[Inhoud]XI.Weer naar zee.Het was zondag—het werd hierboven reeds gezegd—dien dag, waarop deFernandina Maria Emmade baai van Rio Janeiro verliet om haar reis te vervolgen. De passagiers zaten op het dek gezellig bij elkander, het langzaam verdwijnende land van Zuid-Amerika te bewonderen. Op verzoek van den heer Groenewald, had kapitein Van Dam de sergeanten Riethoven en Brinkman een wenk gegeven, die weldra ook plaats genomen hadden op het achterdek en wel bij de familie Groenewald, welker gasten zij waren.„Hebben de dames zich goed geamuseerd?” vroeg kapitein Van Dam aan de jonge meisjes.„O! uitnemend, kapitein!” antwoordde Emma.„Papa heeft een rijtuig genomen bij het aan wal stappen,” verhaalde Adelien, „waarmede wij een prachtigen toer èn door de plaats èn door de omstreken van Rio Janeiro gemaakt hebben. Wij hebben daarbij wezenlijk genoten.”Het meisje wierp bij die laatste woorden een vluchtigen, ja bijna onmerkbaren blik op Frank, die dezen beduidde, dat het genot van het lieve kind nog grooter ware geweest, wanneer hij aan dat uitstapje had mogen deelnemen.[288]„Het is een fraai land,” bevestigde dokter Hannius.„Maar zou juffrouw Groenewald de minder gelukkigen, die van de partij niet konden zijn, niet willen mededeelen, wat zij bij dien toer gezien heeft?” vroeg Frank aan Adelien.Het meisje bloosde. Zij was nog te jong om gewoon te zijn in een zoo talrijk gezelschap het woord alleen te voeren.„Gij zult aan mijne mededeeling weinig hebben,” antwoordde zij schuchter, maar toch met bevallige stembuiging. „De indrukken van een meisje zijn zoo wuft, dat zij de heeren niet zullen kunnen boeien.”„De oogen der vrouw zien scherper dan de man,” betuigde dokter Hannius. „Zij omvatten beter de algemeene omtrekken der tafereelen, die haar onder de oogen komen; terwijl de mannen meer hunne aandacht opbijzonderhedenvestigen en zich dan veelal in studiën verdiepen, of.… daarvan den schijn aannemen.”„Mooi gezegd,” sprak kapitein Van Dam. „Ik wed dat ons Behrtje niet veel van de algemeene indrukken heeft opgevangen. Ik heb hem althans met een bos groenten aan boord zien terugkomen, dat het denkbeeld bij mij moest opkomen, hij met de voeding der slachtossen belast was.”„Geen spotternij met de wetenschap, kapitein,” antwoordde de apotheker met een glimlach. „Het moge waar zijn, dat ik bij mijne uitstapjes van gisteren en voorgisteren minder op de algemeene omtrekken van het landschap, dat mij omgaf, gelet heb, dat mij de bevalligheid en de verhevenheid van zoo’n bergterrein ontgaan zijn, dat ik geen blik had voor de werken der menschen, voor de kunst, die de natuur zoude verfraaid en verbeterd hebben, zoo als ik dat gisteren door sommigen in hunne opgetogenheid hoorde uitdrukken, voor die[289]menigvuldige villa’s, die de hoogten der bergtoppen kroonden, of op hare hellingen verrezen; maar.…”„Maar?” vroeg Emma Groenewald niet zonder ietwat spotternij in hare stem.„Maar, ik ben plantenkundige en de hartstocht voor de gaven van Flora treedt bij mij op den voorgrond. Toen ik buiten de stad kwam, en mij daar te midden van die prachtige intertropische natuur bevond, waarvan ik wel veel gelezen had, maar die het mij nu voor de eerste maal gegeven was van nabij te beschouwen, toen—ik wil het gaarne bekennen—had ik slechts oog voor hetgeen die plantenwereld te bewonderen gaf.”„Zeker is het,” vulde Adelien met een soort van geestdrift aan, „dat, hetzij men in den Botanischen Tuin rondwandelde, hetzij men meer binnenslands of langs de oevers der baai ronddoolde, men wanen kon, zich in een eindeloos groot park te bevinden, waar iedere schrede een nieuw wonder te aanschouwen gaf.”„Ik heb nimmer tropische planten gezien dan in serres,” ging Behren voort, „arme kwijnende dochters der zon, die het aan licht en lucht ontbrak, en die in dien kunstmatigen atmospheer van steenkolenwalm een jammerlijk bestaan voortsleepten. Ik kan mij dus geen oordeel aanmatigen, over wat de keerkrings-natuur te aanschouwen geeft; maar ik vermeen, altijd naar wat mijne boeken mij geleerd hebben, dat nergens ter wereld de Flora zoo ontwikkeld is, als daar in de omstreken van Rio Janeiro!”„Ho! ho!” riep kapitein Van Dam. „Stop! De apotheker gaat er van door!”„Dat er nergens zoo hooge en slanke palmen, dat er nergens zoo schilderachtige banaanboomen, dat er nergens zulke dichte bamboebosschen aangetroffen worden!”[290]Ja, de apotheker was er van door.„Stop!” riep de heer Groenewald op zijne beurt. „Spreek niet te overijld. Alvorens zoo’n oordeel te vellen, moet gij wachten, tot dat gij ’s lands Plantentuin te Buitenzorg gezien zult hebben. Die is oneindig fraaier dan de Botanische Tuin te Rio Janeiro.”„Ja, maar de Flora buiten dien tuin?”„Laat op Java ook niets te wenschen over, en staat in niets achter, bij hetgeen gij gisteren gezien hebt.”„Ik heb bloemen en struiken gezien, die.…”„O! ja, de groenten, die Behrtje voor de slachtossen heeft meêgebracht,” spotte kapitein Van Dam.De apotheker vloog op, klom op de verschansing, dook onder het zeil, dat de sloep, die daar in de davids buiten boord hing, voor de werking der zonnestralen moest beschermen, en haalde daaronder een bos planten uit, die met fraaie karmozijnroode bloemen prijkten.„Pas op, juffrouw Groenewald,” zei hij tot Emma, die een takje wilde kapen; maar zich gevoelig aan de doornen prikte en haastig haren duim in den mond stak.„Pas op, er zijn doornen aan!”„Dat waarschuwt ge wel wat laat, mijnheer Behren,” pruilde het jonge meisje.„Maar, wat fraaie bloemen!” kreet Adelien, die evenwel voorzichtig hare handjes te huis hield.„Niet waar?” ging de apotheker voort. „Niet waar, wat fraaie bloemen? Kijk eens, kapitein Van Dam. Dat is de Caesalpinia pulcherrima of de prachtige Pauwenkuif, zooals wij Nederlanders die heeten. Het is niet voor niets, dat de Franschen haar: poincillade of Fleur du Paradis noemen. Ziet dien karmozijnrooden bloesem eens met zijnen gladden kelk en stompe slippen, waarvan de voorste fraai gewelfd zijn, ziet die bevallig geplooide bloembladeren eens! En die lange helmdraden[291]en stijl! Is dat niet mooi? Kijk, die peul is veelhokkig en de zaden zijn omgekeerd eivormig, geknepen en.…”De botanicus was aan het doceeren. Het werd tijd dat men hem zijn stokpaardje ontnam.„Ho! stop!” riep kapitein Van Dam, die een blik op de vertoonde bloemen geworpen had. „Jij met je geknepen, eivormige, omgekeerde zaden, met je Caesa … caeso … Hoe heet je dat ding ook?”„Caesalpinia pulcherrima, kapitein. Dat is eene zeldzame plant.”„Het mocht wat! Die Caesalpinia polkamama …”„Pulcherrima, kapitein.”„Nu, pulcherrima dan … is eenvoudig de Patra kombala der Javanen, de Boenga Merak der Maleiers. Die bloemen vindt men in Indië in schier alle tuinen en groeien in sommige streken in het wild langs den weg. De Javaantjes houden veel van die plant.”„Waarom?”„Waarom? Weet jij apotheker dat niet?.. Niet? Nou dokters,” ging kapitein Van Dam voort en wendde zich tot de heeren Hannius en Van Pinksteren, „vertel jullie Behrtje eens, waartoe de Javanen een aftreksel van de bladeren van de Patra kombala bezigen.”De beide Esculapen keken elkander aan.„Wij weten het niet,” betuigden beiden.„Weet jullie dat ook niet?… Wel dat weet in Indië iedere baboe en iedere nènèh! Wat leer jullie toch op die hoogescholen met al dien geleerden poespas, die daar verkocht wordt, als gij dat niet leert?”„Dat is moeielijk te omschrijven, waarde kapitein,” antwoordde dokter Van Pinksteren lachende. „Maar zeg ons nu, wat de baboe’s en nènèh’s wel en wij niet weten. Waartoe dient dat aftreksel van folia Caesalpiniae pulcherrimae?”[292]„Wel, om schoon schip te maken.”„Schoon schip?” vroeg Denniston. „Dus, zoo iets als een bezem of zwabber?”„Juist, een zwabber, maar inwendig. Dat aftreksel heeft dezelfde werking als het Glaubers wonderzout of als de djarak-olie.”62Allen lachten, en Behrtje en Hannius niet het minste, hoewel ze de laatstgenoemde olie niet kenden, en dat maar onaangeroerd lieten.„Ik ben van plan,” zeide laatstgenoemde, „dadelijk eene proef te nemen. Er zijn een paar patiënten, die den invloed van den scheepskost geducht ondervinden. Hebt ge veel folia Caesalpiniae pulcherrimae medegebracht?”„O! meer dan genoeg voor eene proef!”„Dan gaan wij dadelijk aan het koken.”„Wacht dan toch eerst, dat de kok met zijnebeefsteakklaar is,” zei kapitein Butteling. „Gij mocht u eens vergissen … Daarbij, het wordt tijd, om te gaan lunchen. Ik heb reeds een wenk bekomen, dat het middaguur nabij is.”Stuurman Abels had inderdaad den scheepsgezagvoerder een teeken gegeven, dat het kwart voor twaalf was.„Is dat zonschieten heden wel noodig?” vroeg Leidermooi. „Wij hebben den wal nog in het gezicht.”„Waar dan toch?” vroeg stuurman Abels. „Waar dan toch die wal?”Allen keken uit. Er was niets meer te zien. Enkelen meenden nog achteruit, in het noorden, dicht bij de kim eene blauwe strook te zien; maar de stuurman was van meening, dat dit eene wolkenbank was, die opdoemde.„Uit dien hoek krijgen wij van nacht of morgen poetssteen,” zeide hij.Toen het middag-bestek opgemaakt was, stond het[293]fregat op 24° 19′ zuiderbreedte en op 41° 48′ westerlengte.Bij het naar beneden gaan om de lunch te gebruiken, merkte Frank Brinkman juffrouw Adelien op, dat zij hare mededeelingen omtrent Rio Janeiro niet voltooid had.„Is het mijne schuld?” vroeg het meisje met een bekoorlijken glimlach, „dat de heeren het zoo druk gehad hebben over de Patra kombala? Als de geleerden aan den gang zijn, dan is er geen speld tusschen te brengen. Maar.… wij kunnen heden avond het gesprek voortzetten. Al de heeren zijn aan den wal geweest. Die kunnen mijne mededeelingen wel missen. Kapitein Van Dam alleen bleef aan boord; maar die—daarvan ben ik overtuigd—houdt meer van spadille en manille, dan van een verhaal door eene jeugdige onervarene reizigster geleverd. Heb dus geduld, totdat de partijtjesmakers heden avond achter hunne speeltafeltjes zullen plaats genomen hebben. Is dat uitstel niet goed?”Een innige handdruk, onbemerkt bij het neerdalen van den trap naar de kajuit gewisseld, was het eenige antwoord, dat de jongman geven kon, en was misschien ook wel het meest gewenschte.Dat de lunch onze onderofficieren, die niet mede aan den wal geweest waren en bij gevolg geen afwisseling van den scheepskost erlangd hadden, door het aanzitten aan eene Braziliaansche table-d’hôte, zooals de andere passagiers was te beurt gevallen, uitmuntend smaakte, behoeft ter nauwernood gezegd te worden. Zij betuigden, dat zij in hun leven geen lekkerderbeefsteakhadden gegeten, hoewel de kok toch verklaard had, dat hij het vleesch als stokvisch had moeten beuken om het eenigermate zijne lederachtigheid te doen verliezen, daar anders debeefsteakveel van gebakken oude schoenzolen zoude gehad hebben.„Die Braziliaansche zwartkoppen hebben den kapitein[294]in het ootje genomen,” zeide de zee-Vatel met overtuiging. „Die os is voorzeker een tijdgenoot van Methusalem geweest, en heeft met dien oudvader waarschijnlijk school gegaan.”Ook het diner was eene ware smulpartij voor onze onderofficieren. Toen de hofmeester de soepterrine op tafel zette, fluisterde Herman Riethoven Emma zijn buurmeisje in het oor:„De traditioneele schildpadsoep!”„Als dat waar is,” viel Behren in, die deze woorden opgevangen had, „dan zet ik den hofmeester de geheele terrine het onderste boven op het hoofd bij wijze van slaapmuts!”De gewraakte schildpadsoep, die gewoonlijk op de zondagstafel verscheen, was eene dunne pap van bruine boonen, die uitermate gepeperd was, en waarin eenige uitgekookte stukjes gerookt spek dreven, die dienst voor schildpadvleesch moesten doen.De apotheker werd evenwel gerustgesteld. Het was eene uitstekende potage à la jardinière, verklaarde de hofmeester met eene gejaagdheid, alsof hij de slaapmuts, waarmede hem gedreigd was, reeds op zijn hoofd gevoelde.„En als de hofmeester ons nu eens dezer dagen echte schildpadsoep voorzet?” vroeg kapitein Butteling.„Echte schildpadsoep!.… Maar, om hazenpeper te maken,” zei Behren, „is in de eerste plaats een haas noodig, niet waar?”„En om schildpadsoep te maken, eene schildpad, is het niet zoo? Waarschijnlijk sliep ons Behrtje nog, toen de sloepen met levensmiddelen aan boord kwamen; anders had hij moeten zien, dat eene monsterachtige schildpad overgescheept is, die nu in het kabelgat ligt haar lot af te wachten.”„Zoodat wij dan eens eene lekkere schildpadsoep[295]zullen krijgen. In afwachting zullen wij deze potage met dankbaarheid genieten.”„Maar.…” vroeg de apotheker, terwijl hij zich beijverde zijne soep naar binnen te werken. „Maar.… kapitein Butteling. Is uwe schildpad eene ware, geene nagemaakte?”Allen lachten.„Neen,” zei dokter Hannius. „Ik heb ze gezien, het is eene echte zeeschildpad, eene Chelone viridis, die ongeveer 80 Ned. pond zal wegen.”„Hoerah! dan voor de Chelone viridis!” riep Behrtje in geestdrift. „Behalve het bruineboonenbrouwsel heb ik nimmer schildpadsoep gegeten!”Het diner liep tot aller genoegen af. Kok en hofmeester hadden er alle eer van. Hoewel de kok over taaiheid van het ossenvleesch klaagde, was de voorgedienderoastbeefuitmuntend en zoo malsch als boter bevonden. De opmerking daaromtrent bleef niet uit.„Dat geloof ik wel,” zei kapitein Butteling. „Door de ondervinding, bij de lunch opgedaan, geleerd, heb ik den kok het vleesch in papaya-bladeren doen wikkelen.”„In papaya-bladeren? Groeien die aan den fokkemast of aan de bagijne-ra?” vroeg Behren leuk. „Dan ga ik herboriseeren.”„Neen, heer apotheker,” antwoordde de scheepsgezagvoerder, „ze groeien daar juist niet, blijf dus stil zitten; maar ik heb aan den wal een goeden voorraad ingekocht, die beneden in het ruim op de koelste plaats van het schip opgeborgen is. Gij weet, dat het vleesch hetgeen in die bladeren gewikkeld, gebraden wordt, overheerlijk malsch wordt, al is het nog zoo taai.”„Kan ik morgen van die bladeren te zien krijgen, kapitein?”„Wel zeker. Bij het dessert krijgen wij zelfs eenige[296]rijpe vruchten, die zeer smakelijk zijn, niet waar kapitein Van Dam?”„Zeker is de Kattès lekker, vooral wanneer zij rijp aan den boom geworden is,” antwoordde deze. „Maar wat ook lekker is, dat zijn de onrijpe vruchten met aardappelen gekookt. Zij vervangen dan onze peentjes en leveren een overheerlijken hutspot.”„Ik heb er aan gedacht!” riep kapitein Butteling uit, terwijl hij zich in de handen wreef. „Wij hebben ettelijke zakken in voorraad.”Bij het dessert werd de Kattès zeer lekker gevonden, hoewel zij, die haar nog niet geproefd hadden, er een eenigszins vreemden smaak aan vonden.„Zoo iets van sterrekers!” verklaarden zij.Toen de reizigers boven kwamen, was de avond gevallen, en was het zoo donker aan het dek, dat men werkelijk bij het overboord kijken de zee niet ontwaren kon. De wind was inmiddels aangewakkerd en floot door het want. Alle zeilen stonden evenwel nog bij, zoodat het loggen aantoonde, dat het schip eene vaart van elf mijlen had.„Het snijdt er goed van door, stuurman,” merkte kapitein Van Dam op.„Ja, kapitein,” antwoordde stuurman Abels, „als het zoo blijft, hebben we niet te klagen. Maar.… de barometer daalt langzaam maar gestadig. En als wij wat meer onder den wal uit zijn, zullen wij ook wel hooger zee krijgen. Het schip ligt nu nog vrij stil.”De passagiers rookten eene sigaar aan dek, slurpten een kop koffie, waarna al spoedig van een partijtje gesproken werd. Het was zoo ongezellig in het donker op het dek, men zag enkel het vurig uiteinde van de sigaar in elkanders handen. Het duurde dan ook niet lang, of alle speeltafeltjes waren beneden bezet, terwijl de familie[297]Groenewald zich op het dek met Frank Brinkman en Herman Riethoven in een kringetje sloot. Of de jongelieden het ook ongezellig op dat donkere dek vonden? Daarvan was niets te bespeuren; integendeel, er heerschte daar veel innigheid tusschen de ouders en hunne kinderen, maar ook tusschen de geredden en hare redders.„Gij hebt mij beloofd, juffrouw Groenewald,” vroeg Frank Brinkman aan Adelien, „dat gij ons uwe indrukken bij uw uitstapje te Rio Janeiro zoudt mededeelen. O! dat ik toch zoo gelukkig ware geweest u te vergezellen. Wat moet het daar mooi geweest zijn te midden van die keerkrings-natuur. Ik heb mij laten vertellen, dat er geen fraaier plekje op de wereld bestaat, dat noch Napels, waarvan een dichter schreef:Vedi Napoli e poi muori(Napels zien en daarna sterven.)noch de Taag bij Lissabon, noch de Bosphorus tusschen Scutari en Constantinopel, hoe fraai die plaatsen ook door de reizigers afgeschilderd worden, er bij halen.”„Van de Taag en van den Bosphorus kunnen wij niet spreken,” zei Emma; „maar wij kunnen bevestigen, dat de baai van Rio Janeiro fraaier is dan die van Napels. Ik geloof niet, dat er ergens zoo’n grootsche kustrand aangetroffen wordt als daar, dat er ergens eene baai bestaat, die door een meer schilderachtigen band van steigerend gebergte van het overige der wereld gescheiden wordt, die door zoo’n menigte van inhammen en van vooruitspringende kapen, van heuvelachtige en laag gelegen eilanden bezaaid is, zoodat hare boorden als met de mazen van een kolossaal maar bekoorlijk net omgeven schijnen. Spreekt gij van die natuur, dan hebt gij gelijk, mijnheer Brinkman. Spreekt gij evenwel van de plantenwereld, dan geloof ik u te kunnen verzekeren, dat ons Indië u eene even schoone zoo niet schoonere zal te zien geven. Een tochtje door de Preanger Regentschappen[298]in West Java, of een tochtje door de Residentiën Semarang en Kedoe in Midden Java zou u gezichten leveren, die in geenen deele bij de fraaiste van de omstreken van Rio Janeiro achterstaan.„Terwijl een bezoek aan de Padangsche Bovenlanden u waterbekkens zou leeren kennen, wel geen inhammen van de zee, maar zoetwatermeren, die in trotsche verhevenheid en in stoute natuurtafereelen bij de prachtige baai van Rio Janeiro niet achterstaan,” vulde de heer Groenewald aan. „Komt gij ooit in de gelegenheid daartoe, jongelui, verzuimt dan niet de meren van Singkarah en Manindjoe een bezoek te brengen.”