LANDLEVEN

LANDLEVENBenijdenswaard, die laag gezeten,Zoo rustig op zijn eigendom,Wier veld en dreven van rondom,Hij, al het zijne steeds mag heeten!Zoodat nabij en in verschiet,Hij enkel eigen goed’ren ziet.Waar ied’re boom op ied’re akker,Waar ieder plekje op ’t eigen erf,De boomgaard achter op de werf,Nog zijn herinnering roept wakkerAan buitgemaakten eierschat,Aan ’t zoet des booms, die volop zat.Aan ’t vrolijk spel met buurman’s knapen,Wanneer de school vacantie gaf.Waar zijn zij? meest reeds in het graf:Waarvan in vreemde aarde slapen,Voor wien nooit de gelukster scheen,Wat is niet met hun leven heen!Hem heugt het hoe zij samen stoeiden,Hoe zij ravotten; hun de tol,Was alles. Uitgelaten dol,Als halve wilden hun slechts boeiden,’t Verstopperspel bij schemeruur,In kluis en hooiberg, hut en schuur!En hoe dan soms weer tusschenbeide,’t Gezelschap samen veldwaarts toog,Dat voor hun vliegers slechts had oog;En op de vrijst gelegen weide,Bij ’t doorslaand briesje van het noord,Er vieren lieten ’s vliegers koord.Zulks kan de hooge kamp getuigen!Hoe hen verjoeg de oude overbuur;Weg bij het dorschen in zijn schuur;’t Is of hij nog komt, de oude Huigen,Met vork en vlegel op hen af,Bestoven onder stof en kaf.Nog menig paadje is er te ontdekken;En plekjes zijn er nog genoeg,Waarlangs, als hij hen dan verjoeg,Waarheen, naar nooit gevonden plekken,Zij zich verborgen, juist op tijd,In slop, bij hooi—of korenmijt.En wie van hen dan ’t hardst kon loopen:’t Was Jaap. Maar ’t listigste van al,(’t Is juist al hoort men nog een val,)Was kleine Dirk. Kon Buurman hopen,Hem ’t eerst te snappen, had Dirk niet,Zich laten vallen achter ’t riet.Dan Klaas, die eed’le beste jongen,De goedheid zelf, een hart vol goud,Een jongen, flinker nooit aanschouwd.Dan Hans, bij wien zij slootjessprongen,Om wie van allen ’t verste kon,Dat morgens vroeg soms reeds begon.Hans slechts, één van die speelgenooten.Bezit nog ’s Vaders hoede steeds;Is de oude nog, al telt hij reedsEen zestigtal. Blijft onverdroten,’t Oog houden op zijn land en vee,Al werkt sinds kort hij niet meer meê.En gaat hij dan zijn pijpje rooken,Bij Junimaands namiddagstond,Als ’t wetten van een zeis in ’t rond,De stilte alom slechts heeft verbroken.Geen Zefir in de Linde leeft,Slechts af en toe een vlinder zweeft.Dan, op de zodenbank gezeten,Die bij de Lindestam verrijst,Wiens zwaarte op honderd jaren wijst,Schijnt hij het heden te vergeten!Dunkt me of nu zijn gedachtenkring,’t Weleer, brengt in herinnering.Vanaf de Lente van het leven,En tot en met den Zomer ook.Maar wat ging er niet op in rook!Wat zeker leek, scheen overdreven;En wie er altijd de eerste scheen,Ging eindlijk als de laatste heen.Diep, ver weg in het grijs verleden,Is waarbij hij steeds ’t liefste blijft;Dat is wat altijd bovendrijft;Allengskens werd hem vreemd dit heden,’t Is hem zoo zoet, al wat hem heugt,Van al de jaren zijner jeugd.Dan denkt hij hoe op zeek’ren morgen,Een hunner Klaas, afwezig bleef,Bij ’t schoolgaan; en toen Piet, zijn neef,Zei: Dokter sprak, „heb dubble zorgen,”Tot zijne Moeder! dachten wij:Och morgen zeker! betert hij.Maar hij kwam nooit weer mede spelen.Van mond tot mond ging ’t fluist’rend zacht,Bij allen langs: „in deze nacht(Hein ging het ons straks mededeelen,)Stierf Klaas”.—Wij namen voor zijn graf,Lang daarna nog de petten af.Dan komt een traan er somtijds wellen,Diep uit het hart: een traan van rouw,Bij de herinn’ring aan de vrouw,Die tot voor kort hem mocht verzellen.Langs ’s levens smartevolle baan.Om hand aan hand haar af te gaan.Dan wendt onwillekeurig immer,Hij zich, waar ’t kerkje in ’t groen verrijst,Als vingerwenk naar boven rijst,Maar toch vanwaar op aarde nimmer,Zij wederkeeren tot hem zal.Die voor hem was, zijn Een, zijn Al.Toch zegt hij: ik, ik mag niet klagen.Bleef mij nog niet haar ander ik?Die nimmer meer is in haar schik,Dan ’s Vaders smart te helpen dragen;Wier lust zulks is, mijn zonneschijn!Mijn Kind, dat alles mij wil zijn!Zoo