[Inhoud]XII.Een onderhoud—Bruinvisschen.„Gaat gij nog naar het dek, papa?” vroeg Adelien Groenewald, toen zij dezen na de lunch zijn overjas zag aantrekken en zich gereed maken om naar boven te gaan.„Ik ga boven eene sigaar rooken,” was het antwoord.„Kunt gij dat hier niet doen? Het waait boven zoo.”„Gij weet wel, dat beneden niet mag gerookt worden,” antwoordde de vader, terwijl hij een belangstellenden blik op zijne dochter liet vallen. „Neen, ik ga naar boven.”„Maar het waait zoo! Gij zult een kou vatten.”„Dat zal wel losloopen. Ik ben geen verwend weekeling, die voor wat wind bang behoeft te zijn. Weest gerust; ik zal onafgebroken heen en weer trippelen.”Toen de heer Groenewald aan het dek kwam, was dat grootendeels verlaten. De meeste soldaten waren naar beneden gegaan, of zochten achter de verschansing aan de windzijde of achter andere voorwerpen, zooals de groote boot, beschutting. Van de passagiers wandelden alleen kapitein Van Dam met den apotheker Behren, die in een druk gesprek schenen, op en neer, en stond stuurman Bagman bij den man aan het roer. De[307]anderen waren of naar kooi gegaan, om door den slaap zich aan de verveling te onttrekken, ook om er een middel tegen de zeeziekte te vinden; terwijl anderen zich in de kerk of in de kajuit met dam- of dominospel of ook wel met lezen onledig hielden.De heer Groenewald kuierde het dek op en neer. Toen hij Frank Brinkman ontwaarde, die met een zijner collega’s stond te praten, riep hij dezen tot zich.„Ik wenschte wel een onderhoud met u te hebben, mijn jonge vriend,” sprak hij. „Kom, volg mij op het achterdek, dan kunnen wij meer ongestoord praten. De heeren Van Dam en Behren wandelen te loevert, wij zullen een halfdekje slaan aan den lijkant.”Frank volgde, natuurlijk uiterst bevreemd wat er komen zou.„Mijnheer Frank,” begon de heer Groenewald, „ik ben u wegens het redden van mijn kind veel dankbaarheid verschuldigd, en ik wenschte mij van die schuld te kunnen kwijten. Niet, dat ik mij van die dankbaarheid ontslagen wenschte; maar ik zou zoo gaarne iets bij willen dragen om uwe toekomst te verzekeren.”Frank boog met dankbaar gebaar.„Ik heb u en uwen vriend als twee degelijk welopgevoede jongelieden leeren kennen, waaromtrent mij door kapitein Van Dam de meest gunstige inlichtingen verstrekt zijn. Is de militaire loopbaan, welke gij ingetreden zijt, wel die uwer keuze? Vergeef mij de onbescheidenheid dier vraag. Het doel daarvan zal u straks blijken. Is er niet de eene of andere teleurstelling in het spel, die u beiden in de gelederen van het koloniale leger bracht?”„Voorzeker,” antwoordde Frank, tot vertrouwen door den goedhartigen toon van Adelien’s vader verlokt, „dacht ik een tiental maanden geleden er niet aan, ooit den[308]militairen rok aan te trekken. Ik had de studie der humaniora achter den rug, en zou aan een der hoogescholen in ons vaderland de studie der rechtswetenschappen aanvaarden; toen mijn vader op het onverwachtst kwam te overlijden en met hem de geheele welgesteldheid van mij en mijne broeders en zusters ten grave daalde. Van verder studeeren kon onmogelijk iets komen. Heel mistroostig maakte mij die laatste teleurstelling niet. Mijn plan was geweest als advokaat naar Indië te vertrekken. Welnu, ik zou Indië bezoeken! Ik nam een koen besluit, ging naar Harderwijk, en verbond mij bij het Indische leger, vast overtuigd, dat met de opvoeding die ik ontvangen had, en met dienstijver en goed gedrag daarbij ook eene eervolle loopbaan te volbrengen zou zijn. Ziedaar, mijnheer Groenewald, de beweegredenen, die mij tot het omhelzen van den militairen stand gevoerd hebben.”„Maar uw vriend Riethoven?”„Die geschiedenis is even eenvoudig, hoewel geheel anders luidende. Mijn vriend Herman studeerde aanvankelijk voor Roomsch geestelijke. Hij leerde evenwel een meisje kennen, en.… ja en.… toen liet hij die vrome plannen varen. Toen hij evenwel de hand van het lieve kind dacht te verwerven, waren dat en hare ouders zoo door de geestelijkheid bewerkt, dat hij een formeel blauwtje liep. Daarbij kwam nu nog, dat zijne ouders weigerden hem eene hoogeschool te laten bezoeken, omdat hij gevaarlijk voor de Kerk kon worden. In zijne wanhoop reisde hij naar Harderwijk en.…”„Dus, het is geene bepaalde roeping, die u beiden in de gelederen bracht? Het heilige vuur ontbrak u …”„Vergeef mij, mijnheer Groenewald, dat heb ik niet gezegd,” antwoordde Frank met een glimlach. „Ik durf beweren, dat niemand met meer toewijding in de gelederen[309]dient dan wij tweeën. Het is waar, dat onze oorspronkelijke opleiding ons niet naar die loopbaan dreef, zooals helaas! zoo dikwerf en met zoo velen geschiedt. Waren onze vaders militairen geweest, of hadden wij militairen onder de leden onzer familie geteld, dan voorzeker zou de officiers-épaulet het ideaal onzer jongelingsjaren geweest zijn, wat nu niet het geval kon zijn. Later, toen wij in de wereld hadden leeren rondzien, kozen wij dien stand geheel vrijwillig, zonder eenigen dwang hoe genaamd ook. Ik druk hierop, want voor ons, die een bedrijvig leven wenschten in te treden, die dus tegen moeiten noch gevaren opzagen, had met onze opvoeding, zich wel een andere kring geopend, wanneer wij dien hadden willen zoeken. Goddank! zoo ver was het nog met geen van ons beiden gekomen, dat broodsgebrek ons in de kazerne bracht!”Frank was langzamerhand in vuur geraakt; want de gedachte verdroot hem, dat Adelien’s vader hem over een kam zou kunnen scheren met de velen, die door honger, wangedrag of door erger genoopt, blij waren nog bij het Koloniaal Werfdepôt te Harderwijk te recht te kunnen komen.Met welgevallen zag de heer Groenewald den jongman aan. Men kon het hem aanzien, dat hij het er op gezet had, Frank tot die stemming te verlokken. Hij leerde zoo den man kennen, wien hij het geluk van zijn kind wenschte toe te vertrouwen.„Ik heb dat zeer goed begrepen en ingezien,” hernam hij, „en ik twijfel aan uw beider lust voor den militairen stand niet. Maar.… als u nu eens een even nuttige, een even bedrijvige loopbaan werd geopend, zoudt gijlieden er dan tegen opzien om het krijgsmanskleed vaarwel te zeggen?”„Een even nuttige, een even bedrijvige loopbaan, mijnheer Groenewald?.…”[310]„Een even nuttig, een even bedrijvig, maar een meer zelfstandig leven!” antwoordde de heer Groenewald, „een leven, waarin gij met eigen krachten, met eigen inzichten kunt optreden, waarin gij niet van de luimen van eene menigte anderen, in den beginne hoogstens van slechts één afhankelijk zijt, waarin gij met uw streven nuttig zijt niet alleen, maar dat nut onmiddellijk ontwaart in de welvaart uwer omgeving, in uw eigen welvaart, waarin gij de vruchten van uw pogen aanschouwen en die ook genieten kunt, en door anderen zien genieten. Zeg, ik herhaal mijn vraag, zoudt gij bij de overtuiging daarvan, aarzelen kunnen om, terwijl het voor ulieden nog tijd is, de eene loopbaan voor de andere te verwisselen?”„Verklaar u toch nader, mijnheer Groenewald,” zei Frank, wiens hart begon te popelen, met aandoening.„Ziehier, mijn jonge vriend,” ging de heer Groenewald voort. „Ik ben bezitter van een aanzienlijke koffie-aanplant op de hellingen van den Lawoe. Ik wenschte u beiden over te halen om het militaire leven te verlaten, en bij mij in dienst te treden om uwe loopbaan als opzichter te beginnen.”„Bij u in dienst treden.… mijnheer Groenewald?…” vroeg Frank, voor wiens geest het liefelijke beeld van Adelien verrees.„Gij bekomt vrije woning, vrije voeding en in den beginne eene remuneratie van honderd gulden ’s maands. Wel, wat zegt ge?.…”„Uw voorstel, mijnheer Groenewald is zoo fraai, maar zoo onverwacht, dat het mij eenigermate bedremmelt,” antwoordde Frank. „Dat is geene zaak om met een ja of een neen af te doen.… Gij zult mij dus vergunnen, dat voorstel in gezette overweging te nemen.… Ik moet daarenboven mijn vriend Riethoven raadplegen.…[311]uw voorstel betrof toch ons beiden, als ik goed begrepen heb, nietwaar?.…”De heer Groenewald knikte ja.„Welnu, gunt ons eenige dagen om uw voorstel te overwegen.”„Neem den tijd, dien gij noodig oordeelt, als gij mij maar antwoord gegeven hebt voor onze aankomst te Batavia. Gij hebt dus nog ettelijke weken voor u.”„Maar.… intusschen wenschte ik u eene bekentenis te doen, mijnheer Groenewald, die wellicht van invloed op uwe beslissing kan zijn, en derhalve.… iedere nadere bespreking omtrent uw voorstel overbodig zou kunnen maken.”„En die bekentenis is?”„Gij zult mij dwaas vinden, gij zult misschien oordeelen, dat ik bij de plaats, die ik op de maatschappelijke ladder inneem, de oogen te hoog ophef. Gij kunt daarin gelijk hebben; maar.… het gevoel dat mij overmeesterd heeft, is zoo onweerstaanbaar, zoo overweldigend geweest, dat ik er niets aan heb kunnen doen of beter gezegd, dat ik niet eens beproefd heb er mij aan te onttrekken.”„Wat is het dan toch?” vroeg de heer Groenewald met een glimlach op het gelaat, dien Frank evenwel niet zag, daar eerstbedoelde juist in dat oogenblik het hoofd afgewend had en over de verschansing buiten boord keek.„Ja, die bekentenis moet mij van het hart.… De gedachte, dat gij mij later zoudt kunnen verdenken, niet openhartig met u omgegaan te hebben, zou mij onverdragelijk wezen.”„Wat is het dan toch?” herhaalde de heer Groenewald. „Kom, vooruit met die bekentenis; wellicht is zij niet eenmaal zoo moeilijk.”Frank greep zijn moed met beide handen.[312]„Ik heb eene innige genegenheid voor juffrouw Adelien, uwe dochter opgevat, en.…”„Zoooo!” sprak de heer Groenewald met langgerekte stem.Brinkman keek hem ter sluiks aan. Daar was evenwel niets onrustbarends op dat gelaat te lezen, hetwelk dat „zoooo!” vergezelde. Integendeel dat gelaat teekende veel goedhartigheid en veel welwillendheid.„En.…” wilde de jonkman voortgaan.„En die genegenheid wordt ten volle gedeeld, dat is het, wat gij er bij voegen wildet, niet waar?” viel de heer Groenewald in de reden.„Dat meende ik niet te beweren,” antwoordde Frank.„Dat behoeft ook niet. Moederlijke oogen zien scherp, mijnheer Brinkman,” ging de vader voort. „Daarenboven Adelien heeft hare ouders niet onkundig met den toestand van haar hart gelaten.”Dat was eene kleine onwaarheid om later Adelien’s gevoel tegenover den jongman te redden. Zij had nog gezwegen, niet uit zucht tot geheimzinnigheid; maar omdat de geheele verstandhouding tusschen haar en Frank zich nog slechts tot het wisselen van een paar handdrukken en een kus bepaald hadden. Woorden van toegenegenheid, van liefde waren nog niet gesproken, daartoe had tijd en gelegenheid ontbroken.„Zoodat?…” riep Frank aarzelend uit.„Zoodat?… ja, wat zoodat?…” hernam de heer Groenewald door die vraag verrast. „Zoodat.… het van u afhangt, mijnheer Brinkman, of die ontluikende genegenheid de goedkeuring van mijne vrouw en mij zal kunnen verwerven ja of neen. Beiden zouden wij er wel tegen opzien, onze dochters aan officieren af te staan.”Frank dacht diep na, hij liep naast den heer Groenewald eenige malen het achterdek op en neer, zonder een[313]woord te spreken. Adeliens vader eerbiedigde dat zwijgen; er werd hier over eene geheele toekomst gehandeld.Het schip in zijne pijlsnelle vaart, door de stijve bramzeilskoelte, die al meer aanwakkerde en door de woest aanrollende zeeën, die aan stuurboord van achteren dwars inkwamen, genoopt, maakte kabriolen, steigerde, maar ging daarbij soms zoodanig naar lij over, alsof het zou omkantelen, zou kapzijzen, zooals de zeelui dat noemen, en waarbij onze wandelaars onmogelijk de rechte lijn konden houden; maar dan, hoe zeevast hunne voeten ook bleken, naar lij afweken, en bij wijlen onzacht tegen de verschansing aankwamen.Eindelijk verbrak Frank dat zwijgen.„Ik zal uw voorstel in gezette overweging nemen,” sprak hij. „Er is natuurlijk veel, wat mij daarin toelacht; ik moet evenwel mijn vriend Riethoven spreken.… wij waren steeds vrienden … en.”„Is hij met uw hartgeheim bekend?”Frank knikte bevestigend.„En … zijt gij met zijn hartgeheimen bekend?”„Wij hebben geene hartgeheimen voor elkander; maar in den tegenwoordigen tijd heeft hij er geen,” antwoordde Frank. „Hij leeft nog te veel onder den indruk van de ondergane teleurstelling.”De heer Groenewald zuchtte eens. Die zucht ging evenwel in het gefluit van den wind verloren.Beneden had intusschen een ander tooneel plaats.Toen de heer Groenewald zich naar het dek begaf, zat zijne dochter Emma in de kerk met kapitein Van Dam, dokter Hannius en den apotheker Behren te praten. Mevrouw Groenewald had Adelien een teeken gegeven, en beide waren naar de hut der ouders gegaan, alwaar de moeder in weinige woorden aan hare dochter mededeelde,[314]wat het doel was van het gaan van den vader naar het dek, namelijk om te trachten de sergeanten Brinkman en Riethoven over te halen, den krijgsdienst vaarwel te zeggen en de betrekking van opzichter op zijne koffie-onderneming te aanvaarden. Toen het jonge meisje dat hoorde, verborg zij haar gelaat aan den boezem harer moeder en rispelde zacht:„O! wat ben ik gelukkig! wat ben ik gelukkig!”Mevrouw Groenewald sloeg haar arm om de leest van haar kind, drukte haar innig aan het hart; maar vroeg haar met een ondeugend lachje, alsof zij van niets wist, wat die mededeeling hare Adelien toch zoo gelukkig kon maken. Er was zoo weinig noodig om dat jeugdige oorspronkelijke gemoed tot mededeelzaamheid te verlokken. Mededeelzaamheid is toch der jeugd, vooral wanneer zij zich gelukkig gevoelt, zoo eigen. En voor wie zou het lieve kind ook eerder haar hart opengelegd hebben dan voor de vrouw, die haar het leven had geschonken, die haar met haar bloed gevoed had, die hare eerste wankelende schreden schraagde, toen de kleine voetjes nog onmachtig waren het kinderlijke lichaampje te dragen, die haar later opkweekte en opvoedde, en haar die kiemen in het hart lei, die thans het jeugdige meisje tot eene aanminnige, lieftallige en bekoorlijke maagd hadden doen ontluiken, en die haar tot eene lieve en degelijke vrouw zouden doen rijpen? Neen, voor die moeder, die hare taak met zooveel liefde en toewijding, met zooveel tact en zacht geduld volbracht had, die zich langzamerhand, naarmate het meisje ontwikkelde, tot hare vriendin, tot hare beste vriendin vervormd had, kon haar hart bij de wichtigste levensuiting, die zich nog bij haar openbaarde, niet gesloten zijn! Dat alles ging als bij intuïtie in een ondeelbaar oogenblik in het gemoed van het jonge meisje om.[315]Zij bereidde zich eene zitplaats op den moederlijken schoot, dook daarin als een vogeltje in het ouderlijke nestje, hield nog altijd het hoofdje aan den moederlijken boezem verscholen, en deed nu, terwijl hare fraaie oogjes van geluk straalden, maar zich ook van aandoening parelden, een verhaal van hare ontluikende genegenheid voor Frank. Och! dat zulke verheven oogenblikken voor den voornaamsten belangstellenden immer een geheim moeten blijven? Dat hij die verrukkelijke ontboezeming niet kan vernemen, dat de fijne schakeeringen daarbij voor hem immer onbekend en ongenoten moeten blijven, al wordt hem ook later honderdmaal dat onderhoud medegedeeld! Want welke menschelijke tong is in staat zoo’n gesprek tusschen moeder en dochter weer te geven? Welke stem, hoe liefelijk ruischend ook, is bij machte de intonatie te doen hooren, zooals zij luidde, toen de woorden schuchter, zacht en schier onhoorbaar lispelden: „o! moeder, ik heb hem zoo lief!” Neen, welke liefde, welke innigheid, welke vertrouwelijkheid tusschen de gelieven moge ontstaan, die innige heilige ongedwongen mededeelzaamheid, welke daar in dat uur aan den moederlijken boezem te voorschijn treedt, zullen zij nimmer ondervinden. De band tusschen moeder en dochter is nog iets heiliger, dan die tusschen man en vrouw!In weinige oogenblikken wist mevrouw Groenewald alles, van den eersten indruk af, dien de jongman op het jeugdige ontvankelijke gemoed harer Adelien gemaakt had, tot het wisselen van den eersten kus toe. De zorgzame moeder vernam toen ook, dat nog geen enkel woord van liefde of genegenheid tusschen de jongelieden gesproken was. Zelf gaf Adelien daar een bevredigenden uitleg van door de bemerking, dat Frank verhinderd was geworden over zijne genegenheid te spreken, door dat het samenzijn aan boord zich niet eigende om zoo’n[316]belangrijk gesprek te voeren, wijl er immer iemand in de onmiddellijke nabijheid was.„Ik ben benieuwd met welke tijding papa straks terug zal komen.”„Zij schijnen het druk te hebben.… althans met wandelen,” antwoordde Adelien glimlachend.… „Hoort ze eens heen en weer trappelen.”Het gesprek vlotte daar boven niet meer. Niet, dat er gebrek was aan stof; maar met den wind nam ook de zee toe, zoodat het inspanning en moeite kostte om voortdurend op de been te blijven en de wandeling te vervolgen. Ergens gaan zitten was niet doenlijk, daar het daartoe te koud was. De beide mannen hadden daarenboven het noodzakelijke besproken, zoodat de heer Groenewald zich haastte om een eind aan het onderhoud te maken.