[Inhoud]XV.In den Zuidoostpassaat.Toen op den 8stenDecember de dag aanbrak, en de opvarenden derFernandina Maria Emmaaan het dek kwamen, klonk de kreet van uit de mars van den fokkemast:„Land vooruit!”Aller blikken keerden zich naar het aangeduide punt. En ja, daar doemden aan den horizon de omtrekken van vast land langzaam op. Eerst als een nevelachtige band, later als eene loodblauwe massa met scherpe omtrekken. Nog later begonnen zich heldere stippen op dien loodkleurigen band te vertoonen en tooiden zich vooral de toppen in het helderste wit.„Wat drommel kan dat voor land zijn?” vroeg kapitein Van Dam aan den derden stuurman, die in dat morgenuur de wacht aan dek had. „Het kan onmogelijk een der Crozet eilanden zijn, die liggen zoo wat, meen ik, onder den 51stenlengtegraad, en nog minder Kerguelen-eiland, dat ongeveer op 70° ligt.”„Neen, kapitein,” antwoordde de stuurman, „geen dier beiden is het. Het zijn de Prince Edward eilanden, die wij daar voor ons hebben.”„Het is ter dege koud,” sprak Adelien Groenewald.[355]„Daar zult gij de zeer natuurlijke oorzaak weldra van zien, juffrouw,” antwoordde stuurman Ellenbaan. „Die heldere stippen daar ginds en die witte toppen zijn sneeuwvelden, gletschers en ijsbergen. Als wij straks onder den wind van het eiland komen, zullen wij het nog wel kouder krijgen.”Het fregat naderde al meer en meer, waarbij de koude zich ook al meer en meer deed gevoelen. Voor en na slopen de passagiers naar beneden en verschenen weer, gewikkeld in burnou’s, overjassen, pelsmantels en hadden de dames hare hermelijnen moffen voor den dag gehaald en gevoelden zich niet weinig tevreden, dat zij die medegenomen hadden.„Die dingen zullen de dames wel te pas komen op het warme Java!” spotte kapitein Van Dam.„Lach er niet meê, kapitein,” sprak Emma. „Wilatoong ligt 1020 M. of op ruim 3200 voet hoog. Ik verzeker u dat het daar ’s morgens koud kan zijn en dat, bij eene wandeling bij het opkomen der zon, eene mof niet overbodig mag heeten.”Tegen elf uren waren niet alleen de omtrekken van het land, hetwelk zich voor het oog opdeed, maar ook debijzonderhedendaarvan waarneembaar. DeFernandina Maria Emmastevende recht op eene kaap aan, die zich aanvankelijk steil uit zee verhief, een kleine top als een voorgebergte vormde, maar daar achter in zachte glooiingen in een bergtop overging, die zich in het midden van het eiland verhief, en geheel in sneeuw en ijs gehuld was. De hellingen van dien berg waren op de ruggen der lengteribben met groen overdekt, en kon bij de scherpste waarneming met de scheepskijkers geen enkele boom, zelfs geen struik ontwaard worden; zoodat men tot de overtuiging moest komen, dat die groene bedekking uit een kort gras moest bestaan. De ruimten[356]tusschen die lengteribben en de kloven en ravijnen, die van den bergtop afdaalden om in het kustland te loor te gaan, waren met sneeuw gevuld, evenwel niet zoo, dat derzelver beloop onzichtbaar geworden zoude zijn, eerder zooveel om de relièfs van die bergmassa scherp begrensd te doen te voorschijn treden. Langs den zeeoever wemelde het van watervogels, die in talrijke vluchten om dat land scheerden.Bij de middagwaarneming bleek het fregat op 46° 55′ zuiderbreedte en 37° 34′ oosterlengte te staan en lag op nog geen twee mijlen uit den wal. Kapitein Butteling liet thans zuid-oost ten zuiden voorleggen.„Dat voorgebergte daar,” sprak kapitein Butteling, „heet Kaap Crosier.”„Maar, hoe heet het eiland, waartoe die kaap behoort?” vroeg kapitein Van Dam. „Is dat Prince Edward eiland?”„Neen, Prince Edward eiland is niet te ontwaren, het ligt thans noordoost van ons, en wordt door dit eiland voor ons gezicht gedekt.”„Hoe heet dit eiland dan?”„Dit is het eiland Marion.”73„Wien behoort het?”„Niemand; het is geheel onbewoond. Dat ziet gij trouwens aan de zwermen zeevogels, die er om zwerven.”Toen deFernandina Maria Emmakaap Crosier gerond had, stevende zij zuiver oostwaarts, evenwijdig aan en niet verder dan ongeveer twee mijlen van de zuidkust van Marion. Dat eiland, hetwelk daar met zijn bergtop, die zich op 4200 voet boven de oppervlakte der zee verhief, en met sneeuw en ijs overdekt was, somber uit de zee oprees, stemde door zijne verlatenheid het hart tot weemoed. Geen hutje, geen blauwe rookkolom, die hare spiralen omhoog kronkelde en de tegenwoordigheid van menschelijke wezens verried, was te bespeuren.[357]Niets dan sneeuw en ijs op de toppen en de bergnokken, niets dan kale rotsen in de hellingen, hier en daar met eene groene laag als met koperoxyde overdekt; terwijl eene zeer smalle strook, die zich aan den voet van het gebergte uitstrekte, met een kort gras overdekt scheen, en eene eenigszins vriendelijke tint aan dat tooneel bijzette.Duizende en duizende zeevogels zwierven in dichte kringen over het eiland en deden de lucht van hun krijschend geschreeuw weergalmen. Verreweg waren de kaapsche duiven en kaapsche ganzen het talrijkst vertegenwoordigd; maar daar vlogen ook eene menigte albatrossen, en dominé’s rond, die rondom het schip dichte en onuitwarbare kringen beschreven. Maar, waren de vogels, die de lucht doorkliefden, om het schip draaiden of daarboven zweefden, ontelbaar, de menigte, die aan den wal of zwemmende langs den oever bespeurd werd, had op die kwalificatie veel meer aanspraak. Het strand was letterlijk overdekt met vetganzen74, die daar met hun zakvormig lichaam, op korte pooten rustende, waarboven een dikke hals met plompen kop en een tamelijk langen maar te zamengedrukten snavel, een vrij koddig figuur maakten. Men was zoo kortbij, dat die dieren met behulp der kijkers zeer goed waar te nemen en in hunne bewegingen te volgen waren. Wat hun een zot uitzicht verleende, waren hunne vleugels, die met hunne schubvormige veeren er slechts het denkbeeld van gaven; zulke korte stompjes waren het. Wandelden die dieren op het strand, dan was hun gang lachverwekkend en niets anders dan bij een gevederden zak te vergelijken, die zich waggelend op korte pooten voortbewoog en waarboven een gesnavelde kop lummelachtig prijkte. Hadden zij haast en repten zij zich, dan bogen zij voorover tot met de borst op den bodem en gleden dan, als het ware, met veel snelheid voort, terwijl zij alsdan met[358]pooten en vlerken werkten. Maar zij, die in het water langs de kust zwommen, verrukten de toeschouwers, door hunne vlugge bewegingen en behendig duiken. Daar waren zij in hun element en vertoonden zich ook dan niet zoo belachelijk als zij, die zich op het land bewogen; integendeel, dan was er iets sierlijks, iets bevalligs in hunne bewegingen, en geen enkele vogel, zelfs de zoo lieve kaapsche duif lag dan zoo licht en zoo etherisch op het water.„Zouden wij niet eens naar den wal kunnen?” vroeg Slierendrecht aan kapitein Butteling.„Bij de vaart, die wij loopen, onmogelijk,” antwoordde de zeeman. „Wij maken ongeveer acht mijlen.”„Maar wij zouden ten anker kunnen komen,” meende Van Diepbrugge.„Om wat te doen?” was de driftige vraag. „Om naar den wal te gaan?”„Wel, wij zouden ettelijke dozijnen van die vetganzen kunnen schieten. Onder dien hoop moet elke hagelkorrel raak zijn. En zij zien er zoo dik en zoo dodderig uit, dat zij onwillekeurig het gezegde van dien Berlijnschen lekkerbek herinneren:„Eine jute jebratene Janse ist eine jute Jabe Jottes.”„En voor zoo eene jute Jabe Jottes zou ik ten anker gaan?” vroeg kapitein Butteling lachend. „Dat zal ik wel nalaten! Vooreerst zou dat een waagstukje zijn in deze streken, dat onverantwoordelijk voor een ervaren zeeman zou moeten genoemd worden. Dan, al bracht gij eene geheele sloep met ganzen aan boord, zouden wij er toch niets aan hebben.”„Waarom niet?”„Wel omdat die dieren zoo traanachtig zijn, dat zij totaal oneetbaar geacht moeten worden.”„Hebt gij er dan van geproefd?” vroeg Denniston.[359]„Ook dat. Ik ben eens op het eiland Kerguelen aan wal geweest, en meende bij die gelegenheid van een vet ganzenboutje te smullen; maar jawel, het vleesch was zoo walgelijk, dat men er zeeziek van werd. Alleen de eieren, die eene groenachtige schaal hebben, zijn eetbaar en zelfs lekker te noemen.”DeFernandina Maria Emmarepte zich. Het was zoo omstreeks een uur, toen zij onder den wind van het eiland geraakte. Maar toen deed zich zoo’n kou gevoelen, dat het meerendeel der opvarenden naar beneden stoof. De wind sneed letterlijk.„De invloed van die gletschers daar,” zei Behren wijsgeerig.Het was ongeveer twee uur, toen het fregat kaap Hooker, de zuidoostelijkste punt van Marion passeerde. Zoodra men die kaap voorbij was, kreeg men een blik op het eiland Prince Edward, dat zich op ongeveer zeven mijlen afstand in het noorden vertoonde. De lucht was niet helder genoeg om er veel van te ontwaren. Alleen kon men zien, dat het eiland veel kleiner dan Marion was; terwijl ook een berg zich in het midden verhief, die volgens mededeeling van kapitein Butteling 2370 voet hoog was. Tegen vijf uur waren de beide eilanden aan de kim verdwenen. Niemand was daar rouwig om; want, behalve dat het desolate gezicht van die sneeuw-,ijs- en rotsmassa’s onmogelijk tot opgewektheid kon stemmen, hoe verrukkelijk overigens het gezicht van land voor de reizigers ook was, die gedurende langen tijd niets dan lucht en water zagen, was iedereen blij van onder den wind dier eilanden van daan te zijn. Eigenaardig was het, dat toen het fregat de beide eilanden een paar streken te boven was gekomen, de temperatuur weer klom, en andermaal aan frisch lenteweder gelijk werd.[360]Onverdroten vervolgde deFernandina Maria Emmaharen koers. Zij bleef nog eenige dagen nagenoeg op denzelfden breedtegraad voortstevenen; maar hield toch nog ietwat ten zuiden aan. Zoo was den eenen dag de koers oostzuidoost een achtste oost, een volgenden oost een derde zuid, een anderen oostzuidoost zeven achtste oost en ging dat zoo voort, toen op den 10denDecember de hoogste breedtegraad bereikt werd. Het schip bevond zich toen op het middaguur op 48° 42′ zuiderbreedte en 46° 53′ oosterlengte. Toen meende kapitein Butteling genoeg zuid gehaald te hebben en wijzigde nu den koers in zooverre, dat de hoofdrichting werd: oostnoordoost drie kwart oost tot den 17enDecember, toen noordoost half noord voorgelegd werd.Op dien dag bevond het fregat zich op 39° 47′ zuiderbreedte en 85° 11′ oosterlengte en had sedert men het eiland Marion gepasseerd was, gemiddeld 59 mijlen per etmaal afgelegd.Op zee zijn de afwisselingen niet zeldzaam. Sedert den storm van 26 November had men vrij dragelijk weer gehad, dat zich wel eens een enkelen keer ruw had laten aanzien; maar door de zeelieden tochhandsomegenoemd werd. Den 22stenDecember evenwel, kort nadat het middagbestek opgemaakt was, hetwelk 28° 36′ noorderbreedte en 93° 22′ oosterlengte aangaf, schoot de wind, die tot hiertoe vrij constant in het noordwesten gebleven was, in het zuidwesten en begon dadelijk uit alle macht te blazen. Kapitein Butteling, door het weerglas gewaarschuwd, had bijtijds de zeilen doen bergen en reven; zoodat, toen het weer losbarstte, deFernandina Maria Emmamet gereefden fok en dichtgereefd grootmarszeil voor den wind lensde. Het was merkwaardig binnen hoe korten tijd de zee die, door den noordwester bewogen, nog al hol stond, zich in hooge golven[361]uit het zuidwesten verhief. Aanvankelijk vormden die twee deiningen, die rechthoekig op elkander inliepen, eene moeielijke zee, waarin het schip zwaar en zeer onregelmatig werkte; maar bij het toenemen van den storm, verdween die noordwestelijke deining en rolde die uit het zuidwesten hare hemelhooge baren aan.Al spoedig werd het uiterst gevaarlijk op het dek; want bij zoo’n weer zouden brekers niet uitbleven. Het schip slingerde vreeselijk, en de eene monstergolf voor en de andere na grepen het van achteren aan. Met een donderend geweld werd het soms medegesleept, schoot in de diepte, verhief zich weer op de kruin en ondervond daarbij in alle zijne deelen eene trilling, niet ongelijk aan die, welke in een sneltrein ondervonden wordt. Kapitein Butteling liet dan ook de luiken verzekeren en den kajuitstrap met presennings beschermen.Toen de storm losbarstte had de kok al zijne ketels op het fornuis; maar bij de heftige bewegingen, die het schip volvoerde, sprongen de kookgereedschappen uit hunne vierkanten, en lagen de spijzen al heel spoedig half gaar op den bodem der kombuis heen en weder te walsen. De keukenprins had het geraden geacht zich uit de voeten te maken om de heete snert, die juist te vuur stond, niet over het lichaam te krijgen. Gelukkig dat eene zee een oogenblik later de kombuis bestormde, de kolen en de houtspaanders uitbluschte, en zoo ieder gevaar van brand deed verdwijnen, maar ook te gelijkertijd ieder uitzicht op een maaltijd werkelijk in rook deed vervliegen.