leeft hij ’t liefst in het verleden,Waar alles een geschiedenis heeft;Dat met hem wegsterft, met hem leeft;Waar met zijn kring en lot tevreden,Hij naar verand’ring niet verlangt,Maar innig aan ’t „van vroeger,” hangt.En waar de aloude goede zeden,Gewoonten, nagekomen steeds,Bij ’s levens vreugd, bij ’s levens leeds,Sinds eeuwen bleven tot op heden,Waaraan men vast met hand en tand,Hield, en bleef als van ouds in stand.’t Palstaan, schraagt u bij ’t woên der tijden,Waar gij eene eigen meening nog,Er steeds op na houdt, niet in ’t zog,U blindlings met den stroom laat glijden,Gij koning op uw erf en land!Gij blijft mij ’t sieraad van uw stand!Verlangt de tijdgeest andre zonen,Trêen anderen een tijd vooraan,Gij oude Garde, veteraan,Neen, niemand kan U iets ontrooven,Zoolang gij nog u zelven blijft,Uw Stavast op uw pad beklijft!Schuw als de geesel onzer dagen,De Mode als ijdel klatergoud,Die beurt’lings vleiend, beurt’lings stout,U al haar wenschen voor komt dragen,Tot ge onder aan haar glibberbaanDe Armoede, bleek voor u ziet staan.Gevoel bij ’t daaglijks wederkeeren,Van uwe dagtaak, u altijdGelukkig, als gij door uw vlijt,Gestaag uw welvaart ziet vermeeren;Dan geeft en spade en hark en ploeg,Voor luttel zweets, u winst genoeg.En is uw stand niet de allereerste?Verzorgt gij niet des konings disch?Wat zou vermoeden het gemis,Van uwe kunst. Prijst niet om ’t zeerste,Weldenkende U, ’t gezond verstand,De gave van uw veld en land?De Poëzie van toon en kleuren,Van woud en veld de melodie;En de onderlinge harmonie;Van ’t klaverveld de zoete geuren,En boekweitshoning, ’t koolzaadgoud,’t Is al voor u, in veld en woud.Gij hoort het eerst den Leeuw’rik zingen,Op Januari’s laatsten dag;Gij merkt Sneeuwklokje’s schucht’ren lach,Als Lentebloemen’s eerstelingen,Bij uwe wonings zuidermuur,Met Maart, in ’t zonnig middaguur.U is het schoone lied beschoren,Dat door de rustende avond zingt.En van uit verre bosschen dringt,Wanneer de ploeg de laatste voren,Bij ’t lieflijke avondgloren snijdt,Dat over ’t woud heen, langs u glijdt.Dan hoort ge uit hooge olmengroepen,Waarop des avonds stofgoud ligt,Die met hun groen den toren dichtOmhullen, „thans is ’t avond,” roepen!Met zilverrein welkom geluid,Waarmeê gij uwen dag besluit.Een rookkolom bij gindsch bosschaadje,Staat loodrecht boven ’s landmans schouw,Ten teeken dat zijn wakkre vrouw,Den Ploeger wacht, die ’t kronkelpaadje,Steeds volgend, naar der Hoeve dak,Op welker nok de avond brak.’t Is uur der rust. Het avondeten,Staat dampend wachtend op den disch,Waar kleuters, allen even frisch,Om henen, lang reeds zijn gezeten,Want hongerig wordt toch het kind,Bij ’t land’lijk spel in weêr en wind.En de eetlust na een dag van zweeten,Kruidt heerlijk ’t nederige maal.Reeds tintelt door de groene zaalDes Eiks de glans der ster. GezetenOp ’t bankje buiten, na het maalHoort Ploeger ’t lied van Nachtegaal.En wat kan bij die ruste halen,Die straks den matten landman beidt!Vermoeidheid van zijn dagtaak spreidt,Zijn leger zacht, en weldra dalenOp hem, in alle stilte, zacht,De vleugelen van slaap en nacht.’t Zij dat het koeltje om hem zacht ruische,Met afgebroken ademtocht;Of ’t West, bij herfst, om hoek en bocht,Langs muur en schoorsteen woedend bruische;En storm en regenvlagen saâm,Doen rink’len, door hun kracht, het raam.Of als met sneeuwval, soms het Noorden,De Hoeve met haar hof begraaft,Totdat de wind van ’t Oosten draaft,Bij nacht met luid fluitende akkoorden,Wier vorst de stroomen eensklaps dichtVloert, vergenoegd te luist’ren ligt.Het blijft steeds een genot te noemen,Voor wien het eenmaal ondervond,Zoo eene nachtelijke stond,Als winter grillig zijne bloemen,Op ’t venster toovert, die zich warm,En rustig vleit in Morpheus arm.Dan is des Landmans wereld binnen,Dan zomert het in zijne stal,’t Roept hem te binnen, dan vooral,Wat zweet het kostte om ’t voer te winnen,Dat thans zoo geurig is, zoo mooi,Zijn winterschat voor ’t vee, zijn hooi.Laat dan het Oost maar