XVI.

[Inhoud]XVI.Straat Sunda.Stuurman Abels had gelijk gehad. De storm op 22 en 23 December had deFernandina Maria Emma, wel wat hardhandig, in den zuidoostpassaat gevoerd. Maar niet alleen in den passaat, maar ook tusschen de keerkringen. Op den 24stentoch stond het fregat bij het middagbestek op 20° 48′ zuiderbreedte en 96° 15′ oosterlengte en lei noordnoordoost een achtste oost voor.Het was ook of met den storm, de kaapsche duiven, die daags te voren nog in menigte rondom het schip zwierven, afscheid genomen hadden. Geen hunner werd meer ontwaard. De albatrossen, kaapsche ganzen en dominé’s waren reeds sedert verscheidene dagen weg gebleven.„Die verlaten de schepen in den regel op de breedte van de eilanden St. Paul en Amsterdam,”75vertelde stuurman Bagman.Eenmaal in den zuidoostpassaat, stevende het schip flink door en legde in de eerste dagen gemiddeld 47 mijlen in het etmaal af. Bij het middagbestek, op zondag den 27stenDecember, bevond het fregat zich op 12° 55′ zuiderbreedte en 100° 22′ oosterlengte, en naderde dus het einddoel der reis snel. Des avonds bij het diner[368]heerschte dan ook een zekere opgewektheid, die zich in menig welsprekend woord uitte.„Dames en heeren! het zal wel de laatste zondag zijn, dien wij gezamenlijk aan boord doorbrengen,” sprak kapitein Butteling bij het dessert, terwijl hij met een schuimenden beker echte Veuve Cliquot in de hand opstond. „Wij zullen nog ettelijke dagen te samen zijn, maar èn de maatschappelijke omstandigheden, èn de drukten, die de onmiddellijk volgende dagen gaan kenmerken, zullen een zoo gezellig samenzijn, waarin wij ons thans verheugen, waarschijnlijk niet meer gedoogen. Ik grijp dan ook de gelegenheid aan, om mij van een dankbaarheidsplicht te kwijten, waartoe mijn hart mij in deze oogenblikken aanzet. Op voorspraak van den heer Groenewald hebben wij in onzen kring opgenomen de sergeanten Brinkman en Riethoven. Geen oogenblik hebben wij daarover ook maar eene gedachte van teleurstelling ondervonden. Wij hebben die twee onderofficieren leeren kennen als degelijke welopgevoede jongelieden, die op bescheiden manier hier hunne plaats wisten in te nemen en daarbij iedereen voor zich innamen.„Bij de tooneelen van muitzucht, die wij helaas! beleefd hebben, hebben die mannen ons allen gered, niet alleen door het ontmaskeren van hetgesmedecomplot, wat hun plicht was; maar vooral door de tactvolle behandeling dier aangelegenheid, waardoor het, zonder dat ontijdige onrust veroorzaakt werd, of dat den belhamels verradenkondenworden, dat hunne ontwerpen bekend waren, kapitein Van Dam en mij mogelijk werd, die maatregelen te beramen, welke ieder oproerige beweging in de geboorte moesten smoren. Later bij het kortstondige gevecht stonden zij als mannen tegenover de verdoolden, en gaven blijken, dat ook bij lichamelijke gevaren op hunne toewijding te rekenen viel. Ik betuig, dat die jongelieden[369]zoo begaafd en zoo doordrongen van plichtgevoel, waardige leden zijn van die groote familie in de maatschappij, van de militaire wereld en voorspel, dat zij daarin, wanneer zij die loopbaan zullen blijven betreden, eene edele en waardige plaats zullen vervullen.„En mocht een hunner of beiden bij aankomst in Indië of later verlokt worden,”—bij deze woorden krulde een schier onmerkbare glimlach de lippen van den spreker—„om het krijgsmanskleed aan den kapstok te hangen en eene andere loopbaan te betreden, dan ben ik overtuigd, dat zij ook in de burgermaatschappij eene waardige plaats zullen innemen, en dat de namen van Brinkman en Riethoven steeds namen van goeden klank zullen zijn.„Ik zou de gelegenheid kunnen aangrijpen om op hun reddingswerk te doelen, toen zij, bij gelegenheid dat eene ongalante stortzee aan boord kwam, ter hulpe snelden van twee lieve kinderen, die door het pekelnat onmeedoogend voortgesleurd werden: ik wil evenwel het dankbaarheidsterrein der geredden jegens hunne redders niet betreden. Ik twijfel er niet aan, of het dankbare hart zal wel eene formule weten te vinden, om zich van die schuld te kwijten. Ik evenwel betuig den jongelieden mijn dank, dat zij toen mijn bodem, mijne sierlijkeFernandina Maria Emmaverhoed hebben, het tooneel te zijn van een jammerlijke ramp, die niet uitgebleven zoude zijn, wanneer hunne tijdige hulp ontbroken hadde.„Jonge mannen, het ga u wel! Gij hebt hier een kring vriendenharten om u verworven, die u van harte de hand toesteken en toeroepen: „Op de toekomst der sergeanten Brinkman en Riethoven in het schoone Nederlandsch-Indië!””Zal het noodig zijn te vertellen, dat die dronk, met overtuiging door den waardigen zeeman uitgesproken,[370]aller instemming verwierf? Kapitein Van Dam sprong op, bracht zijn glas vooruit en klonk met de jongelieden, welk voorbeeld door allen en niet het minst door de dames Groenewald gevolgd werd.„Op uwe toekomst in het schoone Indië!” klonk het allerwege.Getroffen door die betuiging van waardeering waren de jongelingen opgestaan. Zij klonken met de hen omringenden en beantwoordden bescheiden en gepast in weinige woorden kapitein Butteling en betuigden daarbij, dat zij alle pogingen zouden aanwenden, om steeds de goede meeningen, omtrent hen geuit, waardig te blijven.Toen, na het diner, detraditioneelekop koffie aan het dek verorberd en daar nog een halfuurtje gekout was, vormden zich de gewone speelpartijtjes in de kerk, en zaten de dames weldra in gezelschap van de beide jongelieden de heerlijke avondlucht te genieten, en waren daar niet rouwig om.„Wat een verschil met ettelijke dagen geleden,” sprak Herman. „Het is of het gisteren pas was, dat wij langs het eiland Marion stevenden en van de koude rilden bij het gezicht van die sneeuwvelden en die ijstoppen en thans.…”„Thans zijn wij tusschen de keerkringen, in die gezegende streek, waar de mensch het niet koud en de arme geen gebrek heeft,” zei mevrouw Groenewald ernstig.„Ja, wat een verschil,” sprak Emma. „Het is inderdaad, alsof wij in eene andere wereld overgegaan zijn. Van de grenzen der Poolzee.…”„Ho! ho! juffrouw Emma,” viel Herman lachende in, „de grenzen der Poolzee worden gerekend eerst op 67° 30′ te beginnen. Wij hebben nog niet geheel 49° zuiderbreedte gehaald. Met het noordelijk halfrond vergeleken[371]zijn wij zoo wat op denzelfden afstand van den Evenaar geweest als Parijs daarvan verwijderd ligt.”„Zeer juist, mijnheer Riethoven,” antwoordde Emma. „Maar vergeet niet, dat in het zuidelijk halfrond de ijsgordel zich veel verder uitstrekt dan in het noordelijk. Gij hebt gezien, dat in het volle zomersaisoen, in de maand December, die gelijk staat met de maand Juni daar ginds, de niet zeer hooge toppen van Marion allerwege nog met sneeuw en ijs bedekt waren; terwijl op IJsland, dat den noordpoolcirkel aanraakt, de eerste sneeuwgrens op ruim 3000 voet hoogte aangetroffen wordt. In ons Europa wordt de grens van het drijfijs eerst benoorden de Noordkaap, dus benoorden den 70stengraad noorderbreedte aangetroffen. Hadden wij de reis een zestal maanden vroeger of later ondernomen, dan zouden wij zoo zuidelijk niet hebben kunnen gaan, zonder ijsbergen en wellicht pakijs ontmoet te hebben; ja in het wintersaisoen gebeurt het wel, dat drijvend ijs in de nabijheid van de Kaap de Goede Hoop gezien wordt.”„En de gevolgtrekking van dat alles is, juffrouw Groenewald?” vroeg Herman.„Wel, dat ik in weerwil der zeer geleerde aardrijkskundigen geen ongelijk had, toen ik er op duidde, dat deFernandina Maria Emmaop de grenzen der IJszee geweest is.”„Uitmuntend verdedigd!” kwam stuurman Abels tusschen beide, die de wacht aan dek had en zich in de nabijheid van den roerganger ophield. „Uitmuntend verdedigd! Wat het varen een mensch toch vormt! Dat is uwe tweede zeereis, die gij maakt, en waarachtig! er is menige derde stuurman, die uwe verhandeling zoo voor het vuistje niet uit zijn mouw zou kunnen schudden. Gij zijt zoo geleerd als gij lief, goed en schoon zijt, juffrouw Groenewald.”[372]Wanneer het dag ware geweest, dan zou een lichte blos op Emma’s koonen niet onopgemerkt gebleven zijn. Het ongekunstelde zeemans-kompliment streelde haar. Toch had zij wel gewild, dat iemand anders het haar had toegevoegd. Maar ach! die zat daar zoo koud en onverschillig. Zij zweeg, maar een zucht steeg onhoorbaar uit hare borst, en werd door de bries opgenomen om wellicht in het marszeil te fluisteren, wat in het maagdelijk hart omging.Frank was dien avond buitengewoon stil, ernstig en vaak afgetrokken, hetgeen Adelien, die niet onkundig gebleven was met het gesprek, dat hij met haren papa gevoerd had, wel verbaasde. Geen blik had den hare beantwoord, hare hand had niet altijd gevonden die, welke zij in het donker zocht. Zij verbeeldde zich zelfs, dat een enkele maal Frank zijne hand als met schrik bij de aanraking met de hare teruggetrokken had, hoewel hij een oogenblik later dat lieve kleine handje met vuur, met innigheid, met vervoering gedrukt had. Dat er wat gaande was, begreep het jonge meisje maar al te goed. In hare onervarenheid evenwel maakte zij zich beangst, en gaf aan de somberste voorgevoelens toegang tot dat hart, hetwelk van liefde blaakte. Toen het oogenblik daar was, om zich ter ruste te begeven, kon zij niet nalaten de gelegenheid van een ondeelbaar oogenblik aan te grijpen om de hand van Frank te grijpen en hem fluisterend te vragen:„Wat is er toch? Gij beangstigt mij zoo!”Mevrouw Groenewald en Emma stonden reeds op den trap, en wisselden een afscheidsgroet met Herman Riethoven. Innig drukte Frank de hand van het lieve meisje, trok haar naar zich toe, sloeg zijn anderen arm om hare leest, prangde haar aan de borst en fluisterde haar toe, terwijl hunne lippen in een innigen kus op elkander sloten:[373]„Wees niet ongerust, lieve. Ik moet uwen vader spreken. Ik ben overtuigd, dat ieder woord, hetwelk ik hem zeggen zal, uwe goedkeuring zal wegdragen. Goeden nacht, mijne Adelien!”„Goeden nacht, mijn Frank!”Andermaal werd een kus gewisseld, waarna het meisje den trap afstoof.„Hebt gij daar weer niet ondoordacht gehandeld?” vroeg Riethoven, wien dat bedrijf niet ontsnapt was, zijnen vriend. „Was dat niet tegen uwe voornemens handelen, zeg Frank?”„Ge hebt gelijk. Maar, o! Herman, ik kon den aandrang van mijn hart geen weerstand bieden. Ik moest dat lieve kind, dat mij zoo onuitsprekelijk bemint, in mijn armen drukken!”„En een kus ontfutselen?”„Ja, en een kus ontfutselen! Maar wij hebben elkander zoo innig, innig lief. Ik voel dat wat er ook gebeuren gaat, wij elkander zullen blijven beminnen.”„Dat wensch ik u lieden van harte. Blijf evenwel steeds, welke aanvechtingen gij te bestrijden zult hebben, welke gelegenheden zich ook aanbieden zullen, de inspraak der eer, dat hoogste kleinood, dat gij bezit, volgen.”„Ik dank je, Herman. Ik hoop die raadgevingen trouw na te komen. Kom, laten wij het algemeen voorbeeld volgen en gaan rusten.”De zuidoostpassaat was langzamerhand verzwakt en nam al meer en meer af, naarmate men den Indischen Archipel naderde. Bij het middagbestek op den 27stenwerd bevonden, dat deFernandina Maria Emmain het laatste etmaal 35 mijlen had afgelegd. Op den 28stenkromp dat tot 30, op den 29stentot 26 en op den 30stentot 22 mijlen in. Op laatstgenoemden datum wees het[374]middagbestek 7° 46′ zuiderbreedte en 102° 34′ oosterlengte aan. De koers was noordnoordoost-half oost geweest, en werd toen in noordoost ten oosten veranderd.„Hoe ver zijn wij nog uit den wal?” vroeg de heer Groenewald aan kapitein Butteling.„Ongeveer 32 mijlen,” was het antwoord. „Blijft de passaat eenigszins aanhouden, dan zullen wij wel land in het zicht hebben voor zonsondergang.”De voorspelling kwam niet uit. De passaat kwijnde langzamerhand weg, zoodat het fregat zoo omstreeks tegen twee uur in katzjammer lag. Eene menigte zeevogels, die rondom het schip zwierven, duidden evenwel de nabijheid van land aan. Het waren wonderlijke vogels, zoo geheel anders zich vertoonende dan de reizigers gewoon waren te zien. Vooral trok de staart dier zwervers de aandacht. Die had meestal den vorm van een zwaluwstaart, maar was zeer lang. Het scheepsvolk noemde hen: marlpriemen, kleermakers, loodsen, schoorsteenvegers, enz.; terwijl niemand aan boord was, die in staat was, den wetenschappelijken naam er van op te geven, of ook maar mede te deelen tot welke familie of soort zij behoorden. Slierendrecht schoot er een, die aan dek neerviel. Het dier had de grootte van eene duif, was grijs als eene musch, gewapend met een krommen bek als een valk, en had een paar krachtige klauwen zonder zwemvliezen. Toen Hannius hem opende, vond hij de maag gevuld met eene menigte inktvisschen, die er op wezen, dat die vogel een behendig visscher en duikelaar moest wezen. Toen mevrouw Groenewald die inktvisschen zag, zeide zij:„Dat zijn tjoemi-tjoemi,76die behoorlijk gebraden bij de rijsttafel uiterst lekker smaken.”„Met die vangarmen hebben zij wel wat van spinnekoppen,” zei Denniston.[375]Na het diner wandelde mijnheer Groenewald op het dek, klampte daar de beide onderofficieren aan, en noodigde hen uit met hem een halfdekje te slaan, terwijl de overige passagiers in hun partijtje verdiept waren.„Wel jongelieden,” vroeg hij na eenige plichtpleging en na de gebruikelijkeentrée en matièreover wind, weer, gelegenheid, hoop van aankomst doorloopen te hebben, „die aankomst is vrij nabij. Wij zijn in den westmoesson; ik heb zoo’n idée dat, nu wij den passaat ontloopen hebben, de noordwester ons spoedig zal bezoeken. Het wordt nu tijd, dat gij mij een antwoord op mijn voorstel geeft. Gij hebt uwen vriend toch op de hoogte gesteld, nietwaar?”Deze vraag was tot Frank gericht, die ja knikte.„Welnu, wat denkt gij over mijn voorstel, mijnheer Riethoven?”„Ik ben u uiterst dankbaar, mijnheer Groenewald,” antwoordde deze. „Ik heb er ernstig over gedacht en moet u mededeelen, dat ik het niet kan aannemen.”„Wat! niet kan aannemen! Gijlieden weet nog niet eens de voorwaarden. Luistert, gij krijgt.…”„Ik ben vastbesloten militair te blijven, mijnheer Groenewald,” viel hem Herman in de rede. „Geene voorwaarden hoe gunstig, hoe aanlokkelijk ook, zullen mij in dat besluit doen wankelen.”„Maar dat is waanzin.”„Wel mogelijk. Ik heb vrijwillig den militairen rok aangetrokken, die stand is voor mij eene roeping geworden. Wat ik u dus bidden mag, dring niet verder aan. Gij zoudt mij noodzaken u te weigeren, en toch ben ik u zooveel goede oogenblikken, hier aan boord doorgebracht, verschuldigd, dat mij zulks innig leed zoude doen. Mijnheer Groenewald, geef mij eene hand, en dat onze achting jegens elkander in weerwil van dat besluit, ongeschonden blijve!”[376]Hoewel eenigszins onthutst reikte de koffieplanter den jonkman toch de hand.