„Wat de stad zelve betreft, die eigenlijk Sao Sebastiao do Rio de Janeiro heet,” zei Adelien op hare beurt, „zij vormt slechts een schaakbord van akelige nauwe straten, waarin het even moeielijk is zich te bewegen als adem te halen, en waarin geen enkel gebouw of monument aanwezig is, dat der aandacht waardig kan genoemd worden. Het is een druk, vuil en kwalijkriekend nest, wien alle de ongeriefelijkheden van eene ouderwetsche stad aankleven, welke door de voorrechten, die zij als hoofdstad van het rijk geniet, niet opgewogen worden. De meeste huizen zijn van onderen van granietblokken en verder van hout opgetrokken, terwijl de straten ook met graniet geplaveid en slechts schaars van trottoirs voorzien zijn.”„Dat is al een zeer ongunstige beschrijving, die gij ons daar levert, juffrouw Adelien,” zei Frank.„Och,” antwoordde hare moeder, „zij was niet in haar humeur. Zij heeft alles door een donker gekleurden bril bekeken. Want, evenals elders is te Rio Janeiro ook veel schoons te zien.”„Met mijne donker gekleurde beschrijving,” ging het jonge meisje met een glimlach voort, „bedoelde ik de[299]oude stad, die wel van de nieuwe stad te onderscheiden valt. Het plein Campo da Santa Anna scheidt deze van gene. De nieuwe stad bestaat hoofdzakelijk uit de voorsteden Gloria, Cateti, Flamingo, Botafogo, die zich langs de kleine en liefelijke baaien, die de kust ten zuiden van Rio Janeiro, tot aan den Pao de Açucar vormt, uitstrekken. Ten zuiden van de stad, maar meer landwaarts in, treft men de fraaie voorstad San Theresa, met een prachtig klooster in hare nabijheid aan, en komt men van die in Baïro de Mattocarpos, eene voorstad, die westwaarts van de hoofdplaats ligt en gemeenschap met de voorstad Catoembi heeft, die het keizerlijk paleis San Christovao en daarachter op een heuvel de keizerlijke villa Boa Vista bevat. Het genotvolste is evenwel geweest: de wandelrit naar den Tijucaberg, die 3300 voet hoog en op ongeveer vijf mijlen ten westen van de stad gelegen is, en van waar men een prachtig gezicht heeft, aan den eenen kant over de baai van Rio Janeiro en haren toegang tot den Oceaan, en aan de andere zijde over het omliggend bergachtig terrein, dat hij evenwel beheerscht.”„De kerken moeten er prachtig zijn?” vroeg Herman, die zijne seminaristen-natuur nog niet geheel afgeschud had.„Wij hebben er geene bezocht,” antwoordde Emma. „Ik heb evenwel gehoord, dat de stad er ongeveer vijftig bevat, waaronder de kapellen natuurlijk medegerekend zijn.”„Vijftig kerken en kapellen!” riep Frank uit. „Maar hoeveel inwoners telt Rio Janeiro dan wel?”„De stad is zeer groot en ver uit elkander gebouwd,” antwoordde Adelien. „Over hare grootste lengte gemeten is zij vier mijlen lang en bevat eene bevolking van ongeveer 275,000 zielen.”„Waaronder ongeveer50,000slaven,” vulde de heer Groenewald aan.Een schril gefluit weerklonk over het dek.[300]„Bovenbramzeilen en grietje geien!” liet zich het commando van stuurman Abels over het dek hooren.Ons gezelschap keek eens rond. De wind was al meer en meer opgestoken en floot met kracht door het want, waarbij hij de stijfgespannen touwen van het tuig onder zijn adem deed trillen. De zee begon daarbij woester aan te schieten en zich in hooge baren te verheffen, zoodat het schip bij het vele zeil, dat het voerde, onder den aandrang van zee en wind soms zulke slingeringen ondervond, dat voor de veiligheid der bovenstengen met recht gevreesd kon worden.„Hoe is het met den barometer?” vroeg de heer Groenewald aan den stuurman.„Langzaam, maar steeds dalende,” was het antwoord. „Wij gaan langen tijd slecht weer hebben.”„Eene mooie voorspelling!” zei Emma.„Wat er aan te doen,” hernam de stuurman, „anders dan te berusten? Maar.… mag ik de dames een goeden raad geven. Dat is om naar beneden te gaan. Het schip schiet goed vooruit; maar het werkt zwaar. En bij den noordenwind, die doorstaat en den zuidoosten koers, dien wij volgen, is het aan zoo’n dwars aanrollende zee niet onmogelijk om over te komen. De dames zouden bijgevolg gevaar loopen om andermaal.… gedoopt te worden.”„Daar zijn wij niet bang voor,” antwoordden de jonge meisjes lachende.„Ja, maar dat niet alleen.… ook om andermaal over het dek gerold of over de versch.…”„O! die nare stuurman, om ons dat te herinneren!” zei Adelien. Maar met geestdrift vervolgde zij: „Onze redders zijn nabij!”„Ja, die zijn nabij! en die zullen niet in gebreke blijven,” antwoordde Frank met niet minder vuur.[301]Twee handen zochten elkander in het donker en wisselden een innigen druk.„Jawel, jawel!” lachte de stuurman. „Ik twijfel aan den goeden wil dier redders niet. Maar.… het mocht eens minder goed afloopen.”„Zoodat gij meent, dat er gevaar best.…”De heer Groenewald had den tijd niet om die vraag te eindigen, toen een golf tegen het middenschip opspatte, zijne schuimende kuif over de verschansing wipte, en het geheele dek daar overstroomde. Gelukkig, dat het achterschip, hetwelk toen juist opgeheven werd, gespaard bleef. Maar bij het donderend geweld, hetwelk het nederploffende water maakte, vermengd met het gehuil van den wind en het gekraak van het tuig, vlogen de twee ouders, door een gemakkelijk te verklaren angst bewogen, op en vluchtten naar den kajuitstrap. De jonge dames, meer heldhaftig van aard, wisselden, alvorens den aftocht te volgen, een handdruk met de jongelieden; waarbij Frank, van den donkeren nacht gebruik makende, zijn arm om het middel van Adelien sloeg en het lieve kind een kus op de lippen drukte, die niet onbeantwoord bleef. Onthutst en als dronken door die aanraking, stoof het jonge meisje den trap af. In een ondeelbaar oogenblik was dat geschied. Toch had Emma daarvan iets ontwaard, en verkreeg volkomen zekerheid, toen zij, in de kajuit gekomen, het blozende gelaat harer zuster bemerkte. Was het werkelijk bezorgdheid van de oudere jegens de jongere zuster, of was het jaloerschheid, dat Herman volgens haar de stoutmoedigheid miste om een kus te rooven! Zooveel is zeker, dat zij meende verplicht te zijn, hare moeder van het gebeurde kennis te geven.Toen den volgenden morgen—23 November—de[302]dag aanbrak, waren het groot en het bezaanzeil gegeid, en lag deFernandina Maria Emmaonder hare marszeilen, maar met gereefde bramzeilen en stevende steeds zuidoost op. Het uitzicht van den Oceaan was bar. Hemelhooge golven verhieven zich en huppelden met onbesuisde vaart op het schip aan, alsof zij dat bestormen wilden; terwijl zij zich bij haar doldriftig pogen om voorwaarts te ijlen, krulden, braken en zich met wit schuim kuifden, dat haar een woest en dreigend aanzien verleende. Maar het schip hield zich uitmuntend. Wel werd het hevig geslingerd, wel beschreven de masttoppen schrikbarende bogen en ellipsen in het luchtruim en helde het fregat soms zoodanig naar bakboordzijde over, dat een onwillekeurige kreet aan veler mond ontvlood; wel stampte het bij die beweging om zijne breedteas om iemand het hart in het lijf te doen bonsen en dook daarbij, wanneer het achterschip door eene aanrollende baar opgeheven werd, met den voorsteven onder water, alsof het daarin verdwijnen wilde, of steigerde met dien steven omhoog, wanneer de waterberg naar het voorschip rolde, alsof het uit het vloeibare element wilde springen; maar repte zich met spoed voorwaarts op de baan, die het nog af te leggen had. Het uitspansel was in de bovenluchtlagen egaal loodkleurig, terwijl in de benedenlagen dikke en zwarte wolken met eene drift zuidwaarts door het luchtruim vlogen, die wel bewezen dat daarboven de wind niet minder den teugel vierde dan aan de oppervlakte der zee.Hoewel het niet regende, was het toch kletsnat op het dek van het schuim der baren, hetwelk door den wind als het ware van de golftoppen afgescheurd werd, om in den vorm van een uiterst fijnen zilten regen in horizontale richting voortgezweept te worden. Alle opvarenden, die aan dek kwamen, zochten dan ook[303]in allerijl een oppertje, niet om zich voor den wind te beschutten, die nog niet koud was, maar om die waterige stofdeeltjes te ontgaan, die iemands kleeding en haren in weinige oogenblikken met een zilver vliesje, als ware het rijp, overdekten.Toen stuurman Ellenbaan bij het eindigen der morgenwacht liet loggen, had deFernandina Maria Emmaeene vaart van twaalf mijlen.„Drommels stuur! dat snort er van door,” zei kapitein Van Dam.„Ja, mijnheer,” was des stuurmans antwoord,„maar gedurende de hondenwacht is 13½ mijl gelogd; men heeft toen evenwel de bezaan en het grootzeil moeten geien, omdat het schip te veel op zijn roer wrong en drie man aan het stuurrad niet te veel waren.”„Dat is nu toch waarlijk storm, nietwaar?” vroeg Denniston, die erg bleek was en wel er naar uitzag, dat hij andermaal een bezoek van de zeeziekte zoude krijgen.„Het mocht wat!” antwoordde de stuurman. „Dit is niets dan eene stijve bramzeilskoelte. Kijk mijnheer, als al de zeilen geborgen zijn en alleen aan den grooten mast dat kleine barkzeil, dat men nu bezig is aan te slaan, en wat ook stormzeil genoemd wordt, bijstaat, dan waait er storm.”„Verwacht men dan storm, dat men zich zoo beijvert om dat aan te slaan?” vroeg Leidermooi.„Men weet niet wat er van groeien kan. De barometer is steeds langzaam dalende, terwijl de bovenlucht nog onaangenaam strak voorkomt. Maar.… ik heb nog geen stormvogels gezien, dat stelt mij gerust.”„Stormvogels?” vroeg Hannius.„Ja, of beter genoemd stormzwaluwen63,” antwoordde stuurman Ellenbaan. „Het zijn kleine witgrijze vogels, die door hunne vlucht op een afstand wel iets van een[304]zwaluw hebben. Zij vliegen steeds.… Drommels daar hebt gij er een paar! Nu ontsnappen wij den dans niet! Sta nu maar vast.”„Kom stuurman, ik heb er in mijn leven nog al gezien,” zei kapitein Van Dam geruststellend, „en.…”„Maar dan heeft het toch ook geblazen, toen gij die zaagt, kapitein.”„Wat mij verwondert, dat is, dat wij nog geene kaapsche duiven gezien hebben. Die worden toch tot op de breedte van Rio Janeiro aangetroffen, niet waar?”„Ja, kapitein, wanneer de zon in het noordelijke halfrond staat; nu wij, evenwel November hebben, moeten wij haar meer zuidwaarts zoeken. Het zal evenwel niet lang meer duren. Met de vaart, die wij maken, misschien morgen of overmorgen al.”De stormvogeltjes scheerden over het water, vlogen een paar malen om het schip en verdwenen in noordelijke richting.Zoo omstreeks tegen elf uur begon het wolkendak in de bovenluchtlagen, dat tot nu toe onbeweeglijk en aschgrauw gebleven was, te scheuren en vingen de wolken daar met die van de benedenluchtlagen een wedstrijd in het hardloopen aan. In ijlende vaart wentelden de dikke grauwe en zwarte massa’s door de lucht en stoven zuidwaarts op; terwijl het schip steeds zuidoost voor lag. Door het zonnetje verlokt, dat nu en dan tusschen de wolken door kwam kijken, en haar dan met een lief helder blinkend randje verguldde, kwamen de dames Groenewald aan dek; maar zij moesten verklaren, dat het er onvriendelijk uitzag. De zee ging zoo aan, de wind huilde zoo door het want en was niets luw meer; integendeel hij begon zich al frisch te doen gevoelen, zoodat papa Groenewald gauw naar beneden ging en even spoedig weer verscheen, geheel in zijn demi-saison;[305]terwijl hij de regenmantels zijner dames op den arm droeg. Bij de stijve bries, die er stond, was het evenwel geen gemakkelijk werk om zoo’n kleedingstuk om het lijf te krijgen. Verscheidene malen poogde toch de wind het aan de lieve vingertjes te ontrukken, en de dames slaagden eerst, toen zij eene toevlucht op den kajuitstrap namen en daar elkander hielpen. Toen die mantels goed om hare ledematen sloten, waren de teere wezens volgens het oordeel van haren papa voldoende beschut om een uurtje in de buitenlucht door te brengen. Het middagbestek toonde aan dat deFernandina Maria Emmaop 27° 21′ zuiderbreedte en op 37° 41′ westerlengte stond. De barometer was steeds langzaam dalende.De arrestanten, die tot nu toe aan het dek, in de boeien gesloten, verwijld hadden, werden thans in het kabelgat in verzekerde bewaring gesteld, tot dat het schip weer in milder streken zou zijn aangeland.De gekwetsten hadden van het stormachtige weer niet veel te lijden. De kogels waren gelukkig uit de wonden verwijderd en liet het zich aanzien, dat alle vier voor de aankomst te Batavia genezen zouden zijn.[306]
[Inhoud]XI.Weer naar zee.Het was zondag—het werd hierboven reeds gezegd—dien dag, waarop deFernandina Maria Emmade baai van Rio Janeiro verliet om haar reis te vervolgen. De passagiers zaten op het dek gezellig bij elkander, het langzaam verdwijnende land van Zuid-Amerika te bewonderen. Op verzoek van den heer Groenewald, had kapitein Van Dam de sergeanten Riethoven en Brinkman een wenk gegeven, die weldra ook plaats genomen hadden op het achterdek en wel bij de familie Groenewald, welker gasten zij waren.„Hebben de dames zich goed geamuseerd?” vroeg kapitein Van Dam aan de jonge meisjes.„O! uitnemend, kapitein!” antwoordde Emma.„Papa heeft een rijtuig genomen bij het aan wal stappen,” verhaalde Adelien, „waarmede wij een prachtigen toer èn door de plaats èn door de omstreken van Rio Janeiro gemaakt hebben. Wij hebben daarbij wezenlijk genoten.”Het meisje wierp bij die laatste woorden een vluchtigen, ja bijna onmerkbaren blik op Frank, die dezen beduidde, dat het genot van het lieve kind nog grooter ware geweest, wanneer hij aan dat uitstapje had mogen deelnemen.[288]„Het is een fraai land,” bevestigde dokter Hannius.„Maar zou juffrouw Groenewald de minder gelukkigen, die van de partij niet konden zijn, niet willen mededeelen, wat zij bij dien toer gezien heeft?” vroeg Frank aan Adelien.Het meisje bloosde. Zij was nog te jong om gewoon te zijn in een zoo talrijk gezelschap het woord alleen te voeren.„Gij zult aan mijne mededeeling weinig hebben,” antwoordde zij schuchter, maar toch met bevallige stembuiging. „De indrukken van een meisje zijn zoo wuft, dat zij de heeren niet zullen kunnen boeien.”„De oogen der vrouw zien scherper dan de man,” betuigde dokter Hannius. „Zij omvatten beter de algemeene omtrekken der tafereelen, die haar onder de oogen komen; terwijl de mannen meer hunne aandacht opbijzonderhedenvestigen en zich dan veelal in studiën verdiepen, of.… daarvan den schijn aannemen.”„Mooi gezegd,” sprak kapitein Van Dam. „Ik wed dat ons Behrtje niet veel van de algemeene indrukken heeft opgevangen. Ik heb hem althans met een bos groenten aan boord zien terugkomen, dat het denkbeeld bij mij moest opkomen, hij met de voeding der slachtossen belast was.”„Geen spotternij met de wetenschap, kapitein,” antwoordde de apotheker met een glimlach. „Het moge waar zijn, dat ik bij mijne uitstapjes van gisteren en voorgisteren minder op de algemeene omtrekken van het landschap, dat mij omgaf, gelet heb, dat mij de bevalligheid en de verhevenheid van zoo’n bergterrein ontgaan zijn, dat ik geen blik had voor de werken der menschen, voor de kunst, die de natuur zoude verfraaid en verbeterd hebben, zoo als ik dat gisteren door sommigen in hunne opgetogenheid hoorde uitdrukken, voor die[289]menigvuldige villa’s, die de hoogten der bergtoppen kroonden, of op hare hellingen verrezen; maar.…”„Maar?” vroeg Emma Groenewald niet zonder ietwat spotternij in hare stem.„Maar, ik ben plantenkundige en de hartstocht voor de gaven van Flora treedt bij mij op den voorgrond. Toen ik buiten de stad kwam, en mij daar te midden van die prachtige intertropische natuur bevond, waarvan ik wel veel gelezen had, maar die het mij nu voor de eerste maal gegeven was van nabij te beschouwen, toen—ik wil het gaarne bekennen—had ik slechts oog voor hetgeen die plantenwereld te bewonderen gaf.”„Zeker is het,” vulde Adelien met een soort van geestdrift aan, „dat, hetzij men in den Botanischen Tuin rondwandelde, hetzij men meer binnenslands of langs de oevers der baai ronddoolde, men wanen kon, zich in een eindeloos groot park te bevinden, waar iedere schrede een nieuw wonder te aanschouwen gaf.”„Ik heb nimmer tropische planten gezien dan in serres,” ging Behren voort, „arme kwijnende dochters der zon, die het aan licht en lucht ontbrak, en die in dien kunstmatigen atmospheer van steenkolenwalm een jammerlijk bestaan voortsleepten. Ik kan mij dus geen oordeel aanmatigen, over wat de keerkrings-natuur te aanschouwen geeft; maar ik vermeen, altijd naar wat mijne boeken mij geleerd hebben, dat nergens ter wereld de Flora zoo ontwikkeld is, als daar in de omstreken van Rio Janeiro!”„Ho! ho!” riep kapitein Van Dam. „Stop! De apotheker gaat er van door!”„Dat er nergens zoo hooge en slanke palmen, dat er nergens zoo schilderachtige banaanboomen, dat er nergens zulke dichte bamboebosschen aangetroffen worden!”[290]Ja, de apotheker was er van door.„Stop!” riep de heer Groenewald op zijne beurt. „Spreek niet te overijld. Alvorens zoo’n oordeel te vellen, moet gij wachten, tot dat gij ’s lands Plantentuin te Buitenzorg gezien zult hebben. Die is oneindig fraaier dan de Botanische Tuin te Rio Janeiro.”„Ja, maar de Flora buiten dien tuin?”„Laat op Java ook niets te wenschen over, en staat in niets achter, bij hetgeen gij gisteren gezien hebt.”„Ik heb bloemen en struiken gezien, die.…”„O! ja, de groenten, die Behrtje voor de slachtossen heeft meêgebracht,” spotte kapitein Van Dam.De apotheker vloog op, klom op de verschansing, dook onder het zeil, dat de sloep, die daar in de davids buiten boord hing, voor de werking der zonnestralen moest beschermen, en haalde daaronder een bos planten uit, die met fraaie karmozijnroode bloemen prijkten.„Pas op, juffrouw Groenewald,” zei hij tot Emma, die een takje wilde kapen; maar zich gevoelig aan de doornen prikte en haastig haren duim in den mond stak.„Pas op, er zijn doornen aan!”„Dat waarschuwt ge wel wat laat, mijnheer Behren,” pruilde het jonge meisje.„Maar, wat fraaie bloemen!” kreet Adelien, die evenwel voorzichtig hare handjes te huis hield.„Niet waar?” ging de apotheker voort. „Niet waar, wat fraaie bloemen? Kijk eens, kapitein Van Dam. Dat is de Caesalpinia pulcherrima of de prachtige Pauwenkuif, zooals wij Nederlanders die heeten. Het is niet voor niets, dat de Franschen haar: poincillade of Fleur du Paradis noemen. Ziet dien karmozijnrooden bloesem eens met zijnen gladden kelk en stompe slippen, waarvan de voorste fraai gewelfd zijn, ziet die bevallig geplooide bloembladeren eens! En die lange helmdraden[291]en stijl! Is dat niet mooi? Kijk, die peul is veelhokkig en de zaden zijn omgekeerd eivormig, geknepen en.