niet gedoogen,Wiens adem op zijn stalruit staat,Dat de ijsbloem even dooien gaat.Daar ’s middags stralen ’t niet vermogen.Toch ondanks vorst en windgewoel,Blijft het bij ’t vee steeds lentezoel.O ’t is een lust, daar dan te wijlen,Daar ’t buiten doorvriest, dat het kraakt,En tot kristallen vloeren maaktEn plas en meer. Tot allen ijlen,Geschaatst, wedijvrend met de vlucht,Der sneeuwganzen in de ijle lucht.’t Brengt ook zijn stille vreugde mede,Om als de sneeuwjacht buiten huilt,En met de held’re vorstnacht ruilt,Als beeld van stille wintervrede,Met vlegelslag op vlegelslag,Men kort den donkren winterdag.Wat zijn zij zoet dan de avonduren,Als op den haard het herfstvuur gloeit;Terwijl om ’t huis de sneeuwduin groeit,Met vriend en maag en goede buren,En bij de herinn’ring van ’t verleên.Vlucht ongemerkt zoo’n avond heen.’t Is of zij dan nog schaatsenrijden,Des boomgaards breede grachten rond.Wat vreugd als naar doorvriezen ’t stond!Met kameraden, zwieren, glijden,Of om zijn schaduw vóór te zijn,Naast zich bij heldren maneschijn.’t Verveelt dan nooit uit het verleden,Uit Vaders en uit Grootvaars tijd,Zoo vaak gehoord, toch nieuw altijd,Te hooren, hoe zij toenmaals deden,Zij zelf, met velen uit hun kring,En ’t alles immer beter ging.Dan diept uit mond’linge verhalen,Waarvan slechts de overleev’ring weet,Dat onbeschreven, nooit vergeet,En in ’t geheugen om bleef dwalen,Elk ’t schoonst en ’t treffendst uit die bron,Van wat hij maar bedenken kon.En dan weer wordt de oogst besproken.Of het gesprek loopt over ’t vee,Waarvan de prijs terug, in steêVan vooruit, ging. Of ziet men spoken,Van veepest, misgewas in ’t rond,Of oorlog aan den horizont.Toch is de Lente maar verschenen,Hoog op de schuur weer de Ooievaar;In ’t weiland ’t eerste lammerenpaar,Dan zijn eensklaps de zorgen henen,En keeren hoop en levenslust,Na de gedwongen winterrust.Dan pronkt zoo al eens tusschenbeide,Een boterbloem in levend goud;Daar kiest de kievit oponthoud,En legt haar eiers in de weide,Wijl ’t gonst reeds om den bijenstal:Een voorsmaak hoe ’t eens worden zal.Dan is ’t een jubelen en fluiten,Door ’s Bouwman ’s boomgaard, nacht en dag,Bij nooit bewolkten zonnelach;Onafgebroken Hoogtijd buiten;Dan tsjottert, joelt het op zijn dak,En roekoert het uit dennentak.De wei prijkt in haar schoonste kleuren,Met schat van klaver en van gras,Alsof ’t een levend vloerkleed was,En opent reeds de stal zijn deuren,Opdat naar buiten ’t hunk’rend vee,In Meimaands overvloed deelt mee.Door ’t graanveld, Landman ruischt straks ’t Noorden!Als ge op de halmen de eerste aar,Bij uwe wand’ling wordt gewaar;En hoort prophetisch schoone woorden,In ’t fluisteren van overvloed,Die ’t hart van blijdschap juichen doet.Dan komt de Korenbloem zich beuren,Ter zijde ook uit het golvend veld,Wier blauwoog ’t roggegroen ontwelt;En Klaproos hoogrood hare kleuren,Bij Bremstruik’s bloeiend louter goud,’t Viooltje in paarsch, gezelschap houdt.U Landbewoner! roept de morgen,In ’t veld, nog vochtig van de dauw,Als ’t Oost voor ’t eerst de wieken flauw,Half in de purp’ren wolk verborgen,Waar de eerste zonnestraal op valt.Ontplooit, en ’s Leeuwriks lied reeds schalt.Als ’t zomert, welk een bont gewemel!In ’t vrije veld, daar ’s maaiers zeis,En ’s hooiers hark, het gras naar eischBij onbewolkten JulihemelDoen maaien, reppen, altijd weer,Tot noordwaarts ’t zonlicht zinkt ter neêr.Ontvlied dan uw benauwde wallen,Uw stadslucht te gelijker tijd.Door vuil en damp en stof ontwijd,Gij steed’ling laat vooroordeel vallen,En ga verrukt, vol vreugd, verrast,In veld en hof en dreef te gast.Geniet de kostelijke geuren,Van ’t geurig, pas gerijpte hooi,Het schoone meê, van Lindetooi.Verruk van Veldbloem hare kleuren,U ’t rood en blauw en ’t wit der wei,Het bruine en paarsche van de Hei.Ik ken geen leven, rijker, schooner!Geen leven meerder in genot,En geen begeerenswaarder lot.Dan dat der vrije veldbewoner,Des Landmans, aan zijn eigen haard.Geen schooner leven is op aard!

