XIV.

[Inhoud]XIV.Kaapsche duiven en Albatrossen.De voorspelling van kapitein Butteling kwam uit. DeFernandina Maria Emmahad het zwaarste doorstaan. Langzamerhand rees de barometer en nam de kracht van den wind af. Den volgenden morgen lag het fregat reeds onder zijne gereefde mars-,bagijne-,groot- en fokzeilen, en konden de passagiers met een warme kop koffie verrast worden, terwijl de kok groene erwten te water zette om al de opvarenden eene flinke dikke snert te kunnen voorzetten. In de plaats van den overboord geslagen bijkok was een soldaat voor die dienst aangewezen.Hoewel de wind aanmerkelijk afgebuid was, zoo bleef hij toch nog steeds uit het noorden waaien, en was aan die omstandigheid toe te schrijven, volgens kapitein Butteling, dat de barometer niet dan uiterst langzaam rees. Dien dag maakte het schip nog 62 mijlen; maar de twee volgende dagen viel de wind zoodanig, dat het den eenen slechts 36 en den anderen 32 mijlen liep, in weerwil dat alle zeilen, voor zoover dit in die veranderlijke zone raadzaam was, bijgezet waren.Dien laatstbedoelden dag—29 November—lag het[341]schip des morgens omstreeks negen uur kalm onder zijne lichtgevulde zeilen en maakte ter nauwernood vier mijlen in de wacht.Luitenant Denniston was druk in de weer, met zijn vischtuig in orde te maken. Hij zou zoo gaarne eene kaapsche duif willen vangen om haar aan de voeten van juffrouw Emma neer te leggen. Hij was laatst niet geslaagd; dat zou, dacht hij, nu beter gaan. Hij zat achter op de spiegelverschansing en liet zijn zeilgaren, van haak en spek voorzien, ver achter het schip aanslepen. Maar of de bevallige diertjes geen honger hadden, dan wel, of de strik, die hen gespannen werd, te doorzichtig was, is moeielijk uit te maken. Genoeg zij het, dat zij bij dozijnen rondom het verleidelijke aas vlogen, zich daarbij op de watervlakte neerzetten, er ook naar pikten en er onder elkander om vochten; maar zich zorgvuldig onthielden den verraderlijken haak in den bek te nemen. De duivenvisscher was wanhopend. Hoe verleidelijk het dobbelsteentje spek ook was, dat hij aan den haak sloeg, hoe uittartend hij dat stukje spek door herhaaldelijk aan zijn touwtje te trekken, ook op de oppervlakte des waters liet dansen; alles te vergeefs! De lieve duifjes vlogen er om heen, scheerden er langs, bewogen zich in bevallige kringen boven dien uitdagenden lekkeren beet, kwamen met vluggen wiekslag op het achterschip af, dwarrelden daarboven, alsof zij een kijkje wilden nemen van hetgeen daar beraamd en uitgebroed werd, krijschten daarbij met schelle doordringende stem, alsof zij haren belager uitjouwen en hem zijne gemeene streken verwijten wilden. Dan draaiden zij in wijdloopige kringen rondom de masten van het schip, beschreven een doolhof van bevallige kronkelende lijnen daar om heen, stortten zich gulzig op den afval, dien de kok over boord wierp, doken, slokten, schreeuwden[342]en krijschten daarbij, vochten woedend met elkander om eene bruine boon of een stukje spek, dat niet tot aas strekte en vrijelijk daar heen dreef, en leverden die gevechten natuurlijk tot overgroote ergernis van Denniston, vlak naast zijn aas, tot waar de keukenafval bij de vaart van het schip dreef, zonder evenwel dien verraderlijken beet nog maar met een blik te verwaardigen.Het was waarlijk om razend te worden; te meer nog daar de jonge dames de pogingen van den ongelukkigen duivenhengelaar gadesloegen, en hij menigen spottenden glimlach om de schoone lippen meende te bespeuren.Plotseling verhief zich op het voorschip een luid gejuich; en voor dat men achteruit nog recht wist wat er gaande kon zijn, kwamen Brinkman en Riethoven ieder met eene kaapsche duif in de hand aanloopen, die zij voor de twee meisjes neerzetten.„O! wat mooie diertjes!” kreet Emma opgetogen uit, en greep een dier fraaie zwart en wit gevederde vogels en wilde hem als een torteltje aan haren boezem koesteren. Het diertje scheen die behandeling lang niet aardig te vinden, krijschte oorverscheurend, en trachtte de lieve vingeren, die het omsloten hielden, met den haakvormigen gekromden bek gevoelig te treffen.„Pas op, juffrouw Groenewald,” zei stuurman Ellenbaan, die zich in de nabijheid bevond, met lachende stem.„O! ik ben niet bang voor den beet van zoo’n diertje,” antwoordde Emma lachende.„Dat zou toch kunnen tegenvallen,” hernam de stuurman. „Maar het is niet daarvoor dat ik waarschuwde; kijk …”De vogel, die door Frank voor Adelien neergezet was, had eenige pogingen gedaan om op te vliegen, hetgeen hem door de lengte zijner vleugelen niet gelukte, daarop maakte hij eenige bewegingen met kop en hals, en eindigde[343]met een helder groen-bruinachtig vocht uit te braken, dat in dikte en walgelijken reuk zeer veel overeenkomst had met traan.„Kijk.…” herhaalde stuurman Ellenbaan.„O!…” zei Emma met walging.Maar zij had ter nauwernood uitgesproken, toen de vogel, dien zij koesterde, dezelfde beweging volbracht, en kleeren en handen van zijn verzorgster met dezelfde laag onsmakelijk vocht overdekte. De jonkvrouw had, door een kortstondig stilzijn verleid, den vogel dicht bij hare wang gebracht; zoodat, toen het arme dier zijne beweging volbracht, zij een gulp langs den fraaien hals kreeg, die zich tusschen haar kraagje verder een weg baande.„Poeah!” riep het arme kind, smeet den vogel weg, die op het dek eene tweede editie van zijn brakingsvermogen leverde, en stormde naar beneden om zich te reinigen.„Dat is de Procellaria Capensis,” verklaarde middelerwijl dokter Hannius zeer geleerd en pedant. „Die dieren behooren, zoo als de naam reeds aanduidt, tot de Procellaridae, een vogelengeslacht, dat door de ornithologen gerekend wordt te behooren tot de familie der Longipennes.…”„Zoo?” vroeg stuurman Bagman, „is dat hun familienaam … Langepennis? Dan is Kaapsche duif zeker hun toenaam, zoo als ik Pieter heet?”Allen lachten. Hannius, hoewel verontwaardigd, ging voort met doceeren:„Tot de familie der Longipennes, wat langvleugeligen beteekent, en tot de orde der Natatores.…”„Dat is dus hun Pieter?” viel stuurman Bagman andermaal in. „Nou, die Naakte torens maken het dek gloeiend smerig! Ik zal ze.…”[344]En onder eene daverende toejuiching van wege de omstanders over zijne nieuwe naamsverbastering, bukte hij zich om de vogels te grijpen. Twee paren armen hielden hem evenwel terug, terwijl twee stemmen zich lieten hooren.„Och, laat die arme diertjes met vrede!” smeekte Adelien. „Doe hen geen kwaad!”„Wat wilt gij met die Natatores beginnen?” vroeg Hannius vrij driftig.„Ik wil die Naakte torens over boord zetten, kijk eens wat smerige boel daar op het dek.”Het viel niet te ontkennen; het waren een paar aardige traanplassen, die daar op de zoo helder witgeschuurde planken prijkten.„Laat af!” riep de dokter, terwijl hij den stuurman andermaal tegenhield. „Ik wil ze opzetten!”„Die wreedaard!” riep Adelien verontwaardigd; terwijl zij zich snel bukte, de beide procellariae, in weerwil dat die beangste diertjes haar geducht in de vingeren beten, greep, op de verschansing toetrad en ze over boord smeet.„Daar, zet ze nu maar op!” zei ze triomfantelijk tegen den dokter.De beide diertjes tuimelden een poos naar beneden, alsof zij door die onverwachte uitkomst bedwelmd waren, spreidden evenwel spoedig de vlerken uit, hervatten hunne vlucht, en draaiden eenige malen boven en rondom het achterschip, alsof zij nog eens een kijkje wilden wagen in de gevangenis, waarin zij zich zoo naar hadden bevonden. Aller oogen volgden hen, tot dat zij krijschend heenvlogen en uit het gezicht verdwenen.„Hoe hebt ge die lieve diertjes toch gevangen?” vroeg Adelien aan Frank Brinkman, die thans bezig was de bloedende vingertjes van het jonge meisje te verbinden[345]en daartoe eenig verbandlinnen bezigde, dat hij met eene menigte andere kleine benoodigdheden in zijn reistaschje steeds bij zich droeg.„Ik heb ze niet gevangen, juffrouw Groenewald,” antwoordde hij, zijne taak liefderijk en behendig voortzettende. „Een der matrozen had eenige lange einden zeilgaren uit het tuig in den wind laten fladderen. Daar zijn die diertjes tegen aangevlogen en hebben zich daarin verward. Herman en ik hebben ze dien matroos spoedig afhandig gemaakt om ze u te komen aanbieden.”„Mijnheer Riethoven ook?” vroeg Adelien met eene gedachte aan hare zuster, den blik op den jonkman slaande, die eenige schreden verder stond.„Ja, Riethoven ook,” antwoordde Frank. „Doen uwe vingers u nog zeer?”Een onmerkbare druk met die vingeren was het eenige antwoord.„O! die lieve kleine vingertjes!” fluisterde Frank slechts hoorbaar voor haar, die hij zoo liefderijk verzorgde.Een dankbare blik glinsterde gedurende eene sekonde in de lieve oogen van het jonge meisje.Een matroos was middelerwijl bezig om met zijn zwabber het dek schoon te maken.„Wat drommel!” zei Behren, „die diertjes hebben ons een leelijk en kwalijkriekend cadeau achtergelaten!”„Kaapsche duiven worden steeds zeeziek, wanneer zij aan boord van een schip komen,” verklaarde stuurman Bagman. „Ik heb ze nog nooit anders dan zoo onfatsoenlijk zien handelen. Net een landrot!”„Zou dat wel een effekt van zeeziekte zijn?” vroeg Behren.„Ik heb wel eens hooren beweren,” sprak kapitein Butteling, „dat die braking dien vogels tot verdedigingswapen zou gegeven zijn. Dat vind ik evenwel minder[346]aanneembaar. Die vieze geschiedenis kan alleen den mensch weerhouden en nog niet iedereen om den vogel aan te grijpen; maar de mensch is de natuurlijke vijand van deze dieren niet. Die vinden zij eerder in grootere roofvogels, in groote visschen enz. en die zullen zich wel niet aan wat traansaus storen. Ik zou er eerder toe overhellen, dat de ongewone beweging van het schip bij hen hetzelfde gevoel van misselijkheid te weeg brengt, als bij den mensch.”„Maar kapitein Butteling, wat nemen die zwermen kaapsche duiven toe!” merkte Leidermooi op. „Zij zwerven thans met honderden rondom het schip.”„Wij zijn vrij dicht bij de eilanden, waar zij hunne woonplaats hebben. Wij hebben Tristan d’Acunha op ongeveer vijftien mijlen noordoost van ons liggen, en zetten koers op het eiland Gough, dat wij morgen voorbijstevenen zullen.”„Krijgen wij dat te zien, kapitein?” vroeg Adelien.„Waarschijnlijk, als de lucht helder is;” antwoordde de kapitein. „Op die eilanden, waarop de menschen zelden een voet zetten, wemelt het van zeevogels. Het is een wonder, dat wij nog geen albatros gezien hebben.”„En wat zijn dat dan?” vroeg kapitein Van Dam, terwijl hij in de richting van het noorden wees.Allen keken uit.Daar draaiden in overgroote kringen twee vogels in de verte, die in grootte alles overtroffen, wat onze reizigers op het gebied van de vogelenwereld ooit gezien hadden. Hunne kringen kruisten zich, verengden zich. Nu eens scheerden zij in bevallige wendingen en zwenkingen rakelings over de oppervlakte van het water, welks golftoppen zij met lichten wiekslag aanraakten, dan weer verhieven zij zich tot op een vijftig voet daarboven,[347]draaiden daar in onberispelijk afgeteekende krommingen rond, om een meer uitgebreid veld aan hare onderzoekingen te onderwerpen om dan bij ontdekking en pijlsnelle vaart naar beneden te vallen en toe te tasten. Zoo naderden zij langzamerhand het fregat, en bleven zich op een korten afstand daarvan boven het kielzog bewegen, wat zij zorgvuldig afvischten.