VII.

[Inhoud]VII.Tusschen de keerkringen.„Het is jaren geleden,” zoo begon kapitein Butteling, „dat ik stuurman was op de brikSenhora Dolorès, die,—ik heb het u reeds verhaald,—geregelde reizen deed van Barcelona, aan de Middellandsche zee gelegen, hier naar Santa Cruz di Teneriffe.”„Waar ligt die plaats, wij hebben ze niet gezien?” vroeg Van Diepbrugge.„Dat is de hoofdplaats, en de zetel van den Gouverneur der Canarische eilanden. Zij telt ongeveer 12.000 inwoners en bezit eene vrij goede haven, die door eenige forten tegen eene vijandelijke overrompeling beveiligd is. Wij hebben haar niet kunnen zien; omdat zij aan het noordelijkste gedeelte van de zuidoostkust van het eiland gelegen is, en wij langs de noordkust dobberden, daarna langs de zuidwestkust stevenden en nu zuid zuidwestwaarts koers zetten.„Bij een dier reizen derSenhora Dolorès, of beter, bij de laatste, die zij volvoerde, werden wij eerst door hevige westelijke en zuidwestelijke winden bij het uitkomen van Straat Gibraltar geteisterd. Den tweeden dag reeds strandden wij bijna bij kaap Raz-el-Hoedik op de Marokkaansche kust; terwijl wij drie dagen later met[211]de meeste moeite Kaap Sint Vincent, de zuidwestelijkste punt van Portugal, vrij kwamen. Maar, eindelijk liep de wind naar het noorden en konden wij met volle zeilen op ons doel afgaan. Maar, even als wij het nu getroffen hebben, trad, kort nadat wij Madera verkend hadden, stilte in, en dobberden wij vier lange dagen tusschen Palma en Teneriffe. Eindelijk kwam een noordwester bries door, evenwel zoo zwak, dat het mij toescheen, dat wij daarmede den stroom, die tusschen de Canarische eilanden aangetroffen wordt, niet zouden mogen trotseeren. Ik deelde den kapitein mijne meening mee, en zei hem onbewimpeld, dat er gevaar bij dien doortocht bestond. Die kapitein—overigens een braaf man—was een volbloed Spanjaard, en bezat derhalve eene hooghartige inborst. Hij vond het vooral ondragelijk, dat een zijner ondergeschikten hem een bemerking maakte, hoewel ik wel gezorgd had, dat mijne mededeeling dien vorm niet aangenomen had. DeSenhora Dolorèsoverdekte zich dan ook met zeilen en stevende met alle vlaggen in top, als of zij feestvierde, de zeeëngte in, die wij pas verlaten hebben. Aanvankelijk ging het goed. Met een viermijls vaart naderden wij de Straat. Die snelheid nam evenwel toe, terwijl helaas, de bries niet in kracht vermeerderde, integendeel bij het naderen van den wal langzamerhand wegstierf. Toen we onder de kust gekomen waren, klapperden de zeilen tegen de masten. Het schip had geen stuur meer, en werd door den stroom meegesleept. Een ramp stond voor de deur. In het eerst evenwel liet het gevaar zich niet dreigend aanzien. De brik hield vrij wel het midden van het vaarwater. Als dat slechts een uur lang zoo bleef, dan ware de doortocht volbracht en zou deSenhora Dolorèsin veilig water aangekomen zijn. De kapitein wreef zich in de handen en beantwoordde[212]mijn verzoek om een der ankers gereed te mogen maken met een spottenden glimlach. Volgens hem ging alles goed. Er zou tijd genoeg zijn om dat anker buiten boord te brengen, wanneer men de zeeëngte gepasseerd was. Hij scheen gelijk te hebben. Alles bleef nog goed gaan. Op een gegeven oogenblik evenwel meende ik, dat deSenhora Dolorèsden bakboord-wal meer naderde. Ik deelde mijne opmerking volgens plicht den kapitein mede.„„Laat mij toch met rust, stuurman!” antwoordde hij mij eenigszins verstoord. „Ik wist niet, dat een Hollandsch zeeman zoo bevreesd kon zijn.”„„Ik ben niet bevreesd, kapitein,” antwoordde ik; „maar wij naderen kaap Christianos en daar is het zeer vuil om de kust. Daar zijn vele klippen.”„Er viel zich niet meer te vergissen of te misleiden. De branding op die klippen, welke in pracht voor haar, die gij bij kaap Teno straks bij het voorbijvaren zoo bewonderd hebt, niet onderdeed, naderde al meer en meer.„Toch zag de kapitein van deSenhora Dolorèshet gevaar nog niet in. Het was of de man met blindheid geslagen was. Hij meende nog altijd, dat de stroom de brik voorbij kaap Rasca, de zuidelijkste punt van Teneriffe, waarvan wij niet ver verwijderd waren, zou voeren, toen het vaartuig plotseling een lichten schok ondervond.„„Wij stooten!” riep ik uit.„„Looden!” kommandeerde de kapitein, thans met eenige bezorgdheid. „Klaar bij het anker!”„Het lood viel. De lijn liep uit.„„Tachtig vadem, geen grond!” weerklonk het.„Ik was naar de voorplecht gespoed, om bij het anker klaar maken te zijn. De kapitein kwam naar mij toe.„„Geen grond,” zei hij met een opgeruimd gelaat, „waarschijnlijk zijn wij tegen een boomstam gedreven.”[213]„Ik keek over boord om dien boomstam te ontwaren. Ik had evenwel den tijd niet om een antwoord uit te spreken. Een hevige schok deed ditmaal de brik in alle hare binten sidderen; een oorverscheurend gekraak liet zich hooren en bijna terzelfder tijd stortte de fokkemast omver en sloeg over boord, in zijn val verscheidene matrozen, die bij het looden behulpzaam waren, tegen de reeling verpletterende.„„Laat vallen het anker!” schreeuwde de kapitein ten hoogste ontsteld.„Het was te laat om nog redding te kunnen aanbrengen. Ik hoorde den plomp in het water, door de zware ijzermassa veroorzaakt; maar het baatte niets. Onder den aandrang van den zwaren stroom, stootte de brik door de hooge deining opgeheven, nog een paar malen heftig. Zij viel daarna op zijde en brak midden door. Een vreeselijk angstgeschrei weerklonk toen het achterschip het eerste in de diepte wegzonk, en daarbij de zee zoodanig beroerde, dat de golven over het dek van het voorschip, waarop ik mij bevond, sloegen. Met de in mijne nabijheid aanwezige matrozen arbeidde ik om eene sloep te water te brengen; maar ook daartoe werd ons de tijd niet gegund. Plotseling begon dat gedeelte derSenhora Dolorès, waarop wij ons bevonden, te trillen en te schudden. De boeg schoot vooruit, dook, terwijl het water met donderend geweld langs de breuk naar binnen stroomde en de vooruitschuivende beweging van het wrak nog bevorderde. Handenwringend stonden wij allen bij elkander. Helaas! er viel niets te doen; daartoe ontbrak de tijd in die oogenblikken.„„Santa Madre de Dios!” klonk nog eens door de lucht, toen was alles gedaan. Een oogenblik te voren had de boeg zich verheven, alsof hij uit het water wilde springen; maar maakte daarbij bewegingen alsof het[214]een dronken mensch was, toen dook hij voorover, verhief zich nog eens, dook weer en nu voor de laatste maal, waarbij de golven met eene ontembare kracht over het dek sloegen en alles: menschen en schip in een onmetelijken kolk verslonden.„Toen ik de eerste trilling van het voorschip voelde, begreep ik, wat er gebeuren ging, dat het van de rotskruin zou afschieten, waarop deSenhora Dolorèsgestooten had. Ik had een der roeiriemen van de boot gegrepen en klemde mij daaraan in dien bangen stond wanhopig vast.„Hoe lang ik onder de oppervlakte van het water vertoefd heb.… ik weet het niet. Wel ondervond ik het gevoel, alsof ik in een onmetelijken kring ronddreef, en tevens naar den afgrond der zee gezogen werd, waarbij ik herhaalde malen in onzachte aanraking kwam met verschillende voorwerpen, die evenals ik verzwolgen waren. Bij een dier botsingen ondervond ik zoo’n pijn, dat mij het bewustzijn begaf en het mij was, alsof ik sterven ging. Gelukkig liet ik mijn roeispaan niet los; maar klemde mij onbewust daaraan met al de kracht der wanhoop vast.„Toen ik tot mijzelven kwam, lag ik met den hals op het reddende stuk hout, dat ik met beide handen stevig omklemd hield en wel zoo, dat mijn gelaat boven de oppervlakte des waters uitstak. Ik keek rond, ik was de kaap Christianos vrij nabij. De stroom zette naar die kaap toe. Heel kort daarop geraakte ik in de branding. Ik liet den roeiriem, die mij tot nu toe van zooveel nut geweest was, varen en trachtte zwemmende den wal te bereiken. Maar zwemmen in de branding! Het zijn pochers, die beweren dat te kunnen. Ja, in de Noordzee, bij Scheveningen! wanneer geen, of wel oostenwind blaast. Ik beweer een goed zwemmer te[215]zijn; maar zooals ik daar heen en weer gesmeten werd, is niet te beschrijven! Nu eens was ik op den top eener baar en werd met den spoed van een sneltrein den wal te gemoet gevoerd; eene seconde later plofte mij diezelfde baar in de diepte, brak over mij heen en deed mij onzacht op den zandigen bodem te recht komen, waarop ik onmogelijk stand kon houden. Met onweerstaanbaar geweld werd ik dan weer zeewaarts gesleurd, totdat ik mij opgezogen gevoelde in een machtigen golf, die aangerold kwam en mij in zijne statige krul opnam, om mij in het volgende oogenblik onder oorverdoovend gedonder te midden van een onmetelijke vlakte van wit schuim neer te smakken. Zoo werd ik een tijd lang heen en weer gesleurd, steeds in het grootste gevaar verkeerende, om door de scherpe rotspunten, waarmee die kaap omringd was, verscheurd te worden. Nu eens werd ik naar den wal toegedragen, en gloorde de hoop in mijn hart; in het volgende oogenblik, werd ik bedolven en sleepte het water mij zeewaarts, en beving doffe wanhoop mij. Zoo putte ik mij uit. Het had niet lang meer moeten duren, of mijne krachten hadden mij begeven.„Eindelijk kwam er een veel hoogere golf aanrollen. Ontzetting greep mij aan, toen ik hem zag. Het was alsof een watermuur kwam aansnellen. Bij mij gekomen, krulde de toeijlende berg over mij heen, alsof hij mij wilde omhelzen, bedolf mij, smakte en rolde mij met onbeschrijfelijke hevigheid en voerde mij met zich voort, terwijl het water rondom mij donderde, kookte en schuimde. Toen ik tot het rechte bewustzijn terugkeerde, van wat met mij gebeurde, lag ik op het drooge en zag ik de watermassa, die mij aangevoerd had, bruischend en schuimend naar zee terugijlen, mij half in het zand bedolven achterlatende.[216]„Ik sprong op; want het was zaak, mij buiten het bereik van een volgenden golf te stellen. In weinige sprongen was ik buiten gevaar en had het strand verlaten. Ik was gered.„Ik werd door barmhartige menschen liefderijk opgenomen en verpleegd. Men bracht mij daarna naar dat klooster daar, hetwelk zich op de hellingen van den Pico boven kaap Adexe verheft. Daar bleef ik een paar dagen. Toen men vernam, dat ik protestant, eenheretico, was, ontdeed men zich zoo spoedig mogelijk van mij. Na mij toch liefderijk van de noodige kleeren voorzien te hebben, geleidde een kapucijner monnik mij langs binnenpaden naar een klein plaatsje op de zuidoostkust gelegen en Abona geheeten. Daar kreeg ik op voorspraak van mijn geleider vrijen overtocht aan boord van een klein kustvaartuig, deVirgen purissima, dat mij naar Santa Cruz overvoerde. Van daar vertrok ik als matroos aan boord van deSanta Lucia, een kleine schoener, naar Lissabon, van waar ik door bemiddeling van den Nederlandschen consul per stoomschip naar Engeland en verder naar Nederland geholpen werd. Ziedaar dames en heeren mijn wedervaren in deze wateren. Gij zult, hoop ik, nu wel begrijpen de uitdrukking, die ik straks bezigde, toen ik deFernandina Maria Emmain veilig water zag en met een zucht van verlichting uitriep, dat mij een pak van het hart gewenteld was.”„Zijt gij alleen gered geworden, kapitein Butteling?” vroeg Adelien Groenewald.„Neen, juffrouw, nog een meisje van veertien jaren is op een potdeksel of zoo iets op het eiland Gomera aangedreven. Zij was het eenigst kind van een paar, hetwelk te Barcelona te huis hoorde, maar naar Gran Canaria reisde om daar een familiefeest bij te wonen. Ik ben in die dagen naar Gran Canaria gereisd, werwaarts[217]ik door den Corregidor48opgeroepen was, om de identiteit van dat meisje te staven. Helaas, het arme kind was na de doorgestane verschrikkingen, na het verlies harer ouders, die zij onder hare oogen had zien verzwelgen, krankzinnig geworden. De geneesheer meende dat zij te herstellen was. Ik hoop dat hij waarheid sprak; ik heb haar evenwel nimmer teruggezien.”„Arm kind!” zuchtte Adelien medelijdend.„Hoeveel koppen waren aan boord van deSenhora Dolorès?” vroeg kapitein Van Dam.„Negen man scheepsvolk en acht passagiers, waaronder het bedoelde meisje,” antwoordde kapitein Butteling.„Dus zeventien personen, waarvan slechts twee gered werden! Het is schrikkelijk!”Terwijl onze reizigers dat verhaal aangehoord hadden, was de wind veel verzwakt en liep deFernandina Maria Emmauiterst langzaam. Toen de middag waarneming ten einde was, bevond het fregat zich op 27° 33′ noorderbreedte en op 16° 44′ westerlengte.De wind viel al meer en meer. Op den 29stenOctober bevond men zich op 26° 43′ noorderbreedte en op 17° 17′ westerlengte. Er waren dus slechts ongeveer vijftien mijlen in het etmaal afgelegd.Den volgenden morgen vernamen de reizigers, toen zij aan het dek kwamen, dat het gedurende den nanacht bladstil was geweest. Nu evenwel vertoonde de zee eenige rimpeltjes, terwijl de bovenzeilen zich begonnen te vullen.„Dat is de noordoostpassaat!” riep kapitein Butteling. „Nu zullen wij wel vaart gaan maken!”De ervaren zeeman had gelijk. Weldra waren de zeilen gevuld, terwijl al de stagzeilen en zelfs aan den fokkemast de lijzeilen bijgezet werden. Het fregat lag dan ook, bakboord overhellende, en kliefde bevallig[218]het water, dat zij in een bruischenden golf voor den boeg uitwierp.Daags daarna, dus den 31stenOctober, sneed deFernandina Maria Emmazoo omstreeks te negen uur des morgens den keerkring van den Kreeft.„Dat is eene voorspoedige reis geweest,” merkte kapitein Butteling den reizigers op. „Wij zijn op 17 October des avonds in zee gegaan. Wij tellen nu 31 October. In veertien dagen tusschen de keerkringen! daarover valt niet te klagen. Blaast de passaat nu goed door, dan bereiken wij al gauw den Equator.”De zeeman was blijkbaar in zijn nopjes. Er is geen tevredener wezen op de wereld dan een scheepskapitein, wanneer alles voor den wind gaat. Daarentegen zijn er ware knorrepotten onder, wanneer de wind uit den verkeerden hoek waait, of wanneer er geheel en al stilte intreedt. Onder deze laatste sorteerde kapitein Butteling volstrekt niet. Hij was evenwel meer opgeruimd, wanneer alles naar zijn zin ging, dan wanneer hij met tegenspoed te kampen had.De noordoostpassaat blies tamelijk door, evenwel niet zooals de waardige zeerob gewenscht had. Toch maakte het schip dagen achter elkander gemiddeld 40 mijlen in het etmaal, wat nu niet bijzonder vlug genoemd kon worden; maar in den noordoostpassaat, die gewoonlijk niet sterk doorstaat, niet te versmaden was.Den 6denNovember evenwel begon de wind in den namiddag te vallen, en weldra was het bladstil. Het middagbestek had aangegeven, dat deFernandina Maria Emmazich op 6° 49′ noorderbreedte en 23° 45′ westerlengte bevond. De noordoostpassaat verzwakte al meer en meer, totdat het schip tegen twee uur in den achtermiddag bewegingloos lag te dobberen en slechts heel loom en heel zacht door de deining gewiegd werd.[219]Nog voor dat het drie uur was, had zich in het zuidoosten eene dikke wolkenbank vertoond, die snel naderde. Nadat de wind verzwakt en later geheel gevallen was, had zich eene ondragelijke warmte doen gevoelen. De stralen der dagvorstin vielen brandend neer, en deelden aan alle voorwerpen eene hitte mede, die niet afgekoeld werd, maar integendeel al meer en meer toenam. Onder de zonnetent, waaronder het bij het geringste briesje zoo verkwikkend kon zijn, onder die zonnetent was het onaangenaam warm. Het was alsof die loodzwaar en heet op de menschen daaronder drukte. Iedereen keek dan ook naar verademing uit, en vooral werd de naderende wolkenbank met een soort welgevallen aangestaard en verwelkomd.„Daar komt poetssteen!” zei kapitein Van Dam tot den scheepsgezagvoerder.„Daar komt de zuidoostpassaat,” antwoordde kapitein Butteling. „Dat treffen wij wel. Men kan hier soms dagen, soms weken liggen drijven, zonder een zuchtje te voelen. Men noemt dat hier den stiltegordel.”„Hoe is de stroom hier?” vroeg Behren belangstellend.„O! wij zijn hier in den equatoriaal tegenstroom, die ons zoo zachtjes westwaarts naar den golf van Mexico zou voeren; maar hij is hier zeer zwak, bijna onmerkbaar.”„Drommels, dan zouden wij hier van de warmte kunnen profiteeren, als de windstilte aanhield!”„Ja, dat zou kunnen,” antwoordde kapitein Butteling. „Bij de vorige reis lag deFernandina Maria Emmaruim drie weken, nagenoeg op dezelfde plek. Maar.