DE TRAGIEK VAN NAPOLEON.

Karakter-tegenstrijdigheden van Napoleon zou ik u nog laten beoordeelen; karakter-botsingen welke soms nog treffender een zoo groote persoonlijkheid in zijn samengesteld wezen verklaren dan het overeenstemming van grondeigenschappen kan doen. Voor scherpzienden en ziels-indringers soms zóó treffend, dat zij alle geschiedkundige uitpluizerijen van verhaal-feitjes en opzichtige gebeurtenissen overbodig maken.

TeAuxonne,—in zijn valen armoe-tijd van behoeftig maar pijnlijk-trotsch luitenantje—woelde er een onrustige uitingsdrang door Napoleon's geest. Hij bepeinst alles in vlagen van woeste verhevenheid of van wreed-koele en bijtende nuchterheid, al naar het gevalt in zijn onstuimig brein.—Hij bepeinst.... de Liefde.... Een kanonnen-man die de pijlspitsjes van het knusse liefdegodje betast.... Hij schrijft:Dialogue sur l'amour. Zijn slotsom is, alle vervoering en ontroering nekkend: „Je crois l'amour nuisible à la société, au bonheur individuel des hommes. Enfin, je crois que l'amour fait plus de mal que de bien.”—*)

Spinoza had, op zoovele diepere gronden van fijne gewaarwordings-ontleding omtrent de schadelijkheid der liefde, dezelfde gevolgtrekking gemaakt. Ziehier Amor bekneld tusschen een wijsgeer en een soldaat.Is het te verwonderen dat 't gekrenkte godje later op wraak zint en Napoleon's hart tracht te bekittelen met zijn puntige spitsjes wanneer er slechts even gelegenheid voor is? Want Amor schuwt slagveld noch lijken, meineed noch huwelijkstrouw.

Ge meent allicht dat Napoleon met deze uitspraak en vernietigende slotsom voor minnenden, een zuur liefde-mensch geweest is, die het menschelijke tortelduiven-spel met speeksellooze tong voorbijging, als een kuische blauwkous, zeer verbolgen, de schaamtelooze paring der redelooze dieren?—Geheimzinnige weerstreving van een onontkoombare werkelijkheid. Deze stroeve en bitse veroordeelaar der liefde, was zèlf een hevig-hartstochtelijk minnaar en een verrukkelijke uitwerper van brandende minnetaal.—Ik neem slechts enkele zinnen uit zijn brief van:le 29 Messidor, Marmisolo, 9 heures du soir, 17 Juillet 1796.

„Je reçois ta lettre, mon adorable amie; elle a rempli mon coeur de joie.... Depuis que je t'ai quittée, j'ai toujours été triste. Mon bonheur est d'être près de toi. Sans cesse je repasse dans ma mémoire tes baisers, tes larmes, ton aimable jalousie; et les charmes de l'incomparable Joséphine allument sans cesse une flamme vive et brûlante dans mon coeur et dans mes sens”....*)

Of dit gedeelte er uit.

„Ah! je t'en prie, laisse-moi voir quelques uns de tes défauts; sois moins belle, moins gracieuse, moins tendre, moins bonne, surtout; surtout ne sois jamais jalouse, ne pleure jamais; tes larmes m'otent la raison, brûlent mon sang. Crois bien qu'il n'est plus en mon pouvoir d'avoir une seule pensée qui ne soit pas à toi, et une idée qui ne te soit pas soumise.”

„Repose-toi bien. Rétablis vite ta santé. Viens me rejoindre; et, au moins, qu'avant de mourir, nous puissions dire: Nous fûmes tant de jours heureux!!!—Milles de baisers, et même à Fortuné endépitde saméchanceté.”*)(Pag. 5Lettres de Napoléon à Joséphine.)

Is het niet verbijsterend? Met brandend bloed geschreven, ieder woord, iedere zinsval, en zoo aan allen kant doorgolfd van menschelijken hartstocht en zoo overal aangestoken van minnaarsvuur dat ge er de heete pijn van smachtend begeeren en verlangen in ziet rondkruipen. Ge vraagt u af: zijn dat woorden van den man door wien de liefde als schadelijk voor ieder persoonlijk geluk en voor het maatschappelijk leven, koel werd afgewezen, omdat ze veel meer kwaad dan goed sticht in ons bestaan? Zoo wreekte zich vijf jaar later Amor op den koelen smaler van zijn pijlengif. De oningewijden zullen veronderstellen, dat Bonaparte slechts in een vlaag van verteedering zoo schreef. Hoe zot! Zoo hoog bleef zijn minnevuur òp- en uitlaaien tegenoverJoséphineof tegenover een andere aangebedene; gaf hij zijn taal, aangeblazen door een adem van zinnen-hitte, jaloesie en vervoerende vurigheid, even onstuimig in zijn overgave als in zijn afkeer. Hoe gek klinkt tegenover de zielsvaart dezer minnebrieven, de beschouwing vanEmerson,—van hooggeestelijken kant half bedoeld als beschuldiging—dat Napoleon in alles altijd geweest was een toonbeeld van bijna listige bedachtzaamheid, een toonbeeld ook van burgerlijk gezond verstand. Ik heet deze kenschetsing koelweg belachelijk, rauw belachelijk. Ook in zijn gevoelsbrieven, in zijn hart-uitstortingen is Napoleon geweest een geweldig ontroerd vervoerings-schepsel, een zich zelf verterend verbeeldings-mensch, die mateloos zijn geluksdroom uitspant en alle begoochelingen en droeve schijngestalten ervan na-rent tot hij tegen zijn eigen schaduw opbotst. En toch kon hij van een koudmakende, koelbloedige bedachtzaamheid zijn, als hij de woeste levens-begeerlijkheid van zijn avontuurlijk romantisch karakter voor een wijle bedwong, en er de felle fonkelingen van smoorde, allen om nòg grootscher, nog stouthartiger gebeuren te lokken ente verwerkelijken. Romantisch bleef hij zelfs in zijn keizerlijke vertrekken, als hij, in het grauwende schemeruurJoséphineen haar bijgeloovige hofdames, de beklemde harten bespookte met verhalen van griezel-geschiedenissen en met een soort scheppend treurspel-vermogen deze verzon, in een dampkring van realiteit dompelde en uitwerkte met gebaren, stem-wisseling en gelaatsbewegingen van een tooneelspeler.

JOSEPHINE

JOSEPHINE

Zij, die het persoonlijke leven van Napoleon bestudeerd hebben, kunnen weten welk een aanbiddelijke liefdes-vleierij en teederheid er leefde in het slotzinnetje van zijn brief aanJoséphine:.... „etmêmeà Fortuné endépitde sa méchanceté.”

Fortunéwas het troetelhondje van mevrouw Bonaparte. Napoleon verafschuwde dit schichtige, bijtende en keffende mormeltje, verwend als een ziek zuigelingetje. Zonder de geringste spot-beklemtoning neemt hij zelfs dit vertroeteld schoot-gunstelingetje op in de overvloeiende genegenheid voor zijn geliefde.

Is dat niet een aanbiddelijk-innig en fijn trekje in dezen „bloedvergieter?”—Hij was lomp en barsch en onbeminlijk tegenover vrouwen? Nooit waagde een man stoutmoediger, diepzinniger en tegelijk vleiender scherts dan Napoleon, toen hij tot de vrouw van den sterrenkundigeLalandezei: „Partager une nuit entre une jolie femme et un beau ciel me parâit être le bonheur sur la terre.”

