[Inhoud]VI.Dobberende bij de Canarische eilanden41.De voorspelling van kapitein Butteling kwam volkomen uit. Kort na zonsopgang op den 27stenOctober riep de matroos, dien hij in den fokkemast op uitkijk naar boven had gezonden:„Land vooruit!”„Waar?” riep kapitein Butteling hem toe, terwijl hij zijne handen tot eene spreekbuis te zamen gevouwen, voor den mond bracht.„Stuurboord vooruit!” was het antwoord, hetwelk van boven klonk.De kapitein keek in de aangeduide richting scherp toe, maar zag niets. Toen greep hij den grooten scheepskijker, dien hij gereed had doen leggen, sprong op de verschansing en hield zich, terwijl hij uitkeek, aan het bezaanwant vast.„Dat is Palma,” zei hij een oogenblik later tot kapitein Van Dam, die bij hem stond. „Voor dat wij een uur verder zijn, zal de Piek van Teneriffe vooruit wel te ontwaren zijn. Het is daar eenigszins heiig, anders was hij thans reeds te zien.”Het fregat maakte toen ongeveer zeven mijlen in de wacht en naderde bijgevolg betrekkelijk snel. Het[192]eiland Palma met zijn regelmatigen kegelvormigen vulkaan, die den geologen steeds tot grondvorm strekt, wanneer zij over verheffingskraters doceeren of schrijven, doemde langzaam en statig uit de blauwe zee op; terwijl vooruit zich eene donkerblauwe massa aan den horizon uit de nevelen ontwikkelde, die nog niet te onderscheiden was, maar die door de zeevarenden als de Piek van Teneriffe aangeduid werd. Het zou evenwel nog verscheidene uren duren, eer dat het schip zich in de wateren van den Canarischen archipel zoude bevinden.Nu men nagenoeg buiten den invloed der veranderlijke winden gekomen was, wenschte kapitein Van Dam, indachtig dat ledigheid des duivels oorkussen is, zijne manschappen zoo regelmatig bezig te houden als de omstandigheden slechts gedoogden. Hij droeg den luitenant Denniston op, zich met die onderofficieren bezig te houden, die zich voor het officiers-examen wenschten te bekwamen, en derhalve met dezen een wetenschappelijken cursus te doorloopen. Luitenant Leidermooi moest met de overige onderofficieren en manschappen ettelijke uren daags theorie42houden over de militaire reglementen, als: de garnizoens- en inwendige dienst, de soldaten- en pelotonscholen, de velddienst, de tirailleursignalen enz. enz. Kapitein Van Dam gaf bij die verdeeling van arbeid, afgescheiden dat hij zoodoende zijn onderhebbend detachement nuttig bezig hield, blijk met eene zekere mate van opmerkingsgave bedeeld te zijn.Hij had al spoedig ontdekt, dat de wetenschappelijke vorming bij Denniston er niet dik opzat, ook dat de lust om het geleerde te onderhouden niet groot was. Door hem dus dien cursus met de onderofficieren op te dragen, noodzaakte hij den jongman zijne boeken ter hand te nemen, het geleerde te herhalen, zelfs een breeder veld te[193]betreden, ten einde tegenover die onderofficieren, waaronder verscheidene ontwikkelde mannen waren, geen dwaas figuur te slaan.Van een anderen kant had de kapitein opgemerkt, dat luitenant Leidermooi in zijn omgang met de mindere militairen eene zekere bedeesdheid aan den dag legde, die van angstvalligheid niet veel verschilde. Hij was te zacht van inborst, zag daarenboven met een soort ontzag tegen die gebaarde en zooveel oudere mannen op; zoodat dat ontzag wel afbreuk dreigde te doen aan het gezag, hetwelk hij geroepen was, uit te oefenen. Een nadere omgang met zijne ondergeschikten, gesteund door de nabijheid van dendetachements-kommandantin de eerste dagen, zou daarin eene gewenschte verandering brengen. De jeugdige luitenant zou daarenboven bij die theoriën door een paar onderofficieren en korporaals bijgestaan worden, door verdienstelijke en achtenswaardige mannen, die flink op de hoogte hunner militaire verplichtingen waren, zich daarenboven door een onwrikbare eerbiediging der krijgstucht onderscheidden en derhalve niet met zich spelen lieten.Docter Hannius zou ettelijke malen per week voor de vereenigde onderofficieren en korporaals eene verhandeling houden, waarbij hij de grondslagen zou leggen eener geneeskundige velddienst, nuttige wenken geven omtrent de eerste verbanden op het slagveld aan te leggen, en welke hulp toe te dienen is, bij verschillende ziektevormen, in afwachting dat door bevoegden geneeskundige hulp verleend kon worden.Behrtje hield eenen botanischen cursus voor eenige adepten, waaronder de heeren Van Diepbrugge en Slierendrecht en ook onze sergeanten Riethoven en Brinkman aangetroffen werden. De jonge dames hadden onzen apotheker spottend gevraagd: of in zijnen cursus[194]ookle langage des fleursbehandeld werd, en of men ook monographiën over de rozen, de vergeet-mij-nietjes, de lelies enz. zoude genieten; waarop Behrtje geantwoord had, dat het hem gevaarlijk voor zijne gemoedsrust voorkwam, de bloemenspraak tegenover zoo schoone sprekende oogen te behandelen. Hij mocht eens de eene taal met de andere verwarren. Toch beloofde hij een enkele maal gedurende de reis eene verhandeling over de rosaceae, liliaceae, aurantiaceae, violaceae,.… te houden. Hij had ondeugend er nog willen bijvoegen: over de solaneae en sterculiaceae, maar de dames waren bij die opsomming van barbaarsch-klinkende woorden op de vlucht geslagen. Dokter Van Pinksteren zou nu en dan die botanische voordrachten bijwonen, niet zoo zeer, omdat hij eenig belang in dien tak van natuurwetenschap stelde, dan wel om te vernemen of er niet een surrogaat voor zijn lijnzaadkoeken-remedie op te sporen zoude zijn. Zijn arcanum begon erg te verminderen; de geheerscht hebbende zeeziekte had in den voorraad een slag geslagen, daar de scheepsdokter den patiënten zijn middel in- en uitwendig had toegediend. De laatste toedienings-wijze had geen ander nut gesticht dan eene roode plek op de kuiten der lijders te veroorzaken; het inwendige gebruik had daarentegen door de walging, die het veroorzaakte, de uitbarsting der ziekte bij velen zeer bevorderd.Zoo waren de bezigheden dus behoorlijk geregeld. Een paar uren des voormiddags en een paar uren des namiddags zouden aldus nuttig besteed worden; terwijl de overige tijd door de manschappen met doelmatige spelen als: kienspel, dominospel, enz, die daartoe in voldoende hoeveelheden medegenomen waren, doorgebracht kon worden.Dienzelfden dag werd de nieuwe dienstregeling, zooals kapitein Van Dam dat noemde, ingesteld, en werd een[195]ieder dus dien eigen morgen van negen tot elf uur nuttig bezig gehouden. Boven het achterdek en boven het voorschip spreidden zich tenten gezellig uit ter afwering der zonnestralen, die, hoewel het reeds einde van October was, zich hier op deze breedte balsamiek deden gevoelen.Toen de stuurman der wacht zes glazen op de klok sloeg, gaf de hoornblazer van het detachement het signaal tot staking der werkzaamheden en kon ieder zich verder bezig houden en vermeien, zooals hij verkoos.Intusschen was het eiland Palma, ofschoon ver verwijderd en dicht bij den horizon, nagenoeg dwars van deFernandina Maria Emmagekomen, die met volle zeilen recht op het eiland Teneriffe aanstevende. Alle hoofden lagen over de verschansing gebogen. om dat land aan te staren, hetwelk met iedere sekonde naderde. Het was een prachtig gezicht, dien machtigen kegel daar waarneembaar voor het oog uit zee te zien opstijgen. De lucht was, naarmate men het berggevaarte naderde, geheel opgehelderd en prijkte met dat liefelijk blauw, hetwelk in de nabijheid der keerkringen gewoonlijk aangetroffen wordt. Dat azuur weerkaatste in den Oceaan, die iets donkerder getint was en door de zacht op en neer gaande deining bewogen werd; terwijl de donkerblauwe massa van den kolossalen vulkaan, zich scherp op dien voorgrond, door de zee, en op den lichteren achtergrond, door de lucht gevormd, afteekende.„De vuurberg, dien gij daar ginds ziet,” zei kapitein Butteling tot de passagiers achter, nadat hij het schip iets onder de westerbries had laten afvallen, om ook hen van het achterdek een ruim uitzicht op den fraaien kegelvormigen berg te gunnen, „die vuurberg is bij de bewoners dezer eilanden onder den naam van Pico de Teyde bekend. Zijn hoogste top, dien gij daar ziet uitsteken, heet Piton en is 3715 el of 11872 voet hoog.[196]De ouden hielden hem voor den hoogsten berg der aarde.”„Gij schijnt deze eilanden te kennen,” merkte kapitein Van Dam op.„Ik heb als stuurman op een Spaansche brik, deSenhora Dolorès, gevaren, en daarmede menige reis van Barcelona naar die eilanden gemaakt.”„Toe kapitein, vertel ons dan iets van dien archipel,” verzochten de jonge meisjes.„Dat zou ik gaarne doen, lieve dames; maar.…” en naar de zon wijzende, ging de gezagvoerder voort, „daar is er een, die niet op mij wacht. Het middaguur is nabij, ik moet mijne waarnemingen doen, om het bestek op te maken. Maar, wij zullen die eilanden zoo gauw niet uit het gezicht verloren hebben, en zal ik wel tijd hebben, om u te vertellen wat ik weet.”Kapitein en stuurlieden stonden een tijd lang met hunne sextanten te manoeuvreren, totdat het woord „stop!” den waarnemer bij den chronometer het teeken gaf, dat de zon haar hoogste punt bereikt had. Kort daarop vernamen de passagiers, dat het fregat zich op 28° 59′ noorderbreedte en 17° 2′ westerlengte bevond en in het laatste etmaal 41½ mijl had afgelegd. Het eiland Teneriffe bevond zich toen nagenoeg in het zuid-zuidoosten van het schip. Maar de bries verflauwde van toen af langzamerhand, en wel in die mate, dat bij het vallen van den avond volkomen windstilte heerschte. DeFernandina Maria Emmadobberde toen voor de noordkust van het eiland Teneriffe, op niet meer dan drietal mijlen van den wal. Het was prachtig weer, de hemel vertoonde zich in dit uur azuurblauw; terwijl de zee dezelfde kleurtint weerkaatste, evenwel door de straalbreking eene andere schakeering vertoonde, die hoewel nauwelijks waarneembaar, toch de tinten van lucht en water belette in elkander over te gaan en alzoo de kim scherp afteekende.[197]In het zuiden verhief de machtige Piek van Teneriffe zich in al zijne statigheid, en teekende zich met zijne zwartblauwe massa scherp begrensd op de heldere lucht af; terwijl hij zich onpeilbaar diep in den Oceaan weerspiegelde, die zacht deinend hem aan zijn voet kwam lekken. In het oosten was de kim minder zuiver. De heiige band, die daar ontwaard werd, deed de nabijheid van een groot vastland gissen. In die richting bevonden zich evenwel achter de kim, zoodat het oog ze niet ontwaren kon, de eilanden Fuerteventura en Lanzerote, waarachter zich de Afrikaansche kust uitstrekte. In het noorden waarde het oog langs den Atlantischen Oceaan, die een heerlijken aanblik op de statig aanrollende deining-golven verleende, welke met hun zacht op en neergaan eenigermate als den polsslag aangaven van een onmetelijk groot monster. In het westen ging in dat oogenblik de zon achter Palma onder, en schoot van achter den zoo fraaien opheffingskrater van dat eiland vurige stralen, die aanvankelijk als gulden banden het hemelruim doorkliefden, langzamerhand van tint veranderden, in het zenith reeds eene rose-blauwachtige schakeering vertoonden, donkerder en donkerder werden en in het westen bij het aanraken der kim bijna zwart schenen.„Prachtig! prachtig!” zuchtte Herman, die met Frank dat zoo fraaie panorama te bewonderen stond.„Zeker prachtig!” antwoordde Behren, die met Slierendrecht en Van Diepbrugge een halfdekje sloeg43en in het voorbijgaan Herman’s ontboezeming opgevangen hadden,en nu bij de beide sergeanten staan bleven.„Zeker is dat tafereel prachtig, sergeant!”„Ziet eens” ging de apotheker voort, „het is alsof geheel Palma in brand staat en in vlammen opgaat.”„En ziet eens dien purpergloed in het water, waarin[198]zich de sombere omtrekken van het eiland zoo scherp afteekenen,” merkte Van Diepbrugge op.„En die stralenbundels die het luchtruim doorschieten van het westen naar het oosten” sprak Herman Riethoven, „daarbij het beloop van het hemelgewelf volgen, zonder zich met den hen omringenden ether te vermengen.”„En wat verheft die Teneriffe Piek zich daar in het zuiden somber maar prachtig,” zei Slierendrecht. „En wat toont hij nabij! Het is of hij daar dicht bij ons uit het water oprijst. Kijk, men kan alle zijne lengteribben duidelijk onderscheiden.”In dit oogenblik passeerde kapitein Butteling de jongelieden.„Zult gij ons nu iets van die schoone eilanden vertellen, kapitein?” vroeg Behren hem.„Ik ben gereed,” sprak de gezagvoerder, „maar wij zullen daar ginds op het achterdek plaats nemen. Daar kunnen we zitten, praten en zien. Kom jongelui, gij moogt van het gehoor zijn.”Die laatste volzin was tot de beide onderofficieren gericht, die de gelegenheid om kennis op te doen niet lieten voorbijgaan, maar de uitnoodiging aannamen.Toen dat vijftal rondom kapitein Butteling plaats nam, kwamen ook de andere passagiers opdagen, de dames er onder begrepen, en vormden rondom den gezagvoerder een schilderachtig groepje, waarvan ieders gelaat van weetgierigheid tintelde. Was het toeval of geheime aandrang? Wie zal dat ooit kunnen verklaren? Maar toen het gezelschap gezeten was, bevond zich Adelien Groenewald tusschen haren vader en Frank Brinkman, en Emma Groenewald tusschen Denniston en Herman Riethoven. Met mevrouw Groenewald vormden zij de eerste rij van het kringetje, dat kapitein Butteling omgaf; terwijl de overigen zich daarachter geschaard hadden.[199]„Ik heb beloofd” begon de gezagvoerder „iets van de Canarische eilanden te vertellen en ben bereid die belofte gedeeltelijk te voldoen. Ik zeg gedeeltelijk; omdat mijne mededeelingen slechts het eiland Teneriffe, langs welks noordkust wij dobberen, zullen betreffen. Dat eiland heb ik ook slechts betreden, alsook Gran Canaria voor slechts weinige uren; van de overigen weet ik nagenoeg niets. Luistert dus:„Het eiland heeft den vorm van een scheefzijdigen driehoek, waarvan een der hoekpunten, de noordoostelijke, met een kolossalen uitwas bezet zou zijn, en beslaat eene oppervlakte van 41.5 vierkante geogr. mijlen. Het is, zooals gij zien kunt, zeer bergachtig en gij hebt slechts het oog te slaan op dien kegelberg, die zich daar ginds in het midden van het eiland verheft, om te beseffen, dat het een vuurspuwende berg en de bodem van het eiland van vulkanischen oorsprong is. Zooals gij onder de verlichting der ondergaande zon ontwaren kunt, loopt de kust als eene nagenoeg onafgebrokene lijn voort en daalt steil in zee af, zonder baaien of inhammen van eenige beteekenis te vormen.…”„Maar op den anderen kant van het eiland?” vroeg kapitein Van Dam.„Daar wordt hetzelfde verschijnsel aangetroffen. Alleen bij den noordoosthoek wordt door die kaap daar ginds eene soort baai, naar de zuidzijde gekeerd, gevormd. Ik vertelde heden ochtend dat de Pico deTeyde, zooals de vulkaan door de inboorlingen genoemd wordt, in zijn top Piton geheeten, eene hoogte van 11872 voet boven de oppervlakte der zee bereikt. Ik kan er als zeeman bijvoegen, dat hij bij helder weder op 200 Nederlandsche mijlen zichtbaar is.”„Drommels,” zei kapitein Van Dam „dat zou een aardige vuurtoren zijn.”[200]„Ja, als er licht op aangestoken kon worden,” antwoordde de gezagvoerder.„Maar, als vuurspuwende berg zal hij zich toch wel eens laten gelden” meende Denniston.„Jawel, soms meer dan den bewoners lief is. Zoo verwoestte hij nog in 1706 bij eene uitbarsting Puorto Guarachio, eene kleine havenstad, hier op de noordkust gelegen, die zich sedert nimmer hersteld heeft, en waarvan gij de weinige huizen, waaruit zij thans bestaat, daar ginds bij de kaap Buena Vista kunt zien liggen. Maar sedert onheugelijke tijden hebben geene uitbarstingen langs zijn top meer plaats gehad, hoewel die door eene krateropening doorboord is. Steeds baant het onderaardsche vuur zich een weg op de flanken van den berg, gewoonlijk in eene plooi tusschen twee lengteribben. Het is jammer, dat het niet een paar maanden later is.”„Waarom?” was de algemeene vraag.„Dan zoudt gij een zeer fraai gezicht genieten. Van November tot April toch is de Piton, die door de bevolking daarom ook Pan de Azucar (suikerbrood) genoemd wordt, met sneeuw bedekt, die dan onder de zonnestralen aan glinsterend zilver gelijk is, en een prachtvol effekt maakt daar boven op dien steeds groenen kegelberg. Bedenkt, dat wij hier niet ver van den noorder-keerkring verwijderd zijn.”„Hebt gij dien berg beklommen, kapitein?” vroeg Emma Groenewald.„Gedeeltelijk slechts, juffrouw,” antwoordde de kapitein. „Ik was niet als toerist op het eiland en kon mij niet bewegen, zooals ik wilde. Misschien vertel ik later eens, hoe ik op dat eiland verzeild geraakt ben.”„Zijt gij bij de ijsgrotten geweest?” vroeg een der aanwezigen.„Bij de „cueva del hiels”? Neen, zoo hoog heb ik het[201]niet gebracht. Die zijn boven vlak bij den Piton gelegen. Maar op de hellingen heb ik de „narices” gezien, dat zijn spleten, waaruit heete dampen opstijgen, dus ware fumarolen. Het eigenaardigste van die beklimming is, dat daarbij nagenoeg het geheele plantenrijk der verschillende zonen den bezoeker onder de oogen komt. Van de kust tot aan den voet van den berg en zelfs tot op eene zekere hoogte daarboven, spreidt zich een tropische plantengroei voor het oog uit, waaraan de fraaiste palmsoorten als de cocospalm, de dadelpalm, de drakenbloedboom en ook vele pisangsoorten, alsmede uitgestrekte velden van suikerriet44haren eigenaardigen stempel verleenen. Stijgt men hooger dan 1200 voet, dan komt men in den gematigden gordel. Daar worden fraaie wijngaarden, olijf- en kastanje-bosschen en maïsvelden, allen zoo weelderig als in het zuiden van Frankrijk, als in Spanje, Italië, Griekenland en Klein-Azië, aangetroffen. Iets hooger komen den bezoeker olmboschjes en groepen eikenboomen onder het oog, waarnaast graanvelden evenals in ons vaderland. Boven de 4000 voet heeft men de wolken-zone, waarin vele laurier- en rododendron-boschjes worden aangetroffen. Daar bloeien de fraaiste rozen der wereld. Boven de 5000 voet treft men den gordel der naaldboomen aan, die eerst krachtig en verheven, al kleiner en kleiner van gestalte worden, naarmate men hooger klimt, totdat op 10,000 voet de „retama blanca”, de witte strook, bereikt wordt, waarmede de inboorlingen die streek aanduiden, waar slechts eenige alpenplanten tieren, die gedurende de wintermaanden onder eene dikke sneeuwlaag bedolven zijn. De eigenlijke Piton, die als uitbarstingskegel boven den verheffingskrater uitsteekt, bestaat uit lava, brokstukken of rapilli en vulkanische asch, waarop volstrekt geen plantengroei voorkomt.”[202]„Gij hebt zoo even in uwe opsomming der voorkomende gewassen den drakenbloedboom genoemd” zei de apotheker Behren. „Van waar hebt gij de bestijging des bergs ondernomen, kapitein?”„Van Orotava, eene kleine plaats op de noordkust gelegen, die gij daar ginds ten zuidoosten van ons ontwaren kunt. Ziet daar, waar die lichtjes fonkelen.”„Waar men het gas opsteekt,” merkte Emma op.„Het gas!…”antwoordde kapitein Butteling. „Het mocht wat! Neen, zoover zijn de bewoners dezer eilanden nog niet. Zij bezitten zelfs geene straatverlichting. De lichtjes, die gij daar ginds flikkeren ziet, zijn eenvoudige olielampen, waarmede de bewoners hunne binnenvertrekken verlichten. Maar, mijnheer Behren, gij vraagdet mij.