… wij zullen het bij deze gelegenheid wel gunstiger treffen, kijk maar.”Hij wees naar het zuidoosten.Daar naderde die wolkenbank steeds en vrij vlug. Bij[220]hare nadering veranderde het blauwe water der zee langzamerhand van kleur, werd lichtblauw met eene fletsche tint, ging daarna tot flesschengroen, iets later tot donkergroen over, om eene grauwe tint aan te nemen, en eindelijk loodkleurig te schijnen onder de wolkenmassa, die als op het water rustte.„Stagzeilen, bezaan- en grootzeil geien!” riep kapitein Butteling, die scherp in zuidelijke richting uitkeek.Men was nog lang niet klaar, toen het tweede commando volgde:„Bovenbramzeilen engrietje geien!”Een tweede ploeg matrozen, geholpen door soldaten, toog aan het werk. Toen de eerste ploeg klaar was:„Bramzeilen en kruiszeil geien!” klonk het commando.„Gij kleedt de dame uit,” zei kapitein Van Dam met een glimlach.„Het is tijd ook, dat zij die falbalas aflegt,” antwoordde kapitein Butteling. „Kijk maar!”In het zuiden naderde een band over het water, die gitzwart geleek, maar waarachter de zee begon te bewegen en kleine golven vertoonde, die evenwel met witte kopjes gekuifd werden. Het schip lag thans onder den fok, de marszeilen, het bagijnezeil en den kluiver.„Nu kan de bui komen,” grinnikte stuurman Ellenbaan. „DeFernandina Maria Emmais gereed haar te ontvangen.”De stuurman had ter nauwernood uitgesproken of daar vloog de eerste windvlaag huilend door het want. Het fregat boog lichtelijk onder dien aanval, maar hervatte onmiddellijk koers.„Zuid ten westen voor!” riep de scheepskapitein den roerganger toe.Het was eene echte tropische bui, die het schip bezocht. Aanvankelijk zweepte de wind woedend de golven[221]omhoog, floot door het want, dreigde alles met zich mee te sleuren. Hij nam evenwel in kracht af, toen de donder zich liet hooren en de regen begon te vallen. De eerste bliksemschichten, die het ruim doorkliefden, waren verblindend wit, terwijl de donderslagen zoo hevig waren, dat het schip tot in zijne inhouten dreunde en het gehoor pijnlijk aangedaan werd. De regen, die viel, was een echte intertropische regen. Het waren geen droppels die vielen, maar waterstralen, schier ter dikte van een pijpesteel, die dicht naast elkander vallende, een scherm, een gordijn van water vormden, welke belette, op weinige passen afstand iets te ontwaren.Toen die regen viel, ontspon zich een allerkoddigst tooneel op het dek van het fregat. Dat, met zooveel menschen aan boord, zeer zuinig met den watervoorraad moest omgesprongen worden, ligt voor de hand. Er werd niet meer verstrekt dan stipt noodig was. Voor het wasschen van kleedingstukken b.v. werd geen droppel uitgegeven, en moesten matrozen en soldaten hunne plunje met zeewater reinigen, waarbij de zoogenaamde zeezeep, die van Harderwijk medegegeven was, dezelfde dienst als een stuk kaarsvet, waarmede het goed ingesmeerd werd, deed. Toen nu het regenwater zoo overvloedig begon te stroomen, waren al heel spoedig een groot aantal handen bedrijvig om het dek van deFernandina Maria Emmain eene waschtobbe te veranderen, en vloten vooruit geheele beken zeepsop, die evenwel door den dicht neervallenden regen dadelijk weggespoeld werden. Overal zag men mannen de stralen water opvangen, die van de zonnetenten, uit de zeilen langs het touwwerk enz. afstroomden, deze in een kom, gene in eene mok, een derde in een leeg blik van verduurzaamde levensmiddelen, een andere in zijne veldflesch; en hoewel dat regenwater door de aanraking met het geteerd touwwerk[222]wel een bruin tintje deelachtig was geworden, zoo werd toch menigen hartigen teug van het overvloedige vocht genomen, want het water uit den scheepsvoorraad had o! zoo’n muffe lucht en smaak.Toen de zon ondergegaan was, scheurde het floers dat den hemel bedekte. De regen hield op, de wolken verspreidden zich of losten zich op en weldra schitterden de sterren aan het uitspansel en weerkaatsten liefelijk in den oceaan. De zuidoostpassaat zuchtte zacht door het touwwerk van het fregat en vulde de bovenzeilen, dieweldra bijgezet waren, maar die hij toch nog niet vermocht bol te doen staan.„Dat zal wel beter gaan,” verzekerde kapitein Butteling. „Als wij dien passaat maar eerst te pakken hebben! Hoe zuidelijker wij komen, hoe meer hij zal doorstaan en ook hoe ruimer hij zal worden.”Ja, de voorspelling kwam uit. Reeds den volgenden dag—8 November—stonden de zeilen iets boller en wees het middagbestek aan, dat men op 5° 13′ noorderbreedte en 24° 26′ westerlengte gekomen was, en dat het fregat in het laatste etmaal 27 mijlen had afgelegd. Dat laatste cijfer klonk niet hoog; daarbij moest evenwel in rekening gebracht worden, dat gedurende een groot gedeelte van het etmaal windstilte geheerscht had, terwijl de later doorgekomen passaat zich nog niet krachtig had laten gelden.Het was dien dag zondag en bijgevolg zouden Frank Brinkman en Herman Riethoven weer de gasten van den heer Groenewald zijn. Toen de jongelieden hunne opwachting bij de dames van hunnen gastheer gemaakt en dezen laatsten de hand gedrukt hadden, verzocht Frank den heer Groenewald hen in de gelegenheid te stellen den detachements-kommandant en den scheepsgezaghebber te spreken. Zij hadden, beweerden zij, die autoriteiten[223]wichtige mededeelingen te doen en hadden om opzien te vermijden, het rapport niet willen aanvragen, dat trouwens op zondag niet gehouden werd.Weinige oogenblikken later hadden de twee onderofficieren in de kajuit van kapitein Butteling plaats genomen en verbeidden hunne toehoorders de toegezegde mededeelingen.„Heden nacht kon ik door de warmte beneden niet slapen,” sprak sergeant Riethoven, „ik had dan ook mijn beddeken opgenomen, eene toevlucht op de koebrug gezocht en daar eene uitmuntende schuilplaats gevonden in het koelzeil, dat op die brug neergelaten was. Ik had daar eene heerlijke ligplaats en zou ook daar een gerusten slaap genoten hebben, ware het niet dat een fluisterend gesprek, hetwelk onder de koebrug vlak onder mij gehouden werd, mijne aandacht getrokken had. Gij weet het, dat bij de vreeselijke warmte, die in deze streken in het tusschendek heerscht, velen hunne toevlucht op het dek zoeken, en dat daar groepjes tot laat in den nacht zitten te praten. Ik was dus daaraan gewoon en zou ook op dit gesprek niet gelet hebben, wanneer de bijzondere zorgen om toch door niemand anders verstaan te worden, mijne nieuwsgierigheid niet opgewekt had. Zoodra toch de stem van een der sprekers slechts even het fluisteren te boven ging, klonk een waarschuwend: sjt! sjt! en deed die stem dalen. Mij ontging daar boven geene lettergreep, hoe zacht zij ook fluisterden.„Het gesprek werd in het Duitsch gevoerd, en had tot onderwerp een opstand, die gesmeed wordt, om zich van het schip meester te maken en daarmee kaap Hoorn om te stevenen, en eene toevlucht in een der havens van de westkust van Zuid-Amerika te zoeken. Ik heb zelfs den naam van Iquique gehoord.”[224]Kapitein Butteling greep eene kaart en tuurde daar een oogenblik op.„Drommels! ze houden van reizen,” zeide hij. „Iquique ligt op de Peruaansche kust op 21° zuiderbreedte. Maar ga voort.”„Het plan schijnt zeer eenvoudig te zijn. De samenzweerders meenen den dag van het Neptunus-feest uitstekend te kunnen benuttigen.”„Dus, dat is vrij aanstaande,” zei kapitein Van Dam niet zonder bezorgdheid.„Ik denk dat wij den 11enof 12enden evenaar zullen snijden,” antwoordde kapitein Butteling. „Maar ga voort, sergeant.”„Men schijnt er op te rekenen dat dien dag veelvuldig extra-oorlam zal geschonken worden, en dat het grootste gedeelte van het detachement en verreweg de meeste matrozen des avonds, ten gevolge van den genoten sterken drank, zeer slaperig zullen zijn. In het holst van den nacht zullen de samenzweerders zich op de scheeps-officieren en de passagiers achteruit werpen en die.…”Hier aarzelde Herman een oogenblik.„En die vermoorden, niet waar?” vulde kapitein Van Dam aan. „Ga voort toch.”„Daaromtrent zijn de meeningen verdeeld. Er zijn er bij, die tegen bloedvergieten gestemd zijn; maar het meerendeel der samenzweerders is er voor, den detachements-kommandant met zijne officieren over boord te werpen.…”„Niets minder dan dat?” vroeg kapitein Van Dam lachend.„En van de scheepsofficieren slechts die te sparen, die gereed zouden zijn het schip naar Iquique te voeren; terwijl de hoop gekoesterd wordt, dat bij weigering de[225]stuurlieden Abels en Bagman daartoe te noodzaken zullen zijn, al was het door middel van mishandeling.”„Maar hoe groot is het getal dier samenzweerders?” vroeg kapitein Van Dam.„Dat weet ik niet, kapitein,” antwoordde Herman. „Ik mocht geene beweging maken, om mij niet te verraden en in die buis van zeildoek, waarin ik mij besloten bevond, was niets te ontwaren. Toen ik in dat koelzeil kroop, zat niemand onder de koebrug, dat kan ik verklaren. Op het aantal stemmen, die ik waarnam, afgaande, zou ik zeggen, dat daar een twaalftal personen vereenigd zijn geweest.”„Hebt gij ook een hunner aan zijne stem herkend?” vroeg kapitein Van Dam.„Geen enkelen, kapitein. Maar, daarvan ben ik overtuigd, dat het meerendeel Zwitsers zijn, en dat onder hen ook een paar Duitschers schuilen.”„Het zou toch onzinnig zijn met een twaalftal zoo’n onderneming op touw te zetten,” meende kapitein Butteling.„Zij hebben vele aanhangers onder de overige Zwitsers en Duitschers. Ja, ze schijnen op al de vreemdelingen te mogen rekenen.”„En ook op Hollanders?” vroeg kapitein Van Dam met veel belangstelling.„Die wantrouwt men ten hoogste. Als het oogenblik van uitvoering daar zal zijn, zal men het groote luik dicht gooien, om hen te verhinderen aan het dek te komen. Toch heb ik een naam hooren noemen van een Hollander, die in het complot betrokken schijnt.”„En die naam is?”„Zondervan, kapitein. Een Amsterdamsche jood.”Nathan Zondervan was zoo wat de negociant aan boord. Hij dreef handel in alles, wat in de gegeven[226]omstandigheden maar te bedenken was. Hij had zwam, vuurslag en vuursteenen in voorraad; hij verkocht tabak en sigaren, die schrikkelijk stonken; hij verschacherde zijne scheepsbeschuit, soms zijn ration wijn, steeds zijn ration spek, waarvoor hij in een Pommerschen boerenlummel een willigen kooper gevonden had. Maar het meesterstuk van zijn handel was het verkwanselen van zijn oorlam. Daarin had hij het toppunt van handelsgenialiteit bereikt. Het was natuurlijk stipt verboden het ration jenever, dat driemaal daags verstrekt werd, op tezamelen. Ieder militair was verplicht bij den stuurman, die de oorlam uitreikte, zijn rantsoen sterken drank terstond uit te drinken. Steeds was een der officieren bij de distributie aanwezig, en hadden de onderofficieren en korporaals in last, scherp op de nakoming van deze verordening toe te zien. Dat evenwel zoo’n onnoozel musje jenever, hetgeen ongeveer vijf vingerhoeden bevatte, voor menig dranklustigen niets meer dan eene kwelling was, is wel te begrijpen. De listen waren dan ook veelvuldig, die gebezigd werden, om die bepaling te ontduiken; en Nathan Zondervan had daarin eene hoogte bereikt, die ongeëvenaard mocht heeten. Bij elke gelegenheid, dat oorlam uitgereikt werd, trad hij voor, wanneer zijn naam afgeroepen werd, nam het blikken maatje, waarin de jenever uitgemeten was, van den stuurman aan, wipte den inhoud met eene onnavolgbare bevallige beweging der hand in zijn wijd opengesperden mond, sloot dien, draaide onberispelijk op zijne hielen, bracht het buitenvlak zijner rechterhand eerbiedig aan de klep zijner kwartiermuts voor den toezichthebbenden officier en verwijderde zich; terwijl een andere naam afgeroepen werd, en de drager van dien voortrad om op zijne beurt dat lekkere kostje in ontvangst te nemen.Wie evenwel Nathan Zondervan navolgde, zag hem[227]achter den fokkemast sluipen en daar den inhoud van zijn mond zorgvuldig, zonder een droppel verloren te laten gaan, in een blikken mokje ledigen, hetwelk hem door een ander, door een dronkaard voorgehouden werd, die dien dronk telkenmale met een dubbeltje betaalde. Diebijzonderheidwist men toen niet; maar vernam die eerst later.Toen de beide kapiteins het verhaal van Herman Riethoven aangehoord hadden, legden zij hem en ook aan Frank het diepste zwijgen op. Met geen woord, met geen gebaar mochten zij laten blijken, dat zij iets van den toeleg wisten. De beide kapiteins eischten die geheimhouding eensdeels: omdat zij nog zoo geheel overtuigd niet waren, dat een zoodanig komplot gesmeed was, anderdeels: omdat, bestond zoo’n komplot, de minste argwaan tot eene ontijdige uitbarsting aanleiding kon geven; terwijl eindelijk van de schuldigen niemand bekend was en het toch zaak was, de belhamels te ontmaskeren.„Laten wij nu weer naar het dek gaan” sprak kapitein Butteling. „Straks na den lunch verzoek ik evenwel de beide jongelieden mij een handje te willen helpen, de scheepswapenen in gereedheid te brengen.”„Wilt gij nog meer helpers hebben?” vroeg kapitein Van Dam.„Neen, neen, wij zijn talrijk genoeg. Meer helpers kunnen slechts doen uitlekken, dat wij op de hoogte zijn.”Zoo als afgesproken was, werd ook gehandeld. Onze onderofficieren vermaakten zich uitstekend gedurende den lunch. Adelien en Emma Groenewald keken evenwel eenigszins vreemd op, toen na afloop van het maal kapitein Butteling de jongelieden in zijne hut riep, onder voorgeven dat hij hun eenig schrijfwerk wenschte op te dragen, hetwelk zij dan de volgende dagen zouden kunnen volvoeren. Het baarde evenwel geen argwaan en[228]toen de beide sergeanten des namiddags aan het diner verschenen, werd over dat afwezig zijn, niet anders gesproken, dan dat Adelien aan tafel kapitein Butteling te kennen gaf, dat zij het niet aardig vond, dat hij de jongelieden zoo met schrijfwerk overlaadde.Lachend dreigde de zeeman het jonge meisje met den vinger; maar antwoordde niet. Toen evenwel van tafel opgestaan werd, fluisterde hij haar lachend in het voorbijgaan in het oor:„Dat gemis van het bijzijn van den goeden Frank zal ruimschoots vergoed worden. Ik ben voornemens van af morgenochtend dagelijks de beide onderofficieren in de kerk schrijfwerk te geven.”Het jonge meisje bloosde zichtbaar bij het vernemen van die woorden. Snel bukte zij zich om dien blos te verbergen; toch kon zij niet nalaten een lieftalligen blik op den gezagvoerder te werpen, dien deze opving.„Het zou mij sterk verwonderen,” mompelde hij in zich zelven, „wanneer niet een dezer twee onderofficieren, zoo niet beiden, op de plantage van papa Groenewald te recht kwamen. Hij zou evenwel ongelukkiger keus voor zijne dochters kunnen doen.”Den volgenden morgen hield kapitein Van Dam eene inspectie over zijn onderhebbend detachement, waarbij hij de manschappen ernstig afvroeg: of zij ook eenige klachten in te brengen hadden, ten opzichte van voeding en verdere verpleging, of ten opzichte der handelingen van de officieren en onderofficieren of van wege het scheepsvolk. Geen mensch trad voor, geen enkel bezwaar werd ingebracht.„Dus, niemand heeft eenige reclame in te brengen?.… Nu, des te beter; dat doet mij genoegen,” betuigde hij. Plotseling voor Nathan Zondervan stilstaande, vroeg hij dien:„Ben je geen schoenmaker van je ambacht, Zondervan?”[229]„Schoenlhapper, heer khapthein,” antwoordde Nathan, terwijl hij eerbiedig het militair salut maakte.„Juist. Ik heb eenig reparatiewerk. Je zult wel een paar gulden willen verdienen, nietwaar?”De oogen van den jood schitterden van hebzucht.„Asjeblhieff, heer khapthein!” stamelde hij.„Kom dan straks bij mij beneden,” gelastte kapitein Van Dam.De jood wisselde met een in het gelid naast hem staanden Zwitser van kolossale grootte een blik van verstandhouding, die den detachements-kommandant niet ontsnapte.Toen deze in zijne hut teruggekeerd was, greep hij een bundel stamboek-extracten, het detachement onder zijne bevelen betreffende, bladerde daarin een poos en las, toen hij gevonden had wat hij zocht:„Peter Taugwalder, zoon van Peter en van Antonia Bräntschen. Geboren den 20enJuli 1839 te Zermatt, kanton Wallis in Zwitserland. De vader is een beroemde berggids voornamelijk voor den Monte Rosa.”„De inlichting is schraal,” mompelde de kapitein.„Maar laat mij zijn staat van dienst eens inzien.”Hij bekeek het extract-stamboek aan den anderen kant. „Hm! hm! Is officier geweest bij het Duitsche vreemdenlegioen in Engelsche dienst. Bij de ontbinding van het korps is hij ontslagen en daarna naar Engeland gereisd, van waar hij zich naar Harderwijk begeven heeft.… Hier staat nog eene potloodaanteekening;… laat zien … Is een eerzuchtig man en bezit een energiek karakter.”„Ho! ho!” riep kapitein Van Dam uit.Hij had evenwel den tijd niet om zijn gedachtengang te vervolgen. Er werd aan de deur geklopt.„Binnen!” riep hij.[230]