…”De botanicus was aan het doceeren. Het werd tijd dat men hem zijn stokpaardje ontnam.„Ho! stop!” riep kapitein Van Dam, die een blik op de vertoonde bloemen geworpen had. „Jij met je geknepen, eivormige, omgekeerde zaden, met je Caesa … caeso … Hoe heet je dat ding ook?”„Caesalpinia pulcherrima, kapitein. Dat is eene zeldzame plant.”„Het mocht wat! Die Caesalpinia polkamama …”„Pulcherrima, kapitein.”„Nu, pulcherrima dan … is eenvoudig de Patra kombala der Javanen, de Boenga Merak der Maleiers. Die bloemen vindt men in Indië in schier alle tuinen en groeien in sommige streken in het wild langs den weg. De Javaantjes houden veel van die plant.”„Waarom?”„Waarom? Weet jij apotheker dat niet?.. Niet? Nou dokters,” ging kapitein Van Dam voort en wendde zich tot de heeren Hannius en Van Pinksteren, „vertel jullie Behrtje eens, waartoe de Javanen een aftreksel van de bladeren van de Patra kombala bezigen.”De beide Esculapen keken elkander aan.„Wij weten het niet,” betuigden beiden.„Weet jullie dat ook niet?… Wel dat weet in Indië iedere baboe en iedere nènèh! Wat leer jullie toch op die hoogescholen met al dien geleerden poespas, die daar verkocht wordt, als gij dat niet leert?”„Dat is moeielijk te omschrijven, waarde kapitein,” antwoordde dokter Van Pinksteren lachende. „Maar zeg ons nu, wat de baboe’s en nènèh’s wel en wij niet weten. Waartoe dient dat aftreksel van folia Caesalpiniae pulcherrimae?”[292]„Wel, om schoon schip te maken.”„Schoon schip?” vroeg Denniston. „Dus, zoo iets als een bezem of zwabber?”„Juist, een zwabber, maar inwendig. Dat aftreksel heeft dezelfde werking als het Glaubers wonderzout of als de djarak-olie.”62Allen lachten, en Behrtje en Hannius niet het minste, hoewel ze de laatstgenoemde olie niet kenden, en dat maar onaangeroerd lieten.„Ik ben van plan,” zeide laatstgenoemde, „dadelijk eene proef te nemen. Er zijn een paar patiënten, die den invloed van den scheepskost geducht ondervinden. Hebt ge veel folia Caesalpiniae pulcherrimae medegebracht?”„O! meer dan genoeg voor eene proef!”„Dan gaan wij dadelijk aan het koken.”„Wacht dan toch eerst, dat de kok met zijnebeefsteakklaar is,” zei kapitein Butteling. „Gij mocht u eens vergissen … Daarbij, het wordt tijd, om te gaan lunchen. Ik heb reeds een wenk bekomen, dat het middaguur nabij is.”Stuurman Abels had inderdaad den scheepsgezagvoerder een teeken gegeven, dat het kwart voor twaalf was.„Is dat zonschieten heden wel noodig?” vroeg Leidermooi. „Wij hebben den wal nog in het gezicht.”„Waar dan toch?” vroeg stuurman Abels. „Waar dan toch die wal?”Allen keken uit. Er was niets meer te zien. Enkelen meenden nog achteruit, in het noorden, dicht bij de kim eene blauwe strook te zien; maar de stuurman was van meening, dat dit eene wolkenbank was, die opdoemde.„Uit dien hoek krijgen wij van nacht of morgen poetssteen,” zeide hij.Toen het middag-bestek opgemaakt was, stond het[293]fregat op 24° 19′ zuiderbreedte en op 41° 48′ westerlengte.Bij het naar beneden gaan om de lunch te gebruiken, merkte Frank Brinkman juffrouw Adelien op, dat zij hare mededeelingen omtrent Rio Janeiro niet voltooid had.„Is het mijne schuld?” vroeg het meisje met een bekoorlijken glimlach, „dat de heeren het zoo druk gehad hebben over de Patra kombala? Als de geleerden aan den gang zijn, dan is er geen speld tusschen te brengen. Maar.… wij kunnen heden avond het gesprek voortzetten. Al de heeren zijn aan den wal geweest. Die kunnen mijne mededeelingen wel missen. Kapitein Van Dam alleen bleef aan boord; maar die—daarvan ben ik overtuigd—houdt meer van spadille en manille, dan van een verhaal door eene jeugdige onervarene reizigster geleverd. Heb dus geduld, totdat de partijtjesmakers heden avond achter hunne speeltafeltjes zullen plaats genomen hebben. Is dat uitstel niet goed?”Een innige handdruk, onbemerkt bij het neerdalen van den trap naar de kajuit gewisseld, was het eenige antwoord, dat de jongman geven kon, en was misschien ook wel het meest gewenschte.Dat de lunch onze onderofficieren, die niet mede aan den wal geweest waren en bij gevolg geen afwisseling van den scheepskost erlangd hadden, door het aanzitten aan eene Braziliaansche table-d’hôte, zooals de andere passagiers was te beurt gevallen, uitmuntend smaakte, behoeft ter nauwernood gezegd te worden. Zij betuigden, dat zij in hun leven geen lekkerderbeefsteakhadden gegeten, hoewel de kok toch verklaard had, dat hij het vleesch als stokvisch had moeten beuken om het eenigermate zijne lederachtigheid te doen verliezen, daar anders debeefsteakveel van gebakken oude schoenzolen zoude gehad hebben.„Die Braziliaansche zwartkoppen hebben den kapitein[294]in het ootje genomen,” zeide de zee-Vatel met overtuiging. „Die os is voorzeker een tijdgenoot van Methusalem geweest, en heeft met dien oudvader waarschijnlijk school gegaan.”Ook het diner was eene ware smulpartij voor onze onderofficieren. Toen de hofmeester de soepterrine op tafel zette, fluisterde Herman Riethoven Emma zijn buurmeisje in het oor:„De traditioneele schildpadsoep!”„Als dat waar is,” viel Behren in, die deze woorden opgevangen had, „dan zet ik den hofmeester de geheele terrine het onderste boven op het hoofd bij wijze van slaapmuts!”De gewraakte schildpadsoep, die gewoonlijk op de zondagstafel verscheen, was eene dunne pap van bruine boonen, die uitermate gepeperd was, en waarin eenige uitgekookte stukjes gerookt spek dreven, die dienst voor schildpadvleesch moesten doen.De apotheker werd evenwel gerustgesteld. Het was eene uitstekende potage à la jardinière, verklaarde de hofmeester met eene gejaagdheid, alsof hij de slaapmuts, waarmede hem gedreigd was, reeds op zijn hoofd gevoelde.„En als de hofmeester ons nu eens dezer dagen echte schildpadsoep voorzet?” vroeg kapitein Butteling.„Echte schildpadsoep!.… Maar, om hazenpeper te maken,” zei Behren, „is in de eerste plaats een haas noodig, niet waar?”„En om schildpadsoep te maken, eene schildpad, is het niet zoo? Waarschijnlijk sliep ons Behrtje nog, toen de sloepen met levensmiddelen aan boord kwamen; anders had hij moeten zien, dat eene monsterachtige schildpad overgescheept is, die nu in het kabelgat ligt haar lot af te wachten.”„Zoodat wij dan eens eene lekkere schildpadsoep[295]zullen krijgen. In afwachting zullen wij deze potage met dankbaarheid genieten.”„Maar.…” vroeg de apotheker, terwijl hij zich beijverde zijne soep naar binnen te werken. „Maar.… kapitein Butteling. Is uwe schildpad eene ware, geene nagemaakte?”Allen lachten.„Neen,” zei dokter Hannius. „Ik heb ze gezien, het is eene echte zeeschildpad, eene Chelone viridis, die ongeveer 80 Ned. pond zal wegen.”„Hoerah! dan voor de Chelone viridis!” riep Behrtje in geestdrift. „Behalve het bruineboonenbrouwsel heb ik nimmer schildpadsoep gegeten!”Het diner liep tot aller genoegen af. Kok en hofmeester hadden er alle eer van. Hoewel de kok over taaiheid van het ossenvleesch klaagde, was de voorgedienderoastbeefuitmuntend en zoo malsch als boter bevonden. De opmerking daaromtrent bleef niet uit.„Dat geloof ik wel,” zei kapitein Butteling. „Door de ondervinding, bij de lunch opgedaan, geleerd, heb ik den kok het vleesch in papaya-bladeren doen wikkelen.”„In papaya-bladeren? Groeien die aan den fokkemast of aan de bagijne-ra?” vroeg Behren leuk. „Dan ga ik herboriseeren.”„Neen, heer apotheker,” antwoordde de scheepsgezagvoerder, „ze groeien daar juist niet, blijf dus stil zitten; maar ik heb aan den wal een goeden voorraad ingekocht, die beneden in het ruim op de koelste plaats van het schip opgeborgen is. Gij weet, dat het vleesch hetgeen in die bladeren gewikkeld, gebraden wordt, overheerlijk malsch wordt, al is het nog zoo taai.”„Kan ik morgen van die bladeren te zien krijgen, kapitein?”„Wel zeker. Bij het dessert krijgen wij zelfs eenige[296]rijpe vruchten, die zeer smakelijk zijn, niet waar kapitein Van Dam?”„Zeker is de Kattès lekker, vooral wanneer zij rijp aan den boom geworden is,” antwoordde deze. „Maar wat ook lekker is, dat zijn de onrijpe vruchten met aardappelen gekookt. Zij vervangen dan onze peentjes en leveren een overheerlijken hutspot.”„Ik heb er aan gedacht!” riep kapitein Butteling uit, terwijl hij zich in de handen wreef. „Wij hebben ettelijke zakken in voorraad.”Bij het dessert werd de Kattès zeer lekker gevonden, hoewel zij, die haar nog niet geproefd hadden, er een eenigszins vreemden smaak aan vonden.„Zoo iets van sterrekers!” verklaarden zij.Toen de reizigers boven kwamen, was de avond gevallen, en was het zoo donker aan het dek, dat men werkelijk bij het overboord kijken de zee niet ontwaren kon. De wind was inmiddels aangewakkerd en floot door het want. Alle zeilen stonden evenwel nog bij, zoodat het loggen aantoonde, dat het schip eene vaart van elf mijlen had.„Het snijdt er goed van door, stuurman,” merkte kapitein Van Dam op.„Ja, kapitein,” antwoordde stuurman Abels, „als het zoo blijft, hebben we niet te klagen. Maar.… de barometer daalt langzaam maar gestadig. En als wij wat meer onder den wal uit zijn, zullen wij ook wel hooger zee krijgen. Het schip ligt nu nog vrij stil.”De passagiers rookten eene sigaar aan dek, slurpten een kop koffie, waarna al spoedig van een partijtje gesproken werd. Het was zoo ongezellig in het donker op het dek, men zag enkel het vurig uiteinde van de sigaar in elkanders handen. Het duurde dan ook niet lang, of alle speeltafeltjes waren beneden bezet, terwijl de familie[297]Groenewald zich op het dek met Frank Brinkman en Herman Riethoven in een kringetje sloot. Of de jongelieden het ook ongezellig op dat donkere dek vonden? Daarvan was niets te bespeuren; integendeel, er heerschte daar veel innigheid tusschen de ouders en hunne kinderen, maar ook tusschen de geredden en hare redders.„Gij hebt mij beloofd, juffrouw Groenewald,” vroeg Frank Brinkman aan Adelien, „dat gij ons uwe indrukken bij uw uitstapje te Rio Janeiro zoudt mededeelen. O! dat ik toch zoo gelukkig ware geweest u te vergezellen. Wat moet het daar mooi geweest zijn te midden van die keerkrings-natuur. Ik heb mij laten vertellen, dat er geen fraaier plekje op de wereld bestaat, dat noch Napels, waarvan een dichter schreef:Vedi Napoli e poi muori(Napels zien en daarna sterven.)noch de Taag bij Lissabon, noch de Bosphorus tusschen Scutari en Constantinopel, hoe fraai die plaatsen ook door de reizigers afgeschilderd worden, er bij halen.”„Van de Taag en van den Bosphorus kunnen wij niet spreken,” zei Emma; „maar wij kunnen bevestigen, dat de baai van Rio Janeiro fraaier is dan die van Napels. Ik geloof niet, dat er ergens zoo’n grootsche kustrand aangetroffen wordt als daar, dat er ergens eene baai bestaat, die door een meer schilderachtigen band van steigerend gebergte van het overige der wereld gescheiden wordt, die door zoo’n menigte van inhammen en van vooruitspringende kapen, van heuvelachtige en laag gelegen eilanden bezaaid is, zoodat hare boorden als met de mazen van een kolossaal maar bekoorlijk net omgeven schijnen. Spreekt gij van die natuur, dan hebt gij gelijk, mijnheer Brinkman. Spreekt gij evenwel van de plantenwereld, dan geloof ik u te kunnen verzekeren, dat ons Indië u eene even schoone zoo niet schoonere zal te zien geven. Een tochtje door de Preanger Regentschappen[298]in West Java, of een tochtje door de Residentiën Semarang en Kedoe in Midden Java zou u gezichten leveren, die in geenen deele bij de fraaiste van de omstreken van Rio Janeiro achterstaan.„Terwijl een bezoek aan de Padangsche Bovenlanden u waterbekkens zou leeren kennen, wel geen inhammen van de zee, maar zoetwatermeren, die in trotsche verhevenheid en in stoute natuurtafereelen bij de prachtige baai van Rio Janeiro niet achterstaan,” vulde de heer Groenewald aan. „Komt gij ooit in de gelegenheid daartoe, jongelui, verzuimt dan niet de meren van Singkarah en Manindjoe een bezoek te brengen.”„Wat de stad zelve betreft, die eigenlijk Sao Sebastiao do Rio de Janeiro heet,” zei Adelien op hare beurt, „zij vormt slechts een schaakbord van akelige nauwe straten, waarin het even moeielijk is zich te bewegen als adem te halen, en waarin geen enkel gebouw of monument aanwezig is, dat der aandacht waardig kan genoemd worden. Het is een druk, vuil en kwalijkriekend nest, wien alle de ongeriefelijkheden van eene ouderwetsche stad aankleven, welke door de voorrechten, die zij als hoofdstad van het rijk geniet, niet opgewogen worden. De meeste huizen zijn van onderen van granietblokken en verder van hout opgetrokken, terwijl de straten ook met graniet geplaveid en slechts schaars van trottoirs voorzien zijn.”„Dat is al een zeer ongunstige beschrijving, die gij ons daar levert, juffrouw Adelien,” zei Frank.„Och,” antwoordde hare moeder, „zij was niet in haar humeur. Zij heeft alles door een donker gekleurden bril bekeken. Want, evenals elders is te Rio Janeiro ook veel schoons te zien.”„Met mijne donker gekleurde beschrijving,” ging het jonge meisje met een glimlach voort, „bedoelde ik de[299]oude stad, die wel van de nieuwe stad te onderscheiden valt. Het plein Campo da Santa Anna scheidt deze van gene. De nieuwe stad bestaat hoofdzakelijk uit de voorsteden Gloria, Cateti, Flamingo, Botafogo, die zich langs de kleine en liefelijke baaien, die de kust ten zuiden van Rio Janeiro, tot aan den Pao de Açucar vormt, uitstrekken. Ten zuiden van de stad, maar meer landwaarts in, treft men de fraaie voorstad San Theresa, met een prachtig klooster in hare nabijheid aan, en komt men van die in Baïro de Mattocarpos, eene voorstad, die westwaarts van de hoofdplaats ligt en gemeenschap met de voorstad Catoembi heeft, die het keizerlijk paleis San Christovao en daarachter op een heuvel de keizerlijke villa Boa Vista bevat. Het genotvolste is evenwel geweest: de wandelrit naar den Tijucaberg, die 3300 voet hoog en op ongeveer vijf mijlen ten westen van de stad gelegen is, en van waar men een prachtig gezicht heeft, aan den eenen kant over de baai van Rio Janeiro en haren toegang tot den Oceaan, en aan de andere zijde over het omliggend bergachtig terrein, dat hij evenwel beheerscht.”„De kerken moeten er prachtig zijn?” vroeg Herman, die zijne seminaristen-natuur nog niet geheel afgeschud had.„Wij hebben er geene bezocht,” antwoordde Emma. „Ik heb evenwel gehoord, dat de stad er ongeveer vijftig bevat, waaronder de kapellen natuurlijk medegerekend zijn.”„Vijftig kerken en kapellen!” riep Frank uit. „Maar hoeveel inwoners telt Rio Janeiro dan wel?”„De stad is zeer groot en ver uit elkander gebouwd,” antwoordde Adelien. „Over hare grootste lengte gemeten is zij vier mijlen lang en bevat eene bevolking van ongeveer 275,000 zielen.”„Waaronder ongeveer50,000slaven,” vulde de heer Groenewald aan.Een schril gefluit weerklonk over het dek.[300]„Bovenbramzeilen en grietje geien!” liet zich het commando van stuurman Abels over het dek hooren.Ons gezelschap keek eens rond. De wind was al meer en meer opgestoken en floot met kracht door het want, waarbij hij de stijfgespannen touwen van het tuig onder zijn adem deed trillen. De zee begon daarbij woester aan te schieten en zich in hooge baren te verheffen, zoodat het schip bij het vele zeil, dat het voerde, onder den aandrang van zee en wind soms zulke slingeringen ondervond, dat voor de veiligheid der bovenstengen met recht gevreesd kon worden.„Hoe is het met den barometer?” vroeg de heer Groenewald aan den stuurman.„Langzaam, maar steeds dalende,” was het antwoord. „Wij gaan langen tijd slecht weer hebben.”„Eene mooie voorspelling!” zei Emma.„Wat er aan te doen,” hernam de stuurman, „anders dan te berusten? Maar.… mag ik de dames een goeden raad geven. Dat is om naar beneden te gaan. Het schip schiet goed vooruit; maar het werkt zwaar. En bij den noordenwind, die doorstaat en den zuidoosten koers, dien wij volgen, is het aan zoo’n dwars aanrollende zee niet onmogelijk om over te komen. De dames zouden bijgevolg gevaar loopen om andermaal.… gedoopt te worden.”„Daar zijn wij niet bang voor,” antwoordden de jonge meisjes lachende.„Ja, maar dat niet alleen.… ook om andermaal over het dek gerold of over de versch.…”„O! die nare stuurman, om ons dat te herinneren!” zei Adelien. Maar met geestdrift vervolgde zij: „Onze redders zijn nabij!”„Ja, die zijn nabij! en die zullen niet in gebreke blijven,” antwoordde Frank met niet minder vuur.[301]Twee handen zochten elkander in het donker en wisselden een innigen druk.„Jawel, jawel!” lachte de stuurman. „Ik twijfel aan den goeden wil dier redders niet. Maar.… het mocht eens minder goed afloopen.”„Zoodat gij meent, dat er gevaar best.