VEREERDERS EN HATERS VAN NAPOLEON.

NAPOLEON teBrienne.Standbeeld vanRochet.

NAPOLEON teBrienne.Standbeeld vanRochet.

Ook in zijn luitenantsleven teValenceis Napoleon een levensheld, een wijsgeer, van een onbegrijpelijke geesteskracht. Onder de grootste benepenheid en zorgen schrijft hij zijn geschiedenis van Corsika, beantwoordt hij prijsvragen, schrijft hij een drama, een roman.... en b.v. zulke brieven aan zijn moeder: „Je n'ai d'autres ressources ici que travailler. Je nem'habille que tous les huits jours; je ne dors que trèspeu depuis ma maladie; cela est incroyable. Je me couche à dix heures, et je me lève à quatre heures des matin. Je ne fais qu'un repas par jour à trois heures..Cela fait très bien à la santé.”*)

Dit laatste zinnetje cursiveer ik, omdat het van zulk een lieve, onrust-in-de-moeder, temperende innigheid en geruststellende goedhartigheid getuigt. Ziedaar nu den jongen, inmiddels eerste luitenant geworden Napoleon, uit gebrek slechts één keer etend per dag, bijna niet slapend en zich ééns in de acht dagen kleedend. En toch zijn beminde moeder zelf voorjokkend, „dat het gezond is zoo te leven.”

En nu kakele men vrij van Napoleon's „insensibilité.” Want zooals hij toen zich gaf is hij altijd in diepsten grond gebleven. OokGoethezegt totEckermann:

„Napoleon was darin besonders grosz, dasz er zu jeder Stundederselbige(Goethecursiveert in dit gesprek, Q.)war. Vor einer Schlacht, während einer Schlacht, nach einem Siege, nach einer Niederlage, er stand immer auf festen Füszen, und war immer klar und entschieden was zu thun sei.” (Gespräche, Zweites Band).—

3)HoezeerLevyhierin mistast, blijkt wel 't klaarst uit den smartelijken brief door het twaalfjarig Napoleonnetje zijn vader geschreven, „cette plainte amère” naarTh. Junghet noemt (pag. 84, deel I) in zijn groot werkBonaparte et son Temps. De brief zelf is een wonder van overrijp kinderverstand.

3)HoezeerLevyhierin mistast, blijkt wel 't klaarst uit den smartelijken brief door het twaalfjarig Napoleonnetje zijn vader geschreven, „cette plainte amère” naarTh. Junghet noemt (pag. 84, deel I) in zijn groot werkBonaparte et son Temps. De brief zelf is een wonder van overrijp kinderverstand.

4)Uit dien tijd getuigt ook zijn broeder Joseph in zijnMémoires et Correspondence du Roi Joseph, dat Napoleon „était alors admirateur passionné de Jean Jacques.” En met genoegen las hijRacine, Plato, Tacitus, Plutargus. (Mémoires, pag. 32, deel I.)

4)Uit dien tijd getuigt ook zijn broeder Joseph in zijnMémoires et Correspondence du Roi Joseph, dat Napoleon „était alors admirateur passionné de Jean Jacques.” En met genoegen las hijRacine, Plato, Tacitus, Plutargus. (Mémoires, pag. 32, deel I.)

Het garnizoensleven teValencekende ook een guitig-mondain luitenantje Napoleon. Zonderling in strijd met zijn disciplinaire soberheid en stroeve onthouding van alle dartele genoegens. Zonderling... toch meer, schijnbaar in strijd. Ook hij kon de pleizier-vlaggetjes laten wapperen, als zijn schalksche aard er hem toe dreef. Hier staat vóór u, de door-vier-spelden heengetrokken dansmeesterDautelteValence. Hij leert den krijgers van het garnizoen hun marschpassen omzetten in danspassen. Een parfum-wolkje omzoet zijn keurige gestalte. Hij drilt en sart de luidruchtige sabelgrijpers met drie- en vierkwartsmaten en besprenkelt hen met het reukwater zijner hoofsche salon-bevalligheid. Ook Napoleon. Want Napoleon nam dansles. Den salon van mevrouwDu Colombierdoorzwierde hij slechts in walstempo. EnCaroline, de dochter, wentelt hij mee.

En indien Napoleon door zijn heroïeken aard van een legende vaak een stoute werkelijkheid waagde te maken, de verbijsterde tijdgenooten vervormden andersom zijn werkelijkheid nog vaker tot een legende. Want er klinkt allerlei verdacht gemompel rond zijn levenslustige bezoeken aan den salon van madameDu Colombier. De grooteStendhal, de scherpzichtigsteauteur-tijdgenoot van Napoleon, die zijn geheel onvoltooid geblevenVie de Napoléonschreef, merkt op: „Napoléon, à vingt-un ou vingt-deux ans, devait être fort différent de ce que à Paris on appelle un jeune homme aimable, et son bonheur fut grand d'être goûté par madame du Colombier.”*)(Vie de Napoléon, fragments, par De Stendhal, pag. 27.)

Bonaparte had toendertijd al ontzettend veel gelezen. Zijn geest werkte levendig en energiek. Dadelijk omgloorde hem roem.Stendhalverklaart: „A Valence, il fut aussitôt remarqué, il plut aux femmes par des ideés neuves et fières, par des raisonnements audacieux. Les hommes redoutaient sa logique et les discussions auxquelles la connaissance de sa propre forcel'entraînaientfacilement.”*)(Vie de Napoléon, pag. 27.)