[Inhoud]VII.Tusschen de keerkringen.„Het is jaren geleden,” zoo begon kapitein Butteling, „dat ik stuurman was op de brikSenhora Dolorès, die,—ik heb het u reeds verhaald,—geregelde reizen deed van Barcelona, aan de Middellandsche zee gelegen, hier naar Santa Cruz di Teneriffe.”„Waar ligt die plaats, wij hebben ze niet gezien?” vroeg Van Diepbrugge.„Dat is de hoofdplaats, en de zetel van den Gouverneur der Canarische eilanden. Zij telt ongeveer 12.000 inwoners en bezit eene vrij goede haven, die door eenige forten tegen eene vijandelijke overrompeling beveiligd is. Wij hebben haar niet kunnen zien; omdat zij aan het noordelijkste gedeelte van de zuidoostkust van het eiland gelegen is, en wij langs de noordkust dobberden, daarna langs de zuidwestkust stevenden en nu zuid zuidwestwaarts koers zetten.„Bij een dier reizen derSenhora Dolorès, of beter, bij de laatste, die zij volvoerde, werden wij eerst door hevige westelijke en zuidwestelijke winden bij het uitkomen van Straat Gibraltar geteisterd. Den tweeden dag reeds strandden wij bijna bij kaap Raz-el-Hoedik op de Marokkaansche kust; terwijl wij drie dagen later met[211]de meeste moeite Kaap Sint Vincent, de zuidwestelijkste punt van Portugal, vrij kwamen. Maar, eindelijk liep de wind naar het noorden en konden wij met volle zeilen op ons doel afgaan. Maar, even als wij het nu getroffen hebben, trad, kort nadat wij Madera verkend hadden, stilte in, en dobberden wij vier lange dagen tusschen Palma en Teneriffe. Eindelijk kwam een noordwester bries door, evenwel zoo zwak, dat het mij toescheen, dat wij daarmede den stroom, die tusschen de Canarische eilanden aangetroffen wordt, niet zouden mogen trotseeren. Ik deelde den kapitein mijne meening mee, en zei hem onbewimpeld, dat er gevaar bij dien doortocht bestond. Die kapitein—overigens een braaf man—was een volbloed Spanjaard, en bezat derhalve eene hooghartige inborst. Hij vond het vooral ondragelijk, dat een zijner ondergeschikten hem een bemerking maakte, hoewel ik wel gezorgd had, dat mijne mededeeling dien vorm niet aangenomen had. DeSenhora Dolorèsoverdekte zich dan ook met zeilen en stevende met alle vlaggen in top, als of zij feestvierde, de zeeëngte in, die wij pas verlaten hebben. Aanvankelijk ging het goed. Met een viermijls vaart naderden wij de Straat. Die snelheid nam evenwel toe, terwijl helaas, de bries niet in kracht vermeerderde, integendeel bij het naderen van den wal langzamerhand wegstierf. Toen we onder de kust gekomen waren, klapperden de zeilen tegen de masten. Het schip had geen stuur meer, en werd door den stroom meegesleept. Een ramp stond voor de deur. In het eerst evenwel liet het gevaar zich niet dreigend aanzien. De brik hield vrij wel het midden van het vaarwater. Als dat slechts een uur lang zoo bleef, dan ware de doortocht volbracht en zou deSenhora Dolorèsin veilig water aangekomen zijn. De kapitein wreef zich in de handen en beantwoordde[212]mijn verzoek om een der ankers gereed te mogen maken met een spottenden glimlach. Volgens hem ging alles goed. Er zou tijd genoeg zijn om dat anker buiten boord te brengen, wanneer men de zeeëngte gepasseerd was. Hij scheen gelijk te hebben. Alles bleef nog goed gaan. Op een gegeven oogenblik evenwel meende ik, dat deSenhora Dolorèsden bakboord-wal meer naderde. Ik deelde mijne opmerking volgens plicht den kapitein mede.„„Laat mij toch met rust, stuurman!” antwoordde hij mij eenigszins verstoord. „Ik wist niet, dat een Hollandsch zeeman zoo bevreesd kon zijn.”„„Ik ben niet bevreesd, kapitein,” antwoordde ik; „maar wij naderen kaap Christianos en daar is het zeer vuil om de kust. Daar zijn vele klippen.”„Er viel zich niet meer te vergissen of te misleiden. De branding op die klippen, welke in pracht voor haar, die gij bij kaap Teno straks bij het voorbijvaren zoo bewonderd hebt, niet onderdeed, naderde al meer en meer.„Toch zag de kapitein van deSenhora Dolorèshet gevaar nog niet in. Het was of de man met blindheid geslagen was. Hij meende nog altijd, dat de stroom de brik voorbij kaap Rasca, de zuidelijkste punt van Teneriffe, waarvan wij niet ver verwijderd waren, zou voeren, toen het vaartuig plotseling een lichten schok ondervond.„„Wij stooten!” riep ik uit.„„Looden!” kommandeerde de kapitein, thans met eenige bezorgdheid. „Klaar bij het anker!”„Het lood viel. De lijn liep uit.„„Tachtig vadem, geen grond!” weerklonk het.„Ik was naar de voorplecht gespoed, om bij het anker klaar maken te zijn. De kapitein kwam naar mij toe.„„Geen grond,” zei hij met een opgeruimd gelaat, „waarschijnlijk zijn wij tegen een boomstam gedreven.”[213]„Ik keek over boord om dien boomstam te ontwaren. Ik had evenwel den tijd niet om een antwoord uit te spreken. Een hevige schok deed ditmaal de brik in alle hare binten sidderen; een oorverscheurend gekraak liet zich hooren en bijna terzelfder tijd stortte de fokkemast omver en sloeg over boord, in zijn val verscheidene matrozen, die bij het looden behulpzaam waren, tegen de reeling verpletterende.„„Laat vallen het anker!” schreeuwde de kapitein ten hoogste ontsteld.„Het was te laat om nog redding te kunnen aanbrengen. Ik hoorde den plomp in het water, door de zware ijzermassa veroorzaakt; maar het baatte niets. Onder den aandrang van den zwaren stroom, stootte de brik door de hooge deining opgeheven, nog een paar malen heftig. Zij viel daarna op zijde en brak midden door. Een vreeselijk angstgeschrei weerklonk toen het achterschip het eerste in de diepte wegzonk, en daarbij de zee zoodanig beroerde, dat de golven over het dek van het voorschip, waarop ik mij bevond, sloegen. Met de in mijne nabijheid aanwezige matrozen arbeidde ik om eene sloep te water te brengen; maar ook daartoe werd ons de tijd niet gegund. Plotseling begon dat gedeelte derSenhora Dolorès, waarop wij ons bevonden, te trillen en te schudden. De boeg schoot vooruit, dook, terwijl het water met donderend geweld langs de breuk naar binnen stroomde en de vooruitschuivende beweging van het wrak nog bevorderde. Handenwringend stonden wij allen bij elkander. Helaas! er viel niets te doen; daartoe ontbrak de tijd in die oogenblikken.„„Santa Madre de Dios!” klonk nog eens door de lucht, toen was alles gedaan. Een oogenblik te voren had de boeg zich verheven, alsof hij uit het water wilde springen; maar maakte daarbij bewegingen alsof het[214]een dronken mensch was, toen dook hij voorover, verhief zich nog eens, dook weer en nu voor de laatste maal, waarbij de golven met eene ontembare kracht over het dek sloegen en alles: menschen en schip in een onmetelijken kolk verslonden.„Toen ik de eerste trilling van het voorschip voelde, begreep ik, wat er gebeuren ging, dat het van de rotskruin zou afschieten, waarop deSenhora Dolorèsgestooten had. Ik had een der roeiriemen van de boot gegrepen en klemde mij daaraan in dien bangen stond wanhopig vast.„Hoe lang ik onder de oppervlakte van het water vertoefd heb.… ik weet het niet. Wel ondervond ik het gevoel, alsof ik in een onmetelijken kring ronddreef, en tevens naar den afgrond der zee gezogen werd, waarbij ik herhaalde malen in onzachte aanraking kwam met verschillende voorwerpen, die evenals ik verzwolgen waren. Bij een dier botsingen ondervond ik zoo’n pijn, dat mij het bewustzijn begaf en het mij was, alsof ik sterven ging. Gelukkig liet ik mijn roeispaan niet los; maar klemde mij onbewust daaraan met al de kracht der wanhoop vast.„Toen ik tot mijzelven kwam, lag ik met den hals op het reddende stuk hout, dat ik met beide handen stevig omklemd hield en wel zoo, dat mijn gelaat boven de oppervlakte des waters uitstak. Ik keek rond, ik was de kaap Christianos vrij nabij. De stroom zette naar die kaap toe. Heel kort daarop geraakte ik in de branding. Ik liet den roeiriem, die mij tot nu toe van zooveel nut geweest was, varen en trachtte zwemmende den wal te bereiken. Maar zwemmen in de branding! Het zijn pochers, die beweren dat te kunnen. Ja, in de Noordzee, bij Scheveningen! wanneer geen, of wel oostenwind blaast. Ik beweer een goed zwemmer te[215]zijn; maar zooals ik daar heen en weer gesmeten werd, is niet te beschrijven! Nu eens was ik op den top eener baar en werd met den spoed van een sneltrein den wal te gemoet gevoerd; eene seconde later plofte mij diezelfde baar in de diepte, brak over mij heen en deed mij onzacht op den zandigen bodem te recht komen, waarop ik onmogelijk stand kon houden. Met onweerstaanbaar geweld werd ik dan weer zeewaarts gesleurd, totdat ik mij opgezogen gevoelde in een machtigen golf, die aangerold kwam en mij in zijne statige krul opnam, om mij in het volgende oogenblik onder oorverdoovend gedonder te midden van een onmetelijke vlakte van wit schuim neer te smakken. Zoo werd ik een tijd lang heen en weer gesleurd, steeds in het grootste gevaar verkeerende, om door de scherpe rotspunten, waarmee die kaap omringd was, verscheurd te worden. Nu eens werd ik naar den wal toegedragen, en gloorde de hoop in mijn hart; in het volgende oogenblik, werd ik bedolven en sleepte het water mij zeewaarts, en beving doffe wanhoop mij. Zoo putte ik mij uit. Het had niet lang meer moeten duren, of mijne krachten hadden mij begeven.„Eindelijk kwam er een veel hoogere golf aanrollen. Ontzetting greep mij aan, toen ik hem zag. Het was alsof een watermuur kwam aansnellen. Bij mij gekomen, krulde de toeijlende berg over mij heen, alsof hij mij wilde omhelzen, bedolf mij, smakte en rolde mij met onbeschrijfelijke hevigheid en voerde mij met zich voort, terwijl het water rondom mij donderde, kookte en schuimde. Toen ik tot het rechte bewustzijn terugkeerde, van wat met mij gebeurde, lag ik op het drooge en zag ik de watermassa, die mij aangevoerd had, bruischend en schuimend naar zee terugijlen, mij half in het zand bedolven achterlatende.[216]„Ik sprong op; want het was zaak, mij buiten het bereik van een volgenden golf te stellen. In weinige sprongen was ik buiten gevaar en had het strand verlaten. Ik was gered.„Ik werd door barmhartige menschen liefderijk opgenomen en verpleegd. Men bracht mij daarna naar dat klooster daar, hetwelk zich op de hellingen van den Pico boven kaap Adexe verheft. Daar bleef ik een paar dagen. Toen men vernam, dat ik protestant, eenheretico, was, ontdeed men zich zoo spoedig mogelijk van mij. Na mij toch liefderijk van de noodige kleeren voorzien te hebben, geleidde een kapucijner monnik mij langs binnenpaden naar een klein plaatsje op de zuidoostkust gelegen en Abona geheeten. Daar kreeg ik op voorspraak van mijn geleider vrijen overtocht aan boord van een klein kustvaartuig, deVirgen purissima, dat mij naar Santa Cruz overvoerde. Van daar vertrok ik als matroos aan boord van deSanta Lucia, een kleine schoener, naar Lissabon, van waar ik door bemiddeling van den Nederlandschen consul per stoomschip naar Engeland en verder naar Nederland geholpen werd. Ziedaar dames en heeren mijn wedervaren in deze wateren. Gij zult, hoop ik, nu wel begrijpen de uitdrukking, die ik straks bezigde, toen ik deFernandina Maria Emmain veilig water zag en met een zucht van verlichting uitriep, dat mij een pak van het hart gewenteld was.”„Zijt gij alleen gered geworden, kapitein Butteling?” vroeg Adelien Groenewald.„Neen, juffrouw, nog een meisje van veertien jaren is op een potdeksel of zoo iets op het eiland Gomera aangedreven. Zij was het eenigst kind van een paar, hetwelk te Barcelona te huis hoorde, maar naar Gran Canaria reisde om daar een familiefeest bij te wonen. Ik ben in die dagen naar Gran Canaria gereisd, werwaarts[217]ik door den Corregidor48opgeroepen was, om de identiteit van dat meisje te staven. Helaas, het arme kind was na de doorgestane verschrikkingen, na het verlies harer ouders, die zij onder hare oogen had zien verzwelgen, krankzinnig geworden. De geneesheer meende dat zij te herstellen was. Ik hoop dat hij waarheid sprak; ik heb haar evenwel nimmer teruggezien.”„Arm kind!” zuchtte Adelien medelijdend.„Hoeveel koppen waren aan boord van deSenhora Dolorès?” vroeg kapitein Van Dam.„Negen man scheepsvolk en acht passagiers, waaronder het bedoelde meisje,” antwoordde kapitein Butteling.„Dus zeventien personen, waarvan slechts twee gered werden! Het is schrikkelijk!”Terwijl onze reizigers dat verhaal aangehoord hadden, was de wind veel verzwakt en liep deFernandina Maria Emmauiterst langzaam. Toen de middag waarneming ten einde was, bevond het fregat zich op 27° 33′ noorderbreedte en op 16° 44′ westerlengte.De wind viel al meer en meer. Op den 29stenOctober bevond men zich op 26° 43′ noorderbreedte en op 17° 17′ westerlengte. Er waren dus slechts ongeveer vijftien mijlen in het etmaal afgelegd.Den volgenden morgen vernamen de reizigers, toen zij aan het dek kwamen, dat het gedurende den nanacht bladstil was geweest. Nu evenwel vertoonde de zee eenige rimpeltjes, terwijl de bovenzeilen zich begonnen te vullen.„Dat is de noordoostpassaat!” riep kapitein Butteling. „Nu zullen wij wel vaart gaan maken!”De ervaren zeeman had gelijk. Weldra waren de zeilen gevuld, terwijl al de stagzeilen en zelfs aan den fokkemast de lijzeilen bijgezet werden. Het fregat lag dan ook, bakboord overhellende, en kliefde bevallig[218]het water, dat zij in een bruischenden golf voor den boeg uitwierp.Daags daarna, dus den 31stenOctober, sneed deFernandina Maria Emmazoo omstreeks te negen uur des morgens den keerkring van den Kreeft.„Dat is eene voorspoedige reis geweest,” merkte kapitein Butteling den reizigers op. „Wij zijn op 17 October des avonds in zee gegaan. Wij tellen nu 31 October. In veertien dagen tusschen de keerkringen! daarover valt niet te klagen. Blaast de passaat nu goed door, dan bereiken wij al gauw den Equator.”De zeeman was blijkbaar in zijn nopjes. Er is geen tevredener wezen op de wereld dan een scheepskapitein, wanneer alles voor den wind gaat. Daarentegen zijn er ware knorrepotten onder, wanneer de wind uit den verkeerden hoek waait, of wanneer er geheel en al stilte intreedt. Onder deze laatste sorteerde kapitein Butteling volstrekt niet. Hij was evenwel meer opgeruimd, wanneer alles naar zijn zin ging, dan wanneer hij met tegenspoed te kampen had.De noordoostpassaat blies tamelijk door, evenwel niet zooals de waardige zeerob gewenscht had. Toch maakte het schip dagen achter elkander gemiddeld 40 mijlen in het etmaal, wat nu niet bijzonder vlug genoemd kon worden; maar in den noordoostpassaat, die gewoonlijk niet sterk doorstaat, niet te versmaden was.Den 6denNovember evenwel begon de wind in den namiddag te vallen, en weldra was het bladstil. Het middagbestek had aangegeven, dat deFernandina Maria Emmazich op 6° 49′ noorderbreedte en 23° 45′ westerlengte bevond. De noordoostpassaat verzwakte al meer en meer, totdat het schip tegen twee uur in den achtermiddag bewegingloos lag te dobberen en slechts heel loom en heel zacht door de deining gewiegd werd.[219]Nog voor dat het drie uur was, had zich in het zuidoosten eene dikke wolkenbank vertoond, die snel naderde. Nadat de wind verzwakt en later geheel gevallen was, had zich eene ondragelijke warmte doen gevoelen. De stralen der dagvorstin vielen brandend neer, en deelden aan alle voorwerpen eene hitte mede, die niet afgekoeld werd, maar integendeel al meer en meer toenam. Onder de zonnetent, waaronder het bij het geringste briesje zoo verkwikkend kon zijn, onder die zonnetent was het onaangenaam warm. Het was alsof die loodzwaar en heet op de menschen daaronder drukte. Iedereen keek dan ook naar verademing uit, en vooral werd de naderende wolkenbank met een soort welgevallen aangestaard en verwelkomd.„Daar komt poetssteen!” zei kapitein Van Dam tot den scheepsgezagvoerder.„Daar komt de zuidoostpassaat,” antwoordde kapitein Butteling. „Dat treffen wij wel. Men kan hier soms dagen, soms weken liggen drijven, zonder een zuchtje te voelen. Men noemt dat hier den stiltegordel.”„Hoe is de stroom hier?” vroeg Behren belangstellend.„O! wij zijn hier in den equatoriaal tegenstroom, die ons zoo zachtjes westwaarts naar den golf van Mexico zou voeren; maar hij is hier zeer zwak, bijna onmerkbaar.”„Drommels, dan zouden wij hier van de warmte kunnen profiteeren, als de windstilte aanhield!”„Ja, dat zou kunnen,” antwoordde kapitein Butteling. „Bij de vorige reis lag deFernandina Maria Emmaruim drie weken, nagenoeg op dezelfde plek. Maar.… wij zullen het bij deze gelegenheid wel gunstiger treffen, kijk maar.”Hij wees naar het zuidoosten.Daar naderde die wolkenbank steeds en vrij vlug. Bij[220]hare nadering veranderde het blauwe water der zee langzamerhand van kleur, werd lichtblauw met eene fletsche tint, ging daarna tot flesschengroen, iets later tot donkergroen over, om eene grauwe tint aan te nemen, en eindelijk loodkleurig te schijnen onder de wolkenmassa, die als op het water rustte.„Stagzeilen, bezaan- en grootzeil geien!” riep kapitein Butteling, die scherp in zuidelijke richting uitkeek.Men was nog lang niet klaar, toen het tweede commando volgde:„Bovenbramzeilen engrietje geien!”Een tweede ploeg matrozen, geholpen door soldaten, toog aan het werk. Toen de eerste ploeg klaar was:„Bramzeilen en kruiszeil geien!” klonk het commando.„Gij kleedt de dame uit,” zei kapitein Van Dam met een glimlach.„Het is tijd ook, dat zij die falbalas aflegt,” antwoordde kapitein Butteling. „Kijk maar!”In het zuiden naderde een band over het water, die gitzwart geleek, maar waarachter de zee begon te bewegen en kleine golven vertoonde, die evenwel met witte kopjes gekuifd werden. Het schip lag thans onder den fok, de marszeilen, het bagijnezeil en den kluiver.„Nu kan de bui komen,” grinnikte stuurman Ellenbaan. „DeFernandina Maria Emmais gereed haar te ontvangen.”De stuurman had ter nauwernood uitgesproken of daar vloog de eerste windvlaag huilend door het want. Het fregat boog lichtelijk onder dien aanval, maar hervatte onmiddellijk koers.„Zuid ten westen voor!” riep de scheepskapitein den roerganger toe.Het was eene echte tropische bui, die het schip bezocht. Aanvankelijk zweepte de wind woedend de golven[221]omhoog, floot door het want, dreigde alles met zich mee te sleuren. Hij nam evenwel in kracht af, toen de donder zich liet hooren en de regen begon te vallen. De eerste bliksemschichten, die het ruim doorkliefden, waren verblindend wit, terwijl de donderslagen zoo hevig waren, dat het schip tot in zijne inhouten dreunde en het gehoor pijnlijk aangedaan werd. De regen, die viel, was een echte intertropische regen. Het waren geen droppels die vielen, maar waterstralen, schier ter dikte van een pijpesteel, die dicht naast elkander vallende, een scherm, een gordijn van water vormden, welke belette, op weinige passen afstand iets te ontwaren.Toen die regen viel, ontspon zich een allerkoddigst tooneel op het dek van het fregat. Dat, met zooveel menschen aan boord, zeer zuinig met den watervoorraad moest omgesprongen worden, ligt voor de hand. Er werd niet meer verstrekt dan stipt noodig was. Voor het wasschen van kleedingstukken b.v. werd geen droppel uitgegeven, en moesten matrozen en soldaten hunne plunje met zeewater reinigen, waarbij de zoogenaamde zeezeep, die van Harderwijk medegegeven was, dezelfde dienst als een stuk kaarsvet, waarmede het goed ingesmeerd werd, deed. Toen nu het regenwater zoo overvloedig begon te stroomen, waren al heel spoedig een groot aantal handen bedrijvig om het dek van deFernandina Maria Emmain eene waschtobbe te veranderen, en vloten vooruit geheele beken zeepsop, die evenwel door den dicht neervallenden regen dadelijk weggespoeld werden. Overal zag men mannen de stralen water opvangen, die van de zonnetenten, uit de zeilen langs het touwwerk enz. afstroomden, deze in een kom, gene in eene mok, een derde in een leeg blik van verduurzaamde levensmiddelen, een andere in zijne veldflesch; en hoewel dat regenwater door de aanraking met het geteerd touwwerk[222]wel een bruin tintje deelachtig was geworden, zoo werd toch menigen hartigen teug van het overvloedige vocht genomen, want het water uit den scheepsvoorraad had o! zoo’n muffe lucht en smaak.Toen de zon ondergegaan was, scheurde het floers dat den hemel bedekte. De regen hield op, de wolken verspreidden zich of losten zich op en weldra schitterden de sterren aan het uitspansel en weerkaatsten liefelijk in den oceaan. De zuidoostpassaat zuchtte zacht door het touwwerk van het fregat en vulde de bovenzeilen, dieweldra bijgezet waren, maar die hij toch nog niet vermocht bol te doen staan.„Dat zal wel beter gaan,” verzekerde kapitein Butteling. „Als wij dien passaat maar eerst te pakken hebben! Hoe zuidelijker wij komen, hoe meer hij zal doorstaan en ook hoe ruimer hij zal worden.”Ja, de voorspelling kwam uit. Reeds den volgenden dag—8 November—stonden de zeilen iets boller en wees het middagbestek aan, dat men op 5° 13′ noorderbreedte en 24° 26′ westerlengte gekomen was, en dat het fregat in het laatste etmaal 27 mijlen had afgelegd. Dat laatste cijfer klonk niet hoog; daarbij moest evenwel in rekening gebracht worden, dat gedurende een groot gedeelte van het etmaal windstilte geheerscht had, terwijl de later doorgekomen passaat zich nog niet krachtig had laten gelden.Het was dien dag zondag en bijgevolg zouden Frank Brinkman en Herman Riethoven weer de gasten van den heer Groenewald zijn. Toen de jongelieden hunne opwachting bij de dames van hunnen gastheer gemaakt en dezen laatsten de hand gedrukt hadden, verzocht Frank den heer Groenewald hen in de gelegenheid te stellen den detachements-kommandant en den scheepsgezaghebber te spreken. Zij hadden, beweerden zij, die autoriteiten[223]wichtige mededeelingen te doen en hadden om opzien te vermijden, het rapport niet willen aanvragen, dat trouwens op zondag niet gehouden werd.Weinige oogenblikken later hadden de twee onderofficieren in de kajuit van kapitein Butteling plaats genomen en verbeidden hunne toehoorders de toegezegde mededeelingen.„Heden nacht kon ik door de warmte beneden niet slapen,” sprak sergeant Riethoven, „ik had dan ook mijn beddeken opgenomen, eene toevlucht op de koebrug gezocht en daar eene uitmuntende schuilplaats gevonden in het koelzeil, dat op die brug neergelaten was. Ik had daar eene heerlijke ligplaats en zou ook daar een gerusten slaap genoten hebben, ware het niet dat een fluisterend gesprek, hetwelk onder de koebrug vlak onder mij gehouden werd, mijne aandacht getrokken had. Gij weet het, dat bij de vreeselijke warmte, die in deze streken in het tusschendek heerscht, velen hunne toevlucht op het dek zoeken, en dat daar groepjes tot laat in den nacht zitten te praten. Ik was dus daaraan gewoon en zou ook op dit gesprek niet gelet hebben, wanneer de bijzondere zorgen om toch door niemand anders verstaan te worden, mijne nieuwsgierigheid niet opgewekt had. Zoodra toch de stem van een der sprekers slechts even het fluisteren te boven ging, klonk een waarschuwend: sjt! sjt! en deed die stem dalen. Mij ontging daar boven geene lettergreep, hoe zacht zij ook fluisterden.„Het gesprek werd in het Duitsch gevoerd, en had tot onderwerp een opstand, die gesmeed wordt, om zich van het schip meester te maken en daarmee kaap Hoorn om te stevenen, en eene toevlucht in een der havens van de westkust van Zuid-Amerika te zoeken. Ik heb zelfs den naam van Iquique gehoord.”[224]Kapitein Butteling greep eene kaart en tuurde daar een oogenblik op.„Drommels! ze houden van reizen,” zeide hij. „Iquique ligt op de Peruaansche kust op 21° zuiderbreedte. Maar ga voort.”„Het plan schijnt zeer eenvoudig te zijn. De samenzweerders meenen den dag van het Neptunus-feest uitstekend te kunnen benuttigen.”„Dus, dat is vrij aanstaande,” zei kapitein Van Dam niet zonder bezorgdheid.„Ik denk dat wij den 11enof 12enden evenaar zullen snijden,” antwoordde kapitein Butteling. „Maar ga voort, sergeant.”„Men schijnt er op te rekenen dat dien dag veelvuldig extra-oorlam zal geschonken worden, en dat het grootste gedeelte van het detachement en verreweg de meeste matrozen des avonds, ten gevolge van den genoten sterken drank, zeer slaperig zullen zijn. In het holst van den nacht zullen de samenzweerders zich op de scheeps-officieren en de passagiers achteruit werpen en die.…”Hier aarzelde Herman een oogenblik.„En die vermoorden, niet waar?” vulde kapitein Van Dam aan. „Ga voort toch.”„Daaromtrent zijn de meeningen verdeeld. Er zijn er bij, die tegen bloedvergieten gestemd zijn; maar het meerendeel der samenzweerders is er voor, den detachements-kommandant met zijne officieren over boord te werpen.…”„Niets minder dan dat?” vroeg kapitein Van Dam lachend.„En van de scheepsofficieren slechts die te sparen, die gereed zouden zijn het schip naar Iquique te voeren; terwijl de hoop gekoesterd wordt, dat bij weigering de[225]stuurlieden Abels en Bagman daartoe te noodzaken zullen zijn, al was het door middel van mishandeling.”„Maar hoe groot is het getal dier samenzweerders?” vroeg kapitein Van Dam.„Dat weet ik niet, kapitein,” antwoordde Herman. „Ik mocht geene beweging maken, om mij niet te verraden en in die buis van zeildoek, waarin ik mij besloten bevond, was niets te ontwaren. Toen ik in dat koelzeil kroop, zat niemand onder de koebrug, dat kan ik verklaren. Op het aantal stemmen, die ik waarnam, afgaande, zou ik zeggen, dat daar een twaalftal personen vereenigd zijn geweest.”„Hebt gij ook een hunner aan zijne stem herkend?” vroeg kapitein Van Dam.„Geen enkelen, kapitein. Maar, daarvan ben ik overtuigd, dat het meerendeel Zwitsers zijn, en dat onder hen ook een paar Duitschers schuilen.”„Het zou toch onzinnig zijn met een twaalftal zoo’n onderneming op touw te zetten,” meende kapitein Butteling.„Zij hebben vele aanhangers onder de overige Zwitsers en Duitschers. Ja, ze schijnen op al de vreemdelingen te mogen rekenen.”„En ook op Hollanders?” vroeg kapitein Van Dam met veel belangstelling.„Die wantrouwt men ten hoogste. Als het oogenblik van uitvoering daar zal zijn, zal men het groote luik dicht gooien, om hen te verhinderen aan het dek te komen. Toch heb ik een naam hooren noemen van een Hollander, die in het complot betrokken schijnt.”„En die naam is?”„Zondervan, kapitein. Een Amsterdamsche jood.”Nathan Zondervan was zoo wat de negociant aan boord. Hij dreef handel in alles, wat in de gegeven[226]omstandigheden maar te bedenken was. Hij had zwam, vuurslag en vuursteenen in voorraad; hij verkocht tabak en sigaren, die schrikkelijk stonken; hij verschacherde zijne scheepsbeschuit, soms zijn ration wijn, steeds zijn ration spek, waarvoor hij in een Pommerschen boerenlummel een willigen kooper gevonden had. Maar het meesterstuk van zijn handel was het verkwanselen van zijn oorlam. Daarin had hij het toppunt van handelsgenialiteit bereikt. Het was natuurlijk stipt verboden het ration jenever, dat driemaal daags verstrekt werd, op tezamelen. Ieder militair was verplicht bij den stuurman, die de oorlam uitreikte, zijn rantsoen sterken drank terstond uit te drinken. Steeds was een der officieren bij de distributie aanwezig, en hadden de onderofficieren en korporaals in last, scherp op de nakoming van deze verordening toe te zien. Dat evenwel zoo’n onnoozel musje jenever, hetgeen ongeveer vijf vingerhoeden bevatte, voor menig dranklustigen niets meer dan eene kwelling was, is wel te begrijpen. De listen waren dan ook veelvuldig, die gebezigd werden, om die bepaling te ontduiken; en Nathan Zondervan had daarin eene hoogte bereikt, die ongeëvenaard mocht heeten. Bij elke gelegenheid, dat oorlam uitgereikt werd, trad hij voor, wanneer zijn naam afgeroepen werd, nam het blikken maatje, waarin de jenever uitgemeten was, van den stuurman aan, wipte den inhoud met eene onnavolgbare bevallige beweging der hand in zijn wijd opengesperden mond, sloot dien, draaide onberispelijk op zijne hielen, bracht het buitenvlak zijner rechterhand eerbiedig aan de klep zijner kwartiermuts voor den toezichthebbenden officier en verwijderde zich; terwijl een andere naam afgeroepen werd, en de drager van dien voortrad om op zijne beurt dat lekkere kostje in ontvangst te nemen.Wie evenwel Nathan Zondervan navolgde, zag hem[227]achter den fokkemast sluipen en daar den inhoud van zijn mond zorgvuldig, zonder een droppel verloren te laten gaan, in een blikken mokje ledigen, hetwelk hem door een ander, door een dronkaard voorgehouden werd, die dien dronk telkenmale met een dubbeltje betaalde. Diebijzonderheidwist men toen niet; maar vernam die eerst later.Toen de beide kapiteins het verhaal van Herman Riethoven aangehoord hadden, legden zij hem en ook aan Frank het diepste zwijgen op. Met geen woord, met geen gebaar mochten zij laten blijken, dat zij iets van den toeleg wisten. De beide kapiteins eischten die geheimhouding eensdeels: omdat zij nog zoo geheel overtuigd niet waren, dat een zoodanig komplot gesmeed was, anderdeels: omdat, bestond zoo’n komplot, de minste argwaan tot eene ontijdige uitbarsting aanleiding kon geven; terwijl eindelijk van de schuldigen niemand bekend was en het toch zaak was, de belhamels te ontmaskeren.„Laten wij nu weer naar het dek gaan” sprak kapitein Butteling. „Straks na den lunch verzoek ik evenwel de beide jongelieden mij een handje te willen helpen, de scheepswapenen in gereedheid te brengen.”„Wilt gij nog meer helpers hebben?” vroeg kapitein Van Dam.„Neen, neen, wij zijn talrijk genoeg. Meer helpers kunnen slechts doen uitlekken, dat wij op de hoogte zijn.”Zoo als afgesproken was, werd ook gehandeld. Onze onderofficieren vermaakten zich uitstekend gedurende den lunch. Adelien en Emma Groenewald keken evenwel eenigszins vreemd op, toen na afloop van het maal kapitein Butteling de jongelieden in zijne hut riep, onder voorgeven dat hij hun eenig schrijfwerk wenschte op te dragen, hetwelk zij dan de volgende dagen zouden kunnen volvoeren. Het baarde evenwel geen argwaan en[228]toen de beide sergeanten des namiddags aan het diner verschenen, werd over dat afwezig zijn, niet anders gesproken, dan dat Adelien aan tafel kapitein Butteling te kennen gaf, dat zij het niet aardig vond, dat hij de jongelieden zoo met schrijfwerk overlaadde.Lachend dreigde de zeeman het jonge meisje met den vinger; maar antwoordde niet. Toen evenwel van tafel opgestaan werd, fluisterde hij haar lachend in het voorbijgaan in het oor:„Dat gemis van het bijzijn van den goeden Frank zal ruimschoots vergoed worden. Ik ben voornemens van af morgenochtend dagelijks de beide onderofficieren in de kerk schrijfwerk te geven.”Het jonge meisje bloosde zichtbaar bij het vernemen van die woorden. Snel bukte zij zich om dien blos te verbergen; toch kon zij niet nalaten een lieftalligen blik op den gezagvoerder te werpen, dien deze opving.„Het zou mij sterk verwonderen,” mompelde hij in zich zelven, „wanneer niet een dezer twee onderofficieren, zoo niet beiden, op de plantage van papa Groenewald te recht kwamen. Hij zou evenwel ongelukkiger keus voor zijne dochters kunnen doen.”Den volgenden morgen hield kapitein Van Dam eene inspectie over zijn onderhebbend detachement, waarbij hij de manschappen ernstig afvroeg: of zij ook eenige klachten in te brengen hadden, ten opzichte van voeding en verdere verpleging, of ten opzichte der handelingen van de officieren en onderofficieren of van wege het scheepsvolk. Geen mensch trad voor, geen enkel bezwaar werd ingebracht.„Dus, niemand heeft eenige reclame in te brengen?.… Nu, des te beter; dat doet mij genoegen,” betuigde hij. Plotseling voor Nathan Zondervan stilstaande, vroeg hij dien:„Ben je geen schoenmaker van je ambacht, Zondervan?”[229]„Schoenlhapper, heer khapthein,” antwoordde Nathan, terwijl hij eerbiedig het militair salut maakte.„Juist. Ik heb eenig reparatiewerk. Je zult wel een paar gulden willen verdienen, nietwaar?”De oogen van den jood schitterden van hebzucht.„Asjeblhieff, heer khapthein!” stamelde hij.„Kom dan straks bij mij beneden,” gelastte kapitein Van Dam.De jood wisselde met een in het gelid naast hem staanden Zwitser van kolossale grootte een blik van verstandhouding, die den detachements-kommandant niet ontsnapte.Toen deze in zijne hut teruggekeerd was, greep hij een bundel stamboek-extracten, het detachement onder zijne bevelen betreffende, bladerde daarin een poos en las, toen hij gevonden had wat hij zocht:„Peter Taugwalder, zoon van Peter en van Antonia Bräntschen. Geboren den 20enJuli 1839 te Zermatt, kanton Wallis in Zwitserland. De vader is een beroemde berggids voornamelijk voor den Monte Rosa.”„De inlichting is schraal,” mompelde de kapitein.„Maar laat mij zijn staat van dienst eens inzien.”Hij bekeek het extract-stamboek aan den anderen kant. „Hm! hm! Is officier geweest bij het Duitsche vreemdenlegioen in Engelsche dienst. Bij de ontbinding van het korps is hij ontslagen en daarna naar Engeland gereisd, van waar hij zich naar Harderwijk begeven heeft.… Hier staat nog eene potloodaanteekening;… laat zien … Is een eerzuchtig man en bezit een energiek karakter.”„Ho! ho!” riep kapitein Van Dam uit.Hij had evenwel den tijd niet om zijn gedachtengang te vervolgen. Er werd aan de deur geklopt.„Binnen!” riep hij.[230]

