[Inhoud]XIII.Storm.—Om de zuid.De wind wakkerde steeds aan, en de barometer bleef steeds zijne dalende beweging volvoeren. Tegen het vallen van den avond, liet de kapitein deFernandina Maria Emma, die tot nu toe, sedert het verlaten van Rio Janeiro, zuidwest gekoerst had, zuiver zuid voorleggen.„Drommels, gaat gij meer zuid halen?” vroeg kapitein Van Dam. „Wij moeten nu zoo wat op de breedte van de kaap de Goede Hoop65zijn.”„Dat zijn wij ook. Maar ik ga lenzen. Die dwarsche zeeën deden het schip te veel slingeren en werken. Voelt gij wel, nu het voor den golfslag wegvliedt, hoe stil het ligt.”„Het weer schijnt meer te bedaren,” merkte mevrouw Groenewald op.„Volstrekt niet, mevrouw. Wij liggen stiller, omdat het fregat nu voor den wind gaat. De barometer daalt zelfs onrustbarend,” zei kapitein Butteling. „De passagiers zouden mij genoegen doen, wanneer zij thans naar beneden gingen.”Aan dien wenk werd gehoorzaamd. Ook de soldaten verdwenen van het dek. Alleen zij, die de wacht hadden,[325]zaten op het voorschip achter een oppertje geborgen voor den woesten wind.Het schip hield zich uitmuntend. Sedert het lenste, slingerde het zooveel niet meer; het doorsneed thans de golven, waarbij het steigerend omhoog steeg, wanneer het op den rug van zoo’n baar opgetild werd, of met zijn boeg omlaag dook, wanneer het van dien rug afgleed, alsof het in de diepte onder wilde duiken. Die beweging was evenwel niet lastig of onaangenaam, omdat de golven breed en verheven rolden, met niet te steile hellingen, waartegen het schip licht als een zwaan opgevoerd werd en geen eigenlijk stampen ondervond. Die bewegingen waren evenwel omvangrijk, zoodat het soms moeielijk was op het dek op de been te blijven.Bij het middagbestek van dien dag—den 25stenNovember—stond het schip op 35° 25′ zuiderbreedte en 29° 21′ westerlengte, en had bijgevolg onder klein zeil een afstand van ruim 43 mijlen afgelegd.Toen de passagiers naar beneden gingen om de lunch te gebruiken, was de tafel van slingerlatten66voorzien, om te beletten dat bij de bewegingen van het schip het geheel servies op den grond rolde. Sedert eenige dagen reeds waren de reizigers gewoon, alle vochtinhoudende voorwerpen als: glazen en kopjes op de slingerborden,67die boven de tafel zweefden, uit de hand te zetten.„Jongens, jongens, die latjes duiden op slecht weer,” zei kapitein Van Dam, aan tafel plaats nemende. „Dat zal bij het diner straks met de soep lastig worden.”„Als wij dan soep krijgen,” antwoordde kapitein Butteling lachende. „De barometer daalt steeds en de wind wakkert steeds aan. Het zou wel eens kunnen, dat het kooken in de kombuis onmogelijk werd.”„Maar, hoe dan met de manschappen van het detachement?” vroegVanDam.[326]„Heden krijgen zij nog snert,” antwoordde de gezagvoerder. „Houdt dit weer evenwel aan of verergert het, zoo als te voorspellen is, dan kan er aan kooken niet gedacht worden. Gij moet eens zien, welke moeite het thans reeds kost om bij de kabriolen, die het schip maakt, de kookketels in hunne vierkante ramen en het vuur in de fornuizen te houden. Er is voortdurend tegen brand te waken.”„God beware ons!” zei mevrouw Groenewald.„Er is geen gevaar, mevrouw,” stelde haar kapitein Butteling gerust. „Er staan genoeg wachten rondom. Maar ik zal blij zijn, als de erwtesoep gaar zal zijn, en de vuren gebluscht zullen worden. Alle maatregelen zijn reeds door stuurman Abels getroffen om scheepsbeschuit met ham en gerookt spek voor ettelijke dagen in voorraad te hebben.”„Smakelijk eten!” lachte Jan Slierendrecht.„Hebben wij ook veel kans op een koude keuken?” vroeg Adelien Groenewald in de handen klappende.„De kok wilde reeds heden daarmeê beginnen,” antwoordde kapitein Butteling lachende. „Hij knort erg, dat hij zijn kookgerij niet op het vuur kan houden.”„Het zal het brandgevaar verminderen, niet waar kapitein, wanneer voor ons niet gekookt wordt?” vroeg mevrouw Groenewald.„Voorzeker, mevrouw.”„Mag ik u dan uit naam der dames verzoeken, ons zoolang dit weer aanhoudt, eene koude keuken te verstrekken,” zei de voorzichtige moeder.De heeren betuigden hunne instemming met dat verzoek.„Dat is dan aangenomen!” sprak kapitein Butteling.„Maar laat eens hooren, waaruit het menu zal bestaan?” vroeg Denniston. „Wat zal b.v. het dejeuner opleveren?”[327]„Scheepsbeschuit!”„Met?.…”„Met scheepsbeschuit!”„Zonder koffij?”„Het water daartoe moet gekookt worden,” merkte mevrouw Groenewald aan.„Dus geen koffij; maar wat dan? Er moet toch iets zijn om die scheepsbeschuit door te spoelen.”„Een glas bier, een glas selterswater, of een glas ijzerhoudend water68uit onzen scheepsvoorraad,” zei kapitein Butteling.„Voor dat laatste pas ik,” antwoordde Denniston. „Maar nu de lunch? Waaruit zal die bestaan?”„Uit scheepsbeschuit!”„Met?.…”„Met sardijntjes.”„En?.…”„Een glas bier, een glas selterswater of een glas ijzerhoudend water uit den scheepsvoorraad!” proestte het kapiteinVanDam uit.„En nu het diner? Dat zal de overige ontberingen wel vergoeden, niet waar? Kom, kapitein Butteling, waaruit zal dat bestaan?”„Uit scheepsbeschuit!”„Met?…”„Met sardijntjes, afgewisseld met gerookte ham, gerookte tong, gerookt vleesch, gerookten zalm, gerookten elft, of gerookten bokking.”„Daar is ten minste variatie in al die gerooktelekkernijen.”„En de beste manier om zelf niet gerookt te worden,” zei Emma Groenewald.„Maar, kapitein Butteling.…” vroeg Denniston. „Gij zeidet daar zooeven:afgewisseld metal die lekkere gerookte[328]zaken. Hebben wij dus het vooruitzicht die afwisselingen lang te genieten?”„Ai!… ik ben geen weerprofeet, mijnheer Denniston,” antwoordde de gezagvoerder, „maar de barometer is sedert dagen langzaam dalende. Hij daalde heden ochtend nog. Nu schijnt hij stationnair, hoewel de oppervlakte der kwikkolom nog lang den bolvorm niet, eerder eene holte vertoont, wat op nog meer neiging tot dalen wijst. Hij staat nu zoo laag—op 728—als ik hem ooit zoo constant gezien heb. Ik heb hem wel lager gezien, maar dat was slechts kortstondig, bij sprongen om zoo te zeggen, om spoedig daarna weer te rijzen. Uit die langzame daling mag met eenigen grond afgeleid worden, dat wij gedurende langen tijd slecht weer zullen hebben en.… daarmee zal ons menu van scheepsbeschuit met … gerooktelekkernijenrekening dienen te houden.”„Dat lenzen, wat wij nu doen,” vroeg kapitein Van Dam, „zet ons toch uit den koers, niet waar?”„Volstrekt niet,” antwoordde de scheepsgezaghebber.„Maar we moesten meer oost halen, dunkt me?”„Zonder dat weer was ik tóch van plan geweest, om, eenmaal onder den Amerikaansche wal uit, meer zuid te halen, dan gewoonlijk bij Oost-Indische reizen gedaan wordt. In den regel wordt den meridiaan van kaap de Goede Hoop op den 39stengraad zuiderbreedte gepasseerd. Ik heb mij in mijn hoofd gesteld tien graden zuidelijker te gaan.”„Dat is toch een groote omweg,” meende kapitein Van Dam.„Toch niet. Schijnbaar maar. Ik beweer dat ik eene spoediger reis daardoor zal maken. Gij zult zien. DeStad Leidenlag bij ons bij de Canarische eilanden. Dat is een welbezeilde bark. Het is te veronderstellen dat die nagenoeg dezelfde gelegenheid tot heden heeft getroffen[329]als wij hadden, met dat onderscheid evenwel, dat zij die vier dagen verlies niet gehad heeft, die wij met ons uitstapje naar Rio Janeiro ondervonden hebben. Welnu, ik durf een discretie verwedden, dat wij voor haar op de reede van Batavia zijn.”69„Maar als haar gezagvoerder nu ook eens uwe meening opgevat heeft?” vroeg Behren.„Dat heb ik niet te vreezen. Ik ken hem; hij is een degelijk zeeman; maar om zonder daartoe genoodzaakt te zijn van de baan af te wijken, die hem door zijne voorgangers aangewezen is, daartoe is hij niet in staat.”„Hoe zult ge evenwel bewijzen: dat langs die langere baan een kortere reis te maken is, zooals gij beweert.”„Wel vooreerst worden de lengtegraden, hoe zuidelijker ik aanhoud al kleiner en kleiner. Bij den Evenaar meet zoo’n graad 15 geographische mijlen, bij de polen of op 90° afstand van den Equator is die graad nul. De afplatting der aarde niet meegerekend, bedraagt dus een lengtegraad op 45° zuider- of noorderbreedte de helft maar van zijne waarde aan den Evenaar, en bij gevolg dus slechts 7½ mijl. Dat verschil geeft mij reeds veel; want ik heb op 49° breedte 1⅓ mijl minder af te leggen per graad, dan op 39°. Maar, dat is nog niet alles. Wij zijn hier in de zone der veranderlijke winden. Wij treffen nu goede gelegenheid; maar het kon ook anders. Ieder oogenblik kan de wind uit een anderen hoek schieten. Ik heb het hier wel beleefd, dat wij dagen lang stormweer hadden en daarbij tegenwind, zoodat we moesten bijleggen. Volgens mijne windkaart heb ik veel kans beneden den 45stenbreedtegraad westelijke of noordwestelijke winden aan te treffen, waarmee dan wat lengte afgezeild kan worden, dat verzeker ik u.”Op dat oogenblik trad de derde stuurman binnen en fluisterde den kapitein iets in het oor. Deze stond dadelijk[330]op, trad in zijne kajuit, om een blik op den barometer te slaan en spoedde daarna naar het dek, waarheen hem ettelijke zijner passagiers volgden.De wind stak al meer en meer op, en de zee rolde in hemelhooge baren achterop. Het fregat begon zwaar te werken. Het steigerde als het ware met het voorschip, wanneer zoo’n golf dat optilde, terwijl zijn boegspriet, met het kluif- en jaaghout verlengd, een oogenblik hemelwaarts wees, alsof die vooruitstekende punt een gat in de wolken wilde steken. Een oogenblik later gleed het tusschen twee golven in een afgrond, alsof het daarin wilde verdwijnen.„Marszeilen en fok reven!” kommandeerde kapitein Butteling.„Het zeil, dat wij voeren, wordt al minder en minder,” zei kapitein Van Dam, toen de zeeman op het achterdek kwam om de bevolen manoeuvre gade te slaan.„Ik heb wel zin, om maar in eens de marszeilen dicht te laten reven, want over een paar uren zal dat toch moeten geschieden en het is een zwaar werk.”Hij riep stuurman Bagman tot zich, en deelde hem dienaangaande de noodige bevelen mede. Was straks de stem van den kapitein nog waarneembaar geweest voor zijne manschappen, toen zij aan het dek waren, nu kon geen menschelijk orgaan zich voor die mannen, die daar boven over de raas gebogen lagen, doen hooren, hoe de stuurman zijn stem ook uitzette. Het gehuil van den wind en het geloei van den Oceaan overvleugelde alles. Stuurman Bagman greep den scheepsroeper, ging op het achterdek bovenwinds staan, en nu gelukte het hem na eenige vergeefsche pogingen het bevel van den kapitein aan die mannen daar boven bekend te maken.Het was een zwaar stuk werk, bij zoo’n weer, die zoo sterk gespannen zeilen dicht te reven. Wat kracht[331]moesten die vuisten niet uitoefenen om dat zware en stijve zeildoek te grijpen en te houden, en dat met de riftouwtjes in te binden. Wat klapperden en donderden die zeilen daar boven, toen de toppenends gevierd waren. Het was alsof die lappen zeildoek uit elkaar gezweept moesten worden. De matrozen over de raas gebogen liggende, met de voeten gesteund op de paarden, die zich onder de raas uitstrekten, spanden alle hunne krachten in om die woest klappende zeilen in bedwang te krijgen, waarbij twee armen waarachtig niet te veel waren.„Hoe is het toch mogelijk,” merkte Denniston op, „zich daar boven bij dat weer, in evenwicht te houden?”Eindelijk lukte het toch. Na een rond uur tobbens was de bevolen arbeid verricht, en daalden de matrozen langs het want op het dek neer.„Het zijn flinke, pootige kerels!” zei kapitein Van Dam, „die wel een oorlam verdiend hebben.”„Zij ontgaat hun niet,” antwoordde de gezagvoerder lachend, terwijl hij een teeken aan stuurman Ellenbaan gaf, die ook op de ra geweest was.„Noem jullie zoo’n weer nu nog eene koelte?” vroeg Denniston aan stuurman Bagman, nadat die gezorgd had, dat alle lijnen en touwen weer behoorlijk aan hunne nagelpinnen opgeborgen waren, en nu op het achterdek verscheen.„Wel, mijnheer, het waait nog maar eene gereefde marszeilskoelte,” was het antwoord van den zeeman.„Het mocht wat! Het blaast of de hel losgebroken is.”„Eerst hadden wij bramzeilskoelte, die is overgegaan in stijve bramzeilskoelte. Toen de brammetjes ingenomen waren, heette het marszeilskoelte. Had de kapitein één rif laten steken, dan zouden wij van gereefde marszeilskoelte[332]spreken; had hij twee reven laten nemen, dan heette het dubbel gereefde marszeilskoelte; en nu al de reven gestoken zijn, noemen wij dat dichtgereefde marszeilskoelte.”„En zoo even zeidet gij: gereefde marszeilskoelte?”„Nu ja, de kapitein heeft, om te voorkomen, dat Janmaat straks weer naar boven moest, al de reven laten steken. Met den wind die blaast, had hij heel goed kunnen volstaan met één rif te nemen. Wij liggen dus onder dichtgereefde marszeilen, maar het waait slechts eene gereefde marszeilskoelte. Maar, weet ge wel wat dat beteekent?”„Nu, wat dan?”„Dat er nog niet veel uitzicht bestaat, om beter weer te krijgen.”„Hoe staat de barometer?” vroeg kapitein Van Dam aan den scheepsgezagvoerder.„Steeds op 728, met eenige neiging tot rijzen.”Het was ellendig naar aan het dek. De wind huilde en gierde als een bezetene door het want. Het was alsof hij eene monsterachtige Eolus-harp bespeelde. De zee loeide, donderde en klotste op ontzettende wijze, en vormde den grondtoon bij het schrikwekkende akkoord, hetwelk de verbolgen elementen aansloegen. Kapitein Butteling en zijne drie stuurlieden hadden hunne zuidwesters70op en over de ooren getrokken, hunne oliejassen en waterlaarzen aan, en stonden daar bij elkander, gereed om den kamp te aanvaarden, die de natuur hun bood.„De heeren zouden mij genoegen doen, door het dek te verlaten,” sprak kapitein Butteling. „Eene stortzee is thans niet onmogelijk en dan zouden ongelukken onvermijdelijk zijn.”Toen de passagiers verdwenen waren, liet hij eene[333]presenning over de trappenkap bevestigen, om het indringen van het water tegen te gaan. Hetzelfde werd vooruit ook gedaan. Bij het grootluik werd die presenning met een paar spijkers vastgezet, om de levende lading beneden te houden.Zoo werd de nacht ingegaan. Dat bij het huilen van den wind en het bulderen der zee niet veel van slapen kwam, is wel te begrijpen. Die oprecht waren, legden zich de bekentenis af, dat zij uiterst beangst waren, dat menig gemoed in die bange oogenblikken eene gedachte had voor Hem, in wiens hand aller bestaan was.Toen het dag werd—een akelige, grauwe dag, droevig en somber als een Novemberdag onder noordelijke breedten, hoewel hier in het zuidelijk halfrond 26 November als 26 Mei, in het noordelijk halfrond mag rekenen—werd de presenning van de kap van den kajuitstrap en ook die van het grootluik een weinig weggeschoven, om wat versche lucht naar beneden in dat menschenhok te laten doordringen; ook om hen naar boven te laten komen, die aan natuurlijke behoeften te voldoen hadden. Van de soldaten waren er slechts weinigen die verschenen. De zeeziekte hield in dat tusschendek zoodanig huis, dat eene beschrijving van dat woonoord van menschen tot de onmogelijkheid behoort. De weinigen, die zich vertoonden, zagen zoo ontdaan en zoo bleek, alsof zij eene langdurige ziekte doorworsteld hadden. Zij verzochten den scheepskapitein, boven te mogen blijven, althans niet meer opgesloten te mogen worden in dat tusschendek, hetwelk aan eene hel mocht gelijk gesteld worden.