Versta mij wel, hoogdravende en gelijkvloers-levende lezers, ik verafschuw iedere persoons-karakteristiek die de guitige voorvalletjes en het prikkelende woord tot grondslag van verhaal heeft. Ze is meestal waardeloos en geestelijk leeg. Maar indien ge kwinkslag en pittig woord slechts als vercieringsmotief gebruikt en het uitwendige ook een uitwendige plaats geeft, dan kan u de anecdote geen opdringerig deel der ziels-ontleding worden.

Doe ook zoo met dit keizerlijke woord van Napoleon,in zwierige beminnelijkheid geworpen naar de gestalte eener schoone vrouw, als een zoetgeurende bloem van toespelingen-verwachtende minnaars-welsprekendheid.Léon Bloyzou er allicht slechts een onpeilbare symbolische diepzinnigheid in willen eerbiedigen, om achter het waarneembaar-gebeurende en zinnen-vurige, den onzichtbaren drang van zulk een stout gezegde, voor ons te kunnen heffen tot de hoogte van een godsdienstig embleem, geboren in de schoonheids-ontroering welke nachtelijke oneindigheid en gracie van een vrouwgedaante in hem wekten. En zelfs met een huivering kan dit gewaarworden ons ondergaan lijken, omdat de vrouw, de verleidster van het naar God-geschapene, hier in haar aanbiddelijke verleidelijkheid, wordt betrokken in cosmisch-almachtig gevoel voor het grenzeloos duister heelal met zijn verre translichten. Maar zoo is alle zichtbaar geschieden te verinnerlijken door de onverklaarbare werkingen van een onderbewust instinct tot een mysterie, waartegenover de grootste zielsspeurder machteloos en dwergelijk staat.

Een andere tegenstrijdigheid.

Het is alom bekend dat Napoleon valsch speelde. Hij kon niet tegen verliezen, anders, zielkundiger beschouwd, niet tegen de vernedering van het niet-winnen. Ik besef dat ge onmiddellijk klaar staat met de veroordeeling, gelijk een ongeduldige donderslag nauw het vlietende vuur van den bliksemschicht afwacht. Dwingelandij, grove heerschzucht, waanzinnige trots! Ik heet deze termen, schimpend woordgedoe, waarmee de diepste gronden van zulk een spelwin-drang verklaard noch geraakt worden. Alweer, en zeer nadrukkelijk, om het anecdotisch bekendfeitje, om het uiterlijk geschiedkundig gebeuren is het ons nimmer te doen. De inwendige, de diepst innerlijke geschiedenis van de menschenziel Napoleon beroert en boeit onsalleen, het zoeken naar den geestelijk-psychischen oorsprong van al zijn handelingen, gedachten en daden. Dit onderzoek is psychologisch en intuïtief het allermoeilijkste en ingewikkeldste dat er te doen is. Het wordt niet gedragen op de hooggolvende en uitbruisende zinnen eener bovennatuurlijkheids-lyriek, waarin bombast en opgeschroefdheid met kletterend en kolkend woordlawaai opschuimen tot een z.g. godsdienstig gevoels-ontroeren; dein-golvingen in wier gebroken glanzen zich het goddelijke, absolute, onkenbare en eeuwige, begeeren te spiegelen ter beangstigende glorie hunner onmeetbaarheid en onvatbaarheid. Zulk onderzoek wordt ook niet opgevroolijkt door het verbluffende kaatsspel metmenschelijkebegrips- en gevoelsbepalingen van hetbovenmenschelijke, met hoog- en bontgetooide en wild-aangelichte woorden vol schrikkelijken waan van levenswijsheid, die zelfs de uiterste intellectueele spanning niet over de bevattings-grens van ons hoogst opgevoerd wereld-beschouwen en onze diepst-dichterlijke onbewustheid vermag heen te dringen. Omdat hiervoor dogmatisch-begrensde en geheel subjectieve gemoeds- en levens-gesteldheden worden geëischt, als van een uitsluitend katholiek voeler en denker gelijkLéon Bloyof van een slaaf der milieu-theorie gelijkTaine. En meer nog omdat juist de geestelijke oorsprong van Napoleon's daden en gedachten er door wordt verward, ze uit hun ziels-oorzakelijkheid losgescheurd lijken met wilde wondende rukken en een krenken der fijnste en teederste psychische roerselen van dat innerlijke en inwendige. En of het nu gebeurt met ontroerde en ontroering schenkende hevigheid, smeekend of gezwollen, soms schreeuwerig en duister, half in een wereldvloek en in een godsdienstige prophetie, als bijLéon Bloy, of het geschiedt, geheel tegengesteld, insnijdend en koel-intellectueel met bijna hardvochtige nuchterheid en onbewogene strengheid, als bijTaine, beide manieren van ziels-ontledenen ziels-verklaren dompelen klamme nevels om de figuur die slechts psychologisch en dramatisch op te bouwen is uit de innerlijke noodwendigheid van al het wereldgebeuren, het onzichtbare geschieden waaraan al het historisch waarneembare gebeuren onderworpen wordt.

Het kan mij in dit verband, geen zier schelen of men op zichzelf een valsch speler een verschrikkelijk schepsel vindt, noch op welke wijze de moraal onzer samenleving hem vonnist en radbraakt. Het kan me ook niet schelen of een begaafd geloovige met een bovenzinlijke zending Napoleon's triomfeerenden en weer vernederden ommegang rond de wereld bezwaart. Het valsch spelen als innerlijke mogelijkheid in zulk een schepsel, de beweegredenen wil ik doorgronden, wijl deze het individu in zijn werkingen niet veroordeelen, maar verklaren. Napoleon's valsch spel, als een gebrek aan wilsbeheersching, gaat dwars in tegen twee grondeigenschappen van zijn natuur. Het valschspelen berust meestal op lage hebzucht, opstoffelijkbegeeren van voordeel. Lagere hebzucht nu was Napoleon volkomen vreemd en als veldheer lieten hem de verlies- en winkansen, eenmaal door eenonverbiddelijklot te beslissen, het hoogste en koudste flegma behouden. Vooral als hij het lot tegen zich voelde in den krijg, bleef hij van een bewonderenswaardige rust en innerlijke waardigheid. Deze vergeestelijkte wilswerking van een geweldig krijgsman meent men stellig te zullen ontmoeten bij dingen van zoo oneindig minder beteekenis als schaak- of kaartspel. En zie, het omgekeerde vindt plaats.Davoutzegt: „qu'aux échecs même, il savait rentrer en possession de ses deux fous. Il n'aimait pas que l'on en fit la remarque trop sérieusement; il en riait le premier, mais il était évidemment fâché qu'on y mit trop d'importance; et au fait, ne jouant jamais d'argent, il y avait plus à en plaisanter qu'a se fâcher.”*)

Wel afdoend, meenen we. Zelfs speelde hij vroeger valsch als het om geld ging, maar de winst gaf hij na het spel onmiddellijk weer. Alles dus om grove en kitteloorige bevrediging van brandende eerzucht?

Ik geloof er niets van.