[Inhoud]VII.Tusschen de keerkringen.„Het is jaren geleden,” zoo begon kapitein Butteling, „dat ik stuurman was op de brikSenhora Dolorès, die,—ik heb het u reeds verhaald,—geregelde reizen deed van Barcelona, aan de Middellandsche zee gelegen, hier naar Santa Cruz di Teneriffe.”„Waar ligt die plaats, wij hebben ze niet gezien?” vroeg Van Diepbrugge.„Dat is de hoofdplaats, en de zetel van den Gouverneur der Canarische eilanden. Zij telt ongeveer 12.000 inwoners en bezit eene vrij goede haven, die door eenige forten tegen eene vijandelijke overrompeling beveiligd is. Wij hebben haar niet kunnen zien; omdat zij aan het noordelijkste gedeelte van de zuidoostkust van het eiland gelegen is, en wij langs de noordkust dobberden, daarna langs de zuidwestkust stevenden en nu zuid zuidwestwaarts koers zetten.„Bij een dier reizen derSenhora Dolorès, of beter, bij de laatste, die zij volvoerde, werden wij eerst door hevige westelijke en zuidwestelijke winden bij het uitkomen van Straat Gibraltar geteisterd. Den tweeden dag reeds strandden wij bijna bij kaap Raz-el-Hoedik op de Marokkaansche kust; terwijl wij drie dagen later met[211]de meeste moeite Kaap Sint Vincent, de zuidwestelijkste punt van Portugal, vrij kwamen. Maar, eindelijk liep de wind naar het noorden en konden wij met volle zeilen op ons doel afgaan. Maar, even als wij het nu getroffen hebben, trad, kort nadat wij Madera verkend hadden, stilte in, en dobberden wij vier lange dagen tusschen Palma en Teneriffe. Eindelijk kwam een noordwester bries door, evenwel zoo zwak, dat het mij toescheen, dat wij daarmede den stroom, die tusschen de Canarische eilanden aangetroffen wordt, niet zouden mogen trotseeren. Ik deelde den kapitein mijne meening mee, en zei hem onbewimpeld, dat er gevaar bij dien doortocht bestond. Die kapitein—overigens een braaf man—was een volbloed Spanjaard, en bezat derhalve eene hooghartige inborst. Hij vond het vooral ondragelijk, dat een zijner ondergeschikten hem een bemerking maakte, hoewel ik wel gezorgd had, dat mijne mededeeling dien vorm niet aangenomen had. DeSenhora Dolorèsoverdekte zich dan ook met zeilen en stevende met alle vlaggen in top, als of zij feestvierde, de zeeëngte in, die wij pas verlaten hebben. Aanvankelijk ging het goed. Met een viermijls vaart naderden wij de Straat. Die snelheid nam evenwel toe, terwijl helaas, de bries niet in kracht vermeerderde, integendeel bij het naderen van den wal langzamerhand wegstierf. Toen we onder de kust gekomen waren, klapperden de zeilen tegen de masten. Het schip had geen stuur meer, en werd door den stroom meegesleept. Een ramp stond voor de deur. In het eerst evenwel liet het gevaar zich niet dreigend aanzien. De brik hield vrij wel het midden van het vaarwater. Als dat slechts een uur lang zoo bleef, dan ware de doortocht volbracht en zou deSenhora Dolorèsin veilig water aangekomen zijn. De kapitein wreef zich in de handen en beantwoordde[212]mijn verzoek om een der ankers gereed te mogen maken met een spottenden glimlach. Volgens hem ging alles goed. Er zou tijd genoeg zijn om dat anker buiten boord te brengen, wanneer men de zeeëngte gepasseerd was. Hij scheen gelijk te hebben. Alles bleef nog goed gaan. Op een gegeven oogenblik evenwel meende ik, dat deSenhora Dolorèsden bakboord-wal meer naderde. Ik deelde mijne opmerking volgens plicht den kapitein mede.„„Laat mij toch met rust, stuurman!” antwoordde hij mij eenigszins verstoord. „Ik wist niet, dat een Hollandsch zeeman zoo bevreesd kon zijn.”„„Ik ben niet bevreesd, kapitein,” antwoordde ik; „maar wij naderen kaap Christianos en daar is het zeer vuil om de kust. Daar zijn vele klippen.”„Er viel zich niet meer te vergissen of te misleiden. De branding op die klippen, welke in pracht voor haar, die gij bij kaap Teno straks bij het voorbijvaren zoo bewonderd hebt, niet onderdeed, naderde al meer en meer.„Toch zag de kapitein van deSenhora Dolorèshet gevaar nog niet in. Het was of de man met blindheid geslagen was. Hij meende nog altijd, dat de stroom de brik voorbij kaap Rasca, de zuidelijkste punt van Teneriffe, waarvan wij niet ver verwijderd waren, zou voeren, toen het vaartuig plotseling een lichten schok ondervond.„„Wij stooten!” riep ik uit.„„Looden!” kommandeerde de kapitein, thans met eenige bezorgdheid. „Klaar bij het anker!”„Het lood viel. De lijn liep uit.„„Tachtig vadem, geen grond!” weerklonk het.„Ik was naar de voorplecht gespoed, om bij het anker klaar maken te zijn. De kapitein kwam naar mij toe.„„Geen grond,” zei hij met een opgeruimd gelaat, „waarschijnlijk zijn wij tegen een boomstam gedreven.”[213]„Ik keek over boord om dien boomstam te ontwaren. Ik had evenwel den tijd niet om een antwoord uit te spreken. Een hevige schok deed ditmaal de brik in alle hare binten sidderen; een oorverscheurend gekraak liet zich hooren en bijna terzelfder tijd stortte de fokkemast omver en sloeg over boord, in zijn val verscheidene matrozen, die bij het looden behulpzaam waren, tegen de reeling verpletterende.„„Laat vallen het anker!” schreeuwde de kapitein ten hoogste ontsteld.„Het was te laat om nog redding te kunnen aanbrengen. Ik hoorde den plomp in het water, door de zware ijzermassa veroorzaakt; maar het baatte niets. Onder den aandrang van den zwaren stroom, stootte de brik door de hooge deining opgeheven, nog een paar malen heftig. Zij viel daarna op zijde en brak midden door. Een vreeselijk angstgeschrei weerklonk toen het achterschip het eerste in de diepte wegzonk, en daarbij de zee zoodanig beroerde, dat de golven over het dek van het voorschip, waarop ik mij bevond, sloegen. Met de in mijne nabijheid aanwezige matrozen arbeidde ik om eene sloep te water te brengen; maar ook daartoe werd ons de tijd niet gegund. Plotseling begon dat gedeelte derSenhora Dolorès, waarop wij ons bevonden, te trillen en te schudden. De boeg schoot vooruit, dook, terwijl het water met donderend geweld langs de breuk naar binnen stroomde en de vooruitschuivende beweging van het wrak nog bevorderde. Handenwringend stonden wij allen bij elkander. Helaas! er viel niets te doen; daartoe ontbrak de tijd in die oogenblikken.„„Santa Madre de Dios!” klonk nog eens door de lucht, toen was alles gedaan. Een oogenblik te voren had de boeg zich verheven, alsof hij uit het water wilde springen; maar maakte daarbij bewegingen alsof het[214]een dronken mensch was, toen dook hij voorover, verhief zich nog eens, dook weer en nu voor de laatste maal, waarbij de golven met eene ontembare kracht over het dek sloegen en alles: menschen en schip in een onmetelijken kolk verslonden.„Toen ik de eerste trilling van het voorschip voelde, begreep ik, wat er gebeuren ging, dat het van de rotskruin zou afschieten, waarop deSenhora Dolorèsgestooten had. Ik had een der roeiriemen van de boot gegrepen en klemde mij daaraan in dien bangen stond wanhopig vast.„Hoe lang ik onder de oppervlakte van het water vertoefd heb.… ik weet het niet. Wel ondervond ik het gevoel, alsof ik in een onmetelijken kring ronddreef, en tevens naar den afgrond der zee gezogen werd, waarbij ik herhaalde malen in onzachte aanraking kwam met verschillende voorwerpen, die evenals ik verzwolgen waren. Bij een dier botsingen ondervond ik zoo’n pijn, dat mij het bewustzijn begaf en het mij was, alsof ik sterven ging. Gelukkig liet ik mijn roeispaan niet los; maar klemde mij onbewust daaraan met al de kracht der wanhoop vast.„Toen ik tot mijzelven kwam, lag ik met den hals op het reddende stuk hout, dat ik met beide handen stevig omklemd hield en wel zoo, dat mijn gelaat boven de oppervlakte des waters uitstak. Ik keek rond, ik was de kaap Christianos vrij nabij. De stroom zette naar die kaap toe. Heel kort daarop geraakte ik in de branding. Ik liet den roeiriem, die mij tot nu toe van zooveel nut geweest was, varen en trachtte zwemmende den wal te bereiken. Maar zwemmen in de branding! Het zijn pochers, die beweren dat te kunnen. Ja, in de Noordzee, bij Scheveningen! wanneer geen, of wel oostenwind blaast. Ik beweer een goed zwemmer te[215]zijn; maar zooals ik daar heen en weer gesmeten werd, is niet te beschrijven! Nu eens was ik op den top eener baar en werd met den spoed van een sneltrein den wal te gemoet gevoerd; eene seconde later plofte mij diezelfde baar in de diepte, brak over mij heen en deed mij onzacht op den zandigen bodem te recht komen, waarop ik onmogelijk stand kon houden. Met onweerstaanbaar geweld werd ik dan weer zeewaarts gesleurd, totdat ik mij opgezogen gevoelde in een machtigen golf, die aangerold kwam en mij in zijne statige krul opnam, om mij in het volgende oogenblik onder oorverdoovend gedonder te midden van een onmetelijke vlakte van wit schuim neer te smakken. Zoo werd ik een tijd lang heen en weer gesleurd, steeds in het grootste gevaar verkeerende, om door de scherpe rotspunten, waarmee die kaap omringd was, verscheurd te worden. Nu eens werd ik naar den wal toegedragen, en gloorde de hoop in mijn hart; in het volgende oogenblik, werd ik bedolven en sleepte het water mij zeewaarts, en beving doffe wanhoop mij. Zoo putte ik mij uit. Het had niet lang meer moeten duren, of mijne krachten hadden mij begeven.„Eindelijk kwam er een veel hoogere golf aanrollen. Ontzetting greep mij aan, toen ik hem zag. Het was alsof een watermuur kwam aansnellen. Bij mij gekomen, krulde de toeijlende berg over mij heen, alsof hij mij wilde omhelzen, bedolf mij, smakte en rolde mij met onbeschrijfelijke hevigheid en voerde mij met zich voort, terwijl het water rondom mij donderde, kookte en schuimde. Toen ik tot het rechte bewustzijn terugkeerde, van wat met mij gebeurde, lag ik op het drooge en zag ik de watermassa, die mij aangevoerd had, bruischend en schuimend naar zee terugijlen, mij half in het zand bedolven achterlatende.[216]„Ik sprong op; want het was zaak, mij buiten het bereik van een volgenden golf te stellen. In weinige sprongen was ik buiten gevaar en had het strand verlaten. Ik was gered.„Ik werd door barmhartige menschen liefderijk opgenomen en verpleegd. Men bracht mij daarna naar dat klooster daar, hetwelk zich op de hellingen van den Pico boven kaap Adexe verheft. Daar bleef ik een paar dagen. Toen men vernam, dat ik protestant, eenheretico, was, ontdeed men zich zoo spoedig mogelijk van mij. Na mij toch liefderijk van de noodige kleeren voorzien te hebben, geleidde een kapucijner monnik mij langs binnenpaden naar een klein plaatsje op de zuidoostkust gelegen en Abona geheeten. Daar kreeg ik op voorspraak van mijn geleider vrijen overtocht aan boord van een klein kustvaartuig, deVirgen purissima, dat mij naar Santa Cruz overvoerde. Van daar vertrok ik als matroos aan boord van deSanta Lucia, een kleine schoener, naar Lissabon, van waar ik door bemiddeling van den Nederlandschen consul per stoomschip naar Engeland en verder naar Nederland geholpen werd. Ziedaar dames en heeren mijn wedervaren in deze wateren. Gij zult, hoop ik, nu wel begrijpen de uitdrukking, die ik straks bezigde, toen ik deFernandina Maria Emmain veilig water zag en met een zucht van verlichting uitriep, dat mij een pak van het hart gewenteld was.”„Zijt gij alleen gered geworden, kapitein Butteling?” vroeg Adelien Groenewald.„Neen, juffrouw, nog een meisje van veertien jaren is op een potdeksel of zoo iets op het eiland Gomera aangedreven. Zij was het eenigst kind van een paar, hetwelk te Barcelona te huis hoorde, maar naar Gran Canaria reisde om daar een familiefeest bij te wonen. Ik ben in die dagen naar Gran Canaria gereisd, werwaarts[217]ik door den Corregidor48opgeroepen was, om de identiteit van dat meisje te staven. Helaas, het arme kind was na de doorgestane verschrikkingen, na het verlies harer ouders, die zij onder hare oogen had zien verzwelgen, krankzinnig geworden. De geneesheer meende dat zij te herstellen was. Ik hoop dat hij waarheid sprak; ik heb haar evenwel nimmer teruggezien.”„Arm kind!” zuchtte Adelien medelijdend.„Hoeveel koppen waren aan boord van deSenhora Dolorès?” vroeg kapitein Van Dam.„Negen man scheepsvolk en acht passagiers, waaronder het bedoelde meisje,” antwoordde kapitein Butteling.„Dus zeventien personen, waarvan slechts twee gered werden! Het is schrikkelijk!”Terwijl onze reizigers dat verhaal aangehoord hadden, was de wind veel verzwakt en liep deFernandina Maria Emmauiterst langzaam. Toen de middag waarneming ten einde was, bevond het fregat zich op 27° 33′ noorderbreedte en op 16° 44′ westerlengte.De wind viel al meer en meer. Op den 29stenOctober bevond men zich op 26° 43′ noorderbreedte en op 17° 17′ westerlengte. Er waren dus slechts ongeveer vijftien mijlen in het etmaal afgelegd.Den volgenden morgen vernamen de reizigers, toen zij aan het dek kwamen, dat het gedurende den nanacht bladstil was geweest. Nu evenwel vertoonde de zee eenige rimpeltjes, terwijl de bovenzeilen zich begonnen te vullen.„Dat is de noordoostpassaat!” riep kapitein Butteling. „Nu zullen wij wel vaart gaan maken!”De ervaren zeeman had gelijk. Weldra waren de zeilen gevuld, terwijl al de stagzeilen en zelfs aan den fokkemast de lijzeilen bijgezet werden. Het fregat lag dan ook, bakboord overhellende, en kliefde bevallig[218]het water, dat zij in een bruischenden golf voor den boeg uitwierp.Daags daarna, dus den 31stenOctober, sneed deFernandina Maria Emmazoo omstreeks te negen uur des morgens den keerkring van den Kreeft.„Dat is eene voorspoedige reis geweest,” merkte kapitein Butteling den reizigers op. „Wij zijn op 17 October des avonds in zee gegaan. Wij tellen nu 31 October. In veertien dagen tusschen de keerkringen! daarover valt niet te klagen. Blaast de passaat nu goed door, dan bereiken wij al gauw den Equator.”De zeeman was blijkbaar in zijn nopjes. Er is geen tevredener wezen op de wereld dan een scheepskapitein, wanneer alles voor den wind gaat. Daarentegen zijn er ware knorrepotten onder, wanneer de wind uit den verkeerden hoek waait, of wanneer er geheel en al stilte intreedt. Onder deze laatste sorteerde kapitein Butteling volstrekt niet. Hij was evenwel meer opgeruimd, wanneer alles naar zijn zin ging, dan wanneer hij met tegenspoed te kampen had.De noordoostpassaat blies tamelijk door, evenwel niet zooals de waardige zeerob gewenscht had. Toch maakte het schip dagen achter elkander gemiddeld 40 mijlen in het etmaal, wat nu niet bijzonder vlug genoemd kon worden; maar in den noordoostpassaat, die gewoonlijk niet sterk doorstaat, niet te versmaden was.Den 6denNovember evenwel begon de wind in den namiddag te vallen, en weldra was het bladstil. Het middagbestek had aangegeven, dat deFernandina Maria Emmazich op 6° 49′ noorderbreedte en 23° 45′ westerlengte bevond. De noordoostpassaat verzwakte al meer en meer, totdat het schip tegen twee uur in den achtermiddag bewegingloos lag te dobberen en slechts heel loom en heel zacht door de deining gewiegd werd.[219]Nog voor dat het drie uur was, had zich in het zuidoosten eene dikke wolkenbank vertoond, die snel naderde. Nadat de wind verzwakt en later geheel gevallen was, had zich eene ondragelijke warmte doen gevoelen. De stralen der dagvorstin vielen brandend neer, en deelden aan alle voorwerpen eene hitte mede, die niet afgekoeld werd, maar integendeel al meer en meer toenam. Onder de zonnetent, waaronder het bij het geringste briesje zoo verkwikkend kon zijn, onder die zonnetent was het onaangenaam warm. Het was alsof die loodzwaar en heet op de menschen daaronder drukte. Iedereen keek dan ook naar verademing uit, en vooral werd de naderende wolkenbank met een soort welgevallen aangestaard en verwelkomd.„Daar komt poetssteen!” zei kapitein Van Dam tot den scheepsgezagvoerder.„Daar komt de zuidoostpassaat,” antwoordde kapitein Butteling. „Dat treffen wij wel. Men kan hier soms dagen, soms weken liggen drijven, zonder een zuchtje te voelen. Men noemt dat hier den stiltegordel.”„Hoe is de stroom hier?” vroeg Behren belangstellend.„O! wij zijn hier in den equatoriaal tegenstroom, die ons zoo zachtjes westwaarts naar den golf van Mexico zou voeren; maar hij is hier zeer zwak, bijna onmerkbaar.”„Drommels, dan zouden wij hier van de warmte kunnen profiteeren, als de windstilte aanhield!”„Ja, dat zou kunnen,” antwoordde kapitein Butteling. „Bij de vorige reis lag deFernandina Maria Emmaruim drie weken, nagenoeg op dezelfde plek. Maar.