„Gij hebt welgedaan, mij omtrent die aangelegenheden op de hoogte te brengen,” sprak hij. „Evenwel moet gij mij beloven, dat gij u door uwe genegenheid niet zoover zult laten vervoeren om te trachten Adelien alleen te spreken. De goede naam van een meisje is teer, bedenk dat steeds. Overigens wacht ik uw antwoord op mijn voorstel, om nadere beschikkingen te treffen. Goeden dag, mijnheer Brinkman!”Een handdruk werd gewisseld, waarna beiden opgetogen over elkander van het dek verdwenen.Den volgenden morgen heerschte bij het krieken van den dag hetzelfde weder. Loeiende wind uit het noorden en hooge zeeën van denzelfden kant. De hemel zag aschgrauw, hoewel het wolkendak geen aaneengesloten geheel vormde, maar hier en daar scheuren liet ontwaren, waar de zon somwijlen doorbrak, en dan met hare stralen dat tooneel van opgezweepte golven bescheen, en[317]het woeste van die met schuim gekuifde koppen nog meer deed uitkomen.„Is dat nog altijd stijve bramzeilskoelte, die waait?” vroeg Denniston, toen hij aan het dek kwam en dat tooneel overzag, aan stuurman Abels.„Kijk maar, mijnheer, de bramzeilen staan nog bij,” antwoordde de stuurman. „Of zij evenwel nog lang bij zullen blijven, daaraan begin ik te twijfelen.…”„Hoe dat zoo?” vroeg Behren, die dat antwoord opgevangen had.„Wel, de barometer daalt aanhoudend. Het gaat langzaam, evenwel hij daalt maar altijd door. Als ik kapitein was, dan had ik de brammen reeds geborgen.”„Zoo bang, stuur?” vroeg kapitein Van Dam.„Ik ben evenmin bang als een ander,” antwoordde Abels;.… „maar.… kijk, daar zijn weer een paar stormvogels.… Verwenschte dieren, ik zou ze wel kunnen doodschieten!”„Maar, wat is dat daar?” kreet op eens Behren; terwijl hij in de richting naar het zuidoosten wees. „Daar ginds bij den horizon? Het is alsof daar punten boven het water uitkomen en weer verdwijnen. Kijk, hoe regelmatig dat gaat! Dat nadert!… zie … het komt hier heen. Wat is dat toch, stuurman?”Stuurman Abels keek in de aangeduide richting.„Dat!” zeide hij. „Wel dat is eene school bruinvisschen. De „boer met zijn varkens” zooals de matrozen ze noemen.”„Wijst dat op goed of op slecht weer?” vroeg Denniston.„Och! die vertoonen zich bij ieder weer,” antwoordde de stuurman. „Aan hunne verschijning kent de zeeman geen voorteeken toe. Gij hebt ze al meer gezien, nietwaar? Maar niet in zoo groote menigte bij elkander als thans. Kijk, zij naderen al meer en meer.”[318]„Hoe regelmatig duiken zij allen te gelijkertijd tusschen twee golven op, om hunne rugvin even te vertoonen, weer onder te duiken, en dan hunne staartvin te laten zien. Kijk, kijk, daar hebt ge ze weer!”Al de opvarenden van deFernandina Maria Emmahadden hunne aandacht aan het opmerkelijke schouwspel gewijd. Al de militairen, zelfs de matrozen der equipage en de passagiers achteruit lagen over de stuurboords-verschansing naar die bruinvisschen te kijken. Deze naderden al meer en meer. Het was eene geduchte school, die daar in dichtgesloten gelederen aangerukt kwam, en een heel segment van de zeeoppervlakte, die zich voor de oogen der turenden uitbreidde, innam. Als die ontelbare vinnen in de dalen tusschen twee, drie en vier golven zich lieten ontwaren, dan was het of een onderzeesch leger in aantocht was, welker wapenspitsen boven het water uitstaken. Soms werd de een of andere visch door de niet te berekenen beweging der woeste golven verrast, en vertoonde dan zijn ronden dikken kop met grooten muil, zijn glad zakvormig lichaam, zijne wigvormige rugvin en zijn horizontalen staart.De bootsman en eenige matrozen hadden intusschen een paar harpoenen te voorschijn gehaald, die zij aan eene lange lijn vastmaakten, en waarmede zij zich op de verschansing bij den boeg van het schip plaatsten, om te pogen een visch te verrassen.„Het is dwaasheid,” zei stuurman Abels, „bij dit weer en bij deze zee te willen harpoeneeren. Maar laat ze het maar probeeren!”De bruinvisschen naderden intusschen steeds. Eindelijk waren zij bij het schip. Het was nu een vermakelijk schouwspel die dieren bij voorkeur te zien duikelen in de dichte schuimgolven, die het voortgezweepte schip voor zich uitwierp. Soms schoot de school langs beide[319]zijden van het fregat af, vereenigde zich in het kielzog, waarin de doorsneden golven geweldig kookten en kolkten, schoten weer vooruit, doken onder het vaartuig door, verzamelden zich weer voor den boeg om het spel van voren af aan weer te beginnen. Voornamelijk hielden zij zich in het boegwater op, waarin zij dan regelmatig opdoken en onderdompelden, en met het fregat een wedloop schenen te houden.Eensklaps verdwenen al de visschen als bij tooverslag, terwijl op het voorschip een gejuich onder de bemanning opging. Het was werkelijk den bootsman, na ontelbare misworpen, gelukt een dier bruinvisschen aan zijn harpoen te rijgen. Het doorboorde dier spartelde aan de lijn, en was de oorzaak van de verdwijning zijner verschrikte makkers. Ras waren een groot aantal handen aan de lijn geslagen, waaraan de harpoen bevestigd was, en weldra lag de visch stervend op het achterdek.„Is die visch eetbaar?” vroeg een der dames.„De matrozen versmaden hem niet,” antwoordde Abels. „Hij is evenwel zeer tranig, en ik zou u bepaald afraden er van te proeven.”Dokter Hannius was bij het zieltogende dier neergeknield, en bekeek het aandachtig.„Wilt ge dien bruinvisch ook den pols voelen?” vroeg kapitein Van Dam aan den Esculaap.De Germaan lette op die scherts niet.„De bruinvisch,” zei hij, „behoort tot de dolfijnen-familie, die tot de vischachtige zoogdieren behoort. Zijn wetenschappelijke naam is.…”„De boer met zijn varkens,” viel kapitein Butteling in..… „Is Phocaena communis. Hij wordt in alle zeeën van den aardbol aangetroffen, zoowel in de poolzeeën als in de gematigde luchtstreken, en tusschen de keerkringen.…”[320]„Gij kunt er bijvoegen tot in de rivieren toe,” voegde kapitein Van Dam er bij. „In de grootsche stroomen van Zuid-Borneo heb ik menigmaal de bruinvisschen een paar dagreizen ver in het binnenland zien dartelen. Zij heeten daar bij de bevolking „ikan poes”64.„Hij behoort,” ging de dokter voort, „tot de walvischachtige dieren, en is voorzien van een enkel spuitgat boven op den kop. Hij heeft even als alle vischachtige zoogdieren een vischvormig lichaam met een loodrechte rugvin en met horizontalen staart en borstvinnen, welke laatste als de overblijfselen van voorpooten kunnen beschouwd worden. De dikke kop is zonder hals op den romp gehecht, uitwendige ooren ontbreken en de oogen zijn, zooals gij zien kunt, betrekkelijk klein. De wijfjes hebben.…”Een zeetje, dat overspatte en het geheele gezelschap kletsnat maakte, onderbrak de verhandeling gelukkig, toen de zoöloog in tegenwoordigheid der dames zou verklaren, wat de wijfjes hadden en de mannetjes niet. Allen spoedden naar beneden, om de natgeworden kleeding te verwisselen.Omstreeks negen uur liet kapitein Butteling, na den barometer nogmaals geraadpleegd te hebben, de bramzeilen innemen. Wind en zee namen bestendig toe.„Ik heb nimmer in mijn leven den barometer zoo bestendig zien dalen, als bij deze gelegenheid,” zei de scheepsgezagvoerder.„Wij zijn in de zone der veranderlijke winden,” meende kapitein Van Dam.„Juist daarom. In deze zone heb ik het wel gehad, dat de barometer binnen het uur daling en rijzing, en daarna weer daling aanwees. Die aanhoudende daling thans verwondert mij des te meer.”Bij het middagbestek stond het schip, het was den 24stenNovember, op 31° 50′ zuiderbreedte en 30° 39′ westerlengte.[321]Het was of stuurman Ellenbaan gelijk had, toen hij daags te voren voorspelde, dat heden of morgen kaapsche duiven zouden ontwaard worden. In den namiddag kwamen er ettelijke in het gezicht. Het was verrassend te zien hoe spoedig die diertjes, toen zij het schip in het oog kregen, in de nabijheid kwamen zweven, om op den afval der kombuis te azen.„Wat bevallige dieren zijn dat toch,” merkte Emma Groenewald op, terwijl zij met hare ouders en zuster en met de overige passagiers de kringen, welke deze zeevogels beschreven, naoogde. „Ik zou er wel een van nabij willen zien.”„Ik ga beproeven om een duifje te vangen, om het u aan te kunnen bieden,” zei Denniston galant.Goeden wil was bij zoo’n bedrijf evenwel niet voldoende. De gelegenheid moest in de eerste plaats bestaan, en dan behoorde er ook nog wat geluk toe om zoo’n vogel te vangen. Wel liet luitenant Denniston, door zijn collega Leidermooi geholpen, eenige vischhaken aan zeilgaren vastgemaakt, en behoorlijk van een dobbelsteentje spek voorzien, achter den spiegel in het kielwater slieren. Het schip had evenwel te veel vaart. Pijlsnel door het zeewater voortgesleurd was het zeilgaren spoedig doorgeschuurd of het stukje spek van den haak gespoeld. Toen veel sterker kabelgaren door den luitenant genomen en het spek aan den haak met een draad vastgebonden was, draaiden de vogels wel in bevallige kringen boven het aas, buitelden ook wel eens naar omlaag, alsof zij het wilden grijpen, maar raakten het, hoe gulzig zij overigens ook waren, niet aan. De reden daarvan was, dat èn garen èn spek, in die wilde vaart voortgesleept, eene te zichtbare vore door het water trokken en dat het stukje spek, van golftop tot golftop springende, de beestjes maar al te duidelijk de list, die gebezigd werd om hen te krijgen, liet ontwaren.[322]„Maar is spek wel het goede aas?” vroeg Denniston wantrouwend aan stuurman Ellenbaan.„Zou de heer luitenant ook soms denken, dat die duiven de Joodsche Godsdienst belijden?” vroeg de stuurman te midden eener plotseling opkomende lachbui.„Het zijn misschien Mohamedanen?” voegde kapitein Van Dam, die een oogenblik naar die wanhopige visscherij had staan turen, en de vraag van Denniston gehoord had, er bij.„Och, wat ’n malligheid!” antwoordde deze. „Neen kapitein, ziet u, wie zou die dieren hebben leeren spek eten? Dat zal wel het voedsel zijn, hetwelk zij het allerminst op den Oceaan, alwaar geen biggen grazen, zullen aantreffen.”Die grazende biggen op de oppervlakte van den Oceaan moesten een geestig antwoord vormen op de Semitische of Mohamedaansche duiven.„Zoo!” sprak stuurman Ellenbaan. „Dan heeft de heer luitenant nog nimmer eens opgelet op den keukenafval, die dagelijks over boord geworpen wordt. Daarin zit menig kaantje spek of stukje vet van het gezouten vleesch. Daarbij, die beestjes azen op alles, wat hun maar eetbaar voorkomt. Gooit een doode kip in zee, zij zitten er dadelijk op; valt er een mensch over boord, helaas! zij werpen zich dadelijk op hem, munten eerst op zijne oogen, die zij met hunnen gehaakten scherpen snavel al spoedig te pakken hebben, en verslinden daarna den ongelukkige levend. Gij zult toch niet beweren, dat hun veel kippen of over boord gevallen menschen onder het bereik gekomen zullen zijn. Neen, uwe poging om die diertjes te vangen, is te doorzichtig; zij zien dat garen, hetwelk eene voren ploegt, zij zien dat stuk spek, hetwelk van golftop tot golftop springt. Zoo dom laten zij zich niet verschalken.”[323]De stuurman had gelijk. De beide officieren deden nog een paar pogingen, die evenzeer mislukten, waarna zij hun vischtuig inpalmden en de poging staakten. Het speet Denniston toch, dat hij juffrouw Emma kennis moest geven, dat hij haren wensch thans niet bevredigen kon.[324]
[Inhoud]XII.Een onderhoud—Bruinvisschen.„Gaat gij nog naar het dek, papa?” vroeg Adelien Groenewald, toen zij dezen na de lunch zijn overjas zag aantrekken en zich gereed maken om naar boven te gaan.„Ik ga boven eene sigaar rooken,” was het antwoord.„Kunt gij dat hier niet doen? Het waait boven zoo.”„Gij weet wel, dat beneden niet mag gerookt worden,” antwoordde de vader, terwijl hij een belangstellenden blik op zijne dochter liet vallen. „Neen, ik ga naar boven.”„Maar het waait zoo! Gij zult een kou vatten.”„Dat zal wel losloopen. Ik ben geen verwend weekeling, die voor wat wind bang behoeft te zijn. Weest gerust; ik zal onafgebroken heen en weer trippelen.”Toen de heer Groenewald aan het dek kwam, was dat grootendeels verlaten. De meeste soldaten waren naar beneden gegaan, of zochten achter de verschansing aan de windzijde of achter andere voorwerpen, zooals de groote boot, beschutting. Van de passagiers wandelden alleen kapitein Van Dam met den apotheker Behren, die in een druk gesprek schenen, op en neer, en stond stuurman Bagman bij den man aan het roer. De[307]anderen waren of naar kooi gegaan, om door den slaap zich aan de verveling te onttrekken, ook om er een middel tegen de zeeziekte te vinden; terwijl anderen zich in de kerk of in de kajuit met dam- of dominospel of ook wel met lezen onledig hielden.De heer Groenewald kuierde het dek op en neer. Toen hij Frank Brinkman ontwaarde, die met een zijner collega’s stond te praten, riep hij dezen tot zich.„Ik wenschte wel een onderhoud met u te hebben, mijn jonge vriend,” sprak hij. „Kom, volg mij op het achterdek, dan kunnen wij meer ongestoord praten. De heeren Van Dam en Behren wandelen te loevert, wij zullen een halfdekje slaan aan den lijkant.”Frank volgde, natuurlijk uiterst bevreemd wat er komen zou.„Mijnheer Frank,” begon de heer Groenewald, „ik ben u wegens het redden van mijn kind veel dankbaarheid verschuldigd, en ik wenschte mij van die schuld te kunnen kwijten. Niet, dat ik mij van die dankbaarheid ontslagen wenschte; maar ik zou zoo gaarne iets bij willen dragen om uwe toekomst te verzekeren.”Frank boog met dankbaar gebaar.„Ik heb u en uwen vriend als twee degelijk welopgevoede jongelieden leeren kennen, waaromtrent mij door kapitein Van Dam de meest gunstige inlichtingen verstrekt zijn. Is de militaire loopbaan, welke gij ingetreden zijt, wel die uwer keuze? Vergeef mij de onbescheidenheid dier vraag. Het doel daarvan zal u straks blijken. Is er niet de eene of andere teleurstelling in het spel, die u beiden in de gelederen van het koloniale leger bracht?”„Voorzeker,” antwoordde Frank, tot vertrouwen door den goedhartigen toon van Adelien’s vader verlokt, „dacht ik een tiental maanden geleden er niet aan, ooit den[308]militairen rok aan te trekken. Ik had de studie der humaniora achter den rug, en zou aan een der hoogescholen in ons vaderland de studie der rechtswetenschappen aanvaarden; toen mijn vader op het onverwachtst kwam te overlijden en met hem de geheele welgesteldheid van mij en mijne broeders en zusters ten grave daalde. Van verder studeeren kon onmogelijk iets komen. Heel mistroostig maakte mij die laatste teleurstelling niet. Mijn plan was geweest als advokaat naar Indië te vertrekken. Welnu, ik zou Indië bezoeken! Ik nam een koen besluit, ging naar Harderwijk, en verbond mij bij het Indische leger, vast overtuigd, dat met de opvoeding die ik ontvangen had, en met dienstijver en goed gedrag daarbij ook eene eervolle loopbaan te volbrengen zou zijn. Ziedaar, mijnheer Groenewald, de beweegredenen, die mij tot het omhelzen van den militairen stand gevoerd hebben.”„Maar uw vriend Riethoven?”„Die geschiedenis is even eenvoudig, hoewel geheel anders luidende. Mijn vriend Herman studeerde aanvankelijk voor Roomsch geestelijke. Hij leerde evenwel een meisje kennen, en.… ja en.… toen liet hij die vrome plannen varen. Toen hij evenwel de hand van het lieve kind dacht te verwerven, waren dat en hare ouders zoo door de geestelijkheid bewerkt, dat hij een formeel blauwtje liep. Daarbij kwam nu nog, dat zijne ouders weigerden hem eene hoogeschool te laten bezoeken, omdat hij gevaarlijk voor de Kerk kon worden. In zijne wanhoop reisde hij naar Harderwijk en.…”„Dus, het is geene bepaalde roeping, die u beiden in de gelederen bracht? Het heilige vuur ontbrak u …”„Vergeef mij, mijnheer Groenewald, dat heb ik niet gezegd,” antwoordde Frank met een glimlach. „Ik durf beweren, dat niemand met meer toewijding in de gelederen[309]dient dan wij tweeën. Het is waar, dat onze oorspronkelijke opleiding ons niet naar die loopbaan dreef, zooals helaas! zoo dikwerf en met zoo velen geschiedt. Waren onze vaders militairen geweest, of hadden wij militairen onder de leden onzer familie geteld, dan voorzeker zou de officiers-épaulet het ideaal onzer jongelingsjaren geweest zijn, wat nu niet het geval kon zijn. Later, toen wij in de wereld hadden leeren rondzien, kozen wij dien stand geheel vrijwillig, zonder eenigen dwang hoe genaamd ook. Ik druk hierop, want voor ons, die een bedrijvig leven wenschten in te treden, die dus tegen moeiten noch gevaren opzagen, had met onze opvoeding, zich wel een andere kring geopend, wanneer wij dien hadden willen zoeken. Goddank! zoo ver was het nog met geen van ons beiden gekomen, dat broodsgebrek ons in de kazerne bracht!”Frank was langzamerhand in vuur geraakt; want de gedachte verdroot hem, dat Adelien’s vader hem over een kam zou kunnen scheren met de velen, die door honger, wangedrag of door erger genoopt, blij waren nog bij het Koloniaal Werfdepôt te Harderwijk te recht te kunnen komen.Met welgevallen zag de heer Groenewald den jongman aan. Men kon het hem aanzien, dat hij het er op gezet had, Frank tot die stemming te verlokken. Hij leerde zoo den man kennen, wien hij het geluk van zijn kind wenschte toe te vertrouwen.