X.

[Inhoud]X.Naar Brazilië’s hoofdstad.Wel was het donker dien avond geweest; toch waren de gevoelens, die hare dochters bewogen hadden, mevrouw Groenewald als liefderijke moeder niet ontsnapt.„Ik geloof, dat Adelien en Frank het met elkander eens zijn,” sprak zij zacht, toen zij des avonds met haren echtvriend in hunne gemeenschappelijke hut alleen waren.„Wat brengt u op dat vermoeden?” vroeg de heer Groenewald.Zijne echtgenoote vertelde hem de bijzonderheden, die zij waargenomen had.„Het alles geschiedde, zoo ongezocht, zoo onverwacht van beide zijden, dat al had ik er mij tegen willen verzetten, ik dat onmogelijk had kunnen doen.”„Maar, gaat dat niet wat al te voorspoedig?”„Hoe meent ge dat?”„Wel, dat wij den jongman nog zoo weinig kennen.”„Gij hebt kapitein Van Dam toch geraadpleegd?”„Voorzeker; alle inlichtingen zijn gunstig. Maar, ik kon den kapitein toch niet zeggen, waarom ik die inlichtingen vroeg. Ik liet alleen doorschemeren, dat ik van zins was, die twee jongelieden voor te stellen op mijne koffie-ondernemingen werkzaam gesteld te worden.[269]Nu kan een goed, degelijk opzichter of, als ge wilt, zelfs een goed administrateur, een afschuwelijk echtgenoot voor een onzer kinderen zijn. Hier kunnen geen inlichtingen van kapitein Van Dam helpen.”„Als we slechts overtuigd zijn, dat wij met een eerlijken, onbesproken borst te doen hebben, dan dienen wij het overige, evenals bij alle huwelijken, eenigermate aan het toeval over te laten. Zijt ge dat met mij eens?”„Ja, volkomen. En toch is er iets, wat mij in die zaak hindert. Zoo’n onderofficier.… zal daar het geheele publiek der Vorstenlanden den neus niet tegen ophalen?”„O! wringt de schoen daar, manlief? Gij zoudt immers die jongelieden eerst op een uwer landelijke ondernemingen nemen, ten einde hen te bekwamen, nietwaar? Welnu, dan is het de sergeant niet meer, die de hand onzer dochter erlangt, maar de administrateur of wel uw deelgenoot in uwe zaken. Als daarvoor de neus opgetrokken moest worden, dan deed voorzeker de eene helft der Vorstenlanden het tegen de andere. Daarenboven, wat zou ons dat kunnen schelen? Zijn wij de dienaren van het publiek? Hebben wij iemand naar de oogen te zien? Neen, nietwaar? Wij hebben slechts één doel, dat is het geluk onzer kinderen te bevorderen. Ik meen, dat dit bereikt wordt, wanneer wij haar in de keuze van een echtgenoot zoodanig leiden, dat haar levensgezel een onbesproken en degelijk ontwikkeld man is, met een gezond lichaam en eene zachtzinnige maar toch flinke geaardheid. Daarin—dat zult gij mij moeten toegeven—zijn al de gegevens vereenigd, die, voor zoover een mensch dat berekenen kan, het geluk onzer kinderen kunnen bevorderen, wanneer wederzijdsche liefde eene verbintenis onder dergelijke voorteekenen gesloten, bezegelt.”[270]„Goed verdedigd! vrouwlief,” antwoordde de heer Groenewald. „Ik ben het in beginsel geheel met u eens. Mij dunkt evenwel, dat wij den gang van zaken eenigermate remmen moeten. Wij weten nog zoo weinig van de denkbeelden dier jonge mannen. Wij kunnen nu wel plannen ontwerpen; het is nog de vraag of zij zich daarnaar schikken willen. En, om mijne kinderen met officieren te laten huwen, daartegen zou ik erg opzien.”„Ik ook. Dat eeuwig heen en weer trekken, waaraan niet alleen die heeren, maar ook de ambtenaren in Indië voortdurend blootstaan, zou mij zeer tegenstaan. Ik zou aan mijne lievelingen niets meer hebben; want er zouden jaren kunnen voorbijgaan, dat ik ze niet zag. Neen, dat zou verschrikkelijk wezen!”„Maar … gij hebt mij wel van Adelien verteld,” vroeg de heer Groenewald; „gij zwijgt evenwel over Emma?”„Daaromtrent kan ik weinig of niets mededeelen. De sergeant Riethoven is van een meer teruggetrokken karakter dan zijn vriend. Maar.… ik vraag u, zou een jongman weerstand kunnen bieden aan eene schoonheid als onze Emma is. Neen, laat die zaak haren gang gaan, die zal ook wel te recht komen. Ik zal mijne beide kinderen gelukkig zien,” sprak de liefhebbende moeder geestdriftvol. „Ik heb mij dat in het hoofd gezet.”„En als mamaatje zich iets in het hoofd gezet heeft, dan moet het gebeuren, nietwaar?Ce que femme veut, Dieu le veut. Ainsi soit-il!Maar, ik zal toch eenigermate het terrein moeten polsen bij die jongelieden?”„Juist, manlief.”„Ik zal daartoe de eerste de beste gelegenheid waarnemen, en dan moet mijne meening gevestigd zijn.”Na dat besluit legden beide ouders zich te rusten, en droomden bij het zacht wiegelen van het fregat op de kabbelende golven van het geluk hunner lieve kinderen.[271]DeFernandina Maria Emmavervolgde flink hare reis. Het is waar, de zuidoostpassaat blies flink door, en statig onder hare zeilen stevende het fregat nagenoeg evenwijdig aan de kust van Zuid-Amerika, evenwel op zoo’n afstand, dat van dat werelddeel niets te ontwaren was.Zooals kapitein Butteling voorspeld had, waren den volgenden dag geheele zwermen vliegende visschen te ontwaren. Met troepen van honderden verhieven zij zich uit het zilte water, beschreven een flauwen boog, welks hoogste punt soms zes meter bereikte, en legden gewoonlijk een afstand af van 100 tot 130 meter. Het was een eigenaardig schouwspel, die zwermen glinsterende visschen uit de zee te zien opduiken, een poos in het zonlicht te zien schitteren, en hen dan weer in het blauwe water te zien verdwijnen. Meestal schoten zij uit een hoogen deininggolf te voorschijn, zweefden over een tweeden, een derden en boorden in een volgenden, om een oogenblik later hetzelfde verrukkelijke spel weer te vervolgen. Soms was de hellingshoek, waaronder de visschen uit het water sprongen, te flauw; dan schoten zij van den eenen deininggolf in den anderen, doorboorden dezen laatsten, kwamen weer te voorschijn om een tweeden, een derden, een vierden, enz. door te zwemmen, totdat door den afstand hunne verdere bewegingen aan het oog onttrokken werden.„Schieten die visschen uit het water om lucht te scheppen of om insecten of zoo iets te vangen?” vroegen de jonge dames aan stuurman Abels.„Het mocht wat,” antwoordde deze. „Of ze lucht happen, weet ik niet; maar insecten zijn hier niet te vangen. Neen, zij trachten zoo hunne vijanden: de makreelen, de bonieten, de doraden58en zooveel anderen uit den weg te komen. Het is in den volsten zin des woords de doodsangst, die hun vleugelen verleent. Als[272]zij uit het water springen, spannen zij eenvoudig hunne zeer ontwikkelde borst- en buikvinnen, die evenwel onbewegelijk blijven, en waarmede zij niet slaan, zooals de vogels doen. Zij kunnen zich zoo eenigen tijd zwevende houden, maar daarbij niet van richting veranderen; zoodat zij veelal hunne belagers, die die omstandigheid zeer goed kennen, in den mond vallen, wanneer hunne droog geworden vinnen hen noodzaken in het water terug te keeren.”„Kijk eens, kijk eens!” riep Adelien, „hoe hoog die daar vliegen.”„Dat zijn hoogvliegers!” antwoordde de stuurman lachende. „Drommels! zij worden flink nagezeten. Ik wou dat er ettelijke aan boord kwamen. Zoo’n visch is een lekker hapje.”En alsof een gedienstige geest den wensch van den stuurman verhoorde; daar verhief zich een zwerm op een kleinen afstand van het voorschip, schoor er overheen, waarbij een groot gedeelte evenwel tegen het touwwerk en de bolle zeilen aankwam, en in zee terugviel. Een twaalftal kwam echter binnen boord terecht, waar zij spoedig door de soldaten en door janmaat buit gemaakt werden.Behren en Hannius spoedden naar voren om een paar exemplaren machtig te worden, ten einde die inliquorte bewaren. Eene tweede school streek evenwel een oogenblik later over het achterschip heen. Deze leed bij die manoeuvre meer verliezen, daar een groot dertigtal tegen de verschansing aan lij en bijgevolg op het dek terecht kwam. Ieder sprong toe, en een oogenblik later stonden al de heeren met een of twee visschen in de hand.„Kom, dokter Hannius,” sprak kapitein Van Dam, „de gelegenheid is te mooi, om niet van wal te steken met eene mooie verhandeling over die vlinders onder de visschen.”[273]„Ich bin entomoloog, Herr Kapitein, nicht ichthyoloog,” antwoordde de Germaan in zijn koeterhollandsch. „Aber ik wil mitdeelen, was ik weisz.”„Vooruit dan maar!”„De fliegende Fische gehooren tot het geslecht, Exocoetus genannt; zij zijn parentirt an die Scomberesoces aus die afdeeling der Pharyngognati.…”De dames konden bij die barbaarsche namen een ongelukkige beweging van de onderkaak niet bedwingen.„Poeah!” riep kapitein Van Dam uit. „Wat een heksenmoes! Gooi dat maar in je kwartiermuts, en laat het je oppasser straks uitzoeken.”Allen lachten.„Aber, ik weisz niks meer.”„Dan zal ik er nog wat bijvoegen,” zei Behren.„Maar geen latijn, apotheker,” zei kapitein Van Dam, „anders stuur ik je naar je hut. Ik mag de lieve dames niet aan een tweeden geeuwaanval blootstellen.”„De vliegende visch gelijkt veel op een haring,” ging Behrtje voort, „maar is meer gedrongen van lichaamsbouw en heeft sterk ontwikkelde borst-, buik- en staartvinnen. Deze laatste is, zooals gij zien kunt, diep ingesneden. Hij heeft kleine tanden, maar groote oogen, gemakkelijk loslatende schubben en eene zeer groote zwemblaas. Er bestaan ongeveer dertig soorten van, waarvan de Exo.…”Een luidruchtig en algemeen gegeeuw onderbrak den apotheker.„Pas op, Behrtje! Niks van Exodus. Je bent niet aan het preeken, man. Je weet, wat ik je gezegd heb,” dreigde kapitein Van Dam.„Waarvan de hoogvliegers59de meest bekende soort zijn. Deze worden ongeveer 50 Ned. duim lang, zijn op den rug hemelsblauw en hebben een zilverwitten buik.[274]Volgens de fijnproevers is deze visch een lekker hapje, dat door de menschelijke bewoners van de kusten van Zuid-Amerika met graagte gesmuld wordt. Ziedaar dames en heeren, wat ik er van weet. Ik ben zeer benieuwd of de roem omtrent de fijnheid van dezen visch niet overdreven is, en daarom ga ik een gedeelte van mijn aandeel—ik heb vier stuks—bij den kok brengen. Ik hoop dat mijn voorbeeld navolging zal vinden.”Een hoerrah beantwoordde dat voorstel, en toen het middagbestek opgemaakt was, was het gewone menu van de lunch, dat gewoonlijk uit lapskous bestond, met een flinken schotel lekker gebraden vliegende visschen verrijkt. Allen betuigden dat die visch overheerlijk was, en uitten den wensch, dat nog eene school aan boord mocht komen.Helaas! die wensch zou niet verhoord worden. Wel kwam later in den Indischen Oceaan nog wel een enkele visch aan boord; maar geen scholen om wat versnapering bij of afwisseling van de lapskous te brengen.Den 17enNovember had het middagbestek aangegeven dat deFernandina Maria Emmazich op 20° 36′ zuiderbreedte en op 33° 13′ westerlengte bevond. Dien dag hadden dokter Hannius en dokter Van Pinksteren eene samenkomst met den scheepsgezagvoerder en den kapitein Van Dam verzocht. De toestand der gekwetsten vorderde andere zorgen, dan hun tot nu toe gewijd hadden kunnen worden. Het lijnkoekenpanaceum van den scheepsdokter was onvoldoende gebleken bij de hardnekkige wondkoortsen, die zich geopenbaard hadden, toen dokter Hannius, hoe knap heelmeester hij ook geroemd werd, er niet in geslaagd was de kogels te verwijderen. Een hevige, roosachtige ontsteking was spoedig na het peilen der wonden ingetreden, en bracht het leven der gekwetsten in groot gevaar. De geneesheeren verklaarden[275]dat het meest ernstige te vreezen stond, wanneer de wonden niet met ijs, als het beste ontstekingwerend middel, behandeld konden worden.De beide kapiteins keken elkander aan.„Als er mogelijkheid toe bestaat,” meende kapitein Van Dam, „dan valt niet te aarzelen.”„Mogelijkheid! mogelijkheid!” zei kapitein Butteling, „mogelijkheid is er altijd, waar wij ons thans bevinden. Maar het gaat ons nog al vertraging berokkenen.”En zijn kaarten grijpende, wees hij met den vinger daarop.„Naar Bahia afhouden, dat op den 12dengraad zuiderbreedte ligt, zou op onze schreden terugkeeren zijn. Daarenboven ben ik er niet zeker van, dat wij daar ijs zullen kunnen bekomen. Rio Janeiro ligt op 23° zuiderbreedte en ongeveer.… laat zien.… op 43° westerlengte. Welnu, wij zullen maar niet lang beraadslagen; als de heeren geneeskundigen mij op schrift willen geven dat er urgentie bestaat, dan liggen wij binnen het kwartier zuidwest ten westen voor en dan loopen wij, als de bries zoo blijft, morgen avond kaap Frio in het gezicht. Ik heb die verklaring noodig ter mijner verantwoording, zoowel bij mijne reeders als bij de assuradeuren, bij mogelijke averij.”Het gevraagde stuk werd dadelijk gegeven. Al zeer spoedig daarop was de equipage bezig met de zeilen iets meer vierkant te brassen en stevende deFernandina Maria Emmahet Amerikaansche vasteland te gemoet.Kapitein Butteling’s voorspelling kwam uit. Bij het middagbestek op den 18denNovember stond het fregat op 22° 17′ noorderbreedte en op 37° 4′ westerlengte. De zuidoost-passaat blies goed door en bleef goed doorstaan. Toen dan ook daags daarna de dageraad aan de oosterkim gloorde, riep de matroos, die op uitkijk op de mars van den fokkemast zat:[276]„Land! stuurboord vooruit!”Dat was eene heugelijke tijding. Sedert de reizigers de piek van Teneriffe aan de kim hadden zien verdwijnen—nu volle een en twintig dagen geleden—hadden zij geen anderen gezichteinder gehad, dan die onbestemde lijn, waar lucht en water elkander schenen aan te raken. Allen aan boord, zelfs de matrozen, liepen naar de verschansing en keken begeerig uit. En ja, in de aangewezen richting werd laag bij den horizon eene blauwe lijn ontwaard, die even goed den omtrek eener wolk als den omtrek van land kon aangeven. De onervarene was zelfs geneigd, bij het ijle van het beeld, hetwelk zich daar in het west ten zuiden vertoonde, dit voor eene nevelbank te houden. Maar een zeeman kon zich onmogelijk vergissen.Die lijn naderde, naderde. Zij verhief zich al meer en meer boven den horizon. Toen de klok zes glazen (zeven uur) sloeg, was het fregat al zoover genaderd, dat daar ginds een dubbele bergketen te onderscheiden was. De massa, die zich voor het oog voordeed, was door alle schakeeringen van het blauw gegaan en vertoonde nu die loodkleurige, sombere tint, hetwelk eenig berglandschap, op een zekeren afstand van uit zee gezien, gewoonlijk aanneemt. Hier en daar begonnen zich evenwel lichtstreepen in die donkere massa te vertoonen, welke veroorzaakt werden door de zonnestralen, die de ribben en andere uitspringende gedeelten, met haar licht overgoten. De nokrand van dat gebergte was zeer gekarteld, en verhief zich in verscheidene toppen, die zich scherp tegen de blauwe lucht afteekenden. Aan den voet van het gebergte werd eene strook laag land ontwaard, die zich in zee uitstrekte.„Hoe zouden die beide bergketenen, die daar evenwijdig loopen, heeten?” vroeg een der passagiers aan[277]kapitein Butteling, die met zijn kijker den blik over de zeeoppervlakte liet waren.„Ik ben hier nimmer geweest,” antwoordde de kapitein. „Maar mijne kaarten zeggen mij, dat die voorste Sierra do Mar en de achterste Sierra Mantiqueira heet. Die eene top daar in het west ten noorden heet Hatiajossu en is ruim 8664 voet of 2712 M. hoog.”„Een zeil!” riep de uitkijk.„Waar?” vroeg kapitein Butteling door zijn scheepsroeper.„Stuurboord dwars!” klonk het uit den fokkemast.Alle kijkers werden in de aangeduide richting gekeerd. Aller oogen peilden en doorzochten den horizon en jawel, daar bij die vooruitstekende punt verscheen een klein scheepje op de oppervlakte van den oceaan, dat zeer scherp bij den wind zeilde. Het was slechts een wit stipje dat ontwaard werd.