„Jongens, aan het dek is ook niet veel heil te halen,” antwoordde de kapitein. „Het is er bepaald gevaarlijk. Kijk maar eens de stuurboordsverschansing en de kippenhokken aan dien kant zijn geheel weggeslagen.”[334]„Om het even, kapitein, het is in die verpeste lucht daar beneden niet uit te houden!”Het waren er maar weinig, die dit verzoek deden. De overigen lagen meer dan halfdood in hunne hangmat te jammeren en te weeklagen.„Nu dan, mij wel,” antwoordde kapitein Butteling. „Maar goed vasthouden. Ik wou jullie wel laten vastsjorren!”Het meerendeel der mannelijke passagiers van achteruit kwamen ook langzamerhand op het dek om wat versche lucht te happen en eens poolshoogte te nemen. Dat laatste viel niet mee. Het schip had alle zeilen geborgen, lenste thans voor top en takel en lag zuidoost ten oosten voor. Het was een uiterst naar gezicht dat zwaar werkend schip met zijn kale masten te midden van die verbolgen zee. Wat voelde de mensch zich klein in zijn kamp met de ontzettende elementen.„Zoo van alle falbalas ontdaan,” sprak kapitein Van Dam tot stuurman Abels, die in de nabijheid van het stuurrad zich ophield, waaraan twee matrozen stonden, die daaraan vastgesjord waren, „ziet onzeFernandina Maria Emmaer niet zeer aantrekkelijk uit.”„Maar zij houdt zich toch dapper; in weerwil van die zware zeeën ligt zij als een meeuw op het water. Met dat schip is wat uit te voeren!”„Ze kan zoo zonder zeil onmogelijk hard loopen,” meende Behren.„Dat valt nog al meê,” antwoordde de stuurman. „Wij zullen eens loggen?”„Loggen!!!” commandeerde hij met brullende stem.Een paar matrozen en de scheepsjongen verschenen. De log werd uitgeworpen. Het duurde naar aller meening lang, eer dat die jongen zijn „stop!” liet hooren. Toen dat eindelijk weerklonk, zei stuurman Abels:[335]„Twaalf en een halve mijl! dat gaat, niet waar? Heden nacht hebben we meer gelogd. Maar toen stonden de dichtgereefde marszeilen nog bij.”De beweging van het schip was zoo sterk, dat de passagiers niet dan met moeite ter been konden blijven. Behren en Hannius probeerden om tot bij den grooten mast te gaan. Bij het overgaan van het schip, smakten zij beiden tegen het dek op het oogenblik, dat zij den rand van de kajuitskap los lieten om naar de verschansing over te steken en zich daar vast te klemmen. Bij het zware slingeren van het schip, gierden die beide eenige malen over de natte planken van het dek heen en weer, zonder dat zij van wege de gladheid weer vermochten op te krabbelen, en waarbij zij telkenmale zeer onzacht tegen de verschansingen aankwamen. Met behulp van den stuurman en kapitein Butteling, die juist van het voorschip kwam, krabbelden zij weer ter been; maar moesten zelf mee lachen over het zonderlinge gezicht dat die glijpartij heen en weer opgeleverd had; hoewel zij zich schouders, ellebogen en knieën, die, bij de aanraking met dek en verschansing, gevoelig te land waren gekomen, wreven.„Ik wed dat ik overal blauwe plekken heb,” zei Behren.Dokter Hannius sprak geen woord, maar wreef zich des te meer.„Ik zou een stuk lijnkoek aan dokter Van Pinksteren gaan vragen!” raadde kapitein Van Dam aan, die zich evenwel zorgvuldig aan een nagelpen der verschansing vast hield.„Ik ga niet meer van mijne plaats,” zei Behren, zich aan de kajuitskap vastklemmende: „Voor geen geld van de wereld zou ik een tocht naar den boeg ondernemen, daar is levensgevaar bij.”„Voor de onervarenen, is er zeker gevaar bij,” antwoordde[336]kapitein Butteling, „om hard te vallen althans en armen, beenen en ribben te breken. Wanneer er echter eene zee overkomt, dan klimt dat gevaar tot levensgevaar.Gij hadt dat spektakel heden nacht maar eens moeten bijwonen!”„Wat is er dan gebeurd?” vroegen allen te gelijk.„Ja, ik meen zoo iets gehoord te hebben,” zei Leidermooi.„Zoo omstreeks twee glazen in de hondenwacht loefde het schip te veel op en kregen wij een zee binnen, die niet alleen eene aanmerkelijke verwoesting aan boord aangericht, maar ook onzen bijkok over boord gespoeld heeft.”„En?.…” vroegen de passagiers ademloos.„En.… Redding bij dat weer was onmogelijk. Slechts weinigen hebben den gil gehoord, dien de ongelukkige geslaakt heeft.”„Hadt gij niet kunnen bijleggen?” vroeg Behren.„Bijleggen in dit weer!” antwoordde kapitein Butteling. „Bedenk toch dat het schip dan dwarszee’s moest komen. Dan zou èn verschansing èn tuig èn alles wat aan het dek is, over boord gegaan zijn. Dan zou het schip in het grootste gevaar gekomen zijn, en mocht ik dat wagen? Om een man pogen te redden, het leven van zoovele aan groot gevaar bloot te stellen! Maar verondersteld ook al eens, dat ik het schip met den boeg in den wind had kunnen krijgen; dat is een manoeuvre, waartoe op zijn minst een half uur noodig is. Wat zou er inmiddels van den ongelukkige geworden zijn in die kokende zee? En wat dan verder te doen? Eene sloep uitzetten? om hem in den donkeren nacht op te sporen? Neen, daar was geen redding mogelijk. Onverbiddelijk als het noodlot moest het fregat op zijne baan voort en den ongelukkige aan zijn lot overlaten!”[337]„Schrikkelijk! schrikkelijk!”„Kunt gij begrijpen, wat er in de ziel omgaat van den gezagvoerder bij zoo’n gebeurtenis, van den man, die zich als het ware verantwoordelijk voor het leven van ieder zijner opvarenden gevoelt? Wat er omgaat in zijne ziel; wanneer hij geen hand tot redding kan uitsteken, wanneer hij den kreet van den ongelukkigen slechts beantwoorden kan en moet met een kort: „niets aan te doen?”„Vreeselijk!”„Zoo ziet ge wat het leven van den zeeman is,” vervolgde kapitein Butteling in een sombere bui. „Och! aan wal overlijden de lieden ook, staan zij ook bloot om een ongeluk te krijgen. Maar dan ziet men hen sterven, dan aanschouwt men hun lijk; maar zoo weggerukt te worden zonder een spoor na te laten, zoo zonder ach en wee te verdwijnen, ziet, dat zijn van die aangrijpende omstandigheden, die toch wel het meest gestaalde gemoed tot nadenken moeten stemmen.…”Stuurman Abels trad in dit oogenblik op den gezagvoerder toe, fluisterde hem eenige woorden in het oor, en wees daarbij achteruit naar zee. Kapitein Butteling keek in de aangeduide richting. Wild en woest verhieven zich steeds de golven en schenen aan bergen gelijk, die in toomelooze vaart op het schip aanrolden. Er begonnen zich nu evenwel brekers te vormen, en die omstandigheid bracht eene plooi van bezorgdheid op het voorhoofd van den zeeman, wiens gemoed toch al zoo somber gestemd was. Juist brak in dat oogenblik een golf met donderend geweld vlak achter het schip, en overdekte den oceaan in een wijden kring, met wit schuim, dat onder den grauwen hemel eene fletsche doodsche tint vertoonde alsof het eene lijkwa was. Op dat gezicht spoedde de kapitein naar beneden.[338]„Als er zoo’n breker ons achterop aan boord komt, dan zijn wij voor de haaien, tegen zoo’n geweld is geen schip, hoe hecht ook, bestand,” zei Abels.De passagiers keken elkander aan, en lieten ontzet den blik over de woedende zee waren. Kapitein Butteling verscheen spoedig weer op het dek.„De barometer staat steeds op 728,” deelde hij mede, „maar de holte der kwikkolom is verdwenen, dus bestaat er neiging tot rijzen. Ik geloof, dat wij het ergste gehad hebben. Stuurman, laat het grootbarkzeil bijzetten.”Het was een weidsche naam voor het kleine stormzeil, dat thans met zeer veel moeite losgemaakt en aan den wind prijs gegeven werd.„Nu hebben we toch storm, stuurman Bagman,” zei Leidermooi, „is het niet?”„Het mocht wat!” antwoordde deze op luchtigen toon. „Ik wed dat kapitein Butteling mij straks niets anders in het journaal zal laten inschrijven dan: dichtgereefde marszeilskoelte met harde buien.”De gezagvoerder ging aandachtig de uitwerking van het bijgezette zeil na, en tuurde met scherpen blik op de aanrollende baren. Na een poos ging hij andermaal naar beneden; maar kwam spoedig weer boven.„Het kwik rondt af,” sprak hij vergenoegd. „Stuurman, laat het dichtgereefde voormarszeil bijzetten!”Toen dat bijstond, boog de voorsteng onrustbarend. Kapitein Van Dam maakte den gezagvoerder daar attent op.„Ik zie het wel,” antwoordde deze. „Maar het schip moet meer vaart maken. Het moet die rollers vooruit blijven! Daarenboven, het fregat is nieuw, het is zijne tweede reis. Alles: masten, stengen en touwwerk zijn beproefd sterk; er kan wat gewaagd worden. Wij willen eens laten loggen.”[339]Het schip liep toen vijftien mijlen.De barometer had ditmaal juist aangeduid. Tegen tien uur ongeveer begon het wolkendak te breken, en liet van tijd tot tijd een zonnestraal door. Voor den leek was er nog niet veel verandering in de kracht van den wind te bespeuren; voor den zeeman evenwel begon de winddruk te verminderen. Nog voor dat de middag-waarneming geschiedde, was het dichtgereefde grootmarszeil en de gereefde fok bijgezet.„Gij laat niets verloren gaan, kapitein Butteling,” zei de heer Groenewald op dat gezicht.„Dat mag ook niet,” antwoordde deze lachend.Toen het middagzonnetje een oogenblik gloorde, werd bevonden dat deFernandina Maria Emmaop 36° 1′ zuiderbreedte en 24° 43′ westerlengte stond, en ruim 90 mijlen in het laatste etmaal had afgelegd.[340]
[Inhoud]XIII.Storm.—Om de zuid.De wind wakkerde steeds aan, en de barometer bleef steeds zijne dalende beweging volvoeren. Tegen het vallen van den avond, liet de kapitein deFernandina Maria Emma, die tot nu toe, sedert het verlaten van Rio Janeiro, zuidwest gekoerst had, zuiver zuid voorleggen.„Drommels, gaat gij meer zuid halen?” vroeg kapitein Van Dam. „Wij moeten nu zoo wat op de breedte van de kaap de Goede Hoop65zijn.”„Dat zijn wij ook. Maar ik ga lenzen. Die dwarsche zeeën deden het schip te veel slingeren en werken. Voelt gij wel, nu het voor den golfslag wegvliedt, hoe stil het ligt.”„Het weer schijnt meer te bedaren,” merkte mevrouw Groenewald op.„Volstrekt niet, mevrouw. Wij liggen stiller, omdat het fregat nu voor den wind gaat. De barometer daalt zelfs onrustbarend,” zei kapitein Butteling. „De passagiers zouden mij genoegen doen, wanneer zij thans naar beneden gingen.”Aan dien wenk werd gehoorzaamd. Ook de soldaten verdwenen van het dek. Alleen zij, die de wacht hadden,[325]zaten op het voorschip achter een oppertje geborgen voor den woesten wind.Het schip hield zich uitmuntend. Sedert het lenste, slingerde het zooveel niet meer; het doorsneed thans de golven, waarbij het steigerend omhoog steeg, wanneer het op den rug van zoo’n baar opgetild werd, of met zijn boeg omlaag dook, wanneer het van dien rug afgleed, alsof het in de diepte onder wilde duiken. Die beweging was evenwel niet lastig of onaangenaam, omdat de golven breed en verheven rolden, met niet te steile hellingen, waartegen het schip licht als een zwaan opgevoerd werd en geen eigenlijk stampen ondervond. Die bewegingen waren evenwel omvangrijk, zoodat het soms moeielijk was op het dek op de been te blijven.Bij het middagbestek van dien dag—den 25stenNovember—stond het schip op 35° 25′ zuiderbreedte en 29° 21′ westerlengte, en had bijgevolg onder klein zeil een afstand van ruim 43 mijlen afgelegd.Toen de passagiers naar beneden gingen om de lunch te gebruiken, was de tafel van slingerlatten66voorzien, om te beletten dat bij de bewegingen van het schip het geheel servies op den grond rolde. Sedert eenige dagen reeds waren de reizigers gewoon, alle vochtinhoudende voorwerpen als: glazen en kopjes op de slingerborden,67die boven de tafel zweefden, uit de hand te zetten.„Jongens, jongens, die latjes duiden op slecht weer,” zei kapitein Van Dam, aan tafel plaats nemende. „Dat zal bij het diner straks met de soep lastig worden.”„Als wij dan soep krijgen,” antwoordde kapitein Butteling lachende. „De barometer daalt steeds en de wind wakkert steeds aan. Het zou wel eens kunnen, dat het kooken in de kombuis onmogelijk werd.”„Maar, hoe dan met de manschappen van het detachement?” vroegVanDam.[326]„Heden krijgen zij nog snert,” antwoordde de gezagvoerder. „Houdt dit weer evenwel aan of verergert het, zoo als te voorspellen is, dan kan er aan kooken niet gedacht worden. Gij moet eens zien, welke moeite het thans reeds kost om bij de kabriolen, die het schip maakt, de kookketels in hunne vierkante ramen en het vuur in de fornuizen te houden. Er is voortdurend tegen brand te waken.”„God beware ons!” zei mevrouw Groenewald.„Er is geen gevaar, mevrouw,” stelde haar kapitein Butteling gerust. „Er staan genoeg wachten rondom. Maar ik zal blij zijn, als de erwtesoep gaar zal zijn, en de vuren gebluscht zullen worden. Alle maatregelen zijn reeds door stuurman Abels getroffen om scheepsbeschuit met ham en gerookt spek voor ettelijke dagen in voorraad te hebben.”„Smakelijk eten!” lachte Jan Slierendrecht.„Hebben wij ook veel kans op een koude keuken?” vroeg Adelien Groenewald in de handen klappende.„De kok wilde reeds heden daarmeê beginnen,” antwoordde kapitein Butteling lachende. „Hij knort erg, dat hij zijn kookgerij niet op het vuur kan houden.”„Het zal het brandgevaar verminderen, niet waar kapitein, wanneer voor ons niet gekookt wordt?” vroeg mevrouw Groenewald.„Voorzeker, mevrouw.”„Mag ik u dan uit naam der dames verzoeken, ons zoolang dit weer aanhoudt, eene koude keuken te verstrekken,” zei de voorzichtige moeder.De heeren betuigden hunne instemming met dat verzoek.„Dat is dan aangenomen!” sprak kapitein Butteling.„Maar laat eens hooren, waaruit het menu zal bestaan?” vroeg Denniston. „Wat zal b.v. het dejeuner opleveren?”[327]„Scheepsbeschuit!”„Met?.…”„Met scheepsbeschuit!”„Zonder koffij?”„Het water daartoe moet gekookt worden,” merkte mevrouw Groenewald aan.„Dus geen koffij; maar wat dan? Er moet toch iets zijn om die scheepsbeschuit door te spoelen.”„Een glas bier, een glas selterswater, of een glas ijzerhoudend water68uit onzen scheepsvoorraad,” zei kapitein Butteling.„Voor dat laatste pas ik,” antwoordde Denniston. „Maar nu de lunch? Waaruit zal die bestaan?”„Uit scheepsbeschuit!”„Met?.…”„Met sardijntjes.”„En?.…”„Een glas bier, een glas selterswater of een glas ijzerhoudend water uit den scheepsvoorraad!” proestte het kapiteinVanDam uit.