„En gij?” vroeg hij aan Frank.„Veroorloof mij,” ging Herman voort, „u beiden het onderhoud te samen te laten vervolgen. Een derde is daarbij overbodig.”Hij boog en ging naar voren.„En gij?” herhaalde de heer Groenewald zijne vraag aan Frank.„Ik, mijnheer Groenewald,” antwoordde deze. „Ik zal niet verklaren, dat ik besloten ben de militaire loopbaan te blijven betreden. Ik heb u mijne gevoelens bloot gelegd, en nu gij op uw voorstel terug komt, is mij dat een bewijs, dat die gevoelens geen hinderpaal opleveren, niet waar?.…”„Neen, maar ga voort.”„Zoodat ik met dankbaarheid dat voorstel aanneem. Evenwel.…”„Gij zult dus te Batavia er werk van maken, den militairen dienst te verlaten? Wij blijven er eenige weken. Als gij spoedig genoeg slaagt, kunt gij nog de reis met ons door Java naar de Vorstenlanden maken.”„Vergeef mij, mijnheer Groenewald; maar gij hebt mij niet laten uitspreken. Gaarne neem ik uw voorstel om op uwe landelijke onderneming werkzaam gesteld te worden aan; maar.… niet dadelijk.…”„Niet dadelijk!… Hoe bedoelt gij dat?”„Luister goed naar mij, mijnheer Groenewald, en versta mij in ’s hemels naam niet verkeerd. Ik ben thans slechts onderofficier. Ik bekleed dus slechts een graad, die, zooals mij verzekerd wordt, in Indië volstrekt niet gezien is, zoo zelfs dat de onderofficieren daar met de mindere militairen tot de paria’s der maatschappij gerekend worden. Welke zal onder die omstandigheid later,[377]wanneer de roes der wittebroodsweken doorleefd zal zijn, wanneer het proza des levens tot zijne rechten zal komen en de liefdeshymne der eerste dagen zal vervangen hebben, mijne verhouding wezen tot mijne vrouw, die mij uit die nederige sfeer tot zich ophief? Zal dan in haar hart niet liefdedoodend weerklinken, wat rondom haar gefluisterd, wellicht reeds met trotschen eigenwaan vrij duidelijk vertolkt werd:zij trouwde met een sergeant, met wien zij kennis aan boord maakte. Zie, als ik den gemeenen glimlach bedenk, welke die insinuatie-volle woorden zoude kunnen begeleiden, dan stijgt mij het bloed naar het hoofd, dan.…”„Maar ge zult niet als sergeant met mijne.…”„Laat mij eindigen mijnheer Groenewald. Ik heb Adelien te lief, dan dat door mijn toedoen ook maar eene verdenking jegens haar zou kunnen geopperd worden. Zoo iets moet en zal voorkomen worden. Ik wil daarenboven niet dat ooit de gedachte ingang bij haar vinde, dat zij mij berooid en behoeftig tot haar ophief, dat ik alles aan haar verschuldigd zoude zijn, wellicht dat mijne liefde gehuicheld was, en dat mijne toenadering tot haar haren grondslag in mijne minder schitterende omstandigheden vond …”„Is dat de toekomst niet te donker inzien, mijnheer Brinkman?”„Misschien hebt gij gelijk. Maar ik kan zoo uwe familie niet binnen treden.”„Maar dat zal ook niet gebeuren. Gij zult eerst uwe leerjaren te doorworstelen hebben.”„Zie hier, mijnheer Groenewald, waartoe ik besloten ben,” sprak Frank, zonder op de laatste woorden van Adelien’s vader te letten. „Ik zal mijne militaire loopbaan voortzetten. Ik zal alle krachten inspannen om den officiersrang te verwerven. En de dag, dat ik tot tweeden[378]luitenant benoemd zal zijn, zal ik u de hand uwer dochter vragen en mij verder ter uwer beschikking stellen om onder uwe leiding eene nieuwe loopbaan te aanvaarden. Ik heb dan eene positie in de maatschappij veroverd, die mij tot de gelijke van Adelien maakt, en zij noch gij zult u over mij te schamen hebben. Mijne gevoeligheid zal gevrijwaard zijn, en ik zal op mijne beurt iets aan te bieden hebben. Ik zal aan de voeten mijner Adelien, aan de voeten der vrouw, die ik boven allen en alles bemin de epauletten komen neerleggen, die ik veroverd zal hebben, en zal dat met te meer genot doen, daar ik eene opoffering voor de beminde vrouw zal kunnen doen, te grooter naarmate die epauletten de verzinnelijking waren van het avontuurlijke leven, dat mijn ideaal en bijgevolg de vervulling mijner jongelingsdroomen zouden zijn, om kalm, rustig en tevreden aan hare zijde op ’s levens pad voort te schrijden.”Frank zweeg een poos. Hij had met geestdrift en overtuiging gesproken. Zijn toehoorder greep zijne hand, drukte die met innigheid:„Ik heb mij in u niet vergist,” sprak hij. „Gij zijt een brave kerel. Ik kan niet anders dan met uw plan instemmen, hoewel mij dat, vooral ten opzichte van de werkzaamheden, die ik u toedacht, veel teleurstelling baart. Ik eerbiedig uwe beslissing.… toch meen ik er op te moeten wijzen, dat er nog al tijd verloopen zal, eer dat gij uw doel bereiken zult.”„Niet al te lang, hoop ik,” antwoordde de jongman. „Ik moet vier jaren in dienst zijn, waarvan twee jaren in den graad van onderofficier, om bij welgeslaagd examen tot luitenant benoemd te kunnen worden. Ik ben thans reeds bijna een jaar in dienst. Met de opvoeding, die ik erlangde, heeft het examen niet veel te beduiden, en zal mij dat niet moeilijk vallen. Ik zal dus drie jaren[379]moeten wachten, alvorens mijn vurigste wenschen bekroond zullen worden. Dat ik mijn gevoelens getrouw zal blijven, zal ik wel niet behoeven te betuigen. En van de genegenheid uwer dochter ben ik zoo overtuigd, dat ik zou kunnen verzekeren, dat ik die drie jaren beproeving onbekommerd te gemoet trek, wanneer het mij door u vergund werd, in briefwisseling gedurende dien tijd met haar te staan.…”„Dat moet ik bepaald weigeren,” antwoordde de heer Groenewald met nadruk. „Ik eerbiedig ten volle uw besluit, ik moet het zelfs in alle deelen goedkeuren; maar alleen, wanneer gij tot mij zult komen om mij de hand mijner Adelien te vragen, kan van eenig engagement en bij gevolg dan ook eerst van correspondentie sprake zijn. Maar, voelt gij lust mij te schrijven, ik zal steeds uwe brieven met genoegen ontvangen, en gij kunt er van verzekerd zijn, dat ik die voor de leden van mijn huisgezin niet geheim zal houden; terwijl ik u beloof, dat ik, zoo ver mijne bezigheden mij zulks zullen vergunnen, u trouw op de hoogte van ons wedervaren zal houden. Ik hoop, dat gij zult inzien, dat ik met het oog op de tijdruimte, die verstrijken moet, alvorens ik toestemming tot een engagement kan geven, in uw beider belang niet anders handelen kan en mag, dan ik doe.”Beide mannen bezegelden het gesprokene met een welgemeenden handdruk.„Brassen!” klonk het kommando over het dek.Een zuchtje deed zich gevoelen, en kondigde het einde van de jammerlijke windstilte aan, die het fregat onbewegelijk op het watervlak gekluisterd hield.„De noordwestmoesson komt door,” zei kapitein Butteling, die bij het vernemen van dat kommando, zijn partijtje in den steek gelaten had, en op het dek verscheen.[380]En, inderdaad, de bovenzeilen begonnen bevallig te zwellen. DeFernandina Maria Emmahervatte koers en stevende noordoost op. De passagiers gingen ter ruste met het zalig bewustzijn, dat zij den volgenden morgen het lang beloofde land zouden aanschouwen.De zon was nog lang niet ter kim gestegen. Het was nog donker, en slechts in het oosten was een purperband zichtbaar, die de komst der dagvorstin aankondigde. Toch waren alle opvarenden derFernandina Maria Emmaop het dek, om het land der hope te begroeten, om het eerste gezicht van het schoone Indië te genieten, dat volgens de verklaring der zeelieden weldra uit de zilte baren van den Oceaan moest opdoemen.„Dààr! dààr! zal Java straks te voorschijn treden,” sprak kapitein Butteling, met de hand naar het oosten wijzende, waar het purper des hemels toenam.In dit oogenblik werd een puntje van de zonneschijf aan de kim zichtbaar. Het was alsof een elektrieke vonk door het heelal stroomde. In een oogenblik was alles als met gulden vinger aangeraakt. Schip, touwen, zeilen, zee, golfjes en wolken, het alles was met goud overtogen. De zonneschijf klom al meer en meer. Zij was thans reeds meer dan over de helft boven den horizont gestegen.„Land vooruit!” klonk het uit den mast.Daar ginds in de zonneschijf werd een zwart puntje ontwaard, dat zich al meer en meer ontwikkelde en een verbrokkelde top van een bergland bleek te zijn, dat toen de zon daarboven gestegen was, door haar ten volle verlicht werd. Kapitein Butteling keek aandachtig door zijn kijker.„Dat is Java-hoofd,” zeide hij. „Ziet, daar ginds, een[381]streek meer noordelijk, doemt het Prinsen eiland op.”„Poeloe Paneitan, bij de eilanders genoemd,” zei kapitein Van Dam. „Gaat gij de Behouden Passage door?”„Neen, waarachtig niet, daar zou ik door dat bergachtige eiland gedekt, gauw gebrek aan wind hebben. Neen, ik loop nog wat Java-hoofd te gemoet om den wal beter te verkennen. Eer dat wij evenwel een uur verder zijn, laat ik het fregat een paar streken oploeven.”Tegen het middaguur stevende deFernandina Maria Emmamet volle zeilen Straat Sunda in, en liep daarbij onder den invloed der westerbries ongeveer acht mijlen. Aan stuurboordszijde was in de verte Tandjoeng Blimbieng77de zuidwestelijkste spits van het eiland Sumatra te bespeuren, en aan bakboordszijde vertoonde zich nagenoeg op denzelfden afstand het Prinsen eiland. Dit eiland is op 6° 36′ zuiderbreedte en 105° 18′ oosterlengte gelegen; terwijl de gemelde zuidwestelijke kaap van Sumatra zich op 5° 59′ zuiderbreedte en 104° 32′ oosterlengte bevindt; zoodat de Straat daar in hare dwarsdoorsnede eene breedte van bijna vijftien mijlen meet. In het noordoosten verhief zich een hoog eiland met verbrokkelde gebergten bezet, boven de blauwe watervlakte en richtte het fregat daarop den steven.„Hoe heet dat eiland, juffrouw Groenewald,” vroeg Leidermooi.„O! dat is Poeloe Krakatoea,” antwoordde Emma. „En dat daar achter is Poeloe Sebessie of Poeloe Bessi.”„En daar weer achter, wat wij thans nog niet zien kunnen, ligt Poeloe Seboekoe,” zei kapitein Butteling.„God, wat is dat hier fraai!” kreet Dr. Hannius. „Kijk, hoe die fraaie groene eilanden zich met hunne grillige vormen bevallig op het blauwe watervlak voordoen!”DeFernandina Maria Emmavervolgde statig haren koers. Verscheidene schepen waren in het gezicht, en[382]stevenden, evenals zij, noordoostwaarts op. Toen het fregat Prinsen eiland te boven was, viel het een paar streken oostwaarts af en verklaarde kapitein Butteling: „Dat daar ginds stuurboord dwars van ons is Java’s derde punt. Die bergreeks, die daar in zee uitsteekt, heet Batoe Hideng.”„En daar iets noordelijker die tweelingberg dat zijn de Goenoeng Poeloe Sarie en de Goenoeng Karang,” vulde kapitein Van Dam aan. „Zie daar die bamboehuizen; dat is Tjeringin. En daar bijna vlak vooruit, waar gij die witte huizen met die roode daken ziet, dat is Anjer. Het is jammer dat het fregat zooveel vaart maakt.”„Waarom jammer?” vroeg kapitein Butteling ietwat verstoord.„Wel, nu kunnen geen kadraaiers aan boord komen,” antwoordde kapitein Van Dam lachende. „En ik wed dat juffrouw Adelien en ook juffrouw Emma wel een risje mangistan78zouden lusten.”„He, ja, kapitein!” antwoordden de beide jonge meisjes opgetogen.„Of een bos pisang44, of eenige doerianpitten,79met haar dik machtig moes omgeven.”„He, ja, kapitein,” was de herhaalde uitroep van de lieve schoonen.Kapitein Butteling kneep een oogenblik met driftig gebaar zijnen neus tusschen duim en voorsten vinger, alsof hij eene onaangename lucht toegang tot zijn reukorgaan wilde ontzeggen.„Als de wind zoo blijft doorstaan,” zei hij eindelijk, „dan denk ik morgen ochtend u het:slamat tahoen baroe80op Batavia’s reede te kunnen toeroepen. Dan kunt gijlieden naar hartelust mangistan, pisang, ramboetan81, doerian, enz. enz. enz. eten. Maar thans moeten wij voort!”In dit oogenblik stevende het fregat vlak langs Poeloe[383]Krakatoea en zette koers op het eiland Dwars-in-den-weg.„Kijk eens wat fraaie kegelberg daar, bakboord nagenoeg dwars van ons,” merkte Behren op. „Wat is hij fraai regelmatig begroeid. Het is of hij met wijngaarden overdekt is.”„Dat is de piek op Poeloe Bessi,” antwoordde kapitein Van Dam. „Hij is bijna geheel met maritja beplant.”„Met Marietjes?” vroeg Slierendrecht. „Drommels zoo’n aanplant zal kostbaar wezen.”„Maritja, de Javaansche naam van peper, uilskuiken,” zei kapitein Van Dam gebelgd.„O, nu begrijp ik die regelmatigheid van aanplant,” zei de apotheker. „De piper nigrum, zooals wij latinisten zeggen, is een klimmende heester, welks stengel geleed en tweevorkig vertakt is. Hij behoort tot de piperaceën.…”„Schei uit, mijnheer Behren met uwe pipe, pipa … hoe heet het ook weer,” viel Adelien den apotheker in de rede. „Zeg mij liever, hoe die hooge berg daar ginds in het noorden heet.”„Juist, juffrouw,” zei kapitein Van Dam. „Die geleerden met hunne pippe pippa. Ik wou dat ze allemaal de pip hadden! Dat is de Radja Bassa, die ligt op den vasten wal van Sumatra en is bijna 5000 voet hoog.”De zon ging in het westen achter Poeloe Krakatoea onder, en overgoot de verbrokkelde massa van dat eiland met purper, dat een verheven effekt maakte. In dit oogenblik stevende deFernandina Maria Emmatusschen het eiland Dwars-in-den-weg en denJavawaldoor. Rakelings bijna scheerde het vaartuig langs Toppershoedje, een zeer klein kegelvormig eiland, dat zich als een bevallig boschje groen boven het watervlak verhief, en stuurde thans noordwaarts op om den Sint-Nikolaas[384]hoek te ronden. Het was ongeveer acht uren des avonds, toen kapitein Butteling zijne passagiers een hartelijk: welkom in de Javazee! toeriep.Voor en na liet de scheepsgezagvoerder nu zeil minderen, om de vaart te temperen. Toen de dag aanbrak, was Poeloe Dapoer reeds voorbijgestevend, en koerste het fregat tusschen de eilanden Monnikendam en Edam, en liet bij opkomst der zon het anker op Batavia’s reede vallen.„Welkom in Nederlandsch-Indië, en alle heil en zegen in het nieuw ingetreden jaar!”Dat waren de wenschen, die allerwege op het dek van deFernandina Maria Emmagewisseld, werden. Iedereen was nu bedrijvig met pakken om zich tot de ontscheping voor te bereiden. Van de verwarring maakten Adelien en Frank gebruik om een handdruk te wisselen.„Uw besluit,” zei het jonge meisje, „heeft mij een oogenblik ontstemd, toch moet ik het goedkeuren. Frank, mijn Frank, vertrouw op mij.”„En gij, dierbare Adelien, op mij!”Een uur later waren al de passagiers in „tamban-gans” (lichte vaartuigen) gezeten, en stevenden den Javawal te gemoet. Een paar uren later kwamen een viertal tien-kojangs-prauwen langs zijde van het fregat82om het detachement militairen over te voeren, en waren weldra de tijdelijke opvarenden van deFernandina Maria Emma, die voor een zeventig-tal dagen bij elkander geweest waren, uiteen gespat, en stormden hunne toekomst te gemoet. Welke zal die toekomst zijn?O! wij zullen den lezer niet laten smachten!EINDEVAN „NAAR DEN EQUATOR.”[385]