„Kijk eens wat twee fraaie vogels,” zei Adelien tot Emma, die intusschen weer op dek verschenen was. „Ziet, hoe fraai wit, van dat wit, hetwelk zoo beelderig licht roseächtig getint is. En zie eens, welk een verbazende vlucht die dieren hebben. En wat lange gehaakte snavel zij hebben!”„Dat is de gewone albatros,” lichtte kapitein Butteling toe. „Hij heeft, wanneer hij volwassen is, eene vlucht van ruim twintig voet, en gelijkt wel eenigszins op een zwaan, hoewel zijne veeren en zijn dons ongemeen prachtiger zijn.”„Dat is de Diomedea exulans,” bracht Hannius zijne geleerdheid te berde.„Ja, hoe de geleerden hem noemen, weet ik niet; wij zeelieden noemen die vogels zoo lang ze vlekkeloos wit zijn albatrossen.”„Hoe, zoolang ze vlekkeloos wit zijn?” vroeg Hannius.„Veranderen zij dan?”„Als ze zeer jong zijn, zijn ze bruin. Na het eerste jaar, wanneer ze het nest verlaten, worden ze al lichter en lichter, totdat ze die fraaie rosetint vertoonen, die gij zien kunt. Op lateren leeftijd worden de vleugels donker, ja schier zwart, dan noemen wij ze kaapsche ganzen.”„Ik meen, dat de kaapsche gans eene soort van de Diomedeae was. Ik meen zelf dat die Diomedea chlororijnchos geheeten wordt.”[348]„God beware, dat ik mij ooit in oppositie met de geleerden zou begeven!” antwoordde de gezagvoerder lachende. „Ik zou toch geen gelijk krijgen. Ik heb alleen maar verteld, wat de zeelieden van die vogels verhalen.”„Wat zijn dat voor vogels, die daar aankomen? Zij zijn zoo zwart als onze raven, maar zij zijn veel grooter.”„Wel dat zijn Dominés,” antwoordde Adelien Groenewald.„Juist juffrouw,” antwoordde kapitein Butteling.„Ook eene variatie der Diomedeae,” zei Hannius,„en wel de Diomedea fuliginosa.”„Wat zijn die geleerde lui toch razend vervelend met hunne onverstaanbare benamingen,” mompelde Emma haar rustig in het oor.„Als de gelegenheid er zich toe leende,” zei kapitein Butteling, „dan ware van die wel een met een haak te vangen. Die Dominé’s zijn gulzig als … als … Zouden zij ook daaraan hun naam ontleenen?”„Foei, kapitein,” sprak mevrouw Groenewald afkeurend.„Maar de gelegenheid is er,” sprak Denniston, die al bezig was zijne haakjes met spek gereed te maken en er bij voorbaat op rekende, in de vangst van een dominé eene vergoeding voor de ondervonden teleurstelling bij de kaapsche duiven te zullen erlangen.„Eerstens om een albatros, eene kaapsche gans of een dominé te vangen, is iets anders noodig dan eene lijn van zeilgaren. Daar dient de loglijn wel voor gebezigd te worden.”„Wel, dat kan immers?” riep de jonge luitenant, die al naar de logrol greep.„Laat dat maar blijven, mijnheer Denniston. Kijk[349]eens naar de lucht. Ik ga den barometer eens raadplegen.”De kapitein had gelijk. In het noordwesten begon de lucht zwaar te werken en sombere wolken aan te voeren. Toen hij boven kwam, liet hij de bovenzeilen bergen en men was daarmeê nog niet klaar, toen de noordwester begon in te vallen. Van de geheele visscherij kon derhalve niets komen.Wel verhief zich de wind niet tot stormweer; maar het schip liep nu dagen achtereen met gereefde marszeilen gemiddeld zestig mijlen, zoodat de zee vrij woelig was. Zooals kapitein Butteling voorspeld had, werd op 30 November de meridiaan van het eiland Gough gesneden. Men passeerde dat eilandje slechts op een afstand van zes mijlen, maar door de mistige lucht was er weinig meer van te zien dan de sombere omtrekken van eene loodkleurige massa, die zich slechts weinig boven de oppervlakte der zee verhief.In den morgen van den 2denDecember werd het oostelijk halfrond bereikt, dat wil zeggen: dat deFernandina Maria Emmaden meridiaan van Greenwich, die zij in het Engelsche kanaal, westwaarts opstevenende, gesneden had, thans oostwaarts zeilende, andermaal overschreed. Op het middaguur van dien dag stond het fregat op 43° 43′ zuiderbreedte en 2° 10′ oosterlengte. In het laatst verloopen etmaal had het 72 mijlen afgelegd en oostzuidoost driekwart oost voorgelegen. Op 5 December sneed deFernandina Maria Emmaden meridiaan van de Kaap de Goede Hoop en bevond zich dien dag bij het middagbestek op 44° 1′ zuiderbreedte en 20° 26′ oosterlengte. Men had geen reden van klagen, het fregat repte zich goed onder den noordwestenwind, die zijn best deed. Dien avond werd ter herdenking aan den feestavond in het vaderland, den matrozen en manschappen[350]eene verstrekking van sigaren uitgereikt, die de Heilige Bisschop bij de passagiers achteruit opgegaard had, waarbij kapitein Butteling nog een flink rantsoen bier voegde.Den volgenden dag was het zondag en bij gevolg dubbele feestdag. Behalve hun gewoon ration wijn werd nog aan ieder man eene halve flesch verstrekt, die evenwel in twee helften verdeeld op doelmatige tijden uitgereikt werd om opgewondenheid te voorkomen; terwijl aan sigaren geen gebrek was. Daags te voren had kapitein Butteling het laatste Hollandsche varken, dat hij voor deze gelegenheid bewaard had, laten slachten, daarbij werd een flink ration aardappelen met knolrapen verstrekt, welk maal door een flink stuk „jan in den zak”71met keukenstroop besloten werd; zoodat het zoowel vooruit als achteruit op deFernandina Maria Emmaeen ware Lucullus-dag was. Wat de feestelijke stemming nog verhoogde, was dat, hoewel de noordwestenwind zijn best deed en het schip een tienmijls vaart liet behouden, het toch een prettige dag was, omdat de hemel geheel wolkeloos was en de zon zich op deze breedte in dit jaargetij aangenaam deed gevoelen. Overal zag men dan ook vergenoegde gezichten en het dek was dan ook met domino- en kienspelers overdekt, welke laatste evenwel met eenige zorg te werk moesten gaan, wilden zij hunne lottokaarten niet over boord zien waaien.Na het diner achteruit, waren Frank en Herman nog eenige genoegelijke uren beschoren. Toen de speeltafeltjes in de kerk opgetuigd waren en de kaartliefhebbers zich in slagorde daarom heen geschaard hadden, waren onze jonge mannen met de dames naar het dek gegaan, en hadden daar achter de kap van den kajuitstrap een oppertje gezocht, waar het viertal jonge lieden om mevrouw Groenewald heen een kringetje geslagen hadden,[351]dat door hen allen in dit avonduur uiterst gezellig genoemd mocht worden.Of het die jongelieden wel te moede was? De gesprekken liepen nog al uiteen. Frank en Herman waren onuitputtelijk met hunne verhalen uit hunnen studietijd. Rolduc en Katwijk kregen afwisselend eene beurt en de meisjes proesten het soms uit bij de snakerijen, die vooral Brinkman uiterst geestig voordroeg, en waarin de gezalfden des Heeren meestal eene lachwekkende rol vervulden. Maar de dames vergenoegden zich niet alleen met te luisteren. Zij op hare beurt vertelden hare toehoorders veel van Java, van dat gezegende land, wat voor onze beide jongelingen nog een tooverwereld was, maar die zich onder het lieftallig gekeuvel van de beide jonge meisjes als het ware ontsloot. Zoo ontwierp Adelien eene verrukkelijke schilderij van eene morgenwandeling door een koffietuin op de hellingen van den Lawoe, en vulde Emma die aan met de betuiging, hoe heerlijk, een kop echte onvervalschte Java-koffie na zoo’n wandeling smaakte.„Een kop koffie, zoo als onze mama die alleen kan zetten,” sprak de lieve meid met een soort wellust, „van gebrande mannetjeskoffie, van onverbroken rondboon, weet ge, zonder vervalsching met gebrande stroop, zoo als ze hier aan boord doen, of met chichorei, zooals in Limburg, België en de Rijnprovinciën, wellicht door geheel Duitschland geschiedt.”Zoo ontwierp de eene een beeld van het dagelijksche leven op een landgoed in de binnenlanden van Java, de dagelijksche bezigheden in de pandoppo, in de binnengallerij, in de spen72op het erf; en schetste de andere de gezellige avonden, wanneer de familie in de helder verlichte voorgallerij gezeten, den tijd onder gezelligen kout verdreef, of wanneer de beide zusters in de niet[352]minder verlichte bovengallerij aan hare piano plaats namen en de ouders met hun lief spel verrukten.„Het moet daar lief in dieeenzaamheidwezen,” merkte Frank op, voor wien zich een hemel ontsloot, en drukte daarbij een handje, dat in zijne nabijheid langs het vouwstoeltje afhing, en dat zich volstrekt niet aan dien greep trachtte te ontwringen.„Gij moet op dat woord: eenzaamheid zoo niet drukken, mijnheer Brinkman,” antwoordde Emma. „Wij hebben daar ook wel onze uren van bevolking, ja, van overbevolking, en dan kan het er vroolijk en prettig wezen, dat verzeker ik u. Bij voorbeeld: wanneer reizigers, ambtenaren op tournée, inspecteurs van allerlei zaken, die niet behoeven geïnspecteerd te worden, van natuuronderzoekers, die weinig leverden, maar zeer veel geld verkwistten, en andere nieuwsgierigen, onze gastvrijheid inriepen, die natuurlijk dolgraag verleend werd; wanneer er feest op het heerenhuis was, zooals met de verjaardagen van papa en mama; of dat wij eene danspartij gaven, waarop al de Europeesche bewoners der omliggende landelijke ondernemingen verzocht waren en ook verschenen; geloof mij dan was het er levendig en gezellig op Wilatoong. Dan waren het dagen van pret!”Met levendigheid had de lieve meid gesproken. Men gevoelde dat zij toen pret gehad had, en dat zij nu nog pret had in de herinnering aan die dagen. O! zij had zoo gaarne iemand in hare nabijheid het heerlijke, het gezellige van dat familieleven in de binnenlanden van Java willen doen beseffen, willen doen deelen. Helaas! hare hand ontmoette in het donker van den nacht geen andere hand. Het hart dat zij zocht, bleef voor haar gesloten. De jongman aan hare zijde bleef onaantastbaar in zijne gemoedsrust. Zou zij er ook ooit in slagen, die[353]gemoedsrust te storen? Bij die vraag, welke zij zich deed, zuchtte de lieve maagd en stond op.„Het is laat, mama,” sprak zij. „Ik word huiverig.”„Ja, laat ons naar beneden gaan,” sprak de moeder, terwijl zij opstond en de beide jongelieden de hand reikte.Een ondeelbaar oogenblik bleef Emma’s hand in die van Herman. Een lichte rilling doorvoer het lichaam van het lieve kind bij die aanraking. Helaas, geen druk beantwoordde haren wensch. Koel en met plichtpleging had Riethoven die hand aangeraakt en daarbij nog koeler, als het kon, de woorden uitgesproken:„Goeden nacht, juffrouw Groenewald.”Het meisje greep niet zonder drift den arm harer moeder, en stoof met die den kajuitstrap af; terwijl Frank en Adelien het gunstig oogenblik te baat namen, elkander om het hoekje van dien trap de hand reikten, elkander naar zich toetrokken, waarbij twee paren lippen elkander onrustbarend naderden en een kus wisselden, een kus van liefde, van innige toegenegenheid, waarover de engelen in den hemel moesten juichen.[354]