„Wat zullen wij te dineeren krijgen?” vroeg Denniston aan den matroos-hofmeester, die deze kombuiswederwaardigheden achteruit kwam mededeelen.„Ja, heeren, de snert is verongelukt,” antwoordde[362]deze. „Dat weer is wel wat snel op komen zetten. Ik heb niets anders dan scheepsbeschuit met ham.”„Smakelijk eten!” riepen allen.„Waarom geen gerookte zalm?”„Waarom geene saucisse de Boulogne?”„Waarom geene gerookte tong?”„Waarom geene sardijntjes, of haring, of ansjovis?”Die waaroms kruisten zich allerwegen. Vatel maakte dat hij weg kwam. Hij kon zich toch moeielijk even als zijn Fransche ambtgenoot—volgens mevrouw de Sevigné—van kant maken; ook kon hij geen ander antwoord geven dan dat het weer hem overvallen had en het nu onmogelijk was in het victualieruim af te dalen.Of er veel eetlust bestond, toen de harde beschuit met ham op de tafel verscheen? Het schip maakte zulke kabriolen, dat het onmogelijk was een bord in bedwang te houden en mes en vork te hanteeren. De broodbakken met scheepsbeschuit en de borden met gesneden ham stonden op de slingerborden. Ieder die eetlust had, bediende zich, en verorberde zijn diner uit het vuistje. Zoo ging het ook in het tusschendek. Aan de soldaten—aan hen namelijk, die door de slingeringen van het schip niet van streek waren,—werden ook een paar dikke maar harde scheepsbeschuiten uitgedeeld. Voor beiden waren gezonde tanden en een flink kakebeensvermogen noodig.Dat weer hield volle vier en twintig uren aan. Daarna begon de wind te minderen, en zoodanig om te loopen, dat hij in het zuidoosten te recht kwam. Nog voor dat het avond werd, waren de laatste sporen van den storm aan den hemel verdwenen, en ging de zon achter eene volmaakt zuivere en scherp afgeteekende kim ten onder.Alleen de zee, die nog hol uit het zuidwesten aanrolde, was minder aangenaam, daar bij de zwakte der[363]bries het schip nog maar weinig steun in zijne zeilen had, die inmiddels zooveel maar mogelijk was, bijgezet waren. Maar de deining slechtte langzamerhand ook af, zoodat die storm weldra vergeten was.„Wij zijn met glans in den zuidoostpassaat geraakt,” merkte stuurman Abels de passagiers op. „Ik moet erkennen, dat wij het al bijzonder goed treffen.”„Dat komt waarschijnlijk, omdat ik aan boord ben,” sprak Adelien Groenewald lachend. „Als ik op reis ben, gaat alles voorspoedig.”„Dat mag dan ook wel,” antwoordde de stuurman.„Wat mag dan ook wel?” vroeg het jonge meisje.„Dat weer en wind galant jegens jonge dames zijn!” antwoordde Abels.„Dat de goede God zooveel voor den schoonsten zijner engelen over heeft,” voegde Leidermooi er bij.„Dank u voor het kompliment, mijnheer Leidermooi en mijnheer Abels.”„Wat geheel op zijne plaats en volkomen verdiend is, juffrouw Groenewald,” betuigden beiden.Adelien luisterde ter nauwernood naar dat kwinkeleeren. Hare aandacht was elders. Zij zag Frank met Herman ter hoogte van den grooten mast staan, die beiden op de verschansing geleund, in een ernstig gesprek schenen. Met een blik wees zij hare zuster in die richting. Bij intuïtie kregen de jonge meisjes een gevoel, alsof daar hare toekomst beslist werd. Haar voorgevoel bedroog haar niet. Het gesprek was daar zeer ernstig. Frank had zijnen vriend dadelijk het onderhoud medegedeeld, hetwelk hij ettelijke dagen te voren met den heer Groenewald gehad had. Deze had zonder dralen ieder aanbod terstond van de hand gewezen en betuigd, dat hij militair in hart en ziel en niet genegen was om die loopbaan vaarwel te zeggen.[364]„Ook niet, wanneer u zooals onderwerpelijk, eene zooveel betere loopbaan aangeboden wordt?” vroeg Frank.„Wij zullen maar geen discussie openen over het betere of het mindere van deze of gene loopbaan. In onze eeuw is iedere eerlijke loopbaan de beste, die met onze neigingen en wenschen het meest overeenkomt, en die door ons ongedwongen, bij keuze aanvaard wordt. Neen, ik ben niet genegen om den krijgsmansrok tegen een anderen te verwisselen.”„Ook niet, wanneer gij met die betere positie de hand kunt verwerven van een lief, aardig en zeer schoon meisje?” vroeg Frank met iets ondeugends in zijne stem.„Wat bedoelt gij daarmeê?”„Kom Herman, speel den onnoozelen nu niet. Alsof ge niet bemerkt zoudt hebben, dat gij Emma niet onverschillig zijt.”Een oogenblik stond Riethoven roerloos stil. In zijn brein rees de gedachte: „als mij dat eens van Lydia gezegd was geworden! Wat vreugde zou ik dan niet ondervonden hebben!” Met het geestesoog dwaalde hij af naar het noordelijk halfrond, naar het bescheidenste stadje van het bescheidene rijkje van het kleinste werelddeel. Een paar lieve donkere oogen, die onder een diadeem van prachtige bruine krullen fonkelden, staarden hem aan. Die oogen waren ernstig gestemd, het gebaar van de schoone maagd wees naar boven en hare lippen prevelden: „à Dieu!”„Dat ’s immers altemaal maar gekheid!” barstte hij uit. „Ik juffrouw Emma niet onverschillig zijn! Kom, kom, je vriendschap voor mij vervoert je. Nimmer heb ik dat meisje aanleiding gegeven te veronderstellen, dat ik ooit een gedachte aan haar gewijd heb. Hoe zou zij eenige genegenheid voor mij eenvoudig onderofficier opgevat hebben?”[365]„Drommels, de liefde ziet niet naar.…”„En al ware dat zoo,” viel Herman zijn vriend in de rede, „dan zou ik het voor Emma Groenewald betreuren; want bij mij is alles dood! Ik geloof geen vrouw meer te kunnen liefhebben. Eene speelpop er van maken.… ja, misschien in de toekomst;… later … als ik meer vergeten zal hebben. Maar … daarvoor is Emma Groenewald te goed, te edel, te rein.”Die laatste woorden werden niet zonder geestdrift uitgesproken. Frank keek zijn vriend verbaasd aan.„Dus,” hernam hij, „van eene vereeniging met Emma zullen wij maar niet meer spreken. Ik begrijp je gevoelen volkomen, en kan dat ook eenigermate goedkeuren. Maar nu de aangebodene betrekking?”„Die weiger ik glad weg. Ik wil en mag door eene aanneming geen verwachtingen opwekken, die ik onmogelijk vervullen kan. Daarenboven ik blijf militair. In mijn oog is er geen loopbaan, die het bij deze halen kan.”„Maar … welken raad zoudt gij mij geven?”„Gij?… gij zijt in een heel anderen toestand! Gij bemint Adelien en voor de beminde vrouw kan geen te zwaar offer gebracht worden. Of beter, het is geen offer dat gebracht wordt; het is een genot, een wellust iets te kunnen verrichten, wat strekken kan haar te naderen, al strookt die handeling ook niet altijd met onze gemaakte plannen. Het is eene soort piëteit: alles voor het geliefde voorwerp over te hebben!”„Dus gij zoudt mij raden?…”„Wacht! ik raad u om kalm den toestand te overdenken. Met uwen onderofficiersjas aan in die familie opgenomen te worden, staat, dunkt mij, met een afstand van uwe onafhankelijkheid tamelijk gelijk. Gij treedt dan arm en berooid dat gezin binnen, en zijt daaraan alles verschuldigd. Zal die gedachte in de dagen van rampspoed,[366]uw brein of dat van Adelien niet bestormen? Zullen.…”„O! zwijg, zwijg! wat ik je bidden mag,” sprak Frank smeekend. „Je woorden hebben mij wakker geschud. Ik weet thans wat mij te doen staat.”[367]
[Inhoud]XV.In den Zuidoostpassaat.Toen op den 8stenDecember de dag aanbrak, en de opvarenden derFernandina Maria Emmaaan het dek kwamen, klonk de kreet van uit de mars van den fokkemast:„Land vooruit!”Aller blikken keerden zich naar het aangeduide punt. En ja, daar doemden aan den horizon de omtrekken van vast land langzaam op. Eerst als een nevelachtige band, later als eene loodblauwe massa met scherpe omtrekken. Nog later begonnen zich heldere stippen op dien loodkleurigen band te vertoonen en tooiden zich vooral de toppen in het helderste wit.„Wat drommel kan dat voor land zijn?” vroeg kapitein Van Dam aan den derden stuurman, die in dat morgenuur de wacht aan dek had. „Het kan onmogelijk een der Crozet eilanden zijn, die liggen zoo wat, meen ik, onder den 51stenlengtegraad, en nog minder Kerguelen-eiland, dat ongeveer op 70° ligt.”„Neen, kapitein,” antwoordde de stuurman, „geen dier beiden is het. Het zijn de Prince Edward eilanden, die wij daar voor ons hebben.”„Het is ter dege koud,” sprak Adelien Groenewald.[355]„Daar zult gij de zeer natuurlijke oorzaak weldra van zien, juffrouw,” antwoordde stuurman Ellenbaan. „Die heldere stippen daar ginds en die witte toppen zijn sneeuwvelden, gletschers en ijsbergen. Als wij straks onder den wind van het eiland komen, zullen wij het nog wel kouder krijgen.”Het fregat naderde al meer en meer, waarbij de koude zich ook al meer en meer deed gevoelen. Voor en na slopen de passagiers naar beneden en verschenen weer, gewikkeld in burnou’s, overjassen, pelsmantels en hadden de dames hare hermelijnen moffen voor den dag gehaald en gevoelden zich niet weinig tevreden, dat zij die medegenomen hadden.„Die dingen zullen de dames wel te pas komen op het warme Java!” spotte kapitein Van Dam.„Lach er niet meê, kapitein,” sprak Emma. „Wilatoong ligt 1020 M. of op ruim 3200 voet hoog. Ik verzeker u dat het daar ’s morgens koud kan zijn en dat, bij eene wandeling bij het opkomen der zon, eene mof niet overbodig mag heeten.”Tegen elf uren waren niet alleen de omtrekken van het land, hetwelk zich voor het oog opdeed, maar ook debijzonderhedendaarvan waarneembaar. DeFernandina Maria Emmastevende recht op eene kaap aan, die zich aanvankelijk steil uit zee verhief, een kleine top als een voorgebergte vormde, maar daar achter in zachte glooiingen in een bergtop overging, die zich in het midden van het eiland verhief, en geheel in sneeuw en ijs gehuld was. De hellingen van dien berg waren op de ruggen der lengteribben met groen overdekt, en kon bij de scherpste waarneming met de scheepskijkers geen enkele boom, zelfs geen struik ontwaard worden; zoodat men tot de overtuiging moest komen, dat die groene bedekking uit een kort gras moest bestaan. De ruimten[356]tusschen die lengteribben en de kloven en ravijnen, die van den bergtop afdaalden om in het kustland te loor te gaan, waren met sneeuw gevuld, evenwel niet zoo, dat derzelver beloop onzichtbaar geworden zoude zijn, eerder zooveel om de relièfs van die bergmassa scherp begrensd te doen te voorschijn treden. Langs den zeeoever wemelde het van watervogels, die in talrijke vluchten om dat land scheerden.Bij de middagwaarneming bleek het fregat op 46° 55′ zuiderbreedte en 37° 34′ oosterlengte te staan en lag op nog geen twee mijlen uit den wal. Kapitein Butteling liet thans zuid-oost ten zuiden voorleggen.„Dat voorgebergte daar,” sprak kapitein Butteling, „heet Kaap Crosier.”„Maar, hoe heet het eiland, waartoe die kaap behoort?” vroeg kapitein Van Dam. „Is dat Prince Edward eiland?”„Neen, Prince Edward eiland is niet te ontwaren, het ligt thans noordoost van ons, en wordt door dit eiland voor ons gezicht gedekt.”„Hoe heet dit eiland dan?”„Dit is het eiland Marion.”73„Wien behoort het?”