[Inhoud]I.Naar zee.„Ziet ge nog niets in de verte?”„Niets kapitein!” klonk het antwoord op die vraag.„Ik tuur, tuur al, maar niets. Straks meende ik daar voorbij den Balg16een zeil te ontwaren. Het was slechts het schitteren van de zon in de Zuiderzee.”„Waar kunnen ze blijven?” vroeg de eerste weer. „Volgens de aanschrijving van den minister zijn ze voorgisteren uitgezeild, en de afstand van Harderwijk tot hier is zoo groot niet. Zij hadden gisteren reeds hier kunnen zijn.”„He, stop kapitein! zoo’n kaag zeilt zoo hard niet en met den noordenwind, die gisteren en heden gewaaid heeft, hebben die vaartuigen voorzeker moeten laveeren.”„Het is jammer van dien noordenwind. Wij hadden er zoo netjes buiten het Kanaal mee kunnen komen.”„Dat is zoo. Die noordenwind kan evenwel nog wel wat aanhouden, de barometer staat hoog. Maar … daar zie ik iets. Ja, daar komt eene kaag met volle zeilen, daar voorbij den Balg.…”„Laat zien! Geef hier den kijker.… Jawel!… dat zijn ze. Eene kaag met den Nederlandschen vlag in top, en daar eene halve streek lager eene tweede. Geen twijfel[98]meer! Stuurman, laat den kok dadelijk erwtesoep klaarmaken. Ieder man een dubbel ration spek! De kerels zullen wel honger hebben. Overigens alles klaar om onder zeil te gaan!”„Best kapitein!” klonk het antwoord.Dat gesprek werd op den 17denOctober185. gevoerd aan dek van deFernandina Maria Emma, een flink Hollandsch fregatschip, hetwelk aan de kaai te Nieuwediep gemeerd lag. Uit de titels, die de sprekers elkander toevoegden, alsook uit de bevelen, welke de eene gaf, was op te maken, dat het de kapitein en een der stuurlieden van genoemd schip waren, die hunne opmerkzaamheid, aan hetgeen in de verte voorviel, wijdden, en dienovereenkomstig hunne maatregelen namen. Het fregat lag zeilklaar, en wachtte nog maar op de aankomst van een detachement suppletie-troepen, dat naar Oost-Indië zou overgevoerd worden, om de trossen los te gooien en de reis naar Batavia te aanvaarden. Nu dat detachement in het gezicht was, vermeerderde de drukte aan boord niet weinig en nam geleidelijk toe, tot dat de beide kagen het fregat op zijde aangeklampt hadden, en haren inhoud op dek overstortten. De levende lading, die daar overkwam, bleef evenwel aan dek niet; maar ging de loopplank over, en schaarde zich op bevel van haren aanvoerder in een gelid op de kade. Een oogenblik later verscheen de plaatselijke kommandant van Helder om dat detachement te monsteren, d.w.z. zich te overtuigen, dat de lading present was. Het waren 180 mannen, die daar bekeken werden, en bij het passeeren van dien hoofdofficier een voor een hunnen naam moesten noemen, welke alsdan vergeleken werd met het voorkomende op den monsterstaat, dien een adjudant in handen had.Heel voordeelig zag het detachement er niet uit. De[99]manschappen hadden zich gedurende ruim twee en een half etmaal moeten behelpen met het verblijf in eene kaag, waarin zij als slachtvee met hun negentig gestuwd waren geweest. Het weer had zich nog al goed gehouden, zoodat een gedeelte voortdurend op het dek der kleine vaartuigen had kunnen doorbrengen. Ware het anders geweest, dan hadden zij allen beneden moeten blijven, waar geen bank of stoel eenige zitplaats aanbood, en slechts een paar bossen stroo op den vloer uitgespreid lagen, waarop de aanstaande verdedigers der Nederlandsche koloniën hunne ledematen mochten uitstrekken, en zouden zij, volgens de eigenaardige soldaten-uitdrukking, bepaald „lepelsgewijs” hebben moeten liggen om in dat vunzige hol tegen zee- en regenwater beschutting te vinden.Maar, was het weer ook al, van dien kant beschouwd, gunstig te noemen geweest, anders was het met den wind gesteld. Men was met een zwakken oostenwind van Harderwijk vertrokken, die evenwel al spoedig zoodanig begon te krimpen, dat scherp bij den wind moest gezeild worden. Toen men evenwel het Enkhuizer zand17genaderd was, kromp de wind nog meer en moesten de kagen tot laveeren overgaan. Dat vorderde tijd en maakte den toestand onaangenaam, daar, wat de levensmiddelen betrof, slechts op eene reis van hoogstens vier en twintig uren gerekend was, en voor dat tijdperk slechts hard komiesbrood of nog hardere scheepsbeschuit medegenomen was. Wel werd nu in dien nood het eiland Wieringen aangedaan; maar de luitenant, die met ettelijke manschappen ter fourageering uitgezonden was, kon niets anders machtig worden dan brood, en dat nog maar in zoo eene beperkte hoeveelheid, dat ternauwernood een half ons aan ieder hongerige kon verstrekt worden. Een ware kwelling dus, niets meer![100]Eindelijk waren de kagen het eiland Wieringen kruisende te bovengekomen. Toen hadden zij den boeg gewend, en waren westwaarts op met volle zeilen tusschen Lutjeswaard18en het Balgzand door, de haven van Nieuwediep binnen gestevend.Maar tweemaal vier en twintig uren aan boord van eene kaag op een half onsje brood, dat was niet alles, betuigden de toekomstige helden. Och, zij zouden in de toekomst nog wel meer ondervinden!Toch zagen de manschappen, zooals zij daar aangetreden stonden, met den spekzak op de eene en de veldflesch op de andere zijde bengelende, er nog betrekkelijk goed uit, en had de plaatselijke kommandant van Helder redenen van tevredenheid. Allen waren present op de monstering, dat was voorshands het voornaamste. Geen der manschappen had gepoogd zich onder het stroo in de kagen te verstoppen, om daarna de plaat te kunnen poetsen. De plaatselijke kommandant teekende dan ook den monstersstaat af, gaf het triplikaat daarvan aan den detachements-kommandant, wenschte dezen goede reis, bracht daarna de rechterhand aan de klep van zijn schakot en … vertrok.„Sergeant Fraenkel zal voor de overscheping der militaire goederen zorgen” gelastte de detachements-kommandant. „Sergeant Riethoven voert de manschappen aan boord terug. Stelt ze op het achterdek in twee gelederen op. Hier hebt ge den indeelingstaat, deelt ze dadelijk in bakken in!”Beide onderofficieren brachten eerbiedig de hand aan de kwartiermuts en volvoerden de gegeven orders.„Rechts-om!” kommandeerde sergeant Riethoven, „Voorwaarts, marsch!”En een oogenblik later:„Met rotten rechts!”[101]Het detachement stapte de loopplank over, werd op het achterdek eerst op twee gelederen geschaard en daarna tien aan tien in bakken ingedeeld.De eigenlijke bak is een houten kist niet ongelijk aan een trog, die tusschendeks op den vloer staat, en daar met klampen vastgezet is. In dien trog wordt het niet overdadige komaliewant (eetservies) van de bij dien bak ingedeelden opgeborgen. Over het geheel beveelt een baksmeester, in den regel een korporaal of bij gebreke aan dien een oppassend soldaat, en is een bakszeuntje belast met het schoonhouden van het komaliewant en het halen van het eten aan de kombuis. Ook de onderofficieren werden baksgewijs ingedeeld; maar daarbij deden eenige manschappen van het detachement voor eene geringe retributie den dienst van bakszeuntje.Nauwelijks was de indeeling geschied, toen de eerste stuurman den sergeant Riethoven iets in het oor fluisterde. Deze sloeg het oog op den detachements-kommandant, die een teeken gaf.„Hoornblazer! eten!” klonk het bevel van den onderofficier.Het signaal, dat aller magen bevrediging zoude brengen, schetterde en ontlokte een uitbundig gejuich onder de aanwezigen. De bakszeuntjes werden voorgeroepen, en weldra zat de geheele troep beneden in het tusschendeks op den vloer om de bakken geschaard, waarop de dampende kommen met snert prijkten. De baksmeesters verdeelden het spek, dat uit de erwtensoep te voorschijn gehaald werd, waarna het teeken ten aanval gegeven werd, en de lepels beurtelings in den smakelijk uitzienden brei daalden.„Verd …! de snert is heet!” gilde er een, die zijn honger wat te doldriftig had willen stillen.„Heeft je moeder je geen blazen geleerd?” klonk de troostende vraag.[102]Er werd niet gepraat, daartoe had niemand tijd. In de eerste oogenblikken werd niets anders dan een eigenaardig smekken in dat scheepsruim vernomen, vergezeld van een getiktak der ijzeren lepels tegen elkander bij het uitscheppen of tegen den rand der houten kommen, die de erwtensoep bevatten. De bakszeuntjes gingen nog een bezoek bij de kombuis brengen, en keerden andermaal met een vollen kom terug. Een gejuich steeg andermaal op.„Wat is die snert verduiveld lekker!” klonk het hier.„Je kunt er je lepel rechtop in zetten! zoo dik is ze,” klonk het daar.„Ik teeken voor mijn geheel leven, als de menage zoo’n snert altijd opschept!”„Met zoo’n heerlijk zoutspek, als dit.”„Mis, je weet er geen bliksem van! Het is rookspek, en nog wel echt Hollandsch!”„Neen, het is Amerikaansch!”„Neen, Hollandsch!”„Neen Amer.….”„Ahoi!.…” klonk het boven. „Halen! die tros!”Daarop viel een solozanger met schorre stem in, en zong„De baggerman, die arme sul!”„Hoera mij boy’s! Hoerah mij boy’s!” vulde een koor van nog schordere stemmen aan.„Wat voeren ze daarboven uit?” vroeg een der militairen beneden, den mond nog half gevuld met erwtensoep.„De matrozen brengen de sleeptrossen uit en halen de meertrossen in,” antwoordde er een, die waarschijnlijk van Rotterdam of van Vlissingen afkomstig, nu niet weinig trotsch was op zijne zeemanskennis. „Wij gaan er spoedig van door!”„O! mijn arme vader, die mij staat te wachten!” riep er een. „Maar ik had ook zoo’n honger!”[103]En wip was hij naar boven. Hij werd door velen gevolgd, die de snert in den steek lieten, om de toebereidselen tot het vertrek waar te nemen.De drukte aan dek was intusschen toegenomen. Het wemelde daar van kooplieden, marskramers enz. die nog het een of ander aan de vertrekkenden trachtten te venten. Hier en daar stonden matrozen-vrouwen met betraande oogen en met hare kinderen op den arm of aan de hand, en trachtten nog eenige woorden met hare echtgenooten te spreken. Elders liep een boertje het dek op en neer, wrong zich door de menigte, die hem soms den weg versperde, en riep:„Mien zeun! woar is mien zeun?”„Hier is je zoon, boer!” riep een scheepsjongen en bracht hem bij het varkenshok.Och! de arme vader had geen aandacht voor die akelige scherts in dat oogenblik. Overgelukkig voelde hij zich voor een oogenblik, toen hij onder de naar boven komende militairen zijn zoon herkende.„Garrit! Garrit!” riep hij, en een poos later lagen vader en zoon in elkanders armen.Inmiddels waren de sleeptrossen uitgebracht. DeFernandina Maria Emmawas aan denHercules, eene krachtige sleepboot, bevestigd, die dikke wolken zwarten kolendamp uit haren korten dikken schoorsteen braakte en een gillend geluid uitstootte, dat door het geheele Nieuwediep weerklonk, ten teeken dat zij gereed was. De meertrossen waren naar binnen gehaald. De loopplank vormde nog het eenigste verbindingsmiddel met den wal. Thans begonnen de stuur- en bootslieden de landrotten, zij die de reis niet mee zouden maken, te beduiden, dat het tijd werd het schip te verlaten. Dat ging slechts schoorvoetende.„O! Jan!” gilde hier eene jonge vrouw, terwijl zij[104]wanhopig hare armen om den hals van een jeugdig flink matroos geklemd hield.„Mijn zoon!” kreet het boertje van straks, terwijl hij het hoofd van den koloniaal tusschen zijne beide handen genomen had en in zijne oogen keek, alsof hij zich zijn beeld in de ziel wilde griffen.„Dag moeder!” klonk het hier.„Dag Trui!” klonk het daar.Plotseling liet het kommando zich hooren:„Loopplanken en uithouwers op den wal!”Dat hielp. In een oogenblik hadden alle bezoekers het schip verlaten, hetwelk, nadat de loopplanken geheel op den wal gehaald waren, zich langzaam van de kade verwijderde, en, door denHerculesgetrokken, zich statig voortbewoog. Daar ontstond eensklaps een heftig geschreeuw zoowel aan boord, als aan wal.„Houdt hem! houdt hem!” riep de detachements-kommandant.„Grijpt hem! Grijpt hem!” riep de scheeps-kapitein.Een der militairen, de zoon van het boertje van straks, had met een sprongetje de kloof overschreden, die zich iedere sekonde al wijder en wijder tusschen het schip en den wal vormde, en viel zijn vader om den hals om hem nog een laatst vaarwel te zeggen.„Vader! Vader!” snikte de jonge borst. „Zegmoedergoedendag!”Een paar passen verder had een matroos denzelfden sprong gewaagd, en daar zijne vrouw gegrepen, die op de breede borst geklemd, terwijl hij zijn kind, dat zij op den arm droeg, met kussen overdekte.„Dag, Anna!” klonk het daar. „God zij met je!”Dat alles geschiedde in een ondeelbaar oogenblik. En voor nog een paar politie-agenten, die op de kade stonden, eene beweging gemaakt hadden, om aan de kreten[105]van den detachements-kommandant en den scheeps-kapitein gehoor te geven, waren beiden aan boord teruggesprongen, en klommen thans de verschansing weer over.Stampend en snuivend spande de kleine sleepboot alle krachten in om het moment van traagheid van het kolossale fregat te overwinnen. De kloof tusschen den wal en het schip werd al grooter en grooter. Niemand zou den sprong meer kunnen volbrengen. Een groote en joelende menigte volgde langs de kade: familieleden en belangstellenden, die de vertrekkenden hunne beste heilwenschen toeriepen en toewuifden; rondventers, die hunne waren aan boord tegen de laatste dubbeltjes van matrozen en soldaten geruild hadden, en nu hunne kramersbakken afgezet hadden; en eindelijk die schare van straatslijpers en leegloopers, die overal te vinden zijn en in eene havenstad bij het vertrek van een schip nimmer ontbreken.Het fregat kwam al meer en meer in vaart, en stevende de schepen voorbij, die aan de kade gemeerd lagen. De bemanningen dier vaartuigen wisselden een flink hoerah met de equipage en de passagiers van deFernandina Maria Emma. Op het wachtschip, hetwelk ons fregat thans voorbij voer, weerklonk het:„Wien Neerland’s bloed door de aderen vloeit,”den vertrekkenden als afscheidsgroet in de ooren; terwijl beide schepen elkander groetten, door driemaal hunne vlaggen aan den gaffel op en neer te halen.Eindelijk stevende het fregat, steeds door denHerculesgesleept, de haven van Nieuwediep uit en het noorderhoofd om. Er werd nog een laatst hoerah met de menigte op den wal gewisseld, waarna de beide vaartuigen, sleeper en gesleepte, westwaarts wendden, om[106]tusschen Texel en Noordholland door, de Noordzee te bereiken.Het geheele detachement militairen, tot de officieren incluis, lag over de verschansing gebogen om nog een blik aan de vaderlandsche kust, die daar aan bakboord19voorbijgleed, te wijden. Onder die allen waren er twee, die met diep gevoel de door tranen benevelde oogen op dien dierbaren grond gevestigd hielden. Het waren Riethoven en Brinkman, die naast elkander post gevat hadden, elkanders hand omklemd hielden en hun weemoed in een diepen zucht lucht gaven.„Wie weet, wanneer wij die kust weer zullen zien opdoemen?” snikte Herman.„Ja, wie weet wanneer, en wie weet of wij het vaderland wel ooit weer zullen zien?” antwoordde Frank, bij wien in dit plechtig uur de ernst de bovenhand bij zijn gewone luchthartigheid had.„Dit oogenblik heeft iets onmetelijk bitters.”„O! zwijg! Het is alsof ik in mijn binnenste iets voel scheuren.”„Nimmer had ik kunnen denken, dat het scheiden van den vaderlandschen grond zooveel zeer kon doen,” zei Herman, zijn tranen den vrijen loop latende.„Zoudt gij nog terug willen?” vroeg Frank, „het gedane ongedaan maken?”Herman antwoordde niet dadelijk. Op die vraag van zijn vriend sloot hij de oogen en verviel in diep gepeins. Zijne gedachten vervoerden hem ver, zeer ver, daar naar het zuidoosten, werwaarts zijn gelaat nog gekeerd was, als had hij, toen die vraag hem gesteld werd, daar bij den gezichtseinder, die zich achter de poldervlakte van Noord-Nederland sloot, iets gezocht, dat een meer trouw beeld van zijn geboortegrond in dat heilig oogenblik in zijne ziel zou afdrukken. Voor zijne gevoelsoogen zag[107]hij nu de omtrekken zijner moeder oprijzen. In tranen badende lag de arme vrouw in haar slaapvertrek voor een kruisbeeld op den grond geknield, hield haar gelaat in hare handen verborgen en snikte luid. Terwijl zij daar zoo lag, een beeld der wanhoop getrouw, ging de deur open en een meisje trad binnen, sloeg haren sluier terug, schreed tot de diep bedroefde moeder, en beurde haar op.„Lydia!” prevelde Herman onhoorbaar, „Lydia! o wat is ze schoon!”Het droombeeld ging voort in ontwikkeling. Lydia zette de arme moeder op een stoel, vleide zich zacht op haren schoot, sloeg haren fraaien arm om den hals der oude vrouw en fluisterde haar woorden in het oor, die een glans van verrukking op het gelaat der diepbedroefde te voorschijn tooverden.