Het begrip: valsch spel, verliest zijn psychologische waarde als het valsche geen bewust stoffelijk voordeel brengt. Ik voel de oplossing in dit simpele mededeelende zinnetje vanDavout: „il en riait le premier.” Het was een door hem zelf lachwekkend gevondene, toch smartelijke poging het lot op zijn beurt te willen verschalken en mores leeren. Het was de heerscher in hem die een spel speelde met het lot, en niet meer met het spel zèlf. Hij, de man met het machtige inzicht, het diepste besef en de geweldigste visie op der dingen verloop, kon de bot-tegenwerkende domheden van het onpersoonlijke lot en de lompe groepeeringen zijner gunsten niet verdragen, die met boertige onverschilligheid en een vadsig gemak, de rijkste kansen en de sterkste machtsmiddelen zoo maar, een ieder in handen gaven. Waarom, door een grillige en domme opeenhooping, b.v. alle troeven daar, terwijl hij hier ze noodig had?—Moet Fortuna zich in een kaas opsluiten, als ze de heele open waereld tot woon kan kiezen? Het zonder strijd en hooger inzicht in handen krijgen der winkansen, tegelijk machtsmiddelen, moest een scheppenden en door alles heendringenden geest als Napoleon voor een bepaalden tijd ergeren. Daarom, met een fijnen illusie-lach om den mooien mond, en een bestraffend heerschers-behagen in het tartende hart, wil hij de kansen van het lot kantelen, in hun zelf zich zien verwarren en zet hij een tegengang van menschenmacht tegen fatummacht. Hij wint schijnbaar en lacht fijntjes, wijl hij de ontwrichtende logiek van dit spel met het spel zoo klaar beseft. En zoo verklaar ik deze instinctmatige valschheid, in vollen omvang als een psychische weerslag van een geboren heerscherop de dommekracht van het dwarsboomende lot, om althans in schijn, zijn wonderbaarlijk gebrek aan schifting en onderscheiding voor enkele oogenblikken te niet te doen.

Het is geen valsch spel, alleen weerzin van een heerschend intellect om zich te onderwerpen aan de klemmende causaliteit, werkend zonder eerbied voor eenig distinctief. Ik heb, voor ik deze beschouwing gaf, lang over dit probleem nagedacht en het betast, omgekanteld en weer rechtgezet, met den fijnsten speurzin waarover ik beschik, en voor mij zelf voel ik er de diepe zielswerkelijkheid van. Niemand gaf mij een verklaring of een geestelijke ontleding der daad.

Men bevestigde of verhaalde deze onteerende episode. Maar de psychologische doorschouwing en iets reins in de voorstelling dezer feiten bleef ver. Ik begrijp zeer wel dat men ook mijn inzicht met spitsvondige en prikkelende spotternijtjes, muggen-zwermerig kan omgonzen, en dat ironische snakerij, bruut en op den man af, succes zou hebben met deze paraphraseering.. „ach, leuter nou niet zooSherlock Holmesachtig speur-psychologisch.... een valsch speler is een valsch speler, en of hij nu Napoleon heet of Jan Bierkaai.... 't blijft één pot nat. Maak van de nul geen diepzinnig of raadselachtig cijferpoortje, onder welks boog alle mysteries het groote onbekende inglippen.”

Het zou me niet raken. Ik min de polemische dartelheid van een fijn en stekelig vernuft, als er althans gevoelsdiepte onder leeft. En een schepsel met zulk ondergrondsch begrijpen zal ook den ernst van 't geval beseffen.

Zoo kan ik mij de mogelijkheid zeer goed voorstellen dat b.v. een levensgeschiedenis van Napoleon, geschreven doorConstant.... premier valet de chambre de l'empereur sur la vie privée,....oneindig meer leesliefhebbers zal lokken dan b. v. het boek vanLéon Bloy,L'âme de Napoléon, waarvanik reeds in eenvorig hoofdstukmelding maakte.

De burgerlijke belangstelling en de burgerlijke geest is happig op tastbaarheden, op episodiek die niet al te hoog boven het tulen plooimutsje van de keukenmeid, of het neepje van de romantische werkster zweeft. Deze ondiepe dribbelaars op het pad der onthullende voorzienigheid hebben dan de volle macht der keurende critiek, al worden de feiten ook van een verwarrende ingewikkeldheid. Tegen het waarnemingsvermogen en het intellect van een „premier valet de chambre” is een ieder opgewassen, en het is verrukkelijk de alledaagsche intimiteiten van een groot man in loslippige kneuterigheid te hooren bekletskousen. De kleine feitjes-geschiedenis, de vulgaire tentoonstellerij van menschelijkheidjes, de peuterige opsomming van uitwendig gebeuren, wint het dan vér van de zielsontleding en de innerlijke karakter-synthese. De groote geestelijke speurder en ziener, zelf beheerscht door een ondoorgrondelijke begeerte tot de ziel van een geweldig wezen in te dringen dat vaak onbegrepen en eenzaam te midden van het wereldsch gerucht bleef, legt het dan nederig af tegen de gezellige kakeltjes en praatjes van een palfrenier der wereldwijsheid. Er zijn memoires-lezers, die uitsluitend de standjes en de vinnige ruzietjes achterna loopen. Anderen die slechts bekoord worden door de erotische kir-stemmen, en weer anderen wier onverwoestelijke en klamme nieuwsgierigheid zich onverzadigbaar een embonpoint doet eten aan onthullende feitjes. De een is ziener, de ander historisch knaagdier. De historische ziener is kunstenaar en dichter, en herschept u een werkelijkheid van vergankelijke dingen, en penceelt den dauw van het gebeuren weer over de realiteit van het verleden. Hij wasemt atmospheer om ons heen opdat ge ademen kunt, breed en rustig, verslindend of hartstochtelijk. Ik breng, ter bevestiging van een voorkeur der dichterlijkehistorie-vertolking bóven een droog-feitelijke, u het woord van een zeer onpartijdig schouwer, het woord van den grooten socialist, theoreticus en geleerde,Karl Kautsky. Dichterlijke beschrijvingen, verklaart hij, zijn van onschatbare waarde voor de kennis van de maatschappelijke toestanden onder welke ze zijn ontstaan.

En verder: „Dichterlijke scheppingen zijn voor de kennis van hun tijd vaakvan veel meerbelang dan degetrouwstegeschiedkundigebeschrijvingen. Want de laatste vermelden alleen het persoonlijke, opvallende, ongewone, dat uit een historisch oogpunt het vergankelijkst is. De kunstenaars daarentegen geven ons een inzicht in het dagelijksch leven en werken der groote menigte, dat onafgebroken en blijvend inwerkt en op de maatschappij den meest duurzamen invloed uitoefent.Daarom b.v. hebben wij in de romans vanBalzaceen der belangrijkstegeschiedkundigebronnen over het maatschappelijk leven van Frankrijk.”

Ziehier het oordeel van een groot geleerde, door wien de ontzaggelijke waarde der romanscheppingen ook als geschiedkundige producten volkomen erkend en beseft wordt. De uiterst gescherpte intellectualiteit en de critische fijnzinnigheid van dezen beroemden theoreticus, is voldoende waarborg tegen mogelijke verwijten van zielkundige sentimentaliteit.

Inderdaad, de hoogste, geestelijke ziening schenkt ons eerst de dichtersvisie op het wereld-gebeuren.