„Niemand; het is geheel onbewoond. Dat ziet gij trouwens aan de zwermen zeevogels, die er om zwerven.”Toen deFernandina Maria Emmakaap Crosier gerond had, stevende zij zuiver oostwaarts, evenwijdig aan en niet verder dan ongeveer twee mijlen van de zuidkust van Marion. Dat eiland, hetwelk daar met zijn bergtop, die zich op 4200 voet boven de oppervlakte der zee verhief, en met sneeuw en ijs overdekt was, somber uit de zee oprees, stemde door zijne verlatenheid het hart tot weemoed. Geen hutje, geen blauwe rookkolom, die hare spiralen omhoog kronkelde en de tegenwoordigheid van menschelijke wezens verried, was te bespeuren.[357]Niets dan sneeuw en ijs op de toppen en de bergnokken, niets dan kale rotsen in de hellingen, hier en daar met eene groene laag als met koperoxyde overdekt; terwijl eene zeer smalle strook, die zich aan den voet van het gebergte uitstrekte, met een kort gras overdekt scheen, en eene eenigszins vriendelijke tint aan dat tooneel bijzette.Duizende en duizende zeevogels zwierven in dichte kringen over het eiland en deden de lucht van hun krijschend geschreeuw weergalmen. Verreweg waren de kaapsche duiven en kaapsche ganzen het talrijkst vertegenwoordigd; maar daar vlogen ook eene menigte albatrossen, en dominé’s rond, die rondom het schip dichte en onuitwarbare kringen beschreven. Maar, waren de vogels, die de lucht doorkliefden, om het schip draaiden of daarboven zweefden, ontelbaar, de menigte, die aan den wal of zwemmende langs den oever bespeurd werd, had op die kwalificatie veel meer aanspraak. Het strand was letterlijk overdekt met vetganzen74, die daar met hun zakvormig lichaam, op korte pooten rustende, waarboven een dikke hals met plompen kop en een tamelijk langen maar te zamengedrukten snavel, een vrij koddig figuur maakten. Men was zoo kortbij, dat die dieren met behulp der kijkers zeer goed waar te nemen en in hunne bewegingen te volgen waren. Wat hun een zot uitzicht verleende, waren hunne vleugels, die met hunne schubvormige veeren er slechts het denkbeeld van gaven; zulke korte stompjes waren het. Wandelden die dieren op het strand, dan was hun gang lachverwekkend en niets anders dan bij een gevederden zak te vergelijken, die zich waggelend op korte pooten voortbewoog en waarboven een gesnavelde kop lummelachtig prijkte. Hadden zij haast en repten zij zich, dan bogen zij voorover tot met de borst op den bodem en gleden dan, als het ware, met veel snelheid voort, terwijl zij alsdan met[358]pooten en vlerken werkten. Maar zij, die in het water langs de kust zwommen, verrukten de toeschouwers, door hunne vlugge bewegingen en behendig duiken. Daar waren zij in hun element en vertoonden zich ook dan niet zoo belachelijk als zij, die zich op het land bewogen; integendeel, dan was er iets sierlijks, iets bevalligs in hunne bewegingen, en geen enkele vogel, zelfs de zoo lieve kaapsche duif lag dan zoo licht en zoo etherisch op het water.„Zouden wij niet eens naar den wal kunnen?” vroeg Slierendrecht aan kapitein Butteling.„Bij de vaart, die wij loopen, onmogelijk,” antwoordde de zeeman. „Wij maken ongeveer acht mijlen.”„Maar wij zouden ten anker kunnen komen,” meende Van Diepbrugge.„Om wat te doen?” was de driftige vraag. „Om naar den wal te gaan?”„Wel, wij zouden ettelijke dozijnen van die vetganzen kunnen schieten. Onder dien hoop moet elke hagelkorrel raak zijn. En zij zien er zoo dik en zoo dodderig uit, dat zij onwillekeurig het gezegde van dien Berlijnschen lekkerbek herinneren:„Eine jute jebratene Janse ist eine jute Jabe Jottes.”„En voor zoo eene jute Jabe Jottes zou ik ten anker gaan?” vroeg kapitein Butteling lachend. „Dat zal ik wel nalaten! Vooreerst zou dat een waagstukje zijn in deze streken, dat onverantwoordelijk voor een ervaren zeeman zou moeten genoemd worden. Dan, al bracht gij eene geheele sloep met ganzen aan boord, zouden wij er toch niets aan hebben.”„Waarom niet?”„Wel omdat die dieren zoo traanachtig zijn, dat zij totaal oneetbaar geacht moeten worden.”„Hebt gij er dan van geproefd?” vroeg Denniston.[359]„Ook dat. Ik ben eens op het eiland Kerguelen aan wal geweest, en meende bij die gelegenheid van een vet ganzenboutje te smullen; maar jawel, het vleesch was zoo walgelijk, dat men er zeeziek van werd. Alleen de eieren, die eene groenachtige schaal hebben, zijn eetbaar en zelfs lekker te noemen.”DeFernandina Maria Emmarepte zich. Het was zoo omstreeks een uur, toen zij onder den wind van het eiland geraakte. Maar toen deed zich zoo’n kou gevoelen, dat het meerendeel der opvarenden naar beneden stoof. De wind sneed letterlijk.„De invloed van die gletschers daar,” zei Behren wijsgeerig.Het was ongeveer twee uur, toen het fregat kaap Hooker, de zuidoostelijkste punt van Marion passeerde. Zoodra men die kaap voorbij was, kreeg men een blik op het eiland Prince Edward, dat zich op ongeveer zeven mijlen afstand in het noorden vertoonde. De lucht was niet helder genoeg om er veel van te ontwaren. Alleen kon men zien, dat het eiland veel kleiner dan Marion was; terwijl ook een berg zich in het midden verhief, die volgens mededeeling van kapitein Butteling 2370 voet hoog was. Tegen vijf uur waren de beide eilanden aan de kim verdwenen. Niemand was daar rouwig om; want, behalve dat het desolate gezicht van die sneeuw-,ijs- en rotsmassa’s onmogelijk tot opgewektheid kon stemmen, hoe verrukkelijk overigens het gezicht van land voor de reizigers ook was, die gedurende langen tijd niets dan lucht en water zagen, was iedereen blij van onder den wind dier eilanden van daan te zijn. Eigenaardig was het, dat toen het fregat de beide eilanden een paar streken te boven was gekomen, de temperatuur weer klom, en andermaal aan frisch lenteweder gelijk werd.[360]Onverdroten vervolgde deFernandina Maria Emmaharen koers. Zij bleef nog eenige dagen nagenoeg op denzelfden breedtegraad voortstevenen; maar hield toch nog ietwat ten zuiden aan. Zoo was den eenen dag de koers oostzuidoost een achtste oost, een volgenden oost een derde zuid, een anderen oostzuidoost zeven achtste oost en ging dat zoo voort, toen op den 10denDecember de hoogste breedtegraad bereikt werd. Het schip bevond zich toen op het middaguur op 48° 42′ zuiderbreedte en 46° 53′ oosterlengte. Toen meende kapitein Butteling genoeg zuid gehaald te hebben en wijzigde nu den koers in zooverre, dat de hoofdrichting werd: oostnoordoost drie kwart oost tot den 17enDecember, toen noordoost half noord voorgelegd werd.Op dien dag bevond het fregat zich op 39° 47′ zuiderbreedte en 85° 11′ oosterlengte en had sedert men het eiland Marion gepasseerd was, gemiddeld 59 mijlen per etmaal afgelegd.Op zee zijn de afwisselingen niet zeldzaam. Sedert den storm van 26 November had men vrij dragelijk weer gehad, dat zich wel eens een enkelen keer ruw had laten aanzien; maar door de zeelieden tochhandsomegenoemd werd. Den 22stenDecember evenwel, kort nadat het middagbestek opgemaakt was, hetwelk 28° 36′ noorderbreedte en 93° 22′ oosterlengte aangaf, schoot de wind, die tot hiertoe vrij constant in het noordwesten gebleven was, in het zuidwesten en begon dadelijk uit alle macht te blazen. Kapitein Butteling, door het weerglas gewaarschuwd, had bijtijds de zeilen doen bergen en reven; zoodat, toen het weer losbarstte, deFernandina Maria Emmamet gereefden fok en dichtgereefd grootmarszeil voor den wind lensde. Het was merkwaardig binnen hoe korten tijd de zee die, door den noordwester bewogen, nog al hol stond, zich in hooge golven[361]uit het zuidwesten verhief. Aanvankelijk vormden die twee deiningen, die rechthoekig op elkander inliepen, eene moeielijke zee, waarin het schip zwaar en zeer onregelmatig werkte; maar bij het toenemen van den storm, verdween die noordwestelijke deining en rolde die uit het zuidwesten hare hemelhooge baren aan.Al spoedig werd het uiterst gevaarlijk op het dek; want bij zoo’n weer zouden brekers niet uitbleven. Het schip slingerde vreeselijk, en de eene monstergolf voor en de andere na grepen het van achteren aan. Met een donderend geweld werd het soms medegesleept, schoot in de diepte, verhief zich weer op de kruin en ondervond daarbij in alle zijne deelen eene trilling, niet ongelijk aan die, welke in een sneltrein ondervonden wordt. Kapitein Butteling liet dan ook de luiken verzekeren en den kajuitstrap met presennings beschermen.Toen de storm losbarstte had de kok al zijne ketels op het fornuis; maar bij de heftige bewegingen, die het schip volvoerde, sprongen de kookgereedschappen uit hunne vierkanten, en lagen de spijzen al heel spoedig half gaar op den bodem der kombuis heen en weder te walsen. De keukenprins had het geraden geacht zich uit de voeten te maken om de heete snert, die juist te vuur stond, niet over het lichaam te krijgen. Gelukkig dat eene zee een oogenblik later de kombuis bestormde, de kolen en de houtspaanders uitbluschte, en zoo ieder gevaar van brand deed verdwijnen, maar ook te gelijkertijd ieder uitzicht op een maaltijd werkelijk in rook deed vervliegen.„Wat zullen wij te dineeren krijgen?” vroeg Denniston aan den matroos-hofmeester, die deze kombuiswederwaardigheden achteruit kwam mededeelen.„Ja, heeren, de snert is verongelukt,” antwoordde[362]deze. „Dat weer is wel wat snel op komen zetten. Ik heb niets anders dan scheepsbeschuit met ham.”„Smakelijk eten!” riepen allen.„Waarom geen gerookte zalm?”„Waarom geene saucisse de Boulogne?”„Waarom geene gerookte tong?”„Waarom geene sardijntjes, of haring, of ansjovis?”Die waaroms kruisten zich allerwegen. Vatel maakte dat hij weg kwam. Hij kon zich toch moeielijk even als zijn Fransche ambtgenoot—volgens mevrouw de Sevigné—van kant maken; ook kon hij geen ander antwoord geven dan dat het weer hem overvallen had en het nu onmogelijk was in het victualieruim af te dalen.Of er veel eetlust bestond, toen de harde beschuit met ham op de tafel verscheen? Het schip maakte zulke kabriolen, dat het onmogelijk was een bord in bedwang te houden en mes en vork te hanteeren. De broodbakken met scheepsbeschuit en de borden met gesneden ham stonden op de slingerborden. Ieder die eetlust had, bediende zich, en verorberde zijn diner uit het vuistje. Zoo ging het ook in het tusschendek. Aan de soldaten—aan hen namelijk, die door de slingeringen van het schip niet van streek waren,—werden ook een paar dikke maar harde scheepsbeschuiten uitgedeeld. Voor beiden waren gezonde tanden en een flink kakebeensvermogen noodig.Dat weer hield volle vier en twintig uren aan. Daarna begon de wind te minderen, en zoodanig om te loopen, dat hij in het zuidoosten te recht kwam. Nog voor dat het avond werd, waren de laatste sporen van den storm aan den hemel verdwenen, en ging de zon achter eene volmaakt zuivere en scherp afgeteekende kim ten onder.Alleen de zee, die nog hol uit het zuidwesten aanrolde, was minder aangenaam, daar bij de zwakte der[363]bries het schip nog maar weinig steun in zijne zeilen had, die inmiddels zooveel maar mogelijk was, bijgezet waren. Maar de deining slechtte langzamerhand ook af, zoodat die storm weldra vergeten was.„Wij zijn met glans in den zuidoostpassaat geraakt,” merkte stuurman Abels de passagiers op. „Ik moet erkennen, dat wij het al bijzonder goed treffen.”„Dat komt waarschijnlijk, omdat ik aan boord ben,” sprak Adelien Groenewald lachend. „Als ik op reis ben, gaat alles voorspoedig.”„Dat mag dan ook wel,” antwoordde de stuurman.„Wat mag dan ook wel?” vroeg het jonge meisje.„Dat weer en wind galant jegens jonge dames zijn!” antwoordde Abels.„Dat de goede God zooveel voor den schoonsten zijner engelen over heeft,” voegde Leidermooi er bij.„Dank u voor het kompliment, mijnheer Leidermooi en mijnheer Abels.”„Wat geheel op zijne plaats en volkomen verdiend is, juffrouw Groenewald,” betuigden beiden.Adelien luisterde ter nauwernood naar dat kwinkeleeren. Hare aandacht was elders. Zij zag Frank met Herman ter hoogte van den grooten mast staan, die beiden op de verschansing geleund, in een ernstig gesprek schenen. Met een blik wees zij hare zuster in die richting. Bij intuïtie kregen de jonge meisjes een gevoel, alsof daar hare toekomst beslist werd. Haar voorgevoel bedroog haar niet. Het gesprek was daar zeer ernstig. Frank had zijnen vriend dadelijk het onderhoud medegedeeld, hetwelk hij ettelijke dagen te voren met den heer Groenewald gehad had. Deze had zonder dralen ieder aanbod terstond van de hand gewezen en betuigd, dat hij militair in hart en ziel en niet genegen was om die loopbaan vaarwel te zeggen.