[Inhoud]VIII.De Muiterij.Het was Nathan Zondervan, die de deur opende.„Ikke khom voor de rheparasie, khapthein,” sprak hij.„Zoo, ja; doe de deur toe, Zondervan. Wacht, ik zal het zelf doen. Het patrijspoortje staat open, anders tocht het geweldig.”De kapitein trad op de deur toe, wierp een blik in de kerk, waarop zijne hut uitkwam en zag dat die ledig was. Alle passagiers waren boven op dek. Hij sloot daarop de deur en draaide den sleutel om. Op die beweging ontstelde de jood zichtbaar.„Je komt voor de reparatie, Zondervan?” zei de kapitein. „Maar, ik geloof dat ik jou eens duchtig moet repareeren. Wat dunkt je?”„Ikke, heer khapthein?” vroeg Nathan met een gemaakten glimlach, die veel onrust verried.„Ja, jij! Wat heb jij met den Zwitser Taugwalder uit te staan?”„Ikke?… Nhiks, khapthein!”„Niet liegen, Zondervan!” zei de kapitein, terwijl hij eene karwats van een wapenrek nam, dat boven zijne slaapstede hing. „Als je liegt, dan krijg je een pak van mij, dat je familie in den Jordaan er hulp om schreeuwt;[231]dan stop ik je daarenboven in het kabelgat49in de boeien. Als je mij bedriegt, dan ga je te Batavia voor den krijgsraad. Dus kort en goed: Wat heb jij met den Zwitser Taugwalder uit te staan?”„Ikke?… khapt.…”„Ga niet voort met je ontkenning, Zondervan; ik weet alles. Je maakt deel uit van een komplot dat ten doel heeft de officieren allen te vermoorden, zich van het schip meester te maken, en daarmede naar Iquique te zeilen. Ben ik goed ingelicht, ja of neen?”„Ghot van Abrham, Isaakh en Jakhob!” stamelde de jood.„Laat die voorouders van jou maar met vreê!” zei de kapitein, terwijl hij driftig de karwats fluitend heen en weer bewoog. „Zondervan, voor den laatsten maal: wat heb jij met den Zwitser Taugwalder uit te staan?”„Genhade! heer khapthein! Genhade!” riep Nathan terwijl hij op de knieën viel. „Ikke zhal alles zegghen.”En nu volgde een verhaal, hetwelk de lezers in hoofdzaak reeds kennen, maar waarbij Zondervan de namen der hoofdaanleggers mededeelde. Dat waren in de eerste plaats een Italiaansche Zwitser, Schlapina genaamd, afkomstig van het kanton Tessin; dan de reeds genoemde Taugwalder; terwijl sergeant Riethoven zeer goed gehoord had, dat het grootste gedeelte der vreemdelingen gemeene zaak met de belhamels maakten.„Maar, hoe kom jij als Nederlander daarin betrokken?” vroeg kapitein Van Dam.„Ach Ghot,” antwoordde de jood. „Ikke heb me laten meeslepen, khapthein. Ik dacht in den beginne nhiet dat het zoo erg zou zijn. Waarachtig as Ghott nieth! Ze gafen me nu en dan ’n dubbeltje en dan moest ik haarlui vertellen, hoe het in het matrozenlosies uitzhag. Ikke khom daar veel voor men neghosie. Toen ik hier na toe[232]ghing, moest ik ook belhoven alles hier goed op te nhemen, en dat straks te vertellen. Ghot! Ghot! wat moet ikh doen?”„Luister eens, Zondervan,” zei de detachements-kommandant. „Je zit in den pekel, man. Veel zal er evenwel van je afhangen om er uit te komen.”„Spreekh, heer khapthein,” bad de jood handenwringend, „ikke wil door het vier lhoopen!”„Bedaar man. Vooreerst, je vertelt wat je wilt, hoe het er hier uitziet; maar.… geen woord van wat hier gesproken is. Als ik gewaar word, dat je ook maar een enkel woord verklikt hebt, dan ga je het kabelgat in tot Batavia toe en daar zullen ze je wel aan een sterkhenneppendasje helpen. Ze hebben je toch de krijgsartikelen voorgelezen, nietwaar? Hij, die.…”„Genhade! khapthein, genhade! Ikke zal doen wat de khapthein gelast!”„Dat is dus begrepen … Ja nog wat. Van de geringste verandering in de gemaakte plannen geef je me kennis. Je fluistert stuurman Abels maar in ’t oor, dat je mij te spreken hebt. Die is op de hoogte. En nu, opgepast en uitgerukt, marsch!”„En de rheparaassie, khaptein?” vroeg de sluwe jood. „What mot ikke segge, as ik zonder rheparaassie verschijn?”„Je hebt gelijk. Hier zijn twee paren laarzen, die je schoenlappers-talenten vereischen, en hier eene pistoolholster, waarvan de naad open gebarsten is. Als je me wat mee te deelen hebt, kan je die voor en na terugbrengen, dan heb je den stuurman niet noodig; en nu uitgerukt, marsch!”„Ach Ghot! ach Ghot!” bad de jood, terwijl hij heenging. „What mot dat worden?”De reis ging verder voorspoedig. Op den 10denNovember[233]bevond zich deFernandina Maria Emmabij het middagbestek op 2° 7′ noorderbreedte en op 28° 23′ westerlengte en had in het laatste etmaal 43 mijlen afgelegd, hetgeen in die streken zeer bevredigend mocht heeten. De zuidoostpassaat wakkerde nog aan; zoodat de voorzegging niet al te gewaagd voorkwam, dat de Evenaar den volgenden morgen gepasseerd zoude worden. Van het vieren van het Neptunus-feest had kapitein Butteling evenwel afgezien. Onder voorwendsel om krakeel te voorkomen tusschen de soldaten en de matrozen had hij de laatsten overreed Neptunus maar van boord te houden. Zij zouden er toch geen schade bij lijden. Dat was wel eene teleurstelling voor Janmaat, die er zich veel pret van beloofd had; maar vooral voor de samenzweerders, die zoo hadden gehoopt, dat de uitgelatenheid bij dat feest gewoon, en de daarbij geplengde oorlammen, tot eene verhoogde slaperigheid aanleiding zouden geven, die hunne plannen zeer zoude bevorderd hebben. Zij zagen evenwel van hunne voornemens niet af, hetgeen uit de gehouden gesprekken bleek, die Herman Riethoven van uit zijn schuilplaats op de koebrug den avond te voren opving, ook uit de mededeelingen van Nathan Zondervan, die den kapitein den volgenden morgen reeds een paar opgeknapte laarzen terugbracht. Hij vertelde, dat de aanslag des nachts tegen dat het twee glazen in de hondenwacht zou slaan, zou volvoerd worden. De belhamels rekenden er op, dat dan de geheele bemanning van het schip voor het meerendeel in diepe rust zoude zijn.„Hebben zij wapens?” vroeg de kapitein aan den jood.„Nah! dat wheet de khapthein beter as ikke,” antwoordde Nathan. „Buiten hinne zhakmesse hebbe ze nikhs.”De dag van den 11enbrak onder die omstandigheden aan. Reeds bij zonsopgang, werden al de vlaggen aan[234]alle toppen geheschen en wapperden vroolijk in de bries. De zuidoost-passaat was gedurende den nacht nog aangewakkerd. Alle zeilen stonden bol, deFernandina Maria Emmalag bevallig stuurboord overhellende en voerde zoo veel doek, als zij maar dragen kon. Een opmerkzaam zeevarende zou het evenwel opgevallen zijn, dat het bezaanzeil niet bijgezet was, ook dat een der schoten van het grootzeil omhoog geheschen was. Toen de jonge dames als ervaren zeereizigsters—zij maakten reeds hare tweede reis om de Kaap de Goede Hoop—kapitein Butteling de redenen daarvan vroegen, maakte hij er zich van af door de verklaring, dat het bezaanzeil het schip te veel op zijn roer deed wringen en dat het grootzeil te veel wind aan het fokkezeil benam. De ware reden was evenwel, dat die twee zeilen het uitzicht over het dek te veel belemmerden en het zaak was om al de bewegingen, die daar geschiedden, in het oog te houden.Tegen tien uur in den ochtend werd een salut van een en twintig schoten met de twee aan boord aanwezige kanonnen gegeven, die daartoe op bevel van kapitein Butteling op het achterdek gevoerd waren en nu hunne rookspiralen prachtig over de zeeoppervlakte zonden, en de lucht met hun gedonder feestelijk vervulden.Bij het eerste schot trad de bootsman, die even als al de matrozen, uit wier naam hij kwam, in zijn zondagspak gestoken was, op kapitein Butteling toe en heette hem en zijne stuurlieden welkom in het zuidelijk halfrond. Daarna vervulde hij dezelfde plichtpleging bij de passagiers, en ontving van allen in dank een hartelijken handdruk. Ook de onderofficieren kwamen hunne chefs gelukwenschen en werden even hartelijk bejegend. Onbevreesd stapte kapitein Van Dam tusschen zijne manschappen, die hem met luide kreten omringden en de[235]hand, die hij hen toestak, voor het oog althans met innigheid drukten.Kapitein Butteling kon zijne goedkeuring aan die ridderlijke handeling niet onthouden; toch had hij den officier met een bezorgden blik nageoogd, toen deze zich naar voren begaf. Maar het was goed afgeloopen, men moest zich nu maar aan de genoegens van den dag overgeven en niet te zeer aan de toekomst denken.„Hebben de dames al eens de linie gezien?” vroeg stuurman Bagman aan Emma en Adelien Groenewald.„De linie gezien?!” antwoordde Emma verbaasd. „Kom, stuurman, je neemt een loopje met ons. Denk er om, dat wij haar niet voor den eersten maal passeeren.”„Dat weet ik wel,” hernam de stuurman lachende; „maar heeft men u toen de linie niet laten zien? Ik kan dat niet galant vinden van de scheepsofficieren van de.…”„Johanna Christina,” vulde Adelien aan.„Van deJohanna Christina.”„Maar, is die linie te zien?” vroeg Adelien met een ongeloovigen glimlach. „Ik meende dat het slechts een denkbeeldige lijn was.”„Of zij te zien is? Dat zou ik meenen! Wilt gij u dadelijk overtuigen?” vroeg de stuurman, terwijl hij Adelien den grooten scheepskijker overgaf, dien hij in de hand had. Dat was een gevaarte van een meter lang, die het meisje onmogelijk behandelen kon. Zij wenkte Frank Brinkman, dien zij ontwaarde, en deze hielp haar den kijker te richten.„Zie zoo,” sprak Frank, terwijl hij den telescoop ondersteunde en hem voor haar oog bracht, waarbij hij het hoofd over haren schouder moest buigen, zoodat hunne wangen elkander zeer nabij waren en hunne handen elkander raakten.[236]Het meisje keek lang door den kijker, eigenlijk om den blos, die haar gelaat bij die aanraking overdekte, te verbergen. Eindelijk, toen zij zich genoegzaam hersteld had, gaf zij den kijker aan stuurman Bagman terug, die het geheele tooneel met een wijsgeerig oog had aanschouwd.„Wel, hebt gij de linie gezien?” vroeg hij ondeugend.„Och loop,” sprak zij, „er is niets te zien!”Neen, het lieve kind had niets gezien. Zij had de oogen gesloten, toen Frank’s hand de hare aanraakte, toen zij zijnen warmen adem in haren hals voelde.„Niets te zien!” riep stuurman Bagman verwonderd uit.„Wat is er stuurman?” vroeg Behren, die in de nabijheid stond en nu nader trad.„Juffrouw Groenewald heeft de linie niet gezien,” antwoordde de stuurman.„De linie?” vroeg de apotheker verbluft.„Ja zeker, de linie. Wilt u ze zien?”Hij reikte Behren den kijker over. Deze tuurde er een poos door, nam hem voor zijne oogen weg en keek toen met alle aandacht naar buiten.„Ik zie nu niets,” mompelde hij, terwijl hij den kijker weer voor het oog bracht.„Duivels, daar is het weer! Neen, nu zie ik het goed!”Stuurman Bagman stond zich te verkneukelen van de pret.„Wat ziet ge?” vroeg Van Diepbrugge, die het groepje nader getreden was.„Mijnheer Behren ziet de linie,” zei stuurman Bagman.„Behrtje ziet de linie!” juichte Van Diepbrugge.In een oogwenk had hij al de passagiers rondom zich. Denniston[237]had hem den kijker afgenomen en keek ook er door.„Wel, de apotheker heeft gelijk. Ik zie de linie ook,” zeide hij.„Hoerah voor de linie!”„Hoe ziet zij er uit?”„Heeft zij een pantalon collant aan?”„Of een crinolien?”„De linie met eene crinolien! dan moet zij de geheele intertropische gewesten overschaduwen!” deklameerde Slierendrecht.Intusschen ging de kijker van hand tot hand en ieder erkende de linie te zien. Stuurman Bagman stond te dansen van de pret.Eindelijk kwam de kijker bij kapiteinVanDam.„Drommels!” zei deze, na even er door gekeken te hebben. „Dat is een nieuwmodel linie, die staat loodrecht op den horizon. Misschien heeft die te veel „bezaanschoot aan” gehad.”Allen lachten om den kwinkslag. Maar de grap was ontdekt. KapiteinVanDam had den kijker eenigszins gedraaid voor het oog gebracht, waardoor het paardenhaar, dat de stuurman aan den binnenkant van de beneden lens gespannen had, den gezichteinder sneed en de fopperij aan het licht bracht.„Ik wist waarachtig niet, wat ik gelooven moest,” betuigde de apotheker. „Als ik den kijker voor het oog had, zag ik duidelijk eene zwarte streep; als ik den kijker liet zakken was de linie weg.”Een flink hoera was de belooning, die stuurman Bagman voor zijn snakerij ten deel viel.Gedurende het bezichtigen der linie, was Herman Riethoven kapitein Van Dam onmerkbaar genaderd. Van een oogenblik van gejuich gebruik makende, boog hij zich tot hem.[238]„Kan ik u even spreken, kapitein?” fluisterde hij onhoorbaar voor ieder ander.De kapitein, zonder hem aan te zien, knikte toestemmend.„Sergeant Riethoven,” sprak hij een oogenblik later. „Ik heb de zakboekjes van het detachement te voorschijn gehaald. Het wordt tijd, dat die bijgewerkt worden. Kom, ik zal ze u toonen, dan weet gij ze te vinden en kunt ge morgen met Brinkman dadelijk aan het werk gaan.”Toen beiden beneden gekomen waren, vroeg de kapitein:„Welnu, wat hebt ge mij mede te deelen?”„Ik niets, kapitein. Maar hier is een briefje, dat de fuselier Zondervan mij in de hand gestopt heeft, met verzoek u dat te overhandigen.”Het briefje was niet dichtgemaakt.„Hebt gij den inhoud gelezen?” vroeg de officier.„Neen, kapitein!” antwoordde Herman, het militair salut makende, gereed om heen te gaan.„Blijf nog een oogenblik, sergeant.… Ziehier, wat de fuselier Zondervan mij schrijft:„De aanval op het achterschip zal heden nacht geschieden. Terwijl een klein gedeelte der samenzweerders zullen trachten langs den kajuitstrap naar beneden te dringen, zal het gros van uit het tusschendek in het logies der onderofficieren doorbreken, deze laatsten onschadelijk maken of dooden, en dan door de verbindingsdeur van uit dat logies de aanvallers langs den trap te hulp komen.”„De zaak verwikkelt zich,” merkte de kapitein op. „Zijn uwe collega’s allen te vertrouwen, sergeant Riethoven?”„Volkomen, kapitein. Op twee na zijn het allen Nederlanders, en de bedoelde twee zijn Duitschers, die de[239]hoop koesteren, eenmaal den officiersrang te verwerven.”„Ik weet het. Gaat nu stil heen, spreekt met een paar uwer kameraden, in dier voege, dat zij u heden avond een handje helpen om de toegangsdeur tot het onderofficiers-logies te versperren. Dat is immers gemakkelijk te doen, niet waar?”„Zeer gemakkelijk. Een paar bakskisten op elkander met een paar klampen vastgezet, dat zal gauw genoeg gedaan zijn; maar kapitein denk er om, dat het geheele beschot, hetwelk het onderofficiers-logies van dat der manschappen scheidt, slechts bestaat uit zeer dunne planken, die niet eens gevoegd zijn. Dat beschot zal hen niet lang tegenhouden.”„Als het maar zoolang tegenhoudt, tot dat de onderofficieren door de verbindingsdeur in het achteruit kunnen wijken, dat is voldoende. Veroorzaak nu geen ongerustheid voor den tijd. Heden avond kunt gij uwe collega’s op de hoogte brengen, evenwel zoo, dat de samenzweerders er niets van vernemen. Bij het eerste alarmsein vervoegen de onderofficieren zich bij ons, dan zullen zij wel verdere bevelen van mij ontvangen.”Toen beide mannen aan het dek kwamen, waren juist de middag-waarnemingen geëindigd en toonde het bestek aan, dat het fregat zich op 0° 18′ zuiderbreedte en op 30° 25′ westerlengte bevond. Het schip had in het laatste etmaal 57 mijlen afgelegd.De dag spoedde verder genoegelijk ten einde. De manschappen van het detachement zaten in groepen op het dek zich voor het oog te vermaken met lotto- en dominospel. De scheepsgezagvoerder liet herhaaldelijk bier verstrekken, ook gaf hij ieder man extra eene halve flesch wijn; maar behalve het gewone rantsoen sterke drank werd geen enkele oorlam meer uitgereikt.Toen de avond gevallen was, werden volgens oud gebruik,[240]leege teertonnen met allerhande brandbaar materiaal gevuld, achter den spiegel te water gelaten en in brand gestoken, alvorens ze los te laten. Die drijvende, vurige eilanden, welker vlammen eindeloos ver konden waargenomen worden, maakten een wondervol effekt in het donker van den nacht, effekt dat nog verhoogd werd door de weerkaatsing der vlammen in de spelende golven.Tegen tien uur liet kapitein Butteling eenige vuurpijlen en blikvuren50afsteken, welke laatste vooral met hun gekleurd licht een fantastische uitwerking hadden. Om de feestvreugde te verhoogen, werd nog eene uitdeeling van bier gedaan, waarna het feest met drie flinke kanonschoten besloten werd.Toen de stukken binnen boord gehaald waren, laadde stuurman Abels ze, onder voorwendsel van ze te wisschen, met schrootbussen. In het duister kon dat geschieden zonder opgemerkt te worden. Ongemerkt ook draaide hij de rolpaarden zoodanig, dat de stukken het geheele achterschip bestreken.Tegen elf uur blies de hoornblazer van het detachement taptoe en werd het langzamerhand stil op het dek.„Ik weet niet wat mij scheelt,” had Adelien tegen Frank gezegd, „maar er heerscht iets geheimzinnigs rondom ons. Ik voel mij beklemd, alsof een groot gevaar ons bedreigt. En toch is er niets, waarop die gewaarwording steunen kan.”„Het beste geneesmiddel daartegen is de slaap,” antwoordde Brinkman. „Gij zult goed doen, juffrouw Adelien, te gaan rusten. Het is trouwens ook al laat.”Het meisje keek hem vreemd aan. Het was haar of hij haar verwijderen wilde. Maar, nog had zij geen woord van tegenwerping kunnen uiten, toen hare mama haar riep.[241]„Kom Adelien,” sprak deze, „het is over elven, en dus tijd om naar de hut te gaan. Goeden nacht, mijnheer Brinkman.”„Goeden nacht, mevrouw, goeden nacht juffrouw Groenewald!” zeide hij, terwijl hij het kleine handje, dat hem toegestoken werd ter nauwernood durfde drukken.Het achterdek was langzamerhand leeg geworden. Toen de dames naar kooi waren, bracht kapitein Butteling de passagiers op de hoogte van de omstandigheden. Men bleef bij elkander en maakte zich den tijd te nutte om de rollen te verdeelen. Een drietal der passagiers b.v. Denniston, Behren en Van Diepbrugge, zou straks, wanneer de hondenwacht optrok, naar boven gaan en zich daar bij den koekoek der kerk bedekt opstellen om den bootsman, die daar met ettelijke matrozen post zou vatten bij te springen. Die drie heeren wapenden zich met pistolen. De overigen zouden beneden blijven om naar omstandigheden te handelen. Kapitein Van Dam, geholpen door Leidermooi en Slierendrecht, laadden de scheepsgeweren, waarvan een twintigtal voorhanden waren.„Ik hoop dat ze niet gebruikt zullen worden,” zei de kapitein. „Ik houd ze evenwel gereed, om wanneer zulks noodig mocht worden, de onderofficieren er mee te bewapenen.”Daar sloeg de klok acht glazen. De wachten verwisselden. Daarna werd het weer doodstil op het dek.