…”De heer Groenewald had den tijd niet om die vraag te eindigen, toen een golf tegen het middenschip opspatte, zijne schuimende kuif over de verschansing wipte, en het geheele dek daar overstroomde. Gelukkig, dat het achterschip, hetwelk toen juist opgeheven werd, gespaard bleef. Maar bij het donderend geweld, hetwelk het nederploffende water maakte, vermengd met het gehuil van den wind en het gekraak van het tuig, vlogen de twee ouders, door een gemakkelijk te verklaren angst bewogen, op en vluchtten naar den kajuitstrap. De jonge dames, meer heldhaftig van aard, wisselden, alvorens den aftocht te volgen, een handdruk met de jongelieden; waarbij Frank, van den donkeren nacht gebruik makende, zijn arm om het middel van Adelien sloeg en het lieve kind een kus op de lippen drukte, die niet onbeantwoord bleef. Onthutst en als dronken door die aanraking, stoof het jonge meisje den trap af. In een ondeelbaar oogenblik was dat geschied. Toch had Emma daarvan iets ontwaard, en verkreeg volkomen zekerheid, toen zij, in de kajuit gekomen, het blozende gelaat harer zuster bemerkte. Was het werkelijk bezorgdheid van de oudere jegens de jongere zuster, of was het jaloerschheid, dat Herman volgens haar de stoutmoedigheid miste om een kus te rooven! Zooveel is zeker, dat zij meende verplicht te zijn, hare moeder van het gebeurde kennis te geven.Toen den volgenden morgen—23 November—de[302]dag aanbrak, waren het groot en het bezaanzeil gegeid, en lag deFernandina Maria Emmaonder hare marszeilen, maar met gereefde bramzeilen en stevende steeds zuidoost op. Het uitzicht van den Oceaan was bar. Hemelhooge golven verhieven zich en huppelden met onbesuisde vaart op het schip aan, alsof zij dat bestormen wilden; terwijl zij zich bij haar doldriftig pogen om voorwaarts te ijlen, krulden, braken en zich met wit schuim kuifden, dat haar een woest en dreigend aanzien verleende. Maar het schip hield zich uitmuntend. Wel werd het hevig geslingerd, wel beschreven de masttoppen schrikbarende bogen en ellipsen in het luchtruim en helde het fregat soms zoodanig naar bakboordzijde over, dat een onwillekeurige kreet aan veler mond ontvlood; wel stampte het bij die beweging om zijne breedteas om iemand het hart in het lijf te doen bonsen en dook daarbij, wanneer het achterschip door eene aanrollende baar opgeheven werd, met den voorsteven onder water, alsof het daarin verdwijnen wilde, of steigerde met dien steven omhoog, wanneer de waterberg naar het voorschip rolde, alsof het uit het vloeibare element wilde springen; maar repte zich met spoed voorwaarts op de baan, die het nog af te leggen had. Het uitspansel was in de bovenluchtlagen egaal loodkleurig, terwijl in de benedenlagen dikke en zwarte wolken met eene drift zuidwaarts door het luchtruim vlogen, die wel bewezen dat daarboven de wind niet minder den teugel vierde dan aan de oppervlakte der zee.Hoewel het niet regende, was het toch kletsnat op het dek van het schuim der baren, hetwelk door den wind als het ware van de golftoppen afgescheurd werd, om in den vorm van een uiterst fijnen zilten regen in horizontale richting voortgezweept te worden. Alle opvarenden, die aan dek kwamen, zochten dan ook[303]in allerijl een oppertje, niet om zich voor den wind te beschutten, die nog niet koud was, maar om die waterige stofdeeltjes te ontgaan, die iemands kleeding en haren in weinige oogenblikken met een zilver vliesje, als ware het rijp, overdekten.Toen stuurman Ellenbaan bij het eindigen der morgenwacht liet loggen, had deFernandina Maria Emmaeene vaart van twaalf mijlen.„Drommels stuur! dat snort er van door,” zei kapitein Van Dam.„Ja, mijnheer,” was des stuurmans antwoord,„maar gedurende de hondenwacht is 13½ mijl gelogd; men heeft toen evenwel de bezaan en het grootzeil moeten geien, omdat het schip te veel op zijn roer wrong en drie man aan het stuurrad niet te veel waren.”„Dat is nu toch waarlijk storm, nietwaar?” vroeg Denniston, die erg bleek was en wel er naar uitzag, dat hij andermaal een bezoek van de zeeziekte zoude krijgen.„Het mocht wat!” antwoordde de stuurman. „Dit is niets dan eene stijve bramzeilskoelte. Kijk mijnheer, als al de zeilen geborgen zijn en alleen aan den grooten mast dat kleine barkzeil, dat men nu bezig is aan te slaan, en wat ook stormzeil genoemd wordt, bijstaat, dan waait er storm.”„Verwacht men dan storm, dat men zich zoo beijvert om dat aan te slaan?” vroeg Leidermooi.„Men weet niet wat er van groeien kan. De barometer is steeds langzaam dalende, terwijl de bovenlucht nog onaangenaam strak voorkomt. Maar.… ik heb nog geen stormvogels gezien, dat stelt mij gerust.”„Stormvogels?” vroeg Hannius.„Ja, of beter genoemd stormzwaluwen63,” antwoordde stuurman Ellenbaan. „Het zijn kleine witgrijze vogels, die door hunne vlucht op een afstand wel iets van een[304]zwaluw hebben. Zij vliegen steeds.… Drommels daar hebt gij er een paar! Nu ontsnappen wij den dans niet! Sta nu maar vast.”„Kom stuurman, ik heb er in mijn leven nog al gezien,” zei kapitein Van Dam geruststellend, „en.…”„Maar dan heeft het toch ook geblazen, toen gij die zaagt, kapitein.”„Wat mij verwondert, dat is, dat wij nog geene kaapsche duiven gezien hebben. Die worden toch tot op de breedte van Rio Janeiro aangetroffen, niet waar?”„Ja, kapitein, wanneer de zon in het noordelijke halfrond staat; nu wij, evenwel November hebben, moeten wij haar meer zuidwaarts zoeken. Het zal evenwel niet lang meer duren. Met de vaart, die wij maken, misschien morgen of overmorgen al.”De stormvogeltjes scheerden over het water, vlogen een paar malen om het schip en verdwenen in noordelijke richting.Zoo omstreeks tegen elf uur begon het wolkendak in de bovenluchtlagen, dat tot nu toe onbeweeglijk en aschgrauw gebleven was, te scheuren en vingen de wolken daar met die van de benedenluchtlagen een wedstrijd in het hardloopen aan. In ijlende vaart wentelden de dikke grauwe en zwarte massa’s door de lucht en stoven zuidwaarts op; terwijl het schip steeds zuidoost voor lag. Door het zonnetje verlokt, dat nu en dan tusschen de wolken door kwam kijken, en haar dan met een lief helder blinkend randje verguldde, kwamen de dames Groenewald aan dek; maar zij moesten verklaren, dat het er onvriendelijk uitzag. De zee ging zoo aan, de wind huilde zoo door het want en was niets luw meer; integendeel hij begon zich al frisch te doen gevoelen, zoodat papa Groenewald gauw naar beneden ging en even spoedig weer verscheen, geheel in zijn demi-saison;[305]terwijl hij de regenmantels zijner dames op den arm droeg. Bij de stijve bries, die er stond, was het evenwel geen gemakkelijk werk om zoo’n kleedingstuk om het lijf te krijgen. Verscheidene malen poogde toch de wind het aan de lieve vingertjes te ontrukken, en de dames slaagden eerst, toen zij eene toevlucht op den kajuitstrap namen en daar elkander hielpen. Toen die mantels goed om hare ledematen sloten, waren de teere wezens volgens het oordeel van haren papa voldoende beschut om een uurtje in de buitenlucht door te brengen. Het middagbestek toonde aan dat deFernandina Maria Emmaop 27° 21′ zuiderbreedte en op 37° 41′ westerlengte stond. De barometer was steeds langzaam dalende.De arrestanten, die tot nu toe aan het dek, in de boeien gesloten, verwijld hadden, werden thans in het kabelgat in verzekerde bewaring gesteld, tot dat het schip weer in milder streken zou zijn aangeland.De gekwetsten hadden van het stormachtige weer niet veel te lijden. De kogels waren gelukkig uit de wonden verwijderd en liet het zich aanzien, dat alle vier voor de aankomst te Batavia genezen zouden zijn.[306]
[Inhoud]XI.Weer naar zee.Het was zondag—het werd hierboven reeds gezegd—dien dag, waarop deFernandina Maria Emmade baai van Rio Janeiro verliet om haar reis te vervolgen. De passagiers zaten op het dek gezellig bij elkander, het langzaam verdwijnende land van Zuid-Amerika te bewonderen. Op verzoek van den heer Groenewald, had kapitein Van Dam de sergeanten Riethoven en Brinkman een wenk gegeven, die weldra ook plaats genomen hadden op het achterdek en wel bij de familie Groenewald, welker gasten zij waren.„Hebben de dames zich goed geamuseerd?” vroeg kapitein Van Dam aan de jonge meisjes.„O! uitnemend, kapitein!” antwoordde Emma.„Papa heeft een rijtuig genomen bij het aan wal stappen,” verhaalde Adelien, „waarmede wij een prachtigen toer èn door de plaats èn door de omstreken van Rio Janeiro gemaakt hebben. Wij hebben daarbij wezenlijk genoten.”Het meisje wierp bij die laatste woorden een vluchtigen, ja bijna onmerkbaren blik op Frank, die dezen beduidde, dat het genot van het lieve kind nog grooter ware geweest, wanneer hij aan dat uitstapje had mogen deelnemen.[288]„Het is een fraai land,” bevestigde dokter Hannius.„Maar zou juffrouw Groenewald de minder gelukkigen, die van de partij niet konden zijn, niet willen mededeelen, wat zij bij dien toer gezien heeft?” vroeg Frank aan Adelien.Het meisje bloosde. Zij was nog te jong om gewoon te zijn in een zoo talrijk gezelschap het woord alleen te voeren.„Gij zult aan mijne mededeeling weinig hebben,” antwoordde zij schuchter, maar toch met bevallige stembuiging. „De indrukken van een meisje zijn zoo wuft, dat zij de heeren niet zullen kunnen boeien.”„De oogen der vrouw zien scherper dan de man,” betuigde dokter Hannius. „Zij omvatten beter de algemeene omtrekken der tafereelen, die haar onder de oogen komen; terwijl de mannen meer hunne aandacht opbijzonderhedenvestigen en zich dan veelal in studiën verdiepen, of.… daarvan den schijn aannemen.”„Mooi gezegd,” sprak kapitein Van Dam. „Ik wed dat ons Behrtje niet veel van de algemeene indrukken heeft opgevangen. Ik heb hem althans met een bos groenten aan boord zien terugkomen, dat het denkbeeld bij mij moest opkomen, hij met de voeding der slachtossen belast was.”„Geen spotternij met de wetenschap, kapitein,” antwoordde de apotheker met een glimlach. „Het moge waar zijn, dat ik bij mijne uitstapjes van gisteren en voorgisteren minder op de algemeene omtrekken van het landschap, dat mij omgaf, gelet heb, dat mij de bevalligheid en de verhevenheid van zoo’n bergterrein ontgaan zijn, dat ik geen blik had voor de werken der menschen, voor de kunst, die de natuur zoude verfraaid en verbeterd hebben, zoo als ik dat gisteren door sommigen in hunne opgetogenheid hoorde uitdrukken, voor die[289]menigvuldige villa’s, die de hoogten der bergtoppen kroonden, of op hare hellingen verrezen; maar.…”„Maar?” vroeg Emma Groenewald niet zonder ietwat spotternij in hare stem.„Maar, ik ben plantenkundige en de hartstocht voor de gaven van Flora treedt bij mij op den voorgrond. Toen ik buiten de stad kwam, en mij daar te midden van die prachtige intertropische natuur bevond, waarvan ik wel veel gelezen had, maar die het mij nu voor de eerste maal gegeven was van nabij te beschouwen, toen—ik wil het gaarne bekennen—had ik slechts oog voor hetgeen die plantenwereld te bewonderen gaf.”„Zeker is het,” vulde Adelien met een soort van geestdrift aan, „dat, hetzij men in den Botanischen Tuin rondwandelde, hetzij men meer binnenslands of langs de oevers der baai ronddoolde, men wanen kon, zich in een eindeloos groot park te bevinden, waar iedere schrede een nieuw wonder te aanschouwen gaf.”„Ik heb nimmer tropische planten gezien dan in serres,” ging Behren voort, „arme kwijnende dochters der zon, die het aan licht en lucht ontbrak, en die in dien kunstmatigen atmospheer van steenkolenwalm een jammerlijk bestaan voortsleepten. Ik kan mij dus geen oordeel aanmatigen, over wat de keerkrings-natuur te aanschouwen geeft; maar ik vermeen, altijd naar wat mijne boeken mij geleerd hebben, dat nergens ter wereld de Flora zoo ontwikkeld is, als daar in de omstreken van Rio Janeiro!”„Ho! ho!” riep kapitein Van Dam. „Stop! De apotheker gaat er van door!”„Dat er nergens zoo hooge en slanke palmen, dat er nergens zoo schilderachtige banaanboomen, dat er nergens zulke dichte bamboebosschen aangetroffen worden!”[290]Ja, de apotheker was er van door.„Stop!” riep de heer Groenewald op zijne beurt. „Spreek niet te overijld. Alvorens zoo’n oordeel te vellen, moet gij wachten, tot dat gij ’s lands Plantentuin te Buitenzorg gezien zult hebben. Die is oneindig fraaier dan de Botanische Tuin te Rio Janeiro.”„Ja, maar de Flora buiten dien tuin?”„Laat op Java ook niets te wenschen over, en staat in niets achter, bij hetgeen gij gisteren gezien hebt.”„Ik heb bloemen en struiken gezien, die.…”„O! ja, de groenten, die Behrtje voor de slachtossen heeft meêgebracht,” spotte kapitein Van Dam.De apotheker vloog op, klom op de verschansing, dook onder het zeil, dat de sloep, die daar in de davids buiten boord hing, voor de werking der zonnestralen moest beschermen, en haalde daaronder een bos planten uit, die met fraaie karmozijnroode bloemen prijkten.„Pas op, juffrouw Groenewald,” zei hij tot Emma, die een takje wilde kapen; maar zich gevoelig aan de doornen prikte en haastig haren duim in den mond stak.„Pas op, er zijn doornen aan!”„Dat waarschuwt ge wel wat laat, mijnheer Behren,” pruilde het jonge meisje.„Maar, wat fraaie bloemen!” kreet Adelien, die evenwel voorzichtig hare handjes te huis hield.„Niet waar?” ging de apotheker voort. „Niet waar, wat fraaie bloemen? Kijk eens, kapitein Van Dam. Dat is de Caesalpinia pulcherrima of de prachtige Pauwenkuif, zooals wij Nederlanders die heeten. Het is niet voor niets, dat de Franschen haar: poincillade of Fleur du Paradis noemen. Ziet dien karmozijnrooden bloesem eens met zijnen gladden kelk en stompe slippen, waarvan de voorste fraai gewelfd zijn, ziet die bevallig geplooide bloembladeren eens! En die lange helmdraden[291]en stijl! Is dat niet mooi? Kijk, die peul is veelhokkig en de zaden zijn omgekeerd eivormig, geknepen en.…”De botanicus was aan het doceeren. Het werd tijd dat men hem zijn stokpaardje ontnam.„Ho! stop!” riep kapitein Van Dam, die een blik op de vertoonde bloemen geworpen had. „Jij met je geknepen, eivormige, omgekeerde zaden, met je Caesa … caeso … Hoe heet je dat ding ook?”„Caesalpinia pulcherrima, kapitein. Dat is eene zeldzame plant.”„Het mocht wat! Die Caesalpinia polkamama …”„Pulcherrima, kapitein.”„Nu, pulcherrima dan … is eenvoudig de Patra kombala der Javanen, de Boenga Merak der Maleiers. Die bloemen vindt men in Indië in schier alle tuinen en groeien in sommige streken in het wild langs den weg. De Javaantjes houden veel van die plant.”„Waarom?”„Waarom? Weet jij apotheker dat niet?.. Niet? Nou dokters,” ging kapitein Van Dam voort en wendde zich tot de heeren Hannius en Van Pinksteren, „vertel jullie Behrtje eens, waartoe de Javanen een aftreksel van de bladeren van de Patra kombala bezigen.”De beide Esculapen keken elkander aan.„Wij weten het niet,” betuigden beiden.„Weet jullie dat ook niet?… Wel dat weet in Indië iedere baboe en iedere nènèh! Wat leer jullie toch op die hoogescholen met al dien geleerden poespas, die daar verkocht wordt, als gij dat niet leert?”„Dat is moeielijk te omschrijven, waarde kapitein,” antwoordde dokter Van Pinksteren lachende. „Maar zeg ons nu, wat de baboe’s en nènèh’s wel en wij niet weten. Waartoe dient dat aftreksel van folia Caesalpiniae pulcherrimae?”[292]„Wel, om schoon schip te maken.”„Schoon schip?” vroeg Denniston. „Dus, zoo iets als een bezem of zwabber?”„Juist, een zwabber, maar inwendig. Dat aftreksel heeft dezelfde werking als het Glaubers wonderzout of als de djarak-olie.”62Allen lachten, en Behrtje en Hannius niet het minste, hoewel ze de laatstgenoemde olie niet kenden, en dat maar onaangeroerd lieten.„Ik ben van plan,” zeide laatstgenoemde, „dadelijk eene proef te nemen. Er zijn een paar patiënten, die den invloed van den scheepskost geducht ondervinden. Hebt ge veel folia Caesalpiniae pulcherrimae medegebracht?”„O! meer dan genoeg voor eene proef!”„Dan gaan wij dadelijk aan het koken.”„Wacht dan toch eerst, dat de kok met zijnebeefsteakklaar is,” zei kapitein Butteling. „Gij mocht u eens vergissen … Daarbij, het wordt tijd, om te gaan lunchen. Ik heb reeds een wenk bekomen, dat het middaguur nabij is.”Stuurman Abels had inderdaad den scheepsgezagvoerder een teeken gegeven, dat het kwart voor twaalf was.„Is dat zonschieten heden wel noodig?” vroeg Leidermooi. „Wij hebben den wal nog in het gezicht.”„Waar dan toch?” vroeg stuurman Abels. „Waar dan toch die wal?”Allen keken uit. Er was niets meer te zien. Enkelen meenden nog achteruit, in het noorden, dicht bij de kim eene blauwe strook te zien; maar de stuurman was van meening, dat dit eene wolkenbank was, die opdoemde.„Uit dien hoek krijgen wij van nacht of morgen poetssteen,” zeide hij.Toen het middag-bestek opgemaakt was, stond het[293]fregat op 24° 19′ zuiderbreedte en op 41° 48′ westerlengte.Bij het naar beneden gaan om de lunch te gebruiken, merkte Frank Brinkman juffrouw Adelien op, dat zij hare mededeelingen omtrent Rio Janeiro niet voltooid had.„Is het mijne schuld?” vroeg het meisje met een bekoorlijken glimlach, „dat de heeren het zoo druk gehad hebben over de Patra kombala? Als de geleerden aan den gang zijn, dan is er geen speld tusschen te brengen. Maar.… wij kunnen heden avond het gesprek voortzetten. Al de heeren zijn aan den wal geweest. Die kunnen mijne mededeelingen wel missen. Kapitein Van Dam alleen bleef aan boord; maar die—daarvan ben ik overtuigd—houdt meer van spadille en manille, dan van een verhaal door eene jeugdige onervarene reizigster geleverd. Heb dus geduld, totdat de partijtjesmakers heden avond achter hunne speeltafeltjes zullen plaats genomen hebben. Is dat uitstel niet goed?”Een innige handdruk, onbemerkt bij het neerdalen van den trap naar de kajuit gewisseld, was het eenige antwoord, dat de jongman geven kon, en was misschien ook wel het meest gewenschte.Dat de lunch onze onderofficieren, die niet mede aan den wal geweest waren en bij gevolg geen afwisseling van den scheepskost erlangd hadden, door het aanzitten aan eene Braziliaansche table-d’hôte, zooals de andere passagiers was te beurt gevallen, uitmuntend smaakte, behoeft ter nauwernood gezegd te worden. Zij betuigden, dat zij in hun leven geen lekkerderbeefsteakhadden gegeten, hoewel de kok toch verklaard had, dat hij het vleesch als stokvisch had moeten beuken om het eenigermate zijne lederachtigheid te doen verliezen, daar anders debeefsteakveel van gebakken oude schoenzolen zoude gehad hebben.„Die Braziliaansche zwartkoppen hebben den kapitein[294]in het ootje genomen,” zeide de zee-Vatel met overtuiging. „Die os is voorzeker een tijdgenoot van Methusalem geweest, en heeft met dien oudvader waarschijnlijk school gegaan.”Ook het diner was eene ware smulpartij voor onze onderofficieren. Toen de hofmeester de soepterrine op tafel zette, fluisterde Herman Riethoven Emma zijn buurmeisje in het oor:„De traditioneele schildpadsoep!”„Als dat waar is,” viel Behren in, die deze woorden opgevangen had, „dan zet ik den hofmeester de geheele terrine het onderste boven op het hoofd bij wijze van slaapmuts!”De gewraakte schildpadsoep, die gewoonlijk op de zondagstafel verscheen, was eene dunne pap van bruine boonen, die uitermate gepeperd was, en waarin eenige uitgekookte stukjes gerookt spek dreven, die dienst voor schildpadvleesch moesten doen.De apotheker werd evenwel gerustgesteld. Het was eene uitstekende potage à la jardinière, verklaarde de hofmeester met eene gejaagdheid, alsof hij de slaapmuts, waarmede hem gedreigd was, reeds op zijn hoofd gevoelde.„En als de hofmeester ons nu eens dezer dagen echte schildpadsoep voorzet?” vroeg kapitein Butteling.„Echte schildpadsoep!.… Maar, om hazenpeper te maken,” zei Behren, „is in de eerste plaats een haas noodig, niet waar?”