„De loodsvlag in top,” kommandeerde kapitein Butteling, „en vierkant brassen!”Het fregat maakte eene wending en liep nu nagenoeg noordwest op, vlak op den wal toe. Het sloeg juist twee glazen, negen uur, toen de loods aan boord stapte.Het schip was door die beweging kaap Frio veel naderbij gekomen. Het landschap begon vorm aan te nemen. Hier en daar werden te midden van het groen, dat zich nu langzamerhand uit den loodkleurigen band ontwikkelde, glinsterend witte stippen ontwaard, die de aanwezigheid van huizen verrieden. DeFernandina Maria Emmanaderde nog meer. Zij was de lage kaap Frio reeds te boven. De bergwanden begonnen hunne blauwe kleur te verliezen en tooiden zich in het heerlijkste groen. Zij naderden, naderden, en eindelijk openbaarde zich daar voor den bewonderenden blik der opvarenden een schouwspel van ongemeene pracht. Een bergwand[278]rees met zachte hellingen uit zee op. Het was alsof hij een muur daarstelde en het fregat toeriep: Tot hier en niet verder. Maar, weldra kwam er eene opening in dien muur. Het was, terwijl het schip voortgleed, alsof eene onmetelijke gordijn opengeschoven werd. Eerst traden eenige heuvelachtige eilandjes op den voorgrond. Het waren voornamelijk aan stuurboord de eilandjes May en Pay, die als eene voortzetting van de Taypoepunt te beschouwen waren, en aan bakboord de eilandjes Raza, Radonda, Comprida en eene menigte kleinere. Daarna kreeg deFernandina Maria Emmaden ingang der fraaiste baai van de wereld voor zich. De loods wendde zich tot kapitein Butteling en fluisterde hem iets in het oor.„Grootzeil, bezaan en fok geien!” klonk het kommando.In een oogwenk waren alle hens bedrijvig. Zij waren ter nauwernood klaar:„Bagijnezeil, groot- en voormarszeil geien!” klonk het andermaal.Het fregat temperde merkbaar zijn vaart. Het voerde nog maar het kruiszeil, het grietje, het grootbramzeil en grootbovenbramzeil, het voorbramzeil en voorbovenbramzeil en den kluiver. Thans schoot het, terwijl het ’t eiland Contoendoeboe voorbijstevende, den ingang der baai in, die zich voor het vaartuig geheel opende, slechts 700 M. breed was en door twee naakte granietrotsen, de Pao de Açucar, bij de Engelschen Sugar Loaf geheeten, en den Pico Santa Cruz begrensd werd. Het was een grootsch en verheven schouwspel, dat zich nu voor de oogen onzer reizigers voordeed. De beide granietrotsen, waartusschen het fregat doorstevende, waren de eerste 1270 en de andere 749 voet hoog boven den spiegel der zee, en vormden eene soort van poort, waardoor de blauwe wateren van den Atlantischen Oceaan toegang verkregen. Bij het binnenkomen werd het[279]oog achter den Pao de Açucar eene kleine baai gewaar, Praia de San Joao genaamd, die door eene landtong gevormd werd, welke zich naar den Pico de Santa Cruz boog, en het nauwste gedeelte der poort vormde. Op een heuvelrug, die de kleine baai omzoomde, verhief zich het fort of beter de batterij San Juan, die, met het fort Santa Cruz, hetwelk aan den voet van de piek van denzelfden naam gelegen was, den toegang tot die poort bij vijandelijke aanranding moest verdedigen; terwijl nog in de baai de forten Villegagnon en Cobras op de eilandjes van denzelfden naam gebouwd, het eerste ten zuidoosten en het tweede ten noordoosten op een kleinen afstand van Rio Janeiro gelegen, tot eene krachtige verdediging konden medewerken.Bij het binnenkomen deed de baai zich voor het oog nagenoeg peervormig voor en mat over hare lengteas ongeveer 30 en over hare grootste breedte 22 Ned. mijlen en was met liefelijke eilandjes bezaaid, waarvan het Ilha do Governador het grootste was; terwijl de baai met haar blauw water diep landwaarts indringende, van alle kanten door terrasgewijs opklimmend gebergte als door een verheven gekartelden band van smaragd omgeven was.Vlak bij den ingang der baai strekte zich de stad Rio Janeiro in een langwerpig vierkant van het noordoosten naar het zuidwesten op eene landtong uit, die in haar zuidelijk gedeelte met het vasteland verbonden was. Die landtong was zeer heuvelachtig, en het was tegen de hellingen dier heuvels dat de stad zich verhief, en zoo onzen reizigers een uitermate betooverend en schilderachtig gezicht opleverde, waaraan zij zich, na gedurende zoo langen tijd niets dan water en lucht gezien te hebben, niet verzadigen konden.DeFernandina Maria Emma, door een sleepbootje geholpen,[280]dewijl de wind in die baai de zeilen geheel ontvloden was, gleed nu het Ilha Villegagnon voorbij, ten noorden waarvan zich de ankerplaats deroorlogsschepenuitstrekte, daarna de Cathabouco punt, eene rotsachtige kaap, die zich hoog verhief, en ver in zee uitstrekte. Om die kaap, waarop het signaal-station en het observatorium zich verhieven, groepeerde zich als het ware de geheele stad. Het fregat stevende steeds voort zuiver noordwaarts op. Toen ’t het Ilha das Cobras dwars had, wendde het westwaarts en liet ten noordwesten van dat eiland gekomen, het anker op de reede voor de koopvaardijschepen vallen.60Toen het anker in den grond zat, kwam een dokter met de haven-politie aan boord. DeFernandina Maria Emmakwam evenwel uit Europa en had geene besmettelijke ziektegevallen aan boord: zoodat het verlof om naar den wal te gaan weldra verleend was. Een paar sloepen waren weldra gestreken en gereed om te vertrekken.„Wie wil medegaan?” vroeg kapitein Butteling aan zijne passagiers.„Ik blijf aan boord,” sprak kapitein Van Dam, „en verzoek luitenant Denniston dit insgelijks te doen.”„Waarom zoudt gij aan boord blijven?” vroeg de heer Groenewald.„Het is mogelijk,” antwoordde de officier, „dat iedere gisting onder het detachement verdwenen is; maar het kan ook wel niet zoo zijn. Straks zal het fregat door allerhande vaartuigjes omringd zijn om vruchten en andere versnaperingen, alsook kramerijen te verkoopen. Ik wensch zelf het toezicht te houden om desertie te voorkomen. De gelegenheid daartoe is te aanlokkelijk.”De overige kajuitspassagiers maakten gebruik van het aanbod van kapitein Butteling. Zelfs de dames[281]Groenewald stapten in, en namen plaats onder de zonnetent der sloep om eenige uren aan den wal door te brengen. Mevrouw Groenewald had haren echtgenoot nog afgezonden om aan kapitein Van Dam verlof voor de sergeanten Brinkman en Riethoven te vragen om mede naar den wal te gaan.„Dat moet ik u tot mijn leedwezen weigeren,” sprak de officier. „Zoo’n gunstbetoon zou te veel naijver, misschien wel nijd opwekken. Ik heb bovendien die jongelieden, van wier toewijding ik mij overtuigd houd, hoogst noodig bij het toezicht dat, zoolang wij hier in die baai zijn, gehouden moet worden. Het spijt mij, maar ik kan onmogelijk anders handelen.”De boot stak af, en de beide jongelieden zagen haar niet zonder teleurstelling verwijderen. Vooral Frank had zoo gaarne dat tochtje medegemaakt. Maar hij had zelfs niet lang tijd om die boot met haren lieven last na te turen. In weinige oogenblikken was deFernandina Maria Emmadoor eene ware vloot van vaartuigen omringd, welker opvarenden allen om het hardst kakelden, schreeuwden en verzochten om aan boord te mogen komen, ten einde hunne waren aan den man te brengen. Zoowel de stuurlieden als de officieren en onderofficieren hadden de handen vol om de orde te bewaren, en om te verhoeden, zoowel dat verboden waren, zooals dronkenmakende palmwijn,61aan boord gebracht werden, als dat manschappen, zich door middel der vaartuigen heimelijk zouden kunnen verwijderen. Alles liep evenwel in de beste orde af; maar de opzichthebbenden waren blij, toen de avond gevallen was en die venters verdwenen waren.Het was ongeveer tien uur des avonds, toen kapitein Butteling met zijne passagiers aan boord terug was. Hij was, wat het voornaamste gedeelte zijner zending naar[282]den wal betrof, geslaagd, namelijk: om eene goede portie ijs machtig te worden. In de sloep had hij reeds een paar kisten medegebracht, kristalheldere blokken, zorgvuldig in houtzaagsel bewaard; zoodat de beide geneesheeren al dadelijk hunne patiënten konden verzorgen. Den volgenden morgen zoude meer aangebracht worden.Maar de waardige kapitein had nog voor andere zaken gezorgd. Sedert deFernandina Maria Emmahet Nieuwediep verlaten had, hadden èn de equipage, èn het detachement troepen, èn de passagiers zich moeten vergenoegen met den zoogenaamden scheepskost, en waren erwtensoep, bruine boonen, grauwe erwten, met gezouten vleesch en gerookt spek schering en inslag van het dagelijksch menu. Wel is waar, werd door den kok daarin zooveel mogelijk voor de kajuitspassagiers afwisseling gebracht door groenten- en vleesch-blikken te verstrekken; ook werden wekelijks of een varken of eenige kippen of ganzen geslacht; maar dat kon weinig verlokken: de verduurzaamde levensmiddelen waren zoo zacht, alsof zij reeds eenmaal de bewerking der masticatie ondergaan hadden; en als men het arme gevogelte met zijne vuile overeindstaande veeren in de kippenhokken aan het dek maar bekeek, dan behoorde er moed toe om later, bij de herinnering aan dat gezicht, een kippenboutje, dat eigenlijk niets anders was dan wat vel over een beentje getrokken, naar den mond te brengen, zoo berooid en teringachtig zagen de arme dieren er uit. Alleen het varkensvleesch had nog steeds genade bij de lekkerbekken gevonden; maar.… de voorraad, door de reeders tot uitrusting van het schip verstrekt, was zoo zuinig geweest, dat toen het fregat de baai van Rio Janeiro instevende er zich nog maar één varken aan boord bevond. Dat was buitengewoon groot en vet geworden, en was bestemd om op een feestdag, zooals Sint Nikolaas-[283]of Nieuwjaarsdag een lekkeren beet te verschaffen. Een algemeen gejuich ging dan ook op, toen kapitein Butteling mededeelde, dat hij er in geslaagd was een viertal flinke ossen, waarvan een den volgenden morgen nog aan wal zou geslacht worden, een zestal varkens, eene menigte gezonde kippen en eenden machtig te worden; terwijl hij tevens eene groote hoeveelheid aardappelen en groenten had aangekocht, zoodat vooreerst in het menu eenige afwisseling kon gebracht worden.De dames en de passagiers, die aan wal geweest waren, gevoelden zich geducht vermoeid; geen wonder dus dat die zich zoo spoedig mogelijk ter ruste begaven. Kapitein Van Dam liep pruttelend het achterdek op en neer, omdat hij zijn gewoon quadrille-partijtje miste.Den volgenden morgen stond kapitein Butteling al vroeg te trappelen van ongeduld. Hij stond met zijn kijker naar de Praia de Vallongo, de aanlegplaats der sloepen van de koopvaardijschepen, die op de reede lagen, te turen, of de booten, die het ijs, het slachtvee en verdere levensmiddelen aan boord moesten brengen, nog niet opdaagden. Hij had zoo aanbevolen, dat die vaartuigen reeds bij zonsopgang langs zij van het fregat moesten liggen. En kijk, daar steeg de dagvorstin reeds boven den oostelijken bergnok en nog was van de booten niets te zien.Het werd zeven uur, het werd acht; toen eerst zag men eene kleine vlet naar boord stevenen. Toen die iets later het fregat op zij gekomen was, werd den kapitein medegedeeld, dat eene vertraging in de toezending èn van het slachtvee èn van de groenten, die uit de binnenlanden moesten aangevoerd worden, niet toeliet, dat het bestelde dien dag aan boord zoude gebracht kunnen worden; maar dat het stellig den volgenden ochtend zoo vroeg mogelijk bezorgd zoude zijn. Of kapitein Butteling[284]zich ook al boos maakte, of hij ook al met den voet stampte; het hielp hem niets. Er bleef niets anders over dan geduld te oefenen.De passagiers evenwel juichten. Al ras omringden zij den scheepsgezagvoerder en verzochten hem de sloepen andermaal ter hunner beschikking te willen stellen, om den dag aan wal te kunnen doorbrengen. Ditmaal zou luitenant Leidermooi kapitein Van Dam aan boord gezelschap houden, ten einde hem te helpen orde en tucht onder het detachement te bewaren. Wel deden de meeste passagiers veel moeite om den detachements-kommandant over te halen, hen ditmaal bij hun uitstapje te volgen; wel bood kapitein Butteling aan, hem in allen deele bij het toezicht te vervangen en het dek geen oogenblik te verlaten; de waardige krijgsman weigerde gladweg.„De duivel zit altijd om een hoekje te gluren,” antwoordde hij met een glimlach, „om iemand een kool te stoven, als hij er het minst op verdacht is. Er moesten eens wanordelijkheden tengevolge van dronkenschap voorkomen, of er moesten een paar van mijne snuiters drossen! Niet alleen dat ik mij zwaar bij het Militair Departement te Batavia te verantwoorden zoude hebben, wegens het finantieele nadeel, dat het lieve vaderland zoude lijden; maar ik zou hetmijzelvenniet vergeven.”„Toe kapitein!” smeekten de jonge dames.„Lieve dames, ik ben stijfhoofdig als een oud muildier. Laat af, wat ik u bidden mag. Eens en vooral, ik blijf aan boord!” kregen zij ten antwoord.Bij zoo’n plichtsopvatting hielp geen verder aandringen. De sloepen staken af en legden na een korten overtocht aan de Praia de Vallongo aan. De opvarenden waren spoedig aan wal gestapt, en verdwenen weldra te midden der bonte menigte, die op die kade wemelde, voor de naoogenden aan boord.[285]Het was ruim elf uur des avonds, toen de pierewaaiers weer aan boord terug waren.Den volgenden morgen waren een viertal vaartuigen al heel vroeg met het verlangde op zijde, en werd de overlading bewerkstelligd, waarbij met de slachtossen al heel weinig omslag gemaakt werd. Er werd hun eenvoudig een strik om de horens geslagen, waarin een haak greep, die aan eene lijn vastgemaakt was, welke door een blok aan het einde van de groote ra geschoren was. Of de arme dieren ook al spartelden en tegenstribbelden, weldra hingen zij aan hunne horens in de lucht te zweven en waren nog niet van hunne ontsteltenis bekomen, toen de lijn gevierd werd en zij op het dek neerkwamen. Met de varkens ging het gemakkelijker, die zaten in manden opgesloten en werden zoo naar boven geheschen.Het was ongeveer half acht toen de overlading geëindigd was. Eene kleine sleepboot, de „Esperanza”, kwam toen op zijde, nam de sleeptrossen over, terwijl de equipage van het fregat, geholpen door een aantal soldaten, in het gangspil liep om het anker te winden. Eindelijk liet dat uit den zanderigen bodem los, en begonnen de raderen van de „Esperanza” zich in beweging te stellen. DeFernandina Maria Emmaaldus gesleept, stevende terwijl hare zeilen losgeworpen werden, de baai door, op den ingang toe, wisselde met het fort Santa Cruz den gebruikelijken groet en was weldra in volle zee. De zeilen werden vierkant gebrast, de sleeptrossen losgegooid, waarna het fregat koers naar het zuidoosten zette.Maar het fregat trof het wel. In den regel staat in deze streken de passaatwind, wanneer de zon zich in hare baan bezuiden den Evenaar bevindt, tot bij den Steenbokskeerkring en soms zuidelijker daarvan door.[286]Daarna hebben de zeevarenden gewoonlijk een gordel te doorworstelen, waarin meestal stilten of veranderlijke winden heerschen. Bij het uitkomen van de baai van Rio Janeiro trof deFernandina Maria Emmaeen noorden wind aan, die vrij sterk doorstond en het schip negen mijlen in de wacht deed afleggen.„Als dat zoo treft,” zei kapitein Butteling met een glimlach van tevredenheid, „dan zullen wij die vier dagen verlies, die wij buiten den koers geweest zijn, spoedig ingehaald hebben, en betreur ik die vertraging niet.”Neen, die vertraging was niet te betreuren. Vooreerst toch was er dadelijk bij de gekwetsten, door de aanwending van ijs op hunne wonden, eene zoodanige gunstige verandering waar te nemen, dat dokter Hannius verzekerde, hij den volgenden morgen er toe zou kunnen overgaan om de kogels uit te halen, waarna spoedig genezing zou volgen. Dan waren de approviandeering van versch vleesch en de bergen aardappelen, koolen, jams, peenen, knolrapen, uien, kalebassen, enz. enz., die te Rio Janeiro ingekocht waren, met het oog op den gezondheidstoestand der opvarenden, niet genoeg te waardeeren. Wat al dadelijk een glans van vergenoegen op ieders gelaat te voorschijn deed komen, was de heerlijke lucht, die zich over het dek verspreidde, van debeefsteak, die zich de kok in zijne kombuis beijverde klaar te maken voor den lunch van de passagiers achteruit; terwijl de manschappen van het detachement, in weerwil dat het zondag was, onder het zingen van een vroolijk lied bezig waren de aardappelen te jassen, die straks, met de noodige knolrapen er bij gekookt, een heerlijke ratjetoe zouden opleveren; maar voorafgegaan zouden worden door een ration lekkere soep, waartoe ruim het vierde gedeelte van een geheelen os gebruikt werd.[287]