…?”Stuurman Abels naderde den groep in dit oogenblik.„Zuider-bries,” zei hij tot kapitein Butteling, terwijl hij naar den windwijzer op den top van den grooten mast wees.„De landwind, die gewoonlijk tegen dit uur invalt, stuurman,” antwoordde de gezagvoerder. „Ik verwachtte hem. Laat de beneden zeilen geien, dan krijgen wij wat verademing op het dek, laat de bovenzeilen bij den wind brassen en dan maar op en neer houden, wij kunnen met die bries toch geen koers zetten.”De stuurman bracht zijn fluitje aan den mond. In een oogwenk was de geheele bemanning in beweging. De kapitein sloeg de manoeuvre met aandachtig oog gade. Toen het fregat onder den zachten druk zijner bovenzeilen licht stuurboord overhelde en westwaarts opstevende, hernam hij:„Mijnheer Behren, gij vraagdet mij, van waar ik mijne bergbeklimming aangevangen had. Hadt gij eenige bedoeling met die vraag?”[203]„Ja, kapitein. Ik wilde u vragen of gij den beroemden drakenbloedboom van Orotava gezien hebt?”„Welzeker.”„Kunt gij ons er eene beschrijving van geven?”„Helaas! dames en heeren, ik ben geen plantenkundige en zal daarin te kort schieten. Ziet hier, wat ik er van mededeelen kan. Het is een wonderlijke boom, volgens de geleerden tot de palmsoorten behoorende. Hij heeft een stam, die, ruw en knoestig, eene hoogte van 24 M. of ruim 76 voet tot aan de eerste vertakkingen bereikt. Even boven zijn wortel heeft hij een omvang van 16 meter, terwijl hij op 3 meter hoogte boven den grond nog ongeveer 12 meters omtrek heeft. De kroon verdeelt zich in ontelbare vertakkingen en ondervertakkingen, die aan hare uiteinden bossen van sierlijke lancetvormige bladeren vertoonen, welke de lengte van ongeveer een halven meter bereiken. Daardoor ontstaat een net van dikke verwarde takken, die met haren bladerendos een dicht scherm vormen, hetwelk voor de scherpste stralen der zon, die hier zich reeds heet kunnen doen gevoelen, ondoordringbaar is. Als men bij dien boom staat, voelt men zich klein en nietig45.„Dat er eene menigte sprookjes aan dien boom verbonden zijn, zal u niet vreemd in de ooren klinken. Een dier sprookjes duidt er onder anderen op, dat die boom een tijdgenoot van Adam en Eva zou zijn geweest.”„Dat is toch overdreven; niet waar mijnheer Behren?” vroeg Emma den apotheker.„Zoo heel veel overdreven niet, juffrouw Emma” antwoordde deze. „Als het waar is, dat er een menschenpaar geschapen is, zooals het Bijbelsch verhaal levert, dan zou dat onder de schaduw van dien boom hebben kunnen schuilen voor de zonnestralen, die hier lang niet[204]malsch zijn;—wel te verstaan, wanneer het aardsch paradijs op dit eiland gelegen geweest ware.”„Dat komt mij toch overdreven voor,” betuigde Adelien op hare beurt.„Laten wij eens rekenen,” zei Behren. „Volgens de Alexandrijnsche tijdrekening zijn ruim 7360, volgens de Juliaansche bijna 6570 en volgens de Hebreeuwsche ruim 5610 jaren sedert de schepping der wereld verloopen. Laten wij, om die rekenmeesters in overeenstemming te brengen, het gemiddelde van die opgaven nemen, dan zouden Adam en Eva zoo omstreeks 6500 jaren geleden geschapen zijn. Nu geeft de groote natuurkenner Alexander von Humboldt op, dat die boom een ouderdom van 6000 jaren heeft bereikt. Gij weet, dat de aartsvaders vrij oud werden. Adam en Eva zullen in dat voorrecht wel gedeeld hebben. Von Humboldt sprak zijne meening in 1799 dus ruim eene halve eeuw geleden uit. Neen, het is zoo geheel verwerpelijk niet, dien drakenbloedboom als tijdgenoot van het eerste menschenpaar aan te merken.”„Maar, dat is dan toch de eenige boom, die als zoo oud op te geven is?” vroeg Adelien.„Neen, lieve dame,” antwoordde Behren. „In Amerika heeft een genoemde Lobb in 1815 op de Sierra Nevada een groep cederboomen ontdekt, die hij reuzen of mammouthsboomen heette; maar door degeleerdenWellingtonia gigantea genoemd werden. Het zijn naaldboomen, waarvan ettelijke exemplaren 130 M. of ruim 410 voet hoogte en een middellijn van 10 M. bereikt hebben. De plantenkundigen hebben uitgemaakt, dat de oudsten dier boomen minstens 6000 jaren oud zijn.”„Verbazend!” zeiden de jonge dames.„Maar Behrtje,” vroeg kapitein Van Dam, „hoe maken die plantenkundigen zoo’n hoogen ouderdom uit. Zij[205]hebben toch geen geboorteregister of stamboek tot hunne beschikking. Zij kunnen den boom ook niet in den bek zien?”Behren had geen tijd om te antwoorden en was er niet rouwig om. Stuurman Abels trad op kapitein Butteling toe.„Er zijn vijf schepen in het gezicht,” sprak hij.De gezagvoerder sprong op en inderdaad, toen hij den kijker genomen had, kon hij zich overtuigen, dat stuurman Abels waarheid gerapporteerd had.Alle passagiers groepeerden zich om den kapitein, en keken verlangend uit.„Er is bij de avondschemering weinig te onderscheiden,” pruttelde de gezagvoerder, na een poos getuurd te hebben. „Zij schijnen van den landwind gebruik te te maken om op te werken. Drie er van liggen over denzelfden boeg als wij, de twee anderen over den anderen boeg.”„Zouden die schepen nabij komen?” vroeg Emma.„Waarschijnlijk, juffrouw, en meer nabij dan mij wel lief is,” antwoordde de kapitein. „Het zal van nacht oppassen heeten, stuurman. Voert het schip zijne lichten?”„Ja, kapitein.”En inderdaad het fregat vertoonde aan bakboord vooruit een rood en aan stuurboord een groen licht. Kapitein Butteling overtuigde zich, dat die lichten helder brandden.Langzamerhand naderden de gemelde vaartuigen; maar het was omstreeks middernacht, eer dat zij in het vaarwater van deFernandina Maria Emmawaren. Onze reizigers zaten die heen en weder laverende schepen eenigen tijd aan te staren; in dat nachtelijke uur was evenwel niet veel meer dan hare seinlichten en hare donkere omtrekken te ontwaren; zoodat dat gezicht niemand lang kon boeien en de teleurgestelden een voor een afdropen om zich te kooi te begeven.[206]Maar den volgenden ochtend was het een schilderachtig gezicht, dat zich aan de blikken van de opvarenden van deFernandina Maria Emmavoordeed. De landwind was wegstervende; alleen de lichte bovenzeilen waren gedeeltelijk gevuld, maar dienden slechts om het schip stuur te doen houden. Van vooruitstevenen was geen spraak. Toen de passagiers aan het dek kwamen, lag ons fregat te midden van de vijf schepen, die den vorigen avond gesignaleerd waren, en nu binnen een kring van een 5 à 600 M. straal rondom deFernandina Maria Emmadobberden. Het was een prettig gezicht, al die witte zeilen daar boven die blauwe watervlakte te ontwaren en hen zich daarin te zien spiegelen. Bij zonsopgang weerklonken allerwegen de fluitjes der stuurlieden aan boord van die vaartuigen, en rezen op dat signaal de vlaggen omhoog en wapperden aan de gaffels. Scheeps- en tooneelkijkers werden ijverig gebruikt om elkander te bespieden.„Daar is een Engelschman, en.… daar nog een!” riep kapitein Butteling.„En daar een Spanjaard! en daar een Deen!” vulde stuurman Abels aan.„En daar een Hollander!” wees kapitein Van Dam. „Waarachtig een Hollander!”„Waar? waar? .…” vroeg kapitein Butteling met eenige drift.„Daar ginds, die bark in het noordwesten. Kijk, daar gaat hij over stag. Nu kunt gij zijn vlag niet zien.”Na een poos door zijn langen scheepskijker getuurd te hebben, riep stuurman Abels plotseling uit:„Maar, dat isde stad Leiden, die twintig dagen voor ons uitgezeild is!”„Is het mogelijk?” riepen de verzamelde passagiers.„Er valt zich niet te vergissen. Ik ben twee jaren lang[207]stuurman aan boord van dat schip geweest. Het behoort aan hetzelfde kantoor als deFernandina Maria Emma.”Men scheen aan boord van destad Leidenons fregat ook herkend te hebben; want onmiddellijk ging die bark overstag en manoeuvreerden de beide schepen derwijze, dat zij elkander naderden. Inmiddels stierf de landwind weg en werd het bladstil. Het vijftal schepen lag dicht bij elkander—de stad Leidenwas geen 300 M van deFernandina Maria Emmaverwijderd—; terwijl het eiland Teneriffe met zijn fraaien plantentooi, die den rijkdom der tropische Flora vrij nabij kwam, zich op een kleinen afstand bekoorlijk uitstrekte. Kapitein Butteling maakte van de windstilte gebruik, om stuurman Bagman met de jol naar de Nederlandsche bark te zenden ten einde berichten in te winnen. Deze kwam een paar uur later aan boord van het fregat terug met de tijding datde stad Leidenbij het uitkomen van het Engelsche Kanaal, door een zuidwester storm beloopen was geworden, dat men voor top en takel had moeten lenzen en men met heel veel moeite kaap Clear en Mizen Point46vrijgeloopen was. Het schip had toen, steeds door den storm voortgezweept, langs de Iersche westkust moeten houden en had daarbij zeer veel averij aan tuig en verschansing ondervonden. Toen de storm bedaarde, schoot de wind in het westen. Van die gelegenheid, werd gebruik gemaakt, om weer zuidwaarts te sturen en eene toevlucht te Swansea in het Bristol-kanaal te zoeken, alwaar de bark eene reparatie onderging, die ongeveer acht dagen vereischte. Van Swansea in zee gestoken, was de gelegenheid tot de Canarische eilanden evenwel gunstig geweest.„Dan hebben wij het veel beter getroffen,” zei Frank Brinkman, toen stuurman Bagman die wederwaardigheden den beide onderofficieren ook mededeelde.[208]Tegen negen uur viel de verwachte zeewind niet in. Of kapitein Butteling ontelbare malen naar den windwijzer boven de kruissteng keek, of hij ook al eens floot om den wind te roepen, het was alles te vergeefs. Het bleef bladstil en dat bleef zoo een paar dagen duren. Wel verhief zich des avonds een zachte landbries; maar die blies uit het zuiden, daarmee was niet tusschen die eilanden uit te geraken en koers te zetten. Die landwind noodzaakte slechts de gezaghebbers der verschillende schepen, die daar tusschen dien archipel zwierven, tot verdubbelde waakzaamheid.Eindelijk woei den 28enOctober eene westelijke bries, die hoewel niet sterk, toch zoo veel door stond, dat deFernandina Maria Emmade zeeëngte tusschen de eilanden Teneriffe en Gomera kon binnen stevenen. Die vaart eischte de grootste oplettendheid van kapitein Butteling; want de stroom in die Straat was sterk en het vaarwater was niet breed, terwijl op de bries niet veel te vertrouwen was. Ieder was dan ook op zijn post, om terstond het anker te kunnen laten vallen, wanneer de wind het fregat in den steek mocht laten. Maar die doortocht werd gelukkig volbracht, en de reizigers konden ten volle het schoone gezicht genieten, hetwelk die beide bergachtige eilanden met hunnen fraaien plantentooi opleverden. Vooral trok de branding, die op kaap Teno, den noordwestpunt van Teneriffe, brak, de aandacht der opvarenden zeer. Hoewel de zee uiterst kalm was, rolde de Oceaan toch statige deininggolven, die op de rotsen, welke dat voorgebergte omgaven, braken, hoog opspatten en soms den vorm aannamen van verblindend witte zuilen, die daar voor een kort oogenblik verrezen en dan weer neerploften.Een zucht van verlichting ontsnapte toch kapitein Butteling, toen het schip kaap Becerro, de zuidpunt van[209]het eiland Gomera, te boven was gekomen. Het was toen ongeveer tien uren in den morgen.„Bezaanschoot aan!” riep hij met vergenoegd gelaat tot stuurman Abels, nadat die op zijn bevel eerst het schip iets had laten afvallen en daarna alle zeilen, die bijgezet konden worden, had doen ontplooien.En zich tot zijne passagiers wendende:„Komaan de zeiltjes staan bol en het fregat legt koers. Een glas Teneriffe47zal nu wel smaken. Er is mij een pak van het hart, dat wil ik wel bekennen.”Allen schaarden zich rondom hem in de verwachting, dat er wel wat volgen zou. Alvorens evenwel zijn verhaal te beginnen, wenkte kapitein Butteling de sergeanten Riethoven en Brinkman tot zich, om van het gehoor te zijn.„Met uw verlof, kapitein Van Dam?” sprak hij tot dezen op vragenden toon.De toegesprokene knikte toestemmend en blijkbaar met welgevallen.Beide kapiteins werden met een dankbaren blik door Adelien Groenewald beloond, voor wie èn de vraag èn het toestemmend gebaar niet verloren gegaan waren.Toen allen, ook Herman en Frank, bij den bezaansmast rondom den scheepsgezagvoerder gezeten waren, wilde hij beginnen.…„Maar, waar isde stad Leiden, waar zijn de andere schepen gebleven?” viel hem de heer Groenewald in de rede.„Die lagen gisteren avond westelijk genoeg om tusschen de eilanden Palma en Hierro door te stevenen, en zoo het ruime sop te bereiken. Als die daar nu ook diezelfde gelegenheid treffen als wij hier, dan is hunne manoeuvre goed geweest, anders liggen ze daar nu inkatzjammerte dobberen. Ik heb al uitgekeken, toen wij Gomera voorbij gestevend waren; maar er was niets te ontwaren aan de kim.”[210]
[Inhoud]VI.Dobberende bij de Canarische eilanden41.De voorspelling van kapitein Butteling kwam volkomen uit. Kort na zonsopgang op den 27stenOctober riep de matroos, dien hij in den fokkemast op uitkijk naar boven had gezonden:„Land vooruit!”„Waar?” riep kapitein Butteling hem toe, terwijl hij zijne handen tot eene spreekbuis te zamen gevouwen, voor den mond bracht.„Stuurboord vooruit!” was het antwoord, hetwelk van boven klonk.De kapitein keek in de aangeduide richting scherp toe, maar zag niets. Toen greep hij den grooten scheepskijker, dien hij gereed had doen leggen, sprong op de verschansing en hield zich, terwijl hij uitkeek, aan het bezaanwant vast.„Dat is Palma,” zei hij een oogenblik later tot kapitein Van Dam, die bij hem stond. „Voor dat wij een uur verder zijn, zal de Piek van Teneriffe vooruit wel te ontwaren zijn. Het is daar eenigszins heiig, anders was hij thans reeds te zien.”Het fregat maakte toen ongeveer zeven mijlen in de wacht en naderde bijgevolg betrekkelijk snel. Het[192]eiland Palma met zijn regelmatigen kegelvormigen vulkaan, die den geologen steeds tot grondvorm strekt, wanneer zij over verheffingskraters doceeren of schrijven, doemde langzaam en statig uit de blauwe zee op; terwijl vooruit zich eene donkerblauwe massa aan den horizon uit de nevelen ontwikkelde, die nog niet te onderscheiden was, maar die door de zeevarenden als de Piek van Teneriffe aangeduid werd. Het zou evenwel nog verscheidene uren duren, eer dat het schip zich in de wateren van den Canarischen archipel zoude bevinden.Nu men nagenoeg buiten den invloed der veranderlijke winden gekomen was, wenschte kapitein Van Dam, indachtig dat ledigheid des duivels oorkussen is, zijne manschappen zoo regelmatig bezig te houden als de omstandigheden slechts gedoogden. Hij droeg den luitenant Denniston op, zich met die onderofficieren bezig te houden, die zich voor het officiers-examen wenschten te bekwamen, en derhalve met dezen een wetenschappelijken cursus te doorloopen. Luitenant Leidermooi moest met de overige onderofficieren en manschappen ettelijke uren daags theorie42houden over de militaire reglementen, als: de garnizoens- en inwendige dienst, de soldaten- en pelotonscholen, de velddienst, de tirailleursignalen enz. enz. Kapitein Van Dam gaf bij die verdeeling van arbeid, afgescheiden dat hij zoodoende zijn onderhebbend detachement nuttig bezig hield, blijk met eene zekere mate van opmerkingsgave bedeeld te zijn.Hij had al spoedig ontdekt, dat de wetenschappelijke vorming bij Denniston er niet dik opzat, ook dat de lust om het geleerde te onderhouden niet groot was. Door hem dus dien cursus met de onderofficieren op te dragen, noodzaakte hij den jongman zijne boeken ter hand te nemen, het geleerde te herhalen, zelfs een breeder veld te[193]betreden, ten einde tegenover die onderofficieren, waaronder verscheidene ontwikkelde mannen waren, geen dwaas figuur te slaan.Van een anderen kant had de kapitein opgemerkt, dat luitenant Leidermooi in zijn omgang met de mindere militairen eene zekere bedeesdheid aan den dag legde, die van angstvalligheid niet veel verschilde. Hij was te zacht van inborst, zag daarenboven met een soort ontzag tegen die gebaarde en zooveel oudere mannen op; zoodat dat ontzag wel afbreuk dreigde te doen aan het gezag, hetwelk hij geroepen was, uit te oefenen. Een nadere omgang met zijne ondergeschikten, gesteund door de nabijheid van dendetachements-kommandantin de eerste dagen, zou daarin eene gewenschte verandering brengen. De jeugdige luitenant zou daarenboven bij die theoriën door een paar onderofficieren en korporaals bijgestaan worden, door verdienstelijke en achtenswaardige mannen, die flink op de hoogte hunner militaire verplichtingen waren, zich daarenboven door een onwrikbare eerbiediging der krijgstucht onderscheidden en derhalve niet met zich spelen lieten.Docter Hannius zou ettelijke malen per week voor de vereenigde onderofficieren en korporaals eene verhandeling houden, waarbij hij de grondslagen zou leggen eener geneeskundige velddienst, nuttige wenken geven omtrent de eerste verbanden op het slagveld aan te leggen, en welke hulp toe te dienen is, bij verschillende ziektevormen, in afwachting dat door bevoegden geneeskundige hulp verleend kon worden.Behrtje hield eenen botanischen cursus voor eenige adepten, waaronder de heeren Van Diepbrugge en Slierendrecht en ook onze sergeanten Riethoven en Brinkman aangetroffen werden. De jonge dames hadden onzen apotheker spottend gevraagd: of in zijnen cursus[194]ookle langage des fleursbehandeld werd, en of men ook monographiën over de rozen, de vergeet-mij-nietjes, de lelies enz. zoude genieten; waarop Behrtje geantwoord had, dat het hem gevaarlijk voor zijne gemoedsrust voorkwam, de bloemenspraak tegenover zoo schoone sprekende oogen te behandelen. Hij mocht eens de eene taal met de andere verwarren. Toch beloofde hij een enkele maal gedurende de reis eene verhandeling over de rosaceae, liliaceae, aurantiaceae, violaceae,.… te houden. Hij had ondeugend er nog willen bijvoegen: over de solaneae en sterculiaceae, maar de dames waren bij die opsomming van barbaarsch-klinkende woorden op de vlucht geslagen. Dokter Van Pinksteren zou nu en dan die botanische voordrachten bijwonen, niet zoo zeer, omdat hij eenig belang in dien tak van natuurwetenschap stelde, dan wel om te vernemen of er niet een surrogaat voor zijn lijnzaadkoeken-remedie op te sporen zoude zijn. Zijn arcanum begon erg te verminderen; de geheerscht hebbende zeeziekte had in den voorraad een slag geslagen, daar de scheepsdokter den patiënten zijn middel in- en uitwendig had toegediend. De laatste toedienings-wijze had geen ander nut gesticht dan eene roode plek op de kuiten der lijders te veroorzaken; het inwendige gebruik had daarentegen door de walging, die het veroorzaakte, de uitbarsting der ziekte bij velen zeer bevorderd.Zoo waren de bezigheden dus behoorlijk geregeld. Een paar uren des voormiddags en een paar uren des namiddags zouden aldus nuttig besteed worden; terwijl de overige tijd door de manschappen met doelmatige spelen als: kienspel, dominospel, enz, die daartoe in voldoende hoeveelheden medegenomen waren, doorgebracht kon worden.Dienzelfden dag werd de nieuwe dienstregeling, zooals kapitein Van Dam dat noemde, ingesteld, en werd een[195]ieder dus dien eigen morgen van negen tot elf uur nuttig bezig gehouden. Boven het achterdek en boven het voorschip spreidden zich tenten gezellig uit ter afwering der zonnestralen, die, hoewel het reeds einde van October was, zich hier op deze breedte balsamiek deden gevoelen.Toen de stuurman der wacht zes glazen op de klok sloeg, gaf de hoornblazer van het detachement het signaal tot staking der werkzaamheden en kon ieder zich verder bezig houden en vermeien, zooals hij verkoos.Intusschen was het eiland Palma, ofschoon ver verwijderd en dicht bij den horizon, nagenoeg dwars van deFernandina Maria Emmagekomen, die met volle zeilen recht op het eiland Teneriffe aanstevende. Alle hoofden lagen over de verschansing gebogen. om dat land aan te staren, hetwelk met iedere sekonde naderde. Het was een prachtig gezicht, dien machtigen kegel daar waarneembaar voor het oog uit zee te zien opstijgen. De lucht was, naarmate men het berggevaarte naderde, geheel opgehelderd en prijkte met dat liefelijk blauw, hetwelk in de nabijheid der keerkringen gewoonlijk aangetroffen wordt. Dat azuur weerkaatste in den Oceaan, die iets donkerder getint was en door de zacht op en neer gaande deining bewogen werd; terwijl de donkerblauwe massa van den kolossalen vulkaan, zich scherp op dien voorgrond, door de zee, en op den lichteren achtergrond, door de lucht gevormd, afteekende.