„En nu het diner? Dat zal de overige ontberingen wel vergoeden, niet waar? Kom, kapitein Butteling, waaruit zal dat bestaan?”„Uit scheepsbeschuit!”„Met?…”„Met sardijntjes, afgewisseld met gerookte ham, gerookte tong, gerookt vleesch, gerookten zalm, gerookten elft, of gerookten bokking.”„Daar is ten minste variatie in al die gerooktelekkernijen.”„En de beste manier om zelf niet gerookt te worden,” zei Emma Groenewald.„Maar, kapitein Butteling.…” vroeg Denniston. „Gij zeidet daar zooeven:afgewisseld metal die lekkere gerookte[328]zaken. Hebben wij dus het vooruitzicht die afwisselingen lang te genieten?”„Ai!… ik ben geen weerprofeet, mijnheer Denniston,” antwoordde de gezagvoerder, „maar de barometer is sedert dagen langzaam dalende. Hij daalde heden ochtend nog. Nu schijnt hij stationnair, hoewel de oppervlakte der kwikkolom nog lang den bolvorm niet, eerder eene holte vertoont, wat op nog meer neiging tot dalen wijst. Hij staat nu zoo laag—op 728—als ik hem ooit zoo constant gezien heb. Ik heb hem wel lager gezien, maar dat was slechts kortstondig, bij sprongen om zoo te zeggen, om spoedig daarna weer te rijzen. Uit die langzame daling mag met eenigen grond afgeleid worden, dat wij gedurende langen tijd slecht weer zullen hebben en.… daarmee zal ons menu van scheepsbeschuit met … gerooktelekkernijenrekening dienen te houden.”„Dat lenzen, wat wij nu doen,” vroeg kapitein Van Dam, „zet ons toch uit den koers, niet waar?”„Volstrekt niet,” antwoordde de scheepsgezaghebber.„Maar we moesten meer oost halen, dunkt me?”„Zonder dat weer was ik tóch van plan geweest, om, eenmaal onder den Amerikaansche wal uit, meer zuid te halen, dan gewoonlijk bij Oost-Indische reizen gedaan wordt. In den regel wordt den meridiaan van kaap de Goede Hoop op den 39stengraad zuiderbreedte gepasseerd. Ik heb mij in mijn hoofd gesteld tien graden zuidelijker te gaan.”„Dat is toch een groote omweg,” meende kapitein Van Dam.„Toch niet. Schijnbaar maar. Ik beweer dat ik eene spoediger reis daardoor zal maken. Gij zult zien. DeStad Leidenlag bij ons bij de Canarische eilanden. Dat is een welbezeilde bark. Het is te veronderstellen dat die nagenoeg dezelfde gelegenheid tot heden heeft getroffen[329]als wij hadden, met dat onderscheid evenwel, dat zij die vier dagen verlies niet gehad heeft, die wij met ons uitstapje naar Rio Janeiro ondervonden hebben. Welnu, ik durf een discretie verwedden, dat wij voor haar op de reede van Batavia zijn.”69„Maar als haar gezagvoerder nu ook eens uwe meening opgevat heeft?” vroeg Behren.„Dat heb ik niet te vreezen. Ik ken hem; hij is een degelijk zeeman; maar om zonder daartoe genoodzaakt te zijn van de baan af te wijken, die hem door zijne voorgangers aangewezen is, daartoe is hij niet in staat.”„Hoe zult ge evenwel bewijzen: dat langs die langere baan een kortere reis te maken is, zooals gij beweert.”„Wel vooreerst worden de lengtegraden, hoe zuidelijker ik aanhoud al kleiner en kleiner. Bij den Evenaar meet zoo’n graad 15 geographische mijlen, bij de polen of op 90° afstand van den Equator is die graad nul. De afplatting der aarde niet meegerekend, bedraagt dus een lengtegraad op 45° zuider- of noorderbreedte de helft maar van zijne waarde aan den Evenaar, en bij gevolg dus slechts 7½ mijl. Dat verschil geeft mij reeds veel; want ik heb op 49° breedte 1⅓ mijl minder af te leggen per graad, dan op 39°. Maar, dat is nog niet alles. Wij zijn hier in de zone der veranderlijke winden. Wij treffen nu goede gelegenheid; maar het kon ook anders. Ieder oogenblik kan de wind uit een anderen hoek schieten. Ik heb het hier wel beleefd, dat wij dagen lang stormweer hadden en daarbij tegenwind, zoodat we moesten bijleggen. Volgens mijne windkaart heb ik veel kans beneden den 45stenbreedtegraad westelijke of noordwestelijke winden aan te treffen, waarmee dan wat lengte afgezeild kan worden, dat verzeker ik u.”Op dat oogenblik trad de derde stuurman binnen en fluisterde den kapitein iets in het oor. Deze stond dadelijk[330]op, trad in zijne kajuit, om een blik op den barometer te slaan en spoedde daarna naar het dek, waarheen hem ettelijke zijner passagiers volgden.De wind stak al meer en meer op, en de zee rolde in hemelhooge baren achterop. Het fregat begon zwaar te werken. Het steigerde als het ware met het voorschip, wanneer zoo’n golf dat optilde, terwijl zijn boegspriet, met het kluif- en jaaghout verlengd, een oogenblik hemelwaarts wees, alsof die vooruitstekende punt een gat in de wolken wilde steken. Een oogenblik later gleed het tusschen twee golven in een afgrond, alsof het daarin wilde verdwijnen.„Marszeilen en fok reven!” kommandeerde kapitein Butteling.„Het zeil, dat wij voeren, wordt al minder en minder,” zei kapitein Van Dam, toen de zeeman op het achterdek kwam om de bevolen manoeuvre gade te slaan.„Ik heb wel zin, om maar in eens de marszeilen dicht te laten reven, want over een paar uren zal dat toch moeten geschieden en het is een zwaar werk.”Hij riep stuurman Bagman tot zich, en deelde hem dienaangaande de noodige bevelen mede. Was straks de stem van den kapitein nog waarneembaar geweest voor zijne manschappen, toen zij aan het dek waren, nu kon geen menschelijk orgaan zich voor die mannen, die daar boven over de raas gebogen lagen, doen hooren, hoe de stuurman zijn stem ook uitzette. Het gehuil van den wind en het geloei van den Oceaan overvleugelde alles. Stuurman Bagman greep den scheepsroeper, ging op het achterdek bovenwinds staan, en nu gelukte het hem na eenige vergeefsche pogingen het bevel van den kapitein aan die mannen daar boven bekend te maken.Het was een zwaar stuk werk, bij zoo’n weer, die zoo sterk gespannen zeilen dicht te reven. Wat kracht[331]moesten die vuisten niet uitoefenen om dat zware en stijve zeildoek te grijpen en te houden, en dat met de riftouwtjes in te binden. Wat klapperden en donderden die zeilen daar boven, toen de toppenends gevierd waren. Het was alsof die lappen zeildoek uit elkaar gezweept moesten worden. De matrozen over de raas gebogen liggende, met de voeten gesteund op de paarden, die zich onder de raas uitstrekten, spanden alle hunne krachten in om die woest klappende zeilen in bedwang te krijgen, waarbij twee armen waarachtig niet te veel waren.„Hoe is het toch mogelijk,” merkte Denniston op, „zich daar boven bij dat weer, in evenwicht te houden?”Eindelijk lukte het toch. Na een rond uur tobbens was de bevolen arbeid verricht, en daalden de matrozen langs het want op het dek neer.„Het zijn flinke, pootige kerels!” zei kapitein Van Dam, „die wel een oorlam verdiend hebben.”„Zij ontgaat hun niet,” antwoordde de gezagvoerder lachend, terwijl hij een teeken aan stuurman Ellenbaan gaf, die ook op de ra geweest was.„Noem jullie zoo’n weer nu nog eene koelte?” vroeg Denniston aan stuurman Bagman, nadat die gezorgd had, dat alle lijnen en touwen weer behoorlijk aan hunne nagelpinnen opgeborgen waren, en nu op het achterdek verscheen.„Wel, mijnheer, het waait nog maar eene gereefde marszeilskoelte,” was het antwoord van den zeeman.„Het mocht wat! Het blaast of de hel losgebroken is.”„Eerst hadden wij bramzeilskoelte, die is overgegaan in stijve bramzeilskoelte. Toen de brammetjes ingenomen waren, heette het marszeilskoelte. Had de kapitein één rif laten steken, dan zouden wij van gereefde marszeilskoelte[332]spreken; had hij twee reven laten nemen, dan heette het dubbel gereefde marszeilskoelte; en nu al de reven gestoken zijn, noemen wij dat dichtgereefde marszeilskoelte.”„En zoo even zeidet gij: gereefde marszeilskoelte?”„Nu ja, de kapitein heeft, om te voorkomen, dat Janmaat straks weer naar boven moest, al de reven laten steken. Met den wind die blaast, had hij heel goed kunnen volstaan met één rif te nemen. Wij liggen dus onder dichtgereefde marszeilen, maar het waait slechts eene gereefde marszeilskoelte. Maar, weet ge wel wat dat beteekent?”„Nu, wat dan?”„Dat er nog niet veel uitzicht bestaat, om beter weer te krijgen.”„Hoe staat de barometer?” vroeg kapitein Van Dam aan den scheepsgezagvoerder.„Steeds op 728, met eenige neiging tot rijzen.”Het was ellendig naar aan het dek. De wind huilde en gierde als een bezetene door het want. Het was alsof hij eene monsterachtige Eolus-harp bespeelde. De zee loeide, donderde en klotste op ontzettende wijze, en vormde den grondtoon bij het schrikwekkende akkoord, hetwelk de verbolgen elementen aansloegen. Kapitein Butteling en zijne drie stuurlieden hadden hunne zuidwesters70op en over de ooren getrokken, hunne oliejassen en waterlaarzen aan, en stonden daar bij elkander, gereed om den kamp te aanvaarden, die de natuur hun bood.„De heeren zouden mij genoegen doen, door het dek te verlaten,” sprak kapitein Butteling. „Eene stortzee is thans niet onmogelijk en dan zouden ongelukken onvermijdelijk zijn.”Toen de passagiers verdwenen waren, liet hij eene[333]presenning over de trappenkap bevestigen, om het indringen van het water tegen te gaan. Hetzelfde werd vooruit ook gedaan. Bij het grootluik werd die presenning met een paar spijkers vastgezet, om de levende lading beneden te houden.Zoo werd de nacht ingegaan. Dat bij het huilen van den wind en het bulderen der zee niet veel van slapen kwam, is wel te begrijpen. Die oprecht waren, legden zich de bekentenis af, dat zij uiterst beangst waren, dat menig gemoed in die bange oogenblikken eene gedachte had voor Hem, in wiens hand aller bestaan was.Toen het dag werd—een akelige, grauwe dag, droevig en somber als een Novemberdag onder noordelijke breedten, hoewel hier in het zuidelijk halfrond 26 November als 26 Mei, in het noordelijk halfrond mag rekenen—werd de presenning van de kap van den kajuitstrap en ook die van het grootluik een weinig weggeschoven, om wat versche lucht naar beneden in dat menschenhok te laten doordringen; ook om hen naar boven te laten komen, die aan natuurlijke behoeften te voldoen hadden. Van de soldaten waren er slechts weinigen die verschenen. De zeeziekte hield in dat tusschendek zoodanig huis, dat eene beschrijving van dat woonoord van menschen tot de onmogelijkheid behoort. De weinigen, die zich vertoonden, zagen zoo ontdaan en zoo bleek, alsof zij eene langdurige ziekte doorworsteld hadden. Zij verzochten den scheepskapitein, boven te mogen blijven, althans niet meer opgesloten te mogen worden in dat tusschendek, hetwelk aan eene hel mocht gelijk gesteld worden.„Jongens, aan het dek is ook niet veel heil te halen,” antwoordde de kapitein. „Het is er bepaald gevaarlijk. Kijk maar eens de stuurboordsverschansing en de kippenhokken aan dien kant zijn geheel weggeslagen.”[334]„Om het even, kapitein, het is in die verpeste lucht daar beneden niet uit te houden!”Het waren er maar weinig, die dit verzoek deden. De overigen lagen meer dan halfdood in hunne hangmat te jammeren en te weeklagen.„Nu dan, mij wel,” antwoordde kapitein Butteling. „Maar goed vasthouden. Ik wou jullie wel laten vastsjorren!”Het meerendeel der mannelijke passagiers van achteruit kwamen ook langzamerhand op het dek om wat versche lucht te happen en eens poolshoogte te nemen. Dat laatste viel niet mee. Het schip had alle zeilen geborgen, lenste thans voor top en takel en lag zuidoost ten oosten voor. Het was een uiterst naar gezicht dat zwaar werkend schip met zijn kale masten te midden van die verbolgen zee. Wat voelde de mensch zich klein in zijn kamp met de ontzettende elementen.„Zoo van alle falbalas ontdaan,” sprak kapitein Van Dam tot stuurman Abels, die in de nabijheid van het stuurrad zich ophield, waaraan twee matrozen stonden, die daaraan vastgesjord waren, „ziet onzeFernandina Maria Emmaer niet zeer aantrekkelijk uit.”„Maar zij houdt zich toch dapper; in weerwil van die zware zeeën ligt zij als een meeuw op het water. Met dat schip is wat uit te voeren!”„Ze kan zoo zonder zeil onmogelijk hard loopen,” meende Behren.„Dat valt nog al meê,” antwoordde de stuurman. „Wij zullen eens loggen?”„Loggen!!!” commandeerde hij met brullende stem.Een paar matrozen en de scheepsjongen verschenen. De log werd uitgeworpen. Het duurde naar aller meening lang, eer dat die jongen zijn „stop!” liet hooren. Toen dat eindelijk weerklonk, zei stuurman Abels:[335]„Twaalf en een halve mijl! dat gaat, niet waar? Heden nacht hebben we meer gelogd. Maar toen stonden de dichtgereefde marszeilen nog bij.”De beweging van het schip was zoo sterk, dat de passagiers niet dan met moeite ter been konden blijven. Behren en Hannius probeerden om tot bij den grooten mast te gaan. Bij het overgaan van het schip, smakten zij beiden tegen het dek op het oogenblik, dat zij den rand van de kajuitskap los lieten om naar de verschansing over te steken en zich daar vast te klemmen. Bij het zware slingeren van het schip, gierden die beide eenige malen over de natte planken van het dek heen en weer, zonder dat zij van wege de gladheid weer vermochten op te krabbelen, en waarbij zij telkenmale zeer onzacht tegen de verschansingen aankwamen. Met behulp van den stuurman en kapitein Butteling, die juist van het voorschip kwam, krabbelden zij weer ter been; maar moesten zelf mee lachen over het zonderlinge gezicht dat die glijpartij heen en weer opgeleverd had; hoewel zij zich schouders, ellebogen en knieën, die, bij de aanraking met dek en verschansing, gevoelig te land waren gekomen, wreven.„Ik wed dat ik overal blauwe plekken heb,” zei Behren.Dokter Hannius sprak geen woord, maar wreef zich des te meer.„Ik zou een stuk lijnkoek aan dokter Van Pinksteren gaan vragen!” raadde kapitein Van Dam aan, die zich evenwel zorgvuldig aan een nagelpen der verschansing vast hield.„Ik ga niet meer van mijne plaats,” zei Behren, zich aan de kajuitskap vastklemmende: „Voor geen geld van de wereld zou ik een tocht naar den boeg ondernemen, daar is levensgevaar bij.”„Voor de onervarenen, is er zeker gevaar bij,” antwoordde[336]kapitein Butteling, „om hard te vallen althans en armen, beenen en ribben te breken. Wanneer er echter eene zee overkomt, dan klimt dat gevaar tot levensgevaar.Gij hadt dat spektakel heden nacht maar eens moeten bijwonen!”„Wat is er dan gebeurd?” vroegen allen te gelijk.„Ja, ik meen zoo iets gehoord te hebben,” zei Leidermooi.„Zoo omstreeks twee glazen in de hondenwacht loefde het schip te veel op en kregen wij een zee binnen, die niet alleen eene aanmerkelijke verwoesting aan boord aangericht, maar ook onzen bijkok over boord gespoeld heeft.”„En?.…” vroegen de passagiers ademloos.„En.… Redding bij dat weer was onmogelijk. Slechts weinigen hebben den gil gehoord, dien de ongelukkige geslaakt heeft.”„Hadt gij niet kunnen bijleggen?” vroeg Behren.