DE ALMACHT, BIJBEL EN HEELAL

DE ALMACHT, BIJBEL EN HEELALEr is een Boek, een tweede BijbelEen heerlijk Boek, die groote Band,In onverslijtb’ren stof gebonden.De Auteur schreef er met meesterhand,Zijn Naam in groote letters neder,Bij ’t openslaan op ’t eerste blad,Toen Hij „’t zij licht,” wat was, en zijn zou,Als Scheppingswoord gesproken had.Op ’t tweede blad schreef Hij, de Maker,In gouden letters als met vuur,Hun licht naar allen kant uitstralend„Dit is de Bijbel der Natuur.”„Dit is Mijn werk, ’t werk Mijner handen,De tempel Mijner heiligheid,Plaats der aanbidding en der eere,De afstraling Mijner Majesteit.”„Ben Ik het niet, Die vuur en water,En aarde en lucht, tot aanzijn bracht?Die bergen rijzen deed naar boven,Door ’t woord slechts van Mijne Oppermacht?Die ’t vuur in der vulkanen boezem,Diep in der aarde nacht ontstak?En op zijn tijd Mijn macht deed hooren,Als Lava uit haar binnenst brak?”„Ben ik het niet, Die in de wolken,Het bliksemvuur ontvlammen doet?Die Isrel met Mijn vuurzuil lichtte,Die Sinaï ontstak in gloed?Ik niet, Die Sodom’s vruchtb’re vlakte,Door ’t zengend vuur van Mijne hand,Tot „Doode Zee’, deed nederzinken,Zij, de eens zoo rijke lustwarand?„Ben ik het niet, Die sterren zaaide,Langs ’t ongemeten hemelveld?Saturnus en Uranus manen,Tot wachters hen, heb aangesteld?Ik ben ’t, Die Sirius van verre,U merken deed uit ’s Hemels diep;En Die des Melkwegs lichte banen,Kometen bij Planeten schiep?”„Die op Mijn wenken, vlammen, tint’len:Uit Mij de Bron van alle licht,Ontstoken, aan Mijn wenk gehoorzaam,Mij lovend voor Mijn aangezicht,Die ’t groot Heelal met hunne luister,Vervullen, enkel tot Mijne eer;Verkondigend de macht, de grootschheidDer schepping en der scheps’len Heer!”Gij zijt het Heer, Die waat’ren scheidde,Van waat’ren op den Scheppingsdag.Gij op wiens wenk, voor ’t nakroost Isrels,De Roode Zee begaanbaar lag.Gij, opdat niet ten tweeden male,Geen Zondvloed wijdde ’t al ten dood,Door de elementen, vuur en water,Met de aard ’t verbond voor altijd sloot,In ’t schoone, en alom zichtbaar teeken:Het teeken van den regenboog,Opdat vertrouwend naar den Hoogen,De blik zich dankbaar richten moog,Wanneer des hemels breede sluizen,Zich oop’nen, dagen achtereen,Tot onverwacht de boog der wolken,Zich vormt, langs ’t blauwzwart Oosten heen.Het is Uw werk der wolken zegen,Die in den zoelen Meischen nacht,Van zwaar bedekten zuiderhemelNatuur weer tot verjongen bracht:Opdat de Palmen juichend wuiven,Daar waar de Zon in ’t Zenith staat;Opdat aan Groenlands barre stranden,Het Lepelblad ontwikkelen gaat.Gij laat de Zon slechts trager schijnen,Met korter tijd en minder gloed:En ziet de vruchtb’re droppels stollen,De hagel- en de sneeuwstorm woedt.Gij wenkt Heer en allengskens wordenDe velden wit. Met winterprachtHeeft heel Natuur nu omgewisseld,De rijkdom van haar bonte dracht.Gij effent met één wenk de waat’ren,Hoe hoog zij golfden: zij zijn stil,Gij roept Uw dienaar op: het Oosten,’t Hoort in één nacht naar Uwen wil,Ze vast hen allen tot kristallen;Wijl boven ’t laatste wolkje vlucht:De vloed werd als tot marm’ren vloeren,Tot schoon azuur de wilde lucht.Gij legdet Heer de voorraadschuren,Van waat’ren op de bergen aan;Gij hebt ze als gletschers daar gezolderd,Waaruit het beekje zich breekt baan,Dat dra met huppelende sprongen,Op eenmaal zich zijn kracht bewust,Langs afgronds huivringwekkends springen,In ’t lieflijk Alpenmeertje rust.Daarna zijn drift der jeugd gebreideldTe hebben en zijn overmoed,Thans weêrgeboren treedt te voorschijn,En als een kalme breede vloed,Nu de onafzienb’re vlakten drenkend,Van ’t dorstig drooge vasteland;En volk en land zijn zegen deelend,—Heer! zeewaarts Gij ’t leidt aan Uw hand.Gij Heer! waart het Die met Uw ademHet al vervuldet door Uw macht,Uw beeld op aard, den mensch bezieldet,Gij, Die, toen ’t lieflijk koeltje zacht,Door schaduwrijke Palmen ruischte,Voorbij gingt in dat heilig uur,Uw tegenwoordigheid deed merken,Aan Uw profeet, God der Natuur!Gij zijt het, Die de lentewolkjes,Met goud omboord, langs Ethers blauw,Doet spelevaren voor het Zuiden,Ook Gij, Die straks den hemel grauw,Van ond’ren teekent, boven vreeselijk,Met vuur en zwavel afgezet,De bliksemende donders heendrijft,Naar Uw geduchte stormwindswet.Den adem gaaft den mensch, Gij Heere!Het is ook U, Die het eens zijt,Die hem wêer neemt, wanneer ’t Uw wil is:Want „Heer” ook zijt Gij van zijn tijd!O prees hij U al zijne dagen!Bleeft Gij zijn toeverlaat, zijn staf:Met hem zijn sterfelijk omhulsel,Zinkt niet zijnbeter ikin ’t graf!Hij, voor een hooger doel geschapen,Wiens geest iets onbestemds gevoelt,Hij, door iets Goddelijks gewezenDat op iets hoogers, beters, doelt,—Hij, in verhouding groot bij ’t diertje,Dat pas één uur, het aanzijn heeft,—Wat is hij groot met tachtig jaren,Die hij, de mensch, op aarde leeft!Wat is hij groot, der scheps’len koning!Zijn wil is machtwoord; hij spreekt ’t eerst;En de bezielde schepping luistert,Zijn geest is kracht, die de aard’ beheerscht,Hij duikt bij bergenhoogte onder,Tot op den grond van de Oceaan,Daar treft hem weer de ontzagb’re grootheid,Het Wonder, Heer van Uw bestaan.De stof maakt tot zijn doel hij dienstbaar,En hij stijgt mijlen boven d’ aard,Waar hij al weer op nieuwe wond’renMet vreugde en met verrukking staart!En moog’ de stof hem grenzen stellen:Hij is niet naar de stof meer mensch;Zijn geest ontplooit hem Eng’lenwieken,Het stof’lijke biedt hem geen grens.Hij tracht naar ’t hoog’re, het Volmaakte,Omsluierd blijft de heerlijkheid,Nog wel voor hem aan gindsche zijde,Toch zijn zijn vleug’len uitgebreid,Om met den eersten wenk naar boven,Den eersten wiekslag hem vergund,Naar’t eeuwig Licht, nu voor zijne oogenDen laatsten aardschen nevel dunt.