„De vuurberg, dien gij daar ginds ziet,” zei kapitein Butteling tot de passagiers achter, nadat hij het schip iets onder de westerbries had laten afvallen, om ook hen van het achterdek een ruim uitzicht op den fraaien kegelvormigen berg te gunnen, „die vuurberg is bij de bewoners dezer eilanden onder den naam van Pico de Teyde bekend. Zijn hoogste top, dien gij daar ziet uitsteken, heet Piton en is 3715 el of 11872 voet hoog.[196]De ouden hielden hem voor den hoogsten berg der aarde.”„Gij schijnt deze eilanden te kennen,” merkte kapitein Van Dam op.„Ik heb als stuurman op een Spaansche brik, deSenhora Dolorès, gevaren, en daarmede menige reis van Barcelona naar die eilanden gemaakt.”„Toe kapitein, vertel ons dan iets van dien archipel,” verzochten de jonge meisjes.„Dat zou ik gaarne doen, lieve dames; maar.…” en naar de zon wijzende, ging de gezagvoerder voort, „daar is er een, die niet op mij wacht. Het middaguur is nabij, ik moet mijne waarnemingen doen, om het bestek op te maken. Maar, wij zullen die eilanden zoo gauw niet uit het gezicht verloren hebben, en zal ik wel tijd hebben, om u te vertellen wat ik weet.”Kapitein en stuurlieden stonden een tijd lang met hunne sextanten te manoeuvreren, totdat het woord „stop!” den waarnemer bij den chronometer het teeken gaf, dat de zon haar hoogste punt bereikt had. Kort daarop vernamen de passagiers, dat het fregat zich op 28° 59′ noorderbreedte en 17° 2′ westerlengte bevond en in het laatste etmaal 41½ mijl had afgelegd. Het eiland Teneriffe bevond zich toen nagenoeg in het zuid-zuidoosten van het schip. Maar de bries verflauwde van toen af langzamerhand, en wel in die mate, dat bij het vallen van den avond volkomen windstilte heerschte. DeFernandina Maria Emmadobberde toen voor de noordkust van het eiland Teneriffe, op niet meer dan drietal mijlen van den wal. Het was prachtig weer, de hemel vertoonde zich in dit uur azuurblauw; terwijl de zee dezelfde kleurtint weerkaatste, evenwel door de straalbreking eene andere schakeering vertoonde, die hoewel nauwelijks waarneembaar, toch de tinten van lucht en water belette in elkander over te gaan en alzoo de kim scherp afteekende.[197]In het zuiden verhief de machtige Piek van Teneriffe zich in al zijne statigheid, en teekende zich met zijne zwartblauwe massa scherp begrensd op de heldere lucht af; terwijl hij zich onpeilbaar diep in den Oceaan weerspiegelde, die zacht deinend hem aan zijn voet kwam lekken. In het oosten was de kim minder zuiver. De heiige band, die daar ontwaard werd, deed de nabijheid van een groot vastland gissen. In die richting bevonden zich evenwel achter de kim, zoodat het oog ze niet ontwaren kon, de eilanden Fuerteventura en Lanzerote, waarachter zich de Afrikaansche kust uitstrekte. In het noorden waarde het oog langs den Atlantischen Oceaan, die een heerlijken aanblik op de statig aanrollende deining-golven verleende, welke met hun zacht op en neergaan eenigermate als den polsslag aangaven van een onmetelijk groot monster. In het westen ging in dat oogenblik de zon achter Palma onder, en schoot van achter den zoo fraaien opheffingskrater van dat eiland vurige stralen, die aanvankelijk als gulden banden het hemelruim doorkliefden, langzamerhand van tint veranderden, in het zenith reeds eene rose-blauwachtige schakeering vertoonden, donkerder en donkerder werden en in het westen bij het aanraken der kim bijna zwart schenen.„Prachtig! prachtig!” zuchtte Herman, die met Frank dat zoo fraaie panorama te bewonderen stond.„Zeker prachtig!” antwoordde Behren, die met Slierendrecht en Van Diepbrugge een halfdekje sloeg43en in het voorbijgaan Herman’s ontboezeming opgevangen hadden,en nu bij de beide sergeanten staan bleven.„Zeker is dat tafereel prachtig, sergeant!”„Ziet eens” ging de apotheker voort, „het is alsof geheel Palma in brand staat en in vlammen opgaat.”„En ziet eens dien purpergloed in het water, waarin[198]zich de sombere omtrekken van het eiland zoo scherp afteekenen,” merkte Van Diepbrugge op.„En die stralenbundels die het luchtruim doorschieten van het westen naar het oosten” sprak Herman Riethoven, „daarbij het beloop van het hemelgewelf volgen, zonder zich met den hen omringenden ether te vermengen.”„En wat verheft die Teneriffe Piek zich daar in het zuiden somber maar prachtig,” zei Slierendrecht. „En wat toont hij nabij! Het is of hij daar dicht bij ons uit het water oprijst. Kijk, men kan alle zijne lengteribben duidelijk onderscheiden.”In dit oogenblik passeerde kapitein Butteling de jongelieden.„Zult gij ons nu iets van die schoone eilanden vertellen, kapitein?” vroeg Behren hem.„Ik ben gereed,” sprak de gezagvoerder, „maar wij zullen daar ginds op het achterdek plaats nemen. Daar kunnen we zitten, praten en zien. Kom jongelui, gij moogt van het gehoor zijn.”Die laatste volzin was tot de beide onderofficieren gericht, die de gelegenheid om kennis op te doen niet lieten voorbijgaan, maar de uitnoodiging aannamen.Toen dat vijftal rondom kapitein Butteling plaats nam, kwamen ook de andere passagiers opdagen, de dames er onder begrepen, en vormden rondom den gezagvoerder een schilderachtig groepje, waarvan ieders gelaat van weetgierigheid tintelde. Was het toeval of geheime aandrang? Wie zal dat ooit kunnen verklaren? Maar toen het gezelschap gezeten was, bevond zich Adelien Groenewald tusschen haren vader en Frank Brinkman, en Emma Groenewald tusschen Denniston en Herman Riethoven. Met mevrouw Groenewald vormden zij de eerste rij van het kringetje, dat kapitein Butteling omgaf; terwijl de overigen zich daarachter geschaard hadden.[199]„Ik heb beloofd” begon de gezagvoerder „iets van de Canarische eilanden te vertellen en ben bereid die belofte gedeeltelijk te voldoen. Ik zeg gedeeltelijk; omdat mijne mededeelingen slechts het eiland Teneriffe, langs welks noordkust wij dobberen, zullen betreffen. Dat eiland heb ik ook slechts betreden, alsook Gran Canaria voor slechts weinige uren; van de overigen weet ik nagenoeg niets. Luistert dus:„Het eiland heeft den vorm van een scheefzijdigen driehoek, waarvan een der hoekpunten, de noordoostelijke, met een kolossalen uitwas bezet zou zijn, en beslaat eene oppervlakte van 41.5 vierkante geogr. mijlen. Het is, zooals gij zien kunt, zeer bergachtig en gij hebt slechts het oog te slaan op dien kegelberg, die zich daar ginds in het midden van het eiland verheft, om te beseffen, dat het een vuurspuwende berg en de bodem van het eiland van vulkanischen oorsprong is. Zooals gij onder de verlichting der ondergaande zon ontwaren kunt, loopt de kust als eene nagenoeg onafgebrokene lijn voort en daalt steil in zee af, zonder baaien of inhammen van eenige beteekenis te vormen.…”„Maar op den anderen kant van het eiland?” vroeg kapitein Van Dam.„Daar wordt hetzelfde verschijnsel aangetroffen. Alleen bij den noordoosthoek wordt door die kaap daar ginds eene soort baai, naar de zuidzijde gekeerd, gevormd. Ik vertelde heden ochtend dat de Pico deTeyde, zooals de vulkaan door de inboorlingen genoemd wordt, in zijn top Piton geheeten, eene hoogte van 11872 voet boven de oppervlakte der zee bereikt. Ik kan er als zeeman bijvoegen, dat hij bij helder weder op 200 Nederlandsche mijlen zichtbaar is.”„Drommels,” zei kapitein Van Dam „dat zou een aardige vuurtoren zijn.”[200]„Ja, als er licht op aangestoken kon worden,” antwoordde de gezagvoerder.„Maar, als vuurspuwende berg zal hij zich toch wel eens laten gelden” meende Denniston.„Jawel, soms meer dan den bewoners lief is. Zoo verwoestte hij nog in 1706 bij eene uitbarsting Puorto Guarachio, eene kleine havenstad, hier op de noordkust gelegen, die zich sedert nimmer hersteld heeft, en waarvan gij de weinige huizen, waaruit zij thans bestaat, daar ginds bij de kaap Buena Vista kunt zien liggen. Maar sedert onheugelijke tijden hebben geene uitbarstingen langs zijn top meer plaats gehad, hoewel die door eene krateropening doorboord is. Steeds baant het onderaardsche vuur zich een weg op de flanken van den berg, gewoonlijk in eene plooi tusschen twee lengteribben. Het is jammer, dat het niet een paar maanden later is.”„Waarom?” was de algemeene vraag.„Dan zoudt gij een zeer fraai gezicht genieten. Van November tot April toch is de Piton, die door de bevolking daarom ook Pan de Azucar (suikerbrood) genoemd wordt, met sneeuw bedekt, die dan onder de zonnestralen aan glinsterend zilver gelijk is, en een prachtvol effekt maakt daar boven op dien steeds groenen kegelberg. Bedenkt, dat wij hier niet ver van den noorder-keerkring verwijderd zijn.”„Hebt gij dien berg beklommen, kapitein?” vroeg Emma Groenewald.„Gedeeltelijk slechts, juffrouw,” antwoordde de kapitein. „Ik was niet als toerist op het eiland en kon mij niet bewegen, zooals ik wilde. Misschien vertel ik later eens, hoe ik op dat eiland verzeild geraakt ben.”„Zijt gij bij de ijsgrotten geweest?” vroeg een der aanwezigen.„Bij de „cueva del hiels”? Neen, zoo hoog heb ik het[201]niet gebracht. Die zijn boven vlak bij den Piton gelegen. Maar op de hellingen heb ik de „narices” gezien, dat zijn spleten, waaruit heete dampen opstijgen, dus ware fumarolen. Het eigenaardigste van die beklimming is, dat daarbij nagenoeg het geheele plantenrijk der verschillende zonen den bezoeker onder de oogen komt. Van de kust tot aan den voet van den berg en zelfs tot op eene zekere hoogte daarboven, spreidt zich een tropische plantengroei voor het oog uit, waaraan de fraaiste palmsoorten als de cocospalm, de dadelpalm, de drakenbloedboom en ook vele pisangsoorten, alsmede uitgestrekte velden van suikerriet44haren eigenaardigen stempel verleenen. Stijgt men hooger dan 1200 voet, dan komt men in den gematigden gordel. Daar worden fraaie wijngaarden, olijf- en kastanje-bosschen en maïsvelden, allen zoo weelderig als in het zuiden van Frankrijk, als in Spanje, Italië, Griekenland en Klein-Azië, aangetroffen. Iets hooger komen den bezoeker olmboschjes en groepen eikenboomen onder het oog, waarnaast graanvelden evenals in ons vaderland. Boven de 4000 voet heeft men de wolken-zone, waarin vele laurier- en rododendron-boschjes worden aangetroffen. Daar bloeien de fraaiste rozen der wereld. Boven de 5000 voet treft men den gordel der naaldboomen aan, die eerst krachtig en verheven, al kleiner en kleiner van gestalte worden, naarmate men hooger klimt, totdat op 10,000 voet de „retama blanca”, de witte strook, bereikt wordt, waarmede de inboorlingen die streek aanduiden, waar slechts eenige alpenplanten tieren, die gedurende de wintermaanden onder eene dikke sneeuwlaag bedolven zijn. De eigenlijke Piton, die als uitbarstingskegel boven den verheffingskrater uitsteekt, bestaat uit lava, brokstukken of rapilli en vulkanische asch, waarop volstrekt geen plantengroei voorkomt.”[202]„Gij hebt zoo even in uwe opsomming der voorkomende gewassen den drakenbloedboom genoemd” zei de apotheker Behren. „Van waar hebt gij de bestijging des bergs ondernomen, kapitein?”„Van Orotava, eene kleine plaats op de noordkust gelegen, die gij daar ginds ten zuidoosten van ons ontwaren kunt. Ziet daar, waar die lichtjes fonkelen.”„Waar men het gas opsteekt,” merkte Emma op.„Het gas!…”antwoordde kapitein Butteling. „Het mocht wat! Neen, zoover zijn de bewoners dezer eilanden nog niet. Zij bezitten zelfs geene straatverlichting. De lichtjes, die gij daar ginds flikkeren ziet, zijn eenvoudige olielampen, waarmede de bewoners hunne binnenvertrekken verlichten. Maar, mijnheer Behren, gij vraagdet mij.…?”Stuurman Abels naderde den groep in dit oogenblik.„Zuider-bries,” zei hij tot kapitein Butteling, terwijl hij naar den windwijzer op den top van den grooten mast wees.„De landwind, die gewoonlijk tegen dit uur invalt, stuurman,” antwoordde de gezagvoerder. „Ik verwachtte hem. Laat de beneden zeilen geien, dan krijgen wij wat verademing op het dek, laat de bovenzeilen bij den wind brassen en dan maar op en neer houden, wij kunnen met die bries toch geen koers zetten.”De stuurman bracht zijn fluitje aan den mond. In een oogwenk was de geheele bemanning in beweging. De kapitein sloeg de manoeuvre met aandachtig oog gade. Toen het fregat onder den zachten druk zijner bovenzeilen licht stuurboord overhelde en westwaarts opstevende, hernam hij:„Mijnheer Behren, gij vraagdet mij, van waar ik mijne bergbeklimming aangevangen had. Hadt gij eenige bedoeling met die vraag?”[203]„Ja, kapitein. Ik wilde u vragen of gij den beroemden drakenbloedboom van Orotava gezien hebt?”„Welzeker.”„Kunt gij ons er eene beschrijving van geven?”„Helaas! dames en heeren, ik ben geen plantenkundige en zal daarin te kort schieten. Ziet hier, wat ik er van mededeelen kan. Het is een wonderlijke boom, volgens de geleerden tot de palmsoorten behoorende. Hij heeft een stam, die, ruw en knoestig, eene hoogte van 24 M. of ruim 76 voet tot aan de eerste vertakkingen bereikt. Even boven zijn wortel heeft hij een omvang van 16 meter, terwijl hij op 3 meter hoogte boven den grond nog ongeveer 12 meters omtrek heeft. De kroon verdeelt zich in ontelbare vertakkingen en ondervertakkingen, die aan hare uiteinden bossen van sierlijke lancetvormige bladeren vertoonen, welke de lengte van ongeveer een halven meter bereiken. Daardoor ontstaat een net van dikke verwarde takken, die met haren bladerendos een dicht scherm vormen, hetwelk voor de scherpste stralen der zon, die hier zich reeds heet kunnen doen gevoelen, ondoordringbaar is. Als men bij dien boom staat, voelt men zich klein en nietig45.„Dat er eene menigte sprookjes aan dien boom verbonden zijn, zal u niet vreemd in de ooren klinken. Een dier sprookjes duidt er onder anderen op, dat die boom een tijdgenoot van Adam en Eva zou zijn geweest.”„Dat is toch overdreven; niet waar mijnheer Behren?” vroeg Emma den apotheker.„Zoo heel veel overdreven niet, juffrouw Emma” antwoordde deze. „Als het waar is, dat er een menschenpaar geschapen is, zooals het Bijbelsch verhaal levert, dan zou dat onder de schaduw van dien boom hebben kunnen schuilen voor de zonnestralen, die hier lang niet[204]malsch zijn;—wel te verstaan, wanneer het aardsch paradijs op dit eiland gelegen geweest ware.”„Dat komt mij toch overdreven voor,” betuigde Adelien op hare beurt.„Laten wij eens rekenen,” zei Behren. „Volgens de Alexandrijnsche tijdrekening zijn ruim 7360, volgens de Juliaansche bijna 6570 en volgens de Hebreeuwsche ruim 5610 jaren sedert de schepping der wereld verloopen. Laten wij, om die rekenmeesters in overeenstemming te brengen, het gemiddelde van die opgaven nemen, dan zouden Adam en Eva zoo omstreeks 6500 jaren geleden geschapen zijn. Nu geeft de groote natuurkenner Alexander von Humboldt op, dat die boom een ouderdom van 6000 jaren heeft bereikt. Gij weet, dat de aartsvaders vrij oud werden. Adam en Eva zullen in dat voorrecht wel gedeeld hebben. Von Humboldt sprak zijne meening in 1799 dus ruim eene halve eeuw geleden uit. Neen, het is zoo geheel verwerpelijk niet, dien drakenbloedboom als tijdgenoot van het eerste menschenpaar aan te merken.”„Maar, dat is dan toch de eenige boom, die als zoo oud op te geven is?” vroeg Adelien.„Neen, lieve dame,” antwoordde Behren. „In Amerika heeft een genoemde Lobb in 1815 op de Sierra Nevada een groep cederboomen ontdekt, die hij reuzen of mammouthsboomen heette; maar door degeleerdenWellingtonia gigantea genoemd werden. Het zijn naaldboomen, waarvan ettelijke exemplaren 130 M. of ruim 410 voet hoogte en een middellijn van 10 M. bereikt hebben. De plantenkundigen hebben uitgemaakt, dat de oudsten dier boomen minstens 6000 jaren oud zijn.”„Verbazend!” zeiden de jonge dames.„Maar Behrtje,” vroeg kapitein Van Dam, „hoe maken die plantenkundigen zoo’n hoogen ouderdom uit. Zij[205]hebben toch geen geboorteregister of stamboek tot hunne beschikking. Zij kunnen den boom ook niet in den bek zien?”Behren had geen tijd om te antwoorden en was er niet rouwig om. Stuurman Abels trad op kapitein Butteling toe.„Er zijn vijf schepen in het gezicht,” sprak hij.De gezagvoerder sprong op en inderdaad, toen hij den kijker genomen had, kon hij zich overtuigen, dat stuurman Abels waarheid gerapporteerd had.Alle passagiers groepeerden zich om den kapitein, en keken verlangend uit.„Er is bij de avondschemering weinig te onderscheiden,” pruttelde de gezagvoerder, na een poos getuurd te hebben. „Zij schijnen van den landwind gebruik te te maken om op te werken. Drie er van liggen over denzelfden boeg als wij, de twee anderen over den anderen boeg.”„Zouden die schepen nabij komen?” vroeg Emma.„Waarschijnlijk, juffrouw, en meer nabij dan mij wel lief is,” antwoordde de kapitein. „Het zal van nacht oppassen heeten, stuurman. Voert het schip zijne lichten?”„Ja, kapitein.”En inderdaad het fregat vertoonde aan bakboord vooruit een rood en aan stuurboord een groen licht. Kapitein Butteling overtuigde zich, dat die lichten helder brandden.Langzamerhand naderden de gemelde vaartuigen; maar het was omstreeks middernacht, eer dat zij in het vaarwater van deFernandina Maria Emmawaren. Onze reizigers zaten die heen en weder laverende schepen eenigen tijd aan te staren; in dat nachtelijke uur was evenwel niet veel meer dan hare seinlichten en hare donkere omtrekken te ontwaren; zoodat dat gezicht niemand lang kon boeien en de teleurgestelden een voor een afdropen om zich te kooi te begeven.