„Ik heb dat zeer goed begrepen en ingezien,” hernam hij, „en ik twijfel aan uw beider lust voor den militairen stand niet. Maar.… als u nu eens een even nuttige, een even bedrijvige loopbaan werd geopend, zoudt gijlieden er dan tegen opzien om het krijgsmanskleed vaarwel te zeggen?”„Een even nuttige, een even bedrijvige loopbaan, mijnheer Groenewald?.…”[310]„Een even nuttig, een even bedrijvig, maar een meer zelfstandig leven!” antwoordde de heer Groenewald, „een leven, waarin gij met eigen krachten, met eigen inzichten kunt optreden, waarin gij niet van de luimen van eene menigte anderen, in den beginne hoogstens van slechts één afhankelijk zijt, waarin gij met uw streven nuttig zijt niet alleen, maar dat nut onmiddellijk ontwaart in de welvaart uwer omgeving, in uw eigen welvaart, waarin gij de vruchten van uw pogen aanschouwen en die ook genieten kunt, en door anderen zien genieten. Zeg, ik herhaal mijn vraag, zoudt gij bij de overtuiging daarvan, aarzelen kunnen om, terwijl het voor ulieden nog tijd is, de eene loopbaan voor de andere te verwisselen?”„Verklaar u toch nader, mijnheer Groenewald,” zei Frank, wiens hart begon te popelen, met aandoening.„Ziehier, mijn jonge vriend,” ging de heer Groenewald voort. „Ik ben bezitter van een aanzienlijke koffie-aanplant op de hellingen van den Lawoe. Ik wenschte u beiden over te halen om het militaire leven te verlaten, en bij mij in dienst te treden om uwe loopbaan als opzichter te beginnen.”„Bij u in dienst treden.… mijnheer Groenewald?…” vroeg Frank, voor wiens geest het liefelijke beeld van Adelien verrees.„Gij bekomt vrije woning, vrije voeding en in den beginne eene remuneratie van honderd gulden ’s maands. Wel, wat zegt ge?.…”„Uw voorstel, mijnheer Groenewald is zoo fraai, maar zoo onverwacht, dat het mij eenigermate bedremmelt,” antwoordde Frank. „Dat is geene zaak om met een ja of een neen af te doen.… Gij zult mij dus vergunnen, dat voorstel in gezette overweging te nemen.… Ik moet daarenboven mijn vriend Riethoven raadplegen.…[311]uw voorstel betrof toch ons beiden, als ik goed begrepen heb, nietwaar?.…”De heer Groenewald knikte ja.„Welnu, gunt ons eenige dagen om uw voorstel te overwegen.”„Neem den tijd, dien gij noodig oordeelt, als gij mij maar antwoord gegeven hebt voor onze aankomst te Batavia. Gij hebt dus nog ettelijke weken voor u.”„Maar.… intusschen wenschte ik u eene bekentenis te doen, mijnheer Groenewald, die wellicht van invloed op uwe beslissing kan zijn, en derhalve.… iedere nadere bespreking omtrent uw voorstel overbodig zou kunnen maken.”„En die bekentenis is?”„Gij zult mij dwaas vinden, gij zult misschien oordeelen, dat ik bij de plaats, die ik op de maatschappelijke ladder inneem, de oogen te hoog ophef. Gij kunt daarin gelijk hebben; maar.… het gevoel dat mij overmeesterd heeft, is zoo onweerstaanbaar, zoo overweldigend geweest, dat ik er niets aan heb kunnen doen of beter gezegd, dat ik niet eens beproefd heb er mij aan te onttrekken.”„Wat is het dan toch?” vroeg de heer Groenewald met een glimlach op het gelaat, dien Frank evenwel niet zag, daar eerstbedoelde juist in dat oogenblik het hoofd afgewend had en over de verschansing buiten boord keek.„Ja, die bekentenis moet mij van het hart.… De gedachte, dat gij mij later zoudt kunnen verdenken, niet openhartig met u omgegaan te hebben, zou mij onverdragelijk wezen.”„Wat is het dan toch?” herhaalde de heer Groenewald. „Kom, vooruit met die bekentenis; wellicht is zij niet eenmaal zoo moeilijk.”Frank greep zijn moed met beide handen.[312]„Ik heb eene innige genegenheid voor juffrouw Adelien, uwe dochter opgevat, en.…”„Zoooo!” sprak de heer Groenewald met langgerekte stem.Brinkman keek hem ter sluiks aan. Daar was evenwel niets onrustbarends op dat gelaat te lezen, hetwelk dat „zoooo!” vergezelde. Integendeel dat gelaat teekende veel goedhartigheid en veel welwillendheid.„En.…” wilde de jonkman voortgaan.„En die genegenheid wordt ten volle gedeeld, dat is het, wat gij er bij voegen wildet, niet waar?” viel de heer Groenewald in de reden.„Dat meende ik niet te beweren,” antwoordde Frank.„Dat behoeft ook niet. Moederlijke oogen zien scherp, mijnheer Brinkman,” ging de vader voort. „Daarenboven Adelien heeft hare ouders niet onkundig met den toestand van haar hart gelaten.”Dat was eene kleine onwaarheid om later Adelien’s gevoel tegenover den jongman te redden. Zij had nog gezwegen, niet uit zucht tot geheimzinnigheid; maar omdat de geheele verstandhouding tusschen haar en Frank zich nog slechts tot het wisselen van een paar handdrukken en een kus bepaald hadden. Woorden van toegenegenheid, van liefde waren nog niet gesproken, daartoe had tijd en gelegenheid ontbroken.„Zoodat?…” riep Frank aarzelend uit.„Zoodat?… ja, wat zoodat?…” hernam de heer Groenewald door die vraag verrast. „Zoodat.… het van u afhangt, mijnheer Brinkman, of die ontluikende genegenheid de goedkeuring van mijne vrouw en mij zal kunnen verwerven ja of neen. Beiden zouden wij er wel tegen opzien, onze dochters aan officieren af te staan.”Frank dacht diep na, hij liep naast den heer Groenewald eenige malen het achterdek op en neer, zonder een[313]woord te spreken. Adeliens vader eerbiedigde dat zwijgen; er werd hier over eene geheele toekomst gehandeld.Het schip in zijne pijlsnelle vaart, door de stijve bramzeilskoelte, die al meer aanwakkerde en door de woest aanrollende zeeën, die aan stuurboord van achteren dwars inkwamen, genoopt, maakte kabriolen, steigerde, maar ging daarbij soms zoodanig naar lij over, alsof het zou omkantelen, zou kapzijzen, zooals de zeelui dat noemen, en waarbij onze wandelaars onmogelijk de rechte lijn konden houden; maar dan, hoe zeevast hunne voeten ook bleken, naar lij afweken, en bij wijlen onzacht tegen de verschansing aankwamen.Eindelijk verbrak Frank dat zwijgen.„Ik zal uw voorstel in gezette overweging nemen,” sprak hij. „Er is natuurlijk veel, wat mij daarin toelacht; ik moet evenwel mijn vriend Riethoven spreken.… wij waren steeds vrienden … en.”„Is hij met uw hartgeheim bekend?”Frank knikte bevestigend.„En … zijt gij met zijn hartgeheimen bekend?”„Wij hebben geene hartgeheimen voor elkander; maar in den tegenwoordigen tijd heeft hij er geen,” antwoordde Frank. „Hij leeft nog te veel onder den indruk van de ondergane teleurstelling.”De heer Groenewald zuchtte eens. Die zucht ging evenwel in het gefluit van den wind verloren.Beneden had intusschen een ander tooneel plaats.Toen de heer Groenewald zich naar het dek begaf, zat zijne dochter Emma in de kerk met kapitein Van Dam, dokter Hannius en den apotheker Behren te praten. Mevrouw Groenewald had Adelien een teeken gegeven, en beide waren naar de hut der ouders gegaan, alwaar de moeder in weinige woorden aan hare dochter mededeelde,[314]wat het doel was van het gaan van den vader naar het dek, namelijk om te trachten de sergeanten Brinkman en Riethoven over te halen, den krijgsdienst vaarwel te zeggen en de betrekking van opzichter op zijne koffie-onderneming te aanvaarden. Toen het jonge meisje dat hoorde, verborg zij haar gelaat aan den boezem harer moeder en rispelde zacht:„O! wat ben ik gelukkig! wat ben ik gelukkig!”Mevrouw Groenewald sloeg haar arm om de leest van haar kind, drukte haar innig aan het hart; maar vroeg haar met een ondeugend lachje, alsof zij van niets wist, wat die mededeeling hare Adelien toch zoo gelukkig kon maken. Er was zoo weinig noodig om dat jeugdige oorspronkelijke gemoed tot mededeelzaamheid te verlokken. Mededeelzaamheid is toch der jeugd, vooral wanneer zij zich gelukkig gevoelt, zoo eigen. En voor wie zou het lieve kind ook eerder haar hart opengelegd hebben dan voor de vrouw, die haar het leven had geschonken, die haar met haar bloed gevoed had, die hare eerste wankelende schreden schraagde, toen de kleine voetjes nog onmachtig waren het kinderlijke lichaampje te dragen, die haar later opkweekte en opvoedde, en haar die kiemen in het hart lei, die thans het jeugdige meisje tot eene aanminnige, lieftallige en bekoorlijke maagd hadden doen ontluiken, en die haar tot eene lieve en degelijke vrouw zouden doen rijpen? Neen, voor die moeder, die hare taak met zooveel liefde en toewijding, met zooveel tact en zacht geduld volbracht had, die zich langzamerhand, naarmate het meisje ontwikkelde, tot hare vriendin, tot hare beste vriendin vervormd had, kon haar hart bij de wichtigste levensuiting, die zich nog bij haar openbaarde, niet gesloten zijn! Dat alles ging als bij intuïtie in een ondeelbaar oogenblik in het gemoed van het jonge meisje om.[315]Zij bereidde zich eene zitplaats op den moederlijken schoot, dook daarin als een vogeltje in het ouderlijke nestje, hield nog altijd het hoofdje aan den moederlijken boezem verscholen, en deed nu, terwijl hare fraaie oogjes van geluk straalden, maar zich ook van aandoening parelden, een verhaal van hare ontluikende genegenheid voor Frank. Och! dat zulke verheven oogenblikken voor den voornaamsten belangstellenden immer een geheim moeten blijven? Dat hij die verrukkelijke ontboezeming niet kan vernemen, dat de fijne schakeeringen daarbij voor hem immer onbekend en ongenoten moeten blijven, al wordt hem ook later honderdmaal dat onderhoud medegedeeld! Want welke menschelijke tong is in staat zoo’n gesprek tusschen moeder en dochter weer te geven? Welke stem, hoe liefelijk ruischend ook, is bij machte de intonatie te doen hooren, zooals zij luidde, toen de woorden schuchter, zacht en schier onhoorbaar lispelden: „o! moeder, ik heb hem zoo lief!” Neen, welke liefde, welke innigheid, welke vertrouwelijkheid tusschen de gelieven moge ontstaan, die innige heilige ongedwongen mededeelzaamheid, welke daar in dat uur aan den moederlijken boezem te voorschijn treedt, zullen zij nimmer ondervinden. De band tusschen moeder en dochter is nog iets heiliger, dan die tusschen man en vrouw!In weinige oogenblikken wist mevrouw Groenewald alles, van den eersten indruk af, dien de jongman op het jeugdige ontvankelijke gemoed harer Adelien gemaakt had, tot het wisselen van den eersten kus toe. De zorgzame moeder vernam toen ook, dat nog geen enkel woord van liefde of genegenheid tusschen de jongelieden gesproken was. Zelf gaf Adelien daar een bevredigenden uitleg van door de bemerking, dat Frank verhinderd was geworden over zijne genegenheid te spreken, door dat het samenzijn aan boord zich niet eigende om zoo’n[316]belangrijk gesprek te voeren, wijl er immer iemand in de onmiddellijke nabijheid was.„Ik ben benieuwd met welke tijding papa straks terug zal komen.”„Zij schijnen het druk te hebben.… althans met wandelen,” antwoordde Adelien glimlachend.… „Hoort ze eens heen en weer trappelen.”Het gesprek vlotte daar boven niet meer. Niet, dat er gebrek was aan stof; maar met den wind nam ook de zee toe, zoodat het inspanning en moeite kostte om voortdurend op de been te blijven en de wandeling te vervolgen. Ergens gaan zitten was niet doenlijk, daar het daartoe te koud was. De beide mannen hadden daarenboven het noodzakelijke besproken, zoodat de heer Groenewald zich haastte om een eind aan het onderhoud te maken.„Gij hebt welgedaan, mij omtrent die aangelegenheden op de hoogte te brengen,” sprak hij. „Evenwel moet gij mij beloven, dat gij u door uwe genegenheid niet zoover zult laten vervoeren om te trachten Adelien alleen te spreken. De goede naam van een meisje is teer, bedenk dat steeds. Overigens wacht ik uw antwoord op mijn voorstel, om nadere beschikkingen te treffen. Goeden dag, mijnheer Brinkman!”Een handdruk werd gewisseld, waarna beiden opgetogen over elkander van het dek verdwenen.Den volgenden morgen heerschte bij het krieken van den dag hetzelfde weder. Loeiende wind uit het noorden en hooge zeeën van denzelfden kant. De hemel zag aschgrauw, hoewel het wolkendak geen aaneengesloten geheel vormde, maar hier en daar scheuren liet ontwaren, waar de zon somwijlen doorbrak, en dan met hare stralen dat tooneel van opgezweepte golven bescheen, en[317]het woeste van die met schuim gekuifde koppen nog meer deed uitkomen.„Is dat nog altijd stijve bramzeilskoelte, die waait?” vroeg Denniston, toen hij aan het dek kwam en dat tooneel overzag, aan stuurman Abels.„Kijk maar, mijnheer, de bramzeilen staan nog bij,” antwoordde de stuurman. „Of zij evenwel nog lang bij zullen blijven, daaraan begin ik te twijfelen.…”„Hoe dat zoo?” vroeg Behren, die dat antwoord opgevangen had.„Wel, de barometer daalt aanhoudend. Het gaat langzaam, evenwel hij daalt maar altijd door. Als ik kapitein was, dan had ik de brammen reeds geborgen.”„Zoo bang, stuur?” vroeg kapitein Van Dam.„Ik ben evenmin bang als een ander,” antwoordde Abels;.… „maar.… kijk, daar zijn weer een paar stormvogels.… Verwenschte dieren, ik zou ze wel kunnen doodschieten!”„Maar, wat is dat daar?” kreet op eens Behren; terwijl hij in de richting naar het zuidoosten wees. „Daar ginds bij den horizon? Het is alsof daar punten boven het water uitkomen en weer verdwijnen. Kijk, hoe regelmatig dat gaat! Dat nadert!… zie … het komt hier heen. Wat is dat toch, stuurman?”Stuurman Abels keek in de aangeduide richting.„Dat!” zeide hij. „Wel dat is eene school bruinvisschen. De „boer met zijn varkens” zooals de matrozen ze noemen.”„Wijst dat op goed of op slecht weer?” vroeg Denniston.„Och! die vertoonen zich bij ieder weer,” antwoordde de stuurman. „Aan hunne verschijning kent de zeeman geen voorteeken toe. Gij hebt ze al meer gezien, nietwaar? Maar niet in zoo groote menigte bij elkander als thans. Kijk, zij naderen al meer en meer.”[318]„Hoe regelmatig duiken zij allen te gelijkertijd tusschen twee golven op, om hunne rugvin even te vertoonen, weer onder te duiken, en dan hunne staartvin te laten zien. Kijk, kijk, daar hebt ge ze weer!”Al de opvarenden van deFernandina Maria Emmahadden hunne aandacht aan het opmerkelijke schouwspel gewijd. Al de militairen, zelfs de matrozen der equipage en de passagiers achteruit lagen over de stuurboords-verschansing naar die bruinvisschen te kijken. Deze naderden al meer en meer. Het was eene geduchte school, die daar in dichtgesloten gelederen aangerukt kwam, en een heel segment van de zeeoppervlakte, die zich voor de oogen der turenden uitbreidde, innam. Als die ontelbare vinnen in de dalen tusschen twee, drie en vier golven zich lieten ontwaren, dan was het of een onderzeesch leger in aantocht was, welker wapenspitsen boven het water uitstaken. Soms werd de een of andere visch door de niet te berekenen beweging der woeste golven verrast, en vertoonde dan zijn ronden dikken kop met grooten muil, zijn glad zakvormig lichaam, zijne wigvormige rugvin en zijn horizontalen staart.De bootsman en eenige matrozen hadden intusschen een paar harpoenen te voorschijn gehaald, die zij aan eene lange lijn vastmaakten, en waarmede zij zich op de verschansing bij den boeg van het schip plaatsten, om te pogen een visch te verrassen.„Het is dwaasheid,” zei stuurman Abels, „bij dit weer en bij deze zee te willen harpoeneeren. Maar laat ze het maar probeeren!”De bruinvisschen naderden intusschen steeds. Eindelijk waren zij bij het schip. Het was nu een vermakelijk schouwspel die dieren bij voorkeur te zien duikelen in de dichte schuimgolven, die het voortgezweepte schip voor zich uitwierp. Soms schoot de school langs beide[319]zijden van het fregat af, vereenigde zich in het kielzog, waarin de doorsneden golven geweldig kookten en kolkten, schoten weer vooruit, doken onder het vaartuig door, verzamelden zich weer voor den boeg om het spel van voren af aan weer te beginnen. Voornamelijk hielden zij zich in het boegwater op, waarin zij dan regelmatig opdoken en onderdompelden, en met het fregat een wedloop schenen te houden.Eensklaps verdwenen al de visschen als bij tooverslag, terwijl op het voorschip een gejuich onder de bemanning opging. Het was werkelijk den bootsman, na ontelbare misworpen, gelukt een dier bruinvisschen aan zijn harpoen te rijgen. Het doorboorde dier spartelde aan de lijn, en was de oorzaak van de verdwijning zijner verschrikte makkers. Ras waren een groot aantal handen aan de lijn geslagen, waaraan de harpoen bevestigd was, en weldra lag de visch stervend op het achterdek.„Is die visch eetbaar?” vroeg een der dames.„De matrozen versmaden hem niet,” antwoordde Abels. „Hij is evenwel zeer tranig, en ik zou u bepaald afraden er van te proeven.”Dokter Hannius was bij het zieltogende dier neergeknield, en bekeek het aandachtig.„Wilt ge dien bruinvisch ook den pols voelen?” vroeg kapitein Van Dam aan den Esculaap.De Germaan lette op die scherts niet.„De bruinvisch,” zei hij, „behoort tot de dolfijnen-familie, die tot de vischachtige zoogdieren behoort. Zijn wetenschappelijke naam is.…”„De boer met zijn varkens,” viel kapitein Butteling in..