„O! God! mijn leven! mijn alles! om die woorden te mogen vernemen!” fluisterde Herman steeds onhoorbaar in een soort van geestesbedwelming.Had Frank toen zijne vraag herhaald, dan voorzeker had het antwoord geklonken:„Ja, terug! Ik wil terug naar mijn Limburg! Ik wil terug naar mijne moeder! Ik wil terug naar Lydia!”Frank zweeg evenwel, half in eigen gedachten verzonken. Het droombeeld ontwikkelde zich verder. De verrukking van Herman’s moeder steeg nog. Thans sloeg zij den arm om den hals van het jonge meisje, wier natuurlijk schoon nog door een bekoorlijk blosje verhoogd werd, drukte haar aan het hart, greep haar hoofd tusschen de beide handen en keek haar in de fraaie donkere oogen met eene uitdrukking op het gelaat, alsof zij vroeg:„Is het wel waar, wat gij daar zegt? Wilt gij mijn kind, mijn oudste gelukkig maken?”O! het was alsof Herman die woorden hoorde, alsof[108]hij ze zag aan de lippen zijner moeder ontglippen. En wat werd Lydia’s blos nog donkerder! Zij verborg haar gelaat aan het hart harer moederlijke vriendin. Hare borst zwoegde onstuimig. O! omtrent haar antwoord viel zich niet te vergissen! Maar.… welke schrik beving die twee vrouwen? Ziet, zij luisterden met gespannen aandacht.… De deur ging open. Directeur Peeters stond op den drempel. Zijn ascetisch gelaat was bleeker dan gewoonlijk, zijn blik schitterde, zijne neus was nog krommer dan anders, zij was thans in vorm aan een papegaaienbek gelijk. Met een oogopslag zag hij, wat in het gemoed dier twee vrouwen omging. Met vooruitgestoken hand trad hij op haar toe, alsof hij haar onder zijn invloed wilde terugbrengen. Beiden krompen onder dat priestergebaar, bogen het hoofd nog dieper, en gleden op zijne knieën aan de voeten van den Godsman, terwijl zij zijne handen met kussen overdekten.„O! mijn God!” kreunde Herman. „Alweer die aterling op mijn pad!”„Vraagt ge wat?” zei Frank als uit den slaap ontwakende.Weg was Herman’s droombeeld bij het weerklinken van die stem.„Ik?…” vroeg hij verbaasd. „Ik meende integendeel of gij iets vraagdet.”„O ja!… Ik vroeg in antwoord op uwe ontboezeming, dat het scheiden van den vaderlandschen grond zoo zeer deed, of gij terug zoudt willen? of gij het gedane ongedaan zoudt wenschen?”„Ik terug?… Ik!…” was Hermans antwoord met vaste stem maar toch hartstochtelijk gegeven. „Neen, bij God! neen!”Hij streek met de hand langs het voorhoofd, als zocht hij een lastig droombeeld weg te vegen.[109]„Neen, vooruit!” riep hij met geestdrift. „Neen, weg met alle herinneringen! Vooruit, den wijden oceaan in!”Lang bleven de twee vrienden nog over de verschansing turen. DeHerculesstoomde langs den Helderschen dijk naar zee, met het logge fregat in zijn kielzog. Aller oogenaanboord waren op den vaderlandschen bodem gevestigd, die daar voorbij vlood. De daken eerst van Nieuwediep, iets later van Helder werden boven dien dijk ontwaard. Daarna waarde het oog over een groenen polder, die zich eindeloos ver zuidwaarts uitstrekte, toen verscheen het fort Erfprins op den noordwesthoek van Noord-Holland, terwijl de vuurtoren van Kijkduin zich daarachter verhief, omgeven met wallen en borstweringen. Het was of het land daar afgebroken was. Aan bakboord peilde het oog eindelijk langs onafzienbare rijen duinen, terwijl bakboord vooruit slechts de zee ontwaard werd, de Noordzee met haren golfslag, die in witte branding op het zandige strand kwam breken.DeFernandina Maria Emmawas nu in het Schulpengat, de voornaamste toegang van uit de Noordzee tot de reede van Helder en Nieuwediep, die om de zuid langs de Noordhollandsche kust tusschen deze en de Zuiderhaaks, een der meest gevaarlijke zandbanken in die streken, naar het ruime sop voerde. De loods stond bij den kapitein op het achterschip, en gaf bevelen om de zeilen uit de geitouwen los te maken. Toen de uiterton bereikt was, dat wil zeggen, de laatste der boeien, die het Schulpengat bebakenden, werden de sleeptrossen van denHerculesgevierd. De sleepboot viel af, keerde, stoomde het fregat voorbij en beantwoordde het hoerah, dat haar als laatste afscheidsgroet naar het zich al meer en meer verwijderende vaderland werd medegegeven, zoo krachtig mogelijk, en keerde naar Nieuwediep terug.Inmiddels waren de zeilen vierkant gebrast.20Onder[110]de aanwakkerende bries vulden zij zich, en stonden weldra schier bolrond, en schoot deFernandina Maria Emmain zuidelijke richting levendig en dartel vooruit op de lange zilte baan, die zich, in een flesschengroen kleed gedoscht, voor haar uitspreidde.„Welkom in volle zee!” klonk de groet van den loods op het achterdek tot den kapitein.„Dank je loods” was het antwoord van den zeeman.„Welkom in volle zee!” bracht de kapitein den groet aan zijne passagiers over.„Welkom in volle zee!” wenschten de stuurlieden aan de onderofficieren, de matrozen aan de manschappen van het detachement elkander toe.„Welkom in volle zee!” klonk het uit aller mond, terwijl diewelkomstgroetmet een krachtigen handdruk vergezeld ging, en daarbij de wensch geuit werd, dat de reis zoo voorspoedig vervolgd zoude worden, als zij zich thans instelde.Bij dat „welkom in volle zee” had menig oog zich oostwaarts gewend en de Hollandsche kust gezocht. Helaas! daarvan was niet veel meer te zien. Alleen heel in de verte bij de oosterkim was eene lichtende streep te ontwaren, die door de zeelieden blinkerd genoemd en veelvuldig waargenomen wordt, wanneer de zon naar het westen neigende, de duinen op de Hollandsche kust met haar helder licht bestraalt.„Stuurman!” riep de scheepsbevelhebber in eene goede luim gebracht door dat „welkom in volle zee,” maar nog meer door de gunstige gelegenheid, die hem de aanwakkerende noordenwind bood. „Stuurman, bezaanschoot aan!”21Een gerinkinkel met de scheepsklok was het antwoord op dat bevel. Op last van een der officieren van het detachement greep de hoornblazer zijn instrument en[111]blies, natuurlijk zoo valsch mogelijk, een kort maar krachtig „Wilhelmus van Nassauen,” dat door een nog krachtiger hoerah beantwoord werd. Weldra stond een der stuurlieden te midden van een groep matrozen en soldaten, met eene vierkante flesch in de eene, en een blikken musje in de andere hand, en deelde aan ieder der hem omringenden een ration jenever uit, echte A. V. H.22die de kenners—en daar waren er velen—met de tong van genot deed smekken.De zon naderde inmiddels de kim. Het was te voorzien dat de nacht weldra den dag zou vervangen.„Aantreden!” kommandeerde sergeant Riethoven, toen het laatste musje jenever verorberd was. „Kom, aantreden! hangmatten ontvangen!”Dat beddengoed was spoedig genoeg uit den scheepsvoorraad verstrekt, en gaf aanleiding tot een tooneel zoo koddig, dat het de laatst overgebleven gedachte aan den verdwenen vaderlandschen bodem, althans voor dien dag, verbande en eenen geleidelijken overgang tot de nachtrust daarstelde, die velen aan boord, na zoo een dag vol bedrijvigheid voor het lichaam en vol aandoeningen voor den geest, uiterst goed te stade zoude komen.De hangmat is een langwerpige zak van zeildoek, die iets langer dan een lang mensch is. Die zak is over zijn geheele lengte gespleten, en daarin bevindt zich een matrasje en hoofdkussen, die behoorlijk ter gewilder plaatse vastgenaaid zijn. Aan de beide uiteinden van dien zak zijn touwen aangebracht, die dienen moeten om hem behoorlijk op te kunnen hangen, waartoe aan de dekbalken in het tusschendeks van deFernandina Maria Emmastevige latten met klampen aangebracht waren.Al dadelijk was het lachverwekkend te zien, hoe velen de handen verkeerd stonden om de hangmat behoorlijk op te binden. Het leggen van den noodigen[112]knoop, die stevigheid genoeg aanbood om bij de eerste aanraking van het beddengoed niet los te schieten, ging veler handigheid te boven, en was de hulp van de equipage van het schip dan ook noodig om dat werk tot een goed einde te brengen, en om die landrotten dat eens voor te doen. Dat Janmaat hierbij snaaks te werk ging, lag voor de hand.Het koddigste tooneel was evenwel de poging om in die hangmat te geraken. Er behoorde voorzeker eene zekere mate van oefening in de gymnastie toe om in dat bewegelijk ding plaats te nemen. Hij, die dat wenschte te doen, moest de bovenbedoelde latten aan de dekbalken grijpen, zich aan de vuisten omhoog tillen, en met een zwaai de beenen in de spleetopening der hangmat brengen, dan het behoorlijk zwaartepunt vatten, de handen loslaten en zich tusschen de zijwanden van de zak zijner hangmat laten glijden. Enkelen konden zich niet hoog genoeg optillen; anderen zwaaiden in den beginne de beenen te ver en dus over de hangmat heen, die dan van terzijde aangeraakt, zich onder het lichaam wegboog; anderen maakten den zwaai te kort, waardoor de hangmat onder den druk wegvlood, en de onhandigen, aan hunne armen hangende met een schok de verticale positie hernamen; eenigen lieten de latten te vroeg los, vóór dat zij het zwaartepunt van hun zwevend bedtoestel gevonden hadden, waardoor de hangmat eenvoudig kantelde en haren levenden inhoud glippen liet, die dan onzacht op den vloer van het tusschendeks neerkwam. Elders meende er een bij zijn akrobatischen sprong geslaagd te zijn, en lag reeds in zijn hangmat met het hoofd buiten de spleetopening niet zonder leedvermaak naar het getob zijner makkers te gluren, toen eensklaps de lijn aan het hoofdeneind zijner hangmat losschoot, en hij eer dat hij op zoo eene[113]tuimeling verdacht was, op zijn hoofd stond en niet onaardig het beeld eener opgehangen worst vertoonde. In één woord, het was een zonderling gezicht: die gedeeltelijk ontkleede mannen, wier bovenkleederen daar als schimmen aan de scheepswanden of aan de latten der dekbalken hingen, de meest grappige gebaren en bewegingen in het halfduister van het tusschendeks te zien uitvoeren; terwijl de matrozen rondom het luik stonden, en zich ten koste van de onhandigen uiterst vroolijk maakten.„Kom, nog eens probeeren, boontje,23dan zal het wel lukken,” klonk het hier.„Hou je stil, leelijke zwabber,” was het antwoord, „als ik drie dagen aan boord ben, doe ik het net zoo goed als jij.”„Laat je armen vieren! domme marlpriem!” klonk het elders. „Kijk zoo!”En zijne toelichting met het voorbeeld gepaard latende gaan, greep de lichtmatroos-raadgever de latten, zwaaide met onnavolgbare bevalligheid zijne beenen en schoof met zijn teerplunje de hangmat in.„Kijk zoo!” herhaalde hij.Ja, de soldaat keek hem met bewondering aan; maar had toch liever gezien, dat die vieze pijekker niet met zijne matras in aanraking gekomen was.„Ja, jullie zijt ook waterratten,” zeide hij als een soort verontschuldiging voor zijne onhandigheid.„En jullie, landkrabben, dat’s waar! het verschil is groot,” antwoordde Janmaat, terwijl hij met een wip de hangmat uitsprong.Eindelijk waren toch allen geborgen en wiegelden die rijen hangmatten, die, nu gevuld, tegen elkaar gepakt waren, met de zachte bewegingen van het schip mede en zweefden boven de scheepsbakken. De eetzaal was[114]zoodoende in slaapzaal gemetamorfoseerd. De nacht was inmiddels gevallen. Bij het grootluik brandde eene lantaarn, die haren onmiddellijken omtrek slechts flauw verlichtte, de rest van het uitgestrekte tusschendeks daarentegen in volslagen duisternis liet. Dat hinderde evenwel weinig of niets; want het duurde niet lang of uit het luik steeg met een amalgama van houtlucht, van harslucht, van teerlucht, van menschenlucht, van bedorven lucht in één woord, een concert van gesnork en diepe ademhalingen omhoog, hetwelk genoegzaam aanwees, dat het meerendeel in den slaap vergetelheid van dit aardsche bestaan gezocht en gevonden had.[115]
[Inhoud]I.Naar zee.„Ziet ge nog niets in de verte?”„Niets kapitein!” klonk het antwoord op die vraag.„Ik tuur, tuur al, maar niets. Straks meende ik daar voorbij den Balg16een zeil te ontwaren. Het was slechts het schitteren van de zon in de Zuiderzee.”„Waar kunnen ze blijven?” vroeg de eerste weer. „Volgens de aanschrijving van den minister zijn ze voorgisteren uitgezeild, en de afstand van Harderwijk tot hier is zoo groot niet. Zij hadden gisteren reeds hier kunnen zijn.”„He, stop kapitein! zoo’n kaag zeilt zoo hard niet en met den noordenwind, die gisteren en heden gewaaid heeft, hebben die vaartuigen voorzeker moeten laveeren.”„Het is jammer van dien noordenwind. Wij hadden er zoo netjes buiten het Kanaal mee kunnen komen.”„Dat is zoo. Die noordenwind kan evenwel nog wel wat aanhouden, de barometer staat hoog. Maar … daar zie ik iets. Ja, daar komt eene kaag met volle zeilen, daar voorbij den Balg.…”„Laat zien! Geef hier den kijker.… Jawel!… dat zijn ze. Eene kaag met den Nederlandschen vlag in top, en daar eene halve streek lager eene tweede. Geen twijfel[98]meer! Stuurman, laat den kok dadelijk erwtesoep klaarmaken. Ieder man een dubbel ration spek! De kerels zullen wel honger hebben. Overigens alles klaar om onder zeil te gaan!”„Best kapitein!” klonk het antwoord.Dat gesprek werd op den 17denOctober185. gevoerd aan dek van deFernandina Maria Emma, een flink Hollandsch fregatschip, hetwelk aan de kaai te Nieuwediep gemeerd lag. Uit de titels, die de sprekers elkander toevoegden, alsook uit de bevelen, welke de eene gaf, was op te maken, dat het de kapitein en een der stuurlieden van genoemd schip waren, die hunne opmerkzaamheid, aan hetgeen in de verte voorviel, wijdden, en dienovereenkomstig hunne maatregelen namen. Het fregat lag zeilklaar, en wachtte nog maar op de aankomst van een detachement suppletie-troepen, dat naar Oost-Indië zou overgevoerd worden, om de trossen los te gooien en de reis naar Batavia te aanvaarden. Nu dat detachement in het gezicht was, vermeerderde de drukte aan boord niet weinig en nam geleidelijk toe, tot dat de beide kagen het fregat op zijde aangeklampt hadden, en haren inhoud op dek overstortten. De levende lading, die daar overkwam, bleef evenwel aan dek niet; maar ging de loopplank over, en schaarde zich op bevel van haren aanvoerder in een gelid op de kade. Een oogenblik later verscheen de plaatselijke kommandant van Helder om dat detachement te monsteren, d.w.z. zich te overtuigen, dat de lading present was. Het waren 180 mannen, die daar bekeken werden, en bij het passeeren van dien hoofdofficier een voor een hunnen naam moesten noemen, welke alsdan vergeleken werd met het voorkomende op den monsterstaat, dien een adjudant in handen had.Heel voordeelig zag het detachement er niet uit. De[99]manschappen hadden zich gedurende ruim twee en een half etmaal moeten behelpen met het verblijf in eene kaag, waarin zij als slachtvee met hun negentig gestuwd waren geweest. Het weer had zich nog al goed gehouden, zoodat een gedeelte voortdurend op het dek der kleine vaartuigen had kunnen doorbrengen. Ware het anders geweest, dan hadden zij allen beneden moeten blijven, waar geen bank of stoel eenige zitplaats aanbood, en slechts een paar bossen stroo op den vloer uitgespreid lagen, waarop de aanstaande verdedigers der Nederlandsche koloniën hunne ledematen mochten uitstrekken, en zouden zij, volgens de eigenaardige soldaten-uitdrukking, bepaald „lepelsgewijs” hebben moeten liggen om in dat vunzige hol tegen zee- en regenwater beschutting te vinden.Maar, was het weer ook al, van dien kant beschouwd, gunstig te noemen geweest, anders was het met den wind gesteld. Men was met een zwakken oostenwind van Harderwijk vertrokken, die evenwel al spoedig zoodanig begon te krimpen, dat scherp bij den wind moest gezeild worden. Toen men evenwel het Enkhuizer zand17genaderd was, kromp de wind nog meer en moesten de kagen tot laveeren overgaan. Dat vorderde tijd en maakte den toestand onaangenaam, daar, wat de levensmiddelen betrof, slechts op eene reis van hoogstens vier en twintig uren gerekend was, en voor dat tijdperk slechts hard komiesbrood of nog hardere scheepsbeschuit medegenomen was. Wel werd nu in dien nood het eiland Wieringen aangedaan; maar de luitenant, die met ettelijke manschappen ter fourageering uitgezonden was, kon niets anders machtig worden dan brood, en dat nog maar in zoo eene beperkte hoeveelheid, dat ternauwernood een half ons aan ieder hongerige kon verstrekt worden. Een ware kwelling dus, niets meer![100]Eindelijk waren de kagen het eiland Wieringen kruisende te bovengekomen. Toen hadden zij den boeg gewend, en waren westwaarts op met volle zeilen tusschen Lutjeswaard18en het Balgzand door, de haven van Nieuwediep binnen gestevend.Maar tweemaal vier en twintig uren aan boord van eene kaag op een half onsje brood, dat was niet alles, betuigden de toekomstige helden. Och, zij zouden in de toekomst nog wel meer ondervinden!Toch zagen de manschappen, zooals zij daar aangetreden stonden, met den spekzak op de eene en de veldflesch op de andere zijde bengelende, er nog betrekkelijk goed uit, en had de plaatselijke kommandant van Helder redenen van tevredenheid. Allen waren present op de monstering, dat was voorshands het voornaamste. Geen der manschappen had gepoogd zich onder het stroo in de kagen te verstoppen, om daarna de plaat te kunnen poetsen. De plaatselijke kommandant teekende dan ook den monstersstaat af, gaf het triplikaat daarvan aan den detachements-kommandant, wenschte dezen goede reis, bracht daarna de rechterhand aan de klep van zijn schakot en … vertrok.