[Inhoud]XVI.Straat Sunda.Stuurman Abels had gelijk gehad. De storm op 22 en 23 December had deFernandina Maria Emma, wel wat hardhandig, in den zuidoostpassaat gevoerd. Maar niet alleen in den passaat, maar ook tusschen de keerkringen. Op den 24stentoch stond het fregat bij het middagbestek op 20° 48′ zuiderbreedte en 96° 15′ oosterlengte en lei noordnoordoost een achtste oost voor.Het was ook of met den storm, de kaapsche duiven, die daags te voren nog in menigte rondom het schip zwierven, afscheid genomen hadden. Geen hunner werd meer ontwaard. De albatrossen, kaapsche ganzen en dominé’s waren reeds sedert verscheidene dagen weg gebleven.„Die verlaten de schepen in den regel op de breedte van de eilanden St. Paul en Amsterdam,”75vertelde stuurman Bagman.Eenmaal in den zuidoostpassaat, stevende het schip flink door en legde in de eerste dagen gemiddeld 47 mijlen in het etmaal af. Bij het middagbestek, op zondag den 27stenDecember, bevond het fregat zich op 12° 55′ zuiderbreedte en 100° 22′ oosterlengte, en naderde dus het einddoel der reis snel. Des avonds bij het diner[368]heerschte dan ook een zekere opgewektheid, die zich in menig welsprekend woord uitte.„Dames en heeren! het zal wel de laatste zondag zijn, dien wij gezamenlijk aan boord doorbrengen,” sprak kapitein Butteling bij het dessert, terwijl hij met een schuimenden beker echte Veuve Cliquot in de hand opstond. „Wij zullen nog ettelijke dagen te samen zijn, maar èn de maatschappelijke omstandigheden, èn de drukten, die de onmiddellijk volgende dagen gaan kenmerken, zullen een zoo gezellig samenzijn, waarin wij ons thans verheugen, waarschijnlijk niet meer gedoogen. Ik grijp dan ook de gelegenheid aan, om mij van een dankbaarheidsplicht te kwijten, waartoe mijn hart mij in deze oogenblikken aanzet. Op voorspraak van den heer Groenewald hebben wij in onzen kring opgenomen de sergeanten Brinkman en Riethoven. Geen oogenblik hebben wij daarover ook maar eene gedachte van teleurstelling ondervonden. Wij hebben die twee onderofficieren leeren kennen als degelijke welopgevoede jongelieden, die op bescheiden manier hier hunne plaats wisten in te nemen en daarbij iedereen voor zich innamen.„Bij de tooneelen van muitzucht, die wij helaas! beleefd hebben, hebben die mannen ons allen gered, niet alleen door het ontmaskeren van hetgesmedecomplot, wat hun plicht was; maar vooral door de tactvolle behandeling dier aangelegenheid, waardoor het, zonder dat ontijdige onrust veroorzaakt werd, of dat den belhamels verradenkondenworden, dat hunne ontwerpen bekend waren, kapitein Van Dam en mij mogelijk werd, die maatregelen te beramen, welke ieder oproerige beweging in de geboorte moesten smoren. Later bij het kortstondige gevecht stonden zij als mannen tegenover de verdoolden, en gaven blijken, dat ook bij lichamelijke gevaren op hunne toewijding te rekenen viel. Ik betuig, dat die jongelieden[369]zoo begaafd en zoo doordrongen van plichtgevoel, waardige leden zijn van die groote familie in de maatschappij, van de militaire wereld en voorspel, dat zij daarin, wanneer zij die loopbaan zullen blijven betreden, eene edele en waardige plaats zullen vervullen.„En mocht een hunner of beiden bij aankomst in Indië of later verlokt worden,”—bij deze woorden krulde een schier onmerkbare glimlach de lippen van den spreker—„om het krijgsmanskleed aan den kapstok te hangen en eene andere loopbaan te betreden, dan ben ik overtuigd, dat zij ook in de burgermaatschappij eene waardige plaats zullen innemen, en dat de namen van Brinkman en Riethoven steeds namen van goeden klank zullen zijn.„Ik zou de gelegenheid kunnen aangrijpen om op hun reddingswerk te doelen, toen zij, bij gelegenheid dat eene ongalante stortzee aan boord kwam, ter hulpe snelden van twee lieve kinderen, die door het pekelnat onmeedoogend voortgesleurd werden: ik wil evenwel het dankbaarheidsterrein der geredden jegens hunne redders niet betreden. Ik twijfel er niet aan, of het dankbare hart zal wel eene formule weten te vinden, om zich van die schuld te kwijten. Ik evenwel betuig den jongelieden mijn dank, dat zij toen mijn bodem, mijne sierlijkeFernandina Maria Emmaverhoed hebben, het tooneel te zijn van een jammerlijke ramp, die niet uitgebleven zoude zijn, wanneer hunne tijdige hulp ontbroken hadde.„Jonge mannen, het ga u wel! Gij hebt hier een kring vriendenharten om u verworven, die u van harte de hand toesteken en toeroepen: „Op de toekomst der sergeanten Brinkman en Riethoven in het schoone Nederlandsch-Indië!””Zal het noodig zijn te vertellen, dat die dronk, met overtuiging door den waardigen zeeman uitgesproken,[370]aller instemming verwierf? Kapitein Van Dam sprong op, bracht zijn glas vooruit en klonk met de jongelieden, welk voorbeeld door allen en niet het minst door de dames Groenewald gevolgd werd.„Op uwe toekomst in het schoone Indië!” klonk het allerwege.Getroffen door die betuiging van waardeering waren de jongelingen opgestaan. Zij klonken met de hen omringenden en beantwoordden bescheiden en gepast in weinige woorden kapitein Butteling en betuigden daarbij, dat zij alle pogingen zouden aanwenden, om steeds de goede meeningen, omtrent hen geuit, waardig te blijven.Toen, na het diner, detraditioneelekop koffie aan het dek verorberd en daar nog een halfuurtje gekout was, vormden zich de gewone speelpartijtjes in de kerk, en zaten de dames weldra in gezelschap van de beide jongelieden de heerlijke avondlucht te genieten, en waren daar niet rouwig om.„Wat een verschil met ettelijke dagen geleden,” sprak Herman. „Het is of het gisteren pas was, dat wij langs het eiland Marion stevenden en van de koude rilden bij het gezicht van die sneeuwvelden en die ijstoppen en thans.…”„Thans zijn wij tusschen de keerkringen, in die gezegende streek, waar de mensch het niet koud en de arme geen gebrek heeft,” zei mevrouw Groenewald ernstig.„Ja, wat een verschil,” sprak Emma. „Het is inderdaad, alsof wij in eene andere wereld overgegaan zijn. Van de grenzen der Poolzee.…”„Ho! ho! juffrouw Emma,” viel Herman lachende in, „de grenzen der Poolzee worden gerekend eerst op 67° 30′ te beginnen. Wij hebben nog niet geheel 49° zuiderbreedte gehaald. Met het noordelijk halfrond vergeleken[371]zijn wij zoo wat op denzelfden afstand van den Evenaar geweest als Parijs daarvan verwijderd ligt.”„Zeer juist, mijnheer Riethoven,” antwoordde Emma. „Maar vergeet niet, dat in het zuidelijk halfrond de ijsgordel zich veel verder uitstrekt dan in het noordelijk. Gij hebt gezien, dat in het volle zomersaisoen, in de maand December, die gelijk staat met de maand Juni daar ginds, de niet zeer hooge toppen van Marion allerwege nog met sneeuw en ijs bedekt waren; terwijl op IJsland, dat den noordpoolcirkel aanraakt, de eerste sneeuwgrens op ruim 3000 voet hoogte aangetroffen wordt. In ons Europa wordt de grens van het drijfijs eerst benoorden de Noordkaap, dus benoorden den 70stengraad noorderbreedte aangetroffen. Hadden wij de reis een zestal maanden vroeger of later ondernomen, dan zouden wij zoo zuidelijk niet hebben kunnen gaan, zonder ijsbergen en wellicht pakijs ontmoet te hebben; ja in het wintersaisoen gebeurt het wel, dat drijvend ijs in de nabijheid van de Kaap de Goede Hoop gezien wordt.”„En de gevolgtrekking van dat alles is, juffrouw Groenewald?” vroeg Herman.„Wel, dat ik in weerwil der zeer geleerde aardrijkskundigen geen ongelijk had, toen ik er op duidde, dat deFernandina Maria Emmaop de grenzen der IJszee geweest is.”„Uitmuntend verdedigd!” kwam stuurman Abels tusschen beide, die de wacht aan dek had en zich in de nabijheid van den roerganger ophield. „Uitmuntend verdedigd! Wat het varen een mensch toch vormt! Dat is uwe tweede zeereis, die gij maakt, en waarachtig! er is menige derde stuurman, die uwe verhandeling zoo voor het vuistje niet uit zijn mouw zou kunnen schudden. Gij zijt zoo geleerd als gij lief, goed en schoon zijt, juffrouw Groenewald.”[372]Wanneer het dag ware geweest, dan zou een lichte blos op Emma’s koonen niet onopgemerkt gebleven zijn. Het ongekunstelde zeemans-kompliment streelde haar. Toch had zij wel gewild, dat iemand anders het haar had toegevoegd. Maar ach! die zat daar zoo koud en onverschillig. Zij zweeg, maar een zucht steeg onhoorbaar uit hare borst, en werd door de bries opgenomen om wellicht in het marszeil te fluisteren, wat in het maagdelijk hart omging.Frank was dien avond buitengewoon stil, ernstig en vaak afgetrokken, hetgeen Adelien, die niet onkundig gebleven was met het gesprek, dat hij met haren papa gevoerd had, wel verbaasde. Geen blik had den hare beantwoord, hare hand had niet altijd gevonden die, welke zij in het donker zocht. Zij verbeeldde zich zelfs, dat een enkele maal Frank zijne hand als met schrik bij de aanraking met de hare teruggetrokken had, hoewel hij een oogenblik later dat lieve kleine handje met vuur, met innigheid, met vervoering gedrukt had. Dat er wat gaande was, begreep het jonge meisje maar al te goed. In hare onervarenheid evenwel maakte zij zich beangst, en gaf aan de somberste voorgevoelens toegang tot dat hart, hetwelk van liefde blaakte. Toen het oogenblik daar was, om zich ter ruste te begeven, kon zij niet nalaten de gelegenheid van een ondeelbaar oogenblik aan te grijpen om de hand van Frank te grijpen en hem fluisterend te vragen:„Wat is er toch? Gij beangstigt mij zoo!”Mevrouw Groenewald en Emma stonden reeds op den trap, en wisselden een afscheidsgroet met Herman Riethoven. Innig drukte Frank de hand van het lieve meisje, trok haar naar zich toe, sloeg zijn anderen arm om hare leest, prangde haar aan de borst en fluisterde haar toe, terwijl hunne lippen in een innigen kus op elkander sloten:[373]„Wees niet ongerust, lieve. Ik moet uwen vader spreken. Ik ben overtuigd, dat ieder woord, hetwelk ik hem zeggen zal, uwe goedkeuring zal wegdragen. Goeden nacht, mijne Adelien!”„Goeden nacht, mijn Frank!”Andermaal werd een kus gewisseld, waarna het meisje den trap afstoof.„Hebt gij daar weer niet ondoordacht gehandeld?” vroeg Riethoven, wien dat bedrijf niet ontsnapt was, zijnen vriend. „Was dat niet tegen uwe voornemens handelen, zeg Frank?”„Ge hebt gelijk. Maar, o! Herman, ik kon den aandrang van mijn hart geen weerstand bieden. Ik moest dat lieve kind, dat mij zoo onuitsprekelijk bemint, in mijn armen drukken!”„En een kus ontfutselen?”„Ja, en een kus ontfutselen! Maar wij hebben elkander zoo innig, innig lief. Ik voel dat wat er ook gebeuren gaat, wij elkander zullen blijven beminnen.”„Dat wensch ik u lieden van harte. Blijf evenwel steeds, welke aanvechtingen gij te bestrijden zult hebben, welke gelegenheden zich ook aanbieden zullen, de inspraak der eer, dat hoogste kleinood, dat gij bezit, volgen.”„Ik dank je, Herman. Ik hoop die raadgevingen trouw na te komen. Kom, laten wij het algemeen voorbeeld volgen en gaan rusten.”De zuidoostpassaat was langzamerhand verzwakt en nam al meer en meer af, naarmate men den Indischen Archipel naderde. Bij het middagbestek op den 27stenwerd bevonden, dat deFernandina Maria Emmain het laatste etmaal 35 mijlen had afgelegd. Op den 28stenkromp dat tot 30, op den 29stentot 26 en op den 30stentot 22 mijlen in. Op laatstgenoemden datum wees het[374]middagbestek 7° 46′ zuiderbreedte en 102° 34′ oosterlengte aan. De koers was noordnoordoost-half oost geweest, en werd toen in noordoost ten oosten veranderd.„Hoe ver zijn wij nog uit den wal?” vroeg de heer Groenewald aan kapitein Butteling.„Ongeveer 32 mijlen,” was het antwoord. „Blijft de passaat eenigszins aanhouden, dan zullen wij wel land in het zicht hebben voor zonsondergang.”De voorspelling kwam niet uit. De passaat kwijnde langzamerhand weg, zoodat het fregat zoo omstreeks tegen twee uur in katzjammer lag. Eene menigte zeevogels, die rondom het schip zwierven, duidden evenwel de nabijheid van land aan. Het waren wonderlijke vogels, zoo geheel anders zich vertoonende dan de reizigers gewoon waren te zien. Vooral trok de staart dier zwervers de aandacht. Die had meestal den vorm van een zwaluwstaart, maar was zeer lang. Het scheepsvolk noemde hen: marlpriemen, kleermakers, loodsen, schoorsteenvegers, enz.; terwijl niemand aan boord was, die in staat was, den wetenschappelijken naam er van op te geven, of ook maar mede te deelen tot welke familie of soort zij behoorden. Slierendrecht schoot er een, die aan dek neerviel. Het dier had de grootte van eene duif, was grijs als eene musch, gewapend met een krommen bek als een valk, en had een paar krachtige klauwen zonder zwemvliezen. Toen Hannius hem opende, vond hij de maag gevuld met eene menigte inktvisschen, die er op wezen, dat die vogel een behendig visscher en duikelaar moest wezen. Toen mevrouw Groenewald die inktvisschen zag, zeide zij:„Dat zijn tjoemi-tjoemi,76die behoorlijk gebraden bij de rijsttafel uiterst lekker smaken.”„Met die vangarmen hebben zij wel wat van spinnekoppen,” zei Denniston.[375]Na het diner wandelde mijnheer Groenewald op het dek, klampte daar de beide onderofficieren aan, en noodigde hen uit met hem een halfdekje te slaan, terwijl de overige passagiers in hun partijtje verdiept waren.„Wel jongelieden,” vroeg hij na eenige plichtpleging en na de gebruikelijkeentrée en matièreover wind, weer, gelegenheid, hoop van aankomst doorloopen te hebben, „die aankomst is vrij nabij. Wij zijn in den westmoesson; ik heb zoo’n idée dat, nu wij den passaat ontloopen hebben, de noordwester ons spoedig zal bezoeken. Het wordt nu tijd, dat gij mij een antwoord op mijn voorstel geeft. Gij hebt uwen vriend toch op de hoogte gesteld, nietwaar?”Deze vraag was tot Frank gericht, die ja knikte.„Welnu, wat denkt gij over mijn voorstel, mijnheer Riethoven?”„Ik ben u uiterst dankbaar, mijnheer Groenewald,” antwoordde deze. „Ik heb er ernstig over gedacht en moet u mededeelen, dat ik het niet kan aannemen.”„Wat! niet kan aannemen! Gijlieden weet nog niet eens de voorwaarden. Luistert, gij krijgt.…”„Ik ben vastbesloten militair te blijven, mijnheer Groenewald,” viel hem Herman in de rede. „Geene voorwaarden hoe gunstig, hoe aanlokkelijk ook, zullen mij in dat besluit doen wankelen.”„Maar dat is waanzin.”„Wel mogelijk. Ik heb vrijwillig den militairen rok aangetrokken, die stand is voor mij eene roeping geworden. Wat ik u dus bidden mag, dring niet verder aan. Gij zoudt mij noodzaken u te weigeren, en toch ben ik u zooveel goede oogenblikken, hier aan boord doorgebracht, verschuldigd, dat mij zulks innig leed zoude doen. Mijnheer Groenewald, geef mij eene hand, en dat onze achting jegens elkander in weerwil van dat besluit, ongeschonden blijve!”[376]Hoewel eenigszins onthutst reikte de koffieplanter den jonkman toch de hand.„En gij?” vroeg hij aan Frank.„Veroorloof mij,” ging Herman voort, „u beiden het onderhoud te samen te laten vervolgen. Een derde is daarbij overbodig.”Hij boog en ging naar voren.„En gij?” herhaalde de heer Groenewald zijne vraag aan Frank.„Ik, mijnheer Groenewald,” antwoordde deze. „Ik zal niet verklaren, dat ik besloten ben de militaire loopbaan te blijven betreden. Ik heb u mijne gevoelens bloot gelegd, en nu gij op uw voorstel terug komt, is mij dat een bewijs, dat die gevoelens geen hinderpaal opleveren, niet waar?.…”„Neen, maar ga voort.”„Zoodat ik met dankbaarheid dat voorstel aanneem. Evenwel.…”„Gij zult dus te Batavia er werk van maken, den militairen dienst te verlaten? Wij blijven er eenige weken. Als gij spoedig genoeg slaagt, kunt gij nog de reis met ons door Java naar de Vorstenlanden maken.”„Vergeef mij, mijnheer Groenewald; maar gij hebt mij niet laten uitspreken. Gaarne neem ik uw voorstel om op uwe landelijke onderneming werkzaam gesteld te worden aan; maar.… niet dadelijk.…”„Niet dadelijk!… Hoe bedoelt gij dat?”„Luister goed naar mij, mijnheer Groenewald, en versta mij in ’s hemels naam niet verkeerd. Ik ben thans slechts onderofficier. Ik bekleed dus slechts een graad, die, zooals mij verzekerd wordt, in Indië volstrekt niet gezien is, zoo zelfs dat de onderofficieren daar met de mindere militairen tot de paria’s der maatschappij gerekend worden. Welke zal onder die omstandigheid later,[377]wanneer de roes der wittebroodsweken doorleefd zal zijn, wanneer het proza des levens tot zijne rechten zal komen en de liefdeshymne der eerste dagen zal vervangen hebben, mijne verhouding wezen tot mijne vrouw, die mij uit die nederige sfeer tot zich ophief? Zal dan in haar hart niet liefdedoodend weerklinken, wat rondom haar gefluisterd, wellicht reeds met trotschen eigenwaan vrij duidelijk vertolkt werd:zij trouwde met een sergeant, met wien zij kennis aan boord maakte. Zie, als ik den gemeenen glimlach bedenk, welke die insinuatie-volle woorden zoude kunnen begeleiden, dan stijgt mij het bloed naar het hoofd, dan.…”„Maar ge zult niet als sergeant met mijne.…”„Laat mij eindigen mijnheer Groenewald. Ik heb Adelien te lief, dan dat door mijn toedoen ook maar eene verdenking jegens haar zou kunnen geopperd worden. Zoo iets moet en zal voorkomen worden. Ik wil daarenboven niet dat ooit de gedachte ingang bij haar vinde, dat zij mij berooid en behoeftig tot haar ophief, dat ik alles aan haar verschuldigd zoude zijn, wellicht dat mijne liefde gehuicheld was, en dat mijne toenadering tot haar haren grondslag in mijne minder schitterende omstandigheden vond …”„Is dat de toekomst niet te donker inzien, mijnheer Brinkman?”„Misschien hebt gij gelijk. Maar ik kan zoo uwe familie niet binnen treden.”„Maar dat zal ook niet gebeuren. Gij zult eerst uwe leerjaren te doorworstelen hebben.”„Zie hier, mijnheer Groenewald, waartoe ik besloten ben,” sprak Frank, zonder op de laatste woorden van Adelien’s vader te letten. „Ik zal mijne militaire loopbaan voortzetten. Ik zal alle krachten inspannen om den officiersrang te verwerven. En de dag, dat ik tot tweeden[378]luitenant benoemd zal zijn, zal ik u de hand uwer dochter vragen en mij verder ter uwer beschikking stellen om onder uwe leiding eene nieuwe loopbaan te aanvaarden. Ik heb dan eene positie in de maatschappij veroverd, die mij tot de gelijke van Adelien maakt, en zij noch gij zult u over mij te schamen hebben. Mijne gevoeligheid zal gevrijwaard zijn, en ik zal op mijne beurt iets aan te bieden hebben. Ik zal aan de voeten mijner Adelien, aan de voeten der vrouw, die ik boven allen en alles bemin de epauletten komen neerleggen, die ik veroverd zal hebben, en zal dat met te meer genot doen, daar ik eene opoffering voor de beminde vrouw zal kunnen doen, te grooter naarmate die epauletten de verzinnelijking waren van het avontuurlijke leven, dat mijn ideaal en bijgevolg de vervulling mijner jongelingsdroomen zouden zijn, om kalm, rustig en tevreden aan hare zijde op ’s levens pad voort te schrijden.”Frank zweeg een poos. Hij had met geestdrift en overtuiging gesproken. Zijn toehoorder greep zijne hand, drukte die met innigheid:„Ik heb mij in u niet vergist,” sprak hij. „Gij zijt een brave kerel. Ik kan niet anders dan met uw plan instemmen, hoewel mij dat, vooral ten opzichte van de werkzaamheden, die ik u toedacht, veel teleurstelling baart. Ik eerbiedig uwe beslissing.… toch meen ik er op te moeten wijzen, dat er nog al tijd verloopen zal, eer dat gij uw doel bereiken zult.”„Niet al te lang, hoop ik,” antwoordde de jongman. „Ik moet vier jaren in dienst zijn, waarvan twee jaren in den graad van onderofficier, om bij welgeslaagd examen tot luitenant benoemd te kunnen worden. Ik ben thans reeds bijna een jaar in dienst. Met de opvoeding, die ik erlangde, heeft het examen niet veel te beduiden, en zal mij dat niet moeilijk vallen. Ik zal dus drie jaren[379]moeten wachten, alvorens mijn vurigste wenschen bekroond zullen worden. Dat ik mijn gevoelens getrouw zal blijven, zal ik wel niet behoeven te betuigen. En van de genegenheid uwer dochter ben ik zoo overtuigd, dat ik zou kunnen verzekeren, dat ik die drie jaren beproeving onbekommerd te gemoet trek, wanneer het mij door u vergund werd, in briefwisseling gedurende dien tijd met haar te staan.…”„Dat moet ik bepaald weigeren,” antwoordde de heer Groenewald met nadruk. „Ik eerbiedig ten volle uw besluit, ik moet het zelfs in alle deelen goedkeuren; maar alleen, wanneer gij tot mij zult komen om mij de hand mijner Adelien te vragen, kan van eenig engagement en bij gevolg dan ook eerst van correspondentie sprake zijn. Maar, voelt gij lust mij te schrijven, ik zal steeds uwe brieven met genoegen ontvangen, en gij kunt er van verzekerd zijn, dat ik die voor de leden van mijn huisgezin niet geheim zal houden; terwijl ik u beloof, dat ik, zoo ver mijne bezigheden mij zulks zullen vergunnen, u trouw op de hoogte van ons wedervaren zal houden. Ik hoop, dat gij zult inzien, dat ik met het oog op de tijdruimte, die verstrijken moet, alvorens ik toestemming tot een engagement kan geven, in uw beider belang niet anders handelen kan en mag, dan ik doe.”Beide mannen bezegelden het gesprokene met een welgemeenden handdruk.„Brassen!” klonk het kommando over het dek.Een zuchtje deed zich gevoelen, en kondigde het einde van de jammerlijke windstilte aan, die het fregat onbewegelijk op het watervlak gekluisterd hield.„De noordwestmoesson komt door,” zei kapitein Butteling, die bij het vernemen van dat kommando, zijn partijtje in den steek gelaten had, en op het dek verscheen.[380]En, inderdaad, de bovenzeilen begonnen bevallig te zwellen. DeFernandina Maria Emmahervatte koers en stevende noordoost op. De passagiers gingen ter ruste met het zalig bewustzijn, dat zij den volgenden morgen het lang beloofde land zouden aanschouwen.De zon was nog lang niet ter kim gestegen. Het was nog donker, en slechts in het oosten was een purperband zichtbaar, die de komst der dagvorstin aankondigde. Toch waren alle opvarenden derFernandina Maria Emmaop het dek, om het land der hope te begroeten, om het eerste gezicht van het schoone Indië te genieten, dat volgens de verklaring der zeelieden weldra uit de zilte baren van den Oceaan moest opdoemen.„Dààr! dààr! zal Java straks te voorschijn treden,” sprak kapitein Butteling, met de hand naar het oosten wijzende, waar het purper des hemels toenam.In dit oogenblik werd een puntje van de zonneschijf aan de kim zichtbaar. Het was alsof een elektrieke vonk door het heelal stroomde. In een oogenblik was alles als met gulden vinger aangeraakt. Schip, touwen, zeilen, zee, golfjes en wolken, het alles was met goud overtogen. De zonneschijf klom al meer en meer. Zij was thans reeds meer dan over de helft boven den horizont gestegen.„Land vooruit!” klonk het uit den mast.Daar ginds in de zonneschijf werd een zwart puntje ontwaard, dat zich al meer en meer ontwikkelde en een verbrokkelde top van een bergland bleek te zijn, dat toen de zon daarboven gestegen was, door haar ten volle verlicht werd. Kapitein Butteling keek aandachtig door zijn kijker.„Dat is Java-hoofd,” zeide hij. „Ziet, daar ginds, een[381]streek meer noordelijk, doemt het Prinsen eiland op.”„Poeloe Paneitan, bij de eilanders genoemd,” zei kapitein Van Dam. „Gaat gij de Behouden Passage door?”„Neen, waarachtig niet, daar zou ik door dat bergachtige eiland gedekt, gauw gebrek aan wind hebben. Neen, ik loop nog wat Java-hoofd te gemoet om den wal beter te verkennen. Eer dat wij evenwel een uur verder zijn, laat ik het fregat een paar streken oploeven.”Tegen het middaguur stevende deFernandina Maria Emmamet volle zeilen Straat Sunda in, en liep daarbij onder den invloed der westerbries ongeveer acht mijlen. Aan stuurboordszijde was in de verte Tandjoeng Blimbieng77de zuidwestelijkste spits van het eiland Sumatra te bespeuren, en aan bakboordszijde vertoonde zich nagenoeg op denzelfden afstand het Prinsen eiland. Dit eiland is op 6° 36′ zuiderbreedte en 105° 18′ oosterlengte gelegen; terwijl de gemelde zuidwestelijke kaap van Sumatra zich op 5° 59′ zuiderbreedte en 104° 32′ oosterlengte bevindt; zoodat de Straat daar in hare dwarsdoorsnede eene breedte van bijna vijftien mijlen meet. In het noordoosten verhief zich een hoog eiland met verbrokkelde gebergten bezet, boven de blauwe watervlakte en richtte het fregat daarop den steven.„Hoe heet dat eiland, juffrouw Groenewald,” vroeg Leidermooi.„O! dat is Poeloe Krakatoea,” antwoordde Emma. „En dat daar achter is Poeloe Sebessie of Poeloe Bessi.”„En daar weer achter, wat wij thans nog niet zien kunnen, ligt Poeloe Seboekoe,” zei kapitein Butteling.„God, wat is dat hier fraai!” kreet Dr. Hannius. „Kijk, hoe die fraaie groene eilanden zich met hunne grillige vormen bevallig op het blauwe watervlak voordoen!”DeFernandina Maria Emmavervolgde statig haren koers. Verscheidene schepen waren in het gezicht, en[382]stevenden, evenals zij, noordoostwaarts op. Toen het fregat Prinsen eiland te boven was, viel het een paar streken oostwaarts af en verklaarde kapitein Butteling: „Dat daar ginds stuurboord dwars van ons is Java’s derde punt. Die bergreeks, die daar in zee uitsteekt, heet Batoe Hideng.”„En daar iets noordelijker die tweelingberg dat zijn de Goenoeng Poeloe Sarie en de Goenoeng Karang,” vulde kapitein Van Dam aan. „Zie daar die bamboehuizen; dat is Tjeringin. En daar bijna vlak vooruit, waar gij die witte huizen met die roode daken ziet, dat is Anjer. Het is jammer dat het fregat zooveel vaart maakt.”„Waarom jammer?” vroeg kapitein Butteling ietwat verstoord.„Wel, nu kunnen geen kadraaiers aan boord komen,” antwoordde kapitein Van Dam lachende. „En ik wed dat juffrouw Adelien en ook juffrouw Emma wel een risje mangistan78zouden lusten.”„He, ja, kapitein!” antwoordden de beide jonge meisjes opgetogen.„Of een bos pisang44, of eenige doerianpitten,79met haar dik machtig moes omgeven.”„He, ja, kapitein,” was de herhaalde uitroep van de lieve schoonen.Kapitein Butteling kneep een oogenblik met driftig gebaar zijnen neus tusschen duim en voorsten vinger, alsof hij eene onaangename lucht toegang tot zijn reukorgaan wilde ontzeggen.„Als de wind zoo blijft doorstaan,” zei hij eindelijk, „dan denk ik morgen ochtend u het:slamat tahoen baroe80op Batavia’s reede te kunnen toeroepen. Dan kunt gijlieden naar hartelust mangistan, pisang, ramboetan81, doerian, enz. enz. enz. eten. Maar thans moeten wij voort!”In dit oogenblik stevende het fregat vlak langs Poeloe[383]Krakatoea en zette koers op het eiland Dwars-in-den-weg.„Kijk eens wat fraaie kegelberg daar, bakboord nagenoeg dwars van ons,” merkte Behren op. „Wat is hij fraai regelmatig begroeid. Het is of hij met wijngaarden overdekt is.”„Dat is de piek op Poeloe Bessi,” antwoordde kapitein Van Dam. „Hij is bijna geheel met maritja beplant.”„Met Marietjes?” vroeg Slierendrecht. „Drommels zoo’n aanplant zal kostbaar wezen.”„Maritja, de Javaansche naam van peper, uilskuiken,” zei kapitein Van Dam gebelgd.„O, nu begrijp ik die regelmatigheid van aanplant,” zei de apotheker. „De piper nigrum, zooals wij latinisten zeggen, is een klimmende heester, welks stengel geleed en tweevorkig vertakt is. Hij behoort tot de piperaceën.…”„Schei uit, mijnheer Behren met uwe pipe, pipa … hoe heet het ook weer,” viel Adelien den apotheker in de rede. „Zeg mij liever, hoe die hooge berg daar ginds in het noorden heet.”„Juist, juffrouw,” zei kapitein Van Dam. „Die geleerden met hunne pippe pippa. Ik wou dat ze allemaal de pip hadden! Dat is de Radja Bassa, die ligt op den vasten wal van Sumatra en is bijna 5000 voet hoog.”De zon ging in het westen achter Poeloe Krakatoea onder, en overgoot de verbrokkelde massa van dat eiland met purper, dat een verheven effekt maakte. In dit oogenblik stevende deFernandina Maria Emmatusschen het eiland Dwars-in-den-weg en denJavawaldoor. Rakelings bijna scheerde het vaartuig langs Toppershoedje, een zeer klein kegelvormig eiland, dat zich als een bevallig boschje groen boven het watervlak verhief, en stuurde thans noordwaarts op om den Sint-Nikolaas[384]hoek te ronden. Het was ongeveer acht uren des avonds, toen kapitein Butteling zijne passagiers een hartelijk: welkom in de Javazee! toeriep.Voor en na liet de scheepsgezagvoerder nu zeil minderen, om de vaart te temperen. Toen de dag aanbrak, was Poeloe Dapoer reeds voorbijgestevend, en koerste het fregat tusschen de eilanden Monnikendam en Edam, en liet bij opkomst der zon het anker op Batavia’s reede vallen.„Welkom in Nederlandsch-Indië, en alle heil en zegen in het nieuw ingetreden jaar!”Dat waren de wenschen, die allerwege op het dek van deFernandina Maria Emmagewisseld, werden. Iedereen was nu bedrijvig met pakken om zich tot de ontscheping voor te bereiden. Van de verwarring maakten Adelien en Frank gebruik om een handdruk te wisselen.„Uw besluit,” zei het jonge meisje, „heeft mij een oogenblik ontstemd, toch moet ik het goedkeuren. Frank, mijn Frank, vertrouw op mij.”„En gij, dierbare Adelien, op mij!”Een uur later waren al de passagiers in „tamban-gans” (lichte vaartuigen) gezeten, en stevenden den Javawal te gemoet. Een paar uren later kwamen een viertal tien-kojangs-prauwen langs zijde van het fregat82om het detachement militairen over te voeren, en waren weldra de tijdelijke opvarenden van deFernandina Maria Emma, die voor een zeventig-tal dagen bij elkander geweest waren, uiteen gespat, en stormden hunne toekomst te gemoet. Welke zal die toekomst zijn?O! wij zullen den lezer niet laten smachten!EINDEVAN „NAAR DEN EQUATOR.”[385]