„Dat wachten maakt mij zenuwachtig,” sprak Leidermooi. „De schrikkelijkste zekerheid komt mij boven die onzekerheid verkieselijk voor.”„Och,” sprak de scheepsdokter, „het zal nog wel met een sisser afloopen. Ik heb meer van die opstootjes bijgewoond. Ik wed dat er niets gaat gebeuren.”„God geve het!” zuchtte Leidermooi. „Maar die onzekerheid[242]vind ik onuitstaanbaar. Het is of de tijd voorbijkruipt.… Zouden wij niet een whistje maken? Mij dunkt, dat dit den tijd zou bekorten.”„Heerlijk denkbeeld!” antwoordde kapitein Van Dam, die de kaarten te voorschijn haalde.Er vormden zich een paar partijtjes en weldra brachten de diepzinnigheden van het edele whistspel eenige afwisseling in de minder rooskleurige gedachten, die allen bezighielden. Het was stil rondom de spelers. Het schip lag stuurboord overhellend en stevende vlug voorwaarts, waarbij bijna geene beweging van slingering ondervonden werd. De lampen hingen in hunne beweegbare toestellen bijna zoo stil, alsof men aan den vasten wal zat. Boven weerklonk de afgemeten tred van den stuurman van de wacht, die van het kompashuisje bij het stuurrad naar den koekoek van de kerk heen en weer wandelde.Daar staakte de stuurman zijne wandeling. Allen spitsten de ooren. Het geluid der klok weerklonk en sloeg een glas.„Kom, geven! mijnheer Slierendrecht,” zei kapitein Van Dam ongeduldig. „Het is, alsof gij eene studie van de trillingen der klok maakt.”Het partijtje had zijn voortgang. Of aller aandacht bij het spel was, viel niet te beweren. Maar men speelde en de tijd spoedde voort.„Groot schlem!” kreet kapitein Van Dam juichend. „Groot schlem is honderd, vijf honneurs is.….”De klok sloeg twee glazen.De metaaltrillingen duurden nog voort, toen haastige voetstappen op het dek vernomen werden.„He, waar moet jullie heen?” klonk de stem van den bootsman.„Geh zum Teufel, Hallunke!” was het antwoord.Een vreeselijk leven volgde. De bootsman, een pootige[243]kerel, had den man bij de keel gegrepen, die hem dat onbescheiden antwoord gaf. Deze beantwoordde hem evenwel met een vuistslag, die gelukkig slechts den schouder van den zeeman trof, maar hem hevige pijn veroorzaakte.„O! is het zoo gemeend, leelijke mof!” kreet de bootsman. „Wacht even!”Hij kneep zijne krachtige vuist dicht, die als eene schroef op de ademhalingswerktuigen van den muiter werkte. Deze poogde zich nog aan de hand, die zijne strot omknelde, te ontworstelen; maar de kracht begaf hem, hij verloor het bewustzijn. Hij rochelde, stak zijne tong uit, en tuimelde tegen de verschansing, toen de stuurman hem met de rechterhand krachtig daartegen smakte en hem tegelijkertijd met de linker een vuistslag toediende, die een os zou hebben doen duizelen.Inmiddels waren de matrozen van de wacht handgemeen geraakt met de volgers van den aanvoerder. Ook de drie passagiers waren toegesprongen en waren dadelijk in een strijd van man tegen man gewikkeld, die niet in hun voordeel dreigde af te loopen. Alles bepaalde zich voorloopig nog maar tot een vuistgevecht. De aanvallers wenschten het schip te bemachtigen zonder bloedvergieten, de verdedigers hoopten dat de zaak met een sisser zou afloopen. Boven stonden de kansen vrij gelijk; beneden evenwel dreigde de aanval ernstiger te worden.Toen het geluid der worsteling boven—dat als signaal moest dienen—tot beneden doordrong, wierpen zich een aantal soldaten op het beschot, dat hun logies van dat der onderofficieren scheidde. Had Nathan Zondervan den detachements-kommandant opzettelijk misleid, toen hij verteld had, dat de troep geen wapenen had, of had men hem onkundig van die omstandigheid gelaten? Zooveel was zeker, dat het meerendeel met[244]een soort dolkmes gewapend was, en dat vier stevige kerels ieder eene bijl zwaaiden, waarmede zij dat beschot dadelijk begonnen te beuken.Dat beschot lag snel tegen den grond, maar het had toch de aanvallers zoolang opgehouden, dat de onderofficieren tijd hadden gehad om hun logies te ontruimen en zich bij de passagiers aan te sluiten. De verbindingsdeur, waardoor zij gekomen waren, werd dadelijk versperd en kapitein Van Dam reikte aan ieder een geweer onder mededeeling dat het wapen geladen was. Ernstig klonk daarbij zijne aanbeveling:„Niet schieten dan in den uitersten nood, en dan nog maar op kommando!”De passagiers, onder bevel van kapitein Butteling, sloegen nu den kajuitstrap gade, terwijl de onderofficieren onder de bevelen van kapitein Van Dam de verbindingsdeur in het oog hielden.Het troepje, dat boven den aanval gedaan had, was niet zeer sterk, een twaalftal hoogstens. Men had daar eene gemakkelijke overwinning of beter overvalling gehoopt. Nu de muiters iedereen waakzaam en op tegenweer bedacht vonden, nu hun aanvoerder daar door den bootsman buiten gevecht gesteld was, stonden hunne kansen niet gunstig. Men vocht, men sloeg, men schold, men raasde en tierde; maar de aanvallers kwamen het doel, den kajuitstrap, niet naderbij.Beneden heerschte een heidensch leven. Toen de aanvallers het onderofficiers-logies vermeesterd hadden, begonnen zij de verbindingsdeur, die hen van de kerk afsloot met hunne bijlen aan te vallen. Uit den gang van zaken begrepen zij evenwel, dat iedereen op zijne hoede was, en dat de tegenpartij in dat twintigtal onderofficieren, die zij gedacht hadden door een plotselingen overval onschadelijk te maken, eene geduchte versterking[245]had gekregen. De aanval werd evenwel met woestheid doorgezet, en weldra was het beschot, dat hen van hunne vijanden scheidde, doorgebroken. Toen evenwel grijnsde den aanvallers eene dubbele rij gevelde bajonetten tegen, die hen voor een oogenblik in bedwang hield. Het was evenwel het gezicht der blanke bajonetten niet, waarin het licht der lampen, die de kerk helder verlichtten, weerkaatste, die de muiters weerhield. Een gevecht met het blanke wapen schuwden die mannen niet; zij hadden de meerderheid in getal. Alleen de vrees voor de geweren, waarop die bajonetten zaten, boezemde hun een oogenblik aarzeling in.„Kom, vooruit, bij den duivel!” schreeuwde eene stem in het Hoogduitsch, „vooruit! Ze hebben den tijd niet gehad om die geweren te laden.”„Mannen! als iemand uwer de kerk binnendringt, laat ik vuur geven,” riep kapitein Van Dam de verdoolden toe. „Ik raad u om uw bestwil.…”Hij kon niet eindigen. Daar vloog eene handspaak met krachtige vuist voortgedreven te midden der onderofficieren, en trof een hunner zoo geweldig in de borst, dat hij achterover tuimelde, terwijl ook twee anderen door ijzeren nagelpennen aan het hoofd getroffen werden. Tegelijkertijd hadden de heeren Van Diepbrugge, Denniston en Behren het boven met hunne tegenpartij te kwaad gekregen; de een lag bewusteloos terneergeveld door een vuistslag; de tweede had het geheele gezicht in bloed en snakte naar adem, daar zijne tegenpartij hem de keel dichtgeknepen had; terwijl de derde een slag over den rechterarm had gekregen, die hem gillend van pijn had doen afdruipen. Van die leemte, daardoor ontstaan, gebruik makende, bereikte een viertal der aanvallers den kajuitstrap en stormde dien naar beneden. Wel werden ze daar dadelijk handgemeen met de overige[246]passagiers; maar kapitein Van Dam, den toestand overziende, en vreezende dat de onverlaten achter zijn gelid zouden doorbreken, meende niet meer te mogen aarzelen.„Eerste gelid,—vaardig!” kommandeerde hij.Die handgreep werd met eenheid volvoerd. Onheilspellend weerklonk het geknetter bij het spannen der hanen.„Mannen! ik raad u om uw onzinnig pogen te staken en naar het tusschendek terug te keeren. Dat is mijne laatste waarschuwing!”Klets! daar kreeg hij een nagelpen tegen den schouder. Een storm van verwenschingen, van scheldwoorden, een gehuil en getier verhief zich tegelijkertijd, alsof wilde dieren losgebroken waren. De muitende troep stoof eene schrede voorwaarts.„Eerste gelid,—aan!” klonk het kalme kommando. „Vuur! Laadt!”Een vreeselijke knal in die enge ruimte volgde, die met een nog vreeselijker gil beantwoord werd; maar waarna een oogenblik van doodsche stilte intrad. Op zoo iets hadden de muiters niet gerekend. Toch maanden de belhamels nog aan om den aanval door te zetten; maar daar weerklonken stemmen achter den muitenden troep.„Wacht! wij zullen die dondersche muiters wel krijgen!”„Wat! willen die moffen bij ons Hollandsche jongens den baas spelen?!”Het waren de matrozen van het schip, die, aangevoerd door stuurman Abels, in den rug van de oproermakers verschenen. Zij waren gewapend met enterbijlen, met koevoeten en met handspaken en bij hen hadden de Hollandsche soldaten en de goedgezinden van het detachement zich aangesloten. Ook de manschappen van[247]de wacht waren de matrozen op het dek bijgesprongen, zoodat de hoofdmacht der rebellen nu tusschen twee troepen stond, die hen in bedwang konden houden. Voor hen de muur van geweren en bajonetten, die, nu de dragers van munitie voorzien bleken te zijn, ondoordringbaar was; en achter hen de aanrukkende scheepsequipage, die er onmeedoogend op zou inslaan, wanneer zij handgemeen raakte.„Ik raad u aan om u te onderwerpen!” weerklonk de stem van kapitein Van Dam.„Genade! genade! heer kapitein,” lieten zich eenige stemmen hooren.„Keert dan naar uw logies terug!” sprak de kapitein.Het gros van den troep voldeed aan dat bevel terstond. Eenige der belhamels wilden nog parlementeeren, poogden nog voorwaarden te bedingen; maar die weinigen werden door de matrozen bij den kraag gepakt, handen en voeten gebonden en in het kabelgat geworpen.„Ik had juist marlijn in den zak,” grinnikte stuurman Ellenbaan later, als die muiterij ter sprake kwam.Ook op het dek was het gevecht ten nadeele van de aanvallers uitgevallen. Toen het salvo geweerschoten weerklonk, en de buskruitrook zich een weg door den koekoek baande, sloeg de meeste der muiters de schrik om het hart, en maakten zij zich de duisternis ten nutte om te verdwijnen. De anderen werden weldra door den bootsman met de zijnen gegrepen en onschadelijk gemaakt.Toen de opstand gedempt was, herstelden de scheepstimmerman met zijne maats voorloopig zoo goed mogelijk het beschot tusschen het onderofficiers- en soldatenlogies. Het grootluik, dat toegang tot het tusschendek verleende, werd dichtgespijkerd, terwijl de helft van de passagiers, onderofficieren en equipage behoorlijk gewapend, door kapitein Van Dam doelmatig opgesteld werd[248]om bij eene vernieuwde uitbarsting het oproer dadelijk den kop te kunnen indrukken. De andere helft beijverde zich de gekwetsten te verzorgen. Aan den kant der vertegenwoordigers der orde waren slechts min of meer belangrijke kneuzingen te constateeren, waarvan evenwel geen enkele levensgevaarlijk bevonden werd. Bij de opstandelingen waren de verliezen erger. Vooreerst lag de voorganger van het oproer, die door den bootsman zoo krachtig tegen de verschansing gesmakt was, nog steeds bewusteloos ter neer. Dat was Taugwalder, de ziel van het komplot. Dokter Van Pinksteren beijverde zich hem lijnkoeken tegen de kuiten te leggen, en wel met zoo’n gevolg, dat de opstandeling tot bewustzijn terugkeerde, toen hem een der matrozen een puts zeewater over het lijf goot. De kerel kreunde akelig, zijn hals was onder de krachtige hand van den bootsman bont en blauw geknepen. Hij had eene belangrijke kneuzing aan de ruggestreng, terwijl zijn gelaat deerlijk opgezwollen was door den vuistslag, die hem achterover had doen tuimelen. Hij was zoodanig toegetakeld, dat geen verdere voorzorgen noodig waren; hij werd eenvoudig opgepakt en naar den ziekenboeg gedragen. Beneden was een Zwitser, de Tessiner Schlapina, door een geweerkogel gedood en waren vier anderen belangrijk gewond. Het lijk van eerstgenoemden werd eenvoudig in zijne hangmat gebonden en op de koebrug gelegd; bij de laatsten was dokter Hannius druk bezig om de kogels in de wonden te zoeken, ten einde die te kunnen verwijderen, waarbij de kerels allererbarmelijkst kreunden. Toen die verzorgd en verbonden waren, begaven zij, die niet wakende bleven, zich ter rust met het streelende bewustzijn hunnen plicht gedaan te hebben.[249]
[Inhoud]VIII.De Muiterij.Het was Nathan Zondervan, die de deur opende.„Ikke khom voor de rheparasie, khapthein,” sprak hij.„Zoo, ja; doe de deur toe, Zondervan. Wacht, ik zal het zelf doen. Het patrijspoortje staat open, anders tocht het geweldig.”De kapitein trad op de deur toe, wierp een blik in de kerk, waarop zijne hut uitkwam en zag dat die ledig was. Alle passagiers waren boven op dek. Hij sloot daarop de deur en draaide den sleutel om. Op die beweging ontstelde de jood zichtbaar.„Je komt voor de reparatie, Zondervan?” zei de kapitein. „Maar, ik geloof dat ik jou eens duchtig moet repareeren. Wat dunkt je?”„Ikke, heer khapthein?” vroeg Nathan met een gemaakten glimlach, die veel onrust verried.„Ja, jij! Wat heb jij met den Zwitser Taugwalder uit te staan?”„Ikke?… Nhiks, khapthein!”„Niet liegen, Zondervan!” zei de kapitein, terwijl hij eene karwats van een wapenrek nam, dat boven zijne slaapstede hing. „Als je liegt, dan krijg je een pak van mij, dat je familie in den Jordaan er hulp om schreeuwt;[231]dan stop ik je daarenboven in het kabelgat49in de boeien. Als je mij bedriegt, dan ga je te Batavia voor den krijgsraad. Dus kort en goed: Wat heb jij met den Zwitser Taugwalder uit te staan?”„Ikke?… khapt.…”„Ga niet voort met je ontkenning, Zondervan; ik weet alles. Je maakt deel uit van een komplot dat ten doel heeft de officieren allen te vermoorden, zich van het schip meester te maken, en daarmede naar Iquique te zeilen. Ben ik goed ingelicht, ja of neen?”„Ghot van Abrham, Isaakh en Jakhob!” stamelde de jood.„Laat die voorouders van jou maar met vreê!” zei de kapitein, terwijl hij driftig de karwats fluitend heen en weer bewoog. „Zondervan, voor den laatsten maal: wat heb jij met den Zwitser Taugwalder uit te staan?”„Genhade! heer khapthein! Genhade!” riep Nathan terwijl hij op de knieën viel. „Ikke zhal alles zegghen.”En nu volgde een verhaal, hetwelk de lezers in hoofdzaak reeds kennen, maar waarbij Zondervan de namen der hoofdaanleggers mededeelde. Dat waren in de eerste plaats een Italiaansche Zwitser, Schlapina genaamd, afkomstig van het kanton Tessin; dan de reeds genoemde Taugwalder; terwijl sergeant Riethoven zeer goed gehoord had, dat het grootste gedeelte der vreemdelingen gemeene zaak met de belhamels maakten.„Maar, hoe kom jij als Nederlander daarin betrokken?” vroeg kapitein Van Dam.„Ach Ghot,” antwoordde de jood. „Ikke heb me laten meeslepen, khapthein. Ik dacht in den beginne nhiet dat het zoo erg zou zijn. Waarachtig as Ghott nieth! Ze gafen me nu en dan ’n dubbeltje en dan moest ik haarlui vertellen, hoe het in het matrozenlosies uitzhag. Ikke khom daar veel voor men neghosie. Toen ik hier na toe[232]ghing, moest ik ook belhoven alles hier goed op te nhemen, en dat straks te vertellen. Ghot! Ghot! wat moet ikh doen?”„Luister eens, Zondervan,” zei de detachements-kommandant. „Je zit in den pekel, man. Veel zal er evenwel van je afhangen om er uit te komen.”„Spreekh, heer khapthein,” bad de jood handenwringend, „ikke wil door het vier lhoopen!”„Bedaar man. Vooreerst, je vertelt wat je wilt, hoe het er hier uitziet; maar.… geen woord van wat hier gesproken is. Als ik gewaar word, dat je ook maar een enkel woord verklikt hebt, dan ga je het kabelgat in tot Batavia toe en daar zullen ze je wel aan een sterkhenneppendasje helpen. Ze hebben je toch de krijgsartikelen voorgelezen, nietwaar? Hij, die.…”„Genhade! khapthein, genhade! Ikke zal doen wat de khapthein gelast!”„Dat is dus begrepen … Ja nog wat. Van de geringste verandering in de gemaakte plannen geef je me kennis. Je fluistert stuurman Abels maar in ’t oor, dat je mij te spreken hebt. Die is op de hoogte. En nu, opgepast en uitgerukt, marsch!”„En de rheparaassie, khaptein?” vroeg de sluwe jood. „What mot ikke segge, as ik zonder rheparaassie verschijn?”„Je hebt gelijk. Hier zijn twee paren laarzen, die je schoenlappers-talenten vereischen, en hier eene pistoolholster, waarvan de naad open gebarsten is. Als je me wat mee te deelen hebt, kan je die voor en na terugbrengen, dan heb je den stuurman niet noodig; en nu uitgerukt, marsch!”„Ach Ghot! ach Ghot!” bad de jood, terwijl hij heenging. „What mot dat worden?”De reis ging verder voorspoedig. Op den 10denNovember[233]bevond zich deFernandina Maria Emmabij het middagbestek op 2° 7′ noorderbreedte en op 28° 23′ westerlengte en had in het laatste etmaal 43 mijlen afgelegd, hetgeen in die streken zeer bevredigend mocht heeten. De zuidoostpassaat wakkerde nog aan; zoodat de voorzegging niet al te gewaagd voorkwam, dat de Evenaar den volgenden morgen gepasseerd zoude worden. Van het vieren van het Neptunus-feest had kapitein Butteling evenwel afgezien. Onder voorwendsel om krakeel te voorkomen tusschen de soldaten en de matrozen had hij de laatsten overreed Neptunus maar van boord te houden. Zij zouden er toch geen schade bij lijden. Dat was wel eene teleurstelling voor Janmaat, die er zich veel pret van beloofd had; maar vooral voor de samenzweerders, die zoo hadden gehoopt, dat de uitgelatenheid bij dat feest gewoon, en de daarbij geplengde oorlammen, tot eene verhoogde slaperigheid aanleiding zouden geven, die hunne plannen zeer zoude bevorderd hebben. Zij zagen evenwel van hunne voornemens niet af, hetgeen uit de gehouden gesprekken bleek, die Herman Riethoven van uit zijn schuilplaats op de koebrug den avond te voren opving, ook uit de mededeelingen van Nathan Zondervan, die den kapitein den volgenden morgen reeds een paar opgeknapte laarzen terugbracht. Hij vertelde, dat de aanslag des nachts tegen dat het twee glazen in de hondenwacht zou slaan, zou volvoerd worden. De belhamels rekenden er op, dat dan de geheele bemanning van het schip voor het meerendeel in diepe rust zoude zijn.„Hebben zij wapens?” vroeg de kapitein aan den jood.