[Inhoud]X.Naar Brazilië’s hoofdstad.Wel was het donker dien avond geweest; toch waren de gevoelens, die hare dochters bewogen hadden, mevrouw Groenewald als liefderijke moeder niet ontsnapt.„Ik geloof, dat Adelien en Frank het met elkander eens zijn,” sprak zij zacht, toen zij des avonds met haren echtvriend in hunne gemeenschappelijke hut alleen waren.„Wat brengt u op dat vermoeden?” vroeg de heer Groenewald.Zijne echtgenoote vertelde hem de bijzonderheden, die zij waargenomen had.„Het alles geschiedde, zoo ongezocht, zoo onverwacht van beide zijden, dat al had ik er mij tegen willen verzetten, ik dat onmogelijk had kunnen doen.”„Maar, gaat dat niet wat al te voorspoedig?”„Hoe meent ge dat?”„Wel, dat wij den jongman nog zoo weinig kennen.”„Gij hebt kapitein Van Dam toch geraadpleegd?”„Voorzeker; alle inlichtingen zijn gunstig. Maar, ik kon den kapitein toch niet zeggen, waarom ik die inlichtingen vroeg. Ik liet alleen doorschemeren, dat ik van zins was, die twee jongelieden voor te stellen op mijne koffie-ondernemingen werkzaam gesteld te worden.[269]Nu kan een goed, degelijk opzichter of, als ge wilt, zelfs een goed administrateur, een afschuwelijk echtgenoot voor een onzer kinderen zijn. Hier kunnen geen inlichtingen van kapitein Van Dam helpen.”„Als we slechts overtuigd zijn, dat wij met een eerlijken, onbesproken borst te doen hebben, dan dienen wij het overige, evenals bij alle huwelijken, eenigermate aan het toeval over te laten. Zijt ge dat met mij eens?”„Ja, volkomen. En toch is er iets, wat mij in die zaak hindert. Zoo’n onderofficier.… zal daar het geheele publiek der Vorstenlanden den neus niet tegen ophalen?”„O! wringt de schoen daar, manlief? Gij zoudt immers die jongelieden eerst op een uwer landelijke ondernemingen nemen, ten einde hen te bekwamen, nietwaar? Welnu, dan is het de sergeant niet meer, die de hand onzer dochter erlangt, maar de administrateur of wel uw deelgenoot in uwe zaken. Als daarvoor de neus opgetrokken moest worden, dan deed voorzeker de eene helft der Vorstenlanden het tegen de andere. Daarenboven, wat zou ons dat kunnen schelen? Zijn wij de dienaren van het publiek? Hebben wij iemand naar de oogen te zien? Neen, nietwaar? Wij hebben slechts één doel, dat is het geluk onzer kinderen te bevorderen. Ik meen, dat dit bereikt wordt, wanneer wij haar in de keuze van een echtgenoot zoodanig leiden, dat haar levensgezel een onbesproken en degelijk ontwikkeld man is, met een gezond lichaam en eene zachtzinnige maar toch flinke geaardheid. Daarin—dat zult gij mij moeten toegeven—zijn al de gegevens vereenigd, die, voor zoover een mensch dat berekenen kan, het geluk onzer kinderen kunnen bevorderen, wanneer wederzijdsche liefde eene verbintenis onder dergelijke voorteekenen gesloten, bezegelt.”[270]„Goed verdedigd! vrouwlief,” antwoordde de heer Groenewald. „Ik ben het in beginsel geheel met u eens. Mij dunkt evenwel, dat wij den gang van zaken eenigermate remmen moeten. Wij weten nog zoo weinig van de denkbeelden dier jonge mannen. Wij kunnen nu wel plannen ontwerpen; het is nog de vraag of zij zich daarnaar schikken willen. En, om mijne kinderen met officieren te laten huwen, daartegen zou ik erg opzien.”„Ik ook. Dat eeuwig heen en weer trekken, waaraan niet alleen die heeren, maar ook de ambtenaren in Indië voortdurend blootstaan, zou mij zeer tegenstaan. Ik zou aan mijne lievelingen niets meer hebben; want er zouden jaren kunnen voorbijgaan, dat ik ze niet zag. Neen, dat zou verschrikkelijk wezen!”„Maar … gij hebt mij wel van Adelien verteld,” vroeg de heer Groenewald; „gij zwijgt evenwel over Emma?”„Daaromtrent kan ik weinig of niets mededeelen. De sergeant Riethoven is van een meer teruggetrokken karakter dan zijn vriend. Maar.… ik vraag u, zou een jongman weerstand kunnen bieden aan eene schoonheid als onze Emma is. Neen, laat die zaak haren gang gaan, die zal ook wel te recht komen. Ik zal mijne beide kinderen gelukkig zien,” sprak de liefhebbende moeder geestdriftvol. „Ik heb mij dat in het hoofd gezet.”„En als mamaatje zich iets in het hoofd gezet heeft, dan moet het gebeuren, nietwaar?Ce que femme veut, Dieu le veut. Ainsi soit-il!Maar, ik zal toch eenigermate het terrein moeten polsen bij die jongelieden?”„Juist, manlief.”„Ik zal daartoe de eerste de beste gelegenheid waarnemen, en dan moet mijne meening gevestigd zijn.”Na dat besluit legden beide ouders zich te rusten, en droomden bij het zacht wiegelen van het fregat op de kabbelende golven van het geluk hunner lieve kinderen.[271]DeFernandina Maria Emmavervolgde flink hare reis. Het is waar, de zuidoostpassaat blies flink door, en statig onder hare zeilen stevende het fregat nagenoeg evenwijdig aan de kust van Zuid-Amerika, evenwel op zoo’n afstand, dat van dat werelddeel niets te ontwaren was.Zooals kapitein Butteling voorspeld had, waren den volgenden dag geheele zwermen vliegende visschen te ontwaren. Met troepen van honderden verhieven zij zich uit het zilte water, beschreven een flauwen boog, welks hoogste punt soms zes meter bereikte, en legden gewoonlijk een afstand af van 100 tot 130 meter. Het was een eigenaardig schouwspel, die zwermen glinsterende visschen uit de zee te zien opduiken, een poos in het zonlicht te zien schitteren, en hen dan weer in het blauwe water te zien verdwijnen. Meestal schoten zij uit een hoogen deininggolf te voorschijn, zweefden over een tweeden, een derden en boorden in een volgenden, om een oogenblik later hetzelfde verrukkelijke spel weer te vervolgen. Soms was de hellingshoek, waaronder de visschen uit het water sprongen, te flauw; dan schoten zij van den eenen deininggolf in den anderen, doorboorden dezen laatsten, kwamen weer te voorschijn om een tweeden, een derden, een vierden, enz. door te zwemmen, totdat door den afstand hunne verdere bewegingen aan het oog onttrokken werden.„Schieten die visschen uit het water om lucht te scheppen of om insecten of zoo iets te vangen?” vroegen de jonge dames aan stuurman Abels.„Het mocht wat,” antwoordde deze. „Of ze lucht happen, weet ik niet; maar insecten zijn hier niet te vangen. Neen, zij trachten zoo hunne vijanden: de makreelen, de bonieten, de doraden58en zooveel anderen uit den weg te komen. Het is in den volsten zin des woords de doodsangst, die hun vleugelen verleent. Als[272]zij uit het water springen, spannen zij eenvoudig hunne zeer ontwikkelde borst- en buikvinnen, die evenwel onbewegelijk blijven, en waarmede zij niet slaan, zooals de vogels doen. Zij kunnen zich zoo eenigen tijd zwevende houden, maar daarbij niet van richting veranderen; zoodat zij veelal hunne belagers, die die omstandigheid zeer goed kennen, in den mond vallen, wanneer hunne droog geworden vinnen hen noodzaken in het water terug te keeren.”„Kijk eens, kijk eens!” riep Adelien, „hoe hoog die daar vliegen.”„Dat zijn hoogvliegers!” antwoordde de stuurman lachende. „Drommels! zij worden flink nagezeten. Ik wou dat er ettelijke aan boord kwamen. Zoo’n visch is een lekker hapje.”En alsof een gedienstige geest den wensch van den stuurman verhoorde; daar verhief zich een zwerm op een kleinen afstand van het voorschip, schoor er overheen, waarbij een groot gedeelte evenwel tegen het touwwerk en de bolle zeilen aankwam, en in zee terugviel. Een twaalftal kwam echter binnen boord terecht, waar zij spoedig door de soldaten en door janmaat buit gemaakt werden.Behren en Hannius spoedden naar voren om een paar exemplaren machtig te worden, ten einde die inliquorte bewaren. Eene tweede school streek evenwel een oogenblik later over het achterschip heen. Deze leed bij die manoeuvre meer verliezen, daar een groot dertigtal tegen de verschansing aan lij en bijgevolg op het dek terecht kwam. Ieder sprong toe, en een oogenblik later stonden al de heeren met een of twee visschen in de hand.„Kom, dokter Hannius,” sprak kapitein Van Dam, „de gelegenheid is te mooi, om niet van wal te steken met eene mooie verhandeling over die vlinders onder de visschen.”[273]„Ich bin entomoloog, Herr Kapitein, nicht ichthyoloog,” antwoordde de Germaan in zijn koeterhollandsch. „Aber ik wil mitdeelen, was ik weisz.”„Vooruit dan maar!”„De fliegende Fische gehooren tot het geslecht, Exocoetus genannt; zij zijn parentirt an die Scomberesoces aus die afdeeling der Pharyngognati.…”De dames konden bij die barbaarsche namen een ongelukkige beweging van de onderkaak niet bedwingen.„Poeah!” riep kapitein Van Dam uit. „Wat een heksenmoes! Gooi dat maar in je kwartiermuts, en laat het je oppasser straks uitzoeken.”Allen lachten.„Aber, ik weisz niks meer.”„Dan zal ik er nog wat bijvoegen,” zei Behren.„Maar geen latijn, apotheker,” zei kapitein Van Dam, „anders stuur ik je naar je hut. Ik mag de lieve dames niet aan een tweeden geeuwaanval blootstellen.”„De vliegende visch gelijkt veel op een haring,” ging Behrtje voort, „maar is meer gedrongen van lichaamsbouw en heeft sterk ontwikkelde borst-, buik- en staartvinnen. Deze laatste is, zooals gij zien kunt, diep ingesneden. Hij heeft kleine tanden, maar groote oogen, gemakkelijk loslatende schubben en eene zeer groote zwemblaas. Er bestaan ongeveer dertig soorten van, waarvan de Exo.…”Een luidruchtig en algemeen gegeeuw onderbrak den apotheker.„Pas op, Behrtje! Niks van Exodus. Je bent niet aan het preeken, man. Je weet, wat ik je gezegd heb,” dreigde kapitein Van Dam.„Waarvan de hoogvliegers59de meest bekende soort zijn. Deze worden ongeveer 50 Ned. duim lang, zijn op den rug hemelsblauw en hebben een zilverwitten buik.[274]Volgens de fijnproevers is deze visch een lekker hapje, dat door de menschelijke bewoners van de kusten van Zuid-Amerika met graagte gesmuld wordt. Ziedaar dames en heeren, wat ik er van weet. Ik ben zeer benieuwd of de roem omtrent de fijnheid van dezen visch niet overdreven is, en daarom ga ik een gedeelte van mijn aandeel—ik heb vier stuks—bij den kok brengen. Ik hoop dat mijn voorbeeld navolging zal vinden.”Een hoerrah beantwoordde dat voorstel, en toen het middagbestek opgemaakt was, was het gewone menu van de lunch, dat gewoonlijk uit lapskous bestond, met een flinken schotel lekker gebraden vliegende visschen verrijkt. Allen betuigden dat die visch overheerlijk was, en uitten den wensch, dat nog eene school aan boord mocht komen.Helaas! die wensch zou niet verhoord worden. Wel kwam later in den Indischen Oceaan nog wel een enkele visch aan boord; maar geen scholen om wat versnapering bij of afwisseling van de lapskous te brengen.Den 17enNovember had het middagbestek aangegeven dat deFernandina Maria Emmazich op 20° 36′ zuiderbreedte en op 33° 13′ westerlengte bevond. Dien dag hadden dokter Hannius en dokter Van Pinksteren eene samenkomst met den scheepsgezagvoerder en den kapitein Van Dam verzocht. De toestand der gekwetsten vorderde andere zorgen, dan hun tot nu toe gewijd hadden kunnen worden. Het lijnkoekenpanaceum van den scheepsdokter was onvoldoende gebleken bij de hardnekkige wondkoortsen, die zich geopenbaard hadden, toen dokter Hannius, hoe knap heelmeester hij ook geroemd werd, er niet in geslaagd was de kogels te verwijderen. Een hevige, roosachtige ontsteking was spoedig na het peilen der wonden ingetreden, en bracht het leven der gekwetsten in groot gevaar. De geneesheeren verklaarden[275]dat het meest ernstige te vreezen stond, wanneer de wonden niet met ijs, als het beste ontstekingwerend middel, behandeld konden worden.De beide kapiteins keken elkander aan.„Als er mogelijkheid toe bestaat,” meende kapitein Van Dam, „dan valt niet te aarzelen.”„Mogelijkheid! mogelijkheid!” zei kapitein Butteling, „mogelijkheid is er altijd, waar wij ons thans bevinden. Maar het gaat ons nog al vertraging berokkenen.”En zijn kaarten grijpende, wees hij met den vinger daarop.„Naar Bahia afhouden, dat op den 12dengraad zuiderbreedte ligt, zou op onze schreden terugkeeren zijn. Daarenboven ben ik er niet zeker van, dat wij daar ijs zullen kunnen bekomen. Rio Janeiro ligt op 23° zuiderbreedte en ongeveer.… laat zien.… op 43° westerlengte. Welnu, wij zullen maar niet lang beraadslagen; als de heeren geneeskundigen mij op schrift willen geven dat er urgentie bestaat, dan liggen wij binnen het kwartier zuidwest ten westen voor en dan loopen wij, als de bries zoo blijft, morgen avond kaap Frio in het gezicht. Ik heb die verklaring noodig ter mijner verantwoording, zoowel bij mijne reeders als bij de assuradeuren, bij mogelijke averij.”Het gevraagde stuk werd dadelijk gegeven. Al zeer spoedig daarop was de equipage bezig met de zeilen iets meer vierkant te brassen en stevende deFernandina Maria Emmahet Amerikaansche vasteland te gemoet.Kapitein Butteling’s voorspelling kwam uit. Bij het middagbestek op den 18denNovember stond het fregat op 22° 17′ noorderbreedte en op 37° 4′ westerlengte. De zuidoost-passaat blies goed door en bleef goed doorstaan. Toen dan ook daags daarna de dageraad aan de oosterkim gloorde, riep de matroos, die op uitkijk op de mars van den fokkemast zat:[276]„Land! stuurboord vooruit!”Dat was eene heugelijke tijding. Sedert de reizigers de piek van Teneriffe aan de kim hadden zien verdwijnen—nu volle een en twintig dagen geleden—hadden zij geen anderen gezichteinder gehad, dan die onbestemde lijn, waar lucht en water elkander schenen aan te raken. Allen aan boord, zelfs de matrozen, liepen naar de verschansing en keken begeerig uit. En ja, in de aangewezen richting werd laag bij den horizon eene blauwe lijn ontwaard, die even goed den omtrek eener wolk als den omtrek van land kon aangeven. De onervarene was zelfs geneigd, bij het ijle van het beeld, hetwelk zich daar in het west ten zuiden vertoonde, dit voor eene nevelbank te houden. Maar een zeeman kon zich onmogelijk vergissen.Die lijn naderde, naderde. Zij verhief zich al meer en meer boven den horizon. Toen de klok zes glazen (zeven uur) sloeg, was het fregat al zoover genaderd, dat daar ginds een dubbele bergketen te onderscheiden was. De massa, die zich voor het oog voordeed, was door alle schakeeringen van het blauw gegaan en vertoonde nu die loodkleurige, sombere tint, hetwelk eenig berglandschap, op een zekeren afstand van uit zee gezien, gewoonlijk aanneemt. Hier en daar begonnen zich evenwel lichtstreepen in die donkere massa te vertoonen, welke veroorzaakt werden door de zonnestralen, die de ribben en andere uitspringende gedeelten, met haar licht overgoten. De nokrand van dat gebergte was zeer gekarteld, en verhief zich in verscheidene toppen, die zich scherp tegen de blauwe lucht afteekenden. Aan den voet van het gebergte werd eene strook laag land ontwaard, die zich in zee uitstrekte.„Hoe zouden die beide bergketenen, die daar evenwijdig loopen, heeten?” vroeg een der passagiers aan[277]kapitein Butteling, die met zijn kijker den blik over de zeeoppervlakte liet waren.„Ik ben hier nimmer geweest,” antwoordde de kapitein. „Maar mijne kaarten zeggen mij, dat die voorste Sierra do Mar en de achterste Sierra Mantiqueira heet. Die eene top daar in het west ten noorden heet Hatiajossu en is ruim 8664 voet of 2712 M. hoog.”„Een zeil!” riep de uitkijk.„Waar?” vroeg kapitein Butteling door zijn scheepsroeper.„Stuurboord dwars!” klonk het uit den fokkemast.Alle kijkers werden in de aangeduide richting gekeerd. Aller oogen peilden en doorzochten den horizon en jawel, daar bij die vooruitstekende punt verscheen een klein scheepje op de oppervlakte van den oceaan, dat zeer scherp bij den wind zeilde. Het was slechts een wit stipje dat ontwaard werd.„De loodsvlag in top,” kommandeerde kapitein Butteling, „en vierkant brassen!”Het fregat maakte eene wending en liep nu nagenoeg noordwest op, vlak op den wal toe. Het sloeg juist twee glazen, negen uur, toen de loods aan boord stapte.Het schip was door die beweging kaap Frio veel naderbij gekomen. Het landschap begon vorm aan te nemen. Hier en daar werden te midden van het groen, dat zich nu langzamerhand uit den loodkleurigen band ontwikkelde, glinsterend witte stippen ontwaard, die de aanwezigheid van huizen verrieden. DeFernandina Maria Emmanaderde nog meer. Zij was de lage kaap Frio reeds te boven. De bergwanden begonnen hunne blauwe kleur te verliezen en tooiden zich in het heerlijkste groen. Zij naderden, naderden, en eindelijk openbaarde zich daar voor den bewonderenden blik der opvarenden een schouwspel van ongemeene pracht. Een bergwand[278]rees met zachte hellingen uit zee op. Het was alsof hij een muur daarstelde en het fregat toeriep: Tot hier en niet verder. Maar, weldra kwam er eene opening in dien muur. Het was, terwijl het schip voortgleed, alsof eene onmetelijke gordijn opengeschoven werd. Eerst traden eenige heuvelachtige eilandjes op den voorgrond. Het waren voornamelijk aan stuurboord de eilandjes May en Pay, die als eene voortzetting van de Taypoepunt te beschouwen waren, en aan bakboord de eilandjes Raza, Radonda, Comprida en eene menigte kleinere. Daarna kreeg deFernandina Maria Emmaden ingang der fraaiste baai van de wereld voor zich. De loods wendde zich tot kapitein Butteling en fluisterde hem iets in het oor.„Grootzeil, bezaan en fok geien!” klonk het kommando.In een oogwenk waren alle hens bedrijvig. Zij waren ter nauwernood klaar:„Bagijnezeil, groot- en voormarszeil geien!” klonk het andermaal.Het fregat temperde merkbaar zijn vaart. Het voerde nog maar het kruiszeil, het grietje, het grootbramzeil en grootbovenbramzeil, het voorbramzeil en voorbovenbramzeil en den kluiver. Thans schoot het, terwijl het ’t eiland Contoendoeboe voorbijstevende, den ingang der baai in, die zich voor het vaartuig geheel opende, slechts 700 M. breed was en door twee naakte granietrotsen, de Pao de Açucar, bij de Engelschen Sugar Loaf geheeten, en den Pico Santa Cruz begrensd werd. Het was een grootsch en verheven schouwspel, dat zich nu voor de oogen onzer reizigers voordeed. De beide granietrotsen, waartusschen het fregat doorstevende, waren de eerste 1270 en de andere 749 voet hoog boven den spiegel der zee, en vormden eene soort van poort, waardoor de blauwe wateren van den Atlantischen Oceaan toegang verkregen. Bij het binnenkomen werd het[279]oog achter den Pao de Açucar eene kleine baai gewaar, Praia de San Joao genaamd, die door eene landtong gevormd werd, welke zich naar den Pico de Santa Cruz boog, en het nauwste gedeelte der poort vormde. Op een heuvelrug, die de kleine baai omzoomde, verhief zich het fort of beter de batterij San Juan, die, met het fort Santa Cruz, hetwelk aan den voet van de piek van denzelfden naam gelegen was, den toegang tot die poort bij vijandelijke aanranding moest verdedigen; terwijl nog in de baai de forten Villegagnon en Cobras op de eilandjes van denzelfden naam gebouwd, het eerste ten zuidoosten en het tweede ten noordoosten op een kleinen afstand van Rio Janeiro gelegen, tot eene krachtige verdediging konden medewerken.Bij het binnenkomen deed de baai zich voor het oog nagenoeg peervormig voor en mat over hare lengteas ongeveer 30 en over hare grootste breedte 22 Ned. mijlen en was met liefelijke eilandjes bezaaid, waarvan het Ilha do Governador het grootste was; terwijl de baai met haar blauw water diep landwaarts indringende, van alle kanten door terrasgewijs opklimmend gebergte als door een verheven gekartelden band van smaragd omgeven was.Vlak bij den ingang der baai strekte zich de stad Rio Janeiro in een langwerpig vierkant van het noordoosten naar het zuidwesten op eene landtong uit, die in haar zuidelijk gedeelte met het vasteland verbonden was. Die landtong was zeer heuvelachtig, en het was tegen de hellingen dier heuvels dat de stad zich verhief, en zoo onzen reizigers een uitermate betooverend en schilderachtig gezicht opleverde, waaraan zij zich, na gedurende zoo langen tijd niets dan water en lucht gezien te hebben, niet verzadigen konden.DeFernandina Maria Emma, door een sleepbootje geholpen,[280]dewijl de wind in die baai de zeilen geheel ontvloden was, gleed nu het Ilha Villegagnon voorbij, ten noorden waarvan zich de ankerplaats deroorlogsschepenuitstrekte, daarna de Cathabouco punt, eene rotsachtige kaap, die zich hoog verhief, en ver in zee uitstrekte. Om die kaap, waarop het signaal-station en het observatorium zich verhieven, groepeerde zich als het ware de geheele stad. Het fregat stevende steeds voort zuiver noordwaarts op. Toen ’t het Ilha das Cobras dwars had, wendde het westwaarts en liet ten noordwesten van dat eiland gekomen, het anker op de reede voor de koopvaardijschepen vallen.60Toen het anker in den grond zat, kwam een dokter met de haven-politie aan boord. DeFernandina Maria Emmakwam evenwel uit Europa en had geene besmettelijke ziektegevallen aan boord: zoodat het verlof om naar den wal te gaan weldra verleend was. Een paar sloepen waren weldra gestreken en gereed om te vertrekken.„Wie wil medegaan?” vroeg kapitein Butteling aan zijne passagiers.„Ik blijf aan boord,” sprak kapitein Van Dam, „en verzoek luitenant Denniston dit insgelijks te doen.”„Waarom zoudt gij aan boord blijven?” vroeg de heer Groenewald.„Het is mogelijk,” antwoordde de officier, „dat iedere gisting onder het detachement verdwenen is; maar het kan ook wel niet zoo zijn. Straks zal het fregat door allerhande vaartuigjes omringd zijn om vruchten en andere versnaperingen, alsook kramerijen te verkoopen. Ik wensch zelf het toezicht te houden om desertie te voorkomen. De gelegenheid daartoe is te aanlokkelijk.”De overige kajuitspassagiers maakten gebruik van het aanbod van kapitein Butteling. Zelfs de dames[281]Groenewald stapten in, en namen plaats onder de zonnetent der sloep om eenige uren aan den wal door te brengen. Mevrouw Groenewald had haren echtgenoot nog afgezonden om aan kapitein Van Dam verlof voor de sergeanten Brinkman en Riethoven te vragen om mede naar den wal te gaan.„Dat moet ik u tot mijn leedwezen weigeren,” sprak de officier. „Zoo’n gunstbetoon zou te veel naijver, misschien wel nijd opwekken. Ik heb bovendien die jongelieden, van wier toewijding ik mij overtuigd houd, hoogst noodig bij het toezicht dat, zoolang wij hier in die baai zijn, gehouden moet worden. Het spijt mij, maar ik kan onmogelijk anders handelen.”De boot stak af, en de beide jongelieden zagen haar niet zonder teleurstelling verwijderen. Vooral Frank had zoo gaarne dat tochtje medegemaakt. Maar hij had zelfs niet lang tijd om die boot met haren lieven last na te turen. In weinige oogenblikken was deFernandina Maria Emmadoor eene ware vloot van vaartuigen omringd, welker opvarenden allen om het hardst kakelden, schreeuwden en verzochten om aan boord te mogen komen, ten einde hunne waren aan den man te brengen. Zoowel de stuurlieden als de officieren en onderofficieren hadden de handen vol om de orde te bewaren, en om te verhoeden, zoowel dat verboden waren, zooals dronkenmakende palmwijn,61aan boord gebracht werden, als dat manschappen, zich door middel der vaartuigen heimelijk zouden kunnen verwijderen. Alles liep evenwel in de beste orde af; maar de opzichthebbenden waren blij, toen de avond gevallen was en die venters verdwenen waren.Het was ongeveer tien uur des avonds, toen kapitein Butteling met zijne passagiers aan boord terug was. Hij was, wat het voornaamste gedeelte zijner zending naar[282]den wal betrof, geslaagd, namelijk: om eene goede portie ijs machtig te worden. In de sloep had hij reeds een paar kisten medegebracht, kristalheldere blokken, zorgvuldig in houtzaagsel bewaard; zoodat de beide geneesheeren al dadelijk hunne patiënten konden verzorgen. Den volgenden morgen zoude meer aangebracht worden.Maar de waardige kapitein had nog voor andere zaken gezorgd. Sedert deFernandina Maria Emmahet Nieuwediep verlaten had, hadden èn de equipage, èn het detachement troepen, èn de passagiers zich moeten vergenoegen met den zoogenaamden scheepskost, en waren erwtensoep, bruine boonen, grauwe erwten, met gezouten vleesch en gerookt spek schering en inslag van het dagelijksch menu. Wel is waar, werd door den kok daarin zooveel mogelijk voor de kajuitspassagiers afwisseling gebracht door groenten- en vleesch-blikken te verstrekken; ook werden wekelijks of een varken of eenige kippen of ganzen geslacht; maar dat kon weinig verlokken: de verduurzaamde levensmiddelen waren zoo zacht, alsof zij reeds eenmaal de bewerking der masticatie ondergaan hadden; en als men het arme gevogelte met zijne vuile overeindstaande veeren in de kippenhokken aan het dek maar bekeek, dan behoorde er moed toe om later, bij de herinnering aan dat gezicht, een kippenboutje, dat eigenlijk niets anders was dan wat vel over een beentje getrokken, naar den mond te brengen, zoo berooid en teringachtig zagen de arme dieren er uit. Alleen het varkensvleesch had nog steeds genade bij de lekkerbekken gevonden; maar.… de voorraad, door de reeders tot uitrusting van het schip verstrekt, was zoo zuinig geweest, dat toen het fregat de baai van Rio Janeiro instevende er zich nog maar één varken aan boord bevond. Dat was buitengewoon groot en vet geworden, en was bestemd om op een feestdag, zooals Sint Nikolaas-[283]of Nieuwjaarsdag een lekkeren beet te verschaffen. Een algemeen gejuich ging dan ook op, toen kapitein Butteling mededeelde, dat hij er in geslaagd was een viertal flinke ossen, waarvan een den volgenden morgen nog aan wal zou geslacht worden, een zestal varkens, eene menigte gezonde kippen en eenden machtig te worden; terwijl hij tevens eene groote hoeveelheid aardappelen en groenten had aangekocht, zoodat vooreerst in het menu eenige afwisseling kon gebracht worden.De dames en de passagiers, die aan wal geweest waren, gevoelden zich geducht vermoeid; geen wonder dus dat die zich zoo spoedig mogelijk ter ruste begaven. Kapitein Van Dam liep pruttelend het achterdek op en neer, omdat hij zijn gewoon quadrille-partijtje miste.Den volgenden morgen stond kapitein Butteling al vroeg te trappelen van ongeduld. Hij stond met zijn kijker naar de Praia de Vallongo, de aanlegplaats der sloepen van de koopvaardijschepen, die op de reede lagen, te turen, of de booten, die het ijs, het slachtvee en verdere levensmiddelen aan boord moesten brengen, nog niet opdaagden. Hij had zoo aanbevolen, dat die vaartuigen reeds bij zonsopgang langs zij van het fregat moesten liggen. En kijk, daar steeg de dagvorstin reeds boven den oostelijken bergnok en nog was van de booten niets te zien.Het werd zeven uur, het werd acht; toen eerst zag men eene kleine vlet naar boord stevenen. Toen die iets later het fregat op zij gekomen was, werd den kapitein medegedeeld, dat eene vertraging in de toezending èn van het slachtvee èn van de groenten, die uit de binnenlanden moesten aangevoerd worden, niet toeliet, dat het bestelde dien dag aan boord zoude gebracht kunnen worden; maar dat het stellig den volgenden ochtend zoo vroeg mogelijk bezorgd zoude zijn. Of kapitein Butteling[284]zich ook al boos maakte, of hij ook al met den voet stampte; het hielp hem niets. Er bleef niets anders over dan geduld te oefenen.De passagiers evenwel juichten. Al ras omringden zij den scheepsgezagvoerder en verzochten hem de sloepen andermaal ter hunner beschikking te willen stellen, om den dag aan wal te kunnen doorbrengen. Ditmaal zou luitenant Leidermooi kapitein Van Dam aan boord gezelschap houden, ten einde hem te helpen orde en tucht onder het detachement te bewaren. Wel deden de meeste passagiers veel moeite om den detachements-kommandant over te halen, hen ditmaal bij hun uitstapje te volgen; wel bood kapitein Butteling aan, hem in allen deele bij het toezicht te vervangen en het dek geen oogenblik te verlaten; de waardige krijgsman weigerde gladweg.„De duivel zit altijd om een hoekje te gluren,” antwoordde hij met een glimlach, „om iemand een kool te stoven, als hij er het minst op verdacht is. Er moesten eens wanordelijkheden tengevolge van dronkenschap voorkomen, of er moesten een paar van mijne snuiters drossen! Niet alleen dat ik mij zwaar bij het Militair Departement te Batavia te verantwoorden zoude hebben, wegens het finantieele nadeel, dat het lieve vaderland zoude lijden; maar ik zou hetmijzelvenniet vergeven.”„Toe kapitein!” smeekten de jonge dames.„Lieve dames, ik ben stijfhoofdig als een oud muildier. Laat af, wat ik u bidden mag. Eens en vooral, ik blijf aan boord!” kregen zij ten antwoord.Bij zoo’n plichtsopvatting hielp geen verder aandringen. De sloepen staken af en legden na een korten overtocht aan de Praia de Vallongo aan. De opvarenden waren spoedig aan wal gestapt, en verdwenen weldra te midden der bonte menigte, die op die kade wemelde, voor de naoogenden aan boord.[285]Het was ruim elf uur des avonds, toen de pierewaaiers weer aan boord terug waren.Den volgenden morgen waren een viertal vaartuigen al heel vroeg met het verlangde op zijde, en werd de overlading bewerkstelligd, waarbij met de slachtossen al heel weinig omslag gemaakt werd. Er werd hun eenvoudig een strik om de horens geslagen, waarin een haak greep, die aan eene lijn vastgemaakt was, welke door een blok aan het einde van de groote ra geschoren was. Of de arme dieren ook al spartelden en tegenstribbelden, weldra hingen zij aan hunne horens in de lucht te zweven en waren nog niet van hunne ontsteltenis bekomen, toen de lijn gevierd werd en zij op het dek neerkwamen. Met de varkens ging het gemakkelijker, die zaten in manden opgesloten en werden zoo naar boven geheschen.Het was ongeveer half acht toen de overlading geëindigd was. Eene kleine sleepboot, de „Esperanza”, kwam toen op zijde, nam de sleeptrossen over, terwijl de equipage van het fregat, geholpen door een aantal soldaten, in het gangspil liep om het anker te winden. Eindelijk liet dat uit den zanderigen bodem los, en begonnen de raderen van de „Esperanza” zich in beweging te stellen. DeFernandina Maria Emmaaldus gesleept, stevende terwijl hare zeilen losgeworpen werden, de baai door, op den ingang toe, wisselde met het fort Santa Cruz den gebruikelijken groet en was weldra in volle zee. De zeilen werden vierkant gebrast, de sleeptrossen losgegooid, waarna het fregat koers naar het zuidoosten zette.Maar het fregat trof het wel. In den regel staat in deze streken de passaatwind, wanneer de zon zich in hare baan bezuiden den Evenaar bevindt, tot bij den Steenbokskeerkring en soms zuidelijker daarvan door.[286]Daarna hebben de zeevarenden gewoonlijk een gordel te doorworstelen, waarin meestal stilten of veranderlijke winden heerschen. Bij het uitkomen van de baai van Rio Janeiro trof deFernandina Maria Emmaeen noorden wind aan, die vrij sterk doorstond en het schip negen mijlen in de wacht deed afleggen.„Als dat zoo treft,” zei kapitein Butteling met een glimlach van tevredenheid, „dan zullen wij die vier dagen verlies, die wij buiten den koers geweest zijn, spoedig ingehaald hebben, en betreur ik die vertraging niet.”Neen, die vertraging was niet te betreuren. Vooreerst toch was er dadelijk bij de gekwetsten, door de aanwending van ijs op hunne wonden, eene zoodanige gunstige verandering waar te nemen, dat dokter Hannius verzekerde, hij den volgenden morgen er toe zou kunnen overgaan om de kogels uit te halen, waarna spoedig genezing zou volgen. Dan waren de approviandeering van versch vleesch en de bergen aardappelen, koolen, jams, peenen, knolrapen, uien, kalebassen, enz. enz., die te Rio Janeiro ingekocht waren, met het oog op den gezondheidstoestand der opvarenden, niet genoeg te waardeeren. Wat al dadelijk een glans van vergenoegen op ieders gelaat te voorschijn deed komen, was de heerlijke lucht, die zich over het dek verspreidde, van debeefsteak, die zich de kok in zijne kombuis beijverde klaar te maken voor den lunch van de passagiers achteruit; terwijl de manschappen van het detachement, in weerwil dat het zondag was, onder het zingen van een vroolijk lied bezig waren de aardappelen te jassen, die straks, met de noodige knolrapen er bij gekookt, een heerlijke ratjetoe zouden opleveren; maar voorafgegaan zouden worden door een ration lekkere soep, waartoe ruim het vierde gedeelte van een geheelen os gebruikt werd.[287]