[Inhoud]XVI.Straat Sunda.Stuurman Abels had gelijk gehad. De storm op 22 en 23 December had deFernandina Maria Emma, wel wat hardhandig, in den zuidoostpassaat gevoerd. Maar niet alleen in den passaat, maar ook tusschen de keerkringen. Op den 24stentoch stond het fregat bij het middagbestek op 20° 48′ zuiderbreedte en 96° 15′ oosterlengte en lei noordnoordoost een achtste oost voor.Het was ook of met den storm, de kaapsche duiven, die daags te voren nog in menigte rondom het schip zwierven, afscheid genomen hadden. Geen hunner werd meer ontwaard. De albatrossen, kaapsche ganzen en dominé’s waren reeds sedert verscheidene dagen weg gebleven.„Die verlaten de schepen in den regel op de breedte van de eilanden St. Paul en Amsterdam,”75vertelde stuurman Bagman.Eenmaal in den zuidoostpassaat, stevende het schip flink door en legde in de eerste dagen gemiddeld 47 mijlen in het etmaal af. Bij het middagbestek, op zondag den 27stenDecember, bevond het fregat zich op 12° 55′ zuiderbreedte en 100° 22′ oosterlengte, en naderde dus het einddoel der reis snel. Des avonds bij het diner[368]heerschte dan ook een zekere opgewektheid, die zich in menig welsprekend woord uitte.„Dames en heeren! het zal wel de laatste zondag zijn, dien wij gezamenlijk aan boord doorbrengen,” sprak kapitein Butteling bij het dessert, terwijl hij met een schuimenden beker echte Veuve Cliquot in de hand opstond. „Wij zullen nog ettelijke dagen te samen zijn, maar èn de maatschappelijke omstandigheden, èn de drukten, die de onmiddellijk volgende dagen gaan kenmerken, zullen een zoo gezellig samenzijn, waarin wij ons thans verheugen, waarschijnlijk niet meer gedoogen. Ik grijp dan ook de gelegenheid aan, om mij van een dankbaarheidsplicht te kwijten, waartoe mijn hart mij in deze oogenblikken aanzet. Op voorspraak van den heer Groenewald hebben wij in onzen kring opgenomen de sergeanten Brinkman en Riethoven. Geen oogenblik hebben wij daarover ook maar eene gedachte van teleurstelling ondervonden. Wij hebben die twee onderofficieren leeren kennen als degelijke welopgevoede jongelieden, die op bescheiden manier hier hunne plaats wisten in te nemen en daarbij iedereen voor zich innamen.„Bij de tooneelen van muitzucht, die wij helaas! beleefd hebben, hebben die mannen ons allen gered, niet alleen door het ontmaskeren van hetgesmedecomplot, wat hun plicht was; maar vooral door de tactvolle behandeling dier aangelegenheid, waardoor het, zonder dat ontijdige onrust veroorzaakt werd, of dat den belhamels verradenkondenworden, dat hunne ontwerpen bekend waren, kapitein Van Dam en mij mogelijk werd, die maatregelen te beramen, welke ieder oproerige beweging in de geboorte moesten smoren. Later bij het kortstondige gevecht stonden zij als mannen tegenover de verdoolden, en gaven blijken, dat ook bij lichamelijke gevaren op hunne toewijding te rekenen viel. Ik betuig, dat die jongelieden[369]zoo begaafd en zoo doordrongen van plichtgevoel, waardige leden zijn van die groote familie in de maatschappij, van de militaire wereld en voorspel, dat zij daarin, wanneer zij die loopbaan zullen blijven betreden, eene edele en waardige plaats zullen vervullen.„En mocht een hunner of beiden bij aankomst in Indië of later verlokt worden,”—bij deze woorden krulde een schier onmerkbare glimlach de lippen van den spreker—„om het krijgsmanskleed aan den kapstok te hangen en eene andere loopbaan te betreden, dan ben ik overtuigd, dat zij ook in de burgermaatschappij eene waardige plaats zullen innemen, en dat de namen van Brinkman en Riethoven steeds namen van goeden klank zullen zijn.„Ik zou de gelegenheid kunnen aangrijpen om op hun reddingswerk te doelen, toen zij, bij gelegenheid dat eene ongalante stortzee aan boord kwam, ter hulpe snelden van twee lieve kinderen, die door het pekelnat onmeedoogend voortgesleurd werden: ik wil evenwel het dankbaarheidsterrein der geredden jegens hunne redders niet betreden. Ik twijfel er niet aan, of het dankbare hart zal wel eene formule weten te vinden, om zich van die schuld te kwijten. Ik evenwel betuig den jongelieden mijn dank, dat zij toen mijn bodem, mijne sierlijkeFernandina Maria Emmaverhoed hebben, het tooneel te zijn van een jammerlijke ramp, die niet uitgebleven zoude zijn, wanneer hunne tijdige hulp ontbroken hadde.„Jonge mannen, het ga u wel! Gij hebt hier een kring vriendenharten om u verworven, die u van harte de hand toesteken en toeroepen: „Op de toekomst der sergeanten Brinkman en Riethoven in het schoone Nederlandsch-Indië!””Zal het noodig zijn te vertellen, dat die dronk, met overtuiging door den waardigen zeeman uitgesproken,[370]aller instemming verwierf? Kapitein Van Dam sprong op, bracht zijn glas vooruit en klonk met de jongelieden, welk voorbeeld door allen en niet het minst door de dames Groenewald gevolgd werd.„Op uwe toekomst in het schoone Indië!” klonk het allerwege.Getroffen door die betuiging van waardeering waren de jongelingen opgestaan. Zij klonken met de hen omringenden en beantwoordden bescheiden en gepast in weinige woorden kapitein Butteling en betuigden daarbij, dat zij alle pogingen zouden aanwenden, om steeds de goede meeningen, omtrent hen geuit, waardig te blijven.Toen, na het diner, detraditioneelekop koffie aan het dek verorberd en daar nog een halfuurtje gekout was, vormden zich de gewone speelpartijtjes in de kerk, en zaten de dames weldra in gezelschap van de beide jongelieden de heerlijke avondlucht te genieten, en waren daar niet rouwig om.„Wat een verschil met ettelijke dagen geleden,” sprak Herman. „Het is of het gisteren pas was, dat wij langs het eiland Marion stevenden en van de koude rilden bij het gezicht van die sneeuwvelden en die ijstoppen en thans.…”„Thans zijn wij tusschen de keerkringen, in die gezegende streek, waar de mensch het niet koud en de arme geen gebrek heeft,” zei mevrouw Groenewald ernstig.„Ja, wat een verschil,” sprak Emma. „Het is inderdaad, alsof wij in eene andere wereld overgegaan zijn. Van de grenzen der Poolzee.…”„Ho! ho! juffrouw Emma,” viel Herman lachende in, „de grenzen der Poolzee worden gerekend eerst op 67° 30′ te beginnen. Wij hebben nog niet geheel 49° zuiderbreedte gehaald. Met het noordelijk halfrond vergeleken[371]zijn wij zoo wat op denzelfden afstand van den Evenaar geweest als Parijs daarvan verwijderd ligt.”„Zeer juist, mijnheer Riethoven,” antwoordde Emma. „Maar vergeet niet, dat in het zuidelijk halfrond de ijsgordel zich veel verder uitstrekt dan in het noordelijk. Gij hebt gezien, dat in het volle zomersaisoen, in de maand December, die gelijk staat met de maand Juni daar ginds, de niet zeer hooge toppen van Marion allerwege nog met sneeuw en ijs bedekt waren; terwijl op IJsland, dat den noordpoolcirkel aanraakt, de eerste sneeuwgrens op ruim 3000 voet hoogte aangetroffen wordt. In ons Europa wordt de grens van het drijfijs eerst benoorden de Noordkaap, dus benoorden den 70stengraad noorderbreedte aangetroffen. Hadden wij de reis een zestal maanden vroeger of later ondernomen, dan zouden wij zoo zuidelijk niet hebben kunnen gaan, zonder ijsbergen en wellicht pakijs ontmoet te hebben; ja in het wintersaisoen gebeurt het wel, dat drijvend ijs in de nabijheid van de Kaap de Goede Hoop gezien wordt.”„En de gevolgtrekking van dat alles is, juffrouw Groenewald?” vroeg Herman.„Wel, dat ik in weerwil der zeer geleerde aardrijkskundigen geen ongelijk had, toen ik er op duidde, dat deFernandina Maria Emmaop de grenzen der IJszee geweest is.”„Uitmuntend verdedigd!” kwam stuurman Abels tusschen beide, die de wacht aan dek had en zich in de nabijheid van den roerganger ophield. „Uitmuntend verdedigd! Wat het varen een mensch toch vormt! Dat is uwe tweede zeereis, die gij maakt, en waarachtig! er is menige derde stuurman, die uwe verhandeling zoo voor het vuistje niet uit zijn mouw zou kunnen schudden. Gij zijt zoo geleerd als gij lief, goed en schoon zijt, juffrouw Groenewald.”[372]Wanneer het dag ware geweest, dan zou een lichte blos op Emma’s koonen niet onopgemerkt gebleven zijn. Het ongekunstelde zeemans-kompliment streelde haar. Toch had zij wel gewild, dat iemand anders het haar had toegevoegd. Maar ach! die zat daar zoo koud en onverschillig. Zij zweeg, maar een zucht steeg onhoorbaar uit hare borst, en werd door de bries opgenomen om wellicht in het marszeil te fluisteren, wat in het maagdelijk hart omging.Frank was dien avond buitengewoon stil, ernstig en vaak afgetrokken, hetgeen Adelien, die niet onkundig gebleven was met het gesprek, dat hij met haren papa gevoerd had, wel verbaasde. Geen blik had den hare beantwoord, hare hand had niet altijd gevonden die, welke zij in het donker zocht. Zij verbeeldde zich zelfs, dat een enkele maal Frank zijne hand als met schrik bij de aanraking met de hare teruggetrokken had, hoewel hij een oogenblik later dat lieve kleine handje met vuur, met innigheid, met vervoering gedrukt had. Dat er wat gaande was, begreep het jonge meisje maar al te goed. In hare onervarenheid evenwel maakte zij zich beangst, en gaf aan de somberste voorgevoelens toegang tot dat hart, hetwelk van liefde blaakte. Toen het oogenblik daar was, om zich ter ruste te begeven, kon zij niet nalaten de gelegenheid van een ondeelbaar oogenblik aan te grijpen om de hand van Frank te grijpen en hem fluisterend te vragen:„Wat is er toch? Gij beangstigt mij zoo!”Mevrouw Groenewald en Emma stonden reeds op den trap, en wisselden een afscheidsgroet met Herman Riethoven. Innig drukte Frank de hand van het lieve meisje, trok haar naar zich toe, sloeg zijn anderen arm om hare leest, prangde haar aan de borst en fluisterde haar toe, terwijl hunne lippen in een innigen kus op elkander sloten:[373]„Wees niet ongerust, lieve. Ik moet uwen vader spreken. Ik ben overtuigd, dat ieder woord, hetwelk ik hem zeggen zal, uwe goedkeuring zal wegdragen. Goeden nacht, mijne Adelien!”„Goeden nacht, mijn Frank!”Andermaal werd een kus gewisseld, waarna het meisje den trap afstoof.„Hebt gij daar weer niet ondoordacht gehandeld?” vroeg Riethoven, wien dat bedrijf niet ontsnapt was, zijnen vriend. „Was dat niet tegen uwe voornemens handelen, zeg Frank?”„Ge hebt gelijk. Maar, o! Herman, ik kon den aandrang van mijn hart geen weerstand bieden. Ik moest dat lieve kind, dat mij zoo onuitsprekelijk bemint, in mijn armen drukken!”„En een kus ontfutselen?”„Ja, en een kus ontfutselen! Maar wij hebben elkander zoo innig, innig lief. Ik voel dat wat er ook gebeuren gaat, wij elkander zullen blijven beminnen.”„Dat wensch ik u lieden van harte. Blijf evenwel steeds, welke aanvechtingen gij te bestrijden zult hebben, welke gelegenheden zich ook aanbieden zullen, de inspraak der eer, dat hoogste kleinood, dat gij bezit, volgen.”„Ik dank je, Herman. Ik hoop die raadgevingen trouw na te komen. Kom, laten wij het algemeen voorbeeld volgen en gaan rusten.”De zuidoostpassaat was langzamerhand verzwakt en nam al meer en meer af, naarmate men den Indischen Archipel naderde. Bij het middagbestek op den 27stenwerd bevonden, dat deFernandina Maria Emmain het laatste etmaal 35 mijlen had afgelegd. Op den 28stenkromp dat tot 30, op den 29stentot 26 en op den 30stentot 22 mijlen in. Op laatstgenoemden datum wees het[374]middagbestek 7° 46′ zuiderbreedte en 102° 34′ oosterlengte aan. De koers was noordnoordoost-half oost geweest, en werd toen in noordoost ten oosten veranderd.„Hoe ver zijn wij nog uit den wal?” vroeg de heer Groenewald aan kapitein Butteling.„Ongeveer 32 mijlen,” was het antwoord. „Blijft de passaat eenigszins aanhouden, dan zullen wij wel land in het zicht hebben voor zonsondergang.”De voorspelling kwam niet uit. De passaat kwijnde langzamerhand weg, zoodat het fregat zoo omstreeks tegen twee uur in katzjammer lag. Eene menigte zeevogels, die rondom het schip zwierven, duidden evenwel de nabijheid van land aan. Het waren wonderlijke vogels, zoo geheel anders zich vertoonende dan de reizigers gewoon waren te zien. Vooral trok de staart dier zwervers de aandacht. Die had meestal den vorm van een zwaluwstaart, maar was zeer lang. Het scheepsvolk noemde hen: marlpriemen, kleermakers, loodsen, schoorsteenvegers, enz.; terwijl niemand aan boord was, die in staat was, den wetenschappelijken naam er van op te geven, of ook maar mede te deelen tot welke familie of soort zij behoorden. Slierendrecht schoot er een, die aan dek neerviel. Het dier had de grootte van eene duif, was grijs als eene musch, gewapend met een krommen bek als een valk, en had een paar krachtige klauwen zonder zwemvliezen. Toen Hannius hem opende, vond hij de maag gevuld met eene menigte inktvisschen, die er op wezen, dat die vogel een behendig visscher en duikelaar moest wezen. Toen mevrouw Groenewald die inktvisschen zag, zeide zij:„Dat zijn tjoemi-tjoemi,76die behoorlijk gebraden bij de rijsttafel uiterst lekker smaken.”„Met die vangarmen hebben zij wel wat van spinnekoppen,” zei Denniston.[375]Na het diner wandelde mijnheer Groenewald op het dek, klampte daar de beide onderofficieren aan, en noodigde hen uit met hem een halfdekje te slaan, terwijl de overige passagiers in hun partijtje verdiept waren.„Wel jongelieden,” vroeg hij na eenige plichtpleging en na de gebruikelijkeentrée en matièreover wind, weer, gelegenheid, hoop van aankomst doorloopen te hebben, „die aankomst is vrij nabij. Wij zijn in den westmoesson; ik heb zoo’n idée dat, nu wij den passaat ontloopen hebben, de noordwester ons spoedig zal bezoeken. Het wordt nu tijd, dat gij mij een antwoord op mijn voorstel geeft. Gij hebt uwen vriend toch op de hoogte gesteld, nietwaar?”Deze vraag was tot Frank gericht, die ja knikte.„Welnu, wat denkt gij over mijn voorstel, mijnheer Riethoven?”„Ik ben u uiterst dankbaar, mijnheer Groenewald,” antwoordde deze. „Ik heb er ernstig over gedacht en moet u mededeelen, dat ik het niet kan aannemen.”„Wat! niet kan aannemen! Gijlieden weet nog niet eens de voorwaarden. Luistert, gij krijgt.…”„Ik ben vastbesloten militair te blijven, mijnheer Groenewald,” viel hem Herman in de rede. „Geene voorwaarden hoe gunstig, hoe aanlokkelijk ook, zullen mij in dat besluit doen wankelen.”„Maar dat is waanzin.”„Wel mogelijk. Ik heb vrijwillig den militairen rok aangetrokken, die stand is voor mij eene roeping geworden. Wat ik u dus bidden mag, dring niet verder aan. Gij zoudt mij noodzaken u te weigeren, en toch ben ik u zooveel goede oogenblikken, hier aan boord doorgebracht, verschuldigd, dat mij zulks innig leed zoude doen. Mijnheer Groenewald, geef mij eene hand, en dat onze achting jegens elkander in weerwil van dat besluit, ongeschonden blijve!”[376]Hoewel eenigszins onthutst reikte de koffieplanter den jonkman toch de hand.