„Nah! dat wheet de khapthein beter as ikke,” antwoordde Nathan. „Buiten hinne zhakmesse hebbe ze nikhs.”De dag van den 11enbrak onder die omstandigheden aan. Reeds bij zonsopgang, werden al de vlaggen aan[234]alle toppen geheschen en wapperden vroolijk in de bries. De zuidoost-passaat was gedurende den nacht nog aangewakkerd. Alle zeilen stonden bol, deFernandina Maria Emmalag bevallig stuurboord overhellende en voerde zoo veel doek, als zij maar dragen kon. Een opmerkzaam zeevarende zou het evenwel opgevallen zijn, dat het bezaanzeil niet bijgezet was, ook dat een der schoten van het grootzeil omhoog geheschen was. Toen de jonge dames als ervaren zeereizigsters—zij maakten reeds hare tweede reis om de Kaap de Goede Hoop—kapitein Butteling de redenen daarvan vroegen, maakte hij er zich van af door de verklaring, dat het bezaanzeil het schip te veel op zijn roer deed wringen en dat het grootzeil te veel wind aan het fokkezeil benam. De ware reden was evenwel, dat die twee zeilen het uitzicht over het dek te veel belemmerden en het zaak was om al de bewegingen, die daar geschiedden, in het oog te houden.Tegen tien uur in den ochtend werd een salut van een en twintig schoten met de twee aan boord aanwezige kanonnen gegeven, die daartoe op bevel van kapitein Butteling op het achterdek gevoerd waren en nu hunne rookspiralen prachtig over de zeeoppervlakte zonden, en de lucht met hun gedonder feestelijk vervulden.Bij het eerste schot trad de bootsman, die even als al de matrozen, uit wier naam hij kwam, in zijn zondagspak gestoken was, op kapitein Butteling toe en heette hem en zijne stuurlieden welkom in het zuidelijk halfrond. Daarna vervulde hij dezelfde plichtpleging bij de passagiers, en ontving van allen in dank een hartelijken handdruk. Ook de onderofficieren kwamen hunne chefs gelukwenschen en werden even hartelijk bejegend. Onbevreesd stapte kapitein Van Dam tusschen zijne manschappen, die hem met luide kreten omringden en de[235]hand, die hij hen toestak, voor het oog althans met innigheid drukten.Kapitein Butteling kon zijne goedkeuring aan die ridderlijke handeling niet onthouden; toch had hij den officier met een bezorgden blik nageoogd, toen deze zich naar voren begaf. Maar het was goed afgeloopen, men moest zich nu maar aan de genoegens van den dag overgeven en niet te zeer aan de toekomst denken.„Hebben de dames al eens de linie gezien?” vroeg stuurman Bagman aan Emma en Adelien Groenewald.„De linie gezien?!” antwoordde Emma verbaasd. „Kom, stuurman, je neemt een loopje met ons. Denk er om, dat wij haar niet voor den eersten maal passeeren.”„Dat weet ik wel,” hernam de stuurman lachende; „maar heeft men u toen de linie niet laten zien? Ik kan dat niet galant vinden van de scheepsofficieren van de.…”„Johanna Christina,” vulde Adelien aan.„Van deJohanna Christina.”„Maar, is die linie te zien?” vroeg Adelien met een ongeloovigen glimlach. „Ik meende dat het slechts een denkbeeldige lijn was.”„Of zij te zien is? Dat zou ik meenen! Wilt gij u dadelijk overtuigen?” vroeg de stuurman, terwijl hij Adelien den grooten scheepskijker overgaf, dien hij in de hand had. Dat was een gevaarte van een meter lang, die het meisje onmogelijk behandelen kon. Zij wenkte Frank Brinkman, dien zij ontwaarde, en deze hielp haar den kijker te richten.„Zie zoo,” sprak Frank, terwijl hij den telescoop ondersteunde en hem voor haar oog bracht, waarbij hij het hoofd over haren schouder moest buigen, zoodat hunne wangen elkander zeer nabij waren en hunne handen elkander raakten.[236]Het meisje keek lang door den kijker, eigenlijk om den blos, die haar gelaat bij die aanraking overdekte, te verbergen. Eindelijk, toen zij zich genoegzaam hersteld had, gaf zij den kijker aan stuurman Bagman terug, die het geheele tooneel met een wijsgeerig oog had aanschouwd.„Wel, hebt gij de linie gezien?” vroeg hij ondeugend.„Och loop,” sprak zij, „er is niets te zien!”Neen, het lieve kind had niets gezien. Zij had de oogen gesloten, toen Frank’s hand de hare aanraakte, toen zij zijnen warmen adem in haren hals voelde.„Niets te zien!” riep stuurman Bagman verwonderd uit.„Wat is er stuurman?” vroeg Behren, die in de nabijheid stond en nu nader trad.„Juffrouw Groenewald heeft de linie niet gezien,” antwoordde de stuurman.„De linie?” vroeg de apotheker verbluft.„Ja zeker, de linie. Wilt u ze zien?”Hij reikte Behren den kijker over. Deze tuurde er een poos door, nam hem voor zijne oogen weg en keek toen met alle aandacht naar buiten.„Ik zie nu niets,” mompelde hij, terwijl hij den kijker weer voor het oog bracht.„Duivels, daar is het weer! Neen, nu zie ik het goed!”Stuurman Bagman stond zich te verkneukelen van de pret.„Wat ziet ge?” vroeg Van Diepbrugge, die het groepje nader getreden was.„Mijnheer Behren ziet de linie,” zei stuurman Bagman.„Behrtje ziet de linie!” juichte Van Diepbrugge.In een oogwenk had hij al de passagiers rondom zich. Denniston[237]had hem den kijker afgenomen en keek ook er door.„Wel, de apotheker heeft gelijk. Ik zie de linie ook,” zeide hij.„Hoerah voor de linie!”„Hoe ziet zij er uit?”„Heeft zij een pantalon collant aan?”„Of een crinolien?”„De linie met eene crinolien! dan moet zij de geheele intertropische gewesten overschaduwen!” deklameerde Slierendrecht.Intusschen ging de kijker van hand tot hand en ieder erkende de linie te zien. Stuurman Bagman stond te dansen van de pret.Eindelijk kwam de kijker bij kapiteinVanDam.„Drommels!” zei deze, na even er door gekeken te hebben. „Dat is een nieuwmodel linie, die staat loodrecht op den horizon. Misschien heeft die te veel „bezaanschoot aan” gehad.”Allen lachten om den kwinkslag. Maar de grap was ontdekt. KapiteinVanDam had den kijker eenigszins gedraaid voor het oog gebracht, waardoor het paardenhaar, dat de stuurman aan den binnenkant van de beneden lens gespannen had, den gezichteinder sneed en de fopperij aan het licht bracht.„Ik wist waarachtig niet, wat ik gelooven moest,” betuigde de apotheker. „Als ik den kijker voor het oog had, zag ik duidelijk eene zwarte streep; als ik den kijker liet zakken was de linie weg.”Een flink hoera was de belooning, die stuurman Bagman voor zijn snakerij ten deel viel.Gedurende het bezichtigen der linie, was Herman Riethoven kapitein Van Dam onmerkbaar genaderd. Van een oogenblik van gejuich gebruik makende, boog hij zich tot hem.[238]„Kan ik u even spreken, kapitein?” fluisterde hij onhoorbaar voor ieder ander.De kapitein, zonder hem aan te zien, knikte toestemmend.„Sergeant Riethoven,” sprak hij een oogenblik later. „Ik heb de zakboekjes van het detachement te voorschijn gehaald. Het wordt tijd, dat die bijgewerkt worden. Kom, ik zal ze u toonen, dan weet gij ze te vinden en kunt ge morgen met Brinkman dadelijk aan het werk gaan.”Toen beiden beneden gekomen waren, vroeg de kapitein:„Welnu, wat hebt ge mij mede te deelen?”„Ik niets, kapitein. Maar hier is een briefje, dat de fuselier Zondervan mij in de hand gestopt heeft, met verzoek u dat te overhandigen.”Het briefje was niet dichtgemaakt.„Hebt gij den inhoud gelezen?” vroeg de officier.„Neen, kapitein!” antwoordde Herman, het militair salut makende, gereed om heen te gaan.„Blijf nog een oogenblik, sergeant.… Ziehier, wat de fuselier Zondervan mij schrijft:„De aanval op het achterschip zal heden nacht geschieden. Terwijl een klein gedeelte der samenzweerders zullen trachten langs den kajuitstrap naar beneden te dringen, zal het gros van uit het tusschendek in het logies der onderofficieren doorbreken, deze laatsten onschadelijk maken of dooden, en dan door de verbindingsdeur van uit dat logies de aanvallers langs den trap te hulp komen.”„De zaak verwikkelt zich,” merkte de kapitein op. „Zijn uwe collega’s allen te vertrouwen, sergeant Riethoven?”„Volkomen, kapitein. Op twee na zijn het allen Nederlanders, en de bedoelde twee zijn Duitschers, die de[239]hoop koesteren, eenmaal den officiersrang te verwerven.”„Ik weet het. Gaat nu stil heen, spreekt met een paar uwer kameraden, in dier voege, dat zij u heden avond een handje helpen om de toegangsdeur tot het onderofficiers-logies te versperren. Dat is immers gemakkelijk te doen, niet waar?”„Zeer gemakkelijk. Een paar bakskisten op elkander met een paar klampen vastgezet, dat zal gauw genoeg gedaan zijn; maar kapitein denk er om, dat het geheele beschot, hetwelk het onderofficiers-logies van dat der manschappen scheidt, slechts bestaat uit zeer dunne planken, die niet eens gevoegd zijn. Dat beschot zal hen niet lang tegenhouden.”„Als het maar zoolang tegenhoudt, tot dat de onderofficieren door de verbindingsdeur in het achteruit kunnen wijken, dat is voldoende. Veroorzaak nu geen ongerustheid voor den tijd. Heden avond kunt gij uwe collega’s op de hoogte brengen, evenwel zoo, dat de samenzweerders er niets van vernemen. Bij het eerste alarmsein vervoegen de onderofficieren zich bij ons, dan zullen zij wel verdere bevelen van mij ontvangen.”Toen beide mannen aan het dek kwamen, waren juist de middag-waarnemingen geëindigd en toonde het bestek aan, dat het fregat zich op 0° 18′ zuiderbreedte en op 30° 25′ westerlengte bevond. Het schip had in het laatste etmaal 57 mijlen afgelegd.De dag spoedde verder genoegelijk ten einde. De manschappen van het detachement zaten in groepen op het dek zich voor het oog te vermaken met lotto- en dominospel. De scheepsgezagvoerder liet herhaaldelijk bier verstrekken, ook gaf hij ieder man extra eene halve flesch wijn; maar behalve het gewone rantsoen sterke drank werd geen enkele oorlam meer uitgereikt.Toen de avond gevallen was, werden volgens oud gebruik,[240]leege teertonnen met allerhande brandbaar materiaal gevuld, achter den spiegel te water gelaten en in brand gestoken, alvorens ze los te laten. Die drijvende, vurige eilanden, welker vlammen eindeloos ver konden waargenomen worden, maakten een wondervol effekt in het donker van den nacht, effekt dat nog verhoogd werd door de weerkaatsing der vlammen in de spelende golven.Tegen tien uur liet kapitein Butteling eenige vuurpijlen en blikvuren50afsteken, welke laatste vooral met hun gekleurd licht een fantastische uitwerking hadden. Om de feestvreugde te verhoogen, werd nog eene uitdeeling van bier gedaan, waarna het feest met drie flinke kanonschoten besloten werd.Toen de stukken binnen boord gehaald waren, laadde stuurman Abels ze, onder voorwendsel van ze te wisschen, met schrootbussen. In het duister kon dat geschieden zonder opgemerkt te worden. Ongemerkt ook draaide hij de rolpaarden zoodanig, dat de stukken het geheele achterschip bestreken.Tegen elf uur blies de hoornblazer van het detachement taptoe en werd het langzamerhand stil op het dek.„Ik weet niet wat mij scheelt,” had Adelien tegen Frank gezegd, „maar er heerscht iets geheimzinnigs rondom ons. Ik voel mij beklemd, alsof een groot gevaar ons bedreigt. En toch is er niets, waarop die gewaarwording steunen kan.”„Het beste geneesmiddel daartegen is de slaap,” antwoordde Brinkman. „Gij zult goed doen, juffrouw Adelien, te gaan rusten. Het is trouwens ook al laat.”Het meisje keek hem vreemd aan. Het was haar of hij haar verwijderen wilde. Maar, nog had zij geen woord van tegenwerping kunnen uiten, toen hare mama haar riep.[241]„Kom Adelien,” sprak deze, „het is over elven, en dus tijd om naar de hut te gaan. Goeden nacht, mijnheer Brinkman.”„Goeden nacht, mevrouw, goeden nacht juffrouw Groenewald!” zeide hij, terwijl hij het kleine handje, dat hem toegestoken werd ter nauwernood durfde drukken.Het achterdek was langzamerhand leeg geworden. Toen de dames naar kooi waren, bracht kapitein Butteling de passagiers op de hoogte van de omstandigheden. Men bleef bij elkander en maakte zich den tijd te nutte om de rollen te verdeelen. Een drietal der passagiers b.v. Denniston, Behren en Van Diepbrugge, zou straks, wanneer de hondenwacht optrok, naar boven gaan en zich daar bij den koekoek der kerk bedekt opstellen om den bootsman, die daar met ettelijke matrozen post zou vatten bij te springen. Die drie heeren wapenden zich met pistolen. De overigen zouden beneden blijven om naar omstandigheden te handelen. Kapitein Van Dam, geholpen door Leidermooi en Slierendrecht, laadden de scheepsgeweren, waarvan een twintigtal voorhanden waren.„Ik hoop dat ze niet gebruikt zullen worden,” zei de kapitein. „Ik houd ze evenwel gereed, om wanneer zulks noodig mocht worden, de onderofficieren er mee te bewapenen.”Daar sloeg de klok acht glazen. De wachten verwisselden. Daarna werd het weer doodstil op het dek.„Dat wachten maakt mij zenuwachtig,” sprak Leidermooi. „De schrikkelijkste zekerheid komt mij boven die onzekerheid verkieselijk voor.”„Och,” sprak de scheepsdokter, „het zal nog wel met een sisser afloopen. Ik heb meer van die opstootjes bijgewoond. Ik wed dat er niets gaat gebeuren.”„God geve het!” zuchtte Leidermooi. „Maar die onzekerheid[242]vind ik onuitstaanbaar. Het is of de tijd voorbijkruipt.… Zouden wij niet een whistje maken? Mij dunkt, dat dit den tijd zou bekorten.”„Heerlijk denkbeeld!” antwoordde kapitein Van Dam, die de kaarten te voorschijn haalde.Er vormden zich een paar partijtjes en weldra brachten de diepzinnigheden van het edele whistspel eenige afwisseling in de minder rooskleurige gedachten, die allen bezighielden. Het was stil rondom de spelers. Het schip lag stuurboord overhellend en stevende vlug voorwaarts, waarbij bijna geene beweging van slingering ondervonden werd. De lampen hingen in hunne beweegbare toestellen bijna zoo stil, alsof men aan den vasten wal zat. Boven weerklonk de afgemeten tred van den stuurman van de wacht, die van het kompashuisje bij het stuurrad naar den koekoek van de kerk heen en weer wandelde.Daar staakte de stuurman zijne wandeling. Allen spitsten de ooren. Het geluid der klok weerklonk en sloeg een glas.„Kom, geven! mijnheer Slierendrecht,” zei kapitein Van Dam ongeduldig. „Het is, alsof gij eene studie van de trillingen der klok maakt.”Het partijtje had zijn voortgang. Of aller aandacht bij het spel was, viel niet te beweren. Maar men speelde en de tijd spoedde voort.„Groot schlem!” kreet kapitein Van Dam juichend. „Groot schlem is honderd, vijf honneurs is.….”De klok sloeg twee glazen.De metaaltrillingen duurden nog voort, toen haastige voetstappen op het dek vernomen werden.„He, waar moet jullie heen?” klonk de stem van den bootsman.„Geh zum Teufel, Hallunke!” was het antwoord.Een vreeselijk leven volgde. De bootsman, een pootige[243]kerel, had den man bij de keel gegrepen, die hem dat onbescheiden antwoord gaf. Deze beantwoordde hem evenwel met een vuistslag, die gelukkig slechts den schouder van den zeeman trof, maar hem hevige pijn veroorzaakte.„O! is het zoo gemeend, leelijke mof!” kreet de bootsman. „Wacht even!”Hij kneep zijne krachtige vuist dicht, die als eene schroef op de ademhalingswerktuigen van den muiter werkte. Deze poogde zich nog aan de hand, die zijne strot omknelde, te ontworstelen; maar de kracht begaf hem, hij verloor het bewustzijn. Hij rochelde, stak zijne tong uit, en tuimelde tegen de verschansing, toen de stuurman hem met de rechterhand krachtig daartegen smakte en hem tegelijkertijd met de linker een vuistslag toediende, die een os zou hebben doen duizelen.Inmiddels waren de matrozen van de wacht handgemeen geraakt met de volgers van den aanvoerder. Ook de drie passagiers waren toegesprongen en waren dadelijk in een strijd van man tegen man gewikkeld, die niet in hun voordeel dreigde af te loopen. Alles bepaalde zich voorloopig nog maar tot een vuistgevecht. De aanvallers wenschten het schip te bemachtigen zonder bloedvergieten, de verdedigers hoopten dat de zaak met een sisser zou afloopen. Boven stonden de kansen vrij gelijk; beneden evenwel dreigde de aanval ernstiger te worden.Toen het geluid der worsteling boven—dat als signaal moest dienen—tot beneden doordrong, wierpen zich een aantal soldaten op het beschot, dat hun logies van dat der onderofficieren scheidde. Had Nathan Zondervan den detachements-kommandant opzettelijk misleid, toen hij verteld had, dat de troep geen wapenen had, of had men hem onkundig van die omstandigheid gelaten? Zooveel was zeker, dat het meerendeel met[244]een soort dolkmes gewapend was, en dat vier stevige kerels ieder eene bijl zwaaiden, waarmede zij dat beschot dadelijk begonnen te beuken.Dat beschot lag snel tegen den grond, maar het had toch de aanvallers zoolang opgehouden, dat de onderofficieren tijd hadden gehad om hun logies te ontruimen en zich bij de passagiers aan te sluiten. De verbindingsdeur, waardoor zij gekomen waren, werd dadelijk versperd en kapitein Van Dam reikte aan ieder een geweer onder mededeeling dat het wapen geladen was. Ernstig klonk daarbij zijne aanbeveling:„Niet schieten dan in den uitersten nood, en dan nog maar op kommando!”De passagiers, onder bevel van kapitein Butteling, sloegen nu den kajuitstrap gade, terwijl de onderofficieren onder de bevelen van kapitein Van Dam de verbindingsdeur in het oog hielden.Het troepje, dat boven den aanval gedaan had, was niet zeer sterk, een twaalftal hoogstens. Men had daar eene gemakkelijke overwinning of beter overvalling gehoopt. Nu de muiters iedereen waakzaam en op tegenweer bedacht vonden, nu hun aanvoerder daar door den bootsman buiten gevecht gesteld was, stonden hunne kansen niet gunstig. Men vocht, men sloeg, men schold, men raasde en tierde; maar de aanvallers kwamen het doel, den kajuitstrap, niet naderbij.Beneden heerschte een heidensch leven. Toen de aanvallers het onderofficiers-logies vermeesterd hadden, begonnen zij de verbindingsdeur, die hen van de kerk afsloot met hunne bijlen aan te vallen. Uit den gang van zaken begrepen zij evenwel, dat iedereen op zijne hoede was, en dat de tegenpartij in dat twintigtal onderofficieren, die zij gedacht hadden door een plotselingen overval onschadelijk te maken, eene geduchte versterking[245]had gekregen. De aanval werd evenwel met woestheid doorgezet, en weldra was het beschot, dat hen van hunne vijanden scheidde, doorgebroken. Toen evenwel grijnsde den aanvallers eene dubbele rij gevelde bajonetten tegen, die hen voor een oogenblik in bedwang hield. Het was evenwel het gezicht der blanke bajonetten niet, waarin het licht der lampen, die de kerk helder verlichtten, weerkaatste, die de muiters weerhield. Een gevecht met het blanke wapen schuwden die mannen niet; zij hadden de meerderheid in getal. Alleen de vrees voor de geweren, waarop die bajonetten zaten, boezemde hun een oogenblik aarzeling in.