„En om schildpadsoep te maken, eene schildpad, is het niet zoo? Waarschijnlijk sliep ons Behrtje nog, toen de sloepen met levensmiddelen aan boord kwamen; anders had hij moeten zien, dat eene monsterachtige schildpad overgescheept is, die nu in het kabelgat ligt haar lot af te wachten.”„Zoodat wij dan eens eene lekkere schildpadsoep[295]zullen krijgen. In afwachting zullen wij deze potage met dankbaarheid genieten.”„Maar.…” vroeg de apotheker, terwijl hij zich beijverde zijne soep naar binnen te werken. „Maar.… kapitein Butteling. Is uwe schildpad eene ware, geene nagemaakte?”Allen lachten.„Neen,” zei dokter Hannius. „Ik heb ze gezien, het is eene echte zeeschildpad, eene Chelone viridis, die ongeveer 80 Ned. pond zal wegen.”„Hoerah! dan voor de Chelone viridis!” riep Behrtje in geestdrift. „Behalve het bruineboonenbrouwsel heb ik nimmer schildpadsoep gegeten!”Het diner liep tot aller genoegen af. Kok en hofmeester hadden er alle eer van. Hoewel de kok over taaiheid van het ossenvleesch klaagde, was de voorgedienderoastbeefuitmuntend en zoo malsch als boter bevonden. De opmerking daaromtrent bleef niet uit.„Dat geloof ik wel,” zei kapitein Butteling. „Door de ondervinding, bij de lunch opgedaan, geleerd, heb ik den kok het vleesch in papaya-bladeren doen wikkelen.”„In papaya-bladeren? Groeien die aan den fokkemast of aan de bagijne-ra?” vroeg Behren leuk. „Dan ga ik herboriseeren.”„Neen, heer apotheker,” antwoordde de scheepsgezagvoerder, „ze groeien daar juist niet, blijf dus stil zitten; maar ik heb aan den wal een goeden voorraad ingekocht, die beneden in het ruim op de koelste plaats van het schip opgeborgen is. Gij weet, dat het vleesch hetgeen in die bladeren gewikkeld, gebraden wordt, overheerlijk malsch wordt, al is het nog zoo taai.”„Kan ik morgen van die bladeren te zien krijgen, kapitein?”„Wel zeker. Bij het dessert krijgen wij zelfs eenige[296]rijpe vruchten, die zeer smakelijk zijn, niet waar kapitein Van Dam?”„Zeker is de Kattès lekker, vooral wanneer zij rijp aan den boom geworden is,” antwoordde deze. „Maar wat ook lekker is, dat zijn de onrijpe vruchten met aardappelen gekookt. Zij vervangen dan onze peentjes en leveren een overheerlijken hutspot.”„Ik heb er aan gedacht!” riep kapitein Butteling uit, terwijl hij zich in de handen wreef. „Wij hebben ettelijke zakken in voorraad.”Bij het dessert werd de Kattès zeer lekker gevonden, hoewel zij, die haar nog niet geproefd hadden, er een eenigszins vreemden smaak aan vonden.„Zoo iets van sterrekers!” verklaarden zij.Toen de reizigers boven kwamen, was de avond gevallen, en was het zoo donker aan het dek, dat men werkelijk bij het overboord kijken de zee niet ontwaren kon. De wind was inmiddels aangewakkerd en floot door het want. Alle zeilen stonden evenwel nog bij, zoodat het loggen aantoonde, dat het schip eene vaart van elf mijlen had.„Het snijdt er goed van door, stuurman,” merkte kapitein Van Dam op.„Ja, kapitein,” antwoordde stuurman Abels, „als het zoo blijft, hebben we niet te klagen. Maar.… de barometer daalt langzaam maar gestadig. En als wij wat meer onder den wal uit zijn, zullen wij ook wel hooger zee krijgen. Het schip ligt nu nog vrij stil.”De passagiers rookten eene sigaar aan dek, slurpten een kop koffie, waarna al spoedig van een partijtje gesproken werd. Het was zoo ongezellig in het donker op het dek, men zag enkel het vurig uiteinde van de sigaar in elkanders handen. Het duurde dan ook niet lang, of alle speeltafeltjes waren beneden bezet, terwijl de familie[297]Groenewald zich op het dek met Frank Brinkman en Herman Riethoven in een kringetje sloot. Of de jongelieden het ook ongezellig op dat donkere dek vonden? Daarvan was niets te bespeuren; integendeel, er heerschte daar veel innigheid tusschen de ouders en hunne kinderen, maar ook tusschen de geredden en hare redders.„Gij hebt mij beloofd, juffrouw Groenewald,” vroeg Frank Brinkman aan Adelien, „dat gij ons uwe indrukken bij uw uitstapje te Rio Janeiro zoudt mededeelen. O! dat ik toch zoo gelukkig ware geweest u te vergezellen. Wat moet het daar mooi geweest zijn te midden van die keerkrings-natuur. Ik heb mij laten vertellen, dat er geen fraaier plekje op de wereld bestaat, dat noch Napels, waarvan een dichter schreef:Vedi Napoli e poi muori(Napels zien en daarna sterven.)noch de Taag bij Lissabon, noch de Bosphorus tusschen Scutari en Constantinopel, hoe fraai die plaatsen ook door de reizigers afgeschilderd worden, er bij halen.”„Van de Taag en van den Bosphorus kunnen wij niet spreken,” zei Emma; „maar wij kunnen bevestigen, dat de baai van Rio Janeiro fraaier is dan die van Napels. Ik geloof niet, dat er ergens zoo’n grootsche kustrand aangetroffen wordt als daar, dat er ergens eene baai bestaat, die door een meer schilderachtigen band van steigerend gebergte van het overige der wereld gescheiden wordt, die door zoo’n menigte van inhammen en van vooruitspringende kapen, van heuvelachtige en laag gelegen eilanden bezaaid is, zoodat hare boorden als met de mazen van een kolossaal maar bekoorlijk net omgeven schijnen. Spreekt gij van die natuur, dan hebt gij gelijk, mijnheer Brinkman. Spreekt gij evenwel van de plantenwereld, dan geloof ik u te kunnen verzekeren, dat ons Indië u eene even schoone zoo niet schoonere zal te zien geven. Een tochtje door de Preanger Regentschappen[298]in West Java, of een tochtje door de Residentiën Semarang en Kedoe in Midden Java zou u gezichten leveren, die in geenen deele bij de fraaiste van de omstreken van Rio Janeiro achterstaan.„Terwijl een bezoek aan de Padangsche Bovenlanden u waterbekkens zou leeren kennen, wel geen inhammen van de zee, maar zoetwatermeren, die in trotsche verhevenheid en in stoute natuurtafereelen bij de prachtige baai van Rio Janeiro niet achterstaan,” vulde de heer Groenewald aan. „Komt gij ooit in de gelegenheid daartoe, jongelui, verzuimt dan niet de meren van Singkarah en Manindjoe een bezoek te brengen.”„Wat de stad zelve betreft, die eigenlijk Sao Sebastiao do Rio de Janeiro heet,” zei Adelien op hare beurt, „zij vormt slechts een schaakbord van akelige nauwe straten, waarin het even moeielijk is zich te bewegen als adem te halen, en waarin geen enkel gebouw of monument aanwezig is, dat der aandacht waardig kan genoemd worden. Het is een druk, vuil en kwalijkriekend nest, wien alle de ongeriefelijkheden van eene ouderwetsche stad aankleven, welke door de voorrechten, die zij als hoofdstad van het rijk geniet, niet opgewogen worden. De meeste huizen zijn van onderen van granietblokken en verder van hout opgetrokken, terwijl de straten ook met graniet geplaveid en slechts schaars van trottoirs voorzien zijn.”„Dat is al een zeer ongunstige beschrijving, die gij ons daar levert, juffrouw Adelien,” zei Frank.„Och,” antwoordde hare moeder, „zij was niet in haar humeur. Zij heeft alles door een donker gekleurden bril bekeken. Want, evenals elders is te Rio Janeiro ook veel schoons te zien.”„Met mijne donker gekleurde beschrijving,” ging het jonge meisje met een glimlach voort, „bedoelde ik de[299]oude stad, die wel van de nieuwe stad te onderscheiden valt. Het plein Campo da Santa Anna scheidt deze van gene. De nieuwe stad bestaat hoofdzakelijk uit de voorsteden Gloria, Cateti, Flamingo, Botafogo, die zich langs de kleine en liefelijke baaien, die de kust ten zuiden van Rio Janeiro, tot aan den Pao de Açucar vormt, uitstrekken. Ten zuiden van de stad, maar meer landwaarts in, treft men de fraaie voorstad San Theresa, met een prachtig klooster in hare nabijheid aan, en komt men van die in Baïro de Mattocarpos, eene voorstad, die westwaarts van de hoofdplaats ligt en gemeenschap met de voorstad Catoembi heeft, die het keizerlijk paleis San Christovao en daarachter op een heuvel de keizerlijke villa Boa Vista bevat. Het genotvolste is evenwel geweest: de wandelrit naar den Tijucaberg, die 3300 voet hoog en op ongeveer vijf mijlen ten westen van de stad gelegen is, en van waar men een prachtig gezicht heeft, aan den eenen kant over de baai van Rio Janeiro en haren toegang tot den Oceaan, en aan de andere zijde over het omliggend bergachtig terrein, dat hij evenwel beheerscht.”„De kerken moeten er prachtig zijn?” vroeg Herman, die zijne seminaristen-natuur nog niet geheel afgeschud had.„Wij hebben er geene bezocht,” antwoordde Emma. „Ik heb evenwel gehoord, dat de stad er ongeveer vijftig bevat, waaronder de kapellen natuurlijk medegerekend zijn.”„Vijftig kerken en kapellen!” riep Frank uit. „Maar hoeveel inwoners telt Rio Janeiro dan wel?”„De stad is zeer groot en ver uit elkander gebouwd,” antwoordde Adelien. „Over hare grootste lengte gemeten is zij vier mijlen lang en bevat eene bevolking van ongeveer 275,000 zielen.”„Waaronder ongeveer50,000slaven,” vulde de heer Groenewald aan.Een schril gefluit weerklonk over het dek.[300]„Bovenbramzeilen en grietje geien!” liet zich het commando van stuurman Abels over het dek hooren.Ons gezelschap keek eens rond. De wind was al meer en meer opgestoken en floot met kracht door het want, waarbij hij de stijfgespannen touwen van het tuig onder zijn adem deed trillen. De zee begon daarbij woester aan te schieten en zich in hooge baren te verheffen, zoodat het schip bij het vele zeil, dat het voerde, onder den aandrang van zee en wind soms zulke slingeringen ondervond, dat voor de veiligheid der bovenstengen met recht gevreesd kon worden.„Hoe is het met den barometer?” vroeg de heer Groenewald aan den stuurman.„Langzaam, maar steeds dalende,” was het antwoord. „Wij gaan langen tijd slecht weer hebben.”„Eene mooie voorspelling!” zei Emma.„Wat er aan te doen,” hernam de stuurman, „anders dan te berusten? Maar.… mag ik de dames een goeden raad geven. Dat is om naar beneden te gaan. Het schip schiet goed vooruit; maar het werkt zwaar. En bij den noordenwind, die doorstaat en den zuidoosten koers, dien wij volgen, is het aan zoo’n dwars aanrollende zee niet onmogelijk om over te komen. De dames zouden bijgevolg gevaar loopen om andermaal.… gedoopt te worden.”„Daar zijn wij niet bang voor,” antwoordden de jonge meisjes lachende.„Ja, maar dat niet alleen.… ook om andermaal over het dek gerold of over de versch.…”„O! die nare stuurman, om ons dat te herinneren!” zei Adelien. Maar met geestdrift vervolgde zij: „Onze redders zijn nabij!”„Ja, die zijn nabij! en die zullen niet in gebreke blijven,” antwoordde Frank met niet minder vuur.[301]Twee handen zochten elkander in het donker en wisselden een innigen druk.„Jawel, jawel!” lachte de stuurman. „Ik twijfel aan den goeden wil dier redders niet. Maar.… het mocht eens minder goed afloopen.”„Zoodat gij meent, dat er gevaar best.…”De heer Groenewald had den tijd niet om die vraag te eindigen, toen een golf tegen het middenschip opspatte, zijne schuimende kuif over de verschansing wipte, en het geheele dek daar overstroomde. Gelukkig, dat het achterschip, hetwelk toen juist opgeheven werd, gespaard bleef. Maar bij het donderend geweld, hetwelk het nederploffende water maakte, vermengd met het gehuil van den wind en het gekraak van het tuig, vlogen de twee ouders, door een gemakkelijk te verklaren angst bewogen, op en vluchtten naar den kajuitstrap. De jonge dames, meer heldhaftig van aard, wisselden, alvorens den aftocht te volgen, een handdruk met de jongelieden; waarbij Frank, van den donkeren nacht gebruik makende, zijn arm om het middel van Adelien sloeg en het lieve kind een kus op de lippen drukte, die niet onbeantwoord bleef. Onthutst en als dronken door die aanraking, stoof het jonge meisje den trap af. In een ondeelbaar oogenblik was dat geschied. Toch had Emma daarvan iets ontwaard, en verkreeg volkomen zekerheid, toen zij, in de kajuit gekomen, het blozende gelaat harer zuster bemerkte. Was het werkelijk bezorgdheid van de oudere jegens de jongere zuster, of was het jaloerschheid, dat Herman volgens haar de stoutmoedigheid miste om een kus te rooven! Zooveel is zeker, dat zij meende verplicht te zijn, hare moeder van het gebeurde kennis te geven.Toen den volgenden morgen—23 November—de[302]dag aanbrak, waren het groot en het bezaanzeil gegeid, en lag deFernandina Maria Emmaonder hare marszeilen, maar met gereefde bramzeilen en stevende steeds zuidoost op. Het uitzicht van den Oceaan was bar. Hemelhooge golven verhieven zich en huppelden met onbesuisde vaart op het schip aan, alsof zij dat bestormen wilden; terwijl zij zich bij haar doldriftig pogen om voorwaarts te ijlen, krulden, braken en zich met wit schuim kuifden, dat haar een woest en dreigend aanzien verleende. Maar het schip hield zich uitmuntend. Wel werd het hevig geslingerd, wel beschreven de masttoppen schrikbarende bogen en ellipsen in het luchtruim en helde het fregat soms zoodanig naar bakboordzijde over, dat een onwillekeurige kreet aan veler mond ontvlood; wel stampte het bij die beweging om zijne breedteas om iemand het hart in het lijf te doen bonsen en dook daarbij, wanneer het achterschip door eene aanrollende baar opgeheven werd, met den voorsteven onder water, alsof het daarin verdwijnen wilde, of steigerde met dien steven omhoog, wanneer de waterberg naar het voorschip rolde, alsof het uit het vloeibare element wilde springen; maar repte zich met spoed voorwaarts op de baan, die het nog af te leggen had. Het uitspansel was in de bovenluchtlagen egaal loodkleurig, terwijl in de benedenlagen dikke en zwarte wolken met eene drift zuidwaarts door het luchtruim vlogen, die wel bewezen dat daarboven de wind niet minder den teugel vierde dan aan de oppervlakte der zee.Hoewel het niet regende, was het toch kletsnat op het dek van het schuim der baren, hetwelk door den wind als het ware van de golftoppen afgescheurd werd, om in den vorm van een uiterst fijnen zilten regen in horizontale richting voortgezweept te worden. Alle opvarenden, die aan dek kwamen, zochten dan ook[303]in allerijl een oppertje, niet om zich voor den wind te beschutten, die nog niet koud was, maar om die waterige stofdeeltjes te ontgaan, die iemands kleeding en haren in weinige oogenblikken met een zilver vliesje, als ware het rijp, overdekten.Toen stuurman Ellenbaan bij het eindigen der morgenwacht liet loggen, had deFernandina Maria Emmaeene vaart van twaalf mijlen.„Drommels stuur! dat snort er van door,” zei kapitein Van Dam.„Ja, mijnheer,” was des stuurmans antwoord,„maar gedurende de hondenwacht is 13½ mijl gelogd; men heeft toen evenwel de bezaan en het grootzeil moeten geien, omdat het schip te veel op zijn roer wrong en drie man aan het stuurrad niet te veel waren.”„Dat is nu toch waarlijk storm, nietwaar?” vroeg Denniston, die erg bleek was en wel er naar uitzag, dat hij andermaal een bezoek van de zeeziekte zoude krijgen.„Het mocht wat!” antwoordde de stuurman. „Dit is niets dan eene stijve bramzeilskoelte. Kijk mijnheer, als al de zeilen geborgen zijn en alleen aan den grooten mast dat kleine barkzeil, dat men nu bezig is aan te slaan, en wat ook stormzeil genoemd wordt, bijstaat, dan waait er storm.”„Verwacht men dan storm, dat men zich zoo beijvert om dat aan te slaan?” vroeg Leidermooi.„Men weet niet wat er van groeien kan. De barometer is steeds langzaam dalende, terwijl de bovenlucht nog onaangenaam strak voorkomt. Maar.… ik heb nog geen stormvogels gezien, dat stelt mij gerust.”„Stormvogels?” vroeg Hannius.„Ja, of beter genoemd stormzwaluwen63,” antwoordde stuurman Ellenbaan. „Het zijn kleine witgrijze vogels, die door hunne vlucht op een afstand wel iets van een[304]zwaluw hebben. Zij vliegen steeds.… Drommels daar hebt gij er een paar! Nu ontsnappen wij den dans niet! Sta nu maar vast.”„Kom stuurman, ik heb er in mijn leven nog al gezien,” zei kapitein Van Dam geruststellend, „en.…”„Maar dan heeft het toch ook geblazen, toen gij die zaagt, kapitein.”„Wat mij verwondert, dat is, dat wij nog geene kaapsche duiven gezien hebben. Die worden toch tot op de breedte van Rio Janeiro aangetroffen, niet waar?”„Ja, kapitein, wanneer de zon in het noordelijke halfrond staat; nu wij, evenwel November hebben, moeten wij haar meer zuidwaarts zoeken. Het zal evenwel niet lang meer duren. Met de vaart, die wij maken, misschien morgen of overmorgen al.”De stormvogeltjes scheerden over het water, vlogen een paar malen om het schip en verdwenen in noordelijke richting.Zoo omstreeks tegen elf uur begon het wolkendak in de bovenluchtlagen, dat tot nu toe onbeweeglijk en aschgrauw gebleven was, te scheuren en vingen de wolken daar met die van de benedenluchtlagen een wedstrijd in het hardloopen aan. In ijlende vaart wentelden de dikke grauwe en zwarte massa’s door de lucht en stoven zuidwaarts op; terwijl het schip steeds zuidoost voor lag. Door het zonnetje verlokt, dat nu en dan tusschen de wolken door kwam kijken, en haar dan met een lief helder blinkend randje verguldde, kwamen de dames Groenewald aan dek; maar zij moesten verklaren, dat het er onvriendelijk uitzag. De zee ging zoo aan, de wind huilde zoo door het want en was niets luw meer; integendeel hij begon zich al frisch te doen gevoelen, zoodat papa Groenewald gauw naar beneden ging en even spoedig weer verscheen, geheel in zijn demi-saison;[305]terwijl hij de regenmantels zijner dames op den arm droeg. Bij de stijve bries, die er stond, was het evenwel geen gemakkelijk werk om zoo’n kleedingstuk om het lijf te krijgen. Verscheidene malen poogde toch de wind het aan de lieve vingertjes te ontrukken, en de dames slaagden eerst, toen zij eene toevlucht op den kajuitstrap namen en daar elkander hielpen. Toen die mantels goed om hare ledematen sloten, waren de teere wezens volgens het oordeel van haren papa voldoende beschut om een uurtje in de buitenlucht door te brengen. Het middagbestek toonde aan dat deFernandina Maria Emmaop 27° 21′ zuiderbreedte en op 37° 41′ westerlengte stond. De barometer was steeds langzaam dalende.De arrestanten, die tot nu toe aan het dek, in de boeien gesloten, verwijld hadden, werden thans in het kabelgat in verzekerde bewaring gesteld, tot dat het schip weer in milder streken zou zijn aangeland.De gekwetsten hadden van het stormachtige weer niet veel te lijden. De kogels waren gelukkig uit de wonden verwijderd en liet het zich aanzien, dat alle vier voor de aankomst te Batavia genezen zouden zijn.[306]
XI.Weer naar zee.