[Inhoud]XIV.Kaapsche duiven en Albatrossen.De voorspelling van kapitein Butteling kwam uit. DeFernandina Maria Emmahad het zwaarste doorstaan. Langzamerhand rees de barometer en nam de kracht van den wind af. Den volgenden morgen lag het fregat reeds onder zijne gereefde mars-,bagijne-,groot- en fokzeilen, en konden de passagiers met een warme kop koffie verrast worden, terwijl de kok groene erwten te water zette om al de opvarenden eene flinke dikke snert te kunnen voorzetten. In de plaats van den overboord geslagen bijkok was een soldaat voor die dienst aangewezen.Hoewel de wind aanmerkelijk afgebuid was, zoo bleef hij toch nog steeds uit het noorden waaien, en was aan die omstandigheid toe te schrijven, volgens kapitein Butteling, dat de barometer niet dan uiterst langzaam rees. Dien dag maakte het schip nog 62 mijlen; maar de twee volgende dagen viel de wind zoodanig, dat het den eenen slechts 36 en den anderen 32 mijlen liep, in weerwil dat alle zeilen, voor zoover dit in die veranderlijke zone raadzaam was, bijgezet waren.Dien laatstbedoelden dag—29 November—lag het[341]schip des morgens omstreeks negen uur kalm onder zijne lichtgevulde zeilen en maakte ter nauwernood vier mijlen in de wacht.Luitenant Denniston was druk in de weer, met zijn vischtuig in orde te maken. Hij zou zoo gaarne eene kaapsche duif willen vangen om haar aan de voeten van juffrouw Emma neer te leggen. Hij was laatst niet geslaagd; dat zou, dacht hij, nu beter gaan. Hij zat achter op de spiegelverschansing en liet zijn zeilgaren, van haak en spek voorzien, ver achter het schip aanslepen. Maar of de bevallige diertjes geen honger hadden, dan wel, of de strik, die hen gespannen werd, te doorzichtig was, is moeielijk uit te maken. Genoeg zij het, dat zij bij dozijnen rondom het verleidelijke aas vlogen, zich daarbij op de watervlakte neerzetten, er ook naar pikten en er onder elkander om vochten; maar zich zorgvuldig onthielden den verraderlijken haak in den bek te nemen. De duivenvisscher was wanhopend. Hoe verleidelijk het dobbelsteentje spek ook was, dat hij aan den haak sloeg, hoe uittartend hij dat stukje spek door herhaaldelijk aan zijn touwtje te trekken, ook op de oppervlakte des waters liet dansen; alles te vergeefs! De lieve duifjes vlogen er om heen, scheerden er langs, bewogen zich in bevallige kringen boven dien uitdagenden lekkeren beet, kwamen met vluggen wiekslag op het achterschip af, dwarrelden daarboven, alsof zij een kijkje wilden nemen van hetgeen daar beraamd en uitgebroed werd, krijschten daarbij met schelle doordringende stem, alsof zij haren belager uitjouwen en hem zijne gemeene streken verwijten wilden. Dan draaiden zij in wijdloopige kringen rondom de masten van het schip, beschreven een doolhof van bevallige kronkelende lijnen daar om heen, stortten zich gulzig op den afval, dien de kok over boord wierp, doken, slokten, schreeuwden[342]en krijschten daarbij, vochten woedend met elkander om eene bruine boon of een stukje spek, dat niet tot aas strekte en vrijelijk daar heen dreef, en leverden die gevechten natuurlijk tot overgroote ergernis van Denniston, vlak naast zijn aas, tot waar de keukenafval bij de vaart van het schip dreef, zonder evenwel dien verraderlijken beet nog maar met een blik te verwaardigen.Het was waarlijk om razend te worden; te meer nog daar de jonge dames de pogingen van den ongelukkigen duivenhengelaar gadesloegen, en hij menigen spottenden glimlach om de schoone lippen meende te bespeuren.Plotseling verhief zich op het voorschip een luid gejuich; en voor dat men achteruit nog recht wist wat er gaande kon zijn, kwamen Brinkman en Riethoven ieder met eene kaapsche duif in de hand aanloopen, die zij voor de twee meisjes neerzetten.„O! wat mooie diertjes!” kreet Emma opgetogen uit, en greep een dier fraaie zwart en wit gevederde vogels en wilde hem als een torteltje aan haren boezem koesteren. Het diertje scheen die behandeling lang niet aardig te vinden, krijschte oorverscheurend, en trachtte de lieve vingeren, die het omsloten hielden, met den haakvormigen gekromden bek gevoelig te treffen.„Pas op, juffrouw Groenewald,” zei stuurman Ellenbaan, die zich in de nabijheid bevond, met lachende stem.„O! ik ben niet bang voor den beet van zoo’n diertje,” antwoordde Emma lachende.„Dat zou toch kunnen tegenvallen,” hernam de stuurman. „Maar het is niet daarvoor dat ik waarschuwde; kijk …”De vogel, die door Frank voor Adelien neergezet was, had eenige pogingen gedaan om op te vliegen, hetgeen hem door de lengte zijner vleugelen niet gelukte, daarop maakte hij eenige bewegingen met kop en hals, en eindigde[343]met een helder groen-bruinachtig vocht uit te braken, dat in dikte en walgelijken reuk zeer veel overeenkomst had met traan.„Kijk.…” herhaalde stuurman Ellenbaan.„O!…” zei Emma met walging.Maar zij had ter nauwernood uitgesproken, toen de vogel, dien zij koesterde, dezelfde beweging volbracht, en kleeren en handen van zijn verzorgster met dezelfde laag onsmakelijk vocht overdekte. De jonkvrouw had, door een kortstondig stilzijn verleid, den vogel dicht bij hare wang gebracht; zoodat, toen het arme dier zijne beweging volbracht, zij een gulp langs den fraaien hals kreeg, die zich tusschen haar kraagje verder een weg baande.„Poeah!” riep het arme kind, smeet den vogel weg, die op het dek eene tweede editie van zijn brakingsvermogen leverde, en stormde naar beneden om zich te reinigen.„Dat is de Procellaria Capensis,” verklaarde middelerwijl dokter Hannius zeer geleerd en pedant. „Die dieren behooren, zoo als de naam reeds aanduidt, tot de Procellaridae, een vogelengeslacht, dat door de ornithologen gerekend wordt te behooren tot de familie der Longipennes.…”„Zoo?” vroeg stuurman Bagman, „is dat hun familienaam … Langepennis? Dan is Kaapsche duif zeker hun toenaam, zoo als ik Pieter heet?”Allen lachten. Hannius, hoewel verontwaardigd, ging voort met doceeren:„Tot de familie der Longipennes, wat langvleugeligen beteekent, en tot de orde der Natatores.…”„Dat is dus hun Pieter?” viel stuurman Bagman andermaal in. „Nou, die Naakte torens maken het dek gloeiend smerig! Ik zal ze.…”[344]En onder eene daverende toejuiching van wege de omstanders over zijne nieuwe naamsverbastering, bukte hij zich om de vogels te grijpen. Twee paren armen hielden hem evenwel terug, terwijl twee stemmen zich lieten hooren.„Och, laat die arme diertjes met vrede!” smeekte Adelien. „Doe hen geen kwaad!”„Wat wilt gij met die Natatores beginnen?” vroeg Hannius vrij driftig.„Ik wil die Naakte torens over boord zetten, kijk eens wat smerige boel daar op het dek.”Het viel niet te ontkennen; het waren een paar aardige traanplassen, die daar op de zoo helder witgeschuurde planken prijkten.„Laat af!” riep de dokter, terwijl hij den stuurman andermaal tegenhield. „Ik wil ze opzetten!”„Die wreedaard!” riep Adelien verontwaardigd; terwijl zij zich snel bukte, de beide procellariae, in weerwil dat die beangste diertjes haar geducht in de vingeren beten, greep, op de verschansing toetrad en ze over boord smeet.„Daar, zet ze nu maar op!” zei ze triomfantelijk tegen den dokter.De beide diertjes tuimelden een poos naar beneden, alsof zij door die onverwachte uitkomst bedwelmd waren, spreidden evenwel spoedig de vlerken uit, hervatten hunne vlucht, en draaiden eenige malen boven en rondom het achterschip, alsof zij nog eens een kijkje wilden wagen in de gevangenis, waarin zij zich zoo naar hadden bevonden. Aller oogen volgden hen, tot dat zij krijschend heenvlogen en uit het gezicht verdwenen.„Hoe hebt ge die lieve diertjes toch gevangen?” vroeg Adelien aan Frank Brinkman, die thans bezig was de bloedende vingertjes van het jonge meisje te verbinden[345]en daartoe eenig verbandlinnen bezigde, dat hij met eene menigte andere kleine benoodigdheden in zijn reistaschje steeds bij zich droeg.„Ik heb ze niet gevangen, juffrouw Groenewald,” antwoordde hij, zijne taak liefderijk en behendig voortzettende. „Een der matrozen had eenige lange einden zeilgaren uit het tuig in den wind laten fladderen. Daar zijn die diertjes tegen aangevlogen en hebben zich daarin verward. Herman en ik hebben ze dien matroos spoedig afhandig gemaakt om ze u te komen aanbieden.”„Mijnheer Riethoven ook?” vroeg Adelien met eene gedachte aan hare zuster, den blik op den jonkman slaande, die eenige schreden verder stond.„Ja, Riethoven ook,” antwoordde Frank. „Doen uwe vingers u nog zeer?”Een onmerkbare druk met die vingeren was het eenige antwoord.„O! die lieve kleine vingertjes!” fluisterde Frank slechts hoorbaar voor haar, die hij zoo liefderijk verzorgde.Een dankbare blik glinsterde gedurende eene sekonde in de lieve oogen van het jonge meisje.Een matroos was middelerwijl bezig om met zijn zwabber het dek schoon te maken.„Wat drommel!” zei Behren, „die diertjes hebben ons een leelijk en kwalijkriekend cadeau achtergelaten!”„Kaapsche duiven worden steeds zeeziek, wanneer zij aan boord van een schip komen,” verklaarde stuurman Bagman. „Ik heb ze nog nooit anders dan zoo onfatsoenlijk zien handelen. Net een landrot!”„Zou dat wel een effekt van zeeziekte zijn?” vroeg Behren.„Ik heb wel eens hooren beweren,” sprak kapitein Butteling, „dat die braking dien vogels tot verdedigingswapen zou gegeven zijn. Dat vind ik evenwel minder[346]aanneembaar. Die vieze geschiedenis kan alleen den mensch weerhouden en nog niet iedereen om den vogel aan te grijpen; maar de mensch is de natuurlijke vijand van deze dieren niet. Die vinden zij eerder in grootere roofvogels, in groote visschen enz. en die zullen zich wel niet aan wat traansaus storen. Ik zou er eerder toe overhellen, dat de ongewone beweging van het schip bij hen hetzelfde gevoel van misselijkheid te weeg brengt, als bij den mensch.”„Maar kapitein Butteling, wat nemen die zwermen kaapsche duiven toe!” merkte Leidermooi op. „Zij zwerven thans met honderden rondom het schip.”„Wij zijn vrij dicht bij de eilanden, waar zij hunne woonplaats hebben. Wij hebben Tristan d’Acunha op ongeveer vijftien mijlen noordoost van ons liggen, en zetten koers op het eiland Gough, dat wij morgen voorbijstevenen zullen.”„Krijgen wij dat te zien, kapitein?” vroeg Adelien.„Waarschijnlijk, als de lucht helder is;” antwoordde de kapitein. „Op die eilanden, waarop de menschen zelden een voet zetten, wemelt het van zeevogels. Het is een wonder, dat wij nog geen albatros gezien hebben.”„En wat zijn dat dan?” vroeg kapitein Van Dam, terwijl hij in de richting van het noorden wees.Allen keken uit.Daar draaiden in overgroote kringen twee vogels in de verte, die in grootte alles overtroffen, wat onze reizigers op het gebied van de vogelenwereld ooit gezien hadden. Hunne kringen kruisten zich, verengden zich. Nu eens scheerden zij in bevallige wendingen en zwenkingen rakelings over de oppervlakte van het water, welks golftoppen zij met lichten wiekslag aanraakten, dan weer verhieven zij zich tot op een vijftig voet daarboven,[347]draaiden daar in onberispelijk afgeteekende krommingen rond, om een meer uitgebreid veld aan hare onderzoekingen te onderwerpen om dan bij ontdekking en pijlsnelle vaart naar beneden te vallen en toe te tasten. Zoo naderden zij langzamerhand het fregat, en bleven zich op een korten afstand daarvan boven het kielzog bewegen, wat zij zorgvuldig afvischten.„Kijk eens wat twee fraaie vogels,” zei Adelien tot Emma, die intusschen weer op dek verschenen was. „Ziet, hoe fraai wit, van dat wit, hetwelk zoo beelderig licht roseächtig getint is. En zie eens, welk een verbazende vlucht die dieren hebben. En wat lange gehaakte snavel zij hebben!”„Dat is de gewone albatros,” lichtte kapitein Butteling toe. „Hij heeft, wanneer hij volwassen is, eene vlucht van ruim twintig voet, en gelijkt wel eenigszins op een zwaan, hoewel zijne veeren en zijn dons ongemeen prachtiger zijn.”„Dat is de Diomedea exulans,” bracht Hannius zijne geleerdheid te berde.„Ja, hoe de geleerden hem noemen, weet ik niet; wij zeelieden noemen die vogels zoo lang ze vlekkeloos wit zijn albatrossen.”„Hoe, zoolang ze vlekkeloos wit zijn?” vroeg Hannius.„Veranderen zij dan?”„Als ze zeer jong zijn, zijn ze bruin. Na het eerste jaar, wanneer ze het nest verlaten, worden ze al lichter en lichter, totdat ze die fraaie rosetint vertoonen, die gij zien kunt. Op lateren leeftijd worden de vleugels donker, ja schier zwart, dan noemen wij ze kaapsche ganzen.”„Ik meen, dat de kaapsche gans eene soort van de Diomedeae was. Ik meen zelf dat die Diomedea chlororijnchos geheeten wordt.”[348]„God beware, dat ik mij ooit in oppositie met de geleerden zou begeven!” antwoordde de gezagvoerder lachende. „Ik zou toch geen gelijk krijgen. Ik heb alleen maar verteld, wat de zeelieden van die vogels verhalen.”„Wat zijn dat voor vogels, die daar aankomen? Zij zijn zoo zwart als onze raven, maar zij zijn veel grooter.”„Wel dat zijn Dominés,” antwoordde Adelien Groenewald.„Juist juffrouw,” antwoordde kapitein Butteling.„Ook eene variatie der Diomedeae,” zei Hannius,„en wel de Diomedea fuliginosa.”„Wat zijn die geleerde lui toch razend vervelend met hunne onverstaanbare benamingen,” mompelde Emma haar rustig in het oor.„Als de gelegenheid er zich toe leende,” zei kapitein Butteling, „dan ware van die wel een met een haak te vangen. Die Dominé’s zijn gulzig als … als … Zouden zij ook daaraan hun naam ontleenen?”„Foei, kapitein,” sprak mevrouw Groenewald afkeurend.„Maar de gelegenheid is er,” sprak Denniston, die al bezig was zijne haakjes met spek gereed te maken en er bij voorbaat op rekende, in de vangst van een dominé eene vergoeding voor de ondervonden teleurstelling bij de kaapsche duiven te zullen erlangen.„Eerstens om een albatros, eene kaapsche gans of een dominé te vangen, is iets anders noodig dan eene lijn van zeilgaren. Daar dient de loglijn wel voor gebezigd te worden.”„Wel, dat kan immers?” riep de jonge luitenant, die al naar de logrol greep.„Laat dat maar blijven, mijnheer Denniston. Kijk[349]eens naar de lucht. Ik ga den barometer eens raadplegen.”De kapitein had gelijk. In het noordwesten begon de lucht zwaar te werken en sombere wolken aan te voeren. Toen hij boven kwam, liet hij de bovenzeilen bergen en men was daarmeê nog niet klaar, toen de noordwester begon in te vallen. Van de geheele visscherij kon derhalve niets komen.Wel verhief zich de wind niet tot stormweer; maar het schip liep nu dagen achtereen met gereefde marszeilen gemiddeld zestig mijlen, zoodat de zee vrij woelig was. Zooals kapitein Butteling voorspeld had, werd op 30 November de meridiaan van het eiland Gough gesneden. Men passeerde dat eilandje slechts op een afstand van zes mijlen, maar door de mistige lucht was er weinig meer van te zien dan de sombere omtrekken van eene loodkleurige massa, die zich slechts weinig boven de oppervlakte der zee verhief.In den morgen van den 2denDecember werd het oostelijk halfrond bereikt, dat wil zeggen: dat deFernandina Maria Emmaden meridiaan van Greenwich, die zij in het Engelsche kanaal, westwaarts opstevenende, gesneden had, thans oostwaarts zeilende, andermaal overschreed. Op het middaguur van dien dag stond het fregat op 43° 43′ zuiderbreedte en 2° 10′ oosterlengte. In het laatst verloopen etmaal had het 72 mijlen afgelegd en oostzuidoost driekwart oost voorgelegen. Op 5 December sneed deFernandina Maria Emmaden meridiaan van de Kaap de Goede Hoop en bevond zich dien dag bij het middagbestek op 44° 1′ zuiderbreedte en 20° 26′ oosterlengte. Men had geen reden van klagen, het fregat repte zich goed onder den noordwestenwind, die zijn best deed. Dien avond werd ter herdenking aan den feestavond in het vaderland, den matrozen en manschappen[350]eene verstrekking van sigaren uitgereikt, die de Heilige Bisschop bij de passagiers achteruit opgegaard had, waarbij kapitein Butteling nog een flink rantsoen bier voegde.Den volgenden dag was het zondag en bij gevolg dubbele feestdag. Behalve hun gewoon ration wijn werd nog aan ieder man eene halve flesch verstrekt, die evenwel in twee helften verdeeld op doelmatige tijden uitgereikt werd om opgewondenheid te voorkomen; terwijl aan sigaren geen gebrek was. Daags te voren had kapitein Butteling het laatste Hollandsche varken, dat hij voor deze gelegenheid bewaard had, laten slachten, daarbij werd een flink ration aardappelen met knolrapen verstrekt, welk maal door een flink stuk „jan in den zak”71met keukenstroop besloten werd; zoodat het zoowel vooruit als achteruit op deFernandina Maria Emmaeen ware Lucullus-dag was. Wat de feestelijke stemming nog verhoogde, was dat, hoewel de noordwestenwind zijn best deed en het schip een tienmijls vaart liet behouden, het toch een prettige dag was, omdat de hemel geheel wolkeloos was en de zon zich op deze breedte in dit jaargetij aangenaam deed gevoelen. Overal zag men dan ook vergenoegde gezichten en het dek was dan ook met domino- en kienspelers overdekt, welke laatste evenwel met eenige zorg te werk moesten gaan, wilden zij hunne lottokaarten niet over boord zien waaien.Na het diner achteruit, waren Frank en Herman nog eenige genoegelijke uren beschoren. Toen de speeltafeltjes in de kerk opgetuigd waren en de kaartliefhebbers zich in slagorde daarom heen geschaard hadden, waren onze jonge mannen met de dames naar het dek gegaan, en hadden daar achter de kap van den kajuitstrap een oppertje gezocht, waar het viertal jonge lieden om mevrouw Groenewald heen een kringetje geslagen hadden,[351]dat door hen allen in dit avonduur uiterst gezellig genoemd mocht worden.Of het die jongelieden wel te moede was? De gesprekken liepen nog al uiteen. Frank en Herman waren onuitputtelijk met hunne verhalen uit hunnen studietijd. Rolduc en Katwijk kregen afwisselend eene beurt en de meisjes proesten het soms uit bij de snakerijen, die vooral Brinkman uiterst geestig voordroeg, en waarin de gezalfden des Heeren meestal eene lachwekkende rol vervulden. Maar de dames vergenoegden zich niet alleen met te luisteren. Zij op hare beurt vertelden hare toehoorders veel van Java, van dat gezegende land, wat voor onze beide jongelingen nog een tooverwereld was, maar die zich onder het lieftallig gekeuvel van de beide jonge meisjes als het ware ontsloot. Zoo ontwierp Adelien eene verrukkelijke schilderij van eene morgenwandeling door een koffietuin op de hellingen van den Lawoe, en vulde Emma die aan met de betuiging, hoe heerlijk, een kop echte onvervalschte Java-koffie na zoo’n wandeling smaakte.„Een kop koffie, zoo als onze mama die alleen kan zetten,” sprak de lieve meid met een soort wellust, „van gebrande mannetjeskoffie, van onverbroken rondboon, weet ge, zonder vervalsching met gebrande stroop, zoo als ze hier aan boord doen, of met chichorei, zooals in Limburg, België en de Rijnprovinciën, wellicht door geheel Duitschland geschiedt.”Zoo ontwierp de eene een beeld van het dagelijksche leven op een landgoed in de binnenlanden van Java, de dagelijksche bezigheden in de pandoppo, in de binnengallerij, in de spen72op het erf; en schetste de andere de gezellige avonden, wanneer de familie in de helder verlichte voorgallerij gezeten, den tijd onder gezelligen kout verdreef, of wanneer de beide zusters in de niet[352]minder verlichte bovengallerij aan hare piano plaats namen en de ouders met hun lief spel verrukten.„Het moet daar lief in dieeenzaamheidwezen,” merkte Frank op, voor wien zich een hemel ontsloot, en drukte daarbij een handje, dat in zijne nabijheid langs het vouwstoeltje afhing, en dat zich volstrekt niet aan dien greep trachtte te ontwringen.„Gij moet op dat woord: eenzaamheid zoo niet drukken, mijnheer Brinkman,” antwoordde Emma. „Wij hebben daar ook wel onze uren van bevolking, ja, van overbevolking, en dan kan het er vroolijk en prettig wezen, dat verzeker ik u. Bij voorbeeld: wanneer reizigers, ambtenaren op tournée, inspecteurs van allerlei zaken, die niet behoeven geïnspecteerd te worden, van natuuronderzoekers, die weinig leverden, maar zeer veel geld verkwistten, en andere nieuwsgierigen, onze gastvrijheid inriepen, die natuurlijk dolgraag verleend werd; wanneer er feest op het heerenhuis was, zooals met de verjaardagen van papa en mama; of dat wij eene danspartij gaven, waarop al de Europeesche bewoners der omliggende landelijke ondernemingen verzocht waren en ook verschenen; geloof mij dan was het er levendig en gezellig op Wilatoong. Dan waren het dagen van pret!”Met levendigheid had de lieve meid gesproken. Men gevoelde dat zij toen pret gehad had, en dat zij nu nog pret had in de herinnering aan die dagen. O! zij had zoo gaarne iemand in hare nabijheid het heerlijke, het gezellige van dat familieleven in de binnenlanden van Java willen doen beseffen, willen doen deelen. Helaas! hare hand ontmoette in het donker van den nacht geen andere hand. Het hart dat zij zocht, bleef voor haar gesloten. De jongman aan hare zijde bleef onaantastbaar in zijne gemoedsrust. Zou zij er ook ooit in slagen, die[353]gemoedsrust te storen? Bij die vraag, welke zij zich deed, zuchtte de lieve maagd en stond op.„Het is laat, mama,” sprak zij. „Ik word huiverig.”„Ja, laat ons naar beneden gaan,” sprak de moeder, terwijl zij opstond en de beide jongelieden de hand reikte.Een ondeelbaar oogenblik bleef Emma’s hand in die van Herman. Een lichte rilling doorvoer het lichaam van het lieve kind bij die aanraking. Helaas, geen druk beantwoordde haren wensch. Koel en met plichtpleging had Riethoven die hand aangeraakt en daarbij nog koeler, als het kon, de woorden uitgesproken:„Goeden nacht, juffrouw Groenewald.”Het meisje greep niet zonder drift den arm harer moeder, en stoof met die den kajuitstrap af; terwijl Frank en Adelien het gunstig oogenblik te baat namen, elkander om het hoekje van dien trap de hand reikten, elkander naar zich toetrokken, waarbij twee paren lippen elkander onrustbarend naderden en een kus wisselden, een kus van liefde, van innige toegenegenheid, waarover de engelen in den hemel moesten juichen.[354]