„Kom, vooruit, bij den duivel!” schreeuwde eene stem in het Hoogduitsch, „vooruit! Ze hebben den tijd niet gehad om die geweren te laden.”„Mannen! als iemand uwer de kerk binnendringt, laat ik vuur geven,” riep kapitein Van Dam de verdoolden toe. „Ik raad u om uw bestwil.…”Hij kon niet eindigen. Daar vloog eene handspaak met krachtige vuist voortgedreven te midden der onderofficieren, en trof een hunner zoo geweldig in de borst, dat hij achterover tuimelde, terwijl ook twee anderen door ijzeren nagelpennen aan het hoofd getroffen werden. Tegelijkertijd hadden de heeren Van Diepbrugge, Denniston en Behren het boven met hunne tegenpartij te kwaad gekregen; de een lag bewusteloos terneergeveld door een vuistslag; de tweede had het geheele gezicht in bloed en snakte naar adem, daar zijne tegenpartij hem de keel dichtgeknepen had; terwijl de derde een slag over den rechterarm had gekregen, die hem gillend van pijn had doen afdruipen. Van die leemte, daardoor ontstaan, gebruik makende, bereikte een viertal der aanvallers den kajuitstrap en stormde dien naar beneden. Wel werden ze daar dadelijk handgemeen met de overige[246]passagiers; maar kapitein Van Dam, den toestand overziende, en vreezende dat de onverlaten achter zijn gelid zouden doorbreken, meende niet meer te mogen aarzelen.„Eerste gelid,—vaardig!” kommandeerde hij.Die handgreep werd met eenheid volvoerd. Onheilspellend weerklonk het geknetter bij het spannen der hanen.„Mannen! ik raad u om uw onzinnig pogen te staken en naar het tusschendek terug te keeren. Dat is mijne laatste waarschuwing!”Klets! daar kreeg hij een nagelpen tegen den schouder. Een storm van verwenschingen, van scheldwoorden, een gehuil en getier verhief zich tegelijkertijd, alsof wilde dieren losgebroken waren. De muitende troep stoof eene schrede voorwaarts.„Eerste gelid,—aan!” klonk het kalme kommando. „Vuur! Laadt!”Een vreeselijke knal in die enge ruimte volgde, die met een nog vreeselijker gil beantwoord werd; maar waarna een oogenblik van doodsche stilte intrad. Op zoo iets hadden de muiters niet gerekend. Toch maanden de belhamels nog aan om den aanval door te zetten; maar daar weerklonken stemmen achter den muitenden troep.„Wacht! wij zullen die dondersche muiters wel krijgen!”„Wat! willen die moffen bij ons Hollandsche jongens den baas spelen?!”Het waren de matrozen van het schip, die, aangevoerd door stuurman Abels, in den rug van de oproermakers verschenen. Zij waren gewapend met enterbijlen, met koevoeten en met handspaken en bij hen hadden de Hollandsche soldaten en de goedgezinden van het detachement zich aangesloten. Ook de manschappen van[247]de wacht waren de matrozen op het dek bijgesprongen, zoodat de hoofdmacht der rebellen nu tusschen twee troepen stond, die hen in bedwang konden houden. Voor hen de muur van geweren en bajonetten, die, nu de dragers van munitie voorzien bleken te zijn, ondoordringbaar was; en achter hen de aanrukkende scheepsequipage, die er onmeedoogend op zou inslaan, wanneer zij handgemeen raakte.„Ik raad u aan om u te onderwerpen!” weerklonk de stem van kapitein Van Dam.„Genade! genade! heer kapitein,” lieten zich eenige stemmen hooren.„Keert dan naar uw logies terug!” sprak de kapitein.Het gros van den troep voldeed aan dat bevel terstond. Eenige der belhamels wilden nog parlementeeren, poogden nog voorwaarden te bedingen; maar die weinigen werden door de matrozen bij den kraag gepakt, handen en voeten gebonden en in het kabelgat geworpen.„Ik had juist marlijn in den zak,” grinnikte stuurman Ellenbaan later, als die muiterij ter sprake kwam.Ook op het dek was het gevecht ten nadeele van de aanvallers uitgevallen. Toen het salvo geweerschoten weerklonk, en de buskruitrook zich een weg door den koekoek baande, sloeg de meeste der muiters de schrik om het hart, en maakten zij zich de duisternis ten nutte om te verdwijnen. De anderen werden weldra door den bootsman met de zijnen gegrepen en onschadelijk gemaakt.Toen de opstand gedempt was, herstelden de scheepstimmerman met zijne maats voorloopig zoo goed mogelijk het beschot tusschen het onderofficiers- en soldatenlogies. Het grootluik, dat toegang tot het tusschendek verleende, werd dichtgespijkerd, terwijl de helft van de passagiers, onderofficieren en equipage behoorlijk gewapend, door kapitein Van Dam doelmatig opgesteld werd[248]om bij eene vernieuwde uitbarsting het oproer dadelijk den kop te kunnen indrukken. De andere helft beijverde zich de gekwetsten te verzorgen. Aan den kant der vertegenwoordigers der orde waren slechts min of meer belangrijke kneuzingen te constateeren, waarvan evenwel geen enkele levensgevaarlijk bevonden werd. Bij de opstandelingen waren de verliezen erger. Vooreerst lag de voorganger van het oproer, die door den bootsman zoo krachtig tegen de verschansing gesmakt was, nog steeds bewusteloos ter neer. Dat was Taugwalder, de ziel van het komplot. Dokter Van Pinksteren beijverde zich hem lijnkoeken tegen de kuiten te leggen, en wel met zoo’n gevolg, dat de opstandeling tot bewustzijn terugkeerde, toen hem een der matrozen een puts zeewater over het lijf goot. De kerel kreunde akelig, zijn hals was onder de krachtige hand van den bootsman bont en blauw geknepen. Hij had eene belangrijke kneuzing aan de ruggestreng, terwijl zijn gelaat deerlijk opgezwollen was door den vuistslag, die hem achterover had doen tuimelen. Hij was zoodanig toegetakeld, dat geen verdere voorzorgen noodig waren; hij werd eenvoudig opgepakt en naar den ziekenboeg gedragen. Beneden was een Zwitser, de Tessiner Schlapina, door een geweerkogel gedood en waren vier anderen belangrijk gewond. Het lijk van eerstgenoemden werd eenvoudig in zijne hangmat gebonden en op de koebrug gelegd; bij de laatsten was dokter Hannius druk bezig om de kogels in de wonden te zoeken, ten einde die te kunnen verwijderen, waarbij de kerels allererbarmelijkst kreunden. Toen die verzorgd en verbonden waren, begaven zij, die niet wakende bleven, zich ter rust met het streelende bewustzijn hunnen plicht gedaan te hebben.[249]
[Inhoud]VIII.De Muiterij.Het was Nathan Zondervan, die de deur opende.„Ikke khom voor de rheparasie, khapthein,” sprak hij.„Zoo, ja; doe de deur toe, Zondervan. Wacht, ik zal het zelf doen. Het patrijspoortje staat open, anders tocht het geweldig.”De kapitein trad op de deur toe, wierp een blik in de kerk, waarop zijne hut uitkwam en zag dat die ledig was. Alle passagiers waren boven op dek. Hij sloot daarop de deur en draaide den sleutel om. Op die beweging ontstelde de jood zichtbaar.„Je komt voor de reparatie, Zondervan?” zei de kapitein. „Maar, ik geloof dat ik jou eens duchtig moet repareeren. Wat dunkt je?”„Ikke, heer khapthein?” vroeg Nathan met een gemaakten glimlach, die veel onrust verried.„Ja, jij! Wat heb jij met den Zwitser Taugwalder uit te staan?”„Ikke?… Nhiks, khapthein!”„Niet liegen, Zondervan!” zei de kapitein, terwijl hij eene karwats van een wapenrek nam, dat boven zijne slaapstede hing. „Als je liegt, dan krijg je een pak van mij, dat je familie in den Jordaan er hulp om schreeuwt;[231]dan stop ik je daarenboven in het kabelgat49in de boeien. Als je mij bedriegt, dan ga je te Batavia voor den krijgsraad. Dus kort en goed: Wat heb jij met den Zwitser Taugwalder uit te staan?”„Ikke?… khapt.…”„Ga niet voort met je ontkenning, Zondervan; ik weet alles. Je maakt deel uit van een komplot dat ten doel heeft de officieren allen te vermoorden, zich van het schip meester te maken, en daarmede naar Iquique te zeilen. Ben ik goed ingelicht, ja of neen?”„Ghot van Abrham, Isaakh en Jakhob!” stamelde de jood.„Laat die voorouders van jou maar met vreê!” zei de kapitein, terwijl hij driftig de karwats fluitend heen en weer bewoog. „Zondervan, voor den laatsten maal: wat heb jij met den Zwitser Taugwalder uit te staan?”„Genhade! heer khapthein! Genhade!” riep Nathan terwijl hij op de knieën viel. „Ikke zhal alles zegghen.”En nu volgde een verhaal, hetwelk de lezers in hoofdzaak reeds kennen, maar waarbij Zondervan de namen der hoofdaanleggers mededeelde. Dat waren in de eerste plaats een Italiaansche Zwitser, Schlapina genaamd, afkomstig van het kanton Tessin; dan de reeds genoemde Taugwalder; terwijl sergeant Riethoven zeer goed gehoord had, dat het grootste gedeelte der vreemdelingen gemeene zaak met de belhamels maakten.„Maar, hoe kom jij als Nederlander daarin betrokken?” vroeg kapitein Van Dam.„Ach Ghot,” antwoordde de jood. „Ikke heb me laten meeslepen, khapthein. Ik dacht in den beginne nhiet dat het zoo erg zou zijn. Waarachtig as Ghott nieth! Ze gafen me nu en dan ’n dubbeltje en dan moest ik haarlui vertellen, hoe het in het matrozenlosies uitzhag. Ikke khom daar veel voor men neghosie. Toen ik hier na toe[232]ghing, moest ik ook belhoven alles hier goed op te nhemen, en dat straks te vertellen. Ghot! Ghot! wat moet ikh doen?”„Luister eens, Zondervan,” zei de detachements-kommandant. „Je zit in den pekel, man. Veel zal er evenwel van je afhangen om er uit te komen.”„Spreekh, heer khapthein,” bad de jood handenwringend, „ikke wil door het vier lhoopen!”„Bedaar man. Vooreerst, je vertelt wat je wilt, hoe het er hier uitziet; maar.… geen woord van wat hier gesproken is. Als ik gewaar word, dat je ook maar een enkel woord verklikt hebt, dan ga je het kabelgat in tot Batavia toe en daar zullen ze je wel aan een sterkhenneppendasje helpen. Ze hebben je toch de krijgsartikelen voorgelezen, nietwaar? Hij, die.…”„Genhade! khapthein, genhade! Ikke zal doen wat de khapthein gelast!”„Dat is dus begrepen … Ja nog wat. Van de geringste verandering in de gemaakte plannen geef je me kennis. Je fluistert stuurman Abels maar in ’t oor, dat je mij te spreken hebt. Die is op de hoogte. En nu, opgepast en uitgerukt, marsch!”„En de rheparaassie, khaptein?” vroeg de sluwe jood. „What mot ikke segge, as ik zonder rheparaassie verschijn?”„Je hebt gelijk. Hier zijn twee paren laarzen, die je schoenlappers-talenten vereischen, en hier eene pistoolholster, waarvan de naad open gebarsten is. Als je me wat mee te deelen hebt, kan je die voor en na terugbrengen, dan heb je den stuurman niet noodig; en nu uitgerukt, marsch!”„Ach Ghot! ach Ghot!” bad de jood, terwijl hij heenging. „What mot dat worden?”De reis ging verder voorspoedig. Op den 10denNovember[233]bevond zich deFernandina Maria Emmabij het middagbestek op 2° 7′ noorderbreedte en op 28° 23′ westerlengte en had in het laatste etmaal 43 mijlen afgelegd, hetgeen in die streken zeer bevredigend mocht heeten. De zuidoostpassaat wakkerde nog aan; zoodat de voorzegging niet al te gewaagd voorkwam, dat de Evenaar den volgenden morgen gepasseerd zoude worden. Van het vieren van het Neptunus-feest had kapitein Butteling evenwel afgezien. Onder voorwendsel om krakeel te voorkomen tusschen de soldaten en de matrozen had hij de laatsten overreed Neptunus maar van boord te houden. Zij zouden er toch geen schade bij lijden. Dat was wel eene teleurstelling voor Janmaat, die er zich veel pret van beloofd had; maar vooral voor de samenzweerders, die zoo hadden gehoopt, dat de uitgelatenheid bij dat feest gewoon, en de daarbij geplengde oorlammen, tot eene verhoogde slaperigheid aanleiding zouden geven, die hunne plannen zeer zoude bevorderd hebben. Zij zagen evenwel van hunne voornemens niet af, hetgeen uit de gehouden gesprekken bleek, die Herman Riethoven van uit zijn schuilplaats op de koebrug den avond te voren opving, ook uit de mededeelingen van Nathan Zondervan, die den kapitein den volgenden morgen reeds een paar opgeknapte laarzen terugbracht. Hij vertelde, dat de aanslag des nachts tegen dat het twee glazen in de hondenwacht zou slaan, zou volvoerd worden. De belhamels rekenden er op, dat dan de geheele bemanning van het schip voor het meerendeel in diepe rust zoude zijn.„Hebben zij wapens?” vroeg de kapitein aan den jood.„Nah! dat wheet de khapthein beter as ikke,” antwoordde Nathan. „Buiten hinne zhakmesse hebbe ze nikhs.”De dag van den 11enbrak onder die omstandigheden aan. Reeds bij zonsopgang, werden al de vlaggen aan[234]alle toppen geheschen en wapperden vroolijk in de bries. De zuidoost-passaat was gedurende den nacht nog aangewakkerd. Alle zeilen stonden bol, deFernandina Maria Emmalag bevallig stuurboord overhellende en voerde zoo veel doek, als zij maar dragen kon. Een opmerkzaam zeevarende zou het evenwel opgevallen zijn, dat het bezaanzeil niet bijgezet was, ook dat een der schoten van het grootzeil omhoog geheschen was. Toen de jonge dames als ervaren zeereizigsters—zij maakten reeds hare tweede reis om de Kaap de Goede Hoop—kapitein Butteling de redenen daarvan vroegen, maakte hij er zich van af door de verklaring, dat het bezaanzeil het schip te veel op zijn roer deed wringen en dat het grootzeil te veel wind aan het fokkezeil benam. De ware reden was evenwel, dat die twee zeilen het uitzicht over het dek te veel belemmerden en het zaak was om al de bewegingen, die daar geschiedden, in het oog te houden.Tegen tien uur in den ochtend werd een salut van een en twintig schoten met de twee aan boord aanwezige kanonnen gegeven, die daartoe op bevel van kapitein Butteling op het achterdek gevoerd waren en nu hunne rookspiralen prachtig over de zeeoppervlakte zonden, en de lucht met hun gedonder feestelijk vervulden.Bij het eerste schot trad de bootsman, die even als al de matrozen, uit wier naam hij kwam, in zijn zondagspak gestoken was, op kapitein Butteling toe en heette hem en zijne stuurlieden welkom in het zuidelijk halfrond. Daarna vervulde hij dezelfde plichtpleging bij de passagiers, en ontving van allen in dank een hartelijken handdruk. Ook de onderofficieren kwamen hunne chefs gelukwenschen en werden even hartelijk bejegend. Onbevreesd stapte kapitein Van Dam tusschen zijne manschappen, die hem met luide kreten omringden en de[235]hand, die hij hen toestak, voor het oog althans met innigheid drukten.Kapitein Butteling kon zijne goedkeuring aan die ridderlijke handeling niet onthouden; toch had hij den officier met een bezorgden blik nageoogd, toen deze zich naar voren begaf. Maar het was goed afgeloopen, men moest zich nu maar aan de genoegens van den dag overgeven en niet te zeer aan de toekomst denken.„Hebben de dames al eens de linie gezien?” vroeg stuurman Bagman aan Emma en Adelien Groenewald.„De linie gezien?!” antwoordde Emma verbaasd. „Kom, stuurman, je neemt een loopje met ons. Denk er om, dat wij haar niet voor den eersten maal passeeren.”„Dat weet ik wel,” hernam de stuurman lachende; „maar heeft men u toen de linie niet laten zien? Ik kan dat niet galant vinden van de scheepsofficieren van de.…”„Johanna Christina,” vulde Adelien aan.„Van deJohanna Christina.”„Maar, is die linie te zien?” vroeg Adelien met een ongeloovigen glimlach. „Ik meende dat het slechts een denkbeeldige lijn was.”„Of zij te zien is? Dat zou ik meenen! Wilt gij u dadelijk overtuigen?” vroeg de stuurman, terwijl hij Adelien den grooten scheepskijker overgaf, dien hij in de hand had. Dat was een gevaarte van een meter lang, die het meisje onmogelijk behandelen kon. Zij wenkte Frank Brinkman, dien zij ontwaarde, en deze hielp haar den kijker te richten.„Zie zoo,” sprak Frank, terwijl hij den telescoop ondersteunde en hem voor haar oog bracht, waarbij hij het hoofd over haren schouder moest buigen, zoodat hunne wangen elkander zeer nabij waren en hunne handen elkander raakten.[236]Het meisje keek lang door den kijker, eigenlijk om den blos, die haar gelaat bij die aanraking overdekte, te verbergen. Eindelijk, toen zij zich genoegzaam hersteld had, gaf zij den kijker aan stuurman Bagman terug, die het geheele tooneel met een wijsgeerig oog had aanschouwd.„Wel, hebt gij de linie gezien?” vroeg hij ondeugend.„Och loop,” sprak zij, „er is niets te zien!”Neen, het lieve kind had niets gezien. Zij had de oogen gesloten, toen Frank’s hand de hare aanraakte, toen zij zijnen warmen adem in haren hals voelde.„Niets te zien!” riep stuurman Bagman verwonderd uit.„Wat is er stuurman?” vroeg Behren, die in de nabijheid stond en nu nader trad.„Juffrouw Groenewald heeft de linie niet gezien,” antwoordde de stuurman.„De linie?” vroeg de apotheker verbluft.„Ja zeker, de linie. Wilt u ze zien?”Hij reikte Behren den kijker over. Deze tuurde er een poos door, nam hem voor zijne oogen weg en keek toen met alle aandacht naar buiten.„Ik zie nu niets,” mompelde hij, terwijl hij den kijker weer voor het oog bracht.„Duivels, daar is het weer! Neen, nu zie ik het goed!”Stuurman Bagman stond zich te verkneukelen van de pret.„Wat ziet ge?” vroeg Van Diepbrugge, die het groepje nader getreden was.„Mijnheer Behren ziet de linie,” zei stuurman Bagman.„Behrtje ziet de linie!” juichte Van Diepbrugge.In een oogwenk had hij al de passagiers rondom zich. Denniston[237]had hem den kijker afgenomen en keek ook er door.„Wel, de apotheker heeft gelijk. Ik zie de linie ook,” zeide hij.„Hoerah voor de linie!”„Hoe ziet zij er uit?”„Heeft zij een pantalon collant aan?”„Of een crinolien?”„De linie met eene crinolien! dan moet zij de geheele intertropische gewesten overschaduwen!” deklameerde Slierendrecht.Intusschen ging de kijker van hand tot hand en ieder erkende de linie te zien. Stuurman Bagman stond te dansen van de pret.Eindelijk kwam de kijker bij kapiteinVanDam.„Drommels!” zei deze, na even er door gekeken te hebben. „Dat is een nieuwmodel linie, die staat loodrecht op den horizon. Misschien heeft die te veel „bezaanschoot aan” gehad.”Allen lachten om den kwinkslag. Maar de grap was ontdekt. KapiteinVanDam had den kijker eenigszins gedraaid voor het oog gebracht, waardoor het paardenhaar, dat de stuurman aan den binnenkant van de beneden lens gespannen had, den gezichteinder sneed en de fopperij aan het licht bracht.„Ik wist waarachtig niet, wat ik gelooven moest,” betuigde de apotheker. „Als ik den kijker voor het oog had, zag ik duidelijk eene zwarte streep; als ik den kijker liet zakken was de linie weg.”Een flink hoera was de belooning, die stuurman Bagman voor zijn snakerij ten deel viel.Gedurende het bezichtigen der linie, was Herman Riethoven kapitein Van Dam onmerkbaar genaderd. Van een oogenblik van gejuich gebruik makende, boog hij zich tot hem.