[206]Maar den volgenden ochtend was het een schilderachtig gezicht, dat zich aan de blikken van de opvarenden van deFernandina Maria Emmavoordeed. De landwind was wegstervende; alleen de lichte bovenzeilen waren gedeeltelijk gevuld, maar dienden slechts om het schip stuur te doen houden. Van vooruitstevenen was geen spraak. Toen de passagiers aan het dek kwamen, lag ons fregat te midden van de vijf schepen, die den vorigen avond gesignaleerd waren, en nu binnen een kring van een 5 à 600 M. straal rondom deFernandina Maria Emmadobberden. Het was een prettig gezicht, al die witte zeilen daar boven die blauwe watervlakte te ontwaren en hen zich daarin te zien spiegelen. Bij zonsopgang weerklonken allerwegen de fluitjes der stuurlieden aan boord van die vaartuigen, en rezen op dat signaal de vlaggen omhoog en wapperden aan de gaffels. Scheeps- en tooneelkijkers werden ijverig gebruikt om elkander te bespieden.„Daar is een Engelschman, en.… daar nog een!” riep kapitein Butteling.„En daar een Spanjaard! en daar een Deen!” vulde stuurman Abels aan.„En daar een Hollander!” wees kapitein Van Dam. „Waarachtig een Hollander!”„Waar? waar? .…” vroeg kapitein Butteling met eenige drift.„Daar ginds, die bark in het noordwesten. Kijk, daar gaat hij over stag. Nu kunt gij zijn vlag niet zien.”Na een poos door zijn langen scheepskijker getuurd te hebben, riep stuurman Abels plotseling uit:„Maar, dat isde stad Leiden, die twintig dagen voor ons uitgezeild is!”„Is het mogelijk?” riepen de verzamelde passagiers.„Er valt zich niet te vergissen. Ik ben twee jaren lang[207]stuurman aan boord van dat schip geweest. Het behoort aan hetzelfde kantoor als deFernandina Maria Emma.”Men scheen aan boord van destad Leidenons fregat ook herkend te hebben; want onmiddellijk ging die bark overstag en manoeuvreerden de beide schepen derwijze, dat zij elkander naderden. Inmiddels stierf de landwind weg en werd het bladstil. Het vijftal schepen lag dicht bij elkander—de stad Leidenwas geen 300 M van deFernandina Maria Emmaverwijderd—; terwijl het eiland Teneriffe met zijn fraaien plantentooi, die den rijkdom der tropische Flora vrij nabij kwam, zich op een kleinen afstand bekoorlijk uitstrekte. Kapitein Butteling maakte van de windstilte gebruik, om stuurman Bagman met de jol naar de Nederlandsche bark te zenden ten einde berichten in te winnen. Deze kwam een paar uur later aan boord van het fregat terug met de tijding datde stad Leidenbij het uitkomen van het Engelsche Kanaal, door een zuidwester storm beloopen was geworden, dat men voor top en takel had moeten lenzen en men met heel veel moeite kaap Clear en Mizen Point46vrijgeloopen was. Het schip had toen, steeds door den storm voortgezweept, langs de Iersche westkust moeten houden en had daarbij zeer veel averij aan tuig en verschansing ondervonden. Toen de storm bedaarde, schoot de wind in het westen. Van die gelegenheid, werd gebruik gemaakt, om weer zuidwaarts te sturen en eene toevlucht te Swansea in het Bristol-kanaal te zoeken, alwaar de bark eene reparatie onderging, die ongeveer acht dagen vereischte. Van Swansea in zee gestoken, was de gelegenheid tot de Canarische eilanden evenwel gunstig geweest.„Dan hebben wij het veel beter getroffen,” zei Frank Brinkman, toen stuurman Bagman die wederwaardigheden den beide onderofficieren ook mededeelde.[208]Tegen negen uur viel de verwachte zeewind niet in. Of kapitein Butteling ontelbare malen naar den windwijzer boven de kruissteng keek, of hij ook al eens floot om den wind te roepen, het was alles te vergeefs. Het bleef bladstil en dat bleef zoo een paar dagen duren. Wel verhief zich des avonds een zachte landbries; maar die blies uit het zuiden, daarmee was niet tusschen die eilanden uit te geraken en koers te zetten. Die landwind noodzaakte slechts de gezaghebbers der verschillende schepen, die daar tusschen dien archipel zwierven, tot verdubbelde waakzaamheid.Eindelijk woei den 28enOctober eene westelijke bries, die hoewel niet sterk, toch zoo veel door stond, dat deFernandina Maria Emmade zeeëngte tusschen de eilanden Teneriffe en Gomera kon binnen stevenen. Die vaart eischte de grootste oplettendheid van kapitein Butteling; want de stroom in die Straat was sterk en het vaarwater was niet breed, terwijl op de bries niet veel te vertrouwen was. Ieder was dan ook op zijn post, om terstond het anker te kunnen laten vallen, wanneer de wind het fregat in den steek mocht laten. Maar die doortocht werd gelukkig volbracht, en de reizigers konden ten volle het schoone gezicht genieten, hetwelk die beide bergachtige eilanden met hunnen fraaien plantentooi opleverden. Vooral trok de branding, die op kaap Teno, den noordwestpunt van Teneriffe, brak, de aandacht der opvarenden zeer. Hoewel de zee uiterst kalm was, rolde de Oceaan toch statige deininggolven, die op de rotsen, welke dat voorgebergte omgaven, braken, hoog opspatten en soms den vorm aannamen van verblindend witte zuilen, die daar voor een kort oogenblik verrezen en dan weer neerploften.Een zucht van verlichting ontsnapte toch kapitein Butteling, toen het schip kaap Becerro, de zuidpunt van[209]het eiland Gomera, te boven was gekomen. Het was toen ongeveer tien uren in den morgen.„Bezaanschoot aan!” riep hij met vergenoegd gelaat tot stuurman Abels, nadat die op zijn bevel eerst het schip iets had laten afvallen en daarna alle zeilen, die bijgezet konden worden, had doen ontplooien.En zich tot zijne passagiers wendende:„Komaan de zeiltjes staan bol en het fregat legt koers. Een glas Teneriffe47zal nu wel smaken. Er is mij een pak van het hart, dat wil ik wel bekennen.”Allen schaarden zich rondom hem in de verwachting, dat er wel wat volgen zou. Alvorens evenwel zijn verhaal te beginnen, wenkte kapitein Butteling de sergeanten Riethoven en Brinkman tot zich, om van het gehoor te zijn.„Met uw verlof, kapitein Van Dam?” sprak hij tot dezen op vragenden toon.De toegesprokene knikte toestemmend en blijkbaar met welgevallen.Beide kapiteins werden met een dankbaren blik door Adelien Groenewald beloond, voor wie èn de vraag èn het toestemmend gebaar niet verloren gegaan waren.Toen allen, ook Herman en Frank, bij den bezaansmast rondom den scheepsgezagvoerder gezeten waren, wilde hij beginnen.…„Maar, waar isde stad Leiden, waar zijn de andere schepen gebleven?” viel hem de heer Groenewald in de rede.„Die lagen gisteren avond westelijk genoeg om tusschen de eilanden Palma en Hierro door te stevenen, en zoo het ruime sop te bereiken. Als die daar nu ook diezelfde gelegenheid treffen als wij hier, dan is hunne manoeuvre goed geweest, anders liggen ze daar nu inkatzjammerte dobberen. Ik heb al uitgekeken, toen wij Gomera voorbij gestevend waren; maar er was niets te ontwaren aan de kim.”[210]
[Inhoud]VI.Dobberende bij de Canarische eilanden41.De voorspelling van kapitein Butteling kwam volkomen uit. Kort na zonsopgang op den 27stenOctober riep de matroos, dien hij in den fokkemast op uitkijk naar boven had gezonden:„Land vooruit!”„Waar?” riep kapitein Butteling hem toe, terwijl hij zijne handen tot eene spreekbuis te zamen gevouwen, voor den mond bracht.„Stuurboord vooruit!” was het antwoord, hetwelk van boven klonk.De kapitein keek in de aangeduide richting scherp toe, maar zag niets. Toen greep hij den grooten scheepskijker, dien hij gereed had doen leggen, sprong op de verschansing en hield zich, terwijl hij uitkeek, aan het bezaanwant vast.„Dat is Palma,” zei hij een oogenblik later tot kapitein Van Dam, die bij hem stond. „Voor dat wij een uur verder zijn, zal de Piek van Teneriffe vooruit wel te ontwaren zijn. Het is daar eenigszins heiig, anders was hij thans reeds te zien.”Het fregat maakte toen ongeveer zeven mijlen in de wacht en naderde bijgevolg betrekkelijk snel. Het[192]eiland Palma met zijn regelmatigen kegelvormigen vulkaan, die den geologen steeds tot grondvorm strekt, wanneer zij over verheffingskraters doceeren of schrijven, doemde langzaam en statig uit de blauwe zee op; terwijl vooruit zich eene donkerblauwe massa aan den horizon uit de nevelen ontwikkelde, die nog niet te onderscheiden was, maar die door de zeevarenden als de Piek van Teneriffe aangeduid werd. Het zou evenwel nog verscheidene uren duren, eer dat het schip zich in de wateren van den Canarischen archipel zoude bevinden.Nu men nagenoeg buiten den invloed der veranderlijke winden gekomen was, wenschte kapitein Van Dam, indachtig dat ledigheid des duivels oorkussen is, zijne manschappen zoo regelmatig bezig te houden als de omstandigheden slechts gedoogden. Hij droeg den luitenant Denniston op, zich met die onderofficieren bezig te houden, die zich voor het officiers-examen wenschten te bekwamen, en derhalve met dezen een wetenschappelijken cursus te doorloopen. Luitenant Leidermooi moest met de overige onderofficieren en manschappen ettelijke uren daags theorie42houden over de militaire reglementen, als: de garnizoens- en inwendige dienst, de soldaten- en pelotonscholen, de velddienst, de tirailleursignalen enz. enz. Kapitein Van Dam gaf bij die verdeeling van arbeid, afgescheiden dat hij zoodoende zijn onderhebbend detachement nuttig bezig hield, blijk met eene zekere mate van opmerkingsgave bedeeld te zijn.Hij had al spoedig ontdekt, dat de wetenschappelijke vorming bij Denniston er niet dik opzat, ook dat de lust om het geleerde te onderhouden niet groot was. Door hem dus dien cursus met de onderofficieren op te dragen, noodzaakte hij den jongman zijne boeken ter hand te nemen, het geleerde te herhalen, zelfs een breeder veld te[193]betreden, ten einde tegenover die onderofficieren, waaronder verscheidene ontwikkelde mannen waren, geen dwaas figuur te slaan.Van een anderen kant had de kapitein opgemerkt, dat luitenant Leidermooi in zijn omgang met de mindere militairen eene zekere bedeesdheid aan den dag legde, die van angstvalligheid niet veel verschilde. Hij was te zacht van inborst, zag daarenboven met een soort ontzag tegen die gebaarde en zooveel oudere mannen op; zoodat dat ontzag wel afbreuk dreigde te doen aan het gezag, hetwelk hij geroepen was, uit te oefenen. Een nadere omgang met zijne ondergeschikten, gesteund door de nabijheid van dendetachements-kommandantin de eerste dagen, zou daarin eene gewenschte verandering brengen. De jeugdige luitenant zou daarenboven bij die theoriën door een paar onderofficieren en korporaals bijgestaan worden, door verdienstelijke en achtenswaardige mannen, die flink op de hoogte hunner militaire verplichtingen waren, zich daarenboven door een onwrikbare eerbiediging der krijgstucht onderscheidden en derhalve niet met zich spelen lieten.Docter Hannius zou ettelijke malen per week voor de vereenigde onderofficieren en korporaals eene verhandeling houden, waarbij hij de grondslagen zou leggen eener geneeskundige velddienst, nuttige wenken geven omtrent de eerste verbanden op het slagveld aan te leggen, en welke hulp toe te dienen is, bij verschillende ziektevormen, in afwachting dat door bevoegden geneeskundige hulp verleend kon worden.Behrtje hield eenen botanischen cursus voor eenige adepten, waaronder de heeren Van Diepbrugge en Slierendrecht en ook onze sergeanten Riethoven en Brinkman aangetroffen werden. De jonge dames hadden onzen apotheker spottend gevraagd: of in zijnen cursus[194]ookle langage des fleursbehandeld werd, en of men ook monographiën over de rozen, de vergeet-mij-nietjes, de lelies enz. zoude genieten; waarop Behrtje geantwoord had, dat het hem gevaarlijk voor zijne gemoedsrust voorkwam, de bloemenspraak tegenover zoo schoone sprekende oogen te behandelen. Hij mocht eens de eene taal met de andere verwarren. Toch beloofde hij een enkele maal gedurende de reis eene verhandeling over de rosaceae, liliaceae, aurantiaceae, violaceae,.… te houden. Hij had ondeugend er nog willen bijvoegen: over de solaneae en sterculiaceae, maar de dames waren bij die opsomming van barbaarsch-klinkende woorden op de vlucht geslagen. Dokter Van Pinksteren zou nu en dan die botanische voordrachten bijwonen, niet zoo zeer, omdat hij eenig belang in dien tak van natuurwetenschap stelde, dan wel om te vernemen of er niet een surrogaat voor zijn lijnzaadkoeken-remedie op te sporen zoude zijn. Zijn arcanum begon erg te verminderen; de geheerscht hebbende zeeziekte had in den voorraad een slag geslagen, daar de scheepsdokter den patiënten zijn middel in- en uitwendig had toegediend. De laatste toedienings-wijze had geen ander nut gesticht dan eene roode plek op de kuiten der lijders te veroorzaken; het inwendige gebruik had daarentegen door de walging, die het veroorzaakte, de uitbarsting der ziekte bij velen zeer bevorderd.Zoo waren de bezigheden dus behoorlijk geregeld. Een paar uren des voormiddags en een paar uren des namiddags zouden aldus nuttig besteed worden; terwijl de overige tijd door de manschappen met doelmatige spelen als: kienspel, dominospel, enz, die daartoe in voldoende hoeveelheden medegenomen waren, doorgebracht kon worden.Dienzelfden dag werd de nieuwe dienstregeling, zooals kapitein Van Dam dat noemde, ingesteld, en werd een[195]ieder dus dien eigen morgen van negen tot elf uur nuttig bezig gehouden. Boven het achterdek en boven het voorschip spreidden zich tenten gezellig uit ter afwering der zonnestralen, die, hoewel het reeds einde van October was, zich hier op deze breedte balsamiek deden gevoelen.Toen de stuurman der wacht zes glazen op de klok sloeg, gaf de hoornblazer van het detachement het signaal tot staking der werkzaamheden en kon ieder zich verder bezig houden en vermeien, zooals hij verkoos.Intusschen was het eiland Palma, ofschoon ver verwijderd en dicht bij den horizon, nagenoeg dwars van deFernandina Maria Emmagekomen, die met volle zeilen recht op het eiland Teneriffe aanstevende. Alle hoofden lagen over de verschansing gebogen. om dat land aan te staren, hetwelk met iedere sekonde naderde. Het was een prachtig gezicht, dien machtigen kegel daar waarneembaar voor het oog uit zee te zien opstijgen. De lucht was, naarmate men het berggevaarte naderde, geheel opgehelderd en prijkte met dat liefelijk blauw, hetwelk in de nabijheid der keerkringen gewoonlijk aangetroffen wordt. Dat azuur weerkaatste in den Oceaan, die iets donkerder getint was en door de zacht op en neer gaande deining bewogen werd; terwijl de donkerblauwe massa van den kolossalen vulkaan, zich scherp op dien voorgrond, door de zee, en op den lichteren achtergrond, door de lucht gevormd, afteekende.„De vuurberg, dien gij daar ginds ziet,” zei kapitein Butteling tot de passagiers achter, nadat hij het schip iets onder de westerbries had laten afvallen, om ook hen van het achterdek een ruim uitzicht op den fraaien kegelvormigen berg te gunnen, „die vuurberg is bij de bewoners dezer eilanden onder den naam van Pico de Teyde bekend. Zijn hoogste top, dien gij daar ziet uitsteken, heet Piton en is 3715 el of 11872 voet hoog.[196]De ouden hielden hem voor den hoogsten berg der aarde.”„Gij schijnt deze eilanden te kennen,” merkte kapitein Van Dam op.„Ik heb als stuurman op een Spaansche brik, deSenhora Dolorès, gevaren, en daarmede menige reis van Barcelona naar die eilanden gemaakt.”„Toe kapitein, vertel ons dan iets van dien archipel,” verzochten de jonge meisjes.„Dat zou ik gaarne doen, lieve dames; maar.…” en naar de zon wijzende, ging de gezagvoerder voort, „daar is er een, die niet op mij wacht. Het middaguur is nabij, ik moet mijne waarnemingen doen, om het bestek op te maken. Maar, wij zullen die eilanden zoo gauw niet uit het gezicht verloren hebben, en zal ik wel tijd hebben, om u te vertellen wat ik weet.”Kapitein en stuurlieden stonden een tijd lang met hunne sextanten te manoeuvreren, totdat het woord „stop!” den waarnemer bij den chronometer het teeken gaf, dat de zon haar hoogste punt bereikt had. Kort daarop vernamen de passagiers, dat het fregat zich op 28° 59′ noorderbreedte en 17° 2′ westerlengte bevond en in het laatste etmaal 41½ mijl had afgelegd. Het eiland Teneriffe bevond zich toen nagenoeg in het zuid-zuidoosten van het schip. Maar de bries verflauwde van toen af langzamerhand, en wel in die mate, dat bij het vallen van den avond volkomen windstilte heerschte. DeFernandina Maria Emmadobberde toen voor de noordkust van het eiland Teneriffe, op niet meer dan drietal mijlen van den wal. Het was prachtig weer, de hemel vertoonde zich in dit uur azuurblauw; terwijl de zee dezelfde kleurtint weerkaatste, evenwel door de straalbreking eene andere schakeering vertoonde, die hoewel nauwelijks waarneembaar, toch de tinten van lucht en water belette in elkander over te gaan en alzoo de kim scherp afteekende.[197]In het zuiden verhief de machtige Piek van Teneriffe zich in al zijne statigheid, en teekende zich met zijne zwartblauwe massa scherp begrensd op de heldere lucht af; terwijl hij zich onpeilbaar diep in den Oceaan weerspiegelde, die zacht deinend hem aan zijn voet kwam lekken. In het oosten was de kim minder zuiver. De heiige band, die daar ontwaard werd, deed de nabijheid van een groot vastland gissen. In die richting bevonden zich evenwel achter de kim, zoodat het oog ze niet ontwaren kon, de eilanden Fuerteventura en Lanzerote, waarachter zich de Afrikaansche kust uitstrekte. In het noorden waarde het oog langs den Atlantischen Oceaan, die een heerlijken aanblik op de statig aanrollende deining-golven verleende, welke met hun zacht op en neergaan eenigermate als den polsslag aangaven van een onmetelijk groot monster. In het westen ging in dat oogenblik de zon achter Palma onder, en schoot van achter den zoo fraaien opheffingskrater van dat eiland vurige stralen, die aanvankelijk als gulden banden het hemelruim doorkliefden, langzamerhand van tint veranderden, in het zenith reeds eene rose-blauwachtige schakeering vertoonden, donkerder en donkerder werden en in het westen bij het aanraken der kim bijna zwart schenen.„Prachtig! prachtig!” zuchtte Herman, die met Frank dat zoo fraaie panorama te bewonderen stond.„Zeker prachtig!” antwoordde Behren, die met Slierendrecht en Van Diepbrugge een halfdekje sloeg43en in het voorbijgaan Herman’s ontboezeming opgevangen hadden,en nu bij de beide sergeanten staan bleven.„Zeker is dat tafereel prachtig, sergeant!”„Ziet eens” ging de apotheker voort, „het is alsof geheel Palma in brand staat en in vlammen opgaat.”„En ziet eens dien purpergloed in het water, waarin[198]zich de sombere omtrekken van het eiland zoo scherp afteekenen,” merkte Van Diepbrugge op.„En die stralenbundels die het luchtruim doorschieten van het westen naar het oosten” sprak Herman Riethoven, „daarbij het beloop van het hemelgewelf volgen, zonder zich met den hen omringenden ether te vermengen.”„En wat verheft die Teneriffe Piek zich daar in het zuiden somber maar prachtig,” zei Slierendrecht. „En wat toont hij nabij! Het is of hij daar dicht bij ons uit het water oprijst. Kijk, men kan alle zijne lengteribben duidelijk onderscheiden.”In dit oogenblik passeerde kapitein Butteling de jongelieden.„Zult gij ons nu iets van die schoone eilanden vertellen, kapitein?” vroeg Behren hem.