[Inhoud]XIV.Kaapsche duiven en Albatrossen.De voorspelling van kapitein Butteling kwam uit. DeFernandina Maria Emmahad het zwaarste doorstaan. Langzamerhand rees de barometer en nam de kracht van den wind af. Den volgenden morgen lag het fregat reeds onder zijne gereefde mars-,bagijne-,groot- en fokzeilen, en konden de passagiers met een warme kop koffie verrast worden, terwijl de kok groene erwten te water zette om al de opvarenden eene flinke dikke snert te kunnen voorzetten. In de plaats van den overboord geslagen bijkok was een soldaat voor die dienst aangewezen.Hoewel de wind aanmerkelijk afgebuid was, zoo bleef hij toch nog steeds uit het noorden waaien, en was aan die omstandigheid toe te schrijven, volgens kapitein Butteling, dat de barometer niet dan uiterst langzaam rees. Dien dag maakte het schip nog 62 mijlen; maar de twee volgende dagen viel de wind zoodanig, dat het den eenen slechts 36 en den anderen 32 mijlen liep, in weerwil dat alle zeilen, voor zoover dit in die veranderlijke zone raadzaam was, bijgezet waren.Dien laatstbedoelden dag—29 November—lag het[341]schip des morgens omstreeks negen uur kalm onder zijne lichtgevulde zeilen en maakte ter nauwernood vier mijlen in de wacht.Luitenant Denniston was druk in de weer, met zijn vischtuig in orde te maken. Hij zou zoo gaarne eene kaapsche duif willen vangen om haar aan de voeten van juffrouw Emma neer te leggen. Hij was laatst niet geslaagd; dat zou, dacht hij, nu beter gaan. Hij zat achter op de spiegelverschansing en liet zijn zeilgaren, van haak en spek voorzien, ver achter het schip aanslepen. Maar of de bevallige diertjes geen honger hadden, dan wel, of de strik, die hen gespannen werd, te doorzichtig was, is moeielijk uit te maken. Genoeg zij het, dat zij bij dozijnen rondom het verleidelijke aas vlogen, zich daarbij op de watervlakte neerzetten, er ook naar pikten en er onder elkander om vochten; maar zich zorgvuldig onthielden den verraderlijken haak in den bek te nemen. De duivenvisscher was wanhopend. Hoe verleidelijk het dobbelsteentje spek ook was, dat hij aan den haak sloeg, hoe uittartend hij dat stukje spek door herhaaldelijk aan zijn touwtje te trekken, ook op de oppervlakte des waters liet dansen; alles te vergeefs! De lieve duifjes vlogen er om heen, scheerden er langs, bewogen zich in bevallige kringen boven dien uitdagenden lekkeren beet, kwamen met vluggen wiekslag op het achterschip af, dwarrelden daarboven, alsof zij een kijkje wilden nemen van hetgeen daar beraamd en uitgebroed werd, krijschten daarbij met schelle doordringende stem, alsof zij haren belager uitjouwen en hem zijne gemeene streken verwijten wilden. Dan draaiden zij in wijdloopige kringen rondom de masten van het schip, beschreven een doolhof van bevallige kronkelende lijnen daar om heen, stortten zich gulzig op den afval, dien de kok over boord wierp, doken, slokten, schreeuwden[342]en krijschten daarbij, vochten woedend met elkander om eene bruine boon of een stukje spek, dat niet tot aas strekte en vrijelijk daar heen dreef, en leverden die gevechten natuurlijk tot overgroote ergernis van Denniston, vlak naast zijn aas, tot waar de keukenafval bij de vaart van het schip dreef, zonder evenwel dien verraderlijken beet nog maar met een blik te verwaardigen.Het was waarlijk om razend te worden; te meer nog daar de jonge dames de pogingen van den ongelukkigen duivenhengelaar gadesloegen, en hij menigen spottenden glimlach om de schoone lippen meende te bespeuren.Plotseling verhief zich op het voorschip een luid gejuich; en voor dat men achteruit nog recht wist wat er gaande kon zijn, kwamen Brinkman en Riethoven ieder met eene kaapsche duif in de hand aanloopen, die zij voor de twee meisjes neerzetten.„O! wat mooie diertjes!” kreet Emma opgetogen uit, en greep een dier fraaie zwart en wit gevederde vogels en wilde hem als een torteltje aan haren boezem koesteren. Het diertje scheen die behandeling lang niet aardig te vinden, krijschte oorverscheurend, en trachtte de lieve vingeren, die het omsloten hielden, met den haakvormigen gekromden bek gevoelig te treffen.„Pas op, juffrouw Groenewald,” zei stuurman Ellenbaan, die zich in de nabijheid bevond, met lachende stem.„O! ik ben niet bang voor den beet van zoo’n diertje,” antwoordde Emma lachende.„Dat zou toch kunnen tegenvallen,” hernam de stuurman. „Maar het is niet daarvoor dat ik waarschuwde; kijk …”De vogel, die door Frank voor Adelien neergezet was, had eenige pogingen gedaan om op te vliegen, hetgeen hem door de lengte zijner vleugelen niet gelukte, daarop maakte hij eenige bewegingen met kop en hals, en eindigde[343]met een helder groen-bruinachtig vocht uit te braken, dat in dikte en walgelijken reuk zeer veel overeenkomst had met traan.„Kijk.…” herhaalde stuurman Ellenbaan.„O!…” zei Emma met walging.Maar zij had ter nauwernood uitgesproken, toen de vogel, dien zij koesterde, dezelfde beweging volbracht, en kleeren en handen van zijn verzorgster met dezelfde laag onsmakelijk vocht overdekte. De jonkvrouw had, door een kortstondig stilzijn verleid, den vogel dicht bij hare wang gebracht; zoodat, toen het arme dier zijne beweging volbracht, zij een gulp langs den fraaien hals kreeg, die zich tusschen haar kraagje verder een weg baande.„Poeah!” riep het arme kind, smeet den vogel weg, die op het dek eene tweede editie van zijn brakingsvermogen leverde, en stormde naar beneden om zich te reinigen.„Dat is de Procellaria Capensis,” verklaarde middelerwijl dokter Hannius zeer geleerd en pedant. „Die dieren behooren, zoo als de naam reeds aanduidt, tot de Procellaridae, een vogelengeslacht, dat door de ornithologen gerekend wordt te behooren tot de familie der Longipennes.…”„Zoo?” vroeg stuurman Bagman, „is dat hun familienaam … Langepennis? Dan is Kaapsche duif zeker hun toenaam, zoo als ik Pieter heet?”Allen lachten. Hannius, hoewel verontwaardigd, ging voort met doceeren:„Tot de familie der Longipennes, wat langvleugeligen beteekent, en tot de orde der Natatores.…”„Dat is dus hun Pieter?” viel stuurman Bagman andermaal in. „Nou, die Naakte torens maken het dek gloeiend smerig! Ik zal ze.…”[344]En onder eene daverende toejuiching van wege de omstanders over zijne nieuwe naamsverbastering, bukte hij zich om de vogels te grijpen. Twee paren armen hielden hem evenwel terug, terwijl twee stemmen zich lieten hooren.„Och, laat die arme diertjes met vrede!” smeekte Adelien. „Doe hen geen kwaad!”„Wat wilt gij met die Natatores beginnen?” vroeg Hannius vrij driftig.„Ik wil die Naakte torens over boord zetten, kijk eens wat smerige boel daar op het dek.”Het viel niet te ontkennen; het waren een paar aardige traanplassen, die daar op de zoo helder witgeschuurde planken prijkten.„Laat af!” riep de dokter, terwijl hij den stuurman andermaal tegenhield. „Ik wil ze opzetten!”„Die wreedaard!” riep Adelien verontwaardigd; terwijl zij zich snel bukte, de beide procellariae, in weerwil dat die beangste diertjes haar geducht in de vingeren beten, greep, op de verschansing toetrad en ze over boord smeet.„Daar, zet ze nu maar op!” zei ze triomfantelijk tegen den dokter.De beide diertjes tuimelden een poos naar beneden, alsof zij door die onverwachte uitkomst bedwelmd waren, spreidden evenwel spoedig de vlerken uit, hervatten hunne vlucht, en draaiden eenige malen boven en rondom het achterschip, alsof zij nog eens een kijkje wilden wagen in de gevangenis, waarin zij zich zoo naar hadden bevonden. Aller oogen volgden hen, tot dat zij krijschend heenvlogen en uit het gezicht verdwenen.„Hoe hebt ge die lieve diertjes toch gevangen?” vroeg Adelien aan Frank Brinkman, die thans bezig was de bloedende vingertjes van het jonge meisje te verbinden[345]en daartoe eenig verbandlinnen bezigde, dat hij met eene menigte andere kleine benoodigdheden in zijn reistaschje steeds bij zich droeg.„Ik heb ze niet gevangen, juffrouw Groenewald,” antwoordde hij, zijne taak liefderijk en behendig voortzettende. „Een der matrozen had eenige lange einden zeilgaren uit het tuig in den wind laten fladderen. Daar zijn die diertjes tegen aangevlogen en hebben zich daarin verward. Herman en ik hebben ze dien matroos spoedig afhandig gemaakt om ze u te komen aanbieden.”„Mijnheer Riethoven ook?” vroeg Adelien met eene gedachte aan hare zuster, den blik op den jonkman slaande, die eenige schreden verder stond.„Ja, Riethoven ook,” antwoordde Frank. „Doen uwe vingers u nog zeer?”Een onmerkbare druk met die vingeren was het eenige antwoord.„O! die lieve kleine vingertjes!” fluisterde Frank slechts hoorbaar voor haar, die hij zoo liefderijk verzorgde.Een dankbare blik glinsterde gedurende eene sekonde in de lieve oogen van het jonge meisje.Een matroos was middelerwijl bezig om met zijn zwabber het dek schoon te maken.„Wat drommel!” zei Behren, „die diertjes hebben ons een leelijk en kwalijkriekend cadeau achtergelaten!”„Kaapsche duiven worden steeds zeeziek, wanneer zij aan boord van een schip komen,” verklaarde stuurman Bagman. „Ik heb ze nog nooit anders dan zoo onfatsoenlijk zien handelen. Net een landrot!”„Zou dat wel een effekt van zeeziekte zijn?” vroeg Behren.„Ik heb wel eens hooren beweren,” sprak kapitein Butteling, „dat die braking dien vogels tot verdedigingswapen zou gegeven zijn. Dat vind ik evenwel minder[346]aanneembaar. Die vieze geschiedenis kan alleen den mensch weerhouden en nog niet iedereen om den vogel aan te grijpen; maar de mensch is de natuurlijke vijand van deze dieren niet. Die vinden zij eerder in grootere roofvogels, in groote visschen enz. en die zullen zich wel niet aan wat traansaus storen. Ik zou er eerder toe overhellen, dat de ongewone beweging van het schip bij hen hetzelfde gevoel van misselijkheid te weeg brengt, als bij den mensch.”„Maar kapitein Butteling, wat nemen die zwermen kaapsche duiven toe!” merkte Leidermooi op. „Zij zwerven thans met honderden rondom het schip.”„Wij zijn vrij dicht bij de eilanden, waar zij hunne woonplaats hebben. Wij hebben Tristan d’Acunha op ongeveer vijftien mijlen noordoost van ons liggen, en zetten koers op het eiland Gough, dat wij morgen voorbijstevenen zullen.”„Krijgen wij dat te zien, kapitein?” vroeg Adelien.„Waarschijnlijk, als de lucht helder is;” antwoordde de kapitein. „Op die eilanden, waarop de menschen zelden een voet zetten, wemelt het van zeevogels. Het is een wonder, dat wij nog geen albatros gezien hebben.”„En wat zijn dat dan?” vroeg kapitein Van Dam, terwijl hij in de richting van het noorden wees.Allen keken uit.Daar draaiden in overgroote kringen twee vogels in de verte, die in grootte alles overtroffen, wat onze reizigers op het gebied van de vogelenwereld ooit gezien hadden. Hunne kringen kruisten zich, verengden zich. Nu eens scheerden zij in bevallige wendingen en zwenkingen rakelings over de oppervlakte van het water, welks golftoppen zij met lichten wiekslag aanraakten, dan weer verhieven zij zich tot op een vijftig voet daarboven,[347]draaiden daar in onberispelijk afgeteekende krommingen rond, om een meer uitgebreid veld aan hare onderzoekingen te onderwerpen om dan bij ontdekking en pijlsnelle vaart naar beneden te vallen en toe te tasten. Zoo naderden zij langzamerhand het fregat, en bleven zich op een korten afstand daarvan boven het kielzog bewegen, wat zij zorgvuldig afvischten.