[238]„Kan ik u even spreken, kapitein?” fluisterde hij onhoorbaar voor ieder ander.De kapitein, zonder hem aan te zien, knikte toestemmend.„Sergeant Riethoven,” sprak hij een oogenblik later. „Ik heb de zakboekjes van het detachement te voorschijn gehaald. Het wordt tijd, dat die bijgewerkt worden. Kom, ik zal ze u toonen, dan weet gij ze te vinden en kunt ge morgen met Brinkman dadelijk aan het werk gaan.”Toen beiden beneden gekomen waren, vroeg de kapitein:„Welnu, wat hebt ge mij mede te deelen?”„Ik niets, kapitein. Maar hier is een briefje, dat de fuselier Zondervan mij in de hand gestopt heeft, met verzoek u dat te overhandigen.”Het briefje was niet dichtgemaakt.„Hebt gij den inhoud gelezen?” vroeg de officier.„Neen, kapitein!” antwoordde Herman, het militair salut makende, gereed om heen te gaan.„Blijf nog een oogenblik, sergeant.… Ziehier, wat de fuselier Zondervan mij schrijft:„De aanval op het achterschip zal heden nacht geschieden. Terwijl een klein gedeelte der samenzweerders zullen trachten langs den kajuitstrap naar beneden te dringen, zal het gros van uit het tusschendek in het logies der onderofficieren doorbreken, deze laatsten onschadelijk maken of dooden, en dan door de verbindingsdeur van uit dat logies de aanvallers langs den trap te hulp komen.”„De zaak verwikkelt zich,” merkte de kapitein op. „Zijn uwe collega’s allen te vertrouwen, sergeant Riethoven?”„Volkomen, kapitein. Op twee na zijn het allen Nederlanders, en de bedoelde twee zijn Duitschers, die de[239]hoop koesteren, eenmaal den officiersrang te verwerven.”„Ik weet het. Gaat nu stil heen, spreekt met een paar uwer kameraden, in dier voege, dat zij u heden avond een handje helpen om de toegangsdeur tot het onderofficiers-logies te versperren. Dat is immers gemakkelijk te doen, niet waar?”„Zeer gemakkelijk. Een paar bakskisten op elkander met een paar klampen vastgezet, dat zal gauw genoeg gedaan zijn; maar kapitein denk er om, dat het geheele beschot, hetwelk het onderofficiers-logies van dat der manschappen scheidt, slechts bestaat uit zeer dunne planken, die niet eens gevoegd zijn. Dat beschot zal hen niet lang tegenhouden.”„Als het maar zoolang tegenhoudt, tot dat de onderofficieren door de verbindingsdeur in het achteruit kunnen wijken, dat is voldoende. Veroorzaak nu geen ongerustheid voor den tijd. Heden avond kunt gij uwe collega’s op de hoogte brengen, evenwel zoo, dat de samenzweerders er niets van vernemen. Bij het eerste alarmsein vervoegen de onderofficieren zich bij ons, dan zullen zij wel verdere bevelen van mij ontvangen.”Toen beide mannen aan het dek kwamen, waren juist de middag-waarnemingen geëindigd en toonde het bestek aan, dat het fregat zich op 0° 18′ zuiderbreedte en op 30° 25′ westerlengte bevond. Het schip had in het laatste etmaal 57 mijlen afgelegd.De dag spoedde verder genoegelijk ten einde. De manschappen van het detachement zaten in groepen op het dek zich voor het oog te vermaken met lotto- en dominospel. De scheepsgezagvoerder liet herhaaldelijk bier verstrekken, ook gaf hij ieder man extra eene halve flesch wijn; maar behalve het gewone rantsoen sterke drank werd geen enkele oorlam meer uitgereikt.Toen de avond gevallen was, werden volgens oud gebruik,[240]leege teertonnen met allerhande brandbaar materiaal gevuld, achter den spiegel te water gelaten en in brand gestoken, alvorens ze los te laten. Die drijvende, vurige eilanden, welker vlammen eindeloos ver konden waargenomen worden, maakten een wondervol effekt in het donker van den nacht, effekt dat nog verhoogd werd door de weerkaatsing der vlammen in de spelende golven.Tegen tien uur liet kapitein Butteling eenige vuurpijlen en blikvuren50afsteken, welke laatste vooral met hun gekleurd licht een fantastische uitwerking hadden. Om de feestvreugde te verhoogen, werd nog eene uitdeeling van bier gedaan, waarna het feest met drie flinke kanonschoten besloten werd.Toen de stukken binnen boord gehaald waren, laadde stuurman Abels ze, onder voorwendsel van ze te wisschen, met schrootbussen. In het duister kon dat geschieden zonder opgemerkt te worden. Ongemerkt ook draaide hij de rolpaarden zoodanig, dat de stukken het geheele achterschip bestreken.Tegen elf uur blies de hoornblazer van het detachement taptoe en werd het langzamerhand stil op het dek.„Ik weet niet wat mij scheelt,” had Adelien tegen Frank gezegd, „maar er heerscht iets geheimzinnigs rondom ons. Ik voel mij beklemd, alsof een groot gevaar ons bedreigt. En toch is er niets, waarop die gewaarwording steunen kan.”„Het beste geneesmiddel daartegen is de slaap,” antwoordde Brinkman. „Gij zult goed doen, juffrouw Adelien, te gaan rusten. Het is trouwens ook al laat.”Het meisje keek hem vreemd aan. Het was haar of hij haar verwijderen wilde. Maar, nog had zij geen woord van tegenwerping kunnen uiten, toen hare mama haar riep.[241]„Kom Adelien,” sprak deze, „het is over elven, en dus tijd om naar de hut te gaan. Goeden nacht, mijnheer Brinkman.”„Goeden nacht, mevrouw, goeden nacht juffrouw Groenewald!” zeide hij, terwijl hij het kleine handje, dat hem toegestoken werd ter nauwernood durfde drukken.Het achterdek was langzamerhand leeg geworden. Toen de dames naar kooi waren, bracht kapitein Butteling de passagiers op de hoogte van de omstandigheden. Men bleef bij elkander en maakte zich den tijd te nutte om de rollen te verdeelen. Een drietal der passagiers b.v. Denniston, Behren en Van Diepbrugge, zou straks, wanneer de hondenwacht optrok, naar boven gaan en zich daar bij den koekoek der kerk bedekt opstellen om den bootsman, die daar met ettelijke matrozen post zou vatten bij te springen. Die drie heeren wapenden zich met pistolen. De overigen zouden beneden blijven om naar omstandigheden te handelen. Kapitein Van Dam, geholpen door Leidermooi en Slierendrecht, laadden de scheepsgeweren, waarvan een twintigtal voorhanden waren.„Ik hoop dat ze niet gebruikt zullen worden,” zei de kapitein. „Ik houd ze evenwel gereed, om wanneer zulks noodig mocht worden, de onderofficieren er mee te bewapenen.”Daar sloeg de klok acht glazen. De wachten verwisselden. Daarna werd het weer doodstil op het dek.„Dat wachten maakt mij zenuwachtig,” sprak Leidermooi. „De schrikkelijkste zekerheid komt mij boven die onzekerheid verkieselijk voor.”„Och,” sprak de scheepsdokter, „het zal nog wel met een sisser afloopen. Ik heb meer van die opstootjes bijgewoond. Ik wed dat er niets gaat gebeuren.”„God geve het!” zuchtte Leidermooi. „Maar die onzekerheid[242]vind ik onuitstaanbaar. Het is of de tijd voorbijkruipt.… Zouden wij niet een whistje maken? Mij dunkt, dat dit den tijd zou bekorten.”„Heerlijk denkbeeld!” antwoordde kapitein Van Dam, die de kaarten te voorschijn haalde.Er vormden zich een paar partijtjes en weldra brachten de diepzinnigheden van het edele whistspel eenige afwisseling in de minder rooskleurige gedachten, die allen bezighielden. Het was stil rondom de spelers. Het schip lag stuurboord overhellend en stevende vlug voorwaarts, waarbij bijna geene beweging van slingering ondervonden werd. De lampen hingen in hunne beweegbare toestellen bijna zoo stil, alsof men aan den vasten wal zat. Boven weerklonk de afgemeten tred van den stuurman van de wacht, die van het kompashuisje bij het stuurrad naar den koekoek van de kerk heen en weer wandelde.Daar staakte de stuurman zijne wandeling. Allen spitsten de ooren. Het geluid der klok weerklonk en sloeg een glas.„Kom, geven! mijnheer Slierendrecht,” zei kapitein Van Dam ongeduldig. „Het is, alsof gij eene studie van de trillingen der klok maakt.”Het partijtje had zijn voortgang. Of aller aandacht bij het spel was, viel niet te beweren. Maar men speelde en de tijd spoedde voort.„Groot schlem!” kreet kapitein Van Dam juichend. „Groot schlem is honderd, vijf honneurs is.….”De klok sloeg twee glazen.De metaaltrillingen duurden nog voort, toen haastige voetstappen op het dek vernomen werden.„He, waar moet jullie heen?” klonk de stem van den bootsman.„Geh zum Teufel, Hallunke!” was het antwoord.Een vreeselijk leven volgde. De bootsman, een pootige[243]kerel, had den man bij de keel gegrepen, die hem dat onbescheiden antwoord gaf. Deze beantwoordde hem evenwel met een vuistslag, die gelukkig slechts den schouder van den zeeman trof, maar hem hevige pijn veroorzaakte.„O! is het zoo gemeend, leelijke mof!” kreet de bootsman. „Wacht even!”Hij kneep zijne krachtige vuist dicht, die als eene schroef op de ademhalingswerktuigen van den muiter werkte. Deze poogde zich nog aan de hand, die zijne strot omknelde, te ontworstelen; maar de kracht begaf hem, hij verloor het bewustzijn. Hij rochelde, stak zijne tong uit, en tuimelde tegen de verschansing, toen de stuurman hem met de rechterhand krachtig daartegen smakte en hem tegelijkertijd met de linker een vuistslag toediende, die een os zou hebben doen duizelen.Inmiddels waren de matrozen van de wacht handgemeen geraakt met de volgers van den aanvoerder. Ook de drie passagiers waren toegesprongen en waren dadelijk in een strijd van man tegen man gewikkeld, die niet in hun voordeel dreigde af te loopen. Alles bepaalde zich voorloopig nog maar tot een vuistgevecht. De aanvallers wenschten het schip te bemachtigen zonder bloedvergieten, de verdedigers hoopten dat de zaak met een sisser zou afloopen. Boven stonden de kansen vrij gelijk; beneden evenwel dreigde de aanval ernstiger te worden.Toen het geluid der worsteling boven—dat als signaal moest dienen—tot beneden doordrong, wierpen zich een aantal soldaten op het beschot, dat hun logies van dat der onderofficieren scheidde. Had Nathan Zondervan den detachements-kommandant opzettelijk misleid, toen hij verteld had, dat de troep geen wapenen had, of had men hem onkundig van die omstandigheid gelaten? Zooveel was zeker, dat het meerendeel met[244]een soort dolkmes gewapend was, en dat vier stevige kerels ieder eene bijl zwaaiden, waarmede zij dat beschot dadelijk begonnen te beuken.Dat beschot lag snel tegen den grond, maar het had toch de aanvallers zoolang opgehouden, dat de onderofficieren tijd hadden gehad om hun logies te ontruimen en zich bij de passagiers aan te sluiten. De verbindingsdeur, waardoor zij gekomen waren, werd dadelijk versperd en kapitein Van Dam reikte aan ieder een geweer onder mededeeling dat het wapen geladen was. Ernstig klonk daarbij zijne aanbeveling:„Niet schieten dan in den uitersten nood, en dan nog maar op kommando!”De passagiers, onder bevel van kapitein Butteling, sloegen nu den kajuitstrap gade, terwijl de onderofficieren onder de bevelen van kapitein Van Dam de verbindingsdeur in het oog hielden.Het troepje, dat boven den aanval gedaan had, was niet zeer sterk, een twaalftal hoogstens. Men had daar eene gemakkelijke overwinning of beter overvalling gehoopt. Nu de muiters iedereen waakzaam en op tegenweer bedacht vonden, nu hun aanvoerder daar door den bootsman buiten gevecht gesteld was, stonden hunne kansen niet gunstig. Men vocht, men sloeg, men schold, men raasde en tierde; maar de aanvallers kwamen het doel, den kajuitstrap, niet naderbij.Beneden heerschte een heidensch leven. Toen de aanvallers het onderofficiers-logies vermeesterd hadden, begonnen zij de verbindingsdeur, die hen van de kerk afsloot met hunne bijlen aan te vallen. Uit den gang van zaken begrepen zij evenwel, dat iedereen op zijne hoede was, en dat de tegenpartij in dat twintigtal onderofficieren, die zij gedacht hadden door een plotselingen overval onschadelijk te maken, eene geduchte versterking[245]had gekregen. De aanval werd evenwel met woestheid doorgezet, en weldra was het beschot, dat hen van hunne vijanden scheidde, doorgebroken. Toen evenwel grijnsde den aanvallers eene dubbele rij gevelde bajonetten tegen, die hen voor een oogenblik in bedwang hield. Het was evenwel het gezicht der blanke bajonetten niet, waarin het licht der lampen, die de kerk helder verlichtten, weerkaatste, die de muiters weerhield. Een gevecht met het blanke wapen schuwden die mannen niet; zij hadden de meerderheid in getal. Alleen de vrees voor de geweren, waarop die bajonetten zaten, boezemde hun een oogenblik aarzeling in.„Kom, vooruit, bij den duivel!” schreeuwde eene stem in het Hoogduitsch, „vooruit! Ze hebben den tijd niet gehad om die geweren te laden.”„Mannen! als iemand uwer de kerk binnendringt, laat ik vuur geven,” riep kapitein Van Dam de verdoolden toe. „Ik raad u om uw bestwil.…”Hij kon niet eindigen. Daar vloog eene handspaak met krachtige vuist voortgedreven te midden der onderofficieren, en trof een hunner zoo geweldig in de borst, dat hij achterover tuimelde, terwijl ook twee anderen door ijzeren nagelpennen aan het hoofd getroffen werden. Tegelijkertijd hadden de heeren Van Diepbrugge, Denniston en Behren het boven met hunne tegenpartij te kwaad gekregen; de een lag bewusteloos terneergeveld door een vuistslag; de tweede had het geheele gezicht in bloed en snakte naar adem, daar zijne tegenpartij hem de keel dichtgeknepen had; terwijl de derde een slag over den rechterarm had gekregen, die hem gillend van pijn had doen afdruipen. Van die leemte, daardoor ontstaan, gebruik makende, bereikte een viertal der aanvallers den kajuitstrap en stormde dien naar beneden. Wel werden ze daar dadelijk handgemeen met de overige[246]passagiers; maar kapitein Van Dam, den toestand overziende, en vreezende dat de onverlaten achter zijn gelid zouden doorbreken, meende niet meer te mogen aarzelen.„Eerste gelid,—vaardig!” kommandeerde hij.Die handgreep werd met eenheid volvoerd. Onheilspellend weerklonk het geknetter bij het spannen der hanen.„Mannen! ik raad u om uw onzinnig pogen te staken en naar het tusschendek terug te keeren. Dat is mijne laatste waarschuwing!”Klets! daar kreeg hij een nagelpen tegen den schouder. Een storm van verwenschingen, van scheldwoorden, een gehuil en getier verhief zich tegelijkertijd, alsof wilde dieren losgebroken waren. De muitende troep stoof eene schrede voorwaarts.„Eerste gelid,—aan!” klonk het kalme kommando. „Vuur! Laadt!”Een vreeselijke knal in die enge ruimte volgde, die met een nog vreeselijker gil beantwoord werd; maar waarna een oogenblik van doodsche stilte intrad. Op zoo iets hadden de muiters niet gerekend. Toch maanden de belhamels nog aan om den aanval door te zetten; maar daar weerklonken stemmen achter den muitenden troep.„Wacht! wij zullen die dondersche muiters wel krijgen!”„Wat! willen die moffen bij ons Hollandsche jongens den baas spelen?!”Het waren de matrozen van het schip, die, aangevoerd door stuurman Abels, in den rug van de oproermakers verschenen. Zij waren gewapend met enterbijlen, met koevoeten en met handspaken en bij hen hadden de Hollandsche soldaten en de goedgezinden van het detachement zich aangesloten. Ook de manschappen van[247]de wacht waren de matrozen op het dek bijgesprongen, zoodat de hoofdmacht der rebellen nu tusschen twee troepen stond, die hen in bedwang konden houden. Voor hen de muur van geweren en bajonetten, die, nu de dragers van munitie voorzien bleken te zijn, ondoordringbaar was; en achter hen de aanrukkende scheepsequipage, die er onmeedoogend op zou inslaan, wanneer zij handgemeen raakte.„Ik raad u aan om u te onderwerpen!” weerklonk de stem van kapitein Van Dam.„Genade! genade! heer kapitein,” lieten zich eenige stemmen hooren.„Keert dan naar uw logies terug!” sprak de kapitein.Het gros van den troep voldeed aan dat bevel terstond. Eenige der belhamels wilden nog parlementeeren, poogden nog voorwaarden te bedingen; maar die weinigen werden door de matrozen bij den kraag gepakt, handen en voeten gebonden en in het kabelgat geworpen.„Ik had juist marlijn in den zak,” grinnikte stuurman Ellenbaan later, als die muiterij ter sprake kwam.Ook op het dek was het gevecht ten nadeele van de aanvallers uitgevallen. Toen het salvo geweerschoten weerklonk, en de buskruitrook zich een weg door den koekoek baande, sloeg de meeste der muiters de schrik om het hart, en maakten zij zich de duisternis ten nutte om te verdwijnen. De anderen werden weldra door den bootsman met de zijnen gegrepen en onschadelijk gemaakt.Toen de opstand gedempt was, herstelden de scheepstimmerman met zijne maats voorloopig zoo goed mogelijk het beschot tusschen het onderofficiers- en soldatenlogies. Het grootluik, dat toegang tot het tusschendek verleende, werd dichtgespijkerd, terwijl de helft van de passagiers, onderofficieren en equipage behoorlijk gewapend, door kapitein Van Dam doelmatig opgesteld werd[248]om bij eene vernieuwde uitbarsting het oproer dadelijk den kop te kunnen indrukken. De andere helft beijverde zich de gekwetsten te verzorgen. Aan den kant der vertegenwoordigers der orde waren slechts min of meer belangrijke kneuzingen te constateeren, waarvan evenwel geen enkele levensgevaarlijk bevonden werd. Bij de opstandelingen waren de verliezen erger. Vooreerst lag de voorganger van het oproer, die door den bootsman zoo krachtig tegen de verschansing gesmakt was, nog steeds bewusteloos ter neer. Dat was Taugwalder, de ziel van het komplot. Dokter Van Pinksteren beijverde zich hem lijnkoeken tegen de kuiten te leggen, en wel met zoo’n gevolg, dat de opstandeling tot bewustzijn terugkeerde, toen hem een der matrozen een puts zeewater over het lijf goot. De kerel kreunde akelig, zijn hals was onder de krachtige hand van den bootsman bont en blauw geknepen. Hij had eene belangrijke kneuzing aan de ruggestreng, terwijl zijn gelaat deerlijk opgezwollen was door den vuistslag, die hem achterover had doen tuimelen. Hij was zoodanig toegetakeld, dat geen verdere voorzorgen noodig waren; hij werd eenvoudig opgepakt en naar den ziekenboeg gedragen. Beneden was een Zwitser, de Tessiner Schlapina, door een geweerkogel gedood en waren vier anderen belangrijk gewond. Het lijk van eerstgenoemden werd eenvoudig in zijne hangmat gebonden en op de koebrug gelegd; bij de laatsten was dokter Hannius druk bezig om de kogels in de wonden te zoeken, ten einde die te kunnen verwijderen, waarbij de kerels allererbarmelijkst kreunden. Toen die verzorgd en verbonden waren, begaven zij, die niet wakende bleven, zich ter rust met het streelende bewustzijn hunnen plicht gedaan te hebben.[249]
VIII.De Muiterij.