[Inhoud]X.Naar Brazilië’s hoofdstad.Wel was het donker dien avond geweest; toch waren de gevoelens, die hare dochters bewogen hadden, mevrouw Groenewald als liefderijke moeder niet ontsnapt.„Ik geloof, dat Adelien en Frank het met elkander eens zijn,” sprak zij zacht, toen zij des avonds met haren echtvriend in hunne gemeenschappelijke hut alleen waren.„Wat brengt u op dat vermoeden?” vroeg de heer Groenewald.Zijne echtgenoote vertelde hem de bijzonderheden, die zij waargenomen had.„Het alles geschiedde, zoo ongezocht, zoo onverwacht van beide zijden, dat al had ik er mij tegen willen verzetten, ik dat onmogelijk had kunnen doen.”„Maar, gaat dat niet wat al te voorspoedig?”„Hoe meent ge dat?”„Wel, dat wij den jongman nog zoo weinig kennen.”„Gij hebt kapitein Van Dam toch geraadpleegd?”„Voorzeker; alle inlichtingen zijn gunstig. Maar, ik kon den kapitein toch niet zeggen, waarom ik die inlichtingen vroeg. Ik liet alleen doorschemeren, dat ik van zins was, die twee jongelieden voor te stellen op mijne koffie-ondernemingen werkzaam gesteld te worden.[269]Nu kan een goed, degelijk opzichter of, als ge wilt, zelfs een goed administrateur, een afschuwelijk echtgenoot voor een onzer kinderen zijn. Hier kunnen geen inlichtingen van kapitein Van Dam helpen.”„Als we slechts overtuigd zijn, dat wij met een eerlijken, onbesproken borst te doen hebben, dan dienen wij het overige, evenals bij alle huwelijken, eenigermate aan het toeval over te laten. Zijt ge dat met mij eens?”„Ja, volkomen. En toch is er iets, wat mij in die zaak hindert. Zoo’n onderofficier.… zal daar het geheele publiek der Vorstenlanden den neus niet tegen ophalen?”„O! wringt de schoen daar, manlief? Gij zoudt immers die jongelieden eerst op een uwer landelijke ondernemingen nemen, ten einde hen te bekwamen, nietwaar? Welnu, dan is het de sergeant niet meer, die de hand onzer dochter erlangt, maar de administrateur of wel uw deelgenoot in uwe zaken. Als daarvoor de neus opgetrokken moest worden, dan deed voorzeker de eene helft der Vorstenlanden het tegen de andere. Daarenboven, wat zou ons dat kunnen schelen? Zijn wij de dienaren van het publiek? Hebben wij iemand naar de oogen te zien? Neen, nietwaar? Wij hebben slechts één doel, dat is het geluk onzer kinderen te bevorderen. Ik meen, dat dit bereikt wordt, wanneer wij haar in de keuze van een echtgenoot zoodanig leiden, dat haar levensgezel een onbesproken en degelijk ontwikkeld man is, met een gezond lichaam en eene zachtzinnige maar toch flinke geaardheid. Daarin—dat zult gij mij moeten toegeven—zijn al de gegevens vereenigd, die, voor zoover een mensch dat berekenen kan, het geluk onzer kinderen kunnen bevorderen, wanneer wederzijdsche liefde eene verbintenis onder dergelijke voorteekenen gesloten, bezegelt.”[270]„Goed verdedigd! vrouwlief,” antwoordde de heer Groenewald. „Ik ben het in beginsel geheel met u eens. Mij dunkt evenwel, dat wij den gang van zaken eenigermate remmen moeten. Wij weten nog zoo weinig van de denkbeelden dier jonge mannen. Wij kunnen nu wel plannen ontwerpen; het is nog de vraag of zij zich daarnaar schikken willen. En, om mijne kinderen met officieren te laten huwen, daartegen zou ik erg opzien.”„Ik ook. Dat eeuwig heen en weer trekken, waaraan niet alleen die heeren, maar ook de ambtenaren in Indië voortdurend blootstaan, zou mij zeer tegenstaan. Ik zou aan mijne lievelingen niets meer hebben; want er zouden jaren kunnen voorbijgaan, dat ik ze niet zag. Neen, dat zou verschrikkelijk wezen!”„Maar … gij hebt mij wel van Adelien verteld,” vroeg de heer Groenewald; „gij zwijgt evenwel over Emma?”„Daaromtrent kan ik weinig of niets mededeelen. De sergeant Riethoven is van een meer teruggetrokken karakter dan zijn vriend. Maar.… ik vraag u, zou een jongman weerstand kunnen bieden aan eene schoonheid als onze Emma is. Neen, laat die zaak haren gang gaan, die zal ook wel te recht komen. Ik zal mijne beide kinderen gelukkig zien,” sprak de liefhebbende moeder geestdriftvol. „Ik heb mij dat in het hoofd gezet.”„En als mamaatje zich iets in het hoofd gezet heeft, dan moet het gebeuren, nietwaar?Ce que femme veut, Dieu le veut. Ainsi soit-il!Maar, ik zal toch eenigermate het terrein moeten polsen bij die jongelieden?”„Juist, manlief.”„Ik zal daartoe de eerste de beste gelegenheid waarnemen, en dan moet mijne meening gevestigd zijn.”Na dat besluit legden beide ouders zich te rusten, en droomden bij het zacht wiegelen van het fregat op de kabbelende golven van het geluk hunner lieve kinderen.[271]DeFernandina Maria Emmavervolgde flink hare reis. Het is waar, de zuidoostpassaat blies flink door, en statig onder hare zeilen stevende het fregat nagenoeg evenwijdig aan de kust van Zuid-Amerika, evenwel op zoo’n afstand, dat van dat werelddeel niets te ontwaren was.Zooals kapitein Butteling voorspeld had, waren den volgenden dag geheele zwermen vliegende visschen te ontwaren. Met troepen van honderden verhieven zij zich uit het zilte water, beschreven een flauwen boog, welks hoogste punt soms zes meter bereikte, en legden gewoonlijk een afstand af van 100 tot 130 meter. Het was een eigenaardig schouwspel, die zwermen glinsterende visschen uit de zee te zien opduiken, een poos in het zonlicht te zien schitteren, en hen dan weer in het blauwe water te zien verdwijnen. Meestal schoten zij uit een hoogen deininggolf te voorschijn, zweefden over een tweeden, een derden en boorden in een volgenden, om een oogenblik later hetzelfde verrukkelijke spel weer te vervolgen. Soms was de hellingshoek, waaronder de visschen uit het water sprongen, te flauw; dan schoten zij van den eenen deininggolf in den anderen, doorboorden dezen laatsten, kwamen weer te voorschijn om een tweeden, een derden, een vierden, enz. door te zwemmen, totdat door den afstand hunne verdere bewegingen aan het oog onttrokken werden.„Schieten die visschen uit het water om lucht te scheppen of om insecten of zoo iets te vangen?” vroegen de jonge dames aan stuurman Abels.„Het mocht wat,” antwoordde deze. „Of ze lucht happen, weet ik niet; maar insecten zijn hier niet te vangen. Neen, zij trachten zoo hunne vijanden: de makreelen, de bonieten, de doraden58en zooveel anderen uit den weg te komen. Het is in den volsten zin des woords de doodsangst, die hun vleugelen verleent. Als[272]zij uit het water springen, spannen zij eenvoudig hunne zeer ontwikkelde borst- en buikvinnen, die evenwel onbewegelijk blijven, en waarmede zij niet slaan, zooals de vogels doen. Zij kunnen zich zoo eenigen tijd zwevende houden, maar daarbij niet van richting veranderen; zoodat zij veelal hunne belagers, die die omstandigheid zeer goed kennen, in den mond vallen, wanneer hunne droog geworden vinnen hen noodzaken in het water terug te keeren.”„Kijk eens, kijk eens!” riep Adelien, „hoe hoog die daar vliegen.”„Dat zijn hoogvliegers!” antwoordde de stuurman lachende. „Drommels! zij worden flink nagezeten. Ik wou dat er ettelijke aan boord kwamen. Zoo’n visch is een lekker hapje.”En alsof een gedienstige geest den wensch van den stuurman verhoorde; daar verhief zich een zwerm op een kleinen afstand van het voorschip, schoor er overheen, waarbij een groot gedeelte evenwel tegen het touwwerk en de bolle zeilen aankwam, en in zee terugviel. Een twaalftal kwam echter binnen boord terecht, waar zij spoedig door de soldaten en door janmaat buit gemaakt werden.Behren en Hannius spoedden naar voren om een paar exemplaren machtig te worden, ten einde die inliquorte bewaren. Eene tweede school streek evenwel een oogenblik later over het achterschip heen. Deze leed bij die manoeuvre meer verliezen, daar een groot dertigtal tegen de verschansing aan lij en bijgevolg op het dek terecht kwam. Ieder sprong toe, en een oogenblik later stonden al de heeren met een of twee visschen in de hand.„Kom, dokter Hannius,” sprak kapitein Van Dam, „de gelegenheid is te mooi, om niet van wal te steken met eene mooie verhandeling over die vlinders onder de visschen.”[273]„Ich bin entomoloog, Herr Kapitein, nicht ichthyoloog,” antwoordde de Germaan in zijn koeterhollandsch. „Aber ik wil mitdeelen, was ik weisz.”„Vooruit dan maar!”„De fliegende Fische gehooren tot het geslecht, Exocoetus genannt; zij zijn parentirt an die Scomberesoces aus die afdeeling der Pharyngognati.…”De dames konden bij die barbaarsche namen een ongelukkige beweging van de onderkaak niet bedwingen.„Poeah!” riep kapitein Van Dam uit. „Wat een heksenmoes! Gooi dat maar in je kwartiermuts, en laat het je oppasser straks uitzoeken.”Allen lachten.„Aber, ik weisz niks meer.”„Dan zal ik er nog wat bijvoegen,” zei Behren.„Maar geen latijn, apotheker,” zei kapitein Van Dam, „anders stuur ik je naar je hut. Ik mag de lieve dames niet aan een tweeden geeuwaanval blootstellen.”„De vliegende visch gelijkt veel op een haring,” ging Behrtje voort, „maar is meer gedrongen van lichaamsbouw en heeft sterk ontwikkelde borst-, buik- en staartvinnen. Deze laatste is, zooals gij zien kunt, diep ingesneden. Hij heeft kleine tanden, maar groote oogen, gemakkelijk loslatende schubben en eene zeer groote zwemblaas. Er bestaan ongeveer dertig soorten van, waarvan de Exo.…”Een luidruchtig en algemeen gegeeuw onderbrak den apotheker.„Pas op, Behrtje! Niks van Exodus. Je bent niet aan het preeken, man. Je weet, wat ik je gezegd heb,” dreigde kapitein Van Dam.„Waarvan de hoogvliegers59de meest bekende soort zijn. Deze worden ongeveer 50 Ned. duim lang, zijn op den rug hemelsblauw en hebben een zilverwitten buik.[274]Volgens de fijnproevers is deze visch een lekker hapje, dat door de menschelijke bewoners van de kusten van Zuid-Amerika met graagte gesmuld wordt. Ziedaar dames en heeren, wat ik er van weet. Ik ben zeer benieuwd of de roem omtrent de fijnheid van dezen visch niet overdreven is, en daarom ga ik een gedeelte van mijn aandeel—ik heb vier stuks—bij den kok brengen. Ik hoop dat mijn voorbeeld navolging zal vinden.”Een hoerrah beantwoordde dat voorstel, en toen het middagbestek opgemaakt was, was het gewone menu van de lunch, dat gewoonlijk uit lapskous bestond, met een flinken schotel lekker gebraden vliegende visschen verrijkt. Allen betuigden dat die visch overheerlijk was, en uitten den wensch, dat nog eene school aan boord mocht komen.Helaas! die wensch zou niet verhoord worden. Wel kwam later in den Indischen Oceaan nog wel een enkele visch aan boord; maar geen scholen om wat versnapering bij of afwisseling van de lapskous te brengen.Den 17enNovember had het middagbestek aangegeven dat deFernandina Maria Emmazich op 20° 36′ zuiderbreedte en op 33° 13′ westerlengte bevond. Dien dag hadden dokter Hannius en dokter Van Pinksteren eene samenkomst met den scheepsgezagvoerder en den kapitein Van Dam verzocht. De toestand der gekwetsten vorderde andere zorgen, dan hun tot nu toe gewijd hadden kunnen worden. Het lijnkoekenpanaceum van den scheepsdokter was onvoldoende gebleken bij de hardnekkige wondkoortsen, die zich geopenbaard hadden, toen dokter Hannius, hoe knap heelmeester hij ook geroemd werd, er niet in geslaagd was de kogels te verwijderen. Een hevige, roosachtige ontsteking was spoedig na het peilen der wonden ingetreden, en bracht het leven der gekwetsten in groot gevaar. De geneesheeren verklaarden[275]dat het meest ernstige te vreezen stond, wanneer de wonden niet met ijs, als het beste ontstekingwerend middel, behandeld konden worden.De beide kapiteins keken elkander aan.„Als er mogelijkheid toe bestaat,” meende kapitein Van Dam, „dan valt niet te aarzelen.”„Mogelijkheid! mogelijkheid!” zei kapitein Butteling, „mogelijkheid is er altijd, waar wij ons thans bevinden. Maar het gaat ons nog al vertraging berokkenen.”En zijn kaarten grijpende, wees hij met den vinger daarop.„Naar Bahia afhouden, dat op den 12dengraad zuiderbreedte ligt, zou op onze schreden terugkeeren zijn. Daarenboven ben ik er niet zeker van, dat wij daar ijs zullen kunnen bekomen. Rio Janeiro ligt op 23° zuiderbreedte en ongeveer.… laat zien.… op 43° westerlengte. Welnu, wij zullen maar niet lang beraadslagen; als de heeren geneeskundigen mij op schrift willen geven dat er urgentie bestaat, dan liggen wij binnen het kwartier zuidwest ten westen voor en dan loopen wij, als de bries zoo blijft, morgen avond kaap Frio in het gezicht. Ik heb die verklaring noodig ter mijner verantwoording, zoowel bij mijne reeders als bij de assuradeuren, bij mogelijke averij.”Het gevraagde stuk werd dadelijk gegeven. Al zeer spoedig daarop was de equipage bezig met de zeilen iets meer vierkant te brassen en stevende deFernandina Maria Emmahet Amerikaansche vasteland te gemoet.Kapitein Butteling’s voorspelling kwam uit. Bij het middagbestek op den 18denNovember stond het fregat op 22° 17′ noorderbreedte en op 37° 4′ westerlengte. De zuidoost-passaat blies goed door en bleef goed doorstaan. Toen dan ook daags daarna de dageraad aan de oosterkim gloorde, riep de matroos, die op uitkijk op de mars van den fokkemast zat:[276]„Land! stuurboord vooruit!”Dat was eene heugelijke tijding. Sedert de reizigers de piek van Teneriffe aan de kim hadden zien verdwijnen—nu volle een en twintig dagen geleden—hadden zij geen anderen gezichteinder gehad, dan die onbestemde lijn, waar lucht en water elkander schenen aan te raken. Allen aan boord, zelfs de matrozen, liepen naar de verschansing en keken begeerig uit. En ja, in de aangewezen richting werd laag bij den horizon eene blauwe lijn ontwaard, die even goed den omtrek eener wolk als den omtrek van land kon aangeven. De onervarene was zelfs geneigd, bij het ijle van het beeld, hetwelk zich daar in het west ten zuiden vertoonde, dit voor eene nevelbank te houden. Maar een zeeman kon zich onmogelijk vergissen.Die lijn naderde, naderde. Zij verhief zich al meer en meer boven den horizon. Toen de klok zes glazen (zeven uur) sloeg, was het fregat al zoover genaderd, dat daar ginds een dubbele bergketen te onderscheiden was. De massa, die zich voor het oog voordeed, was door alle schakeeringen van het blauw gegaan en vertoonde nu die loodkleurige, sombere tint, hetwelk eenig berglandschap, op een zekeren afstand van uit zee gezien, gewoonlijk aanneemt. Hier en daar begonnen zich evenwel lichtstreepen in die donkere massa te vertoonen, welke veroorzaakt werden door de zonnestralen, die de ribben en andere uitspringende gedeelten, met haar licht overgoten. De nokrand van dat gebergte was zeer gekarteld, en verhief zich in verscheidene toppen, die zich scherp tegen de blauwe lucht afteekenden. Aan den voet van het gebergte werd eene strook laag land ontwaard, die zich in zee uitstrekte.„Hoe zouden die beide bergketenen, die daar evenwijdig loopen, heeten?” vroeg een der passagiers aan[277]kapitein Butteling, die met zijn kijker den blik over de zeeoppervlakte liet waren.„Ik ben hier nimmer geweest,” antwoordde de kapitein. „Maar mijne kaarten zeggen mij, dat die voorste Sierra do Mar en de achterste Sierra Mantiqueira heet. Die eene top daar in het west ten noorden heet Hatiajossu en is ruim 8664 voet of 2712 M. hoog.”„Een zeil!” riep de uitkijk.„Waar?” vroeg kapitein Butteling door zijn scheepsroeper.„Stuurboord dwars!” klonk het uit den fokkemast.Alle kijkers werden in de aangeduide richting gekeerd. Aller oogen peilden en doorzochten den horizon en jawel, daar bij die vooruitstekende punt verscheen een klein scheepje op de oppervlakte van den oceaan, dat zeer scherp bij den wind zeilde. Het was slechts een wit stipje dat ontwaard werd.