Als wij de gedetermineerde levenswetten en dus een oorzakelijkheid voor al het bestaande aannemen, dan moeten wij ook de historische causaliteit erkennen. Spreken wij van een geschiedkundige oorzakelijkheid, waaruit het onverbiddelijke van al 't gebeuren blijkt, dan is er, steil bezien, geen plaats voor een term: tragiek. Juist het gevoelsbegrip: tragiek, heeft een geheel menschelijken oorsprong; is een woord van geheel menschelijken klank, en in zijn diepsten aard, vreemd aan de noodwendigheid van het gebeuren zelve.

Bedeesd-geestige menschen zouden hier rustiglijk de opmerking tusschen kunnen schakelen, dat de oorzakelijkheid zelveinons een oordeel over haar eigen wetten laat geboren worden en groeien, en ons dus toestaat de dingen anders—b.v. tragisch—te bezien dan zij ze afwikkelt. De oorzakelijkheid zelve brengt dusinons een geestelijk vermogen om haar wetten en ineengrijpingen critisch en schiftend te bezien.

Toch zou dit een benauwend kring-redeneeren worden, waarbij het verstand in een duizelingsdraai kans heeft zich zelf te verliezen.

Iets dat niet anders kán zijn dan het is, valt niet meer tragisch te noemen. Ik hoorde eens een kinderloozenlandman hevig mopperen dat het lot hem geen kroost had toebedeeld, terwijl hij er naar snakte. Zijn handen hadden een menschenleven lang in 't vruchtbare zaad van groenten, vruchten, gerst en tarwe gewoeld. En zijn armen hadden dag aan dag de versch-omploegde aarde met zaden bestrooid.... En hij had de goud-zomersche dagen zien blinken en bloeien van nieuwgeboren gewas; hij had de geuren van ontluiking en de geuren van verwelking gesnoven op zijn hemel-wijde akkers.... en nooit had het leven zijn vrouw de menschelijke vrucht gebracht. Het was een vroom en nederig man.... en toch kón hij niet berusten.—De vurige determinist zal evenmin in volle begrips-zuiverheid de oorzakelijkheidsleer eerbiedigen als ze zijn individueel-opgebouwde gedachten omsmakt en zijn innerlijke verlangens en aandoeningen schendt. Iets is er in ons—de hooge moralisten noemen 't een werking van het bovenzinlijke bewustzijn—dat zich onstuimiglijk verzet tegen levensvernietiging en ondergang, al mogen ondergang en vernietiging slechts menschelijke opvattingen zijn van een cosmisch-noodwendig verloop der dingen, en dus al weer vreemd aan vertakkingen der levensbeginselen zelve. Wat komt, in zijn groei wordt, vergaat, verdwijnt ook weer. In onze jubelende menschelijkheid spreken wij symbolisch van bloei, in onze tragische bezinning van verwelking en ontbinding. Het cosmische levensproces heeft zijn eeuwige onbewogenheid. Het is alles onverbiddelijk, noodzakelijk en onveranderbaar. Wij menschen echter, willen ons telkens weer met ónze persoonlijk-levend-gehouden begeerten en voorstellingen tusschen de causaliteit van het geschieden plaatsen, de afwikkeling van het ons persoonlijk-tragisch treffende tegenhouden, van het ons gelukkig-stemmende bespoedigen of bestendigen. Kunnen we ons nu uit de saamschakeling van subjectief verlangen en objectiefgebeuren zoo koel met onze waarneming heffen, dat we, om zoo te zeggen, onze eigene ziel smoren, dan ervaren we ontgoochelend, dat de noodzakelijkheid, in haar onverbiddelijk en onbegrensd zich-zelf-zijn, ons menschjes, mét onze menschelijke droomen en verlangens, verbeeldingen en illusies, van minuut tot minuut, van uur tot uur, van dag tot dag, wegdringt, achteruitstoot of meesleurt, uitschakelt of iets van ons afscheurt, op een wijze en precies zooveel als er noodig blijkt om haar gebeuren te volbrengen. Wij meenen, in lieflijken waan, dat de dingen op eenerlei manier deelnemen aan onze innerlijke realiteit van verlangens en geestelijk bestaan, terwijl juist andersom, wij slechts deelnemen aan den algemeenen, eeuwigen, ononderbroken gang van het noodzakelijke en onafwendbare.

De groote en verbijsterende drang naar het bovenzinlijke leven heeft echter tegen deze noodwendigheidsleer van het gebeuren, het schuldigheidsbesef, het verantwoordelijkheids-beginsel, de zonde, de zaligheid geplaatst, heeft de individueel-vrije wil opgeworpen en zoo heftig-religieus als levens-principe doorgevoerd, dat zelfs de vurigste deterministen, in hun eigen bestaan er telkens weer de verschijnselen naar beoordeelen. En dus ook als de niet-deterministen spreken van smart, vreugde, blijdschap, ellende, terwijl het begrip hen toch zegt dat de dingen altijd, door de noodwendigheid zijn gemaakt, alleronverbiddelijkst tot wat ze moesten worden en geen enkel schepsel het allergeringste deel van zijn daden- en gedachten-individualiteit, buiten deze nood- en oorzakelijke levenswerkingen vermag te wijzigen naar „beter” inzicht van anderen noch „zichzelf.”

Bij de beoordeeling van Napoleon's leven ondergaan we deze verschrikkelijke en verlammende tegenstrijdigheid van het verzet in ons tegen het onafwendbaargebeuren. En we staan verplet voor zulk een.... tragiek, waar toch niets anders geschiedt dan.... het noodzakelijke.

We overzien Napoleon's onaanzienlijk komen.... zijn bloei.... de ongehoorde stijging van zijn loopbaan.... zijn val.... weggetrapt.... in de eenzaamheid van waereld en buiten menschen gestooten.... d'adem bewaakt als was hij gevaarlijk misdadiger.

Wij, droeve menschen, zijn zoo gewend door onze innerlijke voorbarigheid en geluks-gretigheid vooruit te beschikken over kantelingen en afwikkelingen van lot en gebeuren, dat we de oorzakelijkheid hoonen die ónze verlangen-werkelijkheid voorbijsnelt, den rug toedraait of door midden scheurt.

Onze menschelijkheid verzette zich tegen de onteerende vernederingen hem in zijn ongeluk aangedaan... de oorzakelijkheid, die door hare totaal-werking op lot en leven der menschheid, alle gebeuren van een onbereikbaar hoog punt uit overziet, gaat ons klagen en schelden voorbij met de onbewogenheid van een sphinxen-gelaat, waarop het eeuwige levensraadsel is versteend in onoplosbaarheid.

Als de noodzakelijkheid haar gelaat eens ging vertoonen,... we zouden zelfs geen demonischen „glimlach” meer zien, die vreeselijk-zachte tarting, zacht gelachen naar al de zoekers van bestaans-oplossingen.

Het zal dus niet meer zonderling klinken als men verklaart diep meelij met den mensch Napoleon te hebben ondergaan. Dat sentiment kan men alleen ondergaan als men zijn leven wezenlijk heeft ingeleefd. 't Eischt losmaking van nationale gevoelens, maatschappelijke inzichten, van beginselen die vervloeken. Het eischt een objectieve zielsindringing. En achter dit bolwerk van karakter-wetenschap, zult ge toch hevig ontroeren, indien ge de tragische feiten, zuiver-menschelijk doorleeft. Den ijzeren heerscher zultge zien sidderen voor het onverbiddelijke, zien verzachten tot weemoedige door de tragiek van het gebeuren.