Het was Nathan Zondervan, die de deur opende.„Ikke khom voor de rheparasie, khapthein,” sprak hij.„Zoo, ja; doe de deur toe, Zondervan. Wacht, ik zal het zelf doen. Het patrijspoortje staat open, anders tocht het geweldig.”De kapitein trad op de deur toe, wierp een blik in de kerk, waarop zijne hut uitkwam en zag dat die ledig was. Alle passagiers waren boven op dek. Hij sloot daarop de deur en draaide den sleutel om. Op die beweging ontstelde de jood zichtbaar.„Je komt voor de reparatie, Zondervan?” zei de kapitein. „Maar, ik geloof dat ik jou eens duchtig moet repareeren. Wat dunkt je?”„Ikke, heer khapthein?” vroeg Nathan met een gemaakten glimlach, die veel onrust verried.„Ja, jij! Wat heb jij met den Zwitser Taugwalder uit te staan?”„Ikke?… Nhiks, khapthein!”„Niet liegen, Zondervan!” zei de kapitein, terwijl hij eene karwats van een wapenrek nam, dat boven zijne slaapstede hing. „Als je liegt, dan krijg je een pak van mij, dat je familie in den Jordaan er hulp om schreeuwt;[231]dan stop ik je daarenboven in het kabelgat49in de boeien. Als je mij bedriegt, dan ga je te Batavia voor den krijgsraad. Dus kort en goed: Wat heb jij met den Zwitser Taugwalder uit te staan?”„Ikke?… khapt.…”„Ga niet voort met je ontkenning, Zondervan; ik weet alles. Je maakt deel uit van een komplot dat ten doel heeft de officieren allen te vermoorden, zich van het schip meester te maken, en daarmede naar Iquique te zeilen. Ben ik goed ingelicht, ja of neen?”„Ghot van Abrham, Isaakh en Jakhob!” stamelde de jood.„Laat die voorouders van jou maar met vreê!” zei de kapitein, terwijl hij driftig de karwats fluitend heen en weer bewoog. „Zondervan, voor den laatsten maal: wat heb jij met den Zwitser Taugwalder uit te staan?”„Genhade! heer khapthein! Genhade!” riep Nathan terwijl hij op de knieën viel. „Ikke zhal alles zegghen.”En nu volgde een verhaal, hetwelk de lezers in hoofdzaak reeds kennen, maar waarbij Zondervan de namen der hoofdaanleggers mededeelde. Dat waren in de eerste plaats een Italiaansche Zwitser, Schlapina genaamd, afkomstig van het kanton Tessin; dan de reeds genoemde Taugwalder; terwijl sergeant Riethoven zeer goed gehoord had, dat het grootste gedeelte der vreemdelingen gemeene zaak met de belhamels maakten.„Maar, hoe kom jij als Nederlander daarin betrokken?” vroeg kapitein Van Dam.„Ach Ghot,” antwoordde de jood. „Ikke heb me laten meeslepen, khapthein. Ik dacht in den beginne nhiet dat het zoo erg zou zijn. Waarachtig as Ghott nieth! Ze gafen me nu en dan ’n dubbeltje en dan moest ik haarlui vertellen, hoe het in het matrozenlosies uitzhag. Ikke khom daar veel voor men neghosie. Toen ik hier na toe[232]ghing, moest ik ook belhoven alles hier goed op te nhemen, en dat straks te vertellen. Ghot! Ghot! wat moet ikh doen?”„Luister eens, Zondervan,” zei de detachements-kommandant. „Je zit in den pekel, man. Veel zal er evenwel van je afhangen om er uit te komen.”„Spreekh, heer khapthein,” bad de jood handenwringend, „ikke wil door het vier lhoopen!”„Bedaar man. Vooreerst, je vertelt wat je wilt, hoe het er hier uitziet; maar.… geen woord van wat hier gesproken is. Als ik gewaar word, dat je ook maar een enkel woord verklikt hebt, dan ga je het kabelgat in tot Batavia toe en daar zullen ze je wel aan een sterkhenneppendasje helpen. Ze hebben je toch de krijgsartikelen voorgelezen, nietwaar? Hij, die.…”„Genhade! khapthein, genhade! Ikke zal doen wat de khapthein gelast!”„Dat is dus begrepen … Ja nog wat. Van de geringste verandering in de gemaakte plannen geef je me kennis. Je fluistert stuurman Abels maar in ’t oor, dat je mij te spreken hebt. Die is op de hoogte. En nu, opgepast en uitgerukt, marsch!”„En de rheparaassie, khaptein?” vroeg de sluwe jood. „What mot ikke segge, as ik zonder rheparaassie verschijn?”„Je hebt gelijk. Hier zijn twee paren laarzen, die je schoenlappers-talenten vereischen, en hier eene pistoolholster, waarvan de naad open gebarsten is. Als je me wat mee te deelen hebt, kan je die voor en na terugbrengen, dan heb je den stuurman niet noodig; en nu uitgerukt, marsch!”„Ach Ghot! ach Ghot!” bad de jood, terwijl hij heenging. „What mot dat worden?”De reis ging verder voorspoedig. Op den 10denNovember[233]bevond zich deFernandina Maria Emmabij het middagbestek op 2° 7′ noorderbreedte en op 28° 23′ westerlengte en had in het laatste etmaal 43 mijlen afgelegd, hetgeen in die streken zeer bevredigend mocht heeten. De zuidoostpassaat wakkerde nog aan; zoodat de voorzegging niet al te gewaagd voorkwam, dat de Evenaar den volgenden morgen gepasseerd zoude worden. Van het vieren van het Neptunus-feest had kapitein Butteling evenwel afgezien. Onder voorwendsel om krakeel te voorkomen tusschen de soldaten en de matrozen had hij de laatsten overreed Neptunus maar van boord te houden. Zij zouden er toch geen schade bij lijden. Dat was wel eene teleurstelling voor Janmaat, die er zich veel pret van beloofd had; maar vooral voor de samenzweerders, die zoo hadden gehoopt, dat de uitgelatenheid bij dat feest gewoon, en de daarbij geplengde oorlammen, tot eene verhoogde slaperigheid aanleiding zouden geven, die hunne plannen zeer zoude bevorderd hebben. Zij zagen evenwel van hunne voornemens niet af, hetgeen uit de gehouden gesprekken bleek, die Herman Riethoven van uit zijn schuilplaats op de koebrug den avond te voren opving, ook uit de mededeelingen van Nathan Zondervan, die den kapitein den volgenden morgen reeds een paar opgeknapte laarzen terugbracht. Hij vertelde, dat de aanslag des nachts tegen dat het twee glazen in de hondenwacht zou slaan, zou volvoerd worden. De belhamels rekenden er op, dat dan de geheele bemanning van het schip voor het meerendeel in diepe rust zoude zijn.„Hebben zij wapens?” vroeg de kapitein aan den jood.„Nah! dat wheet de khapthein beter as ikke,” antwoordde Nathan. „Buiten hinne zhakmesse hebbe ze nikhs.”De dag van den 11enbrak onder die omstandigheden aan. Reeds bij zonsopgang, werden al de vlaggen aan[234]alle toppen geheschen en wapperden vroolijk in de bries. De zuidoost-passaat was gedurende den nacht nog aangewakkerd. Alle zeilen stonden bol, deFernandina Maria Emmalag bevallig stuurboord overhellende en voerde zoo veel doek, als zij maar dragen kon. Een opmerkzaam zeevarende zou het evenwel opgevallen zijn, dat het bezaanzeil niet bijgezet was, ook dat een der schoten van het grootzeil omhoog geheschen was. Toen de jonge dames als ervaren zeereizigsters—zij maakten reeds hare tweede reis om de Kaap de Goede Hoop—kapitein Butteling de redenen daarvan vroegen, maakte hij er zich van af door de verklaring, dat het bezaanzeil het schip te veel op zijn roer deed wringen en dat het grootzeil te veel wind aan het fokkezeil benam. De ware reden was evenwel, dat die twee zeilen het uitzicht over het dek te veel belemmerden en het zaak was om al de bewegingen, die daar geschiedden, in het oog te houden.Tegen tien uur in den ochtend werd een salut van een en twintig schoten met de twee aan boord aanwezige kanonnen gegeven, die daartoe op bevel van kapitein Butteling op het achterdek gevoerd waren en nu hunne rookspiralen prachtig over de zeeoppervlakte zonden, en de lucht met hun gedonder feestelijk vervulden.Bij het eerste schot trad de bootsman, die even als al de matrozen, uit wier naam hij kwam, in zijn zondagspak gestoken was, op kapitein Butteling toe en heette hem en zijne stuurlieden welkom in het zuidelijk halfrond. Daarna vervulde hij dezelfde plichtpleging bij de passagiers, en ontving van allen in dank een hartelijken handdruk. Ook de onderofficieren kwamen hunne chefs gelukwenschen en werden even hartelijk bejegend. Onbevreesd stapte kapitein Van Dam tusschen zijne manschappen, die hem met luide kreten omringden en de[235]hand, die hij hen toestak, voor het oog althans met innigheid drukten.Kapitein Butteling kon zijne goedkeuring aan die ridderlijke handeling niet onthouden; toch had hij den officier met een bezorgden blik nageoogd, toen deze zich naar voren begaf. Maar het was goed afgeloopen, men moest zich nu maar aan de genoegens van den dag overgeven en niet te zeer aan de toekomst denken.„Hebben de dames al eens de linie gezien?” vroeg stuurman Bagman aan Emma en Adelien Groenewald.„De linie gezien?!” antwoordde Emma verbaasd. „Kom, stuurman, je neemt een loopje met ons. Denk er om, dat wij haar niet voor den eersten maal passeeren.”„Dat weet ik wel,” hernam de stuurman lachende; „maar heeft men u toen de linie niet laten zien? Ik kan dat niet galant vinden van de scheepsofficieren van de.…”„Johanna Christina,” vulde Adelien aan.„Van deJohanna Christina.”„Maar, is die linie te zien?” vroeg Adelien met een ongeloovigen glimlach. „Ik meende dat het slechts een denkbeeldige lijn was.”„Of zij te zien is? Dat zou ik meenen! Wilt gij u dadelijk overtuigen?” vroeg de stuurman, terwijl hij Adelien den grooten scheepskijker overgaf, dien hij in de hand had. Dat was een gevaarte van een meter lang, die het meisje onmogelijk behandelen kon. Zij wenkte Frank Brinkman, dien zij ontwaarde, en deze hielp haar den kijker te richten.„Zie zoo,” sprak Frank, terwijl hij den telescoop ondersteunde en hem voor haar oog bracht, waarbij hij het hoofd over haren schouder moest buigen, zoodat hunne wangen elkander zeer nabij waren en hunne handen elkander raakten.[236]Het meisje keek lang door den kijker, eigenlijk om den blos, die haar gelaat bij die aanraking overdekte, te verbergen. Eindelijk, toen zij zich genoegzaam hersteld had, gaf zij den kijker aan stuurman Bagman terug, die het geheele tooneel met een wijsgeerig oog had aanschouwd.„Wel, hebt gij de linie gezien?” vroeg hij ondeugend.„Och loop,” sprak zij, „er is niets te zien!”Neen, het lieve kind had niets gezien. Zij had de oogen gesloten, toen Frank’s hand de hare aanraakte, toen zij zijnen warmen adem in haren hals voelde.„Niets te zien!” riep stuurman Bagman verwonderd uit.„Wat is er stuurman?” vroeg Behren, die in de nabijheid stond en nu nader trad.„Juffrouw Groenewald heeft de linie niet gezien,” antwoordde de stuurman.„De linie?” vroeg de apotheker verbluft.„Ja zeker, de linie. Wilt u ze zien?”Hij reikte Behren den kijker over. Deze tuurde er een poos door, nam hem voor zijne oogen weg en keek toen met alle aandacht naar buiten.„Ik zie nu niets,” mompelde hij, terwijl hij den kijker weer voor het oog bracht.„Duivels, daar is het weer! Neen, nu zie ik het goed!”Stuurman Bagman stond zich te verkneukelen van de pret.„Wat ziet ge?” vroeg Van Diepbrugge, die het groepje nader getreden was.„Mijnheer Behren ziet de linie,” zei stuurman Bagman.„Behrtje ziet de linie!” juichte Van Diepbrugge.In een oogwenk had hij al de passagiers rondom zich. Denniston[237]had hem den kijker afgenomen en keek ook er door.„Wel, de apotheker heeft gelijk. Ik zie de linie ook,” zeide hij.„Hoerah voor de linie!”„Hoe ziet zij er uit?”„Heeft zij een pantalon collant aan?”„Of een crinolien?”„De linie met eene crinolien! dan moet zij de geheele intertropische gewesten overschaduwen!” deklameerde Slierendrecht.Intusschen ging de kijker van hand tot hand en ieder erkende de linie te zien. Stuurman Bagman stond te dansen van de pret.Eindelijk kwam de kijker bij kapiteinVanDam.„Drommels!” zei deze, na even er door gekeken te hebben. „Dat is een nieuwmodel linie, die staat loodrecht op den horizon. Misschien heeft die te veel „bezaanschoot aan” gehad.”Allen lachten om den kwinkslag. Maar de grap was ontdekt. KapiteinVanDam had den kijker eenigszins gedraaid voor het oog gebracht, waardoor het paardenhaar, dat de stuurman aan den binnenkant van de beneden lens gespannen had, den gezichteinder sneed en de fopperij aan het licht bracht.„Ik wist waarachtig niet, wat ik gelooven moest,” betuigde de apotheker. „Als ik den kijker voor het oog had, zag ik duidelijk eene zwarte streep; als ik den kijker liet zakken was de linie weg.”Een flink hoera was de belooning, die stuurman Bagman voor zijn snakerij ten deel viel.Gedurende het bezichtigen der linie, was Herman Riethoven kapitein Van Dam onmerkbaar genaderd. Van een oogenblik van gejuich gebruik makende, boog hij zich tot hem.[238]„Kan ik u even spreken, kapitein?” fluisterde hij onhoorbaar voor ieder ander.De kapitein, zonder hem aan te zien, knikte toestemmend.„Sergeant Riethoven,” sprak hij een oogenblik later. „Ik heb de zakboekjes van het detachement te voorschijn gehaald. Het wordt tijd, dat die bijgewerkt worden. Kom, ik zal ze u toonen, dan weet gij ze te vinden en kunt ge morgen met Brinkman dadelijk aan het werk gaan.”Toen beiden beneden gekomen waren, vroeg de kapitein:„Welnu, wat hebt ge mij mede te deelen?”„Ik niets, kapitein. Maar hier is een briefje, dat de fuselier Zondervan mij in de hand gestopt heeft, met verzoek u dat te overhandigen.”Het briefje was niet dichtgemaakt.„Hebt gij den inhoud gelezen?” vroeg de officier.„Neen, kapitein!” antwoordde Herman, het militair salut makende, gereed om heen te gaan.„Blijf nog een oogenblik, sergeant.… Ziehier, wat de fuselier Zondervan mij schrijft:„De aanval op het achterschip zal heden nacht geschieden. Terwijl een klein gedeelte der samenzweerders zullen trachten langs den kajuitstrap naar beneden te dringen, zal het gros van uit het tusschendek in het logies der onderofficieren doorbreken, deze laatsten onschadelijk maken of dooden, en dan door de verbindingsdeur van uit dat logies de aanvallers langs den trap te hulp komen.”„De zaak verwikkelt zich,” merkte de kapitein op. „Zijn uwe collega’s allen te vertrouwen, sergeant Riethoven?”„Volkomen, kapitein. Op twee na zijn het allen Nederlanders, en de bedoelde twee zijn Duitschers, die de[239]hoop koesteren, eenmaal den officiersrang te verwerven.”„Ik weet het. Gaat nu stil heen, spreekt met een paar uwer kameraden, in dier voege, dat zij u heden avond een handje helpen om de toegangsdeur tot het onderofficiers-logies te versperren. Dat is immers gemakkelijk te doen, niet waar?”„Zeer gemakkelijk. Een paar bakskisten op elkander met een paar klampen vastgezet, dat zal gauw genoeg gedaan zijn; maar kapitein denk er om, dat het geheele beschot, hetwelk het onderofficiers-logies van dat der manschappen scheidt, slechts bestaat uit zeer dunne planken, die niet eens gevoegd zijn. Dat beschot zal hen niet lang tegenhouden.”„Als het maar zoolang tegenhoudt, tot dat de onderofficieren door de verbindingsdeur in het achteruit kunnen wijken, dat is voldoende. Veroorzaak nu geen ongerustheid voor den tijd. Heden avond kunt gij uwe collega’s op de hoogte brengen, evenwel zoo, dat de samenzweerders er niets van vernemen. Bij het eerste alarmsein vervoegen de onderofficieren zich bij ons, dan zullen zij wel verdere bevelen van mij ontvangen.”Toen beide mannen aan het dek kwamen, waren juist de middag-waarnemingen geëindigd en toonde het bestek aan, dat het fregat zich op 0° 18′ zuiderbreedte en op 30° 25′ westerlengte bevond. Het schip had in het laatste etmaal 57 mijlen afgelegd.De dag spoedde verder genoegelijk ten einde. De manschappen van het detachement zaten in groepen op het dek zich voor het oog te vermaken met lotto- en dominospel. De scheepsgezagvoerder liet herhaaldelijk bier verstrekken, ook gaf hij ieder man extra eene halve flesch wijn; maar behalve het gewone rantsoen sterke drank werd geen enkele oorlam meer uitgereikt.Toen de avond gevallen was, werden volgens oud gebruik,[240]leege teertonnen met allerhande brandbaar materiaal gevuld, achter den spiegel te water gelaten en in brand gestoken, alvorens ze los te laten. Die drijvende, vurige eilanden, welker vlammen eindeloos ver konden waargenomen worden, maakten een wondervol effekt in het donker van den nacht, effekt dat nog verhoogd werd door de weerkaatsing der vlammen in de spelende golven.Tegen tien uur liet kapitein Butteling eenige vuurpijlen en blikvuren50afsteken, welke laatste vooral met hun gekleurd licht een fantastische uitwerking hadden. Om de feestvreugde te verhoogen, werd nog eene uitdeeling van bier gedaan, waarna het feest met drie flinke kanonschoten besloten werd.Toen de stukken binnen boord gehaald waren, laadde stuurman Abels ze, onder voorwendsel van ze te wisschen, met schrootbussen. In het duister kon dat geschieden zonder opgemerkt te worden. Ongemerkt ook draaide hij de rolpaarden zoodanig, dat de stukken het geheele achterschip bestreken.Tegen elf uur blies de hoornblazer van het detachement taptoe en werd het langzamerhand stil op het dek.„Ik weet niet wat mij scheelt,” had Adelien tegen Frank gezegd, „maar er heerscht iets geheimzinnigs rondom ons. Ik voel mij beklemd, alsof een groot gevaar ons bedreigt. En toch is er niets, waarop die gewaarwording steunen kan.”„Het beste geneesmiddel daartegen is de slaap,” antwoordde Brinkman. „Gij zult goed doen, juffrouw Adelien, te gaan rusten. Het is trouwens ook al laat.”Het meisje keek hem vreemd aan. Het was haar of hij haar verwijderen wilde. Maar, nog had zij geen woord van tegenwerping kunnen uiten, toen hare mama haar riep.[241]„Kom Adelien,” sprak deze, „het is over elven, en dus tijd om naar de hut te gaan. Goeden nacht, mijnheer Brinkman.”„Goeden nacht, mevrouw, goeden nacht juffrouw Groenewald!” zeide hij, terwijl hij het kleine handje, dat hem toegestoken werd ter nauwernood durfde drukken.Het achterdek was langzamerhand leeg geworden. Toen de dames naar kooi waren, bracht kapitein Butteling de passagiers op de hoogte van de omstandigheden. Men bleef bij elkander en maakte zich den tijd te nutte om de rollen te verdeelen. Een drietal der passagiers b.v. Denniston, Behren en Van Diepbrugge, zou straks, wanneer de hondenwacht optrok, naar boven gaan en zich daar bij den koekoek der kerk bedekt opstellen om den bootsman, die daar met ettelijke matrozen post zou vatten bij te springen. Die drie heeren wapenden zich met pistolen. De overigen zouden beneden blijven om naar omstandigheden te handelen. Kapitein Van Dam, geholpen door Leidermooi en Slierendrecht, laadden de scheepsgeweren, waarvan een twintigtal voorhanden waren.„Ik hoop dat ze niet gebruikt zullen worden,” zei de kapitein. „Ik houd ze evenwel gereed, om wanneer zulks noodig mocht worden, de onderofficieren er mee te bewapenen.”Daar sloeg de klok acht glazen. De wachten verwisselden. Daarna werd het weer doodstil op het dek.„Dat wachten maakt mij zenuwachtig,” sprak Leidermooi. „De schrikkelijkste zekerheid komt mij boven die onzekerheid verkieselijk voor.”„Och,” sprak de scheepsdokter, „het zal nog wel met een sisser afloopen. Ik heb meer van die opstootjes bijgewoond. Ik wed dat er niets gaat gebeuren.”„God geve het!” zuchtte Leidermooi. „Maar die onzekerheid[242]vind ik onuitstaanbaar. Het is of de tijd voorbijkruipt.… Zouden wij niet een whistje maken? Mij dunkt, dat dit den tijd zou bekorten.”„Heerlijk denkbeeld!” antwoordde kapitein Van Dam, die de kaarten te voorschijn haalde.Er vormden zich een paar partijtjes en weldra brachten de diepzinnigheden van het edele whistspel eenige afwisseling in de minder rooskleurige gedachten, die allen bezighielden. Het was stil rondom de spelers. Het schip lag stuurboord overhellend en stevende vlug voorwaarts, waarbij bijna geene beweging van slingering ondervonden werd. De lampen hingen in hunne beweegbare toestellen bijna zoo stil, alsof men aan den vasten wal zat. Boven weerklonk de afgemeten tred van den stuurman van de wacht, die van het kompashuisje bij het stuurrad naar den koekoek van de kerk heen en weer wandelde.Daar staakte de stuurman zijne wandeling. Allen spitsten de ooren. Het geluid der klok weerklonk en sloeg een glas.„Kom, geven! mijnheer Slierendrecht,” zei kapitein Van Dam ongeduldig. „Het is, alsof gij eene studie van de trillingen der klok maakt.”Het partijtje had zijn voortgang. Of aller aandacht bij het spel was, viel niet te beweren. Maar men speelde en de tijd spoedde voort.„Groot schlem!” kreet kapitein Van Dam juichend. „Groot schlem is honderd, vijf honneurs is.….”De klok sloeg twee glazen.De metaaltrillingen duurden nog voort, toen haastige voetstappen op het dek vernomen werden.„He, waar moet jullie heen?” klonk de stem van den bootsman.„Geh zum Teufel, Hallunke!” was het antwoord.Een vreeselijk leven volgde. De bootsman, een pootige[243]kerel, had den man bij de keel gegrepen, die hem dat onbescheiden antwoord gaf. Deze beantwoordde hem evenwel met een vuistslag, die gelukkig slechts den schouder van den zeeman trof, maar hem hevige pijn veroorzaakte.