de donker kunnen wanen, dat het vurige wol of katoen is, die daar voor den boeg met ongekende kracht en vaart opkrult en oprolt, om een oogenblik later in stroomen en beken van vloeibaar metaal langs de zijden van het schip voorbij te schieten.”„Kijk, wat is daar ginds, daar in de verte, bij het achterschip?.… O! wat is dat mooi,” riep Adelien, terwijl zij in geestdriftvolle bewondering de hand van Frank Brinkman greep, die in hare onmiddellijke nabijheid stond. „O! wat is dat fraai!”Dejongmanscheen daar niet op te letten. Toch voer eene lichte rilling hem door de leden, toen die lieve hand hem aanraakte. Hij was geheel oog voor het schouwspel, dat zich voor zijn oog ontrolde.„Ja, wat is dat mooi!” herhaalde Emma, terwijl zij haar hoofdje naar Herman Riethoven keerde, die vlak naast haar stond, en onbewust in hare opgetogenheid tegen zijnen schouder aanleunde.[261]En werkelijk het gezicht, hetwelk de Oceaan in dat oogenblik aanbood was schoon. Daar naderde eene school van honderde, van duizende visschen, die ongeveer een halve meter lang waren en vrij dicht op elkaar gedrongen, het schip behoedzaam nabij zwommen. Zij hielden zich zoo omstreeks op de diepte van een voet beneden de oppervlakte des waters, zoodat zij duidelijk zichtbaar waren. Het was een wonderschoon schouwspel. Iedere visch vertoonde zich daar in het donkere water, alsof hij in een pantser van gouden schubben gestoken was, terwijl bij iedere beweging der borst-, rug- of staartvinnen, de visch door een lichtend hulsel als door een phosphorischen nevel omgeven werd, waarin zijn spoelvormig lichaam helder uitkwam. Lagen de visschen bewegingloos,—wat bij het naderen van het schip nu en dan gebeurde,—want zij schenen dat gevaarte, hetwelk zij ontwaarden, te willen verkennen, dan was het of zij in schitterend goud gegoten waren. Langzaam, zeer langzaam naderden die visschen, zij naderden nog meer en eindelijk waren zij zoo nabij het schip gekomen, dat de toeschouwers zich over de verschansing moesten buigen om het schoone schouwspel gade te slaan.„O! mama, kom toch kijken,” riep Adelien, terwijl zij plotseling haar lief kopje omwendde, waarbij hare blonde krullen in eene lichte bijna onmerkbare aanraking met Frank’s wang kwamen, die eene siddering van verrukking ondervond.Mevrouw Groenewald stond op en keek, naast de jongelieden plaats nemende, over de verschansing.„Inderdaad,” zei ze, „dat is zeer fraai.”Plotseling openbaarde zich eene hevige beweging onder de steeds naderende visschen. Zij schenen den aard van het schip, dat hunne aandacht trok, herkend te hebben, of wellicht ook door eene andere oorzaak bewogen,[262]zwommen zij bliksemsnel op den romp aan, schoten hem opzijde, zwommen hem voorbij, dartelden met de meest mogelijke levendigheid in den vuurgolf, die voor het schip uitgeworpen werd, stoeiden en krioelden, vloden en vervolgden elkander, schoten en dwarrelden dooreen, zoodat het oog niet altijd de vurige visschen, en de lichtende lijnen, die zij in het water vormden, kon volgen. Soms schoot de geheele school als op kommando gelijktijdig vooruit, en was het of een wedstrijd met het schip moest gehouden worden. Ware zij dan den boeg voorbij—want in snelheid behaalden zij gemakkelijk de overwinning—; dan wendden de dichte gelederen, schoten bliksemsnel langs de andere zijde van het schip, verschenen een oogenblik in het kielzog om het dartele spel van voren af aan weer te beginnen.Dat duurde zoo een poos voort. Bij iedere beweging, die de school visschen maakte, bewogen de jongelieden om haar met de oogen te volgen. De hoofden gingen nu eens rechts, nu eens links, waarbij nu eens een schouder met een anderen schouder, dan weer eene dartele krul met een oor, dat er niet bij hoorde, ook wel bij eene enkele plotselinge beweging eene wang met eene andere wang in aanraking kwam. De opgetogen jongelieden letten daar bijna niet op. De hand, die Adelien bij het begin van hare bewondering gegrepen had, had zij in hare vervoering niet losgelaten. Bij eene beweging, die het meisje maakte, om vlak beneden haar te zien, en waarbij zij zich onvoorzichtig ver over de verschansing boog, omvatte die hand bezorgd haar middel, terwijl Frank met iets angstigs in zijne stem fluisterde:„Wees toch voorzichtig, juffrouw Adelien. Als gij uw evenwicht verloort, ware redding onmogelijk!”Half verschrikt greep het meisje den arm, die haar omvatte, drukte dien zacht, boog zich naar Frank en[263]antwoordde zoo zacht, dat niemand der naastbijzijnde personen iets kon hooren:„Ik dank u, mijnheer Frank, voor uwe bezorgdheid!”In dit oogenblik maakte het schip, door een grooten golf opgetild, onverwachts de beweging van stampen. De hoofden naderden elkander onbewust en onwillekeurig, en de laatste lispelende woorden van de lieve maagd gingen verloren in een kus, die beiden onmachtig geweest waren in dat plechtig oogenblik te weerhouden. Ware het dag geweest, dan zou Adelien den blos niet hebben kunnen verbergen, die haar gelaat overtoog. Toch meende Frank, bij den weerschijn van de lichtende zee, daarvan iets te ontwaren, terwijl het lieve kind vol aandoening hem de hand krampachtig drukte, welke hij gegrepen had. Dat alles was bliksemsnel geschied; niemand had daarvan iets bespeurd; maar ongezocht hadden zich daar twee zielen voor elkander geopenbaard, en hadden zonder een woord te spreken, in tegenwoordigheid der moeder van het meisje, een verbond gesloten, dat op hunne toekomst van veel invloed zou zijn. De handen waren nog ineengestrengeld, toen mevrouw Groenewald vroeg:„Wat zouden dat voor visschen zijn?”„Ik ken ze niet, mevrouw,” antwoordde Herman, die, meer teruggetrokken van aard dan zijn vriend Frank, bij de eerste aanraking van Emma’s hoofdje tegen zijn schouder, ietwat terzijde geweken was.Het moet er bij verteld worden, dat de oudste der beide jonge dames, hoewel hartstochtelijker van aard, hare gevoelens meer in bedwang had. Herman’s schuchtere beweging had zij met een bliksemsnellen blik en onmerkbaren glimlach beantwoord.„Ik ken die visschen niet,” had hij mevrouw Groenewald[264]geantwoord. „Maar.… daar komt stuurman Abels aan. Die zal ons wel kunnen inlichten.”„Wat is er van het believen der dames?” vroeg hij.„Wat zijn dat voor visschen, stuurman?” herhaalde mevrouw Groenewald hare vraag.Abels keek over boord.„Drommels!” zei hij, „dat is fraai!”En naar den kajuitstrap stormende:„Heeren!” riep hij, „komt spoedig boven. Er is iets moois te zien!”In een oogwenk waren de kaarten neergelegd en verschenen de spelers op het dek.„Mooi!”„Prachtig!”„Heerlijk!”„Overschoon!”Die bewonderende uitroepen kruisten elkander allerwege, en wekten de nieuwsgierigheid van de manschappen, die zich nog aan dek bevonden. Weldra was de geheele verschansing met voorovergebogen hoofden getooid om het bewonderenswaardige schouwspel te genieten.„Stuurman Abels, gij hebt ons nog niet gezegd, welke visschen dat zijn,” merkte mevrouw Groenewald met zachte stem op.„O! vergeef mij mevrouw. De wensch om de andere passagiers dat prachtvolle tooneel ook te laten genieten, heeft mij vervoerd. Die visschen noemt men makreelen.54Zoo als gij ziet, worden zij tot ongeveer een halven meter lang en wegen dan omstreeks 2 Ned. pond. Zij vertoonen bij daglicht een blauwen rug met zwarte dwarsbanden, terwijl de buik wit is. Zij worden veel in de Middellandsche zee aangetroffen; maar, zooals gij zien kunt, trekken zij ook in den Atlantischen Oceaan[265]in groote scholen rond. Ik heb er bij het eiland Sint Helena ongeloofelijke hoeveelheden bij elkander gezien. Het vleesch dier visschen is malsch en zeer smakelijk, doch wel een weinig weekachtig, zoodat zij zich minder eigenen om gerookt te worden. Gezouten evenwel worden ze van dat eiland veelvuldig verzonden …”„Wat is dat? Wat is dat?” riepen de passagiers.De steeds helglinsterende visschen schoten als bliksemschichten door elkaar. Het was alsof de vurige slangetjes van een onmetelijk vuurwerk door elkander krioelden. Allen schoten in de diepte.„O! ik zie wat de oorzaak van die vlucht is. Ziet, daar, twee haaien!”En werkelijk daar kwamen twee van die monsters te voorschijn. Hun lichaam was ook ten gevolge van het phosphoresceeren der zee, alsof het van gloeiend metaal was. Toen zij het schip naderden, waren de makreelen, als met een tooverstaf aangeraakt, verdwenen. De beide haaien zwommen een enkele maal zeer langzaam langs het schip op en neer, en volgden vervolgens het schip op eenigen afstand in het kielzog, waarin hun glinsterend lichaam volkomen zichtbaar bleef.„Dat zijn zoogenaamde menschenhaaien55” verklaarde kapitein Butteling. „Zij hebben een grauwkleurig lichaam, daarbij een breeden rug en een platten kop, die van voren driehoekig is. Zij hebben een wijden bek, die bij bejaarde visschen wel eens met zes rijen tanden in iedere kaak gewapend is. De voorste rijen dier tanden, die zaagvormig zijn, staan onbewegelijk in het kaakbeen; terwijl de achterste beweegbaar zijn en door het dier naar willekeur kunnen opgericht of neergeslagen worden. Iedere rij bevat minstens 30 tanden. Zij volgen nu het schip. Dat zal dagen lang duren, en zij zullen ons niet verlaten voor dat de verminderende warmtegraad[266]van het water hen daartoe noodzaken zal. Wee den ongelukkigen, die thans overboord valt. Voor hem is geen redding. Voor dat hulp zou kunnen verleend worden, zou hij door die monsters gehavend en naar de diepte gesleurd zijn.”„Zouden wij niet een haak kunnen uitwerpen?” vroeg Slierendrecht.„Bij de vaart, die het schip thans loopt, is dat niet doenlijk; daarenboven zou ik ongaarne in dit avonduur zoo’n beestje aan boord laten halen. Morgen, als de passaat ietwat mocht verflauwen, dan zou zulks te doen zijn.”„Juist! morgen ochtend,” zei kapitein Van Dam als speler gehaast. „Kom, laat ons ons partijtje vervolgen.”„Wordt die haaiensoort slechts tusschen de keerkringen aangetroffen?” vroeg Van Diepbrugge nog.„Hier wel het meest. Maar men vindt ze toch ook in de Middellandsche zee, alwaar er zelfs van monsterachtige grootte zijn aangetroffen. Het voornaamste voedsel dezer haaien schijnt de thonijn56, waarvan eene soort door den zeeman boniet57genaamd te zijn. Nimmer toch werd zoo’nhaai gevangen of steeds werden een aantal van die visschen in zijn maag aangetroffen. Dat is te merkwaardiger, daar de thonijn tot de stekelvinnigen behoort en dientengevolge venijnig scherpe rugvinnen bezit, die hij bij het minste gevaar overeind zet, even als de waterbaars in ons vaderland bij de nadering van een snoek. Morgen zullen wij waarschijnlijk geheele scholen vliegende visschen te zien krijgen.”„Waaruit leidt gij dat af, kapitein Butteling?” vroeg Slierendrecht.„Wel, uit de aanwezigheid van die school makreelen. Waar die ontmoet worden, zijn de vliegende visschen niet ver af. En omgekeerd, waar de vliegende visschen[267]in groote menigte ontmoet worden, zijn de makreelen en ook de bonieten in de nabijheid.”„Wij hebben nog niet veel vliegende visschen gezien,” meende Van Diepbrugge.„Toch. Zij worden vooral veel en dan met geheele scholen bij zonsopgang waargenomen. Dan.…”„Krijgen wij nu eene verhandeling over de vliegende visschen?” vroeg kapitein Van Dam ongeduldig. „Kom laat ons dan alvorens onze robber uitspelen.”Aan die uitnoodiging was geen weerstand te bieden. Alle heeren stoven naar beneden. Ook mevrouw Groenewald verliet met hare twee dochters het dek. Zij meende, in weerwil van het protest der jonge meisjes, dat het tijd was om te gaan rusten.[268]
[Inhoud]IX.Eene lijkplechtigheid aan boord.De nacht was verder ongestoord voorbijgegaan. Toen de dag aanbrak, geleek het dek van deFernandina Maria Emmawel op het kamp eener rooverbende. Op het voorschip, op het middenschip, op het achterschip stonden gewapende troepjes matrozen en onderofficieren, die het geweer niet uit de hand legden. Bij ieder der twee kanonnen, die het schip in zijne volle lengte bestreken, stond een matroos met de brandende lont in de hand.Na de reveille werd het grootluik geopend en mochten de manschappen een voor een het dek bestijgen om hunne hangmatten op de gewone wijze op te bergen. Zij werden daarbij ten scherpste onderzocht en alles, wat maar naar een wapen zweemde, werd hun afgenomen, terwijl het tusschendek zorgvuldig door de matrozen onderzocht en ook daar alles weggenomen werd, wat maar naar wapentuig zweemde. Toen het detachement aangetreden stond, sprak kapitein Van Dam de manschappen toe, vroeg hen wat de redenen waren van hun baldadig gedrag, wees hen op het misdadige daarvan en eischte de opgave der schuldigen.Gedurende het verbinden hadden de gekwetsten in[250]hun doodsangst al menige bekentenis gedaan en menigebijzonderheidaan het licht gebracht; zoodat, toen er eenige aarzeling aan den dag gelegd werd om aan de bevelen van den kapitein te voldoen, hij gelastte dat een zestal manschappen in hechtenis genomen zouden worden. Deze werden dadelijk zwaar geboeid en afzonderlijk op het dek ter hoogte van den fokkemast zoodanig vastgebonden, dat zij met elkander niet spreken konden. Een korporaal werd daarenboven op post geplaatst, om iedere gemeenschap met de manschappen van het detachement te beletten.De aanwijzing der voornaamste schuldigen bleef niet zonder uitwerking op de overige samenzweerders. Allen lieten het hoofd hangen en gaven blijken van innig berouw. Op een gegeven oogenblik drongen zij om kapitein Van Dam en smeekten om vergiffenis.„Het recht moet zijn loop hebben, mannen!” sprak deze. „Gij hebt u zwaar aan de krijgstucht vergrepen. Veel zal evenwel afhangen van uw verder gedrag. Stelt mij in de gelegenheid om bij aankomst te Batavia er op te kunnen wijzen, dat dit berouw oprecht gemeend, dat uw gedrag verder uitmuntend was, dan zal dat voorzeker als verlichtende omstandigheid in aanmerking komen.”„Maar, ik zie den fuselier Zondervan niet,” zei de kapitein, terwijl hij langs de gelederen stapte. „Waar is die?”De naam Zondervan weerklonk overal: op het dek, op het voorschip, op het achterschip, in het tusschendek; geen antwoord werd evenwel gegeven.