Let wel, ik schrijf geen geschiedenis van Napoleon. Ik verlang slechts het innerlijke begrip van dit samengestelde karakter te gronden, anders niet. Toch zal ik, om het diep meegevoel met dezen „geweldenaar” te verklaren, een groep historische feiten onder een bepaald licht u moeten doen zien.

Ik ben er ernstig van overtuigd dat bij de beoordeeling der Napoleon-psyche de meeste rechters en richters zich laten meesleuren, door—overigens zeer begrijpelijke—aandoeningen van antipathie tegen de enorme figuur, den tooneelspeler-mensch, en zich,door dezen weerzin, afhouden van de objectieve kennis, welke zij van al zijn daden, woorden en handelingen, zich zelf kunnen verschaffen, al eischt de saamvatting der feiten een zeer behoedzame, ineenstrengelenden synthetischen geest die, onafhankelijk van anderer indrukken, voor eigen karakter conclusiën stelt. Men moet Napoleon objectief in zijn wezen bestudeeren, gelijk een dramaticus het doet, als hij zich, bij het scheppen van een groote geschiedkundige figuur, op zijn innigst en diepst vereend met zulk een schepsel. Hij stoort zich dan niet aan religie, maatschappij-leer, ethische beginselen. Hij bouwt de figuur op uit de volle en onbegrensde menschelijkheid en daaromheen schept hij de realiteits-sfeer.

Als ge meent dat ik met objectief-psychologisch indringen in zulk een figuur, wetenschappelijke nuchterheid verlang, dan ontbreekt u het besef van mijn bedoelen, of, wat even zeer mooglijk is, ik drukte dit nog gebrekkig uit.

Objectieve studie van een figuur beduidt geen liefdeloos beelden van zulk een wezen. In deze studie bewees ik reeds al het verschriklijke van de Napoleon-figuur te willen zien. Ik heb van zijn wezenlijkeen niet fantastisch-toebedeelde gebreken geen enkel vermoffeld noch geloochend. Ze slechts in een ander organisch verband gebracht met zijn innerlijk. Ik erken, dát was mij een ziele-zorg en.... een psychologisch vagevuur. Het gewijde brood was steen-oudbakken geworden. De priesters toonden hun kreupele been en lieten hem ongezegend staan. De historici schreeuwden wild door elkander.... de een plengde met wijn.... de ander met azijn. Ten slotte wordt men zelf priester, geschiedkundige, moralist.... en men objectiveert. En zoo doen wij ook met de bezwaren, opgeworpen tegen het meelij-gevoel voor een „beul” als Napoleon.

Ik voorspel het een iegelijk.... diepe ontroering zal u bevangen als gij de geschiedenis van zijn menschelijk lijden op Sint Helena met de ziel mééleeft en als ge in vollen omvang leert zien welke ontzettende smarten hij manmoedig en met een grandioze beheersching verdroeg.... en hoe hij, juist door de wilsbeheersching, zich een sfeer van tragiek schiep onder de wereld-veroveraars, ongeëvenaard groot-menschelijk. Of hij anderen nu ontzaglijk liet lijden door zijn alles-tartende eerzucht en „zwijnachtigheid,” zijn ontuchtige driften, zijn zinlijk-woeste uitvallen, heeft met zijn eigen ondergang niets te maken. En evenmin of hij zich vóór zijn val allerlei weelde en onmenschelijke eigengerechtigdheden kon veroorloven. En toch wordt zoo vaak zijn eigen tragiek in mindering gebracht van al het leed dat hij anderen veroorzaakte. Een wreed en wondend beginsel van een koppelaars-moraal. Dus zèlf door zondige naturen uitgedacht.

Ik hoorde eens in gezelschap een zeer hoogstaand man, die den tyran in Napoleon verachtte, met scherpen spot en accenten van onhoffelijke drift, een zeer lieve vrouw be-ironiseeren, omdat zij „meelij” had uitgesproken voor Bonaparte's ondergang. Hij haaldeallerlei staaltjes van zijn krankzinnige macht-posities aan, vóór Napoleon's val en telkens sarcastisch besloot hij: „wel 'n manneke om meelij mee te hebben hè?” In zijn naijverige verontwaardiging vergat hij, dat zóó het psychologisch probleem geheel valsch gesteld werd. En toch was het geen oneerlijkheid in dezen man, dien ik als een hart van goud ken en als een groot psycholoog waardeer. En evenmin overgevoeligheid van de vrouw, die in onbeperkte gemoedszuiverheid zich gaf. De man kende n.l. het wezenlijke hevige lijden van Napoleon niet, en de weerzin tegen zijn gansche menschelijkheid belette hem de opeengehoopte stof objectief en ziels-zuiver te doorwerken. En zoo gaat het met de meeste beoordeelaars.

Ik erken, op het eerste aanhooren klinkt het naïef.... meelij met.... Napoleon. Maar rustig en diep beschouwd, is de uitdrukking volkomen van pas. Men wordt van sentimenteel coquetteeren, van een klein en benepen soort menschelijkheid verdacht.

En toch, en toch, al spot ge met tergende adjectieven, al hoont en sart uw woord er tegen in, toch is Napoleon's zesjarig leven te Sint Helena van een overweldigende tragiek, om bij te schreien soms, en is loochening daarvan hardvochtiger daad dan de „beul” zelf vermag te doen in zijn particulier leven als mensch.

Weerspannige en hardnekkige oordeels-eenzijdigheid kan slechts beletten het grootmenschelijke in Napoleon te erkennen.

Te strenge moraal kan als een tuchthuis van beginselen worden, waarbinnen uw veroordeelde zich doodkniest of verhangt...... Wee, zoo 'n mensch op zijn eigen schaduw gaat gelijken.

Ik hoor al het woedende relaas!

Meelij met hem?! Had hij het met anderen?—Wat gaf hij om menschenlevens? Geen zier. Heeft hij hetniet zelf uitgeroepen? Hij oorloogde, zwelgde in krijgspassie.... Doodslaanderij.... dat was hem alles!

Hij is de wreedaardige onmensch die naarMetternichtoeschreeuwde: „Wat voelt gij van een soldatenhart! Mijn leven is onder kanongebulder opgeraakt.... strijd is alles.... het leven van een millioen schepsels is me volmaakt onverschillig.”

Met wilden hartstocht zou men hier 't woord schurk willen plaatsen, krankzinnige, grootgekke schurk, die het leven van duizenden offerde aan zijn goden-tartende, diepzieke eerzuchtigheid. Alles drong hij uit de voegen. Zich zelf alleen zocht en zag hij. Als „goed” katholiek gestorven, bleef hij bij zijn leven een godloochenaar, een materialist door en door.

Men kan nu een toren van scheldwoorden op Napoleon's harden kop laten neerstorten, men kan dit demonisch-gevoellooze wezen omslingeren met brandende vloeken,.... de lezer vermag uit vorige pagina's te weten hoe ik hierover denk. Ik noem ze smakelooze krachttermen, breedsprakerige moraal-manifesten, opzichtig vaandelgezwaai van zwetsende pronkridders die met felle en luidruchtige beweeg'lijkheid de aandacht op eigen humanisme gevestigd willen zien.