„O! is het zoo gemeend, leelijke mof!” kreet de bootsman. „Wacht even!”Hij kneep zijne krachtige vuist dicht, die als eene schroef op de ademhalingswerktuigen van den muiter werkte. Deze poogde zich nog aan de hand, die zijne strot omknelde, te ontworstelen; maar de kracht begaf hem, hij verloor het bewustzijn. Hij rochelde, stak zijne tong uit, en tuimelde tegen de verschansing, toen de stuurman hem met de rechterhand krachtig daartegen smakte en hem tegelijkertijd met de linker een vuistslag toediende, die een os zou hebben doen duizelen.Inmiddels waren de matrozen van de wacht handgemeen geraakt met de volgers van den aanvoerder. Ook de drie passagiers waren toegesprongen en waren dadelijk in een strijd van man tegen man gewikkeld, die niet in hun voordeel dreigde af te loopen. Alles bepaalde zich voorloopig nog maar tot een vuistgevecht. De aanvallers wenschten het schip te bemachtigen zonder bloedvergieten, de verdedigers hoopten dat de zaak met een sisser zou afloopen. Boven stonden de kansen vrij gelijk; beneden evenwel dreigde de aanval ernstiger te worden.Toen het geluid der worsteling boven—dat als signaal moest dienen—tot beneden doordrong, wierpen zich een aantal soldaten op het beschot, dat hun logies van dat der onderofficieren scheidde. Had Nathan Zondervan den detachements-kommandant opzettelijk misleid, toen hij verteld had, dat de troep geen wapenen had, of had men hem onkundig van die omstandigheid gelaten? Zooveel was zeker, dat het meerendeel met[244]een soort dolkmes gewapend was, en dat vier stevige kerels ieder eene bijl zwaaiden, waarmede zij dat beschot dadelijk begonnen te beuken.Dat beschot lag snel tegen den grond, maar het had toch de aanvallers zoolang opgehouden, dat de onderofficieren tijd hadden gehad om hun logies te ontruimen en zich bij de passagiers aan te sluiten. De verbindingsdeur, waardoor zij gekomen waren, werd dadelijk versperd en kapitein Van Dam reikte aan ieder een geweer onder mededeeling dat het wapen geladen was. Ernstig klonk daarbij zijne aanbeveling:„Niet schieten dan in den uitersten nood, en dan nog maar op kommando!”De passagiers, onder bevel van kapitein Butteling, sloegen nu den kajuitstrap gade, terwijl de onderofficieren onder de bevelen van kapitein Van Dam de verbindingsdeur in het oog hielden.Het troepje, dat boven den aanval gedaan had, was niet zeer sterk, een twaalftal hoogstens. Men had daar eene gemakkelijke overwinning of beter overvalling gehoopt. Nu de muiters iedereen waakzaam en op tegenweer bedacht vonden, nu hun aanvoerder daar door den bootsman buiten gevecht gesteld was, stonden hunne kansen niet gunstig. Men vocht, men sloeg, men schold, men raasde en tierde; maar de aanvallers kwamen het doel, den kajuitstrap, niet naderbij.Beneden heerschte een heidensch leven. Toen de aanvallers het onderofficiers-logies vermeesterd hadden, begonnen zij de verbindingsdeur, die hen van de kerk afsloot met hunne bijlen aan te vallen. Uit den gang van zaken begrepen zij evenwel, dat iedereen op zijne hoede was, en dat de tegenpartij in dat twintigtal onderofficieren, die zij gedacht hadden door een plotselingen overval onschadelijk te maken, eene geduchte versterking[245]had gekregen. De aanval werd evenwel met woestheid doorgezet, en weldra was het beschot, dat hen van hunne vijanden scheidde, doorgebroken. Toen evenwel grijnsde den aanvallers eene dubbele rij gevelde bajonetten tegen, die hen voor een oogenblik in bedwang hield. Het was evenwel het gezicht der blanke bajonetten niet, waarin het licht der lampen, die de kerk helder verlichtten, weerkaatste, die de muiters weerhield. Een gevecht met het blanke wapen schuwden die mannen niet; zij hadden de meerderheid in getal. Alleen de vrees voor de geweren, waarop die bajonetten zaten, boezemde hun een oogenblik aarzeling in.„Kom, vooruit, bij den duivel!” schreeuwde eene stem in het Hoogduitsch, „vooruit! Ze hebben den tijd niet gehad om die geweren te laden.”„Mannen! als iemand uwer de kerk binnendringt, laat ik vuur geven,” riep kapitein Van Dam de verdoolden toe. „Ik raad u om uw bestwil.…”Hij kon niet eindigen. Daar vloog eene handspaak met krachtige vuist voortgedreven te midden der onderofficieren, en trof een hunner zoo geweldig in de borst, dat hij achterover tuimelde, terwijl ook twee anderen door ijzeren nagelpennen aan het hoofd getroffen werden. Tegelijkertijd hadden de heeren Van Diepbrugge, Denniston en Behren het boven met hunne tegenpartij te kwaad gekregen; de een lag bewusteloos terneergeveld door een vuistslag; de tweede had het geheele gezicht in bloed en snakte naar adem, daar zijne tegenpartij hem de keel dichtgeknepen had; terwijl de derde een slag over den rechterarm had gekregen, die hem gillend van pijn had doen afdruipen. Van die leemte, daardoor ontstaan, gebruik makende, bereikte een viertal der aanvallers den kajuitstrap en stormde dien naar beneden. Wel werden ze daar dadelijk handgemeen met de overige[246]passagiers; maar kapitein Van Dam, den toestand overziende, en vreezende dat de onverlaten achter zijn gelid zouden doorbreken, meende niet meer te mogen aarzelen.„Eerste gelid,—vaardig!” kommandeerde hij.Die handgreep werd met eenheid volvoerd. Onheilspellend weerklonk het geknetter bij het spannen der hanen.„Mannen! ik raad u om uw onzinnig pogen te staken en naar het tusschendek terug te keeren. Dat is mijne laatste waarschuwing!”Klets! daar kreeg hij een nagelpen tegen den schouder. Een storm van verwenschingen, van scheldwoorden, een gehuil en getier verhief zich tegelijkertijd, alsof wilde dieren losgebroken waren. De muitende troep stoof eene schrede voorwaarts.„Eerste gelid,—aan!” klonk het kalme kommando. „Vuur! Laadt!”Een vreeselijke knal in die enge ruimte volgde, die met een nog vreeselijker gil beantwoord werd; maar waarna een oogenblik van doodsche stilte intrad. Op zoo iets hadden de muiters niet gerekend. Toch maanden de belhamels nog aan om den aanval door te zetten; maar daar weerklonken stemmen achter den muitenden troep.„Wacht! wij zullen die dondersche muiters wel krijgen!”„Wat! willen die moffen bij ons Hollandsche jongens den baas spelen?!”Het waren de matrozen van het schip, die, aangevoerd door stuurman Abels, in den rug van de oproermakers verschenen. Zij waren gewapend met enterbijlen, met koevoeten en met handspaken en bij hen hadden de Hollandsche soldaten en de goedgezinden van het detachement zich aangesloten. Ook de manschappen van[247]de wacht waren de matrozen op het dek bijgesprongen, zoodat de hoofdmacht der rebellen nu tusschen twee troepen stond, die hen in bedwang konden houden. Voor hen de muur van geweren en bajonetten, die, nu de dragers van munitie voorzien bleken te zijn, ondoordringbaar was; en achter hen de aanrukkende scheepsequipage, die er onmeedoogend op zou inslaan, wanneer zij handgemeen raakte.„Ik raad u aan om u te onderwerpen!” weerklonk de stem van kapitein Van Dam.„Genade! genade! heer kapitein,” lieten zich eenige stemmen hooren.„Keert dan naar uw logies terug!” sprak de kapitein.Het gros van den troep voldeed aan dat bevel terstond. Eenige der belhamels wilden nog parlementeeren, poogden nog voorwaarden te bedingen; maar die weinigen werden door de matrozen bij den kraag gepakt, handen en voeten gebonden en in het kabelgat geworpen.„Ik had juist marlijn in den zak,” grinnikte stuurman Ellenbaan later, als die muiterij ter sprake kwam.Ook op het dek was het gevecht ten nadeele van de aanvallers uitgevallen. Toen het salvo geweerschoten weerklonk, en de buskruitrook zich een weg door den koekoek baande, sloeg de meeste der muiters de schrik om het hart, en maakten zij zich de duisternis ten nutte om te verdwijnen. De anderen werden weldra door den bootsman met de zijnen gegrepen en onschadelijk gemaakt.Toen de opstand gedempt was, herstelden de scheepstimmerman met zijne maats voorloopig zoo goed mogelijk het beschot tusschen het onderofficiers- en soldatenlogies. Het grootluik, dat toegang tot het tusschendek verleende, werd dichtgespijkerd, terwijl de helft van de passagiers, onderofficieren en equipage behoorlijk gewapend, door kapitein Van Dam doelmatig opgesteld werd[248]om bij eene vernieuwde uitbarsting het oproer dadelijk den kop te kunnen indrukken. De andere helft beijverde zich de gekwetsten te verzorgen. Aan den kant der vertegenwoordigers der orde waren slechts min of meer belangrijke kneuzingen te constateeren, waarvan evenwel geen enkele levensgevaarlijk bevonden werd. Bij de opstandelingen waren de verliezen erger. Vooreerst lag de voorganger van het oproer, die door den bootsman zoo krachtig tegen de verschansing gesmakt was, nog steeds bewusteloos ter neer. Dat was Taugwalder, de ziel van het komplot. Dokter Van Pinksteren beijverde zich hem lijnkoeken tegen de kuiten te leggen, en wel met zoo’n gevolg, dat de opstandeling tot bewustzijn terugkeerde, toen hem een der matrozen een puts zeewater over het lijf goot. De kerel kreunde akelig, zijn hals was onder de krachtige hand van den bootsman bont en blauw geknepen. Hij had eene belangrijke kneuzing aan de ruggestreng, terwijl zijn gelaat deerlijk opgezwollen was door den vuistslag, die hem achterover had doen tuimelen. Hij was zoodanig toegetakeld, dat geen verdere voorzorgen noodig waren; hij werd eenvoudig opgepakt en naar den ziekenboeg gedragen. Beneden was een Zwitser, de Tessiner Schlapina, door een geweerkogel gedood en waren vier anderen belangrijk gewond. Het lijk van eerstgenoemden werd eenvoudig in zijne hangmat gebonden en op de koebrug gelegd; bij de laatsten was dokter Hannius druk bezig om de kogels in de wonden te zoeken, ten einde die te kunnen verwijderen, waarbij de kerels allererbarmelijkst kreunden. Toen die verzorgd en verbonden waren, begaven zij, die niet wakende bleven, zich ter rust met het streelende bewustzijn hunnen plicht gedaan te hebben.[249]
Het was Nathan Zondervan, die de deur opende.
„Ikke khom voor de rheparasie, khapthein,” sprak hij.
„Zoo, ja; doe de deur toe, Zondervan. Wacht, ik zal het zelf doen. Het patrijspoortje staat open, anders tocht het geweldig.”
De kapitein trad op de deur toe, wierp een blik in de kerk, waarop zijne hut uitkwam en zag dat die ledig was. Alle passagiers waren boven op dek. Hij sloot daarop de deur en draaide den sleutel om. Op die beweging ontstelde de jood zichtbaar.
„Je komt voor de reparatie, Zondervan?” zei de kapitein. „Maar, ik geloof dat ik jou eens duchtig moet repareeren. Wat dunkt je?”
„Ikke, heer khapthein?” vroeg Nathan met een gemaakten glimlach, die veel onrust verried.
„Ja, jij! Wat heb jij met den Zwitser Taugwalder uit te staan?”
„Ikke?… Nhiks, khapthein!”
„Niet liegen, Zondervan!” zei de kapitein, terwijl hij eene karwats van een wapenrek nam, dat boven zijne slaapstede hing. „Als je liegt, dan krijg je een pak van mij, dat je familie in den Jordaan er hulp om schreeuwt;[231]dan stop ik je daarenboven in het kabelgat49in de boeien. Als je mij bedriegt, dan ga je te Batavia voor den krijgsraad. Dus kort en goed: Wat heb jij met den Zwitser Taugwalder uit te staan?”
„Ikke?… khapt.…”
„Ga niet voort met je ontkenning, Zondervan; ik weet alles. Je maakt deel uit van een komplot dat ten doel heeft de officieren allen te vermoorden, zich van het schip meester te maken, en daarmede naar Iquique te zeilen. Ben ik goed ingelicht, ja of neen?”
„Ghot van Abrham, Isaakh en Jakhob!” stamelde de jood.
„Laat die voorouders van jou maar met vreê!” zei de kapitein, terwijl hij driftig de karwats fluitend heen en weer bewoog. „Zondervan, voor den laatsten maal: wat heb jij met den Zwitser Taugwalder uit te staan?”
„Genhade! heer khapthein! Genhade!” riep Nathan terwijl hij op de knieën viel. „Ikke zhal alles zegghen.”
En nu volgde een verhaal, hetwelk de lezers in hoofdzaak reeds kennen, maar waarbij Zondervan de namen der hoofdaanleggers mededeelde. Dat waren in de eerste plaats een Italiaansche Zwitser, Schlapina genaamd, afkomstig van het kanton Tessin; dan de reeds genoemde Taugwalder; terwijl sergeant Riethoven zeer goed gehoord had, dat het grootste gedeelte der vreemdelingen gemeene zaak met de belhamels maakten.
„Maar, hoe kom jij als Nederlander daarin betrokken?” vroeg kapitein Van Dam.
„Ach Ghot,” antwoordde de jood. „Ikke heb me laten meeslepen, khapthein. Ik dacht in den beginne nhiet dat het zoo erg zou zijn. Waarachtig as Ghott nieth! Ze gafen me nu en dan ’n dubbeltje en dan moest ik haarlui vertellen, hoe het in het matrozenlosies uitzhag. Ikke khom daar veel voor men neghosie. Toen ik hier na toe[232]ghing, moest ik ook belhoven alles hier goed op te nhemen, en dat straks te vertellen. Ghot! Ghot! wat moet ikh doen?”
„Luister eens, Zondervan,” zei de detachements-kommandant. „Je zit in den pekel, man. Veel zal er evenwel van je afhangen om er uit te komen.”
„Spreekh, heer khapthein,” bad de jood handenwringend, „ikke wil door het vier lhoopen!”
„Bedaar man. Vooreerst, je vertelt wat je wilt, hoe het er hier uitziet; maar.… geen woord van wat hier gesproken is. Als ik gewaar word, dat je ook maar een enkel woord verklikt hebt, dan ga je het kabelgat in tot Batavia toe en daar zullen ze je wel aan een sterkhenneppendasje helpen. Ze hebben je toch de krijgsartikelen voorgelezen, nietwaar? Hij, die.…”
„Genhade! khapthein, genhade! Ikke zal doen wat de khapthein gelast!”
„Dat is dus begrepen … Ja nog wat. Van de geringste verandering in de gemaakte plannen geef je me kennis. Je fluistert stuurman Abels maar in ’t oor, dat je mij te spreken hebt. Die is op de hoogte. En nu, opgepast en uitgerukt, marsch!”
„En de rheparaassie, khaptein?” vroeg de sluwe jood. „What mot ikke segge, as ik zonder rheparaassie verschijn?”
„Je hebt gelijk. Hier zijn twee paren laarzen, die je schoenlappers-talenten vereischen, en hier eene pistoolholster, waarvan de naad open gebarsten is. Als je me wat mee te deelen hebt, kan je die voor en na terugbrengen, dan heb je den stuurman niet noodig; en nu uitgerukt, marsch!”
„Ach Ghot! ach Ghot!” bad de jood, terwijl hij heenging. „What mot dat worden?”
De reis ging verder voorspoedig. Op den 10denNovember[233]bevond zich deFernandina Maria Emmabij het middagbestek op 2° 7′ noorderbreedte en op 28° 23′ westerlengte en had in het laatste etmaal 43 mijlen afgelegd, hetgeen in die streken zeer bevredigend mocht heeten. De zuidoostpassaat wakkerde nog aan; zoodat de voorzegging niet al te gewaagd voorkwam, dat de Evenaar den volgenden morgen gepasseerd zoude worden. Van het vieren van het Neptunus-feest had kapitein Butteling evenwel afgezien. Onder voorwendsel om krakeel te voorkomen tusschen de soldaten en de matrozen had hij de laatsten overreed Neptunus maar van boord te houden. Zij zouden er toch geen schade bij lijden. Dat was wel eene teleurstelling voor Janmaat, die er zich veel pret van beloofd had; maar vooral voor de samenzweerders, die zoo hadden gehoopt, dat de uitgelatenheid bij dat feest gewoon, en de daarbij geplengde oorlammen, tot eene verhoogde slaperigheid aanleiding zouden geven, die hunne plannen zeer zoude bevorderd hebben. Zij zagen evenwel van hunne voornemens niet af, hetgeen uit de gehouden gesprekken bleek, die Herman Riethoven van uit zijn schuilplaats op de koebrug den avond te voren opving, ook uit de mededeelingen van Nathan Zondervan, die den kapitein den volgenden morgen reeds een paar opgeknapte laarzen terugbracht. Hij vertelde, dat de aanslag des nachts tegen dat het twee glazen in de hondenwacht zou slaan, zou volvoerd worden. De belhamels rekenden er op, dat dan de geheele bemanning van het schip voor het meerendeel in diepe rust zoude zijn.
„Hebben zij wapens?” vroeg de kapitein aan den jood.
„Nah! dat wheet de khapthein beter as ikke,” antwoordde Nathan. „Buiten hinne zhakmesse hebbe ze nikhs.”
De dag van den 11enbrak onder die omstandigheden aan. Reeds bij zonsopgang, werden al de vlaggen aan[234]alle toppen geheschen en wapperden vroolijk in de bries. De zuidoost-passaat was gedurende den nacht nog aangewakkerd. Alle zeilen stonden bol, deFernandina Maria Emmalag bevallig stuurboord overhellende en voerde zoo veel doek, als zij maar dragen kon. Een opmerkzaam zeevarende zou het evenwel opgevallen zijn, dat het bezaanzeil niet bijgezet was, ook dat een der schoten van het grootzeil omhoog geheschen was. Toen de jonge dames als ervaren zeereizigsters—zij maakten reeds hare tweede reis om de Kaap de Goede Hoop—kapitein Butteling de redenen daarvan vroegen, maakte hij er zich van af door de verklaring, dat het bezaanzeil het schip te veel op zijn roer deed wringen en dat het grootzeil te veel wind aan het fokkezeil benam. De ware reden was evenwel, dat die twee zeilen het uitzicht over het dek te veel belemmerden en het zaak was om al de bewegingen, die daar geschiedden, in het oog te houden.
Tegen tien uur in den ochtend werd een salut van een en twintig schoten met de twee aan boord aanwezige kanonnen gegeven, die daartoe op bevel van kapitein Butteling op het achterdek gevoerd waren en nu hunne rookspiralen prachtig over de zeeoppervlakte zonden, en de lucht met hun gedonder feestelijk vervulden.
Bij het eerste schot trad de bootsman, die even als al de matrozen, uit wier naam hij kwam, in zijn zondagspak gestoken was, op kapitein Butteling toe en heette hem en zijne stuurlieden welkom in het zuidelijk halfrond. Daarna vervulde hij dezelfde plichtpleging bij de passagiers, en ontving van allen in dank een hartelijken handdruk. Ook de onderofficieren kwamen hunne chefs gelukwenschen en werden even hartelijk bejegend. Onbevreesd stapte kapitein Van Dam tusschen zijne manschappen, die hem met luide kreten omringden en de[235]hand, die hij hen toestak, voor het oog althans met innigheid drukten.
Kapitein Butteling kon zijne goedkeuring aan die ridderlijke handeling niet onthouden; toch had hij den officier met een bezorgden blik nageoogd, toen deze zich naar voren begaf. Maar het was goed afgeloopen, men moest zich nu maar aan de genoegens van den dag overgeven en niet te zeer aan de toekomst denken.
„Hebben de dames al eens de linie gezien?” vroeg stuurman Bagman aan Emma en Adelien Groenewald.
„De linie gezien?!” antwoordde Emma verbaasd. „Kom, stuurman, je neemt een loopje met ons. Denk er om, dat wij haar niet voor den eersten maal passeeren.”
„Dat weet ik wel,” hernam de stuurman lachende; „maar heeft men u toen de linie niet laten zien? Ik kan dat niet galant vinden van de scheepsofficieren van de.…”
„Johanna Christina,” vulde Adelien aan.
„Van deJohanna Christina.”
„Maar, is die linie te zien?” vroeg Adelien met een ongeloovigen glimlach. „Ik meende dat het slechts een denkbeeldige lijn was.”
„Of zij te zien is? Dat zou ik meenen! Wilt gij u dadelijk overtuigen?” vroeg de stuurman, terwijl hij Adelien den grooten scheepskijker overgaf, dien hij in de hand had. Dat was een gevaarte van een meter lang, die het meisje onmogelijk behandelen kon. Zij wenkte Frank Brinkman, dien zij ontwaarde, en deze hielp haar den kijker te richten.
„Zie zoo,” sprak Frank, terwijl hij den telescoop ondersteunde en hem voor haar oog bracht, waarbij hij het hoofd over haren schouder moest buigen, zoodat hunne wangen elkander zeer nabij waren en hunne handen elkander raakten.[236]
Het meisje keek lang door den kijker, eigenlijk om den blos, die haar gelaat bij die aanraking overdekte, te verbergen. Eindelijk, toen zij zich genoegzaam hersteld had, gaf zij den kijker aan stuurman Bagman terug, die het geheele tooneel met een wijsgeerig oog had aanschouwd.
„Wel, hebt gij de linie gezien?” vroeg hij ondeugend.
„Och loop,” sprak zij, „er is niets te zien!”
Neen, het lieve kind had niets gezien. Zij had de oogen gesloten, toen Frank’s hand de hare aanraakte, toen zij zijnen warmen adem in haren hals voelde.
„Niets te zien!” riep stuurman Bagman verwonderd uit.
„Wat is er stuurman?” vroeg Behren, die in de nabijheid stond en nu nader trad.
„Juffrouw Groenewald heeft de linie niet gezien,” antwoordde de stuurman.
„De linie?” vroeg de apotheker verbluft.
„Ja zeker, de linie. Wilt u ze zien?”
Hij reikte Behren den kijker over. Deze tuurde er een poos door, nam hem voor zijne oogen weg en keek toen met alle aandacht naar buiten.
„Ik zie nu niets,” mompelde hij, terwijl hij den kijker weer voor het oog bracht.
„Duivels, daar is het weer! Neen, nu zie ik het goed!”
Stuurman Bagman stond zich te verkneukelen van de pret.
„Wat ziet ge?” vroeg Van Diepbrugge, die het groepje nader getreden was.
„Mijnheer Behren ziet de linie,” zei stuurman Bagman.
„Behrtje ziet de linie!” juichte Van Diepbrugge.
In een oogwenk had hij al de passagiers rondom zich. Denniston[237]had hem den kijker afgenomen en keek ook er door.
„Wel, de apotheker heeft gelijk. Ik zie de linie ook,” zeide hij.
„Hoerah voor de linie!”
„Hoe ziet zij er uit?”
„Heeft zij een pantalon collant aan?”
„Of een crinolien?”
„De linie met eene crinolien! dan moet zij de geheele intertropische gewesten overschaduwen!” deklameerde Slierendrecht.
Intusschen ging de kijker van hand tot hand en ieder erkende de linie te zien. Stuurman Bagman stond te dansen van de pret.
Eindelijk kwam de kijker bij kapiteinVanDam.