[364]„Ook niet, wanneer u zooals onderwerpelijk, eene zooveel betere loopbaan aangeboden wordt?” vroeg Frank.„Wij zullen maar geen discussie openen over het betere of het mindere van deze of gene loopbaan. In onze eeuw is iedere eerlijke loopbaan de beste, die met onze neigingen en wenschen het meest overeenkomt, en die door ons ongedwongen, bij keuze aanvaard wordt. Neen, ik ben niet genegen om den krijgsmansrok tegen een anderen te verwisselen.”„Ook niet, wanneer gij met die betere positie de hand kunt verwerven van een lief, aardig en zeer schoon meisje?” vroeg Frank met iets ondeugends in zijne stem.„Wat bedoelt gij daarmeê?”„Kom Herman, speel den onnoozelen nu niet. Alsof ge niet bemerkt zoudt hebben, dat gij Emma niet onverschillig zijt.”Een oogenblik stond Riethoven roerloos stil. In zijn brein rees de gedachte: „als mij dat eens van Lydia gezegd was geworden! Wat vreugde zou ik dan niet ondervonden hebben!” Met het geestesoog dwaalde hij af naar het noordelijk halfrond, naar het bescheidenste stadje van het bescheidene rijkje van het kleinste werelddeel. Een paar lieve donkere oogen, die onder een diadeem van prachtige bruine krullen fonkelden, staarden hem aan. Die oogen waren ernstig gestemd, het gebaar van de schoone maagd wees naar boven en hare lippen prevelden: „à Dieu!”„Dat ’s immers altemaal maar gekheid!” barstte hij uit. „Ik juffrouw Emma niet onverschillig zijn! Kom, kom, je vriendschap voor mij vervoert je. Nimmer heb ik dat meisje aanleiding gegeven te veronderstellen, dat ik ooit een gedachte aan haar gewijd heb. Hoe zou zij eenige genegenheid voor mij eenvoudig onderofficier opgevat hebben?”[365]„Drommels, de liefde ziet niet naar.…”„En al ware dat zoo,” viel Herman zijn vriend in de rede, „dan zou ik het voor Emma Groenewald betreuren; want bij mij is alles dood! Ik geloof geen vrouw meer te kunnen liefhebben. Eene speelpop er van maken.… ja, misschien in de toekomst;… later … als ik meer vergeten zal hebben. Maar … daarvoor is Emma Groenewald te goed, te edel, te rein.”Die laatste woorden werden niet zonder geestdrift uitgesproken. Frank keek zijn vriend verbaasd aan.„Dus,” hernam hij, „van eene vereeniging met Emma zullen wij maar niet meer spreken. Ik begrijp je gevoelen volkomen, en kan dat ook eenigermate goedkeuren. Maar nu de aangebodene betrekking?”„Die weiger ik glad weg. Ik wil en mag door eene aanneming geen verwachtingen opwekken, die ik onmogelijk vervullen kan. Daarenboven ik blijf militair. In mijn oog is er geen loopbaan, die het bij deze halen kan.”„Maar … welken raad zoudt gij mij geven?”„Gij?… gij zijt in een heel anderen toestand! Gij bemint Adelien en voor de beminde vrouw kan geen te zwaar offer gebracht worden. Of beter, het is geen offer dat gebracht wordt; het is een genot, een wellust iets te kunnen verrichten, wat strekken kan haar te naderen, al strookt die handeling ook niet altijd met onze gemaakte plannen. Het is eene soort piëteit: alles voor het geliefde voorwerp over te hebben!”„Dus gij zoudt mij raden?…”„Wacht! ik raad u om kalm den toestand te overdenken. Met uwen onderofficiersjas aan in die familie opgenomen te worden, staat, dunkt mij, met een afstand van uwe onafhankelijkheid tamelijk gelijk. Gij treedt dan arm en berooid dat gezin binnen, en zijt daaraan alles verschuldigd. Zal die gedachte in de dagen van rampspoed,[366]uw brein of dat van Adelien niet bestormen? Zullen.…”„O! zwijg, zwijg! wat ik je bidden mag,” sprak Frank smeekend. „Je woorden hebben mij wakker geschud. Ik weet thans wat mij te doen staat.”[367]
[Inhoud]XV.In den Zuidoostpassaat.Toen op den 8stenDecember de dag aanbrak, en de opvarenden derFernandina Maria Emmaaan het dek kwamen, klonk de kreet van uit de mars van den fokkemast:„Land vooruit!”Aller blikken keerden zich naar het aangeduide punt. En ja, daar doemden aan den horizon de omtrekken van vast land langzaam op. Eerst als een nevelachtige band, later als eene loodblauwe massa met scherpe omtrekken. Nog later begonnen zich heldere stippen op dien loodkleurigen band te vertoonen en tooiden zich vooral de toppen in het helderste wit.„Wat drommel kan dat voor land zijn?” vroeg kapitein Van Dam aan den derden stuurman, die in dat morgenuur de wacht aan dek had. „Het kan onmogelijk een der Crozet eilanden zijn, die liggen zoo wat, meen ik, onder den 51stenlengtegraad, en nog minder Kerguelen-eiland, dat ongeveer op 70° ligt.”„Neen, kapitein,” antwoordde de stuurman, „geen dier beiden is het. Het zijn de Prince Edward eilanden, die wij daar voor ons hebben.”„Het is ter dege koud,” sprak Adelien Groenewald.[355]„Daar zult gij de zeer natuurlijke oorzaak weldra van zien, juffrouw,” antwoordde stuurman Ellenbaan. „Die heldere stippen daar ginds en die witte toppen zijn sneeuwvelden, gletschers en ijsbergen. Als wij straks onder den wind van het eiland komen, zullen wij het nog wel kouder krijgen.”Het fregat naderde al meer en meer, waarbij de koude zich ook al meer en meer deed gevoelen. Voor en na slopen de passagiers naar beneden en verschenen weer, gewikkeld in burnou’s, overjassen, pelsmantels en hadden de dames hare hermelijnen moffen voor den dag gehaald en gevoelden zich niet weinig tevreden, dat zij die medegenomen hadden.„Die dingen zullen de dames wel te pas komen op het warme Java!” spotte kapitein Van Dam.„Lach er niet meê, kapitein,” sprak Emma. „Wilatoong ligt 1020 M. of op ruim 3200 voet hoog. Ik verzeker u dat het daar ’s morgens koud kan zijn en dat, bij eene wandeling bij het opkomen der zon, eene mof niet overbodig mag heeten.”Tegen elf uren waren niet alleen de omtrekken van het land, hetwelk zich voor het oog opdeed, maar ook debijzonderhedendaarvan waarneembaar. DeFernandina Maria Emmastevende recht op eene kaap aan, die zich aanvankelijk steil uit zee verhief, een kleine top als een voorgebergte vormde, maar daar achter in zachte glooiingen in een bergtop overging, die zich in het midden van het eiland verhief, en geheel in sneeuw en ijs gehuld was. De hellingen van dien berg waren op de ruggen der lengteribben met groen overdekt, en kon bij de scherpste waarneming met de scheepskijkers geen enkele boom, zelfs geen struik ontwaard worden; zoodat men tot de overtuiging moest komen, dat die groene bedekking uit een kort gras moest bestaan. De ruimten[356]tusschen die lengteribben en de kloven en ravijnen, die van den bergtop afdaalden om in het kustland te loor te gaan, waren met sneeuw gevuld, evenwel niet zoo, dat derzelver beloop onzichtbaar geworden zoude zijn, eerder zooveel om de relièfs van die bergmassa scherp begrensd te doen te voorschijn treden. Langs den zeeoever wemelde het van watervogels, die in talrijke vluchten om dat land scheerden.Bij de middagwaarneming bleek het fregat op 46° 55′ zuiderbreedte en 37° 34′ oosterlengte te staan en lag op nog geen twee mijlen uit den wal. Kapitein Butteling liet thans zuid-oost ten zuiden voorleggen.„Dat voorgebergte daar,” sprak kapitein Butteling, „heet Kaap Crosier.”„Maar, hoe heet het eiland, waartoe die kaap behoort?” vroeg kapitein Van Dam. „Is dat Prince Edward eiland?”„Neen, Prince Edward eiland is niet te ontwaren, het ligt thans noordoost van ons, en wordt door dit eiland voor ons gezicht gedekt.”„Hoe heet dit eiland dan?”„Dit is het eiland Marion.”73„Wien behoort het?”„Niemand; het is geheel onbewoond. Dat ziet gij trouwens aan de zwermen zeevogels, die er om zwerven.”Toen deFernandina Maria Emmakaap Crosier gerond had, stevende zij zuiver oostwaarts, evenwijdig aan en niet verder dan ongeveer twee mijlen van de zuidkust van Marion. Dat eiland, hetwelk daar met zijn bergtop, die zich op 4200 voet boven de oppervlakte der zee verhief, en met sneeuw en ijs overdekt was, somber uit de zee oprees, stemde door zijne verlatenheid het hart tot weemoed. Geen hutje, geen blauwe rookkolom, die hare spiralen omhoog kronkelde en de tegenwoordigheid van menschelijke wezens verried, was te bespeuren.[357]Niets dan sneeuw en ijs op de toppen en de bergnokken, niets dan kale rotsen in de hellingen, hier en daar met eene groene laag als met koperoxyde overdekt; terwijl eene zeer smalle strook, die zich aan den voet van het gebergte uitstrekte, met een kort gras overdekt scheen, en eene eenigszins vriendelijke tint aan dat tooneel bijzette.Duizende en duizende zeevogels zwierven in dichte kringen over het eiland en deden de lucht van hun krijschend geschreeuw weergalmen. Verreweg waren de kaapsche duiven en kaapsche ganzen het talrijkst vertegenwoordigd; maar daar vlogen ook eene menigte albatrossen, en dominé’s rond, die rondom het schip dichte en onuitwarbare kringen beschreven. Maar, waren de vogels, die de lucht doorkliefden, om het schip draaiden of daarboven zweefden, ontelbaar, de menigte, die aan den wal of zwemmende langs den oever bespeurd werd, had op die kwalificatie veel meer aanspraak. Het strand was letterlijk overdekt met vetganzen74, die daar met hun zakvormig lichaam, op korte pooten rustende, waarboven een dikke hals met plompen kop en een tamelijk langen maar te zamengedrukten snavel, een vrij koddig figuur maakten. Men was zoo kortbij, dat die dieren met behulp der kijkers zeer goed waar te nemen en in hunne bewegingen te volgen waren. Wat hun een zot uitzicht verleende, waren hunne vleugels, die met hunne schubvormige veeren er slechts het denkbeeld van gaven; zulke korte stompjes waren het. Wandelden die dieren op het strand, dan was hun gang lachverwekkend en niets anders dan bij een gevederden zak te vergelijken, die zich waggelend op korte pooten voortbewoog en waarboven een gesnavelde kop lummelachtig prijkte. Hadden zij haast en repten zij zich, dan bogen zij voorover tot met de borst op den bodem en gleden dan, als het ware, met veel snelheid voort, terwijl zij alsdan met[358]pooten en vlerken werkten. Maar zij, die in het water langs de kust zwommen, verrukten de toeschouwers, door hunne vlugge bewegingen en behendig duiken. Daar waren zij in hun element en vertoonden zich ook dan niet zoo belachelijk als zij, die zich op het land bewogen; integendeel, dan was er iets sierlijks, iets bevalligs in hunne bewegingen, en geen enkele vogel, zelfs de zoo lieve kaapsche duif lag dan zoo licht en zoo etherisch op het water.„Zouden wij niet eens naar den wal kunnen?” vroeg Slierendrecht aan kapitein Butteling.„Bij de vaart, die wij loopen, onmogelijk,” antwoordde de zeeman. „Wij maken ongeveer acht mijlen.”„Maar wij zouden ten anker kunnen komen,” meende Van Diepbrugge.„Om wat te doen?” was de driftige vraag. „Om naar den wal te gaan?”„Wel, wij zouden ettelijke dozijnen van die vetganzen kunnen schieten. Onder dien hoop moet elke hagelkorrel raak zijn. En zij zien er zoo dik en zoo dodderig uit, dat zij onwillekeurig het gezegde van dien Berlijnschen lekkerbek herinneren:„Eine jute jebratene Janse ist eine jute Jabe Jottes.”„En voor zoo eene jute Jabe Jottes zou ik ten anker gaan?” vroeg kapitein Butteling lachend. „Dat zal ik wel nalaten! Vooreerst zou dat een waagstukje zijn in deze streken, dat onverantwoordelijk voor een ervaren zeeman zou moeten genoemd worden. Dan, al bracht gij eene geheele sloep met ganzen aan boord, zouden wij er toch niets aan hebben.”„Waarom niet?”„Wel omdat die dieren zoo traanachtig zijn, dat zij totaal oneetbaar geacht moeten worden.”„Hebt gij er dan van geproefd?” vroeg Denniston.