„De loodsvlag in top,” kommandeerde kapitein Butteling, „en vierkant brassen!”Het fregat maakte eene wending en liep nu nagenoeg noordwest op, vlak op den wal toe. Het sloeg juist twee glazen, negen uur, toen de loods aan boord stapte.Het schip was door die beweging kaap Frio veel naderbij gekomen. Het landschap begon vorm aan te nemen. Hier en daar werden te midden van het groen, dat zich nu langzamerhand uit den loodkleurigen band ontwikkelde, glinsterend witte stippen ontwaard, die de aanwezigheid van huizen verrieden. DeFernandina Maria Emmanaderde nog meer. Zij was de lage kaap Frio reeds te boven. De bergwanden begonnen hunne blauwe kleur te verliezen en tooiden zich in het heerlijkste groen. Zij naderden, naderden, en eindelijk openbaarde zich daar voor den bewonderenden blik der opvarenden een schouwspel van ongemeene pracht. Een bergwand[278]rees met zachte hellingen uit zee op. Het was alsof hij een muur daarstelde en het fregat toeriep: Tot hier en niet verder. Maar, weldra kwam er eene opening in dien muur. Het was, terwijl het schip voortgleed, alsof eene onmetelijke gordijn opengeschoven werd. Eerst traden eenige heuvelachtige eilandjes op den voorgrond. Het waren voornamelijk aan stuurboord de eilandjes May en Pay, die als eene voortzetting van de Taypoepunt te beschouwen waren, en aan bakboord de eilandjes Raza, Radonda, Comprida en eene menigte kleinere. Daarna kreeg deFernandina Maria Emmaden ingang der fraaiste baai van de wereld voor zich. De loods wendde zich tot kapitein Butteling en fluisterde hem iets in het oor.„Grootzeil, bezaan en fok geien!” klonk het kommando.In een oogwenk waren alle hens bedrijvig. Zij waren ter nauwernood klaar:„Bagijnezeil, groot- en voormarszeil geien!” klonk het andermaal.Het fregat temperde merkbaar zijn vaart. Het voerde nog maar het kruiszeil, het grietje, het grootbramzeil en grootbovenbramzeil, het voorbramzeil en voorbovenbramzeil en den kluiver. Thans schoot het, terwijl het ’t eiland Contoendoeboe voorbijstevende, den ingang der baai in, die zich voor het vaartuig geheel opende, slechts 700 M. breed was en door twee naakte granietrotsen, de Pao de Açucar, bij de Engelschen Sugar Loaf geheeten, en den Pico Santa Cruz begrensd werd. Het was een grootsch en verheven schouwspel, dat zich nu voor de oogen onzer reizigers voordeed. De beide granietrotsen, waartusschen het fregat doorstevende, waren de eerste 1270 en de andere 749 voet hoog boven den spiegel der zee, en vormden eene soort van poort, waardoor de blauwe wateren van den Atlantischen Oceaan toegang verkregen. Bij het binnenkomen werd het[279]oog achter den Pao de Açucar eene kleine baai gewaar, Praia de San Joao genaamd, die door eene landtong gevormd werd, welke zich naar den Pico de Santa Cruz boog, en het nauwste gedeelte der poort vormde. Op een heuvelrug, die de kleine baai omzoomde, verhief zich het fort of beter de batterij San Juan, die, met het fort Santa Cruz, hetwelk aan den voet van de piek van denzelfden naam gelegen was, den toegang tot die poort bij vijandelijke aanranding moest verdedigen; terwijl nog in de baai de forten Villegagnon en Cobras op de eilandjes van denzelfden naam gebouwd, het eerste ten zuidoosten en het tweede ten noordoosten op een kleinen afstand van Rio Janeiro gelegen, tot eene krachtige verdediging konden medewerken.Bij het binnenkomen deed de baai zich voor het oog nagenoeg peervormig voor en mat over hare lengteas ongeveer 30 en over hare grootste breedte 22 Ned. mijlen en was met liefelijke eilandjes bezaaid, waarvan het Ilha do Governador het grootste was; terwijl de baai met haar blauw water diep landwaarts indringende, van alle kanten door terrasgewijs opklimmend gebergte als door een verheven gekartelden band van smaragd omgeven was.Vlak bij den ingang der baai strekte zich de stad Rio Janeiro in een langwerpig vierkant van het noordoosten naar het zuidwesten op eene landtong uit, die in haar zuidelijk gedeelte met het vasteland verbonden was. Die landtong was zeer heuvelachtig, en het was tegen de hellingen dier heuvels dat de stad zich verhief, en zoo onzen reizigers een uitermate betooverend en schilderachtig gezicht opleverde, waaraan zij zich, na gedurende zoo langen tijd niets dan water en lucht gezien te hebben, niet verzadigen konden.DeFernandina Maria Emma, door een sleepbootje geholpen,[280]dewijl de wind in die baai de zeilen geheel ontvloden was, gleed nu het Ilha Villegagnon voorbij, ten noorden waarvan zich de ankerplaats deroorlogsschepenuitstrekte, daarna de Cathabouco punt, eene rotsachtige kaap, die zich hoog verhief, en ver in zee uitstrekte. Om die kaap, waarop het signaal-station en het observatorium zich verhieven, groepeerde zich als het ware de geheele stad. Het fregat stevende steeds voort zuiver noordwaarts op. Toen ’t het Ilha das Cobras dwars had, wendde het westwaarts en liet ten noordwesten van dat eiland gekomen, het anker op de reede voor de koopvaardijschepen vallen.60Toen het anker in den grond zat, kwam een dokter met de haven-politie aan boord. DeFernandina Maria Emmakwam evenwel uit Europa en had geene besmettelijke ziektegevallen aan boord: zoodat het verlof om naar den wal te gaan weldra verleend was. Een paar sloepen waren weldra gestreken en gereed om te vertrekken.„Wie wil medegaan?” vroeg kapitein Butteling aan zijne passagiers.„Ik blijf aan boord,” sprak kapitein Van Dam, „en verzoek luitenant Denniston dit insgelijks te doen.”„Waarom zoudt gij aan boord blijven?” vroeg de heer Groenewald.„Het is mogelijk,” antwoordde de officier, „dat iedere gisting onder het detachement verdwenen is; maar het kan ook wel niet zoo zijn. Straks zal het fregat door allerhande vaartuigjes omringd zijn om vruchten en andere versnaperingen, alsook kramerijen te verkoopen. Ik wensch zelf het toezicht te houden om desertie te voorkomen. De gelegenheid daartoe is te aanlokkelijk.”De overige kajuitspassagiers maakten gebruik van het aanbod van kapitein Butteling. Zelfs de dames[281]Groenewald stapten in, en namen plaats onder de zonnetent der sloep om eenige uren aan den wal door te brengen. Mevrouw Groenewald had haren echtgenoot nog afgezonden om aan kapitein Van Dam verlof voor de sergeanten Brinkman en Riethoven te vragen om mede naar den wal te gaan.„Dat moet ik u tot mijn leedwezen weigeren,” sprak de officier. „Zoo’n gunstbetoon zou te veel naijver, misschien wel nijd opwekken. Ik heb bovendien die jongelieden, van wier toewijding ik mij overtuigd houd, hoogst noodig bij het toezicht dat, zoolang wij hier in die baai zijn, gehouden moet worden. Het spijt mij, maar ik kan onmogelijk anders handelen.”De boot stak af, en de beide jongelieden zagen haar niet zonder teleurstelling verwijderen. Vooral Frank had zoo gaarne dat tochtje medegemaakt. Maar hij had zelfs niet lang tijd om die boot met haren lieven last na te turen. In weinige oogenblikken was deFernandina Maria Emmadoor eene ware vloot van vaartuigen omringd, welker opvarenden allen om het hardst kakelden, schreeuwden en verzochten om aan boord te mogen komen, ten einde hunne waren aan den man te brengen. Zoowel de stuurlieden als de officieren en onderofficieren hadden de handen vol om de orde te bewaren, en om te verhoeden, zoowel dat verboden waren, zooals dronkenmakende palmwijn,61aan boord gebracht werden, als dat manschappen, zich door middel der vaartuigen heimelijk zouden kunnen verwijderen. Alles liep evenwel in de beste orde af; maar de opzichthebbenden waren blij, toen de avond gevallen was en die venters verdwenen waren.Het was ongeveer tien uur des avonds, toen kapitein Butteling met zijne passagiers aan boord terug was. Hij was, wat het voornaamste gedeelte zijner zending naar[282]den wal betrof, geslaagd, namelijk: om eene goede portie ijs machtig te worden. In de sloep had hij reeds een paar kisten medegebracht, kristalheldere blokken, zorgvuldig in houtzaagsel bewaard; zoodat de beide geneesheeren al dadelijk hunne patiënten konden verzorgen. Den volgenden morgen zoude meer aangebracht worden.Maar de waardige kapitein had nog voor andere zaken gezorgd. Sedert deFernandina Maria Emmahet Nieuwediep verlaten had, hadden èn de equipage, èn het detachement troepen, èn de passagiers zich moeten vergenoegen met den zoogenaamden scheepskost, en waren erwtensoep, bruine boonen, grauwe erwten, met gezouten vleesch en gerookt spek schering en inslag van het dagelijksch menu. Wel is waar, werd door den kok daarin zooveel mogelijk voor de kajuitspassagiers afwisseling gebracht door groenten- en vleesch-blikken te verstrekken; ook werden wekelijks of een varken of eenige kippen of ganzen geslacht; maar dat kon weinig verlokken: de verduurzaamde levensmiddelen waren zoo zacht, alsof zij reeds eenmaal de bewerking der masticatie ondergaan hadden; en als men het arme gevogelte met zijne vuile overeindstaande veeren in de kippenhokken aan het dek maar bekeek, dan behoorde er moed toe om later, bij de herinnering aan dat gezicht, een kippenboutje, dat eigenlijk niets anders was dan wat vel over een beentje getrokken, naar den mond te brengen, zoo berooid en teringachtig zagen de arme dieren er uit. Alleen het varkensvleesch had nog steeds genade bij de lekkerbekken gevonden; maar.… de voorraad, door de reeders tot uitrusting van het schip verstrekt, was zoo zuinig geweest, dat toen het fregat de baai van Rio Janeiro instevende er zich nog maar één varken aan boord bevond. Dat was buitengewoon groot en vet geworden, en was bestemd om op een feestdag, zooals Sint Nikolaas-[283]of Nieuwjaarsdag een lekkeren beet te verschaffen. Een algemeen gejuich ging dan ook op, toen kapitein Butteling mededeelde, dat hij er in geslaagd was een viertal flinke ossen, waarvan een den volgenden morgen nog aan wal zou geslacht worden, een zestal varkens, eene menigte gezonde kippen en eenden machtig te worden; terwijl hij tevens eene groote hoeveelheid aardappelen en groenten had aangekocht, zoodat vooreerst in het menu eenige afwisseling kon gebracht worden.De dames en de passagiers, die aan wal geweest waren, gevoelden zich geducht vermoeid; geen wonder dus dat die zich zoo spoedig mogelijk ter ruste begaven. Kapitein Van Dam liep pruttelend het achterdek op en neer, omdat hij zijn gewoon quadrille-partijtje miste.Den volgenden morgen stond kapitein Butteling al vroeg te trappelen van ongeduld. Hij stond met zijn kijker naar de Praia de Vallongo, de aanlegplaats der sloepen van de koopvaardijschepen, die op de reede lagen, te turen, of de booten, die het ijs, het slachtvee en verdere levensmiddelen aan boord moesten brengen, nog niet opdaagden. Hij had zoo aanbevolen, dat die vaartuigen reeds bij zonsopgang langs zij van het fregat moesten liggen. En kijk, daar steeg de dagvorstin reeds boven den oostelijken bergnok en nog was van de booten niets te zien.Het werd zeven uur, het werd acht; toen eerst zag men eene kleine vlet naar boord stevenen. Toen die iets later het fregat op zij gekomen was, werd den kapitein medegedeeld, dat eene vertraging in de toezending èn van het slachtvee èn van de groenten, die uit de binnenlanden moesten aangevoerd worden, niet toeliet, dat het bestelde dien dag aan boord zoude gebracht kunnen worden; maar dat het stellig den volgenden ochtend zoo vroeg mogelijk bezorgd zoude zijn. Of kapitein Butteling[284]zich ook al boos maakte, of hij ook al met den voet stampte; het hielp hem niets. Er bleef niets anders over dan geduld te oefenen.De passagiers evenwel juichten. Al ras omringden zij den scheepsgezagvoerder en verzochten hem de sloepen andermaal ter hunner beschikking te willen stellen, om den dag aan wal te kunnen doorbrengen. Ditmaal zou luitenant Leidermooi kapitein Van Dam aan boord gezelschap houden, ten einde hem te helpen orde en tucht onder het detachement te bewaren. Wel deden de meeste passagiers veel moeite om den detachements-kommandant over te halen, hen ditmaal bij hun uitstapje te volgen; wel bood kapitein Butteling aan, hem in allen deele bij het toezicht te vervangen en het dek geen oogenblik te verlaten; de waardige krijgsman weigerde gladweg.„De duivel zit altijd om een hoekje te gluren,” antwoordde hij met een glimlach, „om iemand een kool te stoven, als hij er het minst op verdacht is. Er moesten eens wanordelijkheden tengevolge van dronkenschap voorkomen, of er moesten een paar van mijne snuiters drossen! Niet alleen dat ik mij zwaar bij het Militair Departement te Batavia te verantwoorden zoude hebben, wegens het finantieele nadeel, dat het lieve vaderland zoude lijden; maar ik zou hetmijzelvenniet vergeven.”„Toe kapitein!” smeekten de jonge dames.„Lieve dames, ik ben stijfhoofdig als een oud muildier. Laat af, wat ik u bidden mag. Eens en vooral, ik blijf aan boord!” kregen zij ten antwoord.Bij zoo’n plichtsopvatting hielp geen verder aandringen. De sloepen staken af en legden na een korten overtocht aan de Praia de Vallongo aan. De opvarenden waren spoedig aan wal gestapt, en verdwenen weldra te midden der bonte menigte, die op die kade wemelde, voor de naoogenden aan boord.[285]Het was ruim elf uur des avonds, toen de pierewaaiers weer aan boord terug waren.Den volgenden morgen waren een viertal vaartuigen al heel vroeg met het verlangde op zijde, en werd de overlading bewerkstelligd, waarbij met de slachtossen al heel weinig omslag gemaakt werd. Er werd hun eenvoudig een strik om de horens geslagen, waarin een haak greep, die aan eene lijn vastgemaakt was, welke door een blok aan het einde van de groote ra geschoren was. Of de arme dieren ook al spartelden en tegenstribbelden, weldra hingen zij aan hunne horens in de lucht te zweven en waren nog niet van hunne ontsteltenis bekomen, toen de lijn gevierd werd en zij op het dek neerkwamen. Met de varkens ging het gemakkelijker, die zaten in manden opgesloten en werden zoo naar boven geheschen.Het was ongeveer half acht toen de overlading geëindigd was. Eene kleine sleepboot, de „Esperanza”, kwam toen op zijde, nam de sleeptrossen over, terwijl de equipage van het fregat, geholpen door een aantal soldaten, in het gangspil liep om het anker te winden. Eindelijk liet dat uit den zanderigen bodem los, en begonnen de raderen van de „Esperanza” zich in beweging te stellen. DeFernandina Maria Emmaaldus gesleept, stevende terwijl hare zeilen losgeworpen werden, de baai door, op den ingang toe, wisselde met het fort Santa Cruz den gebruikelijken groet en was weldra in volle zee. De zeilen werden vierkant gebrast, de sleeptrossen losgegooid, waarna het fregat koers naar het zuidoosten zette.Maar het fregat trof het wel. In den regel staat in deze streken de passaatwind, wanneer de zon zich in hare baan bezuiden den Evenaar bevindt, tot bij den Steenbokskeerkring en soms zuidelijker daarvan door.[286]Daarna hebben de zeevarenden gewoonlijk een gordel te doorworstelen, waarin meestal stilten of veranderlijke winden heerschen. Bij het uitkomen van de baai van Rio Janeiro trof deFernandina Maria Emmaeen noorden wind aan, die vrij sterk doorstond en het schip negen mijlen in de wacht deed afleggen.„Als dat zoo treft,” zei kapitein Butteling met een glimlach van tevredenheid, „dan zullen wij die vier dagen verlies, die wij buiten den koers geweest zijn, spoedig ingehaald hebben, en betreur ik die vertraging niet.”Neen, die vertraging was niet te betreuren. Vooreerst toch was er dadelijk bij de gekwetsten, door de aanwending van ijs op hunne wonden, eene zoodanige gunstige verandering waar te nemen, dat dokter Hannius verzekerde, hij den volgenden morgen er toe zou kunnen overgaan om de kogels uit te halen, waarna spoedig genezing zou volgen. Dan waren de approviandeering van versch vleesch en de bergen aardappelen, koolen, jams, peenen, knolrapen, uien, kalebassen, enz. enz., die te Rio Janeiro ingekocht waren, met het oog op den gezondheidstoestand der opvarenden, niet genoeg te waardeeren. Wat al dadelijk een glans van vergenoegen op ieders gelaat te voorschijn deed komen, was de heerlijke lucht, die zich over het dek verspreidde, van debeefsteak, die zich de kok in zijne kombuis beijverde klaar te maken voor den lunch van de passagiers achteruit; terwijl de manschappen van het detachement, in weerwil dat het zondag was, onder het zingen van een vroolijk lied bezig waren de aardappelen te jassen, die straks, met de noodige knolrapen er bij gekookt, een heerlijke ratjetoe zouden opleveren; maar voorafgegaan zouden worden door een ration lekkere soep, waartoe ruim het vierde gedeelte van een geheelen os gebruikt werd.[287]

