BIJ WINTER

BIJ WINTERDuizend vlokken zweven,Om een kleed te weven,Eer nog de Oostvorst barsch,(Hij is reeds op marsch,Van Sibeerje heên,’t Vriest daar al tot steen)Ook aan onze velden,Grimmig zich komt melden.Duizend vlokken zweven,Om een kleed te weven,Dat zeer warm en dicht,En toch ook weêr licht,’t Al volmaakt zal dekken:Dat geen vorst ’t kan wekken,Dat niets koude lijdt,Heel den wintertijd,Om de kleumsche leden,Van natuur wordt heden,Vlok bij vlok gelast;Zie hoe ’t immer wast!Waar voor een paar uren,Nog wat groen kwam gluren,Is het reeds gevuld,En in wit gehuld.Zelfs de groene dennen,Dekken hunne pennen,Ook met vlokken toe;Somber zien zij, hoe,’t Laatste groene sprietje,Van ’t Vergeet mij NietjeWordt bestopt met wol,En nog wolken vol,Zenden hun gewemel,Neder van den hemel.Dat onkenbaar wordt,Alles binnen kort.Van Kamsjatka’s rotsenwandenOver de IJszee, langs haar stranden,Komt de winterkoning voort,Over Ruslands Toendra’s en Steppen jagend,Door Litthauens wouden, brullend en klagend,Nergens door heuv’len of bergen gestoord;Verder en verder door Polen’s vlakten,Verder door bosschen, wier woudreuzen knakten,Njemen en Weichsel eensklaps overspringend;En zijn „Galop” Elbe en Oder toezingend,Eind’lijk nog tegen den vallenden avond,Over de Duitsche gebergten heendravend,Tot over nacht.Hij, met kracht,Eensklaps de daken,Doet kraken,Zijn winden doet gieren,Raam en scharnieren,Doet ramm’len en kreunen,En de aarde doet dreunen,Wijl de eiken hun takken,Zien splijten en knakken,Daar sparren zich buigen,En eerbied betuigen,Bij wintervorst’s intrede in ’t land:Als deden ze in koren,Het „Welkom,” hem hooren,Van alle kant.De „Geduchte”, blaast „Victorie,”En als ’t morgent, staat vol Glorie,Hij, tot aller, aller schrik,Daar met onbewolkten blik,Jaagt en woedt nog onbeschaamd,Of het al, of niet betaamt,Om paleizen en om huizenStapelt echter om de kluizen,Want zij zijn zoo luttel kleen,Hooge muren sneeuw er heen.Om niet al te barsch te lijken,Doet hij diamanten prijken,Op een ieders vensterglas,Onverschillig wiens het was;’t Hooge venster van de rijken,Zal niet schooner heden lijken,Ziet er toch niet mooier uit,Dan des armen vensterruit.Doch, ’t is ongewenschte weelde,Die slechts kort wat de oogen streelde,Want het is een koude pracht,Die de winter heden bracht,Toch is ’t wel bij ’t vlammend vuurtje,In het scheem’rend avonduurtje,Nu, voor zulk een kou bewaard,’t Knapt en knettert op den haard,Wijl behaaglijk ’t vlamt en flikkert,Op den glasruit ijsbloem blikkert,En dat licht, als gouden ster,Blinkt naar heinde en ver.’t Blijft stormen daar buiten,En bruischen en fluiten,Door ’t bosch en langs ’t veld,Met vrees’lijk geweld.’t Blijft stormen, maar binnen,Schijnt men steeds te winnen,Hoe meer juist de wind,Zijn vleug’len ontbindt,In schuldloos genieten.En de uren, zij vlieten,Met haastigen spoed,Wijl ’t buiten zoo woedt.De kleuters omringen,Grootvader, en dringen,Dat hij hun verhaalt,Hoe ’t komt, dat „Klein Duimpje” verdwaalt,Hoe eertijds Roodkapje,Den wolf werd tot Hapje,Haar Grootmoe incluis,Maar Vader komt thuis,En gaat eens proberen,Hoe ’t