[359]„Ook dat. Ik ben eens op het eiland Kerguelen aan wal geweest, en meende bij die gelegenheid van een vet ganzenboutje te smullen; maar jawel, het vleesch was zoo walgelijk, dat men er zeeziek van werd. Alleen de eieren, die eene groenachtige schaal hebben, zijn eetbaar en zelfs lekker te noemen.”DeFernandina Maria Emmarepte zich. Het was zoo omstreeks een uur, toen zij onder den wind van het eiland geraakte. Maar toen deed zich zoo’n kou gevoelen, dat het meerendeel der opvarenden naar beneden stoof. De wind sneed letterlijk.„De invloed van die gletschers daar,” zei Behren wijsgeerig.Het was ongeveer twee uur, toen het fregat kaap Hooker, de zuidoostelijkste punt van Marion passeerde. Zoodra men die kaap voorbij was, kreeg men een blik op het eiland Prince Edward, dat zich op ongeveer zeven mijlen afstand in het noorden vertoonde. De lucht was niet helder genoeg om er veel van te ontwaren. Alleen kon men zien, dat het eiland veel kleiner dan Marion was; terwijl ook een berg zich in het midden verhief, die volgens mededeeling van kapitein Butteling 2370 voet hoog was. Tegen vijf uur waren de beide eilanden aan de kim verdwenen. Niemand was daar rouwig om; want, behalve dat het desolate gezicht van die sneeuw-,ijs- en rotsmassa’s onmogelijk tot opgewektheid kon stemmen, hoe verrukkelijk overigens het gezicht van land voor de reizigers ook was, die gedurende langen tijd niets dan lucht en water zagen, was iedereen blij van onder den wind dier eilanden van daan te zijn. Eigenaardig was het, dat toen het fregat de beide eilanden een paar streken te boven was gekomen, de temperatuur weer klom, en andermaal aan frisch lenteweder gelijk werd.[360]Onverdroten vervolgde deFernandina Maria Emmaharen koers. Zij bleef nog eenige dagen nagenoeg op denzelfden breedtegraad voortstevenen; maar hield toch nog ietwat ten zuiden aan. Zoo was den eenen dag de koers oostzuidoost een achtste oost, een volgenden oost een derde zuid, een anderen oostzuidoost zeven achtste oost en ging dat zoo voort, toen op den 10denDecember de hoogste breedtegraad bereikt werd. Het schip bevond zich toen op het middaguur op 48° 42′ zuiderbreedte en 46° 53′ oosterlengte. Toen meende kapitein Butteling genoeg zuid gehaald te hebben en wijzigde nu den koers in zooverre, dat de hoofdrichting werd: oostnoordoost drie kwart oost tot den 17enDecember, toen noordoost half noord voorgelegd werd.Op dien dag bevond het fregat zich op 39° 47′ zuiderbreedte en 85° 11′ oosterlengte en had sedert men het eiland Marion gepasseerd was, gemiddeld 59 mijlen per etmaal afgelegd.Op zee zijn de afwisselingen niet zeldzaam. Sedert den storm van 26 November had men vrij dragelijk weer gehad, dat zich wel eens een enkelen keer ruw had laten aanzien; maar door de zeelieden tochhandsomegenoemd werd. Den 22stenDecember evenwel, kort nadat het middagbestek opgemaakt was, hetwelk 28° 36′ noorderbreedte en 93° 22′ oosterlengte aangaf, schoot de wind, die tot hiertoe vrij constant in het noordwesten gebleven was, in het zuidwesten en begon dadelijk uit alle macht te blazen. Kapitein Butteling, door het weerglas gewaarschuwd, had bijtijds de zeilen doen bergen en reven; zoodat, toen het weer losbarstte, deFernandina Maria Emmamet gereefden fok en dichtgereefd grootmarszeil voor den wind lensde. Het was merkwaardig binnen hoe korten tijd de zee die, door den noordwester bewogen, nog al hol stond, zich in hooge golven[361]uit het zuidwesten verhief. Aanvankelijk vormden die twee deiningen, die rechthoekig op elkander inliepen, eene moeielijke zee, waarin het schip zwaar en zeer onregelmatig werkte; maar bij het toenemen van den storm, verdween die noordwestelijke deining en rolde die uit het zuidwesten hare hemelhooge baren aan.Al spoedig werd het uiterst gevaarlijk op het dek; want bij zoo’n weer zouden brekers niet uitbleven. Het schip slingerde vreeselijk, en de eene monstergolf voor en de andere na grepen het van achteren aan. Met een donderend geweld werd het soms medegesleept, schoot in de diepte, verhief zich weer op de kruin en ondervond daarbij in alle zijne deelen eene trilling, niet ongelijk aan die, welke in een sneltrein ondervonden wordt. Kapitein Butteling liet dan ook de luiken verzekeren en den kajuitstrap met presennings beschermen.Toen de storm losbarstte had de kok al zijne ketels op het fornuis; maar bij de heftige bewegingen, die het schip volvoerde, sprongen de kookgereedschappen uit hunne vierkanten, en lagen de spijzen al heel spoedig half gaar op den bodem der kombuis heen en weder te walsen. De keukenprins had het geraden geacht zich uit de voeten te maken om de heete snert, die juist te vuur stond, niet over het lichaam te krijgen. Gelukkig dat eene zee een oogenblik later de kombuis bestormde, de kolen en de houtspaanders uitbluschte, en zoo ieder gevaar van brand deed verdwijnen, maar ook te gelijkertijd ieder uitzicht op een maaltijd werkelijk in rook deed vervliegen.„Wat zullen wij te dineeren krijgen?” vroeg Denniston aan den matroos-hofmeester, die deze kombuiswederwaardigheden achteruit kwam mededeelen.„Ja, heeren, de snert is verongelukt,” antwoordde[362]deze. „Dat weer is wel wat snel op komen zetten. Ik heb niets anders dan scheepsbeschuit met ham.”„Smakelijk eten!” riepen allen.„Waarom geen gerookte zalm?”„Waarom geene saucisse de Boulogne?”„Waarom geene gerookte tong?”„Waarom geene sardijntjes, of haring, of ansjovis?”Die waaroms kruisten zich allerwegen. Vatel maakte dat hij weg kwam. Hij kon zich toch moeielijk even als zijn Fransche ambtgenoot—volgens mevrouw de Sevigné—van kant maken; ook kon hij geen ander antwoord geven dan dat het weer hem overvallen had en het nu onmogelijk was in het victualieruim af te dalen.Of er veel eetlust bestond, toen de harde beschuit met ham op de tafel verscheen? Het schip maakte zulke kabriolen, dat het onmogelijk was een bord in bedwang te houden en mes en vork te hanteeren. De broodbakken met scheepsbeschuit en de borden met gesneden ham stonden op de slingerborden. Ieder die eetlust had, bediende zich, en verorberde zijn diner uit het vuistje. Zoo ging het ook in het tusschendek. Aan de soldaten—aan hen namelijk, die door de slingeringen van het schip niet van streek waren,—werden ook een paar dikke maar harde scheepsbeschuiten uitgedeeld. Voor beiden waren gezonde tanden en een flink kakebeensvermogen noodig.Dat weer hield volle vier en twintig uren aan. Daarna begon de wind te minderen, en zoodanig om te loopen, dat hij in het zuidoosten te recht kwam. Nog voor dat het avond werd, waren de laatste sporen van den storm aan den hemel verdwenen, en ging de zon achter eene volmaakt zuivere en scherp afgeteekende kim ten onder.Alleen de zee, die nog hol uit het zuidwesten aanrolde, was minder aangenaam, daar bij de zwakte der[363]bries het schip nog maar weinig steun in zijne zeilen had, die inmiddels zooveel maar mogelijk was, bijgezet waren. Maar de deining slechtte langzamerhand ook af, zoodat die storm weldra vergeten was.„Wij zijn met glans in den zuidoostpassaat geraakt,” merkte stuurman Abels de passagiers op. „Ik moet erkennen, dat wij het al bijzonder goed treffen.”„Dat komt waarschijnlijk, omdat ik aan boord ben,” sprak Adelien Groenewald lachend. „Als ik op reis ben, gaat alles voorspoedig.”„Dat mag dan ook wel,” antwoordde de stuurman.„Wat mag dan ook wel?” vroeg het jonge meisje.„Dat weer en wind galant jegens jonge dames zijn!” antwoordde Abels.„Dat de goede God zooveel voor den schoonsten zijner engelen over heeft,” voegde Leidermooi er bij.„Dank u voor het kompliment, mijnheer Leidermooi en mijnheer Abels.”„Wat geheel op zijne plaats en volkomen verdiend is, juffrouw Groenewald,” betuigden beiden.Adelien luisterde ter nauwernood naar dat kwinkeleeren. Hare aandacht was elders. Zij zag Frank met Herman ter hoogte van den grooten mast staan, die beiden op de verschansing geleund, in een ernstig gesprek schenen. Met een blik wees zij hare zuster in die richting. Bij intuïtie kregen de jonge meisjes een gevoel, alsof daar hare toekomst beslist werd. Haar voorgevoel bedroog haar niet. Het gesprek was daar zeer ernstig. Frank had zijnen vriend dadelijk het onderhoud medegedeeld, hetwelk hij ettelijke dagen te voren met den heer Groenewald gehad had. Deze had zonder dralen ieder aanbod terstond van de hand gewezen en betuigd, dat hij militair in hart en ziel en niet genegen was om die loopbaan vaarwel te zeggen.[364]„Ook niet, wanneer u zooals onderwerpelijk, eene zooveel betere loopbaan aangeboden wordt?” vroeg Frank.„Wij zullen maar geen discussie openen over het betere of het mindere van deze of gene loopbaan. In onze eeuw is iedere eerlijke loopbaan de beste, die met onze neigingen en wenschen het meest overeenkomt, en die door ons ongedwongen, bij keuze aanvaard wordt. Neen, ik ben niet genegen om den krijgsmansrok tegen een anderen te verwisselen.”„Ook niet, wanneer gij met die betere positie de hand kunt verwerven van een lief, aardig en zeer schoon meisje?” vroeg Frank met iets ondeugends in zijne stem.„Wat bedoelt gij daarmeê?”„Kom Herman, speel den onnoozelen nu niet. Alsof ge niet bemerkt zoudt hebben, dat gij Emma niet onverschillig zijt.”Een oogenblik stond Riethoven roerloos stil. In zijn brein rees de gedachte: „als mij dat eens van Lydia gezegd was geworden! Wat vreugde zou ik dan niet ondervonden hebben!” Met het geestesoog dwaalde hij af naar het noordelijk halfrond, naar het bescheidenste stadje van het bescheidene rijkje van het kleinste werelddeel. Een paar lieve donkere oogen, die onder een diadeem van prachtige bruine krullen fonkelden, staarden hem aan. Die oogen waren ernstig gestemd, het gebaar van de schoone maagd wees naar boven en hare lippen prevelden: „à Dieu!”„Dat ’s immers altemaal maar gekheid!” barstte hij uit. „Ik juffrouw Emma niet onverschillig zijn! Kom, kom, je vriendschap voor mij vervoert je. Nimmer heb ik dat meisje aanleiding gegeven te veronderstellen, dat ik ooit een gedachte aan haar gewijd heb. Hoe zou zij eenige genegenheid voor mij eenvoudig onderofficier opgevat hebben?”[365]„Drommels, de liefde ziet niet naar.…”„En al ware dat zoo,” viel Herman zijn vriend in de rede, „dan zou ik het voor Emma Groenewald betreuren; want bij mij is alles dood! Ik geloof geen vrouw meer te kunnen liefhebben. Eene speelpop er van maken.… ja, misschien in de toekomst;… later … als ik meer vergeten zal hebben. Maar … daarvoor is Emma Groenewald te goed, te edel, te rein.”Die laatste woorden werden niet zonder geestdrift uitgesproken. Frank keek zijn vriend verbaasd aan.„Dus,” hernam hij, „van eene vereeniging met Emma zullen wij maar niet meer spreken. Ik begrijp je gevoelen volkomen, en kan dat ook eenigermate goedkeuren. Maar nu de aangebodene betrekking?”„Die weiger ik glad weg. Ik wil en mag door eene aanneming geen verwachtingen opwekken, die ik onmogelijk vervullen kan. Daarenboven ik blijf militair. In mijn oog is er geen loopbaan, die het bij deze halen kan.”„Maar … welken raad zoudt gij mij geven?”„Gij?… gij zijt in een heel anderen toestand! Gij bemint Adelien en voor de beminde vrouw kan geen te zwaar offer gebracht worden. Of beter, het is geen offer dat gebracht wordt; het is een genot, een wellust iets te kunnen verrichten, wat strekken kan haar te naderen, al strookt die handeling ook niet altijd met onze gemaakte plannen. Het is eene soort piëteit: alles voor het geliefde voorwerp over te hebben!”„Dus gij zoudt mij raden?…”„Wacht! ik raad u om kalm den toestand te overdenken. Met uwen onderofficiersjas aan in die familie opgenomen te worden, staat, dunkt mij, met een afstand van uwe onafhankelijkheid tamelijk gelijk. Gij treedt dan arm en berooid dat gezin binnen, en zijt daaraan alles verschuldigd. Zal die gedachte in de dagen van rampspoed,[366]uw brein of dat van Adelien niet bestormen? Zullen.…”„O! zwijg, zwijg! wat ik je bidden mag,” sprak Frank smeekend. „Je woorden hebben mij wakker geschud. Ik weet thans wat mij te doen staat.”[367]
XV.In den Zuidoostpassaat.