… „Is Phocaena communis. Hij wordt in alle zeeën van den aardbol aangetroffen, zoowel in de poolzeeën als in de gematigde luchtstreken, en tusschen de keerkringen.…”[320]„Gij kunt er bijvoegen tot in de rivieren toe,” voegde kapitein Van Dam er bij. „In de grootsche stroomen van Zuid-Borneo heb ik menigmaal de bruinvisschen een paar dagreizen ver in het binnenland zien dartelen. Zij heeten daar bij de bevolking „ikan poes”64.„Hij behoort,” ging de dokter voort, „tot de walvischachtige dieren, en is voorzien van een enkel spuitgat boven op den kop. Hij heeft even als alle vischachtige zoogdieren een vischvormig lichaam met een loodrechte rugvin en met horizontalen staart en borstvinnen, welke laatste als de overblijfselen van voorpooten kunnen beschouwd worden. De dikke kop is zonder hals op den romp gehecht, uitwendige ooren ontbreken en de oogen zijn, zooals gij zien kunt, betrekkelijk klein. De wijfjes hebben.…”Een zeetje, dat overspatte en het geheele gezelschap kletsnat maakte, onderbrak de verhandeling gelukkig, toen de zoöloog in tegenwoordigheid der dames zou verklaren, wat de wijfjes hadden en de mannetjes niet. Allen spoedden naar beneden, om de natgeworden kleeding te verwisselen.Omstreeks negen uur liet kapitein Butteling, na den barometer nogmaals geraadpleegd te hebben, de bramzeilen innemen. Wind en zee namen bestendig toe.„Ik heb nimmer in mijn leven den barometer zoo bestendig zien dalen, als bij deze gelegenheid,” zei de scheepsgezagvoerder.„Wij zijn in de zone der veranderlijke winden,” meende kapitein Van Dam.„Juist daarom. In deze zone heb ik het wel gehad, dat de barometer binnen het uur daling en rijzing, en daarna weer daling aanwees. Die aanhoudende daling thans verwondert mij des te meer.”Bij het middagbestek stond het schip, het was den 24stenNovember, op 31° 50′ zuiderbreedte en 30° 39′ westerlengte.[321]Het was of stuurman Ellenbaan gelijk had, toen hij daags te voren voorspelde, dat heden of morgen kaapsche duiven zouden ontwaard worden. In den namiddag kwamen er ettelijke in het gezicht. Het was verrassend te zien hoe spoedig die diertjes, toen zij het schip in het oog kregen, in de nabijheid kwamen zweven, om op den afval der kombuis te azen.„Wat bevallige dieren zijn dat toch,” merkte Emma Groenewald op, terwijl zij met hare ouders en zuster en met de overige passagiers de kringen, welke deze zeevogels beschreven, naoogde. „Ik zou er wel een van nabij willen zien.”„Ik ga beproeven om een duifje te vangen, om het u aan te kunnen bieden,” zei Denniston galant.Goeden wil was bij zoo’n bedrijf evenwel niet voldoende. De gelegenheid moest in de eerste plaats bestaan, en dan behoorde er ook nog wat geluk toe om zoo’n vogel te vangen. Wel liet luitenant Denniston, door zijn collega Leidermooi geholpen, eenige vischhaken aan zeilgaren vastgemaakt, en behoorlijk van een dobbelsteentje spek voorzien, achter den spiegel in het kielwater slieren. Het schip had evenwel te veel vaart. Pijlsnel door het zeewater voortgesleurd was het zeilgaren spoedig doorgeschuurd of het stukje spek van den haak gespoeld. Toen veel sterker kabelgaren door den luitenant genomen en het spek aan den haak met een draad vastgebonden was, draaiden de vogels wel in bevallige kringen boven het aas, buitelden ook wel eens naar omlaag, alsof zij het wilden grijpen, maar raakten het, hoe gulzig zij overigens ook waren, niet aan. De reden daarvan was, dat èn garen èn spek, in die wilde vaart voortgesleept, eene te zichtbare vore door het water trokken en dat het stukje spek, van golftop tot golftop springende, de beestjes maar al te duidelijk de list, die gebezigd werd om hen te krijgen, liet ontwaren.[322]„Maar is spek wel het goede aas?” vroeg Denniston wantrouwend aan stuurman Ellenbaan.„Zou de heer luitenant ook soms denken, dat die duiven de Joodsche Godsdienst belijden?” vroeg de stuurman te midden eener plotseling opkomende lachbui.„Het zijn misschien Mohamedanen?” voegde kapitein Van Dam, die een oogenblik naar die wanhopige visscherij had staan turen, en de vraag van Denniston gehoord had, er bij.„Och, wat ’n malligheid!” antwoordde deze. „Neen kapitein, ziet u, wie zou die dieren hebben leeren spek eten? Dat zal wel het voedsel zijn, hetwelk zij het allerminst op den Oceaan, alwaar geen biggen grazen, zullen aantreffen.”Die grazende biggen op de oppervlakte van den Oceaan moesten een geestig antwoord vormen op de Semitische of Mohamedaansche duiven.„Zoo!” sprak stuurman Ellenbaan. „Dan heeft de heer luitenant nog nimmer eens opgelet op den keukenafval, die dagelijks over boord geworpen wordt. Daarin zit menig kaantje spek of stukje vet van het gezouten vleesch. Daarbij, die beestjes azen op alles, wat hun maar eetbaar voorkomt. Gooit een doode kip in zee, zij zitten er dadelijk op; valt er een mensch over boord, helaas! zij werpen zich dadelijk op hem, munten eerst op zijne oogen, die zij met hunnen gehaakten scherpen snavel al spoedig te pakken hebben, en verslinden daarna den ongelukkige levend. Gij zult toch niet beweren, dat hun veel kippen of over boord gevallen menschen onder het bereik gekomen zullen zijn. Neen, uwe poging om die diertjes te vangen, is te doorzichtig; zij zien dat garen, hetwelk eene voren ploegt, zij zien dat stuk spek, hetwelk van golftop tot golftop springt. Zoo dom laten zij zich niet verschalken.”[323]De stuurman had gelijk. De beide officieren deden nog een paar pogingen, die evenzeer mislukten, waarna zij hun vischtuig inpalmden en de poging staakten. Het speet Denniston toch, dat hij juffrouw Emma kennis moest geven, dat hij haren wensch thans niet bevredigen kon.[324]
[Inhoud]XII.Een onderhoud—Bruinvisschen.„Gaat gij nog naar het dek, papa?” vroeg Adelien Groenewald, toen zij dezen na de lunch zijn overjas zag aantrekken en zich gereed maken om naar boven te gaan.„Ik ga boven eene sigaar rooken,” was het antwoord.„Kunt gij dat hier niet doen? Het waait boven zoo.”„Gij weet wel, dat beneden niet mag gerookt worden,” antwoordde de vader, terwijl hij een belangstellenden blik op zijne dochter liet vallen. „Neen, ik ga naar boven.”„Maar het waait zoo! Gij zult een kou vatten.”„Dat zal wel losloopen. Ik ben geen verwend weekeling, die voor wat wind bang behoeft te zijn. Weest gerust; ik zal onafgebroken heen en weer trippelen.”Toen de heer Groenewald aan het dek kwam, was dat grootendeels verlaten. De meeste soldaten waren naar beneden gegaan, of zochten achter de verschansing aan de windzijde of achter andere voorwerpen, zooals de groote boot, beschutting. Van de passagiers wandelden alleen kapitein Van Dam met den apotheker Behren, die in een druk gesprek schenen, op en neer, en stond stuurman Bagman bij den man aan het roer. De[307]anderen waren of naar kooi gegaan, om door den slaap zich aan de verveling te onttrekken, ook om er een middel tegen de zeeziekte te vinden; terwijl anderen zich in de kerk of in de kajuit met dam- of dominospel of ook wel met lezen onledig hielden.De heer Groenewald kuierde het dek op en neer. Toen hij Frank Brinkman ontwaarde, die met een zijner collega’s stond te praten, riep hij dezen tot zich.„Ik wenschte wel een onderhoud met u te hebben, mijn jonge vriend,” sprak hij. „Kom, volg mij op het achterdek, dan kunnen wij meer ongestoord praten. De heeren Van Dam en Behren wandelen te loevert, wij zullen een halfdekje slaan aan den lijkant.”Frank volgde, natuurlijk uiterst bevreemd wat er komen zou.„Mijnheer Frank,” begon de heer Groenewald, „ik ben u wegens het redden van mijn kind veel dankbaarheid verschuldigd, en ik wenschte mij van die schuld te kunnen kwijten. Niet, dat ik mij van die dankbaarheid ontslagen wenschte; maar ik zou zoo gaarne iets bij willen dragen om uwe toekomst te verzekeren.”Frank boog met dankbaar gebaar.„Ik heb u en uwen vriend als twee degelijk welopgevoede jongelieden leeren kennen, waaromtrent mij door kapitein Van Dam de meest gunstige inlichtingen verstrekt zijn. Is de militaire loopbaan, welke gij ingetreden zijt, wel die uwer keuze? Vergeef mij de onbescheidenheid dier vraag. Het doel daarvan zal u straks blijken. Is er niet de eene of andere teleurstelling in het spel, die u beiden in de gelederen van het koloniale leger bracht?”„Voorzeker,” antwoordde Frank, tot vertrouwen door den goedhartigen toon van Adelien’s vader verlokt, „dacht ik een tiental maanden geleden er niet aan, ooit den[308]militairen rok aan te trekken. Ik had de studie der humaniora achter den rug, en zou aan een der hoogescholen in ons vaderland de studie der rechtswetenschappen aanvaarden; toen mijn vader op het onverwachtst kwam te overlijden en met hem de geheele welgesteldheid van mij en mijne broeders en zusters ten grave daalde. Van verder studeeren kon onmogelijk iets komen. Heel mistroostig maakte mij die laatste teleurstelling niet. Mijn plan was geweest als advokaat naar Indië te vertrekken. Welnu, ik zou Indië bezoeken! Ik nam een koen besluit, ging naar Harderwijk, en verbond mij bij het Indische leger, vast overtuigd, dat met de opvoeding die ik ontvangen had, en met dienstijver en goed gedrag daarbij ook eene eervolle loopbaan te volbrengen zou zijn. Ziedaar, mijnheer Groenewald, de beweegredenen, die mij tot het omhelzen van den militairen stand gevoerd hebben.”„Maar uw vriend Riethoven?”„Die geschiedenis is even eenvoudig, hoewel geheel anders luidende. Mijn vriend Herman studeerde aanvankelijk voor Roomsch geestelijke. Hij leerde evenwel een meisje kennen, en.… ja en.… toen liet hij die vrome plannen varen. Toen hij evenwel de hand van het lieve kind dacht te verwerven, waren dat en hare ouders zoo door de geestelijkheid bewerkt, dat hij een formeel blauwtje liep. Daarbij kwam nu nog, dat zijne ouders weigerden hem eene hoogeschool te laten bezoeken, omdat hij gevaarlijk voor de Kerk kon worden. In zijne wanhoop reisde hij naar Harderwijk en.…”„Dus, het is geene bepaalde roeping, die u beiden in de gelederen bracht? Het heilige vuur ontbrak u …”„Vergeef mij, mijnheer Groenewald, dat heb ik niet gezegd,” antwoordde Frank met een glimlach. „Ik durf beweren, dat niemand met meer toewijding in de gelederen[309]dient dan wij tweeën. Het is waar, dat onze oorspronkelijke opleiding ons niet naar die loopbaan dreef, zooals helaas! zoo dikwerf en met zoo velen geschiedt. Waren onze vaders militairen geweest, of hadden wij militairen onder de leden onzer familie geteld, dan voorzeker zou de officiers-épaulet het ideaal onzer jongelingsjaren geweest zijn, wat nu niet het geval kon zijn. Later, toen wij in de wereld hadden leeren rondzien, kozen wij dien stand geheel vrijwillig, zonder eenigen dwang hoe genaamd ook. Ik druk hierop, want voor ons, die een bedrijvig leven wenschten in te treden, die dus tegen moeiten noch gevaren opzagen, had met onze opvoeding, zich wel een andere kring geopend, wanneer wij dien hadden willen zoeken. Goddank! zoo ver was het nog met geen van ons beiden gekomen, dat broodsgebrek ons in de kazerne bracht!”Frank was langzamerhand in vuur geraakt; want de gedachte verdroot hem, dat Adelien’s vader hem over een kam zou kunnen scheren met de velen, die door honger, wangedrag of door erger genoopt, blij waren nog bij het Koloniaal Werfdepôt te Harderwijk te recht te kunnen komen.Met welgevallen zag de heer Groenewald den jongman aan. Men kon het hem aanzien, dat hij het er op gezet had, Frank tot die stemming te verlokken. Hij leerde zoo den man kennen, wien hij het geluk van zijn kind wenschte toe te vertrouwen.„Ik heb dat zeer goed begrepen en ingezien,” hernam hij, „en ik twijfel aan uw beider lust voor den militairen stand niet. Maar.… als u nu eens een even nuttige, een even bedrijvige loopbaan werd geopend, zoudt gijlieden er dan tegen opzien om het krijgsmanskleed vaarwel te zeggen?”„Een even nuttige, een even bedrijvige loopbaan, mijnheer Groenewald?.…”[310]„Een even nuttig, een even bedrijvig, maar een meer zelfstandig leven!” antwoordde de heer Groenewald, „een leven, waarin gij met eigen krachten, met eigen inzichten kunt optreden, waarin gij niet van de luimen van eene menigte anderen, in den beginne hoogstens van slechts één afhankelijk zijt, waarin gij met uw streven nuttig zijt niet alleen, maar dat nut onmiddellijk ontwaart in de welvaart uwer omgeving, in uw eigen welvaart, waarin gij de vruchten van uw pogen aanschouwen en die ook genieten kunt, en door anderen zien genieten. Zeg, ik herhaal mijn vraag, zoudt gij bij de overtuiging daarvan, aarzelen kunnen om, terwijl het voor ulieden nog tijd is, de eene loopbaan voor de andere te verwisselen?”„Verklaar u toch nader, mijnheer Groenewald,” zei Frank, wiens hart begon te popelen, met aandoening.„Ziehier, mijn jonge vriend,” ging de heer Groenewald voort. „Ik ben bezitter van een aanzienlijke koffie-aanplant op de hellingen van den Lawoe. Ik wenschte u beiden over te halen om het militaire leven te verlaten, en bij mij in dienst te treden om uwe loopbaan als opzichter te beginnen.”„Bij u in dienst treden.… mijnheer Groenewald?…” vroeg Frank, voor wiens geest het liefelijke beeld van Adelien verrees.„Gij bekomt vrije woning, vrije voeding en in den beginne eene remuneratie van honderd gulden ’s maands. Wel, wat zegt ge?.…”„Uw voorstel, mijnheer Groenewald is zoo fraai, maar zoo onverwacht, dat het mij eenigermate bedremmelt,” antwoordde Frank. „Dat is geene zaak om met een ja of een neen af te doen.… Gij zult mij dus vergunnen, dat voorstel in gezette overweging te nemen.… Ik moet daarenboven mijn vriend Riethoven raadplegen.…[311]uw voorstel betrof toch ons beiden, als ik goed begrepen heb, nietwaar?.…”De heer Groenewald knikte ja.„Welnu, gunt ons eenige dagen om uw voorstel te overwegen.”„Neem den tijd, dien gij noodig oordeelt, als gij mij maar antwoord gegeven hebt voor onze aankomst te Batavia. Gij hebt dus nog ettelijke weken voor u.”„Maar.… intusschen wenschte ik u eene bekentenis te doen, mijnheer Groenewald, die wellicht van invloed op uwe beslissing kan zijn, en derhalve.… iedere nadere bespreking omtrent uw voorstel overbodig zou kunnen maken.”„En die bekentenis is?”„Gij zult mij dwaas vinden, gij zult misschien oordeelen, dat ik bij de plaats, die ik op de maatschappelijke ladder inneem, de oogen te hoog ophef. Gij kunt daarin gelijk hebben; maar.… het gevoel dat mij overmeesterd heeft, is zoo onweerstaanbaar, zoo overweldigend geweest, dat ik er niets aan heb kunnen doen of beter gezegd, dat ik niet eens beproefd heb er mij aan te onttrekken.”„Wat is het dan toch?” vroeg de heer Groenewald met een glimlach op het gelaat, dien Frank evenwel niet zag, daar eerstbedoelde juist in dat oogenblik het hoofd afgewend had en over de verschansing buiten boord keek.„Ja, die bekentenis moet mij van het hart.… De gedachte, dat gij mij later zoudt kunnen verdenken, niet openhartig met u omgegaan te hebben, zou mij onverdragelijk wezen.”„Wat is het dan toch?” herhaalde de heer Groenewald. „Kom, vooruit met die bekentenis; wellicht is zij niet eenmaal zoo moeilijk.”Frank greep zijn moed met beide handen.[312]„Ik heb eene innige genegenheid voor juffrouw Adelien, uwe dochter opgevat, en.…”„Zoooo!” sprak de heer Groenewald met langgerekte stem.Brinkman keek hem ter sluiks aan. Daar was evenwel niets onrustbarends op dat gelaat te lezen, hetwelk dat „zoooo!” vergezelde. Integendeel dat gelaat teekende veel goedhartigheid en veel welwillendheid.„En.…” wilde de jonkman voortgaan.„En die genegenheid wordt ten volle gedeeld, dat is het, wat gij er bij voegen wildet, niet waar?” viel de heer Groenewald in de reden.„Dat meende ik niet te beweren,” antwoordde Frank.„Dat behoeft ook niet. Moederlijke oogen zien scherp, mijnheer Brinkman,” ging de vader voort. „Daarenboven Adelien heeft hare ouders niet onkundig met den toestand van haar hart gelaten.”Dat was eene kleine onwaarheid om later Adelien’s gevoel tegenover den jongman te redden. Zij had nog gezwegen, niet uit zucht tot geheimzinnigheid; maar omdat de geheele verstandhouding tusschen haar en Frank zich nog slechts tot het wisselen van een paar handdrukken en een kus bepaald hadden. Woorden van toegenegenheid, van liefde waren nog niet gesproken, daartoe had tijd en gelegenheid ontbroken.„Zoodat?…” riep Frank aarzelend uit.„Zoodat?… ja, wat zoodat?…” hernam de heer Groenewald door die vraag verrast. „Zoodat.… het van u afhangt, mijnheer Brinkman, of die ontluikende genegenheid de goedkeuring van mijne vrouw en mij zal kunnen verwerven ja of neen. Beiden zouden wij er wel tegen opzien, onze dochters aan officieren af te staan.”Frank dacht diep na, hij liep naast den heer Groenewald eenige malen het achterdek op en neer, zonder een[313]woord te spreken. Adeliens vader eerbiedigde dat zwijgen; er werd hier over eene geheele toekomst gehandeld.Het schip in zijne pijlsnelle vaart, door de stijve bramzeilskoelte, die al meer aanwakkerde en door de woest aanrollende zeeën, die aan stuurboord van achteren dwars inkwamen, genoopt, maakte kabriolen, steigerde, maar ging daarbij soms zoodanig naar lij over, alsof het zou omkantelen, zou kapzijzen, zooals de zeelui dat noemen, en waarbij onze wandelaars onmogelijk de rechte lijn konden houden; maar dan, hoe zeevast hunne voeten ook bleken, naar lij afweken, en bij wijlen onzacht tegen de verschansing aankwamen.Eindelijk verbrak Frank dat zwijgen.