„Ik ben gereed,” sprak de gezagvoerder, „maar wij zullen daar ginds op het achterdek plaats nemen. Daar kunnen we zitten, praten en zien. Kom jongelui, gij moogt van het gehoor zijn.”Die laatste volzin was tot de beide onderofficieren gericht, die de gelegenheid om kennis op te doen niet lieten voorbijgaan, maar de uitnoodiging aannamen.Toen dat vijftal rondom kapitein Butteling plaats nam, kwamen ook de andere passagiers opdagen, de dames er onder begrepen, en vormden rondom den gezagvoerder een schilderachtig groepje, waarvan ieders gelaat van weetgierigheid tintelde. Was het toeval of geheime aandrang? Wie zal dat ooit kunnen verklaren? Maar toen het gezelschap gezeten was, bevond zich Adelien Groenewald tusschen haren vader en Frank Brinkman, en Emma Groenewald tusschen Denniston en Herman Riethoven. Met mevrouw Groenewald vormden zij de eerste rij van het kringetje, dat kapitein Butteling omgaf; terwijl de overigen zich daarachter geschaard hadden.[199]„Ik heb beloofd” begon de gezagvoerder „iets van de Canarische eilanden te vertellen en ben bereid die belofte gedeeltelijk te voldoen. Ik zeg gedeeltelijk; omdat mijne mededeelingen slechts het eiland Teneriffe, langs welks noordkust wij dobberen, zullen betreffen. Dat eiland heb ik ook slechts betreden, alsook Gran Canaria voor slechts weinige uren; van de overigen weet ik nagenoeg niets. Luistert dus:„Het eiland heeft den vorm van een scheefzijdigen driehoek, waarvan een der hoekpunten, de noordoostelijke, met een kolossalen uitwas bezet zou zijn, en beslaat eene oppervlakte van 41.5 vierkante geogr. mijlen. Het is, zooals gij zien kunt, zeer bergachtig en gij hebt slechts het oog te slaan op dien kegelberg, die zich daar ginds in het midden van het eiland verheft, om te beseffen, dat het een vuurspuwende berg en de bodem van het eiland van vulkanischen oorsprong is. Zooals gij onder de verlichting der ondergaande zon ontwaren kunt, loopt de kust als eene nagenoeg onafgebrokene lijn voort en daalt steil in zee af, zonder baaien of inhammen van eenige beteekenis te vormen.…”„Maar op den anderen kant van het eiland?” vroeg kapitein Van Dam.„Daar wordt hetzelfde verschijnsel aangetroffen. Alleen bij den noordoosthoek wordt door die kaap daar ginds eene soort baai, naar de zuidzijde gekeerd, gevormd. Ik vertelde heden ochtend dat de Pico deTeyde, zooals de vulkaan door de inboorlingen genoemd wordt, in zijn top Piton geheeten, eene hoogte van 11872 voet boven de oppervlakte der zee bereikt. Ik kan er als zeeman bijvoegen, dat hij bij helder weder op 200 Nederlandsche mijlen zichtbaar is.”„Drommels,” zei kapitein Van Dam „dat zou een aardige vuurtoren zijn.”[200]„Ja, als er licht op aangestoken kon worden,” antwoordde de gezagvoerder.„Maar, als vuurspuwende berg zal hij zich toch wel eens laten gelden” meende Denniston.„Jawel, soms meer dan den bewoners lief is. Zoo verwoestte hij nog in 1706 bij eene uitbarsting Puorto Guarachio, eene kleine havenstad, hier op de noordkust gelegen, die zich sedert nimmer hersteld heeft, en waarvan gij de weinige huizen, waaruit zij thans bestaat, daar ginds bij de kaap Buena Vista kunt zien liggen. Maar sedert onheugelijke tijden hebben geene uitbarstingen langs zijn top meer plaats gehad, hoewel die door eene krateropening doorboord is. Steeds baant het onderaardsche vuur zich een weg op de flanken van den berg, gewoonlijk in eene plooi tusschen twee lengteribben. Het is jammer, dat het niet een paar maanden later is.”„Waarom?” was de algemeene vraag.„Dan zoudt gij een zeer fraai gezicht genieten. Van November tot April toch is de Piton, die door de bevolking daarom ook Pan de Azucar (suikerbrood) genoemd wordt, met sneeuw bedekt, die dan onder de zonnestralen aan glinsterend zilver gelijk is, en een prachtvol effekt maakt daar boven op dien steeds groenen kegelberg. Bedenkt, dat wij hier niet ver van den noorder-keerkring verwijderd zijn.”„Hebt gij dien berg beklommen, kapitein?” vroeg Emma Groenewald.„Gedeeltelijk slechts, juffrouw,” antwoordde de kapitein. „Ik was niet als toerist op het eiland en kon mij niet bewegen, zooals ik wilde. Misschien vertel ik later eens, hoe ik op dat eiland verzeild geraakt ben.”„Zijt gij bij de ijsgrotten geweest?” vroeg een der aanwezigen.„Bij de „cueva del hiels”? Neen, zoo hoog heb ik het[201]niet gebracht. Die zijn boven vlak bij den Piton gelegen. Maar op de hellingen heb ik de „narices” gezien, dat zijn spleten, waaruit heete dampen opstijgen, dus ware fumarolen. Het eigenaardigste van die beklimming is, dat daarbij nagenoeg het geheele plantenrijk der verschillende zonen den bezoeker onder de oogen komt. Van de kust tot aan den voet van den berg en zelfs tot op eene zekere hoogte daarboven, spreidt zich een tropische plantengroei voor het oog uit, waaraan de fraaiste palmsoorten als de cocospalm, de dadelpalm, de drakenbloedboom en ook vele pisangsoorten, alsmede uitgestrekte velden van suikerriet44haren eigenaardigen stempel verleenen. Stijgt men hooger dan 1200 voet, dan komt men in den gematigden gordel. Daar worden fraaie wijngaarden, olijf- en kastanje-bosschen en maïsvelden, allen zoo weelderig als in het zuiden van Frankrijk, als in Spanje, Italië, Griekenland en Klein-Azië, aangetroffen. Iets hooger komen den bezoeker olmboschjes en groepen eikenboomen onder het oog, waarnaast graanvelden evenals in ons vaderland. Boven de 4000 voet heeft men de wolken-zone, waarin vele laurier- en rododendron-boschjes worden aangetroffen. Daar bloeien de fraaiste rozen der wereld. Boven de 5000 voet treft men den gordel der naaldboomen aan, die eerst krachtig en verheven, al kleiner en kleiner van gestalte worden, naarmate men hooger klimt, totdat op 10,000 voet de „retama blanca”, de witte strook, bereikt wordt, waarmede de inboorlingen die streek aanduiden, waar slechts eenige alpenplanten tieren, die gedurende de wintermaanden onder eene dikke sneeuwlaag bedolven zijn. De eigenlijke Piton, die als uitbarstingskegel boven den verheffingskrater uitsteekt, bestaat uit lava, brokstukken of rapilli en vulkanische asch, waarop volstrekt geen plantengroei voorkomt.”[202]„Gij hebt zoo even in uwe opsomming der voorkomende gewassen den drakenbloedboom genoemd” zei de apotheker Behren. „Van waar hebt gij de bestijging des bergs ondernomen, kapitein?”„Van Orotava, eene kleine plaats op de noordkust gelegen, die gij daar ginds ten zuidoosten van ons ontwaren kunt. Ziet daar, waar die lichtjes fonkelen.”„Waar men het gas opsteekt,” merkte Emma op.„Het gas!…”antwoordde kapitein Butteling. „Het mocht wat! Neen, zoover zijn de bewoners dezer eilanden nog niet. Zij bezitten zelfs geene straatverlichting. De lichtjes, die gij daar ginds flikkeren ziet, zijn eenvoudige olielampen, waarmede de bewoners hunne binnenvertrekken verlichten. Maar, mijnheer Behren, gij vraagdet mij.…?”Stuurman Abels naderde den groep in dit oogenblik.„Zuider-bries,” zei hij tot kapitein Butteling, terwijl hij naar den windwijzer op den top van den grooten mast wees.„De landwind, die gewoonlijk tegen dit uur invalt, stuurman,” antwoordde de gezagvoerder. „Ik verwachtte hem. Laat de beneden zeilen geien, dan krijgen wij wat verademing op het dek, laat de bovenzeilen bij den wind brassen en dan maar op en neer houden, wij kunnen met die bries toch geen koers zetten.”De stuurman bracht zijn fluitje aan den mond. In een oogwenk was de geheele bemanning in beweging. De kapitein sloeg de manoeuvre met aandachtig oog gade. Toen het fregat onder den zachten druk zijner bovenzeilen licht stuurboord overhelde en westwaarts opstevende, hernam hij:„Mijnheer Behren, gij vraagdet mij, van waar ik mijne bergbeklimming aangevangen had. Hadt gij eenige bedoeling met die vraag?”[203]„Ja, kapitein. Ik wilde u vragen of gij den beroemden drakenbloedboom van Orotava gezien hebt?”„Welzeker.”„Kunt gij ons er eene beschrijving van geven?”„Helaas! dames en heeren, ik ben geen plantenkundige en zal daarin te kort schieten. Ziet hier, wat ik er van mededeelen kan. Het is een wonderlijke boom, volgens de geleerden tot de palmsoorten behoorende. Hij heeft een stam, die, ruw en knoestig, eene hoogte van 24 M. of ruim 76 voet tot aan de eerste vertakkingen bereikt. Even boven zijn wortel heeft hij een omvang van 16 meter, terwijl hij op 3 meter hoogte boven den grond nog ongeveer 12 meters omtrek heeft. De kroon verdeelt zich in ontelbare vertakkingen en ondervertakkingen, die aan hare uiteinden bossen van sierlijke lancetvormige bladeren vertoonen, welke de lengte van ongeveer een halven meter bereiken. Daardoor ontstaat een net van dikke verwarde takken, die met haren bladerendos een dicht scherm vormen, hetwelk voor de scherpste stralen der zon, die hier zich reeds heet kunnen doen gevoelen, ondoordringbaar is. Als men bij dien boom staat, voelt men zich klein en nietig45.„Dat er eene menigte sprookjes aan dien boom verbonden zijn, zal u niet vreemd in de ooren klinken. Een dier sprookjes duidt er onder anderen op, dat die boom een tijdgenoot van Adam en Eva zou zijn geweest.”„Dat is toch overdreven; niet waar mijnheer Behren?” vroeg Emma den apotheker.„Zoo heel veel overdreven niet, juffrouw Emma” antwoordde deze. „Als het waar is, dat er een menschenpaar geschapen is, zooals het Bijbelsch verhaal levert, dan zou dat onder de schaduw van dien boom hebben kunnen schuilen voor de zonnestralen, die hier lang niet[204]malsch zijn;—wel te verstaan, wanneer het aardsch paradijs op dit eiland gelegen geweest ware.”„Dat komt mij toch overdreven voor,” betuigde Adelien op hare beurt.„Laten wij eens rekenen,” zei Behren. „Volgens de Alexandrijnsche tijdrekening zijn ruim 7360, volgens de Juliaansche bijna 6570 en volgens de Hebreeuwsche ruim 5610 jaren sedert de schepping der wereld verloopen. Laten wij, om die rekenmeesters in overeenstemming te brengen, het gemiddelde van die opgaven nemen, dan zouden Adam en Eva zoo omstreeks 6500 jaren geleden geschapen zijn. Nu geeft de groote natuurkenner Alexander von Humboldt op, dat die boom een ouderdom van 6000 jaren heeft bereikt. Gij weet, dat de aartsvaders vrij oud werden. Adam en Eva zullen in dat voorrecht wel gedeeld hebben. Von Humboldt sprak zijne meening in 1799 dus ruim eene halve eeuw geleden uit. Neen, het is zoo geheel verwerpelijk niet, dien drakenbloedboom als tijdgenoot van het eerste menschenpaar aan te merken.”„Maar, dat is dan toch de eenige boom, die als zoo oud op te geven is?” vroeg Adelien.„Neen, lieve dame,” antwoordde Behren. „In Amerika heeft een genoemde Lobb in 1815 op de Sierra Nevada een groep cederboomen ontdekt, die hij reuzen of mammouthsboomen heette; maar door degeleerdenWellingtonia gigantea genoemd werden. Het zijn naaldboomen, waarvan ettelijke exemplaren 130 M. of ruim 410 voet hoogte en een middellijn van 10 M. bereikt hebben. De plantenkundigen hebben uitgemaakt, dat de oudsten dier boomen minstens 6000 jaren oud zijn.”„Verbazend!” zeiden de jonge dames.„Maar Behrtje,” vroeg kapitein Van Dam, „hoe maken die plantenkundigen zoo’n hoogen ouderdom uit. Zij[205]hebben toch geen geboorteregister of stamboek tot hunne beschikking. Zij kunnen den boom ook niet in den bek zien?”Behren had geen tijd om te antwoorden en was er niet rouwig om. Stuurman Abels trad op kapitein Butteling toe.„Er zijn vijf schepen in het gezicht,” sprak hij.De gezagvoerder sprong op en inderdaad, toen hij den kijker genomen had, kon hij zich overtuigen, dat stuurman Abels waarheid gerapporteerd had.Alle passagiers groepeerden zich om den kapitein, en keken verlangend uit.„Er is bij de avondschemering weinig te onderscheiden,” pruttelde de gezagvoerder, na een poos getuurd te hebben. „Zij schijnen van den landwind gebruik te te maken om op te werken. Drie er van liggen over denzelfden boeg als wij, de twee anderen over den anderen boeg.”„Zouden die schepen nabij komen?” vroeg Emma.„Waarschijnlijk, juffrouw, en meer nabij dan mij wel lief is,” antwoordde de kapitein. „Het zal van nacht oppassen heeten, stuurman. Voert het schip zijne lichten?”„Ja, kapitein.”En inderdaad het fregat vertoonde aan bakboord vooruit een rood en aan stuurboord een groen licht. Kapitein Butteling overtuigde zich, dat die lichten helder brandden.Langzamerhand naderden de gemelde vaartuigen; maar het was omstreeks middernacht, eer dat zij in het vaarwater van deFernandina Maria Emmawaren. Onze reizigers zaten die heen en weder laverende schepen eenigen tijd aan te staren; in dat nachtelijke uur was evenwel niet veel meer dan hare seinlichten en hare donkere omtrekken te ontwaren; zoodat dat gezicht niemand lang kon boeien en de teleurgestelden een voor een afdropen om zich te kooi te begeven.[206]Maar den volgenden ochtend was het een schilderachtig gezicht, dat zich aan de blikken van de opvarenden van deFernandina Maria Emmavoordeed. De landwind was wegstervende; alleen de lichte bovenzeilen waren gedeeltelijk gevuld, maar dienden slechts om het schip stuur te doen houden. Van vooruitstevenen was geen spraak. Toen de passagiers aan het dek kwamen, lag ons fregat te midden van de vijf schepen, die den vorigen avond gesignaleerd waren, en nu binnen een kring van een 5 à 600 M. straal rondom deFernandina Maria Emmadobberden. Het was een prettig gezicht, al die witte zeilen daar boven die blauwe watervlakte te ontwaren en hen zich daarin te zien spiegelen. Bij zonsopgang weerklonken allerwegen de fluitjes der stuurlieden aan boord van die vaartuigen, en rezen op dat signaal de vlaggen omhoog en wapperden aan de gaffels. Scheeps- en tooneelkijkers werden ijverig gebruikt om elkander te bespieden.„Daar is een Engelschman, en.… daar nog een!” riep kapitein Butteling.„En daar een Spanjaard! en daar een Deen!” vulde stuurman Abels aan.„En daar een Hollander!” wees kapitein Van Dam. „Waarachtig een Hollander!”„Waar? waar? .…” vroeg kapitein Butteling met eenige drift.„Daar ginds, die bark in het noordwesten. Kijk, daar gaat hij over stag. Nu kunt gij zijn vlag niet zien.”Na een poos door zijn langen scheepskijker getuurd te hebben, riep stuurman Abels plotseling uit:„Maar, dat isde stad Leiden, die twintig dagen voor ons uitgezeild is!”„Is het mogelijk?” riepen de verzamelde passagiers.„Er valt zich niet te vergissen. Ik ben twee jaren lang[207]stuurman aan boord van dat schip geweest. Het behoort aan hetzelfde kantoor als deFernandina Maria Emma.”Men scheen aan boord van destad Leidenons fregat ook herkend te hebben; want onmiddellijk ging die bark overstag en manoeuvreerden de beide schepen derwijze, dat zij elkander naderden. Inmiddels stierf de landwind weg en werd het bladstil. Het vijftal schepen lag dicht bij elkander—de stad Leidenwas geen 300 M van deFernandina Maria Emmaverwijderd—; terwijl het eiland Teneriffe met zijn fraaien plantentooi, die den rijkdom der tropische Flora vrij nabij kwam, zich op een kleinen afstand bekoorlijk uitstrekte. Kapitein Butteling maakte van de windstilte gebruik, om stuurman Bagman met de jol naar de Nederlandsche bark te zenden ten einde berichten in te winnen. Deze kwam een paar uur later aan boord van het fregat terug met de tijding datde stad Leidenbij het uitkomen van het Engelsche Kanaal, door een zuidwester storm beloopen was geworden, dat men voor top en takel had moeten lenzen en men met heel veel moeite kaap Clear en Mizen Point46vrijgeloopen was. Het schip had toen, steeds door den storm voortgezweept, langs de Iersche westkust moeten houden en had daarbij zeer veel averij aan tuig en verschansing ondervonden. Toen de storm bedaarde, schoot de wind in het westen. Van die gelegenheid, werd gebruik gemaakt, om weer zuidwaarts te sturen en eene toevlucht te Swansea in het Bristol-kanaal te zoeken, alwaar de bark eene reparatie onderging, die ongeveer acht dagen vereischte. Van Swansea in zee gestoken, was de gelegenheid tot de Canarische eilanden evenwel gunstig geweest.„Dan hebben wij het veel beter getroffen,” zei Frank Brinkman, toen stuurman Bagman die wederwaardigheden den beide onderofficieren ook mededeelde.[208]Tegen negen uur viel de verwachte zeewind niet in. Of kapitein Butteling ontelbare malen naar den windwijzer boven de kruissteng keek, of hij ook al eens floot om den wind te roepen, het was alles te vergeefs. Het bleef bladstil en dat bleef zoo een paar dagen duren. Wel verhief zich des avonds een zachte landbries; maar die blies uit het zuiden, daarmee was niet tusschen die eilanden uit te geraken en koers te zetten. Die landwind noodzaakte slechts de gezaghebbers der verschillende schepen, die daar tusschen dien archipel zwierven, tot verdubbelde waakzaamheid.Eindelijk woei den 28enOctober eene westelijke bries, die hoewel niet sterk, toch zoo veel door stond, dat deFernandina Maria Emmade zeeëngte tusschen de eilanden Teneriffe en Gomera kon binnen stevenen. Die vaart eischte de grootste oplettendheid van kapitein Butteling; want de stroom in die Straat was sterk en het vaarwater was niet breed, terwijl op de bries niet veel te vertrouwen was. Ieder was dan ook op zijn post, om terstond het anker te kunnen laten vallen, wanneer de wind het fregat in den steek mocht laten. Maar die doortocht werd gelukkig volbracht, en de reizigers konden ten volle het schoone gezicht genieten, hetwelk die beide bergachtige eilanden met hunnen fraaien plantentooi opleverden. Vooral trok de branding, die op kaap Teno, den noordwestpunt van Teneriffe, brak, de aandacht der opvarenden zeer. Hoewel de zee uiterst kalm was, rolde de Oceaan toch statige deininggolven, die op de rotsen, welke dat voorgebergte omgaven, braken, hoog opspatten en soms den vorm aannamen van verblindend witte zuilen, die daar voor een kort oogenblik verrezen en dan weer neerploften.Een zucht van verlichting ontsnapte toch kapitein Butteling, toen het schip kaap Becerro, de zuidpunt van[209]het eiland Gomera, te boven was gekomen. Het was toen ongeveer tien uren in den morgen.„Bezaanschoot aan!” riep hij met vergenoegd gelaat tot stuurman Abels, nadat die op zijn bevel eerst het schip iets had laten afvallen en daarna alle zeilen, die bijgezet konden worden, had doen ontplooien.En zich tot zijne passagiers wendende:„Komaan de zeiltjes staan bol en het fregat legt koers. Een glas Teneriffe47zal nu wel smaken. Er is mij een pak van het hart, dat wil ik wel bekennen.”Allen schaarden zich rondom hem in de verwachting, dat er wel wat volgen zou. Alvorens evenwel zijn verhaal te beginnen, wenkte kapitein Butteling de sergeanten Riethoven en Brinkman tot zich, om van het gehoor te zijn.„Met uw verlof, kapitein Van Dam?” sprak hij tot dezen op vragenden toon.De toegesprokene knikte toestemmend en blijkbaar met welgevallen.Beide kapiteins werden met een dankbaren blik door Adelien Groenewald beloond, voor wie èn de vraag èn het toestemmend gebaar niet verloren gegaan waren.Toen allen, ook Herman en Frank, bij den bezaansmast rondom den scheepsgezagvoerder gezeten waren, wilde hij beginnen.…„Maar, waar isde stad Leiden, waar zijn de andere schepen gebleven?” viel hem de heer Groenewald in de rede.„Die lagen gisteren avond westelijk genoeg om tusschen de eilanden Palma en Hierro door te stevenen, en zoo het ruime sop te bereiken. Als die daar nu ook diezelfde gelegenheid treffen als wij hier, dan is hunne manoeuvre goed geweest, anders liggen ze daar nu inkatzjammerte dobberen. Ik heb al uitgekeken, toen wij Gomera voorbij gestevend waren; maar er was niets te ontwaren aan de kim.”[210]
VI.Dobberende bij de Canarische eilanden41.