„Maar, daar bengelt nog eene hangmat, daar ginds in dien hoek van het ruim,” riep een der onderofficieren, die beneden naar den vermisten was gaan zoeken. Hij trad op de hangmat toe.[251]„Hij ligt er in,” riep hij. „Zondervan!.… Zondervan!.… Hemel! hij beweegt zich niet. Hij is dood en reeds stijf!”Toen het oproer uitbarstte, was de jood stil in zijne hangmat blijven liggen. Het had hem evenwel niets gebaat. Een verloren kogel had hem onder de korte ribben getroffen. Zijn doodstrijd was zeer kort geweest, en bij het nachtelijk rumoer onopgemerkt gebleven. Geene uitwendige verbloeding was waargenomen; zoodat Zondervan overleden was zonder dat iemand het wist.Het lijk werd in zijne hangmat genaaid, verder aan het voeteneinde van eene flinke partij zand voorzien, daarna in een Nederlandsche vlag gewikkeld en op de koebrug gelegd, in afwachting dat alles voor de overboordzetting in gereedheid zou gebracht zijn. Die plechtigheid werd tegen het middaguur bepaald. Zoodra het lijk gevonden was, werd de vlag aan de gaffel halfstok gehaald.De gerechtelijke verhooren begonnen nu dadelijk. De luitenants Denniston en Leidermooi werden daartoe in commissie benoemd, terwijl Behren daarbij als secretaris diende.Het geheele snoode bedrijf kwam nu aan het licht. Taugwalder, een gewezen officier van het Engelsche vreemden-legioen, dat voor de Krim bestemd geweest was, maar het niet verder dan Smyrna gebracht had, waar het korps na den val van Sebastopol ontbonden werd, was de leider van het komplot geweest. Hij was ontevreden met zijn lot, dat hij te laat donker inzag, toen hij begreep, dat de officiersrang niet meer voor hem openstond, omdat hij zich door de wervers had laten verlokken om handgeld aan te nemen. Hij was een ontwikkeld en energiek man, wiens verleden onberispelijk was, en waarvan in de koloniën vele diensten hadden[252]kunnen verwacht worden, wanneer hij te Harderwijk iemand aangetroffen had, die hem ten goede geraden had. Toen hij in het Britsche vreemden-legioen getreden was, had hij ook een soort van handgeld of gratificatie genoten. Dat was geen hinderpaal geweest om tot officier bevorderd te worden. Hij had in de meening verkeerd, dat dit evenzoo bij het Nederlandsch-Indische leger het geval zoude zijn, en had zich stellig voorgenomen, door dapperheid, dienstijver en goed gedrag de epauletten te verwerven. Te laat vernam hij dat het handgeld hem den weg tot eene loopbaan, die met zijne opvoeding overeenkwam, afsneed. Het geld, waarop te Harderwijk door zoovelen geaasd werd, was, hoewel niet in uitspattingen, toch met lichtzinnigheid uitgegeven; zoodat, toen hem de oogen opengingen, hij het niet teruggeven kon. Met wanhoop in het hart was hij aan boord gegaan, en met zijne geestkracht had hij in de vele ledige uren, die zoo eene zeereis aanbieden moest, het wanhopige plan gevormd. Het was hem niet te doen geweest om schatten te verwerven, of oneerlijkheid te plegen. Uit het onderzoek bleek voldingend, dat het hem alleen te doen was geweest om zijne vrijheid te herwinnen. Was het de bestemming van het schip geweest eenig tusschenstation aan te doen, alvorens Nederlandsch-Indië te bereiken, dan zou hij ieder plan om zich van het fregat meester te maken, hebben laten varen, wellicht ware het nimmer in zijn brein opgekomen; want dan zou hij een plan tot desertie ontworpen, dat gedurende de lange reis gestreeld, en, het kostte wat het wilde, uitgevoerd hebben. Zooveel bleek verder uit het onderzoek, dat hij aan de samenzweerders aanbevolen had, niet dan in den uitersten nood bloed te vergieten, of levensgevaarlijk geweld te plegen. In een vijftal ontevreden Zwitsers evenals hij, die bij de oproerige Napelsche[253]regimenten in der tijd gediend hadden, vond hij ijverige helpers, en dezen hadden het onzalige onkruid der muiterij onder het meerendeel der vreemdelingen aan boord verbreid. Deze vijf waren eigenlijk zedelijk meer schuldig dan Taugwalder. Wel hadden zij het komplot niet ontworpen, maar zij sloten zich daarbij aan met de geheime gedachte, zich te verrijken met de bezittingen der passagiers, met de lading en met den verkoop van het schip, terwijl hun opperhoofd het voornemen te kennen had gegeven, het schip te Iquique te verlaten, zooals hij aan boord gekomen was, zonder dat een cent, die hem niet toekwam, zijne hand bezoedeld zoude hebben.Uit het onderzoek bleek ook, dat die vijf onverlaten—buiten weten van Taugwalder—reeds om het bezit der beide jonge meisjes, aan boord aanwezig, gedobbeld hadden, en dat bij die vreeselijke partij bepaald was, dat dienzelfden nacht van het oproer hare onteering had moeten voltrokken worden, waarna zij aan de overige muiters zouden overgeleverd zijn.Behren ijsde, toen hij als secretaris die snoode ontwerpen moest opschrijven.Hoe was het echter met die jonge dames gegaan, gedurende de gebeurtenissen, die hierboven verhaald werden?Bij het eerste gerucht waren zij opgevlogen, en hadden bij de ontwikkeling van het drama eene toevlucht in de hut van hare ouders gezocht.Daar zaten alle vier in doodsangst af te wachten, wat aller lot zoude zijn. De meisjes verbloemden zich geenszins, dat dit lot voor haar allerverschrikkelijkst zoude zijn, wanneer de opstandelingen zegevierden. Zij hoorden de worsteling boven, de worsteling beneden; zij vernamen de bijlslagen, die de beschotten en deuren deden[254]bezwijken; de kreten van woede, van vertwijfeling, het schelden en tieren der muiters drongen tot haar door; zij hoorden de kalme aanmaning van kapitein Van Dam; eindelijk deed het salvo geweerschoten hen hevig verschrikt opvliegen, terwijl de arme meisjes in onduldbaren angst, eene toevlucht in de armen harer ouders zochten.Kort daarop verwijderde het gevecht zich, en trad eene doodsche stilte in.Toen de heer Groenewald iets later omzichtig naar buiten trad, ontmoette hij stuurman Bagman, die met den hofmeester den boel in de kerk een weinig kwam opruimen.„Alles afgeloopen, mijnheer Groenewald!” zei hij opgeruimd. „De jonge dames kunnen gerust gaan slapen. De oproerlingen zijn zoo mak als schoothondjes.”Kapitein Butteling gaf een oogenblik later hetzelfde antwoord en denzelfden raad. Toen evenwel de familie Groenewald op meer bijzonderheden aandrong, antwoordde hij:„Morgen, lieve dames! Ik heb nu geen tijd. Ik zou u ook raden thans te gaan rusten. Alle gevaar is voorbij! Ziet, al de heeren komen beneden om ook zoo te doen.”Maar de raad was gemakkelijker gegeven, dan opgevolgd. De gebeurtenissen waren te schrikwekkend en de angst was te groot geweest, om nu reeds rustigen slaap te gedoogen. Iedere voetstap op het dek, ieder gerucht in de kerk of in de kajuit, ja het kraken eener deur of eener plank deed de arme vrouwen ontstellen en den slaap vluchten, die op het punt stond zich harer te ontfermen. Eindelijk toen het daglicht door de patrijspoortjes51gloorde, week de onrust eenigermate en vielen zij in slaap.Toen de jonge dames later op het dek verschenen, waren de sporen van de nachtelijke gebeurtenissen zoo veel[255]mogelijk verwijderd. Het was nabij het middaguur. De scheepsgezaghebber en zijne stuurlui waren bezig met het zonschieten. Het detachement stond op twee gelederen aangetreden, de manschappen met hunne beste plunje aan, de officieren in groot tenu. Ook de scheepsequipage had hare zondagskleederen aan. De vlag wapperde halfstok.„Stop!” riep eensklaps stuurman Abels, terwijl hij zijn sextant nu voor het oog afnam.Onmiddellijk daarop sloeg stuurman Ellenbaan acht glazen op de klok.Zes soldaten traden nu vooruit, lieten het lijk van den fuselier Zondervan, steeds in de Nederlandsche vlag gewikkeld, van de koebrug afglijden, legden het op eene plank, die zij op hunne schouders tilden.„Mijn God! wat gaat er gebeuren?” vroegen Adelien en Emma aan dokter Van Pinksteren.„Een begrafenis, dames,” antwoordde hij hoogst ernstig.„Eene begrafenis? Is er dan iemand dood?”„Een soldaat is heden nacht in zijne hangmat doodgeschoten. Een ander is bij het gevecht omgekomen.”Achter het lijk schaarden zich eerst de officieren; daarachter kwamen de onderofficieren en de manschappen van het detachement; terwijl de trein besloten werd door de scheepsequipage. Toen de stoet gevormd was, zette hij zich in beweging. Driemaal werd het lijk rond het schip gedragen, bij welke omgangen allen volgden. De meeste konden niet nalaten een hoogst ernstigen blik te werpen op de gearresteerden, die op het dek geboeid lagen, en wien de gewelddadige dood van den overledene geweten kon worden. Geen hunner had den moed, om den blik naar het lijk op te slaan. Het geweten zei hun, dat daar een slachtoffer van hunnen aanslag voorbij gedragen werd.[256]Na den derden omgang werd de plank op de valreep aan stuurboordszij gelegd. Het lijk werd van de vlag ontdaan. Kapitein Butteling prevelde een gebed, terwijl het geheele detachement rondom hem stond. Daarna klonk de stem van den eersten stuurman:„Een,—twee,—drie,—in Gods naam!”De bootsman, die bij het neerleggen van het lijk op de valreep de verdere behandeling aanvaard had, wipte bij de laatste woorden de plank rechtstandig, waardoor het lijk er af gleed en in zee plofte. De meeste manschappen vlogen naar de verschansing om hunnen krijgsmakker nog eens te zien. Het was te vergeefs; door de zwaarte van het zand meegesleept, hadden de golven zich reeds boven het lijk gesloten. Zij zagen slechts eenige luchtbellen opborrelen, die bij de vaart, welke het schip liep, al heel spoedig in het zog van het schip verdwenen.Kapitein Butteling gaf een teeken aan een paar matrozen. Deze grepen het lijk van Schlapina, legden het op de plank en lieten het zonder eenig ceremoniëel in zee schuiven. Daarop wenkte de gezagvoerder den scheepsjongen, die bij den spiegel met de vlaggelijn in de hand stond. Statig steeg de driekleur omhoog en wapperde vroolijk aan de gaffel, alsof er niets gebeurd was.„Bezaanschoot aan!” kommandeerde kapitein Butteling.De hoornblazer toeterde het „Wilhelmus”, ten teeken dat eene extra-oorlam uitgereikt werd. Vele manschappen onthielden zich die te nemen. Zij voelden zich te zeer schuldig, om nu al een opwekkende teug te nemen.Terwijl stuurman Bagman met de uitreiking bezig was, zeide hij:„Die arme smous! hij ligt op 3° 29′ zuiderbreedte en 30° 59′ westerlengte in 2200 vademen water!”Dat was de eenige lijkrede, die over Nathan Zondervan[257]uitgesproken werd. Van het andere over boord gezette lijk werd door niemand gerept.De uitgereikte oorlam verdreef al heel spoedig de sombere gedachten, die bij een gedeelte der manschappen door die overboordzetting had kunnen opgewekt zijn. Drie dagen later werd zelfs de naam van den armen jood niet meer genoemd; tenzij door hem aan wien hij zijn rantsoen jenever verschacherde.„Er worden toch kortemettenaan boord met een mensch gemaakt. Tegen het middernachtuur gestorven, en tegen het middaguur reeds voor de haaien,” merkte de heer Groenewald op.„Dat kan niet anders, mijnheer Groenewald,” antwoordde kapitein Butteling. „De man is dood, en wij hadden geen plaats om zijn lijk lang te bewaren. Denk er daarenboven om, dat wij bijna onder de linie zijn. Ik wed dat het lijk nu reeds een luchtje verspreidde. Ik draag ook de verantwoordelijkheid betreffende den gezondheidstoestand van mijne opvarenden!”„Maar heel veel ceremoniëel vergt toch zoo’n begrafenis niet,” meende de oudste der dames Groenewald.„De man is het graf van een eerlijk zeeman deelachtig geworden, juffrouw Emma,” was het ernstige antwoord. „Hij ligt op bijna onpeilbare diepte in den schoot der blauwe wateren. Meer konden wij niet voor hem doen. Ik laat de vraag onbesproken of hij het graf, dat wij hem gaven wel verdiende. Hadden wij stilte gehad, of op eene reede gelegen, dan zouden wij de ra’s kruislings gehaald hebben. Bij deze flinke bries evenwel ware dat Gods weldaden versmaden geweest. Wij mochten daarvan geen zuchtje verloren laten gaan.”DeFernandina Maria Emmarepte zich intusschen voort. De zuidoostpassaat stond flink door, en het schip maakte dagen achtereen gemiddeld 52 mijlen in het etmaal;[258]hetgeen bij de scherp gebraste zeilen een goede vaart mocht genoemd worden. De dagen volgden de een na den anderen en geleken elkander volkomen. De zeilen stonden strak, het schip lag bestendig over een oor,—zooals de zeelui dat noemen,—en wierp met kracht geheele vlokken schuim voor zijn boeg, en ploegde zich een kielwater, dat achteruit tot aan den horizon met het oog te volgen was. Het was of die vore, die met blinkend wit schuim overdekt was, en waartegen de passaatgolfjes als het ware kwamen breken, den langen weg aanwees, die terug naar het verafgelegen vaderland voerde. Het was den reizigers, alsof zich dat kielzog ook nog verder daar achter den horizon afteekende, en als een waarneembaar merk daarstelde voor hen, die hun geboortegrond verlieten.Vooral des avonds, wanneer de zon was ondergegaan en geen maanlicht de donkerheid der nachten temperde, was die vore bewonderenswaardig. Zij was dan in den regel aan een stroom vloeibaar zilver gelijk, te midden waarvan schitterende vuurbollen draaiden en wentelden, uit elkander sprongen, zich weer vereenigden, om zich weer in ontelbare glinsterende punten te verdeelen. Phosphoresceerde52de zee daarbij, wat in deze warme streken niet zeldzaam gebeurde, dan was het schouwspel, hetwelk zich aan de verbaasde blikken voordeed, onbeschrijfelijk fraai. Dan was die zogstreep van het schip nog helderder dan anders, dan waren de daarin draaiende en wentelende bollen nog schitterender; maar dan was daarenboven die vore met eene schitterend vurige franje omzoomd, afkomstig van de golfjes, die er tegen braken. Iedere golf, die zich over dag met een licht randje van wit schuim kuifde, was dan getooid met een zacht schijnend phosphorlicht, dat een vreemden tint aan het donkere water verleende. Dan was, wanneer men zich over de verschansing[259]boog, de romp van het schip, zoo ver hij in het water dook, van gloeiend metaal; dan was de golf, dien de boeg bruisend voor zich uitwierp aan eene vuurbaar van eene schitterende witte tint gelijk, en kon men wanen, als salamanders over eene vuurzee te zweven. Zelfs de golfjes, die dartelend tegen de scheepswandenopspatten, waren aan schitterende vonken gelijk, die in een vurigen regen nedervielen.Op den 15enNovember—het was weer een Zondag—was het buitengewoon warm geweest, hoewel de zuidoostenwind, flink doorblazende, zich beijverd had de temperatuur af te koelen. Maar op dien dag stond de zon, die zich in het hemelteeken deSchorpioen, evenwel dicht bij den Schutter bevond, des middags nagenoeg loodrecht boven het schip en blakerde de zonnetent, zoodat het daaronder gedurende de middaguren bijna niet uit te houden was. Tegen den avond kwam er evenwel verademing. Toen de zonnetent opgerold en middels den spinnekop53omhoog gehaald was, kon de zuidoostpassaat naar hartelust over het dek zwieren en frischheid aanbrengen. Dien avond phosphoresceerde de zee allerprachtigst, en lagen de reizigers langen tijd over de verschansing gebogen, dat fraaie schouwspel te bewonderen. Maar het whist- en quadrillespel riep eindelijk de liefhebbers, en weldra was het vrij eenzaam op het dek, alwaar evenwel de jonge dames Groenewald in gezelschap van Herman Riethoven en Frank Brinkman achtergebleven waren, om nog meer van het fraaie vuurwerk, wat de zee aanbood, te genieten. Adelien en Emma waren evenwel onder de hoede harer moeder, die bij den koekoek in een wipstoel zat te wiegelen. De edele vrouw had in de harten harer dochters gelezen. Zij had daarin eene teedere genegenheid bij ieder harer zien ontluiken. Och! zij was ook jong geweest. Onder haar moederlijk oog[260]mochten hare telgen zich wel aan hare gevoelens overgeven. Toch was de aanblik van die gelukkige kinderen met eenigen weemoed vermengd:„Dochter aan het vrijen, moeder wordt oud!”zong toch Van der Hoop.