„Ik zal uw voorstel in gezette overweging nemen,” sprak hij. „Er is natuurlijk veel, wat mij daarin toelacht; ik moet evenwel mijn vriend Riethoven spreken.… wij waren steeds vrienden … en.”„Is hij met uw hartgeheim bekend?”Frank knikte bevestigend.„En … zijt gij met zijn hartgeheimen bekend?”„Wij hebben geene hartgeheimen voor elkander; maar in den tegenwoordigen tijd heeft hij er geen,” antwoordde Frank. „Hij leeft nog te veel onder den indruk van de ondergane teleurstelling.”De heer Groenewald zuchtte eens. Die zucht ging evenwel in het gefluit van den wind verloren.Beneden had intusschen een ander tooneel plaats.Toen de heer Groenewald zich naar het dek begaf, zat zijne dochter Emma in de kerk met kapitein Van Dam, dokter Hannius en den apotheker Behren te praten. Mevrouw Groenewald had Adelien een teeken gegeven, en beide waren naar de hut der ouders gegaan, alwaar de moeder in weinige woorden aan hare dochter mededeelde,[314]wat het doel was van het gaan van den vader naar het dek, namelijk om te trachten de sergeanten Brinkman en Riethoven over te halen, den krijgsdienst vaarwel te zeggen en de betrekking van opzichter op zijne koffie-onderneming te aanvaarden. Toen het jonge meisje dat hoorde, verborg zij haar gelaat aan den boezem harer moeder en rispelde zacht:„O! wat ben ik gelukkig! wat ben ik gelukkig!”Mevrouw Groenewald sloeg haar arm om de leest van haar kind, drukte haar innig aan het hart; maar vroeg haar met een ondeugend lachje, alsof zij van niets wist, wat die mededeeling hare Adelien toch zoo gelukkig kon maken. Er was zoo weinig noodig om dat jeugdige oorspronkelijke gemoed tot mededeelzaamheid te verlokken. Mededeelzaamheid is toch der jeugd, vooral wanneer zij zich gelukkig gevoelt, zoo eigen. En voor wie zou het lieve kind ook eerder haar hart opengelegd hebben dan voor de vrouw, die haar het leven had geschonken, die haar met haar bloed gevoed had, die hare eerste wankelende schreden schraagde, toen de kleine voetjes nog onmachtig waren het kinderlijke lichaampje te dragen, die haar later opkweekte en opvoedde, en haar die kiemen in het hart lei, die thans het jeugdige meisje tot eene aanminnige, lieftallige en bekoorlijke maagd hadden doen ontluiken, en die haar tot eene lieve en degelijke vrouw zouden doen rijpen? Neen, voor die moeder, die hare taak met zooveel liefde en toewijding, met zooveel tact en zacht geduld volbracht had, die zich langzamerhand, naarmate het meisje ontwikkelde, tot hare vriendin, tot hare beste vriendin vervormd had, kon haar hart bij de wichtigste levensuiting, die zich nog bij haar openbaarde, niet gesloten zijn! Dat alles ging als bij intuïtie in een ondeelbaar oogenblik in het gemoed van het jonge meisje om.[315]Zij bereidde zich eene zitplaats op den moederlijken schoot, dook daarin als een vogeltje in het ouderlijke nestje, hield nog altijd het hoofdje aan den moederlijken boezem verscholen, en deed nu, terwijl hare fraaie oogjes van geluk straalden, maar zich ook van aandoening parelden, een verhaal van hare ontluikende genegenheid voor Frank. Och! dat zulke verheven oogenblikken voor den voornaamsten belangstellenden immer een geheim moeten blijven? Dat hij die verrukkelijke ontboezeming niet kan vernemen, dat de fijne schakeeringen daarbij voor hem immer onbekend en ongenoten moeten blijven, al wordt hem ook later honderdmaal dat onderhoud medegedeeld! Want welke menschelijke tong is in staat zoo’n gesprek tusschen moeder en dochter weer te geven? Welke stem, hoe liefelijk ruischend ook, is bij machte de intonatie te doen hooren, zooals zij luidde, toen de woorden schuchter, zacht en schier onhoorbaar lispelden: „o! moeder, ik heb hem zoo lief!” Neen, welke liefde, welke innigheid, welke vertrouwelijkheid tusschen de gelieven moge ontstaan, die innige heilige ongedwongen mededeelzaamheid, welke daar in dat uur aan den moederlijken boezem te voorschijn treedt, zullen zij nimmer ondervinden. De band tusschen moeder en dochter is nog iets heiliger, dan die tusschen man en vrouw!In weinige oogenblikken wist mevrouw Groenewald alles, van den eersten indruk af, dien de jongman op het jeugdige ontvankelijke gemoed harer Adelien gemaakt had, tot het wisselen van den eersten kus toe. De zorgzame moeder vernam toen ook, dat nog geen enkel woord van liefde of genegenheid tusschen de jongelieden gesproken was. Zelf gaf Adelien daar een bevredigenden uitleg van door de bemerking, dat Frank verhinderd was geworden over zijne genegenheid te spreken, door dat het samenzijn aan boord zich niet eigende om zoo’n[316]belangrijk gesprek te voeren, wijl er immer iemand in de onmiddellijke nabijheid was.„Ik ben benieuwd met welke tijding papa straks terug zal komen.”„Zij schijnen het druk te hebben.… althans met wandelen,” antwoordde Adelien glimlachend.… „Hoort ze eens heen en weer trappelen.”Het gesprek vlotte daar boven niet meer. Niet, dat er gebrek was aan stof; maar met den wind nam ook de zee toe, zoodat het inspanning en moeite kostte om voortdurend op de been te blijven en de wandeling te vervolgen. Ergens gaan zitten was niet doenlijk, daar het daartoe te koud was. De beide mannen hadden daarenboven het noodzakelijke besproken, zoodat de heer Groenewald zich haastte om een eind aan het onderhoud te maken.„Gij hebt welgedaan, mij omtrent die aangelegenheden op de hoogte te brengen,” sprak hij. „Evenwel moet gij mij beloven, dat gij u door uwe genegenheid niet zoover zult laten vervoeren om te trachten Adelien alleen te spreken. De goede naam van een meisje is teer, bedenk dat steeds. Overigens wacht ik uw antwoord op mijn voorstel, om nadere beschikkingen te treffen. Goeden dag, mijnheer Brinkman!”Een handdruk werd gewisseld, waarna beiden opgetogen over elkander van het dek verdwenen.Den volgenden morgen heerschte bij het krieken van den dag hetzelfde weder. Loeiende wind uit het noorden en hooge zeeën van denzelfden kant. De hemel zag aschgrauw, hoewel het wolkendak geen aaneengesloten geheel vormde, maar hier en daar scheuren liet ontwaren, waar de zon somwijlen doorbrak, en dan met hare stralen dat tooneel van opgezweepte golven bescheen, en[317]het woeste van die met schuim gekuifde koppen nog meer deed uitkomen.„Is dat nog altijd stijve bramzeilskoelte, die waait?” vroeg Denniston, toen hij aan het dek kwam en dat tooneel overzag, aan stuurman Abels.„Kijk maar, mijnheer, de bramzeilen staan nog bij,” antwoordde de stuurman. „Of zij evenwel nog lang bij zullen blijven, daaraan begin ik te twijfelen.…”„Hoe dat zoo?” vroeg Behren, die dat antwoord opgevangen had.„Wel, de barometer daalt aanhoudend. Het gaat langzaam, evenwel hij daalt maar altijd door. Als ik kapitein was, dan had ik de brammen reeds geborgen.”„Zoo bang, stuur?” vroeg kapitein Van Dam.„Ik ben evenmin bang als een ander,” antwoordde Abels;.… „maar.… kijk, daar zijn weer een paar stormvogels.… Verwenschte dieren, ik zou ze wel kunnen doodschieten!”„Maar, wat is dat daar?” kreet op eens Behren; terwijl hij in de richting naar het zuidoosten wees. „Daar ginds bij den horizon? Het is alsof daar punten boven het water uitkomen en weer verdwijnen. Kijk, hoe regelmatig dat gaat! Dat nadert!… zie … het komt hier heen. Wat is dat toch, stuurman?”Stuurman Abels keek in de aangeduide richting.„Dat!” zeide hij. „Wel dat is eene school bruinvisschen. De „boer met zijn varkens” zooals de matrozen ze noemen.”„Wijst dat op goed of op slecht weer?” vroeg Denniston.„Och! die vertoonen zich bij ieder weer,” antwoordde de stuurman. „Aan hunne verschijning kent de zeeman geen voorteeken toe. Gij hebt ze al meer gezien, nietwaar? Maar niet in zoo groote menigte bij elkander als thans. Kijk, zij naderen al meer en meer.”[318]„Hoe regelmatig duiken zij allen te gelijkertijd tusschen twee golven op, om hunne rugvin even te vertoonen, weer onder te duiken, en dan hunne staartvin te laten zien. Kijk, kijk, daar hebt ge ze weer!”Al de opvarenden van deFernandina Maria Emmahadden hunne aandacht aan het opmerkelijke schouwspel gewijd. Al de militairen, zelfs de matrozen der equipage en de passagiers achteruit lagen over de stuurboords-verschansing naar die bruinvisschen te kijken. Deze naderden al meer en meer. Het was eene geduchte school, die daar in dichtgesloten gelederen aangerukt kwam, en een heel segment van de zeeoppervlakte, die zich voor de oogen der turenden uitbreidde, innam. Als die ontelbare vinnen in de dalen tusschen twee, drie en vier golven zich lieten ontwaren, dan was het of een onderzeesch leger in aantocht was, welker wapenspitsen boven het water uitstaken. Soms werd de een of andere visch door de niet te berekenen beweging der woeste golven verrast, en vertoonde dan zijn ronden dikken kop met grooten muil, zijn glad zakvormig lichaam, zijne wigvormige rugvin en zijn horizontalen staart.De bootsman en eenige matrozen hadden intusschen een paar harpoenen te voorschijn gehaald, die zij aan eene lange lijn vastmaakten, en waarmede zij zich op de verschansing bij den boeg van het schip plaatsten, om te pogen een visch te verrassen.„Het is dwaasheid,” zei stuurman Abels, „bij dit weer en bij deze zee te willen harpoeneeren. Maar laat ze het maar probeeren!”De bruinvisschen naderden intusschen steeds. Eindelijk waren zij bij het schip. Het was nu een vermakelijk schouwspel die dieren bij voorkeur te zien duikelen in de dichte schuimgolven, die het voortgezweepte schip voor zich uitwierp. Soms schoot de school langs beide[319]zijden van het fregat af, vereenigde zich in het kielzog, waarin de doorsneden golven geweldig kookten en kolkten, schoten weer vooruit, doken onder het vaartuig door, verzamelden zich weer voor den boeg om het spel van voren af aan weer te beginnen. Voornamelijk hielden zij zich in het boegwater op, waarin zij dan regelmatig opdoken en onderdompelden, en met het fregat een wedloop schenen te houden.Eensklaps verdwenen al de visschen als bij tooverslag, terwijl op het voorschip een gejuich onder de bemanning opging. Het was werkelijk den bootsman, na ontelbare misworpen, gelukt een dier bruinvisschen aan zijn harpoen te rijgen. Het doorboorde dier spartelde aan de lijn, en was de oorzaak van de verdwijning zijner verschrikte makkers. Ras waren een groot aantal handen aan de lijn geslagen, waaraan de harpoen bevestigd was, en weldra lag de visch stervend op het achterdek.„Is die visch eetbaar?” vroeg een der dames.„De matrozen versmaden hem niet,” antwoordde Abels. „Hij is evenwel zeer tranig, en ik zou u bepaald afraden er van te proeven.”Dokter Hannius was bij het zieltogende dier neergeknield, en bekeek het aandachtig.„Wilt ge dien bruinvisch ook den pols voelen?” vroeg kapitein Van Dam aan den Esculaap.De Germaan lette op die scherts niet.„De bruinvisch,” zei hij, „behoort tot de dolfijnen-familie, die tot de vischachtige zoogdieren behoort. Zijn wetenschappelijke naam is.…”„De boer met zijn varkens,” viel kapitein Butteling in..… „Is Phocaena communis. Hij wordt in alle zeeën van den aardbol aangetroffen, zoowel in de poolzeeën als in de gematigde luchtstreken, en tusschen de keerkringen.…”[320]„Gij kunt er bijvoegen tot in de rivieren toe,” voegde kapitein Van Dam er bij. „In de grootsche stroomen van Zuid-Borneo heb ik menigmaal de bruinvisschen een paar dagreizen ver in het binnenland zien dartelen. Zij heeten daar bij de bevolking „ikan poes”64.„Hij behoort,” ging de dokter voort, „tot de walvischachtige dieren, en is voorzien van een enkel spuitgat boven op den kop. Hij heeft even als alle vischachtige zoogdieren een vischvormig lichaam met een loodrechte rugvin en met horizontalen staart en borstvinnen, welke laatste als de overblijfselen van voorpooten kunnen beschouwd worden. De dikke kop is zonder hals op den romp gehecht, uitwendige ooren ontbreken en de oogen zijn, zooals gij zien kunt, betrekkelijk klein. De wijfjes hebben.…”Een zeetje, dat overspatte en het geheele gezelschap kletsnat maakte, onderbrak de verhandeling gelukkig, toen de zoöloog in tegenwoordigheid der dames zou verklaren, wat de wijfjes hadden en de mannetjes niet. Allen spoedden naar beneden, om de natgeworden kleeding te verwisselen.Omstreeks negen uur liet kapitein Butteling, na den barometer nogmaals geraadpleegd te hebben, de bramzeilen innemen. Wind en zee namen bestendig toe.„Ik heb nimmer in mijn leven den barometer zoo bestendig zien dalen, als bij deze gelegenheid,” zei de scheepsgezagvoerder.„Wij zijn in de zone der veranderlijke winden,” meende kapitein Van Dam.„Juist daarom. In deze zone heb ik het wel gehad, dat de barometer binnen het uur daling en rijzing, en daarna weer daling aanwees. Die aanhoudende daling thans verwondert mij des te meer.”Bij het middagbestek stond het schip, het was den 24stenNovember, op 31° 50′ zuiderbreedte en 30° 39′ westerlengte.[321]Het was of stuurman Ellenbaan gelijk had, toen hij daags te voren voorspelde, dat heden of morgen kaapsche duiven zouden ontwaard worden. In den namiddag kwamen er ettelijke in het gezicht. Het was verrassend te zien hoe spoedig die diertjes, toen zij het schip in het oog kregen, in de nabijheid kwamen zweven, om op den afval der kombuis te azen.„Wat bevallige dieren zijn dat toch,” merkte Emma Groenewald op, terwijl zij met hare ouders en zuster en met de overige passagiers de kringen, welke deze zeevogels beschreven, naoogde. „Ik zou er wel een van nabij willen zien.”„Ik ga beproeven om een duifje te vangen, om het u aan te kunnen bieden,” zei Denniston galant.Goeden wil was bij zoo’n bedrijf evenwel niet voldoende. De gelegenheid moest in de eerste plaats bestaan, en dan behoorde er ook nog wat geluk toe om zoo’n vogel te vangen. Wel liet luitenant Denniston, door zijn collega Leidermooi geholpen, eenige vischhaken aan zeilgaren vastgemaakt, en behoorlijk van een dobbelsteentje spek voorzien, achter den spiegel in het kielwater slieren. Het schip had evenwel te veel vaart. Pijlsnel door het zeewater voortgesleurd was het zeilgaren spoedig doorgeschuurd of het stukje spek van den haak gespoeld. Toen veel sterker kabelgaren door den luitenant genomen en het spek aan den haak met een draad vastgebonden was, draaiden de vogels wel in bevallige kringen boven het aas, buitelden ook wel eens naar omlaag, alsof zij het wilden grijpen, maar raakten het, hoe gulzig zij overigens ook waren, niet aan. De reden daarvan was, dat èn garen èn spek, in die wilde vaart voortgesleept, eene te zichtbare vore door het water trokken en dat het stukje spek, van golftop tot golftop springende, de beestjes maar al te duidelijk de list, die gebezigd werd om hen te krijgen, liet ontwaren.[322]„Maar is spek wel het goede aas?” vroeg Denniston wantrouwend aan stuurman Ellenbaan.„Zou de heer luitenant ook soms denken, dat die duiven de Joodsche Godsdienst belijden?” vroeg de stuurman te midden eener plotseling opkomende lachbui.„Het zijn misschien Mohamedanen?” voegde kapitein Van Dam, die een oogenblik naar die wanhopige visscherij had staan turen, en de vraag van Denniston gehoord had, er bij.„Och, wat ’n malligheid!” antwoordde deze. „Neen kapitein, ziet u, wie zou die dieren hebben leeren spek eten? Dat zal wel het voedsel zijn, hetwelk zij het allerminst op den Oceaan, alwaar geen biggen grazen, zullen aantreffen.”Die grazende biggen op de oppervlakte van den Oceaan moesten een geestig antwoord vormen op de Semitische of Mohamedaansche duiven.„Zoo!” sprak stuurman Ellenbaan. „Dan heeft de heer luitenant nog nimmer eens opgelet op den keukenafval, die dagelijks over boord geworpen wordt. Daarin zit menig kaantje spek of stukje vet van het gezouten vleesch. Daarbij, die beestjes azen op alles, wat hun maar eetbaar voorkomt. Gooit een doode kip in zee, zij zitten er dadelijk op; valt er een mensch over boord, helaas! zij werpen zich dadelijk op hem, munten eerst op zijne oogen, die zij met hunnen gehaakten scherpen snavel al spoedig te pakken hebben, en verslinden daarna den ongelukkige levend. Gij zult toch niet beweren, dat hun veel kippen of over boord gevallen menschen onder het bereik gekomen zullen zijn. Neen, uwe poging om die diertjes te vangen, is te doorzichtig; zij zien dat garen, hetwelk eene voren ploegt, zij zien dat stuk spek, hetwelk van golftop tot golftop springt. Zoo dom laten zij zich niet verschalken.”[323]De stuurman had gelijk. De beide officieren deden nog een paar pogingen, die evenzeer mislukten, waarna zij hun vischtuig inpalmden en de poging staakten. Het speet Denniston toch, dat hij juffrouw Emma kennis moest geven, dat hij haren wensch thans niet bevredigen kon.[324]
XII.Een onderhoud—Bruinvisschen.