Ook zoo moet men zich wennen Napoleon te zien. Als eenzeldzaambeminlijk harten-veroveraar van geestige vrouwen, die met fijn-literair esprit, de beeldende macht van zijn schilderend en soms vlijmend woord konden schatten. Geen bouwmeester van diepzinnige gedachten-tempels die koel-donkere wandelingen toelaat in de ondergrondsche gangen van verheven-rustig gepeins,.... slechts een vormkneder van het suggestieve, alle levens-acties saamvattende woord, gebruiker van een snel-aangrijpende, overrompelende taal, zinnen en expressies die voorbij vliegen als karabijnschoten, beleedigend, uitdagend, jubelend, of brandend uiteenspatten als granaten. Napoleon manoeuvreerde en vocht.... ook met zijn taal. Hij is de schrik voor alle schetteraars. Door niemand werd zoo op heeterdaad de bedoeling in, de levende daad áchter een woord, een zin betrapt, als door hem. Alle uitingsvormen kon hij dulden: redekunstigheid in de meest broze dialectiseeringen, lyriek, in haar brandende hevigheid, dramatiek en epiek in hun meest grandioos gebaar, als er maar een geweldig of echt Ik doorheen leefde. Want deze zelfde stroeve en ongenaakbareheerschzuchtige en heerscher leek mij altijd een romanticus van het zuiverste gehalte. Met al zijn wiskunde, zijn landkaarten, zijn krijgsgerucht, zijn nuchter-snijdende mensch-psychologie, is hij gegrepen door het grootsche, siddert en huivert hij voor edelmoedige daden en menschelijke liefde. Dit beweren zou ik onweerlegbaar kunnen waarmaken door een ontleding van zijn geschrift, dienende als antwoord op de prijsvraag van de Lyonsche academie: „Déterminer les vérités et les sentiments qu'il importe le plus d'inculquer aux hommes pour leur bonheur.”*)

Ik heb nog nimmer een zuiver-psychologische ontleding, juist van dit allermerkwaardigst jeugdgeschrift van Napoleon, gelezen. Er is een romantische Faust-wroeging in den lateren keizer als hij ditDiscourshervindt. ZelfsStendhal, de karakter-doorgronder bij uitnemendheid, verzuimde in zijn fragment-boek, op den jongen, stouten gedachten-omwoeler een operatie te doen. Brandde hij zich aan den gloed der vuur-zee?Lanfreyin zijn groot werk over Napoleon waagde het althans te omschrijven van zijn standpunt uit.... doch zijn standpunt lijkt me onnoozel. „D'après la façon dont il traita ce sujet, et malgré l'enthousiasme qu'il y dépensa, il est permis de conclure qu'il n'avait aucune vocation pour le métier de moraliste.”*)

Zoo spot lichtelijkLanfrey (Tome premier,Histoire de NapoléonI, pag. 20). En toch, juist de woeste levendigheid van ditDiscoursis zoo zeer onthullend voor vele verborgen gehouden en gesmoorde gevoelens van Napoleon, tegelijkertijd schender en bezinger van menschelijke vrijheid. Hebt ge ooit een vurig dweper met de onstuimige en meesleepende lyriek vanRousseau, Nietzschiaanscher grondstellingen hooren verkondigen en wilder duikelingen zien doen over alle moraalheggen en -hindernissen heen? Met dorpelingen-inzichten, eeuwen ten achter in de kennis der ethischeliteratuur, stompt hij de gestalte van Plato op zij, trapt Aristoteles op de teenen, en richt hij zijn artillerie-geschut op de gansche menschheid. Een Italiaansch barbaar uit de middeleeuwen, plotseling met levens-adem doorzwollen, een wilde weetniet, zonder eenig besef van de klassieke wijsbegeerte, gebaart hij met de schrikkelijke spier-armen van een Michel Angelo-beeld. En toch, wat een vuur, wat een snel denkbeelden lichtend doen uitslaan en weer verdonkeren met het zoekende begrips-woord. Wat een durf, een gang, een stout tarten en dreigen van den oproerigen, onderzoekenden geest. In zwavelig glanzen phosphoriseert om hem de duivelsgedachte, de echte, alle hoogere leven inslurpende Mephisto-conceptie: leef en heersch, kracht en genot is alles.

Later, als keizer, verbrandde hij dit geschrift. Alsof ooit vuur met vuur vernietigd werd. Het was een sluwe en snerpende hatelijkheid vanTalleyrand, juist ditDiscoursterug te vinden op het moment van Bonaparte's hoogste maatschappelijke macht. Zooals dit stuk venijn en wrang vernuft het verstond Napoleon tegen den angel te drukken, waagde het niemand. Een werelddroom doorleefde Napoleon toen reeds met een stijgerende verbeeldings-romantiek.—Al weer blijkt de verbijsterende samengesteldheid van zijn wezen, al is ieder onderdeel door één structuurlijn vastgeschakeld. Van alle kanten druischt het gerucht van den waterval op ons aan. En toch één stroom, één massa geraasmakend leven. De samengestelde ziels-staten van Bonaparte brengen de meeste beoordeelaars op een dooreengeward spoor. Ze zien vooral de vernielende en vernietigende wanorde van een grootsch gedrocht, in de rijen der worstelende menschheid op de eerste plaats geschoven. Eén groep roept u toe: Napoleon is een man, geheel zonder liefde, van steen en ijzer, kil als een gewelf, en somber als een melancholieke, Italiaansche bandiet. Napoleonhaatte alle ideologie, alle beschaving, alle vrijheidsgevoelens. Al zijn wijsheid is gestolen geestesgoed van anderen. Hij pronkte gewetenloos met al de hem toegestopte kennis van in dienst genomen en beëxploiteerde geleerden, die hij omkocht met geld en machtsposities. Goedsmoeds aanvaardde hij de lauweren die zijn stouten generaals om hun dapperheid toekwamen.Lanfreynoemt hem een onbeteekenend staatsman, een zeer slecht diplomaat, een volslagen onbekwaam wetgever, een charletanachtig redenaar, als zedelijke persoonlijkheid een monster, een weerzinwekkend misdadiger zonder weerga. Alleen als veldheer een genie. Een allicht nog feller vonnis spreektTaineuit. Weerzinwekkend eenzijdig, paradoxaal en psychologisch uiterst zwak.

Het meest schennende vonnis sprak echterGoldsmith.

„Jamais créature humaine n'a réuni en soi autant de cruauté, de tyrannie, de pétulance, de luxure, de sale débauche, d'avarice, que ce Napoléon. La nature n'avait pas encore produit un être aussi effroyable.”*)Ziedaar een lieflijke zinsnede van dezen kuischen Brit, die mij de walgelijkste kwaadspreker van zijn tijd toeschijnt. Hij lastert kwaadsappig en boosaardig als een wrokkige en inhalige baker bij burgermenschen, die niet genoeg verval heeft gekregen. Want ditzelfde giftige venijnspuwertje zegt vanDiderot, in ditzelfde boek: „Diderot, fils d'un coutelier, était un hommetrès immoral, et a publiédes ouvrages licencieux.”*)En vanRousseau:

„Rousseau était généralementconnuen France pourle plus vil des hommes: dans ses infâmes Confessions”*)etc. Zoo gaan er aan:Voltaire, Helvetius, AbtMorellet, D'Alembert, enz.