„Bijleggen in dit weer!” antwoordde kapitein Butteling. „Bedenk toch dat het schip dan dwarszee’s moest komen. Dan zou èn verschansing èn tuig èn alles wat aan het dek is, over boord gegaan zijn. Dan zou het schip in het grootste gevaar gekomen zijn, en mocht ik dat wagen? Om een man pogen te redden, het leven van zoovele aan groot gevaar bloot te stellen! Maar verondersteld ook al eens, dat ik het schip met den boeg in den wind had kunnen krijgen; dat is een manoeuvre, waartoe op zijn minst een half uur noodig is. Wat zou er inmiddels van den ongelukkige geworden zijn in die kokende zee? En wat dan verder te doen? Eene sloep uitzetten? om hem in den donkeren nacht op te sporen? Neen, daar was geen redding mogelijk. Onverbiddelijk als het noodlot moest het fregat op zijne baan voort en den ongelukkige aan zijn lot overlaten!”[337]„Schrikkelijk! schrikkelijk!”„Kunt gij begrijpen, wat er in de ziel omgaat van den gezagvoerder bij zoo’n gebeurtenis, van den man, die zich als het ware verantwoordelijk voor het leven van ieder zijner opvarenden gevoelt? Wat er omgaat in zijne ziel; wanneer hij geen hand tot redding kan uitsteken, wanneer hij den kreet van den ongelukkigen slechts beantwoorden kan en moet met een kort: „niets aan te doen?”„Vreeselijk!”„Zoo ziet ge wat het leven van den zeeman is,” vervolgde kapitein Butteling in een sombere bui. „Och! aan wal overlijden de lieden ook, staan zij ook bloot om een ongeluk te krijgen. Maar dan ziet men hen sterven, dan aanschouwt men hun lijk; maar zoo weggerukt te worden zonder een spoor na te laten, zoo zonder ach en wee te verdwijnen, ziet, dat zijn van die aangrijpende omstandigheden, die toch wel het meest gestaalde gemoed tot nadenken moeten stemmen.…”Stuurman Abels trad in dit oogenblik op den gezagvoerder toe, fluisterde hem eenige woorden in het oor, en wees daarbij achteruit naar zee. Kapitein Butteling keek in de aangeduide richting. Wild en woest verhieven zich steeds de golven en schenen aan bergen gelijk, die in toomelooze vaart op het schip aanrolden. Er begonnen zich nu evenwel brekers te vormen, en die omstandigheid bracht eene plooi van bezorgdheid op het voorhoofd van den zeeman, wiens gemoed toch al zoo somber gestemd was. Juist brak in dat oogenblik een golf met donderend geweld vlak achter het schip, en overdekte den oceaan in een wijden kring, met wit schuim, dat onder den grauwen hemel eene fletsche doodsche tint vertoonde alsof het eene lijkwa was. Op dat gezicht spoedde de kapitein naar beneden.[338]„Als er zoo’n breker ons achterop aan boord komt, dan zijn wij voor de haaien, tegen zoo’n geweld is geen schip, hoe hecht ook, bestand,” zei Abels.De passagiers keken elkander aan, en lieten ontzet den blik over de woedende zee waren. Kapitein Butteling verscheen spoedig weer op het dek.„De barometer staat steeds op 728,” deelde hij mede, „maar de holte der kwikkolom is verdwenen, dus bestaat er neiging tot rijzen. Ik geloof, dat wij het ergste gehad hebben. Stuurman, laat het grootbarkzeil bijzetten.”Het was een weidsche naam voor het kleine stormzeil, dat thans met zeer veel moeite losgemaakt en aan den wind prijs gegeven werd.„Nu hebben we toch storm, stuurman Bagman,” zei Leidermooi, „is het niet?”„Het mocht wat!” antwoordde deze op luchtigen toon. „Ik wed dat kapitein Butteling mij straks niets anders in het journaal zal laten inschrijven dan: dichtgereefde marszeilskoelte met harde buien.”De gezagvoerder ging aandachtig de uitwerking van het bijgezette zeil na, en tuurde met scherpen blik op de aanrollende baren. Na een poos ging hij andermaal naar beneden; maar kwam spoedig weer boven.„Het kwik rondt af,” sprak hij vergenoegd. „Stuurman, laat het dichtgereefde voormarszeil bijzetten!”Toen dat bijstond, boog de voorsteng onrustbarend. Kapitein Van Dam maakte den gezagvoerder daar attent op.„Ik zie het wel,” antwoordde deze. „Maar het schip moet meer vaart maken. Het moet die rollers vooruit blijven! Daarenboven, het fregat is nieuw, het is zijne tweede reis. Alles: masten, stengen en touwwerk zijn beproefd sterk; er kan wat gewaagd worden. Wij willen eens laten loggen.”[339]Het schip liep toen vijftien mijlen.De barometer had ditmaal juist aangeduid. Tegen tien uur ongeveer begon het wolkendak te breken, en liet van tijd tot tijd een zonnestraal door. Voor den leek was er nog niet veel verandering in de kracht van den wind te bespeuren; voor den zeeman evenwel begon de winddruk te verminderen. Nog voor dat de middag-waarneming geschiedde, was het dichtgereefde grootmarszeil en de gereefde fok bijgezet.„Gij laat niets verloren gaan, kapitein Butteling,” zei de heer Groenewald op dat gezicht.„Dat mag ook niet,” antwoordde deze lachend.Toen het middagzonnetje een oogenblik gloorde, werd bevonden dat deFernandina Maria Emmaop 36° 1′ zuiderbreedte en 24° 43′ westerlengte stond, en ruim 90 mijlen in het laatste etmaal had afgelegd.[340]
[Inhoud]XIII.Storm.—Om de zuid.De wind wakkerde steeds aan, en de barometer bleef steeds zijne dalende beweging volvoeren. Tegen het vallen van den avond, liet de kapitein deFernandina Maria Emma, die tot nu toe, sedert het verlaten van Rio Janeiro, zuidwest gekoerst had, zuiver zuid voorleggen.„Drommels, gaat gij meer zuid halen?” vroeg kapitein Van Dam. „Wij moeten nu zoo wat op de breedte van de kaap de Goede Hoop65zijn.”„Dat zijn wij ook. Maar ik ga lenzen. Die dwarsche zeeën deden het schip te veel slingeren en werken. Voelt gij wel, nu het voor den golfslag wegvliedt, hoe stil het ligt.”„Het weer schijnt meer te bedaren,” merkte mevrouw Groenewald op.„Volstrekt niet, mevrouw. Wij liggen stiller, omdat het fregat nu voor den wind gaat. De barometer daalt zelfs onrustbarend,” zei kapitein Butteling. „De passagiers zouden mij genoegen doen, wanneer zij thans naar beneden gingen.”Aan dien wenk werd gehoorzaamd. Ook de soldaten verdwenen van het dek. Alleen zij, die de wacht hadden,[325]zaten op het voorschip achter een oppertje geborgen voor den woesten wind.Het schip hield zich uitmuntend. Sedert het lenste, slingerde het zooveel niet meer; het doorsneed thans de golven, waarbij het steigerend omhoog steeg, wanneer het op den rug van zoo’n baar opgetild werd, of met zijn boeg omlaag dook, wanneer het van dien rug afgleed, alsof het in de diepte onder wilde duiken. Die beweging was evenwel niet lastig of onaangenaam, omdat de golven breed en verheven rolden, met niet te steile hellingen, waartegen het schip licht als een zwaan opgevoerd werd en geen eigenlijk stampen ondervond. Die bewegingen waren evenwel omvangrijk, zoodat het soms moeielijk was op het dek op de been te blijven.Bij het middagbestek van dien dag—den 25stenNovember—stond het schip op 35° 25′ zuiderbreedte en 29° 21′ westerlengte, en had bijgevolg onder klein zeil een afstand van ruim 43 mijlen afgelegd.Toen de passagiers naar beneden gingen om de lunch te gebruiken, was de tafel van slingerlatten66voorzien, om te beletten dat bij de bewegingen van het schip het geheel servies op den grond rolde. Sedert eenige dagen reeds waren de reizigers gewoon, alle vochtinhoudende voorwerpen als: glazen en kopjes op de slingerborden,67die boven de tafel zweefden, uit de hand te zetten.„Jongens, jongens, die latjes duiden op slecht weer,” zei kapitein Van Dam, aan tafel plaats nemende. „Dat zal bij het diner straks met de soep lastig worden.”„Als wij dan soep krijgen,” antwoordde kapitein Butteling lachende. „De barometer daalt steeds en de wind wakkert steeds aan. Het zou wel eens kunnen, dat het kooken in de kombuis onmogelijk werd.”„Maar, hoe dan met de manschappen van het detachement?” vroegVanDam.[326]„Heden krijgen zij nog snert,” antwoordde de gezagvoerder. „Houdt dit weer evenwel aan of verergert het, zoo als te voorspellen is, dan kan er aan kooken niet gedacht worden. Gij moet eens zien, welke moeite het thans reeds kost om bij de kabriolen, die het schip maakt, de kookketels in hunne vierkante ramen en het vuur in de fornuizen te houden. Er is voortdurend tegen brand te waken.”„God beware ons!” zei mevrouw Groenewald.„Er is geen gevaar, mevrouw,” stelde haar kapitein Butteling gerust. „Er staan genoeg wachten rondom. Maar ik zal blij zijn, als de erwtesoep gaar zal zijn, en de vuren gebluscht zullen worden. Alle maatregelen zijn reeds door stuurman Abels getroffen om scheepsbeschuit met ham en gerookt spek voor ettelijke dagen in voorraad te hebben.”„Smakelijk eten!” lachte Jan Slierendrecht.„Hebben wij ook veel kans op een koude keuken?” vroeg Adelien Groenewald in de handen klappende.„De kok wilde reeds heden daarmeê beginnen,” antwoordde kapitein Butteling lachende. „Hij knort erg, dat hij zijn kookgerij niet op het vuur kan houden.”„Het zal het brandgevaar verminderen, niet waar kapitein, wanneer voor ons niet gekookt wordt?” vroeg mevrouw Groenewald.„Voorzeker, mevrouw.”„Mag ik u dan uit naam der dames verzoeken, ons zoolang dit weer aanhoudt, eene koude keuken te verstrekken,” zei de voorzichtige moeder.De heeren betuigden hunne instemming met dat verzoek.„Dat is dan aangenomen!” sprak kapitein Butteling.„Maar laat eens hooren, waaruit het menu zal bestaan?” vroeg Denniston. „Wat zal b.v. het dejeuner opleveren?”[327]„Scheepsbeschuit!”„Met?.…”„Met scheepsbeschuit!”„Zonder koffij?”„Het water daartoe moet gekookt worden,” merkte mevrouw Groenewald aan.„Dus geen koffij; maar wat dan? Er moet toch iets zijn om die scheepsbeschuit door te spoelen.”„Een glas bier, een glas selterswater, of een glas ijzerhoudend water68uit onzen scheepsvoorraad,” zei kapitein Butteling.„Voor dat laatste pas ik,” antwoordde Denniston. „Maar nu de lunch? Waaruit zal die bestaan?”„Uit scheepsbeschuit!”„Met?.…”„Met sardijntjes.”„En?.…”„Een glas bier, een glas selterswater of een glas ijzerhoudend water uit den scheepsvoorraad!” proestte het kapiteinVanDam uit.„En nu het diner? Dat zal de overige ontberingen wel vergoeden, niet waar? Kom, kapitein Butteling, waaruit zal dat bestaan?”„Uit scheepsbeschuit!”„Met?…”„Met sardijntjes, afgewisseld met gerookte ham, gerookte tong, gerookt vleesch, gerookten zalm, gerookten elft, of gerookten bokking.”„Daar is ten minste variatie in al die gerooktelekkernijen.”„En de beste manier om zelf niet gerookt te worden,” zei Emma Groenewald.„Maar, kapitein Butteling.…” vroeg Denniston. „Gij zeidet daar zooeven:afgewisseld metal die lekkere gerookte[328]zaken. Hebben wij dus het vooruitzicht die afwisselingen lang te genieten?”„Ai!… ik ben geen weerprofeet, mijnheer Denniston,” antwoordde de gezagvoerder, „maar de barometer is sedert dagen langzaam dalende. Hij daalde heden ochtend nog. Nu schijnt hij stationnair, hoewel de oppervlakte der kwikkolom nog lang den bolvorm niet, eerder eene holte vertoont, wat op nog meer neiging tot dalen wijst. Hij staat nu zoo laag—op 728—als ik hem ooit zoo constant gezien heb. Ik heb hem wel lager gezien, maar dat was slechts kortstondig, bij sprongen om zoo te zeggen, om spoedig daarna weer te rijzen. Uit die langzame daling mag met eenigen grond afgeleid worden, dat wij gedurende langen tijd slecht weer zullen hebben en.… daarmee zal ons menu van scheepsbeschuit met … gerooktelekkernijenrekening dienen te houden.”„Dat lenzen, wat wij nu doen,” vroeg kapitein Van Dam, „zet ons toch uit den koers, niet waar?”„Volstrekt niet,” antwoordde de scheepsgezaghebber.„Maar we moesten meer oost halen, dunkt me?”„Zonder dat weer was ik tóch van plan geweest, om, eenmaal onder den Amerikaansche wal uit, meer zuid te halen, dan gewoonlijk bij Oost-Indische reizen gedaan wordt. In den regel wordt den meridiaan van kaap de Goede Hoop op den 39stengraad zuiderbreedte gepasseerd. Ik heb mij in mijn hoofd gesteld tien graden zuidelijker te gaan.”„Dat is toch een groote omweg,” meende kapitein Van Dam.„Toch niet. Schijnbaar maar. Ik beweer dat ik eene spoediger reis daardoor zal maken. Gij zult zien. DeStad Leidenlag bij ons bij de Canarische eilanden. Dat is een welbezeilde bark. Het is te veronderstellen dat die nagenoeg dezelfde gelegenheid tot heden heeft getroffen[329]als wij hadden, met dat onderscheid evenwel, dat zij die vier dagen verlies niet gehad heeft, die wij met ons uitstapje naar Rio Janeiro ondervonden hebben. Welnu, ik durf een discretie verwedden, dat wij voor haar op de reede van Batavia zijn.”69„Maar als haar gezagvoerder nu ook eens uwe meening opgevat heeft?” vroeg Behren.„Dat heb ik niet te vreezen. Ik ken hem; hij is een degelijk zeeman; maar om zonder daartoe genoodzaakt te zijn van de baan af te wijken, die hem door zijne voorgangers aangewezen is, daartoe is hij niet in staat.”„Hoe zult ge evenwel bewijzen: dat langs die langere baan een kortere reis te maken is, zooals gij beweert.”„Wel vooreerst worden de lengtegraden, hoe zuidelijker ik aanhoud al kleiner en kleiner. Bij den Evenaar meet zoo’n graad 15 geographische mijlen, bij de polen of op 90° afstand van den Equator is die graad nul. De afplatting der aarde niet meegerekend, bedraagt dus een lengtegraad op 45° zuider- of noorderbreedte de helft maar van zijne waarde aan den Evenaar, en bij gevolg dus slechts 7½ mijl. Dat verschil geeft mij reeds veel; want ik heb op 49° breedte 1⅓ mijl minder af te leggen per graad, dan op 39°. Maar, dat is nog niet alles. Wij zijn hier in de zone der veranderlijke winden. Wij treffen nu goede gelegenheid; maar het kon ook anders. Ieder oogenblik kan de wind uit een anderen hoek schieten. Ik heb het hier wel beleefd, dat wij dagen lang stormweer hadden en daarbij tegenwind, zoodat we moesten bijleggen. Volgens mijne windkaart heb ik veel kans beneden den 45stenbreedtegraad westelijke of noordwestelijke winden aan te treffen, waarmee dan wat lengte afgezeild kan worden, dat verzeker ik u.”Op dat oogenblik trad de derde stuurman binnen en fluisterde den kapitein iets in het oor. Deze stond dadelijk[330]op, trad in zijne kajuit, om een blik op den barometer te slaan en spoedde daarna naar het dek, waarheen hem ettelijke zijner passagiers volgden.De wind stak al meer en meer op, en de zee rolde in hemelhooge baren achterop. Het fregat begon zwaar te werken. Het steigerde als het ware met het voorschip, wanneer zoo’n golf dat optilde, terwijl zijn boegspriet, met het kluif- en jaaghout verlengd, een oogenblik hemelwaarts wees, alsof die vooruitstekende punt een gat in de wolken wilde steken. Een oogenblik later gleed het tusschen twee golven in een afgrond, alsof het daarin wilde verdwijnen.„Marszeilen en fok reven!” kommandeerde kapitein Butteling.„Het zeil, dat wij voeren, wordt al minder en minder,” zei kapitein Van Dam, toen de zeeman op het achterdek kwam om de bevolen manoeuvre gade te slaan.