Het was zondag—het werd hierboven reeds gezegd—dien dag, waarop deFernandina Maria Emmade baai van Rio Janeiro verliet om haar reis te vervolgen. De passagiers zaten op het dek gezellig bij elkander, het langzaam verdwijnende land van Zuid-Amerika te bewonderen. Op verzoek van den heer Groenewald, had kapitein Van Dam de sergeanten Riethoven en Brinkman een wenk gegeven, die weldra ook plaats genomen hadden op het achterdek en wel bij de familie Groenewald, welker gasten zij waren.„Hebben de dames zich goed geamuseerd?” vroeg kapitein Van Dam aan de jonge meisjes.„O! uitnemend, kapitein!” antwoordde Emma.„Papa heeft een rijtuig genomen bij het aan wal stappen,” verhaalde Adelien, „waarmede wij een prachtigen toer èn door de plaats èn door de omstreken van Rio Janeiro gemaakt hebben. Wij hebben daarbij wezenlijk genoten.”Het meisje wierp bij die laatste woorden een vluchtigen, ja bijna onmerkbaren blik op Frank, die dezen beduidde, dat het genot van het lieve kind nog grooter ware geweest, wanneer hij aan dat uitstapje had mogen deelnemen.[288]„Het is een fraai land,” bevestigde dokter Hannius.„Maar zou juffrouw Groenewald de minder gelukkigen, die van de partij niet konden zijn, niet willen mededeelen, wat zij bij dien toer gezien heeft?” vroeg Frank aan Adelien.Het meisje bloosde. Zij was nog te jong om gewoon te zijn in een zoo talrijk gezelschap het woord alleen te voeren.„Gij zult aan mijne mededeeling weinig hebben,” antwoordde zij schuchter, maar toch met bevallige stembuiging. „De indrukken van een meisje zijn zoo wuft, dat zij de heeren niet zullen kunnen boeien.”„De oogen der vrouw zien scherper dan de man,” betuigde dokter Hannius. „Zij omvatten beter de algemeene omtrekken der tafereelen, die haar onder de oogen komen; terwijl de mannen meer hunne aandacht opbijzonderhedenvestigen en zich dan veelal in studiën verdiepen, of.… daarvan den schijn aannemen.”„Mooi gezegd,” sprak kapitein Van Dam. „Ik wed dat ons Behrtje niet veel van de algemeene indrukken heeft opgevangen. Ik heb hem althans met een bos groenten aan boord zien terugkomen, dat het denkbeeld bij mij moest opkomen, hij met de voeding der slachtossen belast was.”„Geen spotternij met de wetenschap, kapitein,” antwoordde de apotheker met een glimlach. „Het moge waar zijn, dat ik bij mijne uitstapjes van gisteren en voorgisteren minder op de algemeene omtrekken van het landschap, dat mij omgaf, gelet heb, dat mij de bevalligheid en de verhevenheid van zoo’n bergterrein ontgaan zijn, dat ik geen blik had voor de werken der menschen, voor de kunst, die de natuur zoude verfraaid en verbeterd hebben, zoo als ik dat gisteren door sommigen in hunne opgetogenheid hoorde uitdrukken, voor die[289]menigvuldige villa’s, die de hoogten der bergtoppen kroonden, of op hare hellingen verrezen; maar.…”„Maar?” vroeg Emma Groenewald niet zonder ietwat spotternij in hare stem.„Maar, ik ben plantenkundige en de hartstocht voor de gaven van Flora treedt bij mij op den voorgrond. Toen ik buiten de stad kwam, en mij daar te midden van die prachtige intertropische natuur bevond, waarvan ik wel veel gelezen had, maar die het mij nu voor de eerste maal gegeven was van nabij te beschouwen, toen—ik wil het gaarne bekennen—had ik slechts oog voor hetgeen die plantenwereld te bewonderen gaf.”„Zeker is het,” vulde Adelien met een soort van geestdrift aan, „dat, hetzij men in den Botanischen Tuin rondwandelde, hetzij men meer binnenslands of langs de oevers der baai ronddoolde, men wanen kon, zich in een eindeloos groot park te bevinden, waar iedere schrede een nieuw wonder te aanschouwen gaf.”„Ik heb nimmer tropische planten gezien dan in serres,” ging Behren voort, „arme kwijnende dochters der zon, die het aan licht en lucht ontbrak, en die in dien kunstmatigen atmospheer van steenkolenwalm een jammerlijk bestaan voortsleepten. Ik kan mij dus geen oordeel aanmatigen, over wat de keerkrings-natuur te aanschouwen geeft; maar ik vermeen, altijd naar wat mijne boeken mij geleerd hebben, dat nergens ter wereld de Flora zoo ontwikkeld is, als daar in de omstreken van Rio Janeiro!”„Ho! ho!” riep kapitein Van Dam. „Stop! De apotheker gaat er van door!”„Dat er nergens zoo hooge en slanke palmen, dat er nergens zoo schilderachtige banaanboomen, dat er nergens zulke dichte bamboebosschen aangetroffen worden!”[290]Ja, de apotheker was er van door.„Stop!” riep de heer Groenewald op zijne beurt. „Spreek niet te overijld. Alvorens zoo’n oordeel te vellen, moet gij wachten, tot dat gij ’s lands Plantentuin te Buitenzorg gezien zult hebben. Die is oneindig fraaier dan de Botanische Tuin te Rio Janeiro.”„Ja, maar de Flora buiten dien tuin?”„Laat op Java ook niets te wenschen over, en staat in niets achter, bij hetgeen gij gisteren gezien hebt.”„Ik heb bloemen en struiken gezien, die.…”„O! ja, de groenten, die Behrtje voor de slachtossen heeft meêgebracht,” spotte kapitein Van Dam.De apotheker vloog op, klom op de verschansing, dook onder het zeil, dat de sloep, die daar in de davids buiten boord hing, voor de werking der zonnestralen moest beschermen, en haalde daaronder een bos planten uit, die met fraaie karmozijnroode bloemen prijkten.„Pas op, juffrouw Groenewald,” zei hij tot Emma, die een takje wilde kapen; maar zich gevoelig aan de doornen prikte en haastig haren duim in den mond stak.„Pas op, er zijn doornen aan!”„Dat waarschuwt ge wel wat laat, mijnheer Behren,” pruilde het jonge meisje.„Maar, wat fraaie bloemen!” kreet Adelien, die evenwel voorzichtig hare handjes te huis hield.„Niet waar?” ging de apotheker voort. „Niet waar, wat fraaie bloemen? Kijk eens, kapitein Van Dam. Dat is de Caesalpinia pulcherrima of de prachtige Pauwenkuif, zooals wij Nederlanders die heeten. Het is niet voor niets, dat de Franschen haar: poincillade of Fleur du Paradis noemen. Ziet dien karmozijnrooden bloesem eens met zijnen gladden kelk en stompe slippen, waarvan de voorste fraai gewelfd zijn, ziet die bevallig geplooide bloembladeren eens! En die lange helmdraden[291]en stijl! Is dat niet mooi? Kijk, die peul is veelhokkig en de zaden zijn omgekeerd eivormig, geknepen en.…”De botanicus was aan het doceeren. Het werd tijd dat men hem zijn stokpaardje ontnam.„Ho! stop!” riep kapitein Van Dam, die een blik op de vertoonde bloemen geworpen had. „Jij met je geknepen, eivormige, omgekeerde zaden, met je Caesa … caeso … Hoe heet je dat ding ook?”„Caesalpinia pulcherrima, kapitein. Dat is eene zeldzame plant.”„Het mocht wat! Die Caesalpinia polkamama …”„Pulcherrima, kapitein.”„Nu, pulcherrima dan … is eenvoudig de Patra kombala der Javanen, de Boenga Merak der Maleiers. Die bloemen vindt men in Indië in schier alle tuinen en groeien in sommige streken in het wild langs den weg. De Javaantjes houden veel van die plant.”„Waarom?”„Waarom? Weet jij apotheker dat niet?.. Niet? Nou dokters,” ging kapitein Van Dam voort en wendde zich tot de heeren Hannius en Van Pinksteren, „vertel jullie Behrtje eens, waartoe de Javanen een aftreksel van de bladeren van de Patra kombala bezigen.”De beide Esculapen keken elkander aan.„Wij weten het niet,” betuigden beiden.„Weet jullie dat ook niet?… Wel dat weet in Indië iedere baboe en iedere nènèh! Wat leer jullie toch op die hoogescholen met al dien geleerden poespas, die daar verkocht wordt, als gij dat niet leert?”„Dat is moeielijk te omschrijven, waarde kapitein,” antwoordde dokter Van Pinksteren lachende. „Maar zeg ons nu, wat de baboe’s en nènèh’s wel en wij niet weten. Waartoe dient dat aftreksel van folia Caesalpiniae pulcherrimae?”[292]„Wel, om schoon schip te maken.”„Schoon schip?” vroeg Denniston. „Dus, zoo iets als een bezem of zwabber?”„Juist, een zwabber, maar inwendig. Dat aftreksel heeft dezelfde werking als het Glaubers wonderzout of als de djarak-olie.”62Allen lachten, en Behrtje en Hannius niet het minste, hoewel ze de laatstgenoemde olie niet kenden, en dat maar onaangeroerd lieten.„Ik ben van plan,” zeide laatstgenoemde, „dadelijk eene proef te nemen. Er zijn een paar patiënten, die den invloed van den scheepskost geducht ondervinden. Hebt ge veel folia Caesalpiniae pulcherrimae medegebracht?”„O! meer dan genoeg voor eene proef!”„Dan gaan wij dadelijk aan het koken.”„Wacht dan toch eerst, dat de kok met zijnebeefsteakklaar is,” zei kapitein Butteling. „Gij mocht u eens vergissen … Daarbij, het wordt tijd, om te gaan lunchen. Ik heb reeds een wenk bekomen, dat het middaguur nabij is.”Stuurman Abels had inderdaad den scheepsgezagvoerder een teeken gegeven, dat het kwart voor twaalf was.„Is dat zonschieten heden wel noodig?” vroeg Leidermooi. „Wij hebben den wal nog in het gezicht.”„Waar dan toch?” vroeg stuurman Abels. „Waar dan toch die wal?”Allen keken uit. Er was niets meer te zien. Enkelen meenden nog achteruit, in het noorden, dicht bij de kim eene blauwe strook te zien; maar de stuurman was van meening, dat dit eene wolkenbank was, die opdoemde.„Uit dien hoek krijgen wij van nacht of morgen poetssteen,” zeide hij.Toen het middag-bestek opgemaakt was, stond het[293]fregat op 24° 19′ zuiderbreedte en op 41° 48′ westerlengte.Bij het naar beneden gaan om de lunch te gebruiken, merkte Frank Brinkman juffrouw Adelien op, dat zij hare mededeelingen omtrent Rio Janeiro niet voltooid had.„Is het mijne schuld?” vroeg het meisje met een bekoorlijken glimlach, „dat de heeren het zoo druk gehad hebben over de Patra kombala? Als de geleerden aan den gang zijn, dan is er geen speld tusschen te brengen. Maar.… wij kunnen heden avond het gesprek voortzetten. Al de heeren zijn aan den wal geweest. Die kunnen mijne mededeelingen wel missen. Kapitein Van Dam alleen bleef aan boord; maar die—daarvan ben ik overtuigd—houdt meer van spadille en manille, dan van een verhaal door eene jeugdige onervarene reizigster geleverd. Heb dus geduld, totdat de partijtjesmakers heden avond achter hunne speeltafeltjes zullen plaats genomen hebben. Is dat uitstel niet goed?”Een innige handdruk, onbemerkt bij het neerdalen van den trap naar de kajuit gewisseld, was het eenige antwoord, dat de jongman geven kon, en was misschien ook wel het meest gewenschte.Dat de lunch onze onderofficieren, die niet mede aan den wal geweest waren en bij gevolg geen afwisseling van den scheepskost erlangd hadden, door het aanzitten aan eene Braziliaansche table-d’hôte, zooals de andere passagiers was te beurt gevallen, uitmuntend smaakte, behoeft ter nauwernood gezegd te worden. Zij betuigden, dat zij in hun leven geen lekkerderbeefsteakhadden gegeten, hoewel de kok toch verklaard had, dat hij het vleesch als stokvisch had moeten beuken om het eenigermate zijne lederachtigheid te doen verliezen, daar anders debeefsteakveel van gebakken oude schoenzolen zoude gehad hebben.„Die Braziliaansche zwartkoppen hebben den kapitein[294]in het ootje genomen,” zeide de zee-Vatel met overtuiging. „Die os is voorzeker een tijdgenoot van Methusalem geweest, en heeft met dien oudvader waarschijnlijk school gegaan.”Ook het diner was eene ware smulpartij voor onze onderofficieren. Toen de hofmeester de soepterrine op tafel zette, fluisterde Herman Riethoven Emma zijn buurmeisje in het oor:„De traditioneele schildpadsoep!”„Als dat waar is,” viel Behren in, die deze woorden opgevangen had, „dan zet ik den hofmeester de geheele terrine het onderste boven op het hoofd bij wijze van slaapmuts!”De gewraakte schildpadsoep, die gewoonlijk op de zondagstafel verscheen, was eene dunne pap van bruine boonen, die uitermate gepeperd was, en waarin eenige uitgekookte stukjes gerookt spek dreven, die dienst voor schildpadvleesch moesten doen.De apotheker werd evenwel gerustgesteld. Het was eene uitstekende potage à la jardinière, verklaarde de hofmeester met eene gejaagdheid, alsof hij de slaapmuts, waarmede hem gedreigd was, reeds op zijn hoofd gevoelde.„En als de hofmeester ons nu eens dezer dagen echte schildpadsoep voorzet?” vroeg kapitein Butteling.„Echte schildpadsoep!.… Maar, om hazenpeper te maken,” zei Behren, „is in de eerste plaats een haas noodig, niet waar?”„En om schildpadsoep te maken, eene schildpad, is het niet zoo? Waarschijnlijk sliep ons Behrtje nog, toen de sloepen met levensmiddelen aan boord kwamen; anders had hij moeten zien, dat eene monsterachtige schildpad overgescheept is, die nu in het kabelgat ligt haar lot af te wachten.”„Zoodat wij dan eens eene lekkere schildpadsoep[295]zullen krijgen. In afwachting zullen wij deze potage met dankbaarheid genieten.”„Maar.…” vroeg de apotheker, terwijl hij zich beijverde zijne soep naar binnen te werken. „Maar.… kapitein Butteling. Is uwe schildpad eene ware, geene nagemaakte?”Allen lachten.„Neen,” zei dokter Hannius. „Ik heb ze gezien, het is eene echte zeeschildpad, eene Chelone viridis, die ongeveer 80 Ned. pond zal wegen.”„Hoerah! dan voor de Chelone viridis!” riep Behrtje in geestdrift. „Behalve het bruineboonenbrouwsel heb ik nimmer schildpadsoep gegeten!”Het diner liep tot aller genoegen af. Kok en hofmeester hadden er alle eer van. Hoewel de kok over taaiheid van het ossenvleesch klaagde, was de voorgedienderoastbeefuitmuntend en zoo malsch als boter bevonden. De opmerking daaromtrent bleef niet uit.„Dat geloof ik wel,” zei kapitein Butteling. „Door de ondervinding, bij de lunch opgedaan, geleerd, heb ik den kok het vleesch in papaya-bladeren doen wikkelen.”„In papaya-bladeren? Groeien die aan den fokkemast of aan de bagijne-ra?” vroeg Behren leuk. „Dan ga ik herboriseeren.”„Neen, heer apotheker,” antwoordde de scheepsgezagvoerder, „ze groeien daar juist niet, blijf dus stil zitten; maar ik heb aan den wal een goeden voorraad ingekocht, die beneden in het ruim op de koelste plaats van het schip opgeborgen is. Gij weet, dat het vleesch hetgeen in die bladeren gewikkeld, gebraden wordt, overheerlijk malsch wordt, al is het nog zoo taai.”„Kan ik morgen van die bladeren te zien krijgen, kapitein?”„Wel zeker. Bij het dessert krijgen wij zelfs eenige[296]rijpe vruchten, die zeer smakelijk zijn, niet waar kapitein Van Dam?”„Zeker is de Kattès lekker, vooral wanneer zij rijp aan den boom geworden is,” antwoordde deze. „Maar wat ook lekker is, dat zijn de onrijpe vruchten met aardappelen gekookt. Zij vervangen dan onze peentjes en leveren een overheerlijken hutspot.”„Ik heb er aan gedacht!” riep kapitein Butteling uit, terwijl hij zich in de handen wreef. „Wij hebben ettelijke zakken in voorraad.”Bij het dessert werd de Kattès zeer lekker gevonden, hoewel zij, die haar nog niet geproefd hadden, er een eenigszins vreemden smaak aan vonden.„Zoo iets van sterrekers!” verklaarden zij.Toen de reizigers boven kwamen, was de avond gevallen, en was het zoo donker aan het dek, dat men werkelijk bij het overboord kijken de zee niet ontwaren kon. De wind was inmiddels aangewakkerd en floot door het want. Alle zeilen stonden evenwel nog bij, zoodat het loggen aantoonde, dat het schip eene vaart van elf mijlen had.„Het snijdt er goed van door, stuurman,” merkte kapitein Van Dam op.„Ja, kapitein,” antwoordde stuurman Abels, „als het zoo blijft, hebben we niet te klagen. Maar.… de barometer daalt langzaam maar gestadig. En als wij wat meer onder den wal uit zijn, zullen wij ook wel hooger zee krijgen. Het schip ligt nu nog vrij stil.”De passagiers rookten eene sigaar aan dek, slurpten een kop koffie, waarna al spoedig van een partijtje gesproken werd. Het was zoo ongezellig in het donker op het dek, men zag enkel het vurig uiteinde van de sigaar in elkanders handen. Het duurde dan ook niet lang, of alle speeltafeltjes waren beneden bezet, terwijl de familie[297]Groenewald zich op het dek met Frank Brinkman en Herman Riethoven in een kringetje sloot. Of de jongelieden het ook ongezellig op dat donkere dek vonden? Daarvan was niets te bespeuren; integendeel, er heerschte daar veel innigheid tusschen de ouders en hunne kinderen, maar ook tusschen de geredden en hare redders.„Gij hebt mij beloofd, juffrouw Groenewald,” vroeg Frank Brinkman aan Adelien, „dat gij ons uwe indrukken bij uw uitstapje te Rio Janeiro zoudt mededeelen. O! dat ik toch zoo gelukkig ware geweest u te vergezellen. Wat moet het daar mooi geweest zijn te midden van die keerkrings-natuur. Ik heb mij laten vertellen, dat er geen fraaier plekje op de wereld bestaat, dat noch Napels, waarvan een dichter schreef:Vedi Napoli e poi muori(Napels zien en daarna sterven.)noch de Taag bij Lissabon, noch de Bosphorus tusschen Scutari en Constantinopel, hoe fraai die plaatsen ook door de reizigers afgeschilderd worden, er bij halen.”„Van de Taag en van den Bosphorus kunnen wij niet spreken,” zei Emma; „maar wij kunnen bevestigen, dat de baai van Rio Janeiro fraaier is dan die van Napels. Ik geloof niet, dat er ergens zoo’n grootsche kustrand aangetroffen wordt als daar, dat er ergens eene baai bestaat, die door een meer schilderachtigen band van steigerend gebergte van het overige der wereld gescheiden wordt, die door zoo’n menigte van inhammen en van vooruitspringende kapen, van heuvelachtige en laag gelegen eilanden bezaaid is, zoodat hare boorden als met de mazen van een kolossaal maar bekoorlijk net omgeven schijnen. Spreekt gij van die natuur, dan hebt gij gelijk, mijnheer Brinkman. Spreekt gij evenwel van de plantenwereld, dan geloof ik u te kunnen verzekeren, dat ons Indië u eene even schoone zoo niet schoonere zal te zien geven. Een tochtje door de Preanger Regentschappen[298]in West Java, of een tochtje door de Residentiën Semarang en Kedoe in Midden Java zou u gezichten leveren, die in geenen deele bij de fraaiste van de omstreken van Rio Janeiro achterstaan.„Terwijl een bezoek aan de Padangsche Bovenlanden u waterbekkens zou leeren kennen, wel geen inhammen van de zee, maar zoetwatermeren, die in trotsche verhevenheid en in stoute natuurtafereelen bij de prachtige baai van Rio Janeiro niet achterstaan,” vulde de heer Groenewald aan. „Komt gij ooit in de gelegenheid daartoe, jongelui, verzuimt dan niet de meren van Singkarah en Manindjoe een bezoek te brengen.”„Wat de stad zelve betreft, die eigenlijk Sao Sebastiao do Rio de Janeiro heet,” zei Adelien op hare beurt, „zij vormt slechts een schaakbord van akelige nauwe straten, waarin het even moeielijk is zich te bewegen als adem te halen, en waarin geen enkel gebouw of monument aanwezig is, dat der aandacht waardig kan genoemd worden. Het is een druk, vuil en kwalijkriekend nest, wien alle de ongeriefelijkheden van eene ouderwetsche stad aankleven, welke door de voorrechten, die zij als hoofdstad van het rijk geniet, niet opgewogen worden. De meeste huizen zijn van onderen van granietblokken en verder van hout opgetrokken, terwijl de straten ook met graniet geplaveid en slechts schaars van trottoirs voorzien zijn.”„Dat is al een zeer ongunstige beschrijving, die gij ons daar levert, juffrouw Adelien,” zei Frank.„Och,” antwoordde hare moeder, „zij was niet in haar humeur. Zij heeft alles door een donker gekleurden bril bekeken. Want, evenals elders is te Rio Janeiro ook veel schoons te zien.”„Met mijne donker gekleurde beschrijving,” ging het jonge meisje met een glimlach voort, „bedoelde ik de[299]oude stad, die wel van de nieuwe stad te onderscheiden valt. Het plein Campo da Santa Anna scheidt deze van gene. De nieuwe stad bestaat hoofdzakelijk uit de voorsteden Gloria, Cateti, Flamingo, Botafogo, die zich langs de kleine en liefelijke baaien, die de kust ten zuiden van Rio Janeiro, tot aan den Pao de Açucar vormt, uitstrekken. Ten zuiden van de stad, maar meer landwaarts in, treft men de fraaie voorstad San Theresa, met een prachtig klooster in hare nabijheid aan, en komt men van die in Baïro de Mattocarpos, eene voorstad, die westwaarts van de hoofdplaats ligt en gemeenschap met de voorstad Catoembi heeft, die het keizerlijk paleis San Christovao en daarachter op een heuvel de keizerlijke villa Boa Vista bevat. Het genotvolste is evenwel geweest: de wandelrit naar den Tijucaberg, die 3300 voet hoog en op ongeveer vijf mijlen ten westen van de stad gelegen is, en van waar men een prachtig gezicht heeft, aan den eenen kant over de baai van Rio Janeiro en haren toegang tot den Oceaan, en aan de andere zijde over het omliggend bergachtig terrein, dat hij evenwel beheerscht.”„De kerken moeten er prachtig zijn?” vroeg Herman, die zijne seminaristen-natuur nog niet geheel afgeschud had.„Wij hebben er geene bezocht,” antwoordde Emma. „Ik heb evenwel gehoord, dat de stad er ongeveer vijftig bevat, waaronder de kapellen natuurlijk medegerekend zijn.”„Vijftig kerken en kapellen!” riep Frank uit. „Maar hoeveel inwoners telt Rio Janeiro dan wel?”„De stad is zeer groot en ver uit elkander gebouwd,” antwoordde Adelien. „Over hare grootste lengte gemeten is zij vier mijlen lang en bevat eene bevolking van ongeveer 275,000 zielen.”„Waaronder ongeveer50,000slaven,” vulde de heer Groenewald aan.Een schril gefluit weerklonk over het dek.