„Gaat gij nog naar het dek, papa?” vroeg Adelien Groenewald, toen zij dezen na de lunch zijn overjas zag aantrekken en zich gereed maken om naar boven te gaan.„Ik ga boven eene sigaar rooken,” was het antwoord.„Kunt gij dat hier niet doen? Het waait boven zoo.”„Gij weet wel, dat beneden niet mag gerookt worden,” antwoordde de vader, terwijl hij een belangstellenden blik op zijne dochter liet vallen. „Neen, ik ga naar boven.”„Maar het waait zoo! Gij zult een kou vatten.”„Dat zal wel losloopen. Ik ben geen verwend weekeling, die voor wat wind bang behoeft te zijn. Weest gerust; ik zal onafgebroken heen en weer trippelen.”Toen de heer Groenewald aan het dek kwam, was dat grootendeels verlaten. De meeste soldaten waren naar beneden gegaan, of zochten achter de verschansing aan de windzijde of achter andere voorwerpen, zooals de groote boot, beschutting. Van de passagiers wandelden alleen kapitein Van Dam met den apotheker Behren, die in een druk gesprek schenen, op en neer, en stond stuurman Bagman bij den man aan het roer. De[307]anderen waren of naar kooi gegaan, om door den slaap zich aan de verveling te onttrekken, ook om er een middel tegen de zeeziekte te vinden; terwijl anderen zich in de kerk of in de kajuit met dam- of dominospel of ook wel met lezen onledig hielden.De heer Groenewald kuierde het dek op en neer. Toen hij Frank Brinkman ontwaarde, die met een zijner collega’s stond te praten, riep hij dezen tot zich.„Ik wenschte wel een onderhoud met u te hebben, mijn jonge vriend,” sprak hij. „Kom, volg mij op het achterdek, dan kunnen wij meer ongestoord praten. De heeren Van Dam en Behren wandelen te loevert, wij zullen een halfdekje slaan aan den lijkant.”Frank volgde, natuurlijk uiterst bevreemd wat er komen zou.„Mijnheer Frank,” begon de heer Groenewald, „ik ben u wegens het redden van mijn kind veel dankbaarheid verschuldigd, en ik wenschte mij van die schuld te kunnen kwijten. Niet, dat ik mij van die dankbaarheid ontslagen wenschte; maar ik zou zoo gaarne iets bij willen dragen om uwe toekomst te verzekeren.”Frank boog met dankbaar gebaar.„Ik heb u en uwen vriend als twee degelijk welopgevoede jongelieden leeren kennen, waaromtrent mij door kapitein Van Dam de meest gunstige inlichtingen verstrekt zijn. Is de militaire loopbaan, welke gij ingetreden zijt, wel die uwer keuze? Vergeef mij de onbescheidenheid dier vraag. Het doel daarvan zal u straks blijken. Is er niet de eene of andere teleurstelling in het spel, die u beiden in de gelederen van het koloniale leger bracht?”„Voorzeker,” antwoordde Frank, tot vertrouwen door den goedhartigen toon van Adelien’s vader verlokt, „dacht ik een tiental maanden geleden er niet aan, ooit den[308]militairen rok aan te trekken. Ik had de studie der humaniora achter den rug, en zou aan een der hoogescholen in ons vaderland de studie der rechtswetenschappen aanvaarden; toen mijn vader op het onverwachtst kwam te overlijden en met hem de geheele welgesteldheid van mij en mijne broeders en zusters ten grave daalde. Van verder studeeren kon onmogelijk iets komen. Heel mistroostig maakte mij die laatste teleurstelling niet. Mijn plan was geweest als advokaat naar Indië te vertrekken. Welnu, ik zou Indië bezoeken! Ik nam een koen besluit, ging naar Harderwijk, en verbond mij bij het Indische leger, vast overtuigd, dat met de opvoeding die ik ontvangen had, en met dienstijver en goed gedrag daarbij ook eene eervolle loopbaan te volbrengen zou zijn. Ziedaar, mijnheer Groenewald, de beweegredenen, die mij tot het omhelzen van den militairen stand gevoerd hebben.”„Maar uw vriend Riethoven?”„Die geschiedenis is even eenvoudig, hoewel geheel anders luidende. Mijn vriend Herman studeerde aanvankelijk voor Roomsch geestelijke. Hij leerde evenwel een meisje kennen, en.… ja en.… toen liet hij die vrome plannen varen. Toen hij evenwel de hand van het lieve kind dacht te verwerven, waren dat en hare ouders zoo door de geestelijkheid bewerkt, dat hij een formeel blauwtje liep. Daarbij kwam nu nog, dat zijne ouders weigerden hem eene hoogeschool te laten bezoeken, omdat hij gevaarlijk voor de Kerk kon worden. In zijne wanhoop reisde hij naar Harderwijk en.…”„Dus, het is geene bepaalde roeping, die u beiden in de gelederen bracht? Het heilige vuur ontbrak u …”„Vergeef mij, mijnheer Groenewald, dat heb ik niet gezegd,” antwoordde Frank met een glimlach. „Ik durf beweren, dat niemand met meer toewijding in de gelederen[309]dient dan wij tweeën. Het is waar, dat onze oorspronkelijke opleiding ons niet naar die loopbaan dreef, zooals helaas! zoo dikwerf en met zoo velen geschiedt. Waren onze vaders militairen geweest, of hadden wij militairen onder de leden onzer familie geteld, dan voorzeker zou de officiers-épaulet het ideaal onzer jongelingsjaren geweest zijn, wat nu niet het geval kon zijn. Later, toen wij in de wereld hadden leeren rondzien, kozen wij dien stand geheel vrijwillig, zonder eenigen dwang hoe genaamd ook. Ik druk hierop, want voor ons, die een bedrijvig leven wenschten in te treden, die dus tegen moeiten noch gevaren opzagen, had met onze opvoeding, zich wel een andere kring geopend, wanneer wij dien hadden willen zoeken. Goddank! zoo ver was het nog met geen van ons beiden gekomen, dat broodsgebrek ons in de kazerne bracht!”Frank was langzamerhand in vuur geraakt; want de gedachte verdroot hem, dat Adelien’s vader hem over een kam zou kunnen scheren met de velen, die door honger, wangedrag of door erger genoopt, blij waren nog bij het Koloniaal Werfdepôt te Harderwijk te recht te kunnen komen.Met welgevallen zag de heer Groenewald den jongman aan. Men kon het hem aanzien, dat hij het er op gezet had, Frank tot die stemming te verlokken. Hij leerde zoo den man kennen, wien hij het geluk van zijn kind wenschte toe te vertrouwen.„Ik heb dat zeer goed begrepen en ingezien,” hernam hij, „en ik twijfel aan uw beider lust voor den militairen stand niet. Maar.… als u nu eens een even nuttige, een even bedrijvige loopbaan werd geopend, zoudt gijlieden er dan tegen opzien om het krijgsmanskleed vaarwel te zeggen?”„Een even nuttige, een even bedrijvige loopbaan, mijnheer Groenewald?.…”[310]„Een even nuttig, een even bedrijvig, maar een meer zelfstandig leven!” antwoordde de heer Groenewald, „een leven, waarin gij met eigen krachten, met eigen inzichten kunt optreden, waarin gij niet van de luimen van eene menigte anderen, in den beginne hoogstens van slechts één afhankelijk zijt, waarin gij met uw streven nuttig zijt niet alleen, maar dat nut onmiddellijk ontwaart in de welvaart uwer omgeving, in uw eigen welvaart, waarin gij de vruchten van uw pogen aanschouwen en die ook genieten kunt, en door anderen zien genieten. Zeg, ik herhaal mijn vraag, zoudt gij bij de overtuiging daarvan, aarzelen kunnen om, terwijl het voor ulieden nog tijd is, de eene loopbaan voor de andere te verwisselen?”„Verklaar u toch nader, mijnheer Groenewald,” zei Frank, wiens hart begon te popelen, met aandoening.„Ziehier, mijn jonge vriend,” ging de heer Groenewald voort. „Ik ben bezitter van een aanzienlijke koffie-aanplant op de hellingen van den Lawoe. Ik wenschte u beiden over te halen om het militaire leven te verlaten, en bij mij in dienst te treden om uwe loopbaan als opzichter te beginnen.”„Bij u in dienst treden.… mijnheer Groenewald?…” vroeg Frank, voor wiens geest het liefelijke beeld van Adelien verrees.„Gij bekomt vrije woning, vrije voeding en in den beginne eene remuneratie van honderd gulden ’s maands. Wel, wat zegt ge?.…”„Uw voorstel, mijnheer Groenewald is zoo fraai, maar zoo onverwacht, dat het mij eenigermate bedremmelt,” antwoordde Frank. „Dat is geene zaak om met een ja of een neen af te doen.… Gij zult mij dus vergunnen, dat voorstel in gezette overweging te nemen.… Ik moet daarenboven mijn vriend Riethoven raadplegen.…[311]uw voorstel betrof toch ons beiden, als ik goed begrepen heb, nietwaar?.…”De heer Groenewald knikte ja.„Welnu, gunt ons eenige dagen om uw voorstel te overwegen.”„Neem den tijd, dien gij noodig oordeelt, als gij mij maar antwoord gegeven hebt voor onze aankomst te Batavia. Gij hebt dus nog ettelijke weken voor u.”„Maar.… intusschen wenschte ik u eene bekentenis te doen, mijnheer Groenewald, die wellicht van invloed op uwe beslissing kan zijn, en derhalve.… iedere nadere bespreking omtrent uw voorstel overbodig zou kunnen maken.”„En die bekentenis is?”„Gij zult mij dwaas vinden, gij zult misschien oordeelen, dat ik bij de plaats, die ik op de maatschappelijke ladder inneem, de oogen te hoog ophef. Gij kunt daarin gelijk hebben; maar.… het gevoel dat mij overmeesterd heeft, is zoo onweerstaanbaar, zoo overweldigend geweest, dat ik er niets aan heb kunnen doen of beter gezegd, dat ik niet eens beproefd heb er mij aan te onttrekken.”„Wat is het dan toch?” vroeg de heer Groenewald met een glimlach op het gelaat, dien Frank evenwel niet zag, daar eerstbedoelde juist in dat oogenblik het hoofd afgewend had en over de verschansing buiten boord keek.„Ja, die bekentenis moet mij van het hart.… De gedachte, dat gij mij later zoudt kunnen verdenken, niet openhartig met u omgegaan te hebben, zou mij onverdragelijk wezen.”„Wat is het dan toch?” herhaalde de heer Groenewald. „Kom, vooruit met die bekentenis; wellicht is zij niet eenmaal zoo moeilijk.”Frank greep zijn moed met beide handen.[312]„Ik heb eene innige genegenheid voor juffrouw Adelien, uwe dochter opgevat, en.…”„Zoooo!” sprak de heer Groenewald met langgerekte stem.Brinkman keek hem ter sluiks aan. Daar was evenwel niets onrustbarends op dat gelaat te lezen, hetwelk dat „zoooo!” vergezelde. Integendeel dat gelaat teekende veel goedhartigheid en veel welwillendheid.„En.…” wilde de jonkman voortgaan.„En die genegenheid wordt ten volle gedeeld, dat is het, wat gij er bij voegen wildet, niet waar?” viel de heer Groenewald in de reden.„Dat meende ik niet te beweren,” antwoordde Frank.„Dat behoeft ook niet. Moederlijke oogen zien scherp, mijnheer Brinkman,” ging de vader voort. „Daarenboven Adelien heeft hare ouders niet onkundig met den toestand van haar hart gelaten.”Dat was eene kleine onwaarheid om later Adelien’s gevoel tegenover den jongman te redden. Zij had nog gezwegen, niet uit zucht tot geheimzinnigheid; maar omdat de geheele verstandhouding tusschen haar en Frank zich nog slechts tot het wisselen van een paar handdrukken en een kus bepaald hadden. Woorden van toegenegenheid, van liefde waren nog niet gesproken, daartoe had tijd en gelegenheid ontbroken.„Zoodat?…” riep Frank aarzelend uit.„Zoodat?… ja, wat zoodat?…” hernam de heer Groenewald door die vraag verrast. „Zoodat.… het van u afhangt, mijnheer Brinkman, of die ontluikende genegenheid de goedkeuring van mijne vrouw en mij zal kunnen verwerven ja of neen. Beiden zouden wij er wel tegen opzien, onze dochters aan officieren af te staan.”Frank dacht diep na, hij liep naast den heer Groenewald eenige malen het achterdek op en neer, zonder een[313]woord te spreken. Adeliens vader eerbiedigde dat zwijgen; er werd hier over eene geheele toekomst gehandeld.Het schip in zijne pijlsnelle vaart, door de stijve bramzeilskoelte, die al meer aanwakkerde en door de woest aanrollende zeeën, die aan stuurboord van achteren dwars inkwamen, genoopt, maakte kabriolen, steigerde, maar ging daarbij soms zoodanig naar lij over, alsof het zou omkantelen, zou kapzijzen, zooals de zeelui dat noemen, en waarbij onze wandelaars onmogelijk de rechte lijn konden houden; maar dan, hoe zeevast hunne voeten ook bleken, naar lij afweken, en bij wijlen onzacht tegen de verschansing aankwamen.Eindelijk verbrak Frank dat zwijgen.„Ik zal uw voorstel in gezette overweging nemen,” sprak hij. „Er is natuurlijk veel, wat mij daarin toelacht; ik moet evenwel mijn vriend Riethoven spreken.… wij waren steeds vrienden … en.”„Is hij met uw hartgeheim bekend?”Frank knikte bevestigend.„En … zijt gij met zijn hartgeheimen bekend?”„Wij hebben geene hartgeheimen voor elkander; maar in den tegenwoordigen tijd heeft hij er geen,” antwoordde Frank. „Hij leeft nog te veel onder den indruk van de ondergane teleurstelling.”De heer Groenewald zuchtte eens. Die zucht ging evenwel in het gefluit van den wind verloren.Beneden had intusschen een ander tooneel plaats.Toen de heer Groenewald zich naar het dek begaf, zat zijne dochter Emma in de kerk met kapitein Van Dam, dokter Hannius en den apotheker Behren te praten. Mevrouw Groenewald had Adelien een teeken gegeven, en beide waren naar de hut der ouders gegaan, alwaar de moeder in weinige woorden aan hare dochter mededeelde,[314]wat het doel was van het gaan van den vader naar het dek, namelijk om te trachten de sergeanten Brinkman en Riethoven over te halen, den krijgsdienst vaarwel te zeggen en de betrekking van opzichter op zijne koffie-onderneming te aanvaarden. Toen het jonge meisje dat hoorde, verborg zij haar gelaat aan den boezem harer moeder en rispelde zacht:„O! wat ben ik gelukkig! wat ben ik gelukkig!”Mevrouw Groenewald sloeg haar arm om de leest van haar kind, drukte haar innig aan het hart; maar vroeg haar met een ondeugend lachje, alsof zij van niets wist, wat die mededeeling hare Adelien toch zoo gelukkig kon maken. Er was zoo weinig noodig om dat jeugdige oorspronkelijke gemoed tot mededeelzaamheid te verlokken. Mededeelzaamheid is toch der jeugd, vooral wanneer zij zich gelukkig gevoelt, zoo eigen. En voor wie zou het lieve kind ook eerder haar hart opengelegd hebben dan voor de vrouw, die haar het leven had geschonken, die haar met haar bloed gevoed had, die hare eerste wankelende schreden schraagde, toen de kleine voetjes nog onmachtig waren het kinderlijke lichaampje te dragen, die haar later opkweekte en opvoedde, en haar die kiemen in het hart lei, die thans het jeugdige meisje tot eene aanminnige, lieftallige en bekoorlijke maagd hadden doen ontluiken, en die haar tot eene lieve en degelijke vrouw zouden doen rijpen? Neen, voor die moeder, die hare taak met zooveel liefde en toewijding, met zooveel tact en zacht geduld volbracht had, die zich langzamerhand, naarmate het meisje ontwikkelde, tot hare vriendin, tot hare beste vriendin vervormd had, kon haar hart bij de wichtigste levensuiting, die zich nog bij haar openbaarde, niet gesloten zijn! Dat alles ging als bij intuïtie in een ondeelbaar oogenblik in het gemoed van het jonge meisje om.[315]Zij bereidde zich eene zitplaats op den moederlijken schoot, dook daarin als een vogeltje in het ouderlijke nestje, hield nog altijd het hoofdje aan den moederlijken boezem verscholen, en deed nu, terwijl hare fraaie oogjes van geluk straalden, maar zich ook van aandoening parelden, een verhaal van hare ontluikende genegenheid voor Frank. Och! dat zulke verheven oogenblikken voor den voornaamsten belangstellenden immer een geheim moeten blijven? Dat hij die verrukkelijke ontboezeming niet kan vernemen, dat de fijne schakeeringen daarbij voor hem immer onbekend en ongenoten moeten blijven, al wordt hem ook later honderdmaal dat onderhoud medegedeeld! Want welke menschelijke tong is in staat zoo’n gesprek tusschen moeder en dochter weer te geven? Welke stem, hoe liefelijk ruischend ook, is bij machte de intonatie te doen hooren, zooals zij luidde, toen de woorden schuchter, zacht en schier onhoorbaar lispelden: „o! moeder, ik heb hem zoo lief!” Neen, welke liefde, welke innigheid, welke vertrouwelijkheid tusschen de gelieven moge ontstaan, die innige heilige ongedwongen mededeelzaamheid, welke daar in dat uur aan den moederlijken boezem te voorschijn treedt, zullen zij nimmer ondervinden. De band tusschen moeder en dochter is nog iets heiliger, dan die tusschen man en vrouw!In weinige oogenblikken wist mevrouw Groenewald alles, van den eersten indruk af, dien de jongman op het jeugdige ontvankelijke gemoed harer Adelien gemaakt had, tot het wisselen van den eersten kus toe. De zorgzame moeder vernam toen ook, dat nog geen enkel woord van liefde of genegenheid tusschen de jongelieden gesproken was. Zelf gaf Adelien daar een bevredigenden uitleg van door de bemerking, dat Frank verhinderd was geworden over zijne genegenheid te spreken, door dat het samenzijn aan boord zich niet eigende om zoo’n[316]belangrijk gesprek te voeren, wijl er immer iemand in de onmiddellijke nabijheid was.„Ik ben benieuwd met welke tijding papa straks terug zal komen.”„Zij schijnen het druk te hebben.… althans met wandelen,” antwoordde Adelien glimlachend.… „Hoort ze eens heen en weer trappelen.”Het gesprek vlotte daar boven niet meer. Niet, dat er gebrek was aan stof; maar met den wind nam ook de zee toe, zoodat het inspanning en moeite kostte om voortdurend op de been te blijven en de wandeling te vervolgen. Ergens gaan zitten was niet doenlijk, daar het daartoe te koud was. De beide mannen hadden daarenboven het noodzakelijke besproken, zoodat de heer Groenewald zich haastte om een eind aan het onderhoud te maken.„Gij hebt welgedaan, mij omtrent die aangelegenheden op de hoogte te brengen,” sprak hij. „Evenwel moet gij mij beloven, dat gij u door uwe genegenheid niet zoover zult laten vervoeren om te trachten Adelien alleen te spreken. De goede naam van een meisje is teer, bedenk dat steeds. Overigens wacht ik uw antwoord op mijn voorstel, om nadere beschikkingen te treffen. Goeden dag, mijnheer Brinkman!”Een handdruk werd gewisseld, waarna beiden opgetogen over elkander van het dek verdwenen.Den volgenden morgen heerschte bij het krieken van den dag hetzelfde weder. Loeiende wind uit het noorden en hooge zeeën van denzelfden kant. De hemel zag aschgrauw, hoewel het wolkendak geen aaneengesloten geheel vormde, maar hier en daar scheuren liet ontwaren, waar de zon somwijlen doorbrak, en dan met hare stralen dat tooneel van opgezweepte golven bescheen, en[317]het woeste van die met schuim gekuifde koppen nog meer deed uitkomen.„Is dat nog altijd stijve bramzeilskoelte, die waait?” vroeg Denniston, toen hij aan het dek kwam en dat tooneel overzag, aan stuurman Abels.„Kijk maar, mijnheer, de bramzeilen staan nog bij,” antwoordde de stuurman. „Of zij evenwel nog lang bij zullen blijven, daaraan begin ik te twijfelen.…”„Hoe dat zoo?” vroeg Behren, die dat antwoord opgevangen had.„Wel, de barometer daalt aanhoudend. Het gaat langzaam, evenwel hij daalt maar altijd door. Als ik kapitein was, dan had ik de brammen reeds geborgen.”„Zoo bang, stuur?” vroeg kapitein Van Dam.„Ik ben evenmin bang als een ander,” antwoordde Abels;.… „maar.… kijk, daar zijn weer een paar stormvogels.… Verwenschte dieren, ik zou ze wel kunnen doodschieten!”„Maar, wat is dat daar?” kreet op eens Behren; terwijl hij in de richting naar het zuidoosten wees. „Daar ginds bij den horizon? Het is alsof daar punten boven het water uitkomen en weer verdwijnen. Kijk, hoe regelmatig dat gaat! Dat nadert!… zie … het komt hier heen. Wat is dat toch, stuurman?”Stuurman Abels keek in de aangeduide richting.„Dat!” zeide hij. „Wel dat is eene school bruinvisschen. De „boer met zijn varkens” zooals de matrozen ze noemen.”„Wijst dat op goed of op slecht weer?” vroeg Denniston.„Och! die vertoonen zich bij ieder weer,” antwoordde de stuurman. „Aan hunne verschijning kent de zeeman geen voorteeken toe. Gij hebt ze al meer gezien, nietwaar? Maar niet in zoo groote menigte bij elkander als thans. Kijk, zij naderen al meer en meer.”