„Kijk eens wat twee fraaie vogels,” zei Adelien tot Emma, die intusschen weer op dek verschenen was. „Ziet, hoe fraai wit, van dat wit, hetwelk zoo beelderig licht roseächtig getint is. En zie eens, welk een verbazende vlucht die dieren hebben. En wat lange gehaakte snavel zij hebben!”„Dat is de gewone albatros,” lichtte kapitein Butteling toe. „Hij heeft, wanneer hij volwassen is, eene vlucht van ruim twintig voet, en gelijkt wel eenigszins op een zwaan, hoewel zijne veeren en zijn dons ongemeen prachtiger zijn.”„Dat is de Diomedea exulans,” bracht Hannius zijne geleerdheid te berde.„Ja, hoe de geleerden hem noemen, weet ik niet; wij zeelieden noemen die vogels zoo lang ze vlekkeloos wit zijn albatrossen.”„Hoe, zoolang ze vlekkeloos wit zijn?” vroeg Hannius.„Veranderen zij dan?”„Als ze zeer jong zijn, zijn ze bruin. Na het eerste jaar, wanneer ze het nest verlaten, worden ze al lichter en lichter, totdat ze die fraaie rosetint vertoonen, die gij zien kunt. Op lateren leeftijd worden de vleugels donker, ja schier zwart, dan noemen wij ze kaapsche ganzen.”„Ik meen, dat de kaapsche gans eene soort van de Diomedeae was. Ik meen zelf dat die Diomedea chlororijnchos geheeten wordt.”[348]„God beware, dat ik mij ooit in oppositie met de geleerden zou begeven!” antwoordde de gezagvoerder lachende. „Ik zou toch geen gelijk krijgen. Ik heb alleen maar verteld, wat de zeelieden van die vogels verhalen.”„Wat zijn dat voor vogels, die daar aankomen? Zij zijn zoo zwart als onze raven, maar zij zijn veel grooter.”„Wel dat zijn Dominés,” antwoordde Adelien Groenewald.„Juist juffrouw,” antwoordde kapitein Butteling.„Ook eene variatie der Diomedeae,” zei Hannius,„en wel de Diomedea fuliginosa.”„Wat zijn die geleerde lui toch razend vervelend met hunne onverstaanbare benamingen,” mompelde Emma haar rustig in het oor.„Als de gelegenheid er zich toe leende,” zei kapitein Butteling, „dan ware van die wel een met een haak te vangen. Die Dominé’s zijn gulzig als … als … Zouden zij ook daaraan hun naam ontleenen?”„Foei, kapitein,” sprak mevrouw Groenewald afkeurend.„Maar de gelegenheid is er,” sprak Denniston, die al bezig was zijne haakjes met spek gereed te maken en er bij voorbaat op rekende, in de vangst van een dominé eene vergoeding voor de ondervonden teleurstelling bij de kaapsche duiven te zullen erlangen.„Eerstens om een albatros, eene kaapsche gans of een dominé te vangen, is iets anders noodig dan eene lijn van zeilgaren. Daar dient de loglijn wel voor gebezigd te worden.”„Wel, dat kan immers?” riep de jonge luitenant, die al naar de logrol greep.„Laat dat maar blijven, mijnheer Denniston. Kijk[349]eens naar de lucht. Ik ga den barometer eens raadplegen.”De kapitein had gelijk. In het noordwesten begon de lucht zwaar te werken en sombere wolken aan te voeren. Toen hij boven kwam, liet hij de bovenzeilen bergen en men was daarmeê nog niet klaar, toen de noordwester begon in te vallen. Van de geheele visscherij kon derhalve niets komen.Wel verhief zich de wind niet tot stormweer; maar het schip liep nu dagen achtereen met gereefde marszeilen gemiddeld zestig mijlen, zoodat de zee vrij woelig was. Zooals kapitein Butteling voorspeld had, werd op 30 November de meridiaan van het eiland Gough gesneden. Men passeerde dat eilandje slechts op een afstand van zes mijlen, maar door de mistige lucht was er weinig meer van te zien dan de sombere omtrekken van eene loodkleurige massa, die zich slechts weinig boven de oppervlakte der zee verhief.In den morgen van den 2denDecember werd het oostelijk halfrond bereikt, dat wil zeggen: dat deFernandina Maria Emmaden meridiaan van Greenwich, die zij in het Engelsche kanaal, westwaarts opstevenende, gesneden had, thans oostwaarts zeilende, andermaal overschreed. Op het middaguur van dien dag stond het fregat op 43° 43′ zuiderbreedte en 2° 10′ oosterlengte. In het laatst verloopen etmaal had het 72 mijlen afgelegd en oostzuidoost driekwart oost voorgelegen. Op 5 December sneed deFernandina Maria Emmaden meridiaan van de Kaap de Goede Hoop en bevond zich dien dag bij het middagbestek op 44° 1′ zuiderbreedte en 20° 26′ oosterlengte. Men had geen reden van klagen, het fregat repte zich goed onder den noordwestenwind, die zijn best deed. Dien avond werd ter herdenking aan den feestavond in het vaderland, den matrozen en manschappen[350]eene verstrekking van sigaren uitgereikt, die de Heilige Bisschop bij de passagiers achteruit opgegaard had, waarbij kapitein Butteling nog een flink rantsoen bier voegde.Den volgenden dag was het zondag en bij gevolg dubbele feestdag. Behalve hun gewoon ration wijn werd nog aan ieder man eene halve flesch verstrekt, die evenwel in twee helften verdeeld op doelmatige tijden uitgereikt werd om opgewondenheid te voorkomen; terwijl aan sigaren geen gebrek was. Daags te voren had kapitein Butteling het laatste Hollandsche varken, dat hij voor deze gelegenheid bewaard had, laten slachten, daarbij werd een flink ration aardappelen met knolrapen verstrekt, welk maal door een flink stuk „jan in den zak”71met keukenstroop besloten werd; zoodat het zoowel vooruit als achteruit op deFernandina Maria Emmaeen ware Lucullus-dag was. Wat de feestelijke stemming nog verhoogde, was dat, hoewel de noordwestenwind zijn best deed en het schip een tienmijls vaart liet behouden, het toch een prettige dag was, omdat de hemel geheel wolkeloos was en de zon zich op deze breedte in dit jaargetij aangenaam deed gevoelen. Overal zag men dan ook vergenoegde gezichten en het dek was dan ook met domino- en kienspelers overdekt, welke laatste evenwel met eenige zorg te werk moesten gaan, wilden zij hunne lottokaarten niet over boord zien waaien.Na het diner achteruit, waren Frank en Herman nog eenige genoegelijke uren beschoren. Toen de speeltafeltjes in de kerk opgetuigd waren en de kaartliefhebbers zich in slagorde daarom heen geschaard hadden, waren onze jonge mannen met de dames naar het dek gegaan, en hadden daar achter de kap van den kajuitstrap een oppertje gezocht, waar het viertal jonge lieden om mevrouw Groenewald heen een kringetje geslagen hadden,[351]dat door hen allen in dit avonduur uiterst gezellig genoemd mocht worden.Of het die jongelieden wel te moede was? De gesprekken liepen nog al uiteen. Frank en Herman waren onuitputtelijk met hunne verhalen uit hunnen studietijd. Rolduc en Katwijk kregen afwisselend eene beurt en de meisjes proesten het soms uit bij de snakerijen, die vooral Brinkman uiterst geestig voordroeg, en waarin de gezalfden des Heeren meestal eene lachwekkende rol vervulden. Maar de dames vergenoegden zich niet alleen met te luisteren. Zij op hare beurt vertelden hare toehoorders veel van Java, van dat gezegende land, wat voor onze beide jongelingen nog een tooverwereld was, maar die zich onder het lieftallig gekeuvel van de beide jonge meisjes als het ware ontsloot. Zoo ontwierp Adelien eene verrukkelijke schilderij van eene morgenwandeling door een koffietuin op de hellingen van den Lawoe, en vulde Emma die aan met de betuiging, hoe heerlijk, een kop echte onvervalschte Java-koffie na zoo’n wandeling smaakte.„Een kop koffie, zoo als onze mama die alleen kan zetten,” sprak de lieve meid met een soort wellust, „van gebrande mannetjeskoffie, van onverbroken rondboon, weet ge, zonder vervalsching met gebrande stroop, zoo als ze hier aan boord doen, of met chichorei, zooals in Limburg, België en de Rijnprovinciën, wellicht door geheel Duitschland geschiedt.”Zoo ontwierp de eene een beeld van het dagelijksche leven op een landgoed in de binnenlanden van Java, de dagelijksche bezigheden in de pandoppo, in de binnengallerij, in de spen72op het erf; en schetste de andere de gezellige avonden, wanneer de familie in de helder verlichte voorgallerij gezeten, den tijd onder gezelligen kout verdreef, of wanneer de beide zusters in de niet[352]minder verlichte bovengallerij aan hare piano plaats namen en de ouders met hun lief spel verrukten.„Het moet daar lief in dieeenzaamheidwezen,” merkte Frank op, voor wien zich een hemel ontsloot, en drukte daarbij een handje, dat in zijne nabijheid langs het vouwstoeltje afhing, en dat zich volstrekt niet aan dien greep trachtte te ontwringen.„Gij moet op dat woord: eenzaamheid zoo niet drukken, mijnheer Brinkman,” antwoordde Emma. „Wij hebben daar ook wel onze uren van bevolking, ja, van overbevolking, en dan kan het er vroolijk en prettig wezen, dat verzeker ik u. Bij voorbeeld: wanneer reizigers, ambtenaren op tournée, inspecteurs van allerlei zaken, die niet behoeven geïnspecteerd te worden, van natuuronderzoekers, die weinig leverden, maar zeer veel geld verkwistten, en andere nieuwsgierigen, onze gastvrijheid inriepen, die natuurlijk dolgraag verleend werd; wanneer er feest op het heerenhuis was, zooals met de verjaardagen van papa en mama; of dat wij eene danspartij gaven, waarop al de Europeesche bewoners der omliggende landelijke ondernemingen verzocht waren en ook verschenen; geloof mij dan was het er levendig en gezellig op Wilatoong. Dan waren het dagen van pret!”Met levendigheid had de lieve meid gesproken. Men gevoelde dat zij toen pret gehad had, en dat zij nu nog pret had in de herinnering aan die dagen. O! zij had zoo gaarne iemand in hare nabijheid het heerlijke, het gezellige van dat familieleven in de binnenlanden van Java willen doen beseffen, willen doen deelen. Helaas! hare hand ontmoette in het donker van den nacht geen andere hand. Het hart dat zij zocht, bleef voor haar gesloten. De jongman aan hare zijde bleef onaantastbaar in zijne gemoedsrust. Zou zij er ook ooit in slagen, die[353]gemoedsrust te storen? Bij die vraag, welke zij zich deed, zuchtte de lieve maagd en stond op.„Het is laat, mama,” sprak zij. „Ik word huiverig.”„Ja, laat ons naar beneden gaan,” sprak de moeder, terwijl zij opstond en de beide jongelieden de hand reikte.Een ondeelbaar oogenblik bleef Emma’s hand in die van Herman. Een lichte rilling doorvoer het lichaam van het lieve kind bij die aanraking. Helaas, geen druk beantwoordde haren wensch. Koel en met plichtpleging had Riethoven die hand aangeraakt en daarbij nog koeler, als het kon, de woorden uitgesproken:„Goeden nacht, juffrouw Groenewald.”Het meisje greep niet zonder drift den arm harer moeder, en stoof met die den kajuitstrap af; terwijl Frank en Adelien het gunstig oogenblik te baat namen, elkander om het hoekje van dien trap de hand reikten, elkander naar zich toetrokken, waarbij twee paren lippen elkander onrustbarend naderden en een kus wisselden, een kus van liefde, van innige toegenegenheid, waarover de engelen in den hemel moesten juichen.[354]