Volgens dit kwaadsprekend gedrochtje deed Napoleon in ieder zijner gewoonten Frederik de Groote na. Bonaparte geloofde volgens hem meer aan kaartlegstersen waarzegsters dan aan den Bijbel. „Deze goddelooze veinsaard,” zegt hij, „voudrait singer Frédéric-le-Grand; il affecte de porter la tête comme Frédéric, il porte du tabac dans la poche de sa veste, comme Frédéric. Il a appris à danser, parce que Louis XIV dansait. Aussitôt qu'il fut parvenu au consulat, il se mit à chasser; il n'avait jamais chassé de sa vie; il devint chasseur pour imiter les rois de France.”*)

De gif-tong nog vuriger strekkend verhaalt hij:

„On a prétendu que ce grand homme d'état, ce grand capitaine, ce grand philosophe, était ennemi de la débauche, exempt même des faiblesses qu'on peut reprocher à quelques grands hommes. Il a deux goûts qui se trouvent rarement réunis dans le même homme; il est dissolu avec les femmes, et il s'est montré adonné au vice dont on a faussement accusé Socrate. Son archi-chancelier Cambacérès le seconde merveilleusement dans ce penchant honteux! Je ne serais pas étonné que pour imiter Néron en tout, il n'épousât un jour un de ses pages et un de ses Mamelouks. Sans respect pour la décence, l'inceste même ne paraît pas devoir être déguisé; il a vécu publiquement avec ses deux soeurs mesdames, Murat et Borghèse;lapremière s'en vantait à tout le monde. On sait assez quemadameLouis Bonaparté, fille de Joséphine, étant devenu grosse de Napoléon, celui-ci força son frère a l'épouser; il n'est pas moins certain que ce même Napoléon est le père d'un autre enfant dont la dame accoucha, il y a environ dix-huit mois.”*)

Dit aasgiertje der historie en der schande-kroniek voedt zich met vunze en scabreuse anecdoten, hier en daar door vinnig-lasterende vijanden van Bonaparte rondgestrooid. Telkens krijscht zijn dikklinkende papegaaien-stem: „Ziedaar de wellustige moordenaar Napoleon.” En als zijn walgelijke en onwelriekende adem over allerlei historisch gebeuren is heengewalmd,en slechts enkele dingen er van onbeslagen bleven, dan foetert hij tegen den onwijzigbaren gang der feiten zelve.

Zijn boek is geschreven in de hoogeschool der babbelende boosaardigheid. De verteltoon is van een woekeraar die de noodgeheimen van zijn hooge klantjes in wraakzuchtige en laaghartige woede onthult en verklapt. Het is de apotheose der kleine, vervalschende, gniepige schotschriften-durf, die zijn achterklap ontleent aan gekrenkte zielen. De wrokkende vinnigheid, de zure, baldadige schimp, het verontwaardigde pathos... zij walmen ons vlak in 't gezicht, achter het besmoezelde en vuile loketjes-raampje van een pandjeshuishouder uit. En toch heeft het machtelooze gestotter van dit kroniekschrijverke door een valschen schijn van documentatie, vele menschen er argeloos doen inloopen. Hij leefde in de duisternis en de troebele schampglanzen der zaakwaarnemers-cabinetjes; vlak nabij het hof. Hij luisterde aan keukendeuren en loerde door alcove-sleutelgaten. Een gast met spionnen-ziel, een hongerige visch, de gulzige bek vol vraat. In alles verkrachtte hij de natuur en den zuiveren gang der dingen, verwrong ze door zijn galgelen nijd en zijn zieke babbelzucht. Met de morsige handen nog besmet van het vuil der afbraak, roerde hij op weerzinwekkende wijze in het particulier leven van Napoleon, en.... men luisterde in gulzigen honger naar kwaadaardig schandaal. Het allereenvoudigste psychologisch begrip van Napoleon's genie ontbrak hem en toch keurde men, naar zijn aangestoken woorden.

OokTaine, de groote werker, verhaalt anecdotair, als hij het psychologisch heeft over Napoleon's hartstochten:

„Elles reparaissent dans ce grand survivant du XVe siècle, le jeu de la mochine nerveuse est pareil chez lui en chez ses ancitre italiens; il n'y eut jamais, même chez les Malatesta et les Borgia, de cerveau plus sentitifet plus impulsif capable de telles charges et décharges électriques, en qui l'orage intérieur fût plus continu et plus grondaut, plus sondain en éclairs et plus irrésistible en choses. Chez lui, aucune idée ne demeure spéculative et pure; aucune n'est une simple copie du réel ou un simple tableau du possible; chacune est une secousse interne qui, spontanément et tout de suite tend à se transformes en acte; chacune s'élance et se précipite vers son terme, et y aboutirait sans intervalle,sielle n'était contenue et réprimée de force. Parfois l'éruption est si prompte que la répression n'arrive poisit à temps.”*)

En als voorbeeld deze anecdote:

„Un jour, en Egypte, ayant à diner plusieurs dames françaises, il a fait asseoir à ses côtés une jolie personne dont il vient de renvoyer le mari en France; subitement, il renverse sur elle une carafe d'eau, comme par mégarde, et sous prétexte de réparer les desordre de la toilette mouillée, il l'entraîne avec lui dans son appartement, il y reste avec elle longtemps, trop longtemps, tandis que les convives, assis à table autour du diner suspendu, attendent et se regardent.”*)

En of het niet genoeg is, dadelijk er op volgend:

„Un autre jour, à Paris, vers l'époque du Concordat, il dit au sénateur Volney: „La France veut une religion.” Volney séchement et librement, lui riposte: „La France veut les Bourbons.” Sur quoi, il lance à Volney un tel coup de pied dans le ventre, que celui-ci tombe sans connaissance et que, transporté chez un ami, il y reste malade, au lit, pendant plusieurs jours.”*)

Dit laatste gebeuren, ontleentTaineaanBodinen eene „Causerie du Lundi” vanSainte BeuveoverVolney, zie pag. 53 en 54 vanLes Origines de la France Contemporaine.