Er is een Boek, een tweede BijbelEen heerlijk Boek, die groote Band,In onverslijtb’ren stof gebonden.De Auteur schreef er met meesterhand,Zijn Naam in groote letters neder,Bij ’t openslaan op ’t eerste blad,Toen Hij „’t zij licht,” wat was, en zijn zou,Als Scheppingswoord gesproken had.

Op ’t tweede blad schreef Hij, de Maker,In gouden letters als met vuur,Hun licht naar allen kant uitstralend„Dit is de Bijbel der Natuur.”„Dit is Mijn werk, ’t werk Mijner handen,De tempel Mijner heiligheid,Plaats der aanbidding en der eere,De afstraling Mijner Majesteit.”

„Ben Ik het niet, Die vuur en water,En aarde en lucht, tot aanzijn bracht?Die bergen rijzen deed naar boven,Door ’t woord slechts van Mijne Oppermacht?Die ’t vuur in der vulkanen boezem,Diep in der aarde nacht ontstak?En op zijn tijd Mijn macht deed hooren,Als Lava uit haar binnenst brak?”

„Ben ik het niet, Die in de wolken,Het bliksemvuur ontvlammen doet?Die Isrel met Mijn vuurzuil lichtte,Die Sinaï ontstak in gloed?Ik niet, Die Sodom’s vruchtb’re vlakte,Door ’t zengend vuur van Mijne hand,Tot „Doode Zee’, deed nederzinken,Zij, de eens zoo rijke lustwarand?

„Ben ik het niet, Die sterren zaaide,Langs ’t ongemeten hemelveld?Saturnus en Uranus manen,Tot wachters hen, heb aangesteld?Ik ben ’t, Die Sirius van verre,U merken deed uit ’s Hemels diep;En Die des Melkwegs lichte banen,Kometen bij Planeten schiep?”

„Die op Mijn wenken, vlammen, tint’len:Uit Mij de Bron van alle licht,Ontstoken, aan Mijn wenk gehoorzaam,Mij lovend voor Mijn aangezicht,Die ’t groot Heelal met hunne luister,Vervullen, enkel tot Mijne eer;Verkondigend de macht, de grootschheidDer schepping en der scheps’len Heer!”