„Ik heb wel zin, om maar in eens de marszeilen dicht te laten reven, want over een paar uren zal dat toch moeten geschieden en het is een zwaar werk.”Hij riep stuurman Bagman tot zich, en deelde hem dienaangaande de noodige bevelen mede. Was straks de stem van den kapitein nog waarneembaar geweest voor zijne manschappen, toen zij aan het dek waren, nu kon geen menschelijk orgaan zich voor die mannen, die daar boven over de raas gebogen lagen, doen hooren, hoe de stuurman zijn stem ook uitzette. Het gehuil van den wind en het geloei van den Oceaan overvleugelde alles. Stuurman Bagman greep den scheepsroeper, ging op het achterdek bovenwinds staan, en nu gelukte het hem na eenige vergeefsche pogingen het bevel van den kapitein aan die mannen daar boven bekend te maken.Het was een zwaar stuk werk, bij zoo’n weer, die zoo sterk gespannen zeilen dicht te reven. Wat kracht[331]moesten die vuisten niet uitoefenen om dat zware en stijve zeildoek te grijpen en te houden, en dat met de riftouwtjes in te binden. Wat klapperden en donderden die zeilen daar boven, toen de toppenends gevierd waren. Het was alsof die lappen zeildoek uit elkaar gezweept moesten worden. De matrozen over de raas gebogen liggende, met de voeten gesteund op de paarden, die zich onder de raas uitstrekten, spanden alle hunne krachten in om die woest klappende zeilen in bedwang te krijgen, waarbij twee armen waarachtig niet te veel waren.„Hoe is het toch mogelijk,” merkte Denniston op, „zich daar boven bij dat weer, in evenwicht te houden?”Eindelijk lukte het toch. Na een rond uur tobbens was de bevolen arbeid verricht, en daalden de matrozen langs het want op het dek neer.„Het zijn flinke, pootige kerels!” zei kapitein Van Dam, „die wel een oorlam verdiend hebben.”„Zij ontgaat hun niet,” antwoordde de gezagvoerder lachend, terwijl hij een teeken aan stuurman Ellenbaan gaf, die ook op de ra geweest was.„Noem jullie zoo’n weer nu nog eene koelte?” vroeg Denniston aan stuurman Bagman, nadat die gezorgd had, dat alle lijnen en touwen weer behoorlijk aan hunne nagelpinnen opgeborgen waren, en nu op het achterdek verscheen.„Wel, mijnheer, het waait nog maar eene gereefde marszeilskoelte,” was het antwoord van den zeeman.„Het mocht wat! Het blaast of de hel losgebroken is.”„Eerst hadden wij bramzeilskoelte, die is overgegaan in stijve bramzeilskoelte. Toen de brammetjes ingenomen waren, heette het marszeilskoelte. Had de kapitein één rif laten steken, dan zouden wij van gereefde marszeilskoelte[332]spreken; had hij twee reven laten nemen, dan heette het dubbel gereefde marszeilskoelte; en nu al de reven gestoken zijn, noemen wij dat dichtgereefde marszeilskoelte.”„En zoo even zeidet gij: gereefde marszeilskoelte?”„Nu ja, de kapitein heeft, om te voorkomen, dat Janmaat straks weer naar boven moest, al de reven laten steken. Met den wind die blaast, had hij heel goed kunnen volstaan met één rif te nemen. Wij liggen dus onder dichtgereefde marszeilen, maar het waait slechts eene gereefde marszeilskoelte. Maar, weet ge wel wat dat beteekent?”„Nu, wat dan?”„Dat er nog niet veel uitzicht bestaat, om beter weer te krijgen.”„Hoe staat de barometer?” vroeg kapitein Van Dam aan den scheepsgezagvoerder.„Steeds op 728, met eenige neiging tot rijzen.”Het was ellendig naar aan het dek. De wind huilde en gierde als een bezetene door het want. Het was alsof hij eene monsterachtige Eolus-harp bespeelde. De zee loeide, donderde en klotste op ontzettende wijze, en vormde den grondtoon bij het schrikwekkende akkoord, hetwelk de verbolgen elementen aansloegen. Kapitein Butteling en zijne drie stuurlieden hadden hunne zuidwesters70op en over de ooren getrokken, hunne oliejassen en waterlaarzen aan, en stonden daar bij elkander, gereed om den kamp te aanvaarden, die de natuur hun bood.„De heeren zouden mij genoegen doen, door het dek te verlaten,” sprak kapitein Butteling. „Eene stortzee is thans niet onmogelijk en dan zouden ongelukken onvermijdelijk zijn.”Toen de passagiers verdwenen waren, liet hij eene[333]presenning over de trappenkap bevestigen, om het indringen van het water tegen te gaan. Hetzelfde werd vooruit ook gedaan. Bij het grootluik werd die presenning met een paar spijkers vastgezet, om de levende lading beneden te houden.Zoo werd de nacht ingegaan. Dat bij het huilen van den wind en het bulderen der zee niet veel van slapen kwam, is wel te begrijpen. Die oprecht waren, legden zich de bekentenis af, dat zij uiterst beangst waren, dat menig gemoed in die bange oogenblikken eene gedachte had voor Hem, in wiens hand aller bestaan was.Toen het dag werd—een akelige, grauwe dag, droevig en somber als een Novemberdag onder noordelijke breedten, hoewel hier in het zuidelijk halfrond 26 November als 26 Mei, in het noordelijk halfrond mag rekenen—werd de presenning van de kap van den kajuitstrap en ook die van het grootluik een weinig weggeschoven, om wat versche lucht naar beneden in dat menschenhok te laten doordringen; ook om hen naar boven te laten komen, die aan natuurlijke behoeften te voldoen hadden. Van de soldaten waren er slechts weinigen die verschenen. De zeeziekte hield in dat tusschendek zoodanig huis, dat eene beschrijving van dat woonoord van menschen tot de onmogelijkheid behoort. De weinigen, die zich vertoonden, zagen zoo ontdaan en zoo bleek, alsof zij eene langdurige ziekte doorworsteld hadden. Zij verzochten den scheepskapitein, boven te mogen blijven, althans niet meer opgesloten te mogen worden in dat tusschendek, hetwelk aan eene hel mocht gelijk gesteld worden.„Jongens, aan het dek is ook niet veel heil te halen,” antwoordde de kapitein. „Het is er bepaald gevaarlijk. Kijk maar eens de stuurboordsverschansing en de kippenhokken aan dien kant zijn geheel weggeslagen.”[334]„Om het even, kapitein, het is in die verpeste lucht daar beneden niet uit te houden!”Het waren er maar weinig, die dit verzoek deden. De overigen lagen meer dan halfdood in hunne hangmat te jammeren en te weeklagen.„Nu dan, mij wel,” antwoordde kapitein Butteling. „Maar goed vasthouden. Ik wou jullie wel laten vastsjorren!”Het meerendeel der mannelijke passagiers van achteruit kwamen ook langzamerhand op het dek om wat versche lucht te happen en eens poolshoogte te nemen. Dat laatste viel niet mee. Het schip had alle zeilen geborgen, lenste thans voor top en takel en lag zuidoost ten oosten voor. Het was een uiterst naar gezicht dat zwaar werkend schip met zijn kale masten te midden van die verbolgen zee. Wat voelde de mensch zich klein in zijn kamp met de ontzettende elementen.„Zoo van alle falbalas ontdaan,” sprak kapitein Van Dam tot stuurman Abels, die in de nabijheid van het stuurrad zich ophield, waaraan twee matrozen stonden, die daaraan vastgesjord waren, „ziet onzeFernandina Maria Emmaer niet zeer aantrekkelijk uit.”„Maar zij houdt zich toch dapper; in weerwil van die zware zeeën ligt zij als een meeuw op het water. Met dat schip is wat uit te voeren!”„Ze kan zoo zonder zeil onmogelijk hard loopen,” meende Behren.„Dat valt nog al meê,” antwoordde de stuurman. „Wij zullen eens loggen?”„Loggen!!!” commandeerde hij met brullende stem.Een paar matrozen en de scheepsjongen verschenen. De log werd uitgeworpen. Het duurde naar aller meening lang, eer dat die jongen zijn „stop!” liet hooren. Toen dat eindelijk weerklonk, zei stuurman Abels:[335]„Twaalf en een halve mijl! dat gaat, niet waar? Heden nacht hebben we meer gelogd. Maar toen stonden de dichtgereefde marszeilen nog bij.”De beweging van het schip was zoo sterk, dat de passagiers niet dan met moeite ter been konden blijven. Behren en Hannius probeerden om tot bij den grooten mast te gaan. Bij het overgaan van het schip, smakten zij beiden tegen het dek op het oogenblik, dat zij den rand van de kajuitskap los lieten om naar de verschansing over te steken en zich daar vast te klemmen. Bij het zware slingeren van het schip, gierden die beide eenige malen over de natte planken van het dek heen en weer, zonder dat zij van wege de gladheid weer vermochten op te krabbelen, en waarbij zij telkenmale zeer onzacht tegen de verschansingen aankwamen. Met behulp van den stuurman en kapitein Butteling, die juist van het voorschip kwam, krabbelden zij weer ter been; maar moesten zelf mee lachen over het zonderlinge gezicht dat die glijpartij heen en weer opgeleverd had; hoewel zij zich schouders, ellebogen en knieën, die, bij de aanraking met dek en verschansing, gevoelig te land waren gekomen, wreven.„Ik wed dat ik overal blauwe plekken heb,” zei Behren.Dokter Hannius sprak geen woord, maar wreef zich des te meer.„Ik zou een stuk lijnkoek aan dokter Van Pinksteren gaan vragen!” raadde kapitein Van Dam aan, die zich evenwel zorgvuldig aan een nagelpen der verschansing vast hield.„Ik ga niet meer van mijne plaats,” zei Behren, zich aan de kajuitskap vastklemmende: „Voor geen geld van de wereld zou ik een tocht naar den boeg ondernemen, daar is levensgevaar bij.”„Voor de onervarenen, is er zeker gevaar bij,” antwoordde[336]kapitein Butteling, „om hard te vallen althans en armen, beenen en ribben te breken. Wanneer er echter eene zee overkomt, dan klimt dat gevaar tot levensgevaar.Gij hadt dat spektakel heden nacht maar eens moeten bijwonen!”„Wat is er dan gebeurd?” vroegen allen te gelijk.„Ja, ik meen zoo iets gehoord te hebben,” zei Leidermooi.„Zoo omstreeks twee glazen in de hondenwacht loefde het schip te veel op en kregen wij een zee binnen, die niet alleen eene aanmerkelijke verwoesting aan boord aangericht, maar ook onzen bijkok over boord gespoeld heeft.”„En?.…” vroegen de passagiers ademloos.„En.… Redding bij dat weer was onmogelijk. Slechts weinigen hebben den gil gehoord, dien de ongelukkige geslaakt heeft.”„Hadt gij niet kunnen bijleggen?” vroeg Behren.„Bijleggen in dit weer!” antwoordde kapitein Butteling. „Bedenk toch dat het schip dan dwarszee’s moest komen. Dan zou èn verschansing èn tuig èn alles wat aan het dek is, over boord gegaan zijn. Dan zou het schip in het grootste gevaar gekomen zijn, en mocht ik dat wagen? Om een man pogen te redden, het leven van zoovele aan groot gevaar bloot te stellen! Maar verondersteld ook al eens, dat ik het schip met den boeg in den wind had kunnen krijgen; dat is een manoeuvre, waartoe op zijn minst een half uur noodig is. Wat zou er inmiddels van den ongelukkige geworden zijn in die kokende zee? En wat dan verder te doen? Eene sloep uitzetten? om hem in den donkeren nacht op te sporen? Neen, daar was geen redding mogelijk. Onverbiddelijk als het noodlot moest het fregat op zijne baan voort en den ongelukkige aan zijn lot overlaten!”[337]„Schrikkelijk! schrikkelijk!”„Kunt gij begrijpen, wat er in de ziel omgaat van den gezagvoerder bij zoo’n gebeurtenis, van den man, die zich als het ware verantwoordelijk voor het leven van ieder zijner opvarenden gevoelt? Wat er omgaat in zijne ziel; wanneer hij geen hand tot redding kan uitsteken, wanneer hij den kreet van den ongelukkigen slechts beantwoorden kan en moet met een kort: „niets aan te doen?”„Vreeselijk!”„Zoo ziet ge wat het leven van den zeeman is,” vervolgde kapitein Butteling in een sombere bui. „Och! aan wal overlijden de lieden ook, staan zij ook bloot om een ongeluk te krijgen. Maar dan ziet men hen sterven, dan aanschouwt men hun lijk; maar zoo weggerukt te worden zonder een spoor na te laten, zoo zonder ach en wee te verdwijnen, ziet, dat zijn van die aangrijpende omstandigheden, die toch wel het meest gestaalde gemoed tot nadenken moeten stemmen.…”Stuurman Abels trad in dit oogenblik op den gezagvoerder toe, fluisterde hem eenige woorden in het oor, en wees daarbij achteruit naar zee. Kapitein Butteling keek in de aangeduide richting. Wild en woest verhieven zich steeds de golven en schenen aan bergen gelijk, die in toomelooze vaart op het schip aanrolden. Er begonnen zich nu evenwel brekers te vormen, en die omstandigheid bracht eene plooi van bezorgdheid op het voorhoofd van den zeeman, wiens gemoed toch al zoo somber gestemd was. Juist brak in dat oogenblik een golf met donderend geweld vlak achter het schip, en overdekte den oceaan in een wijden kring, met wit schuim, dat onder den grauwen hemel eene fletsche doodsche tint vertoonde alsof het eene lijkwa was. Op dat gezicht spoedde de kapitein naar beneden.[338]„Als er zoo’n breker ons achterop aan boord komt, dan zijn wij voor de haaien, tegen zoo’n geweld is geen schip, hoe hecht ook, bestand,” zei Abels.De passagiers keken elkander aan, en lieten ontzet den blik over de woedende zee waren. Kapitein Butteling verscheen spoedig weer op het dek.„De barometer staat steeds op 728,” deelde hij mede, „maar de holte der kwikkolom is verdwenen, dus bestaat er neiging tot rijzen. Ik geloof, dat wij het ergste gehad hebben. Stuurman, laat het grootbarkzeil bijzetten.”Het was een weidsche naam voor het kleine stormzeil, dat thans met zeer veel moeite losgemaakt en aan den wind prijs gegeven werd.„Nu hebben we toch storm, stuurman Bagman,” zei Leidermooi, „is het niet?”„Het mocht wat!” antwoordde deze op luchtigen toon. „Ik wed dat kapitein Butteling mij straks niets anders in het journaal zal laten inschrijven dan: dichtgereefde marszeilskoelte met harde buien.”De gezagvoerder ging aandachtig de uitwerking van het bijgezette zeil na, en tuurde met scherpen blik op de aanrollende baren. Na een poos ging hij andermaal naar beneden; maar kwam spoedig weer boven.„Het kwik rondt af,” sprak hij vergenoegd. „Stuurman, laat het dichtgereefde voormarszeil bijzetten!”Toen dat bijstond, boog de voorsteng onrustbarend. Kapitein Van Dam maakte den gezagvoerder daar attent op.„Ik zie het wel,” antwoordde deze. „Maar het schip moet meer vaart maken. Het moet die rollers vooruit blijven! Daarenboven, het fregat is nieuw, het is zijne tweede reis. Alles: masten, stengen en touwwerk zijn beproefd sterk; er kan wat gewaagd worden. Wij willen eens laten loggen.”[339]Het schip liep toen vijftien mijlen.De barometer had ditmaal juist aangeduid. Tegen tien uur ongeveer begon het wolkendak te breken, en liet van tijd tot tijd een zonnestraal door. Voor den leek was er nog niet veel verandering in de kracht van den wind te bespeuren; voor den zeeman evenwel begon de winddruk te verminderen. Nog voor dat de middag-waarneming geschiedde, was het dichtgereefde grootmarszeil en de gereefde fok bijgezet.„Gij laat niets verloren gaan, kapitein Butteling,” zei de heer Groenewald op dat gezicht.„Dat mag ook niet,” antwoordde deze lachend.Toen het middagzonnetje een oogenblik gloorde, werd bevonden dat deFernandina Maria Emmaop 36° 1′ zuiderbreedte en 24° 43′ westerlengte stond, en ruim 90 mijlen in het laatste etmaal had afgelegd.[340]
XIII.Storm.—Om de zuid.