XIV.Kaapsche duiven en Albatrossen.

De voorspelling van kapitein Butteling kwam uit. DeFernandina Maria Emmahad het zwaarste doorstaan. Langzamerhand rees de barometer en nam de kracht van den wind af. Den volgenden morgen lag het fregat reeds onder zijne gereefde mars-,bagijne-,groot- en fokzeilen, en konden de passagiers met een warme kop koffie verrast worden, terwijl de kok groene erwten te water zette om al de opvarenden eene flinke dikke snert te kunnen voorzetten. In de plaats van den overboord geslagen bijkok was een soldaat voor die dienst aangewezen.Hoewel de wind aanmerkelijk afgebuid was, zoo bleef hij toch nog steeds uit het noorden waaien, en was aan die omstandigheid toe te schrijven, volgens kapitein Butteling, dat de barometer niet dan uiterst langzaam rees. Dien dag maakte het schip nog 62 mijlen; maar de twee volgende dagen viel de wind zoodanig, dat het den eenen slechts 36 en den anderen 32 mijlen liep, in weerwil dat alle zeilen, voor zoover dit in die veranderlijke zone raadzaam was, bijgezet waren.Dien laatstbedoelden dag—29 November—lag het[341]schip des morgens omstreeks negen uur kalm onder zijne lichtgevulde zeilen en maakte ter nauwernood vier mijlen in de wacht.Luitenant Denniston was druk in de weer, met zijn vischtuig in orde te maken. Hij zou zoo gaarne eene kaapsche duif willen vangen om haar aan de voeten van juffrouw Emma neer te leggen. Hij was laatst niet geslaagd; dat zou, dacht hij, nu beter gaan. Hij zat achter op de spiegelverschansing en liet zijn zeilgaren, van haak en spek voorzien, ver achter het schip aanslepen. Maar of de bevallige diertjes geen honger hadden, dan wel, of de strik, die hen gespannen werd, te doorzichtig was, is moeielijk uit te maken. Genoeg zij het, dat zij bij dozijnen rondom het verleidelijke aas vlogen, zich daarbij op de watervlakte neerzetten, er ook naar pikten en er onder elkander om vochten; maar zich zorgvuldig onthielden den verraderlijken haak in den bek te nemen. De duivenvisscher was wanhopend. Hoe verleidelijk het dobbelsteentje spek ook was, dat hij aan den haak sloeg, hoe uittartend hij dat stukje spek door herhaaldelijk aan zijn touwtje te trekken, ook op de oppervlakte des waters liet dansen; alles te vergeefs! De lieve duifjes vlogen er om heen, scheerden er langs, bewogen zich in bevallige kringen boven dien uitdagenden lekkeren beet, kwamen met vluggen wiekslag op het achterschip af, dwarrelden daarboven, alsof zij een kijkje wilden nemen van hetgeen daar beraamd en uitgebroed werd, krijschten daarbij met schelle doordringende stem, alsof zij haren belager uitjouwen en hem zijne gemeene streken verwijten wilden. Dan draaiden zij in wijdloopige kringen rondom de masten van het schip, beschreven een doolhof van bevallige kronkelende lijnen daar om heen, stortten zich gulzig op den afval, dien de kok over boord wierp, doken, slokten, schreeuwden[342]en krijschten daarbij, vochten woedend met elkander om eene bruine boon of een stukje spek, dat niet tot aas strekte en vrijelijk daar heen dreef, en leverden die gevechten natuurlijk tot overgroote ergernis van Denniston, vlak naast zijn aas, tot waar de keukenafval bij de vaart van het schip dreef, zonder evenwel dien verraderlijken beet nog maar met een blik te verwaardigen.Het was waarlijk om razend te worden; te meer nog daar de jonge dames de pogingen van den ongelukkigen duivenhengelaar gadesloegen, en hij menigen spottenden glimlach om de schoone lippen meende te bespeuren.Plotseling verhief zich op het voorschip een luid gejuich; en voor dat men achteruit nog recht wist wat er gaande kon zijn, kwamen Brinkman en Riethoven ieder met eene kaapsche duif in de hand aanloopen, die zij voor de twee meisjes neerzetten.„O! wat mooie diertjes!” kreet Emma opgetogen uit, en greep een dier fraaie zwart en wit gevederde vogels en wilde hem als een torteltje aan haren boezem koesteren. Het diertje scheen die behandeling lang niet aardig te vinden, krijschte oorverscheurend, en trachtte de lieve vingeren, die het omsloten hielden, met den haakvormigen gekromden bek gevoelig te treffen.„Pas op, juffrouw Groenewald,” zei stuurman Ellenbaan, die zich in de nabijheid bevond, met lachende stem.„O! ik ben niet bang voor den beet van zoo’n diertje,” antwoordde Emma lachende.„Dat zou toch kunnen tegenvallen,” hernam de stuurman. „Maar het is niet daarvoor dat ik waarschuwde; kijk …”De vogel, die door Frank voor Adelien neergezet was, had eenige pogingen gedaan om op te vliegen, hetgeen hem door de lengte zijner vleugelen niet gelukte, daarop maakte hij eenige bewegingen met kop en hals, en eindigde[343]met een helder groen-bruinachtig vocht uit te braken, dat in dikte en walgelijken reuk zeer veel overeenkomst had met traan.„Kijk.…” herhaalde stuurman Ellenbaan.„O!…” zei Emma met walging.Maar zij had ter nauwernood uitgesproken, toen de vogel, dien zij koesterde, dezelfde beweging volbracht, en kleeren en handen van zijn verzorgster met dezelfde laag onsmakelijk vocht overdekte. De jonkvrouw had, door een kortstondig stilzijn verleid, den vogel dicht bij hare wang gebracht; zoodat, toen het arme dier zijne beweging volbracht, zij een gulp langs den fraaien hals kreeg, die zich tusschen haar kraagje verder een weg baande.„Poeah!” riep het arme kind, smeet den vogel weg, die op het dek eene tweede editie van zijn brakingsvermogen leverde, en stormde naar beneden om zich te reinigen.„Dat is de Procellaria Capensis,” verklaarde middelerwijl dokter Hannius zeer geleerd en pedant. „Die dieren behooren, zoo als de naam reeds aanduidt, tot de Procellaridae, een vogelengeslacht, dat door de ornithologen gerekend wordt te behooren tot de familie der Longipennes.…”„Zoo?” vroeg stuurman Bagman, „is dat hun familienaam … Langepennis? Dan is Kaapsche duif zeker hun toenaam, zoo als ik Pieter heet?”Allen lachten. Hannius, hoewel verontwaardigd, ging voort met doceeren:„Tot de familie der Longipennes, wat langvleugeligen beteekent, en tot de orde der Natatores.…”„Dat is dus hun Pieter?” viel stuurman Bagman andermaal in. „Nou, die Naakte torens maken het dek gloeiend smerig! Ik zal ze.…”[344]En onder eene daverende toejuiching van wege de omstanders over zijne nieuwe naamsverbastering, bukte hij zich om de vogels te grijpen. Twee paren armen hielden hem evenwel terug, terwijl twee stemmen zich lieten hooren.„Och, laat die arme diertjes met vrede!” smeekte Adelien. „Doe hen geen kwaad!”„Wat wilt gij met die Natatores beginnen?” vroeg Hannius vrij driftig.„Ik wil die Naakte torens over boord zetten, kijk eens wat smerige boel daar op het dek.”Het viel niet te ontkennen; het waren een paar aardige traanplassen, die daar op de zoo helder witgeschuurde planken prijkten.„Laat af!” riep de dokter, terwijl hij den stuurman andermaal tegenhield. „Ik wil ze opzetten!”„Die wreedaard!” riep Adelien verontwaardigd; terwijl zij zich snel bukte, de beide procellariae, in weerwil dat die beangste diertjes haar geducht in de vingeren beten, greep, op de verschansing toetrad en ze over boord smeet.„Daar, zet ze nu maar op!” zei ze triomfantelijk tegen den dokter.De beide diertjes tuimelden een poos naar beneden, alsof zij door die onverwachte uitkomst bedwelmd waren, spreidden evenwel spoedig de vlerken uit, hervatten hunne vlucht, en draaiden eenige malen boven en rondom het achterschip, alsof zij nog eens een kijkje wilden wagen in de gevangenis, waarin zij zich zoo naar hadden bevonden. Aller oogen volgden hen, tot dat zij krijschend heenvlogen en uit het gezicht verdwenen.„Hoe hebt ge die lieve diertjes toch gevangen?” vroeg Adelien aan Frank Brinkman, die thans bezig was de bloedende vingertjes van het jonge meisje te verbinden[345]en daartoe eenig verbandlinnen bezigde, dat hij met eene menigte andere kleine benoodigdheden in zijn reistaschje steeds bij zich droeg.„Ik heb ze niet gevangen, juffrouw Groenewald,” antwoordde hij, zijne taak liefderijk en behendig voortzettende. „Een der matrozen had eenige lange einden zeilgaren uit het tuig in den wind laten fladderen. Daar zijn die diertjes tegen aangevlogen en hebben zich daarin verward. Herman en ik hebben ze dien matroos spoedig afhandig gemaakt om ze u te komen aanbieden.”„Mijnheer Riethoven ook?” vroeg Adelien met eene gedachte aan hare zuster, den blik op den jonkman slaande, die eenige schreden verder stond.„Ja, Riethoven ook,” antwoordde Frank. „Doen uwe vingers u nog zeer?”Een onmerkbare druk met die vingeren was het eenige antwoord.„O! die lieve kleine vingertjes!” fluisterde Frank slechts hoorbaar voor haar, die hij zoo liefderijk verzorgde.Een dankbare blik glinsterde gedurende eene sekonde in de lieve oogen van het jonge meisje.Een matroos was middelerwijl bezig om met zijn zwabber het dek schoon te maken.„Wat drommel!” zei Behren, „die diertjes hebben ons een leelijk en kwalijkriekend cadeau achtergelaten!”„Kaapsche duiven worden steeds zeeziek, wanneer zij aan boord van een schip komen,” verklaarde stuurman Bagman. „Ik heb ze nog nooit anders dan zoo onfatsoenlijk zien handelen. Net een landrot!”„Zou dat wel een effekt van zeeziekte zijn?” vroeg Behren.„Ik heb wel eens hooren beweren,” sprak kapitein Butteling, „dat die braking dien vogels tot verdedigingswapen zou gegeven zijn. Dat vind ik evenwel minder[346]aanneembaar. Die vieze geschiedenis kan alleen den mensch weerhouden en nog niet iedereen om den vogel aan te grijpen; maar de mensch is de natuurlijke vijand van deze dieren niet. Die vinden zij eerder in grootere roofvogels, in groote visschen enz. en die zullen zich wel niet aan wat traansaus storen. Ik zou er eerder toe overhellen, dat de ongewone beweging van het schip bij hen hetzelfde gevoel van misselijkheid te weeg brengt, als bij den mensch.”„Maar kapitein Butteling, wat nemen die zwermen kaapsche duiven toe!” merkte Leidermooi op. „Zij zwerven thans met honderden rondom het schip.”„Wij zijn vrij dicht bij de eilanden, waar zij hunne woonplaats hebben. Wij hebben Tristan d’Acunha op ongeveer vijftien mijlen noordoost van ons liggen, en zetten koers op het eiland Gough, dat wij morgen voorbijstevenen zullen.”„Krijgen wij dat te zien, kapitein?” vroeg Adelien.„Waarschijnlijk, als de lucht helder is;” antwoordde de kapitein. „Op die eilanden, waarop de menschen zelden een voet zetten, wemelt het van zeevogels. Het is een wonder, dat wij nog geen albatros gezien hebben.”„En wat zijn dat dan?” vroeg kapitein Van Dam, terwijl hij in de richting van het noorden wees.Allen keken uit.Daar draaiden in overgroote kringen twee vogels in de verte, die in grootte alles overtroffen, wat onze reizigers op het gebied van de vogelenwereld ooit gezien hadden. Hunne kringen kruisten zich, verengden zich. Nu eens scheerden zij in bevallige wendingen en zwenkingen rakelings over de oppervlakte van het water, welks golftoppen zij met lichten wiekslag aanraakten, dan weer verhieven zij zich tot op een vijftig voet daarboven,[347]draaiden daar in onberispelijk afgeteekende krommingen rond, om een meer uitgebreid veld aan hare onderzoekingen te onderwerpen om dan bij ontdekking en pijlsnelle vaart naar beneden te vallen en toe te tasten. Zoo naderden zij langzamerhand het fregat, en bleven zich op een korten afstand daarvan boven het kielzog bewegen, wat zij zorgvuldig afvischten.„Kijk eens wat twee fraaie vogels,” zei Adelien tot Emma, die intusschen weer op dek verschenen was. „Ziet, hoe fraai wit, van dat wit, hetwelk zoo beelderig licht roseächtig getint is. En zie eens, welk een verbazende vlucht die dieren hebben. En wat lange gehaakte snavel zij hebben!”„Dat is de gewone albatros,” lichtte kapitein Butteling toe. „Hij heeft, wanneer hij volwassen is, eene vlucht van ruim twintig voet, en gelijkt wel eenigszins op een zwaan, hoewel zijne veeren en zijn dons ongemeen prachtiger zijn.”„Dat is de Diomedea exulans,” bracht Hannius zijne geleerdheid te berde.„Ja, hoe de geleerden hem noemen, weet ik niet; wij zeelieden noemen die vogels zoo lang ze vlekkeloos wit zijn albatrossen.”„Hoe, zoolang ze vlekkeloos wit zijn?” vroeg Hannius.„Veranderen zij dan?”„Als ze zeer jong zijn, zijn ze bruin. Na het eerste jaar, wanneer ze het nest verlaten, worden ze al lichter en lichter, totdat ze die fraaie rosetint vertoonen, die gij zien kunt. Op lateren leeftijd worden de vleugels donker, ja schier zwart, dan noemen wij ze kaapsche ganzen.”„Ik meen, dat de kaapsche gans eene soort van de Diomedeae was. Ik meen zelf dat die Diomedea chlororijnchos geheeten wordt.”[348]„God beware, dat ik mij ooit in oppositie met de geleerden zou begeven!” antwoordde de gezagvoerder lachende. „Ik zou toch geen gelijk krijgen. Ik heb alleen maar verteld, wat de zeelieden van die vogels verhalen.”„Wat zijn dat voor vogels, die daar aankomen? Zij zijn zoo zwart als onze raven, maar zij zijn veel grooter.”„Wel dat zijn Dominés,” antwoordde Adelien Groenewald.„Juist juffrouw,” antwoordde kapitein Butteling.„Ook eene variatie der Diomedeae,” zei Hannius,„en wel de Diomedea fuliginosa.”„Wat zijn die geleerde lui toch razend vervelend met hunne onverstaanbare benamingen,” mompelde Emma haar rustig in het oor.„Als de gelegenheid er zich toe leende,” zei kapitein Butteling, „dan ware van die wel een met een haak te vangen. Die Dominé’s zijn gulzig als … als … Zouden zij ook daaraan hun naam ontleenen?”„Foei, kapitein,” sprak mevrouw Groenewald afkeurend.„Maar de gelegenheid is er,” sprak Denniston, die al bezig was zijne haakjes met spek gereed te maken en er bij voorbaat op rekende, in de vangst van een dominé eene vergoeding voor de ondervonden teleurstelling bij de kaapsche duiven te zullen erlangen.„Eerstens om een albatros, eene kaapsche gans of een dominé te vangen, is iets anders noodig dan eene lijn van zeilgaren. Daar dient de loglijn wel voor gebezigd te worden.”„Wel, dat kan immers?” riep de jonge luitenant, die al naar de logrol greep.„Laat dat maar blijven, mijnheer Denniston. Kijk[349]eens naar de lucht. Ik ga den barometer eens raadplegen.”De kapitein had gelijk. In het noordwesten begon de lucht zwaar te werken en sombere wolken aan te voeren. Toen hij boven kwam, liet hij de bovenzeilen bergen en men was daarmeê nog niet klaar, toen de noordwester begon in te vallen. Van de geheele visscherij kon derhalve niets komen.Wel verhief zich de wind niet tot stormweer; maar het schip liep nu dagen achtereen met gereefde marszeilen gemiddeld zestig mijlen, zoodat de zee vrij woelig was. Zooals kapitein Butteling voorspeld had, werd op 30 November de meridiaan van het eiland Gough gesneden. Men passeerde dat eilandje slechts op een afstand van zes mijlen, maar door de mistige lucht was er weinig meer van te zien dan de sombere omtrekken van eene loodkleurige massa, die zich slechts weinig boven de oppervlakte der zee verhief.In den morgen van den 2denDecember werd het oostelijk halfrond bereikt, dat wil zeggen: dat deFernandina Maria Emmaden meridiaan van Greenwich, die zij in het Engelsche kanaal, westwaarts opstevenende, gesneden had, thans oostwaarts zeilende, andermaal overschreed. Op het middaguur van dien dag stond het fregat op 43° 43′ zuiderbreedte en 2° 10′ oosterlengte. In het laatst verloopen etmaal had het 72 mijlen afgelegd en oostzuidoost driekwart oost voorgelegen. Op 5 December sneed deFernandina Maria Emmaden meridiaan van de Kaap de Goede Hoop en bevond zich dien dag bij het middagbestek op 44° 1′ zuiderbreedte en 20° 26′ oosterlengte. Men had geen reden van klagen, het fregat repte zich goed onder den noordwestenwind, die zijn best deed. Dien avond werd ter herdenking aan den feestavond in het vaderland, den matrozen en manschappen[350]eene verstrekking van sigaren uitgereikt, die de Heilige Bisschop bij de passagiers achteruit opgegaard had, waarbij kapitein Butteling nog een flink rantsoen bier voegde.Den volgenden dag was het zondag en bij gevolg dubbele feestdag. Behalve hun gewoon ration wijn werd nog aan ieder man eene halve flesch verstrekt, die evenwel in twee helften verdeeld op doelmatige tijden uitgereikt werd om opgewondenheid te voorkomen; terwijl aan sigaren geen gebrek was. Daags te voren had kapitein Butteling het laatste Hollandsche varken, dat hij voor deze gelegenheid bewaard had, laten slachten, daarbij werd een flink ration aardappelen met knolrapen verstrekt, welk maal door een flink stuk „jan in den zak”71met keukenstroop besloten werd; zoodat het zoowel vooruit als achteruit op deFernandina Maria Emmaeen ware Lucullus-dag was. Wat de feestelijke stemming nog verhoogde, was dat, hoewel de noordwestenwind zijn best deed en het schip een tienmijls vaart liet behouden, het toch een prettige dag was, omdat de hemel geheel wolkeloos was en de zon zich op deze breedte in dit jaargetij aangenaam deed gevoelen. Overal zag men dan ook vergenoegde gezichten en het dek was dan ook met domino- en kienspelers overdekt, welke laatste evenwel met eenige zorg te werk moesten gaan, wilden zij hunne lottokaarten niet over boord zien waaien.Na het diner achteruit, waren Frank en Herman nog eenige genoegelijke uren beschoren. Toen de speeltafeltjes in de kerk opgetuigd waren en de kaartliefhebbers zich in slagorde daarom heen geschaard hadden, waren onze jonge mannen met de dames naar het dek gegaan, en hadden daar achter de kap van den kajuitstrap een oppertje gezocht, waar het viertal jonge lieden om mevrouw Groenewald heen een kringetje geslagen hadden,[351]dat door hen allen in dit avonduur uiterst gezellig genoemd mocht worden.Of het die jongelieden wel te moede was? De gesprekken liepen nog al uiteen. Frank en Herman waren onuitputtelijk met hunne verhalen uit hunnen studietijd. Rolduc en Katwijk kregen afwisselend eene beurt en de meisjes proesten het soms uit bij de snakerijen, die vooral Brinkman uiterst geestig voordroeg, en waarin de gezalfden des Heeren meestal eene lachwekkende rol vervulden. Maar de dames vergenoegden zich niet alleen met te luisteren. Zij op hare beurt vertelden hare toehoorders veel van Java, van dat gezegende land, wat voor onze beide jongelingen nog een tooverwereld was, maar die zich onder het lieftallig gekeuvel van de beide jonge meisjes als het ware ontsloot. Zoo ontwierp Adelien eene verrukkelijke schilderij van eene morgenwandeling door een koffietuin op de hellingen van den Lawoe, en vulde Emma die aan met de betuiging, hoe heerlijk, een kop echte onvervalschte Java-koffie na zoo’n wandeling smaakte.„Een kop koffie, zoo als onze mama die alleen kan zetten,” sprak de lieve meid met een soort wellust, „van gebrande mannetjeskoffie, van onverbroken rondboon, weet ge, zonder vervalsching met gebrande stroop, zoo als ze hier aan boord doen, of met chichorei, zooals in Limburg, België en de Rijnprovinciën, wellicht door geheel Duitschland geschiedt.”Zoo ontwierp de eene een beeld van het dagelijksche leven op een landgoed in de binnenlanden van Java, de dagelijksche bezigheden in de pandoppo, in de binnengallerij, in de spen72op het erf; en schetste de andere de gezellige avonden, wanneer de familie in de helder verlichte voorgallerij gezeten, den tijd onder gezelligen kout verdreef, of wanneer de beide zusters in de niet[352]minder verlichte bovengallerij aan hare piano plaats namen en de ouders met hun lief spel verrukten.„Het moet daar lief in dieeenzaamheidwezen,” merkte Frank op, voor wien zich een hemel ontsloot, en drukte daarbij een handje, dat in zijne nabijheid langs het vouwstoeltje afhing, en dat zich volstrekt niet aan dien greep trachtte te ontwringen.„Gij moet op dat woord: eenzaamheid zoo niet drukken, mijnheer Brinkman,” antwoordde Emma. „Wij hebben daar ook wel onze uren van bevolking, ja, van overbevolking, en dan kan het er vroolijk en prettig wezen, dat verzeker ik u. Bij voorbeeld: wanneer reizigers, ambtenaren op tournée, inspecteurs van allerlei zaken, die niet behoeven geïnspecteerd te worden, van natuuronderzoekers, die weinig leverden, maar zeer veel geld verkwistten, en andere nieuwsgierigen, onze gastvrijheid inriepen, die natuurlijk dolgraag verleend werd; wanneer er feest op het heerenhuis was, zooals met de verjaardagen van papa en mama; of dat wij eene danspartij gaven, waarop al de Europeesche bewoners der omliggende landelijke ondernemingen verzocht waren en ook verschenen; geloof mij dan was het er levendig en gezellig op Wilatoong. Dan waren het dagen van pret!”Met levendigheid had de lieve meid gesproken. Men gevoelde dat zij toen pret gehad had, en dat zij nu nog pret had in de herinnering aan die dagen. O! zij had zoo gaarne iemand in hare nabijheid het heerlijke, het gezellige van dat familieleven in de binnenlanden van Java willen doen beseffen, willen doen deelen. Helaas! hare hand ontmoette in het donker van den nacht geen andere hand. Het hart dat zij zocht, bleef voor haar gesloten. De jongman aan hare zijde bleef onaantastbaar in zijne gemoedsrust. Zou zij er ook ooit in slagen, die[353]gemoedsrust te storen? Bij die vraag, welke zij zich deed, zuchtte de lieve maagd en stond op.„Het is laat, mama,” sprak zij. „Ik word huiverig.”„Ja, laat ons naar beneden gaan,” sprak de moeder, terwijl zij opstond en de beide jongelieden de hand reikte.Een ondeelbaar oogenblik bleef Emma’s hand in die van Herman. Een lichte rilling doorvoer het lichaam van het lieve kind bij die aanraking. Helaas, geen druk beantwoordde haren wensch. Koel en met plichtpleging had Riethoven die hand aangeraakt en daarbij nog koeler, als het kon, de woorden uitgesproken:„Goeden nacht, juffrouw Groenewald.”Het meisje greep niet zonder drift den arm harer moeder, en stoof met die den kajuitstrap af; terwijl Frank en Adelien het gunstig oogenblik te baat namen, elkander om het hoekje van dien trap de hand reikten, elkander naar zich toetrokken, waarbij twee paren lippen elkander onrustbarend naderden en een kus wisselden, een kus van liefde, van innige toegenegenheid, waarover de engelen in den hemel moesten juichen.[354]