… wij zullen het bij deze gelegenheid wel gunstiger treffen, kijk maar.”Hij wees naar het zuidoosten.Daar naderde die wolkenbank steeds en vrij vlug. Bij[220]hare nadering veranderde het blauwe water der zee langzamerhand van kleur, werd lichtblauw met eene fletsche tint, ging daarna tot flesschengroen, iets later tot donkergroen over, om eene grauwe tint aan te nemen, en eindelijk loodkleurig te schijnen onder de wolkenmassa, die als op het water rustte.„Stagzeilen, bezaan- en grootzeil geien!” riep kapitein Butteling, die scherp in zuidelijke richting uitkeek.Men was nog lang niet klaar, toen het tweede commando volgde:„Bovenbramzeilen engrietje geien!”Een tweede ploeg matrozen, geholpen door soldaten, toog aan het werk. Toen de eerste ploeg klaar was:„Bramzeilen en kruiszeil geien!” klonk het commando.„Gij kleedt de dame uit,” zei kapitein Van Dam met een glimlach.„Het is tijd ook, dat zij die falbalas aflegt,” antwoordde kapitein Butteling. „Kijk maar!”In het zuiden naderde een band over het water, die gitzwart geleek, maar waarachter de zee begon te bewegen en kleine golven vertoonde, die evenwel met witte kopjes gekuifd werden. Het schip lag thans onder den fok, de marszeilen, het bagijnezeil en den kluiver.„Nu kan de bui komen,” grinnikte stuurman Ellenbaan. „DeFernandina Maria Emmais gereed haar te ontvangen.”De stuurman had ter nauwernood uitgesproken of daar vloog de eerste windvlaag huilend door het want. Het fregat boog lichtelijk onder dien aanval, maar hervatte onmiddellijk koers.„Zuid ten westen voor!” riep de scheepskapitein den roerganger toe.Het was eene echte tropische bui, die het schip bezocht. Aanvankelijk zweepte de wind woedend de golven[221]omhoog, floot door het want, dreigde alles met zich mee te sleuren. Hij nam evenwel in kracht af, toen de donder zich liet hooren en de regen begon te vallen. De eerste bliksemschichten, die het ruim doorkliefden, waren verblindend wit, terwijl de donderslagen zoo hevig waren, dat het schip tot in zijne inhouten dreunde en het gehoor pijnlijk aangedaan werd. De regen, die viel, was een echte intertropische regen. Het waren geen droppels die vielen, maar waterstralen, schier ter dikte van een pijpesteel, die dicht naast elkander vallende, een scherm, een gordijn van water vormden, welke belette, op weinige passen afstand iets te ontwaren.Toen die regen viel, ontspon zich een allerkoddigst tooneel op het dek van het fregat. Dat, met zooveel menschen aan boord, zeer zuinig met den watervoorraad moest omgesprongen worden, ligt voor de hand. Er werd niet meer verstrekt dan stipt noodig was. Voor het wasschen van kleedingstukken b.v. werd geen droppel uitgegeven, en moesten matrozen en soldaten hunne plunje met zeewater reinigen, waarbij de zoogenaamde zeezeep, die van Harderwijk medegegeven was, dezelfde dienst als een stuk kaarsvet, waarmede het goed ingesmeerd werd, deed. Toen nu het regenwater zoo overvloedig begon te stroomen, waren al heel spoedig een groot aantal handen bedrijvig om het dek van deFernandina Maria Emmain eene waschtobbe te veranderen, en vloten vooruit geheele beken zeepsop, die evenwel door den dicht neervallenden regen dadelijk weggespoeld werden. Overal zag men mannen de stralen water opvangen, die van de zonnetenten, uit de zeilen langs het touwwerk enz. afstroomden, deze in een kom, gene in eene mok, een derde in een leeg blik van verduurzaamde levensmiddelen, een andere in zijne veldflesch; en hoewel dat regenwater door de aanraking met het geteerd touwwerk[222]wel een bruin tintje deelachtig was geworden, zoo werd toch menigen hartigen teug van het overvloedige vocht genomen, want het water uit den scheepsvoorraad had o! zoo’n muffe lucht en smaak.Toen de zon ondergegaan was, scheurde het floers dat den hemel bedekte. De regen hield op, de wolken verspreidden zich of losten zich op en weldra schitterden de sterren aan het uitspansel en weerkaatsten liefelijk in den oceaan. De zuidoostpassaat zuchtte zacht door het touwwerk van het fregat en vulde de bovenzeilen, dieweldra bijgezet waren, maar die hij toch nog niet vermocht bol te doen staan.„Dat zal wel beter gaan,” verzekerde kapitein Butteling. „Als wij dien passaat maar eerst te pakken hebben! Hoe zuidelijker wij komen, hoe meer hij zal doorstaan en ook hoe ruimer hij zal worden.”Ja, de voorspelling kwam uit. Reeds den volgenden dag—8 November—stonden de zeilen iets boller en wees het middagbestek aan, dat men op 5° 13′ noorderbreedte en 24° 26′ westerlengte gekomen was, en dat het fregat in het laatste etmaal 27 mijlen had afgelegd. Dat laatste cijfer klonk niet hoog; daarbij moest evenwel in rekening gebracht worden, dat gedurende een groot gedeelte van het etmaal windstilte geheerscht had, terwijl de later doorgekomen passaat zich nog niet krachtig had laten gelden.Het was dien dag zondag en bijgevolg zouden Frank Brinkman en Herman Riethoven weer de gasten van den heer Groenewald zijn. Toen de jongelieden hunne opwachting bij de dames van hunnen gastheer gemaakt en dezen laatsten de hand gedrukt hadden, verzocht Frank den heer Groenewald hen in de gelegenheid te stellen den detachements-kommandant en den scheepsgezaghebber te spreken. Zij hadden, beweerden zij, die autoriteiten[223]wichtige mededeelingen te doen en hadden om opzien te vermijden, het rapport niet willen aanvragen, dat trouwens op zondag niet gehouden werd.Weinige oogenblikken later hadden de twee onderofficieren in de kajuit van kapitein Butteling plaats genomen en verbeidden hunne toehoorders de toegezegde mededeelingen.„Heden nacht kon ik door de warmte beneden niet slapen,” sprak sergeant Riethoven, „ik had dan ook mijn beddeken opgenomen, eene toevlucht op de koebrug gezocht en daar eene uitmuntende schuilplaats gevonden in het koelzeil, dat op die brug neergelaten was. Ik had daar eene heerlijke ligplaats en zou ook daar een gerusten slaap genoten hebben, ware het niet dat een fluisterend gesprek, hetwelk onder de koebrug vlak onder mij gehouden werd, mijne aandacht getrokken had. Gij weet het, dat bij de vreeselijke warmte, die in deze streken in het tusschendek heerscht, velen hunne toevlucht op het dek zoeken, en dat daar groepjes tot laat in den nacht zitten te praten. Ik was dus daaraan gewoon en zou ook op dit gesprek niet gelet hebben, wanneer de bijzondere zorgen om toch door niemand anders verstaan te worden, mijne nieuwsgierigheid niet opgewekt had. Zoodra toch de stem van een der sprekers slechts even het fluisteren te boven ging, klonk een waarschuwend: sjt! sjt! en deed die stem dalen. Mij ontging daar boven geene lettergreep, hoe zacht zij ook fluisterden.„Het gesprek werd in het Duitsch gevoerd, en had tot onderwerp een opstand, die gesmeed wordt, om zich van het schip meester te maken en daarmee kaap Hoorn om te stevenen, en eene toevlucht in een der havens van de westkust van Zuid-Amerika te zoeken. Ik heb zelfs den naam van Iquique gehoord.”[224]Kapitein Butteling greep eene kaart en tuurde daar een oogenblik op.„Drommels! ze houden van reizen,” zeide hij. „Iquique ligt op de Peruaansche kust op 21° zuiderbreedte. Maar ga voort.”„Het plan schijnt zeer eenvoudig te zijn. De samenzweerders meenen den dag van het Neptunus-feest uitstekend te kunnen benuttigen.”„Dus, dat is vrij aanstaande,” zei kapitein Van Dam niet zonder bezorgdheid.„Ik denk dat wij den 11enof 12enden evenaar zullen snijden,” antwoordde kapitein Butteling. „Maar ga voort, sergeant.”„Men schijnt er op te rekenen dat dien dag veelvuldig extra-oorlam zal geschonken worden, en dat het grootste gedeelte van het detachement en verreweg de meeste matrozen des avonds, ten gevolge van den genoten sterken drank, zeer slaperig zullen zijn. In het holst van den nacht zullen de samenzweerders zich op de scheeps-officieren en de passagiers achteruit werpen en die.…”Hier aarzelde Herman een oogenblik.„En die vermoorden, niet waar?” vulde kapitein Van Dam aan. „Ga voort toch.”„Daaromtrent zijn de meeningen verdeeld. Er zijn er bij, die tegen bloedvergieten gestemd zijn; maar het meerendeel der samenzweerders is er voor, den detachements-kommandant met zijne officieren over boord te werpen.…”„Niets minder dan dat?” vroeg kapitein Van Dam lachend.„En van de scheepsofficieren slechts die te sparen, die gereed zouden zijn het schip naar Iquique te voeren; terwijl de hoop gekoesterd wordt, dat bij weigering de[225]stuurlieden Abels en Bagman daartoe te noodzaken zullen zijn, al was het door middel van mishandeling.”„Maar hoe groot is het getal dier samenzweerders?” vroeg kapitein Van Dam.„Dat weet ik niet, kapitein,” antwoordde Herman. „Ik mocht geene beweging maken, om mij niet te verraden en in die buis van zeildoek, waarin ik mij besloten bevond, was niets te ontwaren. Toen ik in dat koelzeil kroop, zat niemand onder de koebrug, dat kan ik verklaren. Op het aantal stemmen, die ik waarnam, afgaande, zou ik zeggen, dat daar een twaalftal personen vereenigd zijn geweest.”„Hebt gij ook een hunner aan zijne stem herkend?” vroeg kapitein Van Dam.„Geen enkelen, kapitein. Maar, daarvan ben ik overtuigd, dat het meerendeel Zwitsers zijn, en dat onder hen ook een paar Duitschers schuilen.”„Het zou toch onzinnig zijn met een twaalftal zoo’n onderneming op touw te zetten,” meende kapitein Butteling.„Zij hebben vele aanhangers onder de overige Zwitsers en Duitschers. Ja, ze schijnen op al de vreemdelingen te mogen rekenen.”„En ook op Hollanders?” vroeg kapitein Van Dam met veel belangstelling.„Die wantrouwt men ten hoogste. Als het oogenblik van uitvoering daar zal zijn, zal men het groote luik dicht gooien, om hen te verhinderen aan het dek te komen. Toch heb ik een naam hooren noemen van een Hollander, die in het complot betrokken schijnt.”„En die naam is?”„Zondervan, kapitein. Een Amsterdamsche jood.”Nathan Zondervan was zoo wat de negociant aan boord. Hij dreef handel in alles, wat in de gegeven[226]omstandigheden maar te bedenken was. Hij had zwam, vuurslag en vuursteenen in voorraad; hij verkocht tabak en sigaren, die schrikkelijk stonken; hij verschacherde zijne scheepsbeschuit, soms zijn ration wijn, steeds zijn ration spek, waarvoor hij in een Pommerschen boerenlummel een willigen kooper gevonden had. Maar het meesterstuk van zijn handel was het verkwanselen van zijn oorlam. Daarin had hij het toppunt van handelsgenialiteit bereikt. Het was natuurlijk stipt verboden het ration jenever, dat driemaal daags verstrekt werd, op tezamelen. Ieder militair was verplicht bij den stuurman, die de oorlam uitreikte, zijn rantsoen sterken drank terstond uit te drinken. Steeds was een der officieren bij de distributie aanwezig, en hadden de onderofficieren en korporaals in last, scherp op de nakoming van deze verordening toe te zien. Dat evenwel zoo’n onnoozel musje jenever, hetgeen ongeveer vijf vingerhoeden bevatte, voor menig dranklustigen niets meer dan eene kwelling was, is wel te begrijpen. De listen waren dan ook veelvuldig, die gebezigd werden, om die bepaling te ontduiken; en Nathan Zondervan had daarin eene hoogte bereikt, die ongeëvenaard mocht heeten. Bij elke gelegenheid, dat oorlam uitgereikt werd, trad hij voor, wanneer zijn naam afgeroepen werd, nam het blikken maatje, waarin de jenever uitgemeten was, van den stuurman aan, wipte den inhoud met eene onnavolgbare bevallige beweging der hand in zijn wijd opengesperden mond, sloot dien, draaide onberispelijk op zijne hielen, bracht het buitenvlak zijner rechterhand eerbiedig aan de klep zijner kwartiermuts voor den toezichthebbenden officier en verwijderde zich; terwijl een andere naam afgeroepen werd, en de drager van dien voortrad om op zijne beurt dat lekkere kostje in ontvangst te nemen.Wie evenwel Nathan Zondervan navolgde, zag hem[227]achter den fokkemast sluipen en daar den inhoud van zijn mond zorgvuldig, zonder een droppel verloren te laten gaan, in een blikken mokje ledigen, hetwelk hem door een ander, door een dronkaard voorgehouden werd, die dien dronk telkenmale met een dubbeltje betaalde. Diebijzonderheidwist men toen niet; maar vernam die eerst later.Toen de beide kapiteins het verhaal van Herman Riethoven aangehoord hadden, legden zij hem en ook aan Frank het diepste zwijgen op. Met geen woord, met geen gebaar mochten zij laten blijken, dat zij iets van den toeleg wisten. De beide kapiteins eischten die geheimhouding eensdeels: omdat zij nog zoo geheel overtuigd niet waren, dat een zoodanig komplot gesmeed was, anderdeels: omdat, bestond zoo’n komplot, de minste argwaan tot eene ontijdige uitbarsting aanleiding kon geven; terwijl eindelijk van de schuldigen niemand bekend was en het toch zaak was, de belhamels te ontmaskeren.„Laten wij nu weer naar het dek gaan” sprak kapitein Butteling. „Straks na den lunch verzoek ik evenwel de beide jongelieden mij een handje te willen helpen, de scheepswapenen in gereedheid te brengen.”„Wilt gij nog meer helpers hebben?” vroeg kapitein Van Dam.„Neen, neen, wij zijn talrijk genoeg. Meer helpers kunnen slechts doen uitlekken, dat wij op de hoogte zijn.”Zoo als afgesproken was, werd ook gehandeld. Onze onderofficieren vermaakten zich uitstekend gedurende den lunch. Adelien en Emma Groenewald keken evenwel eenigszins vreemd op, toen na afloop van het maal kapitein Butteling de jongelieden in zijne hut riep, onder voorgeven dat hij hun eenig schrijfwerk wenschte op te dragen, hetwelk zij dan de volgende dagen zouden kunnen volvoeren. Het baarde evenwel geen argwaan en[228]toen de beide sergeanten des namiddags aan het diner verschenen, werd over dat afwezig zijn, niet anders gesproken, dan dat Adelien aan tafel kapitein Butteling te kennen gaf, dat zij het niet aardig vond, dat hij de jongelieden zoo met schrijfwerk overlaadde.Lachend dreigde de zeeman het jonge meisje met den vinger; maar antwoordde niet. Toen evenwel van tafel opgestaan werd, fluisterde hij haar lachend in het voorbijgaan in het oor:„Dat gemis van het bijzijn van den goeden Frank zal ruimschoots vergoed worden. Ik ben voornemens van af morgenochtend dagelijks de beide onderofficieren in de kerk schrijfwerk te geven.”Het jonge meisje bloosde zichtbaar bij het vernemen van die woorden. Snel bukte zij zich om dien blos te verbergen; toch kon zij niet nalaten een lieftalligen blik op den gezagvoerder te werpen, dien deze opving.„Het zou mij sterk verwonderen,” mompelde hij in zich zelven, „wanneer niet een dezer twee onderofficieren, zoo niet beiden, op de plantage van papa Groenewald te recht kwamen. Hij zou evenwel ongelukkiger keus voor zijne dochters kunnen doen.”Den volgenden morgen hield kapitein Van Dam eene inspectie over zijn onderhebbend detachement, waarbij hij de manschappen ernstig afvroeg: of zij ook eenige klachten in te brengen hadden, ten opzichte van voeding en verdere verpleging, of ten opzichte der handelingen van de officieren en onderofficieren of van wege het scheepsvolk. Geen mensch trad voor, geen enkel bezwaar werd ingebracht.„Dus, niemand heeft eenige reclame in te brengen?.… Nu, des te beter; dat doet mij genoegen,” betuigde hij. Plotseling voor Nathan Zondervan stilstaande, vroeg hij dien:„Ben je geen schoenmaker van je ambacht, Zondervan?”[229]„Schoenlhapper, heer khapthein,” antwoordde Nathan, terwijl hij eerbiedig het militair salut maakte.„Juist. Ik heb eenig reparatiewerk. Je zult wel een paar gulden willen verdienen, nietwaar?”De oogen van den jood schitterden van hebzucht.„Asjeblhieff, heer khapthein!” stamelde hij.„Kom dan straks bij mij beneden,” gelastte kapitein Van Dam.De jood wisselde met een in het gelid naast hem staanden Zwitser van kolossale grootte een blik van verstandhouding, die den detachements-kommandant niet ontsnapte.Toen deze in zijne hut teruggekeerd was, greep hij een bundel stamboek-extracten, het detachement onder zijne bevelen betreffende, bladerde daarin een poos en las, toen hij gevonden had wat hij zocht:„Peter Taugwalder, zoon van Peter en van Antonia Bräntschen. Geboren den 20enJuli 1839 te Zermatt, kanton Wallis in Zwitserland. De vader is een beroemde berggids voornamelijk voor den Monte Rosa.”„De inlichting is schraal,” mompelde de kapitein.„Maar laat mij zijn staat van dienst eens inzien.”Hij bekeek het extract-stamboek aan den anderen kant. „Hm! hm! Is officier geweest bij het Duitsche vreemdenlegioen in Engelsche dienst. Bij de ontbinding van het korps is hij ontslagen en daarna naar Engeland gereisd, van waar hij zich naar Harderwijk begeven heeft.… Hier staat nog eene potloodaanteekening;… laat zien … Is een eerzuchtig man en bezit een energiek karakter.”„Ho! ho!” riep kapitein Van Dam uit.Hij had evenwel den tijd niet om zijn gedachtengang te vervolgen. Er werd aan de deur geklopt.„Binnen!” riep hij.[230]