OokLévywijst op dit geval. Hij citeert niet hetstuk vanTaine, dat ik hier geef. Slechts wijst hij op het oordeel. En hoe! Stakkerige, toch eminenteTaine, zegt hij, die met al zijn historische geleerdheid niet verder kan komen, dan tot 't geven van zorgvuldig gekozen aanhalingen uit de gedenkschriften van mevrouwDe Rémusat, en enkele uittreksels uit het werk van madameDe Stael.

„N'est ce pas une pauvreté que de voir la philosophie de l'historie prendre en considération les commérages de deux bas bleus, l'un et l'autre incapables de jamais pardonner les mécomptes cuisants de leur vanité féminine?

Déchirer à belles dents l'homme qui vous éconduisit, c'est pour le sexe faible la revanche banale et inévitable des rêves pareils à ceux de Mme de Staël,—froidement repoussée, alors qu'elle s'était enflammée au mirage de rejouer les grandes favorites d'autrefois,—comme ce devait être la conséquence du séjour de Mme de Rémusat avec l'Empereur aux Pont-de-Briques, où elle croyait avoir acquis sur lui une haute influence. Si ce n'est pas une profonde déception, comment expliquer, à la fois, les horreurs débitées dans les mémoires, et l'enthousiasme ou, pour mieux dire, le fétichisme que Napoléon inspirait à Mme de Rémusat après les longues soirées passées jadis en tête-à-tête?”*)(Levy,Napoléon Intime, pag. 386.)

Verder wijstLevyer op hoe vaak geschiedschrijvers klakkeloos z.g. opzienbarende feiten elkaar hebben nageschreven, zonder eenig persoonlijk onderzoek, terwijl later de malle fantasterij er van bleek.Levyzegt: zeker, Napoleon kon, gelijk alle personen door gewichtige zaken in beslag genomen wel eens ongeduldig zijn. Maar was zijn drift-uitbarsting dan zoo ruw:

„On invoque trois auteurs pour appuyer cette histoire.(de zaakVolney. Q.)Un peu de méfiance estcependant permise quand on constate que ces trois auteurs(op wieTainezich beroept, Q.)ne constituent, en réalité, qu'un seul conteur.—

En effet. Bodin dit tenir le faìt de Besnard, et Sainte-Beuve s'en réfère à Bodin.

Donc, l'anecdote du fameux coup de pied repose uniquement sur l'affirmation de Besnard le nonagénaire.—

A coté de présomptions et de preuves fragiles, il existe un fait patent qui, à tout le moins, prouverait que Volney, esprit distingué, n'avait pas de rancune et avait reçu autre chose que des coups de pied: il garda son siège de sénateur, puis il fut bientôt doté et blasonné; à la chute de l'Empire, il était sénateur, comte et commandeur de la Légion d'honneur.”—*)

Hoeveel onbeschoftheden liet Bonaparte zich niet welgevallen, vanTalleyrand? Hoorde men ooit van zulke mishandelingen? VolgensLevyhebben nochTalleyrandnochVolneyhet ooit gewaagd zoo tartend te spreken in tegenwoordigheid van den keizer. Zoo is Bonaparte nu uitgemaakt voor bedrieger en comediant, vrek, wellusteling, bandiet, avonturier, maar verheerlijkt door genieën alsGoethe, Heineen schrijvers alsHugo. En ook, vooral van beteekenis in dit geval, door geloofwaardige en eenvoudige menschen met bewondering herdacht. Daar is buiten de Ode aan deArc de TriomphevanHugo, Lacretelledie beweert: „Oui, c'est véritablement le trône de Charlemagne qui se relève après dix siècles”.*)EnMongegalmt uit: „Dieu s'est complu à douer ce héros toutes les grandes qualités.”*)EnJubéjubelt mee: „La terre, s'est tue devant Alexandre qui voulait l'asservir; devant Napoléon, la terre, les mers, qu'il veut franchir, l'univers qu'il remplit de son nom, parlent hautement de la grandeur de son âme” ....*)Fontaineszegt: „L'hommedevant qui l'univers se tait est aussi l'homme en qui l'univers est confie.”*)

Verder dringenLa Place, Lacepèdetezaâm en spreken luid over zijn onmetelijke hoogte als genie.Neufchâteauschiet uit zijn lyrische slof en ijlt zelfs: „Quel dieu nous a fait ces loisirs? C'est cet homme extraordinaire qui a rajeuni la France.”*)

Ik beloofde u immers de dolste tegenspraak. Nog meer?Seguierverklaart: „Napoléon est au delà de l'histoire humaine; il appartient aux temps heroïques, il est au dessus de l'admiration.”*)Ik zou zoo kunnen doorgaan uitzinnigste lofuitingen van dichters, geestelijken, kunstenaars, over Napoleon, bijeen te lezen. Ge zult er van walgen. Hier, een boef, een misdadiger, een bedrieger, een monster; nu weer een godheid, een verheven genie, een Jupiter, een almachtige. En zoo werd hij in aanbidding verheerlijkt door de grootsten van zijn tijd. Veel, o, oneindig veel liever zijn mij de rustig-bewonderende oordeelvellingen van menschen alsBassano, Marmont, De Ségur. Deze eenvoudige diep-eerlijke bewonderaars verheerlijken niet als gekken, zeggen simpel-gevoelige en zuivere waardeeringen. GeneraalRappverklaart: „Personne, n'était plus sensible, personne n'était plus constant dans ses affections que Napoléon.”*)

Dit laatste vooral is een stoot naar zijn vijanden. Hij was vol innige goedheid, zegtMarmont, terwijl men hem bedroog. Hij was vol eenvoud verklaartDe Ségur. Deze tiran duldde geen tegenspraak, beweertTaine. MaarMéneval, zijn particuliere secretaris verklaart daar tegenin: „qu'il souffrait volontiers la contradiction et que même il cédait souvent.”*)EnCaulaincourt, allerminst een vriend: dat Napoleon op de meest waardige wijze niet slechts tegenspraak duldde, maar met edelen moed zijn hechtste overtuiging liet bestrijden.Savarybevestigt dit getuigenismet even veel klem als BaronFain. En zelfs een zijner scherpste vijandinnen, madameDe Récamier, bekent eerlijk, verwonderd te zijn geweest, „de lui trouver un air de douceur, une simplicité de manières qui contrastait avec les façons toujours theâtrales de Lucien.”*)De Hertogde Vivenceuit zich in gelijken geest, zelfsMetternichstelt Napoleons welwillenden en goedmoedigen omgangstoon vast.Stendhalschrijft dat...„Son regard prenait une douceur infinie,”....*)als hij met een vrouw, of over de dapperheid van zijn soldaten sprak. En als ge nu nog den pas verschenen zang op Napoleon leest van den grootsten katholieken schimper en schelder van polemiseerend Frankrijk,Léon Bloy's „l'Ame de Napoléon,” dan ervaart ge dat zelfsStendhal, naarBloy's inzicht, Bonapartes genie ver beneden zijn grootheid geschat heeft. En nu, monster, halfgod, held, moordenaar, bedrieger, comediant, spontaan genie, wat is hij voor mij nu, voor mijn diepste overtuigingen en grondige indringing in heel zijn wezen? Ik zal het u zeggen.