[300]„Bovenbramzeilen en grietje geien!” liet zich het commando van stuurman Abels over het dek hooren.Ons gezelschap keek eens rond. De wind was al meer en meer opgestoken en floot met kracht door het want, waarbij hij de stijfgespannen touwen van het tuig onder zijn adem deed trillen. De zee begon daarbij woester aan te schieten en zich in hooge baren te verheffen, zoodat het schip bij het vele zeil, dat het voerde, onder den aandrang van zee en wind soms zulke slingeringen ondervond, dat voor de veiligheid der bovenstengen met recht gevreesd kon worden.„Hoe is het met den barometer?” vroeg de heer Groenewald aan den stuurman.„Langzaam, maar steeds dalende,” was het antwoord. „Wij gaan langen tijd slecht weer hebben.”„Eene mooie voorspelling!” zei Emma.„Wat er aan te doen,” hernam de stuurman, „anders dan te berusten? Maar.… mag ik de dames een goeden raad geven. Dat is om naar beneden te gaan. Het schip schiet goed vooruit; maar het werkt zwaar. En bij den noordenwind, die doorstaat en den zuidoosten koers, dien wij volgen, is het aan zoo’n dwars aanrollende zee niet onmogelijk om over te komen. De dames zouden bijgevolg gevaar loopen om andermaal.… gedoopt te worden.”„Daar zijn wij niet bang voor,” antwoordden de jonge meisjes lachende.„Ja, maar dat niet alleen.… ook om andermaal over het dek gerold of over de versch.…”„O! die nare stuurman, om ons dat te herinneren!” zei Adelien. Maar met geestdrift vervolgde zij: „Onze redders zijn nabij!”„Ja, die zijn nabij! en die zullen niet in gebreke blijven,” antwoordde Frank met niet minder vuur.[301]Twee handen zochten elkander in het donker en wisselden een innigen druk.„Jawel, jawel!” lachte de stuurman. „Ik twijfel aan den goeden wil dier redders niet. Maar.… het mocht eens minder goed afloopen.”„Zoodat gij meent, dat er gevaar best.…”De heer Groenewald had den tijd niet om die vraag te eindigen, toen een golf tegen het middenschip opspatte, zijne schuimende kuif over de verschansing wipte, en het geheele dek daar overstroomde. Gelukkig, dat het achterschip, hetwelk toen juist opgeheven werd, gespaard bleef. Maar bij het donderend geweld, hetwelk het nederploffende water maakte, vermengd met het gehuil van den wind en het gekraak van het tuig, vlogen de twee ouders, door een gemakkelijk te verklaren angst bewogen, op en vluchtten naar den kajuitstrap. De jonge dames, meer heldhaftig van aard, wisselden, alvorens den aftocht te volgen, een handdruk met de jongelieden; waarbij Frank, van den donkeren nacht gebruik makende, zijn arm om het middel van Adelien sloeg en het lieve kind een kus op de lippen drukte, die niet onbeantwoord bleef. Onthutst en als dronken door die aanraking, stoof het jonge meisje den trap af. In een ondeelbaar oogenblik was dat geschied. Toch had Emma daarvan iets ontwaard, en verkreeg volkomen zekerheid, toen zij, in de kajuit gekomen, het blozende gelaat harer zuster bemerkte. Was het werkelijk bezorgdheid van de oudere jegens de jongere zuster, of was het jaloerschheid, dat Herman volgens haar de stoutmoedigheid miste om een kus te rooven! Zooveel is zeker, dat zij meende verplicht te zijn, hare moeder van het gebeurde kennis te geven.Toen den volgenden morgen—23 November—de[302]dag aanbrak, waren het groot en het bezaanzeil gegeid, en lag deFernandina Maria Emmaonder hare marszeilen, maar met gereefde bramzeilen en stevende steeds zuidoost op. Het uitzicht van den Oceaan was bar. Hemelhooge golven verhieven zich en huppelden met onbesuisde vaart op het schip aan, alsof zij dat bestormen wilden; terwijl zij zich bij haar doldriftig pogen om voorwaarts te ijlen, krulden, braken en zich met wit schuim kuifden, dat haar een woest en dreigend aanzien verleende. Maar het schip hield zich uitmuntend. Wel werd het hevig geslingerd, wel beschreven de masttoppen schrikbarende bogen en ellipsen in het luchtruim en helde het fregat soms zoodanig naar bakboordzijde over, dat een onwillekeurige kreet aan veler mond ontvlood; wel stampte het bij die beweging om zijne breedteas om iemand het hart in het lijf te doen bonsen en dook daarbij, wanneer het achterschip door eene aanrollende baar opgeheven werd, met den voorsteven onder water, alsof het daarin verdwijnen wilde, of steigerde met dien steven omhoog, wanneer de waterberg naar het voorschip rolde, alsof het uit het vloeibare element wilde springen; maar repte zich met spoed voorwaarts op de baan, die het nog af te leggen had. Het uitspansel was in de bovenluchtlagen egaal loodkleurig, terwijl in de benedenlagen dikke en zwarte wolken met eene drift zuidwaarts door het luchtruim vlogen, die wel bewezen dat daarboven de wind niet minder den teugel vierde dan aan de oppervlakte der zee.Hoewel het niet regende, was het toch kletsnat op het dek van het schuim der baren, hetwelk door den wind als het ware van de golftoppen afgescheurd werd, om in den vorm van een uiterst fijnen zilten regen in horizontale richting voortgezweept te worden. Alle opvarenden, die aan dek kwamen, zochten dan ook[303]in allerijl een oppertje, niet om zich voor den wind te beschutten, die nog niet koud was, maar om die waterige stofdeeltjes te ontgaan, die iemands kleeding en haren in weinige oogenblikken met een zilver vliesje, als ware het rijp, overdekten.Toen stuurman Ellenbaan bij het eindigen der morgenwacht liet loggen, had deFernandina Maria Emmaeene vaart van twaalf mijlen.„Drommels stuur! dat snort er van door,” zei kapitein Van Dam.„Ja, mijnheer,” was des stuurmans antwoord,„maar gedurende de hondenwacht is 13½ mijl gelogd; men heeft toen evenwel de bezaan en het grootzeil moeten geien, omdat het schip te veel op zijn roer wrong en drie man aan het stuurrad niet te veel waren.”„Dat is nu toch waarlijk storm, nietwaar?” vroeg Denniston, die erg bleek was en wel er naar uitzag, dat hij andermaal een bezoek van de zeeziekte zoude krijgen.„Het mocht wat!” antwoordde de stuurman. „Dit is niets dan eene stijve bramzeilskoelte. Kijk mijnheer, als al de zeilen geborgen zijn en alleen aan den grooten mast dat kleine barkzeil, dat men nu bezig is aan te slaan, en wat ook stormzeil genoemd wordt, bijstaat, dan waait er storm.”„Verwacht men dan storm, dat men zich zoo beijvert om dat aan te slaan?” vroeg Leidermooi.„Men weet niet wat er van groeien kan. De barometer is steeds langzaam dalende, terwijl de bovenlucht nog onaangenaam strak voorkomt. Maar.… ik heb nog geen stormvogels gezien, dat stelt mij gerust.”„Stormvogels?” vroeg Hannius.„Ja, of beter genoemd stormzwaluwen63,” antwoordde stuurman Ellenbaan. „Het zijn kleine witgrijze vogels, die door hunne vlucht op een afstand wel iets van een[304]zwaluw hebben. Zij vliegen steeds.… Drommels daar hebt gij er een paar! Nu ontsnappen wij den dans niet! Sta nu maar vast.”„Kom stuurman, ik heb er in mijn leven nog al gezien,” zei kapitein Van Dam geruststellend, „en.…”„Maar dan heeft het toch ook geblazen, toen gij die zaagt, kapitein.”„Wat mij verwondert, dat is, dat wij nog geene kaapsche duiven gezien hebben. Die worden toch tot op de breedte van Rio Janeiro aangetroffen, niet waar?”„Ja, kapitein, wanneer de zon in het noordelijke halfrond staat; nu wij, evenwel November hebben, moeten wij haar meer zuidwaarts zoeken. Het zal evenwel niet lang meer duren. Met de vaart, die wij maken, misschien morgen of overmorgen al.”De stormvogeltjes scheerden over het water, vlogen een paar malen om het schip en verdwenen in noordelijke richting.Zoo omstreeks tegen elf uur begon het wolkendak in de bovenluchtlagen, dat tot nu toe onbeweeglijk en aschgrauw gebleven was, te scheuren en vingen de wolken daar met die van de benedenluchtlagen een wedstrijd in het hardloopen aan. In ijlende vaart wentelden de dikke grauwe en zwarte massa’s door de lucht en stoven zuidwaarts op; terwijl het schip steeds zuidoost voor lag. Door het zonnetje verlokt, dat nu en dan tusschen de wolken door kwam kijken, en haar dan met een lief helder blinkend randje verguldde, kwamen de dames Groenewald aan dek; maar zij moesten verklaren, dat het er onvriendelijk uitzag. De zee ging zoo aan, de wind huilde zoo door het want en was niets luw meer; integendeel hij begon zich al frisch te doen gevoelen, zoodat papa Groenewald gauw naar beneden ging en even spoedig weer verscheen, geheel in zijn demi-saison;[305]terwijl hij de regenmantels zijner dames op den arm droeg. Bij de stijve bries, die er stond, was het evenwel geen gemakkelijk werk om zoo’n kleedingstuk om het lijf te krijgen. Verscheidene malen poogde toch de wind het aan de lieve vingertjes te ontrukken, en de dames slaagden eerst, toen zij eene toevlucht op den kajuitstrap namen en daar elkander hielpen. Toen die mantels goed om hare ledematen sloten, waren de teere wezens volgens het oordeel van haren papa voldoende beschut om een uurtje in de buitenlucht door te brengen. Het middagbestek toonde aan dat deFernandina Maria Emmaop 27° 21′ zuiderbreedte en op 37° 41′ westerlengte stond. De barometer was steeds langzaam dalende.De arrestanten, die tot nu toe aan het dek, in de boeien gesloten, verwijld hadden, werden thans in het kabelgat in verzekerde bewaring gesteld, tot dat het schip weer in milder streken zou zijn aangeland.De gekwetsten hadden van het stormachtige weer niet veel te lijden. De kogels waren gelukkig uit de wonden verwijderd en liet het zich aanzien, dat alle vier voor de aankomst te Batavia genezen zouden zijn.[306]
Het was zondag—het werd hierboven reeds gezegd—dien dag, waarop deFernandina Maria Emmade baai van Rio Janeiro verliet om haar reis te vervolgen. De passagiers zaten op het dek gezellig bij elkander, het langzaam verdwijnende land van Zuid-Amerika te bewonderen. Op verzoek van den heer Groenewald, had kapitein Van Dam de sergeanten Riethoven en Brinkman een wenk gegeven, die weldra ook plaats genomen hadden op het achterdek en wel bij de familie Groenewald, welker gasten zij waren.
„Hebben de dames zich goed geamuseerd?” vroeg kapitein Van Dam aan de jonge meisjes.
„O! uitnemend, kapitein!” antwoordde Emma.
„Papa heeft een rijtuig genomen bij het aan wal stappen,” verhaalde Adelien, „waarmede wij een prachtigen toer èn door de plaats èn door de omstreken van Rio Janeiro gemaakt hebben. Wij hebben daarbij wezenlijk genoten.”
Het meisje wierp bij die laatste woorden een vluchtigen, ja bijna onmerkbaren blik op Frank, die dezen beduidde, dat het genot van het lieve kind nog grooter ware geweest, wanneer hij aan dat uitstapje had mogen deelnemen.[288]
„Het is een fraai land,” bevestigde dokter Hannius.
„Maar zou juffrouw Groenewald de minder gelukkigen, die van de partij niet konden zijn, niet willen mededeelen, wat zij bij dien toer gezien heeft?” vroeg Frank aan Adelien.
Het meisje bloosde. Zij was nog te jong om gewoon te zijn in een zoo talrijk gezelschap het woord alleen te voeren.
„Gij zult aan mijne mededeeling weinig hebben,” antwoordde zij schuchter, maar toch met bevallige stembuiging. „De indrukken van een meisje zijn zoo wuft, dat zij de heeren niet zullen kunnen boeien.”
„De oogen der vrouw zien scherper dan de man,” betuigde dokter Hannius. „Zij omvatten beter de algemeene omtrekken der tafereelen, die haar onder de oogen komen; terwijl de mannen meer hunne aandacht opbijzonderhedenvestigen en zich dan veelal in studiën verdiepen, of.… daarvan den schijn aannemen.”
„Mooi gezegd,” sprak kapitein Van Dam. „Ik wed dat ons Behrtje niet veel van de algemeene indrukken heeft opgevangen. Ik heb hem althans met een bos groenten aan boord zien terugkomen, dat het denkbeeld bij mij moest opkomen, hij met de voeding der slachtossen belast was.”
„Geen spotternij met de wetenschap, kapitein,” antwoordde de apotheker met een glimlach. „Het moge waar zijn, dat ik bij mijne uitstapjes van gisteren en voorgisteren minder op de algemeene omtrekken van het landschap, dat mij omgaf, gelet heb, dat mij de bevalligheid en de verhevenheid van zoo’n bergterrein ontgaan zijn, dat ik geen blik had voor de werken der menschen, voor de kunst, die de natuur zoude verfraaid en verbeterd hebben, zoo als ik dat gisteren door sommigen in hunne opgetogenheid hoorde uitdrukken, voor die[289]menigvuldige villa’s, die de hoogten der bergtoppen kroonden, of op hare hellingen verrezen; maar.…”
„Maar?” vroeg Emma Groenewald niet zonder ietwat spotternij in hare stem.
„Maar, ik ben plantenkundige en de hartstocht voor de gaven van Flora treedt bij mij op den voorgrond. Toen ik buiten de stad kwam, en mij daar te midden van die prachtige intertropische natuur bevond, waarvan ik wel veel gelezen had, maar die het mij nu voor de eerste maal gegeven was van nabij te beschouwen, toen—ik wil het gaarne bekennen—had ik slechts oog voor hetgeen die plantenwereld te bewonderen gaf.”
„Zeker is het,” vulde Adelien met een soort van geestdrift aan, „dat, hetzij men in den Botanischen Tuin rondwandelde, hetzij men meer binnenslands of langs de oevers der baai ronddoolde, men wanen kon, zich in een eindeloos groot park te bevinden, waar iedere schrede een nieuw wonder te aanschouwen gaf.”
„Ik heb nimmer tropische planten gezien dan in serres,” ging Behren voort, „arme kwijnende dochters der zon, die het aan licht en lucht ontbrak, en die in dien kunstmatigen atmospheer van steenkolenwalm een jammerlijk bestaan voortsleepten. Ik kan mij dus geen oordeel aanmatigen, over wat de keerkrings-natuur te aanschouwen geeft; maar ik vermeen, altijd naar wat mijne boeken mij geleerd hebben, dat nergens ter wereld de Flora zoo ontwikkeld is, als daar in de omstreken van Rio Janeiro!”
„Ho! ho!” riep kapitein Van Dam. „Stop! De apotheker gaat er van door!”
„Dat er nergens zoo hooge en slanke palmen, dat er nergens zoo schilderachtige banaanboomen, dat er nergens zulke dichte bamboebosschen aangetroffen worden!”[290]
Ja, de apotheker was er van door.
„Stop!” riep de heer Groenewald op zijne beurt. „Spreek niet te overijld. Alvorens zoo’n oordeel te vellen, moet gij wachten, tot dat gij ’s lands Plantentuin te Buitenzorg gezien zult hebben. Die is oneindig fraaier dan de Botanische Tuin te Rio Janeiro.”
„Ja, maar de Flora buiten dien tuin?”
„Laat op Java ook niets te wenschen over, en staat in niets achter, bij hetgeen gij gisteren gezien hebt.”
„Ik heb bloemen en struiken gezien, die.…”
„O! ja, de groenten, die Behrtje voor de slachtossen heeft meêgebracht,” spotte kapitein Van Dam.
De apotheker vloog op, klom op de verschansing, dook onder het zeil, dat de sloep, die daar in de davids buiten boord hing, voor de werking der zonnestralen moest beschermen, en haalde daaronder een bos planten uit, die met fraaie karmozijnroode bloemen prijkten.
„Pas op, juffrouw Groenewald,” zei hij tot Emma, die een takje wilde kapen; maar zich gevoelig aan de doornen prikte en haastig haren duim in den mond stak.
„Pas op, er zijn doornen aan!”
„Dat waarschuwt ge wel wat laat, mijnheer Behren,” pruilde het jonge meisje.
„Maar, wat fraaie bloemen!” kreet Adelien, die evenwel voorzichtig hare handjes te huis hield.
„Niet waar?” ging de apotheker voort. „Niet waar, wat fraaie bloemen? Kijk eens, kapitein Van Dam. Dat is de Caesalpinia pulcherrima of de prachtige Pauwenkuif, zooals wij Nederlanders die heeten. Het is niet voor niets, dat de Franschen haar: poincillade of Fleur du Paradis noemen. Ziet dien karmozijnrooden bloesem eens met zijnen gladden kelk en stompe slippen, waarvan de voorste fraai gewelfd zijn, ziet die bevallig geplooide bloembladeren eens! En die lange helmdraden[291]en stijl! Is dat niet mooi? Kijk, die peul is veelhokkig en de zaden zijn omgekeerd eivormig, geknepen en.…”
De botanicus was aan het doceeren. Het werd tijd dat men hem zijn stokpaardje ontnam.
„Ho! stop!” riep kapitein Van Dam, die een blik op de vertoonde bloemen geworpen had. „Jij met je geknepen, eivormige, omgekeerde zaden, met je Caesa … caeso … Hoe heet je dat ding ook?”
„Caesalpinia pulcherrima, kapitein. Dat is eene zeldzame plant.”
„Het mocht wat! Die Caesalpinia polkamama …”
„Pulcherrima, kapitein.”
„Nu, pulcherrima dan … is eenvoudig de Patra kombala der Javanen, de Boenga Merak der Maleiers. Die bloemen vindt men in Indië in schier alle tuinen en groeien in sommige streken in het wild langs den weg. De Javaantjes houden veel van die plant.”
„Waarom?”
„Waarom? Weet jij apotheker dat niet?.. Niet? Nou dokters,” ging kapitein Van Dam voort en wendde zich tot de heeren Hannius en Van Pinksteren, „vertel jullie Behrtje eens, waartoe de Javanen een aftreksel van de bladeren van de Patra kombala bezigen.”
De beide Esculapen keken elkander aan.
„Wij weten het niet,” betuigden beiden.
„Weet jullie dat ook niet?… Wel dat weet in Indië iedere baboe en iedere nènèh! Wat leer jullie toch op die hoogescholen met al dien geleerden poespas, die daar verkocht wordt, als gij dat niet leert?”
„Dat is moeielijk te omschrijven, waarde kapitein,” antwoordde dokter Van Pinksteren lachende. „Maar zeg ons nu, wat de baboe’s en nènèh’s wel en wij niet weten. Waartoe dient dat aftreksel van folia Caesalpiniae pulcherrimae?”[292]
„Wel, om schoon schip te maken.”
„Schoon schip?” vroeg Denniston. „Dus, zoo iets als een bezem of zwabber?”
„Juist, een zwabber, maar inwendig. Dat aftreksel heeft dezelfde werking als het Glaubers wonderzout of als de djarak-olie.”62
Allen lachten, en Behrtje en Hannius niet het minste, hoewel ze de laatstgenoemde olie niet kenden, en dat maar onaangeroerd lieten.
„Ik ben van plan,” zeide laatstgenoemde, „dadelijk eene proef te nemen. Er zijn een paar patiënten, die den invloed van den scheepskost geducht ondervinden. Hebt ge veel folia Caesalpiniae pulcherrimae medegebracht?”
„O! meer dan genoeg voor eene proef!”
„Dan gaan wij dadelijk aan het koken.”
„Wacht dan toch eerst, dat de kok met zijnebeefsteakklaar is,” zei kapitein Butteling. „Gij mocht u eens vergissen … Daarbij, het wordt tijd, om te gaan lunchen. Ik heb reeds een wenk bekomen, dat het middaguur nabij is.”
Stuurman Abels had inderdaad den scheepsgezagvoerder een teeken gegeven, dat het kwart voor twaalf was.
„Is dat zonschieten heden wel noodig?” vroeg Leidermooi. „Wij hebben den wal nog in het gezicht.”
„Waar dan toch?” vroeg stuurman Abels. „Waar dan toch die wal?”
Allen keken uit. Er was niets meer te zien. Enkelen meenden nog achteruit, in het noorden, dicht bij de kim eene blauwe strook te zien; maar de stuurman was van meening, dat dit eene wolkenbank was, die opdoemde.
„Uit dien hoek krijgen wij van nacht of morgen poetssteen,” zeide hij.
Toen het middag-bestek opgemaakt was, stond het[293]fregat op 24° 19′ zuiderbreedte en op 41° 48′ westerlengte.
Bij het naar beneden gaan om de lunch te gebruiken, merkte Frank Brinkman juffrouw Adelien op, dat zij hare mededeelingen omtrent Rio Janeiro niet voltooid had.
„Is het mijne schuld?” vroeg het meisje met een bekoorlijken glimlach, „dat de heeren het zoo druk gehad hebben over de Patra kombala? Als de geleerden aan den gang zijn, dan is er geen speld tusschen te brengen. Maar.… wij kunnen heden avond het gesprek voortzetten. Al de heeren zijn aan den wal geweest. Die kunnen mijne mededeelingen wel missen. Kapitein Van Dam alleen bleef aan boord; maar die—daarvan ben ik overtuigd—houdt meer van spadille en manille, dan van een verhaal door eene jeugdige onervarene reizigster geleverd. Heb dus geduld, totdat de partijtjesmakers heden avond achter hunne speeltafeltjes zullen plaats genomen hebben. Is dat uitstel niet goed?”
Een innige handdruk, onbemerkt bij het neerdalen van den trap naar de kajuit gewisseld, was het eenige antwoord, dat de jongman geven kon, en was misschien ook wel het meest gewenschte.
Dat de lunch onze onderofficieren, die niet mede aan den wal geweest waren en bij gevolg geen afwisseling van den scheepskost erlangd hadden, door het aanzitten aan eene Braziliaansche table-d’hôte, zooals de andere passagiers was te beurt gevallen, uitmuntend smaakte, behoeft ter nauwernood gezegd te worden. Zij betuigden, dat zij in hun leven geen lekkerderbeefsteakhadden gegeten, hoewel de kok toch verklaard had, dat hij het vleesch als stokvisch had moeten beuken om het eenigermate zijne lederachtigheid te doen verliezen, daar anders debeefsteakveel van gebakken oude schoenzolen zoude gehad hebben.
„Die Braziliaansche zwartkoppen hebben den kapitein[294]in het ootje genomen,” zeide de zee-Vatel met overtuiging. „Die os is voorzeker een tijdgenoot van Methusalem geweest, en heeft met dien oudvader waarschijnlijk school gegaan.”
Ook het diner was eene ware smulpartij voor onze onderofficieren. Toen de hofmeester de soepterrine op tafel zette, fluisterde Herman Riethoven Emma zijn buurmeisje in het oor:
„De traditioneele schildpadsoep!”
„Als dat waar is,” viel Behren in, die deze woorden opgevangen had, „dan zet ik den hofmeester de geheele terrine het onderste boven op het hoofd bij wijze van slaapmuts!”