De voorspelling van kapitein Butteling kwam uit. DeFernandina Maria Emmahad het zwaarste doorstaan. Langzamerhand rees de barometer en nam de kracht van den wind af. Den volgenden morgen lag het fregat reeds onder zijne gereefde mars-,bagijne-,groot- en fokzeilen, en konden de passagiers met een warme kop koffie verrast worden, terwijl de kok groene erwten te water zette om al de opvarenden eene flinke dikke snert te kunnen voorzetten. In de plaats van den overboord geslagen bijkok was een soldaat voor die dienst aangewezen.

Hoewel de wind aanmerkelijk afgebuid was, zoo bleef hij toch nog steeds uit het noorden waaien, en was aan die omstandigheid toe te schrijven, volgens kapitein Butteling, dat de barometer niet dan uiterst langzaam rees. Dien dag maakte het schip nog 62 mijlen; maar de twee volgende dagen viel de wind zoodanig, dat het den eenen slechts 36 en den anderen 32 mijlen liep, in weerwil dat alle zeilen, voor zoover dit in die veranderlijke zone raadzaam was, bijgezet waren.

Dien laatstbedoelden dag—29 November—lag het[341]schip des morgens omstreeks negen uur kalm onder zijne lichtgevulde zeilen en maakte ter nauwernood vier mijlen in de wacht.

Luitenant Denniston was druk in de weer, met zijn vischtuig in orde te maken. Hij zou zoo gaarne eene kaapsche duif willen vangen om haar aan de voeten van juffrouw Emma neer te leggen. Hij was laatst niet geslaagd; dat zou, dacht hij, nu beter gaan. Hij zat achter op de spiegelverschansing en liet zijn zeilgaren, van haak en spek voorzien, ver achter het schip aanslepen. Maar of de bevallige diertjes geen honger hadden, dan wel, of de strik, die hen gespannen werd, te doorzichtig was, is moeielijk uit te maken. Genoeg zij het, dat zij bij dozijnen rondom het verleidelijke aas vlogen, zich daarbij op de watervlakte neerzetten, er ook naar pikten en er onder elkander om vochten; maar zich zorgvuldig onthielden den verraderlijken haak in den bek te nemen. De duivenvisscher was wanhopend. Hoe verleidelijk het dobbelsteentje spek ook was, dat hij aan den haak sloeg, hoe uittartend hij dat stukje spek door herhaaldelijk aan zijn touwtje te trekken, ook op de oppervlakte des waters liet dansen; alles te vergeefs! De lieve duifjes vlogen er om heen, scheerden er langs, bewogen zich in bevallige kringen boven dien uitdagenden lekkeren beet, kwamen met vluggen wiekslag op het achterschip af, dwarrelden daarboven, alsof zij een kijkje wilden nemen van hetgeen daar beraamd en uitgebroed werd, krijschten daarbij met schelle doordringende stem, alsof zij haren belager uitjouwen en hem zijne gemeene streken verwijten wilden. Dan draaiden zij in wijdloopige kringen rondom de masten van het schip, beschreven een doolhof van bevallige kronkelende lijnen daar om heen, stortten zich gulzig op den afval, dien de kok over boord wierp, doken, slokten, schreeuwden[342]en krijschten daarbij, vochten woedend met elkander om eene bruine boon of een stukje spek, dat niet tot aas strekte en vrijelijk daar heen dreef, en leverden die gevechten natuurlijk tot overgroote ergernis van Denniston, vlak naast zijn aas, tot waar de keukenafval bij de vaart van het schip dreef, zonder evenwel dien verraderlijken beet nog maar met een blik te verwaardigen.

Het was waarlijk om razend te worden; te meer nog daar de jonge dames de pogingen van den ongelukkigen duivenhengelaar gadesloegen, en hij menigen spottenden glimlach om de schoone lippen meende te bespeuren.

Plotseling verhief zich op het voorschip een luid gejuich; en voor dat men achteruit nog recht wist wat er gaande kon zijn, kwamen Brinkman en Riethoven ieder met eene kaapsche duif in de hand aanloopen, die zij voor de twee meisjes neerzetten.

„O! wat mooie diertjes!” kreet Emma opgetogen uit, en greep een dier fraaie zwart en wit gevederde vogels en wilde hem als een torteltje aan haren boezem koesteren. Het diertje scheen die behandeling lang niet aardig te vinden, krijschte oorverscheurend, en trachtte de lieve vingeren, die het omsloten hielden, met den haakvormigen gekromden bek gevoelig te treffen.

„Pas op, juffrouw Groenewald,” zei stuurman Ellenbaan, die zich in de nabijheid bevond, met lachende stem.

„O! ik ben niet bang voor den beet van zoo’n diertje,” antwoordde Emma lachende.

„Dat zou toch kunnen tegenvallen,” hernam de stuurman. „Maar het is niet daarvoor dat ik waarschuwde; kijk …”

De vogel, die door Frank voor Adelien neergezet was, had eenige pogingen gedaan om op te vliegen, hetgeen hem door de lengte zijner vleugelen niet gelukte, daarop maakte hij eenige bewegingen met kop en hals, en eindigde[343]met een helder groen-bruinachtig vocht uit te braken, dat in dikte en walgelijken reuk zeer veel overeenkomst had met traan.

„Kijk.…” herhaalde stuurman Ellenbaan.

„O!…” zei Emma met walging.

Maar zij had ter nauwernood uitgesproken, toen de vogel, dien zij koesterde, dezelfde beweging volbracht, en kleeren en handen van zijn verzorgster met dezelfde laag onsmakelijk vocht overdekte. De jonkvrouw had, door een kortstondig stilzijn verleid, den vogel dicht bij hare wang gebracht; zoodat, toen het arme dier zijne beweging volbracht, zij een gulp langs den fraaien hals kreeg, die zich tusschen haar kraagje verder een weg baande.

„Poeah!” riep het arme kind, smeet den vogel weg, die op het dek eene tweede editie van zijn brakingsvermogen leverde, en stormde naar beneden om zich te reinigen.

„Dat is de Procellaria Capensis,” verklaarde middelerwijl dokter Hannius zeer geleerd en pedant. „Die dieren behooren, zoo als de naam reeds aanduidt, tot de Procellaridae, een vogelengeslacht, dat door de ornithologen gerekend wordt te behooren tot de familie der Longipennes.…”

„Zoo?” vroeg stuurman Bagman, „is dat hun familienaam … Langepennis? Dan is Kaapsche duif zeker hun toenaam, zoo als ik Pieter heet?”

Allen lachten. Hannius, hoewel verontwaardigd, ging voort met doceeren:

„Tot de familie der Longipennes, wat langvleugeligen beteekent, en tot de orde der Natatores.…”

„Dat is dus hun Pieter?” viel stuurman Bagman andermaal in. „Nou, die Naakte torens maken het dek gloeiend smerig! Ik zal ze.…”[344]

En onder eene daverende toejuiching van wege de omstanders over zijne nieuwe naamsverbastering, bukte hij zich om de vogels te grijpen. Twee paren armen hielden hem evenwel terug, terwijl twee stemmen zich lieten hooren.

„Och, laat die arme diertjes met vrede!” smeekte Adelien. „Doe hen geen kwaad!”

„Wat wilt gij met die Natatores beginnen?” vroeg Hannius vrij driftig.

„Ik wil die Naakte torens over boord zetten, kijk eens wat smerige boel daar op het dek.”

Het viel niet te ontkennen; het waren een paar aardige traanplassen, die daar op de zoo helder witgeschuurde planken prijkten.

„Laat af!” riep de dokter, terwijl hij den stuurman andermaal tegenhield. „Ik wil ze opzetten!”

„Die wreedaard!” riep Adelien verontwaardigd; terwijl zij zich snel bukte, de beide procellariae, in weerwil dat die beangste diertjes haar geducht in de vingeren beten, greep, op de verschansing toetrad en ze over boord smeet.

„Daar, zet ze nu maar op!” zei ze triomfantelijk tegen den dokter.

De beide diertjes tuimelden een poos naar beneden, alsof zij door die onverwachte uitkomst bedwelmd waren, spreidden evenwel spoedig de vlerken uit, hervatten hunne vlucht, en draaiden eenige malen boven en rondom het achterschip, alsof zij nog eens een kijkje wilden wagen in de gevangenis, waarin zij zich zoo naar hadden bevonden. Aller oogen volgden hen, tot dat zij krijschend heenvlogen en uit het gezicht verdwenen.

„Hoe hebt ge die lieve diertjes toch gevangen?” vroeg Adelien aan Frank Brinkman, die thans bezig was de bloedende vingertjes van het jonge meisje te verbinden[345]en daartoe eenig verbandlinnen bezigde, dat hij met eene menigte andere kleine benoodigdheden in zijn reistaschje steeds bij zich droeg.

„Ik heb ze niet gevangen, juffrouw Groenewald,” antwoordde hij, zijne taak liefderijk en behendig voortzettende. „Een der matrozen had eenige lange einden zeilgaren uit het tuig in den wind laten fladderen. Daar zijn die diertjes tegen aangevlogen en hebben zich daarin verward. Herman en ik hebben ze dien matroos spoedig afhandig gemaakt om ze u te komen aanbieden.”

„Mijnheer Riethoven ook?” vroeg Adelien met eene gedachte aan hare zuster, den blik op den jonkman slaande, die eenige schreden verder stond.