De voorspelling van kapitein Butteling kwam volkomen uit. Kort na zonsopgang op den 27stenOctober riep de matroos, dien hij in den fokkemast op uitkijk naar boven had gezonden:„Land vooruit!”„Waar?” riep kapitein Butteling hem toe, terwijl hij zijne handen tot eene spreekbuis te zamen gevouwen, voor den mond bracht.„Stuurboord vooruit!” was het antwoord, hetwelk van boven klonk.De kapitein keek in de aangeduide richting scherp toe, maar zag niets. Toen greep hij den grooten scheepskijker, dien hij gereed had doen leggen, sprong op de verschansing en hield zich, terwijl hij uitkeek, aan het bezaanwant vast.„Dat is Palma,” zei hij een oogenblik later tot kapitein Van Dam, die bij hem stond. „Voor dat wij een uur verder zijn, zal de Piek van Teneriffe vooruit wel te ontwaren zijn. Het is daar eenigszins heiig, anders was hij thans reeds te zien.”Het fregat maakte toen ongeveer zeven mijlen in de wacht en naderde bijgevolg betrekkelijk snel. Het[192]eiland Palma met zijn regelmatigen kegelvormigen vulkaan, die den geologen steeds tot grondvorm strekt, wanneer zij over verheffingskraters doceeren of schrijven, doemde langzaam en statig uit de blauwe zee op; terwijl vooruit zich eene donkerblauwe massa aan den horizon uit de nevelen ontwikkelde, die nog niet te onderscheiden was, maar die door de zeevarenden als de Piek van Teneriffe aangeduid werd. Het zou evenwel nog verscheidene uren duren, eer dat het schip zich in de wateren van den Canarischen archipel zoude bevinden.Nu men nagenoeg buiten den invloed der veranderlijke winden gekomen was, wenschte kapitein Van Dam, indachtig dat ledigheid des duivels oorkussen is, zijne manschappen zoo regelmatig bezig te houden als de omstandigheden slechts gedoogden. Hij droeg den luitenant Denniston op, zich met die onderofficieren bezig te houden, die zich voor het officiers-examen wenschten te bekwamen, en derhalve met dezen een wetenschappelijken cursus te doorloopen. Luitenant Leidermooi moest met de overige onderofficieren en manschappen ettelijke uren daags theorie42houden over de militaire reglementen, als: de garnizoens- en inwendige dienst, de soldaten- en pelotonscholen, de velddienst, de tirailleursignalen enz. enz. Kapitein Van Dam gaf bij die verdeeling van arbeid, afgescheiden dat hij zoodoende zijn onderhebbend detachement nuttig bezig hield, blijk met eene zekere mate van opmerkingsgave bedeeld te zijn.Hij had al spoedig ontdekt, dat de wetenschappelijke vorming bij Denniston er niet dik opzat, ook dat de lust om het geleerde te onderhouden niet groot was. Door hem dus dien cursus met de onderofficieren op te dragen, noodzaakte hij den jongman zijne boeken ter hand te nemen, het geleerde te herhalen, zelfs een breeder veld te[193]betreden, ten einde tegenover die onderofficieren, waaronder verscheidene ontwikkelde mannen waren, geen dwaas figuur te slaan.Van een anderen kant had de kapitein opgemerkt, dat luitenant Leidermooi in zijn omgang met de mindere militairen eene zekere bedeesdheid aan den dag legde, die van angstvalligheid niet veel verschilde. Hij was te zacht van inborst, zag daarenboven met een soort ontzag tegen die gebaarde en zooveel oudere mannen op; zoodat dat ontzag wel afbreuk dreigde te doen aan het gezag, hetwelk hij geroepen was, uit te oefenen. Een nadere omgang met zijne ondergeschikten, gesteund door de nabijheid van dendetachements-kommandantin de eerste dagen, zou daarin eene gewenschte verandering brengen. De jeugdige luitenant zou daarenboven bij die theoriën door een paar onderofficieren en korporaals bijgestaan worden, door verdienstelijke en achtenswaardige mannen, die flink op de hoogte hunner militaire verplichtingen waren, zich daarenboven door een onwrikbare eerbiediging der krijgstucht onderscheidden en derhalve niet met zich spelen lieten.Docter Hannius zou ettelijke malen per week voor de vereenigde onderofficieren en korporaals eene verhandeling houden, waarbij hij de grondslagen zou leggen eener geneeskundige velddienst, nuttige wenken geven omtrent de eerste verbanden op het slagveld aan te leggen, en welke hulp toe te dienen is, bij verschillende ziektevormen, in afwachting dat door bevoegden geneeskundige hulp verleend kon worden.Behrtje hield eenen botanischen cursus voor eenige adepten, waaronder de heeren Van Diepbrugge en Slierendrecht en ook onze sergeanten Riethoven en Brinkman aangetroffen werden. De jonge dames hadden onzen apotheker spottend gevraagd: of in zijnen cursus[194]ookle langage des fleursbehandeld werd, en of men ook monographiën over de rozen, de vergeet-mij-nietjes, de lelies enz. zoude genieten; waarop Behrtje geantwoord had, dat het hem gevaarlijk voor zijne gemoedsrust voorkwam, de bloemenspraak tegenover zoo schoone sprekende oogen te behandelen. Hij mocht eens de eene taal met de andere verwarren. Toch beloofde hij een enkele maal gedurende de reis eene verhandeling over de rosaceae, liliaceae, aurantiaceae, violaceae,.… te houden. Hij had ondeugend er nog willen bijvoegen: over de solaneae en sterculiaceae, maar de dames waren bij die opsomming van barbaarsch-klinkende woorden op de vlucht geslagen. Dokter Van Pinksteren zou nu en dan die botanische voordrachten bijwonen, niet zoo zeer, omdat hij eenig belang in dien tak van natuurwetenschap stelde, dan wel om te vernemen of er niet een surrogaat voor zijn lijnzaadkoeken-remedie op te sporen zoude zijn. Zijn arcanum begon erg te verminderen; de geheerscht hebbende zeeziekte had in den voorraad een slag geslagen, daar de scheepsdokter den patiënten zijn middel in- en uitwendig had toegediend. De laatste toedienings-wijze had geen ander nut gesticht dan eene roode plek op de kuiten der lijders te veroorzaken; het inwendige gebruik had daarentegen door de walging, die het veroorzaakte, de uitbarsting der ziekte bij velen zeer bevorderd.Zoo waren de bezigheden dus behoorlijk geregeld. Een paar uren des voormiddags en een paar uren des namiddags zouden aldus nuttig besteed worden; terwijl de overige tijd door de manschappen met doelmatige spelen als: kienspel, dominospel, enz, die daartoe in voldoende hoeveelheden medegenomen waren, doorgebracht kon worden.Dienzelfden dag werd de nieuwe dienstregeling, zooals kapitein Van Dam dat noemde, ingesteld, en werd een[195]ieder dus dien eigen morgen van negen tot elf uur nuttig bezig gehouden. Boven het achterdek en boven het voorschip spreidden zich tenten gezellig uit ter afwering der zonnestralen, die, hoewel het reeds einde van October was, zich hier op deze breedte balsamiek deden gevoelen.Toen de stuurman der wacht zes glazen op de klok sloeg, gaf de hoornblazer van het detachement het signaal tot staking der werkzaamheden en kon ieder zich verder bezig houden en vermeien, zooals hij verkoos.Intusschen was het eiland Palma, ofschoon ver verwijderd en dicht bij den horizon, nagenoeg dwars van deFernandina Maria Emmagekomen, die met volle zeilen recht op het eiland Teneriffe aanstevende. Alle hoofden lagen over de verschansing gebogen. om dat land aan te staren, hetwelk met iedere sekonde naderde. Het was een prachtig gezicht, dien machtigen kegel daar waarneembaar voor het oog uit zee te zien opstijgen. De lucht was, naarmate men het berggevaarte naderde, geheel opgehelderd en prijkte met dat liefelijk blauw, hetwelk in de nabijheid der keerkringen gewoonlijk aangetroffen wordt. Dat azuur weerkaatste in den Oceaan, die iets donkerder getint was en door de zacht op en neer gaande deining bewogen werd; terwijl de donkerblauwe massa van den kolossalen vulkaan, zich scherp op dien voorgrond, door de zee, en op den lichteren achtergrond, door de lucht gevormd, afteekende.„De vuurberg, dien gij daar ginds ziet,” zei kapitein Butteling tot de passagiers achter, nadat hij het schip iets onder de westerbries had laten afvallen, om ook hen van het achterdek een ruim uitzicht op den fraaien kegelvormigen berg te gunnen, „die vuurberg is bij de bewoners dezer eilanden onder den naam van Pico de Teyde bekend. Zijn hoogste top, dien gij daar ziet uitsteken, heet Piton en is 3715 el of 11872 voet hoog.[196]De ouden hielden hem voor den hoogsten berg der aarde.”„Gij schijnt deze eilanden te kennen,” merkte kapitein Van Dam op.„Ik heb als stuurman op een Spaansche brik, deSenhora Dolorès, gevaren, en daarmede menige reis van Barcelona naar die eilanden gemaakt.”„Toe kapitein, vertel ons dan iets van dien archipel,” verzochten de jonge meisjes.„Dat zou ik gaarne doen, lieve dames; maar.…” en naar de zon wijzende, ging de gezagvoerder voort, „daar is er een, die niet op mij wacht. Het middaguur is nabij, ik moet mijne waarnemingen doen, om het bestek op te maken. Maar, wij zullen die eilanden zoo gauw niet uit het gezicht verloren hebben, en zal ik wel tijd hebben, om u te vertellen wat ik weet.”Kapitein en stuurlieden stonden een tijd lang met hunne sextanten te manoeuvreren, totdat het woord „stop!” den waarnemer bij den chronometer het teeken gaf, dat de zon haar hoogste punt bereikt had. Kort daarop vernamen de passagiers, dat het fregat zich op 28° 59′ noorderbreedte en 17° 2′ westerlengte bevond en in het laatste etmaal 41½ mijl had afgelegd. Het eiland Teneriffe bevond zich toen nagenoeg in het zuid-zuidoosten van het schip. Maar de bries verflauwde van toen af langzamerhand, en wel in die mate, dat bij het vallen van den avond volkomen windstilte heerschte. DeFernandina Maria Emmadobberde toen voor de noordkust van het eiland Teneriffe, op niet meer dan drietal mijlen van den wal. Het was prachtig weer, de hemel vertoonde zich in dit uur azuurblauw; terwijl de zee dezelfde kleurtint weerkaatste, evenwel door de straalbreking eene andere schakeering vertoonde, die hoewel nauwelijks waarneembaar, toch de tinten van lucht en water belette in elkander over te gaan en alzoo de kim scherp afteekende.[197]In het zuiden verhief de machtige Piek van Teneriffe zich in al zijne statigheid, en teekende zich met zijne zwartblauwe massa scherp begrensd op de heldere lucht af; terwijl hij zich onpeilbaar diep in den Oceaan weerspiegelde, die zacht deinend hem aan zijn voet kwam lekken. In het oosten was de kim minder zuiver. De heiige band, die daar ontwaard werd, deed de nabijheid van een groot vastland gissen. In die richting bevonden zich evenwel achter de kim, zoodat het oog ze niet ontwaren kon, de eilanden Fuerteventura en Lanzerote, waarachter zich de Afrikaansche kust uitstrekte. In het noorden waarde het oog langs den Atlantischen Oceaan, die een heerlijken aanblik op de statig aanrollende deining-golven verleende, welke met hun zacht op en neergaan eenigermate als den polsslag aangaven van een onmetelijk groot monster. In het westen ging in dat oogenblik de zon achter Palma onder, en schoot van achter den zoo fraaien opheffingskrater van dat eiland vurige stralen, die aanvankelijk als gulden banden het hemelruim doorkliefden, langzamerhand van tint veranderden, in het zenith reeds eene rose-blauwachtige schakeering vertoonden, donkerder en donkerder werden en in het westen bij het aanraken der kim bijna zwart schenen.„Prachtig! prachtig!” zuchtte Herman, die met Frank dat zoo fraaie panorama te bewonderen stond.„Zeker prachtig!” antwoordde Behren, die met Slierendrecht en Van Diepbrugge een halfdekje sloeg43en in het voorbijgaan Herman’s ontboezeming opgevangen hadden,en nu bij de beide sergeanten staan bleven.„Zeker is dat tafereel prachtig, sergeant!”„Ziet eens” ging de apotheker voort, „het is alsof geheel Palma in brand staat en in vlammen opgaat.”„En ziet eens dien purpergloed in het water, waarin[198]zich de sombere omtrekken van het eiland zoo scherp afteekenen,” merkte Van Diepbrugge op.„En die stralenbundels die het luchtruim doorschieten van het westen naar het oosten” sprak Herman Riethoven, „daarbij het beloop van het hemelgewelf volgen, zonder zich met den hen omringenden ether te vermengen.”„En wat verheft die Teneriffe Piek zich daar in het zuiden somber maar prachtig,” zei Slierendrecht. „En wat toont hij nabij! Het is of hij daar dicht bij ons uit het water oprijst. Kijk, men kan alle zijne lengteribben duidelijk onderscheiden.”In dit oogenblik passeerde kapitein Butteling de jongelieden.„Zult gij ons nu iets van die schoone eilanden vertellen, kapitein?” vroeg Behren hem.„Ik ben gereed,” sprak de gezagvoerder, „maar wij zullen daar ginds op het achterdek plaats nemen. Daar kunnen we zitten, praten en zien. Kom jongelui, gij moogt van het gehoor zijn.”Die laatste volzin was tot de beide onderofficieren gericht, die de gelegenheid om kennis op te doen niet lieten voorbijgaan, maar de uitnoodiging aannamen.Toen dat vijftal rondom kapitein Butteling plaats nam, kwamen ook de andere passagiers opdagen, de dames er onder begrepen, en vormden rondom den gezagvoerder een schilderachtig groepje, waarvan ieders gelaat van weetgierigheid tintelde. Was het toeval of geheime aandrang? Wie zal dat ooit kunnen verklaren? Maar toen het gezelschap gezeten was, bevond zich Adelien Groenewald tusschen haren vader en Frank Brinkman, en Emma Groenewald tusschen Denniston en Herman Riethoven. Met mevrouw Groenewald vormden zij de eerste rij van het kringetje, dat kapitein Butteling omgaf; terwijl de overigen zich daarachter geschaard hadden.[199]„Ik heb beloofd” begon de gezagvoerder „iets van de Canarische eilanden te vertellen en ben bereid die belofte gedeeltelijk te voldoen. Ik zeg gedeeltelijk; omdat mijne mededeelingen slechts het eiland Teneriffe, langs welks noordkust wij dobberen, zullen betreffen. Dat eiland heb ik ook slechts betreden, alsook Gran Canaria voor slechts weinige uren; van de overigen weet ik nagenoeg niets. Luistert dus:„Het eiland heeft den vorm van een scheefzijdigen driehoek, waarvan een der hoekpunten, de noordoostelijke, met een kolossalen uitwas bezet zou zijn, en beslaat eene oppervlakte van 41.5 vierkante geogr. mijlen. Het is, zooals gij zien kunt, zeer bergachtig en gij hebt slechts het oog te slaan op dien kegelberg, die zich daar ginds in het midden van het eiland verheft, om te beseffen, dat het een vuurspuwende berg en de bodem van het eiland van vulkanischen oorsprong is. Zooals gij onder de verlichting der ondergaande zon ontwaren kunt, loopt de kust als eene nagenoeg onafgebrokene lijn voort en daalt steil in zee af, zonder baaien of inhammen van eenige beteekenis te vormen.…”„Maar op den anderen kant van het eiland?” vroeg kapitein Van Dam.„Daar wordt hetzelfde verschijnsel aangetroffen. Alleen bij den noordoosthoek wordt door die kaap daar ginds eene soort baai, naar de zuidzijde gekeerd, gevormd. Ik vertelde heden ochtend dat de Pico deTeyde, zooals de vulkaan door de inboorlingen genoemd wordt, in zijn top Piton geheeten, eene hoogte van 11872 voet boven de oppervlakte der zee bereikt. Ik kan er als zeeman bijvoegen, dat hij bij helder weder op 200 Nederlandsche mijlen zichtbaar is.”„Drommels,” zei kapitein Van Dam „dat zou een aardige vuurtoren zijn.”[200]„Ja, als er licht op aangestoken kon worden,” antwoordde de gezagvoerder.„Maar, als vuurspuwende berg zal hij zich toch wel eens laten gelden” meende Denniston.„Jawel, soms meer dan den bewoners lief is. Zoo verwoestte hij nog in 1706 bij eene uitbarsting Puorto Guarachio, eene kleine havenstad, hier op de noordkust gelegen, die zich sedert nimmer hersteld heeft, en waarvan gij de weinige huizen, waaruit zij thans bestaat, daar ginds bij de kaap Buena Vista kunt zien liggen. Maar sedert onheugelijke tijden hebben geene uitbarstingen langs zijn top meer plaats gehad, hoewel die door eene krateropening doorboord is. Steeds baant het onderaardsche vuur zich een weg op de flanken van den berg, gewoonlijk in eene plooi tusschen twee lengteribben. Het is jammer, dat het niet een paar maanden later is.”„Waarom?” was de algemeene vraag.„Dan zoudt gij een zeer fraai gezicht genieten. Van November tot April toch is de Piton, die door de bevolking daarom ook Pan de Azucar (suikerbrood) genoemd wordt, met sneeuw bedekt, die dan onder de zonnestralen aan glinsterend zilver gelijk is, en een prachtvol effekt maakt daar boven op dien steeds groenen kegelberg. Bedenkt, dat wij hier niet ver van den noorder-keerkring verwijderd zijn.”„Hebt gij dien berg beklommen, kapitein?” vroeg Emma Groenewald.„Gedeeltelijk slechts, juffrouw,” antwoordde de kapitein. „Ik was niet als toerist op het eiland en kon mij niet bewegen, zooals ik wilde. Misschien vertel ik later eens, hoe ik op dat eiland verzeild geraakt ben.”„Zijt gij bij de ijsgrotten geweest?” vroeg een der aanwezigen.„Bij de „cueva del hiels”? Neen, zoo hoog heb ik het[201]niet gebracht. Die zijn boven vlak bij den Piton gelegen. Maar op de hellingen heb ik de „narices” gezien, dat zijn spleten, waaruit heete dampen opstijgen, dus ware fumarolen. Het eigenaardigste van die beklimming is, dat daarbij nagenoeg het geheele plantenrijk der verschillende zonen den bezoeker onder de oogen komt. Van de kust tot aan den voet van den berg en zelfs tot op eene zekere hoogte daarboven, spreidt zich een tropische plantengroei voor het oog uit, waaraan de fraaiste palmsoorten als de cocospalm, de dadelpalm, de drakenbloedboom en ook vele pisangsoorten, alsmede uitgestrekte velden van suikerriet44haren eigenaardigen stempel verleenen. Stijgt men hooger dan 1200 voet, dan komt men in den gematigden gordel. Daar worden fraaie wijngaarden, olijf- en kastanje-bosschen en maïsvelden, allen zoo weelderig als in het zuiden van Frankrijk, als in Spanje, Italië, Griekenland en Klein-Azië, aangetroffen. Iets hooger komen den bezoeker olmboschjes en groepen eikenboomen onder het oog, waarnaast graanvelden evenals in ons vaderland. Boven de 4000 voet heeft men de wolken-zone, waarin vele laurier- en rododendron-boschjes worden aangetroffen. Daar bloeien de fraaiste rozen der wereld. Boven de 5000 voet treft men den gordel der naaldboomen aan, die eerst krachtig en verheven, al kleiner en kleiner van gestalte worden, naarmate men hooger klimt, totdat op 10,000 voet de „retama blanca”, de witte strook, bereikt wordt, waarmede de inboorlingen die streek aanduiden, waar slechts eenige alpenplanten tieren, die gedurende de wintermaanden onder eene dikke sneeuwlaag bedolven zijn. De eigenlijke Piton, die als uitbarstingskegel boven den verheffingskrater uitsteekt, bestaat uit lava, brokstukken of rapilli en vulkanische asch, waarop volstrekt geen plantengroei voorkomt.”[202]„Gij hebt zoo even in uwe opsomming der voorkomende gewassen den drakenbloedboom genoemd” zei de apotheker Behren. „Van waar hebt gij de bestijging des bergs ondernomen, kapitein?”„Van Orotava, eene kleine plaats op de noordkust gelegen, die gij daar ginds ten zuidoosten van ons ontwaren kunt. Ziet daar, waar die lichtjes fonkelen.”„Waar men het gas opsteekt,” merkte Emma op.„Het gas!…”antwoordde kapitein Butteling. „Het mocht wat! Neen, zoover zijn de bewoners dezer eilanden nog niet. Zij bezitten zelfs geene straatverlichting. De lichtjes, die gij daar ginds flikkeren ziet, zijn eenvoudige olielampen, waarmede de bewoners hunne binnenvertrekken verlichten. Maar, mijnheer Behren, gij vraagdet mij.…?”Stuurman Abels naderde den groep in dit oogenblik.„Zuider-bries,” zei hij tot kapitein Butteling, terwijl hij naar den windwijzer op den top van den grooten mast wees.„De landwind, die gewoonlijk tegen dit uur invalt, stuurman,” antwoordde de gezagvoerder. „Ik verwachtte hem. Laat de beneden zeilen geien, dan krijgen wij wat verademing op het dek, laat de bovenzeilen bij den wind brassen en dan maar op en neer houden, wij kunnen met die bries toch geen koers zetten.”De stuurman bracht zijn fluitje aan den mond. In een oogwenk was de geheele bemanning in beweging. De kapitein sloeg de manoeuvre met aandachtig oog gade. Toen het fregat onder den zachten druk zijner bovenzeilen licht stuurboord overhelde en westwaarts opstevende, hernam hij:„Mijnheer Behren, gij vraagdet mij, van waar ik mijne bergbeklimming aangevangen had. Hadt gij eenige bedoeling met die vraag?”[203]„Ja, kapitein. Ik wilde u vragen of gij den beroemden drakenbloedboom van Orotava gezien hebt?”„Welzeker.”„Kunt gij ons er eene beschrijving van geven?”„Helaas! dames en heeren, ik ben geen plantenkundige en zal daarin te kort schieten. Ziet hier, wat ik er van mededeelen kan. Het is een wonderlijke boom, volgens de geleerden tot de palmsoorten behoorende. Hij heeft een stam, die, ruw en knoestig, eene hoogte van 24 M. of ruim 76 voet tot aan de eerste vertakkingen bereikt. Even boven zijn wortel heeft hij een omvang van 16 meter, terwijl hij op 3 meter hoogte boven den grond nog ongeveer 12 meters omtrek heeft. De kroon verdeelt zich in ontelbare vertakkingen en ondervertakkingen, die aan hare uiteinden bossen van sierlijke lancetvormige bladeren vertoonen, welke de lengte van ongeveer een halven meter bereiken. Daardoor ontstaat een net van dikke verwarde takken, die met haren bladerendos een dicht scherm vormen, hetwelk voor de scherpste stralen der zon, die hier zich reeds heet kunnen doen gevoelen, ondoordringbaar is. Als men bij dien boom staat, voelt men zich klein en nietig45.„Dat er eene menigte sprookjes aan dien boom verbonden zijn, zal u niet vreemd in de ooren klinken. Een dier sprookjes duidt er onder anderen op, dat die boom een tijdgenoot van Adam en Eva zou zijn geweest.”„Dat is toch overdreven; niet waar mijnheer Behren?” vroeg Emma den apotheker.„Zoo heel veel overdreven niet, juffrouw Emma” antwoordde deze. „Als het waar is, dat er een menschenpaar geschapen is, zooals het Bijbelsch verhaal levert, dan zou dat onder de schaduw van dien boom hebben kunnen schuilen voor de zonnestralen, die hier lang niet[204]malsch zijn;—wel te verstaan, wanneer het aardsch paradijs op dit eiland gelegen geweest ware.”„Dat komt mij toch overdreven voor,” betuigde Adelien op hare beurt.