„Drommels!” zei deze, na even er door gekeken te hebben. „Dat is een nieuwmodel linie, die staat loodrecht op den horizon. Misschien heeft die te veel „bezaanschoot aan” gehad.”
Allen lachten om den kwinkslag. Maar de grap was ontdekt. KapiteinVanDam had den kijker eenigszins gedraaid voor het oog gebracht, waardoor het paardenhaar, dat de stuurman aan den binnenkant van de beneden lens gespannen had, den gezichteinder sneed en de fopperij aan het licht bracht.
„Ik wist waarachtig niet, wat ik gelooven moest,” betuigde de apotheker. „Als ik den kijker voor het oog had, zag ik duidelijk eene zwarte streep; als ik den kijker liet zakken was de linie weg.”
Een flink hoera was de belooning, die stuurman Bagman voor zijn snakerij ten deel viel.
Gedurende het bezichtigen der linie, was Herman Riethoven kapitein Van Dam onmerkbaar genaderd. Van een oogenblik van gejuich gebruik makende, boog hij zich tot hem.[238]
„Kan ik u even spreken, kapitein?” fluisterde hij onhoorbaar voor ieder ander.
De kapitein, zonder hem aan te zien, knikte toestemmend.
„Sergeant Riethoven,” sprak hij een oogenblik later. „Ik heb de zakboekjes van het detachement te voorschijn gehaald. Het wordt tijd, dat die bijgewerkt worden. Kom, ik zal ze u toonen, dan weet gij ze te vinden en kunt ge morgen met Brinkman dadelijk aan het werk gaan.”
Toen beiden beneden gekomen waren, vroeg de kapitein:
„Welnu, wat hebt ge mij mede te deelen?”
„Ik niets, kapitein. Maar hier is een briefje, dat de fuselier Zondervan mij in de hand gestopt heeft, met verzoek u dat te overhandigen.”
Het briefje was niet dichtgemaakt.
„Hebt gij den inhoud gelezen?” vroeg de officier.
„Neen, kapitein!” antwoordde Herman, het militair salut makende, gereed om heen te gaan.
„Blijf nog een oogenblik, sergeant.… Ziehier, wat de fuselier Zondervan mij schrijft:
„De aanval op het achterschip zal heden nacht geschieden. Terwijl een klein gedeelte der samenzweerders zullen trachten langs den kajuitstrap naar beneden te dringen, zal het gros van uit het tusschendek in het logies der onderofficieren doorbreken, deze laatsten onschadelijk maken of dooden, en dan door de verbindingsdeur van uit dat logies de aanvallers langs den trap te hulp komen.”
„De zaak verwikkelt zich,” merkte de kapitein op. „Zijn uwe collega’s allen te vertrouwen, sergeant Riethoven?”
„Volkomen, kapitein. Op twee na zijn het allen Nederlanders, en de bedoelde twee zijn Duitschers, die de[239]hoop koesteren, eenmaal den officiersrang te verwerven.”
„Ik weet het. Gaat nu stil heen, spreekt met een paar uwer kameraden, in dier voege, dat zij u heden avond een handje helpen om de toegangsdeur tot het onderofficiers-logies te versperren. Dat is immers gemakkelijk te doen, niet waar?”
„Zeer gemakkelijk. Een paar bakskisten op elkander met een paar klampen vastgezet, dat zal gauw genoeg gedaan zijn; maar kapitein denk er om, dat het geheele beschot, hetwelk het onderofficiers-logies van dat der manschappen scheidt, slechts bestaat uit zeer dunne planken, die niet eens gevoegd zijn. Dat beschot zal hen niet lang tegenhouden.”
„Als het maar zoolang tegenhoudt, tot dat de onderofficieren door de verbindingsdeur in het achteruit kunnen wijken, dat is voldoende. Veroorzaak nu geen ongerustheid voor den tijd. Heden avond kunt gij uwe collega’s op de hoogte brengen, evenwel zoo, dat de samenzweerders er niets van vernemen. Bij het eerste alarmsein vervoegen de onderofficieren zich bij ons, dan zullen zij wel verdere bevelen van mij ontvangen.”
Toen beide mannen aan het dek kwamen, waren juist de middag-waarnemingen geëindigd en toonde het bestek aan, dat het fregat zich op 0° 18′ zuiderbreedte en op 30° 25′ westerlengte bevond. Het schip had in het laatste etmaal 57 mijlen afgelegd.
De dag spoedde verder genoegelijk ten einde. De manschappen van het detachement zaten in groepen op het dek zich voor het oog te vermaken met lotto- en dominospel. De scheepsgezagvoerder liet herhaaldelijk bier verstrekken, ook gaf hij ieder man extra eene halve flesch wijn; maar behalve het gewone rantsoen sterke drank werd geen enkele oorlam meer uitgereikt.
Toen de avond gevallen was, werden volgens oud gebruik,[240]leege teertonnen met allerhande brandbaar materiaal gevuld, achter den spiegel te water gelaten en in brand gestoken, alvorens ze los te laten. Die drijvende, vurige eilanden, welker vlammen eindeloos ver konden waargenomen worden, maakten een wondervol effekt in het donker van den nacht, effekt dat nog verhoogd werd door de weerkaatsing der vlammen in de spelende golven.
Tegen tien uur liet kapitein Butteling eenige vuurpijlen en blikvuren50afsteken, welke laatste vooral met hun gekleurd licht een fantastische uitwerking hadden. Om de feestvreugde te verhoogen, werd nog eene uitdeeling van bier gedaan, waarna het feest met drie flinke kanonschoten besloten werd.
Toen de stukken binnen boord gehaald waren, laadde stuurman Abels ze, onder voorwendsel van ze te wisschen, met schrootbussen. In het duister kon dat geschieden zonder opgemerkt te worden. Ongemerkt ook draaide hij de rolpaarden zoodanig, dat de stukken het geheele achterschip bestreken.
Tegen elf uur blies de hoornblazer van het detachement taptoe en werd het langzamerhand stil op het dek.
„Ik weet niet wat mij scheelt,” had Adelien tegen Frank gezegd, „maar er heerscht iets geheimzinnigs rondom ons. Ik voel mij beklemd, alsof een groot gevaar ons bedreigt. En toch is er niets, waarop die gewaarwording steunen kan.”
„Het beste geneesmiddel daartegen is de slaap,” antwoordde Brinkman. „Gij zult goed doen, juffrouw Adelien, te gaan rusten. Het is trouwens ook al laat.”
Het meisje keek hem vreemd aan. Het was haar of hij haar verwijderen wilde. Maar, nog had zij geen woord van tegenwerping kunnen uiten, toen hare mama haar riep.[241]
„Kom Adelien,” sprak deze, „het is over elven, en dus tijd om naar de hut te gaan. Goeden nacht, mijnheer Brinkman.”
„Goeden nacht, mevrouw, goeden nacht juffrouw Groenewald!” zeide hij, terwijl hij het kleine handje, dat hem toegestoken werd ter nauwernood durfde drukken.
Het achterdek was langzamerhand leeg geworden. Toen de dames naar kooi waren, bracht kapitein Butteling de passagiers op de hoogte van de omstandigheden. Men bleef bij elkander en maakte zich den tijd te nutte om de rollen te verdeelen. Een drietal der passagiers b.v. Denniston, Behren en Van Diepbrugge, zou straks, wanneer de hondenwacht optrok, naar boven gaan en zich daar bij den koekoek der kerk bedekt opstellen om den bootsman, die daar met ettelijke matrozen post zou vatten bij te springen. Die drie heeren wapenden zich met pistolen. De overigen zouden beneden blijven om naar omstandigheden te handelen. Kapitein Van Dam, geholpen door Leidermooi en Slierendrecht, laadden de scheepsgeweren, waarvan een twintigtal voorhanden waren.
„Ik hoop dat ze niet gebruikt zullen worden,” zei de kapitein. „Ik houd ze evenwel gereed, om wanneer zulks noodig mocht worden, de onderofficieren er mee te bewapenen.”
Daar sloeg de klok acht glazen. De wachten verwisselden. Daarna werd het weer doodstil op het dek.
„Dat wachten maakt mij zenuwachtig,” sprak Leidermooi. „De schrikkelijkste zekerheid komt mij boven die onzekerheid verkieselijk voor.”
„Och,” sprak de scheepsdokter, „het zal nog wel met een sisser afloopen. Ik heb meer van die opstootjes bijgewoond. Ik wed dat er niets gaat gebeuren.”
„God geve het!” zuchtte Leidermooi. „Maar die onzekerheid[242]vind ik onuitstaanbaar. Het is of de tijd voorbijkruipt.… Zouden wij niet een whistje maken? Mij dunkt, dat dit den tijd zou bekorten.”
„Heerlijk denkbeeld!” antwoordde kapitein Van Dam, die de kaarten te voorschijn haalde.
Er vormden zich een paar partijtjes en weldra brachten de diepzinnigheden van het edele whistspel eenige afwisseling in de minder rooskleurige gedachten, die allen bezighielden. Het was stil rondom de spelers. Het schip lag stuurboord overhellend en stevende vlug voorwaarts, waarbij bijna geene beweging van slingering ondervonden werd. De lampen hingen in hunne beweegbare toestellen bijna zoo stil, alsof men aan den vasten wal zat. Boven weerklonk de afgemeten tred van den stuurman van de wacht, die van het kompashuisje bij het stuurrad naar den koekoek van de kerk heen en weer wandelde.
Daar staakte de stuurman zijne wandeling. Allen spitsten de ooren. Het geluid der klok weerklonk en sloeg een glas.
„Kom, geven! mijnheer Slierendrecht,” zei kapitein Van Dam ongeduldig. „Het is, alsof gij eene studie van de trillingen der klok maakt.”
Het partijtje had zijn voortgang. Of aller aandacht bij het spel was, viel niet te beweren. Maar men speelde en de tijd spoedde voort.
„Groot schlem!” kreet kapitein Van Dam juichend. „Groot schlem is honderd, vijf honneurs is.….”
De klok sloeg twee glazen.
De metaaltrillingen duurden nog voort, toen haastige voetstappen op het dek vernomen werden.
„He, waar moet jullie heen?” klonk de stem van den bootsman.
„Geh zum Teufel, Hallunke!” was het antwoord.
Een vreeselijk leven volgde. De bootsman, een pootige[243]kerel, had den man bij de keel gegrepen, die hem dat onbescheiden antwoord gaf. Deze beantwoordde hem evenwel met een vuistslag, die gelukkig slechts den schouder van den zeeman trof, maar hem hevige pijn veroorzaakte.
„O! is het zoo gemeend, leelijke mof!” kreet de bootsman. „Wacht even!”
Hij kneep zijne krachtige vuist dicht, die als eene schroef op de ademhalingswerktuigen van den muiter werkte. Deze poogde zich nog aan de hand, die zijne strot omknelde, te ontworstelen; maar de kracht begaf hem, hij verloor het bewustzijn. Hij rochelde, stak zijne tong uit, en tuimelde tegen de verschansing, toen de stuurman hem met de rechterhand krachtig daartegen smakte en hem tegelijkertijd met de linker een vuistslag toediende, die een os zou hebben doen duizelen.
Inmiddels waren de matrozen van de wacht handgemeen geraakt met de volgers van den aanvoerder. Ook de drie passagiers waren toegesprongen en waren dadelijk in een strijd van man tegen man gewikkeld, die niet in hun voordeel dreigde af te loopen. Alles bepaalde zich voorloopig nog maar tot een vuistgevecht. De aanvallers wenschten het schip te bemachtigen zonder bloedvergieten, de verdedigers hoopten dat de zaak met een sisser zou afloopen. Boven stonden de kansen vrij gelijk; beneden evenwel dreigde de aanval ernstiger te worden.
Toen het geluid der worsteling boven—dat als signaal moest dienen—tot beneden doordrong, wierpen zich een aantal soldaten op het beschot, dat hun logies van dat der onderofficieren scheidde. Had Nathan Zondervan den detachements-kommandant opzettelijk misleid, toen hij verteld had, dat de troep geen wapenen had, of had men hem onkundig van die omstandigheid gelaten? Zooveel was zeker, dat het meerendeel met[244]een soort dolkmes gewapend was, en dat vier stevige kerels ieder eene bijl zwaaiden, waarmede zij dat beschot dadelijk begonnen te beuken.
Dat beschot lag snel tegen den grond, maar het had toch de aanvallers zoolang opgehouden, dat de onderofficieren tijd hadden gehad om hun logies te ontruimen en zich bij de passagiers aan te sluiten. De verbindingsdeur, waardoor zij gekomen waren, werd dadelijk versperd en kapitein Van Dam reikte aan ieder een geweer onder mededeeling dat het wapen geladen was. Ernstig klonk daarbij zijne aanbeveling:
„Niet schieten dan in den uitersten nood, en dan nog maar op kommando!”
De passagiers, onder bevel van kapitein Butteling, sloegen nu den kajuitstrap gade, terwijl de onderofficieren onder de bevelen van kapitein Van Dam de verbindingsdeur in het oog hielden.
Het troepje, dat boven den aanval gedaan had, was niet zeer sterk, een twaalftal hoogstens. Men had daar eene gemakkelijke overwinning of beter overvalling gehoopt. Nu de muiters iedereen waakzaam en op tegenweer bedacht vonden, nu hun aanvoerder daar door den bootsman buiten gevecht gesteld was, stonden hunne kansen niet gunstig. Men vocht, men sloeg, men schold, men raasde en tierde; maar de aanvallers kwamen het doel, den kajuitstrap, niet naderbij.
Beneden heerschte een heidensch leven. Toen de aanvallers het onderofficiers-logies vermeesterd hadden, begonnen zij de verbindingsdeur, die hen van de kerk afsloot met hunne bijlen aan te vallen. Uit den gang van zaken begrepen zij evenwel, dat iedereen op zijne hoede was, en dat de tegenpartij in dat twintigtal onderofficieren, die zij gedacht hadden door een plotselingen overval onschadelijk te maken, eene geduchte versterking[245]had gekregen. De aanval werd evenwel met woestheid doorgezet, en weldra was het beschot, dat hen van hunne vijanden scheidde, doorgebroken. Toen evenwel grijnsde den aanvallers eene dubbele rij gevelde bajonetten tegen, die hen voor een oogenblik in bedwang hield. Het was evenwel het gezicht der blanke bajonetten niet, waarin het licht der lampen, die de kerk helder verlichtten, weerkaatste, die de muiters weerhield. Een gevecht met het blanke wapen schuwden die mannen niet; zij hadden de meerderheid in getal. Alleen de vrees voor de geweren, waarop die bajonetten zaten, boezemde hun een oogenblik aarzeling in.
„Kom, vooruit, bij den duivel!” schreeuwde eene stem in het Hoogduitsch, „vooruit! Ze hebben den tijd niet gehad om die geweren te laden.”
„Mannen! als iemand uwer de kerk binnendringt, laat ik vuur geven,” riep kapitein Van Dam de verdoolden toe. „Ik raad u om uw bestwil.…”
Hij kon niet eindigen. Daar vloog eene handspaak met krachtige vuist voortgedreven te midden der onderofficieren, en trof een hunner zoo geweldig in de borst, dat hij achterover tuimelde, terwijl ook twee anderen door ijzeren nagelpennen aan het hoofd getroffen werden. Tegelijkertijd hadden de heeren Van Diepbrugge, Denniston en Behren het boven met hunne tegenpartij te kwaad gekregen; de een lag bewusteloos terneergeveld door een vuistslag; de tweede had het geheele gezicht in bloed en snakte naar adem, daar zijne tegenpartij hem de keel dichtgeknepen had; terwijl de derde een slag over den rechterarm had gekregen, die hem gillend van pijn had doen afdruipen. Van die leemte, daardoor ontstaan, gebruik makende, bereikte een viertal der aanvallers den kajuitstrap en stormde dien naar beneden. Wel werden ze daar dadelijk handgemeen met de overige[246]passagiers; maar kapitein Van Dam, den toestand overziende, en vreezende dat de onverlaten achter zijn gelid zouden doorbreken, meende niet meer te mogen aarzelen.
„Eerste gelid,—vaardig!” kommandeerde hij.
Die handgreep werd met eenheid volvoerd. Onheilspellend weerklonk het geknetter bij het spannen der hanen.
„Mannen! ik raad u om uw onzinnig pogen te staken en naar het tusschendek terug te keeren. Dat is mijne laatste waarschuwing!”
Klets! daar kreeg hij een nagelpen tegen den schouder. Een storm van verwenschingen, van scheldwoorden, een gehuil en getier verhief zich tegelijkertijd, alsof wilde dieren losgebroken waren. De muitende troep stoof eene schrede voorwaarts.
„Eerste gelid,—aan!” klonk het kalme kommando. „Vuur! Laadt!”
Een vreeselijke knal in die enge ruimte volgde, die met een nog vreeselijker gil beantwoord werd; maar waarna een oogenblik van doodsche stilte intrad. Op zoo iets hadden de muiters niet gerekend. Toch maanden de belhamels nog aan om den aanval door te zetten; maar daar weerklonken stemmen achter den muitenden troep.
„Wacht! wij zullen die dondersche muiters wel krijgen!”
„Wat! willen die moffen bij ons Hollandsche jongens den baas spelen?!”
Het waren de matrozen van het schip, die, aangevoerd door stuurman Abels, in den rug van de oproermakers verschenen. Zij waren gewapend met enterbijlen, met koevoeten en met handspaken en bij hen hadden de Hollandsche soldaten en de goedgezinden van het detachement zich aangesloten. Ook de manschappen van[247]de wacht waren de matrozen op het dek bijgesprongen, zoodat de hoofdmacht der rebellen nu tusschen twee troepen stond, die hen in bedwang konden houden. Voor hen de muur van geweren en bajonetten, die, nu de dragers van munitie voorzien bleken te zijn, ondoordringbaar was; en achter hen de aanrukkende scheepsequipage, die er onmeedoogend op zou inslaan, wanneer zij handgemeen raakte.
„Ik raad u aan om u te onderwerpen!” weerklonk de stem van kapitein Van Dam.
„Genade! genade! heer kapitein,” lieten zich eenige stemmen hooren.
„Keert dan naar uw logies terug!” sprak de kapitein.
Het gros van den troep voldeed aan dat bevel terstond. Eenige der belhamels wilden nog parlementeeren, poogden nog voorwaarden te bedingen; maar die weinigen werden door de matrozen bij den kraag gepakt, handen en voeten gebonden en in het kabelgat geworpen.
„Ik had juist marlijn in den zak,” grinnikte stuurman Ellenbaan later, als die muiterij ter sprake kwam.
Ook op het dek was het gevecht ten nadeele van de aanvallers uitgevallen. Toen het salvo geweerschoten weerklonk, en de buskruitrook zich een weg door den koekoek baande, sloeg de meeste der muiters de schrik om het hart, en maakten zij zich de duisternis ten nutte om te verdwijnen. De anderen werden weldra door den bootsman met de zijnen gegrepen en onschadelijk gemaakt.
Toen de opstand gedempt was, herstelden de scheepstimmerman met zijne maats voorloopig zoo goed mogelijk het beschot tusschen het onderofficiers- en soldatenlogies. Het grootluik, dat toegang tot het tusschendek verleende, werd dichtgespijkerd, terwijl de helft van de passagiers, onderofficieren en equipage behoorlijk gewapend, door kapitein Van Dam doelmatig opgesteld werd[248]om bij eene vernieuwde uitbarsting het oproer dadelijk den kop te kunnen indrukken. De andere helft beijverde zich de gekwetsten te verzorgen. Aan den kant der vertegenwoordigers der orde waren slechts min of meer belangrijke kneuzingen te constateeren, waarvan evenwel geen enkele levensgevaarlijk bevonden werd. Bij de opstandelingen waren de verliezen erger. Vooreerst lag de voorganger van het oproer, die door den bootsman zoo krachtig tegen de verschansing gesmakt was, nog steeds bewusteloos ter neer. Dat was Taugwalder, de ziel van het komplot. Dokter Van Pinksteren beijverde zich hem lijnkoeken tegen de kuiten te leggen, en wel met zoo’n gevolg, dat de opstandeling tot bewustzijn terugkeerde, toen hem een der matrozen een puts zeewater over het lijf goot. De kerel kreunde akelig, zijn hals was onder de krachtige hand van den bootsman bont en blauw geknepen. Hij had eene belangrijke kneuzing aan de ruggestreng, terwijl zijn gelaat deerlijk opgezwollen was door den vuistslag, die hem achterover had doen tuimelen. Hij was zoodanig toegetakeld, dat geen verdere voorzorgen noodig waren; hij werd eenvoudig opgepakt en naar den ziekenboeg gedragen. Beneden was een Zwitser, de Tessiner Schlapina, door een geweerkogel gedood en waren vier anderen belangrijk gewond. Het lijk van eerstgenoemden werd eenvoudig in zijne hangmat gebonden en op de koebrug gelegd; bij de laatsten was dokter Hannius druk bezig om de kogels in de wonden te zoeken, ten einde die te kunnen verwijderen, waarbij de kerels allererbarmelijkst kreunden. Toen die verzorgd en verbonden waren, begaven zij, die niet wakende bleven, zich ter rust met het streelende bewustzijn hunnen plicht gedaan te hebben.[249]