Benijdenswaard, die laag gezeten,Zoo rustig op zijn eigendom,Wier veld en dreven van rondom,Hij, al het zijne steeds mag heeten!Zoodat nabij en in verschiet,Hij enkel eigen goed’ren ziet.

Waar ied’re boom op ied’re akker,Waar ieder plekje op ’t eigen erf,De boomgaard achter op de werf,Nog zijn herinnering roept wakkerAan buitgemaakten eierschat,Aan ’t zoet des booms, die volop zat.

Aan ’t vrolijk spel met buurman’s knapen,Wanneer de school vacantie gaf.Waar zijn zij? meest reeds in het graf:Waarvan in vreemde aarde slapen,Voor wien nooit de gelukster scheen,Wat is niet met hun leven heen!

Hem heugt het hoe zij samen stoeiden,Hoe zij ravotten; hun de tol,Was alles. Uitgelaten dol,Als halve wilden hun slechts boeiden,’t Verstopperspel bij schemeruur,In kluis en hooiberg, hut en schuur!

En hoe dan soms weer tusschenbeide,’t Gezelschap samen veldwaarts toog,Dat voor hun vliegers slechts had oog;En op de vrijst gelegen weide,Bij ’t doorslaand briesje van het noord,Er vieren lieten ’s vliegers koord.

Zulks kan de hooge kamp getuigen!Hoe hen verjoeg de oude overbuur;Weg bij het dorschen in zijn schuur;’t Is of hij nog komt, de oude Huigen,Met vork en vlegel op hen af,Bestoven onder stof en kaf.

Nog menig paadje is er te ontdekken;En plekjes zijn er nog genoeg,Waarlangs, als hij hen dan verjoeg,Waarheen, naar nooit gevonden plekken,Zij zich verborgen, juist op tijd,In slop, bij hooi—of korenmijt.

En wie van hen dan ’t hardst kon loopen:’t Was Jaap. Maar ’t listigste van al,(’t Is juist al hoort men nog een val,)Was kleine Dirk. Kon Buurman hopen,Hem ’t eerst te snappen, had Dirk niet,Zich laten vallen achter ’t riet.