„O! kijk eens! wat is dat mooi!” kreet Adelien, terwijl zij achter het schip wees, waar de draaikolken door de waterverplaatsing bij de vaart van het schip veroorzaakt, in vurige streepen kronkelden.„En die golfjes, welker kuiven zich vertoonen, als mat zilver,” zei Emma. „Het is of ze door de maan beschenen worden, die zich in hare schuine vlakken weerspiegelt.”„En kijk dames, daar voren die golven eens, die door den voorsteven opgeworpen worden!” zei Herman. „Hoorde men het gebruis van het water niet, dan zou men in de donker kunnen wanen, dat het vurige wol of katoen is, die daar voor den boeg met ongekende kracht en vaart opkrult en oprolt, om een oogenblik later in stroomen en beken van vloeibaar metaal langs de zijden van het schip voorbij te schieten.”„Kijk, wat is daar ginds, daar in de verte, bij het achterschip?.… O! wat is dat mooi,” riep Adelien, terwijl zij in geestdriftvolle bewondering de hand van Frank Brinkman greep, die in hare onmiddellijke nabijheid stond. „O! wat is dat fraai!”Dejongmanscheen daar niet op te letten. Toch voer eene lichte rilling hem door de leden, toen die lieve hand hem aanraakte. Hij was geheel oog voor het schouwspel, dat zich voor zijn oog ontrolde.„Ja, wat is dat mooi!” herhaalde Emma, terwijl zij haar hoofdje naar Herman Riethoven keerde, die vlak naast haar stond, en onbewust in hare opgetogenheid tegen zijnen schouder aanleunde.[261]En werkelijk het gezicht, hetwelk de Oceaan in dat oogenblik aanbood was schoon. Daar naderde eene school van honderde, van duizende visschen, die ongeveer een halve meter lang waren en vrij dicht op elkaar gedrongen, het schip behoedzaam nabij zwommen. Zij hielden zich zoo omstreeks op de diepte van een voet beneden de oppervlakte des waters, zoodat zij duidelijk zichtbaar waren. Het was een wonderschoon schouwspel. Iedere visch vertoonde zich daar in het donkere water, alsof hij in een pantser van gouden schubben gestoken was, terwijl bij iedere beweging der borst-, rug- of staartvinnen, de visch door een lichtend hulsel als door een phosphorischen nevel omgeven werd, waarin zijn spoelvormig lichaam helder uitkwam. Lagen de visschen bewegingloos,—wat bij het naderen van het schip nu en dan gebeurde,—want zij schenen dat gevaarte, hetwelk zij ontwaarden, te willen verkennen, dan was het of zij in schitterend goud gegoten waren. Langzaam, zeer langzaam naderden die visschen, zij naderden nog meer en eindelijk waren zij zoo nabij het schip gekomen, dat de toeschouwers zich over de verschansing moesten buigen om het schoone schouwspel gade te slaan.„O! mama, kom toch kijken,” riep Adelien, terwijl zij plotseling haar lief kopje omwendde, waarbij hare blonde krullen in eene lichte bijna onmerkbare aanraking met Frank’s wang kwamen, die eene siddering van verrukking ondervond.Mevrouw Groenewald stond op en keek, naast de jongelieden plaats nemende, over de verschansing.„Inderdaad,” zei ze, „dat is zeer fraai.”Plotseling openbaarde zich eene hevige beweging onder de steeds naderende visschen. Zij schenen den aard van het schip, dat hunne aandacht trok, herkend te hebben, of wellicht ook door eene andere oorzaak bewogen,[262]zwommen zij bliksemsnel op den romp aan, schoten hem opzijde, zwommen hem voorbij, dartelden met de meest mogelijke levendigheid in den vuurgolf, die voor het schip uitgeworpen werd, stoeiden en krioelden, vloden en vervolgden elkander, schoten en dwarrelden dooreen, zoodat het oog niet altijd de vurige visschen, en de lichtende lijnen, die zij in het water vormden, kon volgen. Soms schoot de geheele school als op kommando gelijktijdig vooruit, en was het of een wedstrijd met het schip moest gehouden worden. Ware zij dan den boeg voorbij—want in snelheid behaalden zij gemakkelijk de overwinning—; dan wendden de dichte gelederen, schoten bliksemsnel langs de andere zijde van het schip, verschenen een oogenblik in het kielzog om het dartele spel van voren af aan weer te beginnen.Dat duurde zoo een poos voort. Bij iedere beweging, die de school visschen maakte, bewogen de jongelieden om haar met de oogen te volgen. De hoofden gingen nu eens rechts, nu eens links, waarbij nu eens een schouder met een anderen schouder, dan weer eene dartele krul met een oor, dat er niet bij hoorde, ook wel bij eene enkele plotselinge beweging eene wang met eene andere wang in aanraking kwam. De opgetogen jongelieden letten daar bijna niet op. De hand, die Adelien bij het begin van hare bewondering gegrepen had, had zij in hare vervoering niet losgelaten. Bij eene beweging, die het meisje maakte, om vlak beneden haar te zien, en waarbij zij zich onvoorzichtig ver over de verschansing boog, omvatte die hand bezorgd haar middel, terwijl Frank met iets angstigs in zijne stem fluisterde:„Wees toch voorzichtig, juffrouw Adelien. Als gij uw evenwicht verloort, ware redding onmogelijk!”Half verschrikt greep het meisje den arm, die haar omvatte, drukte dien zacht, boog zich naar Frank en[263]antwoordde zoo zacht, dat niemand der naastbijzijnde personen iets kon hooren:„Ik dank u, mijnheer Frank, voor uwe bezorgdheid!”In dit oogenblik maakte het schip, door een grooten golf opgetild, onverwachts de beweging van stampen. De hoofden naderden elkander onbewust en onwillekeurig, en de laatste lispelende woorden van de lieve maagd gingen verloren in een kus, die beiden onmachtig geweest waren in dat plechtig oogenblik te weerhouden. Ware het dag geweest, dan zou Adelien den blos niet hebben kunnen verbergen, die haar gelaat overtoog. Toch meende Frank, bij den weerschijn van de lichtende zee, daarvan iets te ontwaren, terwijl het lieve kind vol aandoening hem de hand krampachtig drukte, welke hij gegrepen had. Dat alles was bliksemsnel geschied; niemand had daarvan iets bespeurd; maar ongezocht hadden zich daar twee zielen voor elkander geopenbaard, en hadden zonder een woord te spreken, in tegenwoordigheid der moeder van het meisje, een verbond gesloten, dat op hunne toekomst van veel invloed zou zijn. De handen waren nog ineengestrengeld, toen mevrouw Groenewald vroeg:„Wat zouden dat voor visschen zijn?”„Ik ken ze niet, mevrouw,” antwoordde Herman, die, meer teruggetrokken van aard dan zijn vriend Frank, bij de eerste aanraking van Emma’s hoofdje tegen zijn schouder, ietwat terzijde geweken was.Het moet er bij verteld worden, dat de oudste der beide jonge dames, hoewel hartstochtelijker van aard, hare gevoelens meer in bedwang had. Herman’s schuchtere beweging had zij met een bliksemsnellen blik en onmerkbaren glimlach beantwoord.„Ik ken die visschen niet,” had hij mevrouw Groenewald[264]geantwoord. „Maar.… daar komt stuurman Abels aan. Die zal ons wel kunnen inlichten.”„Wat is er van het believen der dames?” vroeg hij.„Wat zijn dat voor visschen, stuurman?” herhaalde mevrouw Groenewald hare vraag.Abels keek over boord.„Drommels!” zei hij, „dat is fraai!”En naar den kajuitstrap stormende:„Heeren!” riep hij, „komt spoedig boven. Er is iets moois te zien!”In een oogwenk waren de kaarten neergelegd en verschenen de spelers op het dek.„Mooi!”„Prachtig!”„Heerlijk!”„Overschoon!”Die bewonderende uitroepen kruisten elkander allerwege, en wekten de nieuwsgierigheid van de manschappen, die zich nog aan dek bevonden. Weldra was de geheele verschansing met voorovergebogen hoofden getooid om het bewonderenswaardige schouwspel te genieten.„Stuurman Abels, gij hebt ons nog niet gezegd, welke visschen dat zijn,” merkte mevrouw Groenewald met zachte stem op.„O! vergeef mij mevrouw. De wensch om de andere passagiers dat prachtvolle tooneel ook te laten genieten, heeft mij vervoerd. Die visschen noemt men makreelen.54Zoo als gij ziet, worden zij tot ongeveer een halven meter lang en wegen dan omstreeks 2 Ned. pond. Zij vertoonen bij daglicht een blauwen rug met zwarte dwarsbanden, terwijl de buik wit is. Zij worden veel in de Middellandsche zee aangetroffen; maar, zooals gij zien kunt, trekken zij ook in den Atlantischen Oceaan[265]in groote scholen rond. Ik heb er bij het eiland Sint Helena ongeloofelijke hoeveelheden bij elkander gezien. Het vleesch dier visschen is malsch en zeer smakelijk, doch wel een weinig weekachtig, zoodat zij zich minder eigenen om gerookt te worden. Gezouten evenwel worden ze van dat eiland veelvuldig verzonden …”„Wat is dat? Wat is dat?” riepen de passagiers.De steeds helglinsterende visschen schoten als bliksemschichten door elkaar. Het was alsof de vurige slangetjes van een onmetelijk vuurwerk door elkander krioelden. Allen schoten in de diepte.„O! ik zie wat de oorzaak van die vlucht is. Ziet, daar, twee haaien!”En werkelijk daar kwamen twee van die monsters te voorschijn. Hun lichaam was ook ten gevolge van het phosphoresceeren der zee, alsof het van gloeiend metaal was. Toen zij het schip naderden, waren de makreelen, als met een tooverstaf aangeraakt, verdwenen. De beide haaien zwommen een enkele maal zeer langzaam langs het schip op en neer, en volgden vervolgens het schip op eenigen afstand in het kielzog, waarin hun glinsterend lichaam volkomen zichtbaar bleef.„Dat zijn zoogenaamde menschenhaaien55” verklaarde kapitein Butteling. „Zij hebben een grauwkleurig lichaam, daarbij een breeden rug en een platten kop, die van voren driehoekig is. Zij hebben een wijden bek, die bij bejaarde visschen wel eens met zes rijen tanden in iedere kaak gewapend is. De voorste rijen dier tanden, die zaagvormig zijn, staan onbewegelijk in het kaakbeen; terwijl de achterste beweegbaar zijn en door het dier naar willekeur kunnen opgericht of neergeslagen worden. Iedere rij bevat minstens 30 tanden. Zij volgen nu het schip. Dat zal dagen lang duren, en zij zullen ons niet verlaten voor dat de verminderende warmtegraad[266]van het water hen daartoe noodzaken zal. Wee den ongelukkigen, die thans overboord valt. Voor hem is geen redding. Voor dat hulp zou kunnen verleend worden, zou hij door die monsters gehavend en naar de diepte gesleurd zijn.”„Zouden wij niet een haak kunnen uitwerpen?” vroeg Slierendrecht.„Bij de vaart, die het schip thans loopt, is dat niet doenlijk; daarenboven zou ik ongaarne in dit avonduur zoo’n beestje aan boord laten halen. Morgen, als de passaat ietwat mocht verflauwen, dan zou zulks te doen zijn.”„Juist! morgen ochtend,” zei kapitein Van Dam als speler gehaast. „Kom, laat ons ons partijtje vervolgen.”„Wordt die haaiensoort slechts tusschen de keerkringen aangetroffen?” vroeg Van Diepbrugge nog.„Hier wel het meest. Maar men vindt ze toch ook in de Middellandsche zee, alwaar er zelfs van monsterachtige grootte zijn aangetroffen. Het voornaamste voedsel dezer haaien schijnt de thonijn56, waarvan eene soort door den zeeman boniet57genaamd te zijn. Nimmer toch werd zoo’nhaai gevangen of steeds werden een aantal van die visschen in zijn maag aangetroffen. Dat is te merkwaardiger, daar de thonijn tot de stekelvinnigen behoort en dientengevolge venijnig scherpe rugvinnen bezit, die hij bij het minste gevaar overeind zet, even als de waterbaars in ons vaderland bij de nadering van een snoek. Morgen zullen wij waarschijnlijk geheele scholen vliegende visschen te zien krijgen.”„Waaruit leidt gij dat af, kapitein Butteling?” vroeg Slierendrecht.„Wel, uit de aanwezigheid van die school makreelen. Waar die ontmoet worden, zijn de vliegende visschen niet ver af. En omgekeerd, waar de vliegende visschen[267]in groote menigte ontmoet worden, zijn de makreelen en ook de bonieten in de nabijheid.”„Wij hebben nog niet veel vliegende visschen gezien,” meende Van Diepbrugge.„Toch. Zij worden vooral veel en dan met geheele scholen bij zonsopgang waargenomen. Dan.…”„Krijgen wij nu eene verhandeling over de vliegende visschen?” vroeg kapitein Van Dam ongeduldig. „Kom laat ons dan alvorens onze robber uitspelen.”Aan die uitnoodiging was geen weerstand te bieden. Alle heeren stoven naar beneden. Ook mevrouw Groenewald verliet met hare twee dochters het dek. Zij meende, in weerwil van het protest der jonge meisjes, dat het tijd was om te gaan rusten.[268]
IX.Eene lijkplechtigheid aan boord.