[318]„Hoe regelmatig duiken zij allen te gelijkertijd tusschen twee golven op, om hunne rugvin even te vertoonen, weer onder te duiken, en dan hunne staartvin te laten zien. Kijk, kijk, daar hebt ge ze weer!”Al de opvarenden van deFernandina Maria Emmahadden hunne aandacht aan het opmerkelijke schouwspel gewijd. Al de militairen, zelfs de matrozen der equipage en de passagiers achteruit lagen over de stuurboords-verschansing naar die bruinvisschen te kijken. Deze naderden al meer en meer. Het was eene geduchte school, die daar in dichtgesloten gelederen aangerukt kwam, en een heel segment van de zeeoppervlakte, die zich voor de oogen der turenden uitbreidde, innam. Als die ontelbare vinnen in de dalen tusschen twee, drie en vier golven zich lieten ontwaren, dan was het of een onderzeesch leger in aantocht was, welker wapenspitsen boven het water uitstaken. Soms werd de een of andere visch door de niet te berekenen beweging der woeste golven verrast, en vertoonde dan zijn ronden dikken kop met grooten muil, zijn glad zakvormig lichaam, zijne wigvormige rugvin en zijn horizontalen staart.De bootsman en eenige matrozen hadden intusschen een paar harpoenen te voorschijn gehaald, die zij aan eene lange lijn vastmaakten, en waarmede zij zich op de verschansing bij den boeg van het schip plaatsten, om te pogen een visch te verrassen.„Het is dwaasheid,” zei stuurman Abels, „bij dit weer en bij deze zee te willen harpoeneeren. Maar laat ze het maar probeeren!”De bruinvisschen naderden intusschen steeds. Eindelijk waren zij bij het schip. Het was nu een vermakelijk schouwspel die dieren bij voorkeur te zien duikelen in de dichte schuimgolven, die het voortgezweepte schip voor zich uitwierp. Soms schoot de school langs beide[319]zijden van het fregat af, vereenigde zich in het kielzog, waarin de doorsneden golven geweldig kookten en kolkten, schoten weer vooruit, doken onder het vaartuig door, verzamelden zich weer voor den boeg om het spel van voren af aan weer te beginnen. Voornamelijk hielden zij zich in het boegwater op, waarin zij dan regelmatig opdoken en onderdompelden, en met het fregat een wedloop schenen te houden.Eensklaps verdwenen al de visschen als bij tooverslag, terwijl op het voorschip een gejuich onder de bemanning opging. Het was werkelijk den bootsman, na ontelbare misworpen, gelukt een dier bruinvisschen aan zijn harpoen te rijgen. Het doorboorde dier spartelde aan de lijn, en was de oorzaak van de verdwijning zijner verschrikte makkers. Ras waren een groot aantal handen aan de lijn geslagen, waaraan de harpoen bevestigd was, en weldra lag de visch stervend op het achterdek.„Is die visch eetbaar?” vroeg een der dames.„De matrozen versmaden hem niet,” antwoordde Abels. „Hij is evenwel zeer tranig, en ik zou u bepaald afraden er van te proeven.”Dokter Hannius was bij het zieltogende dier neergeknield, en bekeek het aandachtig.„Wilt ge dien bruinvisch ook den pols voelen?” vroeg kapitein Van Dam aan den Esculaap.De Germaan lette op die scherts niet.„De bruinvisch,” zei hij, „behoort tot de dolfijnen-familie, die tot de vischachtige zoogdieren behoort. Zijn wetenschappelijke naam is.…”„De boer met zijn varkens,” viel kapitein Butteling in..… „Is Phocaena communis. Hij wordt in alle zeeën van den aardbol aangetroffen, zoowel in de poolzeeën als in de gematigde luchtstreken, en tusschen de keerkringen.…”[320]„Gij kunt er bijvoegen tot in de rivieren toe,” voegde kapitein Van Dam er bij. „In de grootsche stroomen van Zuid-Borneo heb ik menigmaal de bruinvisschen een paar dagreizen ver in het binnenland zien dartelen. Zij heeten daar bij de bevolking „ikan poes”64.„Hij behoort,” ging de dokter voort, „tot de walvischachtige dieren, en is voorzien van een enkel spuitgat boven op den kop. Hij heeft even als alle vischachtige zoogdieren een vischvormig lichaam met een loodrechte rugvin en met horizontalen staart en borstvinnen, welke laatste als de overblijfselen van voorpooten kunnen beschouwd worden. De dikke kop is zonder hals op den romp gehecht, uitwendige ooren ontbreken en de oogen zijn, zooals gij zien kunt, betrekkelijk klein. De wijfjes hebben.…”Een zeetje, dat overspatte en het geheele gezelschap kletsnat maakte, onderbrak de verhandeling gelukkig, toen de zoöloog in tegenwoordigheid der dames zou verklaren, wat de wijfjes hadden en de mannetjes niet. Allen spoedden naar beneden, om de natgeworden kleeding te verwisselen.Omstreeks negen uur liet kapitein Butteling, na den barometer nogmaals geraadpleegd te hebben, de bramzeilen innemen. Wind en zee namen bestendig toe.„Ik heb nimmer in mijn leven den barometer zoo bestendig zien dalen, als bij deze gelegenheid,” zei de scheepsgezagvoerder.„Wij zijn in de zone der veranderlijke winden,” meende kapitein Van Dam.„Juist daarom. In deze zone heb ik het wel gehad, dat de barometer binnen het uur daling en rijzing, en daarna weer daling aanwees. Die aanhoudende daling thans verwondert mij des te meer.”Bij het middagbestek stond het schip, het was den 24stenNovember, op 31° 50′ zuiderbreedte en 30° 39′ westerlengte.[321]Het was of stuurman Ellenbaan gelijk had, toen hij daags te voren voorspelde, dat heden of morgen kaapsche duiven zouden ontwaard worden. In den namiddag kwamen er ettelijke in het gezicht. Het was verrassend te zien hoe spoedig die diertjes, toen zij het schip in het oog kregen, in de nabijheid kwamen zweven, om op den afval der kombuis te azen.„Wat bevallige dieren zijn dat toch,” merkte Emma Groenewald op, terwijl zij met hare ouders en zuster en met de overige passagiers de kringen, welke deze zeevogels beschreven, naoogde. „Ik zou er wel een van nabij willen zien.”„Ik ga beproeven om een duifje te vangen, om het u aan te kunnen bieden,” zei Denniston galant.Goeden wil was bij zoo’n bedrijf evenwel niet voldoende. De gelegenheid moest in de eerste plaats bestaan, en dan behoorde er ook nog wat geluk toe om zoo’n vogel te vangen. Wel liet luitenant Denniston, door zijn collega Leidermooi geholpen, eenige vischhaken aan zeilgaren vastgemaakt, en behoorlijk van een dobbelsteentje spek voorzien, achter den spiegel in het kielwater slieren. Het schip had evenwel te veel vaart. Pijlsnel door het zeewater voortgesleurd was het zeilgaren spoedig doorgeschuurd of het stukje spek van den haak gespoeld. Toen veel sterker kabelgaren door den luitenant genomen en het spek aan den haak met een draad vastgebonden was, draaiden de vogels wel in bevallige kringen boven het aas, buitelden ook wel eens naar omlaag, alsof zij het wilden grijpen, maar raakten het, hoe gulzig zij overigens ook waren, niet aan. De reden daarvan was, dat èn garen èn spek, in die wilde vaart voortgesleept, eene te zichtbare vore door het water trokken en dat het stukje spek, van golftop tot golftop springende, de beestjes maar al te duidelijk de list, die gebezigd werd om hen te krijgen, liet ontwaren.[322]„Maar is spek wel het goede aas?” vroeg Denniston wantrouwend aan stuurman Ellenbaan.„Zou de heer luitenant ook soms denken, dat die duiven de Joodsche Godsdienst belijden?” vroeg de stuurman te midden eener plotseling opkomende lachbui.„Het zijn misschien Mohamedanen?” voegde kapitein Van Dam, die een oogenblik naar die wanhopige visscherij had staan turen, en de vraag van Denniston gehoord had, er bij.„Och, wat ’n malligheid!” antwoordde deze. „Neen kapitein, ziet u, wie zou die dieren hebben leeren spek eten? Dat zal wel het voedsel zijn, hetwelk zij het allerminst op den Oceaan, alwaar geen biggen grazen, zullen aantreffen.”Die grazende biggen op de oppervlakte van den Oceaan moesten een geestig antwoord vormen op de Semitische of Mohamedaansche duiven.„Zoo!” sprak stuurman Ellenbaan. „Dan heeft de heer luitenant nog nimmer eens opgelet op den keukenafval, die dagelijks over boord geworpen wordt. Daarin zit menig kaantje spek of stukje vet van het gezouten vleesch. Daarbij, die beestjes azen op alles, wat hun maar eetbaar voorkomt. Gooit een doode kip in zee, zij zitten er dadelijk op; valt er een mensch over boord, helaas! zij werpen zich dadelijk op hem, munten eerst op zijne oogen, die zij met hunnen gehaakten scherpen snavel al spoedig te pakken hebben, en verslinden daarna den ongelukkige levend. Gij zult toch niet beweren, dat hun veel kippen of over boord gevallen menschen onder het bereik gekomen zullen zijn. Neen, uwe poging om die diertjes te vangen, is te doorzichtig; zij zien dat garen, hetwelk eene voren ploegt, zij zien dat stuk spek, hetwelk van golftop tot golftop springt. Zoo dom laten zij zich niet verschalken.”[323]De stuurman had gelijk. De beide officieren deden nog een paar pogingen, die evenzeer mislukten, waarna zij hun vischtuig inpalmden en de poging staakten. Het speet Denniston toch, dat hij juffrouw Emma kennis moest geven, dat hij haren wensch thans niet bevredigen kon.[324]
„Gaat gij nog naar het dek, papa?” vroeg Adelien Groenewald, toen zij dezen na de lunch zijn overjas zag aantrekken en zich gereed maken om naar boven te gaan.
„Ik ga boven eene sigaar rooken,” was het antwoord.
„Kunt gij dat hier niet doen? Het waait boven zoo.”
„Gij weet wel, dat beneden niet mag gerookt worden,” antwoordde de vader, terwijl hij een belangstellenden blik op zijne dochter liet vallen. „Neen, ik ga naar boven.”
„Maar het waait zoo! Gij zult een kou vatten.”
„Dat zal wel losloopen. Ik ben geen verwend weekeling, die voor wat wind bang behoeft te zijn. Weest gerust; ik zal onafgebroken heen en weer trippelen.”
Toen de heer Groenewald aan het dek kwam, was dat grootendeels verlaten. De meeste soldaten waren naar beneden gegaan, of zochten achter de verschansing aan de windzijde of achter andere voorwerpen, zooals de groote boot, beschutting. Van de passagiers wandelden alleen kapitein Van Dam met den apotheker Behren, die in een druk gesprek schenen, op en neer, en stond stuurman Bagman bij den man aan het roer. De[307]anderen waren of naar kooi gegaan, om door den slaap zich aan de verveling te onttrekken, ook om er een middel tegen de zeeziekte te vinden; terwijl anderen zich in de kerk of in de kajuit met dam- of dominospel of ook wel met lezen onledig hielden.
De heer Groenewald kuierde het dek op en neer. Toen hij Frank Brinkman ontwaarde, die met een zijner collega’s stond te praten, riep hij dezen tot zich.
„Ik wenschte wel een onderhoud met u te hebben, mijn jonge vriend,” sprak hij. „Kom, volg mij op het achterdek, dan kunnen wij meer ongestoord praten. De heeren Van Dam en Behren wandelen te loevert, wij zullen een halfdekje slaan aan den lijkant.”
Frank volgde, natuurlijk uiterst bevreemd wat er komen zou.
„Mijnheer Frank,” begon de heer Groenewald, „ik ben u wegens het redden van mijn kind veel dankbaarheid verschuldigd, en ik wenschte mij van die schuld te kunnen kwijten. Niet, dat ik mij van die dankbaarheid ontslagen wenschte; maar ik zou zoo gaarne iets bij willen dragen om uwe toekomst te verzekeren.”
Frank boog met dankbaar gebaar.
„Ik heb u en uwen vriend als twee degelijk welopgevoede jongelieden leeren kennen, waaromtrent mij door kapitein Van Dam de meest gunstige inlichtingen verstrekt zijn. Is de militaire loopbaan, welke gij ingetreden zijt, wel die uwer keuze? Vergeef mij de onbescheidenheid dier vraag. Het doel daarvan zal u straks blijken. Is er niet de eene of andere teleurstelling in het spel, die u beiden in de gelederen van het koloniale leger bracht?”
„Voorzeker,” antwoordde Frank, tot vertrouwen door den goedhartigen toon van Adelien’s vader verlokt, „dacht ik een tiental maanden geleden er niet aan, ooit den[308]militairen rok aan te trekken. Ik had de studie der humaniora achter den rug, en zou aan een der hoogescholen in ons vaderland de studie der rechtswetenschappen aanvaarden; toen mijn vader op het onverwachtst kwam te overlijden en met hem de geheele welgesteldheid van mij en mijne broeders en zusters ten grave daalde. Van verder studeeren kon onmogelijk iets komen. Heel mistroostig maakte mij die laatste teleurstelling niet. Mijn plan was geweest als advokaat naar Indië te vertrekken. Welnu, ik zou Indië bezoeken! Ik nam een koen besluit, ging naar Harderwijk, en verbond mij bij het Indische leger, vast overtuigd, dat met de opvoeding die ik ontvangen had, en met dienstijver en goed gedrag daarbij ook eene eervolle loopbaan te volbrengen zou zijn. Ziedaar, mijnheer Groenewald, de beweegredenen, die mij tot het omhelzen van den militairen stand gevoerd hebben.”
„Maar uw vriend Riethoven?”
„Die geschiedenis is even eenvoudig, hoewel geheel anders luidende. Mijn vriend Herman studeerde aanvankelijk voor Roomsch geestelijke. Hij leerde evenwel een meisje kennen, en.… ja en.… toen liet hij die vrome plannen varen. Toen hij evenwel de hand van het lieve kind dacht te verwerven, waren dat en hare ouders zoo door de geestelijkheid bewerkt, dat hij een formeel blauwtje liep. Daarbij kwam nu nog, dat zijne ouders weigerden hem eene hoogeschool te laten bezoeken, omdat hij gevaarlijk voor de Kerk kon worden. In zijne wanhoop reisde hij naar Harderwijk en.…”
„Dus, het is geene bepaalde roeping, die u beiden in de gelederen bracht? Het heilige vuur ontbrak u …”
„Vergeef mij, mijnheer Groenewald, dat heb ik niet gezegd,” antwoordde Frank met een glimlach. „Ik durf beweren, dat niemand met meer toewijding in de gelederen[309]dient dan wij tweeën. Het is waar, dat onze oorspronkelijke opleiding ons niet naar die loopbaan dreef, zooals helaas! zoo dikwerf en met zoo velen geschiedt. Waren onze vaders militairen geweest, of hadden wij militairen onder de leden onzer familie geteld, dan voorzeker zou de officiers-épaulet het ideaal onzer jongelingsjaren geweest zijn, wat nu niet het geval kon zijn. Later, toen wij in de wereld hadden leeren rondzien, kozen wij dien stand geheel vrijwillig, zonder eenigen dwang hoe genaamd ook. Ik druk hierop, want voor ons, die een bedrijvig leven wenschten in te treden, die dus tegen moeiten noch gevaren opzagen, had met onze opvoeding, zich wel een andere kring geopend, wanneer wij dien hadden willen zoeken. Goddank! zoo ver was het nog met geen van ons beiden gekomen, dat broodsgebrek ons in de kazerne bracht!”
Frank was langzamerhand in vuur geraakt; want de gedachte verdroot hem, dat Adelien’s vader hem over een kam zou kunnen scheren met de velen, die door honger, wangedrag of door erger genoopt, blij waren nog bij het Koloniaal Werfdepôt te Harderwijk te recht te kunnen komen.
Met welgevallen zag de heer Groenewald den jongman aan. Men kon het hem aanzien, dat hij het er op gezet had, Frank tot die stemming te verlokken. Hij leerde zoo den man kennen, wien hij het geluk van zijn kind wenschte toe te vertrouwen.
„Ik heb dat zeer goed begrepen en ingezien,” hernam hij, „en ik twijfel aan uw beider lust voor den militairen stand niet. Maar.… als u nu eens een even nuttige, een even bedrijvige loopbaan werd geopend, zoudt gijlieden er dan tegen opzien om het krijgsmanskleed vaarwel te zeggen?”
„Een even nuttige, een even bedrijvige loopbaan, mijnheer Groenewald?.…”[310]
„Een even nuttig, een even bedrijvig, maar een meer zelfstandig leven!” antwoordde de heer Groenewald, „een leven, waarin gij met eigen krachten, met eigen inzichten kunt optreden, waarin gij niet van de luimen van eene menigte anderen, in den beginne hoogstens van slechts één afhankelijk zijt, waarin gij met uw streven nuttig zijt niet alleen, maar dat nut onmiddellijk ontwaart in de welvaart uwer omgeving, in uw eigen welvaart, waarin gij de vruchten van uw pogen aanschouwen en die ook genieten kunt, en door anderen zien genieten. Zeg, ik herhaal mijn vraag, zoudt gij bij de overtuiging daarvan, aarzelen kunnen om, terwijl het voor ulieden nog tijd is, de eene loopbaan voor de andere te verwisselen?”
„Verklaar u toch nader, mijnheer Groenewald,” zei Frank, wiens hart begon te popelen, met aandoening.
„Ziehier, mijn jonge vriend,” ging de heer Groenewald voort. „Ik ben bezitter van een aanzienlijke koffie-aanplant op de hellingen van den Lawoe. Ik wenschte u beiden over te halen om het militaire leven te verlaten, en bij mij in dienst te treden om uwe loopbaan als opzichter te beginnen.”
„Bij u in dienst treden.… mijnheer Groenewald?…” vroeg Frank, voor wiens geest het liefelijke beeld van Adelien verrees.
„Gij bekomt vrije woning, vrije voeding en in den beginne eene remuneratie van honderd gulden ’s maands. Wel, wat zegt ge?.…”
„Uw voorstel, mijnheer Groenewald is zoo fraai, maar zoo onverwacht, dat het mij eenigermate bedremmelt,” antwoordde Frank. „Dat is geene zaak om met een ja of een neen af te doen.… Gij zult mij dus vergunnen, dat voorstel in gezette overweging te nemen.… Ik moet daarenboven mijn vriend Riethoven raadplegen.…[311]uw voorstel betrof toch ons beiden, als ik goed begrepen heb, nietwaar?.…”
De heer Groenewald knikte ja.
„Welnu, gunt ons eenige dagen om uw voorstel te overwegen.”
„Neem den tijd, dien gij noodig oordeelt, als gij mij maar antwoord gegeven hebt voor onze aankomst te Batavia. Gij hebt dus nog ettelijke weken voor u.”
„Maar.… intusschen wenschte ik u eene bekentenis te doen, mijnheer Groenewald, die wellicht van invloed op uwe beslissing kan zijn, en derhalve.… iedere nadere bespreking omtrent uw voorstel overbodig zou kunnen maken.”
„En die bekentenis is?”
„Gij zult mij dwaas vinden, gij zult misschien oordeelen, dat ik bij de plaats, die ik op de maatschappelijke ladder inneem, de oogen te hoog ophef. Gij kunt daarin gelijk hebben; maar.… het gevoel dat mij overmeesterd heeft, is zoo onweerstaanbaar, zoo overweldigend geweest, dat ik er niets aan heb kunnen doen of beter gezegd, dat ik niet eens beproefd heb er mij aan te onttrekken.”
„Wat is het dan toch?” vroeg de heer Groenewald met een glimlach op het gelaat, dien Frank evenwel niet zag, daar eerstbedoelde juist in dat oogenblik het hoofd afgewend had en over de verschansing buiten boord keek.
„Ja, die bekentenis moet mij van het hart.… De gedachte, dat gij mij later zoudt kunnen verdenken, niet openhartig met u omgegaan te hebben, zou mij onverdragelijk wezen.”
„Wat is het dan toch?” herhaalde de heer Groenewald. „Kom, vooruit met die bekentenis; wellicht is zij niet eenmaal zoo moeilijk.”
Frank greep zijn moed met beide handen.[312]
„Ik heb eene innige genegenheid voor juffrouw Adelien, uwe dochter opgevat, en.…”
„Zoooo!” sprak de heer Groenewald met langgerekte stem.
Brinkman keek hem ter sluiks aan. Daar was evenwel niets onrustbarends op dat gelaat te lezen, hetwelk dat „zoooo!” vergezelde. Integendeel dat gelaat teekende veel goedhartigheid en veel welwillendheid.
„En.…” wilde de jonkman voortgaan.
„En die genegenheid wordt ten volle gedeeld, dat is het, wat gij er bij voegen wildet, niet waar?” viel de heer Groenewald in de reden.
„Dat meende ik niet te beweren,” antwoordde Frank.
„Dat behoeft ook niet. Moederlijke oogen zien scherp, mijnheer Brinkman,” ging de vader voort. „Daarenboven Adelien heeft hare ouders niet onkundig met den toestand van haar hart gelaten.”
Dat was eene kleine onwaarheid om later Adelien’s gevoel tegenover den jongman te redden. Zij had nog gezwegen, niet uit zucht tot geheimzinnigheid; maar omdat de geheele verstandhouding tusschen haar en Frank zich nog slechts tot het wisselen van een paar handdrukken en een kus bepaald hadden. Woorden van toegenegenheid, van liefde waren nog niet gesproken, daartoe had tijd en gelegenheid ontbroken.