Toen op den 8stenDecember de dag aanbrak, en de opvarenden derFernandina Maria Emmaaan het dek kwamen, klonk de kreet van uit de mars van den fokkemast:„Land vooruit!”Aller blikken keerden zich naar het aangeduide punt. En ja, daar doemden aan den horizon de omtrekken van vast land langzaam op. Eerst als een nevelachtige band, later als eene loodblauwe massa met scherpe omtrekken. Nog later begonnen zich heldere stippen op dien loodkleurigen band te vertoonen en tooiden zich vooral de toppen in het helderste wit.„Wat drommel kan dat voor land zijn?” vroeg kapitein Van Dam aan den derden stuurman, die in dat morgenuur de wacht aan dek had. „Het kan onmogelijk een der Crozet eilanden zijn, die liggen zoo wat, meen ik, onder den 51stenlengtegraad, en nog minder Kerguelen-eiland, dat ongeveer op 70° ligt.”„Neen, kapitein,” antwoordde de stuurman, „geen dier beiden is het. Het zijn de Prince Edward eilanden, die wij daar voor ons hebben.”„Het is ter dege koud,” sprak Adelien Groenewald.[355]„Daar zult gij de zeer natuurlijke oorzaak weldra van zien, juffrouw,” antwoordde stuurman Ellenbaan. „Die heldere stippen daar ginds en die witte toppen zijn sneeuwvelden, gletschers en ijsbergen. Als wij straks onder den wind van het eiland komen, zullen wij het nog wel kouder krijgen.”Het fregat naderde al meer en meer, waarbij de koude zich ook al meer en meer deed gevoelen. Voor en na slopen de passagiers naar beneden en verschenen weer, gewikkeld in burnou’s, overjassen, pelsmantels en hadden de dames hare hermelijnen moffen voor den dag gehaald en gevoelden zich niet weinig tevreden, dat zij die medegenomen hadden.„Die dingen zullen de dames wel te pas komen op het warme Java!” spotte kapitein Van Dam.„Lach er niet meê, kapitein,” sprak Emma. „Wilatoong ligt 1020 M. of op ruim 3200 voet hoog. Ik verzeker u dat het daar ’s morgens koud kan zijn en dat, bij eene wandeling bij het opkomen der zon, eene mof niet overbodig mag heeten.”Tegen elf uren waren niet alleen de omtrekken van het land, hetwelk zich voor het oog opdeed, maar ook debijzonderhedendaarvan waarneembaar. DeFernandina Maria Emmastevende recht op eene kaap aan, die zich aanvankelijk steil uit zee verhief, een kleine top als een voorgebergte vormde, maar daar achter in zachte glooiingen in een bergtop overging, die zich in het midden van het eiland verhief, en geheel in sneeuw en ijs gehuld was. De hellingen van dien berg waren op de ruggen der lengteribben met groen overdekt, en kon bij de scherpste waarneming met de scheepskijkers geen enkele boom, zelfs geen struik ontwaard worden; zoodat men tot de overtuiging moest komen, dat die groene bedekking uit een kort gras moest bestaan. De ruimten[356]tusschen die lengteribben en de kloven en ravijnen, die van den bergtop afdaalden om in het kustland te loor te gaan, waren met sneeuw gevuld, evenwel niet zoo, dat derzelver beloop onzichtbaar geworden zoude zijn, eerder zooveel om de relièfs van die bergmassa scherp begrensd te doen te voorschijn treden. Langs den zeeoever wemelde het van watervogels, die in talrijke vluchten om dat land scheerden.Bij de middagwaarneming bleek het fregat op 46° 55′ zuiderbreedte en 37° 34′ oosterlengte te staan en lag op nog geen twee mijlen uit den wal. Kapitein Butteling liet thans zuid-oost ten zuiden voorleggen.„Dat voorgebergte daar,” sprak kapitein Butteling, „heet Kaap Crosier.”„Maar, hoe heet het eiland, waartoe die kaap behoort?” vroeg kapitein Van Dam. „Is dat Prince Edward eiland?”„Neen, Prince Edward eiland is niet te ontwaren, het ligt thans noordoost van ons, en wordt door dit eiland voor ons gezicht gedekt.”„Hoe heet dit eiland dan?”„Dit is het eiland Marion.”73„Wien behoort het?”„Niemand; het is geheel onbewoond. Dat ziet gij trouwens aan de zwermen zeevogels, die er om zwerven.”Toen deFernandina Maria Emmakaap Crosier gerond had, stevende zij zuiver oostwaarts, evenwijdig aan en niet verder dan ongeveer twee mijlen van de zuidkust van Marion. Dat eiland, hetwelk daar met zijn bergtop, die zich op 4200 voet boven de oppervlakte der zee verhief, en met sneeuw en ijs overdekt was, somber uit de zee oprees, stemde door zijne verlatenheid het hart tot weemoed. Geen hutje, geen blauwe rookkolom, die hare spiralen omhoog kronkelde en de tegenwoordigheid van menschelijke wezens verried, was te bespeuren.[357]Niets dan sneeuw en ijs op de toppen en de bergnokken, niets dan kale rotsen in de hellingen, hier en daar met eene groene laag als met koperoxyde overdekt; terwijl eene zeer smalle strook, die zich aan den voet van het gebergte uitstrekte, met een kort gras overdekt scheen, en eene eenigszins vriendelijke tint aan dat tooneel bijzette.Duizende en duizende zeevogels zwierven in dichte kringen over het eiland en deden de lucht van hun krijschend geschreeuw weergalmen. Verreweg waren de kaapsche duiven en kaapsche ganzen het talrijkst vertegenwoordigd; maar daar vlogen ook eene menigte albatrossen, en dominé’s rond, die rondom het schip dichte en onuitwarbare kringen beschreven. Maar, waren de vogels, die de lucht doorkliefden, om het schip draaiden of daarboven zweefden, ontelbaar, de menigte, die aan den wal of zwemmende langs den oever bespeurd werd, had op die kwalificatie veel meer aanspraak. Het strand was letterlijk overdekt met vetganzen74, die daar met hun zakvormig lichaam, op korte pooten rustende, waarboven een dikke hals met plompen kop en een tamelijk langen maar te zamengedrukten snavel, een vrij koddig figuur maakten. Men was zoo kortbij, dat die dieren met behulp der kijkers zeer goed waar te nemen en in hunne bewegingen te volgen waren. Wat hun een zot uitzicht verleende, waren hunne vleugels, die met hunne schubvormige veeren er slechts het denkbeeld van gaven; zulke korte stompjes waren het. Wandelden die dieren op het strand, dan was hun gang lachverwekkend en niets anders dan bij een gevederden zak te vergelijken, die zich waggelend op korte pooten voortbewoog en waarboven een gesnavelde kop lummelachtig prijkte. Hadden zij haast en repten zij zich, dan bogen zij voorover tot met de borst op den bodem en gleden dan, als het ware, met veel snelheid voort, terwijl zij alsdan met[358]pooten en vlerken werkten. Maar zij, die in het water langs de kust zwommen, verrukten de toeschouwers, door hunne vlugge bewegingen en behendig duiken. Daar waren zij in hun element en vertoonden zich ook dan niet zoo belachelijk als zij, die zich op het land bewogen; integendeel, dan was er iets sierlijks, iets bevalligs in hunne bewegingen, en geen enkele vogel, zelfs de zoo lieve kaapsche duif lag dan zoo licht en zoo etherisch op het water.„Zouden wij niet eens naar den wal kunnen?” vroeg Slierendrecht aan kapitein Butteling.„Bij de vaart, die wij loopen, onmogelijk,” antwoordde de zeeman. „Wij maken ongeveer acht mijlen.”„Maar wij zouden ten anker kunnen komen,” meende Van Diepbrugge.„Om wat te doen?” was de driftige vraag. „Om naar den wal te gaan?”„Wel, wij zouden ettelijke dozijnen van die vetganzen kunnen schieten. Onder dien hoop moet elke hagelkorrel raak zijn. En zij zien er zoo dik en zoo dodderig uit, dat zij onwillekeurig het gezegde van dien Berlijnschen lekkerbek herinneren:„Eine jute jebratene Janse ist eine jute Jabe Jottes.”„En voor zoo eene jute Jabe Jottes zou ik ten anker gaan?” vroeg kapitein Butteling lachend. „Dat zal ik wel nalaten! Vooreerst zou dat een waagstukje zijn in deze streken, dat onverantwoordelijk voor een ervaren zeeman zou moeten genoemd worden. Dan, al bracht gij eene geheele sloep met ganzen aan boord, zouden wij er toch niets aan hebben.”„Waarom niet?”„Wel omdat die dieren zoo traanachtig zijn, dat zij totaal oneetbaar geacht moeten worden.”„Hebt gij er dan van geproefd?” vroeg Denniston.[359]„Ook dat. Ik ben eens op het eiland Kerguelen aan wal geweest, en meende bij die gelegenheid van een vet ganzenboutje te smullen; maar jawel, het vleesch was zoo walgelijk, dat men er zeeziek van werd. Alleen de eieren, die eene groenachtige schaal hebben, zijn eetbaar en zelfs lekker te noemen.”DeFernandina Maria Emmarepte zich. Het was zoo omstreeks een uur, toen zij onder den wind van het eiland geraakte. Maar toen deed zich zoo’n kou gevoelen, dat het meerendeel der opvarenden naar beneden stoof. De wind sneed letterlijk.„De invloed van die gletschers daar,” zei Behren wijsgeerig.Het was ongeveer twee uur, toen het fregat kaap Hooker, de zuidoostelijkste punt van Marion passeerde. Zoodra men die kaap voorbij was, kreeg men een blik op het eiland Prince Edward, dat zich op ongeveer zeven mijlen afstand in het noorden vertoonde. De lucht was niet helder genoeg om er veel van te ontwaren. Alleen kon men zien, dat het eiland veel kleiner dan Marion was; terwijl ook een berg zich in het midden verhief, die volgens mededeeling van kapitein Butteling 2370 voet hoog was. Tegen vijf uur waren de beide eilanden aan de kim verdwenen. Niemand was daar rouwig om; want, behalve dat het desolate gezicht van die sneeuw-,ijs- en rotsmassa’s onmogelijk tot opgewektheid kon stemmen, hoe verrukkelijk overigens het gezicht van land voor de reizigers ook was, die gedurende langen tijd niets dan lucht en water zagen, was iedereen blij van onder den wind dier eilanden van daan te zijn. Eigenaardig was het, dat toen het fregat de beide eilanden een paar streken te boven was gekomen, de temperatuur weer klom, en andermaal aan frisch lenteweder gelijk werd.[360]Onverdroten vervolgde deFernandina Maria Emmaharen koers. Zij bleef nog eenige dagen nagenoeg op denzelfden breedtegraad voortstevenen; maar hield toch nog ietwat ten zuiden aan. Zoo was den eenen dag de koers oostzuidoost een achtste oost, een volgenden oost een derde zuid, een anderen oostzuidoost zeven achtste oost en ging dat zoo voort, toen op den 10denDecember de hoogste breedtegraad bereikt werd. Het schip bevond zich toen op het middaguur op 48° 42′ zuiderbreedte en 46° 53′ oosterlengte. Toen meende kapitein Butteling genoeg zuid gehaald te hebben en wijzigde nu den koers in zooverre, dat de hoofdrichting werd: oostnoordoost drie kwart oost tot den 17enDecember, toen noordoost half noord voorgelegd werd.Op dien dag bevond het fregat zich op 39° 47′ zuiderbreedte en 85° 11′ oosterlengte en had sedert men het eiland Marion gepasseerd was, gemiddeld 59 mijlen per etmaal afgelegd.Op zee zijn de afwisselingen niet zeldzaam. Sedert den storm van 26 November had men vrij dragelijk weer gehad, dat zich wel eens een enkelen keer ruw had laten aanzien; maar door de zeelieden tochhandsomegenoemd werd. Den 22stenDecember evenwel, kort nadat het middagbestek opgemaakt was, hetwelk 28° 36′ noorderbreedte en 93° 22′ oosterlengte aangaf, schoot de wind, die tot hiertoe vrij constant in het noordwesten gebleven was, in het zuidwesten en begon dadelijk uit alle macht te blazen. Kapitein Butteling, door het weerglas gewaarschuwd, had bijtijds de zeilen doen bergen en reven; zoodat, toen het weer losbarstte, deFernandina Maria Emmamet gereefden fok en dichtgereefd grootmarszeil voor den wind lensde. Het was merkwaardig binnen hoe korten tijd de zee die, door den noordwester bewogen, nog al hol stond, zich in hooge golven[361]uit het zuidwesten verhief. Aanvankelijk vormden die twee deiningen, die rechthoekig op elkander inliepen, eene moeielijke zee, waarin het schip zwaar en zeer onregelmatig werkte; maar bij het toenemen van den storm, verdween die noordwestelijke deining en rolde die uit het zuidwesten hare hemelhooge baren aan.Al spoedig werd het uiterst gevaarlijk op het dek; want bij zoo’n weer zouden brekers niet uitbleven. Het schip slingerde vreeselijk, en de eene monstergolf voor en de andere na grepen het van achteren aan. Met een donderend geweld werd het soms medegesleept, schoot in de diepte, verhief zich weer op de kruin en ondervond daarbij in alle zijne deelen eene trilling, niet ongelijk aan die, welke in een sneltrein ondervonden wordt. Kapitein Butteling liet dan ook de luiken verzekeren en den kajuitstrap met presennings beschermen.Toen de storm losbarstte had de kok al zijne ketels op het fornuis; maar bij de heftige bewegingen, die het schip volvoerde, sprongen de kookgereedschappen uit hunne vierkanten, en lagen de spijzen al heel spoedig half gaar op den bodem der kombuis heen en weder te walsen. De keukenprins had het geraden geacht zich uit de voeten te maken om de heete snert, die juist te vuur stond, niet over het lichaam te krijgen. Gelukkig dat eene zee een oogenblik later de kombuis bestormde, de kolen en de houtspaanders uitbluschte, en zoo ieder gevaar van brand deed verdwijnen, maar ook te gelijkertijd ieder uitzicht op een maaltijd werkelijk in rook deed vervliegen.„Wat zullen wij te dineeren krijgen?” vroeg Denniston aan den matroos-hofmeester, die deze kombuiswederwaardigheden achteruit kwam mededeelen.„Ja, heeren, de snert is verongelukt,” antwoordde[362]deze. „Dat weer is wel wat snel op komen zetten. Ik heb niets anders dan scheepsbeschuit met ham.”„Smakelijk eten!” riepen allen.„Waarom geen gerookte zalm?”„Waarom geene saucisse de Boulogne?”„Waarom geene gerookte tong?”