De gewraakte schildpadsoep, die gewoonlijk op de zondagstafel verscheen, was eene dunne pap van bruine boonen, die uitermate gepeperd was, en waarin eenige uitgekookte stukjes gerookt spek dreven, die dienst voor schildpadvleesch moesten doen.
De apotheker werd evenwel gerustgesteld. Het was eene uitstekende potage à la jardinière, verklaarde de hofmeester met eene gejaagdheid, alsof hij de slaapmuts, waarmede hem gedreigd was, reeds op zijn hoofd gevoelde.
„En als de hofmeester ons nu eens dezer dagen echte schildpadsoep voorzet?” vroeg kapitein Butteling.
„Echte schildpadsoep!.… Maar, om hazenpeper te maken,” zei Behren, „is in de eerste plaats een haas noodig, niet waar?”
„En om schildpadsoep te maken, eene schildpad, is het niet zoo? Waarschijnlijk sliep ons Behrtje nog, toen de sloepen met levensmiddelen aan boord kwamen; anders had hij moeten zien, dat eene monsterachtige schildpad overgescheept is, die nu in het kabelgat ligt haar lot af te wachten.”
„Zoodat wij dan eens eene lekkere schildpadsoep[295]zullen krijgen. In afwachting zullen wij deze potage met dankbaarheid genieten.”
„Maar.…” vroeg de apotheker, terwijl hij zich beijverde zijne soep naar binnen te werken. „Maar.… kapitein Butteling. Is uwe schildpad eene ware, geene nagemaakte?”
Allen lachten.
„Neen,” zei dokter Hannius. „Ik heb ze gezien, het is eene echte zeeschildpad, eene Chelone viridis, die ongeveer 80 Ned. pond zal wegen.”
„Hoerah! dan voor de Chelone viridis!” riep Behrtje in geestdrift. „Behalve het bruineboonenbrouwsel heb ik nimmer schildpadsoep gegeten!”
Het diner liep tot aller genoegen af. Kok en hofmeester hadden er alle eer van. Hoewel de kok over taaiheid van het ossenvleesch klaagde, was de voorgedienderoastbeefuitmuntend en zoo malsch als boter bevonden. De opmerking daaromtrent bleef niet uit.
„Dat geloof ik wel,” zei kapitein Butteling. „Door de ondervinding, bij de lunch opgedaan, geleerd, heb ik den kok het vleesch in papaya-bladeren doen wikkelen.”
„In papaya-bladeren? Groeien die aan den fokkemast of aan de bagijne-ra?” vroeg Behren leuk. „Dan ga ik herboriseeren.”
„Neen, heer apotheker,” antwoordde de scheepsgezagvoerder, „ze groeien daar juist niet, blijf dus stil zitten; maar ik heb aan den wal een goeden voorraad ingekocht, die beneden in het ruim op de koelste plaats van het schip opgeborgen is. Gij weet, dat het vleesch hetgeen in die bladeren gewikkeld, gebraden wordt, overheerlijk malsch wordt, al is het nog zoo taai.”
„Kan ik morgen van die bladeren te zien krijgen, kapitein?”
„Wel zeker. Bij het dessert krijgen wij zelfs eenige[296]rijpe vruchten, die zeer smakelijk zijn, niet waar kapitein Van Dam?”
„Zeker is de Kattès lekker, vooral wanneer zij rijp aan den boom geworden is,” antwoordde deze. „Maar wat ook lekker is, dat zijn de onrijpe vruchten met aardappelen gekookt. Zij vervangen dan onze peentjes en leveren een overheerlijken hutspot.”
„Ik heb er aan gedacht!” riep kapitein Butteling uit, terwijl hij zich in de handen wreef. „Wij hebben ettelijke zakken in voorraad.”
Bij het dessert werd de Kattès zeer lekker gevonden, hoewel zij, die haar nog niet geproefd hadden, er een eenigszins vreemden smaak aan vonden.
„Zoo iets van sterrekers!” verklaarden zij.
Toen de reizigers boven kwamen, was de avond gevallen, en was het zoo donker aan het dek, dat men werkelijk bij het overboord kijken de zee niet ontwaren kon. De wind was inmiddels aangewakkerd en floot door het want. Alle zeilen stonden evenwel nog bij, zoodat het loggen aantoonde, dat het schip eene vaart van elf mijlen had.
„Het snijdt er goed van door, stuurman,” merkte kapitein Van Dam op.
„Ja, kapitein,” antwoordde stuurman Abels, „als het zoo blijft, hebben we niet te klagen. Maar.… de barometer daalt langzaam maar gestadig. En als wij wat meer onder den wal uit zijn, zullen wij ook wel hooger zee krijgen. Het schip ligt nu nog vrij stil.”
De passagiers rookten eene sigaar aan dek, slurpten een kop koffie, waarna al spoedig van een partijtje gesproken werd. Het was zoo ongezellig in het donker op het dek, men zag enkel het vurig uiteinde van de sigaar in elkanders handen. Het duurde dan ook niet lang, of alle speeltafeltjes waren beneden bezet, terwijl de familie[297]Groenewald zich op het dek met Frank Brinkman en Herman Riethoven in een kringetje sloot. Of de jongelieden het ook ongezellig op dat donkere dek vonden? Daarvan was niets te bespeuren; integendeel, er heerschte daar veel innigheid tusschen de ouders en hunne kinderen, maar ook tusschen de geredden en hare redders.
„Gij hebt mij beloofd, juffrouw Groenewald,” vroeg Frank Brinkman aan Adelien, „dat gij ons uwe indrukken bij uw uitstapje te Rio Janeiro zoudt mededeelen. O! dat ik toch zoo gelukkig ware geweest u te vergezellen. Wat moet het daar mooi geweest zijn te midden van die keerkrings-natuur. Ik heb mij laten vertellen, dat er geen fraaier plekje op de wereld bestaat, dat noch Napels, waarvan een dichter schreef:
Vedi Napoli e poi muori(Napels zien en daarna sterven.)
Vedi Napoli e poi muori(Napels zien en daarna sterven.)
noch de Taag bij Lissabon, noch de Bosphorus tusschen Scutari en Constantinopel, hoe fraai die plaatsen ook door de reizigers afgeschilderd worden, er bij halen.”
„Van de Taag en van den Bosphorus kunnen wij niet spreken,” zei Emma; „maar wij kunnen bevestigen, dat de baai van Rio Janeiro fraaier is dan die van Napels. Ik geloof niet, dat er ergens zoo’n grootsche kustrand aangetroffen wordt als daar, dat er ergens eene baai bestaat, die door een meer schilderachtigen band van steigerend gebergte van het overige der wereld gescheiden wordt, die door zoo’n menigte van inhammen en van vooruitspringende kapen, van heuvelachtige en laag gelegen eilanden bezaaid is, zoodat hare boorden als met de mazen van een kolossaal maar bekoorlijk net omgeven schijnen. Spreekt gij van die natuur, dan hebt gij gelijk, mijnheer Brinkman. Spreekt gij evenwel van de plantenwereld, dan geloof ik u te kunnen verzekeren, dat ons Indië u eene even schoone zoo niet schoonere zal te zien geven. Een tochtje door de Preanger Regentschappen[298]in West Java, of een tochtje door de Residentiën Semarang en Kedoe in Midden Java zou u gezichten leveren, die in geenen deele bij de fraaiste van de omstreken van Rio Janeiro achterstaan.
„Terwijl een bezoek aan de Padangsche Bovenlanden u waterbekkens zou leeren kennen, wel geen inhammen van de zee, maar zoetwatermeren, die in trotsche verhevenheid en in stoute natuurtafereelen bij de prachtige baai van Rio Janeiro niet achterstaan,” vulde de heer Groenewald aan. „Komt gij ooit in de gelegenheid daartoe, jongelui, verzuimt dan niet de meren van Singkarah en Manindjoe een bezoek te brengen.”
„Wat de stad zelve betreft, die eigenlijk Sao Sebastiao do Rio de Janeiro heet,” zei Adelien op hare beurt, „zij vormt slechts een schaakbord van akelige nauwe straten, waarin het even moeielijk is zich te bewegen als adem te halen, en waarin geen enkel gebouw of monument aanwezig is, dat der aandacht waardig kan genoemd worden. Het is een druk, vuil en kwalijkriekend nest, wien alle de ongeriefelijkheden van eene ouderwetsche stad aankleven, welke door de voorrechten, die zij als hoofdstad van het rijk geniet, niet opgewogen worden. De meeste huizen zijn van onderen van granietblokken en verder van hout opgetrokken, terwijl de straten ook met graniet geplaveid en slechts schaars van trottoirs voorzien zijn.”
„Dat is al een zeer ongunstige beschrijving, die gij ons daar levert, juffrouw Adelien,” zei Frank.
„Och,” antwoordde hare moeder, „zij was niet in haar humeur. Zij heeft alles door een donker gekleurden bril bekeken. Want, evenals elders is te Rio Janeiro ook veel schoons te zien.”
„Met mijne donker gekleurde beschrijving,” ging het jonge meisje met een glimlach voort, „bedoelde ik de[299]oude stad, die wel van de nieuwe stad te onderscheiden valt. Het plein Campo da Santa Anna scheidt deze van gene. De nieuwe stad bestaat hoofdzakelijk uit de voorsteden Gloria, Cateti, Flamingo, Botafogo, die zich langs de kleine en liefelijke baaien, die de kust ten zuiden van Rio Janeiro, tot aan den Pao de Açucar vormt, uitstrekken. Ten zuiden van de stad, maar meer landwaarts in, treft men de fraaie voorstad San Theresa, met een prachtig klooster in hare nabijheid aan, en komt men van die in Baïro de Mattocarpos, eene voorstad, die westwaarts van de hoofdplaats ligt en gemeenschap met de voorstad Catoembi heeft, die het keizerlijk paleis San Christovao en daarachter op een heuvel de keizerlijke villa Boa Vista bevat. Het genotvolste is evenwel geweest: de wandelrit naar den Tijucaberg, die 3300 voet hoog en op ongeveer vijf mijlen ten westen van de stad gelegen is, en van waar men een prachtig gezicht heeft, aan den eenen kant over de baai van Rio Janeiro en haren toegang tot den Oceaan, en aan de andere zijde over het omliggend bergachtig terrein, dat hij evenwel beheerscht.”
„De kerken moeten er prachtig zijn?” vroeg Herman, die zijne seminaristen-natuur nog niet geheel afgeschud had.
„Wij hebben er geene bezocht,” antwoordde Emma. „Ik heb evenwel gehoord, dat de stad er ongeveer vijftig bevat, waaronder de kapellen natuurlijk medegerekend zijn.”
„Vijftig kerken en kapellen!” riep Frank uit. „Maar hoeveel inwoners telt Rio Janeiro dan wel?”
„De stad is zeer groot en ver uit elkander gebouwd,” antwoordde Adelien. „Over hare grootste lengte gemeten is zij vier mijlen lang en bevat eene bevolking van ongeveer 275,000 zielen.”
„Waaronder ongeveer50,000slaven,” vulde de heer Groenewald aan.
Een schril gefluit weerklonk over het dek.[300]
„Bovenbramzeilen en grietje geien!” liet zich het commando van stuurman Abels over het dek hooren.
Ons gezelschap keek eens rond. De wind was al meer en meer opgestoken en floot met kracht door het want, waarbij hij de stijfgespannen touwen van het tuig onder zijn adem deed trillen. De zee begon daarbij woester aan te schieten en zich in hooge baren te verheffen, zoodat het schip bij het vele zeil, dat het voerde, onder den aandrang van zee en wind soms zulke slingeringen ondervond, dat voor de veiligheid der bovenstengen met recht gevreesd kon worden.
„Hoe is het met den barometer?” vroeg de heer Groenewald aan den stuurman.
„Langzaam, maar steeds dalende,” was het antwoord. „Wij gaan langen tijd slecht weer hebben.”
„Eene mooie voorspelling!” zei Emma.
„Wat er aan te doen,” hernam de stuurman, „anders dan te berusten? Maar.… mag ik de dames een goeden raad geven. Dat is om naar beneden te gaan. Het schip schiet goed vooruit; maar het werkt zwaar. En bij den noordenwind, die doorstaat en den zuidoosten koers, dien wij volgen, is het aan zoo’n dwars aanrollende zee niet onmogelijk om over te komen. De dames zouden bijgevolg gevaar loopen om andermaal.… gedoopt te worden.”
„Daar zijn wij niet bang voor,” antwoordden de jonge meisjes lachende.
„Ja, maar dat niet alleen.… ook om andermaal over het dek gerold of over de versch.…”
„O! die nare stuurman, om ons dat te herinneren!” zei Adelien. Maar met geestdrift vervolgde zij: „Onze redders zijn nabij!”
„Ja, die zijn nabij! en die zullen niet in gebreke blijven,” antwoordde Frank met niet minder vuur.[301]
Twee handen zochten elkander in het donker en wisselden een innigen druk.
„Jawel, jawel!” lachte de stuurman. „Ik twijfel aan den goeden wil dier redders niet. Maar.… het mocht eens minder goed afloopen.”
„Zoodat gij meent, dat er gevaar best.…”
De heer Groenewald had den tijd niet om die vraag te eindigen, toen een golf tegen het middenschip opspatte, zijne schuimende kuif over de verschansing wipte, en het geheele dek daar overstroomde. Gelukkig, dat het achterschip, hetwelk toen juist opgeheven werd, gespaard bleef. Maar bij het donderend geweld, hetwelk het nederploffende water maakte, vermengd met het gehuil van den wind en het gekraak van het tuig, vlogen de twee ouders, door een gemakkelijk te verklaren angst bewogen, op en vluchtten naar den kajuitstrap. De jonge dames, meer heldhaftig van aard, wisselden, alvorens den aftocht te volgen, een handdruk met de jongelieden; waarbij Frank, van den donkeren nacht gebruik makende, zijn arm om het middel van Adelien sloeg en het lieve kind een kus op de lippen drukte, die niet onbeantwoord bleef. Onthutst en als dronken door die aanraking, stoof het jonge meisje den trap af. In een ondeelbaar oogenblik was dat geschied. Toch had Emma daarvan iets ontwaard, en verkreeg volkomen zekerheid, toen zij, in de kajuit gekomen, het blozende gelaat harer zuster bemerkte. Was het werkelijk bezorgdheid van de oudere jegens de jongere zuster, of was het jaloerschheid, dat Herman volgens haar de stoutmoedigheid miste om een kus te rooven! Zooveel is zeker, dat zij meende verplicht te zijn, hare moeder van het gebeurde kennis te geven.
Toen den volgenden morgen—23 November—de[302]dag aanbrak, waren het groot en het bezaanzeil gegeid, en lag deFernandina Maria Emmaonder hare marszeilen, maar met gereefde bramzeilen en stevende steeds zuidoost op. Het uitzicht van den Oceaan was bar. Hemelhooge golven verhieven zich en huppelden met onbesuisde vaart op het schip aan, alsof zij dat bestormen wilden; terwijl zij zich bij haar doldriftig pogen om voorwaarts te ijlen, krulden, braken en zich met wit schuim kuifden, dat haar een woest en dreigend aanzien verleende. Maar het schip hield zich uitmuntend. Wel werd het hevig geslingerd, wel beschreven de masttoppen schrikbarende bogen en ellipsen in het luchtruim en helde het fregat soms zoodanig naar bakboordzijde over, dat een onwillekeurige kreet aan veler mond ontvlood; wel stampte het bij die beweging om zijne breedteas om iemand het hart in het lijf te doen bonsen en dook daarbij, wanneer het achterschip door eene aanrollende baar opgeheven werd, met den voorsteven onder water, alsof het daarin verdwijnen wilde, of steigerde met dien steven omhoog, wanneer de waterberg naar het voorschip rolde, alsof het uit het vloeibare element wilde springen; maar repte zich met spoed voorwaarts op de baan, die het nog af te leggen had. Het uitspansel was in de bovenluchtlagen egaal loodkleurig, terwijl in de benedenlagen dikke en zwarte wolken met eene drift zuidwaarts door het luchtruim vlogen, die wel bewezen dat daarboven de wind niet minder den teugel vierde dan aan de oppervlakte der zee.
Hoewel het niet regende, was het toch kletsnat op het dek van het schuim der baren, hetwelk door den wind als het ware van de golftoppen afgescheurd werd, om in den vorm van een uiterst fijnen zilten regen in horizontale richting voortgezweept te worden. Alle opvarenden, die aan dek kwamen, zochten dan ook[303]in allerijl een oppertje, niet om zich voor den wind te beschutten, die nog niet koud was, maar om die waterige stofdeeltjes te ontgaan, die iemands kleeding en haren in weinige oogenblikken met een zilver vliesje, als ware het rijp, overdekten.
Toen stuurman Ellenbaan bij het eindigen der morgenwacht liet loggen, had deFernandina Maria Emmaeene vaart van twaalf mijlen.
„Drommels stuur! dat snort er van door,” zei kapitein Van Dam.
„Ja, mijnheer,” was des stuurmans antwoord,„maar gedurende de hondenwacht is 13½ mijl gelogd; men heeft toen evenwel de bezaan en het grootzeil moeten geien, omdat het schip te veel op zijn roer wrong en drie man aan het stuurrad niet te veel waren.”
„Dat is nu toch waarlijk storm, nietwaar?” vroeg Denniston, die erg bleek was en wel er naar uitzag, dat hij andermaal een bezoek van de zeeziekte zoude krijgen.
„Het mocht wat!” antwoordde de stuurman. „Dit is niets dan eene stijve bramzeilskoelte. Kijk mijnheer, als al de zeilen geborgen zijn en alleen aan den grooten mast dat kleine barkzeil, dat men nu bezig is aan te slaan, en wat ook stormzeil genoemd wordt, bijstaat, dan waait er storm.”
„Verwacht men dan storm, dat men zich zoo beijvert om dat aan te slaan?” vroeg Leidermooi.
„Men weet niet wat er van groeien kan. De barometer is steeds langzaam dalende, terwijl de bovenlucht nog onaangenaam strak voorkomt. Maar.… ik heb nog geen stormvogels gezien, dat stelt mij gerust.”
„Stormvogels?” vroeg Hannius.
„Ja, of beter genoemd stormzwaluwen63,” antwoordde stuurman Ellenbaan. „Het zijn kleine witgrijze vogels, die door hunne vlucht op een afstand wel iets van een[304]zwaluw hebben. Zij vliegen steeds.… Drommels daar hebt gij er een paar! Nu ontsnappen wij den dans niet! Sta nu maar vast.”
„Kom stuurman, ik heb er in mijn leven nog al gezien,” zei kapitein Van Dam geruststellend, „en.…”
„Maar dan heeft het toch ook geblazen, toen gij die zaagt, kapitein.”
„Wat mij verwondert, dat is, dat wij nog geene kaapsche duiven gezien hebben. Die worden toch tot op de breedte van Rio Janeiro aangetroffen, niet waar?”
„Ja, kapitein, wanneer de zon in het noordelijke halfrond staat; nu wij, evenwel November hebben, moeten wij haar meer zuidwaarts zoeken. Het zal evenwel niet lang meer duren. Met de vaart, die wij maken, misschien morgen of overmorgen al.”
De stormvogeltjes scheerden over het water, vlogen een paar malen om het schip en verdwenen in noordelijke richting.
Zoo omstreeks tegen elf uur begon het wolkendak in de bovenluchtlagen, dat tot nu toe onbeweeglijk en aschgrauw gebleven was, te scheuren en vingen de wolken daar met die van de benedenluchtlagen een wedstrijd in het hardloopen aan. In ijlende vaart wentelden de dikke grauwe en zwarte massa’s door de lucht en stoven zuidwaarts op; terwijl het schip steeds zuidoost voor lag. Door het zonnetje verlokt, dat nu en dan tusschen de wolken door kwam kijken, en haar dan met een lief helder blinkend randje verguldde, kwamen de dames Groenewald aan dek; maar zij moesten verklaren, dat het er onvriendelijk uitzag. De zee ging zoo aan, de wind huilde zoo door het want en was niets luw meer; integendeel hij begon zich al frisch te doen gevoelen, zoodat papa Groenewald gauw naar beneden ging en even spoedig weer verscheen, geheel in zijn demi-saison;[305]terwijl hij de regenmantels zijner dames op den arm droeg. Bij de stijve bries, die er stond, was het evenwel geen gemakkelijk werk om zoo’n kleedingstuk om het lijf te krijgen. Verscheidene malen poogde toch de wind het aan de lieve vingertjes te ontrukken, en de dames slaagden eerst, toen zij eene toevlucht op den kajuitstrap namen en daar elkander hielpen. Toen die mantels goed om hare ledematen sloten, waren de teere wezens volgens het oordeel van haren papa voldoende beschut om een uurtje in de buitenlucht door te brengen. Het middagbestek toonde aan dat deFernandina Maria Emmaop 27° 21′ zuiderbreedte en op 37° 41′ westerlengte stond. De barometer was steeds langzaam dalende.
De arrestanten, die tot nu toe aan het dek, in de boeien gesloten, verwijld hadden, werden thans in het kabelgat in verzekerde bewaring gesteld, tot dat het schip weer in milder streken zou zijn aangeland.
De gekwetsten hadden van het stormachtige weer niet veel te lijden. De kogels waren gelukkig uit de wonden verwijderd en liet het zich aanzien, dat alle vier voor de aankomst te Batavia genezen zouden zijn.[306]