ging met het leeren,Wijl de jongste de les,Eens spelt op den schoot van de Bes,Uit vrees voor de spokenDie onafgebroken,Bij muur en kozijn,Eens druk aan den arbeid weer zijn.En Moeder, die vlijtige vrouw,Haar gewoonte getrouw,Zit druk aan het wieltje te spinnen,Van ’t vlas voor haar voorraad van linnenTot eind’lijk ten leste,Voor de kleinsten het besteWordt, dat Moe zegt:„’t Is tijd”, en hen te bedde legt.Laat ze buiten winter vieren,Om de muren gieren,Oostewind en sneeuw en vorst,Leg zoo dik gij wilt, uw korst,Over ’t meer,Ter neêr,’t Deert niet meer,Wie kan slapen tot den morgen,Zonder zorgen,Warmpjes toegedekt.Tot het licht des ochtens hem wekt.Moge over u armen!Zich de Vader daar boven erbarmen,Neen! Hij Uwe Vader vergeetU niet in het schamele kleed;En oop’nend de harten,En leen’gend de smarten,Zendt Hij, tot hulp bereid,U Eng’len der barmhartigheid.En daar omhoog,Aan ’s hemels boog,Op azuurgrond,Langs ’t hemelrond,Gloeit diamantVan allen kant,Tintelt en straalt het,Schittert en praalt het,Af naar beneên,Smelt zacht ineen,Met het ongerepte wit,Dat als hermelijn,Als sterrenschijn,Bosch en beemd, om nek en schouders zit.Onderwijl,Vloert in allerijl,Met brokjes kristal,Miljoenen in tal,De winter de stroomen,Tot spiegelglad ijs;Verzilvert de boomen,Met schitterend grijs,Dat bijna hun takken,Er onder gaan knakken;Beginnen te pronken,Met zilveren vonken,Als ’t zonlicht maar even,Zijn stralen wil geven,Om bosschen en drevenTe tooien met glans!Hoe schoon ook de Lente,Hier tooverend prentte,Was ’t schooner dan thans?Zelfs ’t Oosten ging zwijgen,Nu het van de twijgen,Gaat blinken en fonk’len,Safier en karbonk’lenIn vlammende dans.En de wandelaars bewonderen,Van boven tot onderen,’t Kristallen tooverdak,Nu de eerste zonnestraal,Met pronk en praalPlots’ling door de wolken brak,Staan opgetogen,Nu in ’t schitterendst feeënpaleis voor hunne oogen,De Zon de toorts ter verlichting ontstak.Ziet knapen zich reppen!Hen dragen en scheppen,Met joelend geschreeuw,De donzige sneeuw,En staap’len en passen:De sneeuwmannen wassen,Tot Goliaths op!En nu in galop.Ter ijsbaan getogen,De draagkracht gewogen,Langs kristallen baan,Schaatsrijden gegaan.Op plassen en wat’ren,Wat joelen en schaat’ren!Wat zwenken en zwieren!Wat juichen en gieren!De voeten geschaatst!Met vrienden en maats!Hel blinkend,Schel klinkend,’t Ter sledevaart gaat,Waar vóór een paar dagen,De scheepjes nog lagen,Te schomm’len op golfslags maat;En als uit die golven,Eensklaps opgedolven,Met wolken tot zeil,En wondere treil,Komt daar aangevlogen,Het ijsschip. Gebogen,De mast bijna stuk,Door ’s Oostewinds druk,En eensklaps verdwenen,Zooals ’t was verschenen.Laat ze binnen winter vieren,In de feestzaal, hel en licht!Waar die drom zich henen richt,Wil genot en vreugde tieren:Hoe zij zich scharen,Tot paren,Hoe de muziek ruischt!En jubelt en schatert en bruischt!Zie! hoe bij ’t genot des bals,Zij zwieren op de maat der wals!Maar stil onder ’t sneeuwkleed ontspruit reeds het spruitje.En ’k zie aan de zuiderkimmen,Wolkenbanken als lenteboden klimmen:Die sneeuwklokjes brengen en ’s leeuweriks liedje.