De nacht was verder ongestoord voorbijgegaan. Toen de dag aanbrak, geleek het dek van deFernandina Maria Emmawel op het kamp eener rooverbende. Op het voorschip, op het middenschip, op het achterschip stonden gewapende troepjes matrozen en onderofficieren, die het geweer niet uit de hand legden. Bij ieder der twee kanonnen, die het schip in zijne volle lengte bestreken, stond een matroos met de brandende lont in de hand.Na de reveille werd het grootluik geopend en mochten de manschappen een voor een het dek bestijgen om hunne hangmatten op de gewone wijze op te bergen. Zij werden daarbij ten scherpste onderzocht en alles, wat maar naar een wapen zweemde, werd hun afgenomen, terwijl het tusschendek zorgvuldig door de matrozen onderzocht en ook daar alles weggenomen werd, wat maar naar wapentuig zweemde. Toen het detachement aangetreden stond, sprak kapitein Van Dam de manschappen toe, vroeg hen wat de redenen waren van hun baldadig gedrag, wees hen op het misdadige daarvan en eischte de opgave der schuldigen.Gedurende het verbinden hadden de gekwetsten in[250]hun doodsangst al menige bekentenis gedaan en menigebijzonderheidaan het licht gebracht; zoodat, toen er eenige aarzeling aan den dag gelegd werd om aan de bevelen van den kapitein te voldoen, hij gelastte dat een zestal manschappen in hechtenis genomen zouden worden. Deze werden dadelijk zwaar geboeid en afzonderlijk op het dek ter hoogte van den fokkemast zoodanig vastgebonden, dat zij met elkander niet spreken konden. Een korporaal werd daarenboven op post geplaatst, om iedere gemeenschap met de manschappen van het detachement te beletten.De aanwijzing der voornaamste schuldigen bleef niet zonder uitwerking op de overige samenzweerders. Allen lieten het hoofd hangen en gaven blijken van innig berouw. Op een gegeven oogenblik drongen zij om kapitein Van Dam en smeekten om vergiffenis.„Het recht moet zijn loop hebben, mannen!” sprak deze. „Gij hebt u zwaar aan de krijgstucht vergrepen. Veel zal evenwel afhangen van uw verder gedrag. Stelt mij in de gelegenheid om bij aankomst te Batavia er op te kunnen wijzen, dat dit berouw oprecht gemeend, dat uw gedrag verder uitmuntend was, dan zal dat voorzeker als verlichtende omstandigheid in aanmerking komen.”„Maar, ik zie den fuselier Zondervan niet,” zei de kapitein, terwijl hij langs de gelederen stapte. „Waar is die?”De naam Zondervan weerklonk overal: op het dek, op het voorschip, op het achterschip, in het tusschendek; geen antwoord werd evenwel gegeven.„Maar, daar bengelt nog eene hangmat, daar ginds in dien hoek van het ruim,” riep een der onderofficieren, die beneden naar den vermisten was gaan zoeken. Hij trad op de hangmat toe.[251]„Hij ligt er in,” riep hij. „Zondervan!.… Zondervan!.… Hemel! hij beweegt zich niet. Hij is dood en reeds stijf!”Toen het oproer uitbarstte, was de jood stil in zijne hangmat blijven liggen. Het had hem evenwel niets gebaat. Een verloren kogel had hem onder de korte ribben getroffen. Zijn doodstrijd was zeer kort geweest, en bij het nachtelijk rumoer onopgemerkt gebleven. Geene uitwendige verbloeding was waargenomen; zoodat Zondervan overleden was zonder dat iemand het wist.Het lijk werd in zijne hangmat genaaid, verder aan het voeteneinde van eene flinke partij zand voorzien, daarna in een Nederlandsche vlag gewikkeld en op de koebrug gelegd, in afwachting dat alles voor de overboordzetting in gereedheid zou gebracht zijn. Die plechtigheid werd tegen het middaguur bepaald. Zoodra het lijk gevonden was, werd de vlag aan de gaffel halfstok gehaald.De gerechtelijke verhooren begonnen nu dadelijk. De luitenants Denniston en Leidermooi werden daartoe in commissie benoemd, terwijl Behren daarbij als secretaris diende.Het geheele snoode bedrijf kwam nu aan het licht. Taugwalder, een gewezen officier van het Engelsche vreemden-legioen, dat voor de Krim bestemd geweest was, maar het niet verder dan Smyrna gebracht had, waar het korps na den val van Sebastopol ontbonden werd, was de leider van het komplot geweest. Hij was ontevreden met zijn lot, dat hij te laat donker inzag, toen hij begreep, dat de officiersrang niet meer voor hem openstond, omdat hij zich door de wervers had laten verlokken om handgeld aan te nemen. Hij was een ontwikkeld en energiek man, wiens verleden onberispelijk was, en waarvan in de koloniën vele diensten hadden[252]kunnen verwacht worden, wanneer hij te Harderwijk iemand aangetroffen had, die hem ten goede geraden had. Toen hij in het Britsche vreemden-legioen getreden was, had hij ook een soort van handgeld of gratificatie genoten. Dat was geen hinderpaal geweest om tot officier bevorderd te worden. Hij had in de meening verkeerd, dat dit evenzoo bij het Nederlandsch-Indische leger het geval zoude zijn, en had zich stellig voorgenomen, door dapperheid, dienstijver en goed gedrag de epauletten te verwerven. Te laat vernam hij dat het handgeld hem den weg tot eene loopbaan, die met zijne opvoeding overeenkwam, afsneed. Het geld, waarop te Harderwijk door zoovelen geaasd werd, was, hoewel niet in uitspattingen, toch met lichtzinnigheid uitgegeven; zoodat, toen hem de oogen opengingen, hij het niet teruggeven kon. Met wanhoop in het hart was hij aan boord gegaan, en met zijne geestkracht had hij in de vele ledige uren, die zoo eene zeereis aanbieden moest, het wanhopige plan gevormd. Het was hem niet te doen geweest om schatten te verwerven, of oneerlijkheid te plegen. Uit het onderzoek bleek voldingend, dat het hem alleen te doen was geweest om zijne vrijheid te herwinnen. Was het de bestemming van het schip geweest eenig tusschenstation aan te doen, alvorens Nederlandsch-Indië te bereiken, dan zou hij ieder plan om zich van het fregat meester te maken, hebben laten varen, wellicht ware het nimmer in zijn brein opgekomen; want dan zou hij een plan tot desertie ontworpen, dat gedurende de lange reis gestreeld, en, het kostte wat het wilde, uitgevoerd hebben. Zooveel bleek verder uit het onderzoek, dat hij aan de samenzweerders aanbevolen had, niet dan in den uitersten nood bloed te vergieten, of levensgevaarlijk geweld te plegen. In een vijftal ontevreden Zwitsers evenals hij, die bij de oproerige Napelsche[253]regimenten in der tijd gediend hadden, vond hij ijverige helpers, en dezen hadden het onzalige onkruid der muiterij onder het meerendeel der vreemdelingen aan boord verbreid. Deze vijf waren eigenlijk zedelijk meer schuldig dan Taugwalder. Wel hadden zij het komplot niet ontworpen, maar zij sloten zich daarbij aan met de geheime gedachte, zich te verrijken met de bezittingen der passagiers, met de lading en met den verkoop van het schip, terwijl hun opperhoofd het voornemen te kennen had gegeven, het schip te Iquique te verlaten, zooals hij aan boord gekomen was, zonder dat een cent, die hem niet toekwam, zijne hand bezoedeld zoude hebben.Uit het onderzoek bleek ook, dat die vijf onverlaten—buiten weten van Taugwalder—reeds om het bezit der beide jonge meisjes, aan boord aanwezig, gedobbeld hadden, en dat bij die vreeselijke partij bepaald was, dat dienzelfden nacht van het oproer hare onteering had moeten voltrokken worden, waarna zij aan de overige muiters zouden overgeleverd zijn.Behren ijsde, toen hij als secretaris die snoode ontwerpen moest opschrijven.Hoe was het echter met die jonge dames gegaan, gedurende de gebeurtenissen, die hierboven verhaald werden?Bij het eerste gerucht waren zij opgevlogen, en hadden bij de ontwikkeling van het drama eene toevlucht in de hut van hare ouders gezocht.Daar zaten alle vier in doodsangst af te wachten, wat aller lot zoude zijn. De meisjes verbloemden zich geenszins, dat dit lot voor haar allerverschrikkelijkst zoude zijn, wanneer de opstandelingen zegevierden. Zij hoorden de worsteling boven, de worsteling beneden; zij vernamen de bijlslagen, die de beschotten en deuren deden[254]bezwijken; de kreten van woede, van vertwijfeling, het schelden en tieren der muiters drongen tot haar door; zij hoorden de kalme aanmaning van kapitein Van Dam; eindelijk deed het salvo geweerschoten hen hevig verschrikt opvliegen, terwijl de arme meisjes in onduldbaren angst, eene toevlucht in de armen harer ouders zochten.Kort daarop verwijderde het gevecht zich, en trad eene doodsche stilte in.Toen de heer Groenewald iets later omzichtig naar buiten trad, ontmoette hij stuurman Bagman, die met den hofmeester den boel in de kerk een weinig kwam opruimen.„Alles afgeloopen, mijnheer Groenewald!” zei hij opgeruimd. „De jonge dames kunnen gerust gaan slapen. De oproerlingen zijn zoo mak als schoothondjes.”Kapitein Butteling gaf een oogenblik later hetzelfde antwoord en denzelfden raad. Toen evenwel de familie Groenewald op meer bijzonderheden aandrong, antwoordde hij:„Morgen, lieve dames! Ik heb nu geen tijd. Ik zou u ook raden thans te gaan rusten. Alle gevaar is voorbij! Ziet, al de heeren komen beneden om ook zoo te doen.”Maar de raad was gemakkelijker gegeven, dan opgevolgd. De gebeurtenissen waren te schrikwekkend en de angst was te groot geweest, om nu reeds rustigen slaap te gedoogen. Iedere voetstap op het dek, ieder gerucht in de kerk of in de kajuit, ja het kraken eener deur of eener plank deed de arme vrouwen ontstellen en den slaap vluchten, die op het punt stond zich harer te ontfermen. Eindelijk toen het daglicht door de patrijspoortjes51gloorde, week de onrust eenigermate en vielen zij in slaap.Toen de jonge dames later op het dek verschenen, waren de sporen van de nachtelijke gebeurtenissen zoo veel[255]mogelijk verwijderd. Het was nabij het middaguur. De scheepsgezaghebber en zijne stuurlui waren bezig met het zonschieten. Het detachement stond op twee gelederen aangetreden, de manschappen met hunne beste plunje aan, de officieren in groot tenu. Ook de scheepsequipage had hare zondagskleederen aan. De vlag wapperde halfstok.„Stop!” riep eensklaps stuurman Abels, terwijl hij zijn sextant nu voor het oog afnam.Onmiddellijk daarop sloeg stuurman Ellenbaan acht glazen op de klok.Zes soldaten traden nu vooruit, lieten het lijk van den fuselier Zondervan, steeds in de Nederlandsche vlag gewikkeld, van de koebrug afglijden, legden het op eene plank, die zij op hunne schouders tilden.„Mijn God! wat gaat er gebeuren?” vroegen Adelien en Emma aan dokter Van Pinksteren.„Een begrafenis, dames,” antwoordde hij hoogst ernstig.„Eene begrafenis? Is er dan iemand dood?”„Een soldaat is heden nacht in zijne hangmat doodgeschoten. Een ander is bij het gevecht omgekomen.”Achter het lijk schaarden zich eerst de officieren; daarachter kwamen de onderofficieren en de manschappen van het detachement; terwijl de trein besloten werd door de scheepsequipage. Toen de stoet gevormd was, zette hij zich in beweging. Driemaal werd het lijk rond het schip gedragen, bij welke omgangen allen volgden. De meeste konden niet nalaten een hoogst ernstigen blik te werpen op de gearresteerden, die op het dek geboeid lagen, en wien de gewelddadige dood van den overledene geweten kon worden. Geen hunner had den moed, om den blik naar het lijk op te slaan. Het geweten zei hun, dat daar een slachtoffer van hunnen aanslag voorbij gedragen werd.