De wind wakkerde steeds aan, en de barometer bleef steeds zijne dalende beweging volvoeren. Tegen het vallen van den avond, liet de kapitein deFernandina Maria Emma, die tot nu toe, sedert het verlaten van Rio Janeiro, zuidwest gekoerst had, zuiver zuid voorleggen.„Drommels, gaat gij meer zuid halen?” vroeg kapitein Van Dam. „Wij moeten nu zoo wat op de breedte van de kaap de Goede Hoop65zijn.”„Dat zijn wij ook. Maar ik ga lenzen. Die dwarsche zeeën deden het schip te veel slingeren en werken. Voelt gij wel, nu het voor den golfslag wegvliedt, hoe stil het ligt.”„Het weer schijnt meer te bedaren,” merkte mevrouw Groenewald op.„Volstrekt niet, mevrouw. Wij liggen stiller, omdat het fregat nu voor den wind gaat. De barometer daalt zelfs onrustbarend,” zei kapitein Butteling. „De passagiers zouden mij genoegen doen, wanneer zij thans naar beneden gingen.”Aan dien wenk werd gehoorzaamd. Ook de soldaten verdwenen van het dek. Alleen zij, die de wacht hadden,[325]zaten op het voorschip achter een oppertje geborgen voor den woesten wind.Het schip hield zich uitmuntend. Sedert het lenste, slingerde het zooveel niet meer; het doorsneed thans de golven, waarbij het steigerend omhoog steeg, wanneer het op den rug van zoo’n baar opgetild werd, of met zijn boeg omlaag dook, wanneer het van dien rug afgleed, alsof het in de diepte onder wilde duiken. Die beweging was evenwel niet lastig of onaangenaam, omdat de golven breed en verheven rolden, met niet te steile hellingen, waartegen het schip licht als een zwaan opgevoerd werd en geen eigenlijk stampen ondervond. Die bewegingen waren evenwel omvangrijk, zoodat het soms moeielijk was op het dek op de been te blijven.Bij het middagbestek van dien dag—den 25stenNovember—stond het schip op 35° 25′ zuiderbreedte en 29° 21′ westerlengte, en had bijgevolg onder klein zeil een afstand van ruim 43 mijlen afgelegd.Toen de passagiers naar beneden gingen om de lunch te gebruiken, was de tafel van slingerlatten66voorzien, om te beletten dat bij de bewegingen van het schip het geheel servies op den grond rolde. Sedert eenige dagen reeds waren de reizigers gewoon, alle vochtinhoudende voorwerpen als: glazen en kopjes op de slingerborden,67die boven de tafel zweefden, uit de hand te zetten.„Jongens, jongens, die latjes duiden op slecht weer,” zei kapitein Van Dam, aan tafel plaats nemende. „Dat zal bij het diner straks met de soep lastig worden.”„Als wij dan soep krijgen,” antwoordde kapitein Butteling lachende. „De barometer daalt steeds en de wind wakkert steeds aan. Het zou wel eens kunnen, dat het kooken in de kombuis onmogelijk werd.”„Maar, hoe dan met de manschappen van het detachement?” vroegVanDam.[326]„Heden krijgen zij nog snert,” antwoordde de gezagvoerder. „Houdt dit weer evenwel aan of verergert het, zoo als te voorspellen is, dan kan er aan kooken niet gedacht worden. Gij moet eens zien, welke moeite het thans reeds kost om bij de kabriolen, die het schip maakt, de kookketels in hunne vierkante ramen en het vuur in de fornuizen te houden. Er is voortdurend tegen brand te waken.”„God beware ons!” zei mevrouw Groenewald.„Er is geen gevaar, mevrouw,” stelde haar kapitein Butteling gerust. „Er staan genoeg wachten rondom. Maar ik zal blij zijn, als de erwtesoep gaar zal zijn, en de vuren gebluscht zullen worden. Alle maatregelen zijn reeds door stuurman Abels getroffen om scheepsbeschuit met ham en gerookt spek voor ettelijke dagen in voorraad te hebben.”„Smakelijk eten!” lachte Jan Slierendrecht.„Hebben wij ook veel kans op een koude keuken?” vroeg Adelien Groenewald in de handen klappende.„De kok wilde reeds heden daarmeê beginnen,” antwoordde kapitein Butteling lachende. „Hij knort erg, dat hij zijn kookgerij niet op het vuur kan houden.”„Het zal het brandgevaar verminderen, niet waar kapitein, wanneer voor ons niet gekookt wordt?” vroeg mevrouw Groenewald.„Voorzeker, mevrouw.”„Mag ik u dan uit naam der dames verzoeken, ons zoolang dit weer aanhoudt, eene koude keuken te verstrekken,” zei de voorzichtige moeder.De heeren betuigden hunne instemming met dat verzoek.„Dat is dan aangenomen!” sprak kapitein Butteling.„Maar laat eens hooren, waaruit het menu zal bestaan?” vroeg Denniston. „Wat zal b.v. het dejeuner opleveren?”[327]„Scheepsbeschuit!”„Met?.…”„Met scheepsbeschuit!”„Zonder koffij?”„Het water daartoe moet gekookt worden,” merkte mevrouw Groenewald aan.„Dus geen koffij; maar wat dan? Er moet toch iets zijn om die scheepsbeschuit door te spoelen.”„Een glas bier, een glas selterswater, of een glas ijzerhoudend water68uit onzen scheepsvoorraad,” zei kapitein Butteling.„Voor dat laatste pas ik,” antwoordde Denniston. „Maar nu de lunch? Waaruit zal die bestaan?”„Uit scheepsbeschuit!”„Met?.…”„Met sardijntjes.”„En?.…”„Een glas bier, een glas selterswater of een glas ijzerhoudend water uit den scheepsvoorraad!” proestte het kapiteinVanDam uit.„En nu het diner? Dat zal de overige ontberingen wel vergoeden, niet waar? Kom, kapitein Butteling, waaruit zal dat bestaan?”„Uit scheepsbeschuit!”„Met?…”„Met sardijntjes, afgewisseld met gerookte ham, gerookte tong, gerookt vleesch, gerookten zalm, gerookten elft, of gerookten bokking.”„Daar is ten minste variatie in al die gerooktelekkernijen.”„En de beste manier om zelf niet gerookt te worden,” zei Emma Groenewald.„Maar, kapitein Butteling.…” vroeg Denniston. „Gij zeidet daar zooeven:afgewisseld metal die lekkere gerookte[328]zaken. Hebben wij dus het vooruitzicht die afwisselingen lang te genieten?”„Ai!… ik ben geen weerprofeet, mijnheer Denniston,” antwoordde de gezagvoerder, „maar de barometer is sedert dagen langzaam dalende. Hij daalde heden ochtend nog. Nu schijnt hij stationnair, hoewel de oppervlakte der kwikkolom nog lang den bolvorm niet, eerder eene holte vertoont, wat op nog meer neiging tot dalen wijst. Hij staat nu zoo laag—op 728—als ik hem ooit zoo constant gezien heb. Ik heb hem wel lager gezien, maar dat was slechts kortstondig, bij sprongen om zoo te zeggen, om spoedig daarna weer te rijzen. Uit die langzame daling mag met eenigen grond afgeleid worden, dat wij gedurende langen tijd slecht weer zullen hebben en.… daarmee zal ons menu van scheepsbeschuit met … gerooktelekkernijenrekening dienen te houden.”„Dat lenzen, wat wij nu doen,” vroeg kapitein Van Dam, „zet ons toch uit den koers, niet waar?”„Volstrekt niet,” antwoordde de scheepsgezaghebber.„Maar we moesten meer oost halen, dunkt me?”„Zonder dat weer was ik tóch van plan geweest, om, eenmaal onder den Amerikaansche wal uit, meer zuid te halen, dan gewoonlijk bij Oost-Indische reizen gedaan wordt. In den regel wordt den meridiaan van kaap de Goede Hoop op den 39stengraad zuiderbreedte gepasseerd. Ik heb mij in mijn hoofd gesteld tien graden zuidelijker te gaan.”„Dat is toch een groote omweg,” meende kapitein Van Dam.„Toch niet. Schijnbaar maar. Ik beweer dat ik eene spoediger reis daardoor zal maken. Gij zult zien. DeStad Leidenlag bij ons bij de Canarische eilanden. Dat is een welbezeilde bark. Het is te veronderstellen dat die nagenoeg dezelfde gelegenheid tot heden heeft getroffen[329]als wij hadden, met dat onderscheid evenwel, dat zij die vier dagen verlies niet gehad heeft, die wij met ons uitstapje naar Rio Janeiro ondervonden hebben. Welnu, ik durf een discretie verwedden, dat wij voor haar op de reede van Batavia zijn.”69„Maar als haar gezagvoerder nu ook eens uwe meening opgevat heeft?” vroeg Behren.„Dat heb ik niet te vreezen. Ik ken hem; hij is een degelijk zeeman; maar om zonder daartoe genoodzaakt te zijn van de baan af te wijken, die hem door zijne voorgangers aangewezen is, daartoe is hij niet in staat.”„Hoe zult ge evenwel bewijzen: dat langs die langere baan een kortere reis te maken is, zooals gij beweert.”„Wel vooreerst worden de lengtegraden, hoe zuidelijker ik aanhoud al kleiner en kleiner. Bij den Evenaar meet zoo’n graad 15 geographische mijlen, bij de polen of op 90° afstand van den Equator is die graad nul. De afplatting der aarde niet meegerekend, bedraagt dus een lengtegraad op 45° zuider- of noorderbreedte de helft maar van zijne waarde aan den Evenaar, en bij gevolg dus slechts 7½ mijl. Dat verschil geeft mij reeds veel; want ik heb op 49° breedte 1⅓ mijl minder af te leggen per graad, dan op 39°. Maar, dat is nog niet alles. Wij zijn hier in de zone der veranderlijke winden. Wij treffen nu goede gelegenheid; maar het kon ook anders. Ieder oogenblik kan de wind uit een anderen hoek schieten. Ik heb het hier wel beleefd, dat wij dagen lang stormweer hadden en daarbij tegenwind, zoodat we moesten bijleggen. Volgens mijne windkaart heb ik veel kans beneden den 45stenbreedtegraad westelijke of noordwestelijke winden aan te treffen, waarmee dan wat lengte afgezeild kan worden, dat verzeker ik u.”Op dat oogenblik trad de derde stuurman binnen en fluisterde den kapitein iets in het oor. Deze stond dadelijk[330]op, trad in zijne kajuit, om een blik op den barometer te slaan en spoedde daarna naar het dek, waarheen hem ettelijke zijner passagiers volgden.De wind stak al meer en meer op, en de zee rolde in hemelhooge baren achterop. Het fregat begon zwaar te werken. Het steigerde als het ware met het voorschip, wanneer zoo’n golf dat optilde, terwijl zijn boegspriet, met het kluif- en jaaghout verlengd, een oogenblik hemelwaarts wees, alsof die vooruitstekende punt een gat in de wolken wilde steken. Een oogenblik later gleed het tusschen twee golven in een afgrond, alsof het daarin wilde verdwijnen.„Marszeilen en fok reven!” kommandeerde kapitein Butteling.„Het zeil, dat wij voeren, wordt al minder en minder,” zei kapitein Van Dam, toen de zeeman op het achterdek kwam om de bevolen manoeuvre gade te slaan.„Ik heb wel zin, om maar in eens de marszeilen dicht te laten reven, want over een paar uren zal dat toch moeten geschieden en het is een zwaar werk.”Hij riep stuurman Bagman tot zich, en deelde hem dienaangaande de noodige bevelen mede. Was straks de stem van den kapitein nog waarneembaar geweest voor zijne manschappen, toen zij aan het dek waren, nu kon geen menschelijk orgaan zich voor die mannen, die daar boven over de raas gebogen lagen, doen hooren, hoe de stuurman zijn stem ook uitzette. Het gehuil van den wind en het geloei van den Oceaan overvleugelde alles. Stuurman Bagman greep den scheepsroeper, ging op het achterdek bovenwinds staan, en nu gelukte het hem na eenige vergeefsche pogingen het bevel van den kapitein aan die mannen daar boven bekend te maken.Het was een zwaar stuk werk, bij zoo’n weer, die zoo sterk gespannen zeilen dicht te reven. Wat kracht[331]moesten die vuisten niet uitoefenen om dat zware en stijve zeildoek te grijpen en te houden, en dat met de riftouwtjes in te binden. Wat klapperden en donderden die zeilen daar boven, toen de toppenends gevierd waren. Het was alsof die lappen zeildoek uit elkaar gezweept moesten worden. De matrozen over de raas gebogen liggende, met de voeten gesteund op de paarden, die zich onder de raas uitstrekten, spanden alle hunne krachten in om die woest klappende zeilen in bedwang te krijgen, waarbij twee armen waarachtig niet te veel waren.„Hoe is het toch mogelijk,” merkte Denniston op, „zich daar boven bij dat weer, in evenwicht te houden?”Eindelijk lukte het toch. Na een rond uur tobbens was de bevolen arbeid verricht, en daalden de matrozen langs het want op het dek neer.„Het zijn flinke, pootige kerels!” zei kapitein Van Dam, „die wel een oorlam verdiend hebben.”„Zij ontgaat hun niet,” antwoordde de gezagvoerder lachend, terwijl hij een teeken aan stuurman Ellenbaan gaf, die ook op de ra geweest was.„Noem jullie zoo’n weer nu nog eene koelte?” vroeg Denniston aan stuurman Bagman, nadat die gezorgd had, dat alle lijnen en touwen weer behoorlijk aan hunne nagelpinnen opgeborgen waren, en nu op het achterdek verscheen.„Wel, mijnheer, het waait nog maar eene gereefde marszeilskoelte,” was het antwoord van den zeeman.„Het mocht wat! Het blaast of de hel losgebroken is.”„Eerst hadden wij bramzeilskoelte, die is overgegaan in stijve bramzeilskoelte. Toen de brammetjes ingenomen waren, heette het marszeilskoelte. Had de kapitein één rif laten steken, dan zouden wij van gereefde marszeilskoelte[332]spreken; had hij twee reven laten nemen, dan heette het dubbel gereefde marszeilskoelte; en nu al de reven gestoken zijn, noemen wij dat dichtgereefde marszeilskoelte.”„En zoo even zeidet gij: gereefde marszeilskoelte?”„Nu ja, de kapitein heeft, om te voorkomen, dat Janmaat straks weer naar boven moest, al de reven laten steken. Met den wind die blaast, had hij heel goed kunnen volstaan met één rif te nemen. Wij liggen dus onder dichtgereefde marszeilen, maar het waait slechts eene gereefde marszeilskoelte. Maar, weet ge wel wat dat beteekent?”„Nu, wat dan?”„Dat er nog niet veel uitzicht bestaat, om beter weer te krijgen.”„Hoe staat de barometer?” vroeg kapitein Van Dam aan den scheepsgezagvoerder.„Steeds op 728, met eenige neiging tot rijzen.”Het was ellendig naar aan het dek. De wind huilde en gierde als een bezetene door het want. Het was alsof hij eene monsterachtige Eolus-harp bespeelde. De zee loeide, donderde en klotste op ontzettende wijze, en vormde den grondtoon bij het schrikwekkende akkoord, hetwelk de verbolgen elementen aansloegen. Kapitein Butteling en zijne drie stuurlieden hadden hunne zuidwesters70op en over de ooren getrokken, hunne oliejassen en waterlaarzen aan, en stonden daar bij elkander, gereed om den kamp te aanvaarden, die de natuur hun bood.„De heeren zouden mij genoegen doen, door het dek te verlaten,” sprak kapitein Butteling. „Eene stortzee is thans niet onmogelijk en dan zouden ongelukken onvermijdelijk zijn.”Toen de passagiers verdwenen waren, liet hij eene[333]presenning over de trappenkap bevestigen, om het indringen van het water tegen te gaan. Hetzelfde werd vooruit ook gedaan. Bij het grootluik werd die presenning met een paar spijkers vastgezet, om de levende lading beneden te houden.Zoo werd de nacht ingegaan. Dat bij het huilen van den wind en het bulderen der zee niet veel van slapen kwam, is wel te begrijpen. Die oprecht waren, legden zich de bekentenis af, dat zij uiterst beangst waren, dat menig gemoed in die bange oogenblikken eene gedachte had voor Hem, in wiens hand aller bestaan was.Toen het dag werd—een akelige, grauwe dag, droevig en somber als een Novemberdag onder noordelijke breedten, hoewel hier in het zuidelijk halfrond 26 November als 26 Mei, in het noordelijk halfrond mag rekenen—werd de presenning van de kap van den kajuitstrap en ook die van het grootluik een weinig weggeschoven, om wat versche lucht naar beneden in dat menschenhok te laten doordringen; ook om hen naar boven te laten komen, die aan natuurlijke behoeften te voldoen hadden. Van de soldaten waren er slechts weinigen die verschenen. De zeeziekte hield in dat tusschendek zoodanig huis, dat eene beschrijving van dat woonoord van menschen tot de onmogelijkheid behoort. De weinigen, die zich vertoonden, zagen zoo ontdaan en zoo bleek, alsof zij eene langdurige ziekte doorworsteld hadden. Zij verzochten den scheepskapitein, boven te mogen blijven, althans niet meer opgesloten te mogen worden in dat tusschendek, hetwelk aan eene hel mocht gelijk gesteld worden.„Jongens, aan het dek is ook niet veel heil te halen,” antwoordde de kapitein. „Het is er bepaald gevaarlijk. Kijk maar eens de stuurboordsverschansing en de kippenhokken aan dien kant zijn geheel weggeslagen.”[334]„Om het even, kapitein, het is in die verpeste lucht daar beneden niet uit te houden!”Het waren er maar weinig, die dit verzoek deden. De overigen lagen meer dan halfdood in hunne hangmat te jammeren en te weeklagen.„Nu dan, mij wel,” antwoordde kapitein Butteling. „Maar goed vasthouden. Ik wou jullie wel laten vastsjorren!”Het meerendeel der mannelijke passagiers van achteruit kwamen ook langzamerhand op het dek om wat versche lucht te happen en eens poolshoogte te nemen. Dat laatste viel niet mee. Het schip had alle zeilen geborgen, lenste thans voor top en takel en lag zuidoost ten oosten voor. Het was een uiterst naar gezicht dat zwaar werkend schip met zijn kale masten te midden van die verbolgen zee. Wat voelde de mensch zich klein in zijn kamp met de ontzettende elementen.„Zoo van alle falbalas ontdaan,” sprak kapitein Van Dam tot stuurman Abels, die in de nabijheid van het stuurrad zich ophield, waaraan twee matrozen stonden, die daaraan vastgesjord waren, „ziet onzeFernandina Maria Emmaer niet zeer aantrekkelijk uit.”„Maar zij houdt zich toch dapper; in weerwil van die zware zeeën ligt zij als een meeuw op het water. Met dat schip is wat uit te voeren!”„Ze kan zoo zonder zeil onmogelijk hard loopen,” meende Behren.