Dan Klaas, die eed’le beste jongen,De goedheid zelf, een hart vol goud,Een jongen, flinker nooit aanschouwd.Dan Hans, bij wien zij slootjessprongen,Om wie van allen ’t verste kon,Dat morgens vroeg soms reeds begon.

Hans slechts, één van die speelgenooten.Bezit nog ’s Vaders hoede steeds;Is de oude nog, al telt hij reedsEen zestigtal. Blijft onverdroten,’t Oog houden op zijn land en vee,Al werkt sinds kort hij niet meer meê.

En gaat hij dan zijn pijpje rooken,Bij Junimaands namiddagstond,Als ’t wetten van een zeis in ’t rond,De stilte alom slechts heeft verbroken.Geen Zefir in de Linde leeft,Slechts af en toe een vlinder zweeft.

Dan, op de zodenbank gezeten,Die bij de Lindestam verrijst,Wiens zwaarte op honderd jaren wijst,Schijnt hij het heden te vergeten!Dunkt me of nu zijn gedachtenkring,’t Weleer, brengt in herinnering.

Vanaf de Lente van het leven,En tot en met den Zomer ook.Maar wat ging er niet op in rook!Wat zeker leek, scheen overdreven;En wie er altijd de eerste scheen,Ging eindlijk als de laatste heen.

Diep, ver weg in het grijs verleden,Is waarbij hij steeds ’t liefste blijft;Dat is wat altijd bovendrijft;Allengskens werd hem vreemd dit heden,’t Is hem zoo zoet, al wat hem heugt,Van al de jaren zijner jeugd.

Dan denkt hij hoe op zeek’ren morgen,Een hunner Klaas, afwezig bleef,Bij ’t schoolgaan; en toen Piet, zijn neef,Zei: Dokter sprak, „heb dubble zorgen,”Tot zijne Moeder! dachten wij:Och morgen zeker! betert hij.

Maar hij kwam nooit weer mede spelen.Van mond tot mond ging ’t fluist’rend zacht,Bij allen langs: „in deze nacht(Hein ging het ons straks mededeelen,)Stierf Klaas”.—Wij namen voor zijn graf,Lang daarna nog de petten af.

Dan komt een traan er somtijds wellen,Diep uit het hart: een traan van rouw,Bij de herinn’ring aan de vrouw,Die tot voor kort hem mocht verzellen.Langs ’s levens smartevolle baan.Om hand aan hand haar af te gaan.

Dan wendt onwillekeurig immer,Hij zich, waar ’t kerkje in ’t groen verrijst,Als vingerwenk naar boven rijst,Maar toch vanwaar op aarde nimmer,Zij wederkeeren tot hem zal.Die voor hem was, zijn Een, zijn Al.

Toch zegt hij: ik, ik mag niet klagen.Bleef mij nog niet haar ander ik?Die nimmer meer is in haar schik,Dan ’s Vaders smart te helpen dragen;Wier lust zulks is, mijn zonneschijn!Mijn Kind, dat alles mij wil zijn!

Zoo leeft hij ’t liefst in het verleden,Waar alles een geschiedenis heeft;Dat met hem wegsterft, met hem leeft;Waar met zijn kring en lot tevreden,Hij naar verand’ring niet verlangt,Maar innig aan ’t „van vroeger,” hangt.

En waar de aloude goede zeden,Gewoonten, nagekomen steeds,Bij ’s levens vreugd, bij ’s levens leeds,Sinds eeuwen bleven tot op heden,Waaraan men vast met hand en tand,Hield, en bleef als van ouds in stand.

’t Palstaan, schraagt u bij ’t woên der tijden,Waar gij eene eigen meening nog,Er steeds op na houdt, niet in ’t zog,U blindlings met den stroom laat glijden,Gij koning op uw erf en land!Gij blijft mij ’t sieraad van uw stand!

Verlangt de tijdgeest andre zonen,Trêen anderen een tijd vooraan,Gij oude Garde, veteraan,Neen, niemand kan U iets ontrooven,Zoolang gij nog u zelven blijft,Uw Stavast op uw pad beklijft!

Schuw als de geesel onzer dagen,De Mode als ijdel klatergoud,Die beurt’lings vleiend, beurt’lings stout,U al haar wenschen voor komt dragen,Tot ge onder aan haar glibberbaanDe Armoede, bleek voor u ziet staan.

Gevoel bij ’t daaglijks wederkeeren,Van uwe dagtaak, u altijdGelukkig, als gij door uw vlijt,Gestaag uw welvaart ziet vermeeren;Dan geeft en spade en hark en ploeg,Voor luttel zweets, u winst genoeg.