[256]Na den derden omgang werd de plank op de valreep aan stuurboordszij gelegd. Het lijk werd van de vlag ontdaan. Kapitein Butteling prevelde een gebed, terwijl het geheele detachement rondom hem stond. Daarna klonk de stem van den eersten stuurman:„Een,—twee,—drie,—in Gods naam!”De bootsman, die bij het neerleggen van het lijk op de valreep de verdere behandeling aanvaard had, wipte bij de laatste woorden de plank rechtstandig, waardoor het lijk er af gleed en in zee plofte. De meeste manschappen vlogen naar de verschansing om hunnen krijgsmakker nog eens te zien. Het was te vergeefs; door de zwaarte van het zand meegesleept, hadden de golven zich reeds boven het lijk gesloten. Zij zagen slechts eenige luchtbellen opborrelen, die bij de vaart, welke het schip liep, al heel spoedig in het zog van het schip verdwenen.Kapitein Butteling gaf een teeken aan een paar matrozen. Deze grepen het lijk van Schlapina, legden het op de plank en lieten het zonder eenig ceremoniëel in zee schuiven. Daarop wenkte de gezagvoerder den scheepsjongen, die bij den spiegel met de vlaggelijn in de hand stond. Statig steeg de driekleur omhoog en wapperde vroolijk aan de gaffel, alsof er niets gebeurd was.„Bezaanschoot aan!” kommandeerde kapitein Butteling.De hoornblazer toeterde het „Wilhelmus”, ten teeken dat eene extra-oorlam uitgereikt werd. Vele manschappen onthielden zich die te nemen. Zij voelden zich te zeer schuldig, om nu al een opwekkende teug te nemen.Terwijl stuurman Bagman met de uitreiking bezig was, zeide hij:„Die arme smous! hij ligt op 3° 29′ zuiderbreedte en 30° 59′ westerlengte in 2200 vademen water!”Dat was de eenige lijkrede, die over Nathan Zondervan[257]uitgesproken werd. Van het andere over boord gezette lijk werd door niemand gerept.De uitgereikte oorlam verdreef al heel spoedig de sombere gedachten, die bij een gedeelte der manschappen door die overboordzetting had kunnen opgewekt zijn. Drie dagen later werd zelfs de naam van den armen jood niet meer genoemd; tenzij door hem aan wien hij zijn rantsoen jenever verschacherde.„Er worden toch kortemettenaan boord met een mensch gemaakt. Tegen het middernachtuur gestorven, en tegen het middaguur reeds voor de haaien,” merkte de heer Groenewald op.„Dat kan niet anders, mijnheer Groenewald,” antwoordde kapitein Butteling. „De man is dood, en wij hadden geen plaats om zijn lijk lang te bewaren. Denk er daarenboven om, dat wij bijna onder de linie zijn. Ik wed dat het lijk nu reeds een luchtje verspreidde. Ik draag ook de verantwoordelijkheid betreffende den gezondheidstoestand van mijne opvarenden!”„Maar heel veel ceremoniëel vergt toch zoo’n begrafenis niet,” meende de oudste der dames Groenewald.„De man is het graf van een eerlijk zeeman deelachtig geworden, juffrouw Emma,” was het ernstige antwoord. „Hij ligt op bijna onpeilbare diepte in den schoot der blauwe wateren. Meer konden wij niet voor hem doen. Ik laat de vraag onbesproken of hij het graf, dat wij hem gaven wel verdiende. Hadden wij stilte gehad, of op eene reede gelegen, dan zouden wij de ra’s kruislings gehaald hebben. Bij deze flinke bries evenwel ware dat Gods weldaden versmaden geweest. Wij mochten daarvan geen zuchtje verloren laten gaan.”DeFernandina Maria Emmarepte zich intusschen voort. De zuidoostpassaat stond flink door, en het schip maakte dagen achtereen gemiddeld 52 mijlen in het etmaal;[258]hetgeen bij de scherp gebraste zeilen een goede vaart mocht genoemd worden. De dagen volgden de een na den anderen en geleken elkander volkomen. De zeilen stonden strak, het schip lag bestendig over een oor,—zooals de zeelui dat noemen,—en wierp met kracht geheele vlokken schuim voor zijn boeg, en ploegde zich een kielwater, dat achteruit tot aan den horizon met het oog te volgen was. Het was of die vore, die met blinkend wit schuim overdekt was, en waartegen de passaatgolfjes als het ware kwamen breken, den langen weg aanwees, die terug naar het verafgelegen vaderland voerde. Het was den reizigers, alsof zich dat kielzog ook nog verder daar achter den horizon afteekende, en als een waarneembaar merk daarstelde voor hen, die hun geboortegrond verlieten.Vooral des avonds, wanneer de zon was ondergegaan en geen maanlicht de donkerheid der nachten temperde, was die vore bewonderenswaardig. Zij was dan in den regel aan een stroom vloeibaar zilver gelijk, te midden waarvan schitterende vuurbollen draaiden en wentelden, uit elkander sprongen, zich weer vereenigden, om zich weer in ontelbare glinsterende punten te verdeelen. Phosphoresceerde52de zee daarbij, wat in deze warme streken niet zeldzaam gebeurde, dan was het schouwspel, hetwelk zich aan de verbaasde blikken voordeed, onbeschrijfelijk fraai. Dan was die zogstreep van het schip nog helderder dan anders, dan waren de daarin draaiende en wentelende bollen nog schitterender; maar dan was daarenboven die vore met eene schitterend vurige franje omzoomd, afkomstig van de golfjes, die er tegen braken. Iedere golf, die zich over dag met een licht randje van wit schuim kuifde, was dan getooid met een zacht schijnend phosphorlicht, dat een vreemden tint aan het donkere water verleende. Dan was, wanneer men zich over de verschansing[259]boog, de romp van het schip, zoo ver hij in het water dook, van gloeiend metaal; dan was de golf, dien de boeg bruisend voor zich uitwierp aan eene vuurbaar van eene schitterende witte tint gelijk, en kon men wanen, als salamanders over eene vuurzee te zweven. Zelfs de golfjes, die dartelend tegen de scheepswandenopspatten, waren aan schitterende vonken gelijk, die in een vurigen regen nedervielen.Op den 15enNovember—het was weer een Zondag—was het buitengewoon warm geweest, hoewel de zuidoostenwind, flink doorblazende, zich beijverd had de temperatuur af te koelen. Maar op dien dag stond de zon, die zich in het hemelteeken deSchorpioen, evenwel dicht bij den Schutter bevond, des middags nagenoeg loodrecht boven het schip en blakerde de zonnetent, zoodat het daaronder gedurende de middaguren bijna niet uit te houden was. Tegen den avond kwam er evenwel verademing. Toen de zonnetent opgerold en middels den spinnekop53omhoog gehaald was, kon de zuidoostpassaat naar hartelust over het dek zwieren en frischheid aanbrengen. Dien avond phosphoresceerde de zee allerprachtigst, en lagen de reizigers langen tijd over de verschansing gebogen, dat fraaie schouwspel te bewonderen. Maar het whist- en quadrillespel riep eindelijk de liefhebbers, en weldra was het vrij eenzaam op het dek, alwaar evenwel de jonge dames Groenewald in gezelschap van Herman Riethoven en Frank Brinkman achtergebleven waren, om nog meer van het fraaie vuurwerk, wat de zee aanbood, te genieten. Adelien en Emma waren evenwel onder de hoede harer moeder, die bij den koekoek in een wipstoel zat te wiegelen. De edele vrouw had in de harten harer dochters gelezen. Zij had daarin eene teedere genegenheid bij ieder harer zien ontluiken. Och! zij was ook jong geweest. Onder haar moederlijk oog[260]mochten hare telgen zich wel aan hare gevoelens overgeven. Toch was de aanblik van die gelukkige kinderen met eenigen weemoed vermengd:„Dochter aan het vrijen, moeder wordt oud!”zong toch Van der Hoop.„O! kijk eens! wat is dat mooi!” kreet Adelien, terwijl zij achter het schip wees, waar de draaikolken door de waterverplaatsing bij de vaart van het schip veroorzaakt, in vurige streepen kronkelden.„En die golfjes, welker kuiven zich vertoonen, als mat zilver,” zei Emma. „Het is of ze door de maan beschenen worden, die zich in hare schuine vlakken weerspiegelt.”„En kijk dames, daar voren die golven eens, die door den voorsteven opgeworpen worden!” zei Herman. „Hoorde men het gebruis van het water niet, dan zou men in de donker kunnen wanen, dat het vurige wol of katoen is, die daar voor den boeg met ongekende kracht en vaart opkrult en oprolt, om een oogenblik later in stroomen en beken van vloeibaar metaal langs de zijden van het schip voorbij te schieten.”„Kijk, wat is daar ginds, daar in de verte, bij het achterschip?.… O! wat is dat mooi,” riep Adelien, terwijl zij in geestdriftvolle bewondering de hand van Frank Brinkman greep, die in hare onmiddellijke nabijheid stond. „O! wat is dat fraai!”Dejongmanscheen daar niet op te letten. Toch voer eene lichte rilling hem door de leden, toen die lieve hand hem aanraakte. Hij was geheel oog voor het schouwspel, dat zich voor zijn oog ontrolde.„Ja, wat is dat mooi!” herhaalde Emma, terwijl zij haar hoofdje naar Herman Riethoven keerde, die vlak naast haar stond, en onbewust in hare opgetogenheid tegen zijnen schouder aanleunde.[261]En werkelijk het gezicht, hetwelk de Oceaan in dat oogenblik aanbood was schoon. Daar naderde eene school van honderde, van duizende visschen, die ongeveer een halve meter lang waren en vrij dicht op elkaar gedrongen, het schip behoedzaam nabij zwommen. Zij hielden zich zoo omstreeks op de diepte van een voet beneden de oppervlakte des waters, zoodat zij duidelijk zichtbaar waren. Het was een wonderschoon schouwspel. Iedere visch vertoonde zich daar in het donkere water, alsof hij in een pantser van gouden schubben gestoken was, terwijl bij iedere beweging der borst-, rug- of staartvinnen, de visch door een lichtend hulsel als door een phosphorischen nevel omgeven werd, waarin zijn spoelvormig lichaam helder uitkwam. Lagen de visschen bewegingloos,—wat bij het naderen van het schip nu en dan gebeurde,—want zij schenen dat gevaarte, hetwelk zij ontwaarden, te willen verkennen, dan was het of zij in schitterend goud gegoten waren. Langzaam, zeer langzaam naderden die visschen, zij naderden nog meer en eindelijk waren zij zoo nabij het schip gekomen, dat de toeschouwers zich over de verschansing moesten buigen om het schoone schouwspel gade te slaan.„O! mama, kom toch kijken,” riep Adelien, terwijl zij plotseling haar lief kopje omwendde, waarbij hare blonde krullen in eene lichte bijna onmerkbare aanraking met Frank’s wang kwamen, die eene siddering van verrukking ondervond.Mevrouw Groenewald stond op en keek, naast de jongelieden plaats nemende, over de verschansing.