„Laten wij eens rekenen,” zei Behren. „Volgens de Alexandrijnsche tijdrekening zijn ruim 7360, volgens de Juliaansche bijna 6570 en volgens de Hebreeuwsche ruim 5610 jaren sedert de schepping der wereld verloopen. Laten wij, om die rekenmeesters in overeenstemming te brengen, het gemiddelde van die opgaven nemen, dan zouden Adam en Eva zoo omstreeks 6500 jaren geleden geschapen zijn. Nu geeft de groote natuurkenner Alexander von Humboldt op, dat die boom een ouderdom van 6000 jaren heeft bereikt. Gij weet, dat de aartsvaders vrij oud werden. Adam en Eva zullen in dat voorrecht wel gedeeld hebben. Von Humboldt sprak zijne meening in 1799 dus ruim eene halve eeuw geleden uit. Neen, het is zoo geheel verwerpelijk niet, dien drakenbloedboom als tijdgenoot van het eerste menschenpaar aan te merken.”„Maar, dat is dan toch de eenige boom, die als zoo oud op te geven is?” vroeg Adelien.„Neen, lieve dame,” antwoordde Behren. „In Amerika heeft een genoemde Lobb in 1815 op de Sierra Nevada een groep cederboomen ontdekt, die hij reuzen of mammouthsboomen heette; maar door degeleerdenWellingtonia gigantea genoemd werden. Het zijn naaldboomen, waarvan ettelijke exemplaren 130 M. of ruim 410 voet hoogte en een middellijn van 10 M. bereikt hebben. De plantenkundigen hebben uitgemaakt, dat de oudsten dier boomen minstens 6000 jaren oud zijn.”„Verbazend!” zeiden de jonge dames.„Maar Behrtje,” vroeg kapitein Van Dam, „hoe maken die plantenkundigen zoo’n hoogen ouderdom uit. Zij[205]hebben toch geen geboorteregister of stamboek tot hunne beschikking. Zij kunnen den boom ook niet in den bek zien?”Behren had geen tijd om te antwoorden en was er niet rouwig om. Stuurman Abels trad op kapitein Butteling toe.„Er zijn vijf schepen in het gezicht,” sprak hij.De gezagvoerder sprong op en inderdaad, toen hij den kijker genomen had, kon hij zich overtuigen, dat stuurman Abels waarheid gerapporteerd had.Alle passagiers groepeerden zich om den kapitein, en keken verlangend uit.„Er is bij de avondschemering weinig te onderscheiden,” pruttelde de gezagvoerder, na een poos getuurd te hebben. „Zij schijnen van den landwind gebruik te te maken om op te werken. Drie er van liggen over denzelfden boeg als wij, de twee anderen over den anderen boeg.”„Zouden die schepen nabij komen?” vroeg Emma.„Waarschijnlijk, juffrouw, en meer nabij dan mij wel lief is,” antwoordde de kapitein. „Het zal van nacht oppassen heeten, stuurman. Voert het schip zijne lichten?”„Ja, kapitein.”En inderdaad het fregat vertoonde aan bakboord vooruit een rood en aan stuurboord een groen licht. Kapitein Butteling overtuigde zich, dat die lichten helder brandden.Langzamerhand naderden de gemelde vaartuigen; maar het was omstreeks middernacht, eer dat zij in het vaarwater van deFernandina Maria Emmawaren. Onze reizigers zaten die heen en weder laverende schepen eenigen tijd aan te staren; in dat nachtelijke uur was evenwel niet veel meer dan hare seinlichten en hare donkere omtrekken te ontwaren; zoodat dat gezicht niemand lang kon boeien en de teleurgestelden een voor een afdropen om zich te kooi te begeven.[206]Maar den volgenden ochtend was het een schilderachtig gezicht, dat zich aan de blikken van de opvarenden van deFernandina Maria Emmavoordeed. De landwind was wegstervende; alleen de lichte bovenzeilen waren gedeeltelijk gevuld, maar dienden slechts om het schip stuur te doen houden. Van vooruitstevenen was geen spraak. Toen de passagiers aan het dek kwamen, lag ons fregat te midden van de vijf schepen, die den vorigen avond gesignaleerd waren, en nu binnen een kring van een 5 à 600 M. straal rondom deFernandina Maria Emmadobberden. Het was een prettig gezicht, al die witte zeilen daar boven die blauwe watervlakte te ontwaren en hen zich daarin te zien spiegelen. Bij zonsopgang weerklonken allerwegen de fluitjes der stuurlieden aan boord van die vaartuigen, en rezen op dat signaal de vlaggen omhoog en wapperden aan de gaffels. Scheeps- en tooneelkijkers werden ijverig gebruikt om elkander te bespieden.„Daar is een Engelschman, en.… daar nog een!” riep kapitein Butteling.„En daar een Spanjaard! en daar een Deen!” vulde stuurman Abels aan.„En daar een Hollander!” wees kapitein Van Dam. „Waarachtig een Hollander!”„Waar? waar? .…” vroeg kapitein Butteling met eenige drift.„Daar ginds, die bark in het noordwesten. Kijk, daar gaat hij over stag. Nu kunt gij zijn vlag niet zien.”Na een poos door zijn langen scheepskijker getuurd te hebben, riep stuurman Abels plotseling uit:„Maar, dat isde stad Leiden, die twintig dagen voor ons uitgezeild is!”„Is het mogelijk?” riepen de verzamelde passagiers.„Er valt zich niet te vergissen. Ik ben twee jaren lang[207]stuurman aan boord van dat schip geweest. Het behoort aan hetzelfde kantoor als deFernandina Maria Emma.”Men scheen aan boord van destad Leidenons fregat ook herkend te hebben; want onmiddellijk ging die bark overstag en manoeuvreerden de beide schepen derwijze, dat zij elkander naderden. Inmiddels stierf de landwind weg en werd het bladstil. Het vijftal schepen lag dicht bij elkander—de stad Leidenwas geen 300 M van deFernandina Maria Emmaverwijderd—; terwijl het eiland Teneriffe met zijn fraaien plantentooi, die den rijkdom der tropische Flora vrij nabij kwam, zich op een kleinen afstand bekoorlijk uitstrekte. Kapitein Butteling maakte van de windstilte gebruik, om stuurman Bagman met de jol naar de Nederlandsche bark te zenden ten einde berichten in te winnen. Deze kwam een paar uur later aan boord van het fregat terug met de tijding datde stad Leidenbij het uitkomen van het Engelsche Kanaal, door een zuidwester storm beloopen was geworden, dat men voor top en takel had moeten lenzen en men met heel veel moeite kaap Clear en Mizen Point46vrijgeloopen was. Het schip had toen, steeds door den storm voortgezweept, langs de Iersche westkust moeten houden en had daarbij zeer veel averij aan tuig en verschansing ondervonden. Toen de storm bedaarde, schoot de wind in het westen. Van die gelegenheid, werd gebruik gemaakt, om weer zuidwaarts te sturen en eene toevlucht te Swansea in het Bristol-kanaal te zoeken, alwaar de bark eene reparatie onderging, die ongeveer acht dagen vereischte. Van Swansea in zee gestoken, was de gelegenheid tot de Canarische eilanden evenwel gunstig geweest.„Dan hebben wij het veel beter getroffen,” zei Frank Brinkman, toen stuurman Bagman die wederwaardigheden den beide onderofficieren ook mededeelde.[208]Tegen negen uur viel de verwachte zeewind niet in. Of kapitein Butteling ontelbare malen naar den windwijzer boven de kruissteng keek, of hij ook al eens floot om den wind te roepen, het was alles te vergeefs. Het bleef bladstil en dat bleef zoo een paar dagen duren. Wel verhief zich des avonds een zachte landbries; maar die blies uit het zuiden, daarmee was niet tusschen die eilanden uit te geraken en koers te zetten. Die landwind noodzaakte slechts de gezaghebbers der verschillende schepen, die daar tusschen dien archipel zwierven, tot verdubbelde waakzaamheid.Eindelijk woei den 28enOctober eene westelijke bries, die hoewel niet sterk, toch zoo veel door stond, dat deFernandina Maria Emmade zeeëngte tusschen de eilanden Teneriffe en Gomera kon binnen stevenen. Die vaart eischte de grootste oplettendheid van kapitein Butteling; want de stroom in die Straat was sterk en het vaarwater was niet breed, terwijl op de bries niet veel te vertrouwen was. Ieder was dan ook op zijn post, om terstond het anker te kunnen laten vallen, wanneer de wind het fregat in den steek mocht laten. Maar die doortocht werd gelukkig volbracht, en de reizigers konden ten volle het schoone gezicht genieten, hetwelk die beide bergachtige eilanden met hunnen fraaien plantentooi opleverden. Vooral trok de branding, die op kaap Teno, den noordwestpunt van Teneriffe, brak, de aandacht der opvarenden zeer. Hoewel de zee uiterst kalm was, rolde de Oceaan toch statige deininggolven, die op de rotsen, welke dat voorgebergte omgaven, braken, hoog opspatten en soms den vorm aannamen van verblindend witte zuilen, die daar voor een kort oogenblik verrezen en dan weer neerploften.Een zucht van verlichting ontsnapte toch kapitein Butteling, toen het schip kaap Becerro, de zuidpunt van[209]het eiland Gomera, te boven was gekomen. Het was toen ongeveer tien uren in den morgen.„Bezaanschoot aan!” riep hij met vergenoegd gelaat tot stuurman Abels, nadat die op zijn bevel eerst het schip iets had laten afvallen en daarna alle zeilen, die bijgezet konden worden, had doen ontplooien.En zich tot zijne passagiers wendende:„Komaan de zeiltjes staan bol en het fregat legt koers. Een glas Teneriffe47zal nu wel smaken. Er is mij een pak van het hart, dat wil ik wel bekennen.”Allen schaarden zich rondom hem in de verwachting, dat er wel wat volgen zou. Alvorens evenwel zijn verhaal te beginnen, wenkte kapitein Butteling de sergeanten Riethoven en Brinkman tot zich, om van het gehoor te zijn.„Met uw verlof, kapitein Van Dam?” sprak hij tot dezen op vragenden toon.De toegesprokene knikte toestemmend en blijkbaar met welgevallen.Beide kapiteins werden met een dankbaren blik door Adelien Groenewald beloond, voor wie èn de vraag èn het toestemmend gebaar niet verloren gegaan waren.Toen allen, ook Herman en Frank, bij den bezaansmast rondom den scheepsgezagvoerder gezeten waren, wilde hij beginnen.…„Maar, waar isde stad Leiden, waar zijn de andere schepen gebleven?” viel hem de heer Groenewald in de rede.„Die lagen gisteren avond westelijk genoeg om tusschen de eilanden Palma en Hierro door te stevenen, en zoo het ruime sop te bereiken. Als die daar nu ook diezelfde gelegenheid treffen als wij hier, dan is hunne manoeuvre goed geweest, anders liggen ze daar nu inkatzjammerte dobberen. Ik heb al uitgekeken, toen wij Gomera voorbij gestevend waren; maar er was niets te ontwaren aan de kim.”[210]
De voorspelling van kapitein Butteling kwam volkomen uit. Kort na zonsopgang op den 27stenOctober riep de matroos, dien hij in den fokkemast op uitkijk naar boven had gezonden:
„Land vooruit!”
„Waar?” riep kapitein Butteling hem toe, terwijl hij zijne handen tot eene spreekbuis te zamen gevouwen, voor den mond bracht.
„Stuurboord vooruit!” was het antwoord, hetwelk van boven klonk.
De kapitein keek in de aangeduide richting scherp toe, maar zag niets. Toen greep hij den grooten scheepskijker, dien hij gereed had doen leggen, sprong op de verschansing en hield zich, terwijl hij uitkeek, aan het bezaanwant vast.
„Dat is Palma,” zei hij een oogenblik later tot kapitein Van Dam, die bij hem stond. „Voor dat wij een uur verder zijn, zal de Piek van Teneriffe vooruit wel te ontwaren zijn. Het is daar eenigszins heiig, anders was hij thans reeds te zien.”
Het fregat maakte toen ongeveer zeven mijlen in de wacht en naderde bijgevolg betrekkelijk snel. Het[192]eiland Palma met zijn regelmatigen kegelvormigen vulkaan, die den geologen steeds tot grondvorm strekt, wanneer zij over verheffingskraters doceeren of schrijven, doemde langzaam en statig uit de blauwe zee op; terwijl vooruit zich eene donkerblauwe massa aan den horizon uit de nevelen ontwikkelde, die nog niet te onderscheiden was, maar die door de zeevarenden als de Piek van Teneriffe aangeduid werd. Het zou evenwel nog verscheidene uren duren, eer dat het schip zich in de wateren van den Canarischen archipel zoude bevinden.
Nu men nagenoeg buiten den invloed der veranderlijke winden gekomen was, wenschte kapitein Van Dam, indachtig dat ledigheid des duivels oorkussen is, zijne manschappen zoo regelmatig bezig te houden als de omstandigheden slechts gedoogden. Hij droeg den luitenant Denniston op, zich met die onderofficieren bezig te houden, die zich voor het officiers-examen wenschten te bekwamen, en derhalve met dezen een wetenschappelijken cursus te doorloopen. Luitenant Leidermooi moest met de overige onderofficieren en manschappen ettelijke uren daags theorie42houden over de militaire reglementen, als: de garnizoens- en inwendige dienst, de soldaten- en pelotonscholen, de velddienst, de tirailleursignalen enz. enz. Kapitein Van Dam gaf bij die verdeeling van arbeid, afgescheiden dat hij zoodoende zijn onderhebbend detachement nuttig bezig hield, blijk met eene zekere mate van opmerkingsgave bedeeld te zijn.
Hij had al spoedig ontdekt, dat de wetenschappelijke vorming bij Denniston er niet dik opzat, ook dat de lust om het geleerde te onderhouden niet groot was. Door hem dus dien cursus met de onderofficieren op te dragen, noodzaakte hij den jongman zijne boeken ter hand te nemen, het geleerde te herhalen, zelfs een breeder veld te[193]betreden, ten einde tegenover die onderofficieren, waaronder verscheidene ontwikkelde mannen waren, geen dwaas figuur te slaan.
Van een anderen kant had de kapitein opgemerkt, dat luitenant Leidermooi in zijn omgang met de mindere militairen eene zekere bedeesdheid aan den dag legde, die van angstvalligheid niet veel verschilde. Hij was te zacht van inborst, zag daarenboven met een soort ontzag tegen die gebaarde en zooveel oudere mannen op; zoodat dat ontzag wel afbreuk dreigde te doen aan het gezag, hetwelk hij geroepen was, uit te oefenen. Een nadere omgang met zijne ondergeschikten, gesteund door de nabijheid van dendetachements-kommandantin de eerste dagen, zou daarin eene gewenschte verandering brengen. De jeugdige luitenant zou daarenboven bij die theoriën door een paar onderofficieren en korporaals bijgestaan worden, door verdienstelijke en achtenswaardige mannen, die flink op de hoogte hunner militaire verplichtingen waren, zich daarenboven door een onwrikbare eerbiediging der krijgstucht onderscheidden en derhalve niet met zich spelen lieten.
Docter Hannius zou ettelijke malen per week voor de vereenigde onderofficieren en korporaals eene verhandeling houden, waarbij hij de grondslagen zou leggen eener geneeskundige velddienst, nuttige wenken geven omtrent de eerste verbanden op het slagveld aan te leggen, en welke hulp toe te dienen is, bij verschillende ziektevormen, in afwachting dat door bevoegden geneeskundige hulp verleend kon worden.
Behrtje hield eenen botanischen cursus voor eenige adepten, waaronder de heeren Van Diepbrugge en Slierendrecht en ook onze sergeanten Riethoven en Brinkman aangetroffen werden. De jonge dames hadden onzen apotheker spottend gevraagd: of in zijnen cursus[194]ookle langage des fleursbehandeld werd, en of men ook monographiën over de rozen, de vergeet-mij-nietjes, de lelies enz. zoude genieten; waarop Behrtje geantwoord had, dat het hem gevaarlijk voor zijne gemoedsrust voorkwam, de bloemenspraak tegenover zoo schoone sprekende oogen te behandelen. Hij mocht eens de eene taal met de andere verwarren. Toch beloofde hij een enkele maal gedurende de reis eene verhandeling over de rosaceae, liliaceae, aurantiaceae, violaceae,.… te houden. Hij had ondeugend er nog willen bijvoegen: over de solaneae en sterculiaceae, maar de dames waren bij die opsomming van barbaarsch-klinkende woorden op de vlucht geslagen. Dokter Van Pinksteren zou nu en dan die botanische voordrachten bijwonen, niet zoo zeer, omdat hij eenig belang in dien tak van natuurwetenschap stelde, dan wel om te vernemen of er niet een surrogaat voor zijn lijnzaadkoeken-remedie op te sporen zoude zijn. Zijn arcanum begon erg te verminderen; de geheerscht hebbende zeeziekte had in den voorraad een slag geslagen, daar de scheepsdokter den patiënten zijn middel in- en uitwendig had toegediend. De laatste toedienings-wijze had geen ander nut gesticht dan eene roode plek op de kuiten der lijders te veroorzaken; het inwendige gebruik had daarentegen door de walging, die het veroorzaakte, de uitbarsting der ziekte bij velen zeer bevorderd.
Zoo waren de bezigheden dus behoorlijk geregeld. Een paar uren des voormiddags en een paar uren des namiddags zouden aldus nuttig besteed worden; terwijl de overige tijd door de manschappen met doelmatige spelen als: kienspel, dominospel, enz, die daartoe in voldoende hoeveelheden medegenomen waren, doorgebracht kon worden.
Dienzelfden dag werd de nieuwe dienstregeling, zooals kapitein Van Dam dat noemde, ingesteld, en werd een[195]ieder dus dien eigen morgen van negen tot elf uur nuttig bezig gehouden. Boven het achterdek en boven het voorschip spreidden zich tenten gezellig uit ter afwering der zonnestralen, die, hoewel het reeds einde van October was, zich hier op deze breedte balsamiek deden gevoelen.
Toen de stuurman der wacht zes glazen op de klok sloeg, gaf de hoornblazer van het detachement het signaal tot staking der werkzaamheden en kon ieder zich verder bezig houden en vermeien, zooals hij verkoos.
Intusschen was het eiland Palma, ofschoon ver verwijderd en dicht bij den horizon, nagenoeg dwars van deFernandina Maria Emmagekomen, die met volle zeilen recht op het eiland Teneriffe aanstevende. Alle hoofden lagen over de verschansing gebogen. om dat land aan te staren, hetwelk met iedere sekonde naderde. Het was een prachtig gezicht, dien machtigen kegel daar waarneembaar voor het oog uit zee te zien opstijgen. De lucht was, naarmate men het berggevaarte naderde, geheel opgehelderd en prijkte met dat liefelijk blauw, hetwelk in de nabijheid der keerkringen gewoonlijk aangetroffen wordt. Dat azuur weerkaatste in den Oceaan, die iets donkerder getint was en door de zacht op en neer gaande deining bewogen werd; terwijl de donkerblauwe massa van den kolossalen vulkaan, zich scherp op dien voorgrond, door de zee, en op den lichteren achtergrond, door de lucht gevormd, afteekende.
„De vuurberg, dien gij daar ginds ziet,” zei kapitein Butteling tot de passagiers achter, nadat hij het schip iets onder de westerbries had laten afvallen, om ook hen van het achterdek een ruim uitzicht op den fraaien kegelvormigen berg te gunnen, „die vuurberg is bij de bewoners dezer eilanden onder den naam van Pico de Teyde bekend. Zijn hoogste top, dien gij daar ziet uitsteken, heet Piton en is 3715 el of 11872 voet hoog.[196]De ouden hielden hem voor den hoogsten berg der aarde.”
„Gij schijnt deze eilanden te kennen,” merkte kapitein Van Dam op.
„Ik heb als stuurman op een Spaansche brik, deSenhora Dolorès, gevaren, en daarmede menige reis van Barcelona naar die eilanden gemaakt.”
„Toe kapitein, vertel ons dan iets van dien archipel,” verzochten de jonge meisjes.
„Dat zou ik gaarne doen, lieve dames; maar.…” en naar de zon wijzende, ging de gezagvoerder voort, „daar is er een, die niet op mij wacht. Het middaguur is nabij, ik moet mijne waarnemingen doen, om het bestek op te maken. Maar, wij zullen die eilanden zoo gauw niet uit het gezicht verloren hebben, en zal ik wel tijd hebben, om u te vertellen wat ik weet.”
Kapitein en stuurlieden stonden een tijd lang met hunne sextanten te manoeuvreren, totdat het woord „stop!” den waarnemer bij den chronometer het teeken gaf, dat de zon haar hoogste punt bereikt had. Kort daarop vernamen de passagiers, dat het fregat zich op 28° 59′ noorderbreedte en 17° 2′ westerlengte bevond en in het laatste etmaal 41½ mijl had afgelegd. Het eiland Teneriffe bevond zich toen nagenoeg in het zuid-zuidoosten van het schip. Maar de bries verflauwde van toen af langzamerhand, en wel in die mate, dat bij het vallen van den avond volkomen windstilte heerschte. DeFernandina Maria Emmadobberde toen voor de noordkust van het eiland Teneriffe, op niet meer dan drietal mijlen van den wal. Het was prachtig weer, de hemel vertoonde zich in dit uur azuurblauw; terwijl de zee dezelfde kleurtint weerkaatste, evenwel door de straalbreking eene andere schakeering vertoonde, die hoewel nauwelijks waarneembaar, toch de tinten van lucht en water belette in elkander over te gaan en alzoo de kim scherp afteekende.[197]In het zuiden verhief de machtige Piek van Teneriffe zich in al zijne statigheid, en teekende zich met zijne zwartblauwe massa scherp begrensd op de heldere lucht af; terwijl hij zich onpeilbaar diep in den Oceaan weerspiegelde, die zacht deinend hem aan zijn voet kwam lekken. In het oosten was de kim minder zuiver. De heiige band, die daar ontwaard werd, deed de nabijheid van een groot vastland gissen. In die richting bevonden zich evenwel achter de kim, zoodat het oog ze niet ontwaren kon, de eilanden Fuerteventura en Lanzerote, waarachter zich de Afrikaansche kust uitstrekte. In het noorden waarde het oog langs den Atlantischen Oceaan, die een heerlijken aanblik op de statig aanrollende deining-golven verleende, welke met hun zacht op en neergaan eenigermate als den polsslag aangaven van een onmetelijk groot monster. In het westen ging in dat oogenblik de zon achter Palma onder, en schoot van achter den zoo fraaien opheffingskrater van dat eiland vurige stralen, die aanvankelijk als gulden banden het hemelruim doorkliefden, langzamerhand van tint veranderden, in het zenith reeds eene rose-blauwachtige schakeering vertoonden, donkerder en donkerder werden en in het westen bij het aanraken der kim bijna zwart schenen.
„Prachtig! prachtig!” zuchtte Herman, die met Frank dat zoo fraaie panorama te bewonderen stond.
„Zeker prachtig!” antwoordde Behren, die met Slierendrecht en Van Diepbrugge een halfdekje sloeg43en in het voorbijgaan Herman’s ontboezeming opgevangen hadden,en nu bij de beide sergeanten staan bleven.„Zeker is dat tafereel prachtig, sergeant!”
„Ziet eens” ging de apotheker voort, „het is alsof geheel Palma in brand staat en in vlammen opgaat.”
„En ziet eens dien purpergloed in het water, waarin[198]zich de sombere omtrekken van het eiland zoo scherp afteekenen,” merkte Van Diepbrugge op.
„En die stralenbundels die het luchtruim doorschieten van het westen naar het oosten” sprak Herman Riethoven, „daarbij het beloop van het hemelgewelf volgen, zonder zich met den hen omringenden ether te vermengen.”
„En wat verheft die Teneriffe Piek zich daar in het zuiden somber maar prachtig,” zei Slierendrecht. „En wat toont hij nabij! Het is of hij daar dicht bij ons uit het water oprijst. Kijk, men kan alle zijne lengteribben duidelijk onderscheiden.”
In dit oogenblik passeerde kapitein Butteling de jongelieden.
„Zult gij ons nu iets van die schoone eilanden vertellen, kapitein?” vroeg Behren hem.