„Sergeant Fraenkel zal voor de overscheping der militaire goederen zorgen” gelastte de detachements-kommandant. „Sergeant Riethoven voert de manschappen aan boord terug. Stelt ze op het achterdek in twee gelederen op. Hier hebt ge den indeelingstaat, deelt ze dadelijk in bakken in!”Beide onderofficieren brachten eerbiedig de hand aan de kwartiermuts en volvoerden de gegeven orders.„Rechts-om!” kommandeerde sergeant Riethoven, „Voorwaarts, marsch!”En een oogenblik later:„Met rotten rechts!”[101]Het detachement stapte de loopplank over, werd op het achterdek eerst op twee gelederen geschaard en daarna tien aan tien in bakken ingedeeld.De eigenlijke bak is een houten kist niet ongelijk aan een trog, die tusschendeks op den vloer staat, en daar met klampen vastgezet is. In dien trog wordt het niet overdadige komaliewant (eetservies) van de bij dien bak ingedeelden opgeborgen. Over het geheel beveelt een baksmeester, in den regel een korporaal of bij gebreke aan dien een oppassend soldaat, en is een bakszeuntje belast met het schoonhouden van het komaliewant en het halen van het eten aan de kombuis. Ook de onderofficieren werden baksgewijs ingedeeld; maar daarbij deden eenige manschappen van het detachement voor eene geringe retributie den dienst van bakszeuntje.Nauwelijks was de indeeling geschied, toen de eerste stuurman den sergeant Riethoven iets in het oor fluisterde. Deze sloeg het oog op den detachements-kommandant, die een teeken gaf.„Hoornblazer! eten!” klonk het bevel van den onderofficier.Het signaal, dat aller magen bevrediging zoude brengen, schetterde en ontlokte een uitbundig gejuich onder de aanwezigen. De bakszeuntjes werden voorgeroepen, en weldra zat de geheele troep beneden in het tusschendeks op den vloer om de bakken geschaard, waarop de dampende kommen met snert prijkten. De baksmeesters verdeelden het spek, dat uit de erwtensoep te voorschijn gehaald werd, waarna het teeken ten aanval gegeven werd, en de lepels beurtelings in den smakelijk uitzienden brei daalden.„Verd …! de snert is heet!” gilde er een, die zijn honger wat te doldriftig had willen stillen.„Heeft je moeder je geen blazen geleerd?” klonk de troostende vraag.[102]Er werd niet gepraat, daartoe had niemand tijd. In de eerste oogenblikken werd niets anders dan een eigenaardig smekken in dat scheepsruim vernomen, vergezeld van een getiktak der ijzeren lepels tegen elkander bij het uitscheppen of tegen den rand der houten kommen, die de erwtensoep bevatten. De bakszeuntjes gingen nog een bezoek bij de kombuis brengen, en keerden andermaal met een vollen kom terug. Een gejuich steeg andermaal op.„Wat is die snert verduiveld lekker!” klonk het hier.„Je kunt er je lepel rechtop in zetten! zoo dik is ze,” klonk het daar.„Ik teeken voor mijn geheel leven, als de menage zoo’n snert altijd opschept!”„Met zoo’n heerlijk zoutspek, als dit.”„Mis, je weet er geen bliksem van! Het is rookspek, en nog wel echt Hollandsch!”„Neen, het is Amerikaansch!”„Neen, Hollandsch!”„Neen Amer.….”„Ahoi!.…” klonk het boven. „Halen! die tros!”Daarop viel een solozanger met schorre stem in, en zong„De baggerman, die arme sul!”„Hoera mij boy’s! Hoerah mij boy’s!” vulde een koor van nog schordere stemmen aan.„Wat voeren ze daarboven uit?” vroeg een der militairen beneden, den mond nog half gevuld met erwtensoep.„De matrozen brengen de sleeptrossen uit en halen de meertrossen in,” antwoordde er een, die waarschijnlijk van Rotterdam of van Vlissingen afkomstig, nu niet weinig trotsch was op zijne zeemanskennis. „Wij gaan er spoedig van door!”„O! mijn arme vader, die mij staat te wachten!” riep er een. „Maar ik had ook zoo’n honger!”[103]En wip was hij naar boven. Hij werd door velen gevolgd, die de snert in den steek lieten, om de toebereidselen tot het vertrek waar te nemen.De drukte aan dek was intusschen toegenomen. Het wemelde daar van kooplieden, marskramers enz. die nog het een of ander aan de vertrekkenden trachtten te venten. Hier en daar stonden matrozen-vrouwen met betraande oogen en met hare kinderen op den arm of aan de hand, en trachtten nog eenige woorden met hare echtgenooten te spreken. Elders liep een boertje het dek op en neer, wrong zich door de menigte, die hem soms den weg versperde, en riep:„Mien zeun! woar is mien zeun?”„Hier is je zoon, boer!” riep een scheepsjongen en bracht hem bij het varkenshok.Och! de arme vader had geen aandacht voor die akelige scherts in dat oogenblik. Overgelukkig voelde hij zich voor een oogenblik, toen hij onder de naar boven komende militairen zijn zoon herkende.„Garrit! Garrit!” riep hij, en een poos later lagen vader en zoon in elkanders armen.Inmiddels waren de sleeptrossen uitgebracht. DeFernandina Maria Emmawas aan denHercules, eene krachtige sleepboot, bevestigd, die dikke wolken zwarten kolendamp uit haren korten dikken schoorsteen braakte en een gillend geluid uitstootte, dat door het geheele Nieuwediep weerklonk, ten teeken dat zij gereed was. De meertrossen waren naar binnen gehaald. De loopplank vormde nog het eenigste verbindingsmiddel met den wal. Thans begonnen de stuur- en bootslieden de landrotten, zij die de reis niet mee zouden maken, te beduiden, dat het tijd werd het schip te verlaten. Dat ging slechts schoorvoetende.„O! Jan!” gilde hier eene jonge vrouw, terwijl zij[104]wanhopig hare armen om den hals van een jeugdig flink matroos geklemd hield.„Mijn zoon!” kreet het boertje van straks, terwijl hij het hoofd van den koloniaal tusschen zijne beide handen genomen had en in zijne oogen keek, alsof hij zich zijn beeld in de ziel wilde griffen.„Dag moeder!” klonk het hier.„Dag Trui!” klonk het daar.Plotseling liet het kommando zich hooren:„Loopplanken en uithouwers op den wal!”Dat hielp. In een oogenblik hadden alle bezoekers het schip verlaten, hetwelk, nadat de loopplanken geheel op den wal gehaald waren, zich langzaam van de kade verwijderde, en, door denHerculesgetrokken, zich statig voortbewoog. Daar ontstond eensklaps een heftig geschreeuw zoowel aan boord, als aan wal.„Houdt hem! houdt hem!” riep de detachements-kommandant.„Grijpt hem! Grijpt hem!” riep de scheeps-kapitein.Een der militairen, de zoon van het boertje van straks, had met een sprongetje de kloof overschreden, die zich iedere sekonde al wijder en wijder tusschen het schip en den wal vormde, en viel zijn vader om den hals om hem nog een laatst vaarwel te zeggen.„Vader! Vader!” snikte de jonge borst. „Zegmoedergoedendag!”Een paar passen verder had een matroos denzelfden sprong gewaagd, en daar zijne vrouw gegrepen, die op de breede borst geklemd, terwijl hij zijn kind, dat zij op den arm droeg, met kussen overdekte.„Dag, Anna!” klonk het daar. „God zij met je!”Dat alles geschiedde in een ondeelbaar oogenblik. En voor nog een paar politie-agenten, die op de kade stonden, eene beweging gemaakt hadden, om aan de kreten[105]van den detachements-kommandant en den scheeps-kapitein gehoor te geven, waren beiden aan boord teruggesprongen, en klommen thans de verschansing weer over.Stampend en snuivend spande de kleine sleepboot alle krachten in om het moment van traagheid van het kolossale fregat te overwinnen. De kloof tusschen den wal en het schip werd al grooter en grooter. Niemand zou den sprong meer kunnen volbrengen. Een groote en joelende menigte volgde langs de kade: familieleden en belangstellenden, die de vertrekkenden hunne beste heilwenschen toeriepen en toewuifden; rondventers, die hunne waren aan boord tegen de laatste dubbeltjes van matrozen en soldaten geruild hadden, en nu hunne kramersbakken afgezet hadden; en eindelijk die schare van straatslijpers en leegloopers, die overal te vinden zijn en in eene havenstad bij het vertrek van een schip nimmer ontbreken.Het fregat kwam al meer en meer in vaart, en stevende de schepen voorbij, die aan de kade gemeerd lagen. De bemanningen dier vaartuigen wisselden een flink hoerah met de equipage en de passagiers van deFernandina Maria Emma. Op het wachtschip, hetwelk ons fregat thans voorbij voer, weerklonk het:„Wien Neerland’s bloed door de aderen vloeit,”den vertrekkenden als afscheidsgroet in de ooren; terwijl beide schepen elkander groetten, door driemaal hunne vlaggen aan den gaffel op en neer te halen.Eindelijk stevende het fregat, steeds door denHerculesgesleept, de haven van Nieuwediep uit en het noorderhoofd om. Er werd nog een laatst hoerah met de menigte op den wal gewisseld, waarna de beide vaartuigen, sleeper en gesleepte, westwaarts wendden, om[106]tusschen Texel en Noordholland door, de Noordzee te bereiken.Het geheele detachement militairen, tot de officieren incluis, lag over de verschansing gebogen om nog een blik aan de vaderlandsche kust, die daar aan bakboord19voorbijgleed, te wijden. Onder die allen waren er twee, die met diep gevoel de door tranen benevelde oogen op dien dierbaren grond gevestigd hielden. Het waren Riethoven en Brinkman, die naast elkander post gevat hadden, elkanders hand omklemd hielden en hun weemoed in een diepen zucht lucht gaven.„Wie weet, wanneer wij die kust weer zullen zien opdoemen?” snikte Herman.„Ja, wie weet wanneer, en wie weet of wij het vaderland wel ooit weer zullen zien?” antwoordde Frank, bij wien in dit plechtig uur de ernst de bovenhand bij zijn gewone luchthartigheid had.„Dit oogenblik heeft iets onmetelijk bitters.”„O! zwijg! Het is alsof ik in mijn binnenste iets voel scheuren.”„Nimmer had ik kunnen denken, dat het scheiden van den vaderlandschen grond zooveel zeer kon doen,” zei Herman, zijn tranen den vrijen loop latende.„Zoudt gij nog terug willen?” vroeg Frank, „het gedane ongedaan maken?”Herman antwoordde niet dadelijk. Op die vraag van zijn vriend sloot hij de oogen en verviel in diep gepeins. Zijne gedachten vervoerden hem ver, zeer ver, daar naar het zuidoosten, werwaarts zijn gelaat nog gekeerd was, als had hij, toen die vraag hem gesteld werd, daar bij den gezichtseinder, die zich achter de poldervlakte van Noord-Nederland sloot, iets gezocht, dat een meer trouw beeld van zijn geboortegrond in dat heilig oogenblik in zijne ziel zou afdrukken. Voor zijne gevoelsoogen zag[107]hij nu de omtrekken zijner moeder oprijzen. In tranen badende lag de arme vrouw in haar slaapvertrek voor een kruisbeeld op den grond geknield, hield haar gelaat in hare handen verborgen en snikte luid. Terwijl zij daar zoo lag, een beeld der wanhoop getrouw, ging de deur open en een meisje trad binnen, sloeg haren sluier terug, schreed tot de diep bedroefde moeder, en beurde haar op.„Lydia!” prevelde Herman onhoorbaar, „Lydia! o wat is ze schoon!”Het droombeeld ging voort in ontwikkeling. Lydia zette de arme moeder op een stoel, vleide zich zacht op haren schoot, sloeg haren fraaien arm om den hals der oude vrouw en fluisterde haar woorden in het oor, die een glans van verrukking op het gelaat der diepbedroefde te voorschijn tooverden.„O! God! mijn leven! mijn alles! om die woorden te mogen vernemen!” fluisterde Herman steeds onhoorbaar in een soort van geestesbedwelming.Had Frank toen zijne vraag herhaald, dan voorzeker had het antwoord geklonken:„Ja, terug! Ik wil terug naar mijn Limburg! Ik wil terug naar mijne moeder! Ik wil terug naar Lydia!”Frank zweeg evenwel, half in eigen gedachten verzonken. Het droombeeld ontwikkelde zich verder. De verrukking van Herman’s moeder steeg nog. Thans sloeg zij den arm om den hals van het jonge meisje, wier natuurlijk schoon nog door een bekoorlijk blosje verhoogd werd, drukte haar aan het hart, greep haar hoofd tusschen de beide handen en keek haar in de fraaie donkere oogen met eene uitdrukking op het gelaat, alsof zij vroeg:„Is het wel waar, wat gij daar zegt? Wilt gij mijn kind, mijn oudste gelukkig maken?”O! het was alsof Herman die woorden hoorde, alsof[108]hij ze zag aan de lippen zijner moeder ontglippen. En wat werd Lydia’s blos nog donkerder! Zij verborg haar gelaat aan het hart harer moederlijke vriendin. Hare borst zwoegde onstuimig. O! omtrent haar antwoord viel zich niet te vergissen! Maar.… welke schrik beving die twee vrouwen? Ziet, zij luisterden met gespannen aandacht.… De deur ging open. Directeur Peeters stond op den drempel. Zijn ascetisch gelaat was bleeker dan gewoonlijk, zijn blik schitterde, zijne neus was nog krommer dan anders, zij was thans in vorm aan een papegaaienbek gelijk. Met een oogopslag zag hij, wat in het gemoed dier twee vrouwen omging. Met vooruitgestoken hand trad hij op haar toe, alsof hij haar onder zijn invloed wilde terugbrengen. Beiden krompen onder dat priestergebaar, bogen het hoofd nog dieper, en gleden op zijne knieën aan de voeten van den Godsman, terwijl zij zijne handen met kussen overdekten.„O! mijn God!” kreunde Herman. „Alweer die aterling op mijn pad!”„Vraagt ge wat?” zei Frank als uit den slaap ontwakende.Weg was Herman’s droombeeld bij het weerklinken van die stem.„Ik?…” vroeg hij verbaasd. „Ik meende integendeel of gij iets vraagdet.”„O ja!… Ik vroeg in antwoord op uwe ontboezeming, dat het scheiden van den vaderlandschen grond zoo zeer deed, of gij terug zoudt willen? of gij het gedane ongedaan zoudt wenschen?”„Ik terug?… Ik!…” was Hermans antwoord met vaste stem maar toch hartstochtelijk gegeven. „Neen, bij God! neen!”Hij streek met de hand langs het voorhoofd, als zocht hij een lastig droombeeld weg te vegen.[109]„Neen, vooruit!” riep hij met geestdrift. „Neen, weg met alle herinneringen! Vooruit, den wijden oceaan in!”Lang bleven de twee vrienden nog over de verschansing turen. DeHerculesstoomde langs den Helderschen dijk naar zee, met het logge fregat in zijn kielzog. Aller oogenaanboord waren op den vaderlandschen bodem gevestigd, die daar voorbij vlood. De daken eerst van Nieuwediep, iets later van Helder werden boven dien dijk ontwaard. Daarna waarde het oog over een groenen polder, die zich eindeloos ver zuidwaarts uitstrekte, toen verscheen het fort Erfprins op den noordwesthoek van Noord-Holland, terwijl de vuurtoren van Kijkduin zich daarachter verhief, omgeven met wallen en borstweringen. Het was of het land daar afgebroken was. Aan bakboord peilde het oog eindelijk langs onafzienbare rijen duinen, terwijl bakboord vooruit slechts de zee ontwaard werd, de Noordzee met haren golfslag, die in witte branding op het zandige strand kwam breken.DeFernandina Maria Emmawas nu in het Schulpengat, de voornaamste toegang van uit de Noordzee tot de reede van Helder en Nieuwediep, die om de zuid langs de Noordhollandsche kust tusschen deze en de Zuiderhaaks, een der meest gevaarlijke zandbanken in die streken, naar het ruime sop voerde. De loods stond bij den kapitein op het achterschip, en gaf bevelen om de zeilen uit de geitouwen los te maken. Toen de uiterton bereikt was, dat wil zeggen, de laatste der boeien, die het Schulpengat bebakenden, werden de sleeptrossen van denHerculesgevierd. De sleepboot viel af, keerde, stoomde het fregat voorbij en beantwoordde het hoerah, dat haar als laatste afscheidsgroet naar het zich al meer en meer verwijderende vaderland werd medegegeven, zoo krachtig mogelijk, en keerde naar Nieuwediep terug.Inmiddels waren de zeilen vierkant gebrast.20Onder[110]de aanwakkerende bries vulden zij zich, en stonden weldra schier bolrond, en schoot deFernandina Maria Emmain zuidelijke richting levendig en dartel vooruit op de lange zilte baan, die zich, in een flesschengroen kleed gedoscht, voor haar uitspreidde.„Welkom in volle zee!” klonk de groet van den loods op het achterdek tot den kapitein.„Dank je loods” was het antwoord van den zeeman.„Welkom in volle zee!” bracht de kapitein den groet aan zijne passagiers over.„Welkom in volle zee!” wenschten de stuurlieden aan de onderofficieren, de matrozen aan de manschappen van het detachement elkander toe.„Welkom in volle zee!” klonk het uit aller mond, terwijl diewelkomstgroetmet een krachtigen handdruk vergezeld ging, en daarbij de wensch geuit werd, dat de reis zoo voorspoedig vervolgd zoude worden, als zij zich thans instelde.Bij dat „welkom in volle zee” had menig oog zich oostwaarts gewend en de Hollandsche kust gezocht. Helaas! daarvan was niet veel meer te zien. Alleen heel in de verte bij de oosterkim was eene lichtende streep te ontwaren, die door de zeelieden blinkerd genoemd en veelvuldig waargenomen wordt, wanneer de zon naar het westen neigende, de duinen op de Hollandsche kust met haar helder licht bestraalt.„Stuurman!” riep de scheepsbevelhebber in eene goede luim gebracht door dat „welkom in volle zee,” maar nog meer door de gunstige gelegenheid, die hem de aanwakkerende noordenwind bood. „Stuurman, bezaanschoot aan!”21Een gerinkinkel met de scheepsklok was het antwoord op dat bevel. Op last van een der officieren van het detachement greep de hoornblazer zijn instrument en[111]blies, natuurlijk zoo valsch mogelijk, een kort maar krachtig „Wilhelmus van Nassauen,” dat door een nog krachtiger hoerah beantwoord werd. Weldra stond een der stuurlieden te midden van een groep matrozen en soldaten, met eene vierkante flesch in de eene, en een blikken musje in de andere hand, en deelde aan ieder der hem omringenden een ration jenever uit, echte A. V. H.22die de kenners—en daar waren er velen—met de tong van genot deed smekken.De zon naderde inmiddels de kim. Het was te voorzien dat de nacht weldra den dag zou vervangen.