Napoleon's wezen verklaren, is nog iets geheel anders dan het beoordeelen. Ik nader hiermee allicht zuiverder de bron van zijn geestelijk-hypnotische macht, en de kern van zijn bedwelmende, fascineerende persoonlijkheid. Het is ook, ter verklàring gesteld, een veel prachtiger psychologisch probleem, dan ter beoordeeling. Toch eischt deze verklaringsmethode,—o schandelijk woord voor iets zóó innerlijks als psychisch inzicht—zeer veel onafhankelijke gedachten-stoutmoedigheid. Want ik moet hierbij opbotsen tegen de leeggeplunderde bloemkorven der moralisten; tegen de blinkende en tartende pantsers der dogmatici van allerlei slag; tegen de broze ideologie-bloeiselen der liefdadige en meest humane maatschappij-hervormers en de zoetste lokfluiters naar en brengers van het hoogst menschelijk geluk. Want ik moet hier het meest grandioze, en voor vele treffelijke keurders van menschendaden, het gedrochtelijkst-vergroeide individualisme van een reus als Napoleon, tegen al hun vlammende idealen, hun onmeetbaar-uitstroomend gemeenschapsgevoel, als cosmisch levensgebeuren, in bescherming nemen.—We moeten, moéten ons heffen boven eigen levensgevoel en maatschappij-inzichten, boven dát wat ons innerlijk het liefst is, om de allerhoogste onbevooroordeeldheid tegenover zulk een phenomeen en ingewikkeldekarakter-persoonlijkheid als Napoleon was, in onzen eigen zegenenden en vloekenden geest, onszèlf te verzekeren. Maar ik vraag ook stoutmoedigheid van mijn lezers. Ze zullen aanstonds begrijpen waarom.

NAPOLEON lezend.Croquisnaar de natuur vanGirodet.

NAPOLEON lezend.Croquisnaar de natuur vanGirodet.

Er bestaat een maatschappij-beschouwing, die langs en dwars door alle economische crisissen en vervormings-processen, het verschijnsel Napoleon zou kunnen ontleden in zijn elementen, in zijn sociale eb en vloed, opkomst en vernietiging. Voor deze studie echter stel ik het probleem uitsluitend psychologisch, al verlies ik den economischen ondergrond der gebeurtenissen geen moment uit het oog.

Men zal mij dus vragen: Napoleon een bedrieger, een beul, een zedeloos monster, een valsche speler, een woordbreukige, een mateloos-hooghartige, een soort van onverschrokken misdadiger?

Ik antwoord: Neen.

Napoleon dus een edelmoedige, een held, een uiterst-gevoelige, wereldveroveraar, een genie van de vermetelste soort, een schepsel boven onze bewondering verheven, een heroïsche droomer, en toch een geweldig man van de verheven daad?

Ik antwoord: Neen.

En nu begint schijnbaar de verwarring. De deugd-predikers grijpen naar hun brevier en de geestdriftigen beknabbelen hun knokels. Voor mij bestaat er geen Napoleon, de wellustige misdadiger en verkrachter van ieder rechts- en vrijheids-gevoel, noch de legendarische held der bonkige grenadiers, die weenden als ze den kleinen korporaal te midden van vuur en kruitdamp, kalm en met den dood op den schoot zagen bevelen, alsof hij in zijn paleis een kamerdienaar zijn drillenden wil deed gevoelen. Omdat hijbeidewas, beul en held, waanzinnig-eerzuchtige, en rijp voor de hoogste levenswijsheid. En als mij nu door een historicus gevraagd wordt naar de psychologische oplossing en verklaring van zulk een monsterachtige en wanstaltigemengeling van groot-menschelijke en òn-menschelijke eigenschappen, dan til ik hem óver naar het terrein der blinde, cosmische wils-psychologie en zeg: leg daar uw voetangels en klemmen: het deterministische levensproces zult ge niet vangen noch beknellen;.... slechtsonsmenschelijk bedoelen,onsmenschelijk ideaal-begrip van goed en kwaad, dat we òp alle ontstaande dingen vastplakken, er doorheen rijgen en spijkeren, terwijl toch de dingen zèlve, hun eigen, onafwendbaren, door niets en niemand te wijzigen cosmischen gang, groei, ontwikkeling en vernietiging hebben en ondergaan. Napoleon wás een wezenlijk phenomeen, als Rembrandt,Shakespeare, maar nu op wereldsch gebied. Stel u door een begrips-transpositie van idealiteit naar realiteit voor, dat alle donker-gouden en geheimzinnig van licht omtooverde schilderstukken van Rembrandt, en alle mystiek-romantische en pantheïstische verzen en van binnen uit gloed afwerpende poëemen vanShakespeare, daden, menschelijke en wereldlijke dáden zouden hebben kunnen worden en gij nadert de zich in werkelijkheid uitlevende oer-instincten van het ontembaar gebeuren- en daden-scheppende genie van Napoleon. Wat Caesar in verzen, en watMacbethin bloedende strophen doorleefde, dat doorleefde Napoleon in het wezenlijk bestaande. Gij kunt dezen mensch niet naderen met christelijke, moreele en sociale beginselen. Wèl naar de veruitwendiging zijner levensgeschiedenis, niét naar de vermetele, ontembare en grondeloos-grandioze werkingen van ziel en brein.