„En gij?” vroeg hij aan Frank.„Veroorloof mij,” ging Herman voort, „u beiden het onderhoud te samen te laten vervolgen. Een derde is daarbij overbodig.”Hij boog en ging naar voren.„En gij?” herhaalde de heer Groenewald zijne vraag aan Frank.„Ik, mijnheer Groenewald,” antwoordde deze. „Ik zal niet verklaren, dat ik besloten ben de militaire loopbaan te blijven betreden. Ik heb u mijne gevoelens bloot gelegd, en nu gij op uw voorstel terug komt, is mij dat een bewijs, dat die gevoelens geen hinderpaal opleveren, niet waar?.…”„Neen, maar ga voort.”„Zoodat ik met dankbaarheid dat voorstel aanneem. Evenwel.…”„Gij zult dus te Batavia er werk van maken, den militairen dienst te verlaten? Wij blijven er eenige weken. Als gij spoedig genoeg slaagt, kunt gij nog de reis met ons door Java naar de Vorstenlanden maken.”„Vergeef mij, mijnheer Groenewald; maar gij hebt mij niet laten uitspreken. Gaarne neem ik uw voorstel om op uwe landelijke onderneming werkzaam gesteld te worden aan; maar.… niet dadelijk.…”„Niet dadelijk!… Hoe bedoelt gij dat?”„Luister goed naar mij, mijnheer Groenewald, en versta mij in ’s hemels naam niet verkeerd. Ik ben thans slechts onderofficier. Ik bekleed dus slechts een graad, die, zooals mij verzekerd wordt, in Indië volstrekt niet gezien is, zoo zelfs dat de onderofficieren daar met de mindere militairen tot de paria’s der maatschappij gerekend worden. Welke zal onder die omstandigheid later,[377]wanneer de roes der wittebroodsweken doorleefd zal zijn, wanneer het proza des levens tot zijne rechten zal komen en de liefdeshymne der eerste dagen zal vervangen hebben, mijne verhouding wezen tot mijne vrouw, die mij uit die nederige sfeer tot zich ophief? Zal dan in haar hart niet liefdedoodend weerklinken, wat rondom haar gefluisterd, wellicht reeds met trotschen eigenwaan vrij duidelijk vertolkt werd:zij trouwde met een sergeant, met wien zij kennis aan boord maakte. Zie, als ik den gemeenen glimlach bedenk, welke die insinuatie-volle woorden zoude kunnen begeleiden, dan stijgt mij het bloed naar het hoofd, dan.…”„Maar ge zult niet als sergeant met mijne.…”„Laat mij eindigen mijnheer Groenewald. Ik heb Adelien te lief, dan dat door mijn toedoen ook maar eene verdenking jegens haar zou kunnen geopperd worden. Zoo iets moet en zal voorkomen worden. Ik wil daarenboven niet dat ooit de gedachte ingang bij haar vinde, dat zij mij berooid en behoeftig tot haar ophief, dat ik alles aan haar verschuldigd zoude zijn, wellicht dat mijne liefde gehuicheld was, en dat mijne toenadering tot haar haren grondslag in mijne minder schitterende omstandigheden vond …”„Is dat de toekomst niet te donker inzien, mijnheer Brinkman?”„Misschien hebt gij gelijk. Maar ik kan zoo uwe familie niet binnen treden.”„Maar dat zal ook niet gebeuren. Gij zult eerst uwe leerjaren te doorworstelen hebben.”„Zie hier, mijnheer Groenewald, waartoe ik besloten ben,” sprak Frank, zonder op de laatste woorden van Adelien’s vader te letten. „Ik zal mijne militaire loopbaan voortzetten. Ik zal alle krachten inspannen om den officiersrang te verwerven. En de dag, dat ik tot tweeden[378]luitenant benoemd zal zijn, zal ik u de hand uwer dochter vragen en mij verder ter uwer beschikking stellen om onder uwe leiding eene nieuwe loopbaan te aanvaarden. Ik heb dan eene positie in de maatschappij veroverd, die mij tot de gelijke van Adelien maakt, en zij noch gij zult u over mij te schamen hebben. Mijne gevoeligheid zal gevrijwaard zijn, en ik zal op mijne beurt iets aan te bieden hebben. Ik zal aan de voeten mijner Adelien, aan de voeten der vrouw, die ik boven allen en alles bemin de epauletten komen neerleggen, die ik veroverd zal hebben, en zal dat met te meer genot doen, daar ik eene opoffering voor de beminde vrouw zal kunnen doen, te grooter naarmate die epauletten de verzinnelijking waren van het avontuurlijke leven, dat mijn ideaal en bijgevolg de vervulling mijner jongelingsdroomen zouden zijn, om kalm, rustig en tevreden aan hare zijde op ’s levens pad voort te schrijden.”Frank zweeg een poos. Hij had met geestdrift en overtuiging gesproken. Zijn toehoorder greep zijne hand, drukte die met innigheid:„Ik heb mij in u niet vergist,” sprak hij. „Gij zijt een brave kerel. Ik kan niet anders dan met uw plan instemmen, hoewel mij dat, vooral ten opzichte van de werkzaamheden, die ik u toedacht, veel teleurstelling baart. Ik eerbiedig uwe beslissing.… toch meen ik er op te moeten wijzen, dat er nog al tijd verloopen zal, eer dat gij uw doel bereiken zult.”„Niet al te lang, hoop ik,” antwoordde de jongman. „Ik moet vier jaren in dienst zijn, waarvan twee jaren in den graad van onderofficier, om bij welgeslaagd examen tot luitenant benoemd te kunnen worden. Ik ben thans reeds bijna een jaar in dienst. Met de opvoeding, die ik erlangde, heeft het examen niet veel te beduiden, en zal mij dat niet moeilijk vallen. Ik zal dus drie jaren[379]moeten wachten, alvorens mijn vurigste wenschen bekroond zullen worden. Dat ik mijn gevoelens getrouw zal blijven, zal ik wel niet behoeven te betuigen. En van de genegenheid uwer dochter ben ik zoo overtuigd, dat ik zou kunnen verzekeren, dat ik die drie jaren beproeving onbekommerd te gemoet trek, wanneer het mij door u vergund werd, in briefwisseling gedurende dien tijd met haar te staan.…”„Dat moet ik bepaald weigeren,” antwoordde de heer Groenewald met nadruk. „Ik eerbiedig ten volle uw besluit, ik moet het zelfs in alle deelen goedkeuren; maar alleen, wanneer gij tot mij zult komen om mij de hand mijner Adelien te vragen, kan van eenig engagement en bij gevolg dan ook eerst van correspondentie sprake zijn. Maar, voelt gij lust mij te schrijven, ik zal steeds uwe brieven met genoegen ontvangen, en gij kunt er van verzekerd zijn, dat ik die voor de leden van mijn huisgezin niet geheim zal houden; terwijl ik u beloof, dat ik, zoo ver mijne bezigheden mij zulks zullen vergunnen, u trouw op de hoogte van ons wedervaren zal houden. Ik hoop, dat gij zult inzien, dat ik met het oog op de tijdruimte, die verstrijken moet, alvorens ik toestemming tot een engagement kan geven, in uw beider belang niet anders handelen kan en mag, dan ik doe.”Beide mannen bezegelden het gesprokene met een welgemeenden handdruk.„Brassen!” klonk het kommando over het dek.Een zuchtje deed zich gevoelen, en kondigde het einde van de jammerlijke windstilte aan, die het fregat onbewegelijk op het watervlak gekluisterd hield.„De noordwestmoesson komt door,” zei kapitein Butteling, die bij het vernemen van dat kommando, zijn partijtje in den steek gelaten had, en op het dek verscheen.[380]En, inderdaad, de bovenzeilen begonnen bevallig te zwellen. DeFernandina Maria Emmahervatte koers en stevende noordoost op. De passagiers gingen ter ruste met het zalig bewustzijn, dat zij den volgenden morgen het lang beloofde land zouden aanschouwen.De zon was nog lang niet ter kim gestegen. Het was nog donker, en slechts in het oosten was een purperband zichtbaar, die de komst der dagvorstin aankondigde. Toch waren alle opvarenden derFernandina Maria Emmaop het dek, om het land der hope te begroeten, om het eerste gezicht van het schoone Indië te genieten, dat volgens de verklaring der zeelieden weldra uit de zilte baren van den Oceaan moest opdoemen.„Dààr! dààr! zal Java straks te voorschijn treden,” sprak kapitein Butteling, met de hand naar het oosten wijzende, waar het purper des hemels toenam.In dit oogenblik werd een puntje van de zonneschijf aan de kim zichtbaar. Het was alsof een elektrieke vonk door het heelal stroomde. In een oogenblik was alles als met gulden vinger aangeraakt. Schip, touwen, zeilen, zee, golfjes en wolken, het alles was met goud overtogen. De zonneschijf klom al meer en meer. Zij was thans reeds meer dan over de helft boven den horizont gestegen.„Land vooruit!” klonk het uit den mast.Daar ginds in de zonneschijf werd een zwart puntje ontwaard, dat zich al meer en meer ontwikkelde en een verbrokkelde top van een bergland bleek te zijn, dat toen de zon daarboven gestegen was, door haar ten volle verlicht werd. Kapitein Butteling keek aandachtig door zijn kijker.„Dat is Java-hoofd,” zeide hij. „Ziet, daar ginds, een[381]streek meer noordelijk, doemt het Prinsen eiland op.”„Poeloe Paneitan, bij de eilanders genoemd,” zei kapitein Van Dam. „Gaat gij de Behouden Passage door?”„Neen, waarachtig niet, daar zou ik door dat bergachtige eiland gedekt, gauw gebrek aan wind hebben. Neen, ik loop nog wat Java-hoofd te gemoet om den wal beter te verkennen. Eer dat wij evenwel een uur verder zijn, laat ik het fregat een paar streken oploeven.”Tegen het middaguur stevende deFernandina Maria Emmamet volle zeilen Straat Sunda in, en liep daarbij onder den invloed der westerbries ongeveer acht mijlen. Aan stuurboordszijde was in de verte Tandjoeng Blimbieng77de zuidwestelijkste spits van het eiland Sumatra te bespeuren, en aan bakboordszijde vertoonde zich nagenoeg op denzelfden afstand het Prinsen eiland. Dit eiland is op 6° 36′ zuiderbreedte en 105° 18′ oosterlengte gelegen; terwijl de gemelde zuidwestelijke kaap van Sumatra zich op 5° 59′ zuiderbreedte en 104° 32′ oosterlengte bevindt; zoodat de Straat daar in hare dwarsdoorsnede eene breedte van bijna vijftien mijlen meet. In het noordoosten verhief zich een hoog eiland met verbrokkelde gebergten bezet, boven de blauwe watervlakte en richtte het fregat daarop den steven.„Hoe heet dat eiland, juffrouw Groenewald,” vroeg Leidermooi.„O! dat is Poeloe Krakatoea,” antwoordde Emma. „En dat daar achter is Poeloe Sebessie of Poeloe Bessi.”„En daar weer achter, wat wij thans nog niet zien kunnen, ligt Poeloe Seboekoe,” zei kapitein Butteling.„God, wat is dat hier fraai!” kreet Dr. Hannius. „Kijk, hoe die fraaie groene eilanden zich met hunne grillige vormen bevallig op het blauwe watervlak voordoen!”DeFernandina Maria Emmavervolgde statig haren koers. Verscheidene schepen waren in het gezicht, en[382]stevenden, evenals zij, noordoostwaarts op. Toen het fregat Prinsen eiland te boven was, viel het een paar streken oostwaarts af en verklaarde kapitein Butteling: „Dat daar ginds stuurboord dwars van ons is Java’s derde punt. Die bergreeks, die daar in zee uitsteekt, heet Batoe Hideng.”„En daar iets noordelijker die tweelingberg dat zijn de Goenoeng Poeloe Sarie en de Goenoeng Karang,” vulde kapitein Van Dam aan. „Zie daar die bamboehuizen; dat is Tjeringin. En daar bijna vlak vooruit, waar gij die witte huizen met die roode daken ziet, dat is Anjer. Het is jammer dat het fregat zooveel vaart maakt.”„Waarom jammer?” vroeg kapitein Butteling ietwat verstoord.„Wel, nu kunnen geen kadraaiers aan boord komen,” antwoordde kapitein Van Dam lachende. „En ik wed dat juffrouw Adelien en ook juffrouw Emma wel een risje mangistan78zouden lusten.”„He, ja, kapitein!” antwoordden de beide jonge meisjes opgetogen.„Of een bos pisang44, of eenige doerianpitten,79met haar dik machtig moes omgeven.”„He, ja, kapitein,” was de herhaalde uitroep van de lieve schoonen.Kapitein Butteling kneep een oogenblik met driftig gebaar zijnen neus tusschen duim en voorsten vinger, alsof hij eene onaangename lucht toegang tot zijn reukorgaan wilde ontzeggen.„Als de wind zoo blijft doorstaan,” zei hij eindelijk, „dan denk ik morgen ochtend u het:slamat tahoen baroe80op Batavia’s reede te kunnen toeroepen. Dan kunt gijlieden naar hartelust mangistan, pisang, ramboetan81, doerian, enz. enz. enz. eten. Maar thans moeten wij voort!”In dit oogenblik stevende het fregat vlak langs Poeloe[383]Krakatoea en zette koers op het eiland Dwars-in-den-weg.„Kijk eens wat fraaie kegelberg daar, bakboord nagenoeg dwars van ons,” merkte Behren op. „Wat is hij fraai regelmatig begroeid. Het is of hij met wijngaarden overdekt is.”„Dat is de piek op Poeloe Bessi,” antwoordde kapitein Van Dam. „Hij is bijna geheel met maritja beplant.”„Met Marietjes?” vroeg Slierendrecht. „Drommels zoo’n aanplant zal kostbaar wezen.”„Maritja, de Javaansche naam van peper, uilskuiken,” zei kapitein Van Dam gebelgd.„O, nu begrijp ik die regelmatigheid van aanplant,” zei de apotheker. „De piper nigrum, zooals wij latinisten zeggen, is een klimmende heester, welks stengel geleed en tweevorkig vertakt is. Hij behoort tot de piperaceën.…”„Schei uit, mijnheer Behren met uwe pipe, pipa … hoe heet het ook weer,” viel Adelien den apotheker in de rede. „Zeg mij liever, hoe die hooge berg daar ginds in het noorden heet.”„Juist, juffrouw,” zei kapitein Van Dam. „Die geleerden met hunne pippe pippa. Ik wou dat ze allemaal de pip hadden! Dat is de Radja Bassa, die ligt op den vasten wal van Sumatra en is bijna 5000 voet hoog.”De zon ging in het westen achter Poeloe Krakatoea onder, en overgoot de verbrokkelde massa van dat eiland met purper, dat een verheven effekt maakte. In dit oogenblik stevende deFernandina Maria Emmatusschen het eiland Dwars-in-den-weg en denJavawaldoor. Rakelings bijna scheerde het vaartuig langs Toppershoedje, een zeer klein kegelvormig eiland, dat zich als een bevallig boschje groen boven het watervlak verhief, en stuurde thans noordwaarts op om den Sint-Nikolaas[384]hoek te ronden. Het was ongeveer acht uren des avonds, toen kapitein Butteling zijne passagiers een hartelijk: welkom in de Javazee! toeriep.Voor en na liet de scheepsgezagvoerder nu zeil minderen, om de vaart te temperen. Toen de dag aanbrak, was Poeloe Dapoer reeds voorbijgestevend, en koerste het fregat tusschen de eilanden Monnikendam en Edam, en liet bij opkomst der zon het anker op Batavia’s reede vallen.„Welkom in Nederlandsch-Indië, en alle heil en zegen in het nieuw ingetreden jaar!”Dat waren de wenschen, die allerwege op het dek van deFernandina Maria Emmagewisseld, werden. Iedereen was nu bedrijvig met pakken om zich tot de ontscheping voor te bereiden. Van de verwarring maakten Adelien en Frank gebruik om een handdruk te wisselen.„Uw besluit,” zei het jonge meisje, „heeft mij een oogenblik ontstemd, toch moet ik het goedkeuren. Frank, mijn Frank, vertrouw op mij.”„En gij, dierbare Adelien, op mij!”Een uur later waren al de passagiers in „tamban-gans” (lichte vaartuigen) gezeten, en stevenden den Javawal te gemoet. Een paar uren later kwamen een viertal tien-kojangs-prauwen langs zijde van het fregat82om het detachement militairen over te voeren, en waren weldra de tijdelijke opvarenden van deFernandina Maria Emma, die voor een zeventig-tal dagen bij elkander geweest waren, uiteen gespat, en stormden hunne toekomst te gemoet. Welke zal die toekomst zijn?O! wij zullen den lezer niet laten smachten!EINDEVAN „NAAR DEN EQUATOR.”[385]