X.Naar Brazilië’s hoofdstad.

Wel was het donker dien avond geweest; toch waren de gevoelens, die hare dochters bewogen hadden, mevrouw Groenewald als liefderijke moeder niet ontsnapt.„Ik geloof, dat Adelien en Frank het met elkander eens zijn,” sprak zij zacht, toen zij des avonds met haren echtvriend in hunne gemeenschappelijke hut alleen waren.„Wat brengt u op dat vermoeden?” vroeg de heer Groenewald.Zijne echtgenoote vertelde hem de bijzonderheden, die zij waargenomen had.„Het alles geschiedde, zoo ongezocht, zoo onverwacht van beide zijden, dat al had ik er mij tegen willen verzetten, ik dat onmogelijk had kunnen doen.”„Maar, gaat dat niet wat al te voorspoedig?”„Hoe meent ge dat?”„Wel, dat wij den jongman nog zoo weinig kennen.”„Gij hebt kapitein Van Dam toch geraadpleegd?”„Voorzeker; alle inlichtingen zijn gunstig. Maar, ik kon den kapitein toch niet zeggen, waarom ik die inlichtingen vroeg. Ik liet alleen doorschemeren, dat ik van zins was, die twee jongelieden voor te stellen op mijne koffie-ondernemingen werkzaam gesteld te worden.[269]Nu kan een goed, degelijk opzichter of, als ge wilt, zelfs een goed administrateur, een afschuwelijk echtgenoot voor een onzer kinderen zijn. Hier kunnen geen inlichtingen van kapitein Van Dam helpen.”„Als we slechts overtuigd zijn, dat wij met een eerlijken, onbesproken borst te doen hebben, dan dienen wij het overige, evenals bij alle huwelijken, eenigermate aan het toeval over te laten. Zijt ge dat met mij eens?”„Ja, volkomen. En toch is er iets, wat mij in die zaak hindert. Zoo’n onderofficier.… zal daar het geheele publiek der Vorstenlanden den neus niet tegen ophalen?”„O! wringt de schoen daar, manlief? Gij zoudt immers die jongelieden eerst op een uwer landelijke ondernemingen nemen, ten einde hen te bekwamen, nietwaar? Welnu, dan is het de sergeant niet meer, die de hand onzer dochter erlangt, maar de administrateur of wel uw deelgenoot in uwe zaken. Als daarvoor de neus opgetrokken moest worden, dan deed voorzeker de eene helft der Vorstenlanden het tegen de andere. Daarenboven, wat zou ons dat kunnen schelen? Zijn wij de dienaren van het publiek? Hebben wij iemand naar de oogen te zien? Neen, nietwaar? Wij hebben slechts één doel, dat is het geluk onzer kinderen te bevorderen. Ik meen, dat dit bereikt wordt, wanneer wij haar in de keuze van een echtgenoot zoodanig leiden, dat haar levensgezel een onbesproken en degelijk ontwikkeld man is, met een gezond lichaam en eene zachtzinnige maar toch flinke geaardheid. Daarin—dat zult gij mij moeten toegeven—zijn al de gegevens vereenigd, die, voor zoover een mensch dat berekenen kan, het geluk onzer kinderen kunnen bevorderen, wanneer wederzijdsche liefde eene verbintenis onder dergelijke voorteekenen gesloten, bezegelt.”[270]„Goed verdedigd! vrouwlief,” antwoordde de heer Groenewald. „Ik ben het in beginsel geheel met u eens. Mij dunkt evenwel, dat wij den gang van zaken eenigermate remmen moeten. Wij weten nog zoo weinig van de denkbeelden dier jonge mannen. Wij kunnen nu wel plannen ontwerpen; het is nog de vraag of zij zich daarnaar schikken willen. En, om mijne kinderen met officieren te laten huwen, daartegen zou ik erg opzien.”„Ik ook. Dat eeuwig heen en weer trekken, waaraan niet alleen die heeren, maar ook de ambtenaren in Indië voortdurend blootstaan, zou mij zeer tegenstaan. Ik zou aan mijne lievelingen niets meer hebben; want er zouden jaren kunnen voorbijgaan, dat ik ze niet zag. Neen, dat zou verschrikkelijk wezen!”„Maar … gij hebt mij wel van Adelien verteld,” vroeg de heer Groenewald; „gij zwijgt evenwel over Emma?”„Daaromtrent kan ik weinig of niets mededeelen. De sergeant Riethoven is van een meer teruggetrokken karakter dan zijn vriend. Maar.… ik vraag u, zou een jongman weerstand kunnen bieden aan eene schoonheid als onze Emma is. Neen, laat die zaak haren gang gaan, die zal ook wel te recht komen. Ik zal mijne beide kinderen gelukkig zien,” sprak de liefhebbende moeder geestdriftvol. „Ik heb mij dat in het hoofd gezet.”„En als mamaatje zich iets in het hoofd gezet heeft, dan moet het gebeuren, nietwaar?Ce que femme veut, Dieu le veut. Ainsi soit-il!Maar, ik zal toch eenigermate het terrein moeten polsen bij die jongelieden?”„Juist, manlief.”„Ik zal daartoe de eerste de beste gelegenheid waarnemen, en dan moet mijne meening gevestigd zijn.”Na dat besluit legden beide ouders zich te rusten, en droomden bij het zacht wiegelen van het fregat op de kabbelende golven van het geluk hunner lieve kinderen.[271]DeFernandina Maria Emmavervolgde flink hare reis. Het is waar, de zuidoostpassaat blies flink door, en statig onder hare zeilen stevende het fregat nagenoeg evenwijdig aan de kust van Zuid-Amerika, evenwel op zoo’n afstand, dat van dat werelddeel niets te ontwaren was.Zooals kapitein Butteling voorspeld had, waren den volgenden dag geheele zwermen vliegende visschen te ontwaren. Met troepen van honderden verhieven zij zich uit het zilte water, beschreven een flauwen boog, welks hoogste punt soms zes meter bereikte, en legden gewoonlijk een afstand af van 100 tot 130 meter. Het was een eigenaardig schouwspel, die zwermen glinsterende visschen uit de zee te zien opduiken, een poos in het zonlicht te zien schitteren, en hen dan weer in het blauwe water te zien verdwijnen. Meestal schoten zij uit een hoogen deininggolf te voorschijn, zweefden over een tweeden, een derden en boorden in een volgenden, om een oogenblik later hetzelfde verrukkelijke spel weer te vervolgen. Soms was de hellingshoek, waaronder de visschen uit het water sprongen, te flauw; dan schoten zij van den eenen deininggolf in den anderen, doorboorden dezen laatsten, kwamen weer te voorschijn om een tweeden, een derden, een vierden, enz. door te zwemmen, totdat door den afstand hunne verdere bewegingen aan het oog onttrokken werden.„Schieten die visschen uit het water om lucht te scheppen of om insecten of zoo iets te vangen?” vroegen de jonge dames aan stuurman Abels.„Het mocht wat,” antwoordde deze. „Of ze lucht happen, weet ik niet; maar insecten zijn hier niet te vangen. Neen, zij trachten zoo hunne vijanden: de makreelen, de bonieten, de doraden58en zooveel anderen uit den weg te komen. Het is in den volsten zin des woords de doodsangst, die hun vleugelen verleent. Als[272]zij uit het water springen, spannen zij eenvoudig hunne zeer ontwikkelde borst- en buikvinnen, die evenwel onbewegelijk blijven, en waarmede zij niet slaan, zooals de vogels doen. Zij kunnen zich zoo eenigen tijd zwevende houden, maar daarbij niet van richting veranderen; zoodat zij veelal hunne belagers, die die omstandigheid zeer goed kennen, in den mond vallen, wanneer hunne droog geworden vinnen hen noodzaken in het water terug te keeren.”„Kijk eens, kijk eens!” riep Adelien, „hoe hoog die daar vliegen.”„Dat zijn hoogvliegers!” antwoordde de stuurman lachende. „Drommels! zij worden flink nagezeten. Ik wou dat er ettelijke aan boord kwamen. Zoo’n visch is een lekker hapje.”En alsof een gedienstige geest den wensch van den stuurman verhoorde; daar verhief zich een zwerm op een kleinen afstand van het voorschip, schoor er overheen, waarbij een groot gedeelte evenwel tegen het touwwerk en de bolle zeilen aankwam, en in zee terugviel. Een twaalftal kwam echter binnen boord terecht, waar zij spoedig door de soldaten en door janmaat buit gemaakt werden.Behren en Hannius spoedden naar voren om een paar exemplaren machtig te worden, ten einde die inliquorte bewaren. Eene tweede school streek evenwel een oogenblik later over het achterschip heen. Deze leed bij die manoeuvre meer verliezen, daar een groot dertigtal tegen de verschansing aan lij en bijgevolg op het dek terecht kwam. Ieder sprong toe, en een oogenblik later stonden al de heeren met een of twee visschen in de hand.„Kom, dokter Hannius,” sprak kapitein Van Dam, „de gelegenheid is te mooi, om niet van wal te steken met eene mooie verhandeling over die vlinders onder de visschen.”[273]„Ich bin entomoloog, Herr Kapitein, nicht ichthyoloog,” antwoordde de Germaan in zijn koeterhollandsch. „Aber ik wil mitdeelen, was ik weisz.”„Vooruit dan maar!”„De fliegende Fische gehooren tot het geslecht, Exocoetus genannt; zij zijn parentirt an die Scomberesoces aus die afdeeling der Pharyngognati.…”De dames konden bij die barbaarsche namen een ongelukkige beweging van de onderkaak niet bedwingen.„Poeah!” riep kapitein Van Dam uit. „Wat een heksenmoes! Gooi dat maar in je kwartiermuts, en laat het je oppasser straks uitzoeken.”Allen lachten.„Aber, ik weisz niks meer.”„Dan zal ik er nog wat bijvoegen,” zei Behren.„Maar geen latijn, apotheker,” zei kapitein Van Dam, „anders stuur ik je naar je hut. Ik mag de lieve dames niet aan een tweeden geeuwaanval blootstellen.”„De vliegende visch gelijkt veel op een haring,” ging Behrtje voort, „maar is meer gedrongen van lichaamsbouw en heeft sterk ontwikkelde borst-, buik- en staartvinnen. Deze laatste is, zooals gij zien kunt, diep ingesneden. Hij heeft kleine tanden, maar groote oogen, gemakkelijk loslatende schubben en eene zeer groote zwemblaas. Er bestaan ongeveer dertig soorten van, waarvan de Exo.…”Een luidruchtig en algemeen gegeeuw onderbrak den apotheker.„Pas op, Behrtje! Niks van Exodus. Je bent niet aan het preeken, man. Je weet, wat ik je gezegd heb,” dreigde kapitein Van Dam.„Waarvan de hoogvliegers59de meest bekende soort zijn. Deze worden ongeveer 50 Ned. duim lang, zijn op den rug hemelsblauw en hebben een zilverwitten buik.[274]Volgens de fijnproevers is deze visch een lekker hapje, dat door de menschelijke bewoners van de kusten van Zuid-Amerika met graagte gesmuld wordt. Ziedaar dames en heeren, wat ik er van weet. Ik ben zeer benieuwd of de roem omtrent de fijnheid van dezen visch niet overdreven is, en daarom ga ik een gedeelte van mijn aandeel—ik heb vier stuks—bij den kok brengen. Ik hoop dat mijn voorbeeld navolging zal vinden.”Een hoerrah beantwoordde dat voorstel, en toen het middagbestek opgemaakt was, was het gewone menu van de lunch, dat gewoonlijk uit lapskous bestond, met een flinken schotel lekker gebraden vliegende visschen verrijkt. Allen betuigden dat die visch overheerlijk was, en uitten den wensch, dat nog eene school aan boord mocht komen.Helaas! die wensch zou niet verhoord worden. Wel kwam later in den Indischen Oceaan nog wel een enkele visch aan boord; maar geen scholen om wat versnapering bij of afwisseling van de lapskous te brengen.Den 17enNovember had het middagbestek aangegeven dat deFernandina Maria Emmazich op 20° 36′ zuiderbreedte en op 33° 13′ westerlengte bevond. Dien dag hadden dokter Hannius en dokter Van Pinksteren eene samenkomst met den scheepsgezagvoerder en den kapitein Van Dam verzocht. De toestand der gekwetsten vorderde andere zorgen, dan hun tot nu toe gewijd hadden kunnen worden. Het lijnkoekenpanaceum van den scheepsdokter was onvoldoende gebleken bij de hardnekkige wondkoortsen, die zich geopenbaard hadden, toen dokter Hannius, hoe knap heelmeester hij ook geroemd werd, er niet in geslaagd was de kogels te verwijderen. Een hevige, roosachtige ontsteking was spoedig na het peilen der wonden ingetreden, en bracht het leven der gekwetsten in groot gevaar. De geneesheeren verklaarden[275]dat het meest ernstige te vreezen stond, wanneer de wonden niet met ijs, als het beste ontstekingwerend middel, behandeld konden worden.De beide kapiteins keken elkander aan.„Als er mogelijkheid toe bestaat,” meende kapitein Van Dam, „dan valt niet te aarzelen.”„Mogelijkheid! mogelijkheid!” zei kapitein Butteling, „mogelijkheid is er altijd, waar wij ons thans bevinden. Maar het gaat ons nog al vertraging berokkenen.”En zijn kaarten grijpende, wees hij met den vinger daarop.„Naar Bahia afhouden, dat op den 12dengraad zuiderbreedte ligt, zou op onze schreden terugkeeren zijn. Daarenboven ben ik er niet zeker van, dat wij daar ijs zullen kunnen bekomen. Rio Janeiro ligt op 23° zuiderbreedte en ongeveer.… laat zien.… op 43° westerlengte. Welnu, wij zullen maar niet lang beraadslagen; als de heeren geneeskundigen mij op schrift willen geven dat er urgentie bestaat, dan liggen wij binnen het kwartier zuidwest ten westen voor en dan loopen wij, als de bries zoo blijft, morgen avond kaap Frio in het gezicht. Ik heb die verklaring noodig ter mijner verantwoording, zoowel bij mijne reeders als bij de assuradeuren, bij mogelijke averij.”Het gevraagde stuk werd dadelijk gegeven. Al zeer spoedig daarop was de equipage bezig met de zeilen iets meer vierkant te brassen en stevende deFernandina Maria Emmahet Amerikaansche vasteland te gemoet.Kapitein Butteling’s voorspelling kwam uit. Bij het middagbestek op den 18denNovember stond het fregat op 22° 17′ noorderbreedte en op 37° 4′ westerlengte. De zuidoost-passaat blies goed door en bleef goed doorstaan. Toen dan ook daags daarna de dageraad aan de oosterkim gloorde, riep de matroos, die op uitkijk op de mars van den fokkemast zat:[276]„Land! stuurboord vooruit!”Dat was eene heugelijke tijding. Sedert de reizigers de piek van Teneriffe aan de kim hadden zien verdwijnen—nu volle een en twintig dagen geleden—hadden zij geen anderen gezichteinder gehad, dan die onbestemde lijn, waar lucht en water elkander schenen aan te raken. Allen aan boord, zelfs de matrozen, liepen naar de verschansing en keken begeerig uit. En ja, in de aangewezen richting werd laag bij den horizon eene blauwe lijn ontwaard, die even goed den omtrek eener wolk als den omtrek van land kon aangeven. De onervarene was zelfs geneigd, bij het ijle van het beeld, hetwelk zich daar in het west ten zuiden vertoonde, dit voor eene nevelbank te houden. Maar een zeeman kon zich onmogelijk vergissen.Die lijn naderde, naderde. Zij verhief zich al meer en meer boven den horizon. Toen de klok zes glazen (zeven uur) sloeg, was het fregat al zoover genaderd, dat daar ginds een dubbele bergketen te onderscheiden was. De massa, die zich voor het oog voordeed, was door alle schakeeringen van het blauw gegaan en vertoonde nu die loodkleurige, sombere tint, hetwelk eenig berglandschap, op een zekeren afstand van uit zee gezien, gewoonlijk aanneemt. Hier en daar begonnen zich evenwel lichtstreepen in die donkere massa te vertoonen, welke veroorzaakt werden door de zonnestralen, die de ribben en andere uitspringende gedeelten, met haar licht overgoten. De nokrand van dat gebergte was zeer gekarteld, en verhief zich in verscheidene toppen, die zich scherp tegen de blauwe lucht afteekenden. Aan den voet van het gebergte werd eene strook laag land ontwaard, die zich in zee uitstrekte.„Hoe zouden die beide bergketenen, die daar evenwijdig loopen, heeten?” vroeg een der passagiers aan[277]kapitein Butteling, die met zijn kijker den blik over de zeeoppervlakte liet waren.„Ik ben hier nimmer geweest,” antwoordde de kapitein. „Maar mijne kaarten zeggen mij, dat die voorste Sierra do Mar en de achterste Sierra Mantiqueira heet. Die eene top daar in het west ten noorden heet Hatiajossu en is ruim 8664 voet of 2712 M. hoog.”„Een zeil!” riep de uitkijk.„Waar?” vroeg kapitein Butteling door zijn scheepsroeper.„Stuurboord dwars!” klonk het uit den fokkemast.Alle kijkers werden in de aangeduide richting gekeerd. Aller oogen peilden en doorzochten den horizon en jawel, daar bij die vooruitstekende punt verscheen een klein scheepje op de oppervlakte van den oceaan, dat zeer scherp bij den wind zeilde. Het was slechts een wit stipje dat ontwaard werd.„De loodsvlag in top,” kommandeerde kapitein Butteling, „en vierkant brassen!”Het fregat maakte eene wending en liep nu nagenoeg noordwest op, vlak op den wal toe. Het sloeg juist twee glazen, negen uur, toen de loods aan boord stapte.Het schip was door die beweging kaap Frio veel naderbij gekomen. Het landschap begon vorm aan te nemen. Hier en daar werden te midden van het groen, dat zich nu langzamerhand uit den loodkleurigen band ontwikkelde, glinsterend witte stippen ontwaard, die de aanwezigheid van huizen verrieden. DeFernandina Maria Emmanaderde nog meer. Zij was de lage kaap Frio reeds te boven. De bergwanden begonnen hunne blauwe kleur te verliezen en tooiden zich in het heerlijkste groen. Zij naderden, naderden, en eindelijk openbaarde zich daar voor den bewonderenden blik der opvarenden een schouwspel van ongemeene pracht. Een bergwand[278]rees met zachte hellingen uit zee op. Het was alsof hij een muur daarstelde en het fregat toeriep: Tot hier en niet verder. Maar, weldra kwam er eene opening in dien muur. Het was, terwijl het schip voortgleed, alsof eene onmetelijke gordijn opengeschoven werd. Eerst traden eenige heuvelachtige eilandjes op den voorgrond. Het waren voornamelijk aan stuurboord de eilandjes May en Pay, die als eene voortzetting van de Taypoepunt te beschouwen waren, en aan bakboord de eilandjes Raza, Radonda, Comprida en eene menigte kleinere. Daarna kreeg deFernandina Maria Emmaden ingang der fraaiste baai van de wereld voor zich. De loods wendde zich tot kapitein Butteling en fluisterde hem iets in het oor.„Grootzeil, bezaan en fok geien!” klonk het kommando.In een oogwenk waren alle hens bedrijvig. Zij waren ter nauwernood klaar:„Bagijnezeil, groot- en voormarszeil geien!” klonk het andermaal.Het fregat temperde merkbaar zijn vaart. Het voerde nog maar het kruiszeil, het grietje, het grootbramzeil en grootbovenbramzeil, het voorbramzeil en voorbovenbramzeil en den kluiver. Thans schoot het, terwijl het ’t eiland Contoendoeboe voorbijstevende, den ingang der baai in, die zich voor het vaartuig geheel opende, slechts 700 M. breed was en door twee naakte granietrotsen, de Pao de Açucar, bij de Engelschen Sugar Loaf geheeten, en den Pico Santa Cruz begrensd werd. Het was een grootsch en verheven schouwspel, dat zich nu voor de oogen onzer reizigers voordeed. De beide granietrotsen, waartusschen het fregat doorstevende, waren de eerste 1270 en de andere 749 voet hoog boven den spiegel der zee, en vormden eene soort van poort, waardoor de blauwe wateren van den Atlantischen Oceaan toegang verkregen. Bij het binnenkomen werd het[279]oog achter den Pao de Açucar eene kleine baai gewaar, Praia de San Joao genaamd, die door eene landtong gevormd werd, welke zich naar den Pico de Santa Cruz boog, en het nauwste gedeelte der poort vormde. Op een heuvelrug, die de kleine baai omzoomde, verhief zich het fort of beter de batterij San Juan, die, met het fort Santa Cruz, hetwelk aan den voet van de piek van denzelfden naam gelegen was, den toegang tot die poort bij vijandelijke aanranding moest verdedigen; terwijl nog in de baai de forten Villegagnon en Cobras op de eilandjes van denzelfden naam gebouwd, het eerste ten zuidoosten en het tweede ten noordoosten op een kleinen afstand van Rio Janeiro gelegen, tot eene krachtige verdediging konden medewerken.Bij het binnenkomen deed de baai zich voor het oog nagenoeg peervormig voor en mat over hare lengteas ongeveer 30 en over hare grootste breedte 22 Ned. mijlen en was met liefelijke eilandjes bezaaid, waarvan het Ilha do Governador het grootste was; terwijl de baai met haar blauw water diep landwaarts indringende, van alle kanten door terrasgewijs opklimmend gebergte als door een verheven gekartelden band van smaragd omgeven was.Vlak bij den ingang der baai strekte zich de stad Rio Janeiro in een langwerpig vierkant van het noordoosten naar het zuidwesten op eene landtong uit, die in haar zuidelijk gedeelte met het vasteland verbonden was. Die landtong was zeer heuvelachtig, en het was tegen de hellingen dier heuvels dat de stad zich verhief, en zoo onzen reizigers een uitermate betooverend en schilderachtig gezicht opleverde, waaraan zij zich, na gedurende zoo langen tijd niets dan water en lucht gezien te hebben, niet verzadigen konden.DeFernandina Maria Emma, door een sleepbootje geholpen,[280]dewijl de wind in die baai de zeilen geheel ontvloden was, gleed nu het Ilha Villegagnon voorbij, ten noorden waarvan zich de ankerplaats deroorlogsschepenuitstrekte, daarna de Cathabouco punt, eene rotsachtige kaap, die zich hoog verhief, en ver in zee uitstrekte. Om die kaap, waarop het signaal-station en het observatorium zich verhieven, groepeerde zich als het ware de geheele stad. Het fregat stevende steeds voort zuiver noordwaarts op. Toen ’t het Ilha das Cobras dwars had, wendde het westwaarts en liet ten noordwesten van dat eiland gekomen, het anker op de reede voor de koopvaardijschepen vallen.60Toen het anker in den grond zat, kwam een dokter met de haven-politie aan boord. DeFernandina Maria Emmakwam evenwel uit Europa en had geene besmettelijke ziektegevallen aan boord: zoodat het verlof om naar den wal te gaan weldra verleend was. Een paar sloepen waren weldra gestreken en gereed om te vertrekken.„Wie wil medegaan?” vroeg kapitein Butteling aan zijne passagiers.„Ik blijf aan boord,” sprak kapitein Van Dam, „en verzoek luitenant Denniston dit insgelijks te doen.”„Waarom zoudt gij aan boord blijven?” vroeg de heer Groenewald.„Het is mogelijk,” antwoordde de officier, „dat iedere gisting onder het detachement verdwenen is; maar het kan ook wel niet zoo zijn. Straks zal het fregat door allerhande vaartuigjes omringd zijn om vruchten en andere versnaperingen, alsook kramerijen te verkoopen. Ik wensch zelf het toezicht te houden om desertie te voorkomen. De gelegenheid daartoe is te aanlokkelijk.”De overige kajuitspassagiers maakten gebruik van het aanbod van kapitein Butteling. Zelfs de dames[281]Groenewald stapten in, en namen plaats onder de zonnetent der sloep om eenige uren aan den wal door te brengen. Mevrouw Groenewald had haren echtgenoot nog afgezonden om aan kapitein Van Dam verlof voor de sergeanten Brinkman en Riethoven te vragen om mede naar den wal te gaan.„Dat moet ik u tot mijn leedwezen weigeren,” sprak de officier. „Zoo’n gunstbetoon zou te veel naijver, misschien wel nijd opwekken. Ik heb bovendien die jongelieden, van wier toewijding ik mij overtuigd houd, hoogst noodig bij het toezicht dat, zoolang wij hier in die baai zijn, gehouden moet worden. Het spijt mij, maar ik kan onmogelijk anders handelen.”De boot stak af, en de beide jongelieden zagen haar niet zonder teleurstelling verwijderen. Vooral Frank had zoo gaarne dat tochtje medegemaakt. Maar hij had zelfs niet lang tijd om die boot met haren lieven last na te turen. In weinige oogenblikken was deFernandina Maria Emmadoor eene ware vloot van vaartuigen omringd, welker opvarenden allen om het hardst kakelden, schreeuwden en verzochten om aan boord te mogen komen, ten einde hunne waren aan den man te brengen. Zoowel de stuurlieden als de officieren en onderofficieren hadden de handen vol om de orde te bewaren, en om te verhoeden, zoowel dat verboden waren, zooals dronkenmakende palmwijn,61aan boord gebracht werden, als dat manschappen, zich door middel der vaartuigen heimelijk zouden kunnen verwijderen. Alles liep evenwel in de beste orde af; maar de opzichthebbenden waren blij, toen de avond gevallen was en die venters verdwenen waren.Het was ongeveer tien uur des avonds, toen kapitein Butteling met zijne passagiers aan boord terug was. Hij was, wat het voornaamste gedeelte zijner zending naar[282]den wal betrof, geslaagd, namelijk: om eene goede portie ijs machtig te worden. In de sloep had hij reeds een paar kisten medegebracht, kristalheldere blokken, zorgvuldig in houtzaagsel bewaard; zoodat de beide geneesheeren al dadelijk hunne patiënten konden verzorgen. Den volgenden morgen zoude meer aangebracht worden.Maar de waardige kapitein had nog voor andere zaken gezorgd. Sedert deFernandina Maria Emmahet Nieuwediep verlaten had, hadden èn de equipage, èn het detachement troepen, èn de passagiers zich moeten vergenoegen met den zoogenaamden scheepskost, en waren erwtensoep, bruine boonen, grauwe erwten, met gezouten vleesch en gerookt spek schering en inslag van het dagelijksch menu. Wel is waar, werd door den kok daarin zooveel mogelijk voor de kajuitspassagiers afwisseling gebracht door groenten- en vleesch-blikken te verstrekken; ook werden wekelijks of een varken of eenige kippen of ganzen geslacht; maar dat kon weinig verlokken: de verduurzaamde levensmiddelen waren zoo zacht, alsof zij reeds eenmaal de bewerking der masticatie ondergaan hadden; en als men het arme gevogelte met zijne vuile overeindstaande veeren in de kippenhokken aan het dek maar bekeek, dan behoorde er moed toe om later, bij de herinnering aan dat gezicht, een kippenboutje, dat eigenlijk niets anders was dan wat vel over een beentje getrokken, naar den mond te brengen, zoo berooid en teringachtig zagen de arme dieren er uit. Alleen het varkensvleesch had nog steeds genade bij de lekkerbekken gevonden; maar.… de voorraad, door de reeders tot uitrusting van het schip verstrekt, was zoo zuinig geweest, dat toen het fregat de baai van Rio Janeiro instevende er zich nog maar één varken aan boord bevond. Dat was buitengewoon groot en vet geworden, en was bestemd om op een feestdag, zooals Sint Nikolaas-[283]of Nieuwjaarsdag een lekkeren beet te verschaffen. Een algemeen gejuich ging dan ook op, toen kapitein Butteling mededeelde, dat hij er in geslaagd was een viertal flinke ossen, waarvan een den volgenden morgen nog aan wal zou geslacht worden, een zestal varkens, eene menigte gezonde kippen en eenden machtig te worden; terwijl hij tevens eene groote hoeveelheid aardappelen en groenten had aangekocht, zoodat vooreerst in het menu eenige afwisseling kon gebracht worden.De dames en de passagiers, die aan wal geweest waren, gevoelden zich geducht vermoeid; geen wonder dus dat die zich zoo spoedig mogelijk ter ruste begaven. Kapitein Van Dam liep pruttelend het achterdek op en neer, omdat hij zijn gewoon quadrille-partijtje miste.Den volgenden morgen stond kapitein Butteling al vroeg te trappelen van ongeduld. Hij stond met zijn kijker naar de Praia de Vallongo, de aanlegplaats der sloepen van de koopvaardijschepen, die op de reede lagen, te turen, of de booten, die het ijs, het slachtvee en verdere levensmiddelen aan boord moesten brengen, nog niet opdaagden. Hij had zoo aanbevolen, dat die vaartuigen reeds bij zonsopgang langs zij van het fregat moesten liggen. En kijk, daar steeg de dagvorstin reeds boven den oostelijken bergnok en nog was van de booten niets te zien.Het werd zeven uur, het werd acht; toen eerst zag men eene kleine vlet naar boord stevenen. Toen die iets later het fregat op zij gekomen was, werd den kapitein medegedeeld, dat eene vertraging in de toezending èn van het slachtvee èn van de groenten, die uit de binnenlanden moesten aangevoerd worden, niet toeliet, dat het bestelde dien dag aan boord zoude gebracht kunnen worden; maar dat het stellig den volgenden ochtend zoo vroeg mogelijk bezorgd zoude zijn. Of kapitein Butteling[284]zich ook al boos maakte, of hij ook al met den voet stampte; het hielp hem niets. Er bleef niets anders over dan geduld te oefenen.De passagiers evenwel juichten. Al ras omringden zij den scheepsgezagvoerder en verzochten hem de sloepen andermaal ter hunner beschikking te willen stellen, om den dag aan wal te kunnen doorbrengen. Ditmaal zou luitenant Leidermooi kapitein Van Dam aan boord gezelschap houden, ten einde hem te helpen orde en tucht onder het detachement te bewaren. Wel deden de meeste passagiers veel moeite om den detachements-kommandant over te halen, hen ditmaal bij hun uitstapje te volgen; wel bood kapitein Butteling aan, hem in allen deele bij het toezicht te vervangen en het dek geen oogenblik te verlaten; de waardige krijgsman weigerde gladweg.„De duivel zit altijd om een hoekje te gluren,” antwoordde hij met een glimlach, „om iemand een kool te stoven, als hij er het minst op verdacht is. Er moesten eens wanordelijkheden tengevolge van dronkenschap voorkomen, of er moesten een paar van mijne snuiters drossen! Niet alleen dat ik mij zwaar bij het Militair Departement te Batavia te verantwoorden zoude hebben, wegens het finantieele nadeel, dat het lieve vaderland zoude lijden; maar ik zou hetmijzelvenniet vergeven.”„Toe kapitein!” smeekten de jonge dames.„Lieve dames, ik ben stijfhoofdig als een oud muildier. Laat af, wat ik u bidden mag. Eens en vooral, ik blijf aan boord!” kregen zij ten antwoord.Bij zoo’n plichtsopvatting hielp geen verder aandringen. De sloepen staken af en legden na een korten overtocht aan de Praia de Vallongo aan. De opvarenden waren spoedig aan wal gestapt, en verdwenen weldra te midden der bonte menigte, die op die kade wemelde, voor de naoogenden aan boord.[285]Het was ruim elf uur des avonds, toen de pierewaaiers weer aan boord terug waren.Den volgenden morgen waren een viertal vaartuigen al heel vroeg met het verlangde op zijde, en werd de overlading bewerkstelligd, waarbij met de slachtossen al heel weinig omslag gemaakt werd. Er werd hun eenvoudig een strik om de horens geslagen, waarin een haak greep, die aan eene lijn vastgemaakt was, welke door een blok aan het einde van de groote ra geschoren was. Of de arme dieren ook al spartelden en tegenstribbelden, weldra hingen zij aan hunne horens in de lucht te zweven en waren nog niet van hunne ontsteltenis bekomen, toen de lijn gevierd werd en zij op het dek neerkwamen. Met de varkens ging het gemakkelijker, die zaten in manden opgesloten en werden zoo naar boven geheschen.Het was ongeveer half acht toen de overlading geëindigd was. Eene kleine sleepboot, de „Esperanza”, kwam toen op zijde, nam de sleeptrossen over, terwijl de equipage van het fregat, geholpen door een aantal soldaten, in het gangspil liep om het anker te winden. Eindelijk liet dat uit den zanderigen bodem los, en begonnen de raderen van de „Esperanza” zich in beweging te stellen. DeFernandina Maria Emmaaldus gesleept, stevende terwijl hare zeilen losgeworpen werden, de baai door, op den ingang toe, wisselde met het fort Santa Cruz den gebruikelijken groet en was weldra in volle zee. De zeilen werden vierkant gebrast, de sleeptrossen losgegooid, waarna het fregat koers naar het zuidoosten zette.Maar het fregat trof het wel. In den regel staat in deze streken de passaatwind, wanneer de zon zich in hare baan bezuiden den Evenaar bevindt, tot bij den Steenbokskeerkring en soms zuidelijker daarvan door.[286]Daarna hebben de zeevarenden gewoonlijk een gordel te doorworstelen, waarin meestal stilten of veranderlijke winden heerschen. Bij het uitkomen van de baai van Rio Janeiro trof deFernandina Maria Emmaeen noorden wind aan, die vrij sterk doorstond en het schip negen mijlen in de wacht deed afleggen.„Als dat zoo treft,” zei kapitein Butteling met een glimlach van tevredenheid, „dan zullen wij die vier dagen verlies, die wij buiten den koers geweest zijn, spoedig ingehaald hebben, en betreur ik die vertraging niet.”Neen, die vertraging was niet te betreuren. Vooreerst toch was er dadelijk bij de gekwetsten, door de aanwending van ijs op hunne wonden, eene zoodanige gunstige verandering waar te nemen, dat dokter Hannius verzekerde, hij den volgenden morgen er toe zou kunnen overgaan om de kogels uit te halen, waarna spoedig genezing zou volgen. Dan waren de approviandeering van versch vleesch en de bergen aardappelen, koolen, jams, peenen, knolrapen, uien, kalebassen, enz. enz., die te Rio Janeiro ingekocht waren, met het oog op den gezondheidstoestand der opvarenden, niet genoeg te waardeeren. Wat al dadelijk een glans van vergenoegen op ieders gelaat te voorschijn deed komen, was de heerlijke lucht, die zich over het dek verspreidde, van debeefsteak, die zich de kok in zijne kombuis beijverde klaar te maken voor den lunch van de passagiers achteruit; terwijl de manschappen van het detachement, in weerwil dat het zondag was, onder het zingen van een vroolijk lied bezig waren de aardappelen te jassen, die straks, met de noodige knolrapen er bij gekookt, een heerlijke ratjetoe zouden opleveren; maar voorafgegaan zouden worden door een ration lekkere soep, waartoe ruim het vierde gedeelte van een geheelen os gebruikt werd.[287]

