BUITENLEVEN

BUITENLEVENo Veldmans lot, te vergelijken,Niet bij een ander lot op aard!Uw veld, uw hof, uw eigen haard!De macht, de trots der Koningrijken,En hunne roem, hun grootheid, eer,’t Is kinderspel er bij, niets meer.Wie ziet vooruit, wie der partijen,In Monarchie of Republiek,Of morgen niet een and’re kliek,Vooraan komt staan, in de eerste rijen,En met een staatsgreep, onverwacht,’t Bestaande, omver te werpen tracht?Wie waarborgt u dan gunstelingen,Van macht en aanzien, die het lot,Of toeval eenmaal maakte totVan de eersten in de hoogste kringen,Dat afgunst niet of haat of nijd,U weer ten val brengt, mettertijd?Moog kruis of ordelint u sierenVoor moed, voor wetenschap, of kunst,Veranderlijk is ’s menschen gunst;Ach de afgunst wil zoo gaarne tieren,Waar deugd en waar verdienste bloeit,Maar ook de giftplant tusschen groeit!Dat blijft wellicht bij al de kansen,Des dobbelspels: „zijn of niet zijn”.Der grootheid volle zonneschijn;Of eer, of roem, of laurierskransen,’t Geen was uw leven, uwe vreugd,Uw Levens wit, droom uwer jeugd?Als ’t al waaraan ge uw hart gingt hangen,U nevens uwen tred ontzinkt,Gij meent, dat geene straal meer blinkt,Die u van hoop spreekt en verlangen,En gij van ’s werelds klatergoud,Niets na ’t verguldsel overhoudt.Vlei u dan aan den moederboezem,Van de Natuur, waar levenskrachtEn levensmoed opnieuw u wacht.Waar Hoop, als eene schoone bloesem,U tegenlacht, u tegenstraalt,En rust weer in uw harte daalt.Daar wil de levensbron steeds vlieten,Daar woont de rust, steeds op den duur,Bij ’t altoos frissche van Natuur;Daar is het een gestaâg genieten,Bij afgepaste en juiste maat,Daar wars ze is van alle overdaad.Bouw onder ’t altijd groen der Dennen,Dan u uw Tabernakel op!Hanteer er snoeimes, spade en schop;Gooi weg uw trots, uw inkt, uw pennen,Zonsondergangsschoon sla daar ga,Bij woudkoors heerlijkste Opera!

o Veldmans lot, te vergelijken,Niet bij een ander lot op aard!Uw veld, uw hof, uw eigen haard!De macht, de trots der Koningrijken,En hunne roem, hun grootheid, eer,’t Is kinderspel er bij, niets meer.

Wie ziet vooruit, wie der partijen,In Monarchie of Republiek,Of morgen niet een and’re kliek,Vooraan komt staan, in de eerste rijen,En met een staatsgreep, onverwacht,’t Bestaande, omver te werpen tracht?

Wie waarborgt u dan gunstelingen,Van macht en aanzien, die het lot,Of toeval eenmaal maakte totVan de eersten in de hoogste kringen,Dat afgunst niet of haat of nijd,U weer ten val brengt, mettertijd?

Moog kruis of ordelint u sierenVoor moed, voor wetenschap, of kunst,Veranderlijk is ’s menschen gunst;Ach de afgunst wil zoo gaarne tieren,Waar deugd en waar verdienste bloeit,Maar ook de giftplant tusschen groeit!

Dat blijft wellicht bij al de kansen,Des dobbelspels: „zijn of niet zijn”.Der grootheid volle zonneschijn;Of eer, of roem, of laurierskransen,’t Geen was uw leven, uwe vreugd,Uw Levens wit, droom uwer jeugd?

Als ’t al waaraan ge uw hart gingt hangen,U nevens uwen tred ontzinkt,Gij meent, dat geene straal meer blinkt,Die u van hoop spreekt en verlangen,En gij van ’s werelds klatergoud,Niets na ’t verguldsel overhoudt.

Vlei u dan aan den moederboezem,Van de Natuur, waar levenskrachtEn levensmoed opnieuw u wacht.Waar Hoop, als eene schoone bloesem,U tegenlacht, u tegenstraalt,En rust weer in uw harte daalt.

Daar wil de levensbron steeds vlieten,Daar woont de rust, steeds op den duur,Bij ’t altoos frissche van Natuur;Daar is het een gestaâg genieten,Bij afgepaste en juiste maat,Daar wars ze is van alle overdaad.

Bouw onder ’t altijd groen der Dennen,Dan u uw Tabernakel op!Hanteer er snoeimes, spade en schop;Gooi weg uw trots, uw inkt, uw pennen,Zonsondergangsschoon sla daar ga,Bij woudkoors heerlijkste Opera!


Back to IndexNext