DE STERRENHEMELDe schoone purp’ren wolk verbleekt,Die ’t heerlijke etherblauw verbreekt,Nadat de groote zonnebol,Den Kimmenrand beroerend, volEn dubbel groot, als overdag,De zwijgende aard nog overzag.Verdwenen is hij aan de kim.In ’t Oosten rijst als eene schim,Met bleeken glans de volle maan,En de avondster begint haar baan.Haar schoonheid flonkert om het zeerst,Wijl zij thans ’t luchtgewelf beheerscht.Der aarde heerlijkheid verzinkt,Nu ’t des te meer van boven blinkt,En fonkelt, schittert glanst en gloeit,Dat uit het diepst des hemels vloeit.Van waar, van waar, die heerlijkheid?Van waar, van waar, die majesteit?Van waar dat licht, van ster en zon?Van waar hun aller stralenbron?Van waar al die oneindigheid?Van waar die ruimte eens uitgebreid?Van waar ontstoken al die gloed?Die ’t menschlijk oog ontstellen doet?Daar vlucht de laatste twijf’ling heen:Van de Almacht is ’t, van Haar alleen.
De schoone purp’ren wolk verbleekt,Die ’t heerlijke etherblauw verbreekt,Nadat de groote zonnebol,Den Kimmenrand beroerend, volEn dubbel groot, als overdag,De zwijgende aard nog overzag.
Verdwenen is hij aan de kim.In ’t Oosten rijst als eene schim,Met bleeken glans de volle maan,En de avondster begint haar baan.Haar schoonheid flonkert om het zeerst,Wijl zij thans ’t luchtgewelf beheerscht.Der aarde heerlijkheid verzinkt,Nu ’t des te meer van boven blinkt,En fonkelt, schittert glanst en gloeit,Dat uit het diepst des hemels vloeit.
Van waar, van waar, die heerlijkheid?Van waar, van waar, die majesteit?Van waar dat licht, van ster en zon?Van waar hun aller stralenbron?Van waar al die oneindigheid?Van waar die ruimte eens uitgebreid?Van waar ontstoken al die gloed?Die ’t menschlijk oog ontstellen doet?
Daar vlucht de laatste twijf’ling heen:Van de Almacht is ’t, van Haar alleen.