Voor de psychologische doorgronding van dit leven blijven ze waardeloos materiaal. Ze verklaren veel meer het karakter van den uitschelder, dan van den uitgescholdene. Een vloek-ritueel is het bij deBourbons, maar heel anders weer bij den republikein, schoon ook deze verdoemt. De socialist raast, de anarchist raast, de nihilist raast. Ze bezien Bonaparte meest als den Egyptischen, menschoffers-eischenden heidenen-god, die slechts in bloedwalm kan ademen.

Maar Napoleon's wezen roeren zij niet. Want dan zouden ze het probleem minder effectvol ethisch en sociaal, doch zuiver psychologisch stellen.

Napoleon beschouwde in zijn tijd het oorlogvoeren als iets grootsch, iets dat als een soort gericht de waereld overvalt. Men is scheppend veldheer, geboren strateeg en vechter of men is 't niet. De scheppende veldheer kan niet met ontroerde harten en beklemmende ethische beginselen krijgvoeren. De aard van zijn werk eischt menschenlevens en bloedvergieten. Het is een bloedende, verschrikkelijke kunst, maar het is een onvermijdbaar en tegelijk grootsch gebeuren. Ik zei u, bij zulke psychologische ontleding van daden-in-hun-oorsprong, houdt ge uw hart vast, zoudt ge willen krijschen van woede, of mij willen toeroepen: we lachen om uw psychologische ontleding. Wilt gij den massa-moord onder een fraaien naam vangen?

Ik zei u, mijn verklaring van deze ziel eischt zeer veel gedachten-stoutmoedigheid. Ik voorspelde u dat ge opbotsen zoudt tegen leeggeplunderde bloemkorven der moralisten, tegen de blinkende pantsers der dogmatici van allerlei slag, tegen de broze ideologie-bloeiselen der humane maatschappij-hervormers.

Toch houd ik tegen uw onstuimigste uitvallen vol: zijn krijgvoeren en zijn eischen van menschenoffers moet alleen psychologisch worden beoordeeld in Napoleon, en dan verliest het de monsterachtigheid als menschelijke daad. Kent ge de schoone zinnebeeldigheid van het oude verhaal waarin de Egregoren, zoogenaamde wacht-engelen, verliefd worden op menschelijke vrouwen en bij deze daemonen voortbrachten die, in jammerlijke mengeling van hemelsche en booze driften gebaard, ronddoolen over de waereld, daden van booze hartstochten volbrengend met de kracht van het goddelijke? Bezie zóó Napoleon's aandrift als veroveraar.—Hij geloofde in de grootschheid van den oorlog, waarin alle vormen van moed, tucht, zelfvertrouwen, doorzettingskracht, overgave, zelfoffering, heldhaftigheid, tot uiting kwamen. Hij weende bij het zien van een koen soldaat!Voel nu dat de krijg hem dus nog iets ánders was dan bloedvergieting. Ik zelf, die het oorlogvoeren om het oorlogvoeren veracht, die het gansche militarisme één krankzinnige en onzedelijke instelling vind, in deze zotte maatschappij van anarchistische voortbrenging; in deze maatschappij, waar alle echte en zuivere menschenliefde uit is weggezonken, en waarin de valsche, gezwollen, ziellooze phrasen van ongevoelde christelijkheid en z.g. humaniteit hun smoezelige en flense triumphen behalen,.... ik zelf probeer de krijgsmansdrift in een reus als Napoleon, die gaaf en eerlijk was in het naar buiten brengen van zijn oorlogslust, zuiver te objectiveeren. Het geheele maatschappelijke leven van nu is één klasse-oorlog, één vreeselijk slagveld, waar niet minder schennend en onmeedoogend de menschen tot ellendig gewondenen worden verminkt en getrapt dan in den concreeten oorlog. Napoleon was als ménsch volstrekt niet bloeddorstiger dan al de chauvinistische en onafhankelijkheids-oorlogen-gedenkende helden, die hem nú met hun scheldvloeken en opgeschroefde verontwaardiging bespuwen.

Voor Napoleon was de krijg iets in-zich-zelf grootsch en geweldigs. Welke geloovige zal het goddelijk Bestuur van wreedaardigheid beschuldigen, als het eenTitanic-ramp laat gebeuren, als het aardbevingen, overstroomingen, stormen en branden doet plaats vinden, waarin menschenoffers geëischt worden, op zoo ijselijke en afgrijselijke wijze den dood ingaand, dat zelfs een slagveld er naast, zijn verschrikkelijkheid verliest? Herinnert ge u de angsten der opvarenden van deTitanic, moeders, die zich uit de armen van hun kinderen losscheurden; vrouwen die hun echtgenooten voor hun oogen in de zwarte zeediepte zagen wegzinken?.... De lucht kermde den jammer van al die menschenstemmen terug. En toch bestond de Algoede die het zoo wilde en zoo beschikte. Hetwas en werd onbegrepen en onverklaard gericht.

Penteekening vanGros.

Penteekening vanGros.

Dit standpunt van het onvermijdbaar gericht moet men ook bij Napoleon's oorlogvoeren innemen. Hij voelde den grooten krijg als een noodlot der volkren, en het leven schonk hem ál de bedwelmende en suggereerende krachten, om voor de menschheid te verschijnen als haar verblindendste veroveraar van den nieuweren tijd. Caesar, Alexander, bleven voor onze droomen, historische schimmen. Nu stond er een wezen op van vleesch en bloed, met bliksemende oogen, een godenwil en hij voerde de soldaten aan die zingende den dood inmarcheerden!

O! zoo het geweest zou zijn voor den bevrijdingsstrijd der menschheid, zooals de socialisten dit willen en vurig begeeren.

Daar staat hij nu, levend voor de oogen der menschen, koener dan Caesar, stouthartiger dan Alexander, daemonischer dan Frederik de Groote. Hij betooverde en maakte tot bukkende bewonderaars van zijn genie mannen alsGoetheenHeine. Hij zou door een wereldoverheersching de menschheid rust en vrede brengen. Achter al het bloed licht een ideaal.

Maar het ideaal van een tyran.

Voor ons psychologisch hèt aanknoopingspunt.

Zijn onverschilligheid, als strijder, voor menschenoffers, staat er ten nauwste mee in verband. Hij zou waereld-heerscher worden en de volkren vrede brengen en die bewaren. Naïeve en tegelijk daemonische waan! Zóó, in dien waan, werd hem de krijg een soort van bovennatuurlijk gericht. De offers móesten vallen,..... Bezie het niet dus als een individueele wreedheid van den ménsch Napoleon. Het beginsel, ik erken het, om zooveel menschenlevens voor veroverings-oorlogen te durven opeischen, heeft een wreede worteling, maar het is het daemonische gevolg van een daemonisch-grootsche veroverings-gedachte, een scheppingsdrift, ingeboren en onverwoestbaar. Bij zulk eenduizelende machtsontwikkeling geheel aan den krijg ontleend, moest de waan naar beheersching van een wereldrijk dit menschenbrein overmeesteren. Dat is het punt waarop Napoleon door de noodzakelijkheid zélf tot slachtoffer wordt gemaakt, door de onverbiddelijkheid der causale levenswetten meegesleurd, terwijl hij zelf denkt mee te sleuren. Een stuwkracht, zelve gestuwd! Op dit punt van zijn roem walg ik van Napoleon's comediespel, zijn krank vertoon en zijn maatschappelijke machts-verblinding. En tegelijk zegt de dramaticus in mij: schenk hem juist nu uw edelste aandacht en zuiverste gevoel, want bij de beoordeeling van zijn innerlijk wezen heeft hij deze het meest noodig. Napoleon geloofde met een bovenzinlijke zekerheid aan zijn roeping als waereld-heerscher. Allereerst zijn krijgsgenie, zijn onoverwinbaarheid, zijn soberheid, zijn verheven ernst, zijn onbegrensde moed, zijn doodsverachting, zijn geniaal beheerschen, zijn koen overzien van ontzaggelijke legers. Zelfs in 't aanzicht van den dood blijft dat gevoel hem doorbruisen. Hij alleen zal de volkren bezielen. Koningen verdringen zich in zijn kabinet en wachten als gewone generaals en maarschalken, tot hij zal verschijnen. Zijn ontzaggelijke heerschersnatuur heeft alle vorstelijkheid getemd en gedwee doen worden.