„Aantreden!” kommandeerde sergeant Riethoven, toen het laatste musje jenever verorberd was. „Kom, aantreden! hangmatten ontvangen!”Dat beddengoed was spoedig genoeg uit den scheepsvoorraad verstrekt, en gaf aanleiding tot een tooneel zoo koddig, dat het de laatst overgebleven gedachte aan den verdwenen vaderlandschen bodem, althans voor dien dag, verbande en eenen geleidelijken overgang tot de nachtrust daarstelde, die velen aan boord, na zoo een dag vol bedrijvigheid voor het lichaam en vol aandoeningen voor den geest, uiterst goed te stade zoude komen.De hangmat is een langwerpige zak van zeildoek, die iets langer dan een lang mensch is. Die zak is over zijn geheele lengte gespleten, en daarin bevindt zich een matrasje en hoofdkussen, die behoorlijk ter gewilder plaatse vastgenaaid zijn. Aan de beide uiteinden van dien zak zijn touwen aangebracht, die dienen moeten om hem behoorlijk op te kunnen hangen, waartoe aan de dekbalken in het tusschendeks van deFernandina Maria Emmastevige latten met klampen aangebracht waren.Al dadelijk was het lachverwekkend te zien, hoe velen de handen verkeerd stonden om de hangmat behoorlijk op te binden. Het leggen van den noodigen[112]knoop, die stevigheid genoeg aanbood om bij de eerste aanraking van het beddengoed niet los te schieten, ging veler handigheid te boven, en was de hulp van de equipage van het schip dan ook noodig om dat werk tot een goed einde te brengen, en om die landrotten dat eens voor te doen. Dat Janmaat hierbij snaaks te werk ging, lag voor de hand.Het koddigste tooneel was evenwel de poging om in die hangmat te geraken. Er behoorde voorzeker eene zekere mate van oefening in de gymnastie toe om in dat bewegelijk ding plaats te nemen. Hij, die dat wenschte te doen, moest de bovenbedoelde latten aan de dekbalken grijpen, zich aan de vuisten omhoog tillen, en met een zwaai de beenen in de spleetopening der hangmat brengen, dan het behoorlijk zwaartepunt vatten, de handen loslaten en zich tusschen de zijwanden van de zak zijner hangmat laten glijden. Enkelen konden zich niet hoog genoeg optillen; anderen zwaaiden in den beginne de beenen te ver en dus over de hangmat heen, die dan van terzijde aangeraakt, zich onder het lichaam wegboog; anderen maakten den zwaai te kort, waardoor de hangmat onder den druk wegvlood, en de onhandigen, aan hunne armen hangende met een schok de verticale positie hernamen; eenigen lieten de latten te vroeg los, vóór dat zij het zwaartepunt van hun zwevend bedtoestel gevonden hadden, waardoor de hangmat eenvoudig kantelde en haren levenden inhoud glippen liet, die dan onzacht op den vloer van het tusschendeks neerkwam. Elders meende er een bij zijn akrobatischen sprong geslaagd te zijn, en lag reeds in zijn hangmat met het hoofd buiten de spleetopening niet zonder leedvermaak naar het getob zijner makkers te gluren, toen eensklaps de lijn aan het hoofdeneind zijner hangmat losschoot, en hij eer dat hij op zoo eene[113]tuimeling verdacht was, op zijn hoofd stond en niet onaardig het beeld eener opgehangen worst vertoonde. In één woord, het was een zonderling gezicht: die gedeeltelijk ontkleede mannen, wier bovenkleederen daar als schimmen aan de scheepswanden of aan de latten der dekbalken hingen, de meest grappige gebaren en bewegingen in het halfduister van het tusschendeks te zien uitvoeren; terwijl de matrozen rondom het luik stonden, en zich ten koste van de onhandigen uiterst vroolijk maakten.„Kom, nog eens probeeren, boontje,23dan zal het wel lukken,” klonk het hier.„Hou je stil, leelijke zwabber,” was het antwoord, „als ik drie dagen aan boord ben, doe ik het net zoo goed als jij.”„Laat je armen vieren! domme marlpriem!” klonk het elders. „Kijk zoo!”En zijne toelichting met het voorbeeld gepaard latende gaan, greep de lichtmatroos-raadgever de latten, zwaaide met onnavolgbare bevalligheid zijne beenen en schoof met zijn teerplunje de hangmat in.„Kijk zoo!” herhaalde hij.Ja, de soldaat keek hem met bewondering aan; maar had toch liever gezien, dat die vieze pijekker niet met zijne matras in aanraking gekomen was.„Ja, jullie zijt ook waterratten,” zeide hij als een soort verontschuldiging voor zijne onhandigheid.„En jullie, landkrabben, dat’s waar! het verschil is groot,” antwoordde Janmaat, terwijl hij met een wip de hangmat uitsprong.Eindelijk waren toch allen geborgen en wiegelden die rijen hangmatten, die, nu gevuld, tegen elkaar gepakt waren, met de zachte bewegingen van het schip mede en zweefden boven de scheepsbakken. De eetzaal was[114]zoodoende in slaapzaal gemetamorfoseerd. De nacht was inmiddels gevallen. Bij het grootluik brandde eene lantaarn, die haren onmiddellijken omtrek slechts flauw verlichtte, de rest van het uitgestrekte tusschendeks daarentegen in volslagen duisternis liet. Dat hinderde evenwel weinig of niets; want het duurde niet lang of uit het luik steeg met een amalgama van houtlucht, van harslucht, van teerlucht, van menschenlucht, van bedorven lucht in één woord, een concert van gesnork en diepe ademhalingen omhoog, hetwelk genoegzaam aanwees, dat het meerendeel in den slaap vergetelheid van dit aardsche bestaan gezocht en gevonden had.[115]
[Inhoud]I.Naar zee.„Ziet ge nog niets in de verte?”„Niets kapitein!” klonk het antwoord op die vraag.„Ik tuur, tuur al, maar niets. Straks meende ik daar voorbij den Balg16een zeil te ontwaren. Het was slechts het schitteren van de zon in de Zuiderzee.”„Waar kunnen ze blijven?” vroeg de eerste weer. „Volgens de aanschrijving van den minister zijn ze voorgisteren uitgezeild, en de afstand van Harderwijk tot hier is zoo groot niet. Zij hadden gisteren reeds hier kunnen zijn.”„He, stop kapitein! zoo’n kaag zeilt zoo hard niet en met den noordenwind, die gisteren en heden gewaaid heeft, hebben die vaartuigen voorzeker moeten laveeren.”„Het is jammer van dien noordenwind. Wij hadden er zoo netjes buiten het Kanaal mee kunnen komen.”„Dat is zoo. Die noordenwind kan evenwel nog wel wat aanhouden, de barometer staat hoog. Maar … daar zie ik iets. Ja, daar komt eene kaag met volle zeilen, daar voorbij den Balg.…”„Laat zien! Geef hier den kijker.… Jawel!… dat zijn ze. Eene kaag met den Nederlandschen vlag in top, en daar eene halve streek lager eene tweede. Geen twijfel[98]meer! Stuurman, laat den kok dadelijk erwtesoep klaarmaken. Ieder man een dubbel ration spek! De kerels zullen wel honger hebben. Overigens alles klaar om onder zeil te gaan!”„Best kapitein!” klonk het antwoord.Dat gesprek werd op den 17denOctober185. gevoerd aan dek van deFernandina Maria Emma, een flink Hollandsch fregatschip, hetwelk aan de kaai te Nieuwediep gemeerd lag. Uit de titels, die de sprekers elkander toevoegden, alsook uit de bevelen, welke de eene gaf, was op te maken, dat het de kapitein en een der stuurlieden van genoemd schip waren, die hunne opmerkzaamheid, aan hetgeen in de verte voorviel, wijdden, en dienovereenkomstig hunne maatregelen namen. Het fregat lag zeilklaar, en wachtte nog maar op de aankomst van een detachement suppletie-troepen, dat naar Oost-Indië zou overgevoerd worden, om de trossen los te gooien en de reis naar Batavia te aanvaarden. Nu dat detachement in het gezicht was, vermeerderde de drukte aan boord niet weinig en nam geleidelijk toe, tot dat de beide kagen het fregat op zijde aangeklampt hadden, en haren inhoud op dek overstortten. De levende lading, die daar overkwam, bleef evenwel aan dek niet; maar ging de loopplank over, en schaarde zich op bevel van haren aanvoerder in een gelid op de kade. Een oogenblik later verscheen de plaatselijke kommandant van Helder om dat detachement te monsteren, d.w.z. zich te overtuigen, dat de lading present was. Het waren 180 mannen, die daar bekeken werden, en bij het passeeren van dien hoofdofficier een voor een hunnen naam moesten noemen, welke alsdan vergeleken werd met het voorkomende op den monsterstaat, dien een adjudant in handen had.Heel voordeelig zag het detachement er niet uit. De[99]manschappen hadden zich gedurende ruim twee en een half etmaal moeten behelpen met het verblijf in eene kaag, waarin zij als slachtvee met hun negentig gestuwd waren geweest. Het weer had zich nog al goed gehouden, zoodat een gedeelte voortdurend op het dek der kleine vaartuigen had kunnen doorbrengen. Ware het anders geweest, dan hadden zij allen beneden moeten blijven, waar geen bank of stoel eenige zitplaats aanbood, en slechts een paar bossen stroo op den vloer uitgespreid lagen, waarop de aanstaande verdedigers der Nederlandsche koloniën hunne ledematen mochten uitstrekken, en zouden zij, volgens de eigenaardige soldaten-uitdrukking, bepaald „lepelsgewijs” hebben moeten liggen om in dat vunzige hol tegen zee- en regenwater beschutting te vinden.Maar, was het weer ook al, van dien kant beschouwd, gunstig te noemen geweest, anders was het met den wind gesteld. Men was met een zwakken oostenwind van Harderwijk vertrokken, die evenwel al spoedig zoodanig begon te krimpen, dat scherp bij den wind moest gezeild worden. Toen men evenwel het Enkhuizer zand17genaderd was, kromp de wind nog meer en moesten de kagen tot laveeren overgaan. Dat vorderde tijd en maakte den toestand onaangenaam, daar, wat de levensmiddelen betrof, slechts op eene reis van hoogstens vier en twintig uren gerekend was, en voor dat tijdperk slechts hard komiesbrood of nog hardere scheepsbeschuit medegenomen was. Wel werd nu in dien nood het eiland Wieringen aangedaan; maar de luitenant, die met ettelijke manschappen ter fourageering uitgezonden was, kon niets anders machtig worden dan brood, en dat nog maar in zoo eene beperkte hoeveelheid, dat ternauwernood een half ons aan ieder hongerige kon verstrekt worden. Een ware kwelling dus, niets meer![100]Eindelijk waren de kagen het eiland Wieringen kruisende te bovengekomen. Toen hadden zij den boeg gewend, en waren westwaarts op met volle zeilen tusschen Lutjeswaard18en het Balgzand door, de haven van Nieuwediep binnen gestevend.Maar tweemaal vier en twintig uren aan boord van eene kaag op een half onsje brood, dat was niet alles, betuigden de toekomstige helden. Och, zij zouden in de toekomst nog wel meer ondervinden!Toch zagen de manschappen, zooals zij daar aangetreden stonden, met den spekzak op de eene en de veldflesch op de andere zijde bengelende, er nog betrekkelijk goed uit, en had de plaatselijke kommandant van Helder redenen van tevredenheid. Allen waren present op de monstering, dat was voorshands het voornaamste. Geen der manschappen had gepoogd zich onder het stroo in de kagen te verstoppen, om daarna de plaat te kunnen poetsen. De plaatselijke kommandant teekende dan ook den monstersstaat af, gaf het triplikaat daarvan aan den detachements-kommandant, wenschte dezen goede reis, bracht daarna de rechterhand aan de klep van zijn schakot en … vertrok.„Sergeant Fraenkel zal voor de overscheping der militaire goederen zorgen” gelastte de detachements-kommandant. „Sergeant Riethoven voert de manschappen aan boord terug. Stelt ze op het achterdek in twee gelederen op. Hier hebt ge den indeelingstaat, deelt ze dadelijk in bakken in!”Beide onderofficieren brachten eerbiedig de hand aan de kwartiermuts en volvoerden de gegeven orders.„Rechts-om!” kommandeerde sergeant Riethoven, „Voorwaarts, marsch!”En een oogenblik later:„Met rotten rechts!”[101]Het detachement stapte de loopplank over, werd op het achterdek eerst op twee gelederen geschaard en daarna tien aan tien in bakken ingedeeld.De eigenlijke bak is een houten kist niet ongelijk aan een trog, die tusschendeks op den vloer staat, en daar met klampen vastgezet is. In dien trog wordt het niet overdadige komaliewant (eetservies) van de bij dien bak ingedeelden opgeborgen. Over het geheel beveelt een baksmeester, in den regel een korporaal of bij gebreke aan dien een oppassend soldaat, en is een bakszeuntje belast met het schoonhouden van het komaliewant en het halen van het eten aan de kombuis. Ook de onderofficieren werden baksgewijs ingedeeld; maar daarbij deden eenige manschappen van het detachement voor eene geringe retributie den dienst van bakszeuntje.Nauwelijks was de indeeling geschied, toen de eerste stuurman den sergeant Riethoven iets in het oor fluisterde. Deze sloeg het oog op den detachements-kommandant, die een teeken gaf.„Hoornblazer! eten!” klonk het bevel van den onderofficier.Het signaal, dat aller magen bevrediging zoude brengen, schetterde en ontlokte een uitbundig gejuich onder de aanwezigen. De bakszeuntjes werden voorgeroepen, en weldra zat de geheele troep beneden in het tusschendeks op den vloer om de bakken geschaard, waarop de dampende kommen met snert prijkten. De baksmeesters verdeelden het spek, dat uit de erwtensoep te voorschijn gehaald werd, waarna het teeken ten aanval gegeven werd, en de lepels beurtelings in den smakelijk uitzienden brei daalden.„Verd …! de snert is heet!” gilde er een, die zijn honger wat te doldriftig had willen stillen.„Heeft je moeder je geen blazen geleerd?” klonk de troostende vraag.[102]Er werd niet gepraat, daartoe had niemand tijd. In de eerste oogenblikken werd niets anders dan een eigenaardig smekken in dat scheepsruim vernomen, vergezeld van een getiktak der ijzeren lepels tegen elkander bij het uitscheppen of tegen den rand der houten kommen, die de erwtensoep bevatten. De bakszeuntjes gingen nog een bezoek bij de kombuis brengen, en keerden andermaal met een vollen kom terug. Een gejuich steeg andermaal op.„Wat is die snert verduiveld lekker!” klonk het hier.„Je kunt er je lepel rechtop in zetten! zoo dik is ze,” klonk het daar.„Ik teeken voor mijn geheel leven, als de menage zoo’n snert altijd opschept!”„Met zoo’n heerlijk zoutspek, als dit.”„Mis, je weet er geen bliksem van! Het is rookspek, en nog wel echt Hollandsch!”„Neen, het is Amerikaansch!”„Neen, Hollandsch!”„Neen Amer.….”„Ahoi!.…” klonk het boven. „Halen! die tros!”Daarop viel een solozanger met schorre stem in, en zong„De baggerman, die arme sul!”„Hoera mij boy’s! Hoerah mij boy’s!” vulde een koor van nog schordere stemmen aan.„Wat voeren ze daarboven uit?” vroeg een der militairen beneden, den mond nog half gevuld met erwtensoep.„De matrozen brengen de sleeptrossen uit en halen de meertrossen in,” antwoordde er een, die waarschijnlijk van Rotterdam of van Vlissingen afkomstig, nu niet weinig trotsch was op zijne zeemanskennis. „Wij gaan er spoedig van door!”„O! mijn arme vader, die mij staat te wachten!” riep er een. „Maar ik had ook zoo’n honger!”[103]En wip was hij naar boven. Hij werd door velen gevolgd, die de snert in den steek lieten, om de toebereidselen tot het vertrek waar te nemen.De drukte aan dek was intusschen toegenomen. Het wemelde daar van kooplieden, marskramers enz. die nog het een of ander aan de vertrekkenden trachtten te venten. Hier en daar stonden matrozen-vrouwen met betraande oogen en met hare kinderen op den arm of aan de hand, en trachtten nog eenige woorden met hare echtgenooten te spreken. Elders liep een boertje het dek op en neer, wrong zich door de menigte, die hem soms den weg versperde, en riep:„Mien zeun! woar is mien zeun?”„Hier is je zoon, boer!” riep een scheepsjongen en bracht hem bij het varkenshok.Och! de arme vader had geen aandacht voor die akelige scherts in dat oogenblik. Overgelukkig voelde hij zich voor een oogenblik, toen hij onder de naar boven komende militairen zijn zoon herkende.„Garrit! Garrit!” riep hij, en een poos later lagen vader en zoon in elkanders armen.Inmiddels waren de sleeptrossen uitgebracht. DeFernandina Maria Emmawas aan denHercules, eene krachtige sleepboot, bevestigd, die dikke wolken zwarten kolendamp uit haren korten dikken schoorsteen braakte en een gillend geluid uitstootte, dat door het geheele Nieuwediep weerklonk, ten teeken dat zij gereed was. De meertrossen waren naar binnen gehaald. De loopplank vormde nog het eenigste verbindingsmiddel met den wal. Thans begonnen de stuur- en bootslieden de landrotten, zij die de reis niet mee zouden maken, te beduiden, dat het tijd werd het schip te verlaten. Dat ging slechts schoorvoetende.„O! Jan!” gilde hier eene jonge vrouw, terwijl zij[104]wanhopig hare armen om den hals van een jeugdig flink matroos geklemd hield.„Mijn zoon!” kreet het boertje van straks, terwijl hij het hoofd van den koloniaal tusschen zijne beide handen genomen had en in zijne oogen keek, alsof hij zich zijn beeld in de ziel wilde griffen.„Dag moeder!” klonk het hier.