„Inderdaad,” zei ze, „dat is zeer fraai.”Plotseling openbaarde zich eene hevige beweging onder de steeds naderende visschen. Zij schenen den aard van het schip, dat hunne aandacht trok, herkend te hebben, of wellicht ook door eene andere oorzaak bewogen,[262]zwommen zij bliksemsnel op den romp aan, schoten hem opzijde, zwommen hem voorbij, dartelden met de meest mogelijke levendigheid in den vuurgolf, die voor het schip uitgeworpen werd, stoeiden en krioelden, vloden en vervolgden elkander, schoten en dwarrelden dooreen, zoodat het oog niet altijd de vurige visschen, en de lichtende lijnen, die zij in het water vormden, kon volgen. Soms schoot de geheele school als op kommando gelijktijdig vooruit, en was het of een wedstrijd met het schip moest gehouden worden. Ware zij dan den boeg voorbij—want in snelheid behaalden zij gemakkelijk de overwinning—; dan wendden de dichte gelederen, schoten bliksemsnel langs de andere zijde van het schip, verschenen een oogenblik in het kielzog om het dartele spel van voren af aan weer te beginnen.Dat duurde zoo een poos voort. Bij iedere beweging, die de school visschen maakte, bewogen de jongelieden om haar met de oogen te volgen. De hoofden gingen nu eens rechts, nu eens links, waarbij nu eens een schouder met een anderen schouder, dan weer eene dartele krul met een oor, dat er niet bij hoorde, ook wel bij eene enkele plotselinge beweging eene wang met eene andere wang in aanraking kwam. De opgetogen jongelieden letten daar bijna niet op. De hand, die Adelien bij het begin van hare bewondering gegrepen had, had zij in hare vervoering niet losgelaten. Bij eene beweging, die het meisje maakte, om vlak beneden haar te zien, en waarbij zij zich onvoorzichtig ver over de verschansing boog, omvatte die hand bezorgd haar middel, terwijl Frank met iets angstigs in zijne stem fluisterde:„Wees toch voorzichtig, juffrouw Adelien. Als gij uw evenwicht verloort, ware redding onmogelijk!”Half verschrikt greep het meisje den arm, die haar omvatte, drukte dien zacht, boog zich naar Frank en[263]antwoordde zoo zacht, dat niemand der naastbijzijnde personen iets kon hooren:„Ik dank u, mijnheer Frank, voor uwe bezorgdheid!”In dit oogenblik maakte het schip, door een grooten golf opgetild, onverwachts de beweging van stampen. De hoofden naderden elkander onbewust en onwillekeurig, en de laatste lispelende woorden van de lieve maagd gingen verloren in een kus, die beiden onmachtig geweest waren in dat plechtig oogenblik te weerhouden. Ware het dag geweest, dan zou Adelien den blos niet hebben kunnen verbergen, die haar gelaat overtoog. Toch meende Frank, bij den weerschijn van de lichtende zee, daarvan iets te ontwaren, terwijl het lieve kind vol aandoening hem de hand krampachtig drukte, welke hij gegrepen had. Dat alles was bliksemsnel geschied; niemand had daarvan iets bespeurd; maar ongezocht hadden zich daar twee zielen voor elkander geopenbaard, en hadden zonder een woord te spreken, in tegenwoordigheid der moeder van het meisje, een verbond gesloten, dat op hunne toekomst van veel invloed zou zijn. De handen waren nog ineengestrengeld, toen mevrouw Groenewald vroeg:„Wat zouden dat voor visschen zijn?”„Ik ken ze niet, mevrouw,” antwoordde Herman, die, meer teruggetrokken van aard dan zijn vriend Frank, bij de eerste aanraking van Emma’s hoofdje tegen zijn schouder, ietwat terzijde geweken was.Het moet er bij verteld worden, dat de oudste der beide jonge dames, hoewel hartstochtelijker van aard, hare gevoelens meer in bedwang had. Herman’s schuchtere beweging had zij met een bliksemsnellen blik en onmerkbaren glimlach beantwoord.„Ik ken die visschen niet,” had hij mevrouw Groenewald[264]geantwoord. „Maar.… daar komt stuurman Abels aan. Die zal ons wel kunnen inlichten.”„Wat is er van het believen der dames?” vroeg hij.„Wat zijn dat voor visschen, stuurman?” herhaalde mevrouw Groenewald hare vraag.Abels keek over boord.„Drommels!” zei hij, „dat is fraai!”En naar den kajuitstrap stormende:„Heeren!” riep hij, „komt spoedig boven. Er is iets moois te zien!”In een oogwenk waren de kaarten neergelegd en verschenen de spelers op het dek.„Mooi!”„Prachtig!”„Heerlijk!”„Overschoon!”Die bewonderende uitroepen kruisten elkander allerwege, en wekten de nieuwsgierigheid van de manschappen, die zich nog aan dek bevonden. Weldra was de geheele verschansing met voorovergebogen hoofden getooid om het bewonderenswaardige schouwspel te genieten.„Stuurman Abels, gij hebt ons nog niet gezegd, welke visschen dat zijn,” merkte mevrouw Groenewald met zachte stem op.„O! vergeef mij mevrouw. De wensch om de andere passagiers dat prachtvolle tooneel ook te laten genieten, heeft mij vervoerd. Die visschen noemt men makreelen.54Zoo als gij ziet, worden zij tot ongeveer een halven meter lang en wegen dan omstreeks 2 Ned. pond. Zij vertoonen bij daglicht een blauwen rug met zwarte dwarsbanden, terwijl de buik wit is. Zij worden veel in de Middellandsche zee aangetroffen; maar, zooals gij zien kunt, trekken zij ook in den Atlantischen Oceaan[265]in groote scholen rond. Ik heb er bij het eiland Sint Helena ongeloofelijke hoeveelheden bij elkander gezien. Het vleesch dier visschen is malsch en zeer smakelijk, doch wel een weinig weekachtig, zoodat zij zich minder eigenen om gerookt te worden. Gezouten evenwel worden ze van dat eiland veelvuldig verzonden …”„Wat is dat? Wat is dat?” riepen de passagiers.De steeds helglinsterende visschen schoten als bliksemschichten door elkaar. Het was alsof de vurige slangetjes van een onmetelijk vuurwerk door elkander krioelden. Allen schoten in de diepte.„O! ik zie wat de oorzaak van die vlucht is. Ziet, daar, twee haaien!”En werkelijk daar kwamen twee van die monsters te voorschijn. Hun lichaam was ook ten gevolge van het phosphoresceeren der zee, alsof het van gloeiend metaal was. Toen zij het schip naderden, waren de makreelen, als met een tooverstaf aangeraakt, verdwenen. De beide haaien zwommen een enkele maal zeer langzaam langs het schip op en neer, en volgden vervolgens het schip op eenigen afstand in het kielzog, waarin hun glinsterend lichaam volkomen zichtbaar bleef.„Dat zijn zoogenaamde menschenhaaien55” verklaarde kapitein Butteling. „Zij hebben een grauwkleurig lichaam, daarbij een breeden rug en een platten kop, die van voren driehoekig is. Zij hebben een wijden bek, die bij bejaarde visschen wel eens met zes rijen tanden in iedere kaak gewapend is. De voorste rijen dier tanden, die zaagvormig zijn, staan onbewegelijk in het kaakbeen; terwijl de achterste beweegbaar zijn en door het dier naar willekeur kunnen opgericht of neergeslagen worden. Iedere rij bevat minstens 30 tanden. Zij volgen nu het schip. Dat zal dagen lang duren, en zij zullen ons niet verlaten voor dat de verminderende warmtegraad[266]van het water hen daartoe noodzaken zal. Wee den ongelukkigen, die thans overboord valt. Voor hem is geen redding. Voor dat hulp zou kunnen verleend worden, zou hij door die monsters gehavend en naar de diepte gesleurd zijn.”„Zouden wij niet een haak kunnen uitwerpen?” vroeg Slierendrecht.„Bij de vaart, die het schip thans loopt, is dat niet doenlijk; daarenboven zou ik ongaarne in dit avonduur zoo’n beestje aan boord laten halen. Morgen, als de passaat ietwat mocht verflauwen, dan zou zulks te doen zijn.”„Juist! morgen ochtend,” zei kapitein Van Dam als speler gehaast. „Kom, laat ons ons partijtje vervolgen.”„Wordt die haaiensoort slechts tusschen de keerkringen aangetroffen?” vroeg Van Diepbrugge nog.„Hier wel het meest. Maar men vindt ze toch ook in de Middellandsche zee, alwaar er zelfs van monsterachtige grootte zijn aangetroffen. Het voornaamste voedsel dezer haaien schijnt de thonijn56, waarvan eene soort door den zeeman boniet57genaamd te zijn. Nimmer toch werd zoo’nhaai gevangen of steeds werden een aantal van die visschen in zijn maag aangetroffen. Dat is te merkwaardiger, daar de thonijn tot de stekelvinnigen behoort en dientengevolge venijnig scherpe rugvinnen bezit, die hij bij het minste gevaar overeind zet, even als de waterbaars in ons vaderland bij de nadering van een snoek. Morgen zullen wij waarschijnlijk geheele scholen vliegende visschen te zien krijgen.”„Waaruit leidt gij dat af, kapitein Butteling?” vroeg Slierendrecht.„Wel, uit de aanwezigheid van die school makreelen. Waar die ontmoet worden, zijn de vliegende visschen niet ver af. En omgekeerd, waar de vliegende visschen[267]in groote menigte ontmoet worden, zijn de makreelen en ook de bonieten in de nabijheid.”„Wij hebben nog niet veel vliegende visschen gezien,” meende Van Diepbrugge.„Toch. Zij worden vooral veel en dan met geheele scholen bij zonsopgang waargenomen. Dan.…”„Krijgen wij nu eene verhandeling over de vliegende visschen?” vroeg kapitein Van Dam ongeduldig. „Kom laat ons dan alvorens onze robber uitspelen.”Aan die uitnoodiging was geen weerstand te bieden. Alle heeren stoven naar beneden. Ook mevrouw Groenewald verliet met hare twee dochters het dek. Zij meende, in weerwil van het protest der jonge meisjes, dat het tijd was om te gaan rusten.[268]
De nacht was verder ongestoord voorbijgegaan. Toen de dag aanbrak, geleek het dek van deFernandina Maria Emmawel op het kamp eener rooverbende. Op het voorschip, op het middenschip, op het achterschip stonden gewapende troepjes matrozen en onderofficieren, die het geweer niet uit de hand legden. Bij ieder der twee kanonnen, die het schip in zijne volle lengte bestreken, stond een matroos met de brandende lont in de hand.
Na de reveille werd het grootluik geopend en mochten de manschappen een voor een het dek bestijgen om hunne hangmatten op de gewone wijze op te bergen. Zij werden daarbij ten scherpste onderzocht en alles, wat maar naar een wapen zweemde, werd hun afgenomen, terwijl het tusschendek zorgvuldig door de matrozen onderzocht en ook daar alles weggenomen werd, wat maar naar wapentuig zweemde. Toen het detachement aangetreden stond, sprak kapitein Van Dam de manschappen toe, vroeg hen wat de redenen waren van hun baldadig gedrag, wees hen op het misdadige daarvan en eischte de opgave der schuldigen.
Gedurende het verbinden hadden de gekwetsten in[250]hun doodsangst al menige bekentenis gedaan en menigebijzonderheidaan het licht gebracht; zoodat, toen er eenige aarzeling aan den dag gelegd werd om aan de bevelen van den kapitein te voldoen, hij gelastte dat een zestal manschappen in hechtenis genomen zouden worden. Deze werden dadelijk zwaar geboeid en afzonderlijk op het dek ter hoogte van den fokkemast zoodanig vastgebonden, dat zij met elkander niet spreken konden. Een korporaal werd daarenboven op post geplaatst, om iedere gemeenschap met de manschappen van het detachement te beletten.
De aanwijzing der voornaamste schuldigen bleef niet zonder uitwerking op de overige samenzweerders. Allen lieten het hoofd hangen en gaven blijken van innig berouw. Op een gegeven oogenblik drongen zij om kapitein Van Dam en smeekten om vergiffenis.
„Het recht moet zijn loop hebben, mannen!” sprak deze. „Gij hebt u zwaar aan de krijgstucht vergrepen. Veel zal evenwel afhangen van uw verder gedrag. Stelt mij in de gelegenheid om bij aankomst te Batavia er op te kunnen wijzen, dat dit berouw oprecht gemeend, dat uw gedrag verder uitmuntend was, dan zal dat voorzeker als verlichtende omstandigheid in aanmerking komen.”
„Maar, ik zie den fuselier Zondervan niet,” zei de kapitein, terwijl hij langs de gelederen stapte. „Waar is die?”
De naam Zondervan weerklonk overal: op het dek, op het voorschip, op het achterschip, in het tusschendek; geen antwoord werd evenwel gegeven.
„Maar, daar bengelt nog eene hangmat, daar ginds in dien hoek van het ruim,” riep een der onderofficieren, die beneden naar den vermisten was gaan zoeken. Hij trad op de hangmat toe.[251]
„Hij ligt er in,” riep hij. „Zondervan!.… Zondervan!.… Hemel! hij beweegt zich niet. Hij is dood en reeds stijf!”
Toen het oproer uitbarstte, was de jood stil in zijne hangmat blijven liggen. Het had hem evenwel niets gebaat. Een verloren kogel had hem onder de korte ribben getroffen. Zijn doodstrijd was zeer kort geweest, en bij het nachtelijk rumoer onopgemerkt gebleven. Geene uitwendige verbloeding was waargenomen; zoodat Zondervan overleden was zonder dat iemand het wist.
Het lijk werd in zijne hangmat genaaid, verder aan het voeteneinde van eene flinke partij zand voorzien, daarna in een Nederlandsche vlag gewikkeld en op de koebrug gelegd, in afwachting dat alles voor de overboordzetting in gereedheid zou gebracht zijn. Die plechtigheid werd tegen het middaguur bepaald. Zoodra het lijk gevonden was, werd de vlag aan de gaffel halfstok gehaald.
De gerechtelijke verhooren begonnen nu dadelijk. De luitenants Denniston en Leidermooi werden daartoe in commissie benoemd, terwijl Behren daarbij als secretaris diende.