Zijn taal, volstrekt niet fraai, dikwijls gebrekkig van stijl en zins-samenstelling, is brutaal, scherp, bijtend en hoonend. Hij ontziet niets en niemand. Zijn bewegingen zijn overbewust van macht; hij minacht en vertrapt de bewondering die om hem heen perst als zooveel atmospheren druk. Hij veracht ze en eischt ze tegelijk. Hij beleedigt en spot en tart reuzen van kerels, mannen van evenveel moed en koenheid als hij; hij krenkt vrouwen; hij kwelt en maakt de parade van een parvenu. Men begrijpt niet, dat niet één stoutmoedig schepsel hem in de nabijheid vanzijn leger heeft aangedurfd. 't Zou heerlijk geweest zijn, juist zulk een geweldenaar met gelijk geweld te hebben zien behandelen. Maar diezelfde doldriftige hooner en spotter kan verrukkelijk charmeeren en zijn nijdigste en onrustigste vijanden met één slag tot vurige vrienden en bewonderaars maken. Gij zult iemand belegeren en ge wordt zelf belegerd. Zijn blik, zijn gang, zijn woord, ze zijn loutere betoovering. Gij verzet u,.. ge wilt niet. Ge knabbelt op uw nuchterste woorden. Ge bespot zijn kleine beentjes, zijn vrouwelijke handjes, zijn aandikkend buikje, zijn gedrongen gestalte. Heel de kleine heerscher, met zijn al kalend hoofd, lijkt u een opgetooid burgerman, wreedelijk door 't lot begunstigd, befooid door Fortuna. Maar hooge rang en schittering van costuums, en gouden pronkkoetsen en heel dat flonkerend keizerlijk borduurwerk, brengen u niet van de wijs. Ei, gij zelfbewuste en hoogzielige, gij nadert den burgerman. Zijn glimlach is al beangstigend.... uw dapperheid zinkt reeds. Hij kijkt.... Mijn hemel! Wat stalen krachtoogen.... Hij spreekt.... Mijn god, wat een synthetisch verstand.... Gij valt niet met uw gelaat ter aarde, omdat ge geen Oosterling zijt en geen bemorste broek wilt hebben. Maar ge voelt sidderend: hier ontstraalt het genie zijn levensgeheim.

In deze alles-bedwelmende machts-sfeer ademde Napoleon.... hij zou de volkren richten. Ziehier den oorsprong voor zijn onverschilligheid waar het menschenlevens in den krijg gold. Het opperste individualisme ontbolsterd uit een soort verward-verheven altruïsme. Viélen de menschen, ook God eischte zijn offers in storm, brand, orkaan, overstrooming en aardbeving. Dat meedoogenloos-grootsche en cosmisch-onbewogene moest hem richtsnoer zijn tegen eigen weekelijkheid.—Juist op deze grens grijpt hem de tragiek met ontzettende kracht en vaart aan. Hij valt en tuimelt van zijn troon.—Zijn wezenlijkeval is veroorzaakt door zijn angstwekkend-halstarrigen waan, die alleen zulk een wezen kon overmeesteren.

En nu wil ik u doen zien dat er vreeselijke tragiek in Napoleon's leven was.

Wij allen zien Napoleon eerst in zijn onbegrensde glorie, de krijgsgod van bijna gansch Europa. Hij is almachtig. Zijn wil wordt een wezen van duizend lichamen. Hij vermaagschapt zich, hij, de Corsicaansche avonturier, met een vrouw van keizerlijken bloede.... de trotsch-mooieMarie Louise. De glorie straalt als een brand achter hem aan. Plots de oorlog met Rusland, met zijn overweldigend mengleger van allerhande natie-soldaten. Gij hoort de namen Smolensk, Moscou, Borodino, Berezina en ze staan vóór u, de veldslag-ontzettingen. De roode vlammen van Moscou ruischten boven het hoofd van den veroveraar, maar tegen groeiend vuur bleef ook hij machteloos. Toch wil hij nog naar Kremlin zien, terwijl onder hem de bodem staat te smelten in het vlammengegloei, en de rook de gansche stad in een stikwalm omwolkt. Eindelijk wijkt hij voor het gesmeek zijner oudste en koenste generaals, die niet willen dat hij in het vuur omkomt. Dan de terugtocht over de Berezina. De aller-jammerlijkste en meest-tragische in de geschiedenis der veldslagen. Zijn veldheers-roem heeft den eersten hevigen knak. Hij blijft oorlog voeren. Zijn eigen volk begint nu te morren, donker, dreigend..... Hij hoort niet! Het gestap der brigades en 't gebulder van het geschut overstemt alles. Half militair Europa leek een groot hospitaal. Het beroemde groote leger was vernield door vuur, kou, ellende. Napoleon wou het herstellen. Het verraad vanMoreaublokte het lot voor zijn voeten.Bernadottedeed mee. Napoleon ondervond den afval van alle half en heel veroverde rijken. Een bondgenootschap tusschen dedoor Bonaparte bevochten mogendheden ontstond en bedreigde geheel Frankrijk. Toch wou en bleef hij vechten tegen een overweldigende overmacht. Eindelijk zijn val, ook als gekroond vorst. De verbonden mogendheden eischen dat hij afstand doet van den troon. Hier boekt de geschiedenis het verraad vanMarmont, den maarschalk van Bonaparte.

Napoleon voelde zich van alles verlaten! Zijn getrouwen vielen hem af, de geest van het oude regime begon weer rond te werken. Napoleon deed afstand van den Franschen troon.

Op dit punt zijner geschiedenis begint Napoleon's lijden, en juist nú eisch ik uwe objectiviteit. Ik zal u achtereenvolgens, doch zeer kort, doen zien wàt hij doorstaan heeft, inderdaad met ontzaglijke heldhaftigheid.

Hij teekende het afstandstractaat. Zijn vrouw en kind trokken naar Weenen. Eenige dagen later nam hij van zijn leger afscheid. Hij omarmt het vaandel voor het front der troepen en zegt dat dit omarming van heel zijn leger, al zijn soldaten is.

De soldaten schreiden.

Ontzettend moment, door zijn tragische trilling, een wereld van menschen verlammend in stomme ontroering. Even voor dit feit zou de zelfvergiftiging van Napoleon hebben plaats gevonden.