„Dag Trui!” klonk het daar.Plotseling liet het kommando zich hooren:„Loopplanken en uithouwers op den wal!”Dat hielp. In een oogenblik hadden alle bezoekers het schip verlaten, hetwelk, nadat de loopplanken geheel op den wal gehaald waren, zich langzaam van de kade verwijderde, en, door denHerculesgetrokken, zich statig voortbewoog. Daar ontstond eensklaps een heftig geschreeuw zoowel aan boord, als aan wal.„Houdt hem! houdt hem!” riep de detachements-kommandant.„Grijpt hem! Grijpt hem!” riep de scheeps-kapitein.Een der militairen, de zoon van het boertje van straks, had met een sprongetje de kloof overschreden, die zich iedere sekonde al wijder en wijder tusschen het schip en den wal vormde, en viel zijn vader om den hals om hem nog een laatst vaarwel te zeggen.„Vader! Vader!” snikte de jonge borst. „Zegmoedergoedendag!”Een paar passen verder had een matroos denzelfden sprong gewaagd, en daar zijne vrouw gegrepen, die op de breede borst geklemd, terwijl hij zijn kind, dat zij op den arm droeg, met kussen overdekte.„Dag, Anna!” klonk het daar. „God zij met je!”Dat alles geschiedde in een ondeelbaar oogenblik. En voor nog een paar politie-agenten, die op de kade stonden, eene beweging gemaakt hadden, om aan de kreten[105]van den detachements-kommandant en den scheeps-kapitein gehoor te geven, waren beiden aan boord teruggesprongen, en klommen thans de verschansing weer over.Stampend en snuivend spande de kleine sleepboot alle krachten in om het moment van traagheid van het kolossale fregat te overwinnen. De kloof tusschen den wal en het schip werd al grooter en grooter. Niemand zou den sprong meer kunnen volbrengen. Een groote en joelende menigte volgde langs de kade: familieleden en belangstellenden, die de vertrekkenden hunne beste heilwenschen toeriepen en toewuifden; rondventers, die hunne waren aan boord tegen de laatste dubbeltjes van matrozen en soldaten geruild hadden, en nu hunne kramersbakken afgezet hadden; en eindelijk die schare van straatslijpers en leegloopers, die overal te vinden zijn en in eene havenstad bij het vertrek van een schip nimmer ontbreken.Het fregat kwam al meer en meer in vaart, en stevende de schepen voorbij, die aan de kade gemeerd lagen. De bemanningen dier vaartuigen wisselden een flink hoerah met de equipage en de passagiers van deFernandina Maria Emma. Op het wachtschip, hetwelk ons fregat thans voorbij voer, weerklonk het:„Wien Neerland’s bloed door de aderen vloeit,”den vertrekkenden als afscheidsgroet in de ooren; terwijl beide schepen elkander groetten, door driemaal hunne vlaggen aan den gaffel op en neer te halen.Eindelijk stevende het fregat, steeds door denHerculesgesleept, de haven van Nieuwediep uit en het noorderhoofd om. Er werd nog een laatst hoerah met de menigte op den wal gewisseld, waarna de beide vaartuigen, sleeper en gesleepte, westwaarts wendden, om[106]tusschen Texel en Noordholland door, de Noordzee te bereiken.Het geheele detachement militairen, tot de officieren incluis, lag over de verschansing gebogen om nog een blik aan de vaderlandsche kust, die daar aan bakboord19voorbijgleed, te wijden. Onder die allen waren er twee, die met diep gevoel de door tranen benevelde oogen op dien dierbaren grond gevestigd hielden. Het waren Riethoven en Brinkman, die naast elkander post gevat hadden, elkanders hand omklemd hielden en hun weemoed in een diepen zucht lucht gaven.„Wie weet, wanneer wij die kust weer zullen zien opdoemen?” snikte Herman.„Ja, wie weet wanneer, en wie weet of wij het vaderland wel ooit weer zullen zien?” antwoordde Frank, bij wien in dit plechtig uur de ernst de bovenhand bij zijn gewone luchthartigheid had.„Dit oogenblik heeft iets onmetelijk bitters.”„O! zwijg! Het is alsof ik in mijn binnenste iets voel scheuren.”„Nimmer had ik kunnen denken, dat het scheiden van den vaderlandschen grond zooveel zeer kon doen,” zei Herman, zijn tranen den vrijen loop latende.„Zoudt gij nog terug willen?” vroeg Frank, „het gedane ongedaan maken?”Herman antwoordde niet dadelijk. Op die vraag van zijn vriend sloot hij de oogen en verviel in diep gepeins. Zijne gedachten vervoerden hem ver, zeer ver, daar naar het zuidoosten, werwaarts zijn gelaat nog gekeerd was, als had hij, toen die vraag hem gesteld werd, daar bij den gezichtseinder, die zich achter de poldervlakte van Noord-Nederland sloot, iets gezocht, dat een meer trouw beeld van zijn geboortegrond in dat heilig oogenblik in zijne ziel zou afdrukken. Voor zijne gevoelsoogen zag[107]hij nu de omtrekken zijner moeder oprijzen. In tranen badende lag de arme vrouw in haar slaapvertrek voor een kruisbeeld op den grond geknield, hield haar gelaat in hare handen verborgen en snikte luid. Terwijl zij daar zoo lag, een beeld der wanhoop getrouw, ging de deur open en een meisje trad binnen, sloeg haren sluier terug, schreed tot de diep bedroefde moeder, en beurde haar op.„Lydia!” prevelde Herman onhoorbaar, „Lydia! o wat is ze schoon!”Het droombeeld ging voort in ontwikkeling. Lydia zette de arme moeder op een stoel, vleide zich zacht op haren schoot, sloeg haren fraaien arm om den hals der oude vrouw en fluisterde haar woorden in het oor, die een glans van verrukking op het gelaat der diepbedroefde te voorschijn tooverden.„O! God! mijn leven! mijn alles! om die woorden te mogen vernemen!” fluisterde Herman steeds onhoorbaar in een soort van geestesbedwelming.Had Frank toen zijne vraag herhaald, dan voorzeker had het antwoord geklonken:„Ja, terug! Ik wil terug naar mijn Limburg! Ik wil terug naar mijne moeder! Ik wil terug naar Lydia!”Frank zweeg evenwel, half in eigen gedachten verzonken. Het droombeeld ontwikkelde zich verder. De verrukking van Herman’s moeder steeg nog. Thans sloeg zij den arm om den hals van het jonge meisje, wier natuurlijk schoon nog door een bekoorlijk blosje verhoogd werd, drukte haar aan het hart, greep haar hoofd tusschen de beide handen en keek haar in de fraaie donkere oogen met eene uitdrukking op het gelaat, alsof zij vroeg:„Is het wel waar, wat gij daar zegt? Wilt gij mijn kind, mijn oudste gelukkig maken?”O! het was alsof Herman die woorden hoorde, alsof[108]hij ze zag aan de lippen zijner moeder ontglippen. En wat werd Lydia’s blos nog donkerder! Zij verborg haar gelaat aan het hart harer moederlijke vriendin. Hare borst zwoegde onstuimig. O! omtrent haar antwoord viel zich niet te vergissen! Maar.… welke schrik beving die twee vrouwen? Ziet, zij luisterden met gespannen aandacht.… De deur ging open. Directeur Peeters stond op den drempel. Zijn ascetisch gelaat was bleeker dan gewoonlijk, zijn blik schitterde, zijne neus was nog krommer dan anders, zij was thans in vorm aan een papegaaienbek gelijk. Met een oogopslag zag hij, wat in het gemoed dier twee vrouwen omging. Met vooruitgestoken hand trad hij op haar toe, alsof hij haar onder zijn invloed wilde terugbrengen. Beiden krompen onder dat priestergebaar, bogen het hoofd nog dieper, en gleden op zijne knieën aan de voeten van den Godsman, terwijl zij zijne handen met kussen overdekten.„O! mijn God!” kreunde Herman. „Alweer die aterling op mijn pad!”„Vraagt ge wat?” zei Frank als uit den slaap ontwakende.Weg was Herman’s droombeeld bij het weerklinken van die stem.„Ik?…” vroeg hij verbaasd. „Ik meende integendeel of gij iets vraagdet.”„O ja!… Ik vroeg in antwoord op uwe ontboezeming, dat het scheiden van den vaderlandschen grond zoo zeer deed, of gij terug zoudt willen? of gij het gedane ongedaan zoudt wenschen?”„Ik terug?… Ik!…” was Hermans antwoord met vaste stem maar toch hartstochtelijk gegeven. „Neen, bij God! neen!”Hij streek met de hand langs het voorhoofd, als zocht hij een lastig droombeeld weg te vegen.[109]„Neen, vooruit!” riep hij met geestdrift. „Neen, weg met alle herinneringen! Vooruit, den wijden oceaan in!”Lang bleven de twee vrienden nog over de verschansing turen. DeHerculesstoomde langs den Helderschen dijk naar zee, met het logge fregat in zijn kielzog. Aller oogenaanboord waren op den vaderlandschen bodem gevestigd, die daar voorbij vlood. De daken eerst van Nieuwediep, iets later van Helder werden boven dien dijk ontwaard. Daarna waarde het oog over een groenen polder, die zich eindeloos ver zuidwaarts uitstrekte, toen verscheen het fort Erfprins op den noordwesthoek van Noord-Holland, terwijl de vuurtoren van Kijkduin zich daarachter verhief, omgeven met wallen en borstweringen. Het was of het land daar afgebroken was. Aan bakboord peilde het oog eindelijk langs onafzienbare rijen duinen, terwijl bakboord vooruit slechts de zee ontwaard werd, de Noordzee met haren golfslag, die in witte branding op het zandige strand kwam breken.DeFernandina Maria Emmawas nu in het Schulpengat, de voornaamste toegang van uit de Noordzee tot de reede van Helder en Nieuwediep, die om de zuid langs de Noordhollandsche kust tusschen deze en de Zuiderhaaks, een der meest gevaarlijke zandbanken in die streken, naar het ruime sop voerde. De loods stond bij den kapitein op het achterschip, en gaf bevelen om de zeilen uit de geitouwen los te maken. Toen de uiterton bereikt was, dat wil zeggen, de laatste der boeien, die het Schulpengat bebakenden, werden de sleeptrossen van denHerculesgevierd. De sleepboot viel af, keerde, stoomde het fregat voorbij en beantwoordde het hoerah, dat haar als laatste afscheidsgroet naar het zich al meer en meer verwijderende vaderland werd medegegeven, zoo krachtig mogelijk, en keerde naar Nieuwediep terug.Inmiddels waren de zeilen vierkant gebrast.20Onder[110]de aanwakkerende bries vulden zij zich, en stonden weldra schier bolrond, en schoot deFernandina Maria Emmain zuidelijke richting levendig en dartel vooruit op de lange zilte baan, die zich, in een flesschengroen kleed gedoscht, voor haar uitspreidde.„Welkom in volle zee!” klonk de groet van den loods op het achterdek tot den kapitein.„Dank je loods” was het antwoord van den zeeman.„Welkom in volle zee!” bracht de kapitein den groet aan zijne passagiers over.„Welkom in volle zee!” wenschten de stuurlieden aan de onderofficieren, de matrozen aan de manschappen van het detachement elkander toe.„Welkom in volle zee!” klonk het uit aller mond, terwijl diewelkomstgroetmet een krachtigen handdruk vergezeld ging, en daarbij de wensch geuit werd, dat de reis zoo voorspoedig vervolgd zoude worden, als zij zich thans instelde.Bij dat „welkom in volle zee” had menig oog zich oostwaarts gewend en de Hollandsche kust gezocht. Helaas! daarvan was niet veel meer te zien. Alleen heel in de verte bij de oosterkim was eene lichtende streep te ontwaren, die door de zeelieden blinkerd genoemd en veelvuldig waargenomen wordt, wanneer de zon naar het westen neigende, de duinen op de Hollandsche kust met haar helder licht bestraalt.„Stuurman!” riep de scheepsbevelhebber in eene goede luim gebracht door dat „welkom in volle zee,” maar nog meer door de gunstige gelegenheid, die hem de aanwakkerende noordenwind bood. „Stuurman, bezaanschoot aan!”21Een gerinkinkel met de scheepsklok was het antwoord op dat bevel. Op last van een der officieren van het detachement greep de hoornblazer zijn instrument en[111]blies, natuurlijk zoo valsch mogelijk, een kort maar krachtig „Wilhelmus van Nassauen,” dat door een nog krachtiger hoerah beantwoord werd. Weldra stond een der stuurlieden te midden van een groep matrozen en soldaten, met eene vierkante flesch in de eene, en een blikken musje in de andere hand, en deelde aan ieder der hem omringenden een ration jenever uit, echte A. V. H.22die de kenners—en daar waren er velen—met de tong van genot deed smekken.De zon naderde inmiddels de kim. Het was te voorzien dat de nacht weldra den dag zou vervangen.„Aantreden!” kommandeerde sergeant Riethoven, toen het laatste musje jenever verorberd was. „Kom, aantreden! hangmatten ontvangen!”Dat beddengoed was spoedig genoeg uit den scheepsvoorraad verstrekt, en gaf aanleiding tot een tooneel zoo koddig, dat het de laatst overgebleven gedachte aan den verdwenen vaderlandschen bodem, althans voor dien dag, verbande en eenen geleidelijken overgang tot de nachtrust daarstelde, die velen aan boord, na zoo een dag vol bedrijvigheid voor het lichaam en vol aandoeningen voor den geest, uiterst goed te stade zoude komen.De hangmat is een langwerpige zak van zeildoek, die iets langer dan een lang mensch is. Die zak is over zijn geheele lengte gespleten, en daarin bevindt zich een matrasje en hoofdkussen, die behoorlijk ter gewilder plaatse vastgenaaid zijn. Aan de beide uiteinden van dien zak zijn touwen aangebracht, die dienen moeten om hem behoorlijk op te kunnen hangen, waartoe aan de dekbalken in het tusschendeks van deFernandina Maria Emmastevige latten met klampen aangebracht waren.Al dadelijk was het lachverwekkend te zien, hoe velen de handen verkeerd stonden om de hangmat behoorlijk op te binden. Het leggen van den noodigen[112]knoop, die stevigheid genoeg aanbood om bij de eerste aanraking van het beddengoed niet los te schieten, ging veler handigheid te boven, en was de hulp van de equipage van het schip dan ook noodig om dat werk tot een goed einde te brengen, en om die landrotten dat eens voor te doen. Dat Janmaat hierbij snaaks te werk ging, lag voor de hand.Het koddigste tooneel was evenwel de poging om in die hangmat te geraken. Er behoorde voorzeker eene zekere mate van oefening in de gymnastie toe om in dat bewegelijk ding plaats te nemen. Hij, die dat wenschte te doen, moest de bovenbedoelde latten aan de dekbalken grijpen, zich aan de vuisten omhoog tillen, en met een zwaai de beenen in de spleetopening der hangmat brengen, dan het behoorlijk zwaartepunt vatten, de handen loslaten en zich tusschen de zijwanden van de zak zijner hangmat laten glijden. Enkelen konden zich niet hoog genoeg optillen; anderen zwaaiden in den beginne de beenen te ver en dus over de hangmat heen, die dan van terzijde aangeraakt, zich onder het lichaam wegboog; anderen maakten den zwaai te kort, waardoor de hangmat onder den druk wegvlood, en de onhandigen, aan hunne armen hangende met een schok de verticale positie hernamen; eenigen lieten de latten te vroeg los, vóór dat zij het zwaartepunt van hun zwevend bedtoestel gevonden hadden, waardoor de hangmat eenvoudig kantelde en haren levenden inhoud glippen liet, die dan onzacht op den vloer van het tusschendeks neerkwam. Elders meende er een bij zijn akrobatischen sprong geslaagd te zijn, en lag reeds in zijn hangmat met het hoofd buiten de spleetopening niet zonder leedvermaak naar het getob zijner makkers te gluren, toen eensklaps de lijn aan het hoofdeneind zijner hangmat losschoot, en hij eer dat hij op zoo eene[113]tuimeling verdacht was, op zijn hoofd stond en niet onaardig het beeld eener opgehangen worst vertoonde. In één woord, het was een zonderling gezicht: die gedeeltelijk ontkleede mannen, wier bovenkleederen daar als schimmen aan de scheepswanden of aan de latten der dekbalken hingen, de meest grappige gebaren en bewegingen in het halfduister van het tusschendeks te zien uitvoeren; terwijl de matrozen rondom het luik stonden, en zich ten koste van de onhandigen uiterst vroolijk maakten.„Kom, nog eens probeeren, boontje,23dan zal het wel lukken,” klonk het hier.„Hou je stil, leelijke zwabber,” was het antwoord, „als ik drie dagen aan boord ben, doe ik het net zoo goed als jij.”„Laat je armen vieren! domme marlpriem!” klonk het elders. „Kijk zoo!”En zijne toelichting met het voorbeeld gepaard latende gaan, greep de lichtmatroos-raadgever de latten, zwaaide met onnavolgbare bevalligheid zijne beenen en schoof met zijn teerplunje de hangmat in.„Kijk zoo!” herhaalde hij.Ja, de soldaat keek hem met bewondering aan; maar had toch liever gezien, dat die vieze pijekker niet met zijne matras in aanraking gekomen was.„Ja, jullie zijt ook waterratten,” zeide hij als een soort verontschuldiging voor zijne onhandigheid.„En jullie, landkrabben, dat’s waar! het verschil is groot,” antwoordde Janmaat, terwijl hij met een wip de hangmat uitsprong.Eindelijk waren toch allen geborgen en wiegelden die rijen hangmatten, die, nu gevuld, tegen elkaar gepakt waren, met de zachte bewegingen van het schip mede en zweefden boven de scheepsbakken. De eetzaal was[114]zoodoende in slaapzaal gemetamorfoseerd. De nacht was inmiddels gevallen. Bij het grootluik brandde eene lantaarn, die haren onmiddellijken omtrek slechts flauw verlichtte, de rest van het uitgestrekte tusschendeks daarentegen in volslagen duisternis liet. Dat hinderde evenwel weinig of niets; want het duurde niet lang of uit het luik steeg met een amalgama van houtlucht, van harslucht, van teerlucht, van menschenlucht, van bedorven lucht in één woord, een concert van gesnork en diepe ademhalingen omhoog, hetwelk genoegzaam aanwees, dat het meerendeel in den slaap vergetelheid van dit aardsche bestaan gezocht en gevonden had.[115]
I.Naar zee.