Het geheele snoode bedrijf kwam nu aan het licht. Taugwalder, een gewezen officier van het Engelsche vreemden-legioen, dat voor de Krim bestemd geweest was, maar het niet verder dan Smyrna gebracht had, waar het korps na den val van Sebastopol ontbonden werd, was de leider van het komplot geweest. Hij was ontevreden met zijn lot, dat hij te laat donker inzag, toen hij begreep, dat de officiersrang niet meer voor hem openstond, omdat hij zich door de wervers had laten verlokken om handgeld aan te nemen. Hij was een ontwikkeld en energiek man, wiens verleden onberispelijk was, en waarvan in de koloniën vele diensten hadden[252]kunnen verwacht worden, wanneer hij te Harderwijk iemand aangetroffen had, die hem ten goede geraden had. Toen hij in het Britsche vreemden-legioen getreden was, had hij ook een soort van handgeld of gratificatie genoten. Dat was geen hinderpaal geweest om tot officier bevorderd te worden. Hij had in de meening verkeerd, dat dit evenzoo bij het Nederlandsch-Indische leger het geval zoude zijn, en had zich stellig voorgenomen, door dapperheid, dienstijver en goed gedrag de epauletten te verwerven. Te laat vernam hij dat het handgeld hem den weg tot eene loopbaan, die met zijne opvoeding overeenkwam, afsneed. Het geld, waarop te Harderwijk door zoovelen geaasd werd, was, hoewel niet in uitspattingen, toch met lichtzinnigheid uitgegeven; zoodat, toen hem de oogen opengingen, hij het niet teruggeven kon. Met wanhoop in het hart was hij aan boord gegaan, en met zijne geestkracht had hij in de vele ledige uren, die zoo eene zeereis aanbieden moest, het wanhopige plan gevormd. Het was hem niet te doen geweest om schatten te verwerven, of oneerlijkheid te plegen. Uit het onderzoek bleek voldingend, dat het hem alleen te doen was geweest om zijne vrijheid te herwinnen. Was het de bestemming van het schip geweest eenig tusschenstation aan te doen, alvorens Nederlandsch-Indië te bereiken, dan zou hij ieder plan om zich van het fregat meester te maken, hebben laten varen, wellicht ware het nimmer in zijn brein opgekomen; want dan zou hij een plan tot desertie ontworpen, dat gedurende de lange reis gestreeld, en, het kostte wat het wilde, uitgevoerd hebben. Zooveel bleek verder uit het onderzoek, dat hij aan de samenzweerders aanbevolen had, niet dan in den uitersten nood bloed te vergieten, of levensgevaarlijk geweld te plegen. In een vijftal ontevreden Zwitsers evenals hij, die bij de oproerige Napelsche[253]regimenten in der tijd gediend hadden, vond hij ijverige helpers, en dezen hadden het onzalige onkruid der muiterij onder het meerendeel der vreemdelingen aan boord verbreid. Deze vijf waren eigenlijk zedelijk meer schuldig dan Taugwalder. Wel hadden zij het komplot niet ontworpen, maar zij sloten zich daarbij aan met de geheime gedachte, zich te verrijken met de bezittingen der passagiers, met de lading en met den verkoop van het schip, terwijl hun opperhoofd het voornemen te kennen had gegeven, het schip te Iquique te verlaten, zooals hij aan boord gekomen was, zonder dat een cent, die hem niet toekwam, zijne hand bezoedeld zoude hebben.
Uit het onderzoek bleek ook, dat die vijf onverlaten—buiten weten van Taugwalder—reeds om het bezit der beide jonge meisjes, aan boord aanwezig, gedobbeld hadden, en dat bij die vreeselijke partij bepaald was, dat dienzelfden nacht van het oproer hare onteering had moeten voltrokken worden, waarna zij aan de overige muiters zouden overgeleverd zijn.
Behren ijsde, toen hij als secretaris die snoode ontwerpen moest opschrijven.
Hoe was het echter met die jonge dames gegaan, gedurende de gebeurtenissen, die hierboven verhaald werden?
Bij het eerste gerucht waren zij opgevlogen, en hadden bij de ontwikkeling van het drama eene toevlucht in de hut van hare ouders gezocht.
Daar zaten alle vier in doodsangst af te wachten, wat aller lot zoude zijn. De meisjes verbloemden zich geenszins, dat dit lot voor haar allerverschrikkelijkst zoude zijn, wanneer de opstandelingen zegevierden. Zij hoorden de worsteling boven, de worsteling beneden; zij vernamen de bijlslagen, die de beschotten en deuren deden[254]bezwijken; de kreten van woede, van vertwijfeling, het schelden en tieren der muiters drongen tot haar door; zij hoorden de kalme aanmaning van kapitein Van Dam; eindelijk deed het salvo geweerschoten hen hevig verschrikt opvliegen, terwijl de arme meisjes in onduldbaren angst, eene toevlucht in de armen harer ouders zochten.
Kort daarop verwijderde het gevecht zich, en trad eene doodsche stilte in.
Toen de heer Groenewald iets later omzichtig naar buiten trad, ontmoette hij stuurman Bagman, die met den hofmeester den boel in de kerk een weinig kwam opruimen.
„Alles afgeloopen, mijnheer Groenewald!” zei hij opgeruimd. „De jonge dames kunnen gerust gaan slapen. De oproerlingen zijn zoo mak als schoothondjes.”
Kapitein Butteling gaf een oogenblik later hetzelfde antwoord en denzelfden raad. Toen evenwel de familie Groenewald op meer bijzonderheden aandrong, antwoordde hij:
„Morgen, lieve dames! Ik heb nu geen tijd. Ik zou u ook raden thans te gaan rusten. Alle gevaar is voorbij! Ziet, al de heeren komen beneden om ook zoo te doen.”
Maar de raad was gemakkelijker gegeven, dan opgevolgd. De gebeurtenissen waren te schrikwekkend en de angst was te groot geweest, om nu reeds rustigen slaap te gedoogen. Iedere voetstap op het dek, ieder gerucht in de kerk of in de kajuit, ja het kraken eener deur of eener plank deed de arme vrouwen ontstellen en den slaap vluchten, die op het punt stond zich harer te ontfermen. Eindelijk toen het daglicht door de patrijspoortjes51gloorde, week de onrust eenigermate en vielen zij in slaap.
Toen de jonge dames later op het dek verschenen, waren de sporen van de nachtelijke gebeurtenissen zoo veel[255]mogelijk verwijderd. Het was nabij het middaguur. De scheepsgezaghebber en zijne stuurlui waren bezig met het zonschieten. Het detachement stond op twee gelederen aangetreden, de manschappen met hunne beste plunje aan, de officieren in groot tenu. Ook de scheepsequipage had hare zondagskleederen aan. De vlag wapperde halfstok.
„Stop!” riep eensklaps stuurman Abels, terwijl hij zijn sextant nu voor het oog afnam.
Onmiddellijk daarop sloeg stuurman Ellenbaan acht glazen op de klok.
Zes soldaten traden nu vooruit, lieten het lijk van den fuselier Zondervan, steeds in de Nederlandsche vlag gewikkeld, van de koebrug afglijden, legden het op eene plank, die zij op hunne schouders tilden.
„Mijn God! wat gaat er gebeuren?” vroegen Adelien en Emma aan dokter Van Pinksteren.
„Een begrafenis, dames,” antwoordde hij hoogst ernstig.
„Eene begrafenis? Is er dan iemand dood?”
„Een soldaat is heden nacht in zijne hangmat doodgeschoten. Een ander is bij het gevecht omgekomen.”
Achter het lijk schaarden zich eerst de officieren; daarachter kwamen de onderofficieren en de manschappen van het detachement; terwijl de trein besloten werd door de scheepsequipage. Toen de stoet gevormd was, zette hij zich in beweging. Driemaal werd het lijk rond het schip gedragen, bij welke omgangen allen volgden. De meeste konden niet nalaten een hoogst ernstigen blik te werpen op de gearresteerden, die op het dek geboeid lagen, en wien de gewelddadige dood van den overledene geweten kon worden. Geen hunner had den moed, om den blik naar het lijk op te slaan. Het geweten zei hun, dat daar een slachtoffer van hunnen aanslag voorbij gedragen werd.[256]
Na den derden omgang werd de plank op de valreep aan stuurboordszij gelegd. Het lijk werd van de vlag ontdaan. Kapitein Butteling prevelde een gebed, terwijl het geheele detachement rondom hem stond. Daarna klonk de stem van den eersten stuurman:
„Een,—twee,—drie,—in Gods naam!”
De bootsman, die bij het neerleggen van het lijk op de valreep de verdere behandeling aanvaard had, wipte bij de laatste woorden de plank rechtstandig, waardoor het lijk er af gleed en in zee plofte. De meeste manschappen vlogen naar de verschansing om hunnen krijgsmakker nog eens te zien. Het was te vergeefs; door de zwaarte van het zand meegesleept, hadden de golven zich reeds boven het lijk gesloten. Zij zagen slechts eenige luchtbellen opborrelen, die bij de vaart, welke het schip liep, al heel spoedig in het zog van het schip verdwenen.
Kapitein Butteling gaf een teeken aan een paar matrozen. Deze grepen het lijk van Schlapina, legden het op de plank en lieten het zonder eenig ceremoniëel in zee schuiven. Daarop wenkte de gezagvoerder den scheepsjongen, die bij den spiegel met de vlaggelijn in de hand stond. Statig steeg de driekleur omhoog en wapperde vroolijk aan de gaffel, alsof er niets gebeurd was.
„Bezaanschoot aan!” kommandeerde kapitein Butteling.
De hoornblazer toeterde het „Wilhelmus”, ten teeken dat eene extra-oorlam uitgereikt werd. Vele manschappen onthielden zich die te nemen. Zij voelden zich te zeer schuldig, om nu al een opwekkende teug te nemen.
Terwijl stuurman Bagman met de uitreiking bezig was, zeide hij:
„Die arme smous! hij ligt op 3° 29′ zuiderbreedte en 30° 59′ westerlengte in 2200 vademen water!”
Dat was de eenige lijkrede, die over Nathan Zondervan[257]uitgesproken werd. Van het andere over boord gezette lijk werd door niemand gerept.
De uitgereikte oorlam verdreef al heel spoedig de sombere gedachten, die bij een gedeelte der manschappen door die overboordzetting had kunnen opgewekt zijn. Drie dagen later werd zelfs de naam van den armen jood niet meer genoemd; tenzij door hem aan wien hij zijn rantsoen jenever verschacherde.
„Er worden toch kortemettenaan boord met een mensch gemaakt. Tegen het middernachtuur gestorven, en tegen het middaguur reeds voor de haaien,” merkte de heer Groenewald op.
„Dat kan niet anders, mijnheer Groenewald,” antwoordde kapitein Butteling. „De man is dood, en wij hadden geen plaats om zijn lijk lang te bewaren. Denk er daarenboven om, dat wij bijna onder de linie zijn. Ik wed dat het lijk nu reeds een luchtje verspreidde. Ik draag ook de verantwoordelijkheid betreffende den gezondheidstoestand van mijne opvarenden!”
„Maar heel veel ceremoniëel vergt toch zoo’n begrafenis niet,” meende de oudste der dames Groenewald.
„De man is het graf van een eerlijk zeeman deelachtig geworden, juffrouw Emma,” was het ernstige antwoord. „Hij ligt op bijna onpeilbare diepte in den schoot der blauwe wateren. Meer konden wij niet voor hem doen. Ik laat de vraag onbesproken of hij het graf, dat wij hem gaven wel verdiende. Hadden wij stilte gehad, of op eene reede gelegen, dan zouden wij de ra’s kruislings gehaald hebben. Bij deze flinke bries evenwel ware dat Gods weldaden versmaden geweest. Wij mochten daarvan geen zuchtje verloren laten gaan.”
DeFernandina Maria Emmarepte zich intusschen voort. De zuidoostpassaat stond flink door, en het schip maakte dagen achtereen gemiddeld 52 mijlen in het etmaal;[258]hetgeen bij de scherp gebraste zeilen een goede vaart mocht genoemd worden. De dagen volgden de een na den anderen en geleken elkander volkomen. De zeilen stonden strak, het schip lag bestendig over een oor,—zooals de zeelui dat noemen,—en wierp met kracht geheele vlokken schuim voor zijn boeg, en ploegde zich een kielwater, dat achteruit tot aan den horizon met het oog te volgen was. Het was of die vore, die met blinkend wit schuim overdekt was, en waartegen de passaatgolfjes als het ware kwamen breken, den langen weg aanwees, die terug naar het verafgelegen vaderland voerde. Het was den reizigers, alsof zich dat kielzog ook nog verder daar achter den horizon afteekende, en als een waarneembaar merk daarstelde voor hen, die hun geboortegrond verlieten.
Vooral des avonds, wanneer de zon was ondergegaan en geen maanlicht de donkerheid der nachten temperde, was die vore bewonderenswaardig. Zij was dan in den regel aan een stroom vloeibaar zilver gelijk, te midden waarvan schitterende vuurbollen draaiden en wentelden, uit elkander sprongen, zich weer vereenigden, om zich weer in ontelbare glinsterende punten te verdeelen. Phosphoresceerde52de zee daarbij, wat in deze warme streken niet zeldzaam gebeurde, dan was het schouwspel, hetwelk zich aan de verbaasde blikken voordeed, onbeschrijfelijk fraai. Dan was die zogstreep van het schip nog helderder dan anders, dan waren de daarin draaiende en wentelende bollen nog schitterender; maar dan was daarenboven die vore met eene schitterend vurige franje omzoomd, afkomstig van de golfjes, die er tegen braken. Iedere golf, die zich over dag met een licht randje van wit schuim kuifde, was dan getooid met een zacht schijnend phosphorlicht, dat een vreemden tint aan het donkere water verleende. Dan was, wanneer men zich over de verschansing[259]boog, de romp van het schip, zoo ver hij in het water dook, van gloeiend metaal; dan was de golf, dien de boeg bruisend voor zich uitwierp aan eene vuurbaar van eene schitterende witte tint gelijk, en kon men wanen, als salamanders over eene vuurzee te zweven. Zelfs de golfjes, die dartelend tegen de scheepswandenopspatten, waren aan schitterende vonken gelijk, die in een vurigen regen nedervielen.
Op den 15enNovember—het was weer een Zondag—was het buitengewoon warm geweest, hoewel de zuidoostenwind, flink doorblazende, zich beijverd had de temperatuur af te koelen. Maar op dien dag stond de zon, die zich in het hemelteeken deSchorpioen, evenwel dicht bij den Schutter bevond, des middags nagenoeg loodrecht boven het schip en blakerde de zonnetent, zoodat het daaronder gedurende de middaguren bijna niet uit te houden was. Tegen den avond kwam er evenwel verademing. Toen de zonnetent opgerold en middels den spinnekop53omhoog gehaald was, kon de zuidoostpassaat naar hartelust over het dek zwieren en frischheid aanbrengen. Dien avond phosphoresceerde de zee allerprachtigst, en lagen de reizigers langen tijd over de verschansing gebogen, dat fraaie schouwspel te bewonderen. Maar het whist- en quadrillespel riep eindelijk de liefhebbers, en weldra was het vrij eenzaam op het dek, alwaar evenwel de jonge dames Groenewald in gezelschap van Herman Riethoven en Frank Brinkman achtergebleven waren, om nog meer van het fraaie vuurwerk, wat de zee aanbood, te genieten. Adelien en Emma waren evenwel onder de hoede harer moeder, die bij den koekoek in een wipstoel zat te wiegelen. De edele vrouw had in de harten harer dochters gelezen. Zij had daarin eene teedere genegenheid bij ieder harer zien ontluiken. Och! zij was ook jong geweest. Onder haar moederlijk oog[260]mochten hare telgen zich wel aan hare gevoelens overgeven. Toch was de aanblik van die gelukkige kinderen met eenigen weemoed vermengd:
„Dochter aan het vrijen, moeder wordt oud!”