VII.Tusschen de keerkringen.

„Het is jaren geleden,” zoo begon kapitein Butteling, „dat ik stuurman was op de brikSenhora Dolorès, die,—ik heb het u reeds verhaald,—geregelde reizen deed van Barcelona, aan de Middellandsche zee gelegen, hier naar Santa Cruz di Teneriffe.”„Waar ligt die plaats, wij hebben ze niet gezien?” vroeg Van Diepbrugge.„Dat is de hoofdplaats, en de zetel van den Gouverneur der Canarische eilanden. Zij telt ongeveer 12.000 inwoners en bezit eene vrij goede haven, die door eenige forten tegen eene vijandelijke overrompeling beveiligd is. Wij hebben haar niet kunnen zien; omdat zij aan het noordelijkste gedeelte van de zuidoostkust van het eiland gelegen is, en wij langs de noordkust dobberden, daarna langs de zuidwestkust stevenden en nu zuid zuidwestwaarts koers zetten.„Bij een dier reizen derSenhora Dolorès, of beter, bij de laatste, die zij volvoerde, werden wij eerst door hevige westelijke en zuidwestelijke winden bij het uitkomen van Straat Gibraltar geteisterd. Den tweeden dag reeds strandden wij bijna bij kaap Raz-el-Hoedik op de Marokkaansche kust; terwijl wij drie dagen later met[211]de meeste moeite Kaap Sint Vincent, de zuidwestelijkste punt van Portugal, vrij kwamen. Maar, eindelijk liep de wind naar het noorden en konden wij met volle zeilen op ons doel afgaan. Maar, even als wij het nu getroffen hebben, trad, kort nadat wij Madera verkend hadden, stilte in, en dobberden wij vier lange dagen tusschen Palma en Teneriffe. Eindelijk kwam een noordwester bries door, evenwel zoo zwak, dat het mij toescheen, dat wij daarmede den stroom, die tusschen de Canarische eilanden aangetroffen wordt, niet zouden mogen trotseeren. Ik deelde den kapitein mijne meening mee, en zei hem onbewimpeld, dat er gevaar bij dien doortocht bestond. Die kapitein—overigens een braaf man—was een volbloed Spanjaard, en bezat derhalve eene hooghartige inborst. Hij vond het vooral ondragelijk, dat een zijner ondergeschikten hem een bemerking maakte, hoewel ik wel gezorgd had, dat mijne mededeeling dien vorm niet aangenomen had. DeSenhora Dolorèsoverdekte zich dan ook met zeilen en stevende met alle vlaggen in top, als of zij feestvierde, de zeeëngte in, die wij pas verlaten hebben. Aanvankelijk ging het goed. Met een viermijls vaart naderden wij de Straat. Die snelheid nam evenwel toe, terwijl helaas, de bries niet in kracht vermeerderde, integendeel bij het naderen van den wal langzamerhand wegstierf. Toen we onder de kust gekomen waren, klapperden de zeilen tegen de masten. Het schip had geen stuur meer, en werd door den stroom meegesleept. Een ramp stond voor de deur. In het eerst evenwel liet het gevaar zich niet dreigend aanzien. De brik hield vrij wel het midden van het vaarwater. Als dat slechts een uur lang zoo bleef, dan ware de doortocht volbracht en zou deSenhora Dolorèsin veilig water aangekomen zijn. De kapitein wreef zich in de handen en beantwoordde[212]mijn verzoek om een der ankers gereed te mogen maken met een spottenden glimlach. Volgens hem ging alles goed. Er zou tijd genoeg zijn om dat anker buiten boord te brengen, wanneer men de zeeëngte gepasseerd was. Hij scheen gelijk te hebben. Alles bleef nog goed gaan. Op een gegeven oogenblik evenwel meende ik, dat deSenhora Dolorèsden bakboord-wal meer naderde. Ik deelde mijne opmerking volgens plicht den kapitein mede.„„Laat mij toch met rust, stuurman!” antwoordde hij mij eenigszins verstoord. „Ik wist niet, dat een Hollandsch zeeman zoo bevreesd kon zijn.”„„Ik ben niet bevreesd, kapitein,” antwoordde ik; „maar wij naderen kaap Christianos en daar is het zeer vuil om de kust. Daar zijn vele klippen.”„Er viel zich niet meer te vergissen of te misleiden. De branding op die klippen, welke in pracht voor haar, die gij bij kaap Teno straks bij het voorbijvaren zoo bewonderd hebt, niet onderdeed, naderde al meer en meer.„Toch zag de kapitein van deSenhora Dolorèshet gevaar nog niet in. Het was of de man met blindheid geslagen was. Hij meende nog altijd, dat de stroom de brik voorbij kaap Rasca, de zuidelijkste punt van Teneriffe, waarvan wij niet ver verwijderd waren, zou voeren, toen het vaartuig plotseling een lichten schok ondervond.„„Wij stooten!” riep ik uit.„„Looden!” kommandeerde de kapitein, thans met eenige bezorgdheid. „Klaar bij het anker!”„Het lood viel. De lijn liep uit.„„Tachtig vadem, geen grond!” weerklonk het.„Ik was naar de voorplecht gespoed, om bij het anker klaar maken te zijn. De kapitein kwam naar mij toe.„„Geen grond,” zei hij met een opgeruimd gelaat, „waarschijnlijk zijn wij tegen een boomstam gedreven.”[213]„Ik keek over boord om dien boomstam te ontwaren. Ik had evenwel den tijd niet om een antwoord uit te spreken. Een hevige schok deed ditmaal de brik in alle hare binten sidderen; een oorverscheurend gekraak liet zich hooren en bijna terzelfder tijd stortte de fokkemast omver en sloeg over boord, in zijn val verscheidene matrozen, die bij het looden behulpzaam waren, tegen de reeling verpletterende.„„Laat vallen het anker!” schreeuwde de kapitein ten hoogste ontsteld.„Het was te laat om nog redding te kunnen aanbrengen. Ik hoorde den plomp in het water, door de zware ijzermassa veroorzaakt; maar het baatte niets. Onder den aandrang van den zwaren stroom, stootte de brik door de hooge deining opgeheven, nog een paar malen heftig. Zij viel daarna op zijde en brak midden door. Een vreeselijk angstgeschrei weerklonk toen het achterschip het eerste in de diepte wegzonk, en daarbij de zee zoodanig beroerde, dat de golven over het dek van het voorschip, waarop ik mij bevond, sloegen. Met de in mijne nabijheid aanwezige matrozen arbeidde ik om eene sloep te water te brengen; maar ook daartoe werd ons de tijd niet gegund. Plotseling begon dat gedeelte derSenhora Dolorès, waarop wij ons bevonden, te trillen en te schudden. De boeg schoot vooruit, dook, terwijl het water met donderend geweld langs de breuk naar binnen stroomde en de vooruitschuivende beweging van het wrak nog bevorderde. Handenwringend stonden wij allen bij elkander. Helaas! er viel niets te doen; daartoe ontbrak de tijd in die oogenblikken.„„Santa Madre de Dios!” klonk nog eens door de lucht, toen was alles gedaan. Een oogenblik te voren had de boeg zich verheven, alsof hij uit het water wilde springen; maar maakte daarbij bewegingen alsof het[214]een dronken mensch was, toen dook hij voorover, verhief zich nog eens, dook weer en nu voor de laatste maal, waarbij de golven met eene ontembare kracht over het dek sloegen en alles: menschen en schip in een onmetelijken kolk verslonden.„Toen ik de eerste trilling van het voorschip voelde, begreep ik, wat er gebeuren ging, dat het van de rotskruin zou afschieten, waarop deSenhora Dolorèsgestooten had. Ik had een der roeiriemen van de boot gegrepen en klemde mij daaraan in dien bangen stond wanhopig vast.„Hoe lang ik onder de oppervlakte van het water vertoefd heb.… ik weet het niet. Wel ondervond ik het gevoel, alsof ik in een onmetelijken kring ronddreef, en tevens naar den afgrond der zee gezogen werd, waarbij ik herhaalde malen in onzachte aanraking kwam met verschillende voorwerpen, die evenals ik verzwolgen waren. Bij een dier botsingen ondervond ik zoo’n pijn, dat mij het bewustzijn begaf en het mij was, alsof ik sterven ging. Gelukkig liet ik mijn roeispaan niet los; maar klemde mij onbewust daaraan met al de kracht der wanhoop vast.„Toen ik tot mijzelven kwam, lag ik met den hals op het reddende stuk hout, dat ik met beide handen stevig omklemd hield en wel zoo, dat mijn gelaat boven de oppervlakte des waters uitstak. Ik keek rond, ik was de kaap Christianos vrij nabij. De stroom zette naar die kaap toe. Heel kort daarop geraakte ik in de branding. Ik liet den roeiriem, die mij tot nu toe van zooveel nut geweest was, varen en trachtte zwemmende den wal te bereiken. Maar zwemmen in de branding! Het zijn pochers, die beweren dat te kunnen. Ja, in de Noordzee, bij Scheveningen! wanneer geen, of wel oostenwind blaast. Ik beweer een goed zwemmer te[215]zijn; maar zooals ik daar heen en weer gesmeten werd, is niet te beschrijven! Nu eens was ik op den top eener baar en werd met den spoed van een sneltrein den wal te gemoet gevoerd; eene seconde later plofte mij diezelfde baar in de diepte, brak over mij heen en deed mij onzacht op den zandigen bodem te recht komen, waarop ik onmogelijk stand kon houden. Met onweerstaanbaar geweld werd ik dan weer zeewaarts gesleurd, totdat ik mij opgezogen gevoelde in een machtigen golf, die aangerold kwam en mij in zijne statige krul opnam, om mij in het volgende oogenblik onder oorverdoovend gedonder te midden van een onmetelijke vlakte van wit schuim neer te smakken. Zoo werd ik een tijd lang heen en weer gesleurd, steeds in het grootste gevaar verkeerende, om door de scherpe rotspunten, waarmee die kaap omringd was, verscheurd te worden. Nu eens werd ik naar den wal toegedragen, en gloorde de hoop in mijn hart; in het volgende oogenblik, werd ik bedolven en sleepte het water mij zeewaarts, en beving doffe wanhoop mij. Zoo putte ik mij uit. Het had niet lang meer moeten duren, of mijne krachten hadden mij begeven.„Eindelijk kwam er een veel hoogere golf aanrollen. Ontzetting greep mij aan, toen ik hem zag. Het was alsof een watermuur kwam aansnellen. Bij mij gekomen, krulde de toeijlende berg over mij heen, alsof hij mij wilde omhelzen, bedolf mij, smakte en rolde mij met onbeschrijfelijke hevigheid en voerde mij met zich voort, terwijl het water rondom mij donderde, kookte en schuimde. Toen ik tot het rechte bewustzijn terugkeerde, van wat met mij gebeurde, lag ik op het drooge en zag ik de watermassa, die mij aangevoerd had, bruischend en schuimend naar zee terugijlen, mij half in het zand bedolven achterlatende.[216]„Ik sprong op; want het was zaak, mij buiten het bereik van een volgenden golf te stellen. In weinige sprongen was ik buiten gevaar en had het strand verlaten. Ik was gered.„Ik werd door barmhartige menschen liefderijk opgenomen en verpleegd. Men bracht mij daarna naar dat klooster daar, hetwelk zich op de hellingen van den Pico boven kaap Adexe verheft. Daar bleef ik een paar dagen. Toen men vernam, dat ik protestant, eenheretico, was, ontdeed men zich zoo spoedig mogelijk van mij. Na mij toch liefderijk van de noodige kleeren voorzien te hebben, geleidde een kapucijner monnik mij langs binnenpaden naar een klein plaatsje op de zuidoostkust gelegen en Abona geheeten. Daar kreeg ik op voorspraak van mijn geleider vrijen overtocht aan boord van een klein kustvaartuig, deVirgen purissima, dat mij naar Santa Cruz overvoerde. Van daar vertrok ik als matroos aan boord van deSanta Lucia, een kleine schoener, naar Lissabon, van waar ik door bemiddeling van den Nederlandschen consul per stoomschip naar Engeland en verder naar Nederland geholpen werd. Ziedaar dames en heeren mijn wedervaren in deze wateren. Gij zult, hoop ik, nu wel begrijpen de uitdrukking, die ik straks bezigde, toen ik deFernandina Maria Emmain veilig water zag en met een zucht van verlichting uitriep, dat mij een pak van het hart gewenteld was.”„Zijt gij alleen gered geworden, kapitein Butteling?” vroeg Adelien Groenewald.„Neen, juffrouw, nog een meisje van veertien jaren is op een potdeksel of zoo iets op het eiland Gomera aangedreven. Zij was het eenigst kind van een paar, hetwelk te Barcelona te huis hoorde, maar naar Gran Canaria reisde om daar een familiefeest bij te wonen. Ik ben in die dagen naar Gran Canaria gereisd, werwaarts[217]ik door den Corregidor48opgeroepen was, om de identiteit van dat meisje te staven. Helaas, het arme kind was na de doorgestane verschrikkingen, na het verlies harer ouders, die zij onder hare oogen had zien verzwelgen, krankzinnig geworden. De geneesheer meende dat zij te herstellen was. Ik hoop dat hij waarheid sprak; ik heb haar evenwel nimmer teruggezien.”„Arm kind!” zuchtte Adelien medelijdend.„Hoeveel koppen waren aan boord van deSenhora Dolorès?” vroeg kapitein Van Dam.„Negen man scheepsvolk en acht passagiers, waaronder het bedoelde meisje,” antwoordde kapitein Butteling.„Dus zeventien personen, waarvan slechts twee gered werden! Het is schrikkelijk!”Terwijl onze reizigers dat verhaal aangehoord hadden, was de wind veel verzwakt en liep deFernandina Maria Emmauiterst langzaam. Toen de middag waarneming ten einde was, bevond het fregat zich op 27° 33′ noorderbreedte en op 16° 44′ westerlengte.De wind viel al meer en meer. Op den 29stenOctober bevond men zich op 26° 43′ noorderbreedte en op 17° 17′ westerlengte. Er waren dus slechts ongeveer vijftien mijlen in het etmaal afgelegd.Den volgenden morgen vernamen de reizigers, toen zij aan het dek kwamen, dat het gedurende den nanacht bladstil was geweest. Nu evenwel vertoonde de zee eenige rimpeltjes, terwijl de bovenzeilen zich begonnen te vullen.„Dat is de noordoostpassaat!” riep kapitein Butteling. „Nu zullen wij wel vaart gaan maken!”De ervaren zeeman had gelijk. Weldra waren de zeilen gevuld, terwijl al de stagzeilen en zelfs aan den fokkemast de lijzeilen bijgezet werden. Het fregat lag dan ook, bakboord overhellende, en kliefde bevallig[218]het water, dat zij in een bruischenden golf voor den boeg uitwierp.Daags daarna, dus den 31stenOctober, sneed deFernandina Maria Emmazoo omstreeks te negen uur des morgens den keerkring van den Kreeft.„Dat is eene voorspoedige reis geweest,” merkte kapitein Butteling den reizigers op. „Wij zijn op 17 October des avonds in zee gegaan. Wij tellen nu 31 October. In veertien dagen tusschen de keerkringen! daarover valt niet te klagen. Blaast de passaat nu goed door, dan bereiken wij al gauw den Equator.”De zeeman was blijkbaar in zijn nopjes. Er is geen tevredener wezen op de wereld dan een scheepskapitein, wanneer alles voor den wind gaat. Daarentegen zijn er ware knorrepotten onder, wanneer de wind uit den verkeerden hoek waait, of wanneer er geheel en al stilte intreedt. Onder deze laatste sorteerde kapitein Butteling volstrekt niet. Hij was evenwel meer opgeruimd, wanneer alles naar zijn zin ging, dan wanneer hij met tegenspoed te kampen had.De noordoostpassaat blies tamelijk door, evenwel niet zooals de waardige zeerob gewenscht had. Toch maakte het schip dagen achter elkander gemiddeld 40 mijlen in het etmaal, wat nu niet bijzonder vlug genoemd kon worden; maar in den noordoostpassaat, die gewoonlijk niet sterk doorstaat, niet te versmaden was.Den 6denNovember evenwel begon de wind in den namiddag te vallen, en weldra was het bladstil. Het middagbestek had aangegeven, dat deFernandina Maria Emmazich op 6° 49′ noorderbreedte en 23° 45′ westerlengte bevond. De noordoostpassaat verzwakte al meer en meer, totdat het schip tegen twee uur in den achtermiddag bewegingloos lag te dobberen en slechts heel loom en heel zacht door de deining gewiegd werd.[219]Nog voor dat het drie uur was, had zich in het zuidoosten eene dikke wolkenbank vertoond, die snel naderde. Nadat de wind verzwakt en later geheel gevallen was, had zich eene ondragelijke warmte doen gevoelen. De stralen der dagvorstin vielen brandend neer, en deelden aan alle voorwerpen eene hitte mede, die niet afgekoeld werd, maar integendeel al meer en meer toenam. Onder de zonnetent, waaronder het bij het geringste briesje zoo verkwikkend kon zijn, onder die zonnetent was het onaangenaam warm. Het was alsof die loodzwaar en heet op de menschen daaronder drukte. Iedereen keek dan ook naar verademing uit, en vooral werd de naderende wolkenbank met een soort welgevallen aangestaard en verwelkomd.„Daar komt poetssteen!” zei kapitein Van Dam tot den scheepsgezagvoerder.„Daar komt de zuidoostpassaat,” antwoordde kapitein Butteling. „Dat treffen wij wel. Men kan hier soms dagen, soms weken liggen drijven, zonder een zuchtje te voelen. Men noemt dat hier den stiltegordel.”„Hoe is de stroom hier?” vroeg Behren belangstellend.„O! wij zijn hier in den equatoriaal tegenstroom, die ons zoo zachtjes westwaarts naar den golf van Mexico zou voeren; maar hij is hier zeer zwak, bijna onmerkbaar.”„Drommels, dan zouden wij hier van de warmte kunnen profiteeren, als de windstilte aanhield!”„Ja, dat zou kunnen,” antwoordde kapitein Butteling. „Bij de vorige reis lag deFernandina Maria Emmaruim drie weken, nagenoeg op dezelfde plek. Maar.… wij zullen het bij deze gelegenheid wel gunstiger treffen, kijk maar.”Hij wees naar het zuidoosten.Daar naderde die wolkenbank steeds en vrij vlug. Bij[220]hare nadering veranderde het blauwe water der zee langzamerhand van kleur, werd lichtblauw met eene fletsche tint, ging daarna tot flesschengroen, iets later tot donkergroen over, om eene grauwe tint aan te nemen, en eindelijk loodkleurig te schijnen onder de wolkenmassa, die als op het water rustte.„Stagzeilen, bezaan- en grootzeil geien!” riep kapitein Butteling, die scherp in zuidelijke richting uitkeek.Men was nog lang niet klaar, toen het tweede commando volgde:„Bovenbramzeilen engrietje geien!”Een tweede ploeg matrozen, geholpen door soldaten, toog aan het werk. Toen de eerste ploeg klaar was:„Bramzeilen en kruiszeil geien!” klonk het commando.„Gij kleedt de dame uit,” zei kapitein Van Dam met een glimlach.„Het is tijd ook, dat zij die falbalas aflegt,” antwoordde kapitein Butteling. „Kijk maar!”In het zuiden naderde een band over het water, die gitzwart geleek, maar waarachter de zee begon te bewegen en kleine golven vertoonde, die evenwel met witte kopjes gekuifd werden. Het schip lag thans onder den fok, de marszeilen, het bagijnezeil en den kluiver.„Nu kan de bui komen,” grinnikte stuurman Ellenbaan. „DeFernandina Maria Emmais gereed haar te ontvangen.”De stuurman had ter nauwernood uitgesproken of daar vloog de eerste windvlaag huilend door het want. Het fregat boog lichtelijk onder dien aanval, maar hervatte onmiddellijk koers.„Zuid ten westen voor!” riep de scheepskapitein den roerganger toe.Het was eene echte tropische bui, die het schip bezocht. Aanvankelijk zweepte de wind woedend de golven[221]omhoog, floot door het want, dreigde alles met zich mee te sleuren. Hij nam evenwel in kracht af, toen de donder zich liet hooren en de regen begon te vallen. De eerste bliksemschichten, die het ruim doorkliefden, waren verblindend wit, terwijl de donderslagen zoo hevig waren, dat het schip tot in zijne inhouten dreunde en het gehoor pijnlijk aangedaan werd. De regen, die viel, was een echte intertropische regen. Het waren geen droppels die vielen, maar waterstralen, schier ter dikte van een pijpesteel, die dicht naast elkander vallende, een scherm, een gordijn van water vormden, welke belette, op weinige passen afstand iets te ontwaren.Toen die regen viel, ontspon zich een allerkoddigst tooneel op het dek van het fregat. Dat, met zooveel menschen aan boord, zeer zuinig met den watervoorraad moest omgesprongen worden, ligt voor de hand. Er werd niet meer verstrekt dan stipt noodig was. Voor het wasschen van kleedingstukken b.v. werd geen droppel uitgegeven, en moesten matrozen en soldaten hunne plunje met zeewater reinigen, waarbij de zoogenaamde zeezeep, die van Harderwijk medegegeven was, dezelfde dienst als een stuk kaarsvet, waarmede het goed ingesmeerd werd, deed. Toen nu het regenwater zoo overvloedig begon te stroomen, waren al heel spoedig een groot aantal handen bedrijvig om het dek van deFernandina Maria Emmain eene waschtobbe te veranderen, en vloten vooruit geheele beken zeepsop, die evenwel door den dicht neervallenden regen dadelijk weggespoeld werden. Overal zag men mannen de stralen water opvangen, die van de zonnetenten, uit de zeilen langs het touwwerk enz. afstroomden, deze in een kom, gene in eene mok, een derde in een leeg blik van verduurzaamde levensmiddelen, een andere in zijne veldflesch; en hoewel dat regenwater door de aanraking met het geteerd touwwerk[222]wel een bruin tintje deelachtig was geworden, zoo werd toch menigen hartigen teug van het overvloedige vocht genomen, want het water uit den scheepsvoorraad had o! zoo’n muffe lucht en smaak.Toen de zon ondergegaan was, scheurde het floers dat den hemel bedekte. De regen hield op, de wolken verspreidden zich of losten zich op en weldra schitterden de sterren aan het uitspansel en weerkaatsten liefelijk in den oceaan. De zuidoostpassaat zuchtte zacht door het touwwerk van het fregat en vulde de bovenzeilen, dieweldra bijgezet waren, maar die hij toch nog niet vermocht bol te doen staan.„Dat zal wel beter gaan,” verzekerde kapitein Butteling. „Als wij dien passaat maar eerst te pakken hebben! Hoe zuidelijker wij komen, hoe meer hij zal doorstaan en ook hoe ruimer hij zal worden.”Ja, de voorspelling kwam uit. Reeds den volgenden dag—8 November—stonden de zeilen iets boller en wees het middagbestek aan, dat men op 5° 13′ noorderbreedte en 24° 26′ westerlengte gekomen was, en dat het fregat in het laatste etmaal 27 mijlen had afgelegd. Dat laatste cijfer klonk niet hoog; daarbij moest evenwel in rekening gebracht worden, dat gedurende een groot gedeelte van het etmaal windstilte geheerscht had, terwijl de later doorgekomen passaat zich nog niet krachtig had laten gelden.Het was dien dag zondag en bijgevolg zouden Frank Brinkman en Herman Riethoven weer de gasten van den heer Groenewald zijn. Toen de jongelieden hunne opwachting bij de dames van hunnen gastheer gemaakt en dezen laatsten de hand gedrukt hadden, verzocht Frank den heer Groenewald hen in de gelegenheid te stellen den detachements-kommandant en den scheepsgezaghebber te spreken. Zij hadden, beweerden zij, die autoriteiten[223]wichtige mededeelingen te doen en hadden om opzien te vermijden, het rapport niet willen aanvragen, dat trouwens op zondag niet gehouden werd.Weinige oogenblikken later hadden de twee onderofficieren in de kajuit van kapitein Butteling plaats genomen en verbeidden hunne toehoorders de toegezegde mededeelingen.„Heden nacht kon ik door de warmte beneden niet slapen,” sprak sergeant Riethoven, „ik had dan ook mijn beddeken opgenomen, eene toevlucht op de koebrug gezocht en daar eene uitmuntende schuilplaats gevonden in het koelzeil, dat op die brug neergelaten was. Ik had daar eene heerlijke ligplaats en zou ook daar een gerusten slaap genoten hebben, ware het niet dat een fluisterend gesprek, hetwelk onder de koebrug vlak onder mij gehouden werd, mijne aandacht getrokken had. Gij weet het, dat bij de vreeselijke warmte, die in deze streken in het tusschendek heerscht, velen hunne toevlucht op het dek zoeken, en dat daar groepjes tot laat in den nacht zitten te praten. Ik was dus daaraan gewoon en zou ook op dit gesprek niet gelet hebben, wanneer de bijzondere zorgen om toch door niemand anders verstaan te worden, mijne nieuwsgierigheid niet opgewekt had. Zoodra toch de stem van een der sprekers slechts even het fluisteren te boven ging, klonk een waarschuwend: sjt! sjt! en deed die stem dalen. Mij ontging daar boven geene lettergreep, hoe zacht zij ook fluisterden.„Het gesprek werd in het Duitsch gevoerd, en had tot onderwerp een opstand, die gesmeed wordt, om zich van het schip meester te maken en daarmee kaap Hoorn om te stevenen, en eene toevlucht in een der havens van de westkust van Zuid-Amerika te zoeken. Ik heb zelfs den naam van Iquique gehoord.”[224]Kapitein Butteling greep eene kaart en tuurde daar een oogenblik op.„Drommels! ze houden van reizen,” zeide hij. „Iquique ligt op de Peruaansche kust op 21° zuiderbreedte. Maar ga voort.”„Het plan schijnt zeer eenvoudig te zijn. De samenzweerders meenen den dag van het Neptunus-feest uitstekend te kunnen benuttigen.”„Dus, dat is vrij aanstaande,” zei kapitein Van Dam niet zonder bezorgdheid.„Ik denk dat wij den 11enof 12enden evenaar zullen snijden,” antwoordde kapitein Butteling. „Maar ga voort, sergeant.”„Men schijnt er op te rekenen dat dien dag veelvuldig extra-oorlam zal geschonken worden, en dat het grootste gedeelte van het detachement en verreweg de meeste matrozen des avonds, ten gevolge van den genoten sterken drank, zeer slaperig zullen zijn. In het holst van den nacht zullen de samenzweerders zich op de scheeps-officieren en de passagiers achteruit werpen en die.…”Hier aarzelde Herman een oogenblik.„En die vermoorden, niet waar?” vulde kapitein Van Dam aan. „Ga voort toch.”„Daaromtrent zijn de meeningen verdeeld. Er zijn er bij, die tegen bloedvergieten gestemd zijn; maar het meerendeel der samenzweerders is er voor, den detachements-kommandant met zijne officieren over boord te werpen.…”„Niets minder dan dat?” vroeg kapitein Van Dam lachend.„En van de scheepsofficieren slechts die te sparen, die gereed zouden zijn het schip naar Iquique te voeren; terwijl de hoop gekoesterd wordt, dat bij weigering de[225]stuurlieden Abels en Bagman daartoe te noodzaken zullen zijn, al was het door middel van mishandeling.”„Maar hoe groot is het getal dier samenzweerders?” vroeg kapitein Van Dam.„Dat weet ik niet, kapitein,” antwoordde Herman. „Ik mocht geene beweging maken, om mij niet te verraden en in die buis van zeildoek, waarin ik mij besloten bevond, was niets te ontwaren. Toen ik in dat koelzeil kroop, zat niemand onder de koebrug, dat kan ik verklaren. Op het aantal stemmen, die ik waarnam, afgaande, zou ik zeggen, dat daar een twaalftal personen vereenigd zijn geweest.”„Hebt gij ook een hunner aan zijne stem herkend?” vroeg kapitein Van Dam.„Geen enkelen, kapitein. Maar, daarvan ben ik overtuigd, dat het meerendeel Zwitsers zijn, en dat onder hen ook een paar Duitschers schuilen.”„Het zou toch onzinnig zijn met een twaalftal zoo’n onderneming op touw te zetten,” meende kapitein Butteling.„Zij hebben vele aanhangers onder de overige Zwitsers en Duitschers. Ja, ze schijnen op al de vreemdelingen te mogen rekenen.”„En ook op Hollanders?” vroeg kapitein Van Dam met veel belangstelling.„Die wantrouwt men ten hoogste. Als het oogenblik van uitvoering daar zal zijn, zal men het groote luik dicht gooien, om hen te verhinderen aan het dek te komen. Toch heb ik een naam hooren noemen van een Hollander, die in het complot betrokken schijnt.”„En die naam is?”„Zondervan, kapitein. Een Amsterdamsche jood.”Nathan Zondervan was zoo wat de negociant aan boord. Hij dreef handel in alles, wat in de gegeven[226]omstandigheden maar te bedenken was. Hij had zwam, vuurslag en vuursteenen in voorraad; hij verkocht tabak en sigaren, die schrikkelijk stonken; hij verschacherde zijne scheepsbeschuit, soms zijn ration wijn, steeds zijn ration spek, waarvoor hij in een Pommerschen boerenlummel een willigen kooper gevonden had. Maar het meesterstuk van zijn handel was het verkwanselen van zijn oorlam. Daarin had hij het toppunt van handelsgenialiteit bereikt. Het was natuurlijk stipt verboden het ration jenever, dat driemaal daags verstrekt werd, op tezamelen. Ieder militair was verplicht bij den stuurman, die de oorlam uitreikte, zijn rantsoen sterken drank terstond uit te drinken. Steeds was een der officieren bij de distributie aanwezig, en hadden de onderofficieren en korporaals in last, scherp op de nakoming van deze verordening toe te zien. Dat evenwel zoo’n onnoozel musje jenever, hetgeen ongeveer vijf vingerhoeden bevatte, voor menig dranklustigen niets meer dan eene kwelling was, is wel te begrijpen. De listen waren dan ook veelvuldig, die gebezigd werden, om die bepaling te ontduiken; en Nathan Zondervan had daarin eene hoogte bereikt, die ongeëvenaard mocht heeten. Bij elke gelegenheid, dat oorlam uitgereikt werd, trad hij voor, wanneer zijn naam afgeroepen werd, nam het blikken maatje, waarin de jenever uitgemeten was, van den stuurman aan, wipte den inhoud met eene onnavolgbare bevallige beweging der hand in zijn wijd opengesperden mond, sloot dien, draaide onberispelijk op zijne hielen, bracht het buitenvlak zijner rechterhand eerbiedig aan de klep zijner kwartiermuts voor den toezichthebbenden officier en verwijderde zich; terwijl een andere naam afgeroepen werd, en de drager van dien voortrad om op zijne beurt dat lekkere kostje in ontvangst te nemen.Wie evenwel Nathan Zondervan navolgde, zag hem[227]achter den fokkemast sluipen en daar den inhoud van zijn mond zorgvuldig, zonder een droppel verloren te laten gaan, in een blikken mokje ledigen, hetwelk hem door een ander, door een dronkaard voorgehouden werd, die dien dronk telkenmale met een dubbeltje betaalde. Diebijzonderheidwist men toen niet; maar vernam die eerst later.Toen de beide kapiteins het verhaal van Herman Riethoven aangehoord hadden, legden zij hem en ook aan Frank het diepste zwijgen op. Met geen woord, met geen gebaar mochten zij laten blijken, dat zij iets van den toeleg wisten. De beide kapiteins eischten die geheimhouding eensdeels: omdat zij nog zoo geheel overtuigd niet waren, dat een zoodanig komplot gesmeed was, anderdeels: omdat, bestond zoo’n komplot, de minste argwaan tot eene ontijdige uitbarsting aanleiding kon geven; terwijl eindelijk van de schuldigen niemand bekend was en het toch zaak was, de belhamels te ontmaskeren.„Laten wij nu weer naar het dek gaan” sprak kapitein Butteling. „Straks na den lunch verzoek ik evenwel de beide jongelieden mij een handje te willen helpen, de scheepswapenen in gereedheid te brengen.”„Wilt gij nog meer helpers hebben?” vroeg kapitein Van Dam.„Neen, neen, wij zijn talrijk genoeg. Meer helpers kunnen slechts doen uitlekken, dat wij op de hoogte zijn.”Zoo als afgesproken was, werd ook gehandeld. Onze onderofficieren vermaakten zich uitstekend gedurende den lunch. Adelien en Emma Groenewald keken evenwel eenigszins vreemd op, toen na afloop van het maal kapitein Butteling de jongelieden in zijne hut riep, onder voorgeven dat hij hun eenig schrijfwerk wenschte op te dragen, hetwelk zij dan de volgende dagen zouden kunnen volvoeren. Het baarde evenwel geen argwaan en[228]toen de beide sergeanten des namiddags aan het diner verschenen, werd over dat afwezig zijn, niet anders gesproken, dan dat Adelien aan tafel kapitein Butteling te kennen gaf, dat zij het niet aardig vond, dat hij de jongelieden zoo met schrijfwerk overlaadde.Lachend dreigde de zeeman het jonge meisje met den vinger; maar antwoordde niet. Toen evenwel van tafel opgestaan werd, fluisterde hij haar lachend in het voorbijgaan in het oor:„Dat gemis van het bijzijn van den goeden Frank zal ruimschoots vergoed worden. Ik ben voornemens van af morgenochtend dagelijks de beide onderofficieren in de kerk schrijfwerk te geven.”Het jonge meisje bloosde zichtbaar bij het vernemen van die woorden. Snel bukte zij zich om dien blos te verbergen; toch kon zij niet nalaten een lieftalligen blik op den gezagvoerder te werpen, dien deze opving.„Het zou mij sterk verwonderen,” mompelde hij in zich zelven, „wanneer niet een dezer twee onderofficieren, zoo niet beiden, op de plantage van papa Groenewald te recht kwamen. Hij zou evenwel ongelukkiger keus voor zijne dochters kunnen doen.”Den volgenden morgen hield kapitein Van Dam eene inspectie over zijn onderhebbend detachement, waarbij hij de manschappen ernstig afvroeg: of zij ook eenige klachten in te brengen hadden, ten opzichte van voeding en verdere verpleging, of ten opzichte der handelingen van de officieren en onderofficieren of van wege het scheepsvolk. Geen mensch trad voor, geen enkel bezwaar werd ingebracht.„Dus, niemand heeft eenige reclame in te brengen?.… Nu, des te beter; dat doet mij genoegen,” betuigde hij. Plotseling voor Nathan Zondervan stilstaande, vroeg hij dien:„Ben je geen schoenmaker van je ambacht, Zondervan?”[229]„Schoenlhapper, heer khapthein,” antwoordde Nathan, terwijl hij eerbiedig het militair salut maakte.„Juist. Ik heb eenig reparatiewerk. Je zult wel een paar gulden willen verdienen, nietwaar?”De oogen van den jood schitterden van hebzucht.„Asjeblhieff, heer khapthein!” stamelde hij.„Kom dan straks bij mij beneden,” gelastte kapitein Van Dam.De jood wisselde met een in het gelid naast hem staanden Zwitser van kolossale grootte een blik van verstandhouding, die den detachements-kommandant niet ontsnapte.Toen deze in zijne hut teruggekeerd was, greep hij een bundel stamboek-extracten, het detachement onder zijne bevelen betreffende, bladerde daarin een poos en las, toen hij gevonden had wat hij zocht:„Peter Taugwalder, zoon van Peter en van Antonia Bräntschen. Geboren den 20enJuli 1839 te Zermatt, kanton Wallis in Zwitserland. De vader is een beroemde berggids voornamelijk voor den Monte Rosa.”„De inlichting is schraal,” mompelde de kapitein.„Maar laat mij zijn staat van dienst eens inzien.”Hij bekeek het extract-stamboek aan den anderen kant. „Hm! hm! Is officier geweest bij het Duitsche vreemdenlegioen in Engelsche dienst. Bij de ontbinding van het korps is hij ontslagen en daarna naar Engeland gereisd, van waar hij zich naar Harderwijk begeven heeft.… Hier staat nog eene potloodaanteekening;… laat zien … Is een eerzuchtig man en bezit een energiek karakter.”„Ho! ho!” riep kapitein Van Dam uit.Hij had evenwel den tijd niet om zijn gedachtengang te vervolgen. Er werd aan de deur geklopt.„Binnen!” riep hij.[230]