XVI.Straat Sunda.

Stuurman Abels had gelijk gehad. De storm op 22 en 23 December had deFernandina Maria Emma, wel wat hardhandig, in den zuidoostpassaat gevoerd. Maar niet alleen in den passaat, maar ook tusschen de keerkringen. Op den 24stentoch stond het fregat bij het middagbestek op 20° 48′ zuiderbreedte en 96° 15′ oosterlengte en lei noordnoordoost een achtste oost voor.Het was ook of met den storm, de kaapsche duiven, die daags te voren nog in menigte rondom het schip zwierven, afscheid genomen hadden. Geen hunner werd meer ontwaard. De albatrossen, kaapsche ganzen en dominé’s waren reeds sedert verscheidene dagen weg gebleven.„Die verlaten de schepen in den regel op de breedte van de eilanden St. Paul en Amsterdam,”75vertelde stuurman Bagman.Eenmaal in den zuidoostpassaat, stevende het schip flink door en legde in de eerste dagen gemiddeld 47 mijlen in het etmaal af. Bij het middagbestek, op zondag den 27stenDecember, bevond het fregat zich op 12° 55′ zuiderbreedte en 100° 22′ oosterlengte, en naderde dus het einddoel der reis snel. Des avonds bij het diner[368]heerschte dan ook een zekere opgewektheid, die zich in menig welsprekend woord uitte.„Dames en heeren! het zal wel de laatste zondag zijn, dien wij gezamenlijk aan boord doorbrengen,” sprak kapitein Butteling bij het dessert, terwijl hij met een schuimenden beker echte Veuve Cliquot in de hand opstond. „Wij zullen nog ettelijke dagen te samen zijn, maar èn de maatschappelijke omstandigheden, èn de drukten, die de onmiddellijk volgende dagen gaan kenmerken, zullen een zoo gezellig samenzijn, waarin wij ons thans verheugen, waarschijnlijk niet meer gedoogen. Ik grijp dan ook de gelegenheid aan, om mij van een dankbaarheidsplicht te kwijten, waartoe mijn hart mij in deze oogenblikken aanzet. Op voorspraak van den heer Groenewald hebben wij in onzen kring opgenomen de sergeanten Brinkman en Riethoven. Geen oogenblik hebben wij daarover ook maar eene gedachte van teleurstelling ondervonden. Wij hebben die twee onderofficieren leeren kennen als degelijke welopgevoede jongelieden, die op bescheiden manier hier hunne plaats wisten in te nemen en daarbij iedereen voor zich innamen.„Bij de tooneelen van muitzucht, die wij helaas! beleefd hebben, hebben die mannen ons allen gered, niet alleen door het ontmaskeren van hetgesmedecomplot, wat hun plicht was; maar vooral door de tactvolle behandeling dier aangelegenheid, waardoor het, zonder dat ontijdige onrust veroorzaakt werd, of dat den belhamels verradenkondenworden, dat hunne ontwerpen bekend waren, kapitein Van Dam en mij mogelijk werd, die maatregelen te beramen, welke ieder oproerige beweging in de geboorte moesten smoren. Later bij het kortstondige gevecht stonden zij als mannen tegenover de verdoolden, en gaven blijken, dat ook bij lichamelijke gevaren op hunne toewijding te rekenen viel. Ik betuig, dat die jongelieden[369]zoo begaafd en zoo doordrongen van plichtgevoel, waardige leden zijn van die groote familie in de maatschappij, van de militaire wereld en voorspel, dat zij daarin, wanneer zij die loopbaan zullen blijven betreden, eene edele en waardige plaats zullen vervullen.„En mocht een hunner of beiden bij aankomst in Indië of later verlokt worden,”—bij deze woorden krulde een schier onmerkbare glimlach de lippen van den spreker—„om het krijgsmanskleed aan den kapstok te hangen en eene andere loopbaan te betreden, dan ben ik overtuigd, dat zij ook in de burgermaatschappij eene waardige plaats zullen innemen, en dat de namen van Brinkman en Riethoven steeds namen van goeden klank zullen zijn.„Ik zou de gelegenheid kunnen aangrijpen om op hun reddingswerk te doelen, toen zij, bij gelegenheid dat eene ongalante stortzee aan boord kwam, ter hulpe snelden van twee lieve kinderen, die door het pekelnat onmeedoogend voortgesleurd werden: ik wil evenwel het dankbaarheidsterrein der geredden jegens hunne redders niet betreden. Ik twijfel er niet aan, of het dankbare hart zal wel eene formule weten te vinden, om zich van die schuld te kwijten. Ik evenwel betuig den jongelieden mijn dank, dat zij toen mijn bodem, mijne sierlijkeFernandina Maria Emmaverhoed hebben, het tooneel te zijn van een jammerlijke ramp, die niet uitgebleven zoude zijn, wanneer hunne tijdige hulp ontbroken hadde.„Jonge mannen, het ga u wel! Gij hebt hier een kring vriendenharten om u verworven, die u van harte de hand toesteken en toeroepen: „Op de toekomst der sergeanten Brinkman en Riethoven in het schoone Nederlandsch-Indië!””Zal het noodig zijn te vertellen, dat die dronk, met overtuiging door den waardigen zeeman uitgesproken,[370]aller instemming verwierf? Kapitein Van Dam sprong op, bracht zijn glas vooruit en klonk met de jongelieden, welk voorbeeld door allen en niet het minst door de dames Groenewald gevolgd werd.„Op uwe toekomst in het schoone Indië!” klonk het allerwege.Getroffen door die betuiging van waardeering waren de jongelingen opgestaan. Zij klonken met de hen omringenden en beantwoordden bescheiden en gepast in weinige woorden kapitein Butteling en betuigden daarbij, dat zij alle pogingen zouden aanwenden, om steeds de goede meeningen, omtrent hen geuit, waardig te blijven.Toen, na het diner, detraditioneelekop koffie aan het dek verorberd en daar nog een halfuurtje gekout was, vormden zich de gewone speelpartijtjes in de kerk, en zaten de dames weldra in gezelschap van de beide jongelieden de heerlijke avondlucht te genieten, en waren daar niet rouwig om.„Wat een verschil met ettelijke dagen geleden,” sprak Herman. „Het is of het gisteren pas was, dat wij langs het eiland Marion stevenden en van de koude rilden bij het gezicht van die sneeuwvelden en die ijstoppen en thans.…”„Thans zijn wij tusschen de keerkringen, in die gezegende streek, waar de mensch het niet koud en de arme geen gebrek heeft,” zei mevrouw Groenewald ernstig.„Ja, wat een verschil,” sprak Emma. „Het is inderdaad, alsof wij in eene andere wereld overgegaan zijn. Van de grenzen der Poolzee.…”„Ho! ho! juffrouw Emma,” viel Herman lachende in, „de grenzen der Poolzee worden gerekend eerst op 67° 30′ te beginnen. Wij hebben nog niet geheel 49° zuiderbreedte gehaald. Met het noordelijk halfrond vergeleken[371]zijn wij zoo wat op denzelfden afstand van den Evenaar geweest als Parijs daarvan verwijderd ligt.”„Zeer juist, mijnheer Riethoven,” antwoordde Emma. „Maar vergeet niet, dat in het zuidelijk halfrond de ijsgordel zich veel verder uitstrekt dan in het noordelijk. Gij hebt gezien, dat in het volle zomersaisoen, in de maand December, die gelijk staat met de maand Juni daar ginds, de niet zeer hooge toppen van Marion allerwege nog met sneeuw en ijs bedekt waren; terwijl op IJsland, dat den noordpoolcirkel aanraakt, de eerste sneeuwgrens op ruim 3000 voet hoogte aangetroffen wordt. In ons Europa wordt de grens van het drijfijs eerst benoorden de Noordkaap, dus benoorden den 70stengraad noorderbreedte aangetroffen. Hadden wij de reis een zestal maanden vroeger of later ondernomen, dan zouden wij zoo zuidelijk niet hebben kunnen gaan, zonder ijsbergen en wellicht pakijs ontmoet te hebben; ja in het wintersaisoen gebeurt het wel, dat drijvend ijs in de nabijheid van de Kaap de Goede Hoop gezien wordt.”„En de gevolgtrekking van dat alles is, juffrouw Groenewald?” vroeg Herman.„Wel, dat ik in weerwil der zeer geleerde aardrijkskundigen geen ongelijk had, toen ik er op duidde, dat deFernandina Maria Emmaop de grenzen der IJszee geweest is.”„Uitmuntend verdedigd!” kwam stuurman Abels tusschen beide, die de wacht aan dek had en zich in de nabijheid van den roerganger ophield. „Uitmuntend verdedigd! Wat het varen een mensch toch vormt! Dat is uwe tweede zeereis, die gij maakt, en waarachtig! er is menige derde stuurman, die uwe verhandeling zoo voor het vuistje niet uit zijn mouw zou kunnen schudden. Gij zijt zoo geleerd als gij lief, goed en schoon zijt, juffrouw Groenewald.”[372]Wanneer het dag ware geweest, dan zou een lichte blos op Emma’s koonen niet onopgemerkt gebleven zijn. Het ongekunstelde zeemans-kompliment streelde haar. Toch had zij wel gewild, dat iemand anders het haar had toegevoegd. Maar ach! die zat daar zoo koud en onverschillig. Zij zweeg, maar een zucht steeg onhoorbaar uit hare borst, en werd door de bries opgenomen om wellicht in het marszeil te fluisteren, wat in het maagdelijk hart omging.Frank was dien avond buitengewoon stil, ernstig en vaak afgetrokken, hetgeen Adelien, die niet onkundig gebleven was met het gesprek, dat hij met haren papa gevoerd had, wel verbaasde. Geen blik had den hare beantwoord, hare hand had niet altijd gevonden die, welke zij in het donker zocht. Zij verbeeldde zich zelfs, dat een enkele maal Frank zijne hand als met schrik bij de aanraking met de hare teruggetrokken had, hoewel hij een oogenblik later dat lieve kleine handje met vuur, met innigheid, met vervoering gedrukt had. Dat er wat gaande was, begreep het jonge meisje maar al te goed. In hare onervarenheid evenwel maakte zij zich beangst, en gaf aan de somberste voorgevoelens toegang tot dat hart, hetwelk van liefde blaakte. Toen het oogenblik daar was, om zich ter ruste te begeven, kon zij niet nalaten de gelegenheid van een ondeelbaar oogenblik aan te grijpen om de hand van Frank te grijpen en hem fluisterend te vragen:„Wat is er toch? Gij beangstigt mij zoo!”Mevrouw Groenewald en Emma stonden reeds op den trap, en wisselden een afscheidsgroet met Herman Riethoven. Innig drukte Frank de hand van het lieve meisje, trok haar naar zich toe, sloeg zijn anderen arm om hare leest, prangde haar aan de borst en fluisterde haar toe, terwijl hunne lippen in een innigen kus op elkander sloten:[373]„Wees niet ongerust, lieve. Ik moet uwen vader spreken. Ik ben overtuigd, dat ieder woord, hetwelk ik hem zeggen zal, uwe goedkeuring zal wegdragen. Goeden nacht, mijne Adelien!”„Goeden nacht, mijn Frank!”Andermaal werd een kus gewisseld, waarna het meisje den trap afstoof.„Hebt gij daar weer niet ondoordacht gehandeld?” vroeg Riethoven, wien dat bedrijf niet ontsnapt was, zijnen vriend. „Was dat niet tegen uwe voornemens handelen, zeg Frank?”„Ge hebt gelijk. Maar, o! Herman, ik kon den aandrang van mijn hart geen weerstand bieden. Ik moest dat lieve kind, dat mij zoo onuitsprekelijk bemint, in mijn armen drukken!”„En een kus ontfutselen?”„Ja, en een kus ontfutselen! Maar wij hebben elkander zoo innig, innig lief. Ik voel dat wat er ook gebeuren gaat, wij elkander zullen blijven beminnen.”„Dat wensch ik u lieden van harte. Blijf evenwel steeds, welke aanvechtingen gij te bestrijden zult hebben, welke gelegenheden zich ook aanbieden zullen, de inspraak der eer, dat hoogste kleinood, dat gij bezit, volgen.”„Ik dank je, Herman. Ik hoop die raadgevingen trouw na te komen. Kom, laten wij het algemeen voorbeeld volgen en gaan rusten.”De zuidoostpassaat was langzamerhand verzwakt en nam al meer en meer af, naarmate men den Indischen Archipel naderde. Bij het middagbestek op den 27stenwerd bevonden, dat deFernandina Maria Emmain het laatste etmaal 35 mijlen had afgelegd. Op den 28stenkromp dat tot 30, op den 29stentot 26 en op den 30stentot 22 mijlen in. Op laatstgenoemden datum wees het[374]middagbestek 7° 46′ zuiderbreedte en 102° 34′ oosterlengte aan. De koers was noordnoordoost-half oost geweest, en werd toen in noordoost ten oosten veranderd.„Hoe ver zijn wij nog uit den wal?” vroeg de heer Groenewald aan kapitein Butteling.„Ongeveer 32 mijlen,” was het antwoord. „Blijft de passaat eenigszins aanhouden, dan zullen wij wel land in het zicht hebben voor zonsondergang.”De voorspelling kwam niet uit. De passaat kwijnde langzamerhand weg, zoodat het fregat zoo omstreeks tegen twee uur in katzjammer lag. Eene menigte zeevogels, die rondom het schip zwierven, duidden evenwel de nabijheid van land aan. Het waren wonderlijke vogels, zoo geheel anders zich vertoonende dan de reizigers gewoon waren te zien. Vooral trok de staart dier zwervers de aandacht. Die had meestal den vorm van een zwaluwstaart, maar was zeer lang. Het scheepsvolk noemde hen: marlpriemen, kleermakers, loodsen, schoorsteenvegers, enz.; terwijl niemand aan boord was, die in staat was, den wetenschappelijken naam er van op te geven, of ook maar mede te deelen tot welke familie of soort zij behoorden. Slierendrecht schoot er een, die aan dek neerviel. Het dier had de grootte van eene duif, was grijs als eene musch, gewapend met een krommen bek als een valk, en had een paar krachtige klauwen zonder zwemvliezen. Toen Hannius hem opende, vond hij de maag gevuld met eene menigte inktvisschen, die er op wezen, dat die vogel een behendig visscher en duikelaar moest wezen. Toen mevrouw Groenewald die inktvisschen zag, zeide zij:„Dat zijn tjoemi-tjoemi,76die behoorlijk gebraden bij de rijsttafel uiterst lekker smaken.”„Met die vangarmen hebben zij wel wat van spinnekoppen,” zei Denniston.[375]Na het diner wandelde mijnheer Groenewald op het dek, klampte daar de beide onderofficieren aan, en noodigde hen uit met hem een halfdekje te slaan, terwijl de overige passagiers in hun partijtje verdiept waren.„Wel jongelieden,” vroeg hij na eenige plichtpleging en na de gebruikelijkeentrée en matièreover wind, weer, gelegenheid, hoop van aankomst doorloopen te hebben, „die aankomst is vrij nabij. Wij zijn in den westmoesson; ik heb zoo’n idée dat, nu wij den passaat ontloopen hebben, de noordwester ons spoedig zal bezoeken. Het wordt nu tijd, dat gij mij een antwoord op mijn voorstel geeft. Gij hebt uwen vriend toch op de hoogte gesteld, nietwaar?”Deze vraag was tot Frank gericht, die ja knikte.„Welnu, wat denkt gij over mijn voorstel, mijnheer Riethoven?”„Ik ben u uiterst dankbaar, mijnheer Groenewald,” antwoordde deze. „Ik heb er ernstig over gedacht en moet u mededeelen, dat ik het niet kan aannemen.”„Wat! niet kan aannemen! Gijlieden weet nog niet eens de voorwaarden. Luistert, gij krijgt.…”„Ik ben vastbesloten militair te blijven, mijnheer Groenewald,” viel hem Herman in de rede. „Geene voorwaarden hoe gunstig, hoe aanlokkelijk ook, zullen mij in dat besluit doen wankelen.”„Maar dat is waanzin.”„Wel mogelijk. Ik heb vrijwillig den militairen rok aangetrokken, die stand is voor mij eene roeping geworden. Wat ik u dus bidden mag, dring niet verder aan. Gij zoudt mij noodzaken u te weigeren, en toch ben ik u zooveel goede oogenblikken, hier aan boord doorgebracht, verschuldigd, dat mij zulks innig leed zoude doen. Mijnheer Groenewald, geef mij eene hand, en dat onze achting jegens elkander in weerwil van dat besluit, ongeschonden blijve!”[376]Hoewel eenigszins onthutst reikte de koffieplanter den jonkman toch de hand.„En gij?” vroeg hij aan Frank.„Veroorloof mij,” ging Herman voort, „u beiden het onderhoud te samen te laten vervolgen. Een derde is daarbij overbodig.”Hij boog en ging naar voren.„En gij?” herhaalde de heer Groenewald zijne vraag aan Frank.„Ik, mijnheer Groenewald,” antwoordde deze. „Ik zal niet verklaren, dat ik besloten ben de militaire loopbaan te blijven betreden. Ik heb u mijne gevoelens bloot gelegd, en nu gij op uw voorstel terug komt, is mij dat een bewijs, dat die gevoelens geen hinderpaal opleveren, niet waar?.…”„Neen, maar ga voort.”„Zoodat ik met dankbaarheid dat voorstel aanneem. Evenwel.…”„Gij zult dus te Batavia er werk van maken, den militairen dienst te verlaten? Wij blijven er eenige weken. Als gij spoedig genoeg slaagt, kunt gij nog de reis met ons door Java naar de Vorstenlanden maken.”„Vergeef mij, mijnheer Groenewald; maar gij hebt mij niet laten uitspreken. Gaarne neem ik uw voorstel om op uwe landelijke onderneming werkzaam gesteld te worden aan; maar.… niet dadelijk.…”„Niet dadelijk!… Hoe bedoelt gij dat?”„Luister goed naar mij, mijnheer Groenewald, en versta mij in ’s hemels naam niet verkeerd. Ik ben thans slechts onderofficier. Ik bekleed dus slechts een graad, die, zooals mij verzekerd wordt, in Indië volstrekt niet gezien is, zoo zelfs dat de onderofficieren daar met de mindere militairen tot de paria’s der maatschappij gerekend worden. Welke zal onder die omstandigheid later,[377]wanneer de roes der wittebroodsweken doorleefd zal zijn, wanneer het proza des levens tot zijne rechten zal komen en de liefdeshymne der eerste dagen zal vervangen hebben, mijne verhouding wezen tot mijne vrouw, die mij uit die nederige sfeer tot zich ophief? Zal dan in haar hart niet liefdedoodend weerklinken, wat rondom haar gefluisterd, wellicht reeds met trotschen eigenwaan vrij duidelijk vertolkt werd:zij trouwde met een sergeant, met wien zij kennis aan boord maakte. Zie, als ik den gemeenen glimlach bedenk, welke die insinuatie-volle woorden zoude kunnen begeleiden, dan stijgt mij het bloed naar het hoofd, dan.…”„Maar ge zult niet als sergeant met mijne.…”„Laat mij eindigen mijnheer Groenewald. Ik heb Adelien te lief, dan dat door mijn toedoen ook maar eene verdenking jegens haar zou kunnen geopperd worden. Zoo iets moet en zal voorkomen worden. Ik wil daarenboven niet dat ooit de gedachte ingang bij haar vinde, dat zij mij berooid en behoeftig tot haar ophief, dat ik alles aan haar verschuldigd zoude zijn, wellicht dat mijne liefde gehuicheld was, en dat mijne toenadering tot haar haren grondslag in mijne minder schitterende omstandigheden vond …”„Is dat de toekomst niet te donker inzien, mijnheer Brinkman?”„Misschien hebt gij gelijk. Maar ik kan zoo uwe familie niet binnen treden.”„Maar dat zal ook niet gebeuren. Gij zult eerst uwe leerjaren te doorworstelen hebben.”„Zie hier, mijnheer Groenewald, waartoe ik besloten ben,” sprak Frank, zonder op de laatste woorden van Adelien’s vader te letten. „Ik zal mijne militaire loopbaan voortzetten. Ik zal alle krachten inspannen om den officiersrang te verwerven. En de dag, dat ik tot tweeden[378]luitenant benoemd zal zijn, zal ik u de hand uwer dochter vragen en mij verder ter uwer beschikking stellen om onder uwe leiding eene nieuwe loopbaan te aanvaarden. Ik heb dan eene positie in de maatschappij veroverd, die mij tot de gelijke van Adelien maakt, en zij noch gij zult u over mij te schamen hebben. Mijne gevoeligheid zal gevrijwaard zijn, en ik zal op mijne beurt iets aan te bieden hebben. Ik zal aan de voeten mijner Adelien, aan de voeten der vrouw, die ik boven allen en alles bemin de epauletten komen neerleggen, die ik veroverd zal hebben, en zal dat met te meer genot doen, daar ik eene opoffering voor de beminde vrouw zal kunnen doen, te grooter naarmate die epauletten de verzinnelijking waren van het avontuurlijke leven, dat mijn ideaal en bijgevolg de vervulling mijner jongelingsdroomen zouden zijn, om kalm, rustig en tevreden aan hare zijde op ’s levens pad voort te schrijden.”Frank zweeg een poos. Hij had met geestdrift en overtuiging gesproken. Zijn toehoorder greep zijne hand, drukte die met innigheid:„Ik heb mij in u niet vergist,” sprak hij. „Gij zijt een brave kerel. Ik kan niet anders dan met uw plan instemmen, hoewel mij dat, vooral ten opzichte van de werkzaamheden, die ik u toedacht, veel teleurstelling baart. Ik eerbiedig uwe beslissing.… toch meen ik er op te moeten wijzen, dat er nog al tijd verloopen zal, eer dat gij uw doel bereiken zult.”„Niet al te lang, hoop ik,” antwoordde de jongman. „Ik moet vier jaren in dienst zijn, waarvan twee jaren in den graad van onderofficier, om bij welgeslaagd examen tot luitenant benoemd te kunnen worden. Ik ben thans reeds bijna een jaar in dienst. Met de opvoeding, die ik erlangde, heeft het examen niet veel te beduiden, en zal mij dat niet moeilijk vallen. Ik zal dus drie jaren[379]moeten wachten, alvorens mijn vurigste wenschen bekroond zullen worden. Dat ik mijn gevoelens getrouw zal blijven, zal ik wel niet behoeven te betuigen. En van de genegenheid uwer dochter ben ik zoo overtuigd, dat ik zou kunnen verzekeren, dat ik die drie jaren beproeving onbekommerd te gemoet trek, wanneer het mij door u vergund werd, in briefwisseling gedurende dien tijd met haar te staan.…”„Dat moet ik bepaald weigeren,” antwoordde de heer Groenewald met nadruk. „Ik eerbiedig ten volle uw besluit, ik moet het zelfs in alle deelen goedkeuren; maar alleen, wanneer gij tot mij zult komen om mij de hand mijner Adelien te vragen, kan van eenig engagement en bij gevolg dan ook eerst van correspondentie sprake zijn. Maar, voelt gij lust mij te schrijven, ik zal steeds uwe brieven met genoegen ontvangen, en gij kunt er van verzekerd zijn, dat ik die voor de leden van mijn huisgezin niet geheim zal houden; terwijl ik u beloof, dat ik, zoo ver mijne bezigheden mij zulks zullen vergunnen, u trouw op de hoogte van ons wedervaren zal houden. Ik hoop, dat gij zult inzien, dat ik met het oog op de tijdruimte, die verstrijken moet, alvorens ik toestemming tot een engagement kan geven, in uw beider belang niet anders handelen kan en mag, dan ik doe.”Beide mannen bezegelden het gesprokene met een welgemeenden handdruk.„Brassen!” klonk het kommando over het dek.Een zuchtje deed zich gevoelen, en kondigde het einde van de jammerlijke windstilte aan, die het fregat onbewegelijk op het watervlak gekluisterd hield.„De noordwestmoesson komt door,” zei kapitein Butteling, die bij het vernemen van dat kommando, zijn partijtje in den steek gelaten had, en op het dek verscheen.[380]En, inderdaad, de bovenzeilen begonnen bevallig te zwellen. DeFernandina Maria Emmahervatte koers en stevende noordoost op. De passagiers gingen ter ruste met het zalig bewustzijn, dat zij den volgenden morgen het lang beloofde land zouden aanschouwen.De zon was nog lang niet ter kim gestegen. Het was nog donker, en slechts in het oosten was een purperband zichtbaar, die de komst der dagvorstin aankondigde. Toch waren alle opvarenden derFernandina Maria Emmaop het dek, om het land der hope te begroeten, om het eerste gezicht van het schoone Indië te genieten, dat volgens de verklaring der zeelieden weldra uit de zilte baren van den Oceaan moest opdoemen.„Dààr! dààr! zal Java straks te voorschijn treden,” sprak kapitein Butteling, met de hand naar het oosten wijzende, waar het purper des hemels toenam.In dit oogenblik werd een puntje van de zonneschijf aan de kim zichtbaar. Het was alsof een elektrieke vonk door het heelal stroomde. In een oogenblik was alles als met gulden vinger aangeraakt. Schip, touwen, zeilen, zee, golfjes en wolken, het alles was met goud overtogen. De zonneschijf klom al meer en meer. Zij was thans reeds meer dan over de helft boven den horizont gestegen.„Land vooruit!” klonk het uit den mast.Daar ginds in de zonneschijf werd een zwart puntje ontwaard, dat zich al meer en meer ontwikkelde en een verbrokkelde top van een bergland bleek te zijn, dat toen de zon daarboven gestegen was, door haar ten volle verlicht werd. Kapitein Butteling keek aandachtig door zijn kijker.„Dat is Java-hoofd,” zeide hij. „Ziet, daar ginds, een[381]streek meer noordelijk, doemt het Prinsen eiland op.”„Poeloe Paneitan, bij de eilanders genoemd,” zei kapitein Van Dam. „Gaat gij de Behouden Passage door?”„Neen, waarachtig niet, daar zou ik door dat bergachtige eiland gedekt, gauw gebrek aan wind hebben. Neen, ik loop nog wat Java-hoofd te gemoet om den wal beter te verkennen. Eer dat wij evenwel een uur verder zijn, laat ik het fregat een paar streken oploeven.”Tegen het middaguur stevende deFernandina Maria Emmamet volle zeilen Straat Sunda in, en liep daarbij onder den invloed der westerbries ongeveer acht mijlen. Aan stuurboordszijde was in de verte Tandjoeng Blimbieng77de zuidwestelijkste spits van het eiland Sumatra te bespeuren, en aan bakboordszijde vertoonde zich nagenoeg op denzelfden afstand het Prinsen eiland. Dit eiland is op 6° 36′ zuiderbreedte en 105° 18′ oosterlengte gelegen; terwijl de gemelde zuidwestelijke kaap van Sumatra zich op 5° 59′ zuiderbreedte en 104° 32′ oosterlengte bevindt; zoodat de Straat daar in hare dwarsdoorsnede eene breedte van bijna vijftien mijlen meet. In het noordoosten verhief zich een hoog eiland met verbrokkelde gebergten bezet, boven de blauwe watervlakte en richtte het fregat daarop den steven.„Hoe heet dat eiland, juffrouw Groenewald,” vroeg Leidermooi.„O! dat is Poeloe Krakatoea,” antwoordde Emma. „En dat daar achter is Poeloe Sebessie of Poeloe Bessi.”„En daar weer achter, wat wij thans nog niet zien kunnen, ligt Poeloe Seboekoe,” zei kapitein Butteling.„God, wat is dat hier fraai!” kreet Dr. Hannius. „Kijk, hoe die fraaie groene eilanden zich met hunne grillige vormen bevallig op het blauwe watervlak voordoen!”DeFernandina Maria Emmavervolgde statig haren koers. Verscheidene schepen waren in het gezicht, en[382]stevenden, evenals zij, noordoostwaarts op. Toen het fregat Prinsen eiland te boven was, viel het een paar streken oostwaarts af en verklaarde kapitein Butteling: „Dat daar ginds stuurboord dwars van ons is Java’s derde punt. Die bergreeks, die daar in zee uitsteekt, heet Batoe Hideng.”„En daar iets noordelijker die tweelingberg dat zijn de Goenoeng Poeloe Sarie en de Goenoeng Karang,” vulde kapitein Van Dam aan. „Zie daar die bamboehuizen; dat is Tjeringin. En daar bijna vlak vooruit, waar gij die witte huizen met die roode daken ziet, dat is Anjer. Het is jammer dat het fregat zooveel vaart maakt.”„Waarom jammer?” vroeg kapitein Butteling ietwat verstoord.„Wel, nu kunnen geen kadraaiers aan boord komen,” antwoordde kapitein Van Dam lachende. „En ik wed dat juffrouw Adelien en ook juffrouw Emma wel een risje mangistan78zouden lusten.”„He, ja, kapitein!” antwoordden de beide jonge meisjes opgetogen.„Of een bos pisang44, of eenige doerianpitten,79met haar dik machtig moes omgeven.”„He, ja, kapitein,” was de herhaalde uitroep van de lieve schoonen.Kapitein Butteling kneep een oogenblik met driftig gebaar zijnen neus tusschen duim en voorsten vinger, alsof hij eene onaangename lucht toegang tot zijn reukorgaan wilde ontzeggen.„Als de wind zoo blijft doorstaan,” zei hij eindelijk, „dan denk ik morgen ochtend u het:slamat tahoen baroe80op Batavia’s reede te kunnen toeroepen. Dan kunt gijlieden naar hartelust mangistan, pisang, ramboetan81, doerian, enz. enz. enz. eten. Maar thans moeten wij voort!”In dit oogenblik stevende het fregat vlak langs Poeloe[383]Krakatoea en zette koers op het eiland Dwars-in-den-weg.„Kijk eens wat fraaie kegelberg daar, bakboord nagenoeg dwars van ons,” merkte Behren op. „Wat is hij fraai regelmatig begroeid. Het is of hij met wijngaarden overdekt is.”„Dat is de piek op Poeloe Bessi,” antwoordde kapitein Van Dam. „Hij is bijna geheel met maritja beplant.”„Met Marietjes?” vroeg Slierendrecht. „Drommels zoo’n aanplant zal kostbaar wezen.”„Maritja, de Javaansche naam van peper, uilskuiken,” zei kapitein Van Dam gebelgd.„O, nu begrijp ik die regelmatigheid van aanplant,” zei de apotheker. „De piper nigrum, zooals wij latinisten zeggen, is een klimmende heester, welks stengel geleed en tweevorkig vertakt is. Hij behoort tot de piperaceën.…”„Schei uit, mijnheer Behren met uwe pipe, pipa … hoe heet het ook weer,” viel Adelien den apotheker in de rede. „Zeg mij liever, hoe die hooge berg daar ginds in het noorden heet.”„Juist, juffrouw,” zei kapitein Van Dam. „Die geleerden met hunne pippe pippa. Ik wou dat ze allemaal de pip hadden! Dat is de Radja Bassa, die ligt op den vasten wal van Sumatra en is bijna 5000 voet hoog.”De zon ging in het westen achter Poeloe Krakatoea onder, en overgoot de verbrokkelde massa van dat eiland met purper, dat een verheven effekt maakte. In dit oogenblik stevende deFernandina Maria Emmatusschen het eiland Dwars-in-den-weg en denJavawaldoor. Rakelings bijna scheerde het vaartuig langs Toppershoedje, een zeer klein kegelvormig eiland, dat zich als een bevallig boschje groen boven het watervlak verhief, en stuurde thans noordwaarts op om den Sint-Nikolaas[384]hoek te ronden. Het was ongeveer acht uren des avonds, toen kapitein Butteling zijne passagiers een hartelijk: welkom in de Javazee! toeriep.Voor en na liet de scheepsgezagvoerder nu zeil minderen, om de vaart te temperen. Toen de dag aanbrak, was Poeloe Dapoer reeds voorbijgestevend, en koerste het fregat tusschen de eilanden Monnikendam en Edam, en liet bij opkomst der zon het anker op Batavia’s reede vallen.„Welkom in Nederlandsch-Indië, en alle heil en zegen in het nieuw ingetreden jaar!”Dat waren de wenschen, die allerwege op het dek van deFernandina Maria Emmagewisseld, werden. Iedereen was nu bedrijvig met pakken om zich tot de ontscheping voor te bereiden. Van de verwarring maakten Adelien en Frank gebruik om een handdruk te wisselen.„Uw besluit,” zei het jonge meisje, „heeft mij een oogenblik ontstemd, toch moet ik het goedkeuren. Frank, mijn Frank, vertrouw op mij.”„En gij, dierbare Adelien, op mij!”Een uur later waren al de passagiers in „tamban-gans” (lichte vaartuigen) gezeten, en stevenden den Javawal te gemoet. Een paar uren later kwamen een viertal tien-kojangs-prauwen langs zijde van het fregat82om het detachement militairen over te voeren, en waren weldra de tijdelijke opvarenden van deFernandina Maria Emma, die voor een zeventig-tal dagen bij elkander geweest waren, uiteen gespat, en stormden hunne toekomst te gemoet. Welke zal die toekomst zijn?O! wij zullen den lezer niet laten smachten!EINDEVAN „NAAR DEN EQUATOR.”[385]