Duizend vlokken zweven,Om een kleed te weven,Eer nog de Oostvorst barsch,(Hij is reeds op marsch,Van Sibeerje heên,’t Vriest daar al tot steen)Ook aan onze velden,Grimmig zich komt melden.

Duizend vlokken zweven,Om een kleed te weven,Dat zeer warm en dicht,En toch ook weêr licht,’t Al volmaakt zal dekken:Dat geen vorst ’t kan wekken,Dat niets koude lijdt,Heel den wintertijd,

Om de kleumsche leden,Van natuur wordt heden,Vlok bij vlok gelast;Zie hoe ’t immer wast!Waar voor een paar uren,Nog wat groen kwam gluren,Is het reeds gevuld,En in wit gehuld.Zelfs de groene dennen,Dekken hunne pennen,Ook met vlokken toe;Somber zien zij, hoe,’t Laatste groene sprietje,Van ’t Vergeet mij NietjeWordt bestopt met wol,En nog wolken vol,Zenden hun gewemel,Neder van den hemel.Dat onkenbaar wordt,Alles binnen kort.Van Kamsjatka’s rotsenwandenOver de IJszee, langs haar stranden,Komt de winterkoning voort,Over Ruslands Toendra’s en Steppen jagend,Door Litthauens wouden, brullend en klagend,Nergens door heuv’len of bergen gestoord;Verder en verder door Polen’s vlakten,Verder door bosschen, wier woudreuzen knakten,Njemen en Weichsel eensklaps overspringend;En zijn „Galop” Elbe en Oder toezingend,Eind’lijk nog tegen den vallenden avond,Over de Duitsche gebergten heendravend,Tot over nacht.Hij, met kracht,Eensklaps de daken,Doet kraken,Zijn winden doet gieren,Raam en scharnieren,Doet ramm’len en kreunen,En de aarde doet dreunen,Wijl de eiken hun takken,Zien splijten en knakken,Daar sparren zich buigen,En eerbied betuigen,Bij wintervorst’s intrede in ’t land:Als deden ze in koren,Het „Welkom,” hem hooren,Van alle kant.

De „Geduchte”, blaast „Victorie,”En als ’t morgent, staat vol Glorie,Hij, tot aller, aller schrik,Daar met onbewolkten blik,Jaagt en woedt nog onbeschaamd,Of het al, of niet betaamt,Om paleizen en om huizenStapelt echter om de kluizen,Want zij zijn zoo luttel kleen,Hooge muren sneeuw er heen.Om niet al te barsch te lijken,Doet hij diamanten prijken,Op een ieders vensterglas,Onverschillig wiens het was;’t Hooge venster van de rijken,Zal niet schooner heden lijken,Ziet er toch niet mooier uit,Dan des armen vensterruit.

Doch, ’t is ongewenschte weelde,Die slechts kort wat de oogen streelde,Want het is een koude pracht,Die de winter heden bracht,

Toch is ’t wel bij ’t vlammend vuurtje,In het scheem’rend avonduurtje,Nu, voor zulk een kou bewaard,’t Knapt en knettert op den haard,Wijl behaaglijk ’t vlamt en flikkert,Op den glasruit ijsbloem blikkert,En dat licht, als gouden ster,Blinkt naar heinde en ver.

’t Blijft stormen daar buiten,En bruischen en fluiten,Door ’t bosch en langs ’t veld,Met vrees’lijk geweld.’t Blijft stormen, maar binnen,Schijnt men steeds te winnen,Hoe meer juist de wind,Zijn vleug’len ontbindt,In schuldloos genieten.En de uren, zij vlieten,Met haastigen spoed,Wijl ’t buiten zoo woedt.

De kleuters omringen,Grootvader, en dringen,Dat hij hun verhaalt,Hoe ’t komt, dat „Klein Duimpje” verdwaalt,Hoe eertijds Roodkapje,Den wolf werd tot Hapje,Haar Grootmoe incluis,Maar Vader komt thuis,En gaat eens proberen,Hoe ’t ging met het leeren,Wijl de jongste de les,Eens spelt op den schoot van de Bes,Uit vrees voor de spokenDie onafgebroken,Bij muur en kozijn,Eens druk aan den arbeid weer zijn.