't Moet in zijn ooren vreemd geklonken hebben, al wat het decreet hem puntsgewijs voor de voeten wierp. Dat hij, Napoleon, de grondwet had geschonden door onwettige belastingen te heffen; dat hij het Wetgevend Lichaam in zijn rechten had beknot; dat hij de rechterlijke macht had vernietigd, enz. Dat en meer wierp hem de Senaat voor de voeten. Achter dit decreet schemerde het valsche mom vanTalleyrand, stondenDalberg,Bournonville, Jaicourt. Napoleon lachte smadelijk toen hem het decreetwerd gelezen. Het laatste punt. Frankrijk had hij met rampen overladen, door tegen de verbonden mogendheden te vechten inplaats van vrede te sluiten.... de Senaat verklaart het Fransche volk niet meer gebonden aan een eed van trouw jegens den keizer; Napoleon en zijn nakomelingen mede vervallen van den troon.

Het Wetgevend Lichaam had het decreet bekrachtigd. Maar Napoleon beheerschte nog zijn leger. Ook hier was de eerste opstandige tegen zijn keizerlijk- en veldheersgezag,Ney, zijn koenste maarschalk. De andere maarschalken weigerden mede Napoleon te gehoorzamen. Dat was zijn felste slag. Toen trad hij af, teFontainebleau. Van alle vleiers, vereerders verlaten, gehoond en uitgescholden door toongevende couranten, bleef hij achter. Al wat hij tot het grootste aanzien had gebracht, ging tot de op Napoleon zegevierende machten over. Zijn glorie verzonk niet slechts, hij werd diep en diep vernederd, door al zijn vrienden en lallende vereerders. De gedachte vanLevykrijgt hier relief. Napoleon leerde dáár, teFontainebleauzien, al het verachtelijke, trouwelooze en weerzinwekkende in den mensch. Napoleon, de man die vijftien jaar lang de hoogste glorie van Frankrijk belichaamde in zijn geheele persoon, die het tot duizelingwekkenden wereldroem had gebracht; die de bewierooking van een geheele wereld had te besnuiven gekregen, de titan als veldheer, strateeg van ontzaggelijk genie, en die het Fransche vaandel tot de wolken had aangestooten,.... hij werd nu op tartende en laaghartige manier gekrenkt, beleedigd en bespot door dezelfde lui die hij sarcastisch even er voor, hun lof en hielenlikkerij verzocht te matigen. Zijn maarschalken, met hun schitterende borsten, hun pluimen en cocardes, hun statiedegens en vechtsabels, zijn maarschalken waren het die op brutaal-uitdagenden toon Napoleon's troons-afstand hetklemmendst eischten. Is dat geen tragiek, geen schrikkelijk botsingsspel van het lot? Met een sarrende onbeschaamdheid bemodderden ze hun strijd-afgod, loerende op een even gunstige en vette functie bij deBourbons, als ze bij den gevallen Napoleon bezetten.

Napoleon-zélf kon zulk een laaghartig overloopen naar den vijand, zulk een ziels-verraad niet dragen. „Ze hebben hart noch ziel”, riep hij uit. „Het lot heeft mij niet zóó geslagen als deze daden van weerzinwekkende zelfzucht en trouweloosheid mijner wapenbroeders.” Hij had ze met eer, rijkdom en roem overladen; hij had ze als dappere soldaten bemind, zooals alleen Napoleon 't kon.... Neen.... hij kón dit schurken-verraad niet dragen.

's Avonds, in alle eenzaamheid nam hij vergif in. Hevige kramppijnen scheurden zijn lichaam. Hij kon het kermen niet smoren. Zijn kamerdienaarConstantsnelde toe en zag den keizer krimpen in stuiptrekkingen. In zijn lijflijke ellende jammerde zijn stem nog:Marmontheeft me verraden en in 't hart geslagen. Ik hield zoo veel van hem.Berthier's afval heeft me den genadeslag toegebracht.—DocterYvon, in allerhaast geroepen, kon nog een sterk tegengift bezorgen, dat hem redde.

Coulaincourtverhaalt: „Toen Napoleon wakker werd kwam ik voor zijn bed staan. De bedienden verwijderden zich, we bleven alleen. Zijn uitgemagerde wangen en zijn ontzielde blik waren vreeselijk om aan te zien. Hij zocht met zijn doffe oogen de dingen, tastend en zwak-herinnerend om zich heen. Heel zijn doodsbleek gelaat drukte smart, vernietiging uit.”

Bij deze opleving klaagde hij ondanks zijn pijn weer: „Het lot wilde niet dat ik omkwam door vergif. O, denk niet, dat het verlies van mijn kroon mij zoo bedroeft. Mijn loopbaan was genoeg voor den roem van één man.... Maar wat me het hartverbrijzelde.... het is de afzichtelijke trouweloosheid, de ondankbare laagheid mijner strijdkameraden. Zooveel lafhartige en rauwe zelfzucht heeft me een walg van het leven gegeven. Ik kreeg afschuw van al het ademende. Wat ik in de laatste twintig dagen voor smart en droefheid heb doorstaan,........ is voor niemand te beseffen.”

Is hier niet de tragiek, de ziels-tragiek van Napoleon in volle werking? En voelt men niet méé met zulk een door verraad en afval voorbereiden ondergang? Ik sprak van ziels-tragiek. De lots-tragiek zou volgen. Op zijn reis vanFontainebleaunaar het verbanningsoord Elba, liep teProvencede opgehitste bevolking naar de plaats waar Napoleon van paarden moest wisselen. Van verre besmakte men zijn koets met groote keien, en een menigte dromde vlak voor zijn bleek gezicht en schold hem uit voor lage tyran, monster, ellendeling!.... Toen de scheldwoorden-voorraad opraakte en het gepeupel zijn haat nog niet had gekoeld, begon men te dreigen met lynchen.

GraafWalburgverklaart, dat Napoleon moest worden vermomd in de kleeren van een postkoerier.

Is zulk een tafreel niet van een ontroerende tragiek? Wie durft de gedachten peilen die toen in Napoleon's brein zullen zijn opgejaagd? Nog moesten hem de kreten: „Leve de keizer!” de ooren bekitteld hebben, toen even daarna het door de lucht gierde: „Leve de koning, den dood aan den vuilen Corsicaan!” Gisteren nog de beheerscher van een ontzaglijk volk, door een wereld van menschen toegejubeld...... vandaag postknecht, vermomd voor zijn eigen koets uitloopend om een smadelijken lynch-dood te ontgaan. Misstaat hier het woord meelij met zulk een hoon en zulk een val? Het dolgeworden gepeupel, dat zich de keel had rauwgekrijscht bij zijn waereld-overwinningen,wou hem nu, bijArgon, in flarden scheuren, of hem aan de galg knoopen. In zijn stille oogen brandden tranen toen hij de golvende dreig-menigte zoo zich zag dringen rond zijn koets om hem te vermoorden.

Ik verhaal geen geschiedenis van Napoleon. Daarom ga ik zijn triumftocht, toen hij van Elba was gevlucht naar Frankrijk, voorbij. Ook den slag bij Waterloo breng ik slechts in herinnering. Achter al deze ellende ligt zijn rampzalig zesjarig verblijf te St. Helena.


Back to IndexNext