Stuurman Abels had gelijk gehad. De storm op 22 en 23 December had deFernandina Maria Emma, wel wat hardhandig, in den zuidoostpassaat gevoerd. Maar niet alleen in den passaat, maar ook tusschen de keerkringen. Op den 24stentoch stond het fregat bij het middagbestek op 20° 48′ zuiderbreedte en 96° 15′ oosterlengte en lei noordnoordoost een achtste oost voor.

Het was ook of met den storm, de kaapsche duiven, die daags te voren nog in menigte rondom het schip zwierven, afscheid genomen hadden. Geen hunner werd meer ontwaard. De albatrossen, kaapsche ganzen en dominé’s waren reeds sedert verscheidene dagen weg gebleven.

„Die verlaten de schepen in den regel op de breedte van de eilanden St. Paul en Amsterdam,”75vertelde stuurman Bagman.

Eenmaal in den zuidoostpassaat, stevende het schip flink door en legde in de eerste dagen gemiddeld 47 mijlen in het etmaal af. Bij het middagbestek, op zondag den 27stenDecember, bevond het fregat zich op 12° 55′ zuiderbreedte en 100° 22′ oosterlengte, en naderde dus het einddoel der reis snel. Des avonds bij het diner[368]heerschte dan ook een zekere opgewektheid, die zich in menig welsprekend woord uitte.

„Dames en heeren! het zal wel de laatste zondag zijn, dien wij gezamenlijk aan boord doorbrengen,” sprak kapitein Butteling bij het dessert, terwijl hij met een schuimenden beker echte Veuve Cliquot in de hand opstond. „Wij zullen nog ettelijke dagen te samen zijn, maar èn de maatschappelijke omstandigheden, èn de drukten, die de onmiddellijk volgende dagen gaan kenmerken, zullen een zoo gezellig samenzijn, waarin wij ons thans verheugen, waarschijnlijk niet meer gedoogen. Ik grijp dan ook de gelegenheid aan, om mij van een dankbaarheidsplicht te kwijten, waartoe mijn hart mij in deze oogenblikken aanzet. Op voorspraak van den heer Groenewald hebben wij in onzen kring opgenomen de sergeanten Brinkman en Riethoven. Geen oogenblik hebben wij daarover ook maar eene gedachte van teleurstelling ondervonden. Wij hebben die twee onderofficieren leeren kennen als degelijke welopgevoede jongelieden, die op bescheiden manier hier hunne plaats wisten in te nemen en daarbij iedereen voor zich innamen.

„Bij de tooneelen van muitzucht, die wij helaas! beleefd hebben, hebben die mannen ons allen gered, niet alleen door het ontmaskeren van hetgesmedecomplot, wat hun plicht was; maar vooral door de tactvolle behandeling dier aangelegenheid, waardoor het, zonder dat ontijdige onrust veroorzaakt werd, of dat den belhamels verradenkondenworden, dat hunne ontwerpen bekend waren, kapitein Van Dam en mij mogelijk werd, die maatregelen te beramen, welke ieder oproerige beweging in de geboorte moesten smoren. Later bij het kortstondige gevecht stonden zij als mannen tegenover de verdoolden, en gaven blijken, dat ook bij lichamelijke gevaren op hunne toewijding te rekenen viel. Ik betuig, dat die jongelieden[369]zoo begaafd en zoo doordrongen van plichtgevoel, waardige leden zijn van die groote familie in de maatschappij, van de militaire wereld en voorspel, dat zij daarin, wanneer zij die loopbaan zullen blijven betreden, eene edele en waardige plaats zullen vervullen.

„En mocht een hunner of beiden bij aankomst in Indië of later verlokt worden,”—bij deze woorden krulde een schier onmerkbare glimlach de lippen van den spreker—„om het krijgsmanskleed aan den kapstok te hangen en eene andere loopbaan te betreden, dan ben ik overtuigd, dat zij ook in de burgermaatschappij eene waardige plaats zullen innemen, en dat de namen van Brinkman en Riethoven steeds namen van goeden klank zullen zijn.

„Ik zou de gelegenheid kunnen aangrijpen om op hun reddingswerk te doelen, toen zij, bij gelegenheid dat eene ongalante stortzee aan boord kwam, ter hulpe snelden van twee lieve kinderen, die door het pekelnat onmeedoogend voortgesleurd werden: ik wil evenwel het dankbaarheidsterrein der geredden jegens hunne redders niet betreden. Ik twijfel er niet aan, of het dankbare hart zal wel eene formule weten te vinden, om zich van die schuld te kwijten. Ik evenwel betuig den jongelieden mijn dank, dat zij toen mijn bodem, mijne sierlijkeFernandina Maria Emmaverhoed hebben, het tooneel te zijn van een jammerlijke ramp, die niet uitgebleven zoude zijn, wanneer hunne tijdige hulp ontbroken hadde.

„Jonge mannen, het ga u wel! Gij hebt hier een kring vriendenharten om u verworven, die u van harte de hand toesteken en toeroepen: „Op de toekomst der sergeanten Brinkman en Riethoven in het schoone Nederlandsch-Indië!””

Zal het noodig zijn te vertellen, dat die dronk, met overtuiging door den waardigen zeeman uitgesproken,[370]aller instemming verwierf? Kapitein Van Dam sprong op, bracht zijn glas vooruit en klonk met de jongelieden, welk voorbeeld door allen en niet het minst door de dames Groenewald gevolgd werd.

„Op uwe toekomst in het schoone Indië!” klonk het allerwege.

Getroffen door die betuiging van waardeering waren de jongelingen opgestaan. Zij klonken met de hen omringenden en beantwoordden bescheiden en gepast in weinige woorden kapitein Butteling en betuigden daarbij, dat zij alle pogingen zouden aanwenden, om steeds de goede meeningen, omtrent hen geuit, waardig te blijven.

Toen, na het diner, detraditioneelekop koffie aan het dek verorberd en daar nog een halfuurtje gekout was, vormden zich de gewone speelpartijtjes in de kerk, en zaten de dames weldra in gezelschap van de beide jongelieden de heerlijke avondlucht te genieten, en waren daar niet rouwig om.

„Wat een verschil met ettelijke dagen geleden,” sprak Herman. „Het is of het gisteren pas was, dat wij langs het eiland Marion stevenden en van de koude rilden bij het gezicht van die sneeuwvelden en die ijstoppen en thans.…”

„Thans zijn wij tusschen de keerkringen, in die gezegende streek, waar de mensch het niet koud en de arme geen gebrek heeft,” zei mevrouw Groenewald ernstig.

„Ja, wat een verschil,” sprak Emma. „Het is inderdaad, alsof wij in eene andere wereld overgegaan zijn. Van de grenzen der Poolzee.…”

„Ho! ho! juffrouw Emma,” viel Herman lachende in, „de grenzen der Poolzee worden gerekend eerst op 67° 30′ te beginnen. Wij hebben nog niet geheel 49° zuiderbreedte gehaald. Met het noordelijk halfrond vergeleken[371]zijn wij zoo wat op denzelfden afstand van den Evenaar geweest als Parijs daarvan verwijderd ligt.”

„Zeer juist, mijnheer Riethoven,” antwoordde Emma. „Maar vergeet niet, dat in het zuidelijk halfrond de ijsgordel zich veel verder uitstrekt dan in het noordelijk. Gij hebt gezien, dat in het volle zomersaisoen, in de maand December, die gelijk staat met de maand Juni daar ginds, de niet zeer hooge toppen van Marion allerwege nog met sneeuw en ijs bedekt waren; terwijl op IJsland, dat den noordpoolcirkel aanraakt, de eerste sneeuwgrens op ruim 3000 voet hoogte aangetroffen wordt. In ons Europa wordt de grens van het drijfijs eerst benoorden de Noordkaap, dus benoorden den 70stengraad noorderbreedte aangetroffen. Hadden wij de reis een zestal maanden vroeger of later ondernomen, dan zouden wij zoo zuidelijk niet hebben kunnen gaan, zonder ijsbergen en wellicht pakijs ontmoet te hebben; ja in het wintersaisoen gebeurt het wel, dat drijvend ijs in de nabijheid van de Kaap de Goede Hoop gezien wordt.”

„En de gevolgtrekking van dat alles is, juffrouw Groenewald?” vroeg Herman.

„Wel, dat ik in weerwil der zeer geleerde aardrijkskundigen geen ongelijk had, toen ik er op duidde, dat deFernandina Maria Emmaop de grenzen der IJszee geweest is.”

„Uitmuntend verdedigd!” kwam stuurman Abels tusschen beide, die de wacht aan dek had en zich in de nabijheid van den roerganger ophield. „Uitmuntend verdedigd! Wat het varen een mensch toch vormt! Dat is uwe tweede zeereis, die gij maakt, en waarachtig! er is menige derde stuurman, die uwe verhandeling zoo voor het vuistje niet uit zijn mouw zou kunnen schudden. Gij zijt zoo geleerd als gij lief, goed en schoon zijt, juffrouw Groenewald.”[372]

Wanneer het dag ware geweest, dan zou een lichte blos op Emma’s koonen niet onopgemerkt gebleven zijn. Het ongekunstelde zeemans-kompliment streelde haar. Toch had zij wel gewild, dat iemand anders het haar had toegevoegd. Maar ach! die zat daar zoo koud en onverschillig. Zij zweeg, maar een zucht steeg onhoorbaar uit hare borst, en werd door de bries opgenomen om wellicht in het marszeil te fluisteren, wat in het maagdelijk hart omging.

Frank was dien avond buitengewoon stil, ernstig en vaak afgetrokken, hetgeen Adelien, die niet onkundig gebleven was met het gesprek, dat hij met haren papa gevoerd had, wel verbaasde. Geen blik had den hare beantwoord, hare hand had niet altijd gevonden die, welke zij in het donker zocht. Zij verbeeldde zich zelfs, dat een enkele maal Frank zijne hand als met schrik bij de aanraking met de hare teruggetrokken had, hoewel hij een oogenblik later dat lieve kleine handje met vuur, met innigheid, met vervoering gedrukt had. Dat er wat gaande was, begreep het jonge meisje maar al te goed. In hare onervarenheid evenwel maakte zij zich beangst, en gaf aan de somberste voorgevoelens toegang tot dat hart, hetwelk van liefde blaakte. Toen het oogenblik daar was, om zich ter ruste te begeven, kon zij niet nalaten de gelegenheid van een ondeelbaar oogenblik aan te grijpen om de hand van Frank te grijpen en hem fluisterend te vragen:

„Wat is er toch? Gij beangstigt mij zoo!”

Mevrouw Groenewald en Emma stonden reeds op den trap, en wisselden een afscheidsgroet met Herman Riethoven. Innig drukte Frank de hand van het lieve meisje, trok haar naar zich toe, sloeg zijn anderen arm om hare leest, prangde haar aan de borst en fluisterde haar toe, terwijl hunne lippen in een innigen kus op elkander sloten:[373]

„Wees niet ongerust, lieve. Ik moet uwen vader spreken. Ik ben overtuigd, dat ieder woord, hetwelk ik hem zeggen zal, uwe goedkeuring zal wegdragen. Goeden nacht, mijne Adelien!”

„Goeden nacht, mijn Frank!”

Andermaal werd een kus gewisseld, waarna het meisje den trap afstoof.

„Hebt gij daar weer niet ondoordacht gehandeld?” vroeg Riethoven, wien dat bedrijf niet ontsnapt was, zijnen vriend. „Was dat niet tegen uwe voornemens handelen, zeg Frank?”

„Ge hebt gelijk. Maar, o! Herman, ik kon den aandrang van mijn hart geen weerstand bieden. Ik moest dat lieve kind, dat mij zoo onuitsprekelijk bemint, in mijn armen drukken!”

„En een kus ontfutselen?”

„Ja, en een kus ontfutselen! Maar wij hebben elkander zoo innig, innig lief. Ik voel dat wat er ook gebeuren gaat, wij elkander zullen blijven beminnen.”

„Dat wensch ik u lieden van harte. Blijf evenwel steeds, welke aanvechtingen gij te bestrijden zult hebben, welke gelegenheden zich ook aanbieden zullen, de inspraak der eer, dat hoogste kleinood, dat gij bezit, volgen.”

„Ik dank je, Herman. Ik hoop die raadgevingen trouw na te komen. Kom, laten wij het algemeen voorbeeld volgen en gaan rusten.”

De zuidoostpassaat was langzamerhand verzwakt en nam al meer en meer af, naarmate men den Indischen Archipel naderde. Bij het middagbestek op den 27stenwerd bevonden, dat deFernandina Maria Emmain het laatste etmaal 35 mijlen had afgelegd. Op den 28stenkromp dat tot 30, op den 29stentot 26 en op den 30stentot 22 mijlen in. Op laatstgenoemden datum wees het[374]middagbestek 7° 46′ zuiderbreedte en 102° 34′ oosterlengte aan. De koers was noordnoordoost-half oost geweest, en werd toen in noordoost ten oosten veranderd.