„Ik ben gereed,” sprak de gezagvoerder, „maar wij zullen daar ginds op het achterdek plaats nemen. Daar kunnen we zitten, praten en zien. Kom jongelui, gij moogt van het gehoor zijn.”
Die laatste volzin was tot de beide onderofficieren gericht, die de gelegenheid om kennis op te doen niet lieten voorbijgaan, maar de uitnoodiging aannamen.
Toen dat vijftal rondom kapitein Butteling plaats nam, kwamen ook de andere passagiers opdagen, de dames er onder begrepen, en vormden rondom den gezagvoerder een schilderachtig groepje, waarvan ieders gelaat van weetgierigheid tintelde. Was het toeval of geheime aandrang? Wie zal dat ooit kunnen verklaren? Maar toen het gezelschap gezeten was, bevond zich Adelien Groenewald tusschen haren vader en Frank Brinkman, en Emma Groenewald tusschen Denniston en Herman Riethoven. Met mevrouw Groenewald vormden zij de eerste rij van het kringetje, dat kapitein Butteling omgaf; terwijl de overigen zich daarachter geschaard hadden.[199]
„Ik heb beloofd” begon de gezagvoerder „iets van de Canarische eilanden te vertellen en ben bereid die belofte gedeeltelijk te voldoen. Ik zeg gedeeltelijk; omdat mijne mededeelingen slechts het eiland Teneriffe, langs welks noordkust wij dobberen, zullen betreffen. Dat eiland heb ik ook slechts betreden, alsook Gran Canaria voor slechts weinige uren; van de overigen weet ik nagenoeg niets. Luistert dus:
„Het eiland heeft den vorm van een scheefzijdigen driehoek, waarvan een der hoekpunten, de noordoostelijke, met een kolossalen uitwas bezet zou zijn, en beslaat eene oppervlakte van 41.5 vierkante geogr. mijlen. Het is, zooals gij zien kunt, zeer bergachtig en gij hebt slechts het oog te slaan op dien kegelberg, die zich daar ginds in het midden van het eiland verheft, om te beseffen, dat het een vuurspuwende berg en de bodem van het eiland van vulkanischen oorsprong is. Zooals gij onder de verlichting der ondergaande zon ontwaren kunt, loopt de kust als eene nagenoeg onafgebrokene lijn voort en daalt steil in zee af, zonder baaien of inhammen van eenige beteekenis te vormen.…”
„Maar op den anderen kant van het eiland?” vroeg kapitein Van Dam.
„Daar wordt hetzelfde verschijnsel aangetroffen. Alleen bij den noordoosthoek wordt door die kaap daar ginds eene soort baai, naar de zuidzijde gekeerd, gevormd. Ik vertelde heden ochtend dat de Pico deTeyde, zooals de vulkaan door de inboorlingen genoemd wordt, in zijn top Piton geheeten, eene hoogte van 11872 voet boven de oppervlakte der zee bereikt. Ik kan er als zeeman bijvoegen, dat hij bij helder weder op 200 Nederlandsche mijlen zichtbaar is.”
„Drommels,” zei kapitein Van Dam „dat zou een aardige vuurtoren zijn.”[200]
„Ja, als er licht op aangestoken kon worden,” antwoordde de gezagvoerder.
„Maar, als vuurspuwende berg zal hij zich toch wel eens laten gelden” meende Denniston.
„Jawel, soms meer dan den bewoners lief is. Zoo verwoestte hij nog in 1706 bij eene uitbarsting Puorto Guarachio, eene kleine havenstad, hier op de noordkust gelegen, die zich sedert nimmer hersteld heeft, en waarvan gij de weinige huizen, waaruit zij thans bestaat, daar ginds bij de kaap Buena Vista kunt zien liggen. Maar sedert onheugelijke tijden hebben geene uitbarstingen langs zijn top meer plaats gehad, hoewel die door eene krateropening doorboord is. Steeds baant het onderaardsche vuur zich een weg op de flanken van den berg, gewoonlijk in eene plooi tusschen twee lengteribben. Het is jammer, dat het niet een paar maanden later is.”
„Waarom?” was de algemeene vraag.
„Dan zoudt gij een zeer fraai gezicht genieten. Van November tot April toch is de Piton, die door de bevolking daarom ook Pan de Azucar (suikerbrood) genoemd wordt, met sneeuw bedekt, die dan onder de zonnestralen aan glinsterend zilver gelijk is, en een prachtvol effekt maakt daar boven op dien steeds groenen kegelberg. Bedenkt, dat wij hier niet ver van den noorder-keerkring verwijderd zijn.”
„Hebt gij dien berg beklommen, kapitein?” vroeg Emma Groenewald.
„Gedeeltelijk slechts, juffrouw,” antwoordde de kapitein. „Ik was niet als toerist op het eiland en kon mij niet bewegen, zooals ik wilde. Misschien vertel ik later eens, hoe ik op dat eiland verzeild geraakt ben.”
„Zijt gij bij de ijsgrotten geweest?” vroeg een der aanwezigen.
„Bij de „cueva del hiels”? Neen, zoo hoog heb ik het[201]niet gebracht. Die zijn boven vlak bij den Piton gelegen. Maar op de hellingen heb ik de „narices” gezien, dat zijn spleten, waaruit heete dampen opstijgen, dus ware fumarolen. Het eigenaardigste van die beklimming is, dat daarbij nagenoeg het geheele plantenrijk der verschillende zonen den bezoeker onder de oogen komt. Van de kust tot aan den voet van den berg en zelfs tot op eene zekere hoogte daarboven, spreidt zich een tropische plantengroei voor het oog uit, waaraan de fraaiste palmsoorten als de cocospalm, de dadelpalm, de drakenbloedboom en ook vele pisangsoorten, alsmede uitgestrekte velden van suikerriet44haren eigenaardigen stempel verleenen. Stijgt men hooger dan 1200 voet, dan komt men in den gematigden gordel. Daar worden fraaie wijngaarden, olijf- en kastanje-bosschen en maïsvelden, allen zoo weelderig als in het zuiden van Frankrijk, als in Spanje, Italië, Griekenland en Klein-Azië, aangetroffen. Iets hooger komen den bezoeker olmboschjes en groepen eikenboomen onder het oog, waarnaast graanvelden evenals in ons vaderland. Boven de 4000 voet heeft men de wolken-zone, waarin vele laurier- en rododendron-boschjes worden aangetroffen. Daar bloeien de fraaiste rozen der wereld. Boven de 5000 voet treft men den gordel der naaldboomen aan, die eerst krachtig en verheven, al kleiner en kleiner van gestalte worden, naarmate men hooger klimt, totdat op 10,000 voet de „retama blanca”, de witte strook, bereikt wordt, waarmede de inboorlingen die streek aanduiden, waar slechts eenige alpenplanten tieren, die gedurende de wintermaanden onder eene dikke sneeuwlaag bedolven zijn. De eigenlijke Piton, die als uitbarstingskegel boven den verheffingskrater uitsteekt, bestaat uit lava, brokstukken of rapilli en vulkanische asch, waarop volstrekt geen plantengroei voorkomt.”[202]
„Gij hebt zoo even in uwe opsomming der voorkomende gewassen den drakenbloedboom genoemd” zei de apotheker Behren. „Van waar hebt gij de bestijging des bergs ondernomen, kapitein?”
„Van Orotava, eene kleine plaats op de noordkust gelegen, die gij daar ginds ten zuidoosten van ons ontwaren kunt. Ziet daar, waar die lichtjes fonkelen.”
„Waar men het gas opsteekt,” merkte Emma op.
„Het gas!…”antwoordde kapitein Butteling. „Het mocht wat! Neen, zoover zijn de bewoners dezer eilanden nog niet. Zij bezitten zelfs geene straatverlichting. De lichtjes, die gij daar ginds flikkeren ziet, zijn eenvoudige olielampen, waarmede de bewoners hunne binnenvertrekken verlichten. Maar, mijnheer Behren, gij vraagdet mij.…?”
Stuurman Abels naderde den groep in dit oogenblik.
„Zuider-bries,” zei hij tot kapitein Butteling, terwijl hij naar den windwijzer op den top van den grooten mast wees.
„De landwind, die gewoonlijk tegen dit uur invalt, stuurman,” antwoordde de gezagvoerder. „Ik verwachtte hem. Laat de beneden zeilen geien, dan krijgen wij wat verademing op het dek, laat de bovenzeilen bij den wind brassen en dan maar op en neer houden, wij kunnen met die bries toch geen koers zetten.”
De stuurman bracht zijn fluitje aan den mond. In een oogwenk was de geheele bemanning in beweging. De kapitein sloeg de manoeuvre met aandachtig oog gade. Toen het fregat onder den zachten druk zijner bovenzeilen licht stuurboord overhelde en westwaarts opstevende, hernam hij:
„Mijnheer Behren, gij vraagdet mij, van waar ik mijne bergbeklimming aangevangen had. Hadt gij eenige bedoeling met die vraag?”[203]
„Ja, kapitein. Ik wilde u vragen of gij den beroemden drakenbloedboom van Orotava gezien hebt?”
„Welzeker.”
„Kunt gij ons er eene beschrijving van geven?”
„Helaas! dames en heeren, ik ben geen plantenkundige en zal daarin te kort schieten. Ziet hier, wat ik er van mededeelen kan. Het is een wonderlijke boom, volgens de geleerden tot de palmsoorten behoorende. Hij heeft een stam, die, ruw en knoestig, eene hoogte van 24 M. of ruim 76 voet tot aan de eerste vertakkingen bereikt. Even boven zijn wortel heeft hij een omvang van 16 meter, terwijl hij op 3 meter hoogte boven den grond nog ongeveer 12 meters omtrek heeft. De kroon verdeelt zich in ontelbare vertakkingen en ondervertakkingen, die aan hare uiteinden bossen van sierlijke lancetvormige bladeren vertoonen, welke de lengte van ongeveer een halven meter bereiken. Daardoor ontstaat een net van dikke verwarde takken, die met haren bladerendos een dicht scherm vormen, hetwelk voor de scherpste stralen der zon, die hier zich reeds heet kunnen doen gevoelen, ondoordringbaar is. Als men bij dien boom staat, voelt men zich klein en nietig45.
„Dat er eene menigte sprookjes aan dien boom verbonden zijn, zal u niet vreemd in de ooren klinken. Een dier sprookjes duidt er onder anderen op, dat die boom een tijdgenoot van Adam en Eva zou zijn geweest.”
„Dat is toch overdreven; niet waar mijnheer Behren?” vroeg Emma den apotheker.
„Zoo heel veel overdreven niet, juffrouw Emma” antwoordde deze. „Als het waar is, dat er een menschenpaar geschapen is, zooals het Bijbelsch verhaal levert, dan zou dat onder de schaduw van dien boom hebben kunnen schuilen voor de zonnestralen, die hier lang niet[204]malsch zijn;—wel te verstaan, wanneer het aardsch paradijs op dit eiland gelegen geweest ware.”
„Dat komt mij toch overdreven voor,” betuigde Adelien op hare beurt.
„Laten wij eens rekenen,” zei Behren. „Volgens de Alexandrijnsche tijdrekening zijn ruim 7360, volgens de Juliaansche bijna 6570 en volgens de Hebreeuwsche ruim 5610 jaren sedert de schepping der wereld verloopen. Laten wij, om die rekenmeesters in overeenstemming te brengen, het gemiddelde van die opgaven nemen, dan zouden Adam en Eva zoo omstreeks 6500 jaren geleden geschapen zijn. Nu geeft de groote natuurkenner Alexander von Humboldt op, dat die boom een ouderdom van 6000 jaren heeft bereikt. Gij weet, dat de aartsvaders vrij oud werden. Adam en Eva zullen in dat voorrecht wel gedeeld hebben. Von Humboldt sprak zijne meening in 1799 dus ruim eene halve eeuw geleden uit. Neen, het is zoo geheel verwerpelijk niet, dien drakenbloedboom als tijdgenoot van het eerste menschenpaar aan te merken.”
„Maar, dat is dan toch de eenige boom, die als zoo oud op te geven is?” vroeg Adelien.
„Neen, lieve dame,” antwoordde Behren. „In Amerika heeft een genoemde Lobb in 1815 op de Sierra Nevada een groep cederboomen ontdekt, die hij reuzen of mammouthsboomen heette; maar door degeleerdenWellingtonia gigantea genoemd werden. Het zijn naaldboomen, waarvan ettelijke exemplaren 130 M. of ruim 410 voet hoogte en een middellijn van 10 M. bereikt hebben. De plantenkundigen hebben uitgemaakt, dat de oudsten dier boomen minstens 6000 jaren oud zijn.”
„Verbazend!” zeiden de jonge dames.
„Maar Behrtje,” vroeg kapitein Van Dam, „hoe maken die plantenkundigen zoo’n hoogen ouderdom uit. Zij[205]hebben toch geen geboorteregister of stamboek tot hunne beschikking. Zij kunnen den boom ook niet in den bek zien?”
Behren had geen tijd om te antwoorden en was er niet rouwig om. Stuurman Abels trad op kapitein Butteling toe.
„Er zijn vijf schepen in het gezicht,” sprak hij.
De gezagvoerder sprong op en inderdaad, toen hij den kijker genomen had, kon hij zich overtuigen, dat stuurman Abels waarheid gerapporteerd had.
Alle passagiers groepeerden zich om den kapitein, en keken verlangend uit.
„Er is bij de avondschemering weinig te onderscheiden,” pruttelde de gezagvoerder, na een poos getuurd te hebben. „Zij schijnen van den landwind gebruik te te maken om op te werken. Drie er van liggen over denzelfden boeg als wij, de twee anderen over den anderen boeg.”
„Zouden die schepen nabij komen?” vroeg Emma.
„Waarschijnlijk, juffrouw, en meer nabij dan mij wel lief is,” antwoordde de kapitein. „Het zal van nacht oppassen heeten, stuurman. Voert het schip zijne lichten?”
„Ja, kapitein.”
En inderdaad het fregat vertoonde aan bakboord vooruit een rood en aan stuurboord een groen licht. Kapitein Butteling overtuigde zich, dat die lichten helder brandden.
Langzamerhand naderden de gemelde vaartuigen; maar het was omstreeks middernacht, eer dat zij in het vaarwater van deFernandina Maria Emmawaren. Onze reizigers zaten die heen en weder laverende schepen eenigen tijd aan te staren; in dat nachtelijke uur was evenwel niet veel meer dan hare seinlichten en hare donkere omtrekken te ontwaren; zoodat dat gezicht niemand lang kon boeien en de teleurgestelden een voor een afdropen om zich te kooi te begeven.[206]
Maar den volgenden ochtend was het een schilderachtig gezicht, dat zich aan de blikken van de opvarenden van deFernandina Maria Emmavoordeed. De landwind was wegstervende; alleen de lichte bovenzeilen waren gedeeltelijk gevuld, maar dienden slechts om het schip stuur te doen houden. Van vooruitstevenen was geen spraak. Toen de passagiers aan het dek kwamen, lag ons fregat te midden van de vijf schepen, die den vorigen avond gesignaleerd waren, en nu binnen een kring van een 5 à 600 M. straal rondom deFernandina Maria Emmadobberden. Het was een prettig gezicht, al die witte zeilen daar boven die blauwe watervlakte te ontwaren en hen zich daarin te zien spiegelen. Bij zonsopgang weerklonken allerwegen de fluitjes der stuurlieden aan boord van die vaartuigen, en rezen op dat signaal de vlaggen omhoog en wapperden aan de gaffels. Scheeps- en tooneelkijkers werden ijverig gebruikt om elkander te bespieden.
„Daar is een Engelschman, en.… daar nog een!” riep kapitein Butteling.
„En daar een Spanjaard! en daar een Deen!” vulde stuurman Abels aan.
„En daar een Hollander!” wees kapitein Van Dam. „Waarachtig een Hollander!”
„Waar? waar? .…” vroeg kapitein Butteling met eenige drift.
„Daar ginds, die bark in het noordwesten. Kijk, daar gaat hij over stag. Nu kunt gij zijn vlag niet zien.”
Na een poos door zijn langen scheepskijker getuurd te hebben, riep stuurman Abels plotseling uit:
„Maar, dat isde stad Leiden, die twintig dagen voor ons uitgezeild is!”
„Is het mogelijk?” riepen de verzamelde passagiers.
„Er valt zich niet te vergissen. Ik ben twee jaren lang[207]stuurman aan boord van dat schip geweest. Het behoort aan hetzelfde kantoor als deFernandina Maria Emma.”
Men scheen aan boord van destad Leidenons fregat ook herkend te hebben; want onmiddellijk ging die bark overstag en manoeuvreerden de beide schepen derwijze, dat zij elkander naderden. Inmiddels stierf de landwind weg en werd het bladstil. Het vijftal schepen lag dicht bij elkander—de stad Leidenwas geen 300 M van deFernandina Maria Emmaverwijderd—; terwijl het eiland Teneriffe met zijn fraaien plantentooi, die den rijkdom der tropische Flora vrij nabij kwam, zich op een kleinen afstand bekoorlijk uitstrekte. Kapitein Butteling maakte van de windstilte gebruik, om stuurman Bagman met de jol naar de Nederlandsche bark te zenden ten einde berichten in te winnen. Deze kwam een paar uur later aan boord van het fregat terug met de tijding datde stad Leidenbij het uitkomen van het Engelsche Kanaal, door een zuidwester storm beloopen was geworden, dat men voor top en takel had moeten lenzen en men met heel veel moeite kaap Clear en Mizen Point46vrijgeloopen was. Het schip had toen, steeds door den storm voortgezweept, langs de Iersche westkust moeten houden en had daarbij zeer veel averij aan tuig en verschansing ondervonden. Toen de storm bedaarde, schoot de wind in het westen. Van die gelegenheid, werd gebruik gemaakt, om weer zuidwaarts te sturen en eene toevlucht te Swansea in het Bristol-kanaal te zoeken, alwaar de bark eene reparatie onderging, die ongeveer acht dagen vereischte. Van Swansea in zee gestoken, was de gelegenheid tot de Canarische eilanden evenwel gunstig geweest.
„Dan hebben wij het veel beter getroffen,” zei Frank Brinkman, toen stuurman Bagman die wederwaardigheden den beide onderofficieren ook mededeelde.[208]
Tegen negen uur viel de verwachte zeewind niet in. Of kapitein Butteling ontelbare malen naar den windwijzer boven de kruissteng keek, of hij ook al eens floot om den wind te roepen, het was alles te vergeefs. Het bleef bladstil en dat bleef zoo een paar dagen duren. Wel verhief zich des avonds een zachte landbries; maar die blies uit het zuiden, daarmee was niet tusschen die eilanden uit te geraken en koers te zetten. Die landwind noodzaakte slechts de gezaghebbers der verschillende schepen, die daar tusschen dien archipel zwierven, tot verdubbelde waakzaamheid.
Eindelijk woei den 28enOctober eene westelijke bries, die hoewel niet sterk, toch zoo veel door stond, dat deFernandina Maria Emmade zeeëngte tusschen de eilanden Teneriffe en Gomera kon binnen stevenen. Die vaart eischte de grootste oplettendheid van kapitein Butteling; want de stroom in die Straat was sterk en het vaarwater was niet breed, terwijl op de bries niet veel te vertrouwen was. Ieder was dan ook op zijn post, om terstond het anker te kunnen laten vallen, wanneer de wind het fregat in den steek mocht laten. Maar die doortocht werd gelukkig volbracht, en de reizigers konden ten volle het schoone gezicht genieten, hetwelk die beide bergachtige eilanden met hunnen fraaien plantentooi opleverden. Vooral trok de branding, die op kaap Teno, den noordwestpunt van Teneriffe, brak, de aandacht der opvarenden zeer. Hoewel de zee uiterst kalm was, rolde de Oceaan toch statige deininggolven, die op de rotsen, welke dat voorgebergte omgaven, braken, hoog opspatten en soms den vorm aannamen van verblindend witte zuilen, die daar voor een kort oogenblik verrezen en dan weer neerploften.
Een zucht van verlichting ontsnapte toch kapitein Butteling, toen het schip kaap Becerro, de zuidpunt van[209]het eiland Gomera, te boven was gekomen. Het was toen ongeveer tien uren in den morgen.
„Bezaanschoot aan!” riep hij met vergenoegd gelaat tot stuurman Abels, nadat die op zijn bevel eerst het schip iets had laten afvallen en daarna alle zeilen, die bijgezet konden worden, had doen ontplooien.
En zich tot zijne passagiers wendende:
„Komaan de zeiltjes staan bol en het fregat legt koers. Een glas Teneriffe47zal nu wel smaken. Er is mij een pak van het hart, dat wil ik wel bekennen.”
Allen schaarden zich rondom hem in de verwachting, dat er wel wat volgen zou. Alvorens evenwel zijn verhaal te beginnen, wenkte kapitein Butteling de sergeanten Riethoven en Brinkman tot zich, om van het gehoor te zijn.
„Met uw verlof, kapitein Van Dam?” sprak hij tot dezen op vragenden toon.
De toegesprokene knikte toestemmend en blijkbaar met welgevallen.
Beide kapiteins werden met een dankbaren blik door Adelien Groenewald beloond, voor wie èn de vraag èn het toestemmend gebaar niet verloren gegaan waren.
Toen allen, ook Herman en Frank, bij den bezaansmast rondom den scheepsgezagvoerder gezeten waren, wilde hij beginnen.…
„Maar, waar isde stad Leiden, waar zijn de andere schepen gebleven?” viel hem de heer Groenewald in de rede.
„Die lagen gisteren avond westelijk genoeg om tusschen de eilanden Palma en Hierro door te stevenen, en zoo het ruime sop te bereiken. Als die daar nu ook diezelfde gelegenheid treffen als wij hier, dan is hunne manoeuvre goed geweest, anders liggen ze daar nu inkatzjammerte dobberen. Ik heb al uitgekeken, toen wij Gomera voorbij gestevend waren; maar er was niets te ontwaren aan de kim.”[210]