„Waarom geene sardijntjes, of haring, of ansjovis?”Die waaroms kruisten zich allerwegen. Vatel maakte dat hij weg kwam. Hij kon zich toch moeielijk even als zijn Fransche ambtgenoot—volgens mevrouw de Sevigné—van kant maken; ook kon hij geen ander antwoord geven dan dat het weer hem overvallen had en het nu onmogelijk was in het victualieruim af te dalen.Of er veel eetlust bestond, toen de harde beschuit met ham op de tafel verscheen? Het schip maakte zulke kabriolen, dat het onmogelijk was een bord in bedwang te houden en mes en vork te hanteeren. De broodbakken met scheepsbeschuit en de borden met gesneden ham stonden op de slingerborden. Ieder die eetlust had, bediende zich, en verorberde zijn diner uit het vuistje. Zoo ging het ook in het tusschendek. Aan de soldaten—aan hen namelijk, die door de slingeringen van het schip niet van streek waren,—werden ook een paar dikke maar harde scheepsbeschuiten uitgedeeld. Voor beiden waren gezonde tanden en een flink kakebeensvermogen noodig.Dat weer hield volle vier en twintig uren aan. Daarna begon de wind te minderen, en zoodanig om te loopen, dat hij in het zuidoosten te recht kwam. Nog voor dat het avond werd, waren de laatste sporen van den storm aan den hemel verdwenen, en ging de zon achter eene volmaakt zuivere en scherp afgeteekende kim ten onder.Alleen de zee, die nog hol uit het zuidwesten aanrolde, was minder aangenaam, daar bij de zwakte der[363]bries het schip nog maar weinig steun in zijne zeilen had, die inmiddels zooveel maar mogelijk was, bijgezet waren. Maar de deining slechtte langzamerhand ook af, zoodat die storm weldra vergeten was.„Wij zijn met glans in den zuidoostpassaat geraakt,” merkte stuurman Abels de passagiers op. „Ik moet erkennen, dat wij het al bijzonder goed treffen.”„Dat komt waarschijnlijk, omdat ik aan boord ben,” sprak Adelien Groenewald lachend. „Als ik op reis ben, gaat alles voorspoedig.”„Dat mag dan ook wel,” antwoordde de stuurman.„Wat mag dan ook wel?” vroeg het jonge meisje.„Dat weer en wind galant jegens jonge dames zijn!” antwoordde Abels.„Dat de goede God zooveel voor den schoonsten zijner engelen over heeft,” voegde Leidermooi er bij.„Dank u voor het kompliment, mijnheer Leidermooi en mijnheer Abels.”„Wat geheel op zijne plaats en volkomen verdiend is, juffrouw Groenewald,” betuigden beiden.Adelien luisterde ter nauwernood naar dat kwinkeleeren. Hare aandacht was elders. Zij zag Frank met Herman ter hoogte van den grooten mast staan, die beiden op de verschansing geleund, in een ernstig gesprek schenen. Met een blik wees zij hare zuster in die richting. Bij intuïtie kregen de jonge meisjes een gevoel, alsof daar hare toekomst beslist werd. Haar voorgevoel bedroog haar niet. Het gesprek was daar zeer ernstig. Frank had zijnen vriend dadelijk het onderhoud medegedeeld, hetwelk hij ettelijke dagen te voren met den heer Groenewald gehad had. Deze had zonder dralen ieder aanbod terstond van de hand gewezen en betuigd, dat hij militair in hart en ziel en niet genegen was om die loopbaan vaarwel te zeggen.[364]„Ook niet, wanneer u zooals onderwerpelijk, eene zooveel betere loopbaan aangeboden wordt?” vroeg Frank.„Wij zullen maar geen discussie openen over het betere of het mindere van deze of gene loopbaan. In onze eeuw is iedere eerlijke loopbaan de beste, die met onze neigingen en wenschen het meest overeenkomt, en die door ons ongedwongen, bij keuze aanvaard wordt. Neen, ik ben niet genegen om den krijgsmansrok tegen een anderen te verwisselen.”„Ook niet, wanneer gij met die betere positie de hand kunt verwerven van een lief, aardig en zeer schoon meisje?” vroeg Frank met iets ondeugends in zijne stem.„Wat bedoelt gij daarmeê?”„Kom Herman, speel den onnoozelen nu niet. Alsof ge niet bemerkt zoudt hebben, dat gij Emma niet onverschillig zijt.”Een oogenblik stond Riethoven roerloos stil. In zijn brein rees de gedachte: „als mij dat eens van Lydia gezegd was geworden! Wat vreugde zou ik dan niet ondervonden hebben!” Met het geestesoog dwaalde hij af naar het noordelijk halfrond, naar het bescheidenste stadje van het bescheidene rijkje van het kleinste werelddeel. Een paar lieve donkere oogen, die onder een diadeem van prachtige bruine krullen fonkelden, staarden hem aan. Die oogen waren ernstig gestemd, het gebaar van de schoone maagd wees naar boven en hare lippen prevelden: „à Dieu!”„Dat ’s immers altemaal maar gekheid!” barstte hij uit. „Ik juffrouw Emma niet onverschillig zijn! Kom, kom, je vriendschap voor mij vervoert je. Nimmer heb ik dat meisje aanleiding gegeven te veronderstellen, dat ik ooit een gedachte aan haar gewijd heb. Hoe zou zij eenige genegenheid voor mij eenvoudig onderofficier opgevat hebben?”[365]„Drommels, de liefde ziet niet naar.…”„En al ware dat zoo,” viel Herman zijn vriend in de rede, „dan zou ik het voor Emma Groenewald betreuren; want bij mij is alles dood! Ik geloof geen vrouw meer te kunnen liefhebben. Eene speelpop er van maken.… ja, misschien in de toekomst;… later … als ik meer vergeten zal hebben. Maar … daarvoor is Emma Groenewald te goed, te edel, te rein.”Die laatste woorden werden niet zonder geestdrift uitgesproken. Frank keek zijn vriend verbaasd aan.„Dus,” hernam hij, „van eene vereeniging met Emma zullen wij maar niet meer spreken. Ik begrijp je gevoelen volkomen, en kan dat ook eenigermate goedkeuren. Maar nu de aangebodene betrekking?”„Die weiger ik glad weg. Ik wil en mag door eene aanneming geen verwachtingen opwekken, die ik onmogelijk vervullen kan. Daarenboven ik blijf militair. In mijn oog is er geen loopbaan, die het bij deze halen kan.”„Maar … welken raad zoudt gij mij geven?”„Gij?… gij zijt in een heel anderen toestand! Gij bemint Adelien en voor de beminde vrouw kan geen te zwaar offer gebracht worden. Of beter, het is geen offer dat gebracht wordt; het is een genot, een wellust iets te kunnen verrichten, wat strekken kan haar te naderen, al strookt die handeling ook niet altijd met onze gemaakte plannen. Het is eene soort piëteit: alles voor het geliefde voorwerp over te hebben!”„Dus gij zoudt mij raden?…”„Wacht! ik raad u om kalm den toestand te overdenken. Met uwen onderofficiersjas aan in die familie opgenomen te worden, staat, dunkt mij, met een afstand van uwe onafhankelijkheid tamelijk gelijk. Gij treedt dan arm en berooid dat gezin binnen, en zijt daaraan alles verschuldigd. Zal die gedachte in de dagen van rampspoed,[366]uw brein of dat van Adelien niet bestormen? Zullen.…”„O! zwijg, zwijg! wat ik je bidden mag,” sprak Frank smeekend. „Je woorden hebben mij wakker geschud. Ik weet thans wat mij te doen staat.”[367]
Toen op den 8stenDecember de dag aanbrak, en de opvarenden derFernandina Maria Emmaaan het dek kwamen, klonk de kreet van uit de mars van den fokkemast:
„Land vooruit!”
Aller blikken keerden zich naar het aangeduide punt. En ja, daar doemden aan den horizon de omtrekken van vast land langzaam op. Eerst als een nevelachtige band, later als eene loodblauwe massa met scherpe omtrekken. Nog later begonnen zich heldere stippen op dien loodkleurigen band te vertoonen en tooiden zich vooral de toppen in het helderste wit.
„Wat drommel kan dat voor land zijn?” vroeg kapitein Van Dam aan den derden stuurman, die in dat morgenuur de wacht aan dek had. „Het kan onmogelijk een der Crozet eilanden zijn, die liggen zoo wat, meen ik, onder den 51stenlengtegraad, en nog minder Kerguelen-eiland, dat ongeveer op 70° ligt.”
„Neen, kapitein,” antwoordde de stuurman, „geen dier beiden is het. Het zijn de Prince Edward eilanden, die wij daar voor ons hebben.”
„Het is ter dege koud,” sprak Adelien Groenewald.[355]
„Daar zult gij de zeer natuurlijke oorzaak weldra van zien, juffrouw,” antwoordde stuurman Ellenbaan. „Die heldere stippen daar ginds en die witte toppen zijn sneeuwvelden, gletschers en ijsbergen. Als wij straks onder den wind van het eiland komen, zullen wij het nog wel kouder krijgen.”
Het fregat naderde al meer en meer, waarbij de koude zich ook al meer en meer deed gevoelen. Voor en na slopen de passagiers naar beneden en verschenen weer, gewikkeld in burnou’s, overjassen, pelsmantels en hadden de dames hare hermelijnen moffen voor den dag gehaald en gevoelden zich niet weinig tevreden, dat zij die medegenomen hadden.
„Die dingen zullen de dames wel te pas komen op het warme Java!” spotte kapitein Van Dam.
„Lach er niet meê, kapitein,” sprak Emma. „Wilatoong ligt 1020 M. of op ruim 3200 voet hoog. Ik verzeker u dat het daar ’s morgens koud kan zijn en dat, bij eene wandeling bij het opkomen der zon, eene mof niet overbodig mag heeten.”
Tegen elf uren waren niet alleen de omtrekken van het land, hetwelk zich voor het oog opdeed, maar ook debijzonderhedendaarvan waarneembaar. DeFernandina Maria Emmastevende recht op eene kaap aan, die zich aanvankelijk steil uit zee verhief, een kleine top als een voorgebergte vormde, maar daar achter in zachte glooiingen in een bergtop overging, die zich in het midden van het eiland verhief, en geheel in sneeuw en ijs gehuld was. De hellingen van dien berg waren op de ruggen der lengteribben met groen overdekt, en kon bij de scherpste waarneming met de scheepskijkers geen enkele boom, zelfs geen struik ontwaard worden; zoodat men tot de overtuiging moest komen, dat die groene bedekking uit een kort gras moest bestaan. De ruimten[356]tusschen die lengteribben en de kloven en ravijnen, die van den bergtop afdaalden om in het kustland te loor te gaan, waren met sneeuw gevuld, evenwel niet zoo, dat derzelver beloop onzichtbaar geworden zoude zijn, eerder zooveel om de relièfs van die bergmassa scherp begrensd te doen te voorschijn treden. Langs den zeeoever wemelde het van watervogels, die in talrijke vluchten om dat land scheerden.
Bij de middagwaarneming bleek het fregat op 46° 55′ zuiderbreedte en 37° 34′ oosterlengte te staan en lag op nog geen twee mijlen uit den wal. Kapitein Butteling liet thans zuid-oost ten zuiden voorleggen.
„Dat voorgebergte daar,” sprak kapitein Butteling, „heet Kaap Crosier.”
„Maar, hoe heet het eiland, waartoe die kaap behoort?” vroeg kapitein Van Dam. „Is dat Prince Edward eiland?”
„Neen, Prince Edward eiland is niet te ontwaren, het ligt thans noordoost van ons, en wordt door dit eiland voor ons gezicht gedekt.”
„Hoe heet dit eiland dan?”
„Dit is het eiland Marion.”73
„Wien behoort het?”
„Niemand; het is geheel onbewoond. Dat ziet gij trouwens aan de zwermen zeevogels, die er om zwerven.”
Toen deFernandina Maria Emmakaap Crosier gerond had, stevende zij zuiver oostwaarts, evenwijdig aan en niet verder dan ongeveer twee mijlen van de zuidkust van Marion. Dat eiland, hetwelk daar met zijn bergtop, die zich op 4200 voet boven de oppervlakte der zee verhief, en met sneeuw en ijs overdekt was, somber uit de zee oprees, stemde door zijne verlatenheid het hart tot weemoed. Geen hutje, geen blauwe rookkolom, die hare spiralen omhoog kronkelde en de tegenwoordigheid van menschelijke wezens verried, was te bespeuren.[357]Niets dan sneeuw en ijs op de toppen en de bergnokken, niets dan kale rotsen in de hellingen, hier en daar met eene groene laag als met koperoxyde overdekt; terwijl eene zeer smalle strook, die zich aan den voet van het gebergte uitstrekte, met een kort gras overdekt scheen, en eene eenigszins vriendelijke tint aan dat tooneel bijzette.
Duizende en duizende zeevogels zwierven in dichte kringen over het eiland en deden de lucht van hun krijschend geschreeuw weergalmen. Verreweg waren de kaapsche duiven en kaapsche ganzen het talrijkst vertegenwoordigd; maar daar vlogen ook eene menigte albatrossen, en dominé’s rond, die rondom het schip dichte en onuitwarbare kringen beschreven. Maar, waren de vogels, die de lucht doorkliefden, om het schip draaiden of daarboven zweefden, ontelbaar, de menigte, die aan den wal of zwemmende langs den oever bespeurd werd, had op die kwalificatie veel meer aanspraak. Het strand was letterlijk overdekt met vetganzen74, die daar met hun zakvormig lichaam, op korte pooten rustende, waarboven een dikke hals met plompen kop en een tamelijk langen maar te zamengedrukten snavel, een vrij koddig figuur maakten. Men was zoo kortbij, dat die dieren met behulp der kijkers zeer goed waar te nemen en in hunne bewegingen te volgen waren. Wat hun een zot uitzicht verleende, waren hunne vleugels, die met hunne schubvormige veeren er slechts het denkbeeld van gaven; zulke korte stompjes waren het. Wandelden die dieren op het strand, dan was hun gang lachverwekkend en niets anders dan bij een gevederden zak te vergelijken, die zich waggelend op korte pooten voortbewoog en waarboven een gesnavelde kop lummelachtig prijkte. Hadden zij haast en repten zij zich, dan bogen zij voorover tot met de borst op den bodem en gleden dan, als het ware, met veel snelheid voort, terwijl zij alsdan met[358]pooten en vlerken werkten. Maar zij, die in het water langs de kust zwommen, verrukten de toeschouwers, door hunne vlugge bewegingen en behendig duiken. Daar waren zij in hun element en vertoonden zich ook dan niet zoo belachelijk als zij, die zich op het land bewogen; integendeel, dan was er iets sierlijks, iets bevalligs in hunne bewegingen, en geen enkele vogel, zelfs de zoo lieve kaapsche duif lag dan zoo licht en zoo etherisch op het water.
„Zouden wij niet eens naar den wal kunnen?” vroeg Slierendrecht aan kapitein Butteling.
„Bij de vaart, die wij loopen, onmogelijk,” antwoordde de zeeman. „Wij maken ongeveer acht mijlen.”
„Maar wij zouden ten anker kunnen komen,” meende Van Diepbrugge.
„Om wat te doen?” was de driftige vraag. „Om naar den wal te gaan?”
„Wel, wij zouden ettelijke dozijnen van die vetganzen kunnen schieten. Onder dien hoop moet elke hagelkorrel raak zijn. En zij zien er zoo dik en zoo dodderig uit, dat zij onwillekeurig het gezegde van dien Berlijnschen lekkerbek herinneren:
„Eine jute jebratene Janse ist eine jute Jabe Jottes.”
„Eine jute jebratene Janse ist eine jute Jabe Jottes.”
„En voor zoo eene jute Jabe Jottes zou ik ten anker gaan?” vroeg kapitein Butteling lachend. „Dat zal ik wel nalaten! Vooreerst zou dat een waagstukje zijn in deze streken, dat onverantwoordelijk voor een ervaren zeeman zou moeten genoemd worden. Dan, al bracht gij eene geheele sloep met ganzen aan boord, zouden wij er toch niets aan hebben.”