Nu naderen we een groot gevaar. Als een brok avond-schemerende stad onder een wazige viaduct-poort door gezien, zoo ligt zijn tijd achter den rooden lichtvloed der Groote Revolutie. Het is, alsof wij niets van het vogelengezang der vrijheid in ons opgenomen hebben, alsof wij slechts het persoonlijk verschijnselNapoleon zien, en niet de geweldige donker-golvende massa, die hem mét haar hoogste stijgingen opnam en naar zijn troon droeg. Deze onbewuste massa, die een vrijheidsheld bejubelde en een despoot en tyran door het lot teruggesmakt kreeg. En nog een gevaar schaduwt op. Het zal nu lijken of ik Napoleon's monsterachtige eigenschappen ga verdedigen, om den diepsten grond der persoonlijkheid te verklaren.

Dit gevaar lijkt me bekoorlijk en toch ongewenscht. Bekoorlijk, wijl ik met vurigen drang gaarne de dompende en dommelende, valsche verontwaardiging over menschelijke zonde, en 't schel gejuich over braafheid, edelhartige naastenliefde, enz., verschalk. En ook bekoorlijk, omdat den geheel uit het leven geduwden duivel, de roode majesteit van weleer, weer gracieuselijk de gelegenheid wordt geboden ons zieleluik op een kier te zetten, opdat onze eigene zonden, gedachtenslechtheid en gesmoorde begeerten weer eens onverbloemd-menschelijk uit de diepte mogen doorschijnen, nabij preekstoel of vergaderings-katheder. Maar toch, ongewenscht, omdat een eigene innerlijke waarheid niet noodig heeft schuw terug te sluipen naar een duister hol van het onbewuste. Want ik zélf vind in Napoleon soms de verachtelijkste hartstochten, driften en neigingen aanwezig, instincten van verbijsterende en duister-bloedende dierlijkheid. Ik zelf vind hem soms gegrepen door een huiveringwekkenden grootheidswaanzin, zoo zwart en onpeilbaar als een avondzee, aan alle kanten wijd-verloren, de wereld overdruischend. Soms is hij de kranke morser met menschenbloed, van een afzichtelijke zelfzuchtigheid, in een koortsachtige persoons-begoocheling zijn eigen brein, zijn soldaten, generaals en zijn armzielig volk, tot den moord aanjagend. Ik zie hem vaak als den zwarten en roodvlammenden visionnair, die te midden van een wereldonweer van slagveld-kanonnen, zijn eigenbrandende en schroeiende wroeging wil stillen, onder het donderend geweld van al meer gevechten en massa-moorden, zooals de deliriumlijder smacht naar het gloeivocht, dat hem den dood in het sidderende lichaam jaagt. Telkens en telkens leeft een wild ontroerd verzet in me op, als ik lees,—en de waarheid van het feit voor eigen ziel voèl,—hoe hij met zijn overrompelende zinnelijkheid, de vrouw als vrouw,tegen wil en begeerte, aan zijn driften onderwierp, en haar daarna wegtrapt of blijft koesteren, van verre, met kirrende woordjes of verteederen met geschenken. Ik voel een, soms tot hevige walging stijgenden weerzin, als ik hem met al zijn gestolen schatten en millioenen zie manoeuvreeren, en hij verlokkend het goud laat blinken onder de gretige oogen van zijn vechters en aanvoerders. En als ge ziet, welk een woeste schittering van cocardes, pluimen, galon, ornaat, uniform, hij brengt aan Frankrijk, en welk een parvenuachtige monarchale praal, terwijl de bleeke tronies vanDanton, Robespièrre, en het duivelsmasker vanMarat, nog ópschimmen tegen de muren der huizen, en het bloed der revolutie nog den Parijschen grond niet gansch en al doorsieperd heeft, dan beseft ge der volkeren hoon voor dit keizerlijk spel, dat zijn juweelen troon op een lijkenbodem plantte.

En toch is het dit persoonlijke in haat en afschuw, dat we voor de psychologische indringing in zijn wezen, uit te schakelen hebben. Want ik schreef het in den aanvang, ik wil dit leven voor mij zelf verkláren. Nu moogt gij u dus op ontstellende conclusies voorbereiden.

Wat Napoleon deed, het vreeselijke, het gruwbare, was voor hém niet vreeselijk en niet gruwbaar, al zal hij ook wel eens keelbeknellende wroeging hebben gevoeld in tijden van wilszwakte, door uitputting envermoeienis. Is het gruwelijke dan niet altijd iets vreeselijks, onverschillig wie dat gruwelijke bedrijft? Neen, dat is volstrekt niet onverschillig.

Wij nemen aan dat ieder mensch de krachten en zwakheden, de lichamelijke, geestelijke en psychische, bij zijn geboorte in kiem meekrijgt, en dat deze door het onverplaatsbare lot en den wereldloop zich ontwikkelen en uitplooien. We stellen vast, dat, gelijk ieder ander mensch, Napoleon het noodlot van zijn gansche wezen tot in de kleinste schakeeringen in al zijn groeivormen heeft moeten doormaken en ondergaan. De levens-instincten van Bonaparte waren, naar alle richtingen uit, bepaald; natuur en maatschappij zouden hem de voedings-stoffen ter ontwikkeling dezer brengen. Zijn physieke en psychische persoonlijkheid is een eenheid. Zijn geheugen, zijn combinatie-vermogen en wilsvorming, zijn groepeeringsmacht, zijn geweldige imaginatie.... ze zetelen alle in dit brein, deze hersens. Juist nú moeten we voor onze eigene subjectieve natuur waken. Laten we ons nu geen oogenblik met begripsleer over goed en kwaad, met doel-leer en doel-beginselen tegenover een zoo titanisch en grillig-saamgesteld voortbrengsel van het menschelijke leven, plaatsen. Dit geweldige intellect is beschouwing en daad tegelijk, en de theorie is even diep in hem als de praktijk concreet en krachtig. Als hij zich in vechtpositie stelt tegenover de door hem opgejaagde, in angstige woeling gebrachte gemeenschap, dan is het om zijn eigen ideaal van gemeenschaps-geluk te bereiken.

In een vermoeide en uitgeputte samenleving is hij kracht-hersteller geweest, voor een poos. En zijn geweldsmiddelen werden toegepast als streelingen voor zijn souvereinen wil. De buigende en juichende massa, die de glorie zoo heet begeert, bracht hem zèlf tot souverein bewustzijn van dezen heerscherswil.