„Ziet ge nog niets in de verte?”„Niets kapitein!” klonk het antwoord op die vraag.„Ik tuur, tuur al, maar niets. Straks meende ik daar voorbij den Balg16een zeil te ontwaren. Het was slechts het schitteren van de zon in de Zuiderzee.”„Waar kunnen ze blijven?” vroeg de eerste weer. „Volgens de aanschrijving van den minister zijn ze voorgisteren uitgezeild, en de afstand van Harderwijk tot hier is zoo groot niet. Zij hadden gisteren reeds hier kunnen zijn.”„He, stop kapitein! zoo’n kaag zeilt zoo hard niet en met den noordenwind, die gisteren en heden gewaaid heeft, hebben die vaartuigen voorzeker moeten laveeren.”„Het is jammer van dien noordenwind. Wij hadden er zoo netjes buiten het Kanaal mee kunnen komen.”„Dat is zoo. Die noordenwind kan evenwel nog wel wat aanhouden, de barometer staat hoog. Maar … daar zie ik iets. Ja, daar komt eene kaag met volle zeilen, daar voorbij den Balg.…”„Laat zien! Geef hier den kijker.… Jawel!… dat zijn ze. Eene kaag met den Nederlandschen vlag in top, en daar eene halve streek lager eene tweede. Geen twijfel[98]meer! Stuurman, laat den kok dadelijk erwtesoep klaarmaken. Ieder man een dubbel ration spek! De kerels zullen wel honger hebben. Overigens alles klaar om onder zeil te gaan!”„Best kapitein!” klonk het antwoord.Dat gesprek werd op den 17denOctober185. gevoerd aan dek van deFernandina Maria Emma, een flink Hollandsch fregatschip, hetwelk aan de kaai te Nieuwediep gemeerd lag. Uit de titels, die de sprekers elkander toevoegden, alsook uit de bevelen, welke de eene gaf, was op te maken, dat het de kapitein en een der stuurlieden van genoemd schip waren, die hunne opmerkzaamheid, aan hetgeen in de verte voorviel, wijdden, en dienovereenkomstig hunne maatregelen namen. Het fregat lag zeilklaar, en wachtte nog maar op de aankomst van een detachement suppletie-troepen, dat naar Oost-Indië zou overgevoerd worden, om de trossen los te gooien en de reis naar Batavia te aanvaarden. Nu dat detachement in het gezicht was, vermeerderde de drukte aan boord niet weinig en nam geleidelijk toe, tot dat de beide kagen het fregat op zijde aangeklampt hadden, en haren inhoud op dek overstortten. De levende lading, die daar overkwam, bleef evenwel aan dek niet; maar ging de loopplank over, en schaarde zich op bevel van haren aanvoerder in een gelid op de kade. Een oogenblik later verscheen de plaatselijke kommandant van Helder om dat detachement te monsteren, d.w.z. zich te overtuigen, dat de lading present was. Het waren 180 mannen, die daar bekeken werden, en bij het passeeren van dien hoofdofficier een voor een hunnen naam moesten noemen, welke alsdan vergeleken werd met het voorkomende op den monsterstaat, dien een adjudant in handen had.Heel voordeelig zag het detachement er niet uit. De[99]manschappen hadden zich gedurende ruim twee en een half etmaal moeten behelpen met het verblijf in eene kaag, waarin zij als slachtvee met hun negentig gestuwd waren geweest. Het weer had zich nog al goed gehouden, zoodat een gedeelte voortdurend op het dek der kleine vaartuigen had kunnen doorbrengen. Ware het anders geweest, dan hadden zij allen beneden moeten blijven, waar geen bank of stoel eenige zitplaats aanbood, en slechts een paar bossen stroo op den vloer uitgespreid lagen, waarop de aanstaande verdedigers der Nederlandsche koloniën hunne ledematen mochten uitstrekken, en zouden zij, volgens de eigenaardige soldaten-uitdrukking, bepaald „lepelsgewijs” hebben moeten liggen om in dat vunzige hol tegen zee- en regenwater beschutting te vinden.Maar, was het weer ook al, van dien kant beschouwd, gunstig te noemen geweest, anders was het met den wind gesteld. Men was met een zwakken oostenwind van Harderwijk vertrokken, die evenwel al spoedig zoodanig begon te krimpen, dat scherp bij den wind moest gezeild worden. Toen men evenwel het Enkhuizer zand17genaderd was, kromp de wind nog meer en moesten de kagen tot laveeren overgaan. Dat vorderde tijd en maakte den toestand onaangenaam, daar, wat de levensmiddelen betrof, slechts op eene reis van hoogstens vier en twintig uren gerekend was, en voor dat tijdperk slechts hard komiesbrood of nog hardere scheepsbeschuit medegenomen was. Wel werd nu in dien nood het eiland Wieringen aangedaan; maar de luitenant, die met ettelijke manschappen ter fourageering uitgezonden was, kon niets anders machtig worden dan brood, en dat nog maar in zoo eene beperkte hoeveelheid, dat ternauwernood een half ons aan ieder hongerige kon verstrekt worden. Een ware kwelling dus, niets meer![100]Eindelijk waren de kagen het eiland Wieringen kruisende te bovengekomen. Toen hadden zij den boeg gewend, en waren westwaarts op met volle zeilen tusschen Lutjeswaard18en het Balgzand door, de haven van Nieuwediep binnen gestevend.Maar tweemaal vier en twintig uren aan boord van eene kaag op een half onsje brood, dat was niet alles, betuigden de toekomstige helden. Och, zij zouden in de toekomst nog wel meer ondervinden!Toch zagen de manschappen, zooals zij daar aangetreden stonden, met den spekzak op de eene en de veldflesch op de andere zijde bengelende, er nog betrekkelijk goed uit, en had de plaatselijke kommandant van Helder redenen van tevredenheid. Allen waren present op de monstering, dat was voorshands het voornaamste. Geen der manschappen had gepoogd zich onder het stroo in de kagen te verstoppen, om daarna de plaat te kunnen poetsen. De plaatselijke kommandant teekende dan ook den monstersstaat af, gaf het triplikaat daarvan aan den detachements-kommandant, wenschte dezen goede reis, bracht daarna de rechterhand aan de klep van zijn schakot en … vertrok.„Sergeant Fraenkel zal voor de overscheping der militaire goederen zorgen” gelastte de detachements-kommandant. „Sergeant Riethoven voert de manschappen aan boord terug. Stelt ze op het achterdek in twee gelederen op. Hier hebt ge den indeelingstaat, deelt ze dadelijk in bakken in!”Beide onderofficieren brachten eerbiedig de hand aan de kwartiermuts en volvoerden de gegeven orders.„Rechts-om!” kommandeerde sergeant Riethoven, „Voorwaarts, marsch!”En een oogenblik later:„Met rotten rechts!”[101]Het detachement stapte de loopplank over, werd op het achterdek eerst op twee gelederen geschaard en daarna tien aan tien in bakken ingedeeld.De eigenlijke bak is een houten kist niet ongelijk aan een trog, die tusschendeks op den vloer staat, en daar met klampen vastgezet is. In dien trog wordt het niet overdadige komaliewant (eetservies) van de bij dien bak ingedeelden opgeborgen. Over het geheel beveelt een baksmeester, in den regel een korporaal of bij gebreke aan dien een oppassend soldaat, en is een bakszeuntje belast met het schoonhouden van het komaliewant en het halen van het eten aan de kombuis. Ook de onderofficieren werden baksgewijs ingedeeld; maar daarbij deden eenige manschappen van het detachement voor eene geringe retributie den dienst van bakszeuntje.Nauwelijks was de indeeling geschied, toen de eerste stuurman den sergeant Riethoven iets in het oor fluisterde. Deze sloeg het oog op den detachements-kommandant, die een teeken gaf.„Hoornblazer! eten!” klonk het bevel van den onderofficier.Het signaal, dat aller magen bevrediging zoude brengen, schetterde en ontlokte een uitbundig gejuich onder de aanwezigen. De bakszeuntjes werden voorgeroepen, en weldra zat de geheele troep beneden in het tusschendeks op den vloer om de bakken geschaard, waarop de dampende kommen met snert prijkten. De baksmeesters verdeelden het spek, dat uit de erwtensoep te voorschijn gehaald werd, waarna het teeken ten aanval gegeven werd, en de lepels beurtelings in den smakelijk uitzienden brei daalden.„Verd …! de snert is heet!” gilde er een, die zijn honger wat te doldriftig had willen stillen.„Heeft je moeder je geen blazen geleerd?” klonk de troostende vraag.[102]Er werd niet gepraat, daartoe had niemand tijd. In de eerste oogenblikken werd niets anders dan een eigenaardig smekken in dat scheepsruim vernomen, vergezeld van een getiktak der ijzeren lepels tegen elkander bij het uitscheppen of tegen den rand der houten kommen, die de erwtensoep bevatten. De bakszeuntjes gingen nog een bezoek bij de kombuis brengen, en keerden andermaal met een vollen kom terug. Een gejuich steeg andermaal op.„Wat is die snert verduiveld lekker!” klonk het hier.„Je kunt er je lepel rechtop in zetten! zoo dik is ze,” klonk het daar.„Ik teeken voor mijn geheel leven, als de menage zoo’n snert altijd opschept!”„Met zoo’n heerlijk zoutspek, als dit.”„Mis, je weet er geen bliksem van! Het is rookspek, en nog wel echt Hollandsch!”„Neen, het is Amerikaansch!”„Neen, Hollandsch!”„Neen Amer.….”„Ahoi!.…” klonk het boven. „Halen! die tros!”Daarop viel een solozanger met schorre stem in, en zong„De baggerman, die arme sul!”„Hoera mij boy’s! Hoerah mij boy’s!” vulde een koor van nog schordere stemmen aan.„Wat voeren ze daarboven uit?” vroeg een der militairen beneden, den mond nog half gevuld met erwtensoep.„De matrozen brengen de sleeptrossen uit en halen de meertrossen in,” antwoordde er een, die waarschijnlijk van Rotterdam of van Vlissingen afkomstig, nu niet weinig trotsch was op zijne zeemanskennis. „Wij gaan er spoedig van door!”„O! mijn arme vader, die mij staat te wachten!” riep er een. „Maar ik had ook zoo’n honger!”[103]En wip was hij naar boven. Hij werd door velen gevolgd, die de snert in den steek lieten, om de toebereidselen tot het vertrek waar te nemen.De drukte aan dek was intusschen toegenomen. Het wemelde daar van kooplieden, marskramers enz. die nog het een of ander aan de vertrekkenden trachtten te venten. Hier en daar stonden matrozen-vrouwen met betraande oogen en met hare kinderen op den arm of aan de hand, en trachtten nog eenige woorden met hare echtgenooten te spreken. Elders liep een boertje het dek op en neer, wrong zich door de menigte, die hem soms den weg versperde, en riep:„Mien zeun! woar is mien zeun?”„Hier is je zoon, boer!” riep een scheepsjongen en bracht hem bij het varkenshok.Och! de arme vader had geen aandacht voor die akelige scherts in dat oogenblik. Overgelukkig voelde hij zich voor een oogenblik, toen hij onder de naar boven komende militairen zijn zoon herkende.„Garrit! Garrit!” riep hij, en een poos later lagen vader en zoon in elkanders armen.Inmiddels waren de sleeptrossen uitgebracht. DeFernandina Maria Emmawas aan denHercules, eene krachtige sleepboot, bevestigd, die dikke wolken zwarten kolendamp uit haren korten dikken schoorsteen braakte en een gillend geluid uitstootte, dat door het geheele Nieuwediep weerklonk, ten teeken dat zij gereed was. De meertrossen waren naar binnen gehaald. De loopplank vormde nog het eenigste verbindingsmiddel met den wal. Thans begonnen de stuur- en bootslieden de landrotten, zij die de reis niet mee zouden maken, te beduiden, dat het tijd werd het schip te verlaten. Dat ging slechts schoorvoetende.„O! Jan!” gilde hier eene jonge vrouw, terwijl zij[104]wanhopig hare armen om den hals van een jeugdig flink matroos geklemd hield.„Mijn zoon!” kreet het boertje van straks, terwijl hij het hoofd van den koloniaal tusschen zijne beide handen genomen had en in zijne oogen keek, alsof hij zich zijn beeld in de ziel wilde griffen.„Dag moeder!” klonk het hier.„Dag Trui!” klonk het daar.Plotseling liet het kommando zich hooren:„Loopplanken en uithouwers op den wal!”Dat hielp. In een oogenblik hadden alle bezoekers het schip verlaten, hetwelk, nadat de loopplanken geheel op den wal gehaald waren, zich langzaam van de kade verwijderde, en, door denHerculesgetrokken, zich statig voortbewoog. Daar ontstond eensklaps een heftig geschreeuw zoowel aan boord, als aan wal.„Houdt hem! houdt hem!” riep de detachements-kommandant.„Grijpt hem! Grijpt hem!” riep de scheeps-kapitein.Een der militairen, de zoon van het boertje van straks, had met een sprongetje de kloof overschreden, die zich iedere sekonde al wijder en wijder tusschen het schip en den wal vormde, en viel zijn vader om den hals om hem nog een laatst vaarwel te zeggen.„Vader! Vader!” snikte de jonge borst. „Zegmoedergoedendag!”Een paar passen verder had een matroos denzelfden sprong gewaagd, en daar zijne vrouw gegrepen, die op de breede borst geklemd, terwijl hij zijn kind, dat zij op den arm droeg, met kussen overdekte.„Dag, Anna!” klonk het daar. „God zij met je!”Dat alles geschiedde in een ondeelbaar oogenblik. En voor nog een paar politie-agenten, die op de kade stonden, eene beweging gemaakt hadden, om aan de kreten[105]van den detachements-kommandant en den scheeps-kapitein gehoor te geven, waren beiden aan boord teruggesprongen, en klommen thans de verschansing weer over.Stampend en snuivend spande de kleine sleepboot alle krachten in om het moment van traagheid van het kolossale fregat te overwinnen. De kloof tusschen den wal en het schip werd al grooter en grooter. Niemand zou den sprong meer kunnen volbrengen. Een groote en joelende menigte volgde langs de kade: familieleden en belangstellenden, die de vertrekkenden hunne beste heilwenschen toeriepen en toewuifden; rondventers, die hunne waren aan boord tegen de laatste dubbeltjes van matrozen en soldaten geruild hadden, en nu hunne kramersbakken afgezet hadden; en eindelijk die schare van straatslijpers en leegloopers, die overal te vinden zijn en in eene havenstad bij het vertrek van een schip nimmer ontbreken.Het fregat kwam al meer en meer in vaart, en stevende de schepen voorbij, die aan de kade gemeerd lagen. De bemanningen dier vaartuigen wisselden een flink hoerah met de equipage en de passagiers van deFernandina Maria Emma. Op het wachtschip, hetwelk ons fregat thans voorbij voer, weerklonk het:„Wien Neerland’s bloed door de aderen vloeit,”den vertrekkenden als afscheidsgroet in de ooren; terwijl beide schepen elkander groetten, door driemaal hunne vlaggen aan den gaffel op en neer te halen.Eindelijk stevende het fregat, steeds door denHerculesgesleept, de haven van Nieuwediep uit en het noorderhoofd om. Er werd nog een laatst hoerah met de menigte op den wal gewisseld, waarna de beide vaartuigen, sleeper en gesleepte, westwaarts wendden, om[106]tusschen Texel en Noordholland door, de Noordzee te bereiken.Het geheele detachement militairen, tot de officieren incluis, lag over de verschansing gebogen om nog een blik aan de vaderlandsche kust, die daar aan bakboord19voorbijgleed, te wijden. Onder die allen waren er twee, die met diep gevoel de door tranen benevelde oogen op dien dierbaren grond gevestigd hielden. Het waren Riethoven en Brinkman, die naast elkander post gevat hadden, elkanders hand omklemd hielden en hun weemoed in een diepen zucht lucht gaven.„Wie weet, wanneer wij die kust weer zullen zien opdoemen?” snikte Herman.„Ja, wie weet wanneer, en wie weet of wij het vaderland wel ooit weer zullen zien?” antwoordde Frank, bij wien in dit plechtig uur de ernst de bovenhand bij zijn gewone luchthartigheid had.„Dit oogenblik heeft iets onmetelijk bitters.”„O! zwijg! Het is alsof ik in mijn binnenste iets voel scheuren.”„Nimmer had ik kunnen denken, dat het scheiden van den vaderlandschen grond zooveel zeer kon doen,” zei Herman, zijn tranen den vrijen loop latende.„Zoudt gij nog terug willen?” vroeg Frank, „het gedane ongedaan maken?”Herman antwoordde niet dadelijk. Op die vraag van zijn vriend sloot hij de oogen en verviel in diep gepeins. Zijne gedachten vervoerden hem ver, zeer ver, daar naar het zuidoosten, werwaarts zijn gelaat nog gekeerd was, als had hij, toen die vraag hem gesteld werd, daar bij den gezichtseinder, die zich achter de poldervlakte van Noord-Nederland sloot, iets gezocht, dat een meer trouw beeld van zijn geboortegrond in dat heilig oogenblik in zijne ziel zou afdrukken. Voor zijne gevoelsoogen zag[107]hij nu de omtrekken zijner moeder oprijzen. In tranen badende lag de arme vrouw in haar slaapvertrek voor een kruisbeeld op den grond geknield, hield haar gelaat in hare handen verborgen en snikte luid. Terwijl zij daar zoo lag, een beeld der wanhoop getrouw, ging de deur open en een meisje trad binnen, sloeg haren sluier terug, schreed tot de diep bedroefde moeder, en beurde haar op.„Lydia!” prevelde Herman onhoorbaar, „Lydia! o wat is ze schoon!”Het droombeeld ging voort in ontwikkeling. Lydia zette de arme moeder op een stoel, vleide zich zacht op haren schoot, sloeg haren fraaien arm om den hals der oude vrouw en fluisterde haar woorden in het oor, die een glans van verrukking op het gelaat der diepbedroefde te voorschijn tooverden.„O! God! mijn leven! mijn alles! om die woorden te mogen vernemen!” fluisterde Herman steeds onhoorbaar in een soort van geestesbedwelming.Had Frank toen zijne vraag herhaald, dan voorzeker had het antwoord geklonken:„Ja, terug! Ik wil terug naar mijn Limburg! Ik wil terug naar mijne moeder! Ik wil terug naar Lydia!”Frank zweeg evenwel, half in eigen gedachten verzonken. Het droombeeld ontwikkelde zich verder. De verrukking van Herman’s moeder steeg nog. Thans sloeg zij den arm om den hals van het jonge meisje, wier natuurlijk schoon nog door een bekoorlijk blosje verhoogd werd, drukte haar aan het hart, greep haar hoofd tusschen de beide handen en keek haar in de fraaie donkere oogen met eene uitdrukking op het gelaat, alsof zij vroeg:„Is het wel waar, wat gij daar zegt? Wilt gij mijn kind, mijn oudste gelukkig maken?”O! het was alsof Herman die woorden hoorde, alsof[108]hij ze zag aan de lippen zijner moeder ontglippen. En wat werd Lydia’s blos nog donkerder! Zij verborg haar gelaat aan het hart harer moederlijke vriendin. Hare borst zwoegde onstuimig. O! omtrent haar antwoord viel zich niet te vergissen! Maar.… welke schrik beving die twee vrouwen? Ziet, zij luisterden met gespannen aandacht.… De deur ging open. Directeur Peeters stond op den drempel. Zijn ascetisch gelaat was bleeker dan gewoonlijk, zijn blik schitterde, zijne neus was nog krommer dan anders, zij was thans in vorm aan een papegaaienbek gelijk. Met een oogopslag zag hij, wat in het gemoed dier twee vrouwen omging. Met vooruitgestoken hand trad hij op haar toe, alsof hij haar onder zijn invloed wilde terugbrengen. Beiden krompen onder dat priestergebaar, bogen het hoofd nog dieper, en gleden op zijne knieën aan de voeten van den Godsman, terwijl zij zijne handen met kussen overdekten.„O! mijn God!” kreunde Herman. „Alweer die aterling op mijn pad!”„Vraagt ge wat?” zei Frank als uit den slaap ontwakende.Weg was Herman’s droombeeld bij het weerklinken van die stem.„Ik?…” vroeg hij verbaasd. „Ik meende integendeel of gij iets vraagdet.”„O ja!… Ik vroeg in antwoord op uwe ontboezeming, dat het scheiden van den vaderlandschen grond zoo zeer deed, of gij terug zoudt willen? of gij het gedane ongedaan zoudt wenschen?”„Ik terug?… Ik!…” was Hermans antwoord met vaste stem maar toch hartstochtelijk gegeven. „Neen, bij God! neen!”Hij streek met de hand langs het voorhoofd, als zocht hij een lastig droombeeld weg te vegen.