„Waarom niet?”
„Wel omdat die dieren zoo traanachtig zijn, dat zij totaal oneetbaar geacht moeten worden.”
„Hebt gij er dan van geproefd?” vroeg Denniston.[359]
„Ook dat. Ik ben eens op het eiland Kerguelen aan wal geweest, en meende bij die gelegenheid van een vet ganzenboutje te smullen; maar jawel, het vleesch was zoo walgelijk, dat men er zeeziek van werd. Alleen de eieren, die eene groenachtige schaal hebben, zijn eetbaar en zelfs lekker te noemen.”
DeFernandina Maria Emmarepte zich. Het was zoo omstreeks een uur, toen zij onder den wind van het eiland geraakte. Maar toen deed zich zoo’n kou gevoelen, dat het meerendeel der opvarenden naar beneden stoof. De wind sneed letterlijk.
„De invloed van die gletschers daar,” zei Behren wijsgeerig.
Het was ongeveer twee uur, toen het fregat kaap Hooker, de zuidoostelijkste punt van Marion passeerde. Zoodra men die kaap voorbij was, kreeg men een blik op het eiland Prince Edward, dat zich op ongeveer zeven mijlen afstand in het noorden vertoonde. De lucht was niet helder genoeg om er veel van te ontwaren. Alleen kon men zien, dat het eiland veel kleiner dan Marion was; terwijl ook een berg zich in het midden verhief, die volgens mededeeling van kapitein Butteling 2370 voet hoog was. Tegen vijf uur waren de beide eilanden aan de kim verdwenen. Niemand was daar rouwig om; want, behalve dat het desolate gezicht van die sneeuw-,ijs- en rotsmassa’s onmogelijk tot opgewektheid kon stemmen, hoe verrukkelijk overigens het gezicht van land voor de reizigers ook was, die gedurende langen tijd niets dan lucht en water zagen, was iedereen blij van onder den wind dier eilanden van daan te zijn. Eigenaardig was het, dat toen het fregat de beide eilanden een paar streken te boven was gekomen, de temperatuur weer klom, en andermaal aan frisch lenteweder gelijk werd.[360]
Onverdroten vervolgde deFernandina Maria Emmaharen koers. Zij bleef nog eenige dagen nagenoeg op denzelfden breedtegraad voortstevenen; maar hield toch nog ietwat ten zuiden aan. Zoo was den eenen dag de koers oostzuidoost een achtste oost, een volgenden oost een derde zuid, een anderen oostzuidoost zeven achtste oost en ging dat zoo voort, toen op den 10denDecember de hoogste breedtegraad bereikt werd. Het schip bevond zich toen op het middaguur op 48° 42′ zuiderbreedte en 46° 53′ oosterlengte. Toen meende kapitein Butteling genoeg zuid gehaald te hebben en wijzigde nu den koers in zooverre, dat de hoofdrichting werd: oostnoordoost drie kwart oost tot den 17enDecember, toen noordoost half noord voorgelegd werd.
Op dien dag bevond het fregat zich op 39° 47′ zuiderbreedte en 85° 11′ oosterlengte en had sedert men het eiland Marion gepasseerd was, gemiddeld 59 mijlen per etmaal afgelegd.
Op zee zijn de afwisselingen niet zeldzaam. Sedert den storm van 26 November had men vrij dragelijk weer gehad, dat zich wel eens een enkelen keer ruw had laten aanzien; maar door de zeelieden tochhandsomegenoemd werd. Den 22stenDecember evenwel, kort nadat het middagbestek opgemaakt was, hetwelk 28° 36′ noorderbreedte en 93° 22′ oosterlengte aangaf, schoot de wind, die tot hiertoe vrij constant in het noordwesten gebleven was, in het zuidwesten en begon dadelijk uit alle macht te blazen. Kapitein Butteling, door het weerglas gewaarschuwd, had bijtijds de zeilen doen bergen en reven; zoodat, toen het weer losbarstte, deFernandina Maria Emmamet gereefden fok en dichtgereefd grootmarszeil voor den wind lensde. Het was merkwaardig binnen hoe korten tijd de zee die, door den noordwester bewogen, nog al hol stond, zich in hooge golven[361]uit het zuidwesten verhief. Aanvankelijk vormden die twee deiningen, die rechthoekig op elkander inliepen, eene moeielijke zee, waarin het schip zwaar en zeer onregelmatig werkte; maar bij het toenemen van den storm, verdween die noordwestelijke deining en rolde die uit het zuidwesten hare hemelhooge baren aan.
Al spoedig werd het uiterst gevaarlijk op het dek; want bij zoo’n weer zouden brekers niet uitbleven. Het schip slingerde vreeselijk, en de eene monstergolf voor en de andere na grepen het van achteren aan. Met een donderend geweld werd het soms medegesleept, schoot in de diepte, verhief zich weer op de kruin en ondervond daarbij in alle zijne deelen eene trilling, niet ongelijk aan die, welke in een sneltrein ondervonden wordt. Kapitein Butteling liet dan ook de luiken verzekeren en den kajuitstrap met presennings beschermen.
Toen de storm losbarstte had de kok al zijne ketels op het fornuis; maar bij de heftige bewegingen, die het schip volvoerde, sprongen de kookgereedschappen uit hunne vierkanten, en lagen de spijzen al heel spoedig half gaar op den bodem der kombuis heen en weder te walsen. De keukenprins had het geraden geacht zich uit de voeten te maken om de heete snert, die juist te vuur stond, niet over het lichaam te krijgen. Gelukkig dat eene zee een oogenblik later de kombuis bestormde, de kolen en de houtspaanders uitbluschte, en zoo ieder gevaar van brand deed verdwijnen, maar ook te gelijkertijd ieder uitzicht op een maaltijd werkelijk in rook deed vervliegen.
„Wat zullen wij te dineeren krijgen?” vroeg Denniston aan den matroos-hofmeester, die deze kombuiswederwaardigheden achteruit kwam mededeelen.
„Ja, heeren, de snert is verongelukt,” antwoordde[362]deze. „Dat weer is wel wat snel op komen zetten. Ik heb niets anders dan scheepsbeschuit met ham.”
„Smakelijk eten!” riepen allen.
„Waarom geen gerookte zalm?”
„Waarom geene saucisse de Boulogne?”
„Waarom geene gerookte tong?”
„Waarom geene sardijntjes, of haring, of ansjovis?”
Die waaroms kruisten zich allerwegen. Vatel maakte dat hij weg kwam. Hij kon zich toch moeielijk even als zijn Fransche ambtgenoot—volgens mevrouw de Sevigné—van kant maken; ook kon hij geen ander antwoord geven dan dat het weer hem overvallen had en het nu onmogelijk was in het victualieruim af te dalen.
Of er veel eetlust bestond, toen de harde beschuit met ham op de tafel verscheen? Het schip maakte zulke kabriolen, dat het onmogelijk was een bord in bedwang te houden en mes en vork te hanteeren. De broodbakken met scheepsbeschuit en de borden met gesneden ham stonden op de slingerborden. Ieder die eetlust had, bediende zich, en verorberde zijn diner uit het vuistje. Zoo ging het ook in het tusschendek. Aan de soldaten—aan hen namelijk, die door de slingeringen van het schip niet van streek waren,—werden ook een paar dikke maar harde scheepsbeschuiten uitgedeeld. Voor beiden waren gezonde tanden en een flink kakebeensvermogen noodig.
Dat weer hield volle vier en twintig uren aan. Daarna begon de wind te minderen, en zoodanig om te loopen, dat hij in het zuidoosten te recht kwam. Nog voor dat het avond werd, waren de laatste sporen van den storm aan den hemel verdwenen, en ging de zon achter eene volmaakt zuivere en scherp afgeteekende kim ten onder.
Alleen de zee, die nog hol uit het zuidwesten aanrolde, was minder aangenaam, daar bij de zwakte der[363]bries het schip nog maar weinig steun in zijne zeilen had, die inmiddels zooveel maar mogelijk was, bijgezet waren. Maar de deining slechtte langzamerhand ook af, zoodat die storm weldra vergeten was.
„Wij zijn met glans in den zuidoostpassaat geraakt,” merkte stuurman Abels de passagiers op. „Ik moet erkennen, dat wij het al bijzonder goed treffen.”
„Dat komt waarschijnlijk, omdat ik aan boord ben,” sprak Adelien Groenewald lachend. „Als ik op reis ben, gaat alles voorspoedig.”
„Dat mag dan ook wel,” antwoordde de stuurman.
„Wat mag dan ook wel?” vroeg het jonge meisje.
„Dat weer en wind galant jegens jonge dames zijn!” antwoordde Abels.
„Dat de goede God zooveel voor den schoonsten zijner engelen over heeft,” voegde Leidermooi er bij.
„Dank u voor het kompliment, mijnheer Leidermooi en mijnheer Abels.”
„Wat geheel op zijne plaats en volkomen verdiend is, juffrouw Groenewald,” betuigden beiden.
Adelien luisterde ter nauwernood naar dat kwinkeleeren. Hare aandacht was elders. Zij zag Frank met Herman ter hoogte van den grooten mast staan, die beiden op de verschansing geleund, in een ernstig gesprek schenen. Met een blik wees zij hare zuster in die richting. Bij intuïtie kregen de jonge meisjes een gevoel, alsof daar hare toekomst beslist werd. Haar voorgevoel bedroog haar niet. Het gesprek was daar zeer ernstig. Frank had zijnen vriend dadelijk het onderhoud medegedeeld, hetwelk hij ettelijke dagen te voren met den heer Groenewald gehad had. Deze had zonder dralen ieder aanbod terstond van de hand gewezen en betuigd, dat hij militair in hart en ziel en niet genegen was om die loopbaan vaarwel te zeggen.[364]
„Ook niet, wanneer u zooals onderwerpelijk, eene zooveel betere loopbaan aangeboden wordt?” vroeg Frank.
„Wij zullen maar geen discussie openen over het betere of het mindere van deze of gene loopbaan. In onze eeuw is iedere eerlijke loopbaan de beste, die met onze neigingen en wenschen het meest overeenkomt, en die door ons ongedwongen, bij keuze aanvaard wordt. Neen, ik ben niet genegen om den krijgsmansrok tegen een anderen te verwisselen.”
„Ook niet, wanneer gij met die betere positie de hand kunt verwerven van een lief, aardig en zeer schoon meisje?” vroeg Frank met iets ondeugends in zijne stem.
„Wat bedoelt gij daarmeê?”
„Kom Herman, speel den onnoozelen nu niet. Alsof ge niet bemerkt zoudt hebben, dat gij Emma niet onverschillig zijt.”
Een oogenblik stond Riethoven roerloos stil. In zijn brein rees de gedachte: „als mij dat eens van Lydia gezegd was geworden! Wat vreugde zou ik dan niet ondervonden hebben!” Met het geestesoog dwaalde hij af naar het noordelijk halfrond, naar het bescheidenste stadje van het bescheidene rijkje van het kleinste werelddeel. Een paar lieve donkere oogen, die onder een diadeem van prachtige bruine krullen fonkelden, staarden hem aan. Die oogen waren ernstig gestemd, het gebaar van de schoone maagd wees naar boven en hare lippen prevelden: „à Dieu!”
„Dat ’s immers altemaal maar gekheid!” barstte hij uit. „Ik juffrouw Emma niet onverschillig zijn! Kom, kom, je vriendschap voor mij vervoert je. Nimmer heb ik dat meisje aanleiding gegeven te veronderstellen, dat ik ooit een gedachte aan haar gewijd heb. Hoe zou zij eenige genegenheid voor mij eenvoudig onderofficier opgevat hebben?”[365]
„Drommels, de liefde ziet niet naar.…”
„En al ware dat zoo,” viel Herman zijn vriend in de rede, „dan zou ik het voor Emma Groenewald betreuren; want bij mij is alles dood! Ik geloof geen vrouw meer te kunnen liefhebben. Eene speelpop er van maken.… ja, misschien in de toekomst;… later … als ik meer vergeten zal hebben. Maar … daarvoor is Emma Groenewald te goed, te edel, te rein.”
Die laatste woorden werden niet zonder geestdrift uitgesproken. Frank keek zijn vriend verbaasd aan.
„Dus,” hernam hij, „van eene vereeniging met Emma zullen wij maar niet meer spreken. Ik begrijp je gevoelen volkomen, en kan dat ook eenigermate goedkeuren. Maar nu de aangebodene betrekking?”
„Die weiger ik glad weg. Ik wil en mag door eene aanneming geen verwachtingen opwekken, die ik onmogelijk vervullen kan. Daarenboven ik blijf militair. In mijn oog is er geen loopbaan, die het bij deze halen kan.”
„Maar … welken raad zoudt gij mij geven?”
„Gij?… gij zijt in een heel anderen toestand! Gij bemint Adelien en voor de beminde vrouw kan geen te zwaar offer gebracht worden. Of beter, het is geen offer dat gebracht wordt; het is een genot, een wellust iets te kunnen verrichten, wat strekken kan haar te naderen, al strookt die handeling ook niet altijd met onze gemaakte plannen. Het is eene soort piëteit: alles voor het geliefde voorwerp over te hebben!”
„Dus gij zoudt mij raden?…”
„Wacht! ik raad u om kalm den toestand te overdenken. Met uwen onderofficiersjas aan in die familie opgenomen te worden, staat, dunkt mij, met een afstand van uwe onafhankelijkheid tamelijk gelijk. Gij treedt dan arm en berooid dat gezin binnen, en zijt daaraan alles verschuldigd. Zal die gedachte in de dagen van rampspoed,[366]uw brein of dat van Adelien niet bestormen? Zullen.…”
„O! zwijg, zwijg! wat ik je bidden mag,” sprak Frank smeekend. „Je woorden hebben mij wakker geschud. Ik weet thans wat mij te doen staat.”[367]