„Het is jaren geleden,” zoo begon kapitein Butteling, „dat ik stuurman was op de brikSenhora Dolorès, die,—ik heb het u reeds verhaald,—geregelde reizen deed van Barcelona, aan de Middellandsche zee gelegen, hier naar Santa Cruz di Teneriffe.”

„Waar ligt die plaats, wij hebben ze niet gezien?” vroeg Van Diepbrugge.

„Dat is de hoofdplaats, en de zetel van den Gouverneur der Canarische eilanden. Zij telt ongeveer 12.000 inwoners en bezit eene vrij goede haven, die door eenige forten tegen eene vijandelijke overrompeling beveiligd is. Wij hebben haar niet kunnen zien; omdat zij aan het noordelijkste gedeelte van de zuidoostkust van het eiland gelegen is, en wij langs de noordkust dobberden, daarna langs de zuidwestkust stevenden en nu zuid zuidwestwaarts koers zetten.

„Bij een dier reizen derSenhora Dolorès, of beter, bij de laatste, die zij volvoerde, werden wij eerst door hevige westelijke en zuidwestelijke winden bij het uitkomen van Straat Gibraltar geteisterd. Den tweeden dag reeds strandden wij bijna bij kaap Raz-el-Hoedik op de Marokkaansche kust; terwijl wij drie dagen later met[211]de meeste moeite Kaap Sint Vincent, de zuidwestelijkste punt van Portugal, vrij kwamen. Maar, eindelijk liep de wind naar het noorden en konden wij met volle zeilen op ons doel afgaan. Maar, even als wij het nu getroffen hebben, trad, kort nadat wij Madera verkend hadden, stilte in, en dobberden wij vier lange dagen tusschen Palma en Teneriffe. Eindelijk kwam een noordwester bries door, evenwel zoo zwak, dat het mij toescheen, dat wij daarmede den stroom, die tusschen de Canarische eilanden aangetroffen wordt, niet zouden mogen trotseeren. Ik deelde den kapitein mijne meening mee, en zei hem onbewimpeld, dat er gevaar bij dien doortocht bestond. Die kapitein—overigens een braaf man—was een volbloed Spanjaard, en bezat derhalve eene hooghartige inborst. Hij vond het vooral ondragelijk, dat een zijner ondergeschikten hem een bemerking maakte, hoewel ik wel gezorgd had, dat mijne mededeeling dien vorm niet aangenomen had. DeSenhora Dolorèsoverdekte zich dan ook met zeilen en stevende met alle vlaggen in top, als of zij feestvierde, de zeeëngte in, die wij pas verlaten hebben. Aanvankelijk ging het goed. Met een viermijls vaart naderden wij de Straat. Die snelheid nam evenwel toe, terwijl helaas, de bries niet in kracht vermeerderde, integendeel bij het naderen van den wal langzamerhand wegstierf. Toen we onder de kust gekomen waren, klapperden de zeilen tegen de masten. Het schip had geen stuur meer, en werd door den stroom meegesleept. Een ramp stond voor de deur. In het eerst evenwel liet het gevaar zich niet dreigend aanzien. De brik hield vrij wel het midden van het vaarwater. Als dat slechts een uur lang zoo bleef, dan ware de doortocht volbracht en zou deSenhora Dolorèsin veilig water aangekomen zijn. De kapitein wreef zich in de handen en beantwoordde[212]mijn verzoek om een der ankers gereed te mogen maken met een spottenden glimlach. Volgens hem ging alles goed. Er zou tijd genoeg zijn om dat anker buiten boord te brengen, wanneer men de zeeëngte gepasseerd was. Hij scheen gelijk te hebben. Alles bleef nog goed gaan. Op een gegeven oogenblik evenwel meende ik, dat deSenhora Dolorèsden bakboord-wal meer naderde. Ik deelde mijne opmerking volgens plicht den kapitein mede.

„„Laat mij toch met rust, stuurman!” antwoordde hij mij eenigszins verstoord. „Ik wist niet, dat een Hollandsch zeeman zoo bevreesd kon zijn.”

„„Ik ben niet bevreesd, kapitein,” antwoordde ik; „maar wij naderen kaap Christianos en daar is het zeer vuil om de kust. Daar zijn vele klippen.”

„Er viel zich niet meer te vergissen of te misleiden. De branding op die klippen, welke in pracht voor haar, die gij bij kaap Teno straks bij het voorbijvaren zoo bewonderd hebt, niet onderdeed, naderde al meer en meer.

„Toch zag de kapitein van deSenhora Dolorèshet gevaar nog niet in. Het was of de man met blindheid geslagen was. Hij meende nog altijd, dat de stroom de brik voorbij kaap Rasca, de zuidelijkste punt van Teneriffe, waarvan wij niet ver verwijderd waren, zou voeren, toen het vaartuig plotseling een lichten schok ondervond.

„„Wij stooten!” riep ik uit.

„„Looden!” kommandeerde de kapitein, thans met eenige bezorgdheid. „Klaar bij het anker!”

„Het lood viel. De lijn liep uit.

„„Tachtig vadem, geen grond!” weerklonk het.

„Ik was naar de voorplecht gespoed, om bij het anker klaar maken te zijn. De kapitein kwam naar mij toe.

„„Geen grond,” zei hij met een opgeruimd gelaat, „waarschijnlijk zijn wij tegen een boomstam gedreven.”[213]

„Ik keek over boord om dien boomstam te ontwaren. Ik had evenwel den tijd niet om een antwoord uit te spreken. Een hevige schok deed ditmaal de brik in alle hare binten sidderen; een oorverscheurend gekraak liet zich hooren en bijna terzelfder tijd stortte de fokkemast omver en sloeg over boord, in zijn val verscheidene matrozen, die bij het looden behulpzaam waren, tegen de reeling verpletterende.

„„Laat vallen het anker!” schreeuwde de kapitein ten hoogste ontsteld.

„Het was te laat om nog redding te kunnen aanbrengen. Ik hoorde den plomp in het water, door de zware ijzermassa veroorzaakt; maar het baatte niets. Onder den aandrang van den zwaren stroom, stootte de brik door de hooge deining opgeheven, nog een paar malen heftig. Zij viel daarna op zijde en brak midden door. Een vreeselijk angstgeschrei weerklonk toen het achterschip het eerste in de diepte wegzonk, en daarbij de zee zoodanig beroerde, dat de golven over het dek van het voorschip, waarop ik mij bevond, sloegen. Met de in mijne nabijheid aanwezige matrozen arbeidde ik om eene sloep te water te brengen; maar ook daartoe werd ons de tijd niet gegund. Plotseling begon dat gedeelte derSenhora Dolorès, waarop wij ons bevonden, te trillen en te schudden. De boeg schoot vooruit, dook, terwijl het water met donderend geweld langs de breuk naar binnen stroomde en de vooruitschuivende beweging van het wrak nog bevorderde. Handenwringend stonden wij allen bij elkander. Helaas! er viel niets te doen; daartoe ontbrak de tijd in die oogenblikken.

„„Santa Madre de Dios!” klonk nog eens door de lucht, toen was alles gedaan. Een oogenblik te voren had de boeg zich verheven, alsof hij uit het water wilde springen; maar maakte daarbij bewegingen alsof het[214]een dronken mensch was, toen dook hij voorover, verhief zich nog eens, dook weer en nu voor de laatste maal, waarbij de golven met eene ontembare kracht over het dek sloegen en alles: menschen en schip in een onmetelijken kolk verslonden.

„Toen ik de eerste trilling van het voorschip voelde, begreep ik, wat er gebeuren ging, dat het van de rotskruin zou afschieten, waarop deSenhora Dolorèsgestooten had. Ik had een der roeiriemen van de boot gegrepen en klemde mij daaraan in dien bangen stond wanhopig vast.

„Hoe lang ik onder de oppervlakte van het water vertoefd heb.… ik weet het niet. Wel ondervond ik het gevoel, alsof ik in een onmetelijken kring ronddreef, en tevens naar den afgrond der zee gezogen werd, waarbij ik herhaalde malen in onzachte aanraking kwam met verschillende voorwerpen, die evenals ik verzwolgen waren. Bij een dier botsingen ondervond ik zoo’n pijn, dat mij het bewustzijn begaf en het mij was, alsof ik sterven ging. Gelukkig liet ik mijn roeispaan niet los; maar klemde mij onbewust daaraan met al de kracht der wanhoop vast.

„Toen ik tot mijzelven kwam, lag ik met den hals op het reddende stuk hout, dat ik met beide handen stevig omklemd hield en wel zoo, dat mijn gelaat boven de oppervlakte des waters uitstak. Ik keek rond, ik was de kaap Christianos vrij nabij. De stroom zette naar die kaap toe. Heel kort daarop geraakte ik in de branding. Ik liet den roeiriem, die mij tot nu toe van zooveel nut geweest was, varen en trachtte zwemmende den wal te bereiken. Maar zwemmen in de branding! Het zijn pochers, die beweren dat te kunnen. Ja, in de Noordzee, bij Scheveningen! wanneer geen, of wel oostenwind blaast. Ik beweer een goed zwemmer te[215]zijn; maar zooals ik daar heen en weer gesmeten werd, is niet te beschrijven! Nu eens was ik op den top eener baar en werd met den spoed van een sneltrein den wal te gemoet gevoerd; eene seconde later plofte mij diezelfde baar in de diepte, brak over mij heen en deed mij onzacht op den zandigen bodem te recht komen, waarop ik onmogelijk stand kon houden. Met onweerstaanbaar geweld werd ik dan weer zeewaarts gesleurd, totdat ik mij opgezogen gevoelde in een machtigen golf, die aangerold kwam en mij in zijne statige krul opnam, om mij in het volgende oogenblik onder oorverdoovend gedonder te midden van een onmetelijke vlakte van wit schuim neer te smakken. Zoo werd ik een tijd lang heen en weer gesleurd, steeds in het grootste gevaar verkeerende, om door de scherpe rotspunten, waarmee die kaap omringd was, verscheurd te worden. Nu eens werd ik naar den wal toegedragen, en gloorde de hoop in mijn hart; in het volgende oogenblik, werd ik bedolven en sleepte het water mij zeewaarts, en beving doffe wanhoop mij. Zoo putte ik mij uit. Het had niet lang meer moeten duren, of mijne krachten hadden mij begeven.

„Eindelijk kwam er een veel hoogere golf aanrollen. Ontzetting greep mij aan, toen ik hem zag. Het was alsof een watermuur kwam aansnellen. Bij mij gekomen, krulde de toeijlende berg over mij heen, alsof hij mij wilde omhelzen, bedolf mij, smakte en rolde mij met onbeschrijfelijke hevigheid en voerde mij met zich voort, terwijl het water rondom mij donderde, kookte en schuimde. Toen ik tot het rechte bewustzijn terugkeerde, van wat met mij gebeurde, lag ik op het drooge en zag ik de watermassa, die mij aangevoerd had, bruischend en schuimend naar zee terugijlen, mij half in het zand bedolven achterlatende.[216]

„Ik sprong op; want het was zaak, mij buiten het bereik van een volgenden golf te stellen. In weinige sprongen was ik buiten gevaar en had het strand verlaten. Ik was gered.

„Ik werd door barmhartige menschen liefderijk opgenomen en verpleegd. Men bracht mij daarna naar dat klooster daar, hetwelk zich op de hellingen van den Pico boven kaap Adexe verheft. Daar bleef ik een paar dagen. Toen men vernam, dat ik protestant, eenheretico, was, ontdeed men zich zoo spoedig mogelijk van mij. Na mij toch liefderijk van de noodige kleeren voorzien te hebben, geleidde een kapucijner monnik mij langs binnenpaden naar een klein plaatsje op de zuidoostkust gelegen en Abona geheeten. Daar kreeg ik op voorspraak van mijn geleider vrijen overtocht aan boord van een klein kustvaartuig, deVirgen purissima, dat mij naar Santa Cruz overvoerde. Van daar vertrok ik als matroos aan boord van deSanta Lucia, een kleine schoener, naar Lissabon, van waar ik door bemiddeling van den Nederlandschen consul per stoomschip naar Engeland en verder naar Nederland geholpen werd. Ziedaar dames en heeren mijn wedervaren in deze wateren. Gij zult, hoop ik, nu wel begrijpen de uitdrukking, die ik straks bezigde, toen ik deFernandina Maria Emmain veilig water zag en met een zucht van verlichting uitriep, dat mij een pak van het hart gewenteld was.”

„Zijt gij alleen gered geworden, kapitein Butteling?” vroeg Adelien Groenewald.

„Neen, juffrouw, nog een meisje van veertien jaren is op een potdeksel of zoo iets op het eiland Gomera aangedreven. Zij was het eenigst kind van een paar, hetwelk te Barcelona te huis hoorde, maar naar Gran Canaria reisde om daar een familiefeest bij te wonen. Ik ben in die dagen naar Gran Canaria gereisd, werwaarts[217]ik door den Corregidor48opgeroepen was, om de identiteit van dat meisje te staven. Helaas, het arme kind was na de doorgestane verschrikkingen, na het verlies harer ouders, die zij onder hare oogen had zien verzwelgen, krankzinnig geworden. De geneesheer meende dat zij te herstellen was. Ik hoop dat hij waarheid sprak; ik heb haar evenwel nimmer teruggezien.”

„Arm kind!” zuchtte Adelien medelijdend.

„Hoeveel koppen waren aan boord van deSenhora Dolorès?” vroeg kapitein Van Dam.

„Negen man scheepsvolk en acht passagiers, waaronder het bedoelde meisje,” antwoordde kapitein Butteling.

„Dus zeventien personen, waarvan slechts twee gered werden! Het is schrikkelijk!”

Terwijl onze reizigers dat verhaal aangehoord hadden, was de wind veel verzwakt en liep deFernandina Maria Emmauiterst langzaam. Toen de middag waarneming ten einde was, bevond het fregat zich op 27° 33′ noorderbreedte en op 16° 44′ westerlengte.