Gij zijt het Heer, Die waat’ren scheidde,Van waat’ren op den Scheppingsdag.Gij op wiens wenk, voor ’t nakroost Isrels,De Roode Zee begaanbaar lag.Gij, opdat niet ten tweeden male,Geen Zondvloed wijdde ’t al ten dood,Door de elementen, vuur en water,Met de aard ’t verbond voor altijd sloot,

In ’t schoone, en alom zichtbaar teeken:Het teeken van den regenboog,Opdat vertrouwend naar den Hoogen,De blik zich dankbaar richten moog,Wanneer des hemels breede sluizen,Zich oop’nen, dagen achtereen,Tot onverwacht de boog der wolken,Zich vormt, langs ’t blauwzwart Oosten heen.

Het is Uw werk der wolken zegen,Die in den zoelen Meischen nacht,Van zwaar bedekten zuiderhemelNatuur weer tot verjongen bracht:Opdat de Palmen juichend wuiven,Daar waar de Zon in ’t Zenith staat;Opdat aan Groenlands barre stranden,Het Lepelblad ontwikkelen gaat.

Gij laat de Zon slechts trager schijnen,Met korter tijd en minder gloed:En ziet de vruchtb’re droppels stollen,De hagel- en de sneeuwstorm woedt.Gij wenkt Heer en allengskens wordenDe velden wit. Met winterprachtHeeft heel Natuur nu omgewisseld,De rijkdom van haar bonte dracht.

Gij effent met één wenk de waat’ren,Hoe hoog zij golfden: zij zijn stil,Gij roept Uw dienaar op: het Oosten,’t Hoort in één nacht naar Uwen wil,Ze vast hen allen tot kristallen;Wijl boven ’t laatste wolkje vlucht:De vloed werd als tot marm’ren vloeren,Tot schoon azuur de wilde lucht.

Gij legdet Heer de voorraadschuren,Van waat’ren op de bergen aan;Gij hebt ze als gletschers daar gezolderd,Waaruit het beekje zich breekt baan,Dat dra met huppelende sprongen,Op eenmaal zich zijn kracht bewust,Langs afgronds huivringwekkends springen,In ’t lieflijk Alpenmeertje rust.

Daarna zijn drift der jeugd gebreideldTe hebben en zijn overmoed,Thans weêrgeboren treedt te voorschijn,En als een kalme breede vloed,Nu de onafzienb’re vlakten drenkend,Van ’t dorstig drooge vasteland;En volk en land zijn zegen deelend,—Heer! zeewaarts Gij ’t leidt aan Uw hand.

Gij Heer! waart het Die met Uw ademHet al vervuldet door Uw macht,Uw beeld op aard, den mensch bezieldet,Gij, Die, toen ’t lieflijk koeltje zacht,Door schaduwrijke Palmen ruischte,Voorbij gingt in dat heilig uur,Uw tegenwoordigheid deed merken,Aan Uw profeet, God der Natuur!

Gij zijt het, Die de lentewolkjes,Met goud omboord, langs Ethers blauw,Doet spelevaren voor het Zuiden,Ook Gij, Die straks den hemel grauw,Van ond’ren teekent, boven vreeselijk,Met vuur en zwavel afgezet,De bliksemende donders heendrijft,Naar Uw geduchte stormwindswet.

Den adem gaaft den mensch, Gij Heere!Het is ook U, Die het eens zijt,Die hem wêer neemt, wanneer ’t Uw wil is:Want „Heer” ook zijt Gij van zijn tijd!O prees hij U al zijne dagen!Bleeft Gij zijn toeverlaat, zijn staf:Met hem zijn sterfelijk omhulsel,Zinkt niet zijnbeter ikin ’t graf!

Hij, voor een hooger doel geschapen,Wiens geest iets onbestemds gevoelt,Hij, door iets Goddelijks gewezenDat op iets hoogers, beters, doelt,—Hij, in verhouding groot bij ’t diertje,Dat pas één uur, het aanzijn heeft,—Wat is hij groot met tachtig jaren,Die hij, de mensch, op aarde leeft!

Wat is hij groot, der scheps’len koning!Zijn wil is machtwoord; hij spreekt ’t eerst;En de bezielde schepping luistert,Zijn geest is kracht, die de aard’ beheerscht,Hij duikt bij bergenhoogte onder,Tot op den grond van de Oceaan,Daar treft hem weer de ontzagb’re grootheid,Het Wonder, Heer van Uw bestaan.

De stof maakt tot zijn doel hij dienstbaar,En hij stijgt mijlen boven d’ aard,Waar hij al weer op nieuwe wond’renMet vreugde en met verrukking staart!En moog’ de stof hem grenzen stellen:Hij is niet naar de stof meer mensch;Zijn geest ontplooit hem Eng’lenwieken,Het stof’lijke biedt hem geen grens.

Hij tracht naar ’t hoog’re, het Volmaakte,Omsluierd blijft de heerlijkheid,Nog wel voor hem aan gindsche zijde,Toch zijn zijn vleug’len uitgebreid,Om met den eersten wenk naar boven,Den eersten wiekslag hem vergund,Naar’t eeuwig Licht, nu voor zijne oogenDen laatsten aardschen nevel dunt.


Back to IndexNext