Wel was het donker dien avond geweest; toch waren de gevoelens, die hare dochters bewogen hadden, mevrouw Groenewald als liefderijke moeder niet ontsnapt.

„Ik geloof, dat Adelien en Frank het met elkander eens zijn,” sprak zij zacht, toen zij des avonds met haren echtvriend in hunne gemeenschappelijke hut alleen waren.

„Wat brengt u op dat vermoeden?” vroeg de heer Groenewald.

Zijne echtgenoote vertelde hem de bijzonderheden, die zij waargenomen had.

„Het alles geschiedde, zoo ongezocht, zoo onverwacht van beide zijden, dat al had ik er mij tegen willen verzetten, ik dat onmogelijk had kunnen doen.”

„Maar, gaat dat niet wat al te voorspoedig?”

„Hoe meent ge dat?”

„Wel, dat wij den jongman nog zoo weinig kennen.”

„Gij hebt kapitein Van Dam toch geraadpleegd?”

„Voorzeker; alle inlichtingen zijn gunstig. Maar, ik kon den kapitein toch niet zeggen, waarom ik die inlichtingen vroeg. Ik liet alleen doorschemeren, dat ik van zins was, die twee jongelieden voor te stellen op mijne koffie-ondernemingen werkzaam gesteld te worden.[269]Nu kan een goed, degelijk opzichter of, als ge wilt, zelfs een goed administrateur, een afschuwelijk echtgenoot voor een onzer kinderen zijn. Hier kunnen geen inlichtingen van kapitein Van Dam helpen.”

„Als we slechts overtuigd zijn, dat wij met een eerlijken, onbesproken borst te doen hebben, dan dienen wij het overige, evenals bij alle huwelijken, eenigermate aan het toeval over te laten. Zijt ge dat met mij eens?”

„Ja, volkomen. En toch is er iets, wat mij in die zaak hindert. Zoo’n onderofficier.… zal daar het geheele publiek der Vorstenlanden den neus niet tegen ophalen?”

„O! wringt de schoen daar, manlief? Gij zoudt immers die jongelieden eerst op een uwer landelijke ondernemingen nemen, ten einde hen te bekwamen, nietwaar? Welnu, dan is het de sergeant niet meer, die de hand onzer dochter erlangt, maar de administrateur of wel uw deelgenoot in uwe zaken. Als daarvoor de neus opgetrokken moest worden, dan deed voorzeker de eene helft der Vorstenlanden het tegen de andere. Daarenboven, wat zou ons dat kunnen schelen? Zijn wij de dienaren van het publiek? Hebben wij iemand naar de oogen te zien? Neen, nietwaar? Wij hebben slechts één doel, dat is het geluk onzer kinderen te bevorderen. Ik meen, dat dit bereikt wordt, wanneer wij haar in de keuze van een echtgenoot zoodanig leiden, dat haar levensgezel een onbesproken en degelijk ontwikkeld man is, met een gezond lichaam en eene zachtzinnige maar toch flinke geaardheid. Daarin—dat zult gij mij moeten toegeven—zijn al de gegevens vereenigd, die, voor zoover een mensch dat berekenen kan, het geluk onzer kinderen kunnen bevorderen, wanneer wederzijdsche liefde eene verbintenis onder dergelijke voorteekenen gesloten, bezegelt.”[270]

„Goed verdedigd! vrouwlief,” antwoordde de heer Groenewald. „Ik ben het in beginsel geheel met u eens. Mij dunkt evenwel, dat wij den gang van zaken eenigermate remmen moeten. Wij weten nog zoo weinig van de denkbeelden dier jonge mannen. Wij kunnen nu wel plannen ontwerpen; het is nog de vraag of zij zich daarnaar schikken willen. En, om mijne kinderen met officieren te laten huwen, daartegen zou ik erg opzien.”

„Ik ook. Dat eeuwig heen en weer trekken, waaraan niet alleen die heeren, maar ook de ambtenaren in Indië voortdurend blootstaan, zou mij zeer tegenstaan. Ik zou aan mijne lievelingen niets meer hebben; want er zouden jaren kunnen voorbijgaan, dat ik ze niet zag. Neen, dat zou verschrikkelijk wezen!”

„Maar … gij hebt mij wel van Adelien verteld,” vroeg de heer Groenewald; „gij zwijgt evenwel over Emma?”

„Daaromtrent kan ik weinig of niets mededeelen. De sergeant Riethoven is van een meer teruggetrokken karakter dan zijn vriend. Maar.… ik vraag u, zou een jongman weerstand kunnen bieden aan eene schoonheid als onze Emma is. Neen, laat die zaak haren gang gaan, die zal ook wel te recht komen. Ik zal mijne beide kinderen gelukkig zien,” sprak de liefhebbende moeder geestdriftvol. „Ik heb mij dat in het hoofd gezet.”

„En als mamaatje zich iets in het hoofd gezet heeft, dan moet het gebeuren, nietwaar?Ce que femme veut, Dieu le veut. Ainsi soit-il!Maar, ik zal toch eenigermate het terrein moeten polsen bij die jongelieden?”

„Juist, manlief.”

„Ik zal daartoe de eerste de beste gelegenheid waarnemen, en dan moet mijne meening gevestigd zijn.”

Na dat besluit legden beide ouders zich te rusten, en droomden bij het zacht wiegelen van het fregat op de kabbelende golven van het geluk hunner lieve kinderen.[271]

DeFernandina Maria Emmavervolgde flink hare reis. Het is waar, de zuidoostpassaat blies flink door, en statig onder hare zeilen stevende het fregat nagenoeg evenwijdig aan de kust van Zuid-Amerika, evenwel op zoo’n afstand, dat van dat werelddeel niets te ontwaren was.

Zooals kapitein Butteling voorspeld had, waren den volgenden dag geheele zwermen vliegende visschen te ontwaren. Met troepen van honderden verhieven zij zich uit het zilte water, beschreven een flauwen boog, welks hoogste punt soms zes meter bereikte, en legden gewoonlijk een afstand af van 100 tot 130 meter. Het was een eigenaardig schouwspel, die zwermen glinsterende visschen uit de zee te zien opduiken, een poos in het zonlicht te zien schitteren, en hen dan weer in het blauwe water te zien verdwijnen. Meestal schoten zij uit een hoogen deininggolf te voorschijn, zweefden over een tweeden, een derden en boorden in een volgenden, om een oogenblik later hetzelfde verrukkelijke spel weer te vervolgen. Soms was de hellingshoek, waaronder de visschen uit het water sprongen, te flauw; dan schoten zij van den eenen deininggolf in den anderen, doorboorden dezen laatsten, kwamen weer te voorschijn om een tweeden, een derden, een vierden, enz. door te zwemmen, totdat door den afstand hunne verdere bewegingen aan het oog onttrokken werden.

„Schieten die visschen uit het water om lucht te scheppen of om insecten of zoo iets te vangen?” vroegen de jonge dames aan stuurman Abels.

„Het mocht wat,” antwoordde deze. „Of ze lucht happen, weet ik niet; maar insecten zijn hier niet te vangen. Neen, zij trachten zoo hunne vijanden: de makreelen, de bonieten, de doraden58en zooveel anderen uit den weg te komen. Het is in den volsten zin des woords de doodsangst, die hun vleugelen verleent. Als[272]zij uit het water springen, spannen zij eenvoudig hunne zeer ontwikkelde borst- en buikvinnen, die evenwel onbewegelijk blijven, en waarmede zij niet slaan, zooals de vogels doen. Zij kunnen zich zoo eenigen tijd zwevende houden, maar daarbij niet van richting veranderen; zoodat zij veelal hunne belagers, die die omstandigheid zeer goed kennen, in den mond vallen, wanneer hunne droog geworden vinnen hen noodzaken in het water terug te keeren.”

„Kijk eens, kijk eens!” riep Adelien, „hoe hoog die daar vliegen.”

„Dat zijn hoogvliegers!” antwoordde de stuurman lachende. „Drommels! zij worden flink nagezeten. Ik wou dat er ettelijke aan boord kwamen. Zoo’n visch is een lekker hapje.”

En alsof een gedienstige geest den wensch van den stuurman verhoorde; daar verhief zich een zwerm op een kleinen afstand van het voorschip, schoor er overheen, waarbij een groot gedeelte evenwel tegen het touwwerk en de bolle zeilen aankwam, en in zee terugviel. Een twaalftal kwam echter binnen boord terecht, waar zij spoedig door de soldaten en door janmaat buit gemaakt werden.

Behren en Hannius spoedden naar voren om een paar exemplaren machtig te worden, ten einde die inliquorte bewaren. Eene tweede school streek evenwel een oogenblik later over het achterschip heen. Deze leed bij die manoeuvre meer verliezen, daar een groot dertigtal tegen de verschansing aan lij en bijgevolg op het dek terecht kwam. Ieder sprong toe, en een oogenblik later stonden al de heeren met een of twee visschen in de hand.

„Kom, dokter Hannius,” sprak kapitein Van Dam, „de gelegenheid is te mooi, om niet van wal te steken met eene mooie verhandeling over die vlinders onder de visschen.”[273]

„Ich bin entomoloog, Herr Kapitein, nicht ichthyoloog,” antwoordde de Germaan in zijn koeterhollandsch. „Aber ik wil mitdeelen, was ik weisz.”

„Vooruit dan maar!”

„De fliegende Fische gehooren tot het geslecht, Exocoetus genannt; zij zijn parentirt an die Scomberesoces aus die afdeeling der Pharyngognati.…”

De dames konden bij die barbaarsche namen een ongelukkige beweging van de onderkaak niet bedwingen.

„Poeah!” riep kapitein Van Dam uit. „Wat een heksenmoes! Gooi dat maar in je kwartiermuts, en laat het je oppasser straks uitzoeken.”

Allen lachten.

„Aber, ik weisz niks meer.”

„Dan zal ik er nog wat bijvoegen,” zei Behren.

„Maar geen latijn, apotheker,” zei kapitein Van Dam, „anders stuur ik je naar je hut. Ik mag de lieve dames niet aan een tweeden geeuwaanval blootstellen.”

„De vliegende visch gelijkt veel op een haring,” ging Behrtje voort, „maar is meer gedrongen van lichaamsbouw en heeft sterk ontwikkelde borst-, buik- en staartvinnen. Deze laatste is, zooals gij zien kunt, diep ingesneden. Hij heeft kleine tanden, maar groote oogen, gemakkelijk loslatende schubben en eene zeer groote zwemblaas. Er bestaan ongeveer dertig soorten van, waarvan de Exo.…”

Een luidruchtig en algemeen gegeeuw onderbrak den apotheker.

„Pas op, Behrtje! Niks van Exodus. Je bent niet aan het preeken, man. Je weet, wat ik je gezegd heb,” dreigde kapitein Van Dam.

„Waarvan de hoogvliegers59de meest bekende soort zijn. Deze worden ongeveer 50 Ned. duim lang, zijn op den rug hemelsblauw en hebben een zilverwitten buik.[274]Volgens de fijnproevers is deze visch een lekker hapje, dat door de menschelijke bewoners van de kusten van Zuid-Amerika met graagte gesmuld wordt. Ziedaar dames en heeren, wat ik er van weet. Ik ben zeer benieuwd of de roem omtrent de fijnheid van dezen visch niet overdreven is, en daarom ga ik een gedeelte van mijn aandeel—ik heb vier stuks—bij den kok brengen. Ik hoop dat mijn voorbeeld navolging zal vinden.”

Een hoerrah beantwoordde dat voorstel, en toen het middagbestek opgemaakt was, was het gewone menu van de lunch, dat gewoonlijk uit lapskous bestond, met een flinken schotel lekker gebraden vliegende visschen verrijkt. Allen betuigden dat die visch overheerlijk was, en uitten den wensch, dat nog eene school aan boord mocht komen.

Helaas! die wensch zou niet verhoord worden. Wel kwam later in den Indischen Oceaan nog wel een enkele visch aan boord; maar geen scholen om wat versnapering bij of afwisseling van de lapskous te brengen.

Den 17enNovember had het middagbestek aangegeven dat deFernandina Maria Emmazich op 20° 36′ zuiderbreedte en op 33° 13′ westerlengte bevond. Dien dag hadden dokter Hannius en dokter Van Pinksteren eene samenkomst met den scheepsgezagvoerder en den kapitein Van Dam verzocht. De toestand der gekwetsten vorderde andere zorgen, dan hun tot nu toe gewijd hadden kunnen worden. Het lijnkoekenpanaceum van den scheepsdokter was onvoldoende gebleken bij de hardnekkige wondkoortsen, die zich geopenbaard hadden, toen dokter Hannius, hoe knap heelmeester hij ook geroemd werd, er niet in geslaagd was de kogels te verwijderen. Een hevige, roosachtige ontsteking was spoedig na het peilen der wonden ingetreden, en bracht het leven der gekwetsten in groot gevaar. De geneesheeren verklaarden[275]dat het meest ernstige te vreezen stond, wanneer de wonden niet met ijs, als het beste ontstekingwerend middel, behandeld konden worden.

De beide kapiteins keken elkander aan.

„Als er mogelijkheid toe bestaat,” meende kapitein Van Dam, „dan valt niet te aarzelen.”

„Mogelijkheid! mogelijkheid!” zei kapitein Butteling, „mogelijkheid is er altijd, waar wij ons thans bevinden. Maar het gaat ons nog al vertraging berokkenen.”

En zijn kaarten grijpende, wees hij met den vinger daarop.