De wind viel al meer en meer. Op den 29stenOctober bevond men zich op 26° 43′ noorderbreedte en op 17° 17′ westerlengte. Er waren dus slechts ongeveer vijftien mijlen in het etmaal afgelegd.

Den volgenden morgen vernamen de reizigers, toen zij aan het dek kwamen, dat het gedurende den nanacht bladstil was geweest. Nu evenwel vertoonde de zee eenige rimpeltjes, terwijl de bovenzeilen zich begonnen te vullen.

„Dat is de noordoostpassaat!” riep kapitein Butteling. „Nu zullen wij wel vaart gaan maken!”

De ervaren zeeman had gelijk. Weldra waren de zeilen gevuld, terwijl al de stagzeilen en zelfs aan den fokkemast de lijzeilen bijgezet werden. Het fregat lag dan ook, bakboord overhellende, en kliefde bevallig[218]het water, dat zij in een bruischenden golf voor den boeg uitwierp.

Daags daarna, dus den 31stenOctober, sneed deFernandina Maria Emmazoo omstreeks te negen uur des morgens den keerkring van den Kreeft.

„Dat is eene voorspoedige reis geweest,” merkte kapitein Butteling den reizigers op. „Wij zijn op 17 October des avonds in zee gegaan. Wij tellen nu 31 October. In veertien dagen tusschen de keerkringen! daarover valt niet te klagen. Blaast de passaat nu goed door, dan bereiken wij al gauw den Equator.”

De zeeman was blijkbaar in zijn nopjes. Er is geen tevredener wezen op de wereld dan een scheepskapitein, wanneer alles voor den wind gaat. Daarentegen zijn er ware knorrepotten onder, wanneer de wind uit den verkeerden hoek waait, of wanneer er geheel en al stilte intreedt. Onder deze laatste sorteerde kapitein Butteling volstrekt niet. Hij was evenwel meer opgeruimd, wanneer alles naar zijn zin ging, dan wanneer hij met tegenspoed te kampen had.

De noordoostpassaat blies tamelijk door, evenwel niet zooals de waardige zeerob gewenscht had. Toch maakte het schip dagen achter elkander gemiddeld 40 mijlen in het etmaal, wat nu niet bijzonder vlug genoemd kon worden; maar in den noordoostpassaat, die gewoonlijk niet sterk doorstaat, niet te versmaden was.

Den 6denNovember evenwel begon de wind in den namiddag te vallen, en weldra was het bladstil. Het middagbestek had aangegeven, dat deFernandina Maria Emmazich op 6° 49′ noorderbreedte en 23° 45′ westerlengte bevond. De noordoostpassaat verzwakte al meer en meer, totdat het schip tegen twee uur in den achtermiddag bewegingloos lag te dobberen en slechts heel loom en heel zacht door de deining gewiegd werd.[219]

Nog voor dat het drie uur was, had zich in het zuidoosten eene dikke wolkenbank vertoond, die snel naderde. Nadat de wind verzwakt en later geheel gevallen was, had zich eene ondragelijke warmte doen gevoelen. De stralen der dagvorstin vielen brandend neer, en deelden aan alle voorwerpen eene hitte mede, die niet afgekoeld werd, maar integendeel al meer en meer toenam. Onder de zonnetent, waaronder het bij het geringste briesje zoo verkwikkend kon zijn, onder die zonnetent was het onaangenaam warm. Het was alsof die loodzwaar en heet op de menschen daaronder drukte. Iedereen keek dan ook naar verademing uit, en vooral werd de naderende wolkenbank met een soort welgevallen aangestaard en verwelkomd.

„Daar komt poetssteen!” zei kapitein Van Dam tot den scheepsgezagvoerder.

„Daar komt de zuidoostpassaat,” antwoordde kapitein Butteling. „Dat treffen wij wel. Men kan hier soms dagen, soms weken liggen drijven, zonder een zuchtje te voelen. Men noemt dat hier den stiltegordel.”

„Hoe is de stroom hier?” vroeg Behren belangstellend.

„O! wij zijn hier in den equatoriaal tegenstroom, die ons zoo zachtjes westwaarts naar den golf van Mexico zou voeren; maar hij is hier zeer zwak, bijna onmerkbaar.”

„Drommels, dan zouden wij hier van de warmte kunnen profiteeren, als de windstilte aanhield!”

„Ja, dat zou kunnen,” antwoordde kapitein Butteling. „Bij de vorige reis lag deFernandina Maria Emmaruim drie weken, nagenoeg op dezelfde plek. Maar.… wij zullen het bij deze gelegenheid wel gunstiger treffen, kijk maar.”

Hij wees naar het zuidoosten.

Daar naderde die wolkenbank steeds en vrij vlug. Bij[220]hare nadering veranderde het blauwe water der zee langzamerhand van kleur, werd lichtblauw met eene fletsche tint, ging daarna tot flesschengroen, iets later tot donkergroen over, om eene grauwe tint aan te nemen, en eindelijk loodkleurig te schijnen onder de wolkenmassa, die als op het water rustte.

„Stagzeilen, bezaan- en grootzeil geien!” riep kapitein Butteling, die scherp in zuidelijke richting uitkeek.

Men was nog lang niet klaar, toen het tweede commando volgde:

„Bovenbramzeilen engrietje geien!”

Een tweede ploeg matrozen, geholpen door soldaten, toog aan het werk. Toen de eerste ploeg klaar was:

„Bramzeilen en kruiszeil geien!” klonk het commando.

„Gij kleedt de dame uit,” zei kapitein Van Dam met een glimlach.

„Het is tijd ook, dat zij die falbalas aflegt,” antwoordde kapitein Butteling. „Kijk maar!”

In het zuiden naderde een band over het water, die gitzwart geleek, maar waarachter de zee begon te bewegen en kleine golven vertoonde, die evenwel met witte kopjes gekuifd werden. Het schip lag thans onder den fok, de marszeilen, het bagijnezeil en den kluiver.

„Nu kan de bui komen,” grinnikte stuurman Ellenbaan. „DeFernandina Maria Emmais gereed haar te ontvangen.”

De stuurman had ter nauwernood uitgesproken of daar vloog de eerste windvlaag huilend door het want. Het fregat boog lichtelijk onder dien aanval, maar hervatte onmiddellijk koers.

„Zuid ten westen voor!” riep de scheepskapitein den roerganger toe.

Het was eene echte tropische bui, die het schip bezocht. Aanvankelijk zweepte de wind woedend de golven[221]omhoog, floot door het want, dreigde alles met zich mee te sleuren. Hij nam evenwel in kracht af, toen de donder zich liet hooren en de regen begon te vallen. De eerste bliksemschichten, die het ruim doorkliefden, waren verblindend wit, terwijl de donderslagen zoo hevig waren, dat het schip tot in zijne inhouten dreunde en het gehoor pijnlijk aangedaan werd. De regen, die viel, was een echte intertropische regen. Het waren geen droppels die vielen, maar waterstralen, schier ter dikte van een pijpesteel, die dicht naast elkander vallende, een scherm, een gordijn van water vormden, welke belette, op weinige passen afstand iets te ontwaren.

Toen die regen viel, ontspon zich een allerkoddigst tooneel op het dek van het fregat. Dat, met zooveel menschen aan boord, zeer zuinig met den watervoorraad moest omgesprongen worden, ligt voor de hand. Er werd niet meer verstrekt dan stipt noodig was. Voor het wasschen van kleedingstukken b.v. werd geen droppel uitgegeven, en moesten matrozen en soldaten hunne plunje met zeewater reinigen, waarbij de zoogenaamde zeezeep, die van Harderwijk medegegeven was, dezelfde dienst als een stuk kaarsvet, waarmede het goed ingesmeerd werd, deed. Toen nu het regenwater zoo overvloedig begon te stroomen, waren al heel spoedig een groot aantal handen bedrijvig om het dek van deFernandina Maria Emmain eene waschtobbe te veranderen, en vloten vooruit geheele beken zeepsop, die evenwel door den dicht neervallenden regen dadelijk weggespoeld werden. Overal zag men mannen de stralen water opvangen, die van de zonnetenten, uit de zeilen langs het touwwerk enz. afstroomden, deze in een kom, gene in eene mok, een derde in een leeg blik van verduurzaamde levensmiddelen, een andere in zijne veldflesch; en hoewel dat regenwater door de aanraking met het geteerd touwwerk[222]wel een bruin tintje deelachtig was geworden, zoo werd toch menigen hartigen teug van het overvloedige vocht genomen, want het water uit den scheepsvoorraad had o! zoo’n muffe lucht en smaak.

Toen de zon ondergegaan was, scheurde het floers dat den hemel bedekte. De regen hield op, de wolken verspreidden zich of losten zich op en weldra schitterden de sterren aan het uitspansel en weerkaatsten liefelijk in den oceaan. De zuidoostpassaat zuchtte zacht door het touwwerk van het fregat en vulde de bovenzeilen, dieweldra bijgezet waren, maar die hij toch nog niet vermocht bol te doen staan.

„Dat zal wel beter gaan,” verzekerde kapitein Butteling. „Als wij dien passaat maar eerst te pakken hebben! Hoe zuidelijker wij komen, hoe meer hij zal doorstaan en ook hoe ruimer hij zal worden.”

Ja, de voorspelling kwam uit. Reeds den volgenden dag—8 November—stonden de zeilen iets boller en wees het middagbestek aan, dat men op 5° 13′ noorderbreedte en 24° 26′ westerlengte gekomen was, en dat het fregat in het laatste etmaal 27 mijlen had afgelegd. Dat laatste cijfer klonk niet hoog; daarbij moest evenwel in rekening gebracht worden, dat gedurende een groot gedeelte van het etmaal windstilte geheerscht had, terwijl de later doorgekomen passaat zich nog niet krachtig had laten gelden.

Het was dien dag zondag en bijgevolg zouden Frank Brinkman en Herman Riethoven weer de gasten van den heer Groenewald zijn. Toen de jongelieden hunne opwachting bij de dames van hunnen gastheer gemaakt en dezen laatsten de hand gedrukt hadden, verzocht Frank den heer Groenewald hen in de gelegenheid te stellen den detachements-kommandant en den scheepsgezaghebber te spreken. Zij hadden, beweerden zij, die autoriteiten[223]wichtige mededeelingen te doen en hadden om opzien te vermijden, het rapport niet willen aanvragen, dat trouwens op zondag niet gehouden werd.

Weinige oogenblikken later hadden de twee onderofficieren in de kajuit van kapitein Butteling plaats genomen en verbeidden hunne toehoorders de toegezegde mededeelingen.

„Heden nacht kon ik door de warmte beneden niet slapen,” sprak sergeant Riethoven, „ik had dan ook mijn beddeken opgenomen, eene toevlucht op de koebrug gezocht en daar eene uitmuntende schuilplaats gevonden in het koelzeil, dat op die brug neergelaten was. Ik had daar eene heerlijke ligplaats en zou ook daar een gerusten slaap genoten hebben, ware het niet dat een fluisterend gesprek, hetwelk onder de koebrug vlak onder mij gehouden werd, mijne aandacht getrokken had. Gij weet het, dat bij de vreeselijke warmte, die in deze streken in het tusschendek heerscht, velen hunne toevlucht op het dek zoeken, en dat daar groepjes tot laat in den nacht zitten te praten. Ik was dus daaraan gewoon en zou ook op dit gesprek niet gelet hebben, wanneer de bijzondere zorgen om toch door niemand anders verstaan te worden, mijne nieuwsgierigheid niet opgewekt had. Zoodra toch de stem van een der sprekers slechts even het fluisteren te boven ging, klonk een waarschuwend: sjt! sjt! en deed die stem dalen. Mij ontging daar boven geene lettergreep, hoe zacht zij ook fluisterden.

„Het gesprek werd in het Duitsch gevoerd, en had tot onderwerp een opstand, die gesmeed wordt, om zich van het schip meester te maken en daarmee kaap Hoorn om te stevenen, en eene toevlucht in een der havens van de westkust van Zuid-Amerika te zoeken. Ik heb zelfs den naam van Iquique gehoord.”[224]

Kapitein Butteling greep eene kaart en tuurde daar een oogenblik op.

„Drommels! ze houden van reizen,” zeide hij. „Iquique ligt op de Peruaansche kust op 21° zuiderbreedte. Maar ga voort.”

„Het plan schijnt zeer eenvoudig te zijn. De samenzweerders meenen den dag van het Neptunus-feest uitstekend te kunnen benuttigen.”

„Dus, dat is vrij aanstaande,” zei kapitein Van Dam niet zonder bezorgdheid.

„Ik denk dat wij den 11enof 12enden evenaar zullen snijden,” antwoordde kapitein Butteling. „Maar ga voort, sergeant.”

„Men schijnt er op te rekenen dat dien dag veelvuldig extra-oorlam zal geschonken worden, en dat het grootste gedeelte van het detachement en verreweg de meeste matrozen des avonds, ten gevolge van den genoten sterken drank, zeer slaperig zullen zijn. In het holst van den nacht zullen de samenzweerders zich op de scheeps-officieren en de passagiers achteruit werpen en die.…”

Hier aarzelde Herman een oogenblik.

„En die vermoorden, niet waar?” vulde kapitein Van Dam aan. „Ga voort toch.”

„Daaromtrent zijn de meeningen verdeeld. Er zijn er bij, die tegen bloedvergieten gestemd zijn; maar het meerendeel der samenzweerders is er voor, den detachements-kommandant met zijne officieren over boord te werpen.…”

„Niets minder dan dat?” vroeg kapitein Van Dam lachend.

„En van de scheepsofficieren slechts die te sparen, die gereed zouden zijn het schip naar Iquique te voeren; terwijl de hoop gekoesterd wordt, dat bij weigering de[225]stuurlieden Abels en Bagman daartoe te noodzaken zullen zijn, al was het door middel van mishandeling.”

„Maar hoe groot is het getal dier samenzweerders?” vroeg kapitein Van Dam.

„Dat weet ik niet, kapitein,” antwoordde Herman. „Ik mocht geene beweging maken, om mij niet te verraden en in die buis van zeildoek, waarin ik mij besloten bevond, was niets te ontwaren. Toen ik in dat koelzeil kroop, zat niemand onder de koebrug, dat kan ik verklaren. Op het aantal stemmen, die ik waarnam, afgaande, zou ik zeggen, dat daar een twaalftal personen vereenigd zijn geweest.”

„Hebt gij ook een hunner aan zijne stem herkend?” vroeg kapitein Van Dam.

„Geen enkelen, kapitein. Maar, daarvan ben ik overtuigd, dat het meerendeel Zwitsers zijn, en dat onder hen ook een paar Duitschers schuilen.”

„Het zou toch onzinnig zijn met een twaalftal zoo’n onderneming op touw te zetten,” meende kapitein Butteling.

„Zij hebben vele aanhangers onder de overige Zwitsers en Duitschers. Ja, ze schijnen op al de vreemdelingen te mogen rekenen.”

„En ook op Hollanders?” vroeg kapitein Van Dam met veel belangstelling.

„Die wantrouwt men ten hoogste. Als het oogenblik van uitvoering daar zal zijn, zal men het groote luik dicht gooien, om hen te verhinderen aan het dek te komen. Toch heb ik een naam hooren noemen van een Hollander, die in het complot betrokken schijnt.”

„En die naam is?”

„Zondervan, kapitein. Een Amsterdamsche jood.”

Nathan Zondervan was zoo wat de negociant aan boord. Hij dreef handel in alles, wat in de gegeven[226]omstandigheden maar te bedenken was. Hij had zwam, vuurslag en vuursteenen in voorraad; hij verkocht tabak en sigaren, die schrikkelijk stonken; hij verschacherde zijne scheepsbeschuit, soms zijn ration wijn, steeds zijn ration spek, waarvoor hij in een Pommerschen boerenlummel een willigen kooper gevonden had. Maar het meesterstuk van zijn handel was het verkwanselen van zijn oorlam. Daarin had hij het toppunt van handelsgenialiteit bereikt. Het was natuurlijk stipt verboden het ration jenever, dat driemaal daags verstrekt werd, op tezamelen. Ieder militair was verplicht bij den stuurman, die de oorlam uitreikte, zijn rantsoen sterken drank terstond uit te drinken. Steeds was een der officieren bij de distributie aanwezig, en hadden de onderofficieren en korporaals in last, scherp op de nakoming van deze verordening toe te zien. Dat evenwel zoo’n onnoozel musje jenever, hetgeen ongeveer vijf vingerhoeden bevatte, voor menig dranklustigen niets meer dan eene kwelling was, is wel te begrijpen. De listen waren dan ook veelvuldig, die gebezigd werden, om die bepaling te ontduiken; en Nathan Zondervan had daarin eene hoogte bereikt, die ongeëvenaard mocht heeten. Bij elke gelegenheid, dat oorlam uitgereikt werd, trad hij voor, wanneer zijn naam afgeroepen werd, nam het blikken maatje, waarin de jenever uitgemeten was, van den stuurman aan, wipte den inhoud met eene onnavolgbare bevallige beweging der hand in zijn wijd opengesperden mond, sloot dien, draaide onberispelijk op zijne hielen, bracht het buitenvlak zijner rechterhand eerbiedig aan de klep zijner kwartiermuts voor den toezichthebbenden officier en verwijderde zich; terwijl een andere naam afgeroepen werd, en de drager van dien voortrad om op zijne beurt dat lekkere kostje in ontvangst te nemen.

Wie evenwel Nathan Zondervan navolgde, zag hem[227]achter den fokkemast sluipen en daar den inhoud van zijn mond zorgvuldig, zonder een droppel verloren te laten gaan, in een blikken mokje ledigen, hetwelk hem door een ander, door een dronkaard voorgehouden werd, die dien dronk telkenmale met een dubbeltje betaalde. Diebijzonderheidwist men toen niet; maar vernam die eerst later.

Toen de beide kapiteins het verhaal van Herman Riethoven aangehoord hadden, legden zij hem en ook aan Frank het diepste zwijgen op. Met geen woord, met geen gebaar mochten zij laten blijken, dat zij iets van den toeleg wisten. De beide kapiteins eischten die geheimhouding eensdeels: omdat zij nog zoo geheel overtuigd niet waren, dat een zoodanig komplot gesmeed was, anderdeels: omdat, bestond zoo’n komplot, de minste argwaan tot eene ontijdige uitbarsting aanleiding kon geven; terwijl eindelijk van de schuldigen niemand bekend was en het toch zaak was, de belhamels te ontmaskeren.

„Laten wij nu weer naar het dek gaan” sprak kapitein Butteling. „Straks na den lunch verzoek ik evenwel de beide jongelieden mij een handje te willen helpen, de scheepswapenen in gereedheid te brengen.”

„Wilt gij nog meer helpers hebben?” vroeg kapitein Van Dam.

„Neen, neen, wij zijn talrijk genoeg. Meer helpers kunnen slechts doen uitlekken, dat wij op de hoogte zijn.”

Zoo als afgesproken was, werd ook gehandeld. Onze onderofficieren vermaakten zich uitstekend gedurende den lunch. Adelien en Emma Groenewald keken evenwel eenigszins vreemd op, toen na afloop van het maal kapitein Butteling de jongelieden in zijne hut riep, onder voorgeven dat hij hun eenig schrijfwerk wenschte op te dragen, hetwelk zij dan de volgende dagen zouden kunnen volvoeren. Het baarde evenwel geen argwaan en[228]toen de beide sergeanten des namiddags aan het diner verschenen, werd over dat afwezig zijn, niet anders gesproken, dan dat Adelien aan tafel kapitein Butteling te kennen gaf, dat zij het niet aardig vond, dat hij de jongelieden zoo met schrijfwerk overlaadde.

Lachend dreigde de zeeman het jonge meisje met den vinger; maar antwoordde niet. Toen evenwel van tafel opgestaan werd, fluisterde hij haar lachend in het voorbijgaan in het oor:

„Dat gemis van het bijzijn van den goeden Frank zal ruimschoots vergoed worden. Ik ben voornemens van af morgenochtend dagelijks de beide onderofficieren in de kerk schrijfwerk te geven.”

Het jonge meisje bloosde zichtbaar bij het vernemen van die woorden. Snel bukte zij zich om dien blos te verbergen; toch kon zij niet nalaten een lieftalligen blik op den gezagvoerder te werpen, dien deze opving.

„Het zou mij sterk verwonderen,” mompelde hij in zich zelven, „wanneer niet een dezer twee onderofficieren, zoo niet beiden, op de plantage van papa Groenewald te recht kwamen. Hij zou evenwel ongelukkiger keus voor zijne dochters kunnen doen.”

Den volgenden morgen hield kapitein Van Dam eene inspectie over zijn onderhebbend detachement, waarbij hij de manschappen ernstig afvroeg: of zij ook eenige klachten in te brengen hadden, ten opzichte van voeding en verdere verpleging, of ten opzichte der handelingen van de officieren en onderofficieren of van wege het scheepsvolk. Geen mensch trad voor, geen enkel bezwaar werd ingebracht.

„Dus, niemand heeft eenige reclame in te brengen?.… Nu, des te beter; dat doet mij genoegen,” betuigde hij. Plotseling voor Nathan Zondervan stilstaande, vroeg hij dien:

„Ben je geen schoenmaker van je ambacht, Zondervan?”[229]

„Schoenlhapper, heer khapthein,” antwoordde Nathan, terwijl hij eerbiedig het militair salut maakte.

„Juist. Ik heb eenig reparatiewerk. Je zult wel een paar gulden willen verdienen, nietwaar?”

De oogen van den jood schitterden van hebzucht.

„Asjeblhieff, heer khapthein!” stamelde hij.

„Kom dan straks bij mij beneden,” gelastte kapitein Van Dam.

De jood wisselde met een in het gelid naast hem staanden Zwitser van kolossale grootte een blik van verstandhouding, die den detachements-kommandant niet ontsnapte.

Toen deze in zijne hut teruggekeerd was, greep hij een bundel stamboek-extracten, het detachement onder zijne bevelen betreffende, bladerde daarin een poos en las, toen hij gevonden had wat hij zocht:

„Peter Taugwalder, zoon van Peter en van Antonia Bräntschen. Geboren den 20enJuli 1839 te Zermatt, kanton Wallis in Zwitserland. De vader is een beroemde berggids voornamelijk voor den Monte Rosa.”

„De inlichting is schraal,” mompelde de kapitein.

„Maar laat mij zijn staat van dienst eens inzien.”

Hij bekeek het extract-stamboek aan den anderen kant. „Hm! hm! Is officier geweest bij het Duitsche vreemdenlegioen in Engelsche dienst. Bij de ontbinding van het korps is hij ontslagen en daarna naar Engeland gereisd, van waar hij zich naar Harderwijk begeven heeft.… Hier staat nog eene potloodaanteekening;… laat zien … Is een eerzuchtig man en bezit een energiek karakter.”

„Ho! ho!” riep kapitein Van Dam uit.

Hij had evenwel den tijd niet om zijn gedachtengang te vervolgen. Er werd aan de deur geklopt.

„Binnen!” riep hij.[230]


Back to IndexNext