Neen, Napoleon kùnt ge psychologisch niet naderenmet moraal en ethisch pathos. Wie duwt er de aardas op zij? Wie onzer verlangt een zonnebaan te verleggen? Wie houdt den tuimelgang der vallende meteoren tegen? In Napoleon vierden de wilde cosmische scheppingskrachten der natuur een demonisch geboortefeest. Op dit menschenschepsel zouden de meest ontembare, de meest matelooze eerzuchtdroomen ingedreven en de allergrilligste levensheerschzucht beproefd worden. De Caesar-waanzin zou dit ontzaggelijke brein omlichten in koortsige glanzingen. Hij, de avonturier, van de laagte uit, zou tegen den hemel aangeschopt worden als imperator en wereldheerscher. Hij zou koningen, geboren vorsten, in eerbied en vrees voor zich zien staan als gestraften voor een rechter, uit wiens mond ze bevend hun lots-bestemming zullen te aanhooren hebben.

Van heel, heel jong al is hij oud, schuw, peinzer, vechter, held, dwingeland, bevelvoerder. Maar ook cijferaar.... en droomer. Deze dubbele macht van wiskunstig denker, rekenaar, getal-formuleerder, en van verbeeldingswezen, vergroot angstiglijk zijn geheele wezen. Alles in hem lijkt getal, berekening, manoeuvre,.... en al deze wiskundige scherpte, steile nuchterheid, en heel die realiteitszin is in dienst van.... een werelddroom. Ziehier al de primaire psychologische verklaring van zijn dubbel-bestaan. Een vlijmscherp verstand, een ondoorgrondelijke, vurige wil en een ontstellend-grootsche verbeelding, tezaam werkend in één scheppend brein. Hier is wortel, stam en tak van het ontembaar-energische arbeids-genie, dat hunkert naar verzadiging van zijn inspiraties en naar daad-werkelijkheid van al zijn stoute visioenen. Zijn brandende, toch koel-ontledende, toch heerlijk-beheerschte geest omvat de heele wereld, is vertrouwd met de zichtbare en onzichtbare dingen. Gij hebt er geen flauwe voorstelling van, hoe ontzettend ónwerkelijk deze werkelijkheidsmanvan kanonnen en leger-aanvoerderij, van atlassen en vorsten-conferentie, van slagveld-tragiek, administratie en land-bestudeering, eigenlijk leeft in zijn veldheeren-tent. Hij droomt al de tragedies en comedies der wereld dóór, gelijk de grooten alsShakespearedie bedachten.

De vlijmscherpte van zijn nuchtere waarneming misleidt officieren, generaals, maarschalken zoo goed als vorsten. De praktijk van zijn concreet bedrijf houdt den droomer, den romantischen visioenen-uitlever van zijn wereldrijk-concepties, donker verborgen. Maar juist die is Napoleon, de schepper van realiteiten met diepe, mysterieuse goudtonen en bloed-schijn, de kunstenaar die werelden bevolkt met schepselen van zijn wil en verbeelding.

Tijd en toestand hebben dit sterke wezen tot een duizelingwekkende machtshoogte òpgestooten. Maar deze waren slechts geleiders. Want alléen zulk een ontstellend koen en demonisch wrochter, met zooveel suggestieve betoovering, zooveel hoogere list, zooveel moed en wilsbeheersching, kon gebeuren en uur zóó aan zich onderwerpen. De mateloosheid van zijn wereldrijk-droom spande de wijdte van een hemel. Juist in de ontembare drift zijner weergalooze daden, openbaart zich het meest mysterieuse van Napoleon's natuur, voor ons het klaarst en doorzichtigst, wijl zoo hartstochtelijk verwant aan de koorts van den kunstenaars-werkwil. Ziehier een tweede verklaring van dit leven. Napoleon werkte zijn levensdroomen uit als een groot kunstenaar romans, tragedies, als een groot schilder zijn composities en voorstellingen. Als de scheppende kunstenaar eenmaal zijn droom, zijn visie heeft doorleefd, staat hij met een demonische onbewogenheid tegenover de lotgevallen van zijn eigen schepselen. Met welk een duivelsch vermogen schept Sophocles niet den bloedigen en schrikkelijken ondergang van Oedipus? EnShakespearegeeft tot de laatste stuiptrekking zijnMacbethde maat zijner waanzinnigeangsten. Napoleon werkte met deze zelfde heilige, demonisch-geobjectiveerde bezetenheid en scheppingsdrift. Zeker, hij zag menschen, soldaten, verminkte lijken en slagvelden.... Maar van zijn hoogere scheppingsnatuur uit kón hem dat niet deren. Napoleon werkte met de gansche lèvende menschheid als stof, ter bevrediging en volvoering van zijn onverzadigbaren, grootschen verbeeldingsdrang. Hij werkte als een bezetene, die de middelen waarmee hij arbeidt overziet, en ze slechts onbewust meetelt als technisch materiaal. Daaruit juist is geboren zijn demonisch zich ongenaakbaar maken voor lagere, bewuste invloeden en menschelijke overwegingen. Hij mòest zijn concepties uitwerken. Rembrandt deed het met den toover der kleuren,Shakespearemet het goddelijke woord.... hij zou het moeten doen met de menschen en de hartstochten zèlve, die tot een glorie van nog nimmer geziene daden de wereld kwamen beschijnen. Voelt ge nu, het was de scheppingsdorst, de hoogere bezetenheid van den geweldigen kunstenaar, die eerst bevrediging voelt en rust in de volbrenging, de uitstooting, bij Napoleon: dè daad. Inwaartsch werken zijn visioenen en bestoken, als een goud vuur, zijn gedachten en verbeeldingen. De wereld ziet slechts legermanoeuvres, stoute bewegingen en hoort slechts het kanonnen-gebulder. En in den nacht onder de sterren, op het slagveld, leeft Napoleon, in geweldig gesmoorde ontroering zijn droomen die hij tot werkelijkheden ziet aangroeien.