En is uw stand niet de allereerste?Verzorgt gij niet des konings disch?Wat zou vermoeden het gemis,Van uwe kunst. Prijst niet om ’t zeerste,Weldenkende U, ’t gezond verstand,De gave van uw veld en land?

De Poëzie van toon en kleuren,Van woud en veld de melodie;En de onderlinge harmonie;Van ’t klaverveld de zoete geuren,En boekweitshoning, ’t koolzaadgoud,’t Is al voor u, in veld en woud.

Gij hoort het eerst den Leeuw’rik zingen,Op Januari’s laatsten dag;Gij merkt Sneeuwklokje’s schucht’ren lach,Als Lentebloemen’s eerstelingen,Bij uwe wonings zuidermuur,Met Maart, in ’t zonnig middaguur.

U is het schoone lied beschoren,Dat door de rustende avond zingt.En van uit verre bosschen dringt,Wanneer de ploeg de laatste voren,Bij ’t lieflijke avondgloren snijdt,Dat over ’t woud heen, langs u glijdt.

Dan hoort ge uit hooge olmengroepen,Waarop des avonds stofgoud ligt,Die met hun groen den toren dichtOmhullen, „thans is ’t avond,” roepen!Met zilverrein welkom geluid,Waarmeê gij uwen dag besluit.

Een rookkolom bij gindsch bosschaadje,Staat loodrecht boven ’s landmans schouw,Ten teeken dat zijn wakkre vrouw,Den Ploeger wacht, die ’t kronkelpaadje,Steeds volgend, naar der Hoeve dak,Op welker nok de avond brak.

’t Is uur der rust. Het avondeten,Staat dampend wachtend op den disch,Waar kleuters, allen even frisch,Om henen, lang reeds zijn gezeten,Want hongerig wordt toch het kind,Bij ’t land’lijk spel in weêr en wind.

En de eetlust na een dag van zweeten,Kruidt heerlijk ’t nederige maal.Reeds tintelt door de groene zaalDes Eiks de glans der ster. GezetenOp ’t bankje buiten, na het maalHoort Ploeger ’t lied van Nachtegaal.

En wat kan bij die ruste halen,Die straks den matten landman beidt!Vermoeidheid van zijn dagtaak spreidt,Zijn leger zacht, en weldra dalenOp hem, in alle stilte, zacht,De vleugelen van slaap en nacht.

’t Zij dat het koeltje om hem zacht ruische,Met afgebroken ademtocht;Of ’t West, bij herfst, om hoek en bocht,Langs muur en schoorsteen woedend bruische;En storm en regenvlagen saâm,Doen rink’len, door hun kracht, het raam.

Of als met sneeuwval, soms het Noorden,De Hoeve met haar hof begraaft,Totdat de wind van ’t Oosten draaft,Bij nacht met luid fluitende akkoorden,Wier vorst de stroomen eensklaps dichtVloert, vergenoegd te luist’ren ligt.

Het blijft steeds een genot te noemen,Voor wien het eenmaal ondervond,Zoo eene nachtelijke stond,Als winter grillig zijne bloemen,Op ’t venster toovert, die zich warm,En rustig vleit in Morpheus arm.

Dan is des Landmans wereld binnen,Dan zomert het in zijne stal,’t Roept hem te binnen, dan vooral,Wat zweet het kostte om ’t voer te winnen,Dat thans zoo geurig is, zoo mooi,Zijn winterschat voor ’t vee, zijn hooi.

Laat dan het Oost maar niet gedoogen,Wiens adem op zijn stalruit staat,Dat de ijsbloem even dooien gaat.Daar ’s middags stralen ’t niet vermogen.Toch ondanks vorst en windgewoel,Blijft het bij ’t vee steeds lentezoel.

O ’t is een lust, daar dan te wijlen,Daar ’t buiten doorvriest, dat het kraakt,En tot kristallen vloeren maaktEn plas en meer. Tot allen ijlen,Geschaatst, wedijvrend met de vlucht,Der sneeuwganzen in de ijle lucht.

’t Brengt ook zijn stille vreugde mede,Om als de sneeuwjacht buiten huilt,En met de held’re vorstnacht ruilt,Als beeld van stille wintervrede,Met vlegelslag op vlegelslag,Men kort den donkren winterdag.