„Zoodat?…” riep Frank aarzelend uit.
„Zoodat?… ja, wat zoodat?…” hernam de heer Groenewald door die vraag verrast. „Zoodat.… het van u afhangt, mijnheer Brinkman, of die ontluikende genegenheid de goedkeuring van mijne vrouw en mij zal kunnen verwerven ja of neen. Beiden zouden wij er wel tegen opzien, onze dochters aan officieren af te staan.”
Frank dacht diep na, hij liep naast den heer Groenewald eenige malen het achterdek op en neer, zonder een[313]woord te spreken. Adeliens vader eerbiedigde dat zwijgen; er werd hier over eene geheele toekomst gehandeld.
Het schip in zijne pijlsnelle vaart, door de stijve bramzeilskoelte, die al meer aanwakkerde en door de woest aanrollende zeeën, die aan stuurboord van achteren dwars inkwamen, genoopt, maakte kabriolen, steigerde, maar ging daarbij soms zoodanig naar lij over, alsof het zou omkantelen, zou kapzijzen, zooals de zeelui dat noemen, en waarbij onze wandelaars onmogelijk de rechte lijn konden houden; maar dan, hoe zeevast hunne voeten ook bleken, naar lij afweken, en bij wijlen onzacht tegen de verschansing aankwamen.
Eindelijk verbrak Frank dat zwijgen.
„Ik zal uw voorstel in gezette overweging nemen,” sprak hij. „Er is natuurlijk veel, wat mij daarin toelacht; ik moet evenwel mijn vriend Riethoven spreken.… wij waren steeds vrienden … en.”
„Is hij met uw hartgeheim bekend?”
Frank knikte bevestigend.
„En … zijt gij met zijn hartgeheimen bekend?”
„Wij hebben geene hartgeheimen voor elkander; maar in den tegenwoordigen tijd heeft hij er geen,” antwoordde Frank. „Hij leeft nog te veel onder den indruk van de ondergane teleurstelling.”
De heer Groenewald zuchtte eens. Die zucht ging evenwel in het gefluit van den wind verloren.
Beneden had intusschen een ander tooneel plaats.
Toen de heer Groenewald zich naar het dek begaf, zat zijne dochter Emma in de kerk met kapitein Van Dam, dokter Hannius en den apotheker Behren te praten. Mevrouw Groenewald had Adelien een teeken gegeven, en beide waren naar de hut der ouders gegaan, alwaar de moeder in weinige woorden aan hare dochter mededeelde,[314]wat het doel was van het gaan van den vader naar het dek, namelijk om te trachten de sergeanten Brinkman en Riethoven over te halen, den krijgsdienst vaarwel te zeggen en de betrekking van opzichter op zijne koffie-onderneming te aanvaarden. Toen het jonge meisje dat hoorde, verborg zij haar gelaat aan den boezem harer moeder en rispelde zacht:
„O! wat ben ik gelukkig! wat ben ik gelukkig!”
Mevrouw Groenewald sloeg haar arm om de leest van haar kind, drukte haar innig aan het hart; maar vroeg haar met een ondeugend lachje, alsof zij van niets wist, wat die mededeeling hare Adelien toch zoo gelukkig kon maken. Er was zoo weinig noodig om dat jeugdige oorspronkelijke gemoed tot mededeelzaamheid te verlokken. Mededeelzaamheid is toch der jeugd, vooral wanneer zij zich gelukkig gevoelt, zoo eigen. En voor wie zou het lieve kind ook eerder haar hart opengelegd hebben dan voor de vrouw, die haar het leven had geschonken, die haar met haar bloed gevoed had, die hare eerste wankelende schreden schraagde, toen de kleine voetjes nog onmachtig waren het kinderlijke lichaampje te dragen, die haar later opkweekte en opvoedde, en haar die kiemen in het hart lei, die thans het jeugdige meisje tot eene aanminnige, lieftallige en bekoorlijke maagd hadden doen ontluiken, en die haar tot eene lieve en degelijke vrouw zouden doen rijpen? Neen, voor die moeder, die hare taak met zooveel liefde en toewijding, met zooveel tact en zacht geduld volbracht had, die zich langzamerhand, naarmate het meisje ontwikkelde, tot hare vriendin, tot hare beste vriendin vervormd had, kon haar hart bij de wichtigste levensuiting, die zich nog bij haar openbaarde, niet gesloten zijn! Dat alles ging als bij intuïtie in een ondeelbaar oogenblik in het gemoed van het jonge meisje om.[315]Zij bereidde zich eene zitplaats op den moederlijken schoot, dook daarin als een vogeltje in het ouderlijke nestje, hield nog altijd het hoofdje aan den moederlijken boezem verscholen, en deed nu, terwijl hare fraaie oogjes van geluk straalden, maar zich ook van aandoening parelden, een verhaal van hare ontluikende genegenheid voor Frank. Och! dat zulke verheven oogenblikken voor den voornaamsten belangstellenden immer een geheim moeten blijven? Dat hij die verrukkelijke ontboezeming niet kan vernemen, dat de fijne schakeeringen daarbij voor hem immer onbekend en ongenoten moeten blijven, al wordt hem ook later honderdmaal dat onderhoud medegedeeld! Want welke menschelijke tong is in staat zoo’n gesprek tusschen moeder en dochter weer te geven? Welke stem, hoe liefelijk ruischend ook, is bij machte de intonatie te doen hooren, zooals zij luidde, toen de woorden schuchter, zacht en schier onhoorbaar lispelden: „o! moeder, ik heb hem zoo lief!” Neen, welke liefde, welke innigheid, welke vertrouwelijkheid tusschen de gelieven moge ontstaan, die innige heilige ongedwongen mededeelzaamheid, welke daar in dat uur aan den moederlijken boezem te voorschijn treedt, zullen zij nimmer ondervinden. De band tusschen moeder en dochter is nog iets heiliger, dan die tusschen man en vrouw!
In weinige oogenblikken wist mevrouw Groenewald alles, van den eersten indruk af, dien de jongman op het jeugdige ontvankelijke gemoed harer Adelien gemaakt had, tot het wisselen van den eersten kus toe. De zorgzame moeder vernam toen ook, dat nog geen enkel woord van liefde of genegenheid tusschen de jongelieden gesproken was. Zelf gaf Adelien daar een bevredigenden uitleg van door de bemerking, dat Frank verhinderd was geworden over zijne genegenheid te spreken, door dat het samenzijn aan boord zich niet eigende om zoo’n[316]belangrijk gesprek te voeren, wijl er immer iemand in de onmiddellijke nabijheid was.
„Ik ben benieuwd met welke tijding papa straks terug zal komen.”
„Zij schijnen het druk te hebben.… althans met wandelen,” antwoordde Adelien glimlachend.… „Hoort ze eens heen en weer trappelen.”
Het gesprek vlotte daar boven niet meer. Niet, dat er gebrek was aan stof; maar met den wind nam ook de zee toe, zoodat het inspanning en moeite kostte om voortdurend op de been te blijven en de wandeling te vervolgen. Ergens gaan zitten was niet doenlijk, daar het daartoe te koud was. De beide mannen hadden daarenboven het noodzakelijke besproken, zoodat de heer Groenewald zich haastte om een eind aan het onderhoud te maken.
„Gij hebt welgedaan, mij omtrent die aangelegenheden op de hoogte te brengen,” sprak hij. „Evenwel moet gij mij beloven, dat gij u door uwe genegenheid niet zoover zult laten vervoeren om te trachten Adelien alleen te spreken. De goede naam van een meisje is teer, bedenk dat steeds. Overigens wacht ik uw antwoord op mijn voorstel, om nadere beschikkingen te treffen. Goeden dag, mijnheer Brinkman!”
Een handdruk werd gewisseld, waarna beiden opgetogen over elkander van het dek verdwenen.
Den volgenden morgen heerschte bij het krieken van den dag hetzelfde weder. Loeiende wind uit het noorden en hooge zeeën van denzelfden kant. De hemel zag aschgrauw, hoewel het wolkendak geen aaneengesloten geheel vormde, maar hier en daar scheuren liet ontwaren, waar de zon somwijlen doorbrak, en dan met hare stralen dat tooneel van opgezweepte golven bescheen, en[317]het woeste van die met schuim gekuifde koppen nog meer deed uitkomen.
„Is dat nog altijd stijve bramzeilskoelte, die waait?” vroeg Denniston, toen hij aan het dek kwam en dat tooneel overzag, aan stuurman Abels.
„Kijk maar, mijnheer, de bramzeilen staan nog bij,” antwoordde de stuurman. „Of zij evenwel nog lang bij zullen blijven, daaraan begin ik te twijfelen.…”
„Hoe dat zoo?” vroeg Behren, die dat antwoord opgevangen had.
„Wel, de barometer daalt aanhoudend. Het gaat langzaam, evenwel hij daalt maar altijd door. Als ik kapitein was, dan had ik de brammen reeds geborgen.”
„Zoo bang, stuur?” vroeg kapitein Van Dam.
„Ik ben evenmin bang als een ander,” antwoordde Abels;.… „maar.… kijk, daar zijn weer een paar stormvogels.… Verwenschte dieren, ik zou ze wel kunnen doodschieten!”
„Maar, wat is dat daar?” kreet op eens Behren; terwijl hij in de richting naar het zuidoosten wees. „Daar ginds bij den horizon? Het is alsof daar punten boven het water uitkomen en weer verdwijnen. Kijk, hoe regelmatig dat gaat! Dat nadert!… zie … het komt hier heen. Wat is dat toch, stuurman?”
Stuurman Abels keek in de aangeduide richting.
„Dat!” zeide hij. „Wel dat is eene school bruinvisschen. De „boer met zijn varkens” zooals de matrozen ze noemen.”
„Wijst dat op goed of op slecht weer?” vroeg Denniston.
„Och! die vertoonen zich bij ieder weer,” antwoordde de stuurman. „Aan hunne verschijning kent de zeeman geen voorteeken toe. Gij hebt ze al meer gezien, nietwaar? Maar niet in zoo groote menigte bij elkander als thans. Kijk, zij naderen al meer en meer.”[318]
„Hoe regelmatig duiken zij allen te gelijkertijd tusschen twee golven op, om hunne rugvin even te vertoonen, weer onder te duiken, en dan hunne staartvin te laten zien. Kijk, kijk, daar hebt ge ze weer!”
Al de opvarenden van deFernandina Maria Emmahadden hunne aandacht aan het opmerkelijke schouwspel gewijd. Al de militairen, zelfs de matrozen der equipage en de passagiers achteruit lagen over de stuurboords-verschansing naar die bruinvisschen te kijken. Deze naderden al meer en meer. Het was eene geduchte school, die daar in dichtgesloten gelederen aangerukt kwam, en een heel segment van de zeeoppervlakte, die zich voor de oogen der turenden uitbreidde, innam. Als die ontelbare vinnen in de dalen tusschen twee, drie en vier golven zich lieten ontwaren, dan was het of een onderzeesch leger in aantocht was, welker wapenspitsen boven het water uitstaken. Soms werd de een of andere visch door de niet te berekenen beweging der woeste golven verrast, en vertoonde dan zijn ronden dikken kop met grooten muil, zijn glad zakvormig lichaam, zijne wigvormige rugvin en zijn horizontalen staart.
De bootsman en eenige matrozen hadden intusschen een paar harpoenen te voorschijn gehaald, die zij aan eene lange lijn vastmaakten, en waarmede zij zich op de verschansing bij den boeg van het schip plaatsten, om te pogen een visch te verrassen.
„Het is dwaasheid,” zei stuurman Abels, „bij dit weer en bij deze zee te willen harpoeneeren. Maar laat ze het maar probeeren!”
De bruinvisschen naderden intusschen steeds. Eindelijk waren zij bij het schip. Het was nu een vermakelijk schouwspel die dieren bij voorkeur te zien duikelen in de dichte schuimgolven, die het voortgezweepte schip voor zich uitwierp. Soms schoot de school langs beide[319]zijden van het fregat af, vereenigde zich in het kielzog, waarin de doorsneden golven geweldig kookten en kolkten, schoten weer vooruit, doken onder het vaartuig door, verzamelden zich weer voor den boeg om het spel van voren af aan weer te beginnen. Voornamelijk hielden zij zich in het boegwater op, waarin zij dan regelmatig opdoken en onderdompelden, en met het fregat een wedloop schenen te houden.
Eensklaps verdwenen al de visschen als bij tooverslag, terwijl op het voorschip een gejuich onder de bemanning opging. Het was werkelijk den bootsman, na ontelbare misworpen, gelukt een dier bruinvisschen aan zijn harpoen te rijgen. Het doorboorde dier spartelde aan de lijn, en was de oorzaak van de verdwijning zijner verschrikte makkers. Ras waren een groot aantal handen aan de lijn geslagen, waaraan de harpoen bevestigd was, en weldra lag de visch stervend op het achterdek.
„Is die visch eetbaar?” vroeg een der dames.
„De matrozen versmaden hem niet,” antwoordde Abels. „Hij is evenwel zeer tranig, en ik zou u bepaald afraden er van te proeven.”
Dokter Hannius was bij het zieltogende dier neergeknield, en bekeek het aandachtig.
„Wilt ge dien bruinvisch ook den pols voelen?” vroeg kapitein Van Dam aan den Esculaap.
De Germaan lette op die scherts niet.
„De bruinvisch,” zei hij, „behoort tot de dolfijnen-familie, die tot de vischachtige zoogdieren behoort. Zijn wetenschappelijke naam is.…”
„De boer met zijn varkens,” viel kapitein Butteling in.
.… „Is Phocaena communis. Hij wordt in alle zeeën van den aardbol aangetroffen, zoowel in de poolzeeën als in de gematigde luchtstreken, en tusschen de keerkringen.…”[320]
„Gij kunt er bijvoegen tot in de rivieren toe,” voegde kapitein Van Dam er bij. „In de grootsche stroomen van Zuid-Borneo heb ik menigmaal de bruinvisschen een paar dagreizen ver in het binnenland zien dartelen. Zij heeten daar bij de bevolking „ikan poes”64.
„Hij behoort,” ging de dokter voort, „tot de walvischachtige dieren, en is voorzien van een enkel spuitgat boven op den kop. Hij heeft even als alle vischachtige zoogdieren een vischvormig lichaam met een loodrechte rugvin en met horizontalen staart en borstvinnen, welke laatste als de overblijfselen van voorpooten kunnen beschouwd worden. De dikke kop is zonder hals op den romp gehecht, uitwendige ooren ontbreken en de oogen zijn, zooals gij zien kunt, betrekkelijk klein. De wijfjes hebben.…”
Een zeetje, dat overspatte en het geheele gezelschap kletsnat maakte, onderbrak de verhandeling gelukkig, toen de zoöloog in tegenwoordigheid der dames zou verklaren, wat de wijfjes hadden en de mannetjes niet. Allen spoedden naar beneden, om de natgeworden kleeding te verwisselen.
Omstreeks negen uur liet kapitein Butteling, na den barometer nogmaals geraadpleegd te hebben, de bramzeilen innemen. Wind en zee namen bestendig toe.
„Ik heb nimmer in mijn leven den barometer zoo bestendig zien dalen, als bij deze gelegenheid,” zei de scheepsgezagvoerder.
„Wij zijn in de zone der veranderlijke winden,” meende kapitein Van Dam.
„Juist daarom. In deze zone heb ik het wel gehad, dat de barometer binnen het uur daling en rijzing, en daarna weer daling aanwees. Die aanhoudende daling thans verwondert mij des te meer.”
Bij het middagbestek stond het schip, het was den 24stenNovember, op 31° 50′ zuiderbreedte en 30° 39′ westerlengte.[321]
Het was of stuurman Ellenbaan gelijk had, toen hij daags te voren voorspelde, dat heden of morgen kaapsche duiven zouden ontwaard worden. In den namiddag kwamen er ettelijke in het gezicht. Het was verrassend te zien hoe spoedig die diertjes, toen zij het schip in het oog kregen, in de nabijheid kwamen zweven, om op den afval der kombuis te azen.
„Wat bevallige dieren zijn dat toch,” merkte Emma Groenewald op, terwijl zij met hare ouders en zuster en met de overige passagiers de kringen, welke deze zeevogels beschreven, naoogde. „Ik zou er wel een van nabij willen zien.”
„Ik ga beproeven om een duifje te vangen, om het u aan te kunnen bieden,” zei Denniston galant.
Goeden wil was bij zoo’n bedrijf evenwel niet voldoende. De gelegenheid moest in de eerste plaats bestaan, en dan behoorde er ook nog wat geluk toe om zoo’n vogel te vangen. Wel liet luitenant Denniston, door zijn collega Leidermooi geholpen, eenige vischhaken aan zeilgaren vastgemaakt, en behoorlijk van een dobbelsteentje spek voorzien, achter den spiegel in het kielwater slieren. Het schip had evenwel te veel vaart. Pijlsnel door het zeewater voortgesleurd was het zeilgaren spoedig doorgeschuurd of het stukje spek van den haak gespoeld. Toen veel sterker kabelgaren door den luitenant genomen en het spek aan den haak met een draad vastgebonden was, draaiden de vogels wel in bevallige kringen boven het aas, buitelden ook wel eens naar omlaag, alsof zij het wilden grijpen, maar raakten het, hoe gulzig zij overigens ook waren, niet aan. De reden daarvan was, dat èn garen èn spek, in die wilde vaart voortgesleept, eene te zichtbare vore door het water trokken en dat het stukje spek, van golftop tot golftop springende, de beestjes maar al te duidelijk de list, die gebezigd werd om hen te krijgen, liet ontwaren.[322]
„Maar is spek wel het goede aas?” vroeg Denniston wantrouwend aan stuurman Ellenbaan.
„Zou de heer luitenant ook soms denken, dat die duiven de Joodsche Godsdienst belijden?” vroeg de stuurman te midden eener plotseling opkomende lachbui.
„Het zijn misschien Mohamedanen?” voegde kapitein Van Dam, die een oogenblik naar die wanhopige visscherij had staan turen, en de vraag van Denniston gehoord had, er bij.
„Och, wat ’n malligheid!” antwoordde deze. „Neen kapitein, ziet u, wie zou die dieren hebben leeren spek eten? Dat zal wel het voedsel zijn, hetwelk zij het allerminst op den Oceaan, alwaar geen biggen grazen, zullen aantreffen.”
Die grazende biggen op de oppervlakte van den Oceaan moesten een geestig antwoord vormen op de Semitische of Mohamedaansche duiven.
„Zoo!” sprak stuurman Ellenbaan. „Dan heeft de heer luitenant nog nimmer eens opgelet op den keukenafval, die dagelijks over boord geworpen wordt. Daarin zit menig kaantje spek of stukje vet van het gezouten vleesch. Daarbij, die beestjes azen op alles, wat hun maar eetbaar voorkomt. Gooit een doode kip in zee, zij zitten er dadelijk op; valt er een mensch over boord, helaas! zij werpen zich dadelijk op hem, munten eerst op zijne oogen, die zij met hunnen gehaakten scherpen snavel al spoedig te pakken hebben, en verslinden daarna den ongelukkige levend. Gij zult toch niet beweren, dat hun veel kippen of over boord gevallen menschen onder het bereik gekomen zullen zijn. Neen, uwe poging om die diertjes te vangen, is te doorzichtig; zij zien dat garen, hetwelk eene voren ploegt, zij zien dat stuk spek, hetwelk van golftop tot golftop springt. Zoo dom laten zij zich niet verschalken.”[323]
De stuurman had gelijk. De beide officieren deden nog een paar pogingen, die evenzeer mislukten, waarna zij hun vischtuig inpalmden en de poging staakten. Het speet Denniston toch, dat hij juffrouw Emma kennis moest geven, dat hij haren wensch thans niet bevredigen kon.[324]