Eerst veel later werd ook hij aangeknaagd door een soort van beangstigende wroeging, toen hij bemerkte dat hij de wereld, zijn materie, niet meer technisch beheerschte. Maar, in zijn glorie-opgang,.. wat was hem met zijn werelddroom en wereldrijk-visioen voor oogen, leugen, bedrog, list, diplomatie, slagveld en bajonetten-moord? Hij rende zélf midden in het vuur, op de plaatsen waar het gevecht in moordende en alles wegmaaiende hevigheid was losgebarsten, woedend,duivelsch en genadeloos. Wat gaf hij dus om eigen leven? Wathijwaagde, moest iedereen wagen. Hij zou wel laten zien, hoe ontzaglijk en grandioos het einddoel bleek! Zijn wil werd een soort van natuur-wil. Zijn hartstocht tot de grootsche daad, een soort van cosmische storm, die niemand aansprakelijk kon stellen voor vernieling en levensvernietiging. Was hij nu persoonlijk zoo een wreed-monsterlijk mensch, dat hij het gekreun der gewonden niet telde, het gejammer niet hoorde? Gelooft ge dat, dan hebt ge inderdaad denMephistovanLanfrey, den roover-avonturier, misdadiger vanTaine, den waanzinnigen, verblinden egoïst en zelfgenieter, die alles aan de glorie van zijn Ik offert.—Maar dat is tegelijkertijd niéts verstaan van de epische drift die dezen oorlogsvoerder als leider en schepper van een leger beheerschte, en waaraan hij zelve lijdelijk onderworpen was, als een kunstenaar aan zijn ingevingen. Alles werd onbelangrijk voor hèm, naast de volbrenging van zijn taak. Wat hem dwarsboomde en zijn scheppingswil tergde móest uit den weg.

In dit mateloos individualisme herkent ge de elementen van de misdaad. Zeker. Maar daarmee heb ik de bevestiging van mijn beschouwen, dat Napoleon niet mag worden bezien als een wezen dat ookandershad kunnen doen dan hij deed.

De demonische verkoeling van zijn menschelijk levensgevoel, en het ongebreidelde uitleven van zijn heerschersinstincten, geven hem een ijzingwekkende kracht, die als aangewend middel abnormaal, afgrijselijk en gruwbaar vooronzegevoelens enonzemenschbeschouwing,hem zelvetoeleek de eenige te zijn, welke hij móest gebruiken.

Voelt ge nu juist niet, in dit, naar het donker-misdadige, dreigende noodlotsleven, den diep-tragischen gang en ontwikkeling? Eérst de ontzaglijke avonturiersgeest, die, door de werkelijkheid geholpen, een romantischen verbeeldingsroes vermag te doorleven als geen enkelzijner groote tijdgenooten. Hij leeft verdeeld en in het verdeelde toch als een eenheid. Hij is republikeinsch en fel-democratisch en tegelijkertijd despotisch alleen-heerscher. Zijn physische veel-ikkigheid, als bij ieder schepper, doet hem iederen ziels-staat op zich zelf zeer zuiver en ongekrenkt doorleven. Voor vrijheid en onbelemmerde menschen-rechten streed hij al met Paoli, tegen Frankrijk. En toch is de kern van zijn natuur gericht op overheersching, neerdrukking, en belemmering van anderer individueel uitgroeien, wijl hij zich bewust wordt, dat hij alleen de mensch-kudden zal kunnen leiden naar hun geluk.

Hier juist begint de verblinde, schitterende waan, door het onbewogen cosmische leven zélf als een vuur-wil binnen de wanden dezer hersens ingeschroefd.

Ik ben er voor mij diep van overtuigd dat de psychologisch-doordringende historie der toekomst dezen schrikkelijken, maar gigantischen en tegelijk goedaardigen en zielshartelijken man, al naar het kantelend inzicht wil, beul en held, zélf als een wreed en onpeilbaar smartelijk slachtoffer zal zien, van een scheppingsfatum der natuur, met dezelfde onbewuste rampzaligheid en tegelijk prachtige grootschheid innerlijk en uiterlijk gevormd, voorbereid en geschapen als de kraters die in aardbevingen losbarstend, steden en menschen vernielen onder hun vuurasch en vulkanische uitwerpselen. Men zal, eenmaal onwrikbaar in hem ziend, de openbaring van een door niets te stuiten cosmische levenswerking, zijn persoonlijke nagedachtenis niet meer vervloeken, om al de onheilen die hij over de menschen bracht. En als het kan slechts de grootschheid van een mensch die vermocht te leven met de ontembaarheid van een natuurverschijnsel, in hem eerbiedigen en bewonderen.

Wie vloekt een cycloon, een aardbeving, een stormzee? Napoleon was tot de geringste plooi zijner daden voorbeschikt, en niets ter wereld zou bij machte geweestzijn er de kleinste wijziging in te hebben kunnen aanbrengen. Want dan zou alles om en rond hem, van individu tot menschheid, ook ánders hebben kunnen zijn. En dat is de as van het noodzakelijk geschieden uit haar onwijzigbare baan willen wegzwikken. Ik besef volkomen, hoezeer ik met deze beschouwing het gansche vraagstuk der physische en psychische causaliteit binnen den kring der historische feiten trek.—En ik verklaar mij dan ook te allen tijde bereid, het wijsgeerig-psychologische deel dezer karakter-ontleding afzonderlijk te willen verdedigen tot in de uiterste conclusies. Juist, omdat ik hier, de causaliteit, heerschende over stoffelijk en z.g. anorganisch natuur-bestaan, vergelijk met de causaliteit, even onwrikbaar en noodwendig heerschend over den menschelijken geest, de wilsvorming en zijn psyche, en dus schijnbaar speelsch van de stoffelijke naar de geestelijke oorzakelijkheidsleer ben overgestapt, voeg ik er dit bij.—Bij Napoleon's persoonlijkheid leek mij de toepassing der psychische causaliteits-leer juist zoo treffend als bij geen ander groot man. Juist wijl zoo klaar kan worden aangetoond dat de indeterministen door hun vrijmaking van den menschelijken wil, weer zoo angstiglijk-zot het „toeval” in het levensgebeuren binnensmokkelen.—Al gaat dit dan ook met een hoog beroep op Kant'sintelligibelewilsleer, die hoofdzakelijk uitgedacht, uitgevonden lijkt om het Ikaansprakelijkte kunnen stellen voor zijn handelingen. Maar Napoleon behoeft hier zelfs niet den grimmigen grijns van Schopenhauer te vreezen.

Ik wil u nog enkele staaltjes geven van zijn veel-ikkigheid en de tegenstrijdigheid, die zoo buitengewoon zuiver de mengeling van zijn betooverende grootheid en onmenschelijkheid soms, bevestigen en, getoetst aan deze grondontleding van zijn karakter en onwijzigbaren aanleg, mede verklaren.


Back to IndexNext