Wat zijn zij zoet dan de avonduren,Als op den haard het herfstvuur gloeit;Terwijl om ’t huis de sneeuwduin groeit,Met vriend en maag en goede buren,En bij de herinn’ring van ’t verleên.Vlucht ongemerkt zoo’n avond heen.

’t Is of zij dan nog schaatsenrijden,Des boomgaards breede grachten rond.Wat vreugd als naar doorvriezen ’t stond!Met kameraden, zwieren, glijden,Of om zijn schaduw vóór te zijn,Naast zich bij heldren maneschijn.

’t Verveelt dan nooit uit het verleden,Uit Vaders en uit Grootvaars tijd,Zoo vaak gehoord, toch nieuw altijd,Te hooren, hoe zij toenmaals deden,Zij zelf, met velen uit hun kring,En ’t alles immer beter ging.

Dan diept uit mond’linge verhalen,Waarvan slechts de overleev’ring weet,Dat onbeschreven, nooit vergeet,En in ’t geheugen om bleef dwalen,Elk ’t schoonst en ’t treffendst uit die bron,Van wat hij maar bedenken kon.

En dan weer wordt de oogst besproken.Of het gesprek loopt over ’t vee,Waarvan de prijs terug, in steêVan vooruit, ging. Of ziet men spoken,Van veepest, misgewas in ’t rond,Of oorlog aan den horizont.

Toch is de Lente maar verschenen,Hoog op de schuur weer de Ooievaar;In ’t weiland ’t eerste lammerenpaar,Dan zijn eensklaps de zorgen henen,En keeren hoop en levenslust,Na de gedwongen winterrust.

Dan pronkt zoo al eens tusschenbeide,Een boterbloem in levend goud;Daar kiest de kievit oponthoud,En legt haar eiers in de weide,Wijl ’t gonst reeds om den bijenstal:Een voorsmaak hoe ’t eens worden zal.

Dan is ’t een jubelen en fluiten,Door ’s Bouwman ’s boomgaard, nacht en dag,Bij nooit bewolkten zonnelach;Onafgebroken Hoogtijd buiten;Dan tsjottert, joelt het op zijn dak,En roekoert het uit dennentak.

De wei prijkt in haar schoonste kleuren,Met schat van klaver en van gras,Alsof ’t een levend vloerkleed was,En opent reeds de stal zijn deuren,Opdat naar buiten ’t hunk’rend vee,In Meimaands overvloed deelt mee.

Door ’t graanveld, Landman ruischt straks ’t Noorden!Als ge op de halmen de eerste aar,Bij uwe wand’ling wordt gewaar;En hoort prophetisch schoone woorden,In ’t fluisteren van overvloed,Die ’t hart van blijdschap juichen doet.

Dan komt de Korenbloem zich beuren,Ter zijde ook uit het golvend veld,Wier blauwoog ’t roggegroen ontwelt;En Klaproos hoogrood hare kleuren,Bij Bremstruik’s bloeiend louter goud,’t Viooltje in paarsch, gezelschap houdt.

U Landbewoner! roept de morgen,In ’t veld, nog vochtig van de dauw,Als ’t Oost voor ’t eerst de wieken flauw,Half in de purp’ren wolk verborgen,Waar de eerste zonnestraal op valt.Ontplooit, en ’s Leeuwriks lied reeds schalt.

Als ’t zomert, welk een bont gewemel!In ’t vrije veld, daar ’s maaiers zeis,En ’s hooiers hark, het gras naar eischBij onbewolkten JulihemelDoen maaien, reppen, altijd weer,Tot noordwaarts ’t zonlicht zinkt ter neêr.

Ontvlied dan uw benauwde wallen,Uw stadslucht te gelijker tijd.Door vuil en damp en stof ontwijd,Gij steed’ling laat vooroordeel vallen,En ga verrukt, vol vreugd, verrast,In veld en hof en dreef te gast.

Geniet de kostelijke geuren,Van ’t geurig, pas gerijpte hooi,Het schoone meê, van Lindetooi.Verruk van Veldbloem hare kleuren,U ’t rood en blauw en ’t wit der wei,Het bruine en paarsche van de Hei.

Ik ken geen leven, rijker, schooner!Geen leven meerder in genot,En geen begeerenswaarder lot.Dan dat der vrije veldbewoner,Des Landmans, aan zijn eigen haard.Geen schooner leven is op aard!


Back to IndexNext