„Naar Bahia afhouden, dat op den 12dengraad zuiderbreedte ligt, zou op onze schreden terugkeeren zijn. Daarenboven ben ik er niet zeker van, dat wij daar ijs zullen kunnen bekomen. Rio Janeiro ligt op 23° zuiderbreedte en ongeveer.… laat zien.… op 43° westerlengte. Welnu, wij zullen maar niet lang beraadslagen; als de heeren geneeskundigen mij op schrift willen geven dat er urgentie bestaat, dan liggen wij binnen het kwartier zuidwest ten westen voor en dan loopen wij, als de bries zoo blijft, morgen avond kaap Frio in het gezicht. Ik heb die verklaring noodig ter mijner verantwoording, zoowel bij mijne reeders als bij de assuradeuren, bij mogelijke averij.”

Het gevraagde stuk werd dadelijk gegeven. Al zeer spoedig daarop was de equipage bezig met de zeilen iets meer vierkant te brassen en stevende deFernandina Maria Emmahet Amerikaansche vasteland te gemoet.

Kapitein Butteling’s voorspelling kwam uit. Bij het middagbestek op den 18denNovember stond het fregat op 22° 17′ noorderbreedte en op 37° 4′ westerlengte. De zuidoost-passaat blies goed door en bleef goed doorstaan. Toen dan ook daags daarna de dageraad aan de oosterkim gloorde, riep de matroos, die op uitkijk op de mars van den fokkemast zat:[276]

„Land! stuurboord vooruit!”

Dat was eene heugelijke tijding. Sedert de reizigers de piek van Teneriffe aan de kim hadden zien verdwijnen—nu volle een en twintig dagen geleden—hadden zij geen anderen gezichteinder gehad, dan die onbestemde lijn, waar lucht en water elkander schenen aan te raken. Allen aan boord, zelfs de matrozen, liepen naar de verschansing en keken begeerig uit. En ja, in de aangewezen richting werd laag bij den horizon eene blauwe lijn ontwaard, die even goed den omtrek eener wolk als den omtrek van land kon aangeven. De onervarene was zelfs geneigd, bij het ijle van het beeld, hetwelk zich daar in het west ten zuiden vertoonde, dit voor eene nevelbank te houden. Maar een zeeman kon zich onmogelijk vergissen.

Die lijn naderde, naderde. Zij verhief zich al meer en meer boven den horizon. Toen de klok zes glazen (zeven uur) sloeg, was het fregat al zoover genaderd, dat daar ginds een dubbele bergketen te onderscheiden was. De massa, die zich voor het oog voordeed, was door alle schakeeringen van het blauw gegaan en vertoonde nu die loodkleurige, sombere tint, hetwelk eenig berglandschap, op een zekeren afstand van uit zee gezien, gewoonlijk aanneemt. Hier en daar begonnen zich evenwel lichtstreepen in die donkere massa te vertoonen, welke veroorzaakt werden door de zonnestralen, die de ribben en andere uitspringende gedeelten, met haar licht overgoten. De nokrand van dat gebergte was zeer gekarteld, en verhief zich in verscheidene toppen, die zich scherp tegen de blauwe lucht afteekenden. Aan den voet van het gebergte werd eene strook laag land ontwaard, die zich in zee uitstrekte.

„Hoe zouden die beide bergketenen, die daar evenwijdig loopen, heeten?” vroeg een der passagiers aan[277]kapitein Butteling, die met zijn kijker den blik over de zeeoppervlakte liet waren.

„Ik ben hier nimmer geweest,” antwoordde de kapitein. „Maar mijne kaarten zeggen mij, dat die voorste Sierra do Mar en de achterste Sierra Mantiqueira heet. Die eene top daar in het west ten noorden heet Hatiajossu en is ruim 8664 voet of 2712 M. hoog.”

„Een zeil!” riep de uitkijk.

„Waar?” vroeg kapitein Butteling door zijn scheepsroeper.

„Stuurboord dwars!” klonk het uit den fokkemast.

Alle kijkers werden in de aangeduide richting gekeerd. Aller oogen peilden en doorzochten den horizon en jawel, daar bij die vooruitstekende punt verscheen een klein scheepje op de oppervlakte van den oceaan, dat zeer scherp bij den wind zeilde. Het was slechts een wit stipje dat ontwaard werd.

„De loodsvlag in top,” kommandeerde kapitein Butteling, „en vierkant brassen!”

Het fregat maakte eene wending en liep nu nagenoeg noordwest op, vlak op den wal toe. Het sloeg juist twee glazen, negen uur, toen de loods aan boord stapte.

Het schip was door die beweging kaap Frio veel naderbij gekomen. Het landschap begon vorm aan te nemen. Hier en daar werden te midden van het groen, dat zich nu langzamerhand uit den loodkleurigen band ontwikkelde, glinsterend witte stippen ontwaard, die de aanwezigheid van huizen verrieden. DeFernandina Maria Emmanaderde nog meer. Zij was de lage kaap Frio reeds te boven. De bergwanden begonnen hunne blauwe kleur te verliezen en tooiden zich in het heerlijkste groen. Zij naderden, naderden, en eindelijk openbaarde zich daar voor den bewonderenden blik der opvarenden een schouwspel van ongemeene pracht. Een bergwand[278]rees met zachte hellingen uit zee op. Het was alsof hij een muur daarstelde en het fregat toeriep: Tot hier en niet verder. Maar, weldra kwam er eene opening in dien muur. Het was, terwijl het schip voortgleed, alsof eene onmetelijke gordijn opengeschoven werd. Eerst traden eenige heuvelachtige eilandjes op den voorgrond. Het waren voornamelijk aan stuurboord de eilandjes May en Pay, die als eene voortzetting van de Taypoepunt te beschouwen waren, en aan bakboord de eilandjes Raza, Radonda, Comprida en eene menigte kleinere. Daarna kreeg deFernandina Maria Emmaden ingang der fraaiste baai van de wereld voor zich. De loods wendde zich tot kapitein Butteling en fluisterde hem iets in het oor.

„Grootzeil, bezaan en fok geien!” klonk het kommando.

In een oogwenk waren alle hens bedrijvig. Zij waren ter nauwernood klaar:

„Bagijnezeil, groot- en voormarszeil geien!” klonk het andermaal.

Het fregat temperde merkbaar zijn vaart. Het voerde nog maar het kruiszeil, het grietje, het grootbramzeil en grootbovenbramzeil, het voorbramzeil en voorbovenbramzeil en den kluiver. Thans schoot het, terwijl het ’t eiland Contoendoeboe voorbijstevende, den ingang der baai in, die zich voor het vaartuig geheel opende, slechts 700 M. breed was en door twee naakte granietrotsen, de Pao de Açucar, bij de Engelschen Sugar Loaf geheeten, en den Pico Santa Cruz begrensd werd. Het was een grootsch en verheven schouwspel, dat zich nu voor de oogen onzer reizigers voordeed. De beide granietrotsen, waartusschen het fregat doorstevende, waren de eerste 1270 en de andere 749 voet hoog boven den spiegel der zee, en vormden eene soort van poort, waardoor de blauwe wateren van den Atlantischen Oceaan toegang verkregen. Bij het binnenkomen werd het[279]oog achter den Pao de Açucar eene kleine baai gewaar, Praia de San Joao genaamd, die door eene landtong gevormd werd, welke zich naar den Pico de Santa Cruz boog, en het nauwste gedeelte der poort vormde. Op een heuvelrug, die de kleine baai omzoomde, verhief zich het fort of beter de batterij San Juan, die, met het fort Santa Cruz, hetwelk aan den voet van de piek van denzelfden naam gelegen was, den toegang tot die poort bij vijandelijke aanranding moest verdedigen; terwijl nog in de baai de forten Villegagnon en Cobras op de eilandjes van denzelfden naam gebouwd, het eerste ten zuidoosten en het tweede ten noordoosten op een kleinen afstand van Rio Janeiro gelegen, tot eene krachtige verdediging konden medewerken.

Bij het binnenkomen deed de baai zich voor het oog nagenoeg peervormig voor en mat over hare lengteas ongeveer 30 en over hare grootste breedte 22 Ned. mijlen en was met liefelijke eilandjes bezaaid, waarvan het Ilha do Governador het grootste was; terwijl de baai met haar blauw water diep landwaarts indringende, van alle kanten door terrasgewijs opklimmend gebergte als door een verheven gekartelden band van smaragd omgeven was.

Vlak bij den ingang der baai strekte zich de stad Rio Janeiro in een langwerpig vierkant van het noordoosten naar het zuidwesten op eene landtong uit, die in haar zuidelijk gedeelte met het vasteland verbonden was. Die landtong was zeer heuvelachtig, en het was tegen de hellingen dier heuvels dat de stad zich verhief, en zoo onzen reizigers een uitermate betooverend en schilderachtig gezicht opleverde, waaraan zij zich, na gedurende zoo langen tijd niets dan water en lucht gezien te hebben, niet verzadigen konden.

DeFernandina Maria Emma, door een sleepbootje geholpen,[280]dewijl de wind in die baai de zeilen geheel ontvloden was, gleed nu het Ilha Villegagnon voorbij, ten noorden waarvan zich de ankerplaats deroorlogsschepenuitstrekte, daarna de Cathabouco punt, eene rotsachtige kaap, die zich hoog verhief, en ver in zee uitstrekte. Om die kaap, waarop het signaal-station en het observatorium zich verhieven, groepeerde zich als het ware de geheele stad. Het fregat stevende steeds voort zuiver noordwaarts op. Toen ’t het Ilha das Cobras dwars had, wendde het westwaarts en liet ten noordwesten van dat eiland gekomen, het anker op de reede voor de koopvaardijschepen vallen.60

Toen het anker in den grond zat, kwam een dokter met de haven-politie aan boord. DeFernandina Maria Emmakwam evenwel uit Europa en had geene besmettelijke ziektegevallen aan boord: zoodat het verlof om naar den wal te gaan weldra verleend was. Een paar sloepen waren weldra gestreken en gereed om te vertrekken.

„Wie wil medegaan?” vroeg kapitein Butteling aan zijne passagiers.

„Ik blijf aan boord,” sprak kapitein Van Dam, „en verzoek luitenant Denniston dit insgelijks te doen.”

„Waarom zoudt gij aan boord blijven?” vroeg de heer Groenewald.

„Het is mogelijk,” antwoordde de officier, „dat iedere gisting onder het detachement verdwenen is; maar het kan ook wel niet zoo zijn. Straks zal het fregat door allerhande vaartuigjes omringd zijn om vruchten en andere versnaperingen, alsook kramerijen te verkoopen. Ik wensch zelf het toezicht te houden om desertie te voorkomen. De gelegenheid daartoe is te aanlokkelijk.”

De overige kajuitspassagiers maakten gebruik van het aanbod van kapitein Butteling. Zelfs de dames[281]Groenewald stapten in, en namen plaats onder de zonnetent der sloep om eenige uren aan den wal door te brengen. Mevrouw Groenewald had haren echtgenoot nog afgezonden om aan kapitein Van Dam verlof voor de sergeanten Brinkman en Riethoven te vragen om mede naar den wal te gaan.

„Dat moet ik u tot mijn leedwezen weigeren,” sprak de officier. „Zoo’n gunstbetoon zou te veel naijver, misschien wel nijd opwekken. Ik heb bovendien die jongelieden, van wier toewijding ik mij overtuigd houd, hoogst noodig bij het toezicht dat, zoolang wij hier in die baai zijn, gehouden moet worden. Het spijt mij, maar ik kan onmogelijk anders handelen.”

De boot stak af, en de beide jongelieden zagen haar niet zonder teleurstelling verwijderen. Vooral Frank had zoo gaarne dat tochtje medegemaakt. Maar hij had zelfs niet lang tijd om die boot met haren lieven last na te turen. In weinige oogenblikken was deFernandina Maria Emmadoor eene ware vloot van vaartuigen omringd, welker opvarenden allen om het hardst kakelden, schreeuwden en verzochten om aan boord te mogen komen, ten einde hunne waren aan den man te brengen. Zoowel de stuurlieden als de officieren en onderofficieren hadden de handen vol om de orde te bewaren, en om te verhoeden, zoowel dat verboden waren, zooals dronkenmakende palmwijn,61aan boord gebracht werden, als dat manschappen, zich door middel der vaartuigen heimelijk zouden kunnen verwijderen. Alles liep evenwel in de beste orde af; maar de opzichthebbenden waren blij, toen de avond gevallen was en die venters verdwenen waren.

Het was ongeveer tien uur des avonds, toen kapitein Butteling met zijne passagiers aan boord terug was. Hij was, wat het voornaamste gedeelte zijner zending naar[282]den wal betrof, geslaagd, namelijk: om eene goede portie ijs machtig te worden. In de sloep had hij reeds een paar kisten medegebracht, kristalheldere blokken, zorgvuldig in houtzaagsel bewaard; zoodat de beide geneesheeren al dadelijk hunne patiënten konden verzorgen. Den volgenden morgen zoude meer aangebracht worden.

Maar de waardige kapitein had nog voor andere zaken gezorgd. Sedert deFernandina Maria Emmahet Nieuwediep verlaten had, hadden èn de equipage, èn het detachement troepen, èn de passagiers zich moeten vergenoegen met den zoogenaamden scheepskost, en waren erwtensoep, bruine boonen, grauwe erwten, met gezouten vleesch en gerookt spek schering en inslag van het dagelijksch menu. Wel is waar, werd door den kok daarin zooveel mogelijk voor de kajuitspassagiers afwisseling gebracht door groenten- en vleesch-blikken te verstrekken; ook werden wekelijks of een varken of eenige kippen of ganzen geslacht; maar dat kon weinig verlokken: de verduurzaamde levensmiddelen waren zoo zacht, alsof zij reeds eenmaal de bewerking der masticatie ondergaan hadden; en als men het arme gevogelte met zijne vuile overeindstaande veeren in de kippenhokken aan het dek maar bekeek, dan behoorde er moed toe om later, bij de herinnering aan dat gezicht, een kippenboutje, dat eigenlijk niets anders was dan wat vel over een beentje getrokken, naar den mond te brengen, zoo berooid en teringachtig zagen de arme dieren er uit. Alleen het varkensvleesch had nog steeds genade bij de lekkerbekken gevonden; maar.… de voorraad, door de reeders tot uitrusting van het schip verstrekt, was zoo zuinig geweest, dat toen het fregat de baai van Rio Janeiro instevende er zich nog maar één varken aan boord bevond. Dat was buitengewoon groot en vet geworden, en was bestemd om op een feestdag, zooals Sint Nikolaas-[283]of Nieuwjaarsdag een lekkeren beet te verschaffen. Een algemeen gejuich ging dan ook op, toen kapitein Butteling mededeelde, dat hij er in geslaagd was een viertal flinke ossen, waarvan een den volgenden morgen nog aan wal zou geslacht worden, een zestal varkens, eene menigte gezonde kippen en eenden machtig te worden; terwijl hij tevens eene groote hoeveelheid aardappelen en groenten had aangekocht, zoodat vooreerst in het menu eenige afwisseling kon gebracht worden.

De dames en de passagiers, die aan wal geweest waren, gevoelden zich geducht vermoeid; geen wonder dus dat die zich zoo spoedig mogelijk ter ruste begaven. Kapitein Van Dam liep pruttelend het achterdek op en neer, omdat hij zijn gewoon quadrille-partijtje miste.

Den volgenden morgen stond kapitein Butteling al vroeg te trappelen van ongeduld. Hij stond met zijn kijker naar de Praia de Vallongo, de aanlegplaats der sloepen van de koopvaardijschepen, die op de reede lagen, te turen, of de booten, die het ijs, het slachtvee en verdere levensmiddelen aan boord moesten brengen, nog niet opdaagden. Hij had zoo aanbevolen, dat die vaartuigen reeds bij zonsopgang langs zij van het fregat moesten liggen. En kijk, daar steeg de dagvorstin reeds boven den oostelijken bergnok en nog was van de booten niets te zien.

Het werd zeven uur, het werd acht; toen eerst zag men eene kleine vlet naar boord stevenen. Toen die iets later het fregat op zij gekomen was, werd den kapitein medegedeeld, dat eene vertraging in de toezending èn van het slachtvee èn van de groenten, die uit de binnenlanden moesten aangevoerd worden, niet toeliet, dat het bestelde dien dag aan boord zoude gebracht kunnen worden; maar dat het stellig den volgenden ochtend zoo vroeg mogelijk bezorgd zoude zijn. Of kapitein Butteling[284]zich ook al boos maakte, of hij ook al met den voet stampte; het hielp hem niets. Er bleef niets anders over dan geduld te oefenen.

De passagiers evenwel juichten. Al ras omringden zij den scheepsgezagvoerder en verzochten hem de sloepen andermaal ter hunner beschikking te willen stellen, om den dag aan wal te kunnen doorbrengen. Ditmaal zou luitenant Leidermooi kapitein Van Dam aan boord gezelschap houden, ten einde hem te helpen orde en tucht onder het detachement te bewaren. Wel deden de meeste passagiers veel moeite om den detachements-kommandant over te halen, hen ditmaal bij hun uitstapje te volgen; wel bood kapitein Butteling aan, hem in allen deele bij het toezicht te vervangen en het dek geen oogenblik te verlaten; de waardige krijgsman weigerde gladweg.

„De duivel zit altijd om een hoekje te gluren,” antwoordde hij met een glimlach, „om iemand een kool te stoven, als hij er het minst op verdacht is. Er moesten eens wanordelijkheden tengevolge van dronkenschap voorkomen, of er moesten een paar van mijne snuiters drossen! Niet alleen dat ik mij zwaar bij het Militair Departement te Batavia te verantwoorden zoude hebben, wegens het finantieele nadeel, dat het lieve vaderland zoude lijden; maar ik zou hetmijzelvenniet vergeven.”

„Toe kapitein!” smeekten de jonge dames.

„Lieve dames, ik ben stijfhoofdig als een oud muildier. Laat af, wat ik u bidden mag. Eens en vooral, ik blijf aan boord!” kregen zij ten antwoord.

Bij zoo’n plichtsopvatting hielp geen verder aandringen. De sloepen staken af en legden na een korten overtocht aan de Praia de Vallongo aan. De opvarenden waren spoedig aan wal gestapt, en verdwenen weldra te midden der bonte menigte, die op die kade wemelde, voor de naoogenden aan boord.[285]

Het was ruim elf uur des avonds, toen de pierewaaiers weer aan boord terug waren.

Den volgenden morgen waren een viertal vaartuigen al heel vroeg met het verlangde op zijde, en werd de overlading bewerkstelligd, waarbij met de slachtossen al heel weinig omslag gemaakt werd. Er werd hun eenvoudig een strik om de horens geslagen, waarin een haak greep, die aan eene lijn vastgemaakt was, welke door een blok aan het einde van de groote ra geschoren was. Of de arme dieren ook al spartelden en tegenstribbelden, weldra hingen zij aan hunne horens in de lucht te zweven en waren nog niet van hunne ontsteltenis bekomen, toen de lijn gevierd werd en zij op het dek neerkwamen. Met de varkens ging het gemakkelijker, die zaten in manden opgesloten en werden zoo naar boven geheschen.

Het was ongeveer half acht toen de overlading geëindigd was. Eene kleine sleepboot, de „Esperanza”, kwam toen op zijde, nam de sleeptrossen over, terwijl de equipage van het fregat, geholpen door een aantal soldaten, in het gangspil liep om het anker te winden. Eindelijk liet dat uit den zanderigen bodem los, en begonnen de raderen van de „Esperanza” zich in beweging te stellen. DeFernandina Maria Emmaaldus gesleept, stevende terwijl hare zeilen losgeworpen werden, de baai door, op den ingang toe, wisselde met het fort Santa Cruz den gebruikelijken groet en was weldra in volle zee. De zeilen werden vierkant gebrast, de sleeptrossen losgegooid, waarna het fregat koers naar het zuidoosten zette.

Maar het fregat trof het wel. In den regel staat in deze streken de passaatwind, wanneer de zon zich in hare baan bezuiden den Evenaar bevindt, tot bij den Steenbokskeerkring en soms zuidelijker daarvan door.[286]Daarna hebben de zeevarenden gewoonlijk een gordel te doorworstelen, waarin meestal stilten of veranderlijke winden heerschen. Bij het uitkomen van de baai van Rio Janeiro trof deFernandina Maria Emmaeen noorden wind aan, die vrij sterk doorstond en het schip negen mijlen in de wacht deed afleggen.

„Als dat zoo treft,” zei kapitein Butteling met een glimlach van tevredenheid, „dan zullen wij die vier dagen verlies, die wij buiten den koers geweest zijn, spoedig ingehaald hebben, en betreur ik die vertraging niet.”

Neen, die vertraging was niet te betreuren. Vooreerst toch was er dadelijk bij de gekwetsten, door de aanwending van ijs op hunne wonden, eene zoodanige gunstige verandering waar te nemen, dat dokter Hannius verzekerde, hij den volgenden morgen er toe zou kunnen overgaan om de kogels uit te halen, waarna spoedig genezing zou volgen. Dan waren de approviandeering van versch vleesch en de bergen aardappelen, koolen, jams, peenen, knolrapen, uien, kalebassen, enz. enz., die te Rio Janeiro ingekocht waren, met het oog op den gezondheidstoestand der opvarenden, niet genoeg te waardeeren. Wat al dadelijk een glans van vergenoegen op ieders gelaat te voorschijn deed komen, was de heerlijke lucht, die zich over het dek verspreidde, van debeefsteak, die zich de kok in zijne kombuis beijverde klaar te maken voor den lunch van de passagiers achteruit; terwijl de manschappen van het detachement, in weerwil dat het zondag was, onder het zingen van een vroolijk lied bezig waren de aardappelen te jassen, die straks, met de noodige knolrapen er bij gekookt, een heerlijke ratjetoe zouden opleveren; maar voorafgegaan zouden worden door een ration lekkere soep, waartoe ruim het vierde gedeelte van een geheelen os gebruikt werd.[287]


Back to IndexNext