[109]„Neen, vooruit!” riep hij met geestdrift. „Neen, weg met alle herinneringen! Vooruit, den wijden oceaan in!”Lang bleven de twee vrienden nog over de verschansing turen. DeHerculesstoomde langs den Helderschen dijk naar zee, met het logge fregat in zijn kielzog. Aller oogenaanboord waren op den vaderlandschen bodem gevestigd, die daar voorbij vlood. De daken eerst van Nieuwediep, iets later van Helder werden boven dien dijk ontwaard. Daarna waarde het oog over een groenen polder, die zich eindeloos ver zuidwaarts uitstrekte, toen verscheen het fort Erfprins op den noordwesthoek van Noord-Holland, terwijl de vuurtoren van Kijkduin zich daarachter verhief, omgeven met wallen en borstweringen. Het was of het land daar afgebroken was. Aan bakboord peilde het oog eindelijk langs onafzienbare rijen duinen, terwijl bakboord vooruit slechts de zee ontwaard werd, de Noordzee met haren golfslag, die in witte branding op het zandige strand kwam breken.DeFernandina Maria Emmawas nu in het Schulpengat, de voornaamste toegang van uit de Noordzee tot de reede van Helder en Nieuwediep, die om de zuid langs de Noordhollandsche kust tusschen deze en de Zuiderhaaks, een der meest gevaarlijke zandbanken in die streken, naar het ruime sop voerde. De loods stond bij den kapitein op het achterschip, en gaf bevelen om de zeilen uit de geitouwen los te maken. Toen de uiterton bereikt was, dat wil zeggen, de laatste der boeien, die het Schulpengat bebakenden, werden de sleeptrossen van denHerculesgevierd. De sleepboot viel af, keerde, stoomde het fregat voorbij en beantwoordde het hoerah, dat haar als laatste afscheidsgroet naar het zich al meer en meer verwijderende vaderland werd medegegeven, zoo krachtig mogelijk, en keerde naar Nieuwediep terug.Inmiddels waren de zeilen vierkant gebrast.20Onder[110]de aanwakkerende bries vulden zij zich, en stonden weldra schier bolrond, en schoot deFernandina Maria Emmain zuidelijke richting levendig en dartel vooruit op de lange zilte baan, die zich, in een flesschengroen kleed gedoscht, voor haar uitspreidde.„Welkom in volle zee!” klonk de groet van den loods op het achterdek tot den kapitein.„Dank je loods” was het antwoord van den zeeman.„Welkom in volle zee!” bracht de kapitein den groet aan zijne passagiers over.„Welkom in volle zee!” wenschten de stuurlieden aan de onderofficieren, de matrozen aan de manschappen van het detachement elkander toe.„Welkom in volle zee!” klonk het uit aller mond, terwijl diewelkomstgroetmet een krachtigen handdruk vergezeld ging, en daarbij de wensch geuit werd, dat de reis zoo voorspoedig vervolgd zoude worden, als zij zich thans instelde.Bij dat „welkom in volle zee” had menig oog zich oostwaarts gewend en de Hollandsche kust gezocht. Helaas! daarvan was niet veel meer te zien. Alleen heel in de verte bij de oosterkim was eene lichtende streep te ontwaren, die door de zeelieden blinkerd genoemd en veelvuldig waargenomen wordt, wanneer de zon naar het westen neigende, de duinen op de Hollandsche kust met haar helder licht bestraalt.„Stuurman!” riep de scheepsbevelhebber in eene goede luim gebracht door dat „welkom in volle zee,” maar nog meer door de gunstige gelegenheid, die hem de aanwakkerende noordenwind bood. „Stuurman, bezaanschoot aan!”21Een gerinkinkel met de scheepsklok was het antwoord op dat bevel. Op last van een der officieren van het detachement greep de hoornblazer zijn instrument en[111]blies, natuurlijk zoo valsch mogelijk, een kort maar krachtig „Wilhelmus van Nassauen,” dat door een nog krachtiger hoerah beantwoord werd. Weldra stond een der stuurlieden te midden van een groep matrozen en soldaten, met eene vierkante flesch in de eene, en een blikken musje in de andere hand, en deelde aan ieder der hem omringenden een ration jenever uit, echte A. V. H.22die de kenners—en daar waren er velen—met de tong van genot deed smekken.De zon naderde inmiddels de kim. Het was te voorzien dat de nacht weldra den dag zou vervangen.„Aantreden!” kommandeerde sergeant Riethoven, toen het laatste musje jenever verorberd was. „Kom, aantreden! hangmatten ontvangen!”Dat beddengoed was spoedig genoeg uit den scheepsvoorraad verstrekt, en gaf aanleiding tot een tooneel zoo koddig, dat het de laatst overgebleven gedachte aan den verdwenen vaderlandschen bodem, althans voor dien dag, verbande en eenen geleidelijken overgang tot de nachtrust daarstelde, die velen aan boord, na zoo een dag vol bedrijvigheid voor het lichaam en vol aandoeningen voor den geest, uiterst goed te stade zoude komen.De hangmat is een langwerpige zak van zeildoek, die iets langer dan een lang mensch is. Die zak is over zijn geheele lengte gespleten, en daarin bevindt zich een matrasje en hoofdkussen, die behoorlijk ter gewilder plaatse vastgenaaid zijn. Aan de beide uiteinden van dien zak zijn touwen aangebracht, die dienen moeten om hem behoorlijk op te kunnen hangen, waartoe aan de dekbalken in het tusschendeks van deFernandina Maria Emmastevige latten met klampen aangebracht waren.Al dadelijk was het lachverwekkend te zien, hoe velen de handen verkeerd stonden om de hangmat behoorlijk op te binden. Het leggen van den noodigen[112]knoop, die stevigheid genoeg aanbood om bij de eerste aanraking van het beddengoed niet los te schieten, ging veler handigheid te boven, en was de hulp van de equipage van het schip dan ook noodig om dat werk tot een goed einde te brengen, en om die landrotten dat eens voor te doen. Dat Janmaat hierbij snaaks te werk ging, lag voor de hand.Het koddigste tooneel was evenwel de poging om in die hangmat te geraken. Er behoorde voorzeker eene zekere mate van oefening in de gymnastie toe om in dat bewegelijk ding plaats te nemen. Hij, die dat wenschte te doen, moest de bovenbedoelde latten aan de dekbalken grijpen, zich aan de vuisten omhoog tillen, en met een zwaai de beenen in de spleetopening der hangmat brengen, dan het behoorlijk zwaartepunt vatten, de handen loslaten en zich tusschen de zijwanden van de zak zijner hangmat laten glijden. Enkelen konden zich niet hoog genoeg optillen; anderen zwaaiden in den beginne de beenen te ver en dus over de hangmat heen, die dan van terzijde aangeraakt, zich onder het lichaam wegboog; anderen maakten den zwaai te kort, waardoor de hangmat onder den druk wegvlood, en de onhandigen, aan hunne armen hangende met een schok de verticale positie hernamen; eenigen lieten de latten te vroeg los, vóór dat zij het zwaartepunt van hun zwevend bedtoestel gevonden hadden, waardoor de hangmat eenvoudig kantelde en haren levenden inhoud glippen liet, die dan onzacht op den vloer van het tusschendeks neerkwam. Elders meende er een bij zijn akrobatischen sprong geslaagd te zijn, en lag reeds in zijn hangmat met het hoofd buiten de spleetopening niet zonder leedvermaak naar het getob zijner makkers te gluren, toen eensklaps de lijn aan het hoofdeneind zijner hangmat losschoot, en hij eer dat hij op zoo eene[113]tuimeling verdacht was, op zijn hoofd stond en niet onaardig het beeld eener opgehangen worst vertoonde. In één woord, het was een zonderling gezicht: die gedeeltelijk ontkleede mannen, wier bovenkleederen daar als schimmen aan de scheepswanden of aan de latten der dekbalken hingen, de meest grappige gebaren en bewegingen in het halfduister van het tusschendeks te zien uitvoeren; terwijl de matrozen rondom het luik stonden, en zich ten koste van de onhandigen uiterst vroolijk maakten.„Kom, nog eens probeeren, boontje,23dan zal het wel lukken,” klonk het hier.„Hou je stil, leelijke zwabber,” was het antwoord, „als ik drie dagen aan boord ben, doe ik het net zoo goed als jij.”„Laat je armen vieren! domme marlpriem!” klonk het elders. „Kijk zoo!”En zijne toelichting met het voorbeeld gepaard latende gaan, greep de lichtmatroos-raadgever de latten, zwaaide met onnavolgbare bevalligheid zijne beenen en schoof met zijn teerplunje de hangmat in.„Kijk zoo!” herhaalde hij.Ja, de soldaat keek hem met bewondering aan; maar had toch liever gezien, dat die vieze pijekker niet met zijne matras in aanraking gekomen was.„Ja, jullie zijt ook waterratten,” zeide hij als een soort verontschuldiging voor zijne onhandigheid.„En jullie, landkrabben, dat’s waar! het verschil is groot,” antwoordde Janmaat, terwijl hij met een wip de hangmat uitsprong.Eindelijk waren toch allen geborgen en wiegelden die rijen hangmatten, die, nu gevuld, tegen elkaar gepakt waren, met de zachte bewegingen van het schip mede en zweefden boven de scheepsbakken. De eetzaal was[114]zoodoende in slaapzaal gemetamorfoseerd. De nacht was inmiddels gevallen. Bij het grootluik brandde eene lantaarn, die haren onmiddellijken omtrek slechts flauw verlichtte, de rest van het uitgestrekte tusschendeks daarentegen in volslagen duisternis liet. Dat hinderde evenwel weinig of niets; want het duurde niet lang of uit het luik steeg met een amalgama van houtlucht, van harslucht, van teerlucht, van menschenlucht, van bedorven lucht in één woord, een concert van gesnork en diepe ademhalingen omhoog, hetwelk genoegzaam aanwees, dat het meerendeel in den slaap vergetelheid van dit aardsche bestaan gezocht en gevonden had.[115]
„Ziet ge nog niets in de verte?”
„Niets kapitein!” klonk het antwoord op die vraag.„Ik tuur, tuur al, maar niets. Straks meende ik daar voorbij den Balg16een zeil te ontwaren. Het was slechts het schitteren van de zon in de Zuiderzee.”
„Waar kunnen ze blijven?” vroeg de eerste weer. „Volgens de aanschrijving van den minister zijn ze voorgisteren uitgezeild, en de afstand van Harderwijk tot hier is zoo groot niet. Zij hadden gisteren reeds hier kunnen zijn.”
„He, stop kapitein! zoo’n kaag zeilt zoo hard niet en met den noordenwind, die gisteren en heden gewaaid heeft, hebben die vaartuigen voorzeker moeten laveeren.”
„Het is jammer van dien noordenwind. Wij hadden er zoo netjes buiten het Kanaal mee kunnen komen.”
„Dat is zoo. Die noordenwind kan evenwel nog wel wat aanhouden, de barometer staat hoog. Maar … daar zie ik iets. Ja, daar komt eene kaag met volle zeilen, daar voorbij den Balg.…”
„Laat zien! Geef hier den kijker.… Jawel!… dat zijn ze. Eene kaag met den Nederlandschen vlag in top, en daar eene halve streek lager eene tweede. Geen twijfel[98]meer! Stuurman, laat den kok dadelijk erwtesoep klaarmaken. Ieder man een dubbel ration spek! De kerels zullen wel honger hebben. Overigens alles klaar om onder zeil te gaan!”
„Best kapitein!” klonk het antwoord.
Dat gesprek werd op den 17denOctober185. gevoerd aan dek van deFernandina Maria Emma, een flink Hollandsch fregatschip, hetwelk aan de kaai te Nieuwediep gemeerd lag. Uit de titels, die de sprekers elkander toevoegden, alsook uit de bevelen, welke de eene gaf, was op te maken, dat het de kapitein en een der stuurlieden van genoemd schip waren, die hunne opmerkzaamheid, aan hetgeen in de verte voorviel, wijdden, en dienovereenkomstig hunne maatregelen namen. Het fregat lag zeilklaar, en wachtte nog maar op de aankomst van een detachement suppletie-troepen, dat naar Oost-Indië zou overgevoerd worden, om de trossen los te gooien en de reis naar Batavia te aanvaarden. Nu dat detachement in het gezicht was, vermeerderde de drukte aan boord niet weinig en nam geleidelijk toe, tot dat de beide kagen het fregat op zijde aangeklampt hadden, en haren inhoud op dek overstortten. De levende lading, die daar overkwam, bleef evenwel aan dek niet; maar ging de loopplank over, en schaarde zich op bevel van haren aanvoerder in een gelid op de kade. Een oogenblik later verscheen de plaatselijke kommandant van Helder om dat detachement te monsteren, d.w.z. zich te overtuigen, dat de lading present was. Het waren 180 mannen, die daar bekeken werden, en bij het passeeren van dien hoofdofficier een voor een hunnen naam moesten noemen, welke alsdan vergeleken werd met het voorkomende op den monsterstaat, dien een adjudant in handen had.
Heel voordeelig zag het detachement er niet uit. De[99]manschappen hadden zich gedurende ruim twee en een half etmaal moeten behelpen met het verblijf in eene kaag, waarin zij als slachtvee met hun negentig gestuwd waren geweest. Het weer had zich nog al goed gehouden, zoodat een gedeelte voortdurend op het dek der kleine vaartuigen had kunnen doorbrengen. Ware het anders geweest, dan hadden zij allen beneden moeten blijven, waar geen bank of stoel eenige zitplaats aanbood, en slechts een paar bossen stroo op den vloer uitgespreid lagen, waarop de aanstaande verdedigers der Nederlandsche koloniën hunne ledematen mochten uitstrekken, en zouden zij, volgens de eigenaardige soldaten-uitdrukking, bepaald „lepelsgewijs” hebben moeten liggen om in dat vunzige hol tegen zee- en regenwater beschutting te vinden.
Maar, was het weer ook al, van dien kant beschouwd, gunstig te noemen geweest, anders was het met den wind gesteld. Men was met een zwakken oostenwind van Harderwijk vertrokken, die evenwel al spoedig zoodanig begon te krimpen, dat scherp bij den wind moest gezeild worden. Toen men evenwel het Enkhuizer zand17genaderd was, kromp de wind nog meer en moesten de kagen tot laveeren overgaan. Dat vorderde tijd en maakte den toestand onaangenaam, daar, wat de levensmiddelen betrof, slechts op eene reis van hoogstens vier en twintig uren gerekend was, en voor dat tijdperk slechts hard komiesbrood of nog hardere scheepsbeschuit medegenomen was. Wel werd nu in dien nood het eiland Wieringen aangedaan; maar de luitenant, die met ettelijke manschappen ter fourageering uitgezonden was, kon niets anders machtig worden dan brood, en dat nog maar in zoo eene beperkte hoeveelheid, dat ternauwernood een half ons aan ieder hongerige kon verstrekt worden. Een ware kwelling dus, niets meer![100]
Eindelijk waren de kagen het eiland Wieringen kruisende te bovengekomen. Toen hadden zij den boeg gewend, en waren westwaarts op met volle zeilen tusschen Lutjeswaard18en het Balgzand door, de haven van Nieuwediep binnen gestevend.
Maar tweemaal vier en twintig uren aan boord van eene kaag op een half onsje brood, dat was niet alles, betuigden de toekomstige helden. Och, zij zouden in de toekomst nog wel meer ondervinden!
Toch zagen de manschappen, zooals zij daar aangetreden stonden, met den spekzak op de eene en de veldflesch op de andere zijde bengelende, er nog betrekkelijk goed uit, en had de plaatselijke kommandant van Helder redenen van tevredenheid. Allen waren present op de monstering, dat was voorshands het voornaamste. Geen der manschappen had gepoogd zich onder het stroo in de kagen te verstoppen, om daarna de plaat te kunnen poetsen. De plaatselijke kommandant teekende dan ook den monstersstaat af, gaf het triplikaat daarvan aan den detachements-kommandant, wenschte dezen goede reis, bracht daarna de rechterhand aan de klep van zijn schakot en … vertrok.
„Sergeant Fraenkel zal voor de overscheping der militaire goederen zorgen” gelastte de detachements-kommandant. „Sergeant Riethoven voert de manschappen aan boord terug. Stelt ze op het achterdek in twee gelederen op. Hier hebt ge den indeelingstaat, deelt ze dadelijk in bakken in!”
Beide onderofficieren brachten eerbiedig de hand aan de kwartiermuts en volvoerden de gegeven orders.
„Rechts-om!” kommandeerde sergeant Riethoven, „Voorwaarts, marsch!”
En een oogenblik later:
„Met rotten rechts!”[101]
Het detachement stapte de loopplank over, werd op het achterdek eerst op twee gelederen geschaard en daarna tien aan tien in bakken ingedeeld.
De eigenlijke bak is een houten kist niet ongelijk aan een trog, die tusschendeks op den vloer staat, en daar met klampen vastgezet is. In dien trog wordt het niet overdadige komaliewant (eetservies) van de bij dien bak ingedeelden opgeborgen. Over het geheel beveelt een baksmeester, in den regel een korporaal of bij gebreke aan dien een oppassend soldaat, en is een bakszeuntje belast met het schoonhouden van het komaliewant en het halen van het eten aan de kombuis. Ook de onderofficieren werden baksgewijs ingedeeld; maar daarbij deden eenige manschappen van het detachement voor eene geringe retributie den dienst van bakszeuntje.
Nauwelijks was de indeeling geschied, toen de eerste stuurman den sergeant Riethoven iets in het oor fluisterde. Deze sloeg het oog op den detachements-kommandant, die een teeken gaf.
„Hoornblazer! eten!” klonk het bevel van den onderofficier.
Het signaal, dat aller magen bevrediging zoude brengen, schetterde en ontlokte een uitbundig gejuich onder de aanwezigen. De bakszeuntjes werden voorgeroepen, en weldra zat de geheele troep beneden in het tusschendeks op den vloer om de bakken geschaard, waarop de dampende kommen met snert prijkten. De baksmeesters verdeelden het spek, dat uit de erwtensoep te voorschijn gehaald werd, waarna het teeken ten aanval gegeven werd, en de lepels beurtelings in den smakelijk uitzienden brei daalden.
„Verd …! de snert is heet!” gilde er een, die zijn honger wat te doldriftig had willen stillen.
„Heeft je moeder je geen blazen geleerd?” klonk de troostende vraag.[102]
Er werd niet gepraat, daartoe had niemand tijd. In de eerste oogenblikken werd niets anders dan een eigenaardig smekken in dat scheepsruim vernomen, vergezeld van een getiktak der ijzeren lepels tegen elkander bij het uitscheppen of tegen den rand der houten kommen, die de erwtensoep bevatten. De bakszeuntjes gingen nog een bezoek bij de kombuis brengen, en keerden andermaal met een vollen kom terug. Een gejuich steeg andermaal op.
„Wat is die snert verduiveld lekker!” klonk het hier.
„Je kunt er je lepel rechtop in zetten! zoo dik is ze,” klonk het daar.
„Ik teeken voor mijn geheel leven, als de menage zoo’n snert altijd opschept!”
„Met zoo’n heerlijk zoutspek, als dit.”
„Mis, je weet er geen bliksem van! Het is rookspek, en nog wel echt Hollandsch!”
„Neen, het is Amerikaansch!”
„Neen, Hollandsch!”
„Neen Amer.….”
„Ahoi!.…” klonk het boven. „Halen! die tros!”
Daarop viel een solozanger met schorre stem in, en zong
„De baggerman, die arme sul!”
„De baggerman, die arme sul!”
„Hoera mij boy’s! Hoerah mij boy’s!” vulde een koor van nog schordere stemmen aan.
„Wat voeren ze daarboven uit?” vroeg een der militairen beneden, den mond nog half gevuld met erwtensoep.
„De matrozen brengen de sleeptrossen uit en halen de meertrossen in,” antwoordde er een, die waarschijnlijk van Rotterdam of van Vlissingen afkomstig, nu niet weinig trotsch was op zijne zeemanskennis. „Wij gaan er spoedig van door!”
„O! mijn arme vader, die mij staat te wachten!” riep er een. „Maar ik had ook zoo’n honger!”[103]
En wip was hij naar boven. Hij werd door velen gevolgd, die de snert in den steek lieten, om de toebereidselen tot het vertrek waar te nemen.
De drukte aan dek was intusschen toegenomen. Het wemelde daar van kooplieden, marskramers enz. die nog het een of ander aan de vertrekkenden trachtten te venten. Hier en daar stonden matrozen-vrouwen met betraande oogen en met hare kinderen op den arm of aan de hand, en trachtten nog eenige woorden met hare echtgenooten te spreken. Elders liep een boertje het dek op en neer, wrong zich door de menigte, die hem soms den weg versperde, en riep:
„Mien zeun! woar is mien zeun?”
„Hier is je zoon, boer!” riep een scheepsjongen en bracht hem bij het varkenshok.
Och! de arme vader had geen aandacht voor die akelige scherts in dat oogenblik. Overgelukkig voelde hij zich voor een oogenblik, toen hij onder de naar boven komende militairen zijn zoon herkende.
„Garrit! Garrit!” riep hij, en een poos later lagen vader en zoon in elkanders armen.
Inmiddels waren de sleeptrossen uitgebracht. DeFernandina Maria Emmawas aan denHercules, eene krachtige sleepboot, bevestigd, die dikke wolken zwarten kolendamp uit haren korten dikken schoorsteen braakte en een gillend geluid uitstootte, dat door het geheele Nieuwediep weerklonk, ten teeken dat zij gereed was. De meertrossen waren naar binnen gehaald. De loopplank vormde nog het eenigste verbindingsmiddel met den wal. Thans begonnen de stuur- en bootslieden de landrotten, zij die de reis niet mee zouden maken, te beduiden, dat het tijd werd het schip te verlaten. Dat ging slechts schoorvoetende.