„Dat valt nog al meê,” antwoordde de stuurman. „Wij zullen eens loggen?”„Loggen!!!” commandeerde hij met brullende stem.Een paar matrozen en de scheepsjongen verschenen. De log werd uitgeworpen. Het duurde naar aller meening lang, eer dat die jongen zijn „stop!” liet hooren. Toen dat eindelijk weerklonk, zei stuurman Abels:[335]„Twaalf en een halve mijl! dat gaat, niet waar? Heden nacht hebben we meer gelogd. Maar toen stonden de dichtgereefde marszeilen nog bij.”De beweging van het schip was zoo sterk, dat de passagiers niet dan met moeite ter been konden blijven. Behren en Hannius probeerden om tot bij den grooten mast te gaan. Bij het overgaan van het schip, smakten zij beiden tegen het dek op het oogenblik, dat zij den rand van de kajuitskap los lieten om naar de verschansing over te steken en zich daar vast te klemmen. Bij het zware slingeren van het schip, gierden die beide eenige malen over de natte planken van het dek heen en weer, zonder dat zij van wege de gladheid weer vermochten op te krabbelen, en waarbij zij telkenmale zeer onzacht tegen de verschansingen aankwamen. Met behulp van den stuurman en kapitein Butteling, die juist van het voorschip kwam, krabbelden zij weer ter been; maar moesten zelf mee lachen over het zonderlinge gezicht dat die glijpartij heen en weer opgeleverd had; hoewel zij zich schouders, ellebogen en knieën, die, bij de aanraking met dek en verschansing, gevoelig te land waren gekomen, wreven.„Ik wed dat ik overal blauwe plekken heb,” zei Behren.Dokter Hannius sprak geen woord, maar wreef zich des te meer.„Ik zou een stuk lijnkoek aan dokter Van Pinksteren gaan vragen!” raadde kapitein Van Dam aan, die zich evenwel zorgvuldig aan een nagelpen der verschansing vast hield.„Ik ga niet meer van mijne plaats,” zei Behren, zich aan de kajuitskap vastklemmende: „Voor geen geld van de wereld zou ik een tocht naar den boeg ondernemen, daar is levensgevaar bij.”„Voor de onervarenen, is er zeker gevaar bij,” antwoordde[336]kapitein Butteling, „om hard te vallen althans en armen, beenen en ribben te breken. Wanneer er echter eene zee overkomt, dan klimt dat gevaar tot levensgevaar.Gij hadt dat spektakel heden nacht maar eens moeten bijwonen!”„Wat is er dan gebeurd?” vroegen allen te gelijk.„Ja, ik meen zoo iets gehoord te hebben,” zei Leidermooi.„Zoo omstreeks twee glazen in de hondenwacht loefde het schip te veel op en kregen wij een zee binnen, die niet alleen eene aanmerkelijke verwoesting aan boord aangericht, maar ook onzen bijkok over boord gespoeld heeft.”„En?.…” vroegen de passagiers ademloos.„En.… Redding bij dat weer was onmogelijk. Slechts weinigen hebben den gil gehoord, dien de ongelukkige geslaakt heeft.”„Hadt gij niet kunnen bijleggen?” vroeg Behren.„Bijleggen in dit weer!” antwoordde kapitein Butteling. „Bedenk toch dat het schip dan dwarszee’s moest komen. Dan zou èn verschansing èn tuig èn alles wat aan het dek is, over boord gegaan zijn. Dan zou het schip in het grootste gevaar gekomen zijn, en mocht ik dat wagen? Om een man pogen te redden, het leven van zoovele aan groot gevaar bloot te stellen! Maar verondersteld ook al eens, dat ik het schip met den boeg in den wind had kunnen krijgen; dat is een manoeuvre, waartoe op zijn minst een half uur noodig is. Wat zou er inmiddels van den ongelukkige geworden zijn in die kokende zee? En wat dan verder te doen? Eene sloep uitzetten? om hem in den donkeren nacht op te sporen? Neen, daar was geen redding mogelijk. Onverbiddelijk als het noodlot moest het fregat op zijne baan voort en den ongelukkige aan zijn lot overlaten!”[337]„Schrikkelijk! schrikkelijk!”„Kunt gij begrijpen, wat er in de ziel omgaat van den gezagvoerder bij zoo’n gebeurtenis, van den man, die zich als het ware verantwoordelijk voor het leven van ieder zijner opvarenden gevoelt? Wat er omgaat in zijne ziel; wanneer hij geen hand tot redding kan uitsteken, wanneer hij den kreet van den ongelukkigen slechts beantwoorden kan en moet met een kort: „niets aan te doen?”„Vreeselijk!”„Zoo ziet ge wat het leven van den zeeman is,” vervolgde kapitein Butteling in een sombere bui. „Och! aan wal overlijden de lieden ook, staan zij ook bloot om een ongeluk te krijgen. Maar dan ziet men hen sterven, dan aanschouwt men hun lijk; maar zoo weggerukt te worden zonder een spoor na te laten, zoo zonder ach en wee te verdwijnen, ziet, dat zijn van die aangrijpende omstandigheden, die toch wel het meest gestaalde gemoed tot nadenken moeten stemmen.…”Stuurman Abels trad in dit oogenblik op den gezagvoerder toe, fluisterde hem eenige woorden in het oor, en wees daarbij achteruit naar zee. Kapitein Butteling keek in de aangeduide richting. Wild en woest verhieven zich steeds de golven en schenen aan bergen gelijk, die in toomelooze vaart op het schip aanrolden. Er begonnen zich nu evenwel brekers te vormen, en die omstandigheid bracht eene plooi van bezorgdheid op het voorhoofd van den zeeman, wiens gemoed toch al zoo somber gestemd was. Juist brak in dat oogenblik een golf met donderend geweld vlak achter het schip, en overdekte den oceaan in een wijden kring, met wit schuim, dat onder den grauwen hemel eene fletsche doodsche tint vertoonde alsof het eene lijkwa was. Op dat gezicht spoedde de kapitein naar beneden.[338]„Als er zoo’n breker ons achterop aan boord komt, dan zijn wij voor de haaien, tegen zoo’n geweld is geen schip, hoe hecht ook, bestand,” zei Abels.De passagiers keken elkander aan, en lieten ontzet den blik over de woedende zee waren. Kapitein Butteling verscheen spoedig weer op het dek.„De barometer staat steeds op 728,” deelde hij mede, „maar de holte der kwikkolom is verdwenen, dus bestaat er neiging tot rijzen. Ik geloof, dat wij het ergste gehad hebben. Stuurman, laat het grootbarkzeil bijzetten.”Het was een weidsche naam voor het kleine stormzeil, dat thans met zeer veel moeite losgemaakt en aan den wind prijs gegeven werd.„Nu hebben we toch storm, stuurman Bagman,” zei Leidermooi, „is het niet?”„Het mocht wat!” antwoordde deze op luchtigen toon. „Ik wed dat kapitein Butteling mij straks niets anders in het journaal zal laten inschrijven dan: dichtgereefde marszeilskoelte met harde buien.”De gezagvoerder ging aandachtig de uitwerking van het bijgezette zeil na, en tuurde met scherpen blik op de aanrollende baren. Na een poos ging hij andermaal naar beneden; maar kwam spoedig weer boven.„Het kwik rondt af,” sprak hij vergenoegd. „Stuurman, laat het dichtgereefde voormarszeil bijzetten!”Toen dat bijstond, boog de voorsteng onrustbarend. Kapitein Van Dam maakte den gezagvoerder daar attent op.„Ik zie het wel,” antwoordde deze. „Maar het schip moet meer vaart maken. Het moet die rollers vooruit blijven! Daarenboven, het fregat is nieuw, het is zijne tweede reis. Alles: masten, stengen en touwwerk zijn beproefd sterk; er kan wat gewaagd worden. Wij willen eens laten loggen.”[339]Het schip liep toen vijftien mijlen.De barometer had ditmaal juist aangeduid. Tegen tien uur ongeveer begon het wolkendak te breken, en liet van tijd tot tijd een zonnestraal door. Voor den leek was er nog niet veel verandering in de kracht van den wind te bespeuren; voor den zeeman evenwel begon de winddruk te verminderen. Nog voor dat de middag-waarneming geschiedde, was het dichtgereefde grootmarszeil en de gereefde fok bijgezet.„Gij laat niets verloren gaan, kapitein Butteling,” zei de heer Groenewald op dat gezicht.„Dat mag ook niet,” antwoordde deze lachend.Toen het middagzonnetje een oogenblik gloorde, werd bevonden dat deFernandina Maria Emmaop 36° 1′ zuiderbreedte en 24° 43′ westerlengte stond, en ruim 90 mijlen in het laatste etmaal had afgelegd.[340]
De wind wakkerde steeds aan, en de barometer bleef steeds zijne dalende beweging volvoeren. Tegen het vallen van den avond, liet de kapitein deFernandina Maria Emma, die tot nu toe, sedert het verlaten van Rio Janeiro, zuidwest gekoerst had, zuiver zuid voorleggen.
„Drommels, gaat gij meer zuid halen?” vroeg kapitein Van Dam. „Wij moeten nu zoo wat op de breedte van de kaap de Goede Hoop65zijn.”
„Dat zijn wij ook. Maar ik ga lenzen. Die dwarsche zeeën deden het schip te veel slingeren en werken. Voelt gij wel, nu het voor den golfslag wegvliedt, hoe stil het ligt.”
„Het weer schijnt meer te bedaren,” merkte mevrouw Groenewald op.
„Volstrekt niet, mevrouw. Wij liggen stiller, omdat het fregat nu voor den wind gaat. De barometer daalt zelfs onrustbarend,” zei kapitein Butteling. „De passagiers zouden mij genoegen doen, wanneer zij thans naar beneden gingen.”
Aan dien wenk werd gehoorzaamd. Ook de soldaten verdwenen van het dek. Alleen zij, die de wacht hadden,[325]zaten op het voorschip achter een oppertje geborgen voor den woesten wind.
Het schip hield zich uitmuntend. Sedert het lenste, slingerde het zooveel niet meer; het doorsneed thans de golven, waarbij het steigerend omhoog steeg, wanneer het op den rug van zoo’n baar opgetild werd, of met zijn boeg omlaag dook, wanneer het van dien rug afgleed, alsof het in de diepte onder wilde duiken. Die beweging was evenwel niet lastig of onaangenaam, omdat de golven breed en verheven rolden, met niet te steile hellingen, waartegen het schip licht als een zwaan opgevoerd werd en geen eigenlijk stampen ondervond. Die bewegingen waren evenwel omvangrijk, zoodat het soms moeielijk was op het dek op de been te blijven.
Bij het middagbestek van dien dag—den 25stenNovember—stond het schip op 35° 25′ zuiderbreedte en 29° 21′ westerlengte, en had bijgevolg onder klein zeil een afstand van ruim 43 mijlen afgelegd.
Toen de passagiers naar beneden gingen om de lunch te gebruiken, was de tafel van slingerlatten66voorzien, om te beletten dat bij de bewegingen van het schip het geheel servies op den grond rolde. Sedert eenige dagen reeds waren de reizigers gewoon, alle vochtinhoudende voorwerpen als: glazen en kopjes op de slingerborden,67die boven de tafel zweefden, uit de hand te zetten.
„Jongens, jongens, die latjes duiden op slecht weer,” zei kapitein Van Dam, aan tafel plaats nemende. „Dat zal bij het diner straks met de soep lastig worden.”
„Als wij dan soep krijgen,” antwoordde kapitein Butteling lachende. „De barometer daalt steeds en de wind wakkert steeds aan. Het zou wel eens kunnen, dat het kooken in de kombuis onmogelijk werd.”
„Maar, hoe dan met de manschappen van het detachement?” vroegVanDam.[326]
„Heden krijgen zij nog snert,” antwoordde de gezagvoerder. „Houdt dit weer evenwel aan of verergert het, zoo als te voorspellen is, dan kan er aan kooken niet gedacht worden. Gij moet eens zien, welke moeite het thans reeds kost om bij de kabriolen, die het schip maakt, de kookketels in hunne vierkante ramen en het vuur in de fornuizen te houden. Er is voortdurend tegen brand te waken.”
„God beware ons!” zei mevrouw Groenewald.
„Er is geen gevaar, mevrouw,” stelde haar kapitein Butteling gerust. „Er staan genoeg wachten rondom. Maar ik zal blij zijn, als de erwtesoep gaar zal zijn, en de vuren gebluscht zullen worden. Alle maatregelen zijn reeds door stuurman Abels getroffen om scheepsbeschuit met ham en gerookt spek voor ettelijke dagen in voorraad te hebben.”
„Smakelijk eten!” lachte Jan Slierendrecht.
„Hebben wij ook veel kans op een koude keuken?” vroeg Adelien Groenewald in de handen klappende.
„De kok wilde reeds heden daarmeê beginnen,” antwoordde kapitein Butteling lachende. „Hij knort erg, dat hij zijn kookgerij niet op het vuur kan houden.”
„Het zal het brandgevaar verminderen, niet waar kapitein, wanneer voor ons niet gekookt wordt?” vroeg mevrouw Groenewald.
„Voorzeker, mevrouw.”
„Mag ik u dan uit naam der dames verzoeken, ons zoolang dit weer aanhoudt, eene koude keuken te verstrekken,” zei de voorzichtige moeder.
De heeren betuigden hunne instemming met dat verzoek.
„Dat is dan aangenomen!” sprak kapitein Butteling.
„Maar laat eens hooren, waaruit het menu zal bestaan?” vroeg Denniston. „Wat zal b.v. het dejeuner opleveren?”[327]
„Scheepsbeschuit!”
„Met?.…”
„Met scheepsbeschuit!”
„Zonder koffij?”
„Het water daartoe moet gekookt worden,” merkte mevrouw Groenewald aan.
„Dus geen koffij; maar wat dan? Er moet toch iets zijn om die scheepsbeschuit door te spoelen.”
„Een glas bier, een glas selterswater, of een glas ijzerhoudend water68uit onzen scheepsvoorraad,” zei kapitein Butteling.
„Voor dat laatste pas ik,” antwoordde Denniston. „Maar nu de lunch? Waaruit zal die bestaan?”
„Uit scheepsbeschuit!”
„Met?.…”
„Met sardijntjes.”
„En?.…”
„Een glas bier, een glas selterswater of een glas ijzerhoudend water uit den scheepsvoorraad!” proestte het kapiteinVanDam uit.
„En nu het diner? Dat zal de overige ontberingen wel vergoeden, niet waar? Kom, kapitein Butteling, waaruit zal dat bestaan?”
„Uit scheepsbeschuit!”
„Met?…”
„Met sardijntjes, afgewisseld met gerookte ham, gerookte tong, gerookt vleesch, gerookten zalm, gerookten elft, of gerookten bokking.”
„Daar is ten minste variatie in al die gerooktelekkernijen.”
„En de beste manier om zelf niet gerookt te worden,” zei Emma Groenewald.
„Maar, kapitein Butteling.…” vroeg Denniston. „Gij zeidet daar zooeven:afgewisseld metal die lekkere gerookte[328]zaken. Hebben wij dus het vooruitzicht die afwisselingen lang te genieten?”
„Ai!… ik ben geen weerprofeet, mijnheer Denniston,” antwoordde de gezagvoerder, „maar de barometer is sedert dagen langzaam dalende. Hij daalde heden ochtend nog. Nu schijnt hij stationnair, hoewel de oppervlakte der kwikkolom nog lang den bolvorm niet, eerder eene holte vertoont, wat op nog meer neiging tot dalen wijst. Hij staat nu zoo laag—op 728—als ik hem ooit zoo constant gezien heb. Ik heb hem wel lager gezien, maar dat was slechts kortstondig, bij sprongen om zoo te zeggen, om spoedig daarna weer te rijzen. Uit die langzame daling mag met eenigen grond afgeleid worden, dat wij gedurende langen tijd slecht weer zullen hebben en.… daarmee zal ons menu van scheepsbeschuit met … gerooktelekkernijenrekening dienen te houden.”
„Dat lenzen, wat wij nu doen,” vroeg kapitein Van Dam, „zet ons toch uit den koers, niet waar?”
„Volstrekt niet,” antwoordde de scheepsgezaghebber.
„Maar we moesten meer oost halen, dunkt me?”
„Zonder dat weer was ik tóch van plan geweest, om, eenmaal onder den Amerikaansche wal uit, meer zuid te halen, dan gewoonlijk bij Oost-Indische reizen gedaan wordt. In den regel wordt den meridiaan van kaap de Goede Hoop op den 39stengraad zuiderbreedte gepasseerd. Ik heb mij in mijn hoofd gesteld tien graden zuidelijker te gaan.”
„Dat is toch een groote omweg,” meende kapitein Van Dam.
„Toch niet. Schijnbaar maar. Ik beweer dat ik eene spoediger reis daardoor zal maken. Gij zult zien. DeStad Leidenlag bij ons bij de Canarische eilanden. Dat is een welbezeilde bark. Het is te veronderstellen dat die nagenoeg dezelfde gelegenheid tot heden heeft getroffen[329]als wij hadden, met dat onderscheid evenwel, dat zij die vier dagen verlies niet gehad heeft, die wij met ons uitstapje naar Rio Janeiro ondervonden hebben. Welnu, ik durf een discretie verwedden, dat wij voor haar op de reede van Batavia zijn.”69
„Maar als haar gezagvoerder nu ook eens uwe meening opgevat heeft?” vroeg Behren.
„Dat heb ik niet te vreezen. Ik ken hem; hij is een degelijk zeeman; maar om zonder daartoe genoodzaakt te zijn van de baan af te wijken, die hem door zijne voorgangers aangewezen is, daartoe is hij niet in staat.”
„Hoe zult ge evenwel bewijzen: dat langs die langere baan een kortere reis te maken is, zooals gij beweert.”
„Wel vooreerst worden de lengtegraden, hoe zuidelijker ik aanhoud al kleiner en kleiner. Bij den Evenaar meet zoo’n graad 15 geographische mijlen, bij de polen of op 90° afstand van den Equator is die graad nul. De afplatting der aarde niet meegerekend, bedraagt dus een lengtegraad op 45° zuider- of noorderbreedte de helft maar van zijne waarde aan den Evenaar, en bij gevolg dus slechts 7½ mijl. Dat verschil geeft mij reeds veel; want ik heb op 49° breedte 1⅓ mijl minder af te leggen per graad, dan op 39°. Maar, dat is nog niet alles. Wij zijn hier in de zone der veranderlijke winden. Wij treffen nu goede gelegenheid; maar het kon ook anders. Ieder oogenblik kan de wind uit een anderen hoek schieten. Ik heb het hier wel beleefd, dat wij dagen lang stormweer hadden en daarbij tegenwind, zoodat we moesten bijleggen. Volgens mijne windkaart heb ik veel kans beneden den 45stenbreedtegraad westelijke of noordwestelijke winden aan te treffen, waarmee dan wat lengte afgezeild kan worden, dat verzeker ik u.”
Op dat oogenblik trad de derde stuurman binnen en fluisterde den kapitein iets in het oor. Deze stond dadelijk[330]op, trad in zijne kajuit, om een blik op den barometer te slaan en spoedde daarna naar het dek, waarheen hem ettelijke zijner passagiers volgden.