„Ja, Riethoven ook,” antwoordde Frank. „Doen uwe vingers u nog zeer?”

Een onmerkbare druk met die vingeren was het eenige antwoord.

„O! die lieve kleine vingertjes!” fluisterde Frank slechts hoorbaar voor haar, die hij zoo liefderijk verzorgde.

Een dankbare blik glinsterde gedurende eene sekonde in de lieve oogen van het jonge meisje.

Een matroos was middelerwijl bezig om met zijn zwabber het dek schoon te maken.

„Wat drommel!” zei Behren, „die diertjes hebben ons een leelijk en kwalijkriekend cadeau achtergelaten!”

„Kaapsche duiven worden steeds zeeziek, wanneer zij aan boord van een schip komen,” verklaarde stuurman Bagman. „Ik heb ze nog nooit anders dan zoo onfatsoenlijk zien handelen. Net een landrot!”

„Zou dat wel een effekt van zeeziekte zijn?” vroeg Behren.

„Ik heb wel eens hooren beweren,” sprak kapitein Butteling, „dat die braking dien vogels tot verdedigingswapen zou gegeven zijn. Dat vind ik evenwel minder[346]aanneembaar. Die vieze geschiedenis kan alleen den mensch weerhouden en nog niet iedereen om den vogel aan te grijpen; maar de mensch is de natuurlijke vijand van deze dieren niet. Die vinden zij eerder in grootere roofvogels, in groote visschen enz. en die zullen zich wel niet aan wat traansaus storen. Ik zou er eerder toe overhellen, dat de ongewone beweging van het schip bij hen hetzelfde gevoel van misselijkheid te weeg brengt, als bij den mensch.”

„Maar kapitein Butteling, wat nemen die zwermen kaapsche duiven toe!” merkte Leidermooi op. „Zij zwerven thans met honderden rondom het schip.”

„Wij zijn vrij dicht bij de eilanden, waar zij hunne woonplaats hebben. Wij hebben Tristan d’Acunha op ongeveer vijftien mijlen noordoost van ons liggen, en zetten koers op het eiland Gough, dat wij morgen voorbijstevenen zullen.”

„Krijgen wij dat te zien, kapitein?” vroeg Adelien.

„Waarschijnlijk, als de lucht helder is;” antwoordde de kapitein. „Op die eilanden, waarop de menschen zelden een voet zetten, wemelt het van zeevogels. Het is een wonder, dat wij nog geen albatros gezien hebben.”

„En wat zijn dat dan?” vroeg kapitein Van Dam, terwijl hij in de richting van het noorden wees.

Allen keken uit.

Daar draaiden in overgroote kringen twee vogels in de verte, die in grootte alles overtroffen, wat onze reizigers op het gebied van de vogelenwereld ooit gezien hadden. Hunne kringen kruisten zich, verengden zich. Nu eens scheerden zij in bevallige wendingen en zwenkingen rakelings over de oppervlakte van het water, welks golftoppen zij met lichten wiekslag aanraakten, dan weer verhieven zij zich tot op een vijftig voet daarboven,[347]draaiden daar in onberispelijk afgeteekende krommingen rond, om een meer uitgebreid veld aan hare onderzoekingen te onderwerpen om dan bij ontdekking en pijlsnelle vaart naar beneden te vallen en toe te tasten. Zoo naderden zij langzamerhand het fregat, en bleven zich op een korten afstand daarvan boven het kielzog bewegen, wat zij zorgvuldig afvischten.

„Kijk eens wat twee fraaie vogels,” zei Adelien tot Emma, die intusschen weer op dek verschenen was. „Ziet, hoe fraai wit, van dat wit, hetwelk zoo beelderig licht roseächtig getint is. En zie eens, welk een verbazende vlucht die dieren hebben. En wat lange gehaakte snavel zij hebben!”

„Dat is de gewone albatros,” lichtte kapitein Butteling toe. „Hij heeft, wanneer hij volwassen is, eene vlucht van ruim twintig voet, en gelijkt wel eenigszins op een zwaan, hoewel zijne veeren en zijn dons ongemeen prachtiger zijn.”

„Dat is de Diomedea exulans,” bracht Hannius zijne geleerdheid te berde.

„Ja, hoe de geleerden hem noemen, weet ik niet; wij zeelieden noemen die vogels zoo lang ze vlekkeloos wit zijn albatrossen.”

„Hoe, zoolang ze vlekkeloos wit zijn?” vroeg Hannius.„Veranderen zij dan?”

„Als ze zeer jong zijn, zijn ze bruin. Na het eerste jaar, wanneer ze het nest verlaten, worden ze al lichter en lichter, totdat ze die fraaie rosetint vertoonen, die gij zien kunt. Op lateren leeftijd worden de vleugels donker, ja schier zwart, dan noemen wij ze kaapsche ganzen.”

„Ik meen, dat de kaapsche gans eene soort van de Diomedeae was. Ik meen zelf dat die Diomedea chlororijnchos geheeten wordt.”[348]

„God beware, dat ik mij ooit in oppositie met de geleerden zou begeven!” antwoordde de gezagvoerder lachende. „Ik zou toch geen gelijk krijgen. Ik heb alleen maar verteld, wat de zeelieden van die vogels verhalen.”

„Wat zijn dat voor vogels, die daar aankomen? Zij zijn zoo zwart als onze raven, maar zij zijn veel grooter.”

„Wel dat zijn Dominés,” antwoordde Adelien Groenewald.

„Juist juffrouw,” antwoordde kapitein Butteling.

„Ook eene variatie der Diomedeae,” zei Hannius,„en wel de Diomedea fuliginosa.”

„Wat zijn die geleerde lui toch razend vervelend met hunne onverstaanbare benamingen,” mompelde Emma haar rustig in het oor.

„Als de gelegenheid er zich toe leende,” zei kapitein Butteling, „dan ware van die wel een met een haak te vangen. Die Dominé’s zijn gulzig als … als … Zouden zij ook daaraan hun naam ontleenen?”

„Foei, kapitein,” sprak mevrouw Groenewald afkeurend.

„Maar de gelegenheid is er,” sprak Denniston, die al bezig was zijne haakjes met spek gereed te maken en er bij voorbaat op rekende, in de vangst van een dominé eene vergoeding voor de ondervonden teleurstelling bij de kaapsche duiven te zullen erlangen.

„Eerstens om een albatros, eene kaapsche gans of een dominé te vangen, is iets anders noodig dan eene lijn van zeilgaren. Daar dient de loglijn wel voor gebezigd te worden.”

„Wel, dat kan immers?” riep de jonge luitenant, die al naar de logrol greep.

„Laat dat maar blijven, mijnheer Denniston. Kijk[349]eens naar de lucht. Ik ga den barometer eens raadplegen.”

De kapitein had gelijk. In het noordwesten begon de lucht zwaar te werken en sombere wolken aan te voeren. Toen hij boven kwam, liet hij de bovenzeilen bergen en men was daarmeê nog niet klaar, toen de noordwester begon in te vallen. Van de geheele visscherij kon derhalve niets komen.

Wel verhief zich de wind niet tot stormweer; maar het schip liep nu dagen achtereen met gereefde marszeilen gemiddeld zestig mijlen, zoodat de zee vrij woelig was. Zooals kapitein Butteling voorspeld had, werd op 30 November de meridiaan van het eiland Gough gesneden. Men passeerde dat eilandje slechts op een afstand van zes mijlen, maar door de mistige lucht was er weinig meer van te zien dan de sombere omtrekken van eene loodkleurige massa, die zich slechts weinig boven de oppervlakte der zee verhief.

In den morgen van den 2denDecember werd het oostelijk halfrond bereikt, dat wil zeggen: dat deFernandina Maria Emmaden meridiaan van Greenwich, die zij in het Engelsche kanaal, westwaarts opstevenende, gesneden had, thans oostwaarts zeilende, andermaal overschreed. Op het middaguur van dien dag stond het fregat op 43° 43′ zuiderbreedte en 2° 10′ oosterlengte. In het laatst verloopen etmaal had het 72 mijlen afgelegd en oostzuidoost driekwart oost voorgelegen. Op 5 December sneed deFernandina Maria Emmaden meridiaan van de Kaap de Goede Hoop en bevond zich dien dag bij het middagbestek op 44° 1′ zuiderbreedte en 20° 26′ oosterlengte. Men had geen reden van klagen, het fregat repte zich goed onder den noordwestenwind, die zijn best deed. Dien avond werd ter herdenking aan den feestavond in het vaderland, den matrozen en manschappen[350]eene verstrekking van sigaren uitgereikt, die de Heilige Bisschop bij de passagiers achteruit opgegaard had, waarbij kapitein Butteling nog een flink rantsoen bier voegde.

Den volgenden dag was het zondag en bij gevolg dubbele feestdag. Behalve hun gewoon ration wijn werd nog aan ieder man eene halve flesch verstrekt, die evenwel in twee helften verdeeld op doelmatige tijden uitgereikt werd om opgewondenheid te voorkomen; terwijl aan sigaren geen gebrek was. Daags te voren had kapitein Butteling het laatste Hollandsche varken, dat hij voor deze gelegenheid bewaard had, laten slachten, daarbij werd een flink ration aardappelen met knolrapen verstrekt, welk maal door een flink stuk „jan in den zak”71met keukenstroop besloten werd; zoodat het zoowel vooruit als achteruit op deFernandina Maria Emmaeen ware Lucullus-dag was. Wat de feestelijke stemming nog verhoogde, was dat, hoewel de noordwestenwind zijn best deed en het schip een tienmijls vaart liet behouden, het toch een prettige dag was, omdat de hemel geheel wolkeloos was en de zon zich op deze breedte in dit jaargetij aangenaam deed gevoelen. Overal zag men dan ook vergenoegde gezichten en het dek was dan ook met domino- en kienspelers overdekt, welke laatste evenwel met eenige zorg te werk moesten gaan, wilden zij hunne lottokaarten niet over boord zien waaien.

Na het diner achteruit, waren Frank en Herman nog eenige genoegelijke uren beschoren. Toen de speeltafeltjes in de kerk opgetuigd waren en de kaartliefhebbers zich in slagorde daarom heen geschaard hadden, waren onze jonge mannen met de dames naar het dek gegaan, en hadden daar achter de kap van den kajuitstrap een oppertje gezocht, waar het viertal jonge lieden om mevrouw Groenewald heen een kringetje geslagen hadden,[351]dat door hen allen in dit avonduur uiterst gezellig genoemd mocht worden.

Of het die jongelieden wel te moede was? De gesprekken liepen nog al uiteen. Frank en Herman waren onuitputtelijk met hunne verhalen uit hunnen studietijd. Rolduc en Katwijk kregen afwisselend eene beurt en de meisjes proesten het soms uit bij de snakerijen, die vooral Brinkman uiterst geestig voordroeg, en waarin de gezalfden des Heeren meestal eene lachwekkende rol vervulden. Maar de dames vergenoegden zich niet alleen met te luisteren. Zij op hare beurt vertelden hare toehoorders veel van Java, van dat gezegende land, wat voor onze beide jongelingen nog een tooverwereld was, maar die zich onder het lieftallig gekeuvel van de beide jonge meisjes als het ware ontsloot. Zoo ontwierp Adelien eene verrukkelijke schilderij van eene morgenwandeling door een koffietuin op de hellingen van den Lawoe, en vulde Emma die aan met de betuiging, hoe heerlijk, een kop echte onvervalschte Java-koffie na zoo’n wandeling smaakte.

„Een kop koffie, zoo als onze mama die alleen kan zetten,” sprak de lieve meid met een soort wellust, „van gebrande mannetjeskoffie, van onverbroken rondboon, weet ge, zonder vervalsching met gebrande stroop, zoo als ze hier aan boord doen, of met chichorei, zooals in Limburg, België en de Rijnprovinciën, wellicht door geheel Duitschland geschiedt.”

Zoo ontwierp de eene een beeld van het dagelijksche leven op een landgoed in de binnenlanden van Java, de dagelijksche bezigheden in de pandoppo, in de binnengallerij, in de spen72op het erf; en schetste de andere de gezellige avonden, wanneer de familie in de helder verlichte voorgallerij gezeten, den tijd onder gezelligen kout verdreef, of wanneer de beide zusters in de niet[352]minder verlichte bovengallerij aan hare piano plaats namen en de ouders met hun lief spel verrukten.

„Het moet daar lief in dieeenzaamheidwezen,” merkte Frank op, voor wien zich een hemel ontsloot, en drukte daarbij een handje, dat in zijne nabijheid langs het vouwstoeltje afhing, en dat zich volstrekt niet aan dien greep trachtte te ontwringen.

„Gij moet op dat woord: eenzaamheid zoo niet drukken, mijnheer Brinkman,” antwoordde Emma. „Wij hebben daar ook wel onze uren van bevolking, ja, van overbevolking, en dan kan het er vroolijk en prettig wezen, dat verzeker ik u. Bij voorbeeld: wanneer reizigers, ambtenaren op tournée, inspecteurs van allerlei zaken, die niet behoeven geïnspecteerd te worden, van natuuronderzoekers, die weinig leverden, maar zeer veel geld verkwistten, en andere nieuwsgierigen, onze gastvrijheid inriepen, die natuurlijk dolgraag verleend werd; wanneer er feest op het heerenhuis was, zooals met de verjaardagen van papa en mama; of dat wij eene danspartij gaven, waarop al de Europeesche bewoners der omliggende landelijke ondernemingen verzocht waren en ook verschenen; geloof mij dan was het er levendig en gezellig op Wilatoong. Dan waren het dagen van pret!”

Met levendigheid had de lieve meid gesproken. Men gevoelde dat zij toen pret gehad had, en dat zij nu nog pret had in de herinnering aan die dagen. O! zij had zoo gaarne iemand in hare nabijheid het heerlijke, het gezellige van dat familieleven in de binnenlanden van Java willen doen beseffen, willen doen deelen. Helaas! hare hand ontmoette in het donker van den nacht geen andere hand. Het hart dat zij zocht, bleef voor haar gesloten. De jongman aan hare zijde bleef onaantastbaar in zijne gemoedsrust. Zou zij er ook ooit in slagen, die[353]gemoedsrust te storen? Bij die vraag, welke zij zich deed, zuchtte de lieve maagd en stond op.

„Het is laat, mama,” sprak zij. „Ik word huiverig.”

„Ja, laat ons naar beneden gaan,” sprak de moeder, terwijl zij opstond en de beide jongelieden de hand reikte.

Een ondeelbaar oogenblik bleef Emma’s hand in die van Herman. Een lichte rilling doorvoer het lichaam van het lieve kind bij die aanraking. Helaas, geen druk beantwoordde haren wensch. Koel en met plichtpleging had Riethoven die hand aangeraakt en daarbij nog koeler, als het kon, de woorden uitgesproken:

„Goeden nacht, juffrouw Groenewald.”

Het meisje greep niet zonder drift den arm harer moeder, en stoof met die den kajuitstrap af; terwijl Frank en Adelien het gunstig oogenblik te baat namen, elkander om het hoekje van dien trap de hand reikten, elkander naar zich toetrokken, waarbij twee paren lippen elkander onrustbarend naderden en een kus wisselden, een kus van liefde, van innige toegenegenheid, waarover de engelen in den hemel moesten juichen.[354]


Back to IndexNext