„Dochter aan het vrijen, moeder wordt oud!”
zong toch Van der Hoop.
„O! kijk eens! wat is dat mooi!” kreet Adelien, terwijl zij achter het schip wees, waar de draaikolken door de waterverplaatsing bij de vaart van het schip veroorzaakt, in vurige streepen kronkelden.
„En die golfjes, welker kuiven zich vertoonen, als mat zilver,” zei Emma. „Het is of ze door de maan beschenen worden, die zich in hare schuine vlakken weerspiegelt.”
„En kijk dames, daar voren die golven eens, die door den voorsteven opgeworpen worden!” zei Herman. „Hoorde men het gebruis van het water niet, dan zou men in de donker kunnen wanen, dat het vurige wol of katoen is, die daar voor den boeg met ongekende kracht en vaart opkrult en oprolt, om een oogenblik later in stroomen en beken van vloeibaar metaal langs de zijden van het schip voorbij te schieten.”
„Kijk, wat is daar ginds, daar in de verte, bij het achterschip?.… O! wat is dat mooi,” riep Adelien, terwijl zij in geestdriftvolle bewondering de hand van Frank Brinkman greep, die in hare onmiddellijke nabijheid stond. „O! wat is dat fraai!”
Dejongmanscheen daar niet op te letten. Toch voer eene lichte rilling hem door de leden, toen die lieve hand hem aanraakte. Hij was geheel oog voor het schouwspel, dat zich voor zijn oog ontrolde.
„Ja, wat is dat mooi!” herhaalde Emma, terwijl zij haar hoofdje naar Herman Riethoven keerde, die vlak naast haar stond, en onbewust in hare opgetogenheid tegen zijnen schouder aanleunde.[261]
En werkelijk het gezicht, hetwelk de Oceaan in dat oogenblik aanbood was schoon. Daar naderde eene school van honderde, van duizende visschen, die ongeveer een halve meter lang waren en vrij dicht op elkaar gedrongen, het schip behoedzaam nabij zwommen. Zij hielden zich zoo omstreeks op de diepte van een voet beneden de oppervlakte des waters, zoodat zij duidelijk zichtbaar waren. Het was een wonderschoon schouwspel. Iedere visch vertoonde zich daar in het donkere water, alsof hij in een pantser van gouden schubben gestoken was, terwijl bij iedere beweging der borst-, rug- of staartvinnen, de visch door een lichtend hulsel als door een phosphorischen nevel omgeven werd, waarin zijn spoelvormig lichaam helder uitkwam. Lagen de visschen bewegingloos,—wat bij het naderen van het schip nu en dan gebeurde,—want zij schenen dat gevaarte, hetwelk zij ontwaarden, te willen verkennen, dan was het of zij in schitterend goud gegoten waren. Langzaam, zeer langzaam naderden die visschen, zij naderden nog meer en eindelijk waren zij zoo nabij het schip gekomen, dat de toeschouwers zich over de verschansing moesten buigen om het schoone schouwspel gade te slaan.
„O! mama, kom toch kijken,” riep Adelien, terwijl zij plotseling haar lief kopje omwendde, waarbij hare blonde krullen in eene lichte bijna onmerkbare aanraking met Frank’s wang kwamen, die eene siddering van verrukking ondervond.
Mevrouw Groenewald stond op en keek, naast de jongelieden plaats nemende, over de verschansing.
„Inderdaad,” zei ze, „dat is zeer fraai.”
Plotseling openbaarde zich eene hevige beweging onder de steeds naderende visschen. Zij schenen den aard van het schip, dat hunne aandacht trok, herkend te hebben, of wellicht ook door eene andere oorzaak bewogen,[262]zwommen zij bliksemsnel op den romp aan, schoten hem opzijde, zwommen hem voorbij, dartelden met de meest mogelijke levendigheid in den vuurgolf, die voor het schip uitgeworpen werd, stoeiden en krioelden, vloden en vervolgden elkander, schoten en dwarrelden dooreen, zoodat het oog niet altijd de vurige visschen, en de lichtende lijnen, die zij in het water vormden, kon volgen. Soms schoot de geheele school als op kommando gelijktijdig vooruit, en was het of een wedstrijd met het schip moest gehouden worden. Ware zij dan den boeg voorbij—want in snelheid behaalden zij gemakkelijk de overwinning—; dan wendden de dichte gelederen, schoten bliksemsnel langs de andere zijde van het schip, verschenen een oogenblik in het kielzog om het dartele spel van voren af aan weer te beginnen.
Dat duurde zoo een poos voort. Bij iedere beweging, die de school visschen maakte, bewogen de jongelieden om haar met de oogen te volgen. De hoofden gingen nu eens rechts, nu eens links, waarbij nu eens een schouder met een anderen schouder, dan weer eene dartele krul met een oor, dat er niet bij hoorde, ook wel bij eene enkele plotselinge beweging eene wang met eene andere wang in aanraking kwam. De opgetogen jongelieden letten daar bijna niet op. De hand, die Adelien bij het begin van hare bewondering gegrepen had, had zij in hare vervoering niet losgelaten. Bij eene beweging, die het meisje maakte, om vlak beneden haar te zien, en waarbij zij zich onvoorzichtig ver over de verschansing boog, omvatte die hand bezorgd haar middel, terwijl Frank met iets angstigs in zijne stem fluisterde:
„Wees toch voorzichtig, juffrouw Adelien. Als gij uw evenwicht verloort, ware redding onmogelijk!”
Half verschrikt greep het meisje den arm, die haar omvatte, drukte dien zacht, boog zich naar Frank en[263]antwoordde zoo zacht, dat niemand der naastbijzijnde personen iets kon hooren:
„Ik dank u, mijnheer Frank, voor uwe bezorgdheid!”
In dit oogenblik maakte het schip, door een grooten golf opgetild, onverwachts de beweging van stampen. De hoofden naderden elkander onbewust en onwillekeurig, en de laatste lispelende woorden van de lieve maagd gingen verloren in een kus, die beiden onmachtig geweest waren in dat plechtig oogenblik te weerhouden. Ware het dag geweest, dan zou Adelien den blos niet hebben kunnen verbergen, die haar gelaat overtoog. Toch meende Frank, bij den weerschijn van de lichtende zee, daarvan iets te ontwaren, terwijl het lieve kind vol aandoening hem de hand krampachtig drukte, welke hij gegrepen had. Dat alles was bliksemsnel geschied; niemand had daarvan iets bespeurd; maar ongezocht hadden zich daar twee zielen voor elkander geopenbaard, en hadden zonder een woord te spreken, in tegenwoordigheid der moeder van het meisje, een verbond gesloten, dat op hunne toekomst van veel invloed zou zijn. De handen waren nog ineengestrengeld, toen mevrouw Groenewald vroeg:
„Wat zouden dat voor visschen zijn?”
„Ik ken ze niet, mevrouw,” antwoordde Herman, die, meer teruggetrokken van aard dan zijn vriend Frank, bij de eerste aanraking van Emma’s hoofdje tegen zijn schouder, ietwat terzijde geweken was.
Het moet er bij verteld worden, dat de oudste der beide jonge dames, hoewel hartstochtelijker van aard, hare gevoelens meer in bedwang had. Herman’s schuchtere beweging had zij met een bliksemsnellen blik en onmerkbaren glimlach beantwoord.
„Ik ken die visschen niet,” had hij mevrouw Groenewald[264]geantwoord. „Maar.… daar komt stuurman Abels aan. Die zal ons wel kunnen inlichten.”
„Wat is er van het believen der dames?” vroeg hij.
„Wat zijn dat voor visschen, stuurman?” herhaalde mevrouw Groenewald hare vraag.
Abels keek over boord.
„Drommels!” zei hij, „dat is fraai!”
En naar den kajuitstrap stormende:
„Heeren!” riep hij, „komt spoedig boven. Er is iets moois te zien!”
In een oogwenk waren de kaarten neergelegd en verschenen de spelers op het dek.
„Mooi!”
„Prachtig!”
„Heerlijk!”
„Overschoon!”
Die bewonderende uitroepen kruisten elkander allerwege, en wekten de nieuwsgierigheid van de manschappen, die zich nog aan dek bevonden. Weldra was de geheele verschansing met voorovergebogen hoofden getooid om het bewonderenswaardige schouwspel te genieten.
„Stuurman Abels, gij hebt ons nog niet gezegd, welke visschen dat zijn,” merkte mevrouw Groenewald met zachte stem op.
„O! vergeef mij mevrouw. De wensch om de andere passagiers dat prachtvolle tooneel ook te laten genieten, heeft mij vervoerd. Die visschen noemt men makreelen.54Zoo als gij ziet, worden zij tot ongeveer een halven meter lang en wegen dan omstreeks 2 Ned. pond. Zij vertoonen bij daglicht een blauwen rug met zwarte dwarsbanden, terwijl de buik wit is. Zij worden veel in de Middellandsche zee aangetroffen; maar, zooals gij zien kunt, trekken zij ook in den Atlantischen Oceaan[265]in groote scholen rond. Ik heb er bij het eiland Sint Helena ongeloofelijke hoeveelheden bij elkander gezien. Het vleesch dier visschen is malsch en zeer smakelijk, doch wel een weinig weekachtig, zoodat zij zich minder eigenen om gerookt te worden. Gezouten evenwel worden ze van dat eiland veelvuldig verzonden …”
„Wat is dat? Wat is dat?” riepen de passagiers.
De steeds helglinsterende visschen schoten als bliksemschichten door elkaar. Het was alsof de vurige slangetjes van een onmetelijk vuurwerk door elkander krioelden. Allen schoten in de diepte.
„O! ik zie wat de oorzaak van die vlucht is. Ziet, daar, twee haaien!”
En werkelijk daar kwamen twee van die monsters te voorschijn. Hun lichaam was ook ten gevolge van het phosphoresceeren der zee, alsof het van gloeiend metaal was. Toen zij het schip naderden, waren de makreelen, als met een tooverstaf aangeraakt, verdwenen. De beide haaien zwommen een enkele maal zeer langzaam langs het schip op en neer, en volgden vervolgens het schip op eenigen afstand in het kielzog, waarin hun glinsterend lichaam volkomen zichtbaar bleef.
„Dat zijn zoogenaamde menschenhaaien55” verklaarde kapitein Butteling. „Zij hebben een grauwkleurig lichaam, daarbij een breeden rug en een platten kop, die van voren driehoekig is. Zij hebben een wijden bek, die bij bejaarde visschen wel eens met zes rijen tanden in iedere kaak gewapend is. De voorste rijen dier tanden, die zaagvormig zijn, staan onbewegelijk in het kaakbeen; terwijl de achterste beweegbaar zijn en door het dier naar willekeur kunnen opgericht of neergeslagen worden. Iedere rij bevat minstens 30 tanden. Zij volgen nu het schip. Dat zal dagen lang duren, en zij zullen ons niet verlaten voor dat de verminderende warmtegraad[266]van het water hen daartoe noodzaken zal. Wee den ongelukkigen, die thans overboord valt. Voor hem is geen redding. Voor dat hulp zou kunnen verleend worden, zou hij door die monsters gehavend en naar de diepte gesleurd zijn.”
„Zouden wij niet een haak kunnen uitwerpen?” vroeg Slierendrecht.
„Bij de vaart, die het schip thans loopt, is dat niet doenlijk; daarenboven zou ik ongaarne in dit avonduur zoo’n beestje aan boord laten halen. Morgen, als de passaat ietwat mocht verflauwen, dan zou zulks te doen zijn.”
„Juist! morgen ochtend,” zei kapitein Van Dam als speler gehaast. „Kom, laat ons ons partijtje vervolgen.”
„Wordt die haaiensoort slechts tusschen de keerkringen aangetroffen?” vroeg Van Diepbrugge nog.
„Hier wel het meest. Maar men vindt ze toch ook in de Middellandsche zee, alwaar er zelfs van monsterachtige grootte zijn aangetroffen. Het voornaamste voedsel dezer haaien schijnt de thonijn56, waarvan eene soort door den zeeman boniet57genaamd te zijn. Nimmer toch werd zoo’nhaai gevangen of steeds werden een aantal van die visschen in zijn maag aangetroffen. Dat is te merkwaardiger, daar de thonijn tot de stekelvinnigen behoort en dientengevolge venijnig scherpe rugvinnen bezit, die hij bij het minste gevaar overeind zet, even als de waterbaars in ons vaderland bij de nadering van een snoek. Morgen zullen wij waarschijnlijk geheele scholen vliegende visschen te zien krijgen.”
„Waaruit leidt gij dat af, kapitein Butteling?” vroeg Slierendrecht.
„Wel, uit de aanwezigheid van die school makreelen. Waar die ontmoet worden, zijn de vliegende visschen niet ver af. En omgekeerd, waar de vliegende visschen[267]in groote menigte ontmoet worden, zijn de makreelen en ook de bonieten in de nabijheid.”
„Wij hebben nog niet veel vliegende visschen gezien,” meende Van Diepbrugge.
„Toch. Zij worden vooral veel en dan met geheele scholen bij zonsopgang waargenomen. Dan.…”
„Krijgen wij nu eene verhandeling over de vliegende visschen?” vroeg kapitein Van Dam ongeduldig. „Kom laat ons dan alvorens onze robber uitspelen.”
Aan die uitnoodiging was geen weerstand te bieden. Alle heeren stoven naar beneden. Ook mevrouw Groenewald verliet met hare twee dochters het dek. Zij meende, in weerwil van het protest der jonge meisjes, dat het tijd was om te gaan rusten.[268]