De wind stak al meer en meer op, en de zee rolde in hemelhooge baren achterop. Het fregat begon zwaar te werken. Het steigerde als het ware met het voorschip, wanneer zoo’n golf dat optilde, terwijl zijn boegspriet, met het kluif- en jaaghout verlengd, een oogenblik hemelwaarts wees, alsof die vooruitstekende punt een gat in de wolken wilde steken. Een oogenblik later gleed het tusschen twee golven in een afgrond, alsof het daarin wilde verdwijnen.
„Marszeilen en fok reven!” kommandeerde kapitein Butteling.
„Het zeil, dat wij voeren, wordt al minder en minder,” zei kapitein Van Dam, toen de zeeman op het achterdek kwam om de bevolen manoeuvre gade te slaan.
„Ik heb wel zin, om maar in eens de marszeilen dicht te laten reven, want over een paar uren zal dat toch moeten geschieden en het is een zwaar werk.”
Hij riep stuurman Bagman tot zich, en deelde hem dienaangaande de noodige bevelen mede. Was straks de stem van den kapitein nog waarneembaar geweest voor zijne manschappen, toen zij aan het dek waren, nu kon geen menschelijk orgaan zich voor die mannen, die daar boven over de raas gebogen lagen, doen hooren, hoe de stuurman zijn stem ook uitzette. Het gehuil van den wind en het geloei van den Oceaan overvleugelde alles. Stuurman Bagman greep den scheepsroeper, ging op het achterdek bovenwinds staan, en nu gelukte het hem na eenige vergeefsche pogingen het bevel van den kapitein aan die mannen daar boven bekend te maken.
Het was een zwaar stuk werk, bij zoo’n weer, die zoo sterk gespannen zeilen dicht te reven. Wat kracht[331]moesten die vuisten niet uitoefenen om dat zware en stijve zeildoek te grijpen en te houden, en dat met de riftouwtjes in te binden. Wat klapperden en donderden die zeilen daar boven, toen de toppenends gevierd waren. Het was alsof die lappen zeildoek uit elkaar gezweept moesten worden. De matrozen over de raas gebogen liggende, met de voeten gesteund op de paarden, die zich onder de raas uitstrekten, spanden alle hunne krachten in om die woest klappende zeilen in bedwang te krijgen, waarbij twee armen waarachtig niet te veel waren.
„Hoe is het toch mogelijk,” merkte Denniston op, „zich daar boven bij dat weer, in evenwicht te houden?”
Eindelijk lukte het toch. Na een rond uur tobbens was de bevolen arbeid verricht, en daalden de matrozen langs het want op het dek neer.
„Het zijn flinke, pootige kerels!” zei kapitein Van Dam, „die wel een oorlam verdiend hebben.”
„Zij ontgaat hun niet,” antwoordde de gezagvoerder lachend, terwijl hij een teeken aan stuurman Ellenbaan gaf, die ook op de ra geweest was.
„Noem jullie zoo’n weer nu nog eene koelte?” vroeg Denniston aan stuurman Bagman, nadat die gezorgd had, dat alle lijnen en touwen weer behoorlijk aan hunne nagelpinnen opgeborgen waren, en nu op het achterdek verscheen.
„Wel, mijnheer, het waait nog maar eene gereefde marszeilskoelte,” was het antwoord van den zeeman.
„Het mocht wat! Het blaast of de hel losgebroken is.”
„Eerst hadden wij bramzeilskoelte, die is overgegaan in stijve bramzeilskoelte. Toen de brammetjes ingenomen waren, heette het marszeilskoelte. Had de kapitein één rif laten steken, dan zouden wij van gereefde marszeilskoelte[332]spreken; had hij twee reven laten nemen, dan heette het dubbel gereefde marszeilskoelte; en nu al de reven gestoken zijn, noemen wij dat dichtgereefde marszeilskoelte.”
„En zoo even zeidet gij: gereefde marszeilskoelte?”
„Nu ja, de kapitein heeft, om te voorkomen, dat Janmaat straks weer naar boven moest, al de reven laten steken. Met den wind die blaast, had hij heel goed kunnen volstaan met één rif te nemen. Wij liggen dus onder dichtgereefde marszeilen, maar het waait slechts eene gereefde marszeilskoelte. Maar, weet ge wel wat dat beteekent?”
„Nu, wat dan?”
„Dat er nog niet veel uitzicht bestaat, om beter weer te krijgen.”
„Hoe staat de barometer?” vroeg kapitein Van Dam aan den scheepsgezagvoerder.
„Steeds op 728, met eenige neiging tot rijzen.”
Het was ellendig naar aan het dek. De wind huilde en gierde als een bezetene door het want. Het was alsof hij eene monsterachtige Eolus-harp bespeelde. De zee loeide, donderde en klotste op ontzettende wijze, en vormde den grondtoon bij het schrikwekkende akkoord, hetwelk de verbolgen elementen aansloegen. Kapitein Butteling en zijne drie stuurlieden hadden hunne zuidwesters70op en over de ooren getrokken, hunne oliejassen en waterlaarzen aan, en stonden daar bij elkander, gereed om den kamp te aanvaarden, die de natuur hun bood.
„De heeren zouden mij genoegen doen, door het dek te verlaten,” sprak kapitein Butteling. „Eene stortzee is thans niet onmogelijk en dan zouden ongelukken onvermijdelijk zijn.”
Toen de passagiers verdwenen waren, liet hij eene[333]presenning over de trappenkap bevestigen, om het indringen van het water tegen te gaan. Hetzelfde werd vooruit ook gedaan. Bij het grootluik werd die presenning met een paar spijkers vastgezet, om de levende lading beneden te houden.
Zoo werd de nacht ingegaan. Dat bij het huilen van den wind en het bulderen der zee niet veel van slapen kwam, is wel te begrijpen. Die oprecht waren, legden zich de bekentenis af, dat zij uiterst beangst waren, dat menig gemoed in die bange oogenblikken eene gedachte had voor Hem, in wiens hand aller bestaan was.
Toen het dag werd—een akelige, grauwe dag, droevig en somber als een Novemberdag onder noordelijke breedten, hoewel hier in het zuidelijk halfrond 26 November als 26 Mei, in het noordelijk halfrond mag rekenen—werd de presenning van de kap van den kajuitstrap en ook die van het grootluik een weinig weggeschoven, om wat versche lucht naar beneden in dat menschenhok te laten doordringen; ook om hen naar boven te laten komen, die aan natuurlijke behoeften te voldoen hadden. Van de soldaten waren er slechts weinigen die verschenen. De zeeziekte hield in dat tusschendek zoodanig huis, dat eene beschrijving van dat woonoord van menschen tot de onmogelijkheid behoort. De weinigen, die zich vertoonden, zagen zoo ontdaan en zoo bleek, alsof zij eene langdurige ziekte doorworsteld hadden. Zij verzochten den scheepskapitein, boven te mogen blijven, althans niet meer opgesloten te mogen worden in dat tusschendek, hetwelk aan eene hel mocht gelijk gesteld worden.
„Jongens, aan het dek is ook niet veel heil te halen,” antwoordde de kapitein. „Het is er bepaald gevaarlijk. Kijk maar eens de stuurboordsverschansing en de kippenhokken aan dien kant zijn geheel weggeslagen.”[334]
„Om het even, kapitein, het is in die verpeste lucht daar beneden niet uit te houden!”
Het waren er maar weinig, die dit verzoek deden. De overigen lagen meer dan halfdood in hunne hangmat te jammeren en te weeklagen.
„Nu dan, mij wel,” antwoordde kapitein Butteling. „Maar goed vasthouden. Ik wou jullie wel laten vastsjorren!”
Het meerendeel der mannelijke passagiers van achteruit kwamen ook langzamerhand op het dek om wat versche lucht te happen en eens poolshoogte te nemen. Dat laatste viel niet mee. Het schip had alle zeilen geborgen, lenste thans voor top en takel en lag zuidoost ten oosten voor. Het was een uiterst naar gezicht dat zwaar werkend schip met zijn kale masten te midden van die verbolgen zee. Wat voelde de mensch zich klein in zijn kamp met de ontzettende elementen.
„Zoo van alle falbalas ontdaan,” sprak kapitein Van Dam tot stuurman Abels, die in de nabijheid van het stuurrad zich ophield, waaraan twee matrozen stonden, die daaraan vastgesjord waren, „ziet onzeFernandina Maria Emmaer niet zeer aantrekkelijk uit.”
„Maar zij houdt zich toch dapper; in weerwil van die zware zeeën ligt zij als een meeuw op het water. Met dat schip is wat uit te voeren!”
„Ze kan zoo zonder zeil onmogelijk hard loopen,” meende Behren.
„Dat valt nog al meê,” antwoordde de stuurman. „Wij zullen eens loggen?”
„Loggen!!!” commandeerde hij met brullende stem.
Een paar matrozen en de scheepsjongen verschenen. De log werd uitgeworpen. Het duurde naar aller meening lang, eer dat die jongen zijn „stop!” liet hooren. Toen dat eindelijk weerklonk, zei stuurman Abels:[335]
„Twaalf en een halve mijl! dat gaat, niet waar? Heden nacht hebben we meer gelogd. Maar toen stonden de dichtgereefde marszeilen nog bij.”
De beweging van het schip was zoo sterk, dat de passagiers niet dan met moeite ter been konden blijven. Behren en Hannius probeerden om tot bij den grooten mast te gaan. Bij het overgaan van het schip, smakten zij beiden tegen het dek op het oogenblik, dat zij den rand van de kajuitskap los lieten om naar de verschansing over te steken en zich daar vast te klemmen. Bij het zware slingeren van het schip, gierden die beide eenige malen over de natte planken van het dek heen en weer, zonder dat zij van wege de gladheid weer vermochten op te krabbelen, en waarbij zij telkenmale zeer onzacht tegen de verschansingen aankwamen. Met behulp van den stuurman en kapitein Butteling, die juist van het voorschip kwam, krabbelden zij weer ter been; maar moesten zelf mee lachen over het zonderlinge gezicht dat die glijpartij heen en weer opgeleverd had; hoewel zij zich schouders, ellebogen en knieën, die, bij de aanraking met dek en verschansing, gevoelig te land waren gekomen, wreven.
„Ik wed dat ik overal blauwe plekken heb,” zei Behren.
Dokter Hannius sprak geen woord, maar wreef zich des te meer.
„Ik zou een stuk lijnkoek aan dokter Van Pinksteren gaan vragen!” raadde kapitein Van Dam aan, die zich evenwel zorgvuldig aan een nagelpen der verschansing vast hield.
„Ik ga niet meer van mijne plaats,” zei Behren, zich aan de kajuitskap vastklemmende: „Voor geen geld van de wereld zou ik een tocht naar den boeg ondernemen, daar is levensgevaar bij.”
„Voor de onervarenen, is er zeker gevaar bij,” antwoordde[336]kapitein Butteling, „om hard te vallen althans en armen, beenen en ribben te breken. Wanneer er echter eene zee overkomt, dan klimt dat gevaar tot levensgevaar.Gij hadt dat spektakel heden nacht maar eens moeten bijwonen!”
„Wat is er dan gebeurd?” vroegen allen te gelijk.
„Ja, ik meen zoo iets gehoord te hebben,” zei Leidermooi.
„Zoo omstreeks twee glazen in de hondenwacht loefde het schip te veel op en kregen wij een zee binnen, die niet alleen eene aanmerkelijke verwoesting aan boord aangericht, maar ook onzen bijkok over boord gespoeld heeft.”
„En?.…” vroegen de passagiers ademloos.
„En.… Redding bij dat weer was onmogelijk. Slechts weinigen hebben den gil gehoord, dien de ongelukkige geslaakt heeft.”
„Hadt gij niet kunnen bijleggen?” vroeg Behren.
„Bijleggen in dit weer!” antwoordde kapitein Butteling. „Bedenk toch dat het schip dan dwarszee’s moest komen. Dan zou èn verschansing èn tuig èn alles wat aan het dek is, over boord gegaan zijn. Dan zou het schip in het grootste gevaar gekomen zijn, en mocht ik dat wagen? Om een man pogen te redden, het leven van zoovele aan groot gevaar bloot te stellen! Maar verondersteld ook al eens, dat ik het schip met den boeg in den wind had kunnen krijgen; dat is een manoeuvre, waartoe op zijn minst een half uur noodig is. Wat zou er inmiddels van den ongelukkige geworden zijn in die kokende zee? En wat dan verder te doen? Eene sloep uitzetten? om hem in den donkeren nacht op te sporen? Neen, daar was geen redding mogelijk. Onverbiddelijk als het noodlot moest het fregat op zijne baan voort en den ongelukkige aan zijn lot overlaten!”[337]
„Schrikkelijk! schrikkelijk!”
„Kunt gij begrijpen, wat er in de ziel omgaat van den gezagvoerder bij zoo’n gebeurtenis, van den man, die zich als het ware verantwoordelijk voor het leven van ieder zijner opvarenden gevoelt? Wat er omgaat in zijne ziel; wanneer hij geen hand tot redding kan uitsteken, wanneer hij den kreet van den ongelukkigen slechts beantwoorden kan en moet met een kort: „niets aan te doen?”
„Vreeselijk!”
„Zoo ziet ge wat het leven van den zeeman is,” vervolgde kapitein Butteling in een sombere bui. „Och! aan wal overlijden de lieden ook, staan zij ook bloot om een ongeluk te krijgen. Maar dan ziet men hen sterven, dan aanschouwt men hun lijk; maar zoo weggerukt te worden zonder een spoor na te laten, zoo zonder ach en wee te verdwijnen, ziet, dat zijn van die aangrijpende omstandigheden, die toch wel het meest gestaalde gemoed tot nadenken moeten stemmen.…”
Stuurman Abels trad in dit oogenblik op den gezagvoerder toe, fluisterde hem eenige woorden in het oor, en wees daarbij achteruit naar zee. Kapitein Butteling keek in de aangeduide richting. Wild en woest verhieven zich steeds de golven en schenen aan bergen gelijk, die in toomelooze vaart op het schip aanrolden. Er begonnen zich nu evenwel brekers te vormen, en die omstandigheid bracht eene plooi van bezorgdheid op het voorhoofd van den zeeman, wiens gemoed toch al zoo somber gestemd was. Juist brak in dat oogenblik een golf met donderend geweld vlak achter het schip, en overdekte den oceaan in een wijden kring, met wit schuim, dat onder den grauwen hemel eene fletsche doodsche tint vertoonde alsof het eene lijkwa was. Op dat gezicht spoedde de kapitein naar beneden.[338]
„Als er zoo’n breker ons achterop aan boord komt, dan zijn wij voor de haaien, tegen zoo’n geweld is geen schip, hoe hecht ook, bestand,” zei Abels.
De passagiers keken elkander aan, en lieten ontzet den blik over de woedende zee waren. Kapitein Butteling verscheen spoedig weer op het dek.
„De barometer staat steeds op 728,” deelde hij mede, „maar de holte der kwikkolom is verdwenen, dus bestaat er neiging tot rijzen. Ik geloof, dat wij het ergste gehad hebben. Stuurman, laat het grootbarkzeil bijzetten.”
Het was een weidsche naam voor het kleine stormzeil, dat thans met zeer veel moeite losgemaakt en aan den wind prijs gegeven werd.
„Nu hebben we toch storm, stuurman Bagman,” zei Leidermooi, „is het niet?”
„Het mocht wat!” antwoordde deze op luchtigen toon. „Ik wed dat kapitein Butteling mij straks niets anders in het journaal zal laten inschrijven dan: dichtgereefde marszeilskoelte met harde buien.”
De gezagvoerder ging aandachtig de uitwerking van het bijgezette zeil na, en tuurde met scherpen blik op de aanrollende baren. Na een poos ging hij andermaal naar beneden; maar kwam spoedig weer boven.
„Het kwik rondt af,” sprak hij vergenoegd. „Stuurman, laat het dichtgereefde voormarszeil bijzetten!”
Toen dat bijstond, boog de voorsteng onrustbarend. Kapitein Van Dam maakte den gezagvoerder daar attent op.
„Ik zie het wel,” antwoordde deze. „Maar het schip moet meer vaart maken. Het moet die rollers vooruit blijven! Daarenboven, het fregat is nieuw, het is zijne tweede reis. Alles: masten, stengen en touwwerk zijn beproefd sterk; er kan wat gewaagd worden. Wij willen eens laten loggen.”[339]
Het schip liep toen vijftien mijlen.
De barometer had ditmaal juist aangeduid. Tegen tien uur ongeveer begon het wolkendak te breken, en liet van tijd tot tijd een zonnestraal door. Voor den leek was er nog niet veel verandering in de kracht van den wind te bespeuren; voor den zeeman evenwel begon de winddruk te verminderen. Nog voor dat de middag-waarneming geschiedde, was het dichtgereefde grootmarszeil en de gereefde fok bijgezet.
„Gij laat niets verloren gaan, kapitein Butteling,” zei de heer Groenewald op dat gezicht.
„Dat mag ook niet,” antwoordde deze lachend.
Toen het middagzonnetje een oogenblik gloorde, werd bevonden dat deFernandina Maria Emmaop 36° 1′ zuiderbreedte en 24° 43′ westerlengte stond, en ruim 90 mijlen in het laatste etmaal had afgelegd.[340]