En Moeder, die vlijtige vrouw,Haar gewoonte getrouw,Zit druk aan het wieltje te spinnen,Van ’t vlas voor haar voorraad van linnenTot eind’lijk ten leste,Voor de kleinsten het besteWordt, dat Moe zegt:„’t Is tijd”, en hen te bedde legt.

Laat ze buiten winter vieren,Om de muren gieren,Oostewind en sneeuw en vorst,Leg zoo dik gij wilt, uw korst,Over ’t meer,Ter neêr,’t Deert niet meer,Wie kan slapen tot den morgen,Zonder zorgen,Warmpjes toegedekt.Tot het licht des ochtens hem wekt.Moge over u armen!Zich de Vader daar boven erbarmen,Neen! Hij Uwe Vader vergeetU niet in het schamele kleed;En oop’nend de harten,En leen’gend de smarten,Zendt Hij, tot hulp bereid,U Eng’len der barmhartigheid.En daar omhoog,Aan ’s hemels boog,Op azuurgrond,Langs ’t hemelrond,Gloeit diamantVan allen kant,Tintelt en straalt het,Schittert en praalt het,Af naar beneên,Smelt zacht ineen,Met het ongerepte wit,Dat als hermelijn,Als sterrenschijn,Bosch en beemd, om nek en schouders zit.

Onderwijl,Vloert in allerijl,Met brokjes kristal,Miljoenen in tal,De winter de stroomen,Tot spiegelglad ijs;Verzilvert de boomen,Met schitterend grijs,Dat bijna hun takken,Er onder gaan knakken;Beginnen te pronken,Met zilveren vonken,Als ’t zonlicht maar even,Zijn stralen wil geven,Om bosschen en drevenTe tooien met glans!Hoe schoon ook de Lente,Hier tooverend prentte,Was ’t schooner dan thans?Zelfs ’t Oosten ging zwijgen,Nu het van de twijgen,Gaat blinken en fonk’len,Safier en karbonk’lenIn vlammende dans.

En de wandelaars bewonderen,Van boven tot onderen,’t Kristallen tooverdak,Nu de eerste zonnestraal,Met pronk en praalPlots’ling door de wolken brak,Staan opgetogen,Nu in ’t schitterendst feeënpaleis voor hunne oogen,De Zon de toorts ter verlichting ontstak.

Ziet knapen zich reppen!Hen dragen en scheppen,Met joelend geschreeuw,De donzige sneeuw,En staap’len en passen:De sneeuwmannen wassen,Tot Goliaths op!En nu in galop.Ter ijsbaan getogen,De draagkracht gewogen,Langs kristallen baan,Schaatsrijden gegaan.

Op plassen en wat’ren,Wat joelen en schaat’ren!Wat zwenken en zwieren!Wat juichen en gieren!De voeten geschaatst!Met vrienden en maats!

Hel blinkend,Schel klinkend,’t Ter sledevaart gaat,Waar vóór een paar dagen,De scheepjes nog lagen,Te schomm’len op golfslags maat;En als uit die golven,Eensklaps opgedolven,Met wolken tot zeil,En wondere treil,Komt daar aangevlogen,Het ijsschip. Gebogen,De mast bijna stuk,Door ’s Oostewinds druk,En eensklaps verdwenen,Zooals ’t was verschenen.

Laat ze binnen winter vieren,In de feestzaal, hel en licht!Waar die drom zich henen richt,Wil genot en vreugde tieren:Hoe zij zich scharen,Tot paren,Hoe de muziek ruischt!En jubelt en schatert en bruischt!Zie! hoe bij ’t genot des bals,Zij zwieren op de maat der wals!Maar stil onder ’t sneeuwkleed ontspruit reeds het spruitje.En ’k zie aan de zuiderkimmen,Wolkenbanken als lenteboden klimmen:Die sneeuwklokjes brengen en ’s leeuweriks liedje.


Back to IndexNext