„O! Jan!” gilde hier eene jonge vrouw, terwijl zij[104]wanhopig hare armen om den hals van een jeugdig flink matroos geklemd hield.
„Mijn zoon!” kreet het boertje van straks, terwijl hij het hoofd van den koloniaal tusschen zijne beide handen genomen had en in zijne oogen keek, alsof hij zich zijn beeld in de ziel wilde griffen.
„Dag moeder!” klonk het hier.
„Dag Trui!” klonk het daar.
Plotseling liet het kommando zich hooren:
„Loopplanken en uithouwers op den wal!”
Dat hielp. In een oogenblik hadden alle bezoekers het schip verlaten, hetwelk, nadat de loopplanken geheel op den wal gehaald waren, zich langzaam van de kade verwijderde, en, door denHerculesgetrokken, zich statig voortbewoog. Daar ontstond eensklaps een heftig geschreeuw zoowel aan boord, als aan wal.
„Houdt hem! houdt hem!” riep de detachements-kommandant.
„Grijpt hem! Grijpt hem!” riep de scheeps-kapitein.
Een der militairen, de zoon van het boertje van straks, had met een sprongetje de kloof overschreden, die zich iedere sekonde al wijder en wijder tusschen het schip en den wal vormde, en viel zijn vader om den hals om hem nog een laatst vaarwel te zeggen.
„Vader! Vader!” snikte de jonge borst. „Zegmoedergoedendag!”
Een paar passen verder had een matroos denzelfden sprong gewaagd, en daar zijne vrouw gegrepen, die op de breede borst geklemd, terwijl hij zijn kind, dat zij op den arm droeg, met kussen overdekte.
„Dag, Anna!” klonk het daar. „God zij met je!”
Dat alles geschiedde in een ondeelbaar oogenblik. En voor nog een paar politie-agenten, die op de kade stonden, eene beweging gemaakt hadden, om aan de kreten[105]van den detachements-kommandant en den scheeps-kapitein gehoor te geven, waren beiden aan boord teruggesprongen, en klommen thans de verschansing weer over.
Stampend en snuivend spande de kleine sleepboot alle krachten in om het moment van traagheid van het kolossale fregat te overwinnen. De kloof tusschen den wal en het schip werd al grooter en grooter. Niemand zou den sprong meer kunnen volbrengen. Een groote en joelende menigte volgde langs de kade: familieleden en belangstellenden, die de vertrekkenden hunne beste heilwenschen toeriepen en toewuifden; rondventers, die hunne waren aan boord tegen de laatste dubbeltjes van matrozen en soldaten geruild hadden, en nu hunne kramersbakken afgezet hadden; en eindelijk die schare van straatslijpers en leegloopers, die overal te vinden zijn en in eene havenstad bij het vertrek van een schip nimmer ontbreken.
Het fregat kwam al meer en meer in vaart, en stevende de schepen voorbij, die aan de kade gemeerd lagen. De bemanningen dier vaartuigen wisselden een flink hoerah met de equipage en de passagiers van deFernandina Maria Emma. Op het wachtschip, hetwelk ons fregat thans voorbij voer, weerklonk het:
„Wien Neerland’s bloed door de aderen vloeit,”
„Wien Neerland’s bloed door de aderen vloeit,”
den vertrekkenden als afscheidsgroet in de ooren; terwijl beide schepen elkander groetten, door driemaal hunne vlaggen aan den gaffel op en neer te halen.
Eindelijk stevende het fregat, steeds door denHerculesgesleept, de haven van Nieuwediep uit en het noorderhoofd om. Er werd nog een laatst hoerah met de menigte op den wal gewisseld, waarna de beide vaartuigen, sleeper en gesleepte, westwaarts wendden, om[106]tusschen Texel en Noordholland door, de Noordzee te bereiken.
Het geheele detachement militairen, tot de officieren incluis, lag over de verschansing gebogen om nog een blik aan de vaderlandsche kust, die daar aan bakboord19voorbijgleed, te wijden. Onder die allen waren er twee, die met diep gevoel de door tranen benevelde oogen op dien dierbaren grond gevestigd hielden. Het waren Riethoven en Brinkman, die naast elkander post gevat hadden, elkanders hand omklemd hielden en hun weemoed in een diepen zucht lucht gaven.
„Wie weet, wanneer wij die kust weer zullen zien opdoemen?” snikte Herman.
„Ja, wie weet wanneer, en wie weet of wij het vaderland wel ooit weer zullen zien?” antwoordde Frank, bij wien in dit plechtig uur de ernst de bovenhand bij zijn gewone luchthartigheid had.
„Dit oogenblik heeft iets onmetelijk bitters.”
„O! zwijg! Het is alsof ik in mijn binnenste iets voel scheuren.”
„Nimmer had ik kunnen denken, dat het scheiden van den vaderlandschen grond zooveel zeer kon doen,” zei Herman, zijn tranen den vrijen loop latende.
„Zoudt gij nog terug willen?” vroeg Frank, „het gedane ongedaan maken?”
Herman antwoordde niet dadelijk. Op die vraag van zijn vriend sloot hij de oogen en verviel in diep gepeins. Zijne gedachten vervoerden hem ver, zeer ver, daar naar het zuidoosten, werwaarts zijn gelaat nog gekeerd was, als had hij, toen die vraag hem gesteld werd, daar bij den gezichtseinder, die zich achter de poldervlakte van Noord-Nederland sloot, iets gezocht, dat een meer trouw beeld van zijn geboortegrond in dat heilig oogenblik in zijne ziel zou afdrukken. Voor zijne gevoelsoogen zag[107]hij nu de omtrekken zijner moeder oprijzen. In tranen badende lag de arme vrouw in haar slaapvertrek voor een kruisbeeld op den grond geknield, hield haar gelaat in hare handen verborgen en snikte luid. Terwijl zij daar zoo lag, een beeld der wanhoop getrouw, ging de deur open en een meisje trad binnen, sloeg haren sluier terug, schreed tot de diep bedroefde moeder, en beurde haar op.
„Lydia!” prevelde Herman onhoorbaar, „Lydia! o wat is ze schoon!”
Het droombeeld ging voort in ontwikkeling. Lydia zette de arme moeder op een stoel, vleide zich zacht op haren schoot, sloeg haren fraaien arm om den hals der oude vrouw en fluisterde haar woorden in het oor, die een glans van verrukking op het gelaat der diepbedroefde te voorschijn tooverden.
„O! God! mijn leven! mijn alles! om die woorden te mogen vernemen!” fluisterde Herman steeds onhoorbaar in een soort van geestesbedwelming.
Had Frank toen zijne vraag herhaald, dan voorzeker had het antwoord geklonken:
„Ja, terug! Ik wil terug naar mijn Limburg! Ik wil terug naar mijne moeder! Ik wil terug naar Lydia!”
Frank zweeg evenwel, half in eigen gedachten verzonken. Het droombeeld ontwikkelde zich verder. De verrukking van Herman’s moeder steeg nog. Thans sloeg zij den arm om den hals van het jonge meisje, wier natuurlijk schoon nog door een bekoorlijk blosje verhoogd werd, drukte haar aan het hart, greep haar hoofd tusschen de beide handen en keek haar in de fraaie donkere oogen met eene uitdrukking op het gelaat, alsof zij vroeg:
„Is het wel waar, wat gij daar zegt? Wilt gij mijn kind, mijn oudste gelukkig maken?”
O! het was alsof Herman die woorden hoorde, alsof[108]hij ze zag aan de lippen zijner moeder ontglippen. En wat werd Lydia’s blos nog donkerder! Zij verborg haar gelaat aan het hart harer moederlijke vriendin. Hare borst zwoegde onstuimig. O! omtrent haar antwoord viel zich niet te vergissen! Maar.… welke schrik beving die twee vrouwen? Ziet, zij luisterden met gespannen aandacht.… De deur ging open. Directeur Peeters stond op den drempel. Zijn ascetisch gelaat was bleeker dan gewoonlijk, zijn blik schitterde, zijne neus was nog krommer dan anders, zij was thans in vorm aan een papegaaienbek gelijk. Met een oogopslag zag hij, wat in het gemoed dier twee vrouwen omging. Met vooruitgestoken hand trad hij op haar toe, alsof hij haar onder zijn invloed wilde terugbrengen. Beiden krompen onder dat priestergebaar, bogen het hoofd nog dieper, en gleden op zijne knieën aan de voeten van den Godsman, terwijl zij zijne handen met kussen overdekten.
„O! mijn God!” kreunde Herman. „Alweer die aterling op mijn pad!”
„Vraagt ge wat?” zei Frank als uit den slaap ontwakende.
Weg was Herman’s droombeeld bij het weerklinken van die stem.
„Ik?…” vroeg hij verbaasd. „Ik meende integendeel of gij iets vraagdet.”
„O ja!… Ik vroeg in antwoord op uwe ontboezeming, dat het scheiden van den vaderlandschen grond zoo zeer deed, of gij terug zoudt willen? of gij het gedane ongedaan zoudt wenschen?”
„Ik terug?… Ik!…” was Hermans antwoord met vaste stem maar toch hartstochtelijk gegeven. „Neen, bij God! neen!”
Hij streek met de hand langs het voorhoofd, als zocht hij een lastig droombeeld weg te vegen.[109]
„Neen, vooruit!” riep hij met geestdrift. „Neen, weg met alle herinneringen! Vooruit, den wijden oceaan in!”
Lang bleven de twee vrienden nog over de verschansing turen. DeHerculesstoomde langs den Helderschen dijk naar zee, met het logge fregat in zijn kielzog. Aller oogenaanboord waren op den vaderlandschen bodem gevestigd, die daar voorbij vlood. De daken eerst van Nieuwediep, iets later van Helder werden boven dien dijk ontwaard. Daarna waarde het oog over een groenen polder, die zich eindeloos ver zuidwaarts uitstrekte, toen verscheen het fort Erfprins op den noordwesthoek van Noord-Holland, terwijl de vuurtoren van Kijkduin zich daarachter verhief, omgeven met wallen en borstweringen. Het was of het land daar afgebroken was. Aan bakboord peilde het oog eindelijk langs onafzienbare rijen duinen, terwijl bakboord vooruit slechts de zee ontwaard werd, de Noordzee met haren golfslag, die in witte branding op het zandige strand kwam breken.
DeFernandina Maria Emmawas nu in het Schulpengat, de voornaamste toegang van uit de Noordzee tot de reede van Helder en Nieuwediep, die om de zuid langs de Noordhollandsche kust tusschen deze en de Zuiderhaaks, een der meest gevaarlijke zandbanken in die streken, naar het ruime sop voerde. De loods stond bij den kapitein op het achterschip, en gaf bevelen om de zeilen uit de geitouwen los te maken. Toen de uiterton bereikt was, dat wil zeggen, de laatste der boeien, die het Schulpengat bebakenden, werden de sleeptrossen van denHerculesgevierd. De sleepboot viel af, keerde, stoomde het fregat voorbij en beantwoordde het hoerah, dat haar als laatste afscheidsgroet naar het zich al meer en meer verwijderende vaderland werd medegegeven, zoo krachtig mogelijk, en keerde naar Nieuwediep terug.
Inmiddels waren de zeilen vierkant gebrast.20Onder[110]de aanwakkerende bries vulden zij zich, en stonden weldra schier bolrond, en schoot deFernandina Maria Emmain zuidelijke richting levendig en dartel vooruit op de lange zilte baan, die zich, in een flesschengroen kleed gedoscht, voor haar uitspreidde.
„Welkom in volle zee!” klonk de groet van den loods op het achterdek tot den kapitein.
„Dank je loods” was het antwoord van den zeeman.
„Welkom in volle zee!” bracht de kapitein den groet aan zijne passagiers over.
„Welkom in volle zee!” wenschten de stuurlieden aan de onderofficieren, de matrozen aan de manschappen van het detachement elkander toe.
„Welkom in volle zee!” klonk het uit aller mond, terwijl diewelkomstgroetmet een krachtigen handdruk vergezeld ging, en daarbij de wensch geuit werd, dat de reis zoo voorspoedig vervolgd zoude worden, als zij zich thans instelde.
Bij dat „welkom in volle zee” had menig oog zich oostwaarts gewend en de Hollandsche kust gezocht. Helaas! daarvan was niet veel meer te zien. Alleen heel in de verte bij de oosterkim was eene lichtende streep te ontwaren, die door de zeelieden blinkerd genoemd en veelvuldig waargenomen wordt, wanneer de zon naar het westen neigende, de duinen op de Hollandsche kust met haar helder licht bestraalt.
„Stuurman!” riep de scheepsbevelhebber in eene goede luim gebracht door dat „welkom in volle zee,” maar nog meer door de gunstige gelegenheid, die hem de aanwakkerende noordenwind bood. „Stuurman, bezaanschoot aan!”21
Een gerinkinkel met de scheepsklok was het antwoord op dat bevel. Op last van een der officieren van het detachement greep de hoornblazer zijn instrument en[111]blies, natuurlijk zoo valsch mogelijk, een kort maar krachtig „Wilhelmus van Nassauen,” dat door een nog krachtiger hoerah beantwoord werd. Weldra stond een der stuurlieden te midden van een groep matrozen en soldaten, met eene vierkante flesch in de eene, en een blikken musje in de andere hand, en deelde aan ieder der hem omringenden een ration jenever uit, echte A. V. H.22die de kenners—en daar waren er velen—met de tong van genot deed smekken.
De zon naderde inmiddels de kim. Het was te voorzien dat de nacht weldra den dag zou vervangen.
„Aantreden!” kommandeerde sergeant Riethoven, toen het laatste musje jenever verorberd was. „Kom, aantreden! hangmatten ontvangen!”
Dat beddengoed was spoedig genoeg uit den scheepsvoorraad verstrekt, en gaf aanleiding tot een tooneel zoo koddig, dat het de laatst overgebleven gedachte aan den verdwenen vaderlandschen bodem, althans voor dien dag, verbande en eenen geleidelijken overgang tot de nachtrust daarstelde, die velen aan boord, na zoo een dag vol bedrijvigheid voor het lichaam en vol aandoeningen voor den geest, uiterst goed te stade zoude komen.
De hangmat is een langwerpige zak van zeildoek, die iets langer dan een lang mensch is. Die zak is over zijn geheele lengte gespleten, en daarin bevindt zich een matrasje en hoofdkussen, die behoorlijk ter gewilder plaatse vastgenaaid zijn. Aan de beide uiteinden van dien zak zijn touwen aangebracht, die dienen moeten om hem behoorlijk op te kunnen hangen, waartoe aan de dekbalken in het tusschendeks van deFernandina Maria Emmastevige latten met klampen aangebracht waren.
Al dadelijk was het lachverwekkend te zien, hoe velen de handen verkeerd stonden om de hangmat behoorlijk op te binden. Het leggen van den noodigen[112]knoop, die stevigheid genoeg aanbood om bij de eerste aanraking van het beddengoed niet los te schieten, ging veler handigheid te boven, en was de hulp van de equipage van het schip dan ook noodig om dat werk tot een goed einde te brengen, en om die landrotten dat eens voor te doen. Dat Janmaat hierbij snaaks te werk ging, lag voor de hand.
Het koddigste tooneel was evenwel de poging om in die hangmat te geraken. Er behoorde voorzeker eene zekere mate van oefening in de gymnastie toe om in dat bewegelijk ding plaats te nemen. Hij, die dat wenschte te doen, moest de bovenbedoelde latten aan de dekbalken grijpen, zich aan de vuisten omhoog tillen, en met een zwaai de beenen in de spleetopening der hangmat brengen, dan het behoorlijk zwaartepunt vatten, de handen loslaten en zich tusschen de zijwanden van de zak zijner hangmat laten glijden. Enkelen konden zich niet hoog genoeg optillen; anderen zwaaiden in den beginne de beenen te ver en dus over de hangmat heen, die dan van terzijde aangeraakt, zich onder het lichaam wegboog; anderen maakten den zwaai te kort, waardoor de hangmat onder den druk wegvlood, en de onhandigen, aan hunne armen hangende met een schok de verticale positie hernamen; eenigen lieten de latten te vroeg los, vóór dat zij het zwaartepunt van hun zwevend bedtoestel gevonden hadden, waardoor de hangmat eenvoudig kantelde en haren levenden inhoud glippen liet, die dan onzacht op den vloer van het tusschendeks neerkwam. Elders meende er een bij zijn akrobatischen sprong geslaagd te zijn, en lag reeds in zijn hangmat met het hoofd buiten de spleetopening niet zonder leedvermaak naar het getob zijner makkers te gluren, toen eensklaps de lijn aan het hoofdeneind zijner hangmat losschoot, en hij eer dat hij op zoo eene[113]tuimeling verdacht was, op zijn hoofd stond en niet onaardig het beeld eener opgehangen worst vertoonde. In één woord, het was een zonderling gezicht: die gedeeltelijk ontkleede mannen, wier bovenkleederen daar als schimmen aan de scheepswanden of aan de latten der dekbalken hingen, de meest grappige gebaren en bewegingen in het halfduister van het tusschendeks te zien uitvoeren; terwijl de matrozen rondom het luik stonden, en zich ten koste van de onhandigen uiterst vroolijk maakten.
„Kom, nog eens probeeren, boontje,23dan zal het wel lukken,” klonk het hier.
„Hou je stil, leelijke zwabber,” was het antwoord, „als ik drie dagen aan boord ben, doe ik het net zoo goed als jij.”
„Laat je armen vieren! domme marlpriem!” klonk het elders. „Kijk zoo!”
En zijne toelichting met het voorbeeld gepaard latende gaan, greep de lichtmatroos-raadgever de latten, zwaaide met onnavolgbare bevalligheid zijne beenen en schoof met zijn teerplunje de hangmat in.
„Kijk zoo!” herhaalde hij.
Ja, de soldaat keek hem met bewondering aan; maar had toch liever gezien, dat die vieze pijekker niet met zijne matras in aanraking gekomen was.
„Ja, jullie zijt ook waterratten,” zeide hij als een soort verontschuldiging voor zijne onhandigheid.
„En jullie, landkrabben, dat’s waar! het verschil is groot,” antwoordde Janmaat, terwijl hij met een wip de hangmat uitsprong.
Eindelijk waren toch allen geborgen en wiegelden die rijen hangmatten, die, nu gevuld, tegen elkaar gepakt waren, met de zachte bewegingen van het schip mede en zweefden boven de scheepsbakken. De eetzaal was[114]zoodoende in slaapzaal gemetamorfoseerd. De nacht was inmiddels gevallen. Bij het grootluik brandde eene lantaarn, die haren onmiddellijken omtrek slechts flauw verlichtte, de rest van het uitgestrekte tusschendeks daarentegen in volslagen duisternis liet. Dat hinderde evenwel weinig of niets; want het duurde niet lang of uit het luik steeg met een amalgama van houtlucht, van harslucht, van teerlucht, van menschenlucht, van bedorven lucht in één woord, een concert van gesnork en diepe ademhalingen omhoog, hetwelk genoegzaam aanwees, dat het meerendeel in den slaap vergetelheid van dit aardsche bestaan gezocht en gevonden had.[115]