„Hoe ver zijn wij nog uit den wal?” vroeg de heer Groenewald aan kapitein Butteling.

„Ongeveer 32 mijlen,” was het antwoord. „Blijft de passaat eenigszins aanhouden, dan zullen wij wel land in het zicht hebben voor zonsondergang.”

De voorspelling kwam niet uit. De passaat kwijnde langzamerhand weg, zoodat het fregat zoo omstreeks tegen twee uur in katzjammer lag. Eene menigte zeevogels, die rondom het schip zwierven, duidden evenwel de nabijheid van land aan. Het waren wonderlijke vogels, zoo geheel anders zich vertoonende dan de reizigers gewoon waren te zien. Vooral trok de staart dier zwervers de aandacht. Die had meestal den vorm van een zwaluwstaart, maar was zeer lang. Het scheepsvolk noemde hen: marlpriemen, kleermakers, loodsen, schoorsteenvegers, enz.; terwijl niemand aan boord was, die in staat was, den wetenschappelijken naam er van op te geven, of ook maar mede te deelen tot welke familie of soort zij behoorden. Slierendrecht schoot er een, die aan dek neerviel. Het dier had de grootte van eene duif, was grijs als eene musch, gewapend met een krommen bek als een valk, en had een paar krachtige klauwen zonder zwemvliezen. Toen Hannius hem opende, vond hij de maag gevuld met eene menigte inktvisschen, die er op wezen, dat die vogel een behendig visscher en duikelaar moest wezen. Toen mevrouw Groenewald die inktvisschen zag, zeide zij:

„Dat zijn tjoemi-tjoemi,76die behoorlijk gebraden bij de rijsttafel uiterst lekker smaken.”

„Met die vangarmen hebben zij wel wat van spinnekoppen,” zei Denniston.[375]

Na het diner wandelde mijnheer Groenewald op het dek, klampte daar de beide onderofficieren aan, en noodigde hen uit met hem een halfdekje te slaan, terwijl de overige passagiers in hun partijtje verdiept waren.

„Wel jongelieden,” vroeg hij na eenige plichtpleging en na de gebruikelijkeentrée en matièreover wind, weer, gelegenheid, hoop van aankomst doorloopen te hebben, „die aankomst is vrij nabij. Wij zijn in den westmoesson; ik heb zoo’n idée dat, nu wij den passaat ontloopen hebben, de noordwester ons spoedig zal bezoeken. Het wordt nu tijd, dat gij mij een antwoord op mijn voorstel geeft. Gij hebt uwen vriend toch op de hoogte gesteld, nietwaar?”

Deze vraag was tot Frank gericht, die ja knikte.

„Welnu, wat denkt gij over mijn voorstel, mijnheer Riethoven?”

„Ik ben u uiterst dankbaar, mijnheer Groenewald,” antwoordde deze. „Ik heb er ernstig over gedacht en moet u mededeelen, dat ik het niet kan aannemen.”

„Wat! niet kan aannemen! Gijlieden weet nog niet eens de voorwaarden. Luistert, gij krijgt.…”

„Ik ben vastbesloten militair te blijven, mijnheer Groenewald,” viel hem Herman in de rede. „Geene voorwaarden hoe gunstig, hoe aanlokkelijk ook, zullen mij in dat besluit doen wankelen.”

„Maar dat is waanzin.”

„Wel mogelijk. Ik heb vrijwillig den militairen rok aangetrokken, die stand is voor mij eene roeping geworden. Wat ik u dus bidden mag, dring niet verder aan. Gij zoudt mij noodzaken u te weigeren, en toch ben ik u zooveel goede oogenblikken, hier aan boord doorgebracht, verschuldigd, dat mij zulks innig leed zoude doen. Mijnheer Groenewald, geef mij eene hand, en dat onze achting jegens elkander in weerwil van dat besluit, ongeschonden blijve!”[376]

Hoewel eenigszins onthutst reikte de koffieplanter den jonkman toch de hand.

„En gij?” vroeg hij aan Frank.

„Veroorloof mij,” ging Herman voort, „u beiden het onderhoud te samen te laten vervolgen. Een derde is daarbij overbodig.”

Hij boog en ging naar voren.

„En gij?” herhaalde de heer Groenewald zijne vraag aan Frank.

„Ik, mijnheer Groenewald,” antwoordde deze. „Ik zal niet verklaren, dat ik besloten ben de militaire loopbaan te blijven betreden. Ik heb u mijne gevoelens bloot gelegd, en nu gij op uw voorstel terug komt, is mij dat een bewijs, dat die gevoelens geen hinderpaal opleveren, niet waar?.…”

„Neen, maar ga voort.”

„Zoodat ik met dankbaarheid dat voorstel aanneem. Evenwel.…”

„Gij zult dus te Batavia er werk van maken, den militairen dienst te verlaten? Wij blijven er eenige weken. Als gij spoedig genoeg slaagt, kunt gij nog de reis met ons door Java naar de Vorstenlanden maken.”

„Vergeef mij, mijnheer Groenewald; maar gij hebt mij niet laten uitspreken. Gaarne neem ik uw voorstel om op uwe landelijke onderneming werkzaam gesteld te worden aan; maar.… niet dadelijk.…”

„Niet dadelijk!… Hoe bedoelt gij dat?”

„Luister goed naar mij, mijnheer Groenewald, en versta mij in ’s hemels naam niet verkeerd. Ik ben thans slechts onderofficier. Ik bekleed dus slechts een graad, die, zooals mij verzekerd wordt, in Indië volstrekt niet gezien is, zoo zelfs dat de onderofficieren daar met de mindere militairen tot de paria’s der maatschappij gerekend worden. Welke zal onder die omstandigheid later,[377]wanneer de roes der wittebroodsweken doorleefd zal zijn, wanneer het proza des levens tot zijne rechten zal komen en de liefdeshymne der eerste dagen zal vervangen hebben, mijne verhouding wezen tot mijne vrouw, die mij uit die nederige sfeer tot zich ophief? Zal dan in haar hart niet liefdedoodend weerklinken, wat rondom haar gefluisterd, wellicht reeds met trotschen eigenwaan vrij duidelijk vertolkt werd:zij trouwde met een sergeant, met wien zij kennis aan boord maakte. Zie, als ik den gemeenen glimlach bedenk, welke die insinuatie-volle woorden zoude kunnen begeleiden, dan stijgt mij het bloed naar het hoofd, dan.…”

„Maar ge zult niet als sergeant met mijne.…”

„Laat mij eindigen mijnheer Groenewald. Ik heb Adelien te lief, dan dat door mijn toedoen ook maar eene verdenking jegens haar zou kunnen geopperd worden. Zoo iets moet en zal voorkomen worden. Ik wil daarenboven niet dat ooit de gedachte ingang bij haar vinde, dat zij mij berooid en behoeftig tot haar ophief, dat ik alles aan haar verschuldigd zoude zijn, wellicht dat mijne liefde gehuicheld was, en dat mijne toenadering tot haar haren grondslag in mijne minder schitterende omstandigheden vond …”

„Is dat de toekomst niet te donker inzien, mijnheer Brinkman?”

„Misschien hebt gij gelijk. Maar ik kan zoo uwe familie niet binnen treden.”

„Maar dat zal ook niet gebeuren. Gij zult eerst uwe leerjaren te doorworstelen hebben.”

„Zie hier, mijnheer Groenewald, waartoe ik besloten ben,” sprak Frank, zonder op de laatste woorden van Adelien’s vader te letten. „Ik zal mijne militaire loopbaan voortzetten. Ik zal alle krachten inspannen om den officiersrang te verwerven. En de dag, dat ik tot tweeden[378]luitenant benoemd zal zijn, zal ik u de hand uwer dochter vragen en mij verder ter uwer beschikking stellen om onder uwe leiding eene nieuwe loopbaan te aanvaarden. Ik heb dan eene positie in de maatschappij veroverd, die mij tot de gelijke van Adelien maakt, en zij noch gij zult u over mij te schamen hebben. Mijne gevoeligheid zal gevrijwaard zijn, en ik zal op mijne beurt iets aan te bieden hebben. Ik zal aan de voeten mijner Adelien, aan de voeten der vrouw, die ik boven allen en alles bemin de epauletten komen neerleggen, die ik veroverd zal hebben, en zal dat met te meer genot doen, daar ik eene opoffering voor de beminde vrouw zal kunnen doen, te grooter naarmate die epauletten de verzinnelijking waren van het avontuurlijke leven, dat mijn ideaal en bijgevolg de vervulling mijner jongelingsdroomen zouden zijn, om kalm, rustig en tevreden aan hare zijde op ’s levens pad voort te schrijden.”

Frank zweeg een poos. Hij had met geestdrift en overtuiging gesproken. Zijn toehoorder greep zijne hand, drukte die met innigheid:

„Ik heb mij in u niet vergist,” sprak hij. „Gij zijt een brave kerel. Ik kan niet anders dan met uw plan instemmen, hoewel mij dat, vooral ten opzichte van de werkzaamheden, die ik u toedacht, veel teleurstelling baart. Ik eerbiedig uwe beslissing.… toch meen ik er op te moeten wijzen, dat er nog al tijd verloopen zal, eer dat gij uw doel bereiken zult.”

„Niet al te lang, hoop ik,” antwoordde de jongman. „Ik moet vier jaren in dienst zijn, waarvan twee jaren in den graad van onderofficier, om bij welgeslaagd examen tot luitenant benoemd te kunnen worden. Ik ben thans reeds bijna een jaar in dienst. Met de opvoeding, die ik erlangde, heeft het examen niet veel te beduiden, en zal mij dat niet moeilijk vallen. Ik zal dus drie jaren[379]moeten wachten, alvorens mijn vurigste wenschen bekroond zullen worden. Dat ik mijn gevoelens getrouw zal blijven, zal ik wel niet behoeven te betuigen. En van de genegenheid uwer dochter ben ik zoo overtuigd, dat ik zou kunnen verzekeren, dat ik die drie jaren beproeving onbekommerd te gemoet trek, wanneer het mij door u vergund werd, in briefwisseling gedurende dien tijd met haar te staan.…”

„Dat moet ik bepaald weigeren,” antwoordde de heer Groenewald met nadruk. „Ik eerbiedig ten volle uw besluit, ik moet het zelfs in alle deelen goedkeuren; maar alleen, wanneer gij tot mij zult komen om mij de hand mijner Adelien te vragen, kan van eenig engagement en bij gevolg dan ook eerst van correspondentie sprake zijn. Maar, voelt gij lust mij te schrijven, ik zal steeds uwe brieven met genoegen ontvangen, en gij kunt er van verzekerd zijn, dat ik die voor de leden van mijn huisgezin niet geheim zal houden; terwijl ik u beloof, dat ik, zoo ver mijne bezigheden mij zulks zullen vergunnen, u trouw op de hoogte van ons wedervaren zal houden. Ik hoop, dat gij zult inzien, dat ik met het oog op de tijdruimte, die verstrijken moet, alvorens ik toestemming tot een engagement kan geven, in uw beider belang niet anders handelen kan en mag, dan ik doe.”

Beide mannen bezegelden het gesprokene met een welgemeenden handdruk.

„Brassen!” klonk het kommando over het dek.

Een zuchtje deed zich gevoelen, en kondigde het einde van de jammerlijke windstilte aan, die het fregat onbewegelijk op het watervlak gekluisterd hield.

„De noordwestmoesson komt door,” zei kapitein Butteling, die bij het vernemen van dat kommando, zijn partijtje in den steek gelaten had, en op het dek verscheen.[380]

En, inderdaad, de bovenzeilen begonnen bevallig te zwellen. DeFernandina Maria Emmahervatte koers en stevende noordoost op. De passagiers gingen ter ruste met het zalig bewustzijn, dat zij den volgenden morgen het lang beloofde land zouden aanschouwen.

De zon was nog lang niet ter kim gestegen. Het was nog donker, en slechts in het oosten was een purperband zichtbaar, die de komst der dagvorstin aankondigde. Toch waren alle opvarenden derFernandina Maria Emmaop het dek, om het land der hope te begroeten, om het eerste gezicht van het schoone Indië te genieten, dat volgens de verklaring der zeelieden weldra uit de zilte baren van den Oceaan moest opdoemen.

„Dààr! dààr! zal Java straks te voorschijn treden,” sprak kapitein Butteling, met de hand naar het oosten wijzende, waar het purper des hemels toenam.

In dit oogenblik werd een puntje van de zonneschijf aan de kim zichtbaar. Het was alsof een elektrieke vonk door het heelal stroomde. In een oogenblik was alles als met gulden vinger aangeraakt. Schip, touwen, zeilen, zee, golfjes en wolken, het alles was met goud overtogen. De zonneschijf klom al meer en meer. Zij was thans reeds meer dan over de helft boven den horizont gestegen.

„Land vooruit!” klonk het uit den mast.

Daar ginds in de zonneschijf werd een zwart puntje ontwaard, dat zich al meer en meer ontwikkelde en een verbrokkelde top van een bergland bleek te zijn, dat toen de zon daarboven gestegen was, door haar ten volle verlicht werd. Kapitein Butteling keek aandachtig door zijn kijker.

„Dat is Java-hoofd,” zeide hij. „Ziet, daar ginds, een[381]streek meer noordelijk, doemt het Prinsen eiland op.”

„Poeloe Paneitan, bij de eilanders genoemd,” zei kapitein Van Dam. „Gaat gij de Behouden Passage door?”

„Neen, waarachtig niet, daar zou ik door dat bergachtige eiland gedekt, gauw gebrek aan wind hebben. Neen, ik loop nog wat Java-hoofd te gemoet om den wal beter te verkennen. Eer dat wij evenwel een uur verder zijn, laat ik het fregat een paar streken oploeven.”

Tegen het middaguur stevende deFernandina Maria Emmamet volle zeilen Straat Sunda in, en liep daarbij onder den invloed der westerbries ongeveer acht mijlen. Aan stuurboordszijde was in de verte Tandjoeng Blimbieng77de zuidwestelijkste spits van het eiland Sumatra te bespeuren, en aan bakboordszijde vertoonde zich nagenoeg op denzelfden afstand het Prinsen eiland. Dit eiland is op 6° 36′ zuiderbreedte en 105° 18′ oosterlengte gelegen; terwijl de gemelde zuidwestelijke kaap van Sumatra zich op 5° 59′ zuiderbreedte en 104° 32′ oosterlengte bevindt; zoodat de Straat daar in hare dwarsdoorsnede eene breedte van bijna vijftien mijlen meet. In het noordoosten verhief zich een hoog eiland met verbrokkelde gebergten bezet, boven de blauwe watervlakte en richtte het fregat daarop den steven.

„Hoe heet dat eiland, juffrouw Groenewald,” vroeg Leidermooi.

„O! dat is Poeloe Krakatoea,” antwoordde Emma. „En dat daar achter is Poeloe Sebessie of Poeloe Bessi.”

„En daar weer achter, wat wij thans nog niet zien kunnen, ligt Poeloe Seboekoe,” zei kapitein Butteling.

„God, wat is dat hier fraai!” kreet Dr. Hannius. „Kijk, hoe die fraaie groene eilanden zich met hunne grillige vormen bevallig op het blauwe watervlak voordoen!”

DeFernandina Maria Emmavervolgde statig haren koers. Verscheidene schepen waren in het gezicht, en[382]stevenden, evenals zij, noordoostwaarts op. Toen het fregat Prinsen eiland te boven was, viel het een paar streken oostwaarts af en verklaarde kapitein Butteling: „Dat daar ginds stuurboord dwars van ons is Java’s derde punt. Die bergreeks, die daar in zee uitsteekt, heet Batoe Hideng.”

„En daar iets noordelijker die tweelingberg dat zijn de Goenoeng Poeloe Sarie en de Goenoeng Karang,” vulde kapitein Van Dam aan. „Zie daar die bamboehuizen; dat is Tjeringin. En daar bijna vlak vooruit, waar gij die witte huizen met die roode daken ziet, dat is Anjer. Het is jammer dat het fregat zooveel vaart maakt.”

„Waarom jammer?” vroeg kapitein Butteling ietwat verstoord.

„Wel, nu kunnen geen kadraaiers aan boord komen,” antwoordde kapitein Van Dam lachende. „En ik wed dat juffrouw Adelien en ook juffrouw Emma wel een risje mangistan78zouden lusten.”

„He, ja, kapitein!” antwoordden de beide jonge meisjes opgetogen.

„Of een bos pisang44, of eenige doerianpitten,79met haar dik machtig moes omgeven.”

„He, ja, kapitein,” was de herhaalde uitroep van de lieve schoonen.

Kapitein Butteling kneep een oogenblik met driftig gebaar zijnen neus tusschen duim en voorsten vinger, alsof hij eene onaangename lucht toegang tot zijn reukorgaan wilde ontzeggen.

„Als de wind zoo blijft doorstaan,” zei hij eindelijk, „dan denk ik morgen ochtend u het:slamat tahoen baroe80op Batavia’s reede te kunnen toeroepen. Dan kunt gijlieden naar hartelust mangistan, pisang, ramboetan81, doerian, enz. enz. enz. eten. Maar thans moeten wij voort!”

In dit oogenblik stevende het fregat vlak langs Poeloe[383]Krakatoea en zette koers op het eiland Dwars-in-den-weg.

„Kijk eens wat fraaie kegelberg daar, bakboord nagenoeg dwars van ons,” merkte Behren op. „Wat is hij fraai regelmatig begroeid. Het is of hij met wijngaarden overdekt is.”

„Dat is de piek op Poeloe Bessi,” antwoordde kapitein Van Dam. „Hij is bijna geheel met maritja beplant.”

„Met Marietjes?” vroeg Slierendrecht. „Drommels zoo’n aanplant zal kostbaar wezen.”

„Maritja, de Javaansche naam van peper, uilskuiken,” zei kapitein Van Dam gebelgd.

„O, nu begrijp ik die regelmatigheid van aanplant,” zei de apotheker. „De piper nigrum, zooals wij latinisten zeggen, is een klimmende heester, welks stengel geleed en tweevorkig vertakt is. Hij behoort tot de piperaceën.…”

„Schei uit, mijnheer Behren met uwe pipe, pipa … hoe heet het ook weer,” viel Adelien den apotheker in de rede. „Zeg mij liever, hoe die hooge berg daar ginds in het noorden heet.”

„Juist, juffrouw,” zei kapitein Van Dam. „Die geleerden met hunne pippe pippa. Ik wou dat ze allemaal de pip hadden! Dat is de Radja Bassa, die ligt op den vasten wal van Sumatra en is bijna 5000 voet hoog.”

De zon ging in het westen achter Poeloe Krakatoea onder, en overgoot de verbrokkelde massa van dat eiland met purper, dat een verheven effekt maakte. In dit oogenblik stevende deFernandina Maria Emmatusschen het eiland Dwars-in-den-weg en denJavawaldoor. Rakelings bijna scheerde het vaartuig langs Toppershoedje, een zeer klein kegelvormig eiland, dat zich als een bevallig boschje groen boven het watervlak verhief, en stuurde thans noordwaarts op om den Sint-Nikolaas[384]hoek te ronden. Het was ongeveer acht uren des avonds, toen kapitein Butteling zijne passagiers een hartelijk: welkom in de Javazee! toeriep.

Voor en na liet de scheepsgezagvoerder nu zeil minderen, om de vaart te temperen. Toen de dag aanbrak, was Poeloe Dapoer reeds voorbijgestevend, en koerste het fregat tusschen de eilanden Monnikendam en Edam, en liet bij opkomst der zon het anker op Batavia’s reede vallen.

„Welkom in Nederlandsch-Indië, en alle heil en zegen in het nieuw ingetreden jaar!”

Dat waren de wenschen, die allerwege op het dek van deFernandina Maria Emmagewisseld, werden. Iedereen was nu bedrijvig met pakken om zich tot de ontscheping voor te bereiden. Van de verwarring maakten Adelien en Frank gebruik om een handdruk te wisselen.

„Uw besluit,” zei het jonge meisje, „heeft mij een oogenblik ontstemd, toch moet ik het goedkeuren. Frank, mijn Frank, vertrouw op mij.”

„En gij, dierbare Adelien, op mij!”

Een uur later waren al de passagiers in „tamban-gans” (lichte vaartuigen) gezeten, en stevenden den Javawal te gemoet. Een paar uren later kwamen een viertal tien-kojangs-prauwen langs zijde van het fregat82om het detachement militairen over te voeren, en waren weldra de tijdelijke opvarenden van deFernandina Maria Emma, die voor een zeventig-tal dagen bij elkander geweest waren, uiteen gespat, en stormden hunne toekomst te gemoet. Welke zal die toekomst zijn?

O